KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgangsbrief Jeugdbescherming

16 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 56147eb9babfc9da · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 839JeugdzorgNr. 1089 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 juni 2025In deze verzamelbrief jeugdbescherming informeer ik uw Kamer, medenamens de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, over mijnbeleidsreactie op het wetenschappelijk onderzoek van de UniversiteitLeiden naar terugplaatsing na een gedwongen uithuisplaatsing; over mijneerste reactie op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten vande Mens (hierna: EHRM) op 15 april jl. in de zaak Van Slooten t. Nederlanden over het briefrapport van de IJenV «Inzichten Inspectie Justitie enVeiligheid over non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbe-schermingsketen». Voorts neem ik u mee in de voortgang van een aantalrelevante onderwerpen, zoals het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbe-scherming in de jeugdbescherming», het normenkader voor de certifi-cering van gecertificeerde instellingen en het feitenonderzoek.Uithuisplaatsing en terugplaatsingOp het terrein van uithuisplaatsing en terugplaatsing zijn twee belangrijkeontwikkelingen te benoemen: het wetenschappelijk onderzoek van deUniversiteit Leiden naar terugplaatsing na een gedwongen uithuis-plaatsing en de uitspraak van het EHRM op 15 april jl. in de zaak VanSlooten t. Nederland. Beide ontwikkelingen brengen inzichten enhandvatten voor de praktijk. De uitspraak van het EHRM zet een belang-rijke norm bij uithuisplaatsing en terugplaatsing, namelijk dat maatre-gelen moeten worden genomen om de hereniging tussen ouders en kindte bespoedigen en dat ingrijpende maatregelen, zoals een perspectiefbe-sluit en een gezagsbeëindigende maatregel, gebaseerd moeten zijn opkwalitatief goed onderzoek en een zorgvuldige belangenafweging. Hetonderzoek van de Universiteit Leiden toont aan dat duurzame terug-plaatsing geen vanzelfsprekendheid is en er worden aanbevelingengedaan om de praktijk van terugplaatsing te verbeteren. kst-31839-1089ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10891 Onderzoek naar terugplaatsen na een gedwongen uithuis-plaatsingHet rapport Terugplaatsen na een gedwongen uithuisplaatsing is op11 februari 2025 gepubliceerd en in opdracht van het WODC door deUniversiteit Leiden uitgevoerd. Het onderzoek is vernieuwend, omdat erweinig uitgebreid onderzoek is gedaan naar de praktijk van gedwongenuithuisplaatsing en terugplaatsing van kinderen. De onderzoekers hebbennaast uitgebreid dossieronderzoek en een juridische analyse ookgesprekken gevoerd met (pleeg)ouders, kinderen en professionals. Ze zijnerin geslaagd een omvangrijk en gedegen beeld op te leveren. Debelangrijkste aanbevelingen gaan over het uniform werken conform deRichtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing, over de omgang na uithuis-plaatsing, over spoedmachtigingen voor uithuisplaatsing, de samen-werking tussen pleegzorg en jeugdbescherming. Ten slotte doen deonderzoekers concrete aanbevelingen voor vervolgonderzoek. Daar ben ikhen zeer erkentelijk voor.Beleidsreactie op rapport terugplaatsen na een gedwongenuithuisplaatsingHet onderzoek is uitgevoerd in de periode 2023–2024 waarbij dossiers vankinderen zijn geanalyseerd voor wie in 2018 een machtiging uithuis-plaatsing werd uitgesproken. Dit terugkijken brengt met zich mee datsindsdien op sommige punten een doorontwikkeling heeft plaatsge-vonden. Zo is het aantal uithuisplaatsingen in het gedwongen kader enspoedmaatregelen ten opzichte van 2018 in 2024 gedaald.1 Ook zijnverbeteringen in gang gezet, zoals de verlaging van de caseload vanjeugdbeschermers zodat er meer tijd is voor gezinnen, de start van depilot kosteloze rechtsbijstand en de aandacht voor het perspectiefbesluitin relatie tot de kinderbeschermingsmaatregelen.Het rapport van de Universiteit Leiden is belangrijk en medebepalendvoor ons beleid ten aanzien van uithuisplaatsen en terugplaatsen.Ondanks alle goede intenties voelen kinderen en ouders zich niet altijdgehoord en gezien, en ervaren zij vaak onrecht. De steun en hulp die zijverwachten blijft uit. Gelet op het aantal terugplaatsingen na uithuisplaat-singen, het aantal spoedmachtigingen en de regionale verschillen tussende GI’s is het noodzakelijk dat wij verbeteracties doorvoeren, nieuw beleidontwikkelen en waar nodig werken aan cultuurverandering. In mijn optieklevert een ieder (rijk, gemeenten, jeugdhulp- en jeugdbeschermingsorga-nisaties, professionals, ouders en kinderen) daaraan een bijdrage, zodatwij gezamenlijk werken aan zoveel mogelijk voorkomen van uithuis-plaatsen en toewerken naar een veilige opvoedplek. Ook het Toekomst-scenario kind- en gezinsbescherming en de Hervormingsagenda Jeugdhebben dit op het vizier.Richtlijnen en perspectiefbepaling kindDe Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing vormt de basis vanwaaruit wordt gewerkt, maar de praktische werkwijze om invulling tegeven aan de richtlijnen verschilt per GI.2 Als gevolg van deze verschil-lende werkwijzen is de diversiteit groot, zo blijkt uit het onderzoek.3 De1Zie een instroom van 1.710 voorlopige ondertoezichtstellingen in Jeugdbescherming enjeugdreclassering 2018, Den Haag: CBS 2018 en 1.280 in Jeugdbescherming en jeugdreclas-sering 2024, Den haag: CBS 2024.2De Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing | Richtlijnen Jeugdhulp en Jeugdbescherming isin 2023 aangescherpt.3M.R. Bruning e.a., Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing, Den Haag: WODC 2025,p. 244–245.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10892 onderzoekers bevelen daarom een meer gestandaardiseerde werkwijzeaan. In algemene zin is het natuurlijk zo dat de richtlijn het «wat»voorschrijft en vrijlaat «hoe» daaraan invulling wordt gegeven. Tegelij-kertijd is het onwenselijk vanuit het perspectief van rechtsgelijkheid als deuitwerking teveel verschilt. De GI’s zien vanuit hun wettelijke taak ook hetbelang om uniform te werken en geven daar invulling aan door oplandelijke niveau samen te werken op belangrijke thema’s als verklarendanalyseren en het verbeteren van het feitenonderzoek. Een belangrijkonderdeel van de werkwijze bij een uithuisgeplaatst kind is de perspectief-bepaling. Dit gaat over het proces rondom de vraag waar het kind na eenuithuisplaatsing het beste kan opgroeien: (weer) thuis of elders. Dezeperspectiefbepaling is een cruciaal moment bij een uithuisplaatsing meteen enorme impact op kinderen en gezinnen. Dat is de reden waarom debeslissing over het perspectiefbesluit in het wetsvoorstel «Wet terversterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wettelijkwordt geregeld en expliciet bij de kinderrechter wordt neergelegd. Hetontbreekt echter nog aan voldoende kennis over en onderbouwing van demanier waarop dit perspectief in de uitvoering van de GI wordt bepaald. Ikvind het belangrijk om op dit punt meer eenduidigheid in de uitvoering tekrijgen. Daarom ben ik met de Universiteit Leiden in gesprek over de startvan een onderzoek met als doel om te komen tot een meer uniforme engestructureerde werkwijze voor het bepalen van het perspectiefbesluit,samen met kinderen en ouders. Doel is te komen tot een onderbouwdemethode en werkwijze voor de perspectiefbepaling, gebaseerd op hetafwegingskader uit de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing.Omgang na UithuisplaatsingUit het onderzoek blijkt dat omgang tijdens uithuisplaatsing een voorspel-lende factor kan zijn voor een succesvolle terugplaatsing. Zoals uit hetonderzoek naar voren komt gebruiken GI’s verschillende instrumenten ommet ouders en kinderen tot een omgang- en contactregeling te komen.Daarvoor bestaat geen uniforme aanpak of methodiek. De onderzoekersbevelen daarom aan dit te faciliteren.In opdracht van mijn ministerie is in het project Betekenisvolle bandeneen nieuwe werkwijze ontwikkeld voor professionals om te komen tot eengedragen omgangsregeling in het kader van de uithuisplaatsing. Ditinstrument sluit aan bij de meest actuele stand van de wetenschap o.a.rondom hechting en is tot stand gekomen door een actieve samenwerkingtussen kinderen, (pleeg)ouders, professionals en wetenschap. Deontwikkeling van dit instrument is nagenoeg voltooid en zal voor dezomer actief beschikbaar worden gesteld aan de GI’s en aan jeugdhulp-aanbieders zoals de pleegzorg, inclusief ondersteunend materiaal entraining. Dit geeft jeugdbeschermers en alle betrokkenen handvatten bijhun complexe afwegingen rondom omgang en contact en zal bijdragenaan meer uniformiteit in de werkwijze, die recht doet aan het belang vanhet kind. Omdat omgang tijdens een uithuisplaatsing belangrijk is, is inhet wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in dejeugdbescherming» opgenomen dat de GI binnen zes weken na uithuis-plaatsing een omgangsplan dient op te stellen in samenspraak metouders en minderjarige. Ook is omgang met broers en zussen van hetuithuisgeplaatste kind onderdeel van dit plan. Lukt het niet met ouders totovereenstemming te komen, dan legt de kinderrechter een omgangsre-geling vast. Met deze voorgestelde wijzigingen beoog ik te waarborgendat ieder kind dat in het kader van een gedwongen uithuisplaatsing nietbij ouders opgroeit, wel verbonden kan blijven met belangrijke personenuit het eigen netwerk. Daarmee kom ik tegemoet aan de aanbevelingenvan de onderzoekers om dit omgangsrecht wettelijk vast te leggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10893 SpoedmachtigingenUit het onderzoek blijkt dat in 43% van alle dossiers een uithuisplaatsinggestart is via een spoedprocedure. Bij dergelijke acute uithuisplaatsingenstaat de rechtsbescherming extra onder druk. Ik onderschrijf de aanbeve-lingen van de onderzoekers dat er meer inzicht nodig is in waarom inzoveel zaken een spoedmaatregel wordt ingezet. We hebben onvoldoendezicht op de kenmerken die spoedzaken typeren, en op interventies diebijdragen aan het terugbrengen van het aantal spoedzaken. Dit vergt eennadere analyse waarover ik deze zomer in gesprek ga met de rechtspraak,de RvdK, Jeugdzorg Nederland, politie en advocatuur. Daarnaast heeft deRvdK laten weten dat op dit moment de landelijke werkwijze voorspoeduithuisplaatsing wordt aangescherpt en nog dit jaar wordt geïmple-menteerd. De Rvdk heeft daarbij expliciete aandacht voor het voorafhoren van ouders en kinderen en het verkennen van alternatieven.Samenwerking pleegzorg en jeugdbeschermingDe onderzoekers constateren dat onduidelijkheid kan bestaan in derolverdeling tussen de jeugdbeschermer en de pleegzorgmedewerker.Bijvoorbeeld wanneer de pleegzorgmedewerker een perspectiefonderzoekuitvoert, terwijl dit normaliter door de jeugdbeschermer zelf wordtgedaan. Deze taakverschuiving komt voor en dit levert rol-onduidelijkheidop. Als gevolg hiervan kan ook sprake zijn van visieverschillen overterugplaatsing. De onderzoekers bevelen daarom aan de rollen, taken enverantwoordelijkheden tusen GI en pleegzorg te verduidelijken. Recent ismet de branchevereniging Jeugdzorg Nederland afgesproken dat dehuidige samenwerkingsafspraken uit 2016 tussen de GI’s en de pleegzorgworden geëvalueerd. Het punt van de rolonduidelijkheid wordt betrokkenbij de op te stellen samenwerkingsafspraken tussen jeugdbescherming enpleegzorg/gezinshuizenzorg naar aanleiding van de inspectierapportenover de pleegzorg ten aanzien van het meisje in Vlaardingen.Vervolgonderzoek naar effectiviteit uithuisplaatsen en terugplaatsenDe onderzoekers tonen aan dat wanneer tijdens de uithuisplaatsing hulpwordt ingezet voor het kind en de ouders of het gezin, de kans opterugplaatsing meer dan twee keer zo groot wordt. Ook na de terug-plaatsing blijft steun en hulp nodig. Aan de beschikbaarheid van tijdige enpassende hulp wordt gewerkt in het kader van Hervormingsagenda. Datbetreft ook de hulp die nodig is gedurende de uithuisplaatsingen en dejuiste nazorg bij een terugplaatsing.Tot op heden is weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naareffectieve interventies die bijdragen aan succesvolle terugplaatsing na eengedwongen uithuisplaatsing, waarbij rekening wordt gehouden metspecifieke doelgroepen, zoals ouders en kinderen die te maken hebbenmet een beperking, ouders met traumatische jeugdervaringen engezinnen waarin sprake is van huiselijk geweld en kindermishandeling.4Ook zijn er nauwelijks studies verricht naar de lange termijn effecten vaneen gedwongen uithuisplaatsing en een terugplaatsing. Ik volg deaanbevelingen van de onderzoekers en ik ben voornemens onderzoeknaar deze punten te initiëren.4Zie in dit verband: «Hoe bescherm je kinderen als het thuis onveilig is» Erasmus UniversiteitRotterdam/Verwey Jonker instituut, MJ Steketee/EHJ Doelman e.a. 27 oktober 2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10894 Uitspraak EHRM Van Slooten t. Nederland en Rapport Terug-plaatsing na gedwongen uithuisplaatsingHet EHRM oordeelde op 15 april jl. dat de beëindiging van het ouderlijkgezag van een moeder over haar jonge dochter in strijd was met artikel 8EVRM (recht op respect voor gezins- en familieleven). Het EHRM steldevast dat de autoriteiten de mogelijkheid van hereniging van het kind metde moeder al in een vroeg stadium hadden opgegeven, zonder eengedegen beoordeling van de opvoedingsvaardigheden van de moeder,zonder een grondige analyse van de kwetsbaarheid van het kind, enzonder afdoende aan te tonen waarom hereniging niet langer in hetbelang van het kind zou zijn. Het EHRM heeft daarom geoordeeld dat indeze zaak artikel 8 EVRM (recht op respect voor gezinsleven) isgeschonden.Het is belangrijk deze uitspraak te duiden in de context van de ontwikke-lingen in de jeugdbescherming van het afgelopen decennium. In de eersteplaats is er steeds meer erkenning voor de mogelijke schadelijke effectenvan een uithuisplaatsing op het kind en het gezin.5 Het beleid is gericht ophet zoveel mogelijk voorkomen van uithuisplaatsingen. Daar waar eenuithuisplaatsing als ultimum remedium wordt ingezet, is de focus steedsmeer komen te liggen op het bevorderen van terugplaatsing. Dat blijktonder meer uit de vernieuwde Richtlijn Uithuisplaatsing en Terug-plaatsing, die ook een afwegingskader bevat voor de beoordeling vanterugplaatsing naar huis. Daarnaast is er in de richtlijn aandacht voor hetbelang van gedeeld opvoederschap en het behoud van hechtingsrelaties,ook wanneer een kind tijdelijk niet bij de biologische ouders woont.6Verder bleek uit de Eindevaluatie van de Wet herziening kinderbescher-mingsmaatregelen dat professionals en kinderrechters terughoudenderzijn geworden met het verzoeken om en opleggen van gezagsbeëindi-gende maatregelen.7 Deze terughoudendheid komt deels voort uitknelpunten in het jeugdhulpstelsel, maar ook uit de overtuiging datgezagsbeëindiging disproportioneel kan zijn wanneer er bijvoorbeeldgeen stabiele opvoedplek beschikbaar is en vanwege de impact die hetgezagsverlies kan hebben op ouders en kinderen.8Het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbe-scherming» sluit aan bij deze ontwikkelingen en voortschrijdendeinzichten. Het bevorderen van thuisplaatsing na een uithuisplaatsing iséén van de doelen. De voortgang van dit wetsvoorstel wordt verderop indeze brief nader toegelicht.Mijn ministerie voert overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, deGI’s (Jeugdzorg Nederland) en rechtspraak om de eventuele implicatiesvoor de huidige praktijk, beleid en wet- en regelgeving te bespreken.Nederland moet uiterlijk binnen zes maanden na het definitief worden vande uitspraak een «action plan» over de tenuitvoerlegging van dezeuitspraak aan het Comité van Ministers sturen. Hierin wordt toegelichtwelke maatregelen zijn genomen in het individuele geval en welkemaatregelen worden genomen om vergelijkbare schendingen in detoekomst te voorkomen. Uw Kamer zal via de reguliere voortgangsbrieven5M.R. Bruning e.a., Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing, Den Haag: WODC 2025,p. 226–227.6Uithuisplaatsing en terugplaatsing | Richtlijnen Jeugdhulp en Jeugdbescherming.7M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Nieuwerechtsgronden in een haperend jeugdbeschermingsstelsel, Den Haag: WODC 2022.8M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, Nieuwerechtsgronden in een haperend jeugdbeschermingsstelsel, Den Haag: WODC 2022, p. 75.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10895 Jeugdbescherming op de hoogte worden gehouden van de maatregelendie hieruit voortkomen.Inzichten Inspectie Justitie en Veiligheid over non-discriminatieen gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketenOp 18 februari 2025 heeft u de brief «Inzichten Inspectie Justitie enVeiligheid over non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbe-schermingsketen» van de Inspectie Justitie en Veiligheid ontvangen.9 DeInspectie constateert dat alle organisaties het belang onderstrepen vangelijke behandeling van de gezinnen met wie zij werken en het voorkomenvan discriminatie. De Inspectie ziet ook risico’s op discriminatie binnen dejeugdbescherming. De overheid en de jeugdbeschermingsketen hebbende wettelijke plicht om te zorgen voor gelijke behandeling van allegezinnen en om discriminatie te voorkomen. Dit is belangrijk vanaf heteerste contact van een gezin met een gemeentelijk (wijk)team of VeiligThuis én gedurende het vervolg in de jeugdbeschermingsketen. Dit themais daarom stevig verankerd in de beroepscode voor professionals. Ik vindhet belangrijk dat alle organisaties in de jeugdbeschermingsketen zichblijven inzetten om ervoor te zorgen dat het recht op gelijke behandelingvan kinderen en ouders altijd voorop staat. Hiervoor is in ieder gevalvoldoende kennis onder alle medewerkers nodig over discriminatie engelijke behandeling. Ook is het belangrijk dat de organisaties regelmatighun eigen handelen onder de loep nemen en daarmee snel risico’s opdiscriminatie onderkennen. Net als bij de reactie op het rapport van deUniversiteit Leiden gaat het hier om het uniformeren van de werkwijzen,opleidingen en methodieken. De inzet van de GI’s is gericht op verdereimplementatie en uniform toepassen van de richtlijnen en beroepscodesin de jeugdbescherming. Dat doen ze door dit thema op landelijk niveaumet de verschillende functies bij alle GI’s (bestuurders, juristen, gedrags-wetenschappers, kwaliteitsadviseurs) periodiek te bespreken. Daarinworden ook de aanbevelingen van het briefrapport van de inspectiebetrokken.Op 9 april jl. heeft het Verwey-Jonker Instituut het rapport «Werken aankansengelijkheid door de Raad voor de Kinderbescherming» gepubli-ceerd. Dit onderzoek is in opdracht van de RvdK uitgevoerd naardiscriminatie bij de RvdK. U ontvangt op korte termijn een reactie op hetverzoek van uw Kamer om een reactie op dit onderzoek, alsmede op deschriftelijke Kamervragen die hierover zijn gesteld.Bewaartermijnen dossiers Commissie de WinterIn het eindrapport van Commissie De Winter naar Geweld in deJeugdzorg (d.d. juni 2019) is onder meer de aanbeveling gedaan om decliëntdossiers die worden beheerd door jeugdzorginstellingen voorminstens 100 jaar te bewaren.Deze cliëntdossiers kunnen van grote waarde zijn voor slachtoffers die opzoek zijn naar verklarende informatie over de gebeurtenissen in hetverleden. De toenmalige Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) en voor Rechtsbescherming hebben in hun beleidsreactie van21 februari 2020 aangegeven welwillend te staan tegenover de aanbe-veling over de cliëntdossiers, maar deze nader te willen laten onderzoekendoor een commissie die hierover een zwaarwegend advies zal uitbrengen.De uitwerking is vanwege corona in combinatie met capaciteitsgebrekvertraagd, maar heeft sinds het najaar van 2024 weer de volle aandacht.Samen met de GI’s en Jeugdzorg Nederland wordt gezocht naar eenmanier om de dossiers duurzaam te beheren en in samenspraak met de9Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 1067Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10896 bewindslieden van VWS en OCW een besluit te nemen over de bewaar-termijn van de cliëntdossiers van de GI’s. Binnen JenV zal de CommissieAdvies Informatie en Openbaarheid gevraagd worden hierover teadviseren. We hebben GI’s opgeroepen daarop vooruitlopend geendossiers te vernietigen die de uiterste bewaartermijn bereiken.Aansluitend wordt samen met VWS, OCW en Jeugdzorg Nederlandonderzocht hoe om moet worden gegaan met cliëntdossiers vanjeugdhulpaanbieders. In de eerstvolgende voortgangsbrief Jeugd kan ikuw kamer meenemen in het tijdspad van dit traject.Voortgang Wetstraject «Versterking rechtsbescherming in dejeugdbescherming»Op 18 november 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de contourenvan het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbe-scherming». Vervolgens heb ik op 19 december 2024 dit wetsvoorstel ininternetconsultatie gebracht. Deze consultatiefase liep van 19 december2023 tot en met 19 maart 2025. Het wetsvoorstel versterkt de rechtsbe-scherming van kwetsbare gezinnen die te maken krijgen met eenkinderbeschermingsmaatregel, zodat zij beter worden gehoord, betrokkenen ondersteund. Er zijn meer dan 80 reacties ontvangen, van zowelburgers als ketenpartners, zoals de RvdK, GI’s, Raad voor de Rechtspraak,advocatuur, wetenschap en belangengroepen. Ik hecht grote waarde aanalle reacties die zijn binnengekomen. Deze reacties onderstrepen hetbelang van dit wetsvoorstel. De komende maanden zal ik de ontvangenreacties analyseren en verwerken. Het streven is om dit najaar hetwetsvoorstel ter advisering voor te leggen aan de Afdeling advisering vande Raad van State.Verbetering feitenonderzoek (kwaliteit besluitvorming)In mijn brief van 2 december 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat deVeilig Thuis-organisaties, de Gecertificeerde Instellingen en de Raad voorde Kinderbescherming, met financiële ondersteuning van het Ministerievan Justitie en Veiligheid, sinds eind 2023 werken aan gerichte verbete-ringen van de kwaliteit van besluitvorming.Eind 2024 heeft hiertoe een pilot gelopen die gericht was op hetgezamenlijk volgen van de training «Feiten in de keten» waarna eenimplementatie-traject zou plaatsvinden om verbeteringen in de organi-saties door te voeren. Op basis van de bevindingen uit deze pilot alsmedevan andere signalen vanuit de organisaties, is in de loop van 2025besloten de koers van het project te verleggen. De initiële aanpak bleeknamelijk niet aan te sluiten bij de behoeften van de organisaties, die vaakal zelf maatregelen in gang hadden gezet om de kwaliteit van besluit-vorming te verbeteren. Er zal daarom meer maatwerk moeten plaats-vinden en aangesloten worden bij wat al ontwikkeld is. Hiervoor zal voorde zomer 2025 een «wegwijzer» worden ontwikkeld, waarin onder andereeen overzicht is opgenomen van praktische tools die kunnen wordeningezet(zoals een training, intervisie of gericht op cultuurverandering). Perorganisatie zijn er ambassadeurs aangetrokken, die gezamenlijk eenlandelijk ketenbreednetwerk vormen en die met behulp van de wegwijzerwerken aan verdere verbeteringen binnen hun organisatie. De organi-saties vinden het belangrijk hier uitvoering aan te geven. Voorts zal naarverwachting voor de zomer 2025 het monitoringsinstrument gereed zijn,waarmee organisaties na implementatie van die monitor inzicht krijgen inde kwaliteit van de uitvoering van het feitenonderzoek.Het verbeteren van de kwaliteit van het feitenonderzoek en daarmee debesluitvorming is veelomvattend en gaat bijvoorbeeld ook over het goedbetrekken en positioneren van kinderen en ouders bij besluitvorming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10897 Daarmee is het een zaak van lange adem die vooral ook cultuurveran-dering en een reflectieve lerende houding vraagt. Met bovengenoemdtraject zetten we hier op in, zodat het blijvende aandacht krijgt vanorganisaties en professionals. Voorts dragen ook andere trajecten hieraanbij, zoals het wetstraject om de rechtsbescherming in de jeugdbe-scherming te verbeteren en ook in de ontwikkeling van het Toekomstsce-nario Kind- en Gezinsbescherming is dit een belangrijke pijler. Dit komtbijvoorbeeld naar voren in het gewenste terugdringen van het estafette-model, meer langdurig betrokken vaste gezichten en daarmee gepaardminder overdracht van informatie. Aanvullend wordt gewerkt aan hetHandelingskader, bedoeld om bij te dragen aan een eenduidige werkwijzeen het maken van weloverwogen beslissingen door professionals en debijbehorende verantwoording daarvan. De opbrengsten van bovenge-noemd traject zullen daarin worden opgenomen.Normenkader certificering gecertificeerde instellingenDe Commissie van Belanghebbenden10 heeft begin dit jaar besloten omhaar advies van 13 april 2023 in te trekken. Daarin pleitte zij met het oogop vermindering van de regeldruk voor aanpassing van het normenkaderjeugdbescherming en reclassering dat de eisen bevat die zien op hetborgen van de kwaliteit van de uitvoering. In de afgelopen periode is eenzorgvuldig proces doorlopen, waarbij intensief overleg is gevoerd tussende Commissie, het ministerie, het Keurmerk Instituut en de Raad voorAccreditatie. Hieruit is gebleken dat de voorgestelde wijzigingen groten-deels betrekking hadden op de manier waarop de GI» s getoetst engecertificeerd worden – oftewel het zogeheten certificeringsproces11. Dezewijzigingen vereisen een aanpassing van de Jeugdwet. Dergelijkeaanpassingen passen beter binnen het bredere traject van het Toekomst-scenario kind- en gezinsbescherming. Daarom is geconcludeerd dat hetop dit moment niet opportuun is om het normenkader aan te passen. Metde Commissie is dan ook afgesproken dat haar advies zal wordenmeegenomen in het vervolg van dit bredere traject.In de tussentijd is gewerkt aan een ontwerp- en ontwikkelmodule alsaanvulling op het normenkader. Deze module biedt ruimte aan de GI’s om,binnen de geldende wettelijke kaders, te experimenteren met vernieu-wende werkwijzen en arrangementen zoals bijvoorbeeld binnen deproeftuinen. Deze experimenteerruimte vormt een aanvulling op hetbestaande normenkader en draagt bij aan de voorbereiding van toekom-stige ontwikkelingen. De ontwerp- en ontwikkelmodule treedt naarverwachting vóór de zomer 2025 in werking.Monitorinformatie Gecertificeerde Instellingen peildatum 1 april2025Met de invoering van de verbeterde landelijke tarieven is de werkdruk/workload bij de GI’s sterk verbeterd. In de brief van 2 december hebbenwe u bericht dat de met de landelijke tarieven beoogde werkdrukverlagingis gerealiseerd. De GI’s hebben op peildatum 1 april 2025 zelfs nog eenverdere daling van de werkdruk gerealiseerd. Daarmee is de werkdrukinmiddels met bijna 30% verlaagd ten opzichte van eind 2022. Met dezeverlaging is ook invulling gegeven aan de aanbeveling van de inspecties10De Commissie van Belanghebbenden is het onafhankelijke adviesorgaan voor het Ministerievan Justitie en Veiligheid, die adviseert over het normenkader jeugdbescherming en reclas-sering. Het bestaat uit vertegenwoordigers van vier pijlers: GI’s, cliëntenorganisaties,Inspecties en gemeenten.11Jeugdbescherming/reclassering – Certificatie Zorg & Welzijn – Zorg & Welzijn – CertificatieInspectie Opleidingen - KeurmerkinstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10898 om zorg te dragen dat jeugdbeschermers voldoende tijd en ruimte krijgenom de kinderen en ouders adequaat te kunnen begeleiden.Het aantal kinderen dat in het gedwongen kader begeleid wordt, daalt nogwel maar minder dan in de voorgaande perioden; van 31.416 kinderen op1 oktober 2024, naar 31.230 kinderen op 1 april 2025. Het aantal kinderendat wacht op een vaste jeugdbeschermer is – na de stijging op peildatum1 oktober 2024 – weer gedaald12. Bij een meerderheid van de dertien GI’s(ruim 60%) is geen sprake meer van een wachtlijst of is sprake van eenrelatief kleine wachtlijst (i.e. minder dan 3% van het totaal aantal kinderenper GI). Bij een kleine 40% van de GI’s is helaas nog sprake van eenrelatief grote wachtlijst. De verwachting was dat nu de lagere workloadgrotendeels gerealiseerd is de GI’s meer ruimte zouden hebben om tewerken aan het verder terugdringen van de wachtlijsten. Mogelijk spelener andere (regionale) factoren waardoor het omlaag brengen van dewachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer – ondanks alle maatregelendie door de betreffende GI genomen zijn – vooralsnog niet gelukt is (b.v.een hogere regionale instroom van nieuwe kinderen of dat een GI nogrelatief ver boven de gemiddelde workload zit). We hebben op dit momentnog onvoldoende zicht op de specifieke oorzaken hiervan.Op dit moment wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)en de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) bij vijf GI’s toezicht uitge-voerd13. De resultaten van het toezicht per GI worden voor het einde vande zomer verwacht en zullen inzicht geven in de specifieke situatie per GIen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de wachtlijst verderterug te dringen. Daarnaast verschijnt na de zomer een overkoepelendepublicatie van de inspecties met rode draden uit het toezicht bij deonderzochte GI’s.Het is nu aan de betreffende GI’s en de gemeentelijke opdrachtgevers omwaar noodzakelijk (aanvullende) maatregelen te nemen om zorg te dragendat kinderen tijdig een vaste jeugdbeschermer hebben. Vanuit het Rijkzullen we de ontwikkeling van de wachtlijsten nauwgezet volgen. Deresultaten van het toezicht door inspecties zullen daarbij belangrijkeaanknopingspunten bieden. In de brief die we u eind 2025 ten behoevevan het wetgevingsoverleg jeugd zullen sturen, informeren we u over devoortgang.Ontwikkeling aantal kinderen, workload en wachtlijst sinds 1 december 20221 dec20221 mei20231 okt20231 april20241 okt20241 april2025Kinderen/jeugdigen34.04333.13032.42932.08031.41631.230Gemiddelde workload per fte17,116,315,314,212,612,0Wachtlijst vaste Jeugd-beschermer2.0721.6171.4981.3431.4961.358 Cliënten•Het totaal aantal jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatrege-len bij GI’s is verder afgenomen van 31.416 kinderen op 1 oktober 202412Voor alle kinderen die op de wachtlijst staan voor een vaste jeugdbeschermer, geldt dat de GIzicht houdt op de veiligheid van het kind. Hiertoe voeren de GI’s risico- en veiligheidstaxatiesuit, handelen direct wanneer dat nodig is en maken zij afspraken met het lokale veld enzorgaanbieders over het inzetten en het continueren van jeugdhulp.13https://www.igj.nl/publicaties/rapporten/2025/02/27/zorgen-over-kinderen-die-wachten-op-jeugdbescherming-en-jeugdreclasseringTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10899 naar 31.230 kinderen op 1 april 202514. Naar verwachting wordt innovember 2025 een eerder aangekondigd WODC onderzoek gepubli-ceerd naar verklarende factoren voor de veranderende instroom vanhet aantal jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringstra-jecten sinds 2019.Capaciteit en werkdruk•De formatie aan (ondersteunend) jeugdbeschermers/jeugd-reclasseerders bij de GI’s is toegenomen van 2.604 fte op 1 oktober2024 tot 2.681 fte op 1 april 2025. Naast deze functies worden ookandere medewerkers ingezet in het primaire hulpverleningsproces inhet kader van functiedifferentiatie. In totaal bedraagt op 1 april 2025 detotale formatie die wordt ingezet voor de uitvoering vanjeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen 2.767 fte.•De landelijke gemiddelde organisatieworkload is verder gedaald van12,6 naar 12,0 kinderen per medewerker. De afgesproken landelijketarieven zijn gebaseerd op gemiddeld 12,8 kinderen per fte. Bij de startvan deze GI monitor (1 december 2022) was deze nog 17,1 kinderenper jeugdbeschermer.•Het personeelsverloop en ziekteverzuim bedroeg op 1 april 2025respectievelijk 16,1% en 7,3%. Dit was op 1 oktober 2024 respectievelijk15,5% en 6,8%. Ter vergelijking: het personeelsverloop was medio2022 nog bijna 20%15. Het gemiddelde ziekteverzuim in de jeugdzorg is7,2% in 2024.Wachtlijsten•Er is sprake van een lichte afname van het totaal aantal kinderen datlanger dan 5 werkdagen wacht op een vaste jeugdbeschermer; van1.496 kinderen op 1 oktober 2024 naar 1.358 kinderen op 1 april 2025.Gemiddeld staan 4,3% van de kinderen op de wachtlijst16. Ruim 60%van de GI’s hebben geen of een relatief lage wachtlijst – i.e. minderdan 3% van het totaal aantal cliënten van de GI.•Van deze wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer, wachten 518kinderen bij de start van de maatregel (was 589 op 1 okt 2024) enwachten 840 kinderen (was 907 kinderen op 1 okt 2024) op de internewachtlijst. Bij de interne wachtlijst gaat het om kinderen die wachtenop een nieuwe vaste jeugdbeschermer als gevolg van langdurigeziekte of personeelsverloop. De kinderen die op deze interne wachtlijststaan, hebben in de regel al wel een plan van aanpak en er is veelal aleen vorm van (jeugd)hulp ingezet. De GI houdt zicht op de veiligheidvan het kind.Invulling van de subsidietaakstellingDe taakstelling op de subsidiebudgetten, zoals opgenomen in hetcoalitieakkoord, is in de JenV-begroting verwerkt, zoals ik u heb meege-deeld in mijn brief van 13 november 2024.17 Op het terrein van Straffen enBeschermen (artikel 34) loopt deze taakstelling op tot € 10,1 mln. in 2028,waarvan € 7 mln. op het terrein van jeugd. In het commissiedebat14Daarbij ging het op 1 april 2025 om 25.423 en op 1 oktober 2024 om 25.827 kinderen met eenjeugdbeschermingsmaatregel. De andere kinderen hebben een vorm van jeugdreclassering.15https://www.jeugdzorg-werkt.nl/sites/fcb_jeugdzorg/files/2023-02/monitor-verzuim-en-uitstroom-bij-gecertificeerde-instellingen.pdf16Op dit moment kunnen de landelijke gemiddelde wachttijden voor een vaste jeugdbeschermerniet geleverd worden omdat niet iedere GI in staat is om deze te leveren. In de voortgangsbriefvan eind 2025 ten behoeve van het wetgevingsoverleg jeugd kunnen we u weer informerenover deze wachttijden.17Kamerstukken II 36 600-VI-28Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 108910 jeugdbescherming van 5 december 2024 heb ik uw Kamer toegezegd na tegaan welke organisaties worden geraakt door deze taakstelling. Eenrecente subsidiedoorlichting op artikel 34 heeft uitgewezen dat ermomenteel geen noodzaak is om in concrete zin subsidieontvangers enuitvoeringsorganisaties te korten op reeds verleende subsidies. Detaakstelling heeft wel tot gevolg dat er minder budget is voor incidentelesubsidies in de toekomst.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,T.H.D. StruyckenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 108911

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 796251082ef17f41

14 okt 2026 · a690444db90bce8a

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.