Mediabegrotingsbrief 2026
Brontekst
Versie a7303eb4e7b12fc3 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 november 2025Voor u ligt de jaarlijkse mediabegrotingsbrief. Deze brief bevat de nadereuitwerking van en aanvulling op artikel 15 (media) uit de ontwerpbe-groting 2026 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(hierna: OCW). Verder wil ik de Eerste en Tweede Kamer met deze briefinformeren over de stand van zaken van het mediabeleid.Publieke en private media zijn essentieel voor een gezonde en goedfunctionerende democratische rechtsstaat. Zij zorgen ervoor dat je altijdtoegang hebt tot onafhankelijke en gebalanceerde nieuwsvoorziening. Zedragen bij aan een bruisend cultureel leven. En ze zijn onmisbaar voor eenmaatschappij waarin mensen weten wat er speelt en waarin ze meekunnen doen. Het mediabeleid is volop in beweging, zoals deze brief ooklaat zien.Opzet briefDeze brief is opgedeeld in verschillende hoofdstukken. Het eerstehoofdstuk gaat in op de Mediabegroting. Hoofdstuk twee gaat over delokale publieke omroep, waaronder de stand van zaken van de stelselher-ziening. In het derde hoofdstuk van de brief komt de Regionale PubliekeOmroep (RPO) aan bod. In het vierde hoofdstuk wordt aandacht besteedaan de landelijke publieke omroep (NPO), waaronder een update over delandelijke hervorming en de jaarlijkse terugblik van de NPO. Vervolgensgaat de brief in hoofdstuk vijf in op verschillende journalistieke thema’szoals onderzoeksjournalistiek, de terugblik op de werkzaamheden van dejournalistieke fondsen en persveiligheid, alsmede mediawijsheid.Hoofdstuk zes bevat ten slotte enkele losstaande onderwerpen. kst-36800-VIII-16ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 161 1. Mediabegroting 1.1. Inleiding Dit hoofdstuk bevat de jaarlijkse actualisatie van het beschikbare budgetop de Mediabegroting (artikel 15 van de OCW-begroting) ten opzichte vande Ontwerpbegroting 2026. De oorzaak hiervoor is de jaarlijkse actuali-satie van de verwachte reclame-inkomsten die de Ster na het verschijnenvan de Ontwerpbegroting afgeeft. Ook wordt de verwachte stand van deAlgemene Mediareserve (hierna: AMr) toegelicht. De wijzigingen in debegrotingsstand voor begrotingsjaar 2026 die voortvloeien uit dezeactualisatie worden verwerkt bij Voorjaarsnota 2026.Artikel 15 van de OCW-begroting gaat over de uitgaven, verplichtingen enontvangsten op de Mediabegroting. De Mediabegroting wordt gevoedmet OCW-middelen en de ontvangsten vanuit de Ster-reclames op deaanbodkanalen van de landelijke publieke omroep.11.2. Ster-afdracht De Ster doet conform artikel 2.105, eerste lid van de Mediawet 2008jaarlijks vóór 15 september een opgave van de verwachte reclame-inkomsten in het lopende en in het volgende kalenderjaar. Op basis vandeze raming wordt bij Voorjaarsnota 2026 de ontvangstenraming voorbegrotingsjaar 2026 met € 0,7 miljoen verhoogd tot € 166,2 miljoen. Voorbegrotingsjaar 2025 verwacht de Ster € 4,4 miljoen euro minder reclame-inkomsten dan geraamd. Bij Slotwet 2025 worden de ontvangstenaangepast aan de hand van de definitieve realisatie over het afgelopenjaar.Ramingen van de verwachte reclame-inkomsten zijn gebaseerd op tweeparameters, namelijk de verwachte omvang van de markt voorspotzendtijd en het verwachte aandeel van de Ster daarin. Dit laatstewordt onder andere bepaald door het zogenoemde kijktijdaandeel van depublieke omroep.1.3. Toelichting beschikbaar budget en uitgaven Onderstaande tabel maakt de aansluiting inzichtelijk tussen het totaalbeschikbare budget voor de Mediabegroting zoals gepresenteerd in deOntwerpbegroting 2026 en het totaal beschikbare budget op de Mediabe-groting voor 2026, aangepast met de geactualiseerde raming van dereclame-inkomsten. Voor het begrotingsjaar 2026 is hiermee eentotaalbedrag van € 1.307,3 miljoen beschikbaar voor de bekostiging vanhet mediabeleid.Bedraqen x € 1.0002026Totaal beschikbaar budget conform Ontwerpbegroting 20261.306.616– waarvan OCW-middelen1.141.116– waarvan reclame-inkomsten165.500Voorgenomen mutaties totaal beschikbaar budget700– Actualisatie raming reclame-inkomsten700Totaal beschikbaar budget na actualisatie1.307.316– waarvan OCW-middelen1.141.116– waarvan reclame-inkomsten166.200 1Het gaat hier om de afdrachten reclame-inkomsten. Afdracht is bepaald als omzet Ster minuskosten van de organisatie Ster.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 162 Ten opzichte van de voorgenomen uitgaven uit de Ontwerpbegroting 2026bevat deze brief geen mutaties. De verwachte mutatie in de dotatie aan deAMr wordt volledig veroorzaakt door de actualisatie van de afdracht vande reclame-inkomsten.Bedragen x € 1.000Ontwerpbe-groting 2026Voorge-nomenmutatiesTotaalbeschikbaarbudget naactualisatieTotaal beschikbaar budget1.306.6167001.307.316– waarvan de post dotatie (+)/onttrekking(–) AMr12.86970013.569– waarvan uitgavenbudget1.293.74701.293.747 1.5. Algemene Mediareserve De AMr kan op grond van artikel 2.166, eerste lid van de Mediawet 2008gebruikt worden voor de opvang van dalende reclame-inkomsten, voorbijdragen in reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en devoorfinanciering van de door het Commissariaat voor de Media (hierna:Commissariaat) aan te houden rekening-courantverhouding voorbetalingen aan de instellingen. De AMr vervult hiermee een belangrijke rolin de bekostigingssystematiek van de Mediabegroting. De AlgemeneMediareserve is eerst en vooral een buffer voor de opvang van onver-wachte tegenvallers in inkomsten en uitgaven. De buffer in de AMr kanworden ingezet voor uitgaven, mits deze uitgaven voortvloeien uit demediawettelijke taken en incidenteel van aard zijn.Onderstaande tabel laat de verwachte ontwikkeling van de AMr zien voor2025 en 2026. Te zien is dat de AMr naar verwachting toeneemt, tot€ 266,3 miljoen ultimo 2026. Hierbij is nog geen rekening gehouden metde betaling van frictiekosten die voortvloeien uit de benodigde bezuini-gingsmaatregelen bij de landelijke publieke omroep.Bedragen x € 1.000Saldo liquide middelen AMr ultimo 2024241.101Dotatie/onttrekking AMr 2025 conform Ontwerpbegroting 20267.650Voorgenomen mutaties AMr in 2025 via de Mediabegroting– 4.400– waarvan Actualisatie Ster-raming 2025– 4.400Directe uitgaven en inkomsten AMr8.394Saldo liquide middelen AMr ultimo 2025252.745Dotatie/onttrekking AMr 2026 conform Ontwerpbegroting 202612.869Voorgenomen mutaties AMr in 2026 via de Mediabegroting700– waarvan Actualisatie Ster-raming 2026700Directe uitgaven en inkomsten AMr0Saldo liquide middelen AMr ultimo 2026266.314 1.6. Budget landelijke publieke omroep MinimumbudgetOp grond van Artikel 2.148a, eerste lid van de Mediawet 2008 kan delandelijke publieke omroep een beroep doen op het zogenaamdeminimumbudget dat voorafgaand aan het begin van iedere erkenningpe-riode wordt vastgesteld. Aan de landelijke publieke omroep moetminimaal het minimumbudget worden verstrekt. Het minimumbudgetvoor 2026 bedraagt € 917,6 miljoen. Dit bedrag is exclusief de consumen-tenprijsindex (CPI) indexatietranche 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 163 Budget 2026 landelijke publieke omroepOnderstaande tabel laat het totale budget zien dat aan de landelijkepublieke omroep wordt verstrekt in 2026. Conform de Mediawet 2008moet het budget voor 1 december voorafgaand aan het bekostigingsjaarworden vastgesteld. Het totaal vast te stellen budget aan de landelijkepublieke omroep voor 2026, inclusief het budget aan de Stichting OmroepMuziek (SOM) en het budget aan Coproductiefonds Binnenlandse Omroep(CoBO), bedraagt € 1.010,2 miljoen. Het aandeel reclame-inkomsten alsonderdeel van de financiering van de landelijke publieke omroep bedraagt€ 153,3 miljoen euro. De rest van het bedrag bestaat uit rijksmediabij-drage. Dat deel wordt in het lopende jaar nog wettelijk verplichtgeïndexeerd met de consumentenprijsindex (CPI).Bedragen x € 1.0002026Totaal beschikbaar budget1.010.219– waarvan Landelijke publieke omroep inclusief CoBO988.682– waarvan aandeel rijksmediabijdrage835.402– waarvan aandeel reclame-inkomsten153.280– waarvan Stichting Omroep Muziek (SOM)21.537 Advies Commissariaat voor de Media op de NPO-begroting 2026Het Commissariaat heeft conform artikel 2.148, eerste lid van de Mediawet2008 zijn opmerkingen bij de NPO-begroting aan mij gestuurd. Devolledige beoordeling van de begroting is als bijlage bij deze briefgevoegd. Het Commissariaat ziet dat de NPO de verbeterslag van vorigjaar heeft doorgezet naar 2026. De begroting heeft een duidelijkeranalysekader gekregen en de ijkpunten en normen maken beter inzich-telijk in welke mate de NPO haar doelen realiseert. Tegelijkertijd merkt hetCommissariaat op dat in de begroting 2026 ijkpunten en normen meer«smart» en ambitieuzer geformuleerd kunnen worden, wat volgens hetCommissariaat de belangrijkste stap vooruit zou zijn. Ik deel de opvattingvan het Commissariaat dat de publieke omroep duidelijk moet makenwelke doelen en prestaties hij wil bereiken en welke middelen daartegenover staan. Zodat daar achteraf ook verantwoording over kanworden afgelegd. Daarom betrek ik mogelijke verbeteringen in de cyclusvan planvorming, begroting en verantwoording ook expliciet bij deuitwerking van de aangekondigde hervorming van de landelijke publiekeomroep. Het advies van het Commissariaat dient hiervoor als waardevolleinput.1.7 Budget regionale publieke omroep Op basis van artikel 2.170, tweede lid van de Mediawet 2008 en artikel 4avan het Mediabesluit wordt de regionale publieke omroep bekostigd uitde Mediabegroting. Ook het budget voor de regionale publieke omroepwordt jaarlijks voor 1 december vastgesteld. In 2026 is voor de StichtingRegionale Publieke Omroep (hierna: RPO) en de dertien regionalepublieke omroepen een bedrag van € 197,3 miljoen beschikbaar. Inonderstaande tabel staat weergegeven hoe dat bedrag is opgebouwd enwordt verdeeld over de Stichting RPO en de regionale publieke omroepen.De onderlinge verdeling van het budget tussen omroepen is conformartikel 4a van het Mediabesluit 2008.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 164 Advies Commissariaat voor de Media op de RPO-begroting 2025Het Commissariaat heeft op basis van artikel 2.169b, tweede lid van deMediawet 2008, zijn opmerkingen bij de RPO-begroting aan mij gestuurd.De volledige beoordeling van de begroting is als bijlage bij deze briefgevoegd. Het Commissariaat stelt vast dat de plannen en prioriteiten inbegrotingen 2026 van de RPO en regionale publieke media-instellingen(rpmi’s) inzichtelijk zijn gemaakt en dat de begrotingen voldoen aan dewettelijke eisen.Het Commissariaat stelt vast dat de plannen en prioriteiten in begrotingen2026 van de RPO en regionale publieke media-instellingen (rpmi’s)inzichtelijk zijn gemaakt en dat de begrotingen voldoen aan de wettelijkeeisen. Het Commissariaat ziet enkele verbeteringen ten opzichte van hetvoorgaande jaar, maar merkt tegelijkertijd op dat de opmerkingen enadviezen uit voorgaande jaren inzake scherpte in de uitwerking van dedoelstellingen en een duidelijke koppeling tussen doelstellingen enmiddelen van kracht blijven. Ik ga met de betrokken partijen in gesprekover deze constateringen en over hoe ze hier opvolging aan gaan geven.In de uitvoeringsagenda die door de RPO en rpmi’s bij het concessiebe-leidsplan 2026–2030 op 15 oktober jl. is nagestuurd, en die op momentvan advisering nog niet bekend was bij het Commissariaat, naaraanleiding van eerdere opmerkingen vanuit OCW en op basis van deadviezen van zowel het Commissariaat voor de Media en de Raad voorCultuur, zie ik dat de RPO de doelstellingen verder heeft uitgewerkt engeconcretiseerd. Ik zie dit als een goed startpunt voor het gesprek metbetrokken partijen.Bedragen x € 1.0002026Totaal beschikbaar budget197.304– waarvan Stichting RPO inclusief WaU-middelen7.988– waarvan Regionale publieke omroepen189.316 1.8 Vooruitblik 2027 en verder De rijksmediabijdrage wordt vanaf 2029 structureel met € 158,9 miljoenverlaagd. De verlaging is het gevolg van maatregelen vanuit het hoofdlij-nenakkoord. Deze maatregel zorgt voor een besparing van € 108,8 miljoenin 2027, oplopend tot een structurele verlaging van de rijksmediabijdragevan € 108,9 miljoen in 2029. Daarnaast is het amendement Bontenbal c.s.aangenomen waarmee de rijksmediabijdrage vanaf 2027 structureel met€ 50 miljoen wordt verlaagd.2 In datzelfde amendement wordt daaraangekoppeld de NPO en de Ster meer ruimte gegeven om (online) reclame-inkomsten te genereren. Over de besluitvorming over het amendementBontenbal informeer ik uw Kamer zoals toegezegd in een aparte brief.Het wetsvoorstel om de verlagingen van de rijksmediabijdrage in 2027,2028 en 2029 in de Mediawet te verwerken wordt in het eerste kwartaalvan 2026 aan uw Kamer aangeboden.Het grootste deel van de verlaging van de rijksmediabijdrage vanaf 2027,€ 156,7 miljoen, gaat ten laste van het budget van de landelijke publiekeomroep. De landelijke publieke omroep staat hiermee voor een grotebesparingsopgave. Het is aan de NPO, in gezamenlijkheid met de2Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 165 omroepen, om hieraan invulling te geven. Ik word regelmatig geïnfor-meerd over de voortgang van die uitwerking.De basis voor de besparingsplannen is uitgewerkt in een zogenaamderoadmap. In die roadmap wordt een aantal categorieën onderscheidenwaarbinnen kostenbesparende maatregelen worden genomen, met namede bedrijfsvoering van omroepen en de NPO-organisatie en de program-mering en distributie van media-aanbod. De NPO heeft de besluitvormingover de financiële en inhoudelijke kaders naar voren gehaald om tijdig tekunnen besluiten over de uitwerking van de bezuinigingen en daarmeeook de omroepen tijdig duidelijkheid te bieden. Hiervoor zijn verschillendeoverlegstructuren ingericht waarin omroepen en NPO gezamenlijkafstemmen over de bezuinigingen. Besluitvorming over de besparings-maatregelen voor 2027 en verder is voorzien voor het einde van dit jaar.Het is van belang te benoemen dat de besparingen voor 2027 en 2028gevonden moeten worden binnen de wettelijke kaders van het huidigebestel. De voorgenomen hervorming van het bestel, staat gepland voor2029. Het uitgangspunt is dat de besparingsopties zo goed als mogelijkaansluiten bij de keuzes die bij de hervorming worden gemaakt. Gezien deplanning van de bezuiniging en van de hervorming is dat niet altijdmogelijk.Vooruitlopend op de verlaging van het budget per 2027 worden in 2026 albesparingen doorgevoerd op het programmabudget van € 27 miljoen enop de kosten van de NPO-organisatie van € 5 miljoen. Die besparingenzijn verder toegelicht in de NPO-begroting 2026. De begroting van de NPOis als bijlage van deze mediabegrotingsbrief meegestuurd. Hiermee zijnde eerste stappen gezet om de budgetverlaging vanaf 2027 op te vangen.Omdat de bezuiniging pas in 2027 ingaat kan de opbrengst die dezemaatregelen in 2026 opleveren worden ingezet in 2027 en 2028. Dat geeftruimte om in die jaren de kosten stapsgewijs te verlagen.Om een besparing van € 156,7 miljoen te realiseren worden de kosten inde jaren tot en met 2029 nog met € 124,7 miljoen verder verlaagd,bovenop de € 32 miljoen die in 2026 al wordt bespaard. Het uitgangspunthierbij is om de programmering en de uitvoering van de publiekemedia-opdracht zoveel als mogelijk te ontzien. Bij een besparing van dezeomvang is het echter onvermijdelijk dat ook op het programmabudgetmoet worden gekort. In 2027 worden de kosten verder verlaagd met € 87miljoen, waarvan € 72 miljoen ten laste gaat van het budget voormedia-aanbod. De bezuiniging leidt daarmee tot ingrijpende keuzes in deprogrammering. De NPO is daarbij ook voornemens de bestaandeprofielen en prioriteiten van netten en zenders te herzien, met eenbijpassende begroting voor het programmabudget waar de bezuiniging inverwerkt is. De eerder ingezette digitale strategie om een groter deel vanhet media-aanbod te verspreiden via de online- en on demand kanalenheeft daarbij prioriteit. De bezuiniging heeft daarmee met name impact opde lineaire programmering, het lineaire media-aanbod wordt kleiner. In deopenbare begroting 2027 worden deze keuzes inzichtelijk. In de NPObegroting voor 2026 is vanuit dit oogpunt een aanvraag gedaan voor debeëindiging van een aantal aanbodkanalen. Daarnaast is een besparingvoorzien op distributiekosten voor distributievormen met een laag bereik.Er wordt ook bespaard op de organisatiekosten binnen het huidige bestel,vooruitlopend op de voorgenomen hervorming. De besparing op deorganisatiekosten vergoeding voor omroepen wordt gefaseerd ingevoerd.Voor omroepverenigingen wordt in totaal een besparing op de organisa-tiekosten van 16% voorgesteld. Voor de taakomroepen NOS en NTR gaathet om 10%. Ook op de NPO organisatie wordt vanaf 2027 verderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 166 bespaard, bovenop de besparing die in de NPO begroting voor 2026 al isaangekondigd van € 5 miljoen.De uitvoering van de besparingsopgaven gaat onvermijdelijk gepaard metfrictiekosten. Dat zijn incidentele reorganisatiekosten die noodzakelijk zijnom structurele besparingen te kunnen realiseren. Ik ben voornemens omeen deel van deze frictiekosten te vergoeden door een tegemoetkominguit de AMr. Dat sluit aan bij de wettelijke bestedingsdoelen van de AMr enis in lijn met eerdere bezuinigingen bij de landelijke publieke omroep.Hiervoor wordt een frictiekostenregeling opgesteld met de voorwaardenwaaronder omroepen en de NPO in aanmerking komen voor een bijdrage.Ik stel hiervoor maximaal € 50 miljoen beschikbaar. Uw kamer wordt involgende Mediabegrotingsbrieven geïnformeerd over de voortgang bijdeze regeling.2. Lokale publieke omroep 2.1 Inleiding De lokale publieke omroepen zijn van vitaal belang voor de lokalesamenleving. Zij hebben een informerende, controlerende en verbindendefunctie in onze gemeenschappen. Het kabinet blijft daarom inzetten opversterking van de lokale publieke omroepen. Dit is onderdeel van debredere inzet van het kabinet om de regionale en lokale journalistiek teversterken.3 In dit hoofdstuk ga ik nader in op de versterking van de lokalepublieke omroepen, evenals de financiering van de stichting NederlandseLokale Publieke Omroepen (NLPO) en de investeringen in samenwerkingtussen lokale, regionale en landelijke publieke omroepen.2.2 Stand van zaken stelselherziening lokale omroepen Gezien het hierboven geschetste belang van lokale publieke omroepenblijf ik hard doorwerken aan de reeds ingezette stelselherziening terversterking van de lokale publieke omroepen.4 Dat gebeurt met betrok-kenheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,de NLPO, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en hetCommissariaat.Het bijbehorende wetsvoorstel is in juli aangeboden aan de Afdelingadvisering van de Raad van State. Ik streef ernaar om het wetvoorstel einddit jaar aan uw Kamer aan te bieden. Ik voorzie de inwerkingtreding vanhet wetsvoorstel en de lagere regelgeving per 1 juli 2026. De feitelijke startvan het stelsel volgt vervolgens na een overgangsperiode van anderhalfjaar, per 1 januari 2028.Gemeenten blijven tot de feitelijke start van het nieuwe stelsel verant-woordelijk voor de bekostiging van de lokale omroepen. Ze ontvangendaar tot dat moment geld voor via het Gemeentefonds. Gemeentenondersteunen daarnaast op meerdere plekken hun lokale omroepen bij detransitie naar het nieuwe stelsel. Dat waardeer ik; gemeenten zijn eenonmisbare partner bij het tot stand brengen van het nieuwe stelsel.Als eerder aangekondigd regel ik in het wetsvoorstel dat gemeenten ookin het nieuwe stelsel, vanaf 2028, de mogelijkheid behouden om financieelaanvullend bij te dragen aan hun lokale omroep, indien daar lokaalbehoefte aan is.5 Zo blijft er ruimte voor maatwerk, zodat gemeenten ook3Kamerstukken II, 2024/25, 32 827, nr. 370.4Kamerstukken II, 2024/25, 32 827, nr. 370.5Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 VIII, nr. 53.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 167 in het nieuwe stelsel kunnen blijven inspelen op specifieke lokaleomstandigheden en wensen.Voor gemeenten die voornemens zijn om vanaf 2028 een bijdrage televeren, merk ik het volgende op. In het geval van inwerkingtreding vanhet wetsvoorstel per 1 juli 2026, zal het Commissariaat naar verwachtingna de zomer van 2026 de aanwijzingsprocedures opstarten voor deaanwijzing van de lokale omroepen per 1 januari 2028; de voorziene startvan het nieuwe stelsel.6 In het wetsvoorstel is geregeld dat de gemeente-raden die aanvullend willen bijdragen het voorgenomen budget voor delokale omroep voorafgaand aan de start van de aanvraagprocedurebekend moeten maken.7 Dit zodat iedere aanvrager, met het oog op hetgelijkheidsbeginsel, beschikt over dezelfde informatie. Ik vind hetbelangrijk dat gemeenten hiervan op de hoogte zijn, en blijf daaromsamenwerken met de VNG om gemeenten geïnformeerd te houden overde ontwikkelingen van het wetsvoorstel en de gevolgen voor gemeenten.Lokale omroepen werken op steeds meer plekken in Nederland hard aanprofessionalisering en de voorbereidingen op het nieuwe stelsel. Ik blijf desector hierbij ondersteunen. Er zijn sinds het vorige kabinet jaarlijksstructurele middelen vanuit OCW beschikbaar voor professionalisering,begeleiding en voorbereiding. In 2026 is hiervoor een bedrag voorzien van€ 19,3 miljoen.Eén van de belangrijkste instrumenten waarmee bovenstaande middeleningezet wordt is de Regeling Professionalisering Lokale Omroepen van hetStimuleringsfonds voor de Journalistiek. Deze is specifiek voor lokalepublieke omroepen bedoeld en met uitgebreid advies van de NLPOontwikkeld. De regeling biedt deelnemende omroepen de mogelijkheidzich te professionaliseren. In 2024 deden 24 samenwerkingsverbanden en14 individuele omroepen mee in deze regeling. In 2025 werden dat 30samenwerkingsverbanden en 21 individuele omroepen. Onlangs werdbekend dat er voor de periode 2026 tot en met 2027 in 79 strekenaanvragen zijn goedgekeurd, die in totaal 179 lokale omroeporganisatiesbetreffen. Ik ben verheugd dat er daarmee in vrijwel heel het land lokaleomroepen bezig zijn met professionalisering richting het startmoment vanhet nieuwe stelsel.Daarnaast blijven er voor de NLPO tot aan de start van het nieuwe stelselmiddelen beschikbaar voor een aanvullend ondersteunings- en begelei-dingsprogramma voor lokale omroepen, en ter voorbereiding op deinvulling van haar toekomstige rol als samenwerkings- en coördinatie-orgaan.2.3 Financiering NLPO-organisatie Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de lokale publieke omroepenbekostig ik de NLPO in 2026 met € 2,0 miljoen. De NLPO fungeert als hetsamenwerkings- en coördinatieorgaan voor de lokale publieke omroepenin Nederland. De NLPO treedt daarbij op als belangenbehartiger envertegenwoordiger van de sector naar overheden en overige stake-holders. Daarnaast voert de NLPO collectieve taken uit die zorgen vooreen beter functionerende lokale omroepsector en die een structurelebijdrage leveren aan de kwaliteit en continuïteit van de lokale publiekeomroepen.6Zie ook: https://www.cvdm.nl/nieuws/voorlopig-geen-nieuwe-lokale-publieke-aanwijzingsprocedures/.7Artikel 2.179a, eerste lid van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 168 2026 wordt naar verwachting in financieel opzicht een afwijkend jaar voorde NLPO. Indien het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publiekeomroepen (zie de paragraaf hierboven) per 1 juli 2026 in werking treedt,verandert de wettelijke positie van de NLPO, en krijgt zij een stevigertakenpakket dan nu het geval is. Het gaat hierbij onder meer om devoorziene wettelijke taak om tot een concessiebeleidsplan en prestatie-overeenkomst te komen voor de periode 2028–2032.Deze mediabegrotingsbrief voorziet in bekostiging van de NLPO conformde huidige wettelijke positie en taken. Parallel aan de verdere ontwikkelingvan het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepenwerkt de NLPO aan een aanvulling op de huidige begroting voor 2026. Ditmet het oog op de voorgenomen uitbreiding van wettelijke taken van deNLPO. In het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publiekeomroepen is benoemd dat de jaarlijkse middelen die reeds vanuit OCWbeschikbaar zijn voor de professionalisering van lokale omroepen tevensbedoeld zijn voor de eventuele extra uitvoeringskosten die voor de NLPOen het Commissariaat voortvloeien uit het wetsvoorstel.2.4 Samenwerking lokale, regionale en landelijke publieke omroepen De kwaliteit en professionaliteit van de lokale journalistiek verbetert indiende landelijke, regionale en lokale publieke omroepen samenwerken. In deafgelopen twee jaar zijn er daarom verschillende projecten en pilotsgefinancierd om samenwerking tussen publieke omroepen te stimuleren.Tot eind 2026 blijven de NOS, RPO en NLPO in dat kader samenwerkenaan het project Bureau Lokaal. Dit naar analogie van Bureau Regio; deregionale redactie op de redactievloer van de NOS. Het doel van deBureaus Lokaal is om de samenwerking en contentuitwisseling tussenlokale, regionale en landelijke omroepen op al die plekken steviger eneffectiever te maken. Na 2026 verduurzamen de NOS, RPO en NLPO endeelnemende omroepen het met de gedane investeringen bereikteresultaat in hun reguliere bedrijfsvoering. Ik zie uit naar de resultatenhiervan, die ik het komend jaar verwacht.3 Regionale publieke omroep 3.1 Inleiding De regionale publieke omroepen vormen de tweede laag in het publiekeomroepbestel. Zij voorzien inwoners van (regionaal) onafhankelijk nieuws,informatie en duiding. Specifieke aandacht gaat uit naar regionale cultuuren identiteit. Via het redactiestatuut, de redactieraad en de mediaraadwordt de journalistieke onafhankelijkheid van elke afzonderlijke regionalepublieke omroep gewaarborgd. Tevens hebben de regionale omroepeneen wettelijke taak als calamiteitenzender. De RPO speelt een belangrijkerol als wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoeringvan de publieke media-opdracht op regionaal niveau.3.2 Jaarlijkse rapportage naleving prestatieovereenkomst 2019–2025 Op basis van de Mediawet 2008 is voor de huidige concessieperiode(2019–2025) een prestatieovereenkomst gesloten tussen de Minister vanOCW en de RPO. Hierin zijn afspraken vastgelegd over de doelen metbetrekking tot het media-aanbod en het publieksbereik van de regionalepublieke omroepen. Maatregelen bij het niet behalen van deze doelen zijnook onderdeel van deze overeenkomst. De inhoudelijke invulling van hetmedia-aanbod is nadrukkelijk geen onderdeel van de overeenkomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 169 Het Commissariaat ziet toe op de naleving van de prestatieovereenkomsten rapporteert daar jaarlijks over. In zijn verslag over 2024 concludeert hetCommissariaat dat de RPO aan alle veertien prestatieafspraken heeftvoldaan en conform afspraak heeft gerapporteerd over de naleving van deprestatieovereenkomst. Wel merkt het Commissariaat op dat er in detoekomst gekeken moet worden naar de prestatieafspraak over actueelmedia-aanbod en de uitsplitsing naar mediumtype (radio, televisie enonline). Het Commissariaat stelt dat toezien op actueel media-aanbod metname gaat over de informerende functie van de omroep; niet zozeer deuitsplitsing naar mediumtype. Hier zou in de toekomt de focus op moetenliggen. De brief van het Commissariaat is als bijlage bij deze begrotings-brief gevoegd.3.3 Concessiebeleidsplan en prestatieovereenkomst RPO 2026–2030 De RPO staat aan de vooravond van een nieuwe concessieperiode, die opbasis van de Mediawet 2008 geldt voor tien jaar; in dit geval van 1 januari2026 tot en met 31 december 2035.8 Deze concessieperiode van tien jaarbestaat uit twee periodes van vijf jaar. Het Commissariaat is op hetmoment van schrijven bezig met de afrondende fase van de zogehetenaanwijzingsprocedure, waarmee dertien instellingen aangewezen wordenals regionale publieke omroep voor hun betreffende verzorgingsgebied,voor de periode 2026 tot en met 2030.9Voorafgaand aan iedere periode van vijf jaar stelt de RPO in overleg metde regionale omroepen een concessiebeleidsplan op, waarin zij beschrijfthoe de RPO en regionale publieke omroepen de komende vijf jaaruitvoering gaan geven aan de publieke mediaopdracht op regionaalniveau.10 Op 31 maart 2025 ontving ik van de RPO het concessiebe-leidsplan 2026–2030, getiteld «Alles wat ons verbindt». Dit plan, dat alsbijlage is toegevoegd aan deze brief, beschrijft de gezamenlijke strategievan de regionale publieke omroepen en de RPO voor de komende vijf jaar.Op grond van de Mediawet 2008 zijn het Commissariaat en de Raad voorCultuur om advies gevraagd over het concessiebeleidsplan.11 De adviezenzijn eveneens als bijlagen toegevoegd aan deze brief. Beide adviesor-ganen spreken hun waardering uit voor het proces van de totstandkomingvan het concessiebeleidsplan. De Raad voor Cultuur prijst de ontwikkelingvan de regionale publieke omroepen en hun rol in de regionale identiteiten democratie. Tegelijkertijd merkten beide adviesorganen op dat het planop onderdelen concreter zou moeten. Met het oog op die adviezen heb ikde RPO om een aanvulling op hun concessiebeleidsplan gevraagd. Datontving ik 15 oktober jl. Met deze aanvulling heeft de RPO de doelstel-lingen in het concessiebeleidsplan nader geconcretiseerd. Het geheelbiedt meer duidelijkheid over wie wat doet, wanneer resultaten gereali-seerd moeten zijn en welke middelen daarvoor nodig zijn. Daarmee biedthet eveneens een startpunt voor de gesprekken die ik de komende tijd metde RPO en regionale omroepen ga voeren over de prestatieovereenkomstvoor de periode 2026–2030. Ik streef ernaar in het voorjaar van 2026 eenovereenkomst te sluiten.Ik blijf in goed overleg met de RPO over de uitvoering van het concessie-beleidsplan. De RPO monitort daarnaast de voortgang van het concessie-beleidsplan en stuurt zo nodig bij via de jaarlijkse begrotingscyclus. Ik ben8Zie artikel 2.60k van de Mediawet 2008.9Zie ook: https://www.cvdm.nl/voor-mediamakers/publieke-omroepen/regionale-omroep/aanwijzingsprocedure-algemene-informatie/.10Zie artikel 2.60l van de Mediawet 2008.11Zie artikel 2.60m van de Mediawet 2008.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1610 voornemens uiterlijk eind dit jaar over te gaan tot de formele verleningvan de concessie aan de RPO voor de verwezenlijking van de publiekemediaopdracht op regionaal niveau, voor de wettelijke periode van tienjaar, in dit geval 2026–2035.4 Landelijke publieke omroep 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk ga ik in op verschillende inhoudelijke onderwerpen metbetrekking tot de landelijke publieke omroep. Het hoofdstuk gaat eerst inop de Terugblik 2024 en de naleving van de prestatieovereenkomst2022–2026. Vervolgens geef ik een update van de voorgenomenhervorming van de landelijke publieke omroep en een update over socialeveiligheid bij de landelijke publieke omroep. Hierna bespreek ik de nieuweaanbodkanalen voor NPO BLEND en NPO BLEND Online en de aanvraagvan de NPO voor de beëindiging van vijf aanbodkanalen. Tot slot ga ik inop de toegankelijkheid van het aanbod van de landelijke publieke omroep.4.2 Terugblik 2024 In de terugblik rapporteert de landelijke publieke omroep jaarlijks over deambities uit het concessiebeleidsplan (CBP) 2022–2026, de doelstellingenuit de begroting en de afspraken in de prestatieovereenkomst 2022–2026.Hiermee geeft de landelijke publieke omroep inzicht in de behaalderesultaten en de wijze waarop invulling is gegeven aan de publiekemediaopdracht.De publieke omroep heeft in 2024 mooie cijfers behaald op onderwerpenals publieke waarde, impact en waardering van kwaliteit. Detv-programma’s scoren gemiddeld een 8,2 op publieke waarde en hettotale weekbereik ligt op 81% bij kijkers van 13 jaar en ouder. De kwaliteitwordt gemiddeld beoordeeld met een 8,6 en 75% van de kijkers vindt datde NPO impact heeft.De kijktijd en het bereik op NPO Start is in 2024 licht gedaald ten opzichtevan 2023. Volgens de NPO komt dit door de nieuwe uitrol van het platformNPO Start. Hier moeten gebruikers aan wennen en naar verwachtingzullen deze cijfers in 2025 bijtrekken. Voor de gehele Terugblik verwijs ik unaar de bijlage bij deze brief.4.3 Naleving Prestatieovereenkomst NPO 2022–2026 De prestatieovereenkomst is een overeenkomst tussen de NPO en deMinister van OCW en vormt een verdere concretisering van de uitvoeringvan de publieke mediaopdracht en het concessiebeleidsplan. De NPO is in2024 alle 32 prestatieafspraken uit de prestatieovereenkomst nagekomen.Op onderdelen stijgt de NPO ook ver boven de afgesproken normen uit,bijvoorbeeld op het gebied van toegankelijkheid van het aanbod: zo zijn ermaar liefst 104 nieuwe titels van audiodescriptie voorzien en 17 evene-menten met gebarentolk uitgezonden (het minimum is 8). Een overzichtvan de prestatieafspraken en de wijze waarop de NPO daar invulling aanheeft gegeven, is te vinden in de bijlage bij de Terugblik die is meege-stuurd met deze Kamerbrief.4.4 Stand van zaken hervorming landelijke publieke omroep In het regeerprogramma is afgesproken dat de landelijke publieke omroepwordt hervormd. Ontwikkelingen in het gedigitaliseerde en geïnternatio-naliseerde medialandschap alsook ontwikkelingen in de samenlevingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1611 maken een hervorming noodzakelijk. De uitwerking van deze hervormingin concrete voorstellen is met de Tweede Kamer gedeeld in een tweetalbrieven.12 Recentelijk heeft een aangestelde procesregisseur zijn adviesuitgebracht, over hoe de huidige omroepen zich zouden kunnen clusterenin een beperkt aantal omroephuizen.13 Kern van het advies is dat er geenvariant voorhanden is die zowel aan de kaders van de hervorming voldoetalsook op draagvlak bij alle omroepen in Hilversum kan rekenen.Zoals ik in mijn reactie op het advies heb aangegeven, is het noodzakelijkdat de politiek regie pakt in deze hervorming door ervoor te zorgen dat hetwetsvoorstel duidelijke kaders bevat. Een voor de hand liggend kader ishet precieze aantal omroephuizen. Een concreet aantal zal in de Mediawet2008 moeten worden opgenomen, maar dit is slechts één onderdeel. Hetwetsvoorstel zal wat mij betreft ook duidelijk moeten maken datmedewerkers van de huidige omroepen in dienst komen van hetomroephuis en dat het omroephuis daarmee vanaf 2029 de omroepwordt. De komende periode zal doorgewerkt worden aan dit wetsvoorstel,lettende op het krappe tijdspad dat beschikbaar is voor het realiseren vandeze hervorming. Uiteraard blijf ik met omroepen en NPO in gesprek overde uitwerking van de hervorming in wetsvoorstellen.Inmiddels is het wetsvoorstel om de huidige concessie- en erkenningpe-riode met twee jaar te verlengen aangenomen. Dit betekent dat eennieuwe concessieperiode ingaat op 1 januari 2029. Aangezien devoorgenomen hervorming nog in een wetsvoorstel moet wordenuitgewerkt, betekent dit dat op dit moment nog uitgegaan moet wordenvan de geldende wetgeving voor wat betreft de voorbereidingen voor deerkenningverlening die zou ingaan op 1 januari 2029. Dit betekent dat eenpeildatum voor het tellen van leden van omroepen moet wordenvastgesteld. Eerder is deze peildatum vastgelegd op 28 februari 2026,omdat het wetsvoorstel om de erkenningperiode te verlengen nog nietaangenomen was. Nu deze verlenging een feit is, is het besluit genomenom de peildatum op te schuiven en vast te stellen op 31 december 2027.Dit besluit is recentelijk gepubliceerd in de Staatscourant.14 Op ditmoment moet immers nog uitgegaan worden van de huidige systematiekdie vraagt een peildatum vast te stellen voor het tellen van leden. Als devoorgestelde hervormingen vanaf 1 januari 2029 (tijdig) gerealiseerdworden en de ledeneis vervalt, zal daarmee ook de grondslag voor hetvaststellen van peildata komen te vervallen.4.5 Stand van zaken aanpak sociale veiligheid Met deze brief informeer ik de Kamer tevens over de stand van zaken metbetrekking tot de sociale veiligheid bij de landelijke publieke omroep.Door het verschijnen van het rapport van de OnderzoekscommissieGedrag en Cultuur Omroepen (OGCO), met de titel «Niets gezien, nietsgehoord en niets gedaan», in februari 2024, werd duidelijk dat delandelijke publieke omroep voor veel (oud-) medewerkers een onveiligewerkplek was. Dit is onacceptabel en schaadt niet alleen de betrokkenmensen, maar ook het functioneren en het vertrouwen in onze publiekemedia. Een onveilige werkomgeving brengt immers risico’s met zich meevoor de journalistieke onafhankelijkheid en de kwaliteit van het hele bestelin gevaar.12Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 333, Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 369.13Kamerstukken II, 2025–26, 32 827, nr. 373.14Stcrt. 2025, nr. 37787.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1612 Vanuit de verantwoordelijkheid voor het bestel heeft mijn ambtsvoor-ganger de NPO verzocht een overkoepelend plan van aanpak op te stellen.Dit is gebeurd, en vervolgens hebben de individuele omroepen hun eigen,uitgewerkte plannen vastgesteld. Over de uitvoering van deze plannen isde Tweede Kamer geïnformeerd met de voortgangsrapportage van27 november 2024.15 De kern hiervan was dat de uitvoering van dezeplannen volop gaande is. Zowel het Commissariaat als de regeringscom-missaris Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld (RCGOG)hadden zich op verzoek van de Minister gebogen over de kwaliteit en dedaadwerkelijke implementatie van de individuele plannen van aanpak vande landelijke omroepen. Daaruit bleek kort samengevat dat de omroepen(inclusief de NPO-organisatie zelf) weliswaar goede stappen haddengezet, maar dat de transitie naar een integere en veilige werkomgevingeen lange adem vergt. De opdracht voor de toekomst is dan ook dat deomroepen ervoor zorgen dat de gemaakte plannen ook «van het papier afkomen» en leiden tot een duurzame cultuurverandering.Stand van zaken vanuit de NPODe NPO heeft een statusupdate opgeleverd waarin te zien is hoe demaatregelen uit het overkoepelende plan van aanpak van de NPO enomroepen zijn uitgevoerd en ingebed. Uit de statusupdate van de NPOblijkt dat verschillende maatregelen die een jaar geleden nog in voorbe-reiding waren op dit moment in werking zijn en onderdeel zijn gewordenvan de reguliere bedrijfsvoering. Zo is de overkoepelende meld- enklachtstructuur geoptimaliseerd en zijn er per maart 2025 overkoepelendeexterne vertrouwenspersonen van start gegaan. Deze hebben periodiekcontact met de (interne en externe) vertrouwenspersonen van deomroepen en de NPO zodat eventuele patronen tijdig gesignaleerdkunnen worden, er sneller opgetreden wordt en er kennisuitwisselingplaatsvindt. Ook is er een samenwerkingscode opgesteld tussenomroepen, de NPO en externe producenten met afspraken over deborging van sociale veiligheid. De statusupdate van de NPO is te vindenals bijlage bij deze brief.De NPO verzorgt sinds 2024 een jaarlijkse terugkoppeling over de stappendie zijn gezet op het terrein van sociale veiligheid in de jaarlijkse Terugblik.In de Terugblik over 2024 geeft de publieke omroep aan dat het creërenvan meer zekerheid voor medewerkers ook een belangrijke voorwaarde isvoor een veilige werkplek. Daarom wordt er toegewerkt naar een hogerpercentage arbeidscontracten voor onbepaalde tijd. In de omroep-cao2024 is het maximumaantal contracten voor bepaalde tijd binnen eenperiode van 24 maanden, teruggebracht naar drie. Het streven is om aanhet einde van de concessieperiode in 2027 een verhouding van 80%contracten van onbepaalde en 20% contracten van bepaalde tijd terealiseren. Eind december 2024 bedroeg de verhouding voor gehelepublieke omroep 78–22%.Daarnaast merk ik op dat ook de interne toezichthouders, de Raden vanToezicht van de omroepen, bijeen zijn geweest om dit belangrijkeonderwerp te bespreken. Dat is een goede stap, gezien de verantwoorde-lijkheden die alle intern toezichthouders voor dit thema hebben, ook inhun rol als werkgever. Ik zie dit als een bewijs van het belang dat deomroepen, hoezeer zij misschien ook onderling verschillen, hechten aande sociale veiligheid en aan het tegengaan van grensoverschrijdendgedrag.15Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 331.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1613 Stand van zaken vanuit de toezichthouderHet Commissariaat heeft in navolging van de rapportage uit november2024 een nieuwe voortgangsrapportage opgeleverd over de opvolgingvan het rapport van de OGCO-commissie. Hierin informeert het Commis-sariaat over de verrichte werkzaamheden in 2025 en over relevanteontwikkelingen die hij heeft gesignaleerd. Het Commissariaat constateertin algemene zin dat er meer bewustwording lijkt te zijn over (de impactvan) sociale veiligheid en sociale onveiligheid op medewerkers. Ook ziethet Commissariaat dat meerdere maatregelen uit de individuele plannenvan aanpak die de omroepen hebben opgesteld van de grond zijngekomen. Tegelijkertijd stelt hij dat er nog veel werk verricht moetworden. Hiertoe doet het Commissariaat verschillende aanbevelingen,zoals het verbeteren en verduidelijken van meldregelingen, het versterkenvan leiderschap en voorbeeldgedrag en het structureel agenderen vansociale veiligheid als thema. In 2025 heeft het Commissariaat zichvoornamelijk gericht op de terugkoppeling van de plannen van aanpakrichting de omroepen, met gekoppeld daaraan gesprekken met als doel departijen te wijzen op hun verantwoordelijkheid en hen aan te zetten totactie. Daarnaast is van een aantal omroepen een voortgangsrapportagegevraagd met daarin een update over de gerealiseerde mijlpalen. Voor degehele rapportage verwijs ik nu naar de bijlage bij deze brief.ConcluderendHet is duidelijk dat het te vroeg is om te kunnen concluderen of de in ganggezette maatregelen reeds het beoogde effect hebben gehad. Wel isduidelijk dat deze maatregelen onderdeel worden van de normaledagelijkse werkpraktijk van de omroepen en NPO. Tegelijkertijd hebbensinds het verschijnen van de plannen van aanpak nog verschillendeincidenten plaatsgevonden. Deze gebeurtenissen onderstrepen het belangvan continue aandacht voor dit thema en voor passende maatregelenwaar nodig, zeker tegen het licht van aanstaande hervormingen enbezuinigingen, die voor medewerkers onzekerheid kunnen meebrengen.Daarmee moet sociale veiligheid zo snel mogelijk de standaard wordenvoor iedereen die werkt binnen de publieke omroep. Dit streven zal ik danook blijven steunen en bevorderen.Daarnaast is sociale veiligheid een belangrijk thema in de hervorming vande publieke omroep. In de Kamerbrief die mijn voorganger op 4 april jl.met de Tweede Kamer heeft gedeeld staat op hoofdlijnen beschrevenwelke beoogde maatregelen een bijdrage kunnen leveren aan een sociaalveilige werkomgeving voor medewerkers van de publieke omroep. Ik zalvoor de toekomst dit thema dan ook meenemen in de wetsvoorstellen enbeide Kamers daar via die route verder in meenemen.4.6 Instemming aanbodkanaal NPO BLEND en voorgenomen beëindigingaanbodkanalen Als de NPO een nieuw online, televisie- of radiokanaal wil beginnen, dientde Minister van OCW daarop te beslissen op basis van artikel 2.20, tweedelid, onder b en c en artikel 2.21, tweede, derde en achtste lid van deMediawet 2008. Dit geldt ook voor significante wijzigingen van eenaanbodkanaal of bij de beëindiging daarvan.In de begroting van 2025 heeft de NPO een aanvraag gedaan voorinstemming met de aanbodkanalen NPO BLEND en NPO BLEND Online.Op 8 oktober 2025 is het definitieve besluit op de aanvraag van de NPOTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1614 voor deze nieuwe aanbodkanalen gepubliceerd in de Staatscourant.16 Ditbetekent dat NPO BLEND, dat eerst een experimentstatus had, nuonderdeel is van het portfolio van de NPO.Daarnaast heeft de NPO in de begroting van 2026 in bijlage F eenaanvraag ingediend voor de beëindiging van vijf aanbodkanalen. Per1 januari 2026 vraagt de NPO goedkeuring aan de Minister van OCW voorde beëindiging van NPO Campus Radio, NPO Soul & Jazz en per31 december 2026 voor de kanalen NPO 2 extra, BVN en BVN Online. Opdeze aanvraag dient de Minister te besluiten op basis van de procedurezoals hierboven beschreven. Ten behoeve van het besluit verzoekt deMinister de Raad voor Cultuur en het Commissariaat om een advies uit tebrengen op de aanvraag van de NPO.De NPO doet deze aanvraag omdat de bezuinigingen er volgens de NPOtoe leiden dat er scherpe keuzes gemaakt dienen te worden metbetrekking tot het portfolio. Hoewel de NPO aangeeft dat de kanalen ineen behoefte voorzien, ziet de NPO zich genoodzaakt om de aandacht tevestigen op kanalen en platformen die optimaal voorzien in de behoeftevan de samenleving en daarmee invulling geven aan de publiekemediaopdracht.4.7 Toegankelijkheid Om het aanbod van de publieke omroep voor zoveel mogelijk kijkers enluisteraars toegankelijk te maken, maakt de landelijke publieke omroep aljaren gebruik van ondertiteling, audiodescriptie en gebarentolken. In deTerugblik van 2024 laat de NPO zien dat er 104 titels zijn voorzien vanaudiodescriptie. Daarmee laat de NPO een stijgende lijn zien. Ook zijn er17 evenementen voorzien van een Gebarentolk Nederlandse Gebarentaal.Daarnaast is op 11 juli 2025 de werkagenda VN-verdrag Handicap(2025–2030) met de Tweede Kamer gedeeld.17 Hierin staan maatregelenopgenomen met als doel de toegankelijkheid van de cultuur- en media-sector te vergroten. Denk hierbij aan nieuwe afspraken over toeganke-lijkheid met de NPO en onderzoek naar de aanscherping van de wettelijkeregels voor onder andere audiodescriptie. OCW is van start gegaan metde verkenningen die nodig zijn voor de uitvoering van deze maatregelenen is voornemens hier binnen de bredere hervorming van de landelijkepublieke omroep voorstellen voor te doen. Ook zet OCW zich in om derepresentatie van onder andere mensen met een beperking te stimuleren,bijvoorbeeld door onderzoek naar toegankelijkheid binnen de sectoren enhet ondersteunen van initiatieven, zoals een inclusiepact over media.5 Journalistiek 5.1 Terugblik fondsen: Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en Fondsbijzondere journalistieke projecten Het WRR-rapport Aandacht voor Media laat zien hoe het medialandschapis veranderd, maar dat de behoefte aan onafhankelijke journalistiekonveranderd is gebleven.18 Het kabinet steunt dit onder andere via hetFonds Bijzondere Journalistieke Projecten (FBJP) en het Stimulerings-fonds voor de Journalistiek (SVDJ). Het FBJP ondersteunt diepgravendeen kostbare bijzondere journalistiek en richt zich op talentontwikkeling.16Stcrt. 2025, nr. 33877.17Kamerstukken II, 2024–25, 24 170, nr. 362.18Zie website Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid: https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2024/10/03/aandacht-voor-media.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1615 Het SVDJ bevordert innovatie, kennisdeling en toekomstbestendigheid inde gehele journalistieke sector. Beide fondsen versterken, ieder vanuit huneigen rol, de journalistieke sector met regelingen en begeleidingspro-gramma’s in tijd van technologische afhankelijkheid, economische druk eneen veranderend medialandschap. Beide fondsen zetten stevig in op hetsteunen en versterken van onderzoeksjournalistiek.In 2025 bestaat het FBJP 35 jaar en het SVDJ 50 jaar. Deze mijlpalenonderstrepen het belang van de werkzaamheden van beide fondsen vooreen sterke journalistieke sector.De ZBO-evaluatie naar de doeltreffendheid- en doelmatigheid van hetSVDJ is begin dit jaar afgerond en wordt binnenkort met uw Kamergedeeld. Uit de evaluatie blijkt dat het fonds afgelopen jaren doeltreffendheeft gefunctioneerd en aantoonbaar heeft bijgedragen aan de kwaliteit,onafhankelijkheid, diversiteit en toekomstbestendigheid van de journa-listiek in Nederland. De aanbevelingen in de rapportage vormen eengoede basis het SVDJ toekomstgericht verder te versterken. In debeleidsreactie die later zal volgen, wordt ingegaan op deze aanbevelingen.5.2 Update mediawijsheid Met de inzet op mediawijsheid blijven we mensen in staat stellen om teprofiteren van de voordelen van (sociale)mediagebruik, en stimuleren wetegelijkertijd dat men ook weerbaar is tegen eventuele risico’s. InNederland zet het Netwerk Mediawijsheid zich dan ook in voor de missie«iedereen mediawijs», met vijf kernpartners en meer dan 1200 netwerk-partners.Er zijn door het Netwerk Mediawijsheid vier maatschappelijke opgavengedefinieerd: (1) plezier, grip en profijt bij een leven in media, (2) digitalebalans, (3) samen sociaal online en (4) weerbaarheid tegen desinfor-matie.19Het Netwerk is nauw betrokken bij het beleid van andere ministeries: zo ishet Opgavenetwerk Opvoeding in Digitale Balans betrokken bij de verdereimplementatie van de richtlijn gezond en verantwoord scherm- en socialemediagebruik van het Ministerie van VWS en bij de website jouwkindon-line.nl, ter ondersteuning van de BZK-campagne over mediaopvoeding.20Activiteiten voorzien in 2026De activiteiten van Netwerk Mediawijsheid zijn erop gericht de samen-werking tussen netwerkpartners te ondersteunen en een bijdrage televeren aan de opgaven rond mediawijsheid. Door verbinding tussen enverdieping en versterking van de netwerkpartners worden doelen bereiktdie de organisaties afzonderlijk niet zouden kunnen behalen.Succesvolle activiteiten worden onverkort voortgezet: de Week van deMediawijsheid staat in 2026 voor het derde en laatste jaar in het teken vandigitale balans. Tijdens de Week van de Mediawijsheid speelt de helft vande groepen 7 en 8 en een kwart van de groepen 5 en 6 van de basis-scholen de serious game MediaMasters. Dit zijn ongeveer 280.000leerlingen. Zo’n 60 netwerkpartners werken inhoudelijk mee aan hetvormgeven van deze serious game door bijvoorbeeld het aanleveren vanopdrachten in het spel.19Zie website Netwerk Mediawijsheid: https://netwerkmediawijsheid.nl/koersplaat-en-meerjarenplan-netwerk-mediawijsheid-2024-2028/.20Zie: Kamerstukken II 2024–25, 32 793, nr. 848 en www.jouwkindonline.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1616 DichterBijNieuwsIn de vorige Mediabegrotingsbrief heeft mijn ambtsvoorganger eenuiteenzetting gegeven van de activiteiten in het project DichterBijNieuws.Het project is vorig jaar met een jaar verlengd tot eind 2025.Het is van belang om de opgedane kennis en expertise te borgen. Zo is erbijvoorbeeld een educatieve werkgroep opgericht om leraren in staat testellen aandacht te schenken aan nieuwswijsheid. Deze inzet zal, ook nahet beëindigen van het project, worden voortgezet binnen de reguliereactiviteiten van Netwerk Mediawijsheid.Netwerk Mediawijsheid heeft een korte verlenging van het projectaangevraagd om voor het eerst een Week van het Nieuws te organiserenin 2026, binnen de bestaande budgetten. Hierin kan een brug wordengeslagen tussen journalisten en het publiek, door bijvoorbeeld openredac-tiedagen te organiseren of journalisten uit te nodigen voor gastlessen opscholen of in bibliotheken.Bezien wordt of het mogelijk is om activiteiten rond nieuwswijsheid en hetvergroten van kennis en bewustzijn over journalistiek onder het algemenepubliek voort te zetten in 2026 en verder.5.3 Overig Vervolg WRR-rapportIn de kabinetsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media is uwKamer uitgebreid geïnformeerd over de manier waarop de journalistiekwordt versterkt.21 Tevens kondigde mijn ambtsvoorganger aan dat u in dezomer van 2026 wordt geïnformeerd over de beleidsopties voor verdereversterking van de democratische functies van media. De eerste stappenzijn inmiddels gezet. De publiek-private agenda lokale en regionalejournalistiek en publiek-private inzet rond het thema vertrouwen in nieuwszijn in dit verband reeds lopende trajecten, zoals ook genoemd in dekabinetsreactie. Met de vier aanbevelingen als leidraad die zien opregulering en handhaving, prominentie, lokale en regionale journalistieken burgerschap, wordt gewerkt aan een passende aanpak: een interactiefproces tussen publieke en private mediapartijen, maatschappelijkeorganisaties en wetenschappers. Deze vraagstukken zullen ook in EUverband worden bezien. Deze interactie moet niet alleen leiden tot eenbreed gedragen analyse, maar het gesprek over de democratische rol vanmedia ook structureel stimuleren en organiseren. Zowel overheid alsmedia dragen hierin een gedeelde verantwoordelijkheid.Persveilig en veiligheid van journalistenIn de brief over persveiligheid en persvrijheid die vorig jaar naar uwKamer is verstuurd, werd aangekondigd dat PersVeilig een onafhankelijkestichting zou worden.22 Inmiddels is dit gerealiseerd. Op deze manier kanPersVeilig zich blijven inzetten om de journalisten beter te beschermentegen agressie en geweld.In dezelfde brief werd uitvoering gegeven aan de motie-Kwint waarinwerd gevraagd om maatregelen voor te stellen om de veiligheid vanfreelancers te beschermen.23 U werd geïnformeerd dat brancheorgani-21Kamerstukken II 2024/25, 32 827, nr. 370.22Kamerstukken II 2024/25, 31 777, nr. 56.23Kamerstukken II 2024/25, 31 777, nr. 44.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1617 satie NDP Nieuwsmedia voornemens was een kennistafel te organiserenom de veiligheid van journalisten te bespreken. De eerste kennistafel heeftinmiddels plaatsgevonden. Wat de positie van freelancers betreft is er bijde werk- en opdrachtgevers een brede consensus dat zij kunnen rekenenop dezelfde ondersteuning en begeleiding als medewerkers in vastedienst.Caribisch NederlandDe verkenner Journalistiek Caribisch Gebied is eind 2024 voortvarend aande slag gegaan met het in kaart brengen van de behoeften van (lokale)journalisten in Caribisch Nederland. De verkenner werkt toe naar eenaantal pilotprojecten/proeftuinen binnen de tweejarige opdracht gerichtop scholing en netwerkvorming. Uitgangspunt hierbij blijft het leggen vanverbindingen tussen lokale journalisten, stakeholders en overheden en hetinitiëren van activiteiten die door de sector zelf verder worden gedragen.Overleg en terugkoppeling met andere journalistieke organisaties is eenbelangrijke randvoorwaarde. Binnen de opdracht is samenwerking metpartijen in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ook mogelijk met inacht-neming van hun eigenstandige positie als land binnen het Koninkrijk. Hetstreven is om uw Kamer in 2027 te informeren over de bevindingen.Experiment Google over toegang tot nieuwsTijdens het wetgevingsoverleg van 2 december 2024 (Kamerstuk 36 600VIII, nr. 157) heeft mijn ambtsvoorganger een toezegging gedaan uwKamer te informeren over het experiment van Google over toegang totnieuws.24 Het experiment is inmiddels afgerond en Google heeft begin ditjaar de resultaten van het experiment publiekelijk gedeeld.25 In hetexperiment werd gekeken wat de impact was als nieuwsresultaten bij eenkleine groep gebruikers niet of minder zichtbaar werden gemaakt in dezoekresultaten. Uitkomst was dat de consequenties voor advertentie-inkomsten door Google minimaal waren. De toezegging beschouw ikhiermee als afgedaan.6 Overig 6.1 Prominentiebeleid Het kabinet vindt het belangrijk dat mediagebruikers gemakkelijk toeganghebben tot Nederlands media-aanbod en Nederlandse mediadiensten.Nederlands kwaliteitsaanbod, bijvoorbeeld nieuws en journalistiek, achthet kabinet van groot belang voor de samenleving en de democratie. Hetis belangrijk dat dit aanbod en deze diensten dus goed vindbaar enzichtbaar zijn en blijven. Het belang hiervan is onderschreven in hetregeerprogramma en blijkt uit de toegenomen aandacht voor hetonderwerp vanuit de mediasector, de politiek en verschillende (interna-tionale) onderzoeken, waaronder het WRR rapport Aandacht voor media.In de kabinetsreactie op dit rapport, die op 4 juli 2025 naar de TweedeKamer is gestuurd, kondigde mijn ambtsvoorganger aan stappen te willenzetten om prominentiemaatregelen wettelijk te verankeren.26Prominentie gaat over de mate waarin bepaald media-aanbod ofmediadiensten meer opvallen ten opzichte van ander media-aanbod ofdiensten op bijvoorbeeld een gebruikersinterface van een smart TV.24Toezegging: TZ202412-078.25Zie: https://blog.google/around-the-globe/google-europe/our-experiment-on-the-value-of-european-news-content/.26Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 370.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1618 Hierbij kan worden gedacht aan de smart TV app van een Nederlandsevideo on demand-dienst. Nederlandse media-aanbieders ondervindenhinder van de commerciële deals tussen televisiefabrikanten en grote,kapitaalkrachtige internationale streamingpartijen zoals Netflix enDisney+, die betalen voor een prominente plek voor hun diensten opafstandsbedieningen en de landingspagina’s van gebruikersinterfaces.Door gebrek aan slagkracht en financiële middelen zijn Nederlandsemediaorganisaties onvoldoende in staat om invloed uit te oefenen op depositionering van hun aanbod. Met als gevolg dat Nederlandse media-diensten minder zichtbaar zijn voor Nederlandse gebruikers. Door hettreffen van prominentiemaatregelen wil ik de zichtbaarheid van pluriform,betrouwbaar en onafhankelijk media-aanbod uit Nederland in een veiligeen betrouwbare informatieomgeving borgen. Daarvoor is het van belangdat de onderhandelingspositie van Nederlandse media-aanbieders wordtversterkt, zodat er een gelijker speelveld ontstaat. VerschillendeEU-lidstaten, waaronder Duitsland, Frankrijk en België (Vlaanderen)hebben op basis van de Audiovisuele Mediadiensten Richtlijn prominen-tiebeleid ontwikkeld.27 Hun voorbeelden laten zien dat het ontwikkelenvan prominentiebeleid complex is, maar ook mogelijkheden biedt omproblemen zoals hierboven beschreven aan te pakken.Bij prominentie is het allereerst de vraag op welke plek dit geregeld moetworden. In beginsel omvat het vraagstuk qua reikwijdte het hele media-ecosysteem. Hiertoe behoren Nederlandse mediaorganisaties, maar ookmondiaal opererende platform- en techbedrijven. Het is niet mogelijk omwetgeving te ontwikkelen die zich richt op prominentie in het gehelemedia-ecosysteem, waar sociale media (zoals Instagram), zoekmachines(Google Search) en videosharingplatformen (YouTube) onder vallen alscategorie naast bijvoorbeeld smart TV interfaces. Daarvoor zijn dezediensten te ongelijksoortig. Zoals vermeld in de kabinetsreactie op hetWRR-rapport moet het uitwerken van maatregelen op het gebied van dieeerste categorie eerst in Europees verband verder worden verkend. Dittraject is dan ook meer gericht op de lange termijn. Hiervoor zalNederland samen met andere EU-lidstaten optrekken.Voor de kortere termijn zet ik in op een voorstel voor prominentiemaatre-gelen voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag, gericht op «hetgrote scherm» (TV). Hiervoor kunnen naast publieke ook private dienstenin aanmerking komen. Op basis van de Europese wetgeving en innavolging van andere landen is deze afbakening een logisch startpunt. Inde uitwerking zal verder gekeken worden welke interfaces hier preciesonder moeten vallen. Ik denk bij de vormen van prominentie aan eensysteem van gelaagdheid, in lijn met de uitwerking van Vlaanderen. Zokan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt tussen een basisvorm vanprominentie waarbij apps altijd vindbaar moeten zijn binnen bepaaldeinterfaces wanneer de gebruiker ernaar zoekt en aan «extra» of «speciale»prominentie met nadere waarborgen voor zichtbaarheid. Voor beidevormen kunnen maatregelen en criteria worden opgesteld op basiswaarvan Nederlandse mediadiensten in aanmerking kunnen komen voorprominentie.Ik zal de komende tijd gebruiken om de voorgenomen richting verder uitte werken. Hierbij zal ik partijen uit de mediasector en het Commissariaatvoor de Media betrekken. Voor de planning, uitwerking en invoering vanprominentiemaatregelen moet rekening worden gehouden met de grotemate van complexiteit, mede vanwege het Europese juridische kader alsbasis voor nationale wetgeving. Ook betekent de complexiteit van ditonderwerp dat er goed gekeken moet worden naar de uitvoerbaarheid27Richtlijn audiovisuele mediadiensten Directive – 2018/1808 – EN – EUR-Lex.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1619 van de voorstellen. Waar mogelijk wil ik bezien of dit wetsvoorstel meekan lopen in het bredere wetgevingstraject over de hervorming van delandelijke publieke omroep.6.2 Publiek-private samenwerking In de brief over de stand van zaken moties en toezeggingen mediabeleiddie op 10 juli 2025 naar de Kamer is gestuurd bent u geïnformeerd overhet onderwerp publiek-private samenwerking.28 De aanleiding hiervoorkwam voort uit een aantal moties zoals de motie-Mohandis waarin deregering wordt verzocht om in samenspraak met de NPO, RTL en Talpa teonderzoeken wat nu al gedaan kan worden op het gebied van publiek-private samenwerking en om op korte termijn concrete acties in gang tezetten.29 In de motie-Van de Velde wordt de regering verzocht om bij dehervorming van het mediabestel tevens specifiek aandacht te bestedenaan het ondersteunen en versterken van Nederlandse mediabedrijven enomroepen, zodat zij kunnen concurreren met grote buitenlandse platformsen de Nederlandse taal, cultuur en journalistieke onafhankelijkheidkunnen blijven bevorderen.30Daarnaast wordt de regering in de motie-Van Zanten verzocht om met deNPO en de commerciële omroepen op korte termijn het overleg aan tegaan, om door onderlinge samenwerking de vindbaarheid van hungezamenlijke content te vergroten en zo de positie van Nederlandsecontent tegenover de grote techbedrijven en streamers te versterken.31Tot slot is er de motie-Mohandis/Paternotte – ingediend bij hetnota-overleg media op 14 april 2025 – waarin de regering wordt verzochtom samen met de NPO, RTL en Talpa in oktober met concrete voorstellente komen en met een tijdspad hoe deze drie omroepen gaan samen-werken ter versterking van de economische kracht, de vindbaarheid vanNederlandse programma’s tussen machtige internationale platforms,investeringen en publiek-private samenwerking.32Zoals eerder ook in de brief van 10 juli 2025 werd aangegeven ben ik vanharte bereid om het gesprek tussen de Nederlandse mediapartijen overpubliek-private samenwerking te faciliteren, maar het is uiteindelijk aanpartijen zelf om die samenwerking vorm te geven. De NPO, RTL en Talpahebben voor de zomer concrete en kansrijke ideeën voor samenwerkingbij OCW ingediend. Op basis van deze inbreng heeft in september eengezamenlijke bijeenkomst plaatsgevonden in Den Haag. Onder leiding vanOCW zijn de voorstellen met de NPO, RTL en Talpa besproken engeprioriteerd. Het was een openhartig en constructief gesprek en daar wilik hen hartelijk voor bedanken. Ook deze partijen geven aan dat zijterugkijken op een waardevolle dialoog die de gezamenlijke wil onder-streept om het Nederlandse media-ecosysteem te versterken.Het gezamenlijke gesprek was het startpunt dat moet leiden tot deconcrete voorstellen die de motie-Mohandis/Paternotte beoogt. Zoalsafgesproken hebben de drie partijen de besprekingen daarna onderlingvoortgezet en zij blijven dat doen. Momenteel verkennen zij in eenconstructieve sfeer samenwerkings-mogelijkheden op de volgendegebieden:–Het opzetten van concrete proefprojecten op het gebied van coproduc-tie en non-exclusieve distributie van content. De gesprekken hierover28Kamerstukken II, 2024–2025, 32 827, nr. 371.29Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 114.30Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 116.31Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 130.32Kamerstukken II 2024–2025, 32 827, nr. 339.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1620 worden geïntensiveerd om de exacte scope, voorwaarden en projectenvast te stellen als onderdeel van het totaalpakket.–De verdere doorontwikkeling van het succesvolle NLZiet-platform.Concreet gaan partijen zich richten op de uitrol van de volgendeinitiatieven in 2026:•het opnemen van radiokanalen binnen NLZiet;•het toevoegen van visual radio streams; en•het definiëren van een gezamenlijke innovatie-roadmap (ondermeer op het vlak van AI).–Het opstellen van een publiek-privaat kader voor sportsamenwerking.In navolging van de geïnitieerde gesprekken met de NOS, werkenpartijen aan een concreet kader. Dit kader, dat uiterlijk in het eerstekwartaal van 2026 gereed zal zijn, zal duidelijkheid scheppen over demogelijkheden voor gezamenlijke rechtenwerving, uitwisseling vanfragmenten en sublicenties voor samenvattingen.–Het optimaliseren van de uitwisseling van programmafragmenten. Omde samenwerking verder te stroomlijnen, leveren partijen uiterlijk inhet vierde kwartaal van 2025 een analyse op van de huidige knelpun-ten, verder voorzien van concrete verbeter voorstellen.De motie-Mohandis/Paternotte stelt als streefdatum dat de concretevoorstellen voor publiek-private samenwerking in oktober 2025 gepresen-teerd moeten worden. Die termijn is voor de drie partijen iets te ambitieusgebleken maar zij zijn gemotiveerd om het tempo er in te houden. Zijzullen hier de komende maanden aan doorwerken en OCW daaroverinformeren.DienstbaarheidsverbodIn de gesprekken die ik tot nu toe voer over publiek-private samenwerkingnoemen mediapartijen het zogenoemde dienstbaarheidsverbod vaak alseen belemmerende factor voor samenwerking met de publieke omroep. Ikmerk daarover het volgende op.Het dienstbaarheidsverbod heeft de volgende functies:–het waarborgen van het non-commerciële karakter van de publiekeomroep en het publieke aanbod;–het waarborgen dat financiering van de publieke omroep uit publiekemiddelen in overeenstemming is met de Europese wettelijke kadersinzake staatssteun; en–het waarborgen dat publieke omroepen zich met al hun activiteitenniet op een oneerlijke manier begeven op markten waar ook commer-ciële spelers actief zijn.Het dienstbaarheidsverbod is een kernonderdeel van een zorgvuldigopgebouwd stelsel van wettelijke bepalingen zoals dat op basis van deEuropese staatssteunregels en na een uitgebreide beoordeling enintensief overleg met de Europese Commissie tot stand is gekomen.33 34Het dienstbaarheidsverbod voorkomt dat vermenging van publieke takenen middelen met commerciële activiteiten en doelen plaatsvindt. Publieketaken en publieke financiering mogen geen commerciële belangendienen, noch van de publieke omroep zelf, noch van derden. Het op enigemanier bevoordelen van derden met publieke middelen leidt immers totongeoorloofde staatssteun. De wet beoogt met het dienstbaarheidsverbodniet een belemmering op te werpen tegen publiek-private samenwerking.De parlementaire stukken daarover vermelden onder meer het33Omroepmededeling: nadere uitleg van de Europese Commissie over hoe de staatssteunregelsbij een stelsel van publieke omroep met publieke financiering worden toegepast (PbEU 2009,C 257/1).34Steunmaatregel E5/2005, COM(2010) 132; Jaarlijkse financiering van de Nederlandse publiekeomroep – Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1621 volgende:35 «Het dienstbaarheidsverbod wekt nog wel eens de indruk dater voor de publieke omroep nauwelijks ruimte is voor relaties met derden.Dat is niet het geval. Het staat namelijk niet in de weg aan marktconformen normaal economisch handelen. Het gaat er om dat derden uit desamenwerking met de publieke omroep niet een meer dan normale winstof andere concurrentievoordelen behalen.»Publieke omroepen kunnen ten aanzien van al hun activiteiten, dus zowelbij de uitvoering van hun publieke hoofdtaak als bij toegestane nevenacti-viteiten, samenwerken met derden. Het dienstbaarheidsverbod stelt welals voorwaarde dat het daarbij moet gaan om marktconform en normaaleconomisch handelen. Dat commerciële partners winst behalen uitsamenwerking is geen probleem, zolang dat het resultaat is van markt-conform en normaal economische handelen. Het is aan de publiekeomroep om te besluiten of, en zo ja met wie, en op welke terreinen hij wilsamenwerken. Ik teken daarbij wel aan dat het dienstbaarheidsverbodgeen algemeen verbod inhoudt, maar juist een kader biedt om samen tewerken. Het dienstbaarheidsverbod op zich is dus geen argument om opvoorhand elke samenwerking of gesprekken daarover uit te sluiten. Om(juridische) haalbaarheid van de plannen van NPO, RTL en Talpa voorpubliek-private samenwerking in te kunnen schatten, hebben partijen demogelijkheid om in gesprek te gaan met het commissariaat over dekaders en de eventuele risico’s van beoogde samenwerkingen.Investeringsverplichting streamingdienstenTot slot wil ik graag opmerken dat de besprekingen over publiek-privatesamenwerking in het Nederlandse medialandschap tot nu toe met namezijn gevoerd met de NPO, RTL en Talpa, mede omdat de motie-Mohandis/Paternotte hierom vraagt. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat samenwerkingmet andere mediapartijen zoals regionale publieke omroepen, streaming-diensten of andere landelijke commerciële tv-zenders niet mogelijk is. Ookdeze partijen vervullen een belangrijke rol in ons pluriforme Nederlandsemedialandschap.In dit kader verwijs ik ook naar een toezegging die voormalig Staatssecre-taris Cultuur en Media, Gunay Uslu, heeft gedaan aan de Eerste Kamernaar aanleiding van een vraag van het Kamerlid Prins (CDA) tijdens debehandeling van het wetsvoorstel voor de investeringsverplichting voorgrote streamingsdiensten.36 De vraag was om in te gaan op demogelijkheid om investeringen die grote streamingsdiensten doen opbasis van de investeringsverplichting, te bundelen met budgetten van depublieke omroep. De investeringsverplichting – die is opgenomen in deMediawet 2008 – houdt in dat grote streamingsdiensten ten minste vijfprocent van hun in Nederland gegenereerde relevante omzet investeren inNederlandse culturele audiovisuele producties, waaronder minimaal 2,5procent in films, series en documentaires. Ik ben het met het lid Prins eensdat het bundelen van budgetten, mede in het licht van de investeringsver-plichting, belangrijk is. Grotere budgetten kunnen de kwaliteit enzichtbaarheid van culturele audiovisuele producties – waaronder films,series en documentaires – vergroten. Door het grote internationaleaanbod met vaak hoge budgetten zijn kijkers gewend geraakt aan hogekwaliteit van genoemde producties. Om grotere budgetten te realiseren issamenwerking tussen de publieke omroep en streamingsdiensten vanbelang. Bij deze samenwerking gaat het naast de financiering vanproducties, ook om optimale zichtbaarheid voor het publiek van Neder-landse films, series en documentaires. Hiervoor zijn evenwichtigeafspraken nodig over de financiële bijdragen van partijen en de verdeling35Kamerstukken II 2007–2008, 31 356, nr. 3.36Zie: Stb 2023, nr. 382.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1622 van de exploitatierechten. Ook zijn heldere kaders nodig waarbinnen degewenste publiek-private samenwerking kan plaatsvinden. De toelichtingover het dienstbaarheidsverbod zoals beschreven in deze brief, kanpartijen daarbij helpen.6.3 Toezeggingen Eerste Kamer De Eerste Kamer heeft mij er recent op gewezen dat er een aantaltoezeggingen op het gebied van mediabeleid open staat. Van een aantalzaken is aan de Eerste Kamer toegezegd dat daar in de beleidsreactie ophet rapport van het Adviescollege Publieke Omroep op teruggekomen zouworden. De brief die mijn ambtsvoorganger op 4 april jl. aan de TweedeKamer heeft gestuurd is die betreffende beleidsreactie. Ik stuur die briefnu als bijlage mee naar de Eerste Kamer opdat daarmee de toezeggingenop dit punt afgedaan zijn.37Aan de toezeggingen met betrekking tot desinformatie bij de publiekeomroep heb ik geen opvolging gegeven.38 Het is voor mij ongemakkelijkom te spreken van «desinformatie» bij de publieke omroep, aangeziendaarmee de stap naar een oordeel over de inhoud van journalistiek tedichtbij komt. Wel kan ik melden dat ik momenteel werk aan hetversterken van de journalistieke functie bij de publieke omroep, zoals ookvermeld in de voornoemde brief aan de Tweede Kamer van 4 april jl. Eenvoorstel voor eventuele maatregelen zult u tegemoetzien zodra hetwetsvoorstel waarin de hervorming van de landelijke publieke omroepwordt behandeld in de Eerste Kamer, daarin zal niet worden ingegaan opdeze specifieke toezeggingen. De toezeggingen beschouw ik dan ook alsafgedaan.6.4 Toezegging Tweede Kamer Rol media bij onrust Beverwijk/HeemskerkTijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is op 18 september deonrust op scholen in Beverwijk en Heemskerk besproken. Hierbij steldehet lid Yesilgöz vragen over het filmen van leerlingen door media opmiddelbare scholen. Het kabinet heeft toegezegd in gesprek te gaan metscholen en media om te bezien op welke wijze dit verlopen is en of hetnodig is scholen extra te wijzen op wat er wel en niet kan als het gaat ommedia op school.Ten eerste wil ik nogmaals benadrukken dat het voor alle betrokkenenontzettend vervelend is dat meerdere scholen moesten sluiten naaraanleiding van de onrust. Immers, op school moet worden geleerd enhoren leerlingen en medewerkers zich veilig te voelen. Naar aanleidingvan de vraag hoe het contact tussen media en leerlingen op scholen isverlopen, is er contact geweest met de desbetreffende scholen. Hieruit isgebleken dat een aantal journalisten toestemming heeft gekregen vanscholen, leerlingen en ouders om met een kleine groep leerlingen ingesprek te gaan. Het is moeilijk na te gaan welke media hiervan verslaghebben gedaan, waar zij hebben gefilmd en of zij vallen onder de partijendie toestemming van de desbetreffende school, leerlingen en oudershebben gekregen. Bezorgde ouders, scholen en/of leerlingen kunnen zichmet vragen of klachten over journalistiek handelen van bepaalde mediaaltijd richten tot de desbetreffende redactie. Wanneer men niet tevreden ismet de reactie van de redactie, is er de mogelijkheid om een melding temaken bij de Raad voor de Journalistiek of, in het geval van een landelijke37Toezeggingen: 4019, 4320 en 4006.38Toezeggingen: T03080 en T03480.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1623 publieke omroep, de Ombudsman voor de publieke omroep. Ik verwachtvan alle mediaorganisaties dat zij zorgvuldig omgaan met beelden van eninterviews met minderjarigen, net als dat scholen hier een rol in hebben tevervullen waar het gaat om bescherming van leerlingen op het school-terrein. Om dat laatste te verhelderen, heb ik met Stichting School enVeiligheid naar de ondersteuning op dit punt gekeken en vullen zij opkorte termijn het ondersteuningsaanbod rond het omgaan met calami-teiten aan met adviezen hoe om te gaan met de pers.Tot slotMet deze brief heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking vanartikel 15 uit de OCW-begroting 2025 en de stand van het mediabeleid. Ikkijk uit naar de bespreking ervan met uw Kamer.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,G. MoesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1624
Gerelateerde bronnen
- De Kamer wordt geïnformeerd over het experiment van Google om 1% van de gebruikers af te sluiten van het nieuws.
De Kamer wordt geïnformeerd over het experiment van Google om 1% van de gebruikers af te sluiten van het nieuws.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.