KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking (Kamerstuk 25087-357)

8 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 565f7452df30ca81 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 066Belastingdienst25 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleid36 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 1541 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 8 juni 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over devolgende brieven:–Fiscale geheimhoudingsplicht (Kamerstuk 31 066 nr.1510)–Vervolgonderzoek trailing taks (Kamerstuk 25 087 nr. 356)–Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking(Kamerstuk 25 087 nr. 357)–Onderzoek verschillen commerciële en fiscale jaarrekeningen(Kamerstuk 31 066 nr. 1524)–Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling (Kamerstuk 36 812 nr.117)De vragen en opmerkingen zijn op 27 maart 2026 aan de Staatssecretarisvan Financiën voorgelegd. Bij brief van 8 juni 2026 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,JansenAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-31066-1541ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15411 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deStaatssecretaris van FinanciënIk heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingenvan de leden van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA en CDA overde op 15 december 2025 toegezonden brief inzake een vervolgonderzoekmet betrekking tot een trailing tax1, de op 17 december toegezonden briefinzake een onderzoek naar verschillen tussen de commerciële en fiscalewinstberekening2, de op 12 januari 2026 toegezonden brief inzakeoverwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling3 en de op 27 maart 2026toegezonden brief inzake o.a. Monitoring van de effecten van de aanpakvan belastingontwijking.4Ook heb ik met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmer-kingen van de leden van de fracties van VVD en GroenLinks-PvdA over defiscale geheimhoudingsplicht naar aanleiding van de op 21 juli 2025 naaruw Kamer verzonden brief.5 Het kabinet hoort de roep vanuit de Kamerom meer transparantie. Het kabinet kan tegelijkertijd, onder meer in hetkader van de gestelde vragen, niet voldoende benadrukken dat de fiscalegeheimhoudingsplicht het belang van compliance en een doelmatigebelastingheffing en inning dient, en daarmee het belang van de Staatdient en daarnaast het belang van de bescherming van privacy vanbelanghebbenden. Bij iedere mogelijke doorbreking van de fiscalegeheimhoudingsplicht een belangenafweging worden gemaakt tussendeze belangen en het belang van transparantie als het gaat om informatie-verstrekking aan het parlement.Bij de beantwoording is voorts zo veel mogelijk de volgorde van hetverslag van het schriftelijk overleg aangehouden, tenzij een aanleidingbestond om vragen samen te voegen.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Staatssecretaris van Financiën over de overwogen optiesvoor de dekking van de budgettaire gevolgen van het arrest van de HogeRaad met betrekking tot de liquidatieverliesregeling.Deze leden onderstrepen het belang van een gelijk speelveld binnenEuropa en stabiliteit en voorspelbaarheid voor ondernemers. Tegelijkertijdachten deze leden het van belang dat het belastingstelsel doelmatig enuitvoerbaar is, met oog voor het beperken van regeldruk en administra-tieve lasten. Deze leden hebben nog enkele vragen.Deze leden vragen de Staatssecretaris om nader toe te lichten hoe destructurele derving van 65 miljoen euro is opgebouwd en welke typebedrijven hier met name aan bijdragen. Tevens vragen deze leden inhoeverre het kabinet verwacht dat deze derving zich in de komende jarenzal ontwikkelen, ook als gevolg van reacties op het niet afschaffen van deliquidatieverliesregeling.1Kamerstukken II 2025/26, 31 066, nr. 1510.2Kamerstukken II 2025/26, 31 066, nr. 1524.3Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 117.4Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 357.5Kamerstukken II 2025/26, 31 066, nr. 1510.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15412 De structurele derving van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart20256 wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar en betreft name groteinternationale ondernemingen. Het arrest heeft betrekking op de vraag ofde Ierse group-reliefregeling toepassing van de liquidatieverliesregeling inde weg staat. De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op dedeelnemingsvrijstelling. Reden hiervoor is dat verlies vanwege deliquidatie van die deelneming niet meer bij die deelneming in minderingworden gebracht en hierdoor anders voorgoed verloren zou gaan. Hetliquidatieverlies kan, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, op deNederlandse belastbare grondslag in mindering worden gebracht.7 Eénvan de wettelijke voorwaarden is dat er geen recht geldt op «enigerleitegemoetkoming» ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaamonverrekend zijn gebleven.In navolging van de rechtbank en het hof, heeft de Hoge Raad geoordeelddat de beoordeling of geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming»moet worden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van hetontbonden lichaam is voltooid. De Hoge Raad oordeelt dat het daarbij omdie reden niet zo kan zijn dat onder «enigerlei tegemoetkoming» mede detegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of hadden kunnen wordenverkregen door toepassing van de Ierse group-reliefregeling voorafgaandaan het moment van liquidatie van de dochtervennootschap.8 De crux zitin het moment waarop wordt getoetst of van «enigerlei tegemoetkoming»sprake is.9 Het is niet de verwachting dat met het arrest van de Hoge Raadvan 21 maart 202510 de derving zal stijgen, omdat bedrijven in hetalgemeen minder sturen op het maken van verliezen.De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet verschillendeopties heeft verkend om de budgettaire verliezen binnen de liquidatiever-liesregeling zelf te dekken, maar uiteindelijk concludeert dat deze optiesniet leiden tot een betere uitkomst in termen van uitvoerbaarheid,EU-rechtelijke houdbaarheid en vestigingsklimaat. Kan de Staatssecretaristoelichten hoe de effecten op het vestigingsklimaat zijn afgezet tegen hetbelang van het beperken van de budgettaire derving en hoe deze balansin dit geval is beoordeeld?Deze leden constateren dat opties 3 en 4 worden afgewezen vanwegecomplexiteit, terwijl de gekozen maatregel buiten de regeling eveneenstechnisch complex lijkt. Kan de Staatssecretaris concreet toelichtenwaarom de uitvoeringslasten van de gekozen maatregel lager of beterbeheersbaar zijn dan die van de overwogen opties binnen de regeling?Hoe wordt geborgd dat de nieuwe maatregel niet leidt tot een toenamevan administratieve lasten voor bedrijven, in strijd met de ambitie omdeze juist te verminderen?Er zijn verschillende opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raadvan 21 maart 202511 in de liquidatieverliesregeling onderzocht. Dezeopties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijkeaspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat.Hoewel het belangrijk is dat de dekkingsmaatregel budgettair dekkend is,zijn alle aspecten belangrijk, waaronder de effecten op het vestigings-klimaat. Op basis van een analyse, waarin alle aspecten in zijn totaliteit enin samenhang zijn beoordeeld, bleek dekking binnen de liquidatieverlies-6Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.7Kamerstukken II 2020/21, 35 568, nr. 3, p. 3.8Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, rechtsoverweging 3.3.1.9Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 115.10Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.11Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15413 regeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinetvoorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken door middelvan een technische aanpassing met ingang van 1 januari 2027 van defiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten dieop verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht.12Met deze aanpassing wordt een onevenwichtigheid in de fiscale behan-deling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten weggenomen. Eenconcept wettekst en toelichting zijn recent ter internetconsultatieaangeboden.13 Op deze internetconsultatie zijn vijf reacties binnenge-komen, waarin onder andere de complexiteit van deze maatregel wordtbenadrukt. Het kabinet weegt op dit moment de binnengekomen reactiesen vindt het belangrijk dat een toename van de administratieve lastenvoor bedrijven en uitvoeringskosten voor de Belastingdienst zoveelmogelijk wordt beperkt.Deze leden hebben kennisgenomen van de eerdere brieven over demonitoring van belastingontwijking van en het vervolgonderzoek naar detrailing taks beide van 15/12/2025. In de monitoringsbrief wordt geconclu-deerd dat bepaalde maatregelen effectief zijn, maar dat ontwijkingsgedragzich kan verplaatsen. In hoeverre is bij de huidige problematiek rond deliquidatieverliesregeling sprake van verplaatsing van fiscale structuren, enhoe is dat meegewogen?De liquidatieverliesregeling stimuleert ondernemerschap in Nederland enover de grens en hiermee kunnen belastingplichtigen op de buitenlandsemarkten onder fiscaal gelijke omstandigheden met lokale bedrijven blijvenconcurreren.14 De liquidatieverliesregeling is de afgelopen jaren verschil-lende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik tegen te gaan.15Het kabinet ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om te veronder-stellen dat de liquidatieverliesregeling als zodanig aanleiding geeft totverplaatsing van fiscale structuren.Deze leden lezen in het onderzoek naar de trailing tax juist dat nationalemaatregelen vaak beperkt effectief zijn door internationale beperkingen. Inhoeverre spelen dergelijke internationale beperkingen ook een rol bij dekeuze om de liquidatieverliesregeling zelf niet aan te passen, maar deoplossing te zoeken in de fiscale behandeling van valutaresultaten?Zoals in de Kamerbrief van 15 december 2026 is uiteengezet16, zou heteffect van een trailing tax de komende jaren beperkt zijn, omdatNederland een uitgebreid verdragennetwerk heeft en een trailing tax inbeginsel niet geëffectueerd kan worden als er een verdrag ter voorkomingvan dubbele belasting van toepassing is. Aanpassing van een belasting-verdrag is – zeker als de wens daarvoor slechts bij een van de twee landenbestaat – vaak lastig en een langdurend proces. Bij de deelnemingsvrij-stelling en de liquidatieverliesregeling speelt dit niet, aangezien het hiergaat om winst uit onderneming en Nederland door een verdrag tervoorkoming van dubbele belasting in beginsel niet in het heffingsrechtwordt beperkt. Daarnaast zijn de EU-rechtelijke aspecten meegewogen bijde overwogen opties om de liquidatieverliesregeling aan te passen.De leden van de D66-fractie hechten eraan dat nationale fiscale keuzesniet leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld binnen Europa. Inhoeverre wijken de huidige vormgeving van de liquidatieverliesregeling12Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 1, p. 48.13https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling.14Kamerstukken II 2020/21, 35 568, nr. 3, p. 3.15Zie bijvoorbeeld de Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling (Stb. 202, 539).16Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 356.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15414 en de gekozen dekkingsmaatregel af van regelingen in andereEU-lidstaten en hoe wordt geborgd dat hierdoor geen ongelijk speelveldontstaat voor Nederlandse bedrijven die internationaal opereren?Op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EuropeseUnie17, zijn EU-lidstaten verplicht definitieve verliezen van een buiten-landse dochtermaatschappij in de lidstaat van de moedermaatschappij teverrekenen. De exacte invulling van deze regeling kan per lidstaatverschillen. Nederland biedt deze mogelijkheid voor deelnemingen in devorm van de liquidatieverliesregeling.18 De liquidatieverliesregeling is eenuitzondering op de deelnemingsvrijstelling. De deelnemingsvrijstellingzorgt ervoor dat economisch dubbele belastingheffing binnen eenconcern wordt voorkomen. De door de dochtermaatschappij (deelneming)uitgedeelde winsten worden door de werking van de deelnemingsvrij-stelling niet nogmaals bij de moedermaatschappij belast. Onder dedeelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van een binnenlandse ofbuitenlandse dochtervennootschap onder voorwaarden vrijgesteld, maarzijn ook verliezen niet aftrekbaar. Dit is een internationaal gebruikelijkemethode en de Europese moederdochterrichtlijn is ook op een dergelijkuitgangspunt gebaseerd.19 Door de liquidatieverliesregeling is een(liquidatie)verlies op een deelneming onder voorwaarden wel aftrekbaar.Reden hiervoor is dat verlies als gevolg van de liquidatie niet meer bij diedeelneming in mindering kan worden gebracht en daarmee andersvoorgoed verloren zou gaan.Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen de derving van het arrest tedekken door aanpassing van de fiscale behandeling van het ingeprijsdevalutaresultaat op een afdekkingsinstrument dat op verzoek onder dedeelnemingsvrijstelling kan worden gebracht. De reden daarvan is dat tenaanzien van het afdekkingsinstrument in de regel rentekosten inmindering worden gebracht op het resultaat (inclusief de renteopslag diebetrekking heeft op het verwachte valutarisico). Daartegenover staat eeneven grote ingeprijsde (dat wil zeggen verwachte) valutawinst op hetafdekkingsinstrument. Bedrijfseconomisch vallen deze componententegen elkaar weg, terwijl fiscaal het ingeprijsde valutaresultaat kan zijnvrijgesteld door toepassing van de deelnemingsvrijstelling.20 Het kabinetheeft geen overzicht of in andere EU-lidstaten het resultaat op afdekkings-instrumenten onder de deelnemingsvrijstelling kan worden gebracht, enzo ja of en hoe andere EU-lidstaten deze onevenwichtigheid aanpakken.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deverschillende brieven over belastingontwijking. Deze leden hebben nogenkele vragen.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de fiscale geheimhou-dingsplicht dat de fiscale geheimhoudingsplicht strikt is vormgegeven endat alle informatie over individuele belastingplichtigen hieronder valt.Tegelijkertijd wordt benadrukt dat goede informatieverstrekking aan hetparlement essentieel is voor zijn controlefunctie. Hoe beoordeelt hetkabinet de huidige balans tussen fiscale geheimhouding en het recht vande Kamer op informatie en acht het kabinet aanvullende waarborgen17Zie bijvoorbeeld het Marks & Spencer arrest (HvJ 13 december 2005, zaak C–446/03).18Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor vaste inrichtingen met de objectvrijstelling ende stakingsverliesregeling een vergelijkbare methode geldt om economisch dubbele belastingte voorkomen en definitieve verliezen in aanmerking te kunnen nemen.19Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 117, p. 1–2.20Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 116.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15415 nodig om te voorkomen dat informatieachterstanden van de Kamerontstaan?Het kabinet stelt voorop dat er veel informatie aan de Tweede Kamerverstrekt kan worden en wordt, en dat het de ruimte binnen de kaders vande fiscale geheimhoudingsplicht neemt. In de gevallen waar u vraagt ominformatie over een specifieke belastingplichtige, dient op grond vanartikel 68 van de Grondwet telkens een afweging gemaakt te wordentussen het informatierecht van uw Kamer en het belang van de Staat.Waar de fiscale geheimhoudingsplicht zich verzet tegen openbaarmaking,wordt informatie waar mogelijk vertrouwelijk verstrekt. Het uitgangspuntis dat stukken openbaar worden gemaakt als dat kan, en waar het moetstukken vertrouwelijk ter inzage worden gelegd. Daarmee is er naar mijnmening voldoende balans tussen fiscale geheimhouding en het recht opinformatie van de Kamer en zijn er geen aanvullende waarborgen nodigom te voorkomen dat er een risico op een informatieachterstand ontstaat.De brief stelt dat Nederland internationaal niet uniek is in de striktetoepassing van fiscale geheimhouding. Ook is aangegeven dat recentonderzoek geen aanleiding is om het Nederlandse beleid te versoepelen.Daarbij is opgemerkt dat andere landen soms verschillen in detailinvullingkennen. Is het kabinet bereid een overzicht te verstrekken van landen waarwél meer parlementaire transparantie over fiscale dossiers wordtgeboden, om te beoordelen of onderdelen daarvan mogelijk wenselijk zijnvoor het Nederlandse stelsel?De IBFD heeft, in opdracht van het Ministerie van Financiën, reeds eerderonderzoek gedaan naar de fiscale geheimhoudingsplicht in anderelanden.21 Naar aanleiding van dat onderzoek is ook gekeken of onderdelenvan de wijze waarop dit is geregeld in andere landen enige toegevoegdewaarde zou kunnen hebben voor Nederland. Op ambtelijk niveau isgesproken met medewerkers van de Franse belastingdienst. In Frankrijkhebben twee aangewezen leden van het Franse parlement op verzoektoegang tot de fiscale gegevens van individuele belastingdossiers teruitoefening van hun taak. De fiscale geheimhoudingsplicht wordtvervolgens verlegd naar die leden van het parlement, waarmee het ook indat geval niet in het publieke debat kan worden betrokken. De conclusiedie daaruit getrokken is, is dat er dus beperkte aanknopingspunten zijngebleken voor een (nadere) aanpassing van het Nederlandse beleid. Ditomdat reeds de mogelijkheid bestaat tot vertrouwelijke informatiever-strekking aan het parlement.In de brief wordt aangegeven dat vertrouwelijke verstrekking aan deKamer een waardevol instrument is, maar wel een inbreuk vormt op debelangen van geheimhouding. Volgens de brief moet per geval zorgvuldigworden afgewogen of vertrouwelijke verstrekking proportioneel is. Kannauwkeurig worden aangegeven onder verwijzing naar relevante bronnenin de wetsgeschiedenis (van de invoering van artikel 67 van de AWR inhuidige vorm) en/of jurisprudentie waarom de conclusie in het advies vande Landsadvocaat van 29 november 2023 over niet-herleidbare gegevensen artikel 67 van de AWR onjuist is en waarom de conclusie van B.M. vander Sar in zijn proefschrift getiteld «Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67AWR ontrafeld» onjuist is? Bij de beantwoording van vraag 26 van hetschriftelijk overleg over de Jaarrapportage Belastingdienst 2024 is hieropniet inhoudelijk ingegaan: waarom niet?Zoals eerder ook in het antwoord op de vraag zoals die gesteld is bij deJaarrapportage Belastingdienst (BD) 2024 is aangegeven, het volgende.21Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1324.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15416 De fiscale geheimhoudingsplicht ziet op alle gegevens die in het kader vande uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van eenander zijn verkregen. Deze is strikt vormgegeven: alle fiscale informatieover en van een individuele belastingplichtige valt hieronder. Dit kan inbeginsel ook geanonimiseerde of geaggregeerde gegevens betreffen.22Dit is ook door de Landsadvocaat geconcludeerd.23 Voorgaandekabinetten hebben steeds het standpunt ingenomen dat niet-herleidbaregegevens wel gedeeld kunnen worden. Dit standpunt is in de beant-woording bij de jaarrapportage BD 2024 met uw Kamer gedeeld. Ik voegdaaraan toe dat wat precies moet worden verstaan onder «nietherleidbare informatie» afhangt van de omstandigheden en van geval totgeval zal moeten worden bekeken.Het kabinet erkent dat er kritisch moet worden gekeken naar welkeinformatieverstrekking mogelijk is. Om die reden komt het kabinettegemoet aan de wens vanuit de Kamer om met een nader inhoudelijkantwoord meer duidelijkheid omtrent de verhouding tussenniet-herleidbare gegevens (geanonimiseerd of geaggregeerd) en defiscale geheimhoudingsplicht te geven. Het kabinet zal dit onderzoeken.Daarbij zal gericht en scherp worden onderzocht welke informatiever-strekking binnen de kaders mogelijk is, op welke manier die informatieverstrekt kan worden en welke waarborgen hiervoor noodzakelijk(kunnen) zijn. U zal hierover worden geïnformeerd.Is het kabinet het ermee eens dat voor de interpretatie van een wettelijkebepaling zoals artikel 67 van de AWR alleen de parlementaire geschie-denis tijdens de behandeling van de wet relevant kan zijn en dat dus latereuitlatingen, die zijn gedaan door de Staatssecretaris niet zijn gedaan in dehoedanigheid van (mede) wetgever, maar in de hoedanigheid vanuitvoerder?Het kabinet is het ermee eens dat voor de bedoeling van een wettelijkebepaling, zoals artikel 67 van de AWR, gekeken moet worden naar deparlementaire geschiedenis van de specifieke wettelijke bepaling, inclusiefenige latere wijzigingen daarvan.Kan het kabinet toezeggen aan de Kamer om alsnog in artikel 67 van deAWR te regelen dat niet-herleidbare gegevens gepubliceerd mogenworden om zo verdere schendingen van de fiscale geheimhoudingsplichtdoor de Belastingdienst te voorkomen? Zo niet, wat zijn dan de potentiële(strafrechtelijke) gevolgen mocht een rechter oordelen dat publicatie vandergelijke gegevens wél in strijd is met artikel 67 van de AWR?Het kabinet kan die toezegging niet doen, maar zoals bij een eerdere vraagaangegeven is het kabinet voornemens hier onderzoek naar te doen.Daarbij kan het kabinet geen inschatting maken van welke gevolgen eenrechter hieraan zou kunnen verbinden als de rechter tot de slotsom komtdat in strijd met artikel 67, AWR wordt gehandeld.De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet streeft naar maximaletransparantie binnen de wettelijke kaders, onder meer via rulingpubli-caties en technische briefings. Tegelijkertijd worden grenzen zichtbaar bijinformatie over individuele belastingplichtigen. Welke aanvullendemogelijkheden ziet het kabinet om geanonimiseerde of geaggregeerdeinformatie toegankelijker te maken voor de Kamer, zonder de fiscalegeheimhoudingsplicht te doorbreken?22Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 20–21.23Advies van de Landsadvocaat van 29 november 2023 inzake verhouding artikel 67 AWR en deWoo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15417 In het algemeen spant het kabinet zich in om in gevallen waarin infor-matie wordt verstrekt, zoals bij de openbaarmaking van samenvattingenvan rulings, dit op een zo toegankelijk mogelijke manier te doen. Zoworden samenvattingen van rulings op de website van de BD geplaatst.Daarnaast wordt er ieder jaar een jaarverslag gemaakt die wordtaangeboden aan uw Kamer. Dit jaarverslag bevat niet alleen geaggre-geerde financiële informatie over de aantallen afgegeven en nietafgegeven rulings, maar ook uitgebreide informatie over «beeldbepalendestandpunten» die aan de orde zijn geweest in een specifiek jaar. Daarnaastwordt bij antwoorden op Kamervragen de fiscaaltechnische toelichting zobegrijpelijk mogelijk gemaakt. Daarmee worden de bestaande mogelijk-heden voor toegankelijk naar het oordeel van het kabinet reeds maximaalbenut.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van het vervolgonderzoeknaar een trailing tax dat blijkt dat het verwachte budgettaire belang vaneen trailing tax relatief gering is: circa 16–38 miljoen euro per jaar,afhankelijk van de duur van de regeling. Tegelijkertijd zou de uitvoeringomvangrijke lasten veroorzaken bij zowel belastingplichtigen als deBelastingdienst, mede door langdurige monitoring en lastig te verkrijgeninformatie bij niet-verdragslanden. Hoe beoordeelt het kabinet deproportionaliteit van een maatregel met zo’n beperkte opbrengst en zulkehoge uitvoeringskosten en welke concrete drempel hanteert het kabinetbij de afweging tussen opbrengst, uitvoerbaarheid en privacy-impact?Het effect van de onderzochte trailing tax op inkomen zou inderdaadbeperkt zijn, omdat de heffing met het uitgebreide belastingverdragen-netwerk van Nederland richting veel landen niet kan worden geëffec-tueerd. Er is daarbij een reëel risico dat zeer vermogende personen hunactiviteiten zo structureren dat zij geen trailing tax hoeven te betalen,waardoor het resultaat zou kunnen zijn dat met name emigraties zonderfiscaal motief geraakt worden. Gecombineerd met de complexe handhaaf-baarheid en de grote uitvoeringslasten voor de Belastingdienst, kiest hetkabinet niet voor een trailing tax.In de brief wordt aangegeven dat vermogende personen de maatregeleenvoudig kunnen ontwijken door eerst naar een hoger-belast land teverhuizen en daarna door te migreren naar een laagbelastend land.Dergelijke constructies zouden de effectiviteit aanzienlijk ondermijnen.Welke opties ziet de Staatssecretaris om dergelijke step-up-emigraties tevoorkomen zonder de regeling disproportioneel complex te maken?Het is lastig om constructies te vermijden waarbij belastingplichtigen metde intentie om belasting te ontduiken eerst naar een hogerbelastend landen later naar een laagbelastend land migreren.Eventuele maatregelen om dergelijke step-up-emigraties te vermijdenhangen sterk samen met de beschikbare informatie over die step-up-emigratie, om ervoor te zorgen dat die belastingplichtigen ook bij latereemigraties naar laagbelastende landen in beeld blijven. Voor de Belasting-dienst is het heel lastig om deze informatie te verkrijgen. Ook als er eenbi- of multilateraal verdrag over informatie-uitwisseling of bijstand bijinvordering met het hogerbelastende land is gesloten – krijgt de Belas-tingdienst niet spontaan een melding van het hogerbelastende land dateen natuurlijk persoon geëmigreerd is. De Belastingdienst zou dusspecifiek om die informatie moeten vragen als het vermoeden bestaat dateen belastingplichtige geëmigreerd is. Daarbij kan het zijn dat hethogerbelastende land niet bijhoudt waarheen iemand emigreert of dat debelastingplichtige niet aan diens administratieve verplichtingen in hethogerbelastende land heeft voldaan. Het is dan complex om te achter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15418 halen waar een belastingplichtige die bewust niet meewerkt zich bevindten of en hoeveel trailing tax hij zou moeten betalen. Dit is al helemaal hetgeval wanneer hij naar een land is geëmigreerd waarmee Nederland geenafspraken over informatie-uitwisseling of bijstand bij invordering heeft.Indien tot de invoering van een trailing tax zou worden besloten, zoudenbepaalde informatieverplichtingen opgenomen kunnen worden voorpotentiële belastingplichtigen die aan de inkomens- of vermogensgrensvan een dergelijke belasting voldoen. Zo kan bijvoorbeeld wordengedacht aan een meldingsplicht als na emigratie uit Nederland wordtgeëmigreerd naar een laagbelastend land (binnen een bepaalde periode),wat een minder verdergaande verplichting is, of een verdergaandeinformatieverplichting zoals een (jaarlijkse) aangifteplicht na emigratie uitNederland. Als bijvoorbeeld bepaald zou worden dat de trailing tax bijiedere migratie van een potentiële belastingplichtige van toepassing is,tenzij hij gedurende de potentiële toepassing van de trailing tax aanne-melijk maakt dat hij naar een hogerbelastend land is geëmigreerd, zou dattot aanzienlijke lasten voor zowel de belastingplichtige als de Belasting-dienst leiden. Dat zou bijvoorbeeld ook betekenen dat personen die nietnaar laagbelastende landen emigreren, alsnog aan die bewijslast moetvoldoen. Zowel de proportionaliteit als de bruikbaarheid van die infor-matie voor de Belastingdienst zouden afhangen van de precieze verplich-tingen. Dit geldt overigens alleen voor belastingplichtigen die uit zichzelfaan hun verplichtingen voldoen. Belastingplichtigen die gebruik zoudenmaken van deze constructie met de intentie om belasting te ontduikenzullen zeer waarschijnlijk niet aan deze verplichtingen voldoen en in datgeval is de handhaving erg complex. In het verlengde van voornoemdekan in situaties dat niet wordt voldaan aan de informatieverplichting naemigratie naar een laagbelastend land een verlengde navorderingstermijnvan toepassing zijn.Een andere denkrichting zou zijn om bij de emigratie van een potentiëlebelastingplichtige uit Nederland voldoende zekerheid op vermogensbe-standdelen in Nederland te verlangen, zodat (een geschat bedrag aan)trailing tax ingevorderd kan worden indien de belastingplichtige niet aanzijn informatieverplichtingen voldoet of niet op een andere manierachterhaald kan worden of hij al dan niet trailing tax dient te betalen. Dezesystematiek doet denken aan een exitheffing met een conserverendeaanslag, maar lijkt op het eerste oog aanzienlijk complexer en juridischkwetsbaarder. Zo zou gewerkt moeten worden met geschatte bedragen enwordt zekerheid gevraagd voor inkomen dat nog niet genoten is. Ikverwijs hiervoor ook graag naar het antwoord op de vraag hieronder.De leden van de VVD-fractie lezen dat een exitheffing op vermogenmogelijk effectiever is dan een trailing tax, omdat deze vóór emigratie kanworden geheven en minder door verdragen wordt beperkt. Tegelijkertijdzijn er juridische en uitvoeringsvragen. Is het kabinet bereid om voor deKamer een verkennende analyse te sturen van de uitvoerbaarheid,juridische grenzen en mogelijke varianten van een exitheffing gericht oplaagbelastende bestemmingen?Een mogelijk alternatief voor een trailing tax zou inderdaad een vorm vaneen exitheffing kunnen zijn om het emigreren naar een laagbelastend landte ontmoedigen. Een voorbeeld daarvan is een regeling waarbij zeervermogende personen die emigreren naar een laagbelastend land aaneen exitheffing worden onderworpen die wordt berekend over hetvermogen op het moment van vertrek. Een dergelijke exitheffing zou inbeginsel verenigbaar moeten zijn met belastingverdragen en kan daarmeeeffectiever zijn. Wel is het belangrijk dat een dergelijke exitheffing inovereenstemming is met het Europese recht, met name het vrije verkeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15419 van vestiging. Verder spelen hier ook vergelijkbare ontwijkingsmogelijk-heden als bij een trailing tax, zoals de mogelijkheid om eerst te verhuizennaar een land met een hogere belastingdruk.Nederland tracht in de huidige wetgeving belastingclaims op in Nederlandopgebouwd vermogen (zoals aanmerkelijk belang, pensioenen oflijfrenten) veilig te stellen met een exitheffing door middel van eenconserverende aanslag bij emigratie. Om te kunnen beoordelen of eennieuwe exitheffing zoals hiervoor beschreven effectief zou zijn, wordt opdit moment met een beleidsevaluatie onderzocht of de huidige exithef-fingen in box 1 en 2 en de inwonerschapsfictie (trailing tax) in de schenk-en erfbelasting in de praktijk hun doelstelling behalen, namelijk hetverzekeren dat Nederland belasting kan heffen over het inkomen of devermogensaanwas die in Nederland is opgebouwd. Het kabinet wachtdaarom eerst de resultaten van dit onderzoek af voordat eventueelbesloten wordt tot een verkennende analyse naar de door de leden van deVVD-fractie gevraagde variant.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de monitoring van deeffecten van de aanpak van belastingontwijking dat de inzet op interna-tionale ontwikkelingen zoals Pijler 1 en 2, Unshell en FASTER belasting-ontwijking verder moet terugdringen. Tegelijkertijd worden zorgen geuitover administratieve lasten en uitvoerbaarheid. Hoe borgt het kabinet datnieuwe Europese en internationale maatregelen niet leiden tot stapelingvan verplichtingen voor bedrijven, en wordt daarbij structureel toetsingop uitvoering vooraf gedeeld met de Kamer? De leden van de VVD-fractielezen dat in EU-verband wordt gewerkt aan DAC10 en verdere harmoni-satie van gegevensuitwisseling. De brief benoemt dat dit de kwaliteit vaninformatie-uitwisseling moet verbeteren, maar dat harmonisatie complexis. Is de Staatssecretaris bereid de Kamer vroegtijdig te informeren overNederlandse inzet bij DAC10, inclusief de gewenste balans tusseninformatiebehoefte, proportionaliteit en uitvoerbaarheid? Kan het kabineteen update geven over de aanstaande omnibusrichtlijn directe belas-tingen en de aanpassing van de DAC-richtlijn? Kan het kabinet delen water qua wijzigingen in de tekstvoorstellen staan? Zo niet, kan dit met decommissie worden gedeeld in een besloten technische briefing? Is hetkabinet voornemens om de omnibusrichtlijn en de aanpassing van deDAC-richtlijn aan te grijpen om Nederlandse koppen op Europese fiscalewetgeving terug te draaien? Zo ja, om welke koppen gaat het dan? Zo nee,waarom niet?In het kader van vereenvoudiging en verminderen van administratievelasten werkt de Europese Commissie aan twee richtlijnvoorstellen, deOmnibus directe belastingen en een herziening van de administratievesamenwerkingsrichtlijn (DAC-recast). Ter voorbereiding op dezevoorstellen heeft de Europese Commissie verschillende werkgroepengeorganiseerd met de lidstaten om beleidsopties en wensen te inventari-seren. Beleidsopties zien hoofdzakelijk op versterking van hetEU-concurrentievermogen, het verduidelijken van definities, het terug-dringen van minder relevante of overlappende rapportageverplichtingenen het verminderen van fragmentatie in implementatie. Nederland heefthierbij bijvoorbeeld ambitieus ingezet op het verminderen van rapporta-geverplichtingen en administratieve lasten waar dit mogelijk is tegelij-kertijd rekening houdend met de administratieve informatiebehoefte enhet behoud van effectieve anti-misbruikmaatregelen.Volgens de meest recente berichten worden beide voorstellen naarverwachting gelijktijdig gepubliceerd in juni of juli 2026. Er zijn om diereden nog geen tekstvoorstellen beschikbaar om met uw Kamer te delenof toe te lichten tijdens een technische briefing. Zodra de richtlijnvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154110 stellen gepubliceerd zijn wordt uw Kamer per voorstel geïnformeerdmiddels een BNC-fiche, zoals gebruikelijk bij EU-voorstellen. In hetBNC-fiche wordt de voorgestelde kabinetsinzet aan uw Kamer voorgelegd.Hierin wordt onder meer ingegaan op proportionaliteit en uitvoer-baarheid. Met het BNC-fiche maakt het kabinet zodoende ook structureeleen eerste inschatting van de gevolgen van nieuwe Europese eninternationale voorstellen voor zowel bedrijven als uitvoeringsinstanties.De eventuele stapeling van administratieve verplichtingen is daarbij ookeen aandachtspunt. Indien uw Kamer dat wenst is het kabinet bereid ineen (besloten) technische briefing nadere toelichting te geven op basisvan de BNC-fiches. Omdat de richtlijnvoorstellen nog niet bekend zijn,loopt het kabinet niet vooruit op eventueel te maken nationale implemen-tatiekeuzes. Zoals afgesproken in het regeerakkoord implementeert hetkabinet Europese richtlijnen en regelgeving zoveel mogelijk 1-op-1.De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorraad directe buitenlandseinvesteringen sterk is gedaald bij doorstroomvennootschappen, maar nietbij ondernemingen met reële activiteiten. Dit wordt gekoppeld aaneffectiviteit van anti-ontwijkingsmaatregelen.In hoeverre acht het kabinetaanvullende maatregelen nodig om resterende doorstroomstructuren afte bouwen en hoe voorkomt het kabinet tegelijkertijd dat legitiemeinternationale bedrijven worden geraakt?Het kabinet acht op dit moment geen aanvullende maatregelen nodig omde resterende doorstroomstructuren af te bouwen. De cijfers laten eenafname van investeringen in doorstroomvennootschappen zien sinds2018. Hoewel de voorraad aan buitenlandse investeringen in Nederlandnog steeds relatief hoog is, hoeft dit niet per se met belastingontwijking temaken te hebben. Het bestaan van doorstroomvennootschappen kan ookte maken hebben met niet-fiscale motieven. Veel reële investeringendragen ook bij aan hoge buitenlandse investeringen, zoals hoofdkantorenmet veel investeringen in het buitenland. Een deel van de doorstroomven-nootschappen zijn bijvoorbeeld beursgenoteerde topholdings inNederland zonder substantiële bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijnsommige structuren met een oorspronkelijk fiscaal motief blijven bestaan,maar leiden zij door de aanpak van belastingontwijking niet langer totbelastingbesparing.In de aanpak van internationale belastingontwijking ligt de focus van hetkabinet op een gecoördineerde internationale benadering. Internationalebelastingontwijking het meest effectief kan worden aangepakt doorinternationale of Europese afspraken. Ten aanzien van doorstroomven-nootschappen werkt de Europese Commissie aan het opstellen van eenhernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie overdoorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijnadministratieve samenwerking op belastinggebied24, op een efficiënterewijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstelonderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratievesamenwerking die in de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Hetkabinet sluit aan bij deze afspraken en kiest ervoor om af te zien vaneenzijdige nationale koppen op nieuw beleid. Op deze manier wordt zoveel mogelijk voorkomen dat legitieme internationale bedrijven geraaktworden door extra regelgeving en blijft het ondernemingsklimaat voorreële investeringen behouden.Kan het kabinet aangeven of het wenselijk is dat buitenlandse directeinvesteringen significant zijn afgenomen de afgelopen jaren? In welke24Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratievesamenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154111 mate zijn reële buitenlandse directe investeringen misgelopen door testrenge Nederlandse belastingwetgeving? Wat is de geschatte belasting-opbrengsten en welvaart die Nederland hierdoor is misgelopen?Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandseinvesteringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald, zoals deKamerbrief is aangegeven.25 Een daling van buitenlandse directeinvesteringen is onwenselijk indien het een daling van reële investeringenin de economie betreft. Directe buitenlandse investeringen in Nederlandbeperken zich echter niet tot reële investeringen in de Nederlandseeconomie. Uit de gegevens van DNB en CBS blijkt dat de desinveste-ringen en overeenkomstige daling van de voorraad directe buitenlandseinvesteringen alleen plaatsvond bij doorstroomvennootschappen, diesteeds vaker worden ontmanteld. Bij de overige vennootschappen, waarreële investeringen in Nederland een groter aandeel vormen, is juist geendaling van de dbi waargenomen, maar een gestage toename. Zowel DNBals CBS benoemen daarom de aanpak van belastingontwijking als devermoedelijke oorzaak van de daling van de totale voorraad aan dbi.26 Hetlijkt er daarom niet op dat reële directe buitenlandse investeringen in deNederlandse economie per saldo zijn afgenomen. In lijn hiermee is deverwachting dat invloed van de maatregelen op de belastingopbrengstenen de welvaart klein is.De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van het onderzoek naarverschillen tussen commerciële en fiscale jaarrekeningen ook dat eenbelangrijk deel van het totale verschil (gemiddeld 4,6 miljard euro) bestaatuit posten die niet herleidbaar zijn. Welke maatregelen neemt deBelastingdienst om de transparantie van deze correcties te verbeteren, enkan de Kamer voortaan jaarlijks inzicht krijgen in de categorieën waardeze verschillen ontstaan?Een verklaring van de door deze leden genoemde verschillen is dat deaanslag vennootschapsbelasting afwijkt van de ingediende aangifte alsgevolg van correctie dan wel uitspraak op bezwaar of ambtshalvevermindering. In het rapport wordt aanbevolen te onderzoeken of dehuidige invulling van het fiscale winstbegrip nog passend is bij dehedendaagse praktijk. In dergelijk onderzoek kan ook verkend worden ofen welke maatregelen getroffen kunnen worden om meer inzicht tekrijgen in het genoemde verschil. Vooruitlopend daarop worden nu geennadere maatregelen voorgesteld. Voor de wijze waarop de Belastingdiensthet afgelopen jaar zijn toezichtstaken heeft verricht, verwijs ik naar dejaarlijks te publiceren jaarrapportage van de Belastingdienst.De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de overwogen optiesvoor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in deliquidatieverliesregeling dat als blijkt dat de aanpassing van de deelne-mingsvrijstelling voor wat betreft valutaresultaten negatief is voor hetvestigingsklimaat, een alternatief zou worden overwogen? Welke signalenheeft het kabinet tot nu toe ontvangen over de impact van de voorge-stelde wijziging op het Nederlandse vestigingsklimaat?Er zijn verschillende opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raadvan 21 maart 202527 in de liquidatieverliesregeling onderzocht. Dezeopties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijkeaspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat.Gegeven deze randvoorwaarden bleek dekking binnen de liquidatiever-25Kamerstukken II 2025–2026, 25 087, nr. 357.26CBS (2025), Nederland Handelsland, p. 147 – 151.27Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154112 liesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorigekabinet voorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken doormet ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van hetzogenoemde ingeprijsde valutaresultaat op afdekkingsinstrumenten dieop verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aante passen.28 Een concept wettekst en toelichting zijn recent ter internet-consultatie aangeboden.29 Op deze internetconsultatie zijn vijf reactiesbinnengekomen. In enkele van deze reacties wordt aandacht gevraagdvoor de gevolgen van de voorgenomen technische aanpassing van defiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten voorhet Nederlandse vestigingsklimaat. Tegelijkertijd wordt de door hetkabinet beschreven onevenwichtigheid in andere reacties niet ontkend.Het kabinet weegt op dit moment de binnengekomen reacties.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat deNederlandse overheid alle zeilen bij moet zetten om belastingontwijkingtegen te gaan. Deze leden hebben dan ook veel vragen over de brievenover dit onderwerp.Deze leden merken ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht opdat het lid Stultiens eerder vroeg naar de mogelijkheden om de fiscalegeheimhoudingsplicht conform artikel 67 van de Algemene wet inzakerijksbelastingen (AWR) te versoepelen. De brief van een ambtsvoorgangervan de huidige Staatssecretaris van 21 juli 2025 noemt echter nuldaadwerkelijke mogelijkheden. Deze leden lezen slechts dat de toenmaligeStaatssecretaris «geen reden» zag om het beleid aan te passen. De vraagwas echter niet of de staatssecretarissen redenen zag: deze leden zien dieredenen namelijk wel. De vraag was welke mogelijkheden hij zag. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarom of de Staatssecre-taris alsnog kan verkennen wat de mogelijkheden zijn. Verder merkendeze leden op dat het kabinet in de reactie op de motie Stultiens(Kamerstuk 25 087 nr. 351) over transparantie over de belastingafdrachtvan multinationals niet is in ingegaan op de voorbeelden die in die motieworden genoemd, namelijk het aanscherpen van fiscale verslaggevings-standaarden en het openbaar maken van verrekenprijsrapporten. Deambtsvoorganger van de Staatssecretaris noemt wel wat het huidigebeleid is, maar niet welke mogelijkheden voor verbetering er zijn. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris ditalsnog kan doen.Ik ben van mening dat het kabinet al veel doet ten aanzien van transpa-ranties binnen de gegeven kaders. Het klopt dat mijn ambtsvoorgangerheeft aangegeven geen reden te zien om het beleid aan te passen, omdathet huidige wettelijke kader al de mogelijkheid biedt om de Kamervertrouwelijk inzage te verlenen en andere mogelijkheden die eerderonderzocht zijn geen aanknopingspunten boden om tot eventueleversoepeling over te gaan. Ik wil voorstellen in ieder geval ervaringen metde publieke country-by-country reporting af te wachten, alvorenseventueel wordt besloten tot een nadere verkenning. Het kabinet verwachtdat deze publieke country-by-country reporting voor een groot deel zalvoldoen aan de behoefte van de Kamer.Specifiek valt het deze leden op dat in de brief wordt genoemd dat «demogelijke voordelen» van het verstrekken van processuele informatie28Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 1, p. 48.29https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154113 «beperkt» lijken. Deze leden lezen echter in één van de meegestuurdebeslisnota’s dat het verstrekken van processuele informatie «mogelijk ineen behoefte kan voorzien». Deze leden vragen daarom of deze Staatsse-cretaris bereid is processuele informatie in individuele belastingdossiersmet de Kamer te delen. Zo nee, kan de Staatssecretaris toelichten waaromniet? Welke inhoudelijke argumenten ziet de Staatssecretaris om dit niet tedoen?Ik ben bereid en zie ruimte om (meer) informatie over processuelehandelingen die de BD jegens een specifieke belastingplichtige verricht teverstrekken. Daarbij maak ik het uitdrukkelijke voorbehoud dat daardoorgeen informatie over de fiscale positie van die belastingplichtige wordtprijsgegeven. Bij procesinformatie die verstrekt kan worden denk ikbijvoorbeeld aan informatie over het wel of niet opleggen van eenbelastingaanslag, het wel of niet voeren van (voor)overleg en het wel ofniet lopen van een bezwaar- of beroepsprocedure. De fiscale geheimhou-dingsplicht laat naar mijn mening echter geen ruimte om informatie teverstrekken over de fiscale positie van een specifieke belastingplichtige,dus bijvoorbeeld niet het soort of de hoogte van een belastingaanslag, het(niet) opleggen van een fiscale boete of de inhoud van een (voor)overleg.Deze laatstgenoemde informatie kan, na de door art. 68 van de Grondwetvoorgeschreven afweging, in voorkomende gevallen alleen vertrouwelijkverstrekt worden.Voorts vragen deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen een optieuit het Bouwstenenrapport 2024, namelijk een wijziging van de huidigepraktijk door de Belastingdienst de mogelijkheid te geven een wijzigingvan de huidige wetgeving omtrent de fiscale geheimhoudingsplicht,waardoor de Belastingdienst meer mogelijkheden verkrijgt om inhoude-lijke informatie over individuele belastingdossiers openbaar te delen metde Kamer. Kan de Staatssecretaris aangeven welke inhoudelijkeargumenten er zijn om dit niet te doen?In de inleiding heb ik aangegeven dat en waarom (een strikte uitleg van)de fiscale geheimhoudingsplicht essentieel is. Bij een verruiming zou hetbelang van de staat in gedrang kunnen komen. Voor een doelmatigeheffing en inning van belastingen is de inspecteur sterk afhankelijk vaninformatie die door belastingplichtigen wordt aangeleverd. Het is niet teoverzien welke gevolgen een dergelijk aanpassingsvoorstel heeft voor debereidwilligheid van (potentiële) belastingplichtige(n) om informatie teverstrekken aan de inspecteur. Daarnaast zou een verruiming een inbreukmaken op de persoonlijke levenssfeer, meer concreet het recht opbescherming van de privacy, van de desbetreffende belastingplichtige(n).Omdat er binnen het bestaande kader reeds voldoende mogelijkheden zijnom uw Kamer adequaat te informeren, zie ik geen aanleiding om art. 67van de AWR aan te passen in door de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA voorgestelde richting.Deze leden vragen ook wat de conclusies waren van de ambtelijkeverkenning uit 2023 naar de mogelijkheden van verdergaande informatie-verstrekking onder de fiscale geheimhoudingsplicht en welke mogelijk-heden tot verruiming van informatieverstrekking onder de fiscalegeheimhoudingsplicht nog meer in kaart zijn gebracht. Kan de Staatsse-cretaris per mogelijkheid aangeven of hij deze mogelijkheid in de praktijkwil brengen en zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris daarbij permogelijkheid toelichten welke inhoudelijke argumenten de Staatssecre-taris ziet om deze niet uit te voeren?In de ambtelijke verkenning is destijds geconcludeerd dat dat er weinigconcrete situaties te herkennen zijn waarbij het belang van transparantieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154114 zwaarder zou wegen dan het belang van de Staat. De bestaandemogelijkheid om vaker meer algemene informatie te verstrekken ofvoorlichting te geven, wordt reeds in de praktijk gebracht.30 Daarnaastheb ik hiervoor aangegeven in antwoord op de vraag van de leden van defractie van GroenLinks-PvdA dat ik bereid ben en ruimte zie om meerprocesinformatie te delen, met het daarbij gemaakte voorbehoud. Anderemogelijkheden om in de praktijk te brengen zijn er niet. De enige optie omde verhouding tussen artikel van de 67 AWR en artikel 68 van deGrondwet (verder) te veranderen is dus een wetswijziging. Ik verwijsdaarvoor naar hetgeen ik in de inleiding aangegeven heb.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken ook op dat artikel 67 vande AWR in 2008 nog is herzien. Kan de Staatssecretaris beschrijven watdie herziening inhield en in hoeverre deze wat de Staatssecretaris betreftsuccesvol is geweest?De directe aanleiding voor de herziening van artikel 67 van de AWR in2008 was een rapport van de Registratiekamer (de voorganger van deAutoriteit Persoonsgegevens).Het rapport constateerde dat het destijdsbestaande ontheffingensysteem van artikel 67 van de AWR geen adequatewettelijke grondslag was voor verstrekking van persoonsgegevens doorde BD, waardoor er onvoldoende waarborgen waren tegen ongewensteinbreuken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijkelevenssfeer. De bepaling is toen aangepast om de wettelijke regelinginzake gegevensverstrekking door de BD duidelijker en transparanter temaken, op een wijze die voldoet aan de nationale en internationalenormen van privacybescherming. Ik wil benadrukken dat het daarbij nietging om de informatieverstrekking richting het parlement, maar omgegevensverstrekking door de BD aan andere bestuursorganen/overheidsinstanties. Deze wijziging is wat mij betreft, gelet op het doel datmet de wijziging beoogd is te bereiken, succesvol geweest.Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor een nieuwe herzieningvan dit artikel met als doel om ruimere informatieverstrekking in het kadervan het tegengaan van belastingontwijking mogelijk te maken?Het kabinet wil benadrukken dat het zich inzet voor het tegengaan vanbelastingontwijking, uw Kamer wordt hier jaarlijks ook per brief overgeïnformeerd, recent nog in december 2025.31 Het kabinet hecht aan deinzet van uw fractie, en de rest van de Kamer, in het tegengaan vanbelastingontwijking. Echter, zoals hiervoor toegelicht, ziet het kabinetgeen realistische mogelijkheden tot versoepeling van artikel 67 van deAWR. Daarbij is versoepeling van artikel 67 van de AWR volgens hetkabinet ook niet een oplossing voor het tegengaan van belastingont-wijking. Als met een versoepeling van artikel 67 van de AWR de bereidwil-ligheid informatie te verstrekken inderdaad afneemt, kan dit het opsporenvan belastingontwijking moeilijker maken.Deze leden zijn blij om te lezen dat het vorige kabinet zich wilde inzettenvoor het maken van internationale afspraken over de belastingheffing vanzeer vermogende personen. Deze leden hopen dat dit voor het huidigekabinet ook geldt. Tegelijkertijd merken deze leden op dat er op ditmoment helaas internationaal onvoldoende draagvlak is voor het makenvan dergelijke afspraken en dat dit dus een zaak van de lange adem is.Deelt de Staatssecretaris deze inschatting? Deze leden zijn dan ook vanmening dat het goed zou zijn als vooruitstrevende landen het voortouwnemen en niet wachten op internationale consensus, ook als het gaat het30Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 269.31Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 357.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154115 om het belasten van zeer vermogende personen. Is de Staatssecretaris hetdaarmee eens?Het huidige kabinet zet zich actief in voor het maken van internationaleafspraken over de belastingheffing van zeer vermogende personen enblijft daarin het voortouw nemen met gelijkgestemde landen. Nederland isvan mening dat met het oog op een effectieve aanpak van de effectievebelastingdruk van zeer vermogenden het in de internationale samen-werking van belang is om stap voor stap te werk te gaan en te beginnenmet de vraag wat er nodig is om de meest vermogenden in de wereldeffectief te belasten. Nederland vindt het bijvoorbeeld belangrijk om tekijken naar mogelijkheden om internationale transparantie over vermo-gensbezit te vergroten en het waar nodig verbeteren van bestaandeinternationale informatie-uitwisseling. Ook het adresseren van schadelijkebelastingregimes is een belangrijke doelstelling van Nederland. Dergelijkevoorstellen zullen in OESO, EU of VN verband ook op meer steun kunnenrekenen dan een roep om bepaalde oplossingsrichtingen. Nederland zetactief in op constructieve internationale samenwerking. Dit kan helpen omte voorkomen dat landen al bij voorbaat een negatieve houding tegenoverbepaalde oplossingsrichtingen hebben.De stappen die Nederland al heeft gezet zijn de volgende. Allereerst heeftNederland er bij herhaling voor gepleit dat de OESO dit onderwerpoppakt. De OESO is hiermee inmiddels aan de slag, op concreet verzoekvan de G20. Ook heeft Nederland samen met Frankrijk het initiatiefgenomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden binnende EU te agenderen. Beide landen hebben samen een non-paperopgesteld over dit onderwerp dat op 31 oktober vorig jaar met uw Kameris gedeeld. In het afgelopen najaar heeft daarop een discussie met deandere EU-lidstaten plaatsgevonden over fiscaal gemotiveerde migratiedoor personen. Op basis hiervan is duidelijk dat de opvattingen tussen deEuropese lidstaten erg verdeeld zijn. Een belangrijk deel van de lidstatenis er niet van overtuigd dat verdere besprekingen hierover toegevoegdewaarde hebben. Er is daarom geen steun voor het voorstel van Nederlandom de EU-gedragscodegroep het mandaat te geven om met ditonderwerp aan de slag te gaan. Het ligt helaas niet in de lijn derverwachting dat dit op korte termijn veranderd of dat er anderszins binnende EU momentum ontstaat om verdere stappen te zetten in de aanpak vanfiscaal gemotiveerde migratie door personen. Tegelijkertijd blijftNederland zich inspannen voor en in discussies op EU- en OESO-niveau,onder andere door een actieve inzet op het onderwerp «Tax, Inequalityand Growth» bij de OESO.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie snappen ten aanzien van hetvervolgonderzoek naar trailing tax dat trailing taxes in kunnen gaan tegenbestaande belastingverdragen. Deze leden vragen daarom of de Staatsse-cretaris een lijst kan maken van landen waarmee Nederland geenbelastingverdrag heeft en in welke gevallen een trailing tax relevant kanzijn.De landen die voor het vervolgonderzoek naar een trailing tax als(potentieel) laagbelastende landen zijn aangemerkt en waarmee geenbelastingverdrag is gesloten zijn: Anguilla, Antigua en Barbuda,Bahama’s, Belize, Bermuda, Botswana, Britse maagdeneilanden, Brunei,Centraal-Afrikaanse Republiek, Costa Rica, Djibouti, El Salvador, Eritrea,Eswatini, Frans-Polynesië, Gibraltar, Grenada, Guatemala, Guinea,Guinea-Bissau, Honduras, Iran, Isle of Man, Jemen, Jersey, Kaaimanei-landen, Macau, Malawi, Micronesië, Monaco, Namibië, Nicaragua, Niger,Palau, Palestina, Paraguay, Seychellen, St. Kitts en Nevis, Timor-Leste,Turkmenistan, Turks- en Caicoseilanden, Uruguay, en Vanuatu. DaarnaastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154116 wordt voor de volledigheid opgemerkt dat met de Verenigde ArabischeEmiraten (VAE) (een als laagbelastend aangemerkt land) weliswaar eenbelastingverdrag is afgesloten, maar dit verdrag in de regel geenverdragsvoordelen biedt aan Nederlanders die naar de VAE zijn geëmi-greerd, waardoor een trailing tax geëffectueerd zou kunnen worden.Deze leden vragen ook hoe andere landen, zoals Duitsland, Finland,Spanje, Portugal en Frankrijk, omgaan met belastingverdragen en hunrespectievelijke trailing taxes. Zijn deze ook alleen van toepassing richtinglanden waarmee geen belastingverdrag is afgesloten of is hierover ietsopgenomen in de relevante verdragen?Duitsland, Finland, Spanje, Portugal en Frankrijk kunnen ook slechts huntrailing taxes effectueren richting landen waarmee geen belastingverdragis afgesloten of waarmee een specifieke regeling overeengekomen is. Zobevat het belastingverdrag tussen Frankrijk en Monaco een bijzonderebepaling die Frankrijk toelaat om inwoners van Monaco met de Fransenationaliteit als Franse inwoners te belasten. Finland heeft in een tientalverdragen een bepaling opgenomen waardoor de trailing tax onderomstandigheden geëffectueerd kan worden, maar heeft dat in recenteverdragen niet af kunnen spreken. Voor toepassing van de Duitse trailingtax zijn nog bepaalde economische banden met Duitsland vereist,waardoor deze doorgaans ook onder belastingverdragen geëffectueerdkan worden, maar ook minder effectief is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse gelezenover de potentiële opbrengst van een trailing tax. Deze leden lezen datvoor de inschatting is uitgegaan van een vermogensdrempel gebaseerdop de één procent grootste vermogens in Nederland en vragen of deStaatssecretaris kan kwantificeren hoe hoog de drempel dan zou zijn ineuro’s.In het onderzoek is gekeken naar personen met een vermogen vanaf1.327.844 euro voor het jaar 2022 en 1.438.366 euro voor het jaar 2023.Deze leden merken daarbij op dat zeer vermogende individuen inNederland op dit moment al heel weinig belasting betalen. Eeninschatting van de opbrengst kan daarmee een (forse) onderschatting zijn,indien de trailing tax wordt gecombineerd met het aanscherpen van debinnenlandse belastingheffing van zeer vermogende individuen. Is deStaatssecretaris het daarmee eens? Deze leden verwijzen daarbij naar dezogenaamde Zucman tax, oftewel het voorstel om zeer vermogendeindividuen altijd minimaal twee procent van de nettowaarde van hunvermogen aan inkomstenbelasting te laten betalen. Deze leden merken opdat een trailing tax of exitheffing kan helpen bij het voorkomen vankapitaalvlucht, indien de Zucman tax daadwerkelijk ingevoerd zouworden. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie noemen bijvoorbeeld een vermogensdrempel van 10 miljoeneuro, waarbij de trailing tax wordt geheven op het moment dat individuenmet een groter vermogen verhuizen naar een jurisdictie waarin zij jaarlijksminder dan twee procent van hun vermogen aan belasting hoeven af tedragen. Deze leden merken op dat daarbij gekozen kan worden voor eenexitheffing in het geval van laagbelaste landen waarbij de trailing tax nietkan worden geëffectueerd vanwege belastingverdragen. Kan de Staatsse-cretaris toelichten in hoeverre deze variant wat hem betreft uitvoerbaar,juridisch houdbaar en doelmatig is? Deze leden vragen voorts of deStaatssecretaris bereid is de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid enproportionaliteit van een dergelijke exitheffing verder te onderzoeken. OokTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154117 vragen deze leden wanneer de Staatssecretaris van plan is de in de briefgenoemde beleidsevaluatie van bestaande exitheffingen naar de Kamer testuren.Zoals in de brief «Minimumvermogensbelasting van 2% voor zeervermogende personen» is vermeld, gaat het voorstel van Zucman vooreen minimumbelasting voor zeer vermogenden gepaard met eenverlengde belastingplicht na emigratie, een trailing tax, om een kapitaal-vlucht te voorkomen.32 Het voorstel van Zucman is op papier een logischemanier om ervoor te zorgen dat mensen met veel vermogen jaarlijkstenminste minimumpercentage van hun vermogen aan belasting betalen.Dat geldt ook voor het daarnaast invoeren van een verlengde minimum-belastingplicht voor een aantal jaren (bijvoorbeeld 5 of 10 jaar) voor zeervermogende personen die emigreren. Het voorstel van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie waarbij van zeer vermogende personen eentrailing tax wordt geheven als zij verhuizen naar een laagbelastend landwaarmee Nederland geen verdrag heeft, en een exitheffing als zijverhuizen naar een laagbelastend land waarmee wel een verdrag bestaat,zou een variant kunnen zijn om de gedragseffecten die spelen bij het inisolatie invoeren van een trailing tax te verminderen. Het voorstel zouechter wel nader onderzoek vergen, waaronder de juridischehoudbaarheid, uitvoerbaarheid en doeltreffendheid. Om te kunnenbeoordelen of een nieuwe exitheffing of een variant zoals de GroenLinks-PvdA-fractie die beschrijft effectief zou zijn, worden op dit moment voorde bestaande exitheffingen in de inkomstenbelasting en de inwoner-schapsfictie (trailing tax) in de schenk- en erfbelasting onderzocht in welkemate deze hun doelstelling halen. Ik verwacht de resultaten van dezebeleidsevaluatie voor het einde van dit jaar naar uw Kamer te sturen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van demonitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijkingverheugd te lezen dat de bronbelasting effectief lijkt in het tegengaan vanongewenste geldstromen naar laagbelastende jurisdicties. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris mogelijkheden ziet voor het verderverbeteren van de bronbelasting.Op 1 januari 2021 is de Wet bronbelasting 2021 in werking getreden. Hetdoel van deze bronbelasting is om Nederland minder aantrekkelijk temaken voor doorstroomstructuren naar laagbelastende jurisdicties.Daarnaast beoogt de bronbelasting het risico van belastingontwijkingdoor het verschuiven van (Nederlandse) belastinggrondslag naarlaagbelastende jurisdicties te verkleinen. Op basis van deze wet wordt inbepaalde gevallen bronbelasting ingehouden. Het gaat om een bronbe-lasting die wordt geheven over renten, royalty’s en – sinds 2024 – ookdividenden, die een in Nederland gevestigd lichaam betaalt aan eengelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en inmisbruiksituaties. De afgelopen jaren is de inkomensstroom naar dezelaagbelastende jurisdicties fors gedaald. De totale inkomensstroom naarlaagbelastende jurisdicties bedroeg in 2024 € 6,5 miljard waar dit in 2019nog € 37 miljard was. Hieruit kan worden afgeleid dat de bronbelastingeffectief is.33 Het kabinet ziet daarom op dit moment geen aanleiding omde bronbelasting aan te passen.Daarnaast vragen deze leden of het tarief in de bronbelasting meestijgtmet eventuele stijgingen van het reguliere tarief in de vennootschapsbe-lasting.32Kamerstukken II 2025–26, 32 140, nr. 290.33Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 357, blz. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154118 Het tarief van de bronbelasting is gelijk aan het hoogste statutaire tarief inde vennootschapsbelasting, zoals opgenomen in artikel 22 Wet op devennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969). Als gevolg van deverwijzing naar artikel 22 Wet Vpb 1969 werken wijzigingen in het hoogstetarief in de vennootschapsbelasting (momenteel 25,8%) direct door naarhet tarief in de bronbelasting.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorraad aaninkomende directe buitenlandse investeringen weliswaar niet meer stijgt,maar wel zeer groot blijft en dat dit deels kan komen door structuren dieoorspronkelijk een belastingbesparing als doel hadden en nu blijvenbestaan, ondanks dat ze niet meer daadwerkelijk tot een belastingbe-sparing leiden. Kan de Staatssecretaris verklaren waarom deze voorraadniet verplaatst wordt naar andere landen, die meer voor de hand liggenals het doel nog steeds is om een belastingbesparing te bereiken?De afgelopen jaren zijn er veel internationale maatregelen tegen belas-tingontwijking genomen, waardoor er internationaal gezien mindermogelijkheden tot belastingontwijking zijn. Een voorbeeld daarvan is deminimumbelasting voor multinationals, die ervoor zorgt dat een bedrijfaltijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betaalt. Hetgevolg daarvan is dat er steeds minder mogelijkheden voor bedrijven zijnom belasting te besparen door hun internationale bedrijfsstructuur op minof meer gekunstelde wijze te verplaatsen. In combinatie daarmee kan hetontmantelen van een bedrijfsstructuur tijdrovend en kostbaar zijn, metname indien het bedrijf (inmiddels) een zekere reële aanwezigheid heeftopgebouwd in Nederland.Deze leden vragen ook naar de evaluatie van de ATAD-richtlijn door deEuropese Commissie. Klopt het dat de resultaten hiervan in het tweedekwartaal van 2026 worden verwacht? Wat verwacht de Staatssecretarisinhoudelijk van deze evaluatie?Het klopt dat de evaluatie in het tweede kwartaal wordt verwacht, deverwachting is dat publicatie gelijktijdig plaatsvindt met het richtlijn-voorstel omnibus directe belastingen eind juni. Het lijkt mij niet opportuunom op dit moment te speculeren over de uitkomsten van een evaluatie dienog niet gepubliceerd is. Afgaand op eerdere signalen ligt het echter in delijn der verwachting dat de ATAD grotendeels als effectief zal wordenbeoordeeld.Deze leden zijn blij te lezen dat ATAD1 en ATAD2 ons belastingstelselrobuuster hebben gemaakt tegen belastingontwijking. Deze leden makenzich echter wel zorgen om de impact van de ATAD-richtlijn op woningcor-poraties. De richtlijn is immers bedoeld om belastingontwijking tegen tegaan, niet om de investeringsmogelijkheden van woningcorporaties tebeperken. Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Wat vindt deStaatssecretaris ervan dat de Nederlandse implementatie van de richtlijnals neveneffect heeft dat de lastendruk voor woningcorporaties istoegenomen, waardoor zij minder kunnen investeren in volkshuisvestingen verduurzaming, terwijl zij niet relevant zijn als het gaat om interna-tionale belastingontwijking? Deze leden vragen of de Staatssecretaris hetermee eens is dat de in het coalitieakkoord afgesproken middelen voor decorporatiesector niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van derichtlijn ongedaan te maken? Welke mogelijkheden ziet hij om corporatieshierin te ondersteunen?In de vraagstelling wordt enkel verwezen naar de ATAD-richtlijn. De vraagwordt zo geïnterpreteerd dat de earningsstrippingmaatregel uitATAD-richtlijn wordt bedoeld, omdat deze maatregel in dit verbandTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154119 geregeld wordt aangehaald. Sinds 2019 hebben woningcorporaties, netals andere vennootschapsbelastingplichtigen, te maken met eengenerieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting (Vpb). Dezezogenoemde earningsstrippingmaatregel vloeit voort uit de implemen-tatie van de ATAD-richtlijn. De Nederlandse implementatie van deearningsstrippingmaatregel uit de ATAD-richtlijn heeft naast bestrijdengrondslaguitholling ook als doel om meer gelijke fiscale behandeling vaneigen vermogen en vreemd vermogen te bewerkstelligen. Om die reden isde earningsstrippingmaatregel in de Vpb strenger vormgegeven dan devoorgeschreven minimumnorm uit de ATAD-richtlijn.De ATAD-richtlijn biedt lidstaten een aantal mogelijkheden om eenuitzondering te maken ten aanzien van de toepassing van de earnings-strippingmaatregel. Zo kent de richtlijn onder meer een uitzondering voorleningen aan langlopende openbare infrastructuurprojecten, eenvrijstelling voor opzichzelfstaande entiteiten en een groepsuitzondering.De toepassing van de hiervoor genoemde uitzonderingen doet in bredezin afbreuk aan het doel om te komen tot een meer gelijke fiscalebehandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen, aangezien allebelastingplichtigen en niet alleen de woningcorporaties zullen profiterenvan deze maatregel. Daarnaast zal een dergelijke uitzondering eenaanzienlijk budgettair effect hebben op de rijksbegroting.In het regeerakkoord is onder meer afgesproken dat een faciliteit in devennootschapsbelasting wordt geïntroduceerd om de Vpb-lasten vanwoningcorporaties te verlagen. Hiervoor wordt per 2028 een bedrag van€ 250 miljoen per jaar beschikbaar gesteld, oplopend naar structureel€ 325 miljoen per jaar in 2032. Momenteel wordt onderzocht op welkewijze deze faciliteit het beste kan worden vormgegeven. Hierbij wordtonder meer gekeken naar verschillende opties die in de dilemmanotitiehuurbevriezing van vorig jaar aan bod zijn gekomen, waaronder eenbestedingsreserve.34Bij de verdere uitwerking van een faciliteit in de Vpbdient rekening te worden gehouden met onder andere uitvoerbaarheid, debudgettaire gevolgen en juridische houdbaarheid, waaronder destaatssteunregels en het (overige) EU-recht. Bovendien neemt het kabinetaanvullende maatregelen om de investeringscapaciteit van woningcorpo-raties te verbeteren, onder meer door meer passende huurgelden tevragen in relatie tot het inkomen van huurders en woningcorporatiesmeer ruimte te geven om te bouwen voor zogeheten niet-Diensten vanAlgemeen Economisch Belang (DAEB)-activiteiten. De Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal uw Kamer voor de zomerinformeren over de voorgenomen uitwerking van deze punten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van hetonderzoek naar verschillen in commerciële en fiscale jaarrekeningenvoorts dat de belastbare winst van bedrijven tussen 2010 en 2020gemiddeld zo’n 29 miljard euro lager lag dan de commerciële winst en datdit «grotendeels te verklaren valt door de deelnemingsvrijstelling enverliesverrekening». Deze leden vragen om een nadere toelichting op dezeverklaring. Klopt het dat de winsten van dochterondernemingen dubbelgeteld zijn in de commerciële winst? Zo nee, hoe kan de deelnemingsvrij-stelling dan het verschil tussen de commerciële winst en fiscale winstverklaren?In de commerciële winst, zoals gemeten in de Statistiek Financiën GroteOndernemingen (SFGO) van het CBS, gaat het om de geconsolideerdewinst van ondernemingen in Nederland. Winsten van deelnemingen inNederland zijn dus niet dubbel geteld, maar geconsolideerd. Buiten de34Kamerstukken II 2024/25, 27 926, nr. 394.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154120 consolidatie blijven buitenlandse deelnemingen. Op buitenlandsedeelnemingen worden ook deelnemingsresultaten behaald welke wordenvrijgesteld via de deelnemingsvrijstelling gezien de winsten in debuitenlandse deelneming reeds zijn belast bij de deelneming. Hierdoorwordt dubbele belasting voorkomen. Echter, deze buitenlandse deelne-mingsresultaten worden wel opgenomen in het commerciële resultaat enom vervolgens een vergelijking te kunnen maken tussen het fiscaalbelastbare bedrag en de commerciële winst moet voor deze deelnemings-resultaten worden gecorrigeerd.Deze leden vragen verder of verliezen in de onderzochte periode ook inmindering zijn gebracht op de totale commerciële winst. Zo ja, zou deverliesverrekening dan niet van beperkte invloed moeten zijn op hetverschil tussen de fiscale en commerciële winst, omdat verliezen bijbedrijven er ook toe kunnen leiden dat de totale fiscale winst van deonderzochte bedrijven hoger uitpakt dan de commerciële winst? Kan deStaatssecretaris toelichten in hoeverre de Staatssecretaris verwacht datdit effect en het effect van de verliesverrekening elkaar opheffen?In de figuren over de totale commerciële winst zijn verliezen gesaldeerdmet winsten tussen verschillende ondernemingengroepen. Het momentdat een verlies commercieel wordt gemaakt wordt deze in het rapport dusin feite direct gesaldeerd. Op het totaal valt de commerciële winsthierdoor lager uit dan het belastbare bedrag. In latere periodes zal fiscaalpas voorwaartse verliesverrekening plaatsvinden waardoor dan hetbelastbare bedrag lager uitvalt dan de commerciële winst. Onder hetkopje verliesverrekening in het rapport valt uitsluitend dit laatste effect.Het effect van het salderen van verliezen in de commerciële cijfers dietussen verschillende ondernemingengroepen plaatsvindt wordt nietafzonderlijk vermeld of vergeleken met de fiscale verliesverrekening. Ditgeldt te meer omdat fiscale verliesverrekening binnen dezelfde onder-neming plaatsvindt over de loop van de tijd waardoor het vergelijken metde gesaldeerde verliezen tussen ondernemingengroepen onzuiver zouzijn. Wanneer deze twee typen effecten gezamenlijk bekeken zoudenworden is het op voorhand inderdaad niet duidelijk welk effect groter is:het leeglopen van verliesvoorraden of de in het jaar in totaal geledenverliezen. Over de onderzochte periode (2010–2020) geldt in algemene zindat meer verliesvoorraad is geactiveerd dan dat er bij de onderzochtegroep in het totaal aan verliezen zijn geleden. Dit is ook te rijmen met degedachte dat tijdens de financiële recessie in aanzienlijke mate verliezenzijn geleden die in latere jaren zijn ingelopen en dat over de periode2015–2019 er sprake was van sterke economische groei en er per saldominder verliezen bij de onderzochte bedrijven waren.Deze leden merken op dat het rapport aanbeveelt om de bepalingenomtrent afschrijvingen zoals opgenomen in artikel 3.30 en 3.30a van deWet inkomstenbelasting 2001 op te nemen in de evaluatieagenda.Daarnaast wordt aanbevolen om «nader te bekijken waardoor deherwaarderingen – met name bij valutaresultaten – optreden», en om «tebezien of het dichter aan te laten sluiten van de belastingwetgeving bij decommerciële verslaggevingsregel wenselijk is». Tot slot bevelen deonderzoekers aan om verder te onderzoeken of de gehanteerde begin-selen van het fiscale totaalwinst- en jaarwinstbegrip nog passend zijn.Deze leden vragen of de Staatssecretaris van plan is om deze aanbeve-lingen op te volgen en zo nee, waarom niet. Kan de Staatssecretaris ditper aanbeveling aangeven?Het kabinet zal nader onderzoek doen naar de verschillen tussen decommerciële en fiscale winstbepaling die ontstaan vanwege afschrij-vingen en bijzondere waardevermindering of -vermeerdering (herwaarde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154121 ringen). Hierbij zal gewogen worden of verdere aansluiting bij decommerciële winst voor de hand ligt op deze punten. Onderdeel van ditonderzoek zal ook zijn het aangaan van het gesprek met de fiscaleuitvoeringspraktijk en de belastingwetenschap. In dit kader zal ook inbredere zin worden stilgestaan bij de beginselen van het fiscaletotaalwinst- en jaarwinstbegrip. Voor een goede en prudente weging vande beginselen is echter meer verdiepend onderzoek nodig. Aan de handvan de uitkomsten van de gevoerde gesprekken waarin gekeken zalworden naar aanwijzingen hiervoor, zal het kabinet bekijken dit nadereopvolging verdient.Ook vragen deze leden of bedrijven op dit moment ook hun commerciëlewinst rapporteren aan de Belastingdienst en zo nee, of de Staatssecretarisdit wil verplichten. Zo de Staatssecretaris dit niet wil, kan hij toelichtenwaarom niet?Uit het rapport blijkt dat hoewel er grote verschillen tussen de commer-ciële en fiscale winst bestaan, er niet kan worden geconcludeerd dat hetrapporteren van de commerciële jaarrekening aan de fiscus directemeerwaarde heeft. In de praktijk is het wel al het geval dat voor fiscaleeenheden al commerciële gegevens aan de fiscus worden aangeleverd.Het verder verbreden van deze verplichting naar alle ondernemingenlevert administratieve lasten op die op dit moment niet noodzakelijk zijnvoor belastingplichtigen om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen.Gelet op het voorgaande wil ik bedrijven nu niet verplichten huncommerciële winst aan de Belastingdienst te rapporteren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van deoverwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad in deliquidatieverliesregeling dat de zes verschillende dekkingsopties in deliquidatieverliesregeling beoordeeld zijn op EU-rechtelijke aspecten,budgettaire gevolgen, uitvoering en vestigingsklimaat. Deze leden menendat op basis hiervan een afweging kan worden gemaakt, mits duidelijk iswat prioriteit heeft. Deze leden vragen daarom of de Staatssecretaris eenrangorde kan aanbrengen: welke aspecten vindt de Staatssecretaris hetbelangrijkst?Er zijn meerdere opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raad van21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling onderzocht. Deze optieszijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten,budgettaire impact, gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdiensten het vestigingsklimaat. Hoewel het belangrijk is dat de dekkingsmaat-regel budgettair dekkend is, zijn alle aspecten belangrijk. Zo heeft hetbijvoorbeeld niet de voorkeur van het kabinet om een dekkingsoptie voorte stellen die wetstechnisch haalbaar is, maar door de Belastingdienst nietkan worden uitgevoerd. Op basis van een analyse, waarin alle aspecten inzijn totaliteit en in samenhang zijn beoordeeld, bleek dekking binnen deliquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft hetvorige kabinet een alternatief dekkingsvoorstel aangekondigd.Deze leden lezen dat de «voor-zover-benadering» in optie 4 afwijkt van hetvoorstel in het amendement Stultiens (Kamerstuk 36 812, nr. 69) en toteen grotere toename in complexiteit leidt, maar dat de benadering uit hetamendement Stultiens wel een optie zou kunnen zijn. Kan de Staatssecre-taris toelichten waarom deze optie niet is meegenomen in de brief en watde voor- en nadelen van deze optie verder zijn?Aan de door het kabinet onderzochte «voor-zover-benadering» lag ondermeer ten grondslag dat de buitenlandse verliezen naar Nederlandsemaatstaven zouden worden omgerekend. Door een dergelijke omrekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154122 komt in een grensoverschrijdende situatie niet meer of minder verliesvoor aftrek in aanmerking dan in een binnenlandse situatie. Hoewel hetomrekenen naar Nederlandse maatstaven in de vennootschapsbelastingvaker voor komt, is dit bewerkelijk in de uitvoering. Het amendement vanhet lid Stultiens bevat een dergelijke omrekening niet. Dit amendement isdaarmee voor de uitvoering door de Belastingdienst minder bewerkelijkdan de door het kabinet onderzochte optie. Het amendement van het lidStultiens kent wel het risico dat de belastingplichtige meer of minderverliezen kan verrekenen dan het geval zou zijn geweest als die verliezenin Nederland zouden zijn geleden. Voor beide opties geldt dat deBelastingdienst moet kunnen controleren in hoeverre in het buitenland dejuridische mogelijkheid bestond om verliezen te kunnen verrekenen. Datbetekent dat beide «voor-zover-benaderingen» tot gevolg hebben dat decomplexiteit van de al complexe liquidatieverliesregeling verdertoeneemt. Bij de vormgeving van de liquidatieverliesregeling is ervanwege grote praktische bezwaren bewust voor gekozen om bij debepaling van de omvang van het te nemen liquidatieverlies geenkoppeling te maken met de omvang van de bij de ontbonden dochteronverrekenbaar gebleven verliezen.35 In de brief is verder niet uitgebreidop deze optie ingegaan, omdat het kabinet voorrang gaf aan deuitwerking van een alternatieve dekkingsoplossing door middel van eentechnische aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten opafdekkingsinstrumenten. Bovendien is de budgettaire opbrengst van hetamendement van het lid Stultiens niet voldoende om de derving van hetarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 te dekken.Deze leden willen ook graag meer weten over de alles-of-niets-benaderingdie genoemd is in de brief, die zou leiden tot een budgettaire opbrengstvan 300 à 400 miljoen euro. Kan de Staatssecretaris deze variant verdertoelichten? Klopt het dat de Belastingdienst vóór het genoemde arrest vande Hoge Raad zelf uitging van een alles-of-niets-benadering? Zou hetterugbrengen van een dergelijke benadering daarmee niet de meestlogische reparatie van de wet zijn en dus ook de meest logische dekkings-optie voor de genoemde budgettaire tegenvaller?Op grond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverliesslechts in aftrek mits bij de belastingplichtige of een met hem verbondenlichaam geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat bij debelastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaamonverrekend zijn gebleven. In feite kent de huidige wettekst van deliquidatieverliesregeling daarmee reeds een alles-of-niets-benadering. Decrux zit in het moment waarop wordt getoetst of van «enigerlei tegemoet-koming» sprake is.36 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beoordelingof geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat moet wordenuitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbondenlichaam is voltooid.37 Als dat toetsmoment wordt aangepast, bijvoorbeeldnaar vijf jaar voorafgaand aan de vereffening van de deelneming, is eenvoorzichtige eerste en grove inschatting dat de structurele opbrengst in deordergrootte van € 300 miljoen tot € 400 miljoen per jaar bedraagt.38 Hetkabinet is hier echter geen voorstander van, omdat een dergelijke optieeen Europeesrechtelijk risico kent. Deze optie betekent dat in veel meer –zo niet bijna alle – gevallen de import van buitenlandse verliezen wordtgeweigerd doordat de meeste landen een vorm van een fiscale eenheids-regime kennen en hierdoor voorzien in een tegemoetkoming. Hetweigeren van de import van buitenlandse verliezen is door het Hof van35Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom.36Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 115.37Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, r.o. 3.3.1.38Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 117, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154123 Justitie van de Europese Unie toegestaan op grond van dwingenderedenen van algemeen belang, waaronder het voorkomen van dubbeleverliesverrekening. Bij de uitwerking van rechtvaardigingsgronden wordtstandaard getoetst aan het algemene Europeesrechtelijke beginsel vanproportionaliteit. In het licht van dit beginsel is een dergelijke alles-of-niets-benadering een Europeesrechtelijk aandachtspunt.Klopt het dat de «alternatieve dekkingsoptie die ter internetconsultatiewordt aangeboden» buiten de liquidatieverliesregeling valt en daarmeeafwijkt van het uitgangspunt dat aan het begin van de brief is genoemd?De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrij-stelling en in die zin onderdeel daarvan. Omdat dekking binnen deliquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk bleek, heeft het vorigekabinet voorgesteld de budgettaire derving van het arrest te dekken doormet ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultatenop afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrij-stelling kunnen worden gebracht aan te passen. Daarmee valt de dekkingvan de derving van het arrest binnen het domein winst.39De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ookkan kijken naar enkele specifieke aspecten van optie 5 (codificatie van hetBesluit deelnemingsvrijstelling). Kan de Staatssecretaris aangeven welkeEuropeesrechtelijke risico’s volgens hem aan deze optie kleven? Dezeleden vragen of de Staatssecretaris daarbij aandacht kan besteden aan deaantekening van de heer Ruijschop in NLFiscaal 2026/0081, die zichafvraagt of de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie «niet alvoldoende ruimte biedt om verliezen waarvoor een grouprelieffaciliteit ofandersoortige regeling heeft opengestaan, buiten de deur te houden». Isde Staatssecretaris het met deze auteur eens dat optie 5 wel degelijk reëelis te noemen?Ruijschop40 geeft aan dat, om tegemoet te komen aan het Unierecht, eenwettelijke uitzondering kan worden opgenomen voor «definitieveverliezen». Ik vat dat zo op dat alleen in het geval het verlies definitief nietmeer in het buitenland in aanmerking kan worden genomen, dat verliesvoor verrekening in aanmerking zou komen. Deze eis geldt – in lijn met dejurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie – ook onderde huidige bepaling. Op grond van de huidige wettekst komt, samen-gevat, een liquidatieverlies slechts in aftrek mits bij de belastingplichtigeof een met hem verbonden lichaam geen recht geldt op enigerleitegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij hetontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven. De vraag is op welkmoment zulks wordt getoetst. De Hoge Raad heeft in het arrest van21 maart 2025 geoordeeld dat onder de huidige wettekst de beoordelingof geen recht geldt op «enigerlei tegemoetkoming» bestaat moet wordenuitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbondenlichaam is voltooid.41 De codificatie van het Besluit deelnemingsvrij-stelling houdt in dat de beoordeling of geen recht op «enigerlei tegemoet-koming» bestaat moet plaatsvinden gedurende het gehele bestaan van dedeelneming tot en met het moment van het voltooien van de vereffening.Dat betekent dat de beoordeling of geen recht geldt op «enigerleitegemoetkoming» naar voren wordt gehaald. Het kabinet is op ditmoment geen voorstander van deze optie. De reden daarvan is dat dezeoptie een negatieve impact op het vestigingsklimaat heeft, de budgettaire39Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34, p. 40.40M. Ruijschop, Overwogen opties voor dekking budgettaire gevolgen van arrest over liquidatie-verliesregeling, NLF2026/0081.41Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, r.o. 3.3.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154124 opbrengst te laag is om de derving van het arrest te denken, en dat (ook)deze optie een Europeesrechtelijk risico kent. Ook hier geldt dat, net alshiervoor is beschreven, het weigeren van de import van buitenlandseverliezen door het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegestaan opgrond van dwingende redenen van algemeen belang, waaronder hetvoorkomen van dubbele verliesverrekening. Bij de uitwerking vanrechtvaardigingsgronden wordt standaard getoetst aan het algemeneEuropeesrechtelijke beginsel van proportionaliteit.Deze leden merken op dat het opvallend is om zes dekkingsopties voor teleggen aan de Kamer, om vervolgens te concluderen dat alle optiesafgekeurd zijn. Deze leden merken ook op dat de brief zoals gezegd nietingaat op het voorstel in het genoemde amendement Stultiens, maar welconcludeert dat een combinatie tussen dat voorstel en het verlagen vande drempel (optie 6) niet wenselijk is «vanwege de verwachte negatieveimpact op het bedrijfsleven, in het bijzonder het mkb». De leden van deGroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris hier nog steedsachter staat en of de Staatssecretaris dit nader kan toelichten. Waaromzou deze maatregel in bijzonder schadelijk zijn voor het mkb?Het vorige kabinet heeft verschillende dekkingsopties onderzocht. Eén vande onderzochte dekkingsopties was het introduceren van eenzogenoemde «voor-zover-benadering». Deze benadering houdtkortgezegd in dat het in aanmerking te nemen liquidatieverlies wordtverminderd met verliezen die bij de deelneming of een daarmeeverbonden lichaam zijn verrekend of hadden kunnen worden verrekend.De in het amendement van het lid Stultiens opgenomen «voor-zover-benadering» is in onderdeel 3.5 van de brief belicht als variant op de doorhet kabinet onderzochte «voor-zover-benadering».42 Dit amendementwijkt af van de door het kabinet onderzochte «voor-zover-benadering»omdat in het amendement geen rekening wordt gehouden met eenomrekening van het buitenlandse verlies naar Nederlandse maatstaven.Het amendement is door de Tweede Kamer verworpen.43Het kabinet kiest op dit moment niet voor het introduceren van een«voor-zover-benadering» in de liquidatieverliesregeling. Door een«voor-zover-benadering» zal de complexiteit van de al complexeliquidatieverliesregeling verder toenemen en zal daarmee leiden tot eentoename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en eentoename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Daarbijgeldt wel dat de door het kabinet onderzochte benadering (dat wil zeggenmet omrekening naar Nederlandse maatstaven) voor de uitvoeringcomplexer is dan de door het lid Stultiens voorgestelde benadering.Tegelijkertijd bestaat de kans dat, als er geen omrekening naar Neder-landse maatstaven plaatsvindt, door de belastingplichtige meer of minderverlies kan worden verrekend dan wanneer het ontbonden (buitenlandse)lichaam in Nederland zou zijn gevestigd.Daarnaast geldt dat de budgettaire opbrengst van een «voor-zover-benadering» niet voldoende is om de derving van het arrest volledig tedekken. De door het kabinet onderzochte optie en het amendement vanhet lid Stultiens leiden op basis van een eerste inschatting tot eenbudgettaire opbrengst van € 25 miljoen.44 Om de resterende structurelederving van het arrest van € 40 miljoen te dekken, is onderzocht wat eenaanvullende dekkingsoptie zou kunnen zijn. Het kabinet heeft aangegevendat op basis van een voorzichtige eerste inschatting de drempel voor42Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 117, p. 6.43Handelingen II 2025/26, nr. 19, item 5, p. 2.44Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 117, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154125 zowel de liquidatieverliesregeling als de stakingsverliesregeling zoukunnen worden verlaagd van € 5 miljoen naar € 2 miljoen.Voor deze aanvullende dekkingsoptie is om verschillende redenen nietgekozen. Een verlaging van de drempel brengt naar verwachting een(grote) verslechtering van het Nederlandse ondernemingsklimaat en hetinvesteringsklimaat met zich, omdat een groot aantal bedrijven, waarbijvoor een groot deel ook het midden- en kleinbedrijf (mkb), zal wordengeraakt. Door de verlaging van de drempel zal het mkb namelijk eerdermet een beperking van de liquidatieverliesregeling te maken krijgen dannu het geval. Hierdoor treedt een herverdelingseffect op in het nadeel vanhet mkb. Bij een eerdere aanpassing van de liquidatieverliesregeling45 isdoor verschillende belangstellenden als reactie op de internetconsultatiegewezen op de potentiële impact van een verlaging van de drempel ophet mkb.46 In dit kader is toen juist besloten de drempel van € 1 miljoen teverhogen naar € 5 miljoen om het mkb te ontzien. Daarnaast wordt eentoename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en eentoename van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verwacht.Omdat aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudigmogelijk was heeft het vorige kabinet voorgesteld voor om de structurelederving te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behan-deling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoekonder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passenDeze leden vragen voorts of de Staatssecretaris de voorgestelde dekkings-optie verder kan toelichten. In hoeverre vindt het kabinet het aanpassenvan de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstru-menten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen wordengebracht sowieso een goed idee? Zijn er bestaande rapporten of adviezenwaarin deze maatregel genoemd wordt?Onder de deelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van eenbinnenlandse of buitenlandse deelneming onder voorwaarden vrijgesteld,maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Op verzoek van de belasting-plichtige is de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing op resultatendie worden behaald met afdekkingsinstrumenten (zoals leningen envalutatermijntransacties) die dienen ter beperking van het valutarisico datmet een deelneming wordt gelopen. Hierdoor kan er echter een oneven-wichtigheid ontstaan, omdat rentekosten op afdekkingsinstrument in deregel in aftrek worden gebracht (inclusief de renteopslag die betrekkingheeft op het verwachte valutarisico), maar het hiermee corresponderendeingeprijsde (verwachte) valutaresultaat op het afdekkingsinstrumentdoorgaans onder de deelnemingsvrijstelling wordt vrijgesteld. Desamenhang tussen het ingeprijsde valutaresultaat en de rente op eenafdekkingsinstrument wordt ook in de literatuur onderkend.47 Het kabinetheeft met de voorgestelde aanpassing van de fiscale behandeling vanvalutaresultaten op afdekkingsinstrumenten tot doel om deze oneven-wichtigheid weg te nemen door voortaan enkel niet-ingeprijsde (nietverwachte) valutaresultaten onder de deelnemingsvrijstelling te latenvallen. Het ingeprijsde (verwachte) valutaresultaat valt hierdoor voortaan45Initiatiefwetsvoorstel Wet aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennoot-schapsbelasting, 16 april 2019, van de leden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer(PvdA).46Kamerstukken II 2020/21, 35 568, nr. 3, p. 15.47Het verband tussen rente en valutaresultaten wordt in verschillende economische literatuurtoegelicht en in fiscale literatuur nader besproken, zie bijvoorbeeld Q.W.J.C.H. Kok, De invloedvan de samenhang tussen rente en valutaresultaten op de renteaftrekbeperkingen en degroepsrentebox, WFR 2007/253 en Q.W.J.C.H. Kok, Vreemde valuta en de deelnemingsvrij-stelling, WFR 2009/115Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154126 niet onder de deelnemingsvrijstelling en valt dus in de belaste sfeer. Ditheeft tot gevolg dat wanneer het ingeprijsde valutaresultaat een winst is,deze in de heffing wordt betrokken, en wanneer dit resultaat een verlies is,het aftrekbaar is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele overigevragen en vragen naar de huidige stand van zaken rondom de aanpak vanonwenselijke belastingconstructies met familiestichtingen. Zijn erinmiddels nieuwe inzichten? In hoeverre is de Staatssecretaris bereidhiernaar verder onderzoek te doen?Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat nationale en internationalefiscaliteit op 11 maart 202648, stuur ik uw Kamer op korte termijn eenvervolgbrief over de ANBI-regeling. In die brief wordt nader ingegaan opde verplichtingen voor voormalige ANBI’s en een mogelijke constructie-mogelijkheid van ANBI’s met NSW-landgoederen. Daarnaast kunt u in juni2026 een brief over de vennootschapsbelastingplicht van stichtingenverwachten.Deze leden hebben vergelijkbare vragen als het gaat om de aanpak vanschenken op papier om erfbelasting te ontwijken. Welke mogelijkhedenziet de Staatssecretaris daartoe? Wat is de huidige stand van zaken?In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 202649 zijn twee mogelijke maatregelenbeschreven die de fiscale voordelen van papieren schenkingen zoudenkunnen beperken of in zijn geheel wegnemen. De eerste maatregel betrefthet actualiseren van de rente die de schenker jaarlijks verschuldigd is overde papieren schenking. Deze rente is gelijk aan de rekenrente in deschenk- en erfbelasting en bedraagt momenteel 6%. In het aan het beginvan dit jaar uitgewerkte ambtelijke moderniseringsvoorstel van de forfaitsin de schenk- en erfbelasting wordt geadviseerd de rekenrente teactualiseren op basis van de huidige marktrentes en deze periodiek teactualiseren.50 De gemoderniseerde rekenrente per 1 januari 2028 werd inhet voorstel geraamd op 3%. Bij papieren schenkingen zou dat tot eenlastenrelevante opbrengst van € 37 miljoen structureel leiden. Hetmoderniseren van de forfaits vergt een zorgvuldige beleidsvoorbereidingmet onder meer een internetconsultatie, een uitvoeringstoets en hetinwinnen van advies bij de afdeling Advisering van de Raad van State. Detweede mogelijke maatregel betreft de introductie van een fictieveverkrijging in de schenk- en erfbelasting bij aflossing van de papierenschenking of bij overlijden van de schenker. Deze maatregel neemt hetprogressievoordeel van een papieren schenking in zijn geheel weg. Naarverwachting zal er nauwelijks meer op papier worden geschonken alsdeze maatregel wordt getroffen. De lastenrelevante opbrengst van detweede maatregel bedraagt € 162 miljoen structureel in de situatie dat derekenrente in de schenk- en erfbelasting niet wordt geactualiseerd. Beidemaatregelen zijn als mogelijke opties beschreven in de genoemde bijlagevan de Voorjaarsnota. Er heeft hierover nog geen besluitvorming door hetkabinet plaatsgevonden.Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris bekend is met het artikel«Ces 13 335 millionnaires qui ne paient aucun impôt sur le revenu» (LeMonde, 18 februari 2026). Deze leden willen graag weten of een verge-lijkbare inventarisatie gemaakt kan worden voor Nederland. Hoeveelmiljonairs in Nederland betalen geen of nauwelijks inkomstenbelasting?Als dit niet bekend is, is de Staatssecretaris dan bereid het te onder-48Kamerstukken II 2025/26, 36 812, 123.49Kamerstukken II 2025/26, 36 915, nr. 1.50Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 288.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154127 zoeken? Zo nee, waarom niet? Hoe kan het dat dit in Frankrijk wel bekendis en in Nederland niet?Ik ben bekend met het betreffende artikel uit Le Monde. In het artikel staatdat er in 2024 18.525 huishoudens met een vastgoedbezit van minstens€ 1,3 miljoen euro geen inkomstenbelasting hebben betaald in Frankrijk.Als gecorrigeerd wordt voor de huishoudens die niet fiscaal in Frankrijkwonen maar wel vastgoed in Frankrijk bezitten en voor personen die in deloop van het jaar zijn overleden, blijven er 13.335 huishoudens over meteen vastgoedbezit van minstens 1,3 miljoen die in 2024 geen inkomsten-belasting betalen. Dat is 9,8% van de huishoudens die onderworpen zijnaan de Franse belasting op vastgoedvermogen (IFI). Dat percentage looptop tot bijna 15% bij de 4.144 huishoudens met een vastgoedvermogenvan meer dan € 7,3 miljoen en die gemiddeld € 14 miljoen aan vastgoedbezitten. Het gaat hier dus om een specifiek groep namelijk vastgoedbe-zitters. Frankrijk kent namelijk een vermogensbelasting, die feitelijk eenvastgoedbelasting betreft. Deze vermogensbelasting in Frankrijk geldtvanaf een vermogensgrens (= waarde van het vastgoedbezit) vanaf € 1,3miljoen. In Nederland kennen we een dergelijke belasting niet.51 Het isvoor de Nederlandse situatie een vele malen ingewikkelder exercitie omspecifiek voor alle huishoudens met een totale waarde aan vastgoed vanmeer dan € 1 miljoen na te gaan wat zij in enig jaar aan inkomstenbe-lasting hebben betaald. Tot de waarde van het vastgoed behoren dewaarde van de eigen woning, tweede en meerdere woningen enbedrijfspanden. Daarbij wordt net name bij rijkere personen vastgoed ookals belegging in een vennootschap aangehouden. Vastgoed in vennoot-schappen wordt in Nederland niet naar (de achterliggende) personen ofhuishoudens geadministreerd. Dat het Franse parlement heeft gevraagdnaar het aantal personen met een bezit van meer dan € 1,3 miljoen aanvastgoed heeft alles te maken dat voor deze groep personen eenspecifieke belasting geldt.Als gekeken wordt naar wat de rijkste huishoudens aan inkomstenbe-lasting in enig jaar of meerdere jaren, dan is het relevanter om te kijkennaar het gehele vermogen van huishoudens. Dat wordt in het artikel in LeMonde ook benoemd. En dan speelt het totale aanmerkelijk belangbeziteen grote rol omdat de rijkste huishoudens het grootste deel van hetaanmerkelijk belang. Verder vormt het aanmerkelijk belang verreweg degrootste vermogenscomponent voor de rijkste huishoudens. De waardevan de aandelen van de vennootschappen waarin de huishoudens eenaanmerkelijk hebben, wordt onder meer bepaald door de vermogensbe-standdelen van die vennootschap Zie ook mijn brief «Minimumvermo-gensbelasting van 2% voor zeer rijke personen» die ik op 6 maart jl. naarde Tweede Kamer heb gestuurd.52 Om de opbouw van het gehelevermogen van huishoudens beter in kaart te brengen, is nader onderzoekvereist. Het vermogen van vennootschappen wordt namelijk nietgeadministreerd naar huishoudens. Daarnaast dient dan de waarde in heteconomisch verkeer van het vermogen dat in vennootschappen zit, teworden bepaald. Dit geldt met name voor aanmerkelijk belangvermogenwaarvan de aandelen niet op de beurs worden verhandeld en waarvoordoorgaans geen marktwaardering voorhanden is. Vervolgens moet danworden gekeken welk deel van deze personen er in enig jaar per saldogeen inkomstenbelasting betaalt. Idealiter wordt dan over meerdere jarengekeken. U vraagt hoeveel miljonairs, ik zou me ook kunnen voorstellen51Wel geldt een onroerend goed zaakbelasting (OZB) voor alle eigenaren van woningen eneigenaren van bedrijfspanden, daarvoor geldt geen vermogensdrempel. De OZB is eengemeentelijke heffing.52Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 290.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154128 deze vraag te beperken tot huishoudens vanaf een bepaalde vermogens-grens. Ik wou dan het volgende in overweging geven.Er is door het CPB een diepgaande analyse gemaakt in 2024 waarbij overeen langere periode (2011–2019) is gekeken naar de belastingdruk vanpersonen met de hoogste inkomens waarbij ingehouden winsten invennootschappen ook meegeteld zijn als inkomen. Door ook ingehoudenwinsten mee te nemen, heeft CPB grotendeels dezelfde personen inNederland met de grootste vermogens te pakken. En door een langereperiode in beschouwing te nemen om de belastingdruk op het inkomenvan deze personen te bepalen, wordt ook rekening gehouden metincidentele uitschieters in enig jaar, door bijvoorbeeld slechte of zeergoede bedrijfsresultaten en winstuitkeringen. Uit deze CPB-analyse kwamdat de top 0,01% rijkste personen in Nederland (dat zijn ongeveer 1400personen) gemiddeld een belastingdruk op het inkomen (ingehoudenwinsten toegerekend aan het inkomen) van 28% hebben ervaren in deperiode 2011–2019, dat is lager dan de gemiddelde belastingdruk van alleandere huishoudens. Voor midden- en hoge inkomens lag in die periodede gemiddelde belastingdruk tussen de 30% en 35%. Bij de bepaling vande belastingdruk is naast de inkomstenbelasting ook rekening gehoudenmet de vennootschapsbelasting. Het vermogen van rijkste huishoudensbestaat immers grotendeels uit aanmerkelijk belang, zodat de belas-tingdruk op hun inkomen vooral door de vennootschapsbelasting (Vpb)en box 2-belastingen wordt bepaald. Uit de analyse bleek verder dat hoegroter het aanmerkelijk belangvermogen, hoe lager de belastingdruk ophet inkomen. Door geen winst uit te keren wordt box 2 belasting uitge-steld, zodat de hoogste inkomens (en daarmee ook grotendeels dehuishoudens met de hoogste vermogens) relatief weinig inkomstenbe-lasting betalen.53 De belastingdruk op hun inkomen wordt voornamelijkbepaald door de jaarlijkse vennootschapsbelasting.Dus voor de Nederlandse situatie is bekend dat gemiddeld genomen debelastingdruk op het inkomen van de rijksten relatief laag is en dat ditgemiddelde verder afneemt met de waarde van het aanmerkelijk belang.Mede vanwege de analyse van het CPB en het IBO Vermogensverdeling isin 2023 het lage Vpb tarief verhoogd van 15% naar 19% en de bijbeho-rende schijfgrens verlaagd van € 395.000 naar € 200.000. Daarnaast is in2023 de Wet excessief lenen ingevoerd. Sindsdien wordt het deel van deleningen bij de eigen bv dat boven de € 500.000 (in 2023 nog € 700.000 ensinds 2024 € 500.000) uitkomt, belast als fictief dividend in box 2. Ook is in2024 een gedifferentieerd tarief ingevoerd in box 2. Dit zijn belangrijkemaatregelen geweest in het zwaarder belasten van inkomen uit aanmer-kelijk belang. Ook is in het IBO Vermogensverdeling de casus geschetstwaarin door zelf een ANBI op te richten en gebruik te maken van deperiodieke giftenaftrek, vermogende huishoudens de inkomstenbelastingfors kunnen reduceren. Tot 2023 kon dat onbeperkt. Het toenmaligekabinet heeft in 2023 een maximum per jaar ingevoerd. Dat maximumbedroeg in 2023 en 2024 € 250.000 en bedraagt sinds 2025 € 1.500.000per jaar. Daarmee is het voordeel van de giftenaftrek flink ingeperkt tenopzichte van de situatie voor 2023.Aangenomen mag worden dat deze maatregelen hebben geleid tot eenevenwichtiger belastingdruk op de inkomens uit van de meest vermo-gende huishoudens in Nederland. Het belasten van werkelijk rendement53Bij het uitkeren van winst is wel box 2 verschuldigd, Evenals als aandelen worden verkocht.Op de ingehouden winst ligt dus een latente belastingclaim, die langdurig kan wordenuitgesteld en veel gevallen ook kan worden doorgeschoven naar de volgende generatie doordoorschuifregelingen inde inkomstenbelasting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154129 van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtigerbelasten van arbeid en vermogen.Het is uiteraard mogelijk een analyse te maken van hoeveel huishoudensvanaf een bepaalde vermogensgrens geen of weinig inkomstenbelastingbetalen in enig jaar of een bepaalde periode. Idealiter laat ik dezeaantallen vergezeld gaan van een analyse van de achterliggende oorzaken(inkomens- en vermogenssamenstelling, fiscale regelingen, etc) dat dezevermogende huishoudens weinig tot geen inkomstenbelasting dienen tebetalen. Dit zal wel het nodige beslag leggen op de capaciteit van hetMinisterie van Financiën. Kennis van exacte aantallen personen ofhuishoudens die zeer weinig tot geen inkomstenbelasting in enig jaar ofgedurende een langere periode betalen is op dit moment niet persenoodzakelijk om op dit moment doeltreffende en doelmatige maatregelente kunnen nemen om de belastingdruk van huishoudens vanaf eenbepaalde vermogensgrens te herzien. De analyse waarom de belas-tingdruk relatief laag is, is immers gemaakt door het CPB en in diverseambtelijke rapporten. Het meest recent in het rapport Bouwstenen vooreen beter en eenvoudiger belastingstelsel dat in februari 2024 naar deKamer is gestuurd. Daarna is de evaluatie van het lage Vpb-tariefgeëvalueerd en eind 2024 naar de Kamer gestuurd. Verder wordt de Wetexcessief lenen nog dit jaar geëvalueerd en de introductie van hetprogressieve tarief in box 2 volgend jaar.54 Deze evaluaties beschouw ikals zeer waardevol voor de maatschappelijke discussie en deze evaluatiesleggen ook beslag op de capaciteit van het Ministerie van Financiën. Restmij nog te zeggen dat het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 eenbelangrijke volgende stap zal zijn in het evenwichtiger belasten van arbeiden vermogen, zoals ook in het IBO Vermogensverdeling en in de«Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel» wordtbenadrukt. Deze wet zal drie jaar na invoering worden ingevoerd. Dit alleswil ik de fractie van GroenLinks-PvdA graag in overweging geven bij hunverzoek.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke,gevolgen de Staatssecretaris ziet voor de Nederlandse vennootschapsbe-lasting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie(HVJ-EU) van 25 februari 2026 (Commissie vs. België), C-524-/23,ECLI:NL:C:2026:11, over de Belgische implementatie van CFC-model B vande anti-belastingontwijkingsrichtlijn. Klopt het dat Nederland CFC-modelA toepast via het algemene zakelijkheidsbeginsel en dat het Europese Hofvan Justitie heeft beslist dat EU-lidstaten onder dit model een verrekeningmoeten geven van buitenlandse winstbelasting?De anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD) legt EU-lidstaten deverplichting op een CFC-maatregel in te voeren gericht tegen hetverschuiven van winsten naar laagbelaste lichamen en vaste inrichtingen.ATAD biedt EU-lidstaten twee benaderingen om het inkomen van deCFC-maatregel in de belastinggrondslag van een belastingplichtige tebetrekken, namelijk Model A en Model B. Bij toepassing van Model Awordt bij een belastingplichtige direct belasting geheven overniet-uitgekeerd passief inkomen (zoals rente, financial lease, royalty’s,dividenden) van laagbelaste lichamen en vaste inrichtingen. Bij detoepassing van de CFC-regel in de vorm van Model B wordt bij debelastingplichtige alleen het inkomen van de CFC in de belastingheffingbetrokken dat voortkomt uit kunstmatige structuren die zijn opgezet metals wezenlijk doel een belastingvoordeel te verkrijgen. Deze benadering54Zie Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda | Ministerie van Financiën –rijksoverheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154130 sluit aan bij de thans geldende transfer pricingregels (arm’s-lengthbeginsel), dat reeds is verankerd in de Wet Vpb 1969.Nederland past derhalve feitelijk Model B toe door de toepassing van hetthans geldende arm’s-lengthbeginsel. Daarnaast heeft Nederlandaanvullend Model A geïmplementeerd door de invoering van eenwettelijke bepaling in de Wet Vpb 1969.55 Deze bepaling geldt voor CFC’sin laagbelastende staten en staten op de EU-lijst van niet-coöperatieverechtsgebieden voor belastingdoeleinden. In deze bepaling is explicietvoorzien in een mogelijkheid tot verrekening conform ATAD. Detoepassing van de aanvullende CFC-maatregel volgens model A heeft totgevolg dat Nederland ook inkomen dat op grond van het arm’s-lengthbeginsel niet aan Nederland is toe te rekenen belast.Hoe schat de Staatssecretaris de kans in dat belastingplichtigen met ditarrest in de hand een verrekening van buitenlandse winstbelastingkunnen claimen over winst die volgens het zakelijkheidsbeginsel inNederland thuishoort?Er is op dit moment voor Nederland geen aanleiding om wetgeving aan tepassen of anderszins concrete gevolgen te voorzien. De Nederlandse enBelgische situatie op CFC-vlak zijn niet direct vergelijkbaar. Volledigheids-halve merkt het kabinet op dat Nederland een memorie van interventieheeft ingediend in deze procedure. Dit betekent echter niet dat deNederlandse wetgeving voorwerp is geworden van de procedure. Het Hofvan Justitie van de Europese Unie (en de Europese Commissie) heeft zichdus ook niet uitgelaten over de Nederlandse situatie.Kan de Staatssecretaris een schatting maken van de budgettaire gevolgenvan een dergelijke verrekeningsmogelijkheid, ook buiten CFC-gevallen?Bij de implementatie van Model A is in artikel 13ab, zesde lid, Wet Vpb1969, expliciet voorzien in een mogelijkheid tot verrekening conformATAD. Voor Model B geldt dat op basis van het thans geldende toepassingvan het arm’s lengthbeginsel wordt voorzien in een corresponderendeneerwaartse correctie in het andere land op basis van belastingverdragen,in het geval Nederland tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd conformhet arm’s-lengthbeginsel. Een dubbele belasting kan in voorkomendegevallen mogelijk in een overlegprocedure worden opgelost. In Nederlandwordt dus in beide modellen in het algemeen al rekening gehouden metde heffing in het andere land. Als gevolg van het arrest worden voorNederland geen concrete gevolgen voorzien en verwacht het kabinet dater ook geen budgettaire gevolgen zullen zijn.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of en zo ja welke,gevolgen de Staatssecretaris ziet voor de deelnemingsvrijstelling in devennootschapsbelasting van het arrest van het Europese Hof van Justitievan 3 april 2025 (Nordcurrent), C-228/24, ECLI:NL:C:2025:239. Klopt het datEU-lidstaten (mede) op grond van dit arrest de verplichting hebben ommisbruik van nationale deelnemingsvrijstellingen te bestrijden?Lidstaten moeten misbruik van de Moeder-dochterrichtlijn tegengaan opgrond van de algemene antimisbruikbepaling van deze richtlijn.56 Hetarrest Nordcurrent57 ziet op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling55Artikel 13ab Wet Vpb 1969.56Artikel 1, tweede lid Moeder-dochterrichtlijn.57HvJ 3 april 2025, zaak C–228/24.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154131 en de algemene antimisbruikbepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn58.Het Hof van Justitie van de Europese Unie concludeert in dit arrest dat dealgemene antimisbruikbepaling van de Moeder-dochterrichtlijn ook geldtvoor misbruik van de deelnemingsvrijstelling. De algemene antimisbruik-bepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn strekt ertoe om misbruik tenaanzien van de nationale deelnemingsvrijstelling tegen te gaan, voorzover de nationale deelnemingsvrijstelling dient tot implementatie van devan de Moeder-dochterrichtlijn. De verplichting om misbruik vanrichtlijnvoordelen tegen te gaan vloeit voort uit het Unierechtelijkeantimisbruikbeginsel, zoals ook uit de Deense arresten volgt.59Zo ja, maakt de Belastingdienst daar werk van? Is er een plan van aanpak,en zo ja, kan dat met de Kamer worden gedeeld?Misbruik wordt op de gebruikelijke wijze bestreden en de wet biedtdaarvoor in principe voldoende mogelijkheden. Zo zijn in de deelnemings-vrijstelling daarvoor reeds een aantal toetsen opgenomen, zoals deonderworpenheidstoets en de bezittingentoets die van belang zijn voor dekwalificatie van een beleggingsdeelneming. Daarnaast kan in voorko-mende gevallen misbruik worden bestreden met het jurisprudentie-leerstuk fraus legis, de algemene antimisbruikbepaling (afgekort deGAAR) uit de anti-belastingontwijkingsrichtlijn worden toegepast diewettelijk is verankerd in artikel 29i Wet Vpb 1969. Tot slot hebben lidstatenop grond van het Unierechtelijke antimisbruikbeginsel de plicht ommisbruik van richtlijnvoordelen tegen te gaan zoals ook uit de Deensearresten volgt.60In het bijzonder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of deBelastingdienst structuren bestrijdt waarin met behulp van een buiten-landse brievenbusmaatschappij (tussenhoudster) goede en foutebezittingen worden gemengd met het oog op de toepassing van dedeelnemingsvrijstelling op grond van de bezittingentoets. Zijn er nogandere structuren die Nederland volgens de Staatssecretaris moetbestrijden vanwege misbruik van de deelnemingsvrijstelling?In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat bepaalde structuren perdefinitie als misbruik dienen te worden bestempeld. Uit het arrestNordcurrent61 blijkt dat misbruik altijd moet worden beoordeeld aan dehand van het geheel van feiten en omstandigheden van het specifiekegeval. Zoals bij de beantwoording van vraag 86 aangegeven, bieden dewet en (Europese) jurisprudentie in principe voldoende aanknopings-punten om misbruik te bestrijden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat eropnieuw een heffingslek dreigt in de subjectieve belastingplicht van devennootschapsbelasting, ditmaal met betrekking tot zorg-BV’s. Hoeveelzorg-BV’s doen een beroep doen op de zorgvrijstelling in de vennoot-schapsbelasting, terwijl de Belastingdienst vindt dat vrijstelling niet vantoepassing is vanwege de winstbestemmingseis? De leden van deGroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe groot de budgettaire derving is als deBelastingdienst de bij de Hoge Raad aanhangige procedure over debelastingplicht van een zorg-BV verliest62. Klopt het dat de advocaat-58Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EUbetreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochter-ondernemingen uit verschillende lidstaten (herschikking).59HvJ 26 februari 2019, zaak C-116/16 en C-117/16.60HvJ 26 februari 2019, zaak C–116/16 en C–117/16.61HvJ 3 april 2025, zaak C–228/24.62Conclusie van 22 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:874.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154132 generaal de Hoge Raad heeft geadviseerd om de zorgvrijstelling toe tepassen op een zorg-BV, terwijl er geen garantie is dat de vrijgestelde winstten goede komt aan de zorg in plaats van aan de private equity-aandeelhouders? Vindt de Staatssecretaris het net als de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie onwenselijk dat vrijgestelde winst in de zakkenvan private equity belandt? Ziet de Staatssecretaris aanleiding voor eenwetswijziging om het dreigende heffingslek de pas af te snijden, bijvoor-beeld door de introductie van een compartimenterings- of eindafreke-ningsregeling?Op dit moment loopt er bij de Hoge Raad inderdaad een procedure inzakeeen bv die zorginstellingen exploiteert en zorg- en dienstverleningaanbiedt. Hierbij is in geschil of deze bv voldoet aan de voorwaarden voorde zorgvrijstelling, met name de voorwaarde (in art. 4 Uitvoeringsbesluitvennootschapsbelasting 1971) dat de belanghebbende haar winst«uitsluitend kan aanwenden ten bate van een ingevolge het onderhavigeartikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang».Daarbij heeft de advocaat-generaal, kort gezegd, geadviseerd dat dezezogenoemde winstbestemmingseis moet worden toegepast op basis vande statuten en de feiten in het desbetreffende belastingjaar en eventueelop zich sindsdien feitelijk voorgedaan hebbende statutenwijzigingen offeiten, maar niet op onbekende toekomstige eventualiteiten.Als de Hoge Raad dit advies opvolgt, dan zou dit ertoe kunnen leiden datnaar de mening van het kabinet onvoldoende geborgd is dat naar detoekomst toe de met toepassing van de zorgvrijstelling vrijgesteldewinsten uitsluitend kunnen worden aangewend ten bate van eeningevolge de zorgvrijstelling vrijgesteld lichaam of een algemeenmaatschappelijk belang. Op dit moment wordt daarom onderzocht welkemaatregelen dan passend zijn om dit wel afdoende te borgen en daarmeeeen budgettaire derving te voorkomen.Het is niet precies aan te geven hoeveel zorg-bv’s een beroep doen op dezorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting, terwijl de Belastingdienstvindt dat de vrijstelling niet van toepassing is vanwege de winstbestem-mingseis. In ieder geval zal het op dit moment gaan om een beperktaantal. Hoe groot een eventuele budgettaire derving is als de Belasting-dienst de bij de Hoge Raad aanhangige procedure over de belastingplichtvan een zorg-bv verliest en er geen passende maatregelen zouden wordengetroffen, is mede afhankelijk van het precieze oordeel van de Hoge Raaden eventuele gedragseffecten naar aanleiding van het oordeel.Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of het klopt dat deBelastingdienst zekerheid vooraf verstrekt in de vorm van belastingrulingsover constructies die als hoofddoel of één van meerdere hoofddoelen deontwijking van de wereldwijde minimumbelasting hebben. Is het Besluitvooroverleg rulings met een internationaal karakter in 2023 aangepast ommedewerking van de Belastingdienst aan dergelijke constructies mogelijkte maken? Geldt dit zelfs voor agressieve constructies waarbij stillereserves die dreigen te worden belast met de minimumbelasting om zeepworden geholpen? Deze leden vragen waarom de Belastingdienstmeewerkt aan de constructie die is gepubliceerd als kennisgroeps-tandpunt van de Belastingdienst van 17 februari 2026 (20260217, RULOV000012 (V-N 2026/10.9)?De Belastingdienst geeft binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleiden jurisprudentie zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorge-nomen handelingen of transacties. Zekerheid vooraf vervult niet alleenvoor belastingplichtigen, maar ook in het toezicht van de Belastingdiensteen waardevolle functie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154133 Met ingang van 1 juli 2019 is de Nederlandse rulingpraktijk aangescherpt.De wijzigingen zien op zowel de inhoud, het proces, als de transparantie.De eisen om zekerheid vooraf te kunnen krijgen zijn hierbij aangescherpt.Een van de aanscherpingen ziet erop dat naast Nederlandse besparing,ook buitenlandse belastingbesparing niet de enige dan wel doorslagge-vende reden mag zijn van de rechtshandeling waarvoor zekerheid wordtgevraagd. Ook wordt met ingang van die datum geen zekerheid voorafgegeven indien de gevraagde zekerheid vooraf betrekking heeft op defiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd instaten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten enniet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.Aan het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter zijnper december 2023 uitzonderingen toegevoegd die het mogelijk makenom onder strikte voorwaarden toch vooroverleg te voeren terwijl niet aanalle vereisten uit paragraaf 3 onderdeel a en b wordt voldaan.63 Bijvoor-beeld in situaties waarin een belastingontwijkende structuur binnen eenzo kort mogelijk maar realistisch tijdpad volledig wordt ontmanteld of deBelastingdienst grondslag beschermende wetsartikelen wil toepassenwaardoor de (Nederlandse en buitenlandse) belastingontwijkendeelementen volledig worden weggenomen.De Belastingdienst kijkt scherp naar het doel van de specifieke(rechts)handeling waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd. Dit blijktook uit de door de Belastingdienst gepubliceerde anonieme samenvat-tingen. Hierin wordt een overweging opgenomen of het besparen vanNederlandse of buitenlandse belasting al dan niet de enige dan weldoorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)han-deling(en). Indien het besparen van Nederlandse of buitenlandsebelasting de enige dan wel doorslaggevende reden is, wordt geenzekerheid vooraf verstrekt.Van zowel toegewezen, afgewezen als ingetrokken verzoeken omvooroverleg wordt een geanonimiseerde samenvatting gepubliceerd.Nieuwe ontwikkelingen worden ook jaarlijks in het jaarverslag nadertoegelicht aan de hand van opgedane ervaring. Een onafhankelijkeonderzoekscommissie verricht periodiek een kwalitatief onderzoek naar dedoor de Belastingdienst afgegeven rulings met een internationaalkarakter. De samenvatting en de resultaten van het onderzoek door deonafhankelijke commissie zijn als onderdeel van de Stand van zakenbriefBelastingdienst met uw Kamer gedeeld.64 De algemene indruk van deonderzoekscommissie is dat, net als bij de eerdere onderzoeken, deBelastingdienst bij het verstrekken van rulings binnen de kaders vanwetgeving, beleid en jurisprudentie blijft, zorgvuldig en consciëntieuswerkt en het kwalitatieve niveau hierbij hoog ligtVragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken opde agenda van het schriftelijk overleg en merken op dat enkele thema’s63Besluit van 19 december 2023, nr. 2023–0000020007 (Stcrt. 2023, 25745) kent drie uitzonde-ringen: (i) ontmanteling belastingontwijkende structuur met wegneming belastingontwijkendeelementen, (ii) gevraagde zekerheid vooraf heeft betrekking op derdentransacties bij detoepassing van de innovatiebox en de toepassing van de tonnageregeling of op de fiscalegevolgen van derdentransacties bij het sluiten van een APA en (iii) gevraagde zekerheid voorafbetrekking heeft op de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 voor zover degevraagde zekerheid ziet op directe transacties met entiteiten die gevestigd zijn in laagbelas-tende jurisdicties.64Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1463, bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154134 reeds in het commissiedebat fiscaliteit van 11 maart 2026 besproken zijn.Deze leden hebben nog wel enkele vragen.In de brief over monitoring van effecten van de aanpak van belastingont-wijking, lijkt een vrij positief beeld te ontstaan over effectiviteit vanmaatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen. De monitor laat mindergebruik van belastingontwijkingsstructuren, een daling van doorstroom-constructies via Nederland en minder fiscale «kunstmatige» investerings-stromen zien. Tegelijkertijd zien we dat belastingontwijking nog nietvolledig verdwenen is, bijvoorbeeld ten aanzien van dividenden,transparantie structuren en verdragslekken, en dat internationalesamenwerking cruciaal blijft. Waar zit voor Nederland nog handelingsper-spectief? Waar moet volgens de Staatssecretaris Europees of internati-onaal wordt opgetrokken?In de aanpak van internationale belastingontwijking ligt de focus van hetkabinet op een gecoördineerde internationale benadering. Internationalebelastingontwijking het meest effectief kan worden aangepakt doorinternationale of Europese afspraken. Ten aanzien van doorstroomven-nootschappen werkt de Europese Commissie aan het opstellen van eenhernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie overdoorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijnadministratieve samenwerking op belastinggebied65, op een efficiënterewijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstelonderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratievesamenwerking die in de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Hetkabinet sluit aan bij deze afspraken en kiest ervoor om af te zien vaneenzijdige nationale koppen op nieuw beleid. Op deze manier wordt zoveel mogelijk voorkomen dat legitieme internationale bedrijven geraaktworden door extra regelgeving en blijft het ondernemingsklimaat voorreële investeringen behouden. Het kabinet acht op dit moment geenaanvullende maatregelen nodig.De leden van de CDA-fractie lezen in het onderzoek over de verschillentussen de commerciële en fiscale jaarrekening dat de grootste verschillengoed fiscaal verklaarbaar zijn, maar dat er ook ruimte is voor onderzoek ofbepaalde gehanteerde beginselen nog van deze tijd zijn. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris van plan is dit nadere onderzoek te doen en,zoals het rapport adviseert, samen met onder andere de belastingweten-schap en fiscale adviespraktijk.Het kabinet zal nader onderzoek doen naar de verschillen tussen decommerciële en fiscale winstbepaling die ontstaan vanwege afschrij-vingen en bijzondere waardevermindering of -vermeerdering (herwaarde-ringen). Hierbij zal gewogen worden of verdere aansluiting bij decommerciële winst voor de hand ligt op deze punten. Onderdeel van ditonderzoek zal ook zijn het aangaan van het gesprek met de fiscaleuitvoeringspraktijk en de belastingwetenschap. In dit kader zal ook inbredere zin worden stilgestaan bij de beginselen van het fiscaletotaalwinst- en jaarwinstbegrip. Voor een goede en prudente weging vande beginselen is echter meer verdiepend onderzoek nodig. Aan de handvan de uitkomsten van de gevoerde gesprekken waarin gekeken zalworden naar aanwijzingen hiervoor, zal het kabinet bekijken dit nadereopvolging verdient.De leden van de CDA-fractie merken op dat de overheid nooit in staat zalzijn alle vormen van belastingontwijking met wetgeving dicht te regelen.65Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratievesamenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154135 Daarom is het ook van belang dat burgers en bedrijven zelf moreel gedragvertonen, want als een deel van de belastingbetalers niet bijdraagt, danliften zij mee op een kleinere groep die meer zal moeten opbrengen. Dezeleden vragen wat de overheid op dit moment doet om moreel gedrag testimuleren.Het kabinet is het eens met de observatie dat wetgeving niet alle vormenvan belastingontwijking kan voorkomen. Het kabinet zal daarom bedrijvenblijven wijzen op hun maatschappelijk verantwoordelijkheid rondombelastingen. Voor goed nalevingsgedrag is het nodig dat burgers enbedrijven het fiscale stelsel als rechtvaardig ervaren. Daarbij moet deoverheid ervoor zorgen dat het naleven van de regels makkelijk is. Hetkabinet blijft oog houden voor opmerkelijke belastingconstructies en deaanpak daarvan.66 Het kabinet streeft naar vereenvoudiging van hetbelastingstelsel en de Belastingdienst werkt continu aan het verbeterenvan de dienstverlening.Ook merken deze leden op dat enkele jaren geleden een Tax GovernanceCode is opgesteld door VNO-NCW. Deze is niet verplicht zoals deCorporate Governance Code in Nederland. Deze leden vragen of deStaatssecretaris kan nagaan wat het bereik van de Tax Governance Codenu is, hoeveel bedrijven zich hieraan committeren en wat de effecten zijn.Sinds de publicatie van de Tax Governance Code is het aantal deelne-mende bedrijven toegenomen. Inmiddels zijn dat er bijna 50. Sinds 2022voeren deelnemende bedrijven ook een jaarlijkse peer review uit. Deresultaten daarvan zijn te vinden op de website van VNO-NCW.67 Blijkensde peer reviews neemt de compliance van de Tax Governance Codejaarlijks toe, waarbij de grootste winst nog valt te behalen bij hetonderdeel «Fiscale transparantie en rapportage». De Belastingdiensttoetst niet of een bedrijf voldoet aan de Tax Governance Code of eenvergelijkbare code. Deelname aan een dergelijke code is voor deBelastingdienst wel aanleiding voor een gesprek, met als doel inzicht tekrijgen in de betekenis daarvan voor het toezicht. In dat gesprek wordtbesproken hoe het bedrijf de open normen van de code concretiseert enhoe deze binnen de organisatie zijn ingebed. Indien de Belastingdienst deindruk heeft dat het feitelijke gedrag van het bedrijf afwijkt van hetgeen inde code is beschreven, wordt dit met het bedrijf besproken en heeft ditgevolgen voor de inrichting en intensiteit van het toezicht.Deze leden merken op dat een dergelijk kader in sommige landen, zoalshet Verenigd Koninkrijk of Australië, wel verplicht is en vragen of deStaatssecretaris de effecten hiervan op transparantie bij zijn collegabelastingdiensten kan nagaan.De Tax Governance Code is bedoeld om bedrijven vrijwillig te stimulerenop een transparante en verantwoorde manier om te gaan met belas-tingen. Het kabinet verkent niet de mogelijkheden om dergelijkerapportage verplicht te stellen. Dat zou niet aansluiten op de wens van ditkabinet om de regeldruk te beperken. Maar bovenal gelooft het kabinetdat vrijwilligheid zorgt voor intrinsieke motivatie bij bedrijven. Juistwanneer bedrijven er zelf voor kiezen om verantwoord belastinggedrag tetonen en open te zijn over hun fiscale strategie, leidt dat tot meerdraagvlak en blijvend effect.De leden van de CDA-fractie lazen in het Financieel Dagblad van 10 maart2026 over agressieve internationale belastingconstructies van mkb-ers,66Zie bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026: Kamerstukken II 2025/26, 36 915, nr. 1, p. 258 e.v.67https://www.vno-ncw.nl/taxgovernancecodeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154136 waar de fiscus zo’n 40 miljoen euro aan naheffingen over oplegde. Dezefiscale schijnconstructies met verkapte dividenduitkeringen hebbenjarenlang bestaan en deze leden vragen of dit type constructie nu isopgelost of dat dit nog steeds kan plaatsvinden. In het verleden zijn enkeleandere grootschalig toegepaste constructies ook al dichtgezet. Deze ledenvragen of de Belastingdienst nog meer zulke agressieve fiscaleconstructies in het vizier heeft, en of zulke constructies in de tijd minder/moeilijker worden gezien aanvullende regels ten aanzien van complianceen transparantie.De genoemde belastingconstructies worden door de Belastingdienst, voorzover mogelijk, effectief bestreden. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het feitdat de Belastingdienst in de (hoger) beroep in het gelijk is gesteld inmeerdere fiscale procedures met betrekking tot dividendstructuren.Verder blijft dit kabinet werk maken van het op nationaal niveauaanpakken van belastingconstructies in de brede zin van het woord, zie indat kader ook de bijlage bij de Voorjaarsnota met een lijst van opmerke-lijke belastingconstructies. Daarin zijn, waar mogelijk, ook optiesopgenomen om deze met beleid te adresseren.Tot slot willen de leden van de CDA-fractie wijzen op de problematiekrondom plof-BV’s, een frauduleuze constructie waarbij een vennootschapvaak via turboliquidatie wordt leeggetrokken en achtergelaten metschulden, waar crediteuren en de Belastingdienst de dupe van zijn. Dezeleden vragen of de Belastingdienst en FIOD deze problematiek ook op deradar hebben en of wat mogelijke manieren zijn om dit aan te pakken.De Belastingdienst (inclusief FIOD) is bekend met de problematiek van hetmisbruik van turboliquidaties, hoewel de omvang hiervan lastig is vast testellen. De zorgen over misbruik van turboliquidatie is aanleiding geweestvoor de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Deze wet bevat eenaantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbondenrechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bijhet handelsregister. Schuldeisers kunnen zo beter beoordelen of deregeling correct is toegepast. Als het bestuur deze verantwoordingsver-plichting niet heeft nageleefd, kunnen schuldeisers inzicht krijgen in deadministratie van de ontbonden rechtspersoon. Daarnaast bevat de weteen aantal sancties in geval van niet-naleving, zoals een bestuursverboden een strafbaarstelling. De strafrechtelijke handhaving van de verant-woordingsverplichting wordt uitgevoerd door de Dienst financieel-Economische Integriteit van het Ministerie van Financiën in samenspraakmet het Openbaar Ministerie.Afgelopen zomer is het WODC-rapport naar de werking van de tijdelijkewet aan Uw kamer aangeboden. De onderzoekers concluderen dat detijdelijke wet bij naleving bijdraagt aan meer transparantie en deverbetering van de rechtspositie van schuldeisers, maar in mindere matebijdraagt aan het voorkomen van misbruik. De ambtsvoorganger van deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een wetgevingstrajectaangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in tevoeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onder-zoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van deregeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieon-derzoek. Daarnaast is naar aanleiding van het rapport de tijdelijke wet mettwee jaar verlengd, tot 15 november 2027.Daarnaast bekijkt J&V samen met het Ministerie van EZ naar de verschil-lende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KvK te versterken.De Belastingdienst en de FIOD volgen deze ontwikkelingen actief ensluiten aan bij het wetgevingstraject van het Ministerie van J&V.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154137 De Belastingdienst voert toezicht uit op het naleven van fiscale regels,zoals op het tijdig betalen van belastingschulden. Als er aanwijzingen zijndat mogelijk niet fiscaal compliant is gehandeld bij turboliquidaties, dankan de Belastingdienst dit in onderzoek nemen en waar nodighandhavend optreden. De FIOD wordt betrokken als er vermoedens zijnvan fraude.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 154138

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · c0662566f0ac3a93

14 okt 2026 · 7fe9c561359191f1

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.