Voortgang Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Brontekst
Versie cf024f93f521449d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 538Zorg en maatschappelijke ondersteuningNr. 378 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 juli 2026Het kabinet werkt aan een samenleving waar iedereen mee kan doenvanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid. Waarin inwoners zo langmogelijk in hun eigen omgeving kunnen wonen en naar elkaar omkijkenin zorgzame gemeenschappen. Het is een belangrijke opgave om datmogelijk te maken én houden en daarmee voldoende beschikbareondersteuning te bieden voor iedereen die dat nodig heeft.De Wmo 2015 is een decentrale wet waarbij gemeenten verantwoordelijkzijn voor een breed spectrum aan collectieve en individuele voorzie-ningen, gericht op het mogelijk maken van maatschappelijke participatieen wegnemen van belemmeringen daarvoor. Daarom werken Rijk engemeenten onder andere aan het versterken van de sociale basis,zorgzame buurten, het verbeteren van samenwerking en vereenvoudigenvan toegang, maatschappelijke zorg en aan de randvoorwaarden dienodig zijn voor een goed werkend Wmo-stelsel. In deze brief informeer ikuw Kamer over de huidige voortgang op deze onderdelen en deuitvoering van verschillende moties en toezeggingen. Dit betreft lopendeinitiatieven, moties en toezeggingen, mede op basis van de inzet van mijnambtsvoorgangers. Het overzicht van de verschillende moties entoezeggingen vindt u in de bijlage.We staan voor een grote opgave: door de dubbele vergrijzing enontgroening neemt de vraag naar maatschappelijke ondersteuning toeterwijl het beschikbare personeel steeds schaarser wordt. Zoals ook telezen valt in de eindrapportage van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo2015, vraagt de huidige situatie ook tot scherpe keuzes in de nabijetoekomst. Het Rijk als stelselverantwoordelijke en gemeenten als meestnabije overheid voor inwoners hebben een belangrijke rol om demaatschappelijke ondersteuning, laagdrempelig, toegankelijk, maar ookhoudbaar en organiseerbaar te houden voor iedereen die dat nodig heeft. kst-29538-378ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3781 Het coalitieakkoord geeft hier met maatregelen ten aanzien van de Wmo2015 al een eerste invulling aan. Over de invulling van deze maatregelenben ik in gesprek met gemeenten. Ook het vervolggesprek naar aanleidingvan de eindrapportage van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 isgestart. Met deze brief informeer ik uw Kamer over mijn eerste schetsvoor de toekomst van de Wmo 2015. Op basis van het Houdbaarheidson-derzoek en de ervaring(en) van de afgelopen tien jaar, zie ik in ieder gevalvoor de lange termijn de volgende bouwstenen om de Wmo 2015 en dewerking van deze wet in de praktijk te versterken. Uiteraard doe ik dit ingoed contact en overleg met gemeenten en de partners in het werkveld.Bouwstenen voor een houdbare Wmo 2015Sterke sociale basis en collectief aanbod van ondersteuning: Veelproblemen die mensen ervaren zijn duurzamer op te lossen, of zelfs tevoorkomen, in de directe omgeving van mensen zelf. Want niet alles is opte lossen met (extra) individuele voorzieningen. Daarom wordt in alledomeinen, zowel in zorg als sociaal, ingezet op een sterke beweging naarde voorkant. In de Wmo 2015 wil ik onder andere verder werken aan deverankering van de sociale basisinfrastructuur, een beweging die al isingezet vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord.Het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 laat zien dat de mate waaringemeenten de sociale basis stimuleren ook zeer afhankelijk is van de drukdie individuele gemeenten ervaren op het maatwerkvoorzieningenniveau.Daarom wil ik, in lijn met de aanbevelingen uit het Houdbaarheidson-derzoek, de mogelijkheden voor een beter passende manier van finan-cieren verder onderzoeken om daarmee de inrichting van de sociale basiste stimuleren en daarmee de beweging naar de voorkant verder teversterken. De maatregelen ten aanzien van maatwerkvoorzieningen enhet versterken van het voorzieningenkarakter moeten hier ook eenbijdrage aan leveren.Sterke en goed uitgeruste lokale teams (met harmonisering binnen sociaaldomein): Lokale teams vervullen een belangrijke functie in de Wmo 2015:bij lokale teams kunnen mensen samenhangend advies inwinnen ofondersteuning krijgen. De precieze aanpak van lokale teams kan echterverschillen per gemeente, wat kan leiden tot onduidelijkheid bij inwoners.Rijk en gemeenten spannen zich daarom in om lokale teams een meersamenhangende opdracht te geven, inclusief een bijpassend instrumen-tarium, hulpmiddelen en handelingsperspectief voor deze teams om hunwerk te kunnen uitvoeren. Hiervoor wordt ook wet- en regelgeving ingezeten werken we aan een convenant dat eind 2026 vastgesteld kan worden.Dit betekent wat mij betreft géén volledige harmonisatie binnen dedecentrale wetten in het sociaal domein (Wmo 2015, Participatiewet enJeugdwet), maar wel een betere samenhang, het wegnemen vaneventuele tegenstrijdigheden en drempels waardoor professionals in staatworden gesteld om inwoners beter te helpen als zij meerdere problemenin het leven tegenkomen die meerdere levensdomeinen raken. We blijvenhierbij rekening houden met het decentrale stelsel zoals dat is vormge-geven met ruimte voor de lokale context, omstandigheden en voorkeuren.Toegang tot maatwerk met functionelecriteria, flexibiliteit en hetversterken van het voorzieningenkarakter van de Wmo 2015: Wie tijdelijkondersteuning nodig heeft, komt in aanmerking voor tijdelijk maatwerkmet daarbij aandacht voor het aanleren van vaardigheden om weerzelfstandig te worden (reablement). Wie duurzaam aangewezen is opondersteuning krijgt structureel maatwerk: zonder regelmatige herindi-catie, met ruimte om intensiteit op en af te schalen. De beschikkingsduurpast bij wat mensen nodig hebben en is langdurig waar nodig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3782 Ook is er mogelijkheid voor waakvlamondersteuning, waarbij zorg enondersteuning snel kan worden geactiveerd als dat nodig is. Tegelijkertijdmoeten overheden op sommige onderdelen meer normerend kunnen zijnin wat verwacht wordt van mensen zelf. Dit schept namelijk duidelijkheidaan de voorkant, voor de inwoner, partners in veld en de overheden zelf.Bovendien is dit nodig omdat schaarste in capaciteit, uitvoeringskracht enop de arbeidsmarkt blijft groeien. Samen met gemeenten wil ik dit verderuitwerken en concreet maken in de uitvoering en waar nodig ook in wet-en regelgeving.Het belang van de regio en het bundelen van krachten: «De regio» wordteen steeds belangrijkere schaal om jeugdhulp en ondersteuning teorganiseren. Niet alleen vanwege schaalbaarheid en schaarste vanvoorzieningen en/of expertise. Maar ook omdat de regio passender is omde samenwerking met andere domeinen vorm te geven (bijvoorbeeld inhet kader van de zorgakkoorden). Ook in de Wmo 2015 zijn er regionalesamenwerkingsverbanden ontstaan in de afgelopen tien jaar. Zeker tenaanzien van voorzieningen zoals Maatschappelijke Opvang/BeschermdWonen en Geweld in afhankelijkheidsrelaties-gerelateerde voorzieningenis «de regio» belangrijk. Echter «de regio» is geen eenduidig begrip. Zobestaan er verschillende regio’s die elk op hun eigen manier wordenaangestuurd. Dit vraagt om aandacht en mogelijk ook een verduidelijkingin de verantwoordelijkheden.Deze ontwikkeling komt met de nodige vraagstukken ten aanzien vanregionale slagkracht en democratische legitimiteit. Dit is een breedvraagstuk dat niet alleen speelt binnen de jeugdzorg en maatschappelijkeondersteuning. De Minister van BZK heeft daarom toegezegd eind 2026met een Rijksbrede visie op de regio en regionale samenwerking tekomen. Ik draag bij aan de totstandkoming van deze visie.Randvoorwaarden voor een werkend stelsel: Mensen in een kwetsbarepositie moeten ook in de toekomst toegang hebben tot gemeentelijkeondersteuning vanuit de Wmo 2015. Om deze toegang te garanderen iseen grotere nadruk op het voorzieningenkarakter en een solidaireverdeling van schaarste van belang. Een inkomens- en vermogensafhan-kelijke eigen bijdrage is hier één van de randvoorwaarden voor. Eenandere randvoorwaarde is het organiseren van een toekomstbestendigeuitvoeringspraktijk. Daarvoor is steun vanuit wettelijke kaders soms ooknodig. Ik wil mij – samen met gemeenten – tot doel stellen om decontouren van eventuele wet- en regelgeving die nodig is voor boven-staande bouwstenen uiterlijk aan het einde van deze kabinetsperiodegereed te hebben. De komende periode ga ik uitgebreid met gemeentenen de VNG in gesprek om deze kaders nader vorm te geven. Uiteraard metoog voor een goede uitvoerbaarheid voor gemeenten en andere (uitvoe-rende) partijen.Tot slotOm ondersteuning toegankelijk te houden voor iedereen die dat nodigheeft, is het organiseren van een toekomstbestendige Wmo 2015 vanonverminderd, groot, belang. Ik ga daarom de komende periode samenmet de gemeenten en veldpartijen aan de slag met het uitwerken vanbovenstaande bouwstenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3783 Dit doe ik in verschillende trajecten, met verschillende snelhedenbeginnend bij de randvoorwaarden voor een werkend stelsel. Voor heteinde van dit jaar zal ik de voortgang hiervan delen met uw Kamer.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. SterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3784 1. Sterke sociale basis en zorgzame buurten 1.1 Welzijnswerk en zorgzame buurten Door gemeenten, maatschappelijke partners en inwoners wordt gewerktaan een stevige sociale basis. Om de beweging van zorg naar gezondheiden welzijn te ondersteunen is een basisinfrastructuur in wijken en buurtennog crucialer geworden. Het versterken van basisvoorzieningen is daaromonderdeel van afspraak D6 van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.Daarin is afgesproken dat er basisvoorzieningen in wijken en buurten ophet gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg beschikbaarzijn. Voor het onderdeel inloopvoorzieningen sociaal en gezond (inclusiefde daaraan verbonden inzet van professionals, ondersteuning vanburgerinitiatieven en netwerksamenwerking) wordt door VNG, SWN,GGD-GHOR NL en VWS gewerkt aan een handreiking hierover. Naarverwachting wordt de handreiking voor de zomer opgeleverd. Debeweging waaraan deze handreiking bijdraagt is de beweging naar meervertrouwen op de lokale kracht. Centraal staan de draagkracht, draaglasten de zelf- en samenredzaamheid van dorpen, wijken of buurten. In dehandreiking wordt uitgewerkt dat gemeenten en maatschappelijkepartners, waaronder sociaal werk, als gelijkwaardige partners bijdragenaan deze beweging.Ook verstrekt het Ministerie van VWS een projectsubsidie aan SociaalWerk Nederland (SWN) met als doel om het sociaal werk te versterken.Eén van de pijlers hiervan is het ontwikkelen van een minor opbouwwerk.Opbouwwerkers zijn professionals die de leefbaarheid in wijken enbuurten kunnen helpen verbeteren. Zij kunnen bijdragen aan hetvergroten van de sociale cohesie binnen buurten. Hiermee is erkend datberoepskrachten in het sociaal werk, de publieke gezondheid en de zorgnodig zijn om de beweging naar zorgzame buurten te stutten en testeunen. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie van het lid Van Brenk,waarin wordt opgeroepen om te erkennen dat welzijnswerk vanonschatbare waarde is om zorgzame buurten tot stand te brengen(Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 153). En stel voor de motie als afgedaan tebeschouwen.1.2 Aanpak Eén tegen eenzaamheid In 2026 wordt verder gebouwd aan de aanpak Eén tegen eenzaamheid.Het kabinet wil een samenhangende aanpak van sociale problematiek omde beweging van zorg naar gezondheid en welzijn te versterken metzorgzame buurten en wijken en gemeenschapsvorming. Een samenlevingwaarin het voorkomen van ziekte en eenzaamheid voorop staat. Daaromzetten we verder in op drie doelstellingen: meer Nederlanders die naarelkaar omzien en in actie komen als zij zichzelf eenzaam voelen ofeenzaamheid bij een ander herkennen; een duurzame brede maatschap-pelijke beweging in alle sectoren; en betere toepassing van kennis overeenzaamheid in beleid en praktijk.In september zal de publiekscampagne met de boodschap «Een kleingebaar kan het verschil maken» zichtbaar zijn op tv, radio en socialemedia. Ook is extra aandacht tijdens de jaarlijkse Week tegenEenzaamheid (24 tot en met 30 september 2026) voor het meerbespreekbaar maken van eenzaamheid en het faciliteren van (beteke-nisvol) contact. De actieweek start met een netwerkconferentie op23 september voor iedereen die in beleid of praktijk met eenzaamheid temaken heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3785 De Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid ontwikkelt zich dit jaar verder toteen nog sterker netwerk van landelijke bedrijven, maatschappelijkinitiatieven en andere landelijke organisaties. Er wordt in vierwerkgroepen van de Nationale Coalitie partners samengewerkt aanpraktische resultaten voor werkgeverschap, sociale gezondheid, hetbereiken van de doelgroep en communicatie, conform het advies van deWetenschappelijke Adviescommissie1.In regionale lerende netwerken wordt door gemeenten en hun lokalepartners, uitgewisseld over de integrale aanpak van eenzaamheid enthema’s als het bereiken van sterk vereenzaamde inwoners of gerichteaanpakken voor specifieke doelgroepen. Movisie biedt gemeenten dit jaarter ondersteuning verschillende masterclasses, kennisclips en er is eenWegwijzer2 gelanceerd voor beleidsmedewerkers die nieuw zijn op hetthema. De online masterclasses worden goed gewaardeerd met rond dehonderd deelnemers per keer, de wegwijzer is ruim duizend keer bezocht.Daarnaast biedt Movisie leer-en begeleidingstrajecten voor eenzaam-heidsaanpakken, gericht op kwaliteitsverbetering en eventuele opname inde databank Erkende Sociale Interventies.1.3 Voortgang regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantro-pische instellingen Op 28 november 2024 hebben mijn ambtsvoorganger, de voormaligeStaatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en deambtsvoorganger van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, devoormalige Staatssecretaris Rechtsbescherming een aanpak naar deTweede Kamer verzonden met als doel om de regeldruk bij vrijwilligersor-ganisaties en filantropische instellingen te verminderen.3 Daarnaast is ermet dezelfde ambtsvoorganger afgesproken dat de sportverenigingenaansluiten bij deze aanpak. Via deze brief informeer ik uw Kamer over devoortgang van deze aanpak. Hiermee doe ik de toezegging om te komenmet een voortgangsbrief af.4In de aanpak is toegezegd de tien wettelijke verplichtingen die de meesteregeldruk veroorzaken te verminderen. In dat kader heeft AnderssonElffers Felix (AEF) in opdracht van het Ministerie van VWS een bredesamenwerkingsstructuur opgezet gericht op het uitwerken van oplos-singsrichtingen per wettelijke verplichting met als doel de regeldruk teverminderen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de toezegging om eensamenwerkingsstructuur uit te werken voor het onderzoeken van de tienwettelijke verplichtingen die de meeste regeldruk veroorzaken en deze inde tweede helft van 2026 gereed te hebben. Hierbij worden er geenwettelijke verplichtingen geschrapt, maar binnen de wettelijke kadersonderzocht hoe de regeldruk van deze wettelijke verplichtingenverminderd kunnen worden. AEF heeft voor iedere verplichting een onlinewerksessie georganiseerd, waaraan onder meer vrijwilligers, beleidsme-dewerkers van gemeenten en de Rijksoverheid, bestuurders van vrijwilli-gersorganisaties en fondsen hebben deelgenomen. Op basis van dezesessies werd onder andere duidelijk dat de ervaren regeldruk vaakontstaat door stapeling van wettelijke verplichtingen, niet iedereverplichting even zwaar bijdraagt aan ervaren regeldruk en dat er al veelregeldruktrajecten lopen. Er wordt momenteel op basis van onder anderedeze bevindingen een plan van aanpak uitgewerkt. Het plan van aanpakzal in het tweede kwartaal van 2027 gereed zijn. In deze tien wettelijke1Advies Wetenschappelijke adviescommissie Eenzaamheidsbeleid | Brief | Rijksoverheid.nl2Wegwijzer: aanpak eenzaamheid | Movisie3Kamerstukken II 24/25, 29 515, nr. 4944TZ202602-052Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3786 verplichtingen is de AVG opgenomen. Hiermee wordt de motie van het lidInge van Dijk (CDA), waar onder andere in staat dat de AVG opgenomendient te worden in de aanpak, ter hand genomen.5Het organiseren van (route) evenementen in de buitenruimte staat onderdruk door toenemende regeldruk. In de Kamerbrief van 18 juni 2025(Kamerstuk 30 234, nr. 408) is uw Kamer geïnformeerd dat NOC*NSF ende Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) werken aan een handelings-kader met als doel om regeldruk te verminderen. Daarnaast werktNOC*NSF samen met sportbonden aan een platform waar kennis,voorbeelden en samenwerkingsafspraken omtrent buitensport wordengebundeld. Dit platform wordt deze zomer gelanceerd. Op dit platformkomt ook een vergunningentool die organisatoren kan helpen met welkevergunningsaanvragen nodig zijn en hoe deze zijn aan te vragenaanvragen. Dit zijn de eerste concrete voorstellen om regeldruk teverminderen waarmee ik de motie van de leden Inge van Dijk (CDA),Mohandis (PRO) en Van Nispen (SP) afdoe.6Daarnaast ontvangt Vereniging VrijwilligerswerkNL een subsidie vanuithet Ministerie van VWS om gericht vrijwilligersorganisaties te onder-steunen. Er is met deze subsidie een adviseur aangesteld die leercirkelsopricht voor gemeenten om lokale wet- en regelgeving te vereenvou-digen. Daarnaast wordt er momenteel een netwerk bij vrijwilligerscen-trales, gemeenten, vrijwilligersorganisaties en adviesorganisatiesopgericht die pro bono lokaal organisaties ondersteunen bij wet- enregelgeving. Dit netwerk wordt momenteel in provincie Overijsselopgericht. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de toezegging omadviseurs voor regeldruk in te zetten ter ondersteuning bij vraagstukkenrondom wettelijke verplichtingen.Tevens ontvangt Erasmus Universiteit Rotterdam een subsidie vanuit hetMinisterie van VWS om een kosteloos trainingsprogramma te ontwikkelenen te starten. Dit kosteloze trainingsprogramma richt zich op de professio-nalisering van de beroepsgroep managers en coördinatoren van hetvrijwilligerswerk. Deze professionalisering kan bijdragen aan een toenamevan kennis en ondersteuning bij wettelijke verplichtingen.Tot slot komt elk kwartaal een klankbordgroep bijeen om de voortgangvan de aanpak te monitoren en waar nodig bij te sturen. VNG is onderdeelvan deze klankbordgroep. Daarnaast blijf ik via periodieke overleggen metde vier grote gemeenten in gesprek, met als doel de lokale regelgevingverder te vereenvoudigen. Hiermee is invulling gegeven aan detoezegging om met de VNG en individuele gemeenten over dit onderwerpin gesprek te blijven. Tevens geven de Staatssecretaris van Justitie enVeiligheid en ik hiermee invulling aan de toezegging om te bezien opwelke wijze de voortgang van de uit deze aanpak voortvloeiendemaatregelen kan worden gemonitord.1.4 Mantelzorg Bij de Regeling van Werkzaamheden van 27 mei 2026 heeft lidVliegenthart (PRO)7 het kabinet verzocht te reageren op de nieuwe cijfersvan het SCP over het stijgende aantal mantelzorgers en de toenemendeoverbelasting. In het rapport «Mantelzorg in beweging»8 laat het SCP zienhoe kerncijfers en trends rond mantelzorg zich ontwikkelen over de5Kamerstukken II 25/26, 36 800 XVI, nr. 666Kamerstukken II 24/25, 30 234, nr. 41672026Z110808www.scp.nl/publicaties-scp/2026/05/mantelzorg-in-beweging.-kerncijfers-en-trends-2014-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3787 periode 2014 tot 2024. De inzichten over onder meer het aantal mantel-zorgers, het soort hulp dat zij aan hun naaste bieden en de ervarenbelasting hierbij, vormen, samen met het SER-advies Mantelzorg en werk,een belangrijke basis voor het brede mantelzorgplan waar het kabinet aanwerkt (motie Struijs c.s.9). Ik verwacht de Kamer na het zomerreces overhet brede mantelzorgplan te kunnen informeren.2. Samenwerking en toegang 2.1 Cliëntondersteuning AanleidingAl geruime tijd wordt op verschillende manieren gewerkt aan hetverbeteren van de uitvoeringspraktijk van onafhankelijke cliëntonder-steuning (OCO). Dit betreft zowel de cliëntondersteuning vanuit de Wmoals vanuit de Wlz. Reden hiervoor is dat zowel de client als de professionalal langere tijd knelpunten ervaren. Het gaat dan bijvoorbeeld om debekendheid en herkenbaarheid van cliëntondersteuning die achterblijft, deinzet van de OCO bij de overgang van de Wmo2015/Jeugdwet (en Zvw)naar de Wlz en verschillen in kwaliteit en (ervaren) onafhankelijkheid vande cliëntondersteuner. Ondanks de inspanningen van diverse betrokkenpartijen, blijken deze knelpunten hardnekkig. Om deze reden heeft een vanmijn voorgangers in de vorige Wmo-brief10 aangekondigd demogelijkheid van landelijke (kwaliteits-)eisen te gaan verkennen en is laterde maatregel «verkennen van domeinoverstijgende cliëntondersteuning»in de Werkagenda VN-verdrag Handicap11 opgenomen. In dat kader zijn inhet afgelopen jaar twee onderzoeken naar onafhankelijke cliëntonder-steuning (OCO) uitgevoerd: Verkenning domeinoverstijgende cliëntonder-steuning en Maatschappelijke Kosten- en Batenanalyse cliëntonder-steuning (MKBA). Deze onderzoeken stuur ik de Kamer met deze brief toe.Naast deze onderzoeken heeft er ook een evaluatie van de Gespeciali-seerde Cliëntondersteuning (GCO) plaatsgevonden12 en heeft ToezichtSociaal Domein het afgelopen jaar onderzocht of het huidige aanbod vanWmo-cliëntondersteuning zich richt op alle leefgebieden van inwoners,zoals in de Wmo2015 omschreven.Verkenning domeinoverstijgende cliëntondersteuningHet doel van deze verkenning was om te onderzoeken welke varianten ermogelijk zijn voor de toekomstige organisatie van cliëntondersteuning diebijdragen aan vermindering van de huidige knelpunten en eendomeinoverstijgende/integrale blik ondersteunen. Bij de totstandkomingvan deze opdracht en gedurende het onderzoek zijn verschillenderelevante stakeholders betrokken geweest. VNG en ZN maakten onderdeeluit van de begeleidingscommissie. Het onderzoek bevat drie onderdelen:1. Een analyse van de ervaren knelpunten met betrekking tot OCONaast de hierboven genoemde knelpunten, zijn ook verschillende andereknelpunten onderzocht. Een belangrijk knelpunt is de constatering dat ergeen eenduidig beeld is van wat OCO nu «in de kern» is en moet doen. Ditknelpunt heeft mogelijk ook invloed op andere genoemde knelpunten ende beoordeling van die punten. De betrokken partijen kijken namelijk,afhankelijk van hun positie en rol, anders naar de onderzochte knelpunten.9Kamerstukken 2025/26, 36 848, nr. 9610Kamerstukken II, 2024/2025, 29 538, nr. 36511Kamerstukken II, 2024/2025, 24 170, nr. 36212Kamerstukken II, 2024/2025 24 170, nr. 398Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3788 2. De inhoudelijke invulling van OCOIn dit onderdeel is gekeken naar welke taken passend zijn bij de rol van decliëntondersteuner vanuit de doelstelling in de huidige wettelijke kaders(Wmo2015 en Wlz) en hoe deze taken zich verhouden tot taken van andereprofessionals. Vanuit de wetten zijn, bij de decentralisaties in 2015, detaken voor cliëntondersteuners beperkt vastgelegd. In het onderzoekwordt aanbevolen om deze taken expliciet vast te leggen. Hierbij is echterwel een spanning tussen enerzijds het scheppen van landelijk helderekaders en anderzijds de beleidsruimte van gemeenten en in minder matezorgkantoren.3. Een verkenning naar de toekomstige positionering van OCOEr zijn vier varianten uitgewerkt voor de toekomstige invulling vancliëntondersteuning. Er is gekeken naar twee varianten die een beperktestelselwijziging vragen en waar aanvullende maatregelen binnen hethuidige stelsel kunnen bijdragen aan verminderen van de knelpunten enverbetering van meer domeinoverstijgend kunnen werken. Daarnaast zijner twee varianten uitgewerkt waarbij de Wmo-OCO, Wlz-OCO en GCO inéén (wettelijk) kader zijn gevoegd, waarbij de inkoop in de ene variantlandelijk geregeld wordt en in de andere variant via gemeenten.Alle varianten kennen verschillende voor- en nadelen en worden door destakeholders verschillend gewaardeerd, waardoor er op basis van hetonderzoek geen variant duidelijk boven de andere varianten uitsteekt.De onderzoekers adviseren in opvolging van dit rapport te starten met hetexpliciteren van de verschillende inhoudelijke visies op cliëntonder-steuning en vanuit daar te komen tot een gezamenlijk beeld wat betreft dedefinitieve scenariokeuze.Maatschappelijke kosten- en batenanalyseEr is onderzoek gedaan naar de kosten en de baten (zowel kwantitatief alskwalitatief) van OCO vanuit de Wmo 2015 en de Wlz. Het rapport laat ziendat de functie van cliëntondersteuner een belangrijke maatschappelijkemeerwaarde heeft en naar verwachting een macro kostendekkendeinvestering is. OCO vervult een cruciale brugfunctie tussen inwoner ensysteem. Zo draagt OCO onder meer bij aan meer regie door cliënten, aanpassende ondersteuning, ontlasting van mantelzorgers en het voorkomenvan escalatie van problemen. De meerwaarde is het grootst voor mensenmet complexe of vastgelopen ondersteuningsvragen, maar ook bijenkelvoudige vragen vervult OCO een belangrijke preventieve functie.Daarnaast blijkt dat voldoende uitvoeringsruimte en professioneleonafhankelijkheid van cliëntondersteuners samenhangen met groteremaatschappelijke effecten. Het onderzoek wijst tevens op het belang vaneenheldere positionering en grotere bekendheid van OCO. De onderzoekersdoen aanbevelingen om de effectiviteit, onafhankelijkheid en zicht-baarheid van OCO verder te versterken.Deze inzichten bieden de mogelijkheid om in de toekomst de baten van dehuidige organisatie van OCO te behouden en verder te versterken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 3789 Evaluatie GCOUit evaluatie blijkt de GCO van duidelijke meerwaarde voor zowel cliëntenen naasten die GCO ontvangen als voor de cliëntondersteuners die GCObieden. Daarnaast is een inschatting gemaakt van de toekomstige omvangvan GCO en de bijbehorende kosten hiervan.Vanwege de meerwaarde van GCO is het van belang om deze voor detoekomst te behouden, zodat het mogelijk blijft om daar waar de situatieerom vraagt deze extra ondersteuning te kunnen bieden. Vanuit schaarstein middelen en personeel is het echter niet haalbaar om de voorwaardenvan GCO de norm te maken voor alle vormen van cliëntondersteuning inons land, zonder afbakening. Om die reden is mijn streven om OCO tebehouden als brede basisvoorziening die beschikbaar is voor iedereen ensamen met het veld te komen tot een uitwerking van de voorwaardenwaaronder extra ondersteuning (qua expertise of uren), zoals de GCO, kanworden ingezet.Gespecialiseerde cliëntondersteuning (GCO) wordt ingezet in geval vanernstige beperkingen en langdurige, complexe problematiek, die zichvoordoet op meerdere levensdomeinen. GCO is er voor vijf specifiekedoelgroepen. Alliantiepartij Metgezel voert GCO uit middels een subsidievanuit VWS.Rapport Toezicht Sociaal Domein naar cliëntondersteuningIn februari jl. heeft Toezicht Sociaal Domein (TSD) een rapport gepubli-ceerd naar de beschikbaarheid van levensbrede cliëntondersteuningvanuit de Wmo 2015 in de praktijk. TSD concludeert dat cliëntonder-steuning in de praktijk onvoldoende voldoet aan de manier waarop ditbedoeld is in de Wmo op het gebied van toegankelijkheid voor inwoners,onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner en integrale en levensbredeondersteuning. Deze conclusies overlappen deels met de knelpunten diein de verkenning naar domeinoverstijgende cliëntondersteuning zijnonderzocht. Daarnaast biedt dit rapport een aanvulling doordat erspecifiek gefocust is op de levensbreedheid van de ondersteuning, hoegemeenten de kwaliteit van cliëntondersteuning monitoren en doordat dedagelijkse praktijk in vier gemeenten is bekeken. In het rapport wordenverschillende aanbevelingen gedaan aan gemeenten, aanbieders en mijnministerie. De aanbevelingen aan mijn ministerie neem ik mee in hetvervolgproces op de onderzoeken waarover ik u hierna zal informeren.VervolgprocesVoor het vervolg op al deze onderzoeken en aanbevelingen is het vanbelang om onafhankelijke cliëntondersteuning vanuit de Wmo 2015, Wlzen de gespecialiseerde cliëntondersteuning in samenhang met elkaar tebekijken.De onderzoeken laten zien dat verbetering van cliëntondersteuning nietprimair vraagt om een onmiddellijke stelselwijziging, maar allereerst ommeer eenduidigheid over de rol, kwaliteit en organisatie van cliëntonder-steuning. Daarbij moeten onafhankelijkheid, levensbrede ondersteuningen betere herkenbaarheid voor inwoners centraal staan. Ik zet daaromeerst in op het ontwikkelen van een landelijk kwaliteitskader voorcliëntondersteuning, waarin taken explicieter worden vastgelegd. Datkader moet duidelijk maken wat inwoners, ongeacht domein ofwoonplaats, minimaal van cliëntondersteuning mogen verwachten. Dezeinzet sluit ook aan bij de aanbevelingen van TSD en de verkenning naardomeinoverstijgende cliëntondersteuning om de eisen aan de inzet enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37810 kwaliteit van en voor de cliëntondersteuning te definiëren. Daarbij staanonafhankelijkheid, levensbrede ondersteuning, deskundigheid envindbaarheid centraal. Daarnaast biedt dit kader ook de mogelijkheid omeen opschalingsmodel uit te werken, waar verschillende betrokkenveldpartijen voor pleiten.Het ontwikkelen van het kader zie ik dan ook als belangrijkste eerste stapen is een voorwaarde om uiteindelijk tot een definitieve scenariokeuze tekomen. Ook uitvoeringsvraagstukken en financiële gevolgen moetendaarbij duidelijk worden. Hierbij zie ik een belangrijke rol weggelegd voorrelevante partijen, zoals de leden van de werkgroep van de Toekomst-agenda (waaronder VNG en ZN) en enkele aanbieders van clientonder-steuning.Aanvullend op dit traject verwacht ik in het najaar het adviesrapport vanDakloosheid Voorbij! naar verbreding van de onafhankelijke clientonder-steuning binnen de Wmo voor dakloze mensen. Hierover informeer ik uvoor het einde van het jaar. Begin 2027 informeer ik de Kamer over destand van zaken m.b.t. OCO en het landelijk kwaliteitskader.2.2 Passende beschikkingsduur In opdracht van VWS en VNG voert Significant Public een verdiependonderzoek uit naar passend beschikken in de Wmo 2015, dat in juli 2026wordt afgerond en gedeeld met de Kamer. Dit onderzoek is mede gestartna oproepen van de Kamer over dit onderwerp. In deze brief deel ik detussenresultaten. Het onderzoek brengt in beeld wat gemeenten in hun(Wmo-)verordening hebben opgenomen over (het bepalen van) beschik-kingsduur en organiseert leersessies met medewerkers van diversegemeenten (consulenten, beleidsmedewerkers en juristen) om deuitvoeringspraktijk in beeld te brengen. In de leersessies komt naar vorendat alle gemeenten voor een beperkte periode beschikken wanneer ditpassend is. Een deel van de gemeenten indiceert voor bepaaldeWmo-voorzieningen ook voor langere duur (meerdere jaren ofonbepaalde tijd) als dat passend is. Gemeenten beschikken het vaakstvoor langere duur voor huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen enbij inwoners boven een bepaalde leeftijd. Een deel van de gemeentenbeschikt vooral voor langere duur wanneer zij beoordelen dat er eenstabiele situatie nodig is en daarmee ondersteuning voor een langere tijd.Het rapport wordt begin juli 2026 opgeleverd, waarin naar verwachtingook belemmeringen en kansen voor de passende beschikkingsduur aanbod komen. Daarin is ook een voorstel opgenomen voor indicatorenwaarmee periodiek landelijk in beeld gebracht kan worden waargemeenten staan op het gebied van passend beschikken. Naar aanleidingvan de aanbevelingen uit het rapport bepaal ik samen met de VNG watpassende vervolgacties zijn om het afgeven van beschikkingen met eenpassende duur verder te stimuleren en het effect daarvan ook te kunnenvolgen. Over de resultaten van het onderzoek en de bijbehorendevervolgacties informeer ik uw Kamer in de voorgangsbrief over deWerkagenda VN-verdrag Handicap die eind 2026 voorzien is.2.3 AZWA In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) werkenpartijen aan de versterking van de samenwerking op het snijvlakzorg-sociaal domein en de daarvoor benodigde versterking van de socialebasisinfrastructuur. Gemeenten ontvangen hier extra middelen voor. Overde laatste stand van zaken informeren we u nader in de kamerbriefTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37811 voortgang zorgakkoorden, waarvan het voornemen is om die voor dezomer naar uw Kamer te sturen.3. Specialistische voorzieningen en maatschappelijke zorg 3.1 Dakloze gezinnen In december heb ik u mijn eerste reactie gestuurd op het bericht datgemeenten moeders dreigen hun kind af te pakken als ze aankloppen bijde daklozenopvang (Kamerstuk 29 325/ 29 538, nr. 192). Vervolgens heb ikhet bericht en mijn reactie besproken met mijn bestuurlijke partners, inrelatie tot het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Alle partijen zijn heterover eens dat gemeenten niet mogen dreigen met een melding bij VeiligThuis. Het niet hebben van passende huisvesting is op zichzelf géén redenom een melding te doen bij Veilig Thuis. De VNG heeft dit nogmaalsonder de aandacht gebracht bij haar achterban. Tegelijkertijd ben iksamen met het Ministerie van BZK gesprekken gestart met de VNG enG4-gemeenten over de achterliggende problematiek, namelijk het gebrekaan voldoende passende huisvesting voor dakloze gezinnen en het tekortaan plekken in de gezinsopvang. Momenteel zijn we nog diverseoplossingsrichtingen aan het verkennen. Eind dit jaar zal ik u informerenover de uitkomsten van deze verkenning.3.2 Wetsvoorstel woonplaatsbeginsel en beschermd wonen Al geruime tijd is het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappe-lijke ondersteuning 2015 in verband met de invoering van het woonplaats-beginsel voor Beschermd Wonen13 in voorbereiding. De beoogdeinvoeringsdatum is inmiddels al een aantal keer uitgesteld. Ditwetsvoorstel beoogt een doordecentralisatie van Beschermd Wonen vancentrumgemeenten naar individuele gemeenten. Het oorspronkelijke ideevan doordecentralisatie stamt uit 2015 toen de commissie Dannenbergeen advies uitbracht waarin de toekomst van Beschermd Wonen werdbeschreven. Volgens Dannenberg zou elke individuele gemeente zichmoeten inzetten voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen. Dezemensen hebben baat bij een beschermde plek in de eigen omgeving enzouden bij voorkeur door ambulante hulp een Beschermd Thuis moetenhebben. Mensen verplaatsen naar een Beschermd Wonen-voorziening opeen centrale plek buiten de eigen gemeente zou daardoor minder vaakhoeven voor te komen. De huidige Beschermd Wonen voorzieningen zijngeorganiseerd in grotere centrumgemeenten. In het wetsvoorstel wordtop basis van een woonplaatsbeginsel geregeld dat individuele gemeenten(en niet langer alleen de centrumgemeenten) verantwoordelijk wordenvoor een beschermde woonomgeving. Gemeenten zouden in de eigenbouwopgave rekening moeten houden met aandachtsgroepen waaronderde doelgroep Beschermd Wonen.Ik heb in het Houdbaarheidsonderzoek een aantal ontwikkelrichtingenlaten verkennen die mogelijk ook de toekomstige ontwikkeling vanBeschermd Wonen kunnen raken. Zo is er in het Houdbaarheidsonderzoekeen beleidsoptie opgenomen die verkent op welk niveau bepaaldevoorzieningen doelmatig(er) ingekocht kunnen worden en waar verant-woordelijkheden voor specifieke voorzieningen explicieter belegd zoudenkunnen worden. Het doel is om te komen tot meer congruentie in lokaleen regionale indelingen en samenwerkingen. Deze en andere ontwikkel-richtingen laat ik in het kader van het Houdbaarheidsonderzoek dekomende maanden verder uitwerken in overleg met de VNG. Het moet13Kamerstukken II 2022/23, 36 288, nrs. 1–2 (Zie: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?qry=wetsvoorstel%3A36288&cfg=wetsvoorsteldetails)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37812 leiden tot een concrete aanpak voor een toekomstbestendige Wmo. Opeen later moment wil ik dit graag integraal kunnen voorleggen aan uwKamer.Omdat bovenstaande mogelijk ook de inhoud van het wetsvoorstel zoukunnen raken, kies ik ervoor om de komende maanden met de gemeentenin gesprek te gaan om te komen tot een integraal ontwikkelperspectiefwaarin zowel het Houdbaarheidsonderzoek als het huidige wetsvoorstelwordt betrokken. De doelen die achter de doordecentralisatie vanBeschermd Wonen liggen, blijven onverminderd relevant. Ik wil daaromna de zomer de Kamer verder informeren over de uitkomsten van degesprekken met de gemeenten op dit onderdeel. Mijn verwachting is datgemeenten graag duidelijkheid willen hoe nu verder en dat het zal lukkenom concrete afspraken te maken.3.3 Afronden verbeteragenda doelgroepenvervoer Zoals toegezegd in mijn brief van 20 mei 202514 informeer ik uw Kamer,mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs en Participatie (OCW), deStaatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en in afstemming met deVNG, over de afronding van de verbeteragenda doelgroepenvervoer.De departementen en de VNG hebben de afgelopen jaren samen met deondernemersorganisatie Koninklijk Nederlands Vervoer en Aanbeste-dingsinstituut Mobiliteit (KNV en AIM), de vereniging van opdrachtgeversin het doelgroepenvervoer VDVN (gemeenten) en het samenwerkings-verband van decentrale ov-autoriteiten DOVA/CROW gewerkt aan dezegezamenlijke agenda. In eerdere brieven zijn afgeronde acties vanuit deverbeteragenda reeds toegelicht15. Ook in het afgelopen jaar is ervoortgang geboekt op acties. Graag noem ik u nog een tweetal acties diehet afgelopen jaar zijn opgepakt. Zo deelt de VDVN in opdracht van hetMinisterie van VWS kennis en informatie met gemeenten om de kwaliteitvan aanbestedingen en contractmanagement te verhogen en samen-werking en kennisdeling tussen gemeenten te bevorderen. Daarnaastheeft het CROW opdracht gekregen om het Woordenboek Reizigersken-merken te actualiseren. Door gebruik te maken van de codes uit hetwoordenboek wordt op een eenduidige wijze vastgelegd wat de reizigernodig heeft om een (keten)reis te maken. Het woordenboek maaktbenchmarking eenvoudiger en door eenduidiger informatie van eenopdrachtgever kan ook beter een goede offerte worden gemaakt.De maatregelen van de verbeteragenda doelgroepenvervoer waren ookgericht op het verbeteren van het leerlingenvervoer. De knelpunten in hetleerlingenvervoer zijn echter complex. Daarom werkt de Staatssecretarisvan Onderwijs en Emancipatie samen met onder anderen de VNG,LBVSO, Ouders en Onderwijs en de sectorraad Gespecialiseerd Onderwijsaan een werkagenda leerlingenvervoer. Deze werkagenda richt zich opwat vanuit het onderwijsdomein kan worden gedaan om leerlingen-vervoer te verbeteren, in aanvulling op de resultaten uit de Verbeter-agenda doelgroepenvervoer (onder regie van VWS). Elk van de betrokkenpartijen zal een deel van de acties op zich nemen en de komendemaanden wordt de werkagenda leerlingenvervoer verder uitgewerkt. DeStaatssecretaris van Onderwijs en Participatie informeert uw Kamerhierover voor het herfstreces van 2026.14Kamerstukken II 2024/2025, 31 521, nr. 14115Kamerstukken || 2023/2024, 31 521, nr. 138Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37813 De recente verkenning naar publieke mobiliteit16 laat zien dat integratievan openbaar vervoer en doelgroepenvervoer provincies en gemeentenop termijn goede mogelijkheden kan bieden om een effectiever, toeganke-lijker en inclusiever vervoerssysteem voor de reizigers te realiseren. Hetkabinet ziet in de resultaten voldoende aanknopingspunten om ditonderwerp verder uit te werken, daarom is begin dit jaar een verbre-dingsfase gestart en zal eind 2026 een kabinetsstandpunt wordengeformuleerd.Sommige knelpunten vanuit de verbeteragenda vragen meer structurelereoplossingen die passen bij vraagstukken die ook in het kader van publiekemobiliteit worden meegenomen. Het gaat dan om vraagstukken zoalsmobiliteitsvisie, mobiliteitsloket, indicatiestellingstraject, endata-analyses. Deze onderwerpen worden meegenomen in de verdereuitwerking van het kabinetsstandpunt op publieke mobiliteit.4. Stelsel en randvoorwaarden 4.1 Wmo-toezicht Ontwikkeling van het Wmo-toezichtDe Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft de afgelopen jarengeconstateerd dat het Wmo-toezicht zich over het algemeen divers enonvoldoende heeft ontwikkeld. Waar sommige gemeenten het toezichtstevig hebben verankerd in de gemeentelijke organisatie, hebben anderegemeenten uitsluitend een toezichthouder voor calamiteiten aangesteld.Deze diversiteit zorgt voor kwaliteitsverschillen in het Wmo-toezicht,terwijl juist de kwaliteit van de zorg van kwetsbare burgers belangrijk is.Naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen in de rapportagesvan de IGJ, heeft het Ministerie van VWS aan Significant Public opdrachtgegeven onderzoek te doen naar de mogelijkheden om het toezichtstructureel te verbeteren.17 De aanbevelingen van Significant Public zijngeland in een beleidskader18, welke mijn ambtsvoorganger op 8 mei 2023naar uw Kamer heeft gestuurd19. De verbetermaatregelen uit dit beleids-kader sluiten aan op de (jaarlijkse) aanbevelingen van de IGJ en hetonderzoek van Significant en zijnenerzijds geland in een stimuleringsprogramma en anderzijds in eenwijziging van de Wmo 2015. Het stimuleringsprogramma wordtmomenteel ontwikkeld en (door de VNG) onder gemeenten geïmplemen-teerd en bestaat onder andere uit een keuzehulp organisatie- en inrichtingvan het Wmo-toezicht, handreiking handhavingsbeleid, functieprofieltoezichthouder en kennissessies met toezichthouders. De voorgenomenwetswijziging Wmo-toezicht wordt momenteel ambtelijk voorbereid enbeoogt de onafhankelijke positie van de toezichthouder, de organisatievan het Wmo-toezicht in de gemeentelijke context en de transparantie vanhet Wmo-toezicht in de wet te verankeren.Ambtelijke verkenning vergunningplicht in de Wmo 2015De aanpak van fraude met gemeenschappelijke middelen die bedoeld zijnvoor de meest kwetsbare in de samenleving staat hoog op mijn lijst.16Kamerstukken II 2025/2026 23 645, nr. 87717Kamerstukken II 2021/22, 29 538, nr. 331.18Beleidskader Wmo-toezicht - kwaliteitstoezicht | Rijksoverheid.nl19Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 29 538, nr. 350.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37814 Het kabinet zet daarom in op een vergunningplicht voor aanbieders vanmaatschappelijke ondersteuning. Hierbij is het uitgangspunt dat zoveelmogelijk wordt aangesloten bij de voorwaarden van de Wtza-vergunningwaarbij rekening wordt gehouden met de omvang en diversiteit van deaanbieders die ondersteuning op de grond van de Wmo 2015 bieden. Zowordt onder andere nader uitgewerkt voor welke aanbieders vanondersteuning uit de Wmo 2015 de vergunningplicht zal gelden en welkeeisen aan een vergunningplicht gekoppeld worden. Dit wetgevingstrajectzal samenlopen met de trajecten voor invoering van een vergunningplichtvoor de Jeugdwet en de uitbreiding van de doelgroep en de verdiepingvan de voorwaarden voor de Wtza-vergunning. De verwachting is dat ditwetsvoorstel in 2028 kan worden aangeboden aan uw Kamer.4.2 Het verlichten van administratieve lasten door meer eenheidvan taal Zoals aangegeven in de hoofdlijnenbrief 2024 heb ik de afgelopen jareningezet op de «doorontwikkeling van een uniform berichtenverkeer» metuniformering, harmonisatie en standaardisatie als fundamentele basis omde samenwerking tussen professionals te faciliteren en aan de groterwordende informatiebehoefte te voorzien. Onder de noemer «eenheid vantaal en techniek» zijn de eerste belangrijke stappen genomen om 1) hetaantal productcodes in de Wmo 2015 terug te dringen, 2) inzichtelijk temaken welke informatiebehoefte er is om (domein overstijgende)samenwerking beter mogelijk te maken en 3) wat ervoor nodig is om deinformatievoorziening in de Wmo 2015 te laten aansluiten op anderedomeinen.Inkoop en AanbestedenMomenteel wordt door het Ketenbureau i-Sociaal Domein samen metaanbieders en gemeenten de laatste hand gelegd aan landelijke contract-standaarden voor de hulpmiddelen in de Wmo 2015. Het Ketenbureaui-Sociaal Domein streeft ernaar de algemene ledenvergadering van deVNG in het najaar 2026 een te laten besluiten of de standaard voor dehulpmiddelen ook bindend wordt voor alle gemeenten. Hierna vindt nogeen verkenning plaats naar de ontwikkelingen van landelijke contractstan-daarden voor vervoer. Een en ander is een aanvulling op de reedsbestaande contractstandaarden voor de Wmo 2015 en Jeugdhulp tenaanzien van diensten. Dit betekent dat – zodra de contractstandaardenhulpmiddelen door de algemene ledenvergadering van de VNG zijnvastgesteld – bijna alle gemeentelijke ondersteuning in het kader van deWmo 2015 en Jeugdwet inmiddels met gestandaardiseerde contractenkan worden ingekocht.Standaardisatie en GegevensuitwisselingOp het gebied van «Eenheid van Taal» zijn twee verkenningen – één voorhulpmiddelen en één voor diensten – uitgevoerd en opgeleverd in 202620.Voor hulpmiddelen betreft dit de verkenning productcodestructuurWmo-hulpmiddelen- advies over herijking van de landelijke productcode-lijst. Voor diensten betreft dit een landelijke verkenning van de standaardi-satie van de productstructuur binnen de Wmo 2015 (Verkenning vanreikwijdte en uitwerkingsrichtingen). Deze verkenningen geven adviezenom te komen tot een structuur op basis van Eenheid van Taal. In devolgende fase worden partijen betrokken om het vervolg samen vorm tegeven, zoals het nader uitwerken van een eenduidige structuur. Hiervooris een aantal hoofddoelen opgesteld:20Toegevoegd als bijlagen; Productstructuur &vd Laar 2026/ Productcodes Significant 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37815 –De huidige producten moeten ontleed worden uit overeenkomstentussen gemeenten aan uniforme elementen (bouwblokken) vanvoorzieningen die dusdanig van elkaar differentiëren dat deze kunnenworden onderscheiden.–Aan de hand van de gevonden bouwblokken wordt een nieuwelogische productstructuur opgebouwd op categorie-, subcategorie- enproductniveau.–De nieuw ontworpen structuur moet de praktijk van inkoop- encontractmanagement van gemeenten vereenvoudigen en ondersteu-nen met herkenbare productcategorieën en productomschrijvingen.–De nieuwe structuur moet zodanig worden ingericht dat het debeleidsruimte van de gemeenten niet beperkt en ruimte blijft biedenvoor innovaties en toekomstige doorontwikkelingen in de hulp enondersteuning.Met betrekking tot de informatiebehoefte «huishoudelijke hulp» ensamenwerking tussen «huisarts en gemeente» zijn twee verkenningengepubliceerd en met de Kamerbrief over voortgang agenda databeschik-baarheid in de zorg21 aan de Kamer aangeboden. Momenteel wordt hiervanuit het IZA en AZWA verder invulling aangegeven onder de noemer«datastandaardisatie», waarin enerzijds wordt gekeken vanuit primairperspectief waarin de informatiebehoefte in de samenwerking centraalstaat, en anderzijds vanuit secundair perspectief (monitoring, inzicht).Vanuit verschillende akkoorden, ontwikkelingen en de Nationale Visie enStrategie voor het gezondheidsinformatiestelsel (NVS) wordt het belangvan aansluiting van het sociaal domein (hier specifiek de Wmo 2015) opgegevensuitwisseling steeds meer benadrukt. Daarom zijn de afgelopenjaren verschillende stappen ondernomen om te kijken wat er nodig is omde informatievoorziening in de Wmo 2015 te laten aansluiten op anderedomeinen. Het Zorginstituut heeft daarom in opdracht van VWS eenuitvoeringstoets gedaan om te bezien wat er nodig is om het huidigeberichtenverkeer van het sociaal domein aan te laten sluiten op hetgezondheidsinformatiestel. Deze uitvoeringstoets behelst een voorstel omhet actieprogramma iWlz te verbreden naar de Wmo 2015 en Jeugdwetom zo een domeinoverstijgend netwerkmodel te realiseren. Daarnaast isin opdracht van het Zorginstituut een Maatschappelijke Kosten Baten-Analyse22 uitgevoerd voor deze verbreding en (door)ontwikkeling van hethuidige berichtenverkeer. Hieruit blijkt dat de baten (op termijn) groter zijnals de infrastructuur wordt ingericht als een netwerkmodel in plaats vanhet huidige estafette-model verder (door) te ontwikkelen. De kosten vanbeide trajecten lijken niet veel uiteen te lopen, op basis van deze eersteanalyse. Er is echter ook nader onderzoek nodig om een zorgvuldigeafweging te kunnen maken of en wanneer de ontwikkeling van eendomeinoverstijgend netwerkmodel in het sociaal domein gerealiseerd kanworden.Vervolg op bovenstaande inzetHet Houdbaarheidsonderzoek Wmo 201523 biedt diverse aanknopings-punten om de komende jaren vervolg te geven aan bovenstaandeontwikkelingen en het verminderen van disfunctionele diversiteit in de(techniek) van de uitvoeringspraktijk. Eén van de aanbevelingen dienaadloos aansluit op bovenstaande ontwikkelingen is bijvoorbeeldbeschreven in beleidsoptie 19: «Eenheid van taal en techniek» van het21Kamerbrief over voortgang agenda databeschikbaarheid in de zorg | Kamerstuk | Rijksover-heid.nl22MKBA vernieuwing berichtenverkeer sociaal domein KPMG 202623Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2025 (Kamerbrief over eindrapportagehoudbaarheidsonderzoek Wmo 2015 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37816 Houdbaarheidsonderzoek. Deze beleidsoptie verkent de mogelijkhedenom eenduidig gebruik van het berichtenverkeer te verankeren inwetgeving. Het betreft namelijk een dusdanige randvoorwaarde om hetstelsel inzichtelijk te maken en daarmee gezamenlijke sturing te realiseren.De komende periode zal ik dan ook verder inzetten op standaardiseren enharmoniseren, een hogere datakwaliteit van (digitale) gegevens in deWmo 2015 met een verbeterde interbestuurlijke samenwerking. Hierbijwordt ook verkend of het wenselijk is dat elementen hiervan wettelijkverankerd worden in de Wmo 2015 (inclusief handhaving en passendegovernance). De eerste stap daarbij is verkenning met de VNG naar deverplichting van de nu vrijwillige uitvraag voor het gebruik van maatwerk-voorzieningen in de Wmo en deze uit te breiden naar het gebruik van detoegang tot de Wmo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 538, nr. 37817
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.