Voortgang Werkagenda mbo en Stagepact mbo
Brontekst
Versie 7daf91673657bc88 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 617 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 juli 2024Zonder vakmensen komt Nederland tot stilstand. Het mbo heeft eenessentiële rol om deze mensen op te leiden. De nauwe samenwerkinghierbij tussen het onderwijs en het bedrijfsleven in Nederland is uniek inde wereld. Echter kent het mbo op verschillende terreinen ook nog groteuitdagingen: het terugdringen van voortijdig schoolverlaten (vsv) onderstudenten, het bieden van kwalitatief goede stages, het op orde brengenvan de basisvaardigheden en het opleiden van voldoende vakmensenvoor de grote opgaven in de woningbouw, de zorg en de energietransitie.Om met deze uitdagingen aan de slag te gaan, is in februari 2023 deWerkagenda MBO «Samen Werken aan Talent» afgesloten met een bredevertegenwoordiging van partners in en rond het mbo.1 In de Werkagendastaan concrete doelen en acties om het mbo te versterken. Hierin staandrie prioriteiten centraal: (1) het bevorderen van kansengelijkheid; (2) hetverbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt (inclusiefhet Stagepact MBO 2023–2027) en (3) onderwijs voor de toekomst:kwaliteit, onderzoek en innovatie.Sinds februari 2023 is hard gewerkt aan de implementatie van deafspraken uit de werkagenda. Alle ondertekenaars hebben plannengemaakt om uitvoering te geven aan de werkagenda. In deze brief ga ik inop de voortgang die sinds de ondertekening van de Werkagenda en hetStagepact is geboekt. Ten eerste ga ik in op de geboekte voortgang perprioriteit uit de Werkagenda. De voortgang van het Stagepact is verwerktin de voortgang van de prioriteit «het verbeteren van de aansluitingtussen onderwijs en arbeidsmarkt». Ten tweede ga ik in op de kwaliteitsa-1Aangeboden als bijlage bij Kamerstukken II 2022/2023, 31 524, nr. 549. Partners/ondertekenaars:Ministerie van OCW, MBO Raad, Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO),Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Samenwerkingsorganisatie BeroepsonderwijsBedrijfsleven (SBB), VNO-NCW & MKB Nederland, Beroepsvereniging opleiders mbo (BVMBO),Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB mbo). kst-31524-617ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6171 genda’s van de mbo-instellingen.2 Tot slot ga ik in op enkele moties entoezeggingen die betrekking hebben op de Werkagenda en het Stagepact.Bij deze brief ontvangt uw Kamer tevens de startmeting van het monito-ringsprogramma van de Werkagenda, bestaande uit een rapport perprioriteit (de bijlagen 1 tot en met 3). De rapporten geven de stand vanzaken weer bij de start van de Werkagenda en het Stagepact. Tot en met2027 zal ik jaarlijks op basis van deze indicatoren in kaart brengen inhoeverre er verbetering zichtbaar is ten opzichte van deze startmeting inhet behalen van de doelen van de werkagenda en het stagepact. Ookstuur ik uw Kamer de evaluatie van de totstandkoming van deWerkagenda toe (bijlage 5). Hierover ga ik ook met de ondertekenaars vande Werkagenda in gesprek.De geboekte voortgang per prioriteitDe afgelopen periode is een voortvarende start gemaakt met deuitwerking en uitvoering van de Werkagenda en het Stagepact. Er is hardgewerkt om de mbo-instellingen en hun partners in staat te stellen deambities van de werkagenda en het stagepact te realiseren. Ik noemhieronder enkele mijlpalen. In bijlage 4 bij deze brief vindt uw Kamer eenuitgebreid voortgangsoverzicht van de verschillende acties.1. Kansengelijkheid Om ook in de toekomst voldoende vakmensen op te kunnen leiden enstudenten volledig tot hun recht te laten komen, zijn gelijke kansen voorelke student belangrijk. De Werkagenda beschrijft op het terrein vankansengelijkheid verschillende uitdagingen. Een grote groep studentenkampt met mentale problematiek, het aantal voortijdig schoolverlaters ishoog en studenten zijn lang niet altijd tevreden over de begeleiding opschool. Mbo-studenten kunnen nog niet overal volwaardig deelnemen aanhet studentenleven en zij voelen zich ook lang niet altijd gewaardeerd3.Daarom hebben we in de Werkagenda maatregelen aangekondigd omgelijkwaardigheid van studenten te bevorderen, kwetsbare studentenbeter te ondersteunen en hen te begeleiden in de stap van school naarwerk.De afgelopen periode zijn al belangrijke stappen gezet. Ten eerste is deaanpak van voortijdig schoolverlaten geïntensiveerd om zoveel mogelijkstudenten een kansrijke toekomst te bieden4. Toenemende uitval tast debestaanszekerheid van jongeren aan en betekent verlies aan potentieelgoed opgeleide vakmensen. Recent heeft uw Kamer hier ook aandachtvoor gevraagd in de vorm van de met algemene stemmen aangenomenmotie Soepboer over de moeizame herinstroom van studenten dieuitvallen.5 Ten tweede is het in het bijzonder voor kwetsbaarderestudenten belangrijk dat zij goed worden ondersteund in het onderwijs enbij de stap richting duurzaam werk. Samen met diverse partners in hetmbo werk ik daarom aan de Verbeteragenda passend onderwijs. Dezeloopt in 2025 af en de komende periode verken ik de vervolgstappen. Omjongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen in de stapvan school naar werk, stuur ik na de zomer het wetsvoorstel «van school2Alle kwaliteitsagenda’s zijn hier terug te vinden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/03/19/kwaliteitsagendas-2024-2027-middelbaar-beroepsonderwijs3Uit de Job-monitor (2024) blijkt dat 33% van de studenten zich net zoveel student voelt als eenstudent op een hbo-instelling of universiteit.4Het Actieplan voorkomen voortijdig schoolverlaten en begeleiden naar een kansrijke toekomstis meegestuurd als bijlage bij Kamerstukken II 2023/2024, 26 695, nr. 143.5Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 606.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6172 naar duurzaam werk» aan uw Kamer. Tot slot is het afgelopen najaar hetprogramma studentenwelzijn STIJN gestart. Dit programma ondersteuntonder meer het gesprek op mbo-instellingen over mentale gezondheid.Het bevorderen van gelijke kansen is niet alleen van belang binnen hetmbo. Om mbo-studenten gelijke kansen te bieden én te zorgen voorvoldoende vakmensen in de toekomst zal het mbo ook anders gewaar-deerd moeten worden in de maatschappij. De afgelopen periode is hetmaatschappelijk debat hierover aangewakkerd. De verschillende oplei-dingen in het vervolgonderwijs zijn gelijkwaardig aan elkaar en dieboodschap zal ik ook de komende periode blijven verkondigen. Maar eendebat alleen is niet voldoende. Ik vind het daarom goed om te zien dat eenmeerderheid van de mbo-instellingen in hun kwaliteitsagenda aangeefteen studentenkaart in te voeren en dat in steeds meer stedenmbo-studenten volwaardig kunnen deelnemen aan introductieweken.6 Dekomende periode verwacht ik ook van de resterende mbo-instellingen ensteden dat hierop actie wordt ondernomen. Tot slot vind ik het belangrijkdat het kiezen voor beroepsonderwijs een positieve keuze is. Zeker intekortsectoren is het van belang dat we voldoende vakmensen hebben.Om dit potentieel te benutten zijn inmiddels 22 samenwerkingsverbandenvan vo-, mbo- en hbo-instellingen gestart met het verbeteren van deaansluiting tussen de opleidingen in (regionale) tekortsectoren.72. Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt Voor de belangrijke maatschappelijke transities en het in stand houdenvan de brede welvaart zijn goed opgeleide vakmensen onmisbaar. Hetkiezen van een passende opleiding is een belangrijke stap in het leven vanjongeren en mede bepalend voor hun latere positie op de arbeidsmarkt enin de maatschappij. In de Werkagenda hebben de partners daaromafspraken gemaakt om de oriëntatie en voorlichting over mbo-opleidingenen beroepen te verbeteren, zodat studenten een weloverwogen keuzemaken. Ook zetten we in op het versterken van de beroepsbegeleidendeleerweg (bbl), omdat deze – zeker in tijden van arbeidsmarkttekorten – eenbelangrijke bijdrage kan leveren aan voldoende gekwalificeerdevakmensen. Op beide punten zijn de afgelopen periode verscheideneacties in gang gezet, die ik hieronder toelicht. Daarnaast zijn de effectenvan maatregelen onderzocht om studenten te stimuleren te kiezen vooropleidingen in tekortsectoren, waarmee de bijdrage aan de maatschappe-lijke opgaven in Nederland vergroot zou kunnen worden. De uitkomstenvan dit onderzoek vindt uw Kamer in bijlage 6.Oriëntatieprogramma’sDe meest genoemde reden voor studieuitval is dat de inhoud van deopleiding (toch) niet was wat studenten wilden8. Het maken van eenpassende en bestendige studiekeuze begint met goedeloopbaanoriëntatie- en begeleiding (LOB) in het voortgezet onderwijs. Ookin het mbo is het van belang dat studenten begeleid worden bij het makenvan loopbaankeuzes, het opdoen van loopbaanvaardigheden en deontwikkeling van hun professionele identiteit. Om LOB te versterken en teverbeteren heeft mijn voorganger vanaf 2023 jaarlijks structureel6Hiermee voldoe ik aan de toezegging gedaan in het Commissiedebat mbo van 16 april jl.(Kamerstuk 31 524, nr. 616) om in de voortgangsrapportage over de Werkagenda in te gaan opde studentenkaarten in het mbo.7Het betreft de subsidieregeling Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom, waarvoor toten met 2025 € 150 mln. beschikbaar is gesteld. Zie: Stcrt. 2024, nr. 11365 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-11365.html).8Factsheet voortijdig schoolverlaten ROA, tabel B2. Zie: https://roa.nl/sites/roa/files/roa_f_2021_5_factsheet_vsv_2020.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6173 € 32 miljoen geïnvesteerd in de verbetering en versterking van LOB.Daarnaast is in mei 2024 de beleidsregel oriëntatieprogramma’s gepubli-ceerd9. Momenteel bieden mbo-instellingen oriëntatieprogramma’s omstudenten die nog geen studiekeuze kunnen maken te begeleiden naareen passende keuze. In de beleidsregel wordt toegelicht welke wettelijkeruimte zij hebben om (her)oriëntatie aan te bieden. Conform de motieWesterveld/Tseggai10 is het op grond van de beleidsregel oriëntatiepro-gramma’s mogelijk voor studenten om meerdere domeinen te verkennenvoordat zij een studiekeuze maken. Zo kan een student ontdekken of dienszorgvuldigheid beter tot zijn recht komt in een opleiding tot mediavorm-gever of in een opleiding tot elektrotechnicus. Met een pilot laat ik tussen2024–2028 monitoren of oriëntatieprogramma’s effectief zijn in hetterugdringen van uitval en onnodige switch en of de wettelijke kaderstoereikend zijn of aanpassing behoeven. Daarbij volg ik met interesse deinhoudelijke keuzes van studenten: in welke mate kiezen studenten voorbijvoorbeeld bbl-opleidingen of opleidingen die bijdragen aan maatschap-pelijke opgaven als de zorg of de energietransitie?Bbl-offensiefMede naar aanleiding van de motie El Yassini11, werk ik op dit momentmet partners uit het mbo en bedrijfsleven aan het verder versterken vande positie van de bbl. Doel is dat meer studenten voor wie dit passend is,via een mbo-leerwerkplek binnen bedrijven worden opgeleid. Studentendie een bbl hebben gevolgd, hebben in de eerste 5 jaar na afstuderennamelijk een betere positie op de arbeidsmarkt12. Mede doordat dearbeidsmarkt krap is, stijgt de laatste jaren de instroom in de bbl. Van 26%van de totale instroom in het mbo in 2022, naar ruim 31% dit jaar13. Dit iseen positieve ontwikkeling. Duurzame versterking van de bbl blijft echternodig. Dat doe ik al op verschillende manieren. Enerzijds via beleidsmaat-regelen: de Subsidieregeling praktijkleren is bijvoorbeeld verlengd om hetbieden van leerwerkplaatsen te stimuleren. Anderzijds is communicatiebelangrijk: op verschillende plaatsen wordt inmiddels meer aandachtgevraagd voor de bbl, bijvoorbeeld in de brief dievmbo-examenleerlingen in oktober zullen ontvangen, bij de oriëntatiepro-gramma’s en binnen het Stagepact mbo. Daarnaast is verkend wat er nogmeer nodig is voor het versterken van de bbl. Op basis daarvan zijn sindsdit voorjaar gesprekken gevoerd met werkgevers, studenten, onderwijs enwerknemersbonden over nog meer concrete maatregelen voor eenbbl-offensief. Daarbij spreken we ook over de rol van werkgevers bij hetvoorzien in reis- en onkostenvergoedingen. Na de zomer informeer ik uwKamer over de uitkomsten.StagepactEen goede stage is belangrijk voor alle studenten. In het Stagepact MBO2023–2027 zijn met een brede coalitie van partners afspraken gemaakt omervoor te zorgen dat alle studenten een stage of leerbaan krijgen met9stcrt-2024-14731.pdf (officielebekendmakingen.nl).10Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 VIII, nr. 67.11Kamerstukken II 2022/2023, 31 524, nr. 517.12Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 590. Zie ook: Samen gericht opleiden voor wendbarevakmensen IBO Toekomstbestendigheid van het mbo | Rapport | Rijksoverheid.nl.13Zie bijlage 2 bij deze briefTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6174 uitstekende begeleiding en randvoorwaarden14, waaronder een passendevergoeding voor de stage. Uit de startmeting en de slotrapportageActieplan stages en leerbanen, bijlage 7 bij deze brief, blijkt dat er nu alenkele jaren geen wezenlijke stagetekorten meer zijn. Dat laat onverlet dater lokaal of voor bepaalde opleidingen (tijdelijk) sprake kan zijn van eentekort.De afgelopen periode hebben alle partners zich ingezet om de doelstel-lingen uit het Stagepact te bereiken. Lang niet alle mbo-instellingenhadden bij de start van het Stagepact beleid op stagediscriminatie.Sindsdien is er veel in gang gezet bij de mbo-instellingen om stagediscri-minatie te voorkomen en tegen te gaan. Een eerste blik op de kwaliteits-plannen van de mbo-instellingen laat zien dat op veel mbo-instellingenhard wordt gewerkt om meldpunten stagediscriminatie in te richten, detoegankelijkheid te vergroten, dan wel om onder studenten meerbekendheid te geven aan al bestaande meldpunten. Ook zijn dembo-instellingen aan de slag met stagematching. Op 12 juli jl. is hetonderzoek van SEO en Verwey-Jonker instituut naar knelpunten enrandvoorwaarden van stagematching gepubliceerd.15 De inzichtenworden door de scholen en betrokkenen benut voor de implementatie vanstagematching en het onderzoek zal onderdeel worden van de voort-gangsrapportage in het najaar.Vanuit OCW, SBB, VNO-NCW/MKB-Nederland en de MBO Raad wordeninstellingen en leerbedrijven ondersteund bij het verbeteren van destagebegeleiding en bij de aanpak van stagediscriminatie16. Zo onder-steunt de MBO Raad mbo-instellingen door hen met het KennispuntBeroepspraktijkvorming (BPV) te informeren over het Stagepact en tezorgen voor een lerend netwerk van BPV-coördinatoren vanuit allembo-scholen. In 2023 en 2024 organiseerde OCW een landelijk Stagepact-evenement waar betrokkenen uit scholen, leerbedrijven en regio’ssamenkwamen om inspiratie, kennis en goede voorbeelden uit tewisselen. Ook heeft SBB de ondersteuning aan praktijkopleiders vanleerbedrijven versterkt en VNO-NCW/MKB-NL lanceerde de website«check je stageplek» voor werkgevers17.Tot slot is het voor mij van groot belang dat studenten die stagelopen eenpassende stagevergoeding ontvangen. De sociale partners hebben op12 oktober 2023 – verenigd in de Stichting van de Arbeid – hierover eenaanbeveling gedaan.18 Dat was een mooie eerste stap. Nu zijn in circa10% van de cao’s afspraken opgenomen over stagevergoeding voorstudenten uit de beroepsopleidende leerweg (bol). Dit percentage moet(fors) omhoog. Ik wil daarom werkgevers nogmaals oproepen omstudenten een stagevergoeding te bieden en sociale partners vragen omhierover afspraken te maken in cao’s. Ook streef ik in dit verband naar uwKamer eind 2024 over het onderzoek naar de invoering van een minimumstagevergoeding te informeren, naar aanleiding van de motie Stultiens en14Aangeboden als bijlage bij Kamerstukken II 2022/2023, 31 524, nr. 549. Partners/ondertekenaars: Ministerie van OCW, Ministerie van SZW, MBO Raad, Nederlandse Raad voorTraining en Opleiding (NRTO), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Samenwerkingsor-ganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), VNO-NCW & MKB Nederland, Beroepsver-eniging opleiders mbo (BVMBO), Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB mbo), CNVOnderwijs, CNV Jongeren, FNV, FNV Young & United, Algemene Onderwijsbond (AOb),Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOv).15Het proces van stagematching in het mbo; Het perspectief van studenten en leerbedrijven -SEO Economisch Onderzoek16Aanpak Stagediscriminatie voor mbo-scholen | Rapport | Rijksoverheid.nl17Stagepact - Ondernemen.nl - Ondernemen.nl18Brief aan decentrale partijen over passende stagevergoeding | Stichting van de Arbeid(stvda.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6175 Ergin19. Mocht er de komende tijd onverhoopt toch onvoldoende van degrond komen dan behoort een wettelijke regeling van de stagevergoedingook nog altijd tot de mogelijkheden.Onderzoek «studiekeuze in beweging»Bovenstaande laat zien welke stappen er al zijn ondernomen om deaansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt te versterken. Maar als westudenten echt willen opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, iser meer nodig. Op dit moment kiezen nog teveel studenten voor oplei-dingen die beperkte kansen op een duurzame plek op de arbeidsmarktopleveren. Mijn voorganger heeft dit onder andere beschreven in zijnKamerbrief van 13 december 202320. Steeds vaker klinkt daarom de roepom sturende maatregelen vanuit de overheid. De effecten van dergelijkemaatregelen zijn tot op heden onbekend. Daarom is een onderzoekuitgevoerd naar de effectiviteit van acht mogelijk stimulerende maatre-gelen in het mbo, hbo en wo. Het gaat om: (1) numerus fixus, (2)verlaging collegegeld, (3) verlaging of afschaffing lesgeld, (4) tweedestudie in zorg en onderwijs tegen wettelijk collegegeld, (5) verhogingsalaris BBL, (6) baangaranties, (7) diplomabonus en (8) warme overdracht.Veel van de onderzochte maatregelen zijn niet (op grote schaal) in depraktijk uitgevoerd. Er is dus geen experimenteel bewijs dat dezemaatregelen in de praktijk bewezen effectief zijn. In het onderzoek isdaarom met name gebruik gemaakt van een vignettenstudie en interviewsmet belanghebbenden en focusgroepen. Het rapport trekt daaromgrotendeels conclusies over de verwachte effectiviteit van onderzochtemaatregelen, en niet over de daadwerkelijke effectiviteit.Uit het onderzoek blijkt dat van de meeste maatregelen niet kan wordenbewezen dat het effect heeft op het verhogen van de instroom in bepaaldeopleidingen voor tekortsectoren. De verwachte effectiviteit is laag. Welworden er positieve effecten verwacht van de verhoging van hetbbl-minimumloon. Ook is het effectief om jongeren al vanaf jonge leeftijdte ondersteunen met goede loopbaanbegeleiding, voorlichting enmogelijkheden voor oriëntatie. Voor de andere maatregelen geldt dat zemogelijk wel andere effecten hebben die belangrijk zijn voor het opleidenvan voldoende mensen voor maatschappelijke sectoren. Zo kan numerusfixus bijdragen aan het voorkomen van instroom in opleidingen metminder arbeidsmarktperspectief, en kunnen een diplomabonus, debaangarantie en een warme overdracht van school naar werk uitvaltijdens de studie voorkomen.In het kader van een tweetal moties ga ik nog concreet in op tweeonderzochte maatregelen.In de motie El Yassini/Kwint21 is gevraagd om te onderzoeken op welkemanier baangaranties, zoals de AanDeBak-garanties op Rotterdam Zuid,breder kunnen worden ingezet in Nederland. Voor het verhogen van deinstroom in tekortsectoren noemt het onderzoek deze maatregel alslosstaand instrument «beperkt effectief». Studenten die twijfelen tussentwee opleidingen in hun interessegebied nemen de baangarantie mee inhun overweging bij het kiezen van een studie. Als de baangarantie wordtafgegeven bij een opleiding buiten het interessegebied, dan geldt dat niet.Sommige groepen zijn volgens het onderzoek vatbaarder voor debaangarantie dan anderen. Met name jongeren die zijn opgegroeid in een19Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 VIII, nr. 64.20Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 592.21Kamerstukken II, vergaderjaar 2022–2023, 31 524, nr. 553.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6176 omgeving waar er «slechtere ervaringen» zijn met de arbeidsmarkt,nemen de baangarantie eerder in overweging.Op Rotterdam Zuid staat de baangarantie niet op zichzelf. De AanDeBak-garantie is het sluitstuk van een breed en langdurig LOB-programma. Alvanaf groep 6 wordt er gefocust op drie sectoren: zorg, techniek en haven.Leerlingen ontvangen veel ondersteuning en begeleiding. De garantiedient als extra stimulans om leerlingen te motiveren. In december 2023 isdoor de 19 burgemeesters die betrokken zijn bij het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid afgesproken te onderzoeken op welke manierde AanDeBak-garanties (loopbaanoriëntatie en baangaranties) onderdeelkunnen worden van de gebiedsgerichte aanpak in hun focusgebied(en).Om de gebieden hierbij te ondersteunen hebben de Ministeries van BZKen OCW in april jl. een werksessie georganiseerd waar de gebieden eenstart maakten met een lokaal plan met behulp van beschikbare kennis uitRotterdam Zuid en betrokkenheid van VNO-NCW. Naast Rotterdam Zuidwordt inmiddels in 17 van de 20 focusgebieden gewerkt aan een plan voorloopbaanoriëntatie en baangaranties als onderdeel van de gebiedsge-richte aanpak. O.a. in Tilburg Noord-West en Roosendaal-Ring wordternaar gestreefd later dit jaar de eerste AanDeBak-garanties te lanceren.Dat doet mij deugd en ik ben benieuwd naar de resultaten. De motie doeik hierbij gestand.Conform de motie Bouchallikht/De Hoop22 is in het onderzoek ten slotteook specifiek gekeken naar het effect van de kosten van leermiddelen opde studiekeuze van mbo studenten. Er zijn geen aanwijzingen gevondendat verschillen in schoolkosten mbo-studenten ontmoedigen om voor eenopleiding in een tekortsector te kiezen. De kosten van leermiddelen lijkenook niet significant hoger in tekortsectoren. Daarnaast blijkt dat toekom-stige studenten en hun ouders doorgaans bij het kiezen van de studie nietnaar de schoolkosten kijken. De motie doe ik hierbij gestand. In het najaarinformeer ik uw Kamer in bredere zin over de stand van zaken en mijnambities op het onderwerp schoolkosten, gelijktijdig met het versturenvan de marktverkenning leermiddelenmarkt mbo.3. Kwaliteit, onderzoek en innovatie Het mbo leidt haar studenten op voor de arbeidsmarkt of een vervolg-studie en ook om volwaardig deel te kunnen nemen aan onzemaatschappij als geheel. Basisvaardigheden en burgerschap zijn daarinbelangrijke pijlers. In april jongstleden heeft mijn voorganger uw Kameruitgebreid geïnformeerd over de Aanpak basisvaardigheden in het mbo.Deze aanpak sluit aan op de afspraken die we in de Werkagenda hebbengemaakt en schept de randvoorwaarden voor goed basisvaardighedenon-derwijs. Denk daarbij aan aanpassing van wet- en regelgeving enaanvullende eisen voor docenten basisvaardigheden. Het belang van deinzet op basisvaardigheden wordt onderstreept door het dalendepercentage studenten dat met een voldoende voor het centraal examenNederlands (77% in 2022/2023) of het examen rekenen het mbo verlaat. Ikvind het van het grootste belang om dit tij te keren. Ook op het terrein vanburgerschap is de afgelopen periode het nodige werk verzet. Zo herijk ikde kwalificatie-eisen en zal er een instellingsexamen worden ingevoerd.Tot slot vind ik ook de positie van het mbo in onderzoek belangrijk.Praktijkgericht onderzoek levert een wezenlijke bijdrage aan de opgavenwaar we als maatschappij voor staan. Het biedt nieuwe inzichten en eenander perspectief. Daarom zijn het Comeniusprogramma en de Onder-wijspremie ook voor het mbo opgezet om onderzoek in het mbo te22Kamerstukken II, vergaderjaar 2022–2023, 31 524, nr. 555.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6177 stimuleren. Ook hebben mbo-instellingen extra middelen (€ 3 miljoen)gekregen om nieuwe practoraten te starten en bestaande practoraten uitte breiden.Het werken aan onderwijskwaliteit is één van de prioriteiten van deWerkagenda en dit zal met de voorgestelde aanpak op, onder andere, debasisvaardigheden de komende periode ook blijven. Hiermee voer ik demotie van het lid Tseggai23 uit. Hierin wordt de regering verzocht om hetverbeteren van de onderwijskwaliteit in het mbo de komende periodeprioriteit te maken.Kwaliteitsagenda’s: motor voor uitvoeringSamen met in- en externe partners, zoals het regionale bedrijfsleven,gemeenten en de ondernemings- en studentenraad, hebben allembo-instellingen een kwaliteitsagenda ontwikkeld waarin zij aangevenhoe zij werk maken van de ambities in de Werkagenda en het Stagepact.Dit hebben zij gedaan op basis van een uitgebreide analyse van hunpositie op de verschillende doelstellingen. Daarbij hadden dembo-instellingen ook nadrukkelijk de mogelijkheid om eigen keuzes temaken. De instellingen kregen ruimte om te prioriteren via het «pas toe ofleg uit» principe. Per maatregel uit de Regeling kwaliteitsafspraken kon deinstelling in haar plan beargumenteren of de maatregel wordt toegepastof niet. Overigens zijn vier maatregelen wel verplicht gesteld vanwege dehoge urgentie op die terreinen, te weten: loopbaanoriëntatie, een tweetalmaatregelen rondom stages24, carrièreperspectief en practoraten.BeoordelingsprocesDe mbo-instellingen hebben aan de hand van de Regeling kwaliteits-afspraken mbo 2024–2027 hun kwaliteitsagenda’s opgesteld. In hunkwaliteitsagenda vertalen zij de doelstellingen uit de Werkagenda enhet Stagepact naar hun eigen regio en instelling. In tegenstelling totde eerdere rondes voor de aanvraag van kwaliteitsmiddelen is nuniet gekozen voor een resultaatafhankelijk deel van de aanvullendebekostiging. Uitgangspunt is het vertrouwen in de professionals inhet veld om de juiste keuzes te maken. Uiteraard in gezamenlijkoverleg met hun regionale partners. Een gezamenlijke monitoringom de ontwikkelingen te volgen en – waar nodig – bij te sturen hoortdaar bij.Commissie Kwaliteitsafspraken MBO (CKMBO)De CKMBO is een onafhankelijke commissie die mij heeft geadvi-seerd over de ingediende kwaliteitsagenda’s. Zij staan dembo-instellingen met raad en daad bij tijdens het schrijfproces en devervolmaking van hun agenda’s en adviseren mij vervolgens aan dehand van het beoordelingskader van de Regeling kwaliteitsafsprakenof de ingediende kwaliteitsagenda van voldoende niveau is.Uiteindelijk neem ik een besluit over de ingediende kwaliteitsagenda.Beoordeling van de plannenDe mbo-instellingen konden op twee momenten hun kwaliteitsa-genda indienen. In de eerste tranche hebben tien instellingen hunplannen ingediend, in de tweede tranche hebben de overige 4223Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 610.24Professionaliseren van stagebeleid en stagebegeleiders en studenten op de hoogte brengenvan de wijze waarop ze (binnen en buiten de instelling) stagediscriminatie kunnen melden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6178 instellingen hun kwaliteitsagenda aangeboden.25 Inmiddels is hetbeoordelingsproces van alle kwaliteitsagenda’s voor de periode2024–2027 afgerond. Vier instellingen hebben gebruik gemaakt vande herkansingsmogelijkheid. Ook deze vier instellingen hebbeninmiddels een positief oordeel mogen ontvangen. Dembo-instellingen hebben (afhankelijk van de ronde) in maart of juni2024 de middelen ontvangen. Ook de instelling die in de tweederonde gebruik heeft gemaakt van de herkansingsmogelijkheid krijgtbinnen afzienbare tijd de middelen.Na goedkeuring van de kwaliteitsagenda, ontvangen de instellingenkwaliteitsmiddelen om invulling te geven aan hun plannen. Inmiddelshebben alle mbo-instellingen een positief oordeel ontvangen en demiddelen toegekend gekregen. Het gaat in 2024 om een bedrag van ruim€ 700 miljoen. Het is al met al een intensief proces geweest. De instel-lingen hebben hierbij ondersteuning en advies ontvangen van deCommissie Kwaliteitsafspraken MBO (CKMBO) en de MBO Raad.Eerste beelden uit de kwaliteitsagenda’sDe kwaliteitsagenda’s zijn een belangrijke motor bij de uitvoering van dedoelstellingen van de Werkagenda en het Stagepact. Er is veel werk verzetbij de vorming van de agenda’s. Ik waardeer de inzet van dembo-instellingen en hun partners. Ik heb mooie kwaliteitsagenda’s derevue zien passeren. Veel van de analyses die instellingen hebbengemaakt, leveren hen nieuwe inzichten op voor nieuwe of hernieuwdesamenwerking en maatregelen. Het laat zien dat een flink aantal instel-lingen in de sector stappen heeft gezet in het (her)positioneren van hetmbo in de regio.Een eerste blik op de begrotingen in de plannen laat zien dat dembo-instellingen relatief veel middelen inzetten op de doelstellingenrondom het verbeteren van de begeleiding voor mbo niveau 2-studenten,het terugdringen van vsv en het verbeteren van het carrièreperspectief.Voor deze doelstellingen hebben de instellingen ook specifiek budgetontvangen. Op verschillende punten, zoals bijvoorbeeld vsv en stagebege-leiding, zie ik dat er een duidelijke samenhang is tussen de omvang vanproblematiek en de hoeveelheid middelen die de instelling hieraanuitgeeft vanuit de kwaliteitsagenda.Als ik de begrotingen in de kwaliteitsplannen nader bekijk zijn er echterook aandachtspunten. De mbo-instellingen zetten hun middelen vaakverspreid over vrijwel alle doelstellingen in. De meerderheid van deinstellingen (zo’n 60%) zet geld op alle doelstellingen in. Ook past eengroot deel van de instellingen nagenoeg alle maatregelen toe binnen diedoelstelling. Ze maken in die zin dus beperkt uitgesproken keuzes. Datmaakt dat op elk thema iets gebeurt, maar de vraag is of dat dan genoegis om echte verandering te bewerkstelligen op de thema’s die voor deinstelling en de sector als geheel nodig zijn. Het is weliswaar positief omte zien dat instellingen op alle doelstellingen verbetering willen bereiken,maar dit kent ook risico’s. Ten eerste dat de inzet van middelen (enmensen) versnippert, ten tweede dat er mogelijkerwijs te weinig metersworden gemaakt op de grootste uitdagingen voor de instelling en desector als geheel. De komende periode wil ik hierover het gesprek met deinstellingen en de sectorvertegenwoordigers aangaan. De uitkomstenhiervan zal ik opnemen in de brief dit komend najaar aan uw Kamer.25In verband met de fusie van ROC van Amsterdam met ROC TOP, hebben deze instellingen inoverleg met de CKMBO gezamenlijk een plan ingediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6179 Op sommige punten en bij een aantal mbo-instellingen is nog meerambitie nodig als we de beweging die we met de Werkagenda voor ogenhebben ook echt willen realiseren. Ik licht hieronder twee thema’s uitwaarbij de lat (bij een deel van de instellingen) de komende periode nogverder omhoog moet.ËStagepact: De uitvoering van het Stagepact is en blijft van onvermin-derd belang. Een flink aantal mbo-instellingen zet in op versterking vande begeleiding. Ik zie echter nog niet bij alle mbo-instellingen debenodigde urgentie. In een aantal kwaliteitsagenda’s zie ik, bijvoor-beeld, een afwachtende houding ten aanzien van de afgesproken(minimaal) drie contactmomenten tijdens de stage. Datzelfde geldtvoor het professionaliseren van het stagebeleid en de stagebegelei-ders. Op dit moment is slechts 36% van de studenten tevreden met debegeleiding door de instelling26. De mbo-instellingen formuleren hierweliswaar doelen op, maar de ambitie voor 2027 ligt vaak slechtsenkele procentpunten hoger. Uit een eerste beschouwing van dekwaliteitsagenda’s, blijkt dat instellingen die op dit vlak een grotereuitdaging hebben, niet meer ambitie tonen dan instellingen die het alaanmerkelijk beter doen. Ik ga dit nader analyseren, maar ga hieroveruiteraard ook met de sector in gesprek.ËOpleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst: Mbo-instellingen maken in hun kwaliteitsagenda’s weinig scherpe keuzesmet betrekking tot hun opleidingsaanbod. Dit is zorgelijk, ook omdatde Werkwijze Kansrijk Opleiden van het onderwijs en het bedrijfslevenis gestopt27. Willen we ook in de toekomst voldoende vakmensenopleiden, dan vraagt dit om keuzes in het opleidingsaanbod en het(verder) stimuleren van de studiekeuze van studenten richtingbepaalde opleidingen. Samenwerking in de regio, met het bedrijfsle-ven en met andere mbo-instellingen, is daarbij cruciaal. Vooral omdathet aantal studenten in het mbo de komende jaren zal dalen en devraag naar goed opgeleide vakmensen onverminderd hoog lijkt teblijven. Het is dus essentieel dat hierop stappen worden gezet, juistook voor de maatschappelijke uitdagingen waar Nederland voor staat.Vanwege deze uitdagingen is het belangrijk niet alleen te zorgen vooreen goede aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt, naarook dat studenten worden opgeleid voor de arbeidsmarkt van detoekomst. Ik kom daarom in het najaar met een aanpak voor hetopleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Hierin neem ik deuitkomsten van het eerder genoemde onderzoek «studiekeuze inbeweging mee». Ook benut ik hierbij de uitkomsten van het advies vande Commissie Macrodoelmatigheid MBO (CMMBO) «sturing eninstandhouding van regionale mbo infrastructuur». Dit advies wordtbijgevoegd bij de brief waarin uw Kamer wordt geïnformeerd over deaanpak op dalende studentenaantallen.Het vervolg: monitoring, analyse en sturing.Om te kunnen zien of de gewenste beweging plaatsvindt is voor deWerkagenda en het Stagepact een monitoringsprogramma opgezet28. De(bijgevoegde) startmeting vormt hiervoor de basis. De partners volgen dekomende jaren de ontwikkeling van de indicatoren horend bij dedoelstellingen uit de Werkagenda en het Stagepact, bespreken het verhaalachter deze informatie en sturen waar nodig bij. Uw Kamer wordt elknajaar over deze voortgang geïnformeerd middels een tussenmeting eneen bijbehorende voortgangsbrief. Komend najaar staat daarin de inhoud26Zie bijlage 2 bij deze brief.27Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 604.28Deze indicatoren zijn benoemd in het Monitoringsplan «Zicht op wat werkt» (aangeboden bijKamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 572)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 61710 van de Kwaliteitsagenda’s centraal. Ik heb dan ook meer gedetailleerdinzicht in de (concrete) doelstellingen die voor 2027 zijn geformuleerd enwelke middelen instellingen daaraan koppelen. Met die informatie kan ikook terugkomen op de motie Martens-America en De Kort (beiden VVD)over het koppelen van concrete doelstellingen aan gelden29. In het najaarvan 2025 volgt bij de tussenmeting tevens een «mid-term review». Datmoment kan gebruikt worden om, indien nodig, meer ingrijpend bij testuren.Op bovenstaande wijze geef ik invulling aan het met uw Kamerafgesproken proces van verantwoording en (waar nodig) de bijstelling vande aanpak. Ik wil daarbij wel benadrukken dat de startmeting nog geenresultaten laat zien van de reeds gedane inspanningen. Overigens leideningezette acties ook niet in alle gevallen direct tot zichtbare effecten. Veelbewegingen hebben enige tijd nodig om zichtbaar te worden.Moties en toezeggingenNaar aanleiding van debatten met uw Kamer zijn er enkele motiesaangenomen en is een aantal toezeggingen gedaan op specifiekeonderdelen van de Werkagenda en het Stagepact. Gezien de recentekabinetswisseling zal ik mijn reactie op een aantal moties en toezeggingniet nu, maar (kort) na de zomer aan uw Kamer doen toekomen. Op eenviertal moties en toezeggingen informeer ik uw Kamer wel in deze brief.Motie Westerveld over extracurriculaire activiteitenConform de motie van het lid Westerveld (GL/PvdA)30 is onderzocht hoehet ook voor minderjarige mbo-studenten zonder startkwalificatie31mogelijk kan worden gemaakt om een vrijstelling te krijgen voorextracurriculaire activiteiten. Minderjarige mbo-studenten zonderstartkwalificatie hebben een kwalificatieplicht en moeten daaromonderwijs volgen. Hiermee willen we de kansen van startende jongerenop de arbeidsmarkt vergroten. Op dit moment kunnen kwalificatieplichtigembo-studenten daarom geen vrijstelling krijgen voor bijvoorbeeld eenvoltijds bestuursjaar. Om dit wel mogelijk te maken is een wijziging nodigvan de Leerplichtwet, de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) enlagere regelgeving. Hiermee kan vrijstelling van de kwalificatieplichtmogelijk gemaakt worden. Daarnaast zijn wijzigingen in wet- en regel-geving nodig ten aanzien van studiefinanciering, lesgeld en financiëlecompensatie voor het oplopen van studievertraging.Moties van de leden De Jong (D66)/De Hoop (GL/PvdA) en de ledenDassen (VOLT)/Koekoek (VOLT)/De Hoop (GL/PvdA)/Van der Plas (BBB)over Erasmus+De motie van de leden Romke de Jong (D66) en De Hoop (GroenLinks/PvdA)32 verzoekt de regering Europese samenwerking te stimuleren doorprogramma’s als Erasmus+ onder de aandacht te brengen bij scholen enpartijen. Zo kan innovatief taalonderwijs via digitale leermethoden voorminderheidstalen verder gestimuleerd worden. Het kabinet stimuleertminderheidstalen op verschillende manieren. Zo heeft de voormaligMinister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties in april 2024 de29Kamerstukken II 2023/2024, 36 560 VIII, nr. 12.30Kamerstukken II 2023/2024, 31 524, nr. 587.31Een startkwalificatie betekent dat iemand in het bezit is van minimaal een diploma havo, vwoof mbo-niveau 232Kamerstukken II 2022/2023, 36 200 VII, nr. 127.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 61711 Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer (BFTK)33 ondertekend, waarin Rijken provincie vastleggen op welke manier zij in de periode 2024–2028werken aan de bescherming en bevordering van de Friese taal en cultuur.Daarnaast verzoeken de leden Dassen (VOLT), Koekkoek (VOLT), De Hoop(GroenLinks/PvdA) en Van der Plas (BBB) in een motie34 om (mede) opbasis van het onderzoek «Internationalisering in het mbo» een plan teontwikkelen om de mogelijkheden voor mbo-studenten op het gebied vaninternationalisering te faciliteren en benutten.35 Daarbij zou ook gekekenmoeten worden naar wat er binnen mbo-instellingen nodig is. Uw Kameris in de Kamerbrief van 13 december 202336 geïnformeerd over hetgenoemde onderzoek naar internationalisering in het mbo. Dit onderzoeklaat zien dat mbo-studenten goed gebruik maken van de mogelijkhedenvan Erasmus+ in het mbo. En dat zij daarbij ondersteund worden doorinternationaliseringscoördinatoren. Het budget voor individuele mobiliteitwordt ruim overvraagd. Om tegemoet te komen aan de behoefte vanmbo-studenten, verken ik momenteel hoe we in EU-verband kunneninzetten op een uitbreiding van het Erasmus+-budget voor individuelemobiliteit in het mbo.Motie Dassen over wederzijdse diplomaerkenningIn de motie Dassen37 heeft uw Kamer gevraagd om inspanning voorwederzijdse erkenning van mbo-diploma’s tussen Europese lidstaten, metals voornaamste inzet het wegnemen van barrières voor de maatschap-pelijk cruciale sectoren. Dit sluit aan bij prioriteiten in de Werkagendambo38. Afgelopen jaar is in Europees verband hiervoor aandachtgevraagd. Bij een werkbezoek aan Spanje in april 2023 heeft de voormaligMinister van OCW met de Spaanse Minister van Onderwijs en Beroepson-derwijs afgesproken een pilot te starten over wederzijdse diploma-erkenning in het mbo. Onder leiding van het Spaanse Ministerie vanOnderwijs is vervolgens een inventarisatie gedaan naar het starten vaneen pilot op dit thema in Spanje, Nederland en Portugal, en voornoemdemotie uitgevoerd.Ten behoeve van de verkenning heeft SBB, op verzoek van OCW, in kaartgebracht welke kwalificaties overeenkwamen of vergelijkbaar zijn metSpaanse kwalificaties in de sectoren logistiek, constructie, civiele techniek,energie en verduurzaming van de gebouwde omgeving. De verkenninglaat zien dat wederzijdse diploma-erkenning in het mbo (zeer) complex is.Dit komt niet alleen door de variëteit in stelsels van beroepsonderwijs,maar ook doordat beroepen en de hiervoor benodigde kennis envaardigheden per land kunnen verschillen. Bijvoorbeeld op het vlak vanmaterialenkennis of de handelingen die iemand mag uitvoeren. Tijdenshet Spaanse EU-voorzitterschap zijn de resultaten gepresenteerd en ishierop gereflecteerd gedurende de halfjaarlijkse vergadering vanDirecteuren-Generaal voor Beroepsonderwijs (DGVT). Hierbij was ook eenNederlandse delegatie aanwezig. Het voorzitterschap stelde voor eenonline catalogus van kwalificaties te maken, om vergelijkbare kwalificaties33https://cuatro.sim-cdn.nl/fryslan/uploads/bestuursafspraak_fries_taal_en_cultuur_2talig.pdf?cb=1PADP9sK34Kamerstukken II 2022/2023, 36 200 VIII, nr. 120.35W. van Casteren, J. Lodewick, P. den Boer, E. Keppels, «Internationalisering in het mbo»,ResearchNed, oktober 2023. Zie: https://open.overheid.nl/documenten/d67a9c46-8222-45f5-83b7-74ad927667b1/file36Kamerstuk 22 452, nr. 87.37Kamerstukken II, vergaderjaar 2022–2023, 36 200 VIII, nr. 121.38Onder prioriteit 1 (kansengelijkheid) binnen de Werkagenda mbo is opgenomen dat OCW ingesprek gaat met het veld over het wegnemen van barrières, waaronder wederzijdseerkenning van diploma’s tussen landen, om de Europese arbeidsmarkt te benutten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 61712 in EU-landen inzichtelijker te maken. Hiervoor was echter onvoldoendedraagvlak. Ook werd geconcludeerd dat er al veel hulpmiddelenbeschikbaar zijn.Om Europese arbeidsmobiliteit te bevorderen, ook ondermbo-afgestudeerden, is het benodigd om inzichtelijk te maken over welkekennis en/of vaardigheden een individu beschikt. Daarom verleg ik defocus naar initiatieven die kansrijker zijn. Ten eerste is dat het recent doorde Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel NLQF, dat ervoor moetzorgen dat het niveau van opleidingen in Europa onderling vergeleken kanworden. Ten tweede helpt de ontwikkeling van de nationale skillstaalCompetentNL39, welke aansluit op de Europese standaard ESCO40, hierbij.Hiermee kan namelijk fijnmaziger worden beschreven wat iemand al kent,leert in een opleiding en nodig heeft op de arbeidsmarkt.Tot slot wil ik mij meer richten op de grensregio’s, daar waar leren enwerken over de grens een alledaagse realiteit is. Met partners in deNederlandse-Duitse grensregio wordt op dit moment verder verkend water nog meer mogelijk en nodig is om de arbeidsmobiliteit voormbo-afgestudeerden verder te verbeteren. Daaraan gekoppeld kijk ik ookhoe uitvoering gegeven kan worden de motie Dassen waarin de regeringis verzocht te onderzoeken hoe het Benelux-Baltische verdrag ook voormbo-opleidingen en kwalificaties te laten gelden.41 Ik zal uw Kamerhierover op de hoogte houden.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins39Zie voor meer informatie: https://www.competentnl.nl/.40ESCO staat voor European Skills, Competences, Qualifications and Occupations en is eenEuropese classificatie van vaardigheden, competenties en beroepen. Zie ook: https://esco.ec.europa.eu/nl/about-esco/what-esco.41Kamerstukken II 2023/2024, 31 288, nr. 1121.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 61713
Gerelateerde bronnen
- In de voortgangsrapportage Werkagenda mbo komt de minister terug op de problemen rondom studentenkaarten.
In de voortgangsrapportage Werkagenda mbo komt de minister terug op de problemen rondom studentenkaarten.
- Over het onderzoek naar effectiviteit van stimulerende maatregelen in het mbo, zoals het gemakkelijker switchen van studie, wordt de Kamer voor de zomer 2024 ge
Over het onderzoek naar effectiviteit van stimulerende maatregelen in het mbo, zoals het gemakkelijker switchen van studie, wordt de Kamer voor de zomer 2024 geïnformeerd.
- De minister gaat verkennen wat de mogelijkheden zijn om mbo-studenten de ruimte te bieden een bestuursjaar te doen en komt daar voor de zomer 2024 bij de Kamer
De minister gaat verkennen wat de mogelijkheden zijn om mbo-studenten de ruimte te bieden een bestuursjaar te doen en komt daar voor de zomer 2024 bij de Kamer op terug.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.