Voortgang waterstofbeleid
Brontekst
Versie 59ba996d61a6b531 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1529 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 juli 2025Na de eerdere besluiten over marktordening en infrastructuur heeft hetkabinet met de voorjaarsbesluitvorming over subsidies en verplichtingende basis voor de waterstofmarkt gelegd.1 Het kabinet geeft zo verderuitvoering aan de wens van de Kamer om de waterstofmarkt snel van degrond te laten komen.2 Deze brief beschrijft de relevante ontwikkelingenverdeeld in vier paragrafen: wetgeving en infrastructuur, vraagsturing,opschaling van het aanbod, en innovatie en maakindustrie. Daarbij komenverschillende moties en toezeggingen aan bod.Wetgeving en infrastructuurDuidelijkheid over wetgeving en betrouwbare realisatie van infrastructuurzijn de belangrijkste randvoorwaarde voor de ontwikkeling van de markt.Zo kan het kabinet de risico’s voor bedrijven die willen investerenverminderen. Hiervoor heeft het kabinet stappen gezet met de implemen-tatie van het Europese waterstof- en gasdecarbonisatiepakket en de uitrolvan het landelijk transportnet inclusief aansluiting voor vier zoutcavernesvoor waterstofopslag. Over waterstofopslag ontvangt de Kamer eenaparte brief deze zomer.Consultatie implementatie Europese waterstof- en gasdecarbonisatie-pakketHet wetsvoorstel ter implementatie van het Europese waterstof- engasdecarbonisatiepakket in de Energiewet, gaat in het derde kwartaal inconsultatie. Het wetsvoorstel legt de rechten en plichten van producenten,afnemers, beheerders van waterstofinfrastructuur en toezichthouderswettelijk vast, en vormt daarmee de basis voor een goed functionerendewaterstofmarkt. Belanghebbenden worden gevraagd om gedurende deconsultatieperiode te reageren op het wetsvoorstel.1Kamerstukken II 2024/2025 33 043, nr. 114.2Kamerstukken II 2024/25, 31 239, nr. 415. kst-32813-1529ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15291 In het consultatiedocument worden belanghebbenden specifiek gevraagdnaar de marktordening van regionale waterstofinfrastructuur. Zoalstoegezegd in het commissiedebat Waterstof, groen gas en andereenergiedragers van 16 januari jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 1468), zal hetkabinet na de zomer de Kamer informeren over de consultatiereacties enhet beoogde beleid voor regionale waterstofinfrastructuur.3 Het kabinetonderzoekt welke rol het Rijk, provincies, netbeheerders, en anderestakeholders kunnen spelen bij de ontwikkeling van regionale waterstofin-frastructuur. Daarnaast wordt op verzoek van Eerste Kamerlid Panman demogelijkheid getoetst om per Ministeriele Regeling nadere regels testellen aan de voorwaarden waaronder een publiek infrastructuurbedrijfactiviteiten met betrekking tot importinfrastructuur mag verrichten.4Uitrolplan, begroting en tariefstructuur landelijk waterstoftransportnetHet landelijk transportnet voor waterstof is een randvoorwaarde voor deontwikkeling van een liquide waterstofmarkt en stakeholders moetenkunnen vertrouwen op een tijdige realisatie. Daarom is het kabinet nubezig om een betrouwbaar uitrolplan en een robuuste begroting vast testellen en beziet het met de ACM opties voor de tariefstructuur. Zoalseerder met de Kamer gedeeld blijkt uit de herziene begroting vanHynetwork Services dat de kosten hoger en de inkomsten op korte termijnlager lijken uit te vallen dan eerder verwacht. Om de impact daarvan opde tarieven te mitigeren en ten behoeve van een stabiele en voorspelbaretariefontwikkeling, kijkt het kabinet met de ACM naar het toepassen vanintertemporele kostentoerekening in de tariefstructuur. Vooralsnog lijkt heterop dat de beschikte subsidie van € 750 miljoen voldoende is voor hetdekken van de aanloopverliezen. Dit wordt meegenomen bij hetonderzoek naar de tariefstructuur; de Kamer ontvangt hier eind 2025nadere informatie over. Met het nieuwe scopebesluit van de Delta RhineCorridor (DRC) Procedure realiseert het kabinet bovendien een belangrijkewaterstofcorridor. Dit is een belangrijk onderdeel van de importcorridordie Nederland met Europa verbindt. In september 2025 worden deConcept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en het hernieuwdeVoornemen en voorstel voor participatie (VenP) van de DRC gepubliceerd.VraagsturingMet de voorjaarsbesluitvorming stimuleert het kabinet het gebruik vanhernieuwbare waterstof met een mix van realistische verplichtingen ensubsidies.5 Door vraagsturing en het verwachte aanbod op elkaar aan telaten sluiten krijgen bedrijven de zekerheid die ze nodig hebben om teinvesteren. Waar het gebruik van koolstofarme waterstof bijdraagt aankosteneffectieve CO2-reductie zet het kabinet in beginsel in op stimulerenhiervan met generiek beleid (via bijvoorbeeld SDE++ en NIKI).RaffinagerouteMet het besluit over de vormgeving van de raffinageroute creëert hetkabinet vanaf 2026 een zekere afzetmarkt voor hernieuwbare waterstof eneen aantrekkelijke route voor verduurzaming van de raffinagesector. Hetkabinet heeft besloten om de correctiefactor voor de raffinageroute teverhogen van de initieel beoogde 0,4 naar 1,0, waardoor elektrolysepro-jecten minder onzekerheid ervaren door concurrentie met alternatieven.Het kabinet baseert dit besluit op een onderzoek naar de impact van de3TZ202501-086.4T03957.5Over het relevant beleid voor de energiesector is de Kamer geïnformeerd in het voorjaars-pakket. Kamerstukken II 2024/25, 33 043, nr. 114.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15292 voorgestelde hoogte voor de correctiefactor voor de raffinageroute van0,4 op de businesscase voor elektrolyseprojecten in Nederland en deverduurzaming van de industrie dat het kabinet naar aanleiding van demotie van de leden Bontenbal en Vermeer6 heeft laten uitvoeren doorTNO. Tevens wordt de subverplichting voor hernieuwbare brandstoffenvan niet-biologische oorsprong (RFNBO) in wegvervoer verhoogd van2,0 PJ naar 5,6 PJ waardoor de totale RFNBO-subverplichting voorvervoer uitkomt op 7,5 PJ in 2030. Zo vergroot het kabinet de betrouwbareafzetmarkt voor maximaal 750 megawatt aan geplande elektrolysepro-jecten. De achtergrond en verdere planning heeft de Staatssecretaris vanInfrastructuur en Waterstaat eerder gedeeld.7Jaarverplichting industrieMet de invoering van een relatief lage jaarverplichting RFNBO’s in deindustrie (verder: jaarverplichting) en het beschikbaar stellen vansubsidies voor industriële waterstofgebruikers beoogt het kabinet hetindustrieel gebruik van hernieuwbare waterstof op korte termijn testimuleren, rekening houdend met het Europese speelveld. De jaarver-plichting is bedoeld om het kip-ei probleem te doorbreken waarbij partijenin de hernieuwbare waterstofmarkt op elkaar wachten en investeringsbe-slissingen uitstellen. Tegelijkertijd moeten de subsidies hen verleiden ommeer te doen dan voor de jaarverplichting nodig is. Voor de (middel)langetermijn zet het kabinet in op vraagcreatie via groene eindmarkten opEU-niveau. De gepresenteerde plannen in de Clean Industrial Deal (CID)zijn, wat het kabinet betreft, slechts een eerste stap in vraagstimulering enverdere marktcreatie voor schone producten.8 Het kabinet beoogt zo ookuitvoering te geven aan de motie Grinwis, die pleit voor normering vaneindmarkten die het gebruik van hernieuwbare waterstof bevordert.9Het kabinet heeft besloten om de jaarverplichting met ingang van1 januari 2027 van start te laten gaan met een ingroeipad naar 4% in 2030.In het wetsvoorstel wordt ook het perspectief geschetst tot en met 2035.Hiermee geeft het kabinet inzicht in de langere termijn, waarmeetegemoet wordt gekomen aan verzoeken uit de markt. De flexibiliteitsme-chanismen, zoals het opbouwen van spaartegoeden, het doorschuivenvan de jaarverplichting en de tijdelijke versoepeling inboekregels, wordenverruimd en zijn ook na 2030 van toepassing. Tabel 1 geeft een overzichtvan het voorgenomen ingroeipad, wat bestaat uit een percentage per jaaren flexibiliteitsmechanismen voor de periode van 2027 t/m 2035. Er issprake van een periodieke monitoring en evaluatie. Na invoering zal hetkabinet elke twee jaar bezien of het ingroeipad nog passend is gegeven demarktontwikkelingen op dat moment. Binnen vijf jaar na inwerkingtredingvan de wet wordt een algemene evaluatie uitgevoerd: bijbehorend verslagzal ingaan op de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in depraktijk. Hiermee beoogt het kabinet bedrijven de gewenst zekerheid envoorspelbaarheid te geven, en is er ook voldoende flexibiliteit om waar enwanneer nodig de jaarverplichting aan te passen. De Kamer ontvangt hetwetsvoorstel naar verwachting begin 2026.Meerdere bepalingen uit het wetsvoorstel werkt het kabinet verder uit inlagere regelgeving, met name de flexibiliteitsmechanismen en verschil-lende uitzonderingen. De uitzonderingen voor waterstofgebruik zoalsgeformuleerd in de herziene EU-richtlijn voor hernieuwbare energie(RED III, artikel 22 bis) worden tevens nader uitgewerkt in lagere regel-6Kamerstukken 2024/25, 36 600 XXIII, nr.32.7Zie Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1511.8Kamerstukken II 2024/25, 22 112, nr. 4020.9Kamerstukken II 2024/25, 31 239, nr. 409.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15293 geving. Waterstofgebruik voor ammoniakproductie wordt voor 60%uitgezonderd. Daarnaast wordt onder voorwaarden het gebruik vanwaterstof uitgezonderd als het gaat om waterstof die is geproduceerd ineen installatie waarvoor subsidie uit het Europese Innovatiefonds istoegekend en die een gemiddelde broeikasgasemissiereductie vanjaarlijks 70% bereikt. De beoogde algemene maatregel van bestuur beoogthet kabinet in de eerste helft van 2026 te consulteren.Tabel 1 – Voorgenomen vormgeving jaarverplichting periode 2027 t/m 2035JaarHoogte verplichting perjaarPercentage dat kanworden doorgeschovennaar opvolgend jaarSpaarlimiet is het maximum vanVersoepeling inboek-regelsPercentage vanjaarverplichtingPercentage vaningeboekte HWI’s20270,2%100%Ongelimiteerd80%Ja20281%100%Ongelimiteerd60%Ja20292%100%Ongelimiteerd40%Ja20304%100%150%20%Ja20314,9%100%100%20%Ja20326,1%80%50%20%Ja20337,4%60%50%20%Nee20348,6%40%50%20%Nee20359,9%20%50%20%Nee Met de uitzondering van waterstofgebruik voor ammoniakproductie voor60% wordt niet volledig invulling gegeven aan de gewijzigde motie Flachc.s. die het kabinet verzocht om een 100% vrijstelling.10 Het kabinet blijftbij de motivatie die het voorafgaand aan het indienen van de motie heeftgedeeld met de Kamer als onderdeel van de schriftelijke beantwoordingop de openstaande vragen die waren gesteld tijdens het commissiedebatWaterstof, groen gas en andere energiedragers van 16 januari jl.11 en inde reactie op de oorspronkelijke motie Flach c.s.12 In deze motivatie geefthet kabinet aan dat een juridische grondslag voor een volledigevrijstelling van ammoniakproductie in RED III ontbreekt. De EuropeseCommissie kan een inbreukprocedure starten en eventuele boetesopleggen als gevolg van het niet behalen van de RED III lidstaatver-plichting. Op basis van de huidige gesprekken met de EuropeseCommissie over de ammoniaksector lijkt een volledige vrijstelling niet totde mogelijkheden te behoren. Om deze reden vindt het kabinet hetonverstandig anders te besluiten. Het kabinet blijft wel actief in gesprekmet de Europese Commissie en andere lidstaten met een grote ammoni-aksector over de RED III implementatie.Naast het ontbreken van een juridische grondslag speelt dat bij eenvolledige vrijstelling van ammoniakproductie de overige industriëlewaterstofgebruikers in Nederland worden benadeeld; zij krijgen geenvrijstelling en moeten meer RFNBO’s gebruiken zodat Nederland alsnogde RED III lidstaatverplichting kan halen. Hierdoor wordt een ongelijkspeelveld tussen Nederlandse industriële waterstofgebruikers gecreëerd.Naast deze juridische argumenten behoort ook te worden gekeken naarhet bredere plaatje. Het waterstofbeleid zet ook in op het opschalen vanbinnenlandse productie van hernieuwbare waterstof via elektrolyse en hetondersteunen van importterminals voor hernieuwbare waterstof (viawaterstofdragers als ammoniak). Zoals onder het kopje «Import» in dezebrief wordt toegelicht, zijn investeringen in import juist van belang voorhet versterken van de leveringszekerheid. Indien de ammoniaksectorbestaande grijze ammoniakimport omzet in de import van hernieuwbareammoniak kan zij hieraan bijdragen. Bedrijven die in projecten voor het10Kamerstukken 2024/25, 31 239, nr. 419.11Kamerstukken 2024/25, 32 813, nr. 1468.12Kamerstukken 2024/25, 31 239, nr. 417.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15294 aanbod van hernieuwbare waterstof en waterstofdragers (willen)investeren hebben zekerheden nodig over de relevante vraag. Dit hebbenbelanghebbenden ook aangegeven in de internetconsultatie van devoorgenomen jaarverplichting.Ten behoeve van de jaarverplichting is door TNO een onderzoek uitge-voerd om de huidige industriële waterstofgebruikers in kaart te brengenen daarbij ook te kijken welke bedrijven boven of onder de voorgenomenondergrens van 0,1 kton waterstof op jaarbasis vallen. Het eindrapportvan dit onderzoek is als bijlage 1 meegezonden. In dit onderzoek zijn 36bedrijven geïdentificeerd die boven de voorgenomen ondergrens vallenwaarop de jaarverplichting van toepassing is.Vraagsubsidies industrieHet kabinet werkt daarnaast aan een subsidieregeling voor het stimulerenvan de afname van hernieuwbare waterstof in de industrie. Met hetbesluit tot invoering van de jaarverplichting lijkt het ook logisch om dezesubsidie aan te laten sluiten bij de systematiek van hernieuwbarewaterstofeenheden industrie (HWI’s) die het wetsvoorstel voor dejaarverplichting introduceert.13 Met de Europese Commissie zijn degesprekken gestart als onderdeel van de staatssteuntoets. Hierbij zal deEuropese Commissie met name toetsen of de regeling niet kan leiden totoversubsidiëring, bijvoorbeeld in combinatie met andere subsidierege-lingen. Het streven is om de vraagsubsidieregeling na de zomer teconsulteren. In de voorjaarsbesluitvorming is het budget met€ 104,8 miljoen verminderd tot € 662,2 miljoen.Afgelopen jaar heeft Trinomics vijf varianten voor de subsidieregelingonderzocht. Deze varianten zijn beoordeeld op effectiviteit, efficiëntie,coherentie, gaming, conformiteit aan staatssteunregels, administratievecomplexiteit en marktmacht. Uit het onderzoek blijkt dat aan alle variantenvoor- en nadelen zitten. Dit is terug te lezen in het onderzoeksrapport datals bijlage 2 is meegezonden. Op basis van dit onderzoek is gekozen omeen subsidieregeling uit te werken waarin afnemers van hernieuwbarewaterstof een subsidieaanvraag via een tender kunnen indienen en dedoor hen verkregen HWI’s onder voorwaarden kunnen verkopen aan deoverheid. Deze subsidieregeling wordt uitgewerkt in een wat mindercomplexe vorm dan oorspronkelijk ontworpen op basis van bevindingenvan het onderzoek door Trinomics.Opschaling van het aanbodBij de opschaling van het aanbod van waterstof wil het kabinet meeraandacht besteden aan het verlagen van kosten en het vergroten van deslaagkans van de eerste projecten. De gestegen kosten van hernieuwbarewaterstof vragen om voortzetting van gerichte ondersteuning, maar wel incombinatie met realistische doelen.Beleidsverkenning koolstofarme waterstofIn de brief over het waterstofbeleid van 10 december jl.14 heeft het kabinetaangegeven een belangrijke rol te zien voor koolstofarme waterstof in deenergietransitie. In het beleid hiervoor maakt het kabinet onderscheid13De jaarverplichting werkt met verhandelbare rechten: «hernieuwbare waterstofeenhedenindustrie» (HWI’s). Bedrijven moeten jaarlijks HWI’s inleveren om aan te tonen dat ze aan hunverplichting voldoen, en kunnen deze HWI’s krijgen door RFNBO’s te gebruiken of HWI’s tekopen van andere bedrijven.14Kamerstukken II, 2024/25, 32 813, nr. 1435.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15295 tussen verschillende productiemethoden. Deze productiemethodenkennen grote verschillen en uiteenlopende toepassingen, ook ten opzichtevan hernieuwbare waterstof. Koolstofarme waterstof kan niet simpelweggezien worden als goedkopere hernieuwbare waterstof, zoals duidelijkwordt met twee voorbeelden:•Sommige productiemethoden verduurzamen uitsluitend lokaleindustriële processen. De afstemming tussen productie en gebruikvindt dan ook lokaal plaats, waarbij geen gebruik gemaakt wordt vanhet landelijk waterstofnet. Zo is het bijvoorbeeld niet logisch omindustriële restgassen te vervangen door hernieuwbare waterstof,zolang die restgassen een onvermijdelijk bijproduct zijn. Dan is hetbeter deze te verwerken in de productie van koolstofarme waterstofom zo CO2-reductie te realiseren. In dergelijke gevallen is er doorgaansgeen sprake van concurrentie met hernieuwbare waterstof.•Ook de interactie met Europese regelgeving verschilt per typewaterstof:oKoolstofarme waterstof telt niet mee voor de Europese RFNBO-verplichtingen voor hernieuwbare waterstof in de industrie enmobiliteit.oTegelijkertijd is het eigen gebruik van koolstofarme waterstof uitrestgassen juist uitgezonderd van de «noemer» in het Europesedoel voor hernieuwbare waterstof in de industrie.Gezien deze verschillen in productiemethode en toepassingscontexten,kiest het kabinet voor gericht beleid per combinatie van productieme-thode en toepassing. In de huidige fase fungeert koolstofarme waterstofuit fossiel dan ook vooral als instrument voor snelle en substantiëleCO2-reductie, en maar beperkt als opstap naar een toekomstig fossielvrijwaterstofsysteem.Tabel 2 – inzet kabinet op verschillende soorten koolstofarme waterstofProductiemethode koolstofarme waterstofInzet kabinetCCS bij bestaande productiecapaciteit grijzewaterstof uit aardgasBestaande beleid is toereikendSyngas uit niet-recyclebaar gemengd stedelijkafval en daarop gelijkend bedrijfsafvalBeleid toereikend door openstelling nieuwecategorie in SDE++ 2025CCS bij reststromen petrochemieSterke inzet kabinet op verduurzamenreststromen petrochemie door verkenningaanpassing bestaand instrumentariumNieuwe productie koolstofarme waterstof uitaardgas met CCSGeen extra stimulering nu voorzien vanwegeachterblijven grootschalige binnenlandsevraag, onderzoek naar toekomstig potentieelProductie van waterstof uit biogrondstoffenHet kabinet verkent nog of aanvullendebeleidsinterventie wenselijk is.Productie koolstofarme waterstof uit kern-energie (elektrolyse of thermolyse)Additioneel beleid voor nu niet noodzakelijk,gegeven dat nieuwe kerncentrales pas na 2035beschikbaar komen Voor het verduurzamen van waterstof uit bestaande productiecapaciteitvoor grijze waterstof uit aardgas met CCS is het bestaande overheids-beleid (SDE++ en maatwerksubsidies) toereikend. Zo zijn er investerings-beslissingen genomen voor het verduurzamen van deze bestaandeproductiecapaciteit, zoals het Northern Lights project bij Yara Sluiskil enhet Porthosproject in de Rotterdamse haven.Ook voor koolstofarme waterstof uit vergassing van niet-recyclebaargemengd stedelijk afval en daarop gelijkend bedrijfsafval is geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15296 aanvullend beleid nodig, aangezien het kabinet hiervoor dit jaar al eencategorie heeft geopend in de SDE++. Voorwaarde is dat dit typekoolstofarme waterstof alleen voor non-energetische doelstellingen wordtingezet, bijvoorbeeld als grondstof in de chemie. Lokale productie vankoolstofarme waterstof kan helpen de industrie te verduurzamen die paslater wordt aangesloten op het landelijk waterstofnetwerk, zoals opChemelot.Het verduurzamen van restgassen biedt de grootste CO2-reductiepotentievoor koolstofarme waterstof in de industrie. Verbranding van restgassenin de petrochemie veroorzaakt tot 12 megaton CO2-uitstoot per jaar. Hetkabinet zet daarom sterk in op het verduurzamen van deze restgassen viakoolstofarme waterstof. Momenteel is in de SDE++ al een categoriebeschikbaar voor het verduurzamen van restgassen. Het huidigeinstrumentarium is nog onvoldoende om projecten van de grond te tillen.Het kabinet is met PBL in gesprek over de CCS bij restgassen categorie inde SDE++. Het kabinet komt in het eerste kwartaal van 2026 met eenupdate over eventuele aanpassingen in de SDE++-regeling naaraanleiding van het PBL-advies.Het kabinet ondersteunt en faciliteert nieuwe productiecapaciteit vankoolstofarme waterstof uit aardgas met toepassing van CCS, mede methet oog op de positie van Nederland als energie- en grondstoffenhub.Tegelijkertijd ziet het kabinet op dit moment onvoldoende aanleiding omaanvullend financieel instrumentarium in te zetten voor het wegnemenvan de onrendabele top, gezien de onzekerheden rondom marktontwik-keling, kosten en vraag15. Ten eerste is de concrete vraag naar het aanbodvan deze grootschalige projecten nog onzeker. Het kabinet verwachtbeperkte vraag in de grote industrieclusters, waar bedrijven vooral opalternatieve verduurzamingsopties inzetten. Uitzondering hierop vormtcluster 6, waar voor sommige bedrijven elektrificatie zeer uitdagend is enCCS-infrastructuur niet beschikbaar is, waardoor koolstofarme waterstofmogelijk een alternatief kan bieden. De eventuele uitrol van regionalewaterstofinfrastructuur met lange doorlooptijden vormt hier echter eenbelangrijke uitdaging. Daarnaast is de onrendabele top ten opzichte vanaardgas nog hoog en zijn de kosten van het vervangen van aardgas via dittype koolstofarme waterstof relatief hoog ten opzichte van alternatievenvoor broeikasgasemissiereductie op de korte tot middellange termijn.Hierdoor wordt mogelijke substantiële vraag vanuit de industrie pas nacirca 2035 realistisch geacht. Ook in de elektriciteitssector bestaanmomenteel nog aanzienlijke uitdagingen voor het grootschalig gebruikvan koolstofarme waterstof. De benodigde transport- en opslaginfra-structuur voor inzet in gascentrales is nog niet gerealiseerd, en kent langedoorlooptijden. Daarnaast is het instrumentarium voor een CO2-vrijeelektriciteitssector nog in ontwikkeling. Naar verwachting zal mogelijkegrootschalige vraag naar waterstof hier pas richting 2040 kunnenontstaan.Op basis van deze overwegingen kiest het kabinet ervoor om op ditmoment geen grote extra overheidsinterventie te initiëren om groot-schalig aanbod van dit type koolstofarme waterstof te stimuleren. Welgaat het kabinet actief verkennen hoe (potentiële) waterstofgebruikers inde industrie en elektriciteitssector kunnen worden geholpen in despecifieke uitdagingen van hun verduurzaming en de rol van koolstofarmewaterstof daarbij.15Ook wordt nog onderzocht of de Europese staatssteunkaders voldoende ruimte bieden om,naast de kosten voor CCS, ook de meerkosten voor de productie van koolstofarme waterstofuit aardgas te subsidiëren. Dit leidt immers niet direct tot additionele reductie van CO2, watdoorgaans wel vereist is om staatssteun te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15297 Wat betreft waterstofproductie uit biogrondstoffen verkent het kabinetnog of aanvullende beleidsinterventie wenselijk is.Tot slot kan ook uit kernenergie waterstof worden geproduceerd. Dit kanop twee manieren: via elektrolyse, waarbij de elektriciteit wordt gebruikt,en via thermolyse, waarbij de hitte wordt gebruikt om waterstof te maken.Het kabinet staat hier positief tegenover maar ziet op dit moment geennoodzaak voor nieuw beleid, aangezien nieuwe kerncentrales pas na 2035worden verwacht.ElektrolyseDe opschaling van elektrolyse in Nederland heeft veel last van gestegenkosten, waardoor vraag uitblijft. De genoemde vraagsturing hierbovenmoet dit voor een belangrijk deel oplossen. Daarnaast gaat het kabinet dekomende tijd nadrukkelijk inzetten op het vergroten van de slaagkans enhet verlagen van de kosten en risico’s van projecten. Over offshoreelektrolyse ontvangt de Kamer binnenkort meer informatie in de brief overhet Windenergie infrastructuurplan Noordzee.Naar verwachting maakt RVO deze maand de uitslagen van de tweederonde van de OWE-regeling bekend. Vervolgens zal het kabinet in deKlimaat- en Energienota bekendmaken welke elektrolysecapaciteit hetmede op basis daarvan en op basis van de verwachte vraag en kostenrealistisch acht voor 2030 en verder. Dat de tender met meer dan driemiljard euro aan aanvragen zwaar is overtekend biedt hoop op een goedresultaat. De beoordeling van RVO heeft langer geduurd dan voorzien, watonder andere is veroorzaakt doordat meerdere projecten van onvol-doende kwaliteit bleken om gerangschikt te worden.Bij de miljoenennota van dit jaar besluit het kabinet welk deel van hetresterende budget van € 2,1 miljard het wil inzetten voor een ronde vande OWE in 2026. De openstellingsperiode van de volgende ronde van deOWE hangt af van de aanpassingen die nodig zijn aan de huidige regeling.Openstelling zal op zijn vroegst begin 2026 plaatsvinden.Voor de volgende OWE-rondes onderzoekt het kabinet aanpassingen diede daadwerkelijke slaagkans van projecten na toekenning van subsidiemoeten vergroten. Daarbij kijkt het naar meer flexibiliteit bij vertragingenvan de infrastructuur (zoals ook verzocht in de motie Bontenbal c.s.16),strengere eisen ten aanzien van de volwassenheid van projecten en eensterkere koppeling aan afnemers. Daarnaast heeft Berenschot het ontwerpvan de OWE-regeling geëvalueerd met als doel de lessen hieruit mee tenemen in de vormgeving van de volgende OWE-ronde (zie bijlage 3).Berenschot concludeert dat de OWE met het huidige ontwerp kosteneffi-ciënte projecten en projecten met de meeste slaagkans subsidieert. Opaanbeveling van Berenschot onderzoekt het kabinet daarnaast hoe het deadministratieve lasten in volgende rondes kan verminderen.Daarnaast gaat het kabinet gericht werken aan het verlagen van kosten enrisico’s van projecten. NLHydrogen heeft op verzoek een marktonderzoekuitgevoerd naar kansrijke opties hiervoor. TNO gaat de uitkomsten van ditmarktonderzoek beoordelen. De resultaten verschijnen naar verwachtingeind 2025. Daarnaast vinden op verzoek van lid Erkens ook gesprekkenplaats met de ACM over locatiedifferentiatie in nettarieven.17 De ACM treftvoorbereidingen voor een nader onderzoek met als hoofdvraag: «wordenelektrolysers en batterijopslag via de alternatieve transportrechten16Kamerstukken 2024/25, 31 239, nr. 423.17Kamerstukken 2024/25, 29 023, nr. 479.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15298 voldoende gecompenseerd voor hun bijdrage aan het verzachten vannetcongestie?»ImportZoals toegezegd aan het lid Bontenbal bevat deze brief ook een toelichtingop de Nederlandse importstrategie. Uit verschillende analyses18 blijkt dathet grootste deel van het in Nederland en Noordwest-Europa benodigdevolume aan hernieuwbare waterstof en derivaten geïmporteerd moetworden. De productiekosten hiervan zijn in andere delen van Europa ende wereld veel lager als gevolg van comparatieve voordelen zoalsgoedkopere hernieuwbare elektriciteit en meer ruimte. Zoals eerder aanuw Kamer vermeld, blijft het kabinet de voor import benodigde regel-geving, infrastructuur en instrumentarium aanvullen met actieveenergiediplomatie. Prioriteiten zijn het creëren van intra-Europesecorridors, het bijdragen aan een transparante en eerlijke internationalemarkt via multilaterale organisaties, en het onderhouden van bilateralerelaties met exportlanden binnen en buiten de EU, met aandacht voorIMVO en de internationale verdienkansen voor het Nederlandsebedrijfsleven.Diversificatie is een belangrijke pijler onder de leveringszekerheid endaarom zet het kabinet in op import vanuit een brede groep landen.Bovendien leiden investeringen in deze landen tot kansen voor Neder-landse bedrijven en onderzoeksinstellingen. In de komende periode is deuitdaging om vraag en aanbod in overeenstemming te brengen metelkaar, en te bezien welke importinfrastructuur hiervoor nodig is.Verschillende toepassingen vragen immers om verschillende typenimportinfrastructuur, onder meer afhankelijk van afnemer en locatie. Deimporttender van Nederland en Duitsland onder H2 Global heeft als doelom ontwikkelingen en keuzes in de importketen goed op elkaar te latenaansluiten. Met de publicatie van de aankoopcontracten die geveildmoeten gaan worden is deze importtender officieel gelanceerd.19 Tenslotte moeten algemene studies zoals de Northwest European HydrogenMonitor en studies naar de ontwikkeling van specifieke importcorridors,zoals die tussen Brazilië en Nederland20, helpen om onze beleidskeuzesaan te scherpen.Aan het Eerste Kamerlid Panman is toegezegd om in het eerste kwartaalvan 2025 met de sector in gesprek te gaan over investeringsbeslissingenin infrastructuur, met name over de rolverdeling tussen publiekeinfrastructuurbedrijven en private partijen bij de ontwikkeling vanimportinfrastructuur.21 Samen met de ACM, in haar rol als beoogdtoezichthouder op waterstofinfrastructuur, vinden doorlopend gesprekkenplaats met private partijen die mogelijk willen investeren in importinfra-structuur voor waterstof en derivaten. Die gesprekken zijn gericht op hetwegnemen van onzekerheden over Europese regelgeving bij het nemenvan investeringsbeslissingen, of het verkennen van (Europese)financieringsopties.Zoals toegezegd22 verkent het kabinet de mogelijkheid de sector te latenaansluiten bij het IMVO-convenant voor hernieuwbare energie. Sinds 202318Zie de analyse van de Hydrogen Council (2024): Emerging trade corridors for hydrogens andits derivatives. https://hydrogencouncil.com/wp-content/uploads/2024/05/Emerging-trade-corridors-for-hydrogen-and-its-derivatives.pdf19https://www.hintco.eu/tender-220https://www.government.nl/documents/reports/2025/01/24/green-hydrogen-corridor-between-northeast-brazil-and-the-netherlands21T03952.22Kamerstukken II 2024/25, 2025D24892.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15299 vinden er verkennende gesprekken plaats over IMVO en mogelijkhedenvoor sectorale samenwerking met de brancheorganisatie NLHydrogen enindividuele bedrijven uit de sector. De brancheorganisatie zal deze zomergesprekken voeren met haar leden. Het Ministerie van Buitenlandse Zakenblijft actief betrokken tijdens deze verkenning.Dankzij deze inzet zien veel landen Nederland bij de ontwikkeling vanwaterstofbeleid als een belangrijke partner en gidsland. Een goedvoorbeeld hiervan is de World Hydrogen Summit die in mei plaatsvond inRotterdam. De deelname van meer dan 10.000 deelnemers uit 120 landenen de aanwezigheid van vele overheidsvertegenwoordigers maakteduidelijk dat waterstof wereldwijd nog hoog op de agenda staat en deinzet op energiediplomatie van belang blijft. Nederland heeft de WorldHydrogen Summit goed benut om uitvoering te geven aan de Neder-landse importstrategie.Innovatie en maakindustrieOndersteuning via GroenvermogenNLVoor de beoogde groei van het industrieel gebruik van hernieuwbare enkoolstofarme waterstof is nog veel innovatie nodig. Een belangrijke roldaarbij speelt GroenvermogenNL23, een programma gefinancierd uit hetNationaal Groeifonds. Naast technologische innovaties op gebied vanproductie, import, transport, opslag en gebruik van waterstof besteedt hetprogramma ook aandacht aan veiligheid, sociale acceptatie, humancapital, systeemvraagstukken en economische inpassing. Voorbeeld vandat laatste is de steun die GroenvermogenNL geeft aan de realisatie vaneen handelsplatform (HyXchange). GroenvermogenNL heeft inmiddelsdiverse R&D-programma’s lopen, ruim tien pilots en demonstratiepro-jecten mede gefinancierd en stimuleert ook de ontwikkeling van nieuweprojecten met subsidie voor FEED- en haalbaarheidsstudies. De komendejaren zullen deze de kennis en ervaring opleveren die noodzakelijk is ombedrijven te helpen overstappen naar hernieuwbare en koolstofarmewaterstof.GroenvermogenNL heeft samen met het kabinet de IMKE-regelingontwikkeld, waarmee fabrieksmatige productie van elektrolyse-apparatuurwordt gestimuleerd. Het voornemen is om eind dit jaar een tweedeopenstelling van deze regeling te realiseren. Ter versterking van hetinnovatieve ecosysteem in Nederland is het belangrijk voldoendetestfaciliteiten te hebben in Nederland op alle fasen van innovatie (TRL’s).Daartoe is GroenvermogenNL een samenwerking gestart met TNO enwerkt het momenteel aan het realiseren van een faciliteit voor duurtestenvan elektrolyse-apparatuur. Zo’n faciliteit helpt bedrijven bij certificeringvan apparatuur en het wegnemen van risico’s bij de realisatie van grotereprojecten.Momenteel werkt het Rijk samen met GroenvermogenNL aan eensubsidieregeling voor kleinere elektrolyseprojecten in zogenaamdewaterstofhubs. Met deze regeling beogen Rijk en GroenvermogenNL teleren van ketenprojecten, die naast productie van waterstof ook transport,opslag en gebruik door meer dan één afnemer bevatten. De kleinereschaal sluit goed aan bij diverse lokale initiatieven waar lokale vraag naarwaterstof, (en mogelijk) restwarmte en zuurstof bestaat. In netcongestie-gebieden kunnen deze projecten bovendien helpen het elektriciteitsnet teontlasten. Ook zijn deze projecten in ieder geval in de eerste fase minderafhankelijk van het landelijke transportnet. De consultatie van deze23https://groenvermogennl.org/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 152910 regeling moet nog dit jaar plaatsvinden, met oog op een openstelling inde eerste helft van 2026.Ontwikkelingen circulaire maakindustrieAls onderdeel van de circulaire maakindustrie en Nationale GrondstoffenStrategie heeft het kabinet in samenwerking met koepelorganisaties enbedrijven gewerkt aan een routekaart voor de elektrolysersector omcirculariteit te bevorderen. De doelstelling van het traject is om doelen teformuleren voor een termijn van 5 tot 7 jaar. Dit betreft onder andere hetversterken van het verdienvermogen van de zich ontwikkelende Neder-landse maakindustrie op het gebied van elektrolyse, het verlagen van deafhankelijkheid van kritieke grondstoffen waardoor Nederland en Europaweerbaarder worden tegen verstoringen van internationale aanvoerketensvan grondstoffen en het verlagen of vermijden van de milieubelasting ende klimaatimpact van het gebruik van grondstoffen inclusief componentenzoals PFAS. De routekaart wordt deze zomer gepubliceerd.Daarnaast heeft het kabinet oog voor de regionale ontwikkeling vanmaakclusters in het waterstofdomein, zoals maakclusters in Zuid-Holland,regio Eindhoven, Groningen en Oost-Nederland. Daarom wordtmomenteel geïnventariseerd hoe de Nederlandse sector regionaal isgepositioneerd, welke regionale expertises in de keten zijn te definiëren,of regio’s elkaar kunnen versterken en of er aanvullend beleid nodig is omde Nederlandse sector hierin internationaal te verstevigen. In het tweedehelft van dit jaar worden de resultaten verwacht en zullen de uitkomstenaan de Kamer worden aangeboden.Gebruik van PFASTer voorbereiding op een mogelijk Europees verbod op het gebruik vanPFAS heeft TNO in opdracht van het ministerie onderzocht wat de impactvan een verbod is op de sector (zie bijlage 4). Het onderzoek richt zich opde vraag wat het effect is op het uitfaseren van PFAS op de waterstof-keten. Bij een aantal typen elektrolysers is het gebruik van PFASmomenteel essentieel vanwege de specifieke eigenschappen van PFAS,waardoor een verbod een beperking op de beschikbare elektrolysers kanopleveren. Het rapport laat zien dat een tijdelijke uitzonderingspositie van10 jaar de sector voldoende ruimte geeft om zich aan te passen. Hetrapport bevat nuttige aanknopingspunten waar het kabinet proactief meeaan de slag gaat, omdat de ontwikkeling van alternatieven van PFAS tijdkost. Via innovatieprogramma’s zoals GroenvermogenNL besteedt hetkabinet nu al aandacht aan PFAS-vrije alternatieven: zo zijn de eerstePFAS-vrije pilotprojecten al gelanceerd.AfsluitingMet bovenstaande acties geeft het kabinet uitvoering aan de wens van deKamer om vaart te houden in de ontwikkeling van de waterstofmarkt.24Beleid gericht op infrastructuur, aanbod en vraag moet het kip-ei-probleem doorbreken en investeringen stimuleren. De uitvoering van hetbeschreven beleid legt de basis voor de verdere groei van de waterstof-markt, waar een volgend kabinet richting aan moet geven.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.T.M. Hermans24Kamerstukken II 2024/25, 31 239, nr. 415.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 152911
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.