Verzamelbrief Geweld in afhankelijkheidsrelaties
Brontekst
Versie f8cb5cab9c23b71c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 345Aanpak huiselijk geweldNr. 282 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGE-ZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 december 2024Helaas is geweld in afhankelijkheidsrelaties een van de meest voorko-mende vorm van geweld. Een ervaring met (psychisch of fysiek) geweldkan mensen ernstig beschadigen. Wanneer de dader een bekend is en hetslachtoffer op een bepaalde manier afhankelijk is van de dader, is deimpact vaak nog groter. De schade kan doorwerken tot ver in het levenvan slachtoffers daders en hun naasten. Zelfs in dat van de generaties nahen. Het is daarom belangrijk dat we de ons blijven inzetten om geweld inafhankelijkheidsrelaties te voorkomen, de impact verminderen, herhalingvoorkomen en (potentiële) slachtoffers kunnen helpen.Met deze brief geven wij, de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg en de Staatssecretaris Rechtsbescherming, mede namens deStaatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, uw Kamer informatie oververbeteringen van de toegang tot hulp voor slachtoffers van geweld inafhankelijkheidsrelaties, komen terug op de uitvoering van twee moties,geven reactie op schriftelijke verzoeken van de Vaste Kamercommissievan VWS. Ook bieden wij u, mede namens de Staatssecretaris Justitie enVeiligheid, de prevalentiemonitor huiselijk geweld en seksueel grensover-schrijdend gedrag 2024 aan en geven een hier een reflectie op.Tot slot geef ik, de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg,een reactie op een vraag van de Vaste Kamercommissie van VWS envragen van de kamer over de opvang van slachtoffers van mensenhandel.In deze brief gaan wij achtereenvolgens in op:a.Welke concrete verbeteringen het traject «Goed georganiseerdlandschap van hulp-, meld- en steunpunten» tot nu toe heeft opgele- kst-28345-282ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2821 verd1. Inclusief op welke wijze opvolging wordt gegeven aan de motievan het Kamerlid Synhaeve2;b.De stappen die zijn gezet om uitvoering te geven aan de motie van hetKamerlid Uitermark3;c.De Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensoverschrij-dend Gedrag 2024;d.Het proefschrift van Suzanne Bouma «Werken als oplossing?»4;e.De door de gemeenteraad van Groningen aangenomen motie «Stophuiselijk geweld»5;f.Kamervragen over de opvang van slachtoffers mensenhandel.a. Een goed georganiseerd landschap van hulp-, meld en steun-punten voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties Een belangrijke opgave uit het regeerprogramma is dat slachtoffers vangeweld in afhankelijkheidsrelaties snel en gemakkelijk toegang hebben totgoede hulp. Om te voorkomen dat slachtoffers verdwalen in het hulppun-tenaanbod en steeds opnieuw hun verhaal moeten doen, moet er (nog)beter worden samengewerkt tussen de verschillende zorg- en veiligheids-organisaties. Een opgave die wordt onderschreven vanuit uw Kamer6 ende praktijk.7Het opgestarte trajectGeweld in afhankelijkheidsrelaties is een breed onderwerp. Binnen hettraject dat door de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport enJustitie en Veiligheid is opgestart om het hulplandschap beter teorganiseren8, wordt daarom stapsgewijs gewerkt. We zijn gestart met dehulp aan slachtoffers van seksueel geweld en hun omgeving, zoals ook isopgenomen in actielijn 5 van het Nationaal Actieprogramma Aanpakseksueel geweld en grensoverschrijdend gedrag. De afgelopen periodehebben diverse partijen die reeds onderdeel uitmaken van de multidisci-plinaire samenwerking rond slachtoffers van seksueel geweld hierin grotestappen gezet. Te weten: Politie, Openbaar Ministerie (OM), Veilig Thuis(VT), Centrum Seksueel Geweld (CSG), Slachtofferhulp Nederland (SHN)en Perspectief Herstelbemiddeling (PH), samen met de Vereniging vanNederlandse Gemeenten (VNG). Er is een veelbelovende werkwijzeontworpen op basis waarvan slachtoffers (18- en 18 +) van on- en offlineseksueel geweld en hun omgeving, door een gestandaardiseerdeaanmelding, multidisciplinaire beoordeling en eenduidige regie, de meestpassende inzet van organisaties op het gebied van veiligheid, (medische,forensische en psychische) zorg, strafrecht en/of herstel wordt geboden.Wij willen hier nogmaals waardering uitspreken voor inzet van allebetrokken organisaties binnen dit traject, waarin het belang van hetslachtoffer steeds centraal staat.Knelpunten in de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en hunomgevingDagelijks zetten de professionals van de hiervoor genoemde organisatieszich met grote toewijding en expertise in om de hulpverlening aanslachtoffers van seksueel geweld te vorm te geven. In de praktijk blijkt ook1Kamerstukken II 2023/24, 33 552, nr. 1162Kamerstukken II 2023/24, 34 843, nr. 993Kamerstukken II 2023/24, 34 843, nr. 10442024Z0045052023D516706Kamerstukken II 2021/22, 31 015, nr. 2307Position paper «1 gezamenlijke entrée; samen werken aan herstel» (12 mei 2023)8Kamerstukken II 2022/23, 28 345, nr. 261Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2822 dat er veel goed gaat. De betrokken organisaties hebben veel kennis,ervaring en werken sinds de oprichting van de regionale CSG’s inten-siever samen. Dit neemt niet weg dat er ook nog dingen beter kunnen.Allereerst ontstaat, door de verschillende meldpunten waar slachtoffersnaartoe kunnen, het risico op «onder-screening», omdat trauma gerela-teerde klachten kunnen worden gemist. Dit geldt overigens ook voorslachtoffers van seksueel geweld die te maken hebben met huiselijkgeweld. Kansen worden gemist om systeemgericht te kijken naarpatronen van structureel geweld en/of intergenerationele overdracht omdeze te doorbreken en duurzaam te herstellen. Bovendien ontstaat hetrisico op (inefficiënte) overlap in het hulpaanbod. Dit probleem ontstaat insituaties waarin meerdere organisaties tegelijk betrokken zijn en waarbijin afstemming én regie niet is voorzien. Vanwege bovenstaande risicosis krachtenbundeling nodig die verder gaat dan de huidige samenwerking.In de afgelopen periode is daarom samen met professionals uit dedagelijkse praktijk in kaart gebracht tegen welke knelpunten slachtoffersvan seksueel geweld en zijzelf aanlopen bij het vinden, respectievelijkbieden van de juiste hulp. Daarbij lag de focus op de fase van het eerstecontact tot het daadwerkelijk ontvangen van hulp.9 Voor alle knelpuntenzijn in een korte periode, bottom-up, verbeterinitiatieven uitgewerkt. Doorcasussen uit de praktijk te gebruiken en het ontwerp te toetsen bijervaringsdeskundigen, is direct getest of de verbeteringen aansluiten bijde behoeften van slachtoffers en hun omgeving. Alle opgedane inzichtenzijn vervolgens gebundeld en beschreven in een handboek voor deuitvoeringspraktijk.Intensiever en vroegtijdig samenwerken: één gezamenlijke entréeDe nieuwe werkwijze is feitelijk een intensivering van de huidigesamenwerking direct na het eerste contact met slachtoffers, waardoorkansen op duurzaam herstel beter worden benut en overlap wordtvoorkomen. Tijdens het ontwerpen van de werkwijze bleek dat deoplossing voor de ervaren knelpunten vooral ligt in vroegtijdige engeüniformeerde samenwerking, waardoor slachtoffers van seksueelgeweld volgens eenzelfde werkwijze worden geholpen, ongeacht waar zijzich melden. Over dit laatste houden slachtoffers dan ook zelf de regie. Deorganisaties werken daarmee volgens het principe van één gezamenlijkentrée.Concreet houdt de werkwijze in dat slachtoffers bij hun eerste contact metéén van de betrokken organisaties een gestandaardiseerde aanmeldingondergaan. Hierbij wordt alle relevante informatie volgens een vastformat verzameld voor een multidisciplinaire beoordeling. Zo hoevenslachtoffers niet vaker dan nodig dezelfde vragen te beantwoorden bijverschillende organisaties. Er is een gestandaardiseerde set vragenopgesteld die door alle organisaties kan worden gebruikt. Op basis van deverzamelde informatie – en indien het slachtoffer hiervoor toestemmingverleent – vindt een eerste multidisciplinair overleg plaats, waarinprofessionals uit verschillende organisaties de situatie, behoefte enhulpvraag beoordelen en vaststellen wat (eerst) nodig is op het gebiedvan veiligheid, (medische, forensische en psychische) zorg, strafrechten/of herstel. Dit overleg zorgt ervoor dat verschillende organisaties hunexpertise kunnen bundelen, aangezien de hulpvragen vaak meerdere9In het onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker Instituut «Laagdrempelige hulp voorslachtoffers en plegers van geweld in afhankelijkheidsrelatie» (2023) worden meerdere fasenonderscheiden in de zoektocht van slachtoffers naar de juiste hulp. Omdat de meesteknelpunten worden ervaren in de fase van «triage» is in het traject in eerste instantie ingezet ophet ontwikkelen van een werkwijze voor de fase van het eerste contact tot het ontvangen vanhulp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2823 disciplines en onderlinge afstemming vereisen. Tijdens het overleg wordtook bepaald of er andere organisaties, bijvoorbeeld uit het sociaaldomein, of met specialistische kennis moeten worden betrokken.Vervolgens wordt een regiehouder aangewezen, die verantwoordelijk isvoor de coördinatie van de hulp. Deze regiehouder is het vasteaanspreekpunt voor het slachtoffer, bewaakt het proces en zorgt voor(doorlopende) afstemming tussen de betrokken professionals. Deregiehouder is in staat slachtoffers en diens omgeving te begeleiden enondersteunen en als aanspreekpunt te fungeren. Daarnaast bewaakt deregiehouder de behoeften van het slachtoffer en is hij of zij in staat omvanuit principes als «Watchfull Waiting» (monitoren hoe slachtoffer zichontwikkelt na negatieve ervaring) en psycho-educatie te werkengedurende de begeleiding van het slachtoffer. De regiehouder waarborgtdat het slachtoffer door middel van een warme overdracht op de juisteplek terechtkomt, waarbij geldt dat de regie pas wordt afgerond alsafstemming niet meer nodig is.PraktijktestDe betrokken organisaties zijn enthousiast om de nieuwe werkwijze tetesten en te kijken of dit de gewenste verbeteringen voor slachtoffersoplevert. De Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitieen Veiligheid hebben middelen gevonden om deze praktijktest tefinancieren. Op dit moment worden de benodigde voorbereidingengetroffen en twee testregio’s geselecteerd. Ook wordt kennis en ervaringopgehaald die in de praktijk en in (buur)landen al is opgedaan met fysiekelocaties. Zo zijn werkbezoeken gebracht aan de fysieke locatie vanFilomena in Rotterdam (een multidisciplinaire samenwerking op hetgebied van huiselijk geweld en kindermishandeling en CSG Rotterdam),een fysieke opvanglocatie van slachtoffers van seksueel geweld in Belgiëen de nieuwe fysieke inlooplocatie van het CSG in Amsterdam. Het isgoed om te zien dat gemeenten – die vanuit de Wet maatschappelijkeondersteuning (Wmo) een verantwoordelijkheid hebben voor de hulp enondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld – dit soort initia-tieven ondersteunen. De verwachting is dat de nieuwe werkwijze nietnoodzakelijkerwijs een fysieke locatie vereist. Het multidisciplinaireoverleg kan immers ook digitaal vorm krijgen. Voor slachtoffers kan het inhet kader van een laagdrempelige toegang tot hulp mogelijk wel eengewenste toevoeging zijn om terecht te kunnen bij een fysieke inlooplo-catie. Op basis van de resultaten van de pilot en de ervaringen met defysieke inlooplocaties kan per regio worden bekeken wat haalbaar enpassend is.Resultaat- en effectmetingEen belangrijk onderdeel van de praktijktest is een resultaat- en effect-meting. Een belangrijke vraag is immers of de nieuwe werkwijze ookdaadwerkelijk leidt tot de gewenste verbeteringen voor slachtoffers, zoalseen snelle doorverwijzing en toeleiding tot de juiste hulp en minderoverlap in de werkzaamheden. Naast het effect van de werkwijze (op dekortere termijn, namelijk gedurende de looptijd van de praktijktest), zalook worden getoetst of deze uitvoerbaar is. Aan de hand van de resultatenkan worden bezien wat de verwachte impact is op de organisaties enwelke kosten aan de nieuwe werkwijze verbonden zijn.VervolgMet de hierboven beschreven werkwijze is een belangrijke eerste stapgezet richting een beter georganiseerd hulplandschap voor slachtoffersvan geweld in afhankelijkheidsrelaties, in het bijzonder voor slachtoffersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2824 van seksueel geweld. Om vaart te houden in het traject wordt gelijktijdigmet de praktijktest verkend of de werkwijze ook een aanknopingspuntbiedt voor de hulp aan andere groepen slachtoffers van geweld inafhankelijkheidsrelaties. Wij zullen uw Kamer in het najaar van 2025informeren over de doorontwikkeling van een «goed georganiseerdlandschap van hulp-meld- en steunpunten» en de uitkomsten van deresultaat- en effectmeting van de praktijktest voor slachtoffers vanseksueel geweld.Als het gaat om kennis over de aanpak en behandeling van trauma’s vanminderjarige slachtoffers van misbruik wordt op dit moment door hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een opdracht uitgezetvoor het bundelen van wetenschappelijke, praktijk- en ervaringskennis. Inde opdracht die wordt verstrekt zijn zowel de elementen van de motie vanhet lid Mutluer (Kamerstuk 28 345, nr. 271) (behandeling van minderjarigeslachtoffers die te maken hebben gehad met georganiseerd en geweld-dadig misbruik, waaronder dissociatieve stoornissen) als de motie van hetlid Van der Werf (periodieke check-up bij minderjarige slachtoffers vanseksueel misbruik) opgenomen. Uw Kamer wordt over de voortgang voorde zomer van 2025 geïnformeerd.b. De uitvoering van de motie Uitermark Op 21 december 2022 heeft de Tijdelijke Onderzoekscommissie Georgani-seerd Sadistisch Misbruik van Minderjarigen onder leiding van prof. dr.Hendriks haar onderzoeksrapport «Tussen ongeloof, opsporing enondersteuning» opgeleverd.10 In dit rapport is nogmaals geconcludeerddat slachtofferverklaringen de enige directe bron zijn voor meldingen vangeorganiseerd sadistisch kindermisbruik met rituele kenmerken. Omdat ervanuit andere bronnen geen ondersteuning voor is gevonden, acht decommissie het bestaan ervan dan ook onaannemelijk. De commissie geeftook aan dat zaken die aan de LEBZ zijn voorgelegd juridisch problema-tisch zijn vanwege het gebrek aan bewijs. Wel acht de commissie hetbestaan van georganiseerd, gewelddadig misbruik van minderjarigenwaarschijnlijk. In dat verband heeft de commissie aanbevelingen gedaan,onder andere over de wijze waarop (hulp)instanties slachtoffers beterkunnen ondersteunen. Het advies in dat verband is om een laagdrempeliglandelijk meldpunt in te richten, waar ook specifieke kennis over georgani-seerd sadistisch misbruik aanwezig is, wat toegankelijk is voor minderja-rigen en waar een telefonische hulplijn en chat kan worden aangebodenzodat slachtoffers 24/7 en desgewenst anoniem hun verhaal kunnen doen.Ook noemt de commissie het belang van goede registratie en een goedesamenwerking met de regionale zedenteams en de politieafdelingen diezich met mensenhandel en georganiseerde misdaad bezighouden. Eenapart meldpunt acht de commissie onwenselijk. Enerzijds omdat er dan teweinig gebruik zou kunnen worden gemaakt van domeinoverstijgendeandere expertise. Anderzijds omdat dit dan te klein zou zijn.In dit kader is ook tijdens het commissiedebat van 6 maart jl. (Kamerstuk34 843, nr. 110) ingediende motie van de leden Uitermark c.s. aange-nomen (Kamerstuk 34 843, nr. 104), die de regering verzoekt te bevor-deren dat er een expertisecentrum georganiseerd en gewelddadigmisbruik van kinderen wordt opgericht. Als eerste stap in de uitvoeringvan deze motie zijn in de afgelopen periode onder leiding van eenonafhankelijk voorzitter twee dialoogsessies georganiseerd over hetonderwerp «georganiseerd en gewelddadig misbruik van kinderen» met10Zie voor de kabinetsreactie op dit rapport: Kamerstukken II, 2022/23, 31 015, 34 843, 33 552,nr. 272.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2825 de bij dit onderwerp betrokken professionals en experts.11 Ook de in demotie genoemde belangenorganisaties Stichting Misbruikt! en hetKenniscentrum voor Transgenerationeel geweld (KTGG) waren hierbijvertegenwoordigd. De sessies hebben een aantal waardevolle inzichtenopgeleverd voor de uitvoering van de motie en meer specifiek voor debeantwoording van de vraag wat er nodig is om de kennis en expertiseover dit onderwerp te vergroten.Een kwetsbare groep met complexe problematiekTijdens de sessies is – in lijn met wat naar voren is gebracht in het rapportvan de Commissie Hendrik – benoemd dat georganiseerd en gewelddadigkindermisbruik verschillende verschijningsvormen kent. Het misbruik kangepaard gaan met geweld gepleegd door (pleeg)ouders, familieleden ofderden, zonder dat daarbij sprake is van handel. Het kan evenwel ookgaan om (commerciële) seksuele uitbuiting door een netwerk, al dan nietgefaciliteerd door (pleeg)ouders, familieleden of derden. Daarbij is ookaangegeven dat het misbruik niet noodzakelijkerwijs gepaard hoeft tegaan met seksueel geweld. Een belangrijk kenmerk is wel dat het gepaardgaat met geweld en dwingende controle vanuit degene (familie, derde ofnetwerk) die het misbruik pleegt.Ongeacht de vorm waarin het misbruik zich uit, is tijdens de sessies naarvoren gekomen dat de slachtoffers ervan behoren tot een kwetsbaregroep met complexe problematiek. Zij kampen vaak met trauma’s die zijnontstaan in de kindertijd. Voor de klachten die naar aanleiding hiervanontstaan zijn, is vaak langdurige behandeling nodig, die – als deze alsuccesvol is – wordt gecompliceerd door het gegeven dat slachtoffersgedurende de behandeling geregeld terugkeren naar degene die hetmisbruik pleegt. Zij verdwijnen hierdoor geregeld uit de opvang omvervolgens toch weer terug te keren. Andere belangrijke kenmerken zijnhet door elkaar lopen van slachtoffer- en daderrol en het diepgeworteldewantrouwen dat wordt ervaren richting de professionele instituten, zoalsde politie, justitie en hulpverlenende organisaties. Om die reden ervarenslachtoffers vaak drempels als het gaat om het melden voor hulp enondersteuning. Zij durven zich alleen anoniem te melden en zijn nietbereid zich te melden bij organisaties die gebonden zijn aan de meldcode-plicht.Dilemma’s in het licht van passende hulp en ondersteuningDe genoemde kenmerken maken passende hulp en ondersteuning nietmakkelijk te organiseren. Een aantal dilemma’s kunnen in dit verbandworden benoemd. Allereerst het wantrouwen jegens professioneleinstituties. Het gebrek aan meldingsbereidheid, botst immers met hetgegeven dat het juist deze instituties zijn die ervoor verantwoordelijk zijndat burgers veilig zijn en de verantwoordelijkheid hebben om slachtofferste ondersteunen en hulp te bieden.Een tweede dilemma betreft het anoniem willen blijven. Slachtofferskunnen zich anoniem online melden via chat met Fier voor online hulp enondersteuning. Voor alle andere vormen van hulp en ondersteuning moeteen slachtoffer zich kunnen identificeren. Daarnaast geldt voor organi-saties de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Destappen van de meldcode bieden handelingsperspectief voor professi-onals als zij vermoedens hebben van huiselijk geweld of kindermishan-deling. De stappen moeten zorgvuldig doorlopen worden om deveiligheid van het slachtoffer te waarborgen. Professionals maken een11De verslagen hiervan zijn bij deze brief gevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2826 afweging voor het doen van wel of geen melding. Als in het belang vanhet slachtoffer en het bieden van hulp aan het slachtoffer, het beter is om(nog) geen melding te doen, dan hebben professionals deze ruimte. Ingevallen dat een professional ervoor kiest om een melding te doen, isvolledige anonimiteit niet mogelijk.Het derde dilemma dat naar voren is gekomen, is dat de langdurige enintensieve behandeling die slachtoffers nodig kunnen hebben, het risicovergroten dat zij gedurende de behandeling of veilige opvang terugkerennaar de degene die het misbruik pleegt. Er bestaan ook protocollen omdaar op een goede en passende manier mee om te gaan. Dit neemt nietweg dat een volwassen slachtoffer om effectief te kunnen wordenbehandeld ook de wil moet kunnen vinden om los te komen van degenedie het misbruik pleegt. Dit vergt veel van de hulpverlening, waarbij wijook willen benoemen dat we van de hulpverlening niet kunnenverwachten dat zij het onmogelijke, mogelijk maken. Daarbij komt dat hetgeweld in de volwassenheid kan leiden tot een dissociatieve identiteits-stoornis (DIS). Er zijn ggz-instellingen en therapeuten die gespecialiseerdzijn in de behandeling van dissociatieve stoornissen. Zij kunnen evenwelals voorwaarde stellen dat het geweld gestopt is voordat ze met behan-deling starten.Multidisciplinaire aanpakEen ander aspect dat wij willen benoemen is dat de hulp die deze groepslachtoffers nodig heeft in alle gevallen om een multidisciplinaire aanpaken bundeling van (specialistische) kennis en expertise vraagt. Gelet op dedomein overstijgende problematiek is andere samenwerking en landelijkekennisuitwisseling tussen organisaties nodig. Er is op dit moment binnenhet bestaande en professionele hulpaanbod al veel kennis en expertiseaanwezig over dwingende controle vanuit familie, derden of netwerken.Ook is veel kennis voorhanden over de behandeling van (complexe envroegtijdige) trauma. Voor een effectieve ondersteuning, een passendplan van aanpak en daarmee toereikende hulp op het gebied van zorg enveiligheid, zijn meerdere organisaties nodig die dit samen oppakken. Hetgaat immers om een combinatie van kennis, ervaring, (medische,forensische en psychische) zorg, (psychiatrische) behandeling, (veilige)opvang en ondersteuning bij het opbouwen van een nieuw leven.Het bestaande professionele aanbodKijkend naar het huidige professionele aanbod kan worden gesteld datslachtoffers ook nu al terecht kunnen bij verschillende organisaties voorhulp en ook dat er al kennis en ervaring aanwezig is. Er is al eenlaagdrempelig landelijk meldpunt voor seksueel geweld, via het landelijken de regionale centra voor seksueel geweld (CSG’s). Hier wordt 24/7(medische, forensische en psychische) (online) hulp geboden aanslachtoffers die seksueel misbruik (in welke vorm dan ook) hebbenmeegemaakt. Bij het Centrum voor Kinderhandel en Mensenhandel (CKM)is kennis aanwezig over de context waarin slachtoffers van uitbuiting engeorganiseerd geweld zich bevinden, waaronder de dwingende controlevanuit een netwerk of derden. Ook heeft het CKM expertise op het terreinvan bescherming van slachtoffers tegen een netwerk, (pleeg) ouders ofderden. Het CKM is bovendien op dit moment bezig meer kennis op tebouwen over het onderwerp «(seksuele) uitbuiting van kinderen binnende familie of door (pleeg)ouders». Het CKM is onderdeel van Fier. Fierbiedt als landelijk expertise- en behandelcentrum hulp, in de vorm vanopvang en bescherming, aan iedereen die te maken heeft (gehad) met(seksueel) geweld in afhankelijkheidsrelaties. Slachtoffers krijgen (veilige)opvang en hulp bij het werken aan een betere toekomst op verschillendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2827 leefdomeinen. Slachtoffers kunnen anoniem contact zoeken via de Chatmet Fier. Als slachtoffers dat willen worden ze doorverwezen naar veiligeopvang. Als het gaat om veilige opvang moet ook worden gewezen opSterk Huis, waar slachtoffers die te maken hebben met huiselijk geweld,seksueel misbruik of seksuele uitbuiting terecht kunnen om (op eenveilige plek) tot rust te komen en worden geholpen bij het opbouwen vaneen nieuw leven. Tot slot bestaat er binnen de specialistische GGZ kennisover het behandelen van (complexe) psychiatrische klachten.Een landelijk expertise platformOp basis van de uitkomsten van de sessies en ook de gesprekken met debestaande organisaties concluderen wij dat – om slachtoffers vangeorganiseerd en gewelddadig misbruik beter te kunnen helpen – dekennis en expertise die er op dit moment al is, op landelijk niveau moetsamenkomen. Dit, om deze vervolgens op regionaal niveau beschikbaar testellen teneinde de professional te ondersteunen en van een hande-lingsperspectief te kunnen voorzien. Op dit moment is zo’n perspectief ernamelijk vaak niet en komt de hulp- en ondersteuning niet goed van degrond. Om echt in een oplossing te voorzien zou moet worden geïnves-teerd in de inrichting van een landelijk netwerk van experts die met elkaarin gesprek kunnen gaan over de ervaren dilemma’s, best practices, enontwikkelingen op het gebied van georganiseerd en gewelddadigkindermisbruik. Het bundelen van de huidige kennis en expertise lijkt eenbetere oplossing te bieden aan de ervaren knelpunten, dan het investerenin een nieuw expertisecentrum. Dit sluit ook aan bij de opgave uit hetregeerprogramma om verdere versnippering van het hulpaanbod – doorhet oprichten van afzonderlijke meldpunten voor elke specifiekedoelgroep – tegen te gaan. Om voornoemde redenen zijn wij op ditmoment in gesprek met het Centrum voor Criminaliteitspreventie enVeiligheid (CCV). Het CCV heeft ervaring met het inrichten van landelijkeplatforms voor zogenoemde «wicked problems» die om bundeling vankennis en expertise vragen. Zo hebben ze nu al een platform ten behoevevan de samenwerking van organisaties op het terrein van crimineleuitbuiting van minderjarigen binnen de eigen familie. In het gesprek methet CCV wordt ingezet op om het inrichten van een landelijk expertiseplatform in te richten waarbinnen:•kennis kan worden gedeeld ten behoeve van het herkennen vanslachtoffers van deze specifieke vorm van criminaliteit en dwingendecontrole;•de betrokken professionele organisaties door middel van eenlandelijke tafel hun actuele kennis, expertise en effectieve (behandel)-methoden kunnen delen, alsook dilemma’s kunnen inbrengen omgezamenlijk – indien nodig versterkt met specialisten – oplossingen tevinden en uit te dragen;•de betrokken professionals kunnen worden ondersteund zodat zij er– indien zij tegen knelpunten aanlopen – niet «alleen» voor staan;•ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties aanwezig zijn diekunnen fungeren als verbindingsofficier of vertrouwenspersoon tussenslachtoffers en de hulpverlening;•goede samenwerking plaatsvindt met de regionale zedenteams van depolitie;•trends en ontwikkelingen kunnen worden bijgehouden, alsook(anoniem) gegevens kunnen worden verzameld over het aantalmeldingen dat wordt gedaan zodat meer zicht ontstaat in het feno-meen en dit effectiever kan worden bestreden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2828 VervolgHet voornemen om een landelijk expertise platform in te richten wordtondersteund door de betrokken organisaties. De komende periode wordtnader uitgewerkt hoe dit platform vorm moet krijgen. Daarbij verdientopmerking dat hiervoor geen structurele middelen beschikbaar zijn en dat– indien nodig – extra middelen zullen moeten worden gevonden. Wijzullen uw Kamer schriftelijk informeren over de voortgang en concreteuitwerking hiervan.c. Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensover-schrijdend Gedrag Op 25 november jl. hebben het Wetenschappelijk Onderzoek- enDatacentrum (WODC) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dePrevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel GrensoverschrijdendGedrag 2024 gepubliceerd.Het verzoek voor een prevalentiemonitor is door het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het Ministerie van Justitie enVeiligheid (JenV) aan het WODC gedaan. Het onderzoek is uitgevoerddoor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in opdracht van hetWODC.De prevalentiemonitor is een bevolkingsonderzoek dat inzicht geeft in deaard en omvang van huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdendgedrag onder de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder. De aard enomvang van de volgende geweldsvormen zijn in kaart gebracht:psychisch geweld in huiselijke kring (inclusief dwingende controle), fysiekgeweld in huiselijke kring, stalking door ex-partner, on- en offline seksueleintimidatie (al dan niet in huiselijke kring) enfysiek seksueel geweld (al dan niet in huiselijke kring). Het onderzoekgeeft ook antwoord op vragen als: wie zijn de plegers, wat zijn degevolgen van het geweld voor slachtoffers en praten slachtoffers over hunervaringen?BevindingenDe monitor toont aan dat het aandeel mensen van 16 jaar en ouder dat in2024 rapporteert slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld in deafgelopen 12 maanden gelijk is aan het aandeel in zowel 2022 als 2020.Het gaat in 2024 om een jaarprevalentie van 9 procent, wat neerkomt opbijna 1,3 miljoen mensen. De jaarprevalentie van seksueel grensover-schrijdend gedrag in 2024 is vergelijkbaar met 2020 (afgerond 11 procent),maar significant lager dan in 2022 (afgerond 13 procent). Het aantalslachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag is in 2024 naarschatting 1,7 miljoen mensen van 16 jaar en ouder.Reactie op de monitorWij zijn het WODC en het CBS dankbaar voor dit onderzoek. Wederomlaten deze cijfers zien hoeveel mensen in Nederland te maken hebben methuiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag (niet alleeneenmalig maar ook maandelijks, wekelijks of dagelijks). Deze hogeaantallen blijvend schokkend. Ook wetende dat het daadwerkelijke aantalmensen nog hoger zal liggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 2829 De gevolgen voor slachtoffers zijn vaak ingrijpend. Het is schrijnend om tezien hoe geweldservaringen in het verleden doorwerken naar het hedenen de toekomst van slachtoffers. Zowel slachtoffers van zowel huiselijkgeweld als seksueel geweld geven aan negatieve gevolgen te ervaren,zoals psychische-, fysieke-, seksuele- en/of relatieproblemen. Hetbespreekbaar maken van deze geweldsvormen, het tijdig signaleren enhet stoppen zijn onverminderd belangrijk. Dit vraagt om een alertesamenleving, waarin we naar elkaar omkijken, maar ook om sterkeorganisaties met deskundige professionals. Het vraagt beleid op zowellandelijk als lokaal niveau en multidisciplinaire samenwerking tussenonder meer zorg-, politie en justitieorganisaties. Dit is een complexeopgave. Mede vanwege deze complexiteit is het noodzakelijk om in teblijven zetten op het verbeteren van de aanpak. Dit doet het kabinet danook, samen met gemeenten, betrokken organisaties, professionals,ervaringsdeskundigen en nabestaanden van geweldsslachtoffers.De bevindingen uit de prevalentiemonitor dragen bij aan het in beeldbrengen van de omvang van dit probleem en voor beleidsontwikkeling dienodig is om huiselijk geweld en seksueel grensoverschrijdend gedragtegen te gaan.In het plan van aanpak «Stop femicide!» dat op 7 juni jl. (Kamerstuk28 345, nr. 278) naar uw Kamer is gestuurd, staat beschreven welkeactiviteiten in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling metprioriteit door het kabinet worden uitgevoerd, waaronder deskundigheids-bevordering en het verbeteren van veiligheids- en risicotaxatie. Hiervoorkunnen de bevindingen uit deze monitor goed worden benut. Daarnaastwordt gewerkt aan o.a. de implementatie van de EU-Richtlijn inzake hetbestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, eenwetsvoorstel voor de aparte strafbaarstelling van psychisch geweld en deverdere verbetering van de samenwerking tussen Veilig Thuis, politie enjustitieorganisaties (Veiligheid Voorop). Naar aanleiding van het commis-siedebat en het tweeminutendebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwenop 16 (Kamerstuk 34 843, nr. 115) en respectievelijk 23 oktober jl. heeft deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid toegezegd dat uw Kamer voorde zomer van 2025 nader wordt geïnformeerd over de voortgang.Ook voor de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueelgeweld vanuit het Nationaal Actieprogramma geeft en bevestigt hetonderzoek belangrijke inzichten. Zoals dat bij seksueel grensover-schrijdend gedrag het overgrote deel van de plegers niet uit huiselijk kringkomt, maar plaatsvindt door vooral kennissen van uitgaan/feestjes,collega’s en dates. In 2025 wordt vanuit het Nationaal Actieprogrammadan ook onderzocht op welke manier met verschillende sectoren (zoals dehoreca en het uitgaansleven) kan worden samengewerkt om de bewust-wording over seksueel grensoverschrijdend gedrag te vergroten en tegente gaan en voorkomen. Verder wordt via het programma Veilige Stedeningezet op het veiliger maken van de openbare ruimten en uitgaansgele-genheden voor meisjes en vrouwen. En vanuit het programma Regen-boogsteden, zetten steden zich in voor de veiligheid van LHBTIQ+personen. De monitor toont aan dat biseksuele vrouwen vaker te makenkrijgen met seksuele grensoverschrijding dan lesbische en heteroseksuelevrouwen. Om te weten hoe het komt dat biseksuele personen vaker temaken krijgen met seksuele grensoverschrijding, hoe hun seksueleoriëntatie daar een rol in speelt en wat de behoeften van slachtoffers zijnbij preventie en hulpverlening, doet Rutgers in samenwerking met Bi+Nederland hier momenteel onderzoek naar. De eerste resultaten wordenin het eerste kwartaal van 2025 verwacht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 28210 Verder laat de prevalentiemonitor ook zien dat slachtoffers van zowelhuiselijk geweld als seksueel grensoverschrijdend gedrag vooral mensenuit hun naaste omgeving in vertrouwen nemen, als zij delen wat hen isoverkomen. Het is belangrijk dat mensen weten hoe ze naar het slacht-offer kunnen reageren. Eén van de actielijnen van het Nationaal Actiepro-gramma is gericht op de rol van omstanders. We willen ervoor zorgen datomstanders seksueel grensoverschrijdend gedrag herkennen en wetenhoe zij kunnen ingrijpen of reageren. Als het gaat om passend reagerenop een ervaringsverhaal van een slachtoffer, wordt op dit momentverkend wat er nodig is om mensen hierbij te ondersteunen. Ook starttedit jaar vanuit de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling eencampagne gericht om omstanders van huiselijk geweld en kindermishan-deling. Doel van de campagne was om mensen ertoe te bewegen om aaneen vermoedelijk slachtoffer te vragen hoe het gaat. En zo een openingvoor een gesprek te bieden.d. Proefschrift «Werken als oplossing?» De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft n.a.v.de procedurevergadering van 17 januari 2024 schriftelijk verzocht12 om tekomen met een reactie op het proefschrift van Suzanne Bouma «Werk alsoplossing? Narratieven over de waarde van werk ter preventie van enherstel na partnergeweld» en tevens te beantwoorden of de bevindingenuit dit proefschrift gevolgen hebben voor het huidige beleid omtrentpartnergeweld.Bevindingen proefschriftIn haar proefschrift gaat Suzanne Bouma in op de waarde van werk invoorkomen van en herstellen van partnergeweld. Hiervoor heeft ze deperspectieven van beleidsmakers en vrouwen bestudeerd. Vanuit hetperspectief van beleidsmakers (tot 2018) komen de verschillendeperspectieven naar voren. Zoals het perspectief op: participatie (door tewerken doe en tel je mee), ontwikkeling (via werk kan je persoonlijk talentontwikkelen en daarmee ontwikkel je de samenleving), zelfstandigheid(gunstig voor onafhankelijkheid) en weerbaarheid (door te werken heb jemeer keuzes, zelfstandiger en daarmee weerbaarder). Vanuit hetperspectief van vrouwen komt naar voren dat werk niet als preventie vanpartnergeweld kan en mag worden beschouwd. Partnergeweld kaniedereen overkomen; werk of geen werk. Betaald werken kan helpen ompartner te verlaten, maar dat betekent niet dat het geweld dan ook stopt.Ook kan werken juist ook een risico zijn: een trigger voor de partner omgeweld te starten. Voor vrouwen gaat de waarde van betaald werk overbehoud van identiteit, gevoel van normaal leven, werk als veilige havenen plek waar signalering kan plaatsvinden. Ook wordt door vrouwenanders gekeken naar de rol van economische zelfstandigheid. Want hetkan zijn dat een gewelddadige partner het geld beheert. Voor vrouwen iseconomisch zelfstandig dus eerder de toegang tot middelen en nietgekoppeld aan betaald werk.Voor het herstel na partnergeweld spelen andere belangrijke factoren. Zobiedt betaald werk voldoening, zorgt het voor dagritme en socialecontacten. Maar dit zijn factoren die niet gekoppeld zijn aan betaald werk,maar aan werk an sich. Een ander belangrijk aspect is het hebben vanruimte voor terugval. Het gevoel van meetellen hangt wel samen metbetaald werk. Betaald werk wordt daarmee ook gezien als een soortlaatste stadium in herstel; dan doe je weer helemaal mee. Waar te vroeggaan werken juist een risico is in het herstelproces.122024Z00450Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 28211 Reactie op proefschriftOp basis van het proefschrift vond met beleidsmedewerkers van deMinisteries van VWS, JenV, OCW en SZW een verdiepend gesprek plaats.De conclusies van het proefschrift laten zien dat er een complexe relatie istussen werk en beschermende factoren. Daarnaast is er nog weinigbekend over de waarde van werk in herstelproces na het geweld. Het isdaarom belangrijk een duidelijk onderscheid te maken tussen de waardevan werk bij het voorkomen van geweld en bij het herstellen na geweld.Er zijn vanuit de overheid al een aantal trajecten gericht op het onder-steunen van slachtoffers van partnergeweld. Het krijgen van betaald werkmaakt daar ook deel van uit. Dit proefschrift laat zien dat het te allen tijdenodig is goed te kijken naar waar in het herstelproces het slachtoffer zichbevindt en vooral oog te houden voor maatwerk. Vanuit alle verschillendebeleidsdirecties zijn de conclusies en aanbevelingen vanuit het proef-schrift omarmd en zullen deze ook worden meegenomen in de toekom-stige beleidsvorming.e. Een reactie op de door gemeenteraad van Groningen aange-nomen motie «Stop huiselijk geweld» De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, devoormalig Staatssecretaris van VWS en Minister voor Rechtsbescherming,op 20 december 2023 verzocht om met een reactie te komen op de doorde gemeenteraad van Groningen aangenomen motie «Stop huiselijkgeweld»13.Wij herkennen de signalen die de gemeenteraad van Groningen schetst inde motie. Ook delen wij de zorgen rondom het stoppen van huiselijkgeweld. Huiselijk geweld is onacceptabel en heeft een grote impact op hetslachtoffer en betrokkenen, maar ook een maatschappelijke impact. Het isdaarom essentieel om aandacht te hebben voor de aanpak van dit gewelden deze aanpak te blijven verbeteren. Het voorkomen, stoppen enoplossen van huiselijk geweld vraagt integrale samenwerking van zowelveldpartijen als overheid. De aanpak huiselijk geweld en kindermishan-deling kent verschillende programma’s, netwerken en initiatieven die dezesamenhang bewerkstelligen en elkaar vinden over domein- en organisa-tiegrenzen heen.Binnen het huidige decentrale stelsel geldt dat gemeenten primairverantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de aanpak huiselijk geweld.In de Wmo 2015 is vastgelegd dat gemeenten de (beleids)vrijheid hebbenom naar eigen inzicht middelen te verdelen en in te zetten. In de situatiewaarbij de plicht van de gemeenten wordt vergroot, door middel van eentaakverzwaring, neemt het Rijk de verantwoordelijkheid om dit financieelte ondersteunen. We begrijpen de roep vanuit de gemeente Groningenom meer financiële middelen voor de aanpak van huiselijk geweld enkindermishandeling, maar zolang het de reguliere inzet betreft, is het aande gemeente zelf om daar binnen de beschikbare middelen keuzes in temaken.f. Een reactie op vragen over de opvang van slachtoffers mensen-handel In het Commissiedebat Mensenhandel en prostitutie van 11 september jl.(Kamerstuk 28 638, nr. 253) zijn vragen gesteld over de financiering van deopvang voor slachtoffers van mensenhandel en de gevolgen van devoorgenomen wijzigingen van de specifieke uitkering per 2026. Hieronder132023D51670Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 28212 geef ik, Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, antwoordop deze vragen.Er bestaan verschillende vormen van opvang voor slachtoffers vanmensenhandel. Gemeenten zijn, op grond van de Wmo2015, primairverantwoordelijk voor de opvang van slachtoffers met rechtmatig verblijf.De opvang voor slachtoffers van mensenhandel met multi-problematiek(OMM) valt ook onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Op ditmoment verloopt de financiering van de OMM via een specifieke uitkering(SPUK). Deze SPUK wordt uitgekeerd aan de zes centrumgemeenten diede OMM faciliteren. In het Regeerprogramma staat dat de SPUK’s per2026 worden overgeheveld naar het Gemeentefonds met een korting van10 procent.14 Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de uitvoeringvan deze afspraak.Voor de reguliere gemeentelijke opvang voor slachtoffers van mensen-handel kunnen gemeenten middelen uit de Decentralisatie UitkeringVrouwenopvang (DUVO) en de Algemene Uitkering gebruiken. Zij hebbende ruimte om opvang in te kopen op de manier waarop zij dat juist achtenen met de middelen die zij ervoor willen inzetten. Voor slachtoffers zonderrechtmatig verblijf in Nederland is de Categorale Opvang SlachtoffersMensenhandel (COSM) beschikbaar. De Ministeries van VWS, Justitie enVeiligheid (JenV) en Asiel en Migratie (AenM) stellen hiervoor directmiddelen beschikbaar. De bekostiging van de reguliere gemeentelijkeopvang via de DUVO wordt niet beïnvloed door de geplande 10 procentkorting op de SPUK’s. Datzelfde geldt voor de bekostiging van de COSM.De verbetering van het gehele opvanglandschap voor slachtoffers vanmensenhandel en het aanpakken van knelpunten daarbinnen krijgt vanuithet Actieplan Samen tegen mensenhandel15 prioriteit. Passende finan-ciering is onderdeel van dit traject. Samen met de VNG en CoMenshawerken we aan het structureel verbeteren van het opvanglandschap enhet (beter) in staat stellen van gemeenten om hun rol in het organiserenvan opvang te vervullen. Een onderzoek naar het huidige opvangland-schap is inmiddels gestart. Hiermee wordt de verhouding tussen vraag enaanbod beter in beeld gebracht en ontstaat een landelijk beeld van hetopvanglandschap dat momenteel nog ontbreekt. Dit onderzoek zal naarverwachting begin Q2 van 2025 worden opgeleverd. In 2025 start tevenseen traject gericht op het ontwikkelen van scenario’s voor een verbeterdeinrichting van het gehele opvanglandschap. Gemeenten en aanbiedersvan opvang worden hier nauw bij betrokken. De inzichten en adviezen uitdeze trajecten leiden tot voorstellen voor aanpassingen om tot eenpassend aanbod van opvang voor alle slachtoffers van mensenhandel tekomen.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerDe Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,T.H.D. Struycken14Regeerprogramma 2024 (p.90): Om de autonomie van gemeenten te vergroten enadministratieve- en controlelasten te verminderen, moeten specifieke uitkeringen in 2026 zijnomgezet in fondsuitkeringen. Het voortzetten van bestaande specifieke uitkeringen of hettoekennen van nieuwe specifieke uitkeringen, is slechts mogelijk op basis van eenkabinetsbesluit.15Kamerstuk 28 638, nr. 251Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 345, nr. 28213
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.