KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgang van de herziening van de mbo bekostiging: inventarisatie van de mogelijkheden door PwC en het eerste advies van de commissie herziening bekostiging mbo

10 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 826e6f49b97c5472 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 674 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 juli 2025Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is essentieel voor onze samen-leving. Het biedt jongeren en volwassenen de kans zich te ontwikkelen totde vakmensen van de toekomst. Het mbo heeft een belangrijke rol bij hetaanpakken van de grote maatschappelijke uitdagingen waar Nederlandvoor staat, zoals het opleiden van meer talent voor de zorg, veiligheid,woningbouw en de klimaattransitie en het versterken van de duurzamebestaanszekerheid van jongeren.1 Ook speelt het mbo een grote rol bij hetvergroten van onze brede welvaart en de vitaliteit van regio’s.Het mbo staat echter onder toenemende druk. Door demografischeontwikkelingen daalt het aantal studenten al enkele jaren, en deze krimpzet de komende decennia naar verwachting door.2 De daling kan incombinatie met de huidige manier van financieren – op basis vanstudentenaantallen – grote gevolgen hebben voor de toegankelijkheid,organiseerbaarheid en kwaliteit van het mbo. Dat geldt in het bijzonder inregio’s met forse krimp. Daar kunnen de reistijden voor studententoenemen en bestaat het risico op het verdwijnen van cruciale oplei-dingen voor de leefbaarheid en sociaaleconomische ontwikkeling.Daarmee dreigt verschaling van het maatschappelijke voorzieningen-niveau.Daarom wil ik, zoals toegelicht in mijn beleidsbrief, het stelsel van hetvervolgonderwijs weerbaarder en wendbaarder maken.3Voor het mbowerk ik daartoe – naast de uitvoering van de Werkagenda mbo – aan driesamenhangende trajecten: (1) het herzien van de bekostiging, (2) het pact1De aanleiding voor de herziening van de bekostiging heb ik in de volgende stukken uitge-breider aan uw Kamer toegelicht: Kamerstukken II, 2023/24, 31 524, nr. 619 en Kamerstukken II,2024/25, 31 288, nr. 1185. In bijlage 3 wordt deze aanleiding nader toegelicht.2Referentieraming OCW 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl3Kamerstukken II, 2024/25, 31 288, nr. 1185 kst-31524-674ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6741 «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst»4 en (3) het verkennenvan de wettelijke opdracht voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO)5.In deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van de herzieningvan de bekostiging. Ik licht de tussenstap toe die is gezet. Ik wil uw Kamermeenemen in de wijze waarop ik de herziening vorm geef. Bij deze briefontvangt u de inventarisatie die PwC heeft uitgevoerd. Ook deel ik heteerste advies van de Commissie herziening bekostiging mbo, met daarineen reflectie op de mogelijkheden voor een toekomstbestendigembo-bekostiging. In bijlage drie vinden de leden meer context en detechnische beschrijving van de drie pakketten aan mogelijke bekostigings-onderdelen die ik heb samengesteld om de komende maandenverdiepend uit te werken en door te rekenen.Ik hecht eraan om, in nauwe samenspraak met uw Kamer, voortgang teblijven maken. Het herzien van de bekostiging is namelijk een belangrijkerandvoorwaarde om in Nederland toegankelijk en kwalitatief hoogwaardigmbo te blijven bieden. Zonder aanpassing van de bekostiging zal het mbo,met name in de krimpregio’s, de komende jaren verder onder druk komente staan. Ik streef ernaar om uw Kamer rond de aanstaande jaarwisselingte informeren over de uitwerkingen van de pakketten. Ik deel dan ook mijnvoorkeursoptie en het tweede advies van de commissie, zodat uw Kamer– indien gewenst – het debat hierover kan voeren.Van concurrentie en volatiliteit naar samenwerking en stabiliteitHet weerbaarder maken van het vervolgonderwijs geef ik vorm door meerstabiliteit te bieden en samenwerking te stimuleren in plaats vanconcurrentie. Vanuit deze uitgangspunten streef ik ernaar dat het mbovoor alle studenten in Nederland toegankelijk blijft, met een kwalitatiefhoogwaardig en divers aanbod van opleidingen binnen een redelijkereistijd. Daarnaast is het van belang dat publieke middelen doelmatigworden ingezet. Doelmatig betekent in mijn ogen dat met de efficiënteinzet van de beschikbare overheidsmiddelen zoveel mogelijk maatschap-pelijk effect wordt bereikt. Ook wil ik dat het onderwijs goed aansluit opde leer-, ontwikkel- en begeleidingsbehoeften van verschillende groepenstudenten, waaronder volwassenen. Tot slot moet het onderwijsaanbodnog beter inspelen op de arbeidsmarktvraag, met specifieke aandachtvoor strategische tekortsectoren en opleidingen die bijdragen aanmaatschappelijke opgaven.Voor deze doelen ervaar ik breed draagvlak vanuit de mbo-sector, zoalsvan vertegenwoordigers van mbo-instellingen, docenten, studenten enhet bedrijfsleven. Ik ga verder met het zoveel mogelijk parallel uitwerkenvan het herzien van de bekostiging, het verkennen van de wettelijkeopdracht voor LLO en het pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van detoekomst» dat ik wil sluiten met werkgevers en onderwijsinstellingen. Datmaakt het mogelijk om rond de jaarwisseling integraal afgewogen keuzeste maken. Ik houd oog voor het meest passende instrumentarium per doelen ik betrek uw Kamer nadrukkelijk bij tussenstappen.Naast de inhoudelijke doelen voor het mbo hecht ik voor de herzieningvan de bekostiging aan een aantal meer technische ontwerpeisen. Bij mijnafwegingen wil ik in het bijzonder aandacht hebben voor het bouwen vaneen uitvoerbaar, eenvoudig en voorspelbaar model. Ik wil de stabiliteitvan de bekostiging vergroten en parameters hanteren die zo veel mogelijkobjectief vast te stellen zijn. Om die reden sluit ik elementen uit die de4Kamerstukken II, 2024/25, 31 524, nr. 6555In mijn beleidsbrief van 14 maart jl. heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van dezeverkenning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6742 complexiteit van het stelsel onnodig verhogen en een verhoogd risico opstrategisch gedrag met zich mee brengen. Ook kies ik ervoor dat desystematiek primair een lumpsummodel blijft, waarbij onderwijs-instellingen bestedingsvrijheid hebben. Daarbij wil ik de mogelijkheidbehouden om als rijksoverheid gericht met geld te kunnen sturen oplandelijke of sectorbrede ambities. De keuze voor een bekostiging dievoornamelijk als lumpsum wordt uitgekeerd, past in mijn ogen goed bijde inrichting van het Nederlandse onderwijsstelsel. Het staat uiteraardniet gelijk aan onbeperkte bestedingsvrijheid. Ik zie toe op transparante endoelmatige besteding van middelen, waarbij de mbo-sector de verant-woordelijkheid heeft tot het verkrijgen van inzicht in het eigen functio-neren en het gezamenlijk leren als sector.De herziening wordt budgetneutraal vormgegeven. Ik wil dat debeschikbare middelen beter ingezet worden om de geschetste doelen terealiseren. Een nieuwe systematiek zal daardoor leiden tot herverdeelef-fecten, die door de onderwijsinstellingen geabsorbeerd moeten kunnenworden. Daarnaast wil ik waar passend en mogelijk eenheid met debekostigingsmodellen van andere onderwijssectoren, zoals het hbo en wonastreven. Ten slotte zie ik het huidige bekostigingsmodel alsuitgangspunt. Mijn focus ligt op het verbeteren van de bekostiging zonderonnodige verstoring van goed functionerende onderdelen. Het huidigemodel kent sterke elementen die ik wil behouden. De differentiatie vanbekostiging naar opleidingssoort (entree, mbo 2 of mbo 3 & 4) doetbijvoorbeeld recht aan de uiteenlopende behoeften van verschillendegroepen studenten.De inhoudelijke doelen en de ontwerpeisen vormen gezamenlijk decriteria waaraan een nieuwe bekostigingssystematiek moet voldoen. Daarwaar spanningen bestaan tussen deze eisen en doelen, kijk ik door de brilvan het stimuleren van het gedrag bij mbo-instellingen. Dit moet leidentot het verbeteren van één of een combinatie van deze doelen. Ik hebextra aandacht voor de toegankelijkheid van het stelsel. De nieuwe maniervan financieren dient een structurele oplossing te bieden voor de regio’swaar de problematiek van de dalende studentenaantallen het grootst is.Betrokkenheid van de mbo-sector en van onafhankelijkespecialistenIk hecht eraan om de herziening van de bekostiging zorgvuldig vorm tegeven. Ik benut de deskundigheid van de mbo-sector en van onafhanke-lijke specialisten. Om zicht te krijgen op wat goed aansluit bij de praktijken de behoeften in het veld, heb ik gesprekken gevoerd over de huidigesystematiek en mogelijke alternatieven. Bijvoorbeeld met vertegenwoor-digers van mbo-instellingen, studenten, docenten, het bedrijfsleven,gemeenten en de uitvoering. Dat blijf ik ook in de komende maandendoen. Ik houd zo oog voor de belangen van mbo-instellingen en anderestakeholders in de sector.Daarnaast heb ik PwC gevraagd een inventarisatie uit te voeren vanmogelijkheden voor de bekostiging en een onafhankelijke commissieingesteld om mij te adviseren over de herziening van de bekostigingssys-tematiek.6 De Commissie herziening bekostiging mbo staat ondervoorzitterschap van dhr. Vendrik.6Stcrt. 2025, 11304Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6743 Brede inventarisatie PwC: de mogelijkheden in beeldPwC is gevraagd de mogelijkheden voor een nieuwe bekostiging in devolle breedte in kaart te brengen.7 Daarvoor is onder andere gekeken naarde bekostigingssystematiek van andere onderwijssectoren en van anderesectoren zoals de zorg. Ook heeft PwC zelf een aantal onconventioneleopties toegevoegd, waarmee als het ware een «menukaart» is samenge-steld met verschillende elementen waaruit de bekostiging kan wordenopgebouwd. Het overzicht van PwC biedt in mijn ogen een goedeanalytische basis en helpt bij het taxeren van de mogelijkheden.Advies van de Commissie herziening bekostiging mboDe Commissie herziening bekostiging mbo heeft mij daarna hierover eenwaardevol advies gegeven.8 De commissie onderschrijft het belang vaneen toekomstbestendig bekostigingsmodel voor het mbo en zietaanleiding om het stelsel nu te herzien. De commissie constateert dat er inde mbo-sector consensus is dat er een oplossing nodig is voor de regio’swaar de problematiek van de dalende studentenaantallen het grootst is. Iklicht een aantal punten van de commissie verder uit.Terughoudendheid geadviseerd bij koppeling tussen financiering enprestatiesDe commissie onderschrijft de noodzaak om keuzes te maken in hetopleidingsaanbod. De commissie benoemt dat het opnemen vanarbeidsmarktrelevantie in de bekostiging, gecombineerd met anderemaatregelen gericht op de studiekeuze van studenten, mogelijk eeneffectief signaal kan zijn. Tegelijkertijd adviseert zij om terughoudend omte gaan met het direct koppelen van financiering aan prestaties, omdat debrede maatschappelijke doelen van het mbo lastig te vangen zijn inmeetwaarden. Daarom wijst de commissie op het belang van zorgvuldigeselectie van geschikte indicatoren. Dit advies helpt mij om te bepalen welkinstrument of welke combinatie van instrumenten het meest passend isom het doel van een arbeidsmarktrelevanter onderwijsaanbod tebereiken. Naast de bekostiging zet ik ook in op andere instrumenten om tekomen tot een arbeidsmarktrelevanter opleidingsaanbod, zoals het pact«Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» en het wetsvoorstelVerbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt9.Realisme in het bereiken van doelen met sturing via de bekostigingIn het verlengde daarvan deelt de commissie dat het van belang is omrealistisch te zijn over de doelen die met sturing via de bekostigingkunnen worden bereikt. Bij het voorkomen van ongewenste concurrentie,stimuleren van samenwerking en versterken van de aansluiting tussenonderwijs en arbeidsmarkt zijn regelgeving en niet-formele en culturelefactoren zoals leiderschap, verantwoordingsbereidheid en maatschap-pelijk bewustzijn minstens zo belangrijk. Voor mij ondersteunt dit eenwerkwijze waarbij de beweging van concurrentie naar meer samen-werking op verschillende manieren bevorderd wordt: via de bekostiging,het pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» en bijvoor-beeld aanvullende wet- en regelgeving.7Zie bijlage 2 voor het rapport met inventarisatie van bekostigingsvarianten door PwC.8Zie bijlage 2 voor het volledige advies van de commissie.9Kamerstukken II, 2024/25, 36670, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6744 Gerichte geldstroom: omvang en mogelijkheden voor samenwerkingDe commissie wijst op aanknopingspunten om de gerichte geldstroom –de huidige kwaliteitsmiddelen – te benutten om samenwerking testimuleren. Ook benadrukt de commissie het belang van een juisteomvang van deze middelen. De mogelijkheid om (een deel van) hetbudget niet toe te kennen moet een reële optie zijn, aldus de commissie.Ik deel deze reflecties. Op dit moment is de omvang van de kwaliteitsmid-delen een substantieel aandeel van de totale bekostiging die instellingenontvangen. Het niet toekennen van deze middelen heeft daardoor grotefinanciële gevolgen. Tegelijkertijd hecht ik aan de mogelijkheid om meteen gerichte financieringsstroom te kunnen sturen op specifieke doelstel-lingen. In de midtermreview van de Werkagenda mbo ga ik uitgebreider inop de voortgang en werking van de huidige kwaliteitsafspraken. UwKamer ontvangt deze midtermreview dit najaar.Risico’s voor de kwaliteit van het onderwijs: het macrokader en 2028De commissie wijst op de samenhang tussen de hieronder toegelichtedrie verdelingsniveaus die de financiering van het mbo kent. Zij consta-teert dat in de eerste stap het macrobudget wordt vastgesteld op basisvan afspraken tussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). In de tweede stap verdeeltOCW dit budget over de mbo-instellingen. In de derde stap verdeelt hetbevoegd gezag het budget binnen de instelling.De commissie geeft aan dat er een risico op kwaliteitsverlies is in het mboals de totale kosten, die de sector moet maken niet evenredig mee dalenmet het aantal studenten. De commissie adviseert het kabinet om teoverwegen het macrobudget aan te passen indien het risico op kwaliteits-verlies als onwenselijk wordt beschouwd. In dat licht ga ik met de Ministervan Financiën in gesprek.Verder onderstreept de commissie het belang van een oplossing voor hetjaar 2028. Dan vervalt namelijk de tijdelijke Regeling aanvullendemiddelen studentendaling mbo 2025–2027, terwijl de ingang van deherziene bekostiging is voorzien in 2029. Om te voorkomen dat kwetsbareinstellingen in krimpregio’s in 2028 worden geconfronteerd met eenabrupte daling van inkomsten, acht de commissie het wenselijk om ookvoor dat jaar een passende oplossing te vinden. Dat is nodig om decontinuïteit en kwaliteit van het onderwijs te borgen. Deze maatregel zalworden meegewogen in de budgettaire besluitvorming in het voorjaar2026.Concrete aanbevelingen voor de uitwerkingTot slot geeft de commissie concrete aanbevelingen voor de uitwerkingvan de herziening. De commissie adviseert de verschillende mogelijkebekostigingselementen zowel in samenhang als geïsoleerd te analyseren.Dat neem ik ter harte. Ook het tweede advies van de commissie omonderscheid aan te brengen tussen regulier onderhoud (denk daarbijbijvoorbeeld aan periodieke herijking van de prijsfactoren) en beleids-matige wijzigingen in de bekostiging onderschrijf ik.Daarnaast wijst de commissie op het belang van een passende verant-woording en goede beleidsinformatie over de uitkomsten van hetonderwijs. Ik houd oog voor de mogelijkheden voor een passendesystematiek. Goede verantwoording en beleidsinformatie zijn essentieelvoor bijvoorbeeld het democratische proces in uw Kamer en de medezeg-genschap op instellingen. De afgelopen jaren zijn hierin zoals decommissie aangeeft goede stappen gezet en ik bouw daar met dezeherziening graag op voort.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6745 Vervolg: verdiepende analyses van drie pakkettenOp basis van de inhoudelijke doelen en ontwerpeisen, de inventarisatievan PwC, de gesprekken met de mbo-sector en het advies van decommissie heb ik drie pakketten van meerdere technische bekostigings-elementen geselecteerd om de komende maanden verder uit te werken endoor te rekenen.•Pakket 1 is gericht op vereenvoudiging van het model en maatwerkvoor krimp.•Pakket 2 is gericht op het verbeteren van toegankelijkheid en samen-werking.•Pakket 3 is gericht op het bevorderen van arbeidsmarktrelevantie enprestaties.Ik kies in deze fase bewust voor het analyseren en uitwerken van zeeruiteenlopende invalshoeken. Daardoor komen de voor- en nadelen van deonderdelen van deze pakketten scherp in beeld. Dat biedt gelegenheid omde uiteindelijke voorkeursoptie gebalanceerd samen te stellen, met demogelijkheid tot het verstandig combineren van onderdelen van deverschillende pakketten. De technische beschrijving van de pakketten isopgenomen in bijlage drie. Bekostigingselementen die in te beperkte matebijdragen aan het behalen van inhoudelijke doelen en de complexiteit enonvoorspelbaarheid vergroten, zijn in deze fase reeds afgevallen.De Commissie herziening bekostiging mbo kan de keuze voor dezepakketten op hoofdlijnen goed volgen. Dit ondersteunt mij in mijn keuzeover de vervolgstappen. De aanbevelingen van de commissie die toezienop de selectie van de bekostigingselementen heb ik overgenomen in dedefinitieve samenstelling van de drie bekostigingspakketten.De komende periode worden deze pakketten door PwC verder uitgewerkt.PwC betrekt de mbo-sector bij het analyseren hiervan, om zo bijvoorbeeldmogelijke gedragseffecten in beeld te krijgen. Bij de analyses worden ookfinanciële doorrekeningen gemaakt om de herverdelingseffecteninzichtelijk te maken.Keuze voor voorkeursoptieOp basis van de analyses en gesprekken met alle belanghebbendenselecteer ik een voorkeursoptie, die kan bestaan uit een combinatie vanelementen uit de drie pakketten. Deze voorlopige keuze wordt voorgelegdaan de Commissie herziening bekostiging mbo, met het verzoek om eenkritische beoordeling te doen. De commissie beoordeelt onder meer hetdoorlopen proces, de inhoudelijke juistheid en de consistentie van deonderbouwing. Ook beziet de commissie de verwachte impact van devoorkeursoptie voor de mbo-sector en adviseert over eventueleverbetermogelijkheden.Tot slotHet aanpassen van de bekostiging van het mbo is cruciaal om ervoor tezorgen dat studenten in heel Nederland toegankelijk, kwalitatiefhoogwaardig en divers mbo-onderwijs kunnen blijven volgen. Dezeaanpassing vergt een wetswijziging. Om een structurele oplossing tebieden voor het behoud van een toegankelijk mbo in de regio is het vanbelang om begin 2026 te starten met het wetgevingstraject. De beoogdeinwerkingtreding van de nieuwe bekostiging ligt daarmee in 2029. Ik streefer daarom naar om uw Kamer rond de jaarwisseling 2025–2026 teinformeren over de verdiepende analyses, de voorkeursoptie en hettweede advies van de commissie. Indien gewenst kunnen nadere detailsin een technische briefing worden toegelicht. Ik ga vervolgens graag metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6746 uw Kamer in debat, zodat de Kamer zich uit kan spreken over een maniervan financieren die mbo-instellingen in staat stelt om vormend beroeps-onderwijs te bieden voor de vakmensen van morgen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. BruinsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 524, nr. 6747

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.