De maandenlange vertraging van woningbouwproject Beekweide II in Renswoude
Brontekst
Versie 415c954ee8ac696f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2026–2027Vragen gesteld door de leden der Kamer 2026Z21189Vragen van de leden Steen (CDA) en Nobel (VVD) aan de Ministers vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur over de maandenlange vertraging vanwoningbouwproject Beekweide II in Renswoude (ingezonden 6 oktober 2026).Vraag 1Bent u bekend met het bericht «Konijnen en hazen dwarsbomen nieuwbouw-wijk Renswoude: «Dit is tenenkrommend en bureaucratie ten top»» overwoningbouwproject Beekweide II in Renswoude, waar sinds 1 oktober dewerkzaamheden weer mogen worden hervat, nadat de bouw van circa 40woningen bijna een half jaar vertraging had opgelopen?1Vraag 2Deelt u de mening dat vermijdbare vertraging van woningbouwprojectenmoet worden voorkomen, omdat woningzoekenden daardoor langer op eenwoning wachten, kopers langer in onzekerheid verkeren en de haalbaarheidvan woningbouwprojecten onder druk kan komen te staan? Zo nee, waaromniet?Vraag 3Welke lessen trekt u uit Beekweide II voor de voorspelbaarheid van ecolo-gisch onderzoek, werkprotocollen en de beoordeling daarvan, nu uiteindelijkbinnen de geldende soortenbescherming een werkwijze is gevondenwaarmee de werkzaamheden konden worden hervat?Vraag 4Wat vindt u ervan dat Utrecht de vrijstelling voor de haas bij ruimtelijkeontwikkelingen heeft geschrapt, terwijl in 2022 ook in Limburg een dalendeprovinciale trend van de hazenpopulatie was vastgesteld en Limburg dezevrijstelling wel heeft behouden?1De Telegraaf, 24 september 2026 (https://www.telegraaf.nl/binnenland/konijnen-en-hazen-dwarsbomen-nieuwbouwwijk-renswoude-dit-is-tenenkrommend-en-bureaucratie-ten-top/161859135.html) kv-tk-2026Z21189’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2026–2027, Vragen1 Vraag 5Wat vindt u ervan dat Utrecht en Zeeland als enige twee provincies devrijstelling voor het konijn bij ruimtelijke ontwikkelingen niet kennen, terwijlde populatie van het konijn landelijk sterk is afgenomen en de andere tienprovincies bij datzelfde landelijke beeld de vrijstelling wel hebben behouden?Vraag 6Klopt het dat een ongunstige staat van instandhouding op zichzelf nietautomatisch betekent dat een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingenjuridisch onmogelijk is, maar dat zo’n vrijstelling onder meer geen afbreukmag doen aan het streven de populaties in een gunstige staat van instand-houding te laten voortbestaan? Zo nee, hoe luidt de juridische toets dan welprecies?Vraag 7Deelt u de mening dat provincies een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelin-gen niet onnodig moeten schrappen wanneer juridisch en ecologisch kanworden onderbouwd dat deze geen afbreuk doet aan het streven depopulaties in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan,juist omdat het schrappen van zo’n vrijstelling woningbouw met extraonderzoek en vergunningprocedures kan belasten? Zo nee, waarom niet?Vraag 8Hoe gaat u werk maken van de afspraak in het regeerakkoord om provincialenatuurregels te uniformeren zodat ze de bouw niet bemoeilijken?Vraag 9Welke verschillen tussen provincies in vrijstellingen, beoordelingscriteria eneisen aan mitigatie en compensatie wilt u bij deze uniformering concreetwegnemen?Vraag 10Welke knelpunten in flora- en faunaregels neemt u mee bij de uitvoering vande aangenomen motie-Mooiman c.s. (Kamerstuk 28 325, nr. 325), die vraagtom bestaande knelpunten en de samenhang tussen bouwregels mee tenemen in de jaarlijkse Vereenvoudigingswet en tegenstrijdigheden enstapelingen van eisen voor de bouw te voorkomen?Vraag 11Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Nobel (Kamerstuk28 325, nr. 322) om alle gemeenten die nog niet met een soortenmanage-mentplan zijn begonnen ertoe te bewegen daar in 2026 mee te starten en bijgemeenten die al zijn gestart aan te dringen op versnelling? Welke aanvul-lende actie neemt u om deze motie nog dit jaar uit te voeren?Vraag 12Hoe gaat u uitvoering geven aan het advies van STOER om een landelijkestandaard voor beoordelingsprocessen met uniforme criteria te ontwikkelen,zodat verschillen in de beoordeling van flora- en fauna-activiteiten tussenprovincies en omgevingsdiensten worden verminderd?Vraag 13Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling in dat rapport om mitigatie-en compensatiemaatregelen landelijk verder te standaardiseren, zodat voorafduidelijker is welke maatregelen in beginsel toereikend zijn, met ruimte voornoodzakelijk ecologisch maatwerk?Vraag 14Gaat u de in dat rapport voorgestelde landelijke compensatiecatalogusuitwerken, zodat vooraf duidelijker is welke compenserende maatregelenkunnen worden geaccepteerd en hierover niet per woningbouwprojectopnieuw langdurige discussie ontstaat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2026–2027, Vragen2 Vraag 15Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om mogelijkte maken dat een groter gebied van lagere ecologische kwaliteit wordtgecompenseerd door een kleiner gebied van aantoonbaar hogere ecologischekwaliteit?Vraag 16Hoe gaat u uitvoering geven aan de in dat rapport voorgestelde worst-casebenadering, waarbij voor geschikte soorten en werkzaamheden wordtuitgegaan van mogelijke aanwezigheid en direct passende mitigerendemaatregelen worden getroffen, zodat soortgericht onderzoek waar datecologisch verantwoord is kan worden beperkt?Vraag 17Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om hetmaatschappelijke belang van woningbouw in het Besluit kwaliteit leefomge-ving explicieter als dwingende reden van groot openbaar belang vast teleggen voor Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soortenVraag 18Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de gevolgen van reedsbekende beschermde soorten, zoals de kerkuil en steenuil die bij Beekweide IIal in ecologische onderzoeken uit 2024 en 2025 waren aangetroffen, tijdigworden beoordeeld en benodigde maatregelen en vergunningen vóór de startvan werkzaamheden duidelijk zijn, zodat woningbouwprojecten niet tijdens deuitvoering alsnog vertraging oplopen?Vraag 19Klopt het dat een dwingende reden van groot openbaar belang bij vogelricht-lijnsoorten, zoals de kerkuil en steenuil, geen zelfstandige afwijkingsgrond isen dat het maatschappelijke belang van woningbouw daardoor niet via dezeroute kan worden meegewogen?Vraag 20Gaat u in het verdere verloop van de lopende Europese stresstest van deVogel- en Habitatrichtlijn actief bepleiten dat een dwingende reden van grootopenbaar belang ook voor Vogelrichtlijnsoorten als afwijkingsgrond mogelijkwordt, zodat het maatschappelijke belang van woningbouw in deze afwegingkan worden betrokken? Hoe gaat u deze inzet concreet vormgeven?Tweede Kamer, vergaderjaar 2026–2027, Vragen3
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.