KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

6 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dbee0494b3fabae1 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 725 XVWijziging van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025(wijziging samenhangende met deVoorjaarsnota)Nr. 5 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 6 juni 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast methet voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eerverslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daaropgegeven antwoorden.De vragen zijn op 22 mei 2025 voorgelegd aan de Minister en Staatssecre-taris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 5 juni 2025 zijnze door de Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgele-genheid beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,TielenAdjunct-griffier van de commissie,Meester-Schaap kst-36725-XV-5ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 51 Vraag 1Wat is het afbouwpad van de Inkomensafhankelijke combinatiekortingprecies? Welke parameters horen daarbij in het huidige jaar en in 2028 enin 2029?Antwoord 1De Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt per 2027 innegen stappen afgebouwd en per 2035 afgeschaft. De eerste stap is € 149en daarna volgen stappen van € 355 (prijspeil 2025). In de wet isopgenomen dat de IACK met de laatste stap per 2035 volledig wordtafgeschaft. In 2025 bedraagt de IACK € 2.986. In 2028 bedraagt de IACKnaar verwachting € 2.663 en in 2029 € 2.333. Dit kan nog afwijken doorindexaties.Vraag 2Kunt u een overzicht geven van de meest recente inzichten over depersoneelstekorten in de kinderopvang alsmede de meest recenteprognoses?Antwoord 2In het vierde kwartaal van 2024 bedroeg het aantal openstaande vacaturesin de kinderopvang 5.850, op een totaal van 137.000 werkenden (inclusiefuitzendkrachten en zelfstandigen) in de kinderopvang (CBS, AZW Statline,geraadpleegd 23 mei 2025). Dit is een lager aantal openstaande vacaturesdan in voorgaande kwartalen van 2024.Het meest recente Prognosemodel Zorg en Welzijn van ABF Research, vandecember 2024, voorspelt dat het personeelstekort in de kinderopvangzonder aanvullend beleid oploopt tot 23.100 personen in 2034. Door destelselherziening zou dit tekort oplopen tot 33.400 personen in 2034. Indeze ramingen zijn de effecten van uitstel van invoering van het nieuwefinancieringsstelsel tot 2029 en het indexeren van de maximum uurprijs in2026 nog niet meegenomen. Ook worden in dit model mitigerendemaatregelen om het personeelstekort tegen te gaan, niet meegenomen.Vraag 3Wat kost het om de arbeidseis volledig af te schaffen?Antwoord 3Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel dat de huidige kinderopvang-toeslag vervangt voor een nieuwe financieringssystematiek die oudersmeer eenvoud en zekerheid biedt. De financiering gaat in de nieuwesystematiek rechtstreeks naar kinderopvangorganisaties. De vergoedingvoor kinderopvang blijft bedoeld voor werkende ouders.De meerkosten voor het afschaffen van de arbeidseis worden geraamd opper saldo circa € 870 miljoen per jaar. Dit bedrag houdt rekening met circa€ 970 miljoen hogere uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Verder wordt errekening mee gehouden dat bestaande (gemeentelijke) regelingen voorde financiering voor kinderopvang geïntegreerd kunnen worden in éénregeling. Het gaat om de regeling voor ouders die vanwege een sociaalmedische indicatie (SMI) niet aan de arbeidseis kunnen voldoen en definanciering van gemeentelijke peuteropvang. Doordat deze regelingenzouden kunnen komen te vervallen, valt circa € 100 miljoen vrij. Tevenszou onderzocht kunnen worden in hoeverre dubbele financieringsstromenontstaan voor kinderen die gebruik maken van voorschoolse educatie.Vraag 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 52 Kunt u een totaaloverzicht geven van waar de tabelcorrectiefactorallemaal invloed op heeft? Kunt u hierbij de specifieke parametersnoemen uit de getroffen regelingen?Antwoord 4Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij uit van de doorwerking vande tabelcorrectiefactor op de SZW-begroting. De doorwerking opvariabelen in de fiscaliteit is in dit antwoord niet meegenomen.De tabelcorrectiefactor werkt op de SZW-begroting door in de indexatievan het kindgebonden budget. In het kindgebonden budget worden deinkomens- en vermogensgrenzen, de kindbedragen en de alleenstaandeouderkop elk jaar geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Daarnaastworden de Algemene Nabestaandenwet (Anw)-tegemoetkoming en deArbeidsongeschiktheid (AO)-tegemoetkoming elk jaar geïndexeerd met detabelcorrectiefactor.Verder is er sprake van een indirecte doorwerking op de netto-nettogekoppelde regelingen. Dit betreft onder meer de Algemene Ouder-domswet (AOW) Participatiewet, Algemene Nabestaandenwet (Anw) enToeslagenwet (TW). De uitkeringsbedragen van deze regelingen zijngekoppeld aan het netto referentieminimumloon. De hoogte van dit nettoreferentieminimumloon en het corresponderende bruto uitkeringsbedragzijn afhankelijk van verschillende variabelen in de fiscaliteit die wordengeïndexeerd met de tabelcorrectiefactor (schijflengtes en heffingskor-tingen).Vraag 5Kunt u een overzicht geven van de parameters van de Wet op hetKindgebonden Budget (WKB) in 2025 en 2028?Antwoord 5Om huishoudens met kinderen te ondersteunen heeft het kabinet beslotenom met ingang van 1 januari 2025 de kindbedragen in het kindgebondenbudget (WKB) stapsgewijs te verhogen. Daarnaast wordt gelijktijdig ookhet afbouwpercentage in de WKB stapsgewijs verhoogd om de regelinggerichter te maken. Deze maatregelen werken meerjarig door in de jaren2025 tot en met 2028.Daarnaast heeft het kabinet in de eerste suppletoire begroting nog enkelenieuwe WKB-maatregelen aangekondigd. Zo is het kabinet voornemensom per 1 januari 2027 een steiler afbouwpercentage in de WKB teintroduceren voor inkomens vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Dit terdekking van de structurele tegenvaller op de SZW-begroting. Hetafbouwpercentage voor inkomens vanaf € 60.000 wordt met 4,3%-puntverhoogd en neemt daardoor structureel toe van 8,5% tot 12,8%.Verder is het kabinet voornemens om per 1 januari 2027 ook eenvereenvoudiging van het toeslagpartnerschap te realiseren door hetafschaffen van het criterium samengestelde gezinnen. De dekking van hetoplossen van het knelpunt samengestelde gezinnen wordt gevonden doorhet verlagen van de vermogensgrenzen in de WKB en de zorgtoeslag metcirca € 28.750 in de periode 2027 t/m 2029 en structureel vanaf 2030 metcirca € 27.250 (prijspeil 2024).De exacte parameters voor het kindgebonden budget in de jaren 2026 toten met 2028 zijn echter nog niet beschikbaar. Dat komt doordat deparameters jaarlijks worden geïndexeerd en de indexatiefactoren vantoekomstige jaren nog niet definitief zijn vastgesteld. Voor de beant-woording van deze vraag is voor de verwachte indexatie van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 53 WKB-tarieven gebruik gemaakt van de prognoses uit het CentraalEconomisch Plan (CEP) 2025 van het CPB.Zie in onderstaande tabel een (voorlopig) overzicht van hoe deWKB-parameters zich daarbij naar verwachting ontwikkelen in dekomende jaren (incl. verwerking van het nieuwe beleid).Tabel Overzicht (voorlopige) WKB-parameters in de periode 2025 t/m 2028 (in lopendeprijzen)Tarieven WKB20252026202720281e kindbedrag2.5112.5732.7142.8152e kindbedrag e.v.2.5112.5732.7142.815Verhoging 12–15 jarigen703722743758Verhoging 16–17 jarigen9369619881.007Alleenstaande ouderkop3.3893.4063.5023.5481e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden28.40629.69730.84831.9441e Inkomensafbouwgrens paren37.54539.07440.48841.7681e Inkomensafbouwpercentage7,10%7,60%8,05%8,50%2e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden––64.04365.2602e Inkomensafbouwgrens paren––64.04365.2602eInkomensafbouwpercentage––12,35%12,80%Vermogensgrens alleenstaanden141.896145.586119.008121.269Vermogensgrens paren179.429184.095158.595161.608 Vraag 6Hoe hoog is de tabelcorrectiefactor in 2025? Hoe hoog is deze in 2026,2027, 2028 en 2029 volgens verwachting?Antwoord 6Onderstaande tabel toont de verwachte ontwikkeling van de tabelcorrec-tiefactor in de komende jaren volgens de meest recente raming van hetCPB (CEP 2025):CEP 202520252026202720282029Tabelcorrectiefactor1,20%2,60%2,80%1,90%2,20% Vraag 7Gebruikt het ministerie of uitvoeringsinstanties algoritmes bij deuitvoering van het werk? Kunt u een limitatieve lijst geven?Antwoord 7Ja, zowel SZW als de uitvoeringsorganisaties gebruiken algoritmes.De onderstaande lijst met de actuele algoritmes per organisatie isgepubliceerd in het Rijksbrede algoritmenregister:Ministerie SZW–Risicomodel omzetdaling NOWUWV–Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS)–Vaststellingsmodel regres–Maatwerkscan–Klantapplicatie WW–Werkverkenner–Sollicitatiescan WW–Risicoscan Verwijtbare Werkloosheid–Kandidatenverkenner banenafspraak (KVB)–Digitale vragenlijst ziekmelding–KlantonderzoekenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 54 SVB–Beoordeling AOW-verstrekking–kinderbijslag–AIO-aanvulling–Sancties–Vrijwillige verzekering AOW en Anw–Preventie & Handhaving SWAN–Preventie & Handhaving Risicogericht onderzoekIB–Signaal vermogen saldo/rente–Signaal vermogen Box 3–Signaal Heffingskortingen–Signaal Kostendelers–Signaal start inkomstenverhouding–Signaal ondersteuning inkomstenverrekening bijstand–Signaal inkomsten Box 1–Signaal uitkering andere gemeente–Signaal Studiefinanciering–Signaal voortvluchtige veroordeelden–Samenloopsignalering–Signaal detentie (inclusief detentie buitenland)–Rapportage AOW-ers met AIONLA–IPA risicomodelVraag 8Wat zou het kosten om de arbeidseis te laten vervallen voor mensen dieernstig ziek zijn? Wat zou het kosten om de arbeidseis te laten vervallenvoor mensen die vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verlenen? Wat zouhet kosten om de arbeidseis te laten vervallen voor mensen die in de WetWerk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) zitten? En voor mensendie in de Participatiewet zitten?Antwoord 8Er is onvoldoende bekend over de omvang van de groep mensen dieernstig ziek zijn, vrijwilligerswerk verrichten, of mantelzorg verlenen, maargeen betaald werk verrichten om een accurate inschatting te maken vande meeruitgaven aan kinderopvangtoeslag als de kring van gerechtigdenwordt uitgebreid voor deze groepen. De kosten zijn afhankelijk van devormgeving en afbakening. De afbakening van deze groepen is overigensniet eenvoudig.Vraag 9Welke uitzonderingen zijn er op dit moment op de arbeidseis?Antwoord 9Een ouder heeft recht op kinderopvangtoeslag als de ouder voldoet aande arbeidseis. Deze arbeidseis is gedefinieerd in artikel 1.6 van de Wetkinderopvang. Op hoofdlijnen betekent dit dat een ouder betaald werkmoet hebben. Ook de eventuele partner van de ouder moet betaald werkhebben. Betaald werk is daarbij gedefinieerd als het verrichten vantegenwoordige arbeid waaruit inkomen uit werk en woning in de zin vande wet IB 2001 wordt genoten. Ook als de ouder zonder vergoedingmeewerkt in de onderneming van de partner valt dit onder de definitievan de arbeidseis.In artikel 1.6 van de Wko zijn groepen gedefinieerd die ook recht hebbenop kinderopvangtoeslag ondanks dat er geen sprake is van betaald werk(de zogenaamde uitzonderingen). Dit betreft ouders die andere activiteitenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 55 uitvoeren die gericht zijn op (toekomstig) werk of het vergroten van de(kansen op) arbeidsparticipatie. Op hoofdlijnen zijn dat deze groepen:•Een ouder die studeert•Een ouder die zich voorbereidt op betaalde arbeid met een «trajectnaar werk»•Een ouder die inburgeringsplichtig is en een inburgeringstraject volgt•Een ouder die werkt en een partner heeft met een Wlz-indicatie•Een ouder die werkt en een partner heeft in detentie (meer dan3 maanden).Op 23 januari 2025 was het commissiedebat Kinderopvang in de TweedeKamer. Daar heeft de Staatssecretaris van P&I de Tweede Kamertoegezegd om schriftelijk terug te komen op wat de arbeidseis in de Wetkinderopvang is en wat de bestaande uitzonderingen zijn. In die brief zalde Staatssecretaris van P&I nader ingaan op deze uitzonderingen. Deplanning is erop gericht deze brief voor het commissiedebat Kinder-opvang van 3 juli 2025 naar de Tweede Kamer te verzenden.Vraag 10Kunt u een overzicht geven van de taakstelling in het kader van de 22%besparing op apparaatskosten voor de komende vijf jaar?Antwoord 10Een van de maatregelen in het hoofdlijnenakkoord (HLA) is een bezui-niging bij de Rijksoverheid op het apparaat van in totaal € 1 miljard. VoorSZW gaat het om € 23 miljoen in 2025 oplopend tot € 99 miljoen vanaf2029 (zie tabel hieronder).Apparaatstaakstelling SZW Hoofdlijnenakkoord (bedragen x € 1 mln.)20252026202720282029– 23– 45– 68– 90– 99 Vraag 11Wat is de realisatie van deze taakstelling voor het jaar 2024 en wat is devoortgang voor 2025?Antwoord 11De apparaatstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord gaat in per 2025. Werichten ons voor dat jaar op een grotendeels financiële invulling en relatiefsnel te realiseren maatregelen. Het grootste bedrag komt uit apparaatsre-serves. Verder is er voor een beperkt bedrag een besparing ingeboekt opoverige personeelskosten (zoals bloemetjes en borrels) en de catering.Daarnaast worden vacatures die ontstaan als gevolg van pensioneringenniet ingevuld en wordt er terughoudend omgegaan met het invullen vanoverige vacatures. Ten slotte is er een bijdrage van het apparaatsbudgetvan de NLA.Vraag 12Welk deel van die taakstelling wordt ingevuld vanuit apparaatsgelden enwelk deel vanuit andere middelen en welke zijn dat?Antwoord 12SZW heeft de invulling van de taakstelling gesplitst in 2025 en 2026 enverder. De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in metreserves op het terrein van apparaat. Voor een beperkt bedrag wordt eenbesparing op zaken zoals de overige personeelskosten (bloemetjes enborrels) en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacatures dieontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van overige vacatures. TenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 56 slotte is er een bijdrage van het apparaatsbudget van de NederlandseArbeidsinspectie.Voor 2026 en volgende jaren gaat het om inhoudelijke afwegingen. Detaakstelling voor het kerndepartement SZW bouwt op tot € 39 miljoen in2029 en structureel. Dit komt neer op een percentage van circa 14% vanhet apparaatsbudget in 2029. Er zijn diverse plannen ontwikkeld voor deinvulling van dit deel van de taakstelling. Dit voorgenomen besluit ligtvoor advies bij de Ondernemingsraad. Daarnaast is afgesproken dat deNederlandse Arbeidsinspectie (NLA), UWV en SVB een bijdrage leverenaan de taakstelling. Deze bijdrage bedraagt 0,5% per jaar waarmee hetCPB rekent, oplopend naar 2% in 2029 en structureel. Dit komt neer op€ 4 miljoen voor NLA, € 49 miljoen voor UWV en € 7 miljoen voor SVB.Vraag 13Welke ICT-vernieuwingen zullen niet of later plaatsvinden als gevolg vande taakstelling op apparaatskosten?Antwoord 13Het is nog niet bekend of en welke ICT-vernieuwingen niet of laterplaatsvinden als gevolg van de apparaatstaakstelling.De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reservesop het terrein van apparaat. Voor een beperkt bedrag wordt een besparingop zaken zoals de overige personeelskosten en de catering ingeboekt.Daarnaast worden vacatures die ontstaan als gevolg van pensioneringenniet ingevuld en wordt er terughoudend omgegaan met het invullen vanvacatures.Voor 2026 en volgende jaren gaat het om inhoudelijke afwegingen. Er zijndiverse plannen ontwikkeld voor de invulling van dit deel van detaakstelling. Dit voorgenomen besluit ligt voor advies bij de Onderne-mingsraad.Vraag 14Welk deel van deze taakstelling valt neer bij uitvoeringsorganisaties enwat zijn hier de operationele gevolgen van?Antwoord 14Er zijn twee taakstellingen: de HLA-apparaatstaakstelling en detaakstelling OCW (dekking amendement Bontenbal c.s.) Afgesproken isdat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en de uitvoeringsorganisatieseen bijdrage leveren aan de HLA-apparaatstaakstelling. De NederlandseArbeidsinspectie (NLA) zit in de grondslag van beide taakstellingen. Deuitvoeringsorganisaties zijn meegenomen in de door de TK vastgesteldegrondslag van de aanvullende OCW-taakstelling (amendement Bontenbalc.s.). We zijn in gesprek over de invulling met onze uitvoerders. Deoperationele gevolgen zijn daarom nog niet bekend. Er wordt gekekennaar vereenvoudiging van wet- en regelgeving, maar ook naar bespa-ringen in bijvoorbeeld de bedrijfsvoering.De bijdrage van de uitvoeringsorganisaties aan de HLA-taakstellingbedraagt 0,5% per jaar waarmee het CPB rekent, oplopend naar 2% in2029 en structureel. Dit komt neer op structureel circa € 49 miljoen voorUWV, circa € 7 miljoen voor de SVB en circa € 4 miljoen voor de NLA.Bijdrage uitvoeringsorganisaties HLA-taakstelling (x € 1 mln.)20252026202720282029Bijdrage SVB01,83,65,57,3Bijdrage UWV11,723,836,348,7Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 57 20252026202720282029Bijdrage NLA1,01,02,03,04,0 Vraag 15Welke kaders hanteert u voor het realiseren van de taakstelling op deapparaatsuitgaven?Antwoord 15Voor de apparaatstaakstelling in 2025 hebben we gekozen voor eengrotendeels financiële invulling uit de apparaatsreserves met relatief snelte realiseren maatregelen. Voor 2026 en volgende jaren gaat het ominhoudelijke afwegingen en keuzes. Er zijn diverse plannen ontwikkeldvoor de invulling. Dit voorgenomen besluit ligt voor advies bij deOndernemingsraad.De keuzes in het voorgenomen besluit zijn genomen langs de lijn van debeleidsprioriteiten en door te focussen op speerpunten van het regeerpro-gramma. Verder is het de bedoeling dat ambtenaren de mogelijkhedenom het werk slimmer en efficiënter te doen, beter benutten.Vraag 16Kunt u een overzicht geven in de ontwikkeling van externe inhuur in deafgelopen vijf jaar en de doelstelling voor de komende vijf jaar?Antwoord 16De percentages externe inhuur van SZW in de afgelopen vijf jaar:JaarPercentage20204,2%20216,5%20228,1%20238,8%20247,9% Hiermee blijft SZW onder de Rijksbrede Roemer-norm van 10%.SZW heeft de ambitie dit percentage de komende jaren verder te latendalen maar heeft daarvoor geen percentage gekozen als streefwaarde. Eris een aantal ontwikkelingen die zorgen voor een verdere daling:1.De ontwikkeling van het percentage externe inhuur houdt voor eenbelangrijk deel verband met werkzaamheden die gedaan worden voorde uitvoering van de subsidie Noodmaatregel Overbrugging Werkgele-genheid (NOW). Deze zijn tijdelijk van aard en aflopend.2.SZW zet in op verambtelijking, dat wil zeggen de vervanging vanexterne inhuur door eigen personeel.Vraag 17Kan een volledig overzicht gegeven worden van de voorstellen voorkoopkrachtmaatregelen in Caribisch Nederland (zowel bij SZW alseventueel bij andere ministeries, als algemeen), zowel waar het gaat omenergie, drinkwater, internet, etc?Antwoord 17Met de Miljoenennota 2025 is structureel € 9 miljoen gereserveerd om dekoopkracht voor inwoners in Caribisch Nederland te verbeteren.Daarnaast is in 2026 € 4 miljoen en vanaf 2027 structureel € 5,8 miljoenextra beschikbaar gesteld uit de «groepen in de knel»-envelop voor (onderandere) koopkrachtverbetering in Caribisch Nederland. Deze maatregelenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 58 zijn in de Voorjaarsnota 2025 uitgewerkt en verwerkt in verschillendesuppletoire begrotingswetten (zie tabel). Het pakket met maatregelen isgericht op het versterken van de koopkracht voor zowel ouders, minima-en middeninkomens in Caribisch Nederland. Voor een nadere toelichtingper maatregel, wordt verwezen naar de onlangs door de Staatssecretarisvan Koninkrijksrelaties en Digitalisering verstuurde Kamerbrief over dekoopkrachtmaatregelen Caribisch Nederland (Kamerstukken II, 2024/25,36 600 IV, nr. 65).Tabel: Koopkrachtmaatregelen Caribisch Nederland€20252026202720282029Struc.Begrotingshoofdstuk1. Energietoelage minimahuishoudens440000XV (SZW)2. Intensivering lokaal beleid kinderarmoede0,50,50000XV (SZW)3. Aanvullende telecomsubsidie2,52,50000XIII (EZ)4. Aanvullende subsidie drinkwater1,51,50000XII (IenW)5. Aanvullende subsidie elektra110000XXIII (KGG)6. Reservering inkomensafhankelijke kindregeling0010,810,810,810,8AP7. Werken met een afstand tot de arbeidsmarkt044444XV (SZW)Totaal9,513,514,814,814,814,8Resterend voor koopkracht CN000,50,50,50,5AP Vraag 18Hoe wordt de beschikbare € 9 miljoen waar eerder in de debatten bij decommissie Koninkrijksrelaties uitgebreid over is gesproken, verdeeld c.q.besteed? Hoe was in 2023 en 2024 de ondersteuning op deze terreinen(hoeveel en voor welke onderwerpen)?Antwoord 18Voor de besteding van het volledige koopkrachtpakket voor CaribischNederland wordt verwezen naar het antwoord op vraag 17.Van de in 2025 genomen maatregelen zijn de aanvullende subsidies opelektra, drinkwater en telecom, alsmede de energietoelage voor minima-huishoudens ook in 2023 en/of 2024 verstrekt. Deze maatregelen zijnadditioneel aan de structurele subsidies die het Rijk verstrekt ten behoevevan de betaalbaarheid van elektra, drinkwater en telecom in CaribischNederland. Daarbij wordt opgemerkt dat het budget voor elektra in 2023hoger was als onderdeel van het prijsplafond dat op dat moment vankracht was. De aanvullende maatregelen in 2024 waren onderdeel van eengroter pakket aan koopkrachtmaatregelen (waaronder het verhogen vanhet minimumloon, de minimumuitkeringen en kinderbijslag) in lijn methet advies van de Commissie sociaal minimum Caribisch Nederland.x € 1 mln.20232024202520262027Struc.Energietoelage minimahuishoudens74,54400Aanvullende telecomsubsidie01,32,52,500Aanvullende subsidie drinkwater01,21,51,500Aanvullende subsidie elektra12,67,81100 Vraag 19Wat betekenen de voorgestelde maatregelen voor de koopkracht opBonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden), graag uitgesplitst voorverschillende groepen?Antwoord 19Omdat een raming van lonen en prijzen voor Caribisch Nederlandontbreekt, is het niet mogelijk om de koopkrachtontwikkeling voorhuishoudens in Caribisch Nederland te berekenen. Op 21 mei jl. heeft deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 59 Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een briefgestuurd met een toelichting op de voorgestelde maatregelen voorCaribisch Nederland (Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 IV, nr. 65).Het kabinet kan wel het inkomenseffect van de maatregelen tonen. Dat ishet effect van een maatregel op het besteedbaar inkomen van eenhuishouden. Onder andere de energietoeslag van 1.300 USD per jaarwordt verlengd in 2025 en 2026. Voor een alleenstaande met een inkomenop minimumloon zorgt dat in 2025 voor een inkomenseffect van 6,0% opBonaire en Sint Eustatius, op Saba is dat 6,1%.Daarnaast wordt de aanvullende subsidie van 15 USD per maand voorinternet verlengd in 2025 en 2026. Voor een alleenstaande met eeninkomen op minimumloon zorgt dat in 2025 voor een inkomenseffect van0,8% op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De aanvullende subsidie voorelektra wordt met circa 10 USD per maand verhoogd in de tweede helftvan 2025 en circa 5 USD per maand in 2026. De tarieven voor inwonersworden hierdoor verlaagd.1 Voor een alleenstaande met een inkomen opminimumloon zorgt dat in 2025 (hele jaar) voor een inkomenseffect van0,3% op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In 2024 was het drinkwatertariefmet 6 USD per maand verlaagd. Dit wordt verlengd in de tweede helft van2025 en in 2026 naar ongeveer hetzelfde niveau als 2024. Daarmee zorgtdit voor een alleenstaande met een inkomen op minimumloon voor eeninkomenseffect van 0,2% in 2025 (hele jaar) voor Bonaire, Sint Eustatiusen Saba.Vraag 20De regering maakt € 4 miljoen vrij voor mensen met een afstand tot dearbeidsmarkt op BES-eilanden, wat wordt daar precies mee gedaan? Watzijn de meetbare doelen die daarmee bereikt moeten worden?Antwoord 20De regering maakt sinds 2022 incidenteel middelen vrij voor instrumentendie mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt op de BES-eilandennodig hebben om te kunnen werken. Specifiek gaat het over de instru-menten beschut werk, loonkostensubsidie en jobcoaching. In EuropeesNederlandse gemeenten behoren deze tot standaard dienstverleningvanuit de Participatiewet. De € 4 miljoen maakt deze inzet structureelmogelijk. Dit is het bedrag dat de openbare lichamen BES nodig hebbenvoor het continueren van de huidige inzet.In het najaar van 2025 vindt er onderzoek plaats naar de doelmatigheid endoeltreffendheid van de instrumenten. Op basis van de resultaten wordennieuwe meetbare doelen gedefinieerd voor de toekomstige inzet van demiddelen.Vraag 21Hoeveel mensen in Nederland verdienen een modaal inkomen? Hoeveeldaarvan zijn werknemer?Antwoord 21Het modaal inkomen wordt door het Centraal Planbureau (CPB) geraamdals de meest voorkomende inkomensgroep onder werknemers. Hetmodale inkomen wordt door het CPB geschat op een bruto-inkomen van€ 41.500 in 2023 (in 2025: € 46.500). Hoeveel mensen precies een modaalinkomen verdienen is niet goed vast te stellen. Wel kan worden vastge-steld hoeveel mensen ongeveer een modaal inkomen verdienen.1Per abuis is in de brief opgenomen dat dit gaat om een verlaging van de subsidie. Het gaatechter om een gedeeltelijke verlenging van de subsidie en daarmee verlaging van het vasteelektratarief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 510 Onderstaande tabel toont daartoe de verdeling van het bruto-inkomen vanpersonen in Nederland in 2023. Hieruit blijkt dat ongeveer 1 miljoenwerknemers een bruto-inkomen hadden van tussen de € 40.000 en€ 50.000 in 2023.Tabel: Aantal personen (x 1 mln.) naar inkomensklasse bruto-inkomen (totaal enwerknemers)Inkomensklasse (bruto-inkomen)1Aantal personen metinkomenAantal personen metinkomen: sociaaleco-nomische categoriewerknemerTotaal14,37,0Inkomen: minder dan 10.000 euro1,60,1Inkomen: 10.000 tot 20.000 euro2,20,4Inkomen: 20.000 tot 30.000 euro2,30,7Inkomen: 30.000 tot 40.000 euro1,70,9Inkomen: 40.000 tot 50.000 euro1,51,0Inkomen: 50.000 tot 100.000 euro3,93,0Inkomen: 100.000 tot 200.000 euro1,00,8Inkomen: 200.000 euro of meer0,10,11 het bruto modale inkomen in 2023 bedroeg € 41.500.Bron: CBS, statline, geraadpleegd 26-05-2025 (https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83931NED/table?dl=C13B7) Vraag 22Hoe hoog is het mediane bruto-inkomen (niet-gestandaardiseerd, zondertoeslagen) in Nederland in 2025? Hoe hoog is dat van zelfstandigenzonder personeel (zzp’ers) en hoe hoog is dat van werknemers?Antwoord 22Precieze cijfers over het mediane bruto-inkomen zijn niet beschikbaar. Welpubliceert CBS-cijfers hoeveel personen er een bruto-inkomen hebbenbinnen verschillende inkomensklasse. Dit geeft inzicht in de bruto-inkomensverdeling van werknemers en zelfstandigen. De onderstaandetabel laat het aantal personen, met uitsplitsing naar werknemers enzelfstandigen, met een persoonlijk bruto-inkomen per inkomensklassezien. Het persoonlijk bruto-inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomenuit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkeringsociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag en kindge-bonden budget). De tabel bevat voorlopige cijfers van 2023 (recenterecijfers zijn op dit moment niet beschikbaar). Uit deze tabel blijkt dat hetmediane bruto-inkomen voor werknemers zich bevindt in de inkomens-klasse 50.000 tot 100.000 euro. Het mediane bruto-inkomen voorzelfstandigen zit in de inkomensklasse 40.000 tot 50.000 euro.Tabel: Aantal personen met persoonlijke bruto-inkomen naar inkomensklassen in2023 (voorlopige cijfers).Kenmerken van personenTotaalpersonenSEC:werknemer1SEC:zelfstandige1Inkomensklassenx 1.000x 1.000x 1.000Inkomen: minder dan 10.000 euro1.593,8148,6154,2Inkomen: 10.000 tot 20.000 euro2.217,2356,9162,9Inkomen: 20.000 tot 30.000 euro2.297,6703,9155,4Inkomen: 30.000 tot 40.000 euro1.729,8928,7150,6Inkomen: 40.000 tot 50.000 euro1.484,9974,3148,3Inkomen: 50.000 tot 100.000 euro3.879,72.984,8476,9Inkomen: 100.000 tot 200.000 euro1.022818160,4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 511 Kenmerken van personenTotaalpersonenSEC:werknemer1SEC:zelfstandige1Inkomensklassenx 1.000x 1.000x 1.000Inkomen: 200.000 euro of meer123,793,424,41 SEC: werknemer en zelfstandige: Persoon waarvoor het inkomen uit arbeid of inkomen alszelfstandige de voornaamste inkomensbron is.Bron: CBS Statline: Inkomen van personen; inkomensklassen, persoonskenmerken. Geraad-pleegd op 24-05-2025. Vraag 23Hoeveel zzp’ers zijn er op dit moment actief in Nederland, uitgesplitstnaar: totaal aantal, fulltime vs. parttime en sector (bouw, zorg, IT, creatieveberoepen, etc.)?Antwoord 23De onderstaande tabellen geven inzicht in de verdeling van het aantalmomenteel actieve zzp’ers in Nederland, uitgesplitst naar voltijd tenopzichte van deeltijd en naar sector. In 2024 werkten er 519.000 zzp’ers indeeltijd en 744.000 zzp’ers in voltijd. Verder werkten er in 2024 132.000zzp’ers in de bouwnijverheid, 162.000 in de gezondheids- en welzijnszorgen 85.000 in de cultuur, sport en recreatie.Tabel: Aantal zzp’ers uitgesplitst naar: totaal aantal, voltijd en deeltijd in 2024.OnderwerpWerkkring: zelfst.zonder personeel (zzp)1Werkzame beroepsbevolkingx 1.0001.262Deeltijdx 1.000519Voltijdx 1.000744Gemiddelde arbeidsduur in urenuren35,61 Een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht in een eigen bedrijf of praktijk(zelfstandig ondernemer) of als directeur-grootaandeelhouder (dga) en die geen personeel indienst heeft. Overige zelfstandigen worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend.Als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, dan wordt uitgegaan van de baan ofwerkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.Bron: CBS Statline: Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur. Geraadpleegd op 24-05-2025. Tabel: Aantal zzp’ers uitgesplitst naar sector in 2024.PersoonskenmerkenWerkkring: zelfst.zonder personeel (zzp)1Bedrijfstakken/branches (SBI 2008)x 1.000A–U Alle economische activiteiten1.262A Landbouw, bosbouw en visserij50B Delfstoffenwinning1C Industrie42D Energievoorziening2E Waterbedrijven en afvalbeheer1F Bouwnijverheid132G Handel95H Vervoer en opslag44I Horeca33J Informatie en communicatie85K Financiële dienstverlening21L Verhuur en handel van onroerend goed11M Specialistische zakelijke diensten266N Verhuur en overige zakelijke diensten67O Openbaar bestuur en overheidsdiensten6P Onderwijs83Q Gezondheids- en welzijnszorg162Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 512 PersoonskenmerkenWerkkring: zelfst.zonder personeel (zzp)1Bedrijfstakken/branches (SBI 2008)x 1.000R Cultuur, sport en recreatie85S Overige dienstverlening62T Huishoudens1U Extraterritoriale organisaties0SBI-code onbekend131 Een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht in een eigen bedrijf of praktijk(zelfstandig ondernemer) of als directeur-grootaandeelhouder (dga) en die geen personeel indienst heeft. Overige zelfstandigen worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend.Als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, dan wordt uitgegaan van de baan ofwerkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.Bron: CBS Statline: Werkzame beroepsbevolking; bedrijf. Geraadpleegd op 24-05-2025. Vraag 24Hoeveel zzp’ers werken uitsluitend met eigen arbeid voor zakelijkeopdrachtgevers?Antwoord 24We weten alleen hoeveel zzp’ers uitsluitend met eigen arbeid werken, enhoeveel zzp’ers uitsluitend voor zakelijke opdrachtgevers werken. Dit zijnaparte bronnen; gecombineerde gegevens zijn niet beschikbaar.Het aantal zzp’ers2 dat met eigen arbeid werkt was in 2024 1.079.000.Uit de Zelfstandige Enquête Arbeid van 2023 werd aan zelfstandigengevraagd of hun opdrachtgevers en/of klanten vooral bedrijven/organisaties of particulieren zijn. Hieruit bleek dat 48,8% vooral voorbedrijven/organisaties werkt, 34,5% vooral voor particulieren en 16,7%voor beide evenveel.3Vraag 25Wat is de ontwikkeling geweest van het aantal zzp’ers in de afgelopen 10,20 en 30 jaar?Antwoord 25De onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van het aantal zelfstan-digen van 1995–2024. Daaruit blijkt dat het aantal zelfstandigen sinds 2003is toegenomen. In die periode is de beroepsbevolking, namelijk het aantalmensen in Nederland dat betaald werk verricht of actief op zoek is naarwerk en daarvoor direct beschikbaar is, ook toegenomen. Het aantalzzp’ers is in die periode echter sneller gestegen dan de gehele beroepsbe-volking. Op dit moment werkt namelijk ongeveer 13% van de beroepsbe-volking als zzp’er, in 2003 bedroeg dit nog 8%.2Een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht in een eigen bedrijf of praktijk(zelfstandig ondernemer) of als directeur-grootaandeelhouder (dga), geen personeel in dienstheeft en vooral eigen arbeid of diensten aanbiedt. Overige zelfstandigen worden ook tot dezzp-eigen arbeid gerekend. Als een persoon meer dan één baan of werkkring heeft, dan wordtuitgegaan van de baan of werkkring waaraan de meeste tijd wordt besteed.3Bron: CBS Statline: Werkzame beroepsbevolking; bedrijf. Geraadpleegd op 24-05-2025.Bron: TNO: Zelfstandigen Enquête Arbeid 2023 – Resultaten in Vogelvlucht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 513 Vraag 26Hoeveel startende zzp’ers zijn er jaarlijks, en hoeveel daarvan beëindigenbinnen 1, 2 en 5 jaar hun ondernemerschap?Antwoord 26Uit cijfers van het CBS blijkt dat het aantal startende zzp’ers4 in hetafgelopen decennium gestegen is van 189.700 in 2012 naar 318.200 in2022.2017 is het meest recente startjaar waarvan al bekend is hoeveel van dezestartende zzp’ers na vijf jaar nog steeds zzp’er zijn. De onderstaande tabelbevat het aantal startende zzp’ers in 2017 dat na één tot vijf jaar nog zzp’eris. In het peiljaar 2017 zijn er 219.500 zzp’ers gestart. Na één jaar is bijna30% van hen gestopt. Een jaar later, twee jaar na de start van hetondernemerschap dus, stopt nog eens ongeveer 10% van de zzp’ers.Ongeveer de helft van de startende zzp’ers in 2017 is na vijf jaar nogsteeds zzp’er.Aantal zzp’ers 1–5 jaar na startjaar 2017Peiljaar 2017Zelfstandige zonderpersoneel (zzp)1 jaar na startjaarx 1.000155,42 jaar na startjaarx 1.000133,13 jaar na startjaarx 1.000111,34 jaar na startjaarx 1.000108,45 jaar na startjaarx 1.000101,5Bron: CBS Statline: Startende zelfstandigen; loopbaan. Geraadpleegd op 24-05-2025.Bron: CBS Statline: Startende zelfstandigen; positie jaar eerder, SBI 2008, kenmerken. Vraag 274Een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht in een eigen bedrijf of praktijk(zelfstandig ondernemer) of als directeur-grootaandeelhouder (dga) en die geen personeel indienst heeft. Overige zelfstandigen worden ook tot de zelfstandigen zonder personeelgerekend.Bron: CPB: Raming februari 2025 (CEP 2025); verzamelde bijlagen met lange reeksen t/m 2029(MLT).Bron: CBS: Statline: Werkzame beroepsbevolking; beroep, 2003–2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 514 Wat is de gemiddelde leeftijd, geslacht en opleidingsniveau van zzp’ers in2024?Antwoord 27De onderstaande tabel geeft het aantal zzp’ers weer uitgesplitst naarleeftijd, opleidingsniveau en geslacht. Dit betreft voorlopige cijfers van hetCBS over 2023. Recentere cijfers zijn nog niet beschikbaar. Hieruit blijktdat zzp’ers vaker man zijn en hoogopgeleid, en dat het merendeel van dezzp’ers ouder is dan 45 jaar.Tabel: Aantal zzp’ers1 uitgesplitst naar leeftijd, opleidingsniveau en geslacht in 2023(voorlopige cijfers)Totaal mannenen vrouwenMannenVrouwenx 1.000x 1.000x 1.000Totaal personen1.901,51.138,7762,8Leeftijd0 tot 25 jaar187,7107,480,325 tot 35 jaar335,9199,8136,235 tot 45 jaar367,6215,3152,345 tot 55 jaar401,923117155 tot 65 jaar376,2225151,265 tot 75 jaar188,2128,16075 jaar of ouder4432,111,9Opleidingsniveau1 Basisonderwijs, vmbo, mbo1289,8200,489,62 Havo, vwo, mbo2–4783477,4305,73 Hbo, wo828,7460,9367,51 Een persoon die voor eigen rekening of risico arbeid verricht in een eigen bedrijf of praktijk(zelfstandig ondernemer) of als directeur-grootaandeelhouder (dga) en die geen personeel indienst heeft. Overige zelfstandigen worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend.Bron: CBS Statline: Zelfstandigen; persoonskenmerken en bedrijfstak (SBI 2008). Geraad-pleegd op 24-05-2025. Vraag 28Welke vijf beroepen of branches kennen de grootste groei in het aantalzzp’ers sinds 2013?Antwoord 28De vijf sectoren met de grootste groei in het aantal zzp’ers (in absoluteaantallen) sinds 2013 zijn: Specialistische zakelijke diensten (137.000),Bouwnijverheid (100.000), Onderwijs (83.000), Verhuur en overigezakelijke diensten (58.000) en Cultuur, sport en recreatie (38.000).5Vraag 29Welk aandeel van de zzp’ers geeft aan «gedwongen zzp’er» te zijn (doorontslag of gebrek aan vaste baan)?Antwoord 29Hier zijn geen exacte cijfers van beschikbaar. Wel kunnen we op basis vanenquêtecijfers inzicht geven in de keuze om zelfstandige te zijn. Zo geeft 1op de 10 zelfstandigen aan dat wanneer zij vrij mochten kiezen, ze liever inloondienst zouden werken.Ook geeft een klein deel van de zelfstandigen aan dat zij niet geheelvrijwillig als zelfstandige zijn gaan werken. Wanneer gevraagd wordt naarredenen om als zelfstandige te gaan werken antwoordt 8,6% van de5Bron: CBS Statline: Zelfstandigen; persoonskenmerken en bedrijfstak (SBI 2008). Geraadpleegdop 24-05-2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 515 zelfstandigen «ik kon geen geschikte baan vinden als werknemer (inloondienst)». Voor 6,6% van de zelfstandigen geldt dat zij zelfstandige zijngeworden omdat zij zijn ontslagen of omdat hun vorige contract niet isverlengd. Een op de 25 zelfstandigen geeft aan dat hun werkgever wildedat zij als zelfstandige gingen werken.6Vraag 30Welke fiscale regelingen (zelfstandigenaftrek, startersaftrek, Midden- enkleinbedrijf (Mkb-)winstvrijstelling) gelden voor zzp’ers per 2025? Hoeveelbelasting is door zzp’ers afgetrokken via die regelingen in de periode2015–2024?Antwoord 30Zelfstandigen die daarvoor in aanmerking komen kunnen in 2025gebruikmaken van de zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, starters-aftrek, startersaftrek voor arbeidsongeschikten, meewerkaftrek, stakings-aftrek, terbeschikkingstellingsvrijstelling, willekeurige afschrijving startersen aftrek speur- en ontwikkelingswerk. Het budgettair belang (x € 1 mln.)van deze regelingen is weergegeven in onderstaande tabel voor deperiode 2016–2024.201620172018201920202021202220232024Zelfstandigenaftrek1.6521.7691.8821.8601.7521.6921.7011.3671.055MKB-winstvrijstelling1.6881.8642.0312.1292.0032.1932.4152.5012.538Startersaftrek9599108110109110120120123Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid111111Meewerkaftrek888877777Stakingsaftrek151618171717171718Terbeschikkingstellings-vrijstelling191821222122212122Willekeurige afschrijving starters177788Aftrek speur- en ontwikkelingswerk1544441 raming voor eerdere jaren niet beschikbaar Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag de Minister van Financiën.Vraag 31Wat is het gemiddelde uurloon of gemiddelde omzet van zzp’ers, naarsector?Antwoord 31Er zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar over de uurtarieven vanzelfstandigen.In onderstaande tabel is het gemiddeld inkomen van zzp’ers opgenomen(waarvan het hoofdinkomen bestaat uit het werk als zzp’er) over 2022 en2023 uitgesplitst naar bedrijfstak.Bedrijfstakken/branches (SBI2008)Zelfstandige, voornaamste inkomenInkomen van zelfstandigen zonder personeelGemiddeld inkomen als zelfstandige202220231.000 euroA–U Alle economische activiteiten46,048,0A Landbouw, bosbouw en visserij48,950,4B Delfstoffenwinning65,8.6Bron: TNO: Zelfstandigen Enquête Arbeid 2023 – Resultaten in Vogelvlucht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 516 Bedrijfstakken/branches (SBI2008)Zelfstandige, voornaamste inkomenInkomen van zelfstandigen zonder personeelGemiddeld inkomen als zelfstandige202220231.000 euroC Industrie42,547,4D Energievoorziening59,2.E Waterbedrijven en afvalbeheer44,9.F Bouwnijverheid45,447,0G Handel33,839,1H Vervoer en opslag40,841,6I Horeca31,433,7J Informatie en communicatie63,667,4K Financiële dienstverlening70,268,7L Verhuur en handel van onroerend goed56,763,7M Specialistische zakelijke diensten61,664,5N Verhuur en overige zakelijke diensten39,041,4O Openbaar bestuur en overheidsdiensten22,1.P Onderwijs31,833,9Q Gezondheids- en welzijnszorg47,252,3R Cultuur, sport en recreatie30,130,7S Overige dienstverlening19,821,4T Huishoudens..U Extraterritoriale organisaties..Bron: CBS Statline: Zelfstandigen; inkomen, bedrijfstak. Geraadpleegd op 28 mei 2025. Vraag 32Hoe groot is het fiscale voordeel voor zzp’ers gemiddeld (in euro’s ofprocenten) ten opzichte van werknemers?Antwoord 32Onderstaande figuur geeft het verschil in belastingdruk weer tussen eenwerkende en een zelfstandige (IB-ondernemer). Hierbij is uitgegaan vaneen alleenstaande belastingplichtige, zonder kinderen. Verder is aange-nomen dat de winst van de IB-ondernemer gelijk is aan de totalewerkgeverslasten van de werknemer (dus brutoloon plus werkgevers-premies).Vraag 33Hoeveel zzp’ers maken gebruik van inkomens- of investeringsaftrek (bijv.kleinschaligheidsinvesteringsaftrek)?Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 517 Antwoord 33Onderstaande tabel geeft per regeling een overzicht van het aantalondernemers dat in 2021 gebruikmaakt van de betreffende inkomens- ofinvesteringsaftrek. De aantallen zijn per regeling en kunnen dus niet bijelkaar opgeteld worden (omdat ondernemers vaak gebruikmaken vanmeerdere regelingen tegelijk).Aantal 2021Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek290.000Investeringsaftrek Milieu / Energie13.800Zelfstandigenaftrek993.000MKB-winstvrijstelling1.230.000Meewerkaftrek19.800Stakingsaftrek16.600Terbeschikkingstellingsvrijstelling83.400Aftrek speur- en ontwikkelingswerk1.000Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid800 Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag de Minister van Financiën.Vraag 34Welke pensioen en/of Arbeidsongeschiktheidsverzekering-regelingengebruiken zzp’ers het meest (lijfrente, pensioen-BV, banksparen)?Antwoord 34ArbeidsongeschiktheidsverzekeringOnderstaande grafiek maakt inzichtelijk welke type voorziening zelfstan-digen, die niet ook werknemer zijn, hebben voor arbeidsongeschiktheid:7Hieruit blijkt dat ongeveer een kwart van de zelfstandigen een verzekeringheeft die uitkeert bij arbeidsongeschiktheid. Aan de andere kant heeftongeveer een derde van de zelfstandigen helemaal geen voorzieningtegen arbeidsongeschiktheid. Deze groep loopt daarmee het grootsterisico op een sterke inkomensterugval bij arbeidsongeschiktheid. Tussendeze twee groepen in zitten zelfstandigen die wel een voorziening hebbenom op terug te vallen, zoals spaargeld, ander soort vermogen of partner-inkomen. Zij hebben het risico op inkomensverlies door arbeidsonge-schiktheid alleen onder voorwaarden, of niet langdurig afgedekt. Dit soortsituaties kunnen kwetsbaar zijn. Gezien bovenstaande wordt op dit7CBS en TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid 2023 (ZEA)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 518 moment gewerkt aan een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekeringvoor zelfstandigen (Wet Baz).PensioenenUit cijfers van het CBS8 lijkt dat van de ruim 1 miljoen zelfstandigenongeveer 80% aanspraken heeft in de tweede pijler (collectieve pensioen-regeling). Daarnaast zijn er nog zo’n 90 duizend zelfstandigen met eenindividuele pensioenvoorziening in de derde pijler. DNB9 heeft onderzochtin welke mate de derde pijler als compensatie dient voor het gebrek aanopbouw in de tweede pijler. Zij geven aan dat zelfstandigen met eentweede pijlerpensioen gemiddeld meer premie inleggen in de derde pijlerdan degenen zonder tweede pijlerpensioen. Over het geheel genomen,vormt de derde pijler maar zeer beperkt compensatie voor de tweedepijler. Aanvullend blijkt uit het IBO Pensioenopbouw in balans10 dat voorde lage inkomens de AOW (eerste pijler) voldoende is om het pensioenin-komen volledig te vervangen. Zelfstandigen met een middeninkomen(44% van het totaal aantal zelfstandigen) zullen het illiquide vermogen(o.a. verkoop eigen woning) moeten aanspreken om de levensstandaardna pensionering te behouden.Vraag 35Hoeveel zzp’ers vallen onder de Werkloosheidswet(WW)- enZiektewet(ZW)-verzekeringen (bij vrijwillige aansluiting)?Antwoord 35Uit de informatie waarover UWV beschikt ten aanzien van vrijwilligeaansluiting van zzp’ers bij de WW en ZW, volgt dat er circa 11.000 zzp’ersvrijwillig zijn verzekerd voor de ZW. Voor de WW zijn er momenteel geenzzp’ers vrijwillig verzekerd.Vraag 36Welke wetten en artikelen (Burgerlijk Wetboek (BW), Wet dereguleringbeoordeling arbeidsrelaties (DBA), etc.) zijn relevant voor de kwalificatievan zzp-werkrelaties?Antwoord 36De definitie van de arbeidsovereenkomst is vastgelegd in artikel 7:610 vanhet Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat sprake is van eenarbeidsovereenkomst indien de ene partij, de werknemer, zich verbindt indienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekeretijd arbeid te verrichten. Dit artikel is dwingendrechtelijk van aard. Ditbetekent dat sprake is van een arbeidsovereenkomst indien aan dezeomschrijving is voldaan, ook als partijen dat niet hebben beoogd. Indienniet is voldaan aan de omschrijving van art. 7:610 BW, dan kan het werkbijvoorbeeld worden verricht op basis van de overeenkomst van opdracht(art. 7:400 BW). De zzp-werkrelatie is als zodanig niet wettelijk geregeld.Artikel 7:610 BW definieert de arbeidsovereenkomst en deze definitiewerkt rechtstreeks door naar de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB1964) en de werknemersverzekeringswetten, en is daarmee van grootbelang voor de loonbelasting, premieheffing en uitkeringen.8CBS, Werknemers zonder pensioen 20229DNB, Werkenden zonder pensioenopbouw10IBO Pensioenopbouw in balansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 519 Daarnaast bevatten de Wet LB 1964 en de materiewetten nog enkelefictieve dienstbetrekkingen11. Het gaat dan onder meer om thuiswerkers,artiesten, uitzendkrachten en andere specifieke categorieën arbeidsrelatiesdie voldoen aan de wettelijke voorwaarden met betrekking tot duur ofomvang van de arbeid en/of de hoogte van de beloning. Als aan dievoorwaarden wordt voldaan, wordt de arbeidsrelatie voor de heffing vanloonheffing en/of premies werknemersverzekering en inkomensafhanke-lijke bijdrage Zorgverzekeringswet aangemerkt als een dienstbetrekking.Een aantal van deze ficties kunnen vooraf schriftelijk worden uitgeslotendoor partijen.Met de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) is enkel deVerklaring Beoordeling Arbeidsrelaties (VAR) per mei 2016 afgeschaft12.De Wet DBA is dus niet relevant voor de kwalificatie van arbeidsrelaties.Vraag 37Hoeveel handhavingsacties heeft de Belastingdienst dit jaar ondernomenop het gebied van schijnzelfstandigheid.Antwoord 37In het kader van de motie Palland wordt periodiek aan de Kamer gerap-porteerd over de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties door deBelastingdienst in de vorm van ingezette uren en gerealiseerde productenweergegeven. De laatste rapportage heeft plaatsgevonden in de briefwerken met en als zelfstandige van 27 maart jl.Hieronder de aantallen boekenonderzoeken en bedrijfsbezoeken over deperiode 1 januari 2025 tot en met april 2025.OnderhandenAfgerondTotaalBedrijfsbezoeken397199596Boekenonderzoeken15356209 Naast de geregistreerde bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken, zijn ermeer effecten bereikt die als resultaat kunnen worden gekwalificeerdmaar die niet afzonderlijk geregistreerd worden. Het betreft het geven vaninformatie, uitleg of voorlichting/toelichting door loonheffing-specialistentijdens bedrijfsbezoeken met als doel de betrokken opdrachtgever teondersteunen bij het juist kwalificeren van de arbeidsrelatie(s) door hetgoed toepassen van de fiscale regels. Daarnaast zijn er door hetmarktteam van de Belastingdienst 73 voorlichtingsgesprekken gevoerd/gepland in de periode 1 januari 2025 tot en met 1 juni 2025.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 38Wat is het aantal naheffingsaanslagen voor schijnzelfstandigheid in 2025?Antwoord 3811Een fictieve dienstbetrekking is een arbeidsverhouding die niet voldoet aan alle kenmerkenvan een arbeidsovereenkomst (loon, persoonlijke arbeid en gezag), maar voor de loonbe-lasting en/of de werknemersverzekeringen wel als een dienstbetrekking wordt beschouwd.Voorbeelden zijn onder andere de fictieve dienstbetrekking voor tussenkomst, sexwerk,thuiswerk, gelijkgestelden en voor leerlingen en stagiairs.12Stb. 2016, 45. Deze wet is op 1 mei 2016 in werking getreden bij besluit van 8 april 2016, Stb.2016, 166.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 520 In het kader van de «zachte landing» wordt in het kalenderjaar 2025 inbeginsel gestart met een bedrijfsbezoek. Afhankelijk van de uitkomst vaneen bedrijfsbezoek kan de Belastingdienst overgaan tot het instellen vaneen boekenonderzoek, bijvoorbeeld indien sprake is van grote risico’s ofingeschat wordt dat de opdrachtgever (blijft) werk(t)(en) met schijnzelf-standigen. Over het kalenderjaar 2025 zijn nog geen naheffingenopgelegd.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 39Hoeveel modelovereenkomsten (DBA) zijn sinds 2016 ingediend enhoeveel daarvan zijn afgekeurd of aangepast?Antwoord 39Er zijn sinds 2016 ruim 8.000 modelovereenkomsten aan de Belasting-dienst voorgelegd, waarvan het overgrote deel door individuele opdracht-gevers en/of opdrachtnemers. Van die voorgelegde en afgehandeldeovereenkomsten is ongeveer 25% goedgekeurd, dat wil zeggen door deBelastingdienst beoordeeld dat als gewerkt wordt conform de overeen-komst, de werkzaamheden buiten dienstbetrekking kunnen wordenverricht. Bijna 40% van de voorgelegde overeenkomsten zijn«afgebroken» en bijna 35% is afgewezen.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 40Wanneer is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) ingevoerd en afgeschaft, enwat waren de concrete resultaten?Antwoord 40De Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) is in 2001 ingevoerd zonder volledigvrijwarende werking voor de opdrachtgever.13 De vrijwarende werkingvoor de opdrachtgever werd per 2005 ingevoerd via de Wet uitbreidingrechtsgevolgen VAR.14 De VAR betrof een oordeel van de Belastingdienstover de fiscale status van de voordelen uit een arbeidsrelatie. Bij afgiftevan een VAR-winst of een VAR-dga, kon de opdrachtgever in beginselervan uitgaan dat geen loonheffingen verschuldigd waren.Als achteraf blijkt dat geen sprake is van ondernemerschap, dan kan inbeginsel slechts de opdrachtnemer worden aangesproken voor de tenonrechte niet ingehouden loonheffing. De Belastingdienst moest daarvoorwel bewijzen dat de VAR-beschikking eerder was afgegeven op basis vandoor de aanvrager onjuist verstrekte informatie.Deze systematiek heeft tot een niet voorziene extreme groei van het aantalVAR-aanvragen geleid. De VAR heeft mede gezorgd voor een toename vanhet aantal (schijn)zelfstandigen die met een VAR werkten. Dit aantal was in2005 ongeveer 80.000 en was in 2015 opgelopen tot 500.000.Mede omdat de VAR in de praktijk te veel ruimte liet voor misbruik, is deVAR per mei 2016 met de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties(Wet DBA) afgeschaft.15 De Wet DBA beoogde daarmee de verantwoorde-lijkheid om een arbeidsrelatie te beoordelen weer primair bij opdracht-gevers en opdrachtnemers te beleggen, zodat schijnzelfstandigheid kanworden teruggedrongen.13Wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 69514Staatsblad 2004, 720 en Staatsblad 2004, 7215Stb. 2016, 45. Deze wet is op 1 mei 2016 in werking getreden bij besluit van 8 april 2016, Stb.2016, 166.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 521 Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 41Hoeveel model-DBA-contracten bestonden er, en wat was het effect vanhet moratorium?Antwoord 41Er zijn sinds 2016 ongeveer 2.000 modelovereenkomsten goedgekeurddoor de Belastingdienst. Modelovereenkomsten hebben echter eenbeperktere werking dan oorspronkelijk was beoogd en zorgen voorschijnzekerheid. Het aan de hand van een toetsing vooraf van (uitsluitend)de schriftelijke overeenkomsten zekerheid geven of sprake is van werkenbuiten dienstbetrekking, is moeilijk te verenigen met het door de HogeRaad geformuleerde uitgangspunt dat alle omstandigheden van het gevalmoeten worden beoordeeld.16 De verkregen zekerheid is voorwaardelijkomdat die zekerheid afhankelijk is van de opvolging in de praktijk. Zogebruikte Deliveroo een algemene modelovereenkomst, maar oordeeldede rechter dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.17Het kabinet heeft daarom besloten het beoordelen van modelovereen-komsten door de Belastingdienst per 6 september 2024 te beëindigen.18Met het stopzetten van de beoordeling van modelovereenkomsten wil hetkabinet voorkomen dat schijnzekerheid wordt ontleend aan een dergelijkeovereenkomst.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 42Welke wetsvoorstellen en amendementen zijn de afgelopen 20 jaaringediend met zzp-relevantie?Antwoord 42In 2016 is de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelatie (Wet DBA)ingevoerd. Met deze wet is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) afgeschaft.Reden hiervoor was dat de VAR schijnzelfstandigheid in de hand werkteen ervoor zorgde dat het juist kwalificeren van de arbeidsrelatie naar deachtergrond verdween. Na invoering van de Wet DBA werd eenmoratorium aangekondigd voor handhaving door de Belastingdienst bijopdrachtgevers (loonheffingen). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmo-ratorium opgeheven.Sinds 2021 wordt de zelfstandigenaftrek stapsgewijs afgebouwd. Hiermeeworden de fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers kleiner.De zelfstandigenaftrek bedroeg in 2022 € 6.310. Dit wordt afgebouwd naar€ 900 in 2027.Op dit moment wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Verduidelijkingbeoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (hierna: Vbar). Met ditwetsvoorstel beoogt het kabinet meer duidelijkheid te bieden overwanneer wordt gewerkt als zelfstandige of als werknemer en wordt eencivielrechtelijk rechtsvermoeden van werknemerschap geïntroduceerd.Naar verwachting wordt dit wetsvoorstel voor de zomer ingediend bij deTweede Kamer. De partijen VVD, D66, CDA en SGP hebben daarnaast hetinitiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet aangeboden voor internetconsul-tatie. Het doel van dit wetsvoorstel is om duidelijkheid te bieden over16Zie Commissie Modelovereenkomsten Eindrapport, november 2016.17Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:44318Kamerbrief opheffen handhavingsmoratorium van 6 september 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 522 wanneer gewerkt kan worden als zelfstandige. Daarnaast wordt met hetwetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz)beoogd een verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid voorzelfstandigen te introduceren.Vraag 43Welke Kamerbrieven en adviezen (Sociaal-Economische Raad (SER),International Labour Organization (ILO), Centraal Planbureau (CPB),Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), AlgemeneRekenkamer) zijn hierover verschenen?Antwoord 43Het wetsvoorstel Vbar vloeit voort uit het advies van de CommissieRegulering van Werk, beter bekend als de Commissie Borstlap (Kamer-stukken II 2019/20, 29 544, nr. 960), en het daaruit voortvloeiende advies«Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van desamenleving», ook bekend als het SER-MLT advies 2021–2025.19 Hetcoalitieakkoord van het toenmalige kabinet Rutte-IV, «Omzien naar elkaar,vooruitkijken naar de toekomst»,20 bevat een arbeidsmarktparagraaf dievoortbouwt op de inzichten uit de Commissie Regulering van Werk en hetSER-MLT, ook wat betreft de inzet rondom het werken met en alszelfstandige(n) en het tegengaan van schijnzelfstandigheid. De afsprakenuit het coalitieakkoord rondom schijnzelfstandigheid zijn vervolgensverder uitgewerkt in de Hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt van 5 juli 2022(Kamerstukken II 2021/22, 29 544, nr. 1112), de voortgangsbrief werkenmet en als zelfstandige(n) van 16 december 2022 (Kamerstukken II2022/23, 31 311 nr. 246) en de Kamerbrief voortgang uitwerking arbeids-marktpakket van 3 april 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 29 544 nr. 1176).Het huidige kabinet Schoof heeft in het regeerprogramma afgesprokenmet een wetsvoorstel te komen dat duidelijker maakt wanneer je werkt alswerknemer of als zelfstandige.21 In de voortgangsbrief werken met en alszelfstandige(n) van 27 maart 2025 is dit nader toegelicht (Kamerstukken II2024/25, 31 311 nr. 281).Ten slotte sluit het wetsvoorstel Vbar aan op adviezen die vanuit deEuropese Commissie rondom (schijn)zelfstandigheid zijn gedaan deafgelopen jaren22. De aanpak van schijnzelfstandigheid is ook opgenomenin de plannen van Nederland als voorwaarde voor de ontvangst vansteungelden in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan van deEuropese Unie (Maatregel 4.1H4).Als het gaat om het belang van een gelijk speelveld tussen werknemersen zelfstandigen, kunnen onder meer genoemd worden het Interdeparte-mentaal Beleidsonderzoek zelfstandigen zonder personeel (2015)(Kamerstukken II 2015/16 31 311 nr. 154), het rapport van de OESO(2019)23, het rapport «Het betere werk» van de WRR (2020)24 en deCommissie Regulering van Werk (Kamerstukken II 2019/20, 29 544,nr. 960).Vraag 4419Sociaal-Economische Raad. Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel vande samenleving (2021).20Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst», Coalitieakkoord tussenVVD, D66, CDA en ChristenUnie. Het akkoord is op 15 december 2021 gepresenteerd.21Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord «hoop, lef en trots» tussen PVV,VVD, NSC en BBB. Het akkoord is op 13 september 2024 gepresenteerd.22https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10172-2019-INIT/nl/pdf (2019). https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9766-2022-INIT/nl/pdf (2022).23OECD, Input to the Netherlands Independent Commission on the Regulation of Work (2019).24WRR, Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht (2020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 523 Hoe hebben internationale aanbevelingen (Europees Semester, ILO-aan-beveling 198) de Nederlandse wetgeving beïnvloed?Antwoord 44Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 43 sluit hetwetsvoorstel Vbar aan op adviezen die vanuit de Europese Commissierondom (schijn)zelfstandigheid zijn gedaan de afgelopen jaren.25 Deaanpak van schijnzelfstandigheid is ook opgenomen in de plannen vanNederland als voorwaarde voor de ontvangst van steungelden in hetkader van het Herstel- en Veerkrachtplan van de Europese Unie(Maatregel 4.1H4). Het verduidelijken van de regels als het gaat om hetbeoordelen van arbeidsrelaties sluit ook aan bij ILO-aanbeveling 198. Dezeaanbeveling roept lidstaten op duidelijk te maken wanneer sprake is vaneen arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld door het wettelijk vastleggen vanspecifieke indicatoren.Vraag 45Hoe verhouden de zzp-percentages in Nederland zich tot die in België,Duitsland en Frankrijk?Antwoord 45In 2022 heeft CBS onderzoek gedaan naar het aandeel zzp’ers ten opzichtevan de beroepsbevolking in de EU met behulp van Eurostat-data.26 Ditonderzoek laat zien dat in Nederland 12% van de werkenden tussen de 15en 75 jaar werkt als zelfstandige. In België werkt 10,7% van de werkendenals zzp’er. Voor Duitsland is dit met 4,2% een stuk lager. In Frankrijk werkt7,7% van de werkenden als zelfstandige.Vraag 46Welke lessons learned uit buitenlandse modellen zijn vooral relevant voorNederland?Antwoord 46Bij het (laten) verrichten van werk is de vraag of er sprake is van eenarbeidsovereenkomst een belangrijke. In Nederland geldt, net als in alleandere landen in Europa, dat het doorslaggevende vereiste daarvoor«werken in dienst van» is. Dit zogeheten gezagscriterium is het meestonderscheidende criterium dat werken voor eigen rekening en risicoonderscheidt van werk dat op basis van een arbeidsovereenkomst wordtverricht. Zoals uiteengezet in de Voortgangsbrief werken met en alszelfstandige(n) van 27 maart 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 31 311nr. 281) is uitgebreid gekeken naar het Belgische systeem. Het kabinet isvan oordeel dat het Belgische systeem rondom de beoordeling vanarbeidsrelaties niet één op één kan worden overgenomen. Tegelijkertijdspeelde in België in het begin van vorig decennium onduidelijkheid en(dus rechtsonzekerheid) over de beoordeling van de arbeidsrelatie.Daarom heeft de Belgische wetgever in de Arbeidsrelatiewet in 2006nadrukkelijk duidelijk willen maken welke elementen van belang zijn bijhet beantwoorden van de vraag wanneer er sprake is van een arbeids-overeenkomst. In dat licht is er in België voor gekozen om de open normvan gezag (de ondergeschiktheidsrelatie) in wetgeving nader in te vullenaan de hand van de toen bestaande jurisprudentie. Dit is ook de grondge-dachte achter het wetsvoorstel Vbar, te weten de bestaande jurisprudentievatten in een wettelijk toetsingskader. Daarbij geldt dat ook in Nederlandde afgelopen jaren is ingezet op maatregelen die bijdragen aan eengelijker speelveld tussen contractvormen, waaronder fiscale maatregelen25https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10172-2019-INIT/nl/pdf (2019), https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9766-2022-INIT/nl/pdf (2022)26CBS Statline. Is elders in de EU het aandeel zzp’ers zo hoog als in Nederland? | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 524 en verder uitwerken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzelfstandigen om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen.Vraag 47Hoeveel opdrachten voor zzp’ers vallen er weg door rechtsonzekerheid,zoals volgens surveys onder zzp’ers en opdrachtgevers?Antwoord 47Uit onderzoek valt niet af te leiden hoeveel opdrachten wegvallen dooreventuele ervaren rechtsonzekerheid door partijen. Daarbij merk ik op dater geen sprake is van een verandering in wet- en regelgeving ten aanzienvan de kwalificatie van een arbeidsrelatie per 1 januari 2025. Wel blijkt uitonderzoek van Ipsos I&O dat een vijfde van de zzp’ers minder opdrachtenheeft door de handhaving op schijnzelfstandigheid. Dit geldt met namevoor zzp’ers waarbij er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid.27Tegelijkertijd laat het onderzoek ook zien dat 20% van de werkgevers meerrechtszekerheid ervaart bij het inhuren van personeel.28Vraag 48Wat zijn de geschatte macro-economische gevolgen (bruto binnenlandsproduct (BBP), belastingopbrengst) van de huidige onzekerheid voorzzp’ers die leidt tot het wegvallen van opdrachten en de afname vaneconomische activiteit?Antwoord 48Uit onderzoek van de KVK blijkt dat een derde van de zzp’ers zich zorgenmaakt over hun bedrijf door de verscherpte handhaving. De helft van dezezelfstandigen maakt zich specifiek zorgen over hun vrijheid als onder-nemer en een afname van opdrachten en inkomsten. Verder blijkt uit dezzp monitor van de KVK dat het aantal stoppende zzp’ers toenam met2.400 in april 2025 t.o.v. april 2024. Het aantal startende zelfstandigendaalde ten opzichte van april 2024 met 3.450. Dit is in lijn met de trend vande afgelopen maanden. Overigens volgt uit cijfers van CBS dat bijna 60%van de zzp’ers die niet meer de meeste uren als zelfstandige werkzaamzijn, wel bleven werken, vooral als flexwerknemer.De impact van deze ontwikkelingen op macro-economische factoren alshet BBP en de belastingopbrengsten laat zich moeilijk voorspellen. In deraming van de opheffing van het handhavingsmoratorium is dan ookgeen toe- of afname van de belastingopbrengsten meegenomen.29Vraag 49Welke effecten op de arbeidsmarkt (werkdruk, personeelstekorten) zijn erdoor verschuiving van zzp’ers naar werknemers of andersom?Antwoord 49Het is van tevoren lastig te voorspellen wat de precieze effecten van eenverschuiving van zzp’ers naar werknemers, of andersom, zullen zijn. Dit ismede afhankelijk van de omvang van de verschuiving en van de stand vande conjunctuur. Wel kan er aangegeven worden wat in grote lijnen deverwachte effecten zijn van een verschuiving van zzp’ers naar werknemersof andersom op werkdruk en personeelstekorten.27Ipsos I&O, Monitor schijnzelfstandigheid 1-meting, 28 februari 2025, p. 47.28Ipsos I&O, Monitor schijnzelfstandigheid 1-meting, 28 februari 2025, p. 48.29Bronnen:KVK, onderzoek impact van handhaving op schijnzelfstandigheid, geraadpleegd op 23 mei2025KVK, zzp monitor april 2025, geraadpleegd op 23 mei 2025CBS, afname aantal zzp’ers na jarenlange stijging, geraadpleegd op 26 mei 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 525 Ten eerste de werkdruk. Werknemers zijn structureel inzetbaar en daarmeezorgen zij voor stabiliteit en continuïteit van de roosters. Dit draagt bij aanhet verlagen van de werkdruk. Het zzp-schap daarentegen kan wordengebruikt om bepaalde werktijden (bijvoorbeeld nachtdiensten), inroos-tering of (administratieve) taken te voorkomen. Zzp’ers kunnen inpiekperiodes de tijdelijk verhoogde vraag naar arbeid van een onder-neming ondervangen. Het inzetten van extra arbeidskrachten zorgt er danvoor dat de tijdelijke extra taken niet alleen bij de werknemers komen teliggen en vermindert zo de werkdruk. Overigens zijn het niet alleen zzp’ersdie een rol kunnen spelen in het opvangen van deze piek, maar kunnenuitzendkrachten, oproepkrachten en tijdelijke krachten hier ook voorworden ingeschakeld.Aan de andere kant geldt dat als meer mensen in zzp-verband gaanwerken, dit de continuïteit van de roosters negatief kan beïnvloeden. Ditbetekent dat zwaardere diensten en taken steeds vaker door een kleineregroep werknemers gedaan worden. De verschuiving naar zzp-schap kandan voor een hogere werkdruk bij de overgebleven werknemers leiden eneen lagere werkdruk bij de overstappers.Goed werkgeverschap speelt een belangrijke rol in het verminderen vande werkdruk in het algemeen. Zo kunnen werkgevers met bijvoorbeeldzelfroostering, aandacht voor een goede werk- en privébalans enflexpools inspelen op de behoefte aan flexibiliteit die bij veel werkendenleeft.Ten tweede de personeelstekorten. Personeelstekorten ontstaan wanneerer meer vacatures zijn dan beschikbaar personeel. Een verschuiving vanzzp naar werknemers, of andersom, is dus alleen een oplossing voorpersoneelstekorten als dat ervoor zorgt dat meer mensen de arbeidsmarktbetreden, of als er minder vacatures ontstaan. Er zijn geen aanwijzingendat een verschuiving naar meer zzp’ers of meer werknemers ertoe leidtdat er significant meer mensen aan de slag gaan. Een verschuiving van ofnaar zzp-schap lijkt dus geen duidelijk effect te hebben op personeelste-korten.Vraag 50Wat is het aandeel werkgevers dat sinds het opheffen van het moratoriumminder zzp’ers inhuurt?Antwoord 50Uit onderzoek van het CBS blijkt dat 42% van de bedrijven die in 2024zzp’ers inhuurden, dat in 2025 verwacht minder te doen.30 Ook uitonderzoek van de KVK blijkt dat zzp’ers het moeilijker vinden omopdrachtgevers te vinden en dat opdrachtgevers voorzichtiger zijn met hetinhuren van zzp’ers, vanwege de behoefte om te werken conform wet- enregelgeving. Hierbij geeft één op de drie opdrachtgevers aan teoverwegen geen zzp’ers meer in te huren of daarmee al te zijn gestopt.31Uit een ledenonderzoek van AWVN blijkt dat 40% van de werkgeversminder zzp’ers inhuurt en 7% geen zzp’ers meer inhuurt.32 Deze cijferspassen ook bij het beeld van een veranderde trend waarbij het totaalaantal ingeschreven zelfstandigen stabiliseert33 en het CBS voor het eerstsinds lange tijd een jaar op jaar daling van het aantal zzp’ers meet.3430CBS, conjunctuur-enquête, uitkomsten extra vragen januari 2025.31KVK, Impact van handhaving op schijnzelfstandigheid, 6 mei 2025.32AWVN ledenonderzoek. Inzet zzp in de knel?, 13 februari 2025.33KVK, ZZP-monitor april 2025, 6 mei 2025.34CBS, Afname aantal zzp’ers na jarenlange stijging, 8 mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 526 Wij zien veel voorbeelden van organisaties die serieus, voortvarend eneffectief aan de slag gegaan zijn met het thema schijnzelfstandigheid. Zozijn er organisaties in bijvoorbeeld de zorg, het onderwijs en de kinder-opvang die werkenden – die eerder mogelijk als schijnzelfstandige aan deslag waren – hebben overtuigd om in loondienst te komen. Doorzelfroostering, aandacht voor een goede werk- en privébalans enflexpools wordt ingespeeld op de behoefte aan flexibiliteit die bij veelwerkenden leeft. Ook zijn er organisaties die actief bezig zijn om demanier van werken aan te passen, zodat duidelijk is wanneer een opdrachtdoor een zelfstandige ingevuld kan worden.Vraag 51Welke sectoren ervaren de grootste problemen (uitval diensten, wacht-tijden, kwaliteit) door verminderde inzet van zzp’ers?Antwoord 51Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat 32% van de zzp’ers en 39% van dewerkgevers denkt dat er arbeidstekorten zullen ontstaan door dehandhaving. Zzp’ers actief in de primaire sector35 en zzp’ers en organi-saties in het onderwijs, de zorg en kinderopvang verwachten vakerpersoneelstekorten dan zzp’ers en organisaties in andere sectoren.36Vraag 52Kunt u toezeggen dat onderbouwing conform de werkwijze Beleids-keuzes 12 uitgelegd (CW3.1) voor 2025 voor het verbeteren van dewerking van loonkostensubsidie bij Beschut Werk nog tijdens debehandeling van deze suppletoire begroting naar de Kamer wordtgestuurd, zodat de Kamer haar budgetrecht goed geïnformeerd kanuitoefenen?Antwoord 52In bijgevoegde bijlage («Bijlag 2 Aanvulling antwoord op Kamervraag 521e suppletoire begroting SZW 2025») ontvangt u de door u gevraagdeonderbouwing van de doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie.Vraag 53Verwacht u dat de middelen gereserveerd voor de OnafhankelijkeCommissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)-besluitvorming per volgend jaar gelijk kunnen worden besteed? Zo ja,waaraan?Antwoord 53Het kabinet heeft bij de voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd. In dezekamerbrief wordt meer inzicht gegeven in de besteding van de gereser-veerde middelen.Vraag 54Hoeveel huishoudens verliezen hun recht op zorgtoeslag door hetverlagen van de vermogensgrenzen per 2027?Antwoord 54Ongeveer 43.000 huishoudens verliezen hun recht op zorgtoeslag doorverlaging van de vermogensgrens per 2027.35De primaire sector houdt zich bezig met het verkrijgen van grondstoffen en het producerenvan voedsel.36Ipsos I&O, Monitor schijnzelfstandigheid 1-meting, 28 februari 2025, p. 45.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 527 Vraag 55Op welke wijze wordt de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA) opde Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ingevuld in2025 en verder?Antwoord 55De NLA, UWV en SVB zijn bereid gevonden een bijdrage te leveren aan detaakstelling van cumulatief 0,5% per jaar vanaf 2026, oplopend naar 2% in2029 en structureel. Dit komt neer op € 4 miljoen voor NLA, € 49 miljoenvoor UWV en € 7 miljoen voor SVB. Voor de NLA betreft het eenfinanciële invulling. Over de invulling van de taakstelling bij UWV en deSVB is de Minister van SZW met UWV en de SVB in gesprek. Hierbij wordtnadrukkelijk ook gekeken naar vereenvoudiging van wet- en regelgeving,maar ook naar besparingen in bijvoorbeeld de bedrijfsvoering.Vraag 56In antwoord 32 op vragen over de tweede suppletoire begroting 2024(36 625 XV, nr. 3) wordt aangegeven dat er voor invulling van detaakstelling bij UWV vanaf 2026 wordt gezocht naar vereenvoudiging vanwet- en regelgeving en taakaanpassing, welke stappen zijn daar intussenop ondernomen?Antwoord 56SZW heeft regulier overleg met UWV over de bijdrage die vereenvou-diging van wet- en regelgeving kan leveren aan de invulling van detaakstelling bij UWV vanaf 2026, dit ter voorbereiding op hetUWV-jaarplan 2026. Met het UWV-jaarplan 2026 moet duidelijk wordenhoe de taakstelling voor 2026 zal worden ingevuld.Vraag 57Wat zijn de gevolgen van de taakstellingen uit het HLA en amendementBontenbal c.s. voor middelen die nu extra zijn toegevoegd voor deherstelactie en sociaal-medische beoordelingen bij UWV?Antwoord 57De taakstellingen hebben geen directe gevolgen voor de middelen dieUWV ontvangt voor de herstelactie en sociaal-medische beoordelingen.Over de invulling van de taakstellingen is de Minister van SZW in gesprekmet UWV, daarbij kan UWV ervoor kiezen om bepaalde organisatieonder-delen of processen te ontzien.Vraag 58De Voorjaarsnota meldt een eenmalige uitgave van € 8,5 miljard in 2026voor het omzetten van defensiepensioenen naar kapitaalfinanciering, kuntu toelichten waarom deze uitgave niet expliciet als eenmalige correctie isopgenomen in de Economische en Monetaire Unie (EMU)-saldoberekening, zoals bij de Voorjaarsnota 2024 wel werd aangekondigd?Antwoord 58Zoals aangegeven in de Voorjaarsnota 2024 leidt het affinancieren van debegrotingsgefinancierde militaire pensioenen tot een eenmaligekostenpost in 2026 die het EMU-saldo belast. Deze eenmalige affinancie-ringskosten zijn hiermee onderdeel van het basispad en hierdoor nietexpliciet opnieuw toegelicht in de Voorjaarsnota 2025 voor wat betreft deEMU-saldoberekening. In de EMU-saldoberekening (tabel 21) zijn deeenmalige affinancieringskosten opgenomen in de categorie «Niet-relevante rijksuitgaven, wel relevant voor het EMU-saldo». Deze uitgavenworden in tabel 22 expliciet uitgesplitst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 528 Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 59Gaat het bij het doel om kinderarmoede niet te laten toenemen tenopzichte van referentiejaar 2024 om het aantal kinderen of om hetpercentage kinderen in armoede?Antwoord 59Het gaat om het percentage kinderen in armoede. Volgens de recenteraming van het CPB daalt armoede van 3,5% in 2024 naar 2,9% in 2026.Kinderarmoede daalt van 3,4% in 2024 naar 2,9% in 2026. Daarmee wordtde doelstelling van dit kabinet gehaald.Vraag 60In de Voorjaarsnota is sprake van oplopende uitvoeringskosten voor hetSZW-domein, inclusief WIA-maatregelen, oplopend tot € 1 miljard perjaar vanaf 2027, kunt u uitsplitsen welke WIA-maatregelen hierin zijnopgenomen, wat de verwachte besparingen of verbeteringen zijn en ofdeze bedragen reeds beleidsmatig zijn onderbouwd, en zo niet, wanneerze beleidsmatig onderbouwd worden?Antwoord 60Naar aanleiding van de meest recente uitvoeringsinformatie van deverschillende uitvoeringsorganisaties, waaronder UWV, SVB en DienstToeslagen, zijn de regelingen op de SZW-begroting bijgesteld. In 2027hebben deze bijstellingen geleid tot een tegenvaller van circa € 1 miljard.Deze bijstelling is het gevolg van recente informatie over de ontwikkelingvan het aantal gerechtigden en de uitkeringslasten, en hangt daarmee nietsamen met de uitvoeringskosten.Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota tot verschillende maatregelenbesloten omtrent de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA).Een deel hiervan gaat gepaard met uitvoeringskosten voor het UWV. Deuitvoeringskosten volgen uit het aantal benodigde fte’s voor het uitvoerenvan de maatregelen en communicatie hierover. De uitvoeringskosten zijndaarmee onderbouwd.Bij de Voorjaarsnota zijn voor de WIA de volgende uitvoeringskostengereserveerd:x € 1 mln.202520262027202820292030CumStrucLoonloze tijdvakken1– 174000100Herstelactie WIA-dagloon132713000530SMC-uitvoeringskosten230343636363620836Totaal426753363636271361 Bevat ook een kasschuif van 2025 naar 2026.2 Hierover zijn prestatieafspraken gemaakt met het UWV. Als de effecten uitblijven of tegenvallen zal de bestemming van deze middelen opnieuwworden bezien. Vraag 61Worden de bezuinigingen bij Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) enSZW doorgevoerd op trajecten gericht op automatische toekenning vanrechten zoals huur- of zorgtoeslag, of op de digitalisering van toegang tothet sociaal minimum?Antwoord 61Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 529 Nee, er zijn er geen bezuinigingen bij VWS en SZW doorgevoerd optrajecten gericht op automatische toekenning van rechten of op dedigitalisering van toegang tot het sociaal minimum.Deze vraag is wat betreft VWS door het Ministerie van VWS beantwoord,voor vervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van VWS.Vraag 62Hoe verhoudt de afroming van de envelop Groepen in de knel zich tot dekabinetsdoelstelling om een adequaat sociaal minimum te garanderen enwaarom is hiervoor gekozen?Antwoord 62Het kabinet vindt het van belang om huishoudens op het sociaalminimum te ondersteunen. Daarom heeft het kabinet vanaf 2025 hetkindgebonden budget verhoogd en de huurtoeslag vereenvoudigd. Dehuurtoeslag wordt daarnaast vanaf 2026 verder verhoogd. Daarnaast trefthet kabinet specifieke maatregelen voor groepen in de knel uit de envelopGroepen in de knel. Zo wordt onder meer het minimumjeugdloonverhoogd, de financiering van beschut werk verbeterd, worden afgewezenWajongeren in de Participatiewet ondersteund in de ontwikkeling vanarbeidsvermogen en wordt de Toeslagenwet vereenvoudigd. Er zijn veleterreinen die aandacht vragen van het kabinet. Daarom heeft het kabinetin de voorjaarsbesluitvorming keuzes moeten maken en onder meerbesloten om een deel van de middelen uit de envelop Groepen in de knelaf te romen.Vraag 63Hoeveel van de toegezegde middelen voor het schrappen van debezuiniging op de kinderopvang en het flankerend beleid is reeds juridischverplicht, en welk deel is nog kasschuifgevoelig?Antwoord 63De middelen voor het schrappen van de bezuiniging op de kinderopvangen de middelen die zijn gereserveerd voor flankerend beleid zijn nog nietjuridisch verplicht. De maximaal vergoede tarieven, de inkomensgrenzenen de vergoedingspercentages dienen voor aanvang van ieder kalen-derjaar vastgesteld te worden middels een algemene maatregel vanbestuur. Deze maatregel van bestuur kent een voorhangprocedure. Ook demiddelen voor het flankerende beleid zijn niet juridisch verplicht, totdatdaarvoor een concrete regeling is gepubliceerd of een overeenkomst isgesloten. Kasschuiven zijn voor beide niet voorzien.Vraag 64Klopt het dat de realisatie ingangsdatum voor het nieuwe kinderopvang-stelsel is doorgeschoven? Zo ja, wat zijn daarvan de budgettaire gevolgenper jaar?Antwoord 64De invoering van een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvangbetekent een ingrijpende wijziging voor zowel de sector als de uitvoering.Ja, het klopt dat het kabinet heeft besloten om meer tijd te nemen voor deimplementatie van en overgang naar het nieuwe financieringsstelsel. Eengelijk ingroeipad geeft ook de sector meer tijd om het aantal kindplaatsenmee te laten groeien met de verwachte toename van de vraag naarkinderopvang. In 2029 moet het nieuwe financieringsstelsel ingaan.Tegelijkertijd draait het kabinet de maatregel uit het Hoofdlijnenakkoordom de maximum uurprijzen in 2026 eenmalig niet te indexeren terug. Datbetekent dat de maximum uurprijzen in 2026 aangepast worden aan deverwachte loon- en prijsontwikkeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 530 In de SZW-begroting voor 2025 was invoering van het nieuwe financie-ringsstelsel nog voorzien per 1-1-2027. Onderstaande tabel toont debudgettaire mutaties die met dit besluit samenhangen.Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Invoering nieuwe financiering per 2029– 38– 607– 2.196– 1.860– 317– 156Ingroeipadmiddelen192928331.037394113Flankerend beleid23231Uitvoeringskosten4665Totaal– 19– 315– 1.363– 82115553 De eerste reeks toont de besparing bij de invoering van het nieuwefinancieringsstelsel per 1-1-2029. Hierbij is aangenomen dat deingroeistap die voor 2026 was voorzien, ook twee jaar opschuift (naar2028). De tweede reeks toont de middelen die bij de voorjaarsbesluit-vorming zijn gereserveerd voor het verhogen van de kinderopvangtoeslagin de aanloop naar de invoering naar het nieuwe stelsel in per 1-1-2029.In de Voorjaarsnota is ook een reservering getroffen voor flankerendbeleid en het ondersteunen van de sector in de transitie naar het nieuwestelsel. Ten slotte is in de Voorjaarsnota ook een aanvullende reserveringopgenomen voor de uitvoeringskosten van de invoering van het nieuwefinancieringsstelsel.Vraag 65Zijn er kortingen toegepast op middelen die eerder waren bestemd voorgemeentelijke uitvoering van schuldhulpverlening of het vereenvoudigenvan toegang via één-loketstructuren?Antwoord 65Tijdens de voorjaarsbesluitvorming is besloten om in totaal € 100 miljoenin 2029 en 2030 en vanaf 2031 structureel € 75 miljoen te korten om demiddelen die waren vrijgemaakt voor maatregelen ten aanzien van hetbasispakket IBO problematische schulden. Door de korting op dezemiddelen vervalt ten aanzien van schuldhulpverlening de € 20 miljoen perjaar die gereserveerd was voor vroegsignalering en € 8 miljoen per jaarvoor het aanscherpen van de kwaliteitseisen van schuldhulpverlening.Daarnaast vervalt vanaf 2029 structureel € 10 miljoen die gereserveerdwas voor één loket voor overheidsincasso.Vraag 66Welke middelen zijn voorzien voor de structurele bekostiging van hetSchuldenknooppunt vanaf 2026?Antwoord 66Er zijn nog geen structurele middelen voor de bekostiging van hetSchuldenknooppunt vanaf 2026 voorzien. Op 28 april 2025 heeft deStaatssecretaris Participatie en Integratie de Kamer geïnformeerd dat hetInlichtingenbureau (IB) de meest aangewezen partij is voor een publiekeigenaarschap van het Schuldenknooppunt (Kamerstukken II, 2024/2025,24 515, nr. 797). IB onderzoekt nu hoe het Schuldenknooppunt bij hen kanworden ondergebracht en welke juridische, financiële en technischeimplicaties dat heeft. Tot die tijd wordt het Schuldenknooppunt vanuitsubsidie gefinancierd.Vraag 67Hoe wordt de toegankelijkheid van het Energiefonds 2025 geborgd, metname voor huishoudens in energiearmoede?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 531 Antwoord 67In de Kamerbrief van 4 april jl. heb ik aangegeven dat het TijdelijkNoodfonds Energie op basis van de huidige energieprijzen circa 100.000huishoudens kon helpen en aangegeven dat met de beschikbare middelenmogelijk niet alle aanvragen konden worden gehonoreerd.Het is heel frustrerend en vervelend voor mensen dat het indienen vaneen aanvraag niet (goed) is gelukt. Huishoudens die geen aanvraag meerhebben kunnen doen voor het energiefonds 2025, maar wel geldzorgenhebben, kunnen contact opnemen met hun gemeente of met hulporgani-saties zoals Geldfit.Tijdens opening van het fonds hebben we toegankelijkheid proberen teborgen via persoonlijke ondersteuning, onder andere via lokale hulpver-leners, inlooppunten en keukentafelgesprekken. Er is geen papierenaanvraagroute, maar mensen krijgen hulp bij het digitaal indienen van deaanvraag, ook aan huis. Een DigiD is vereist; daarom is actief gecommuni-ceerd dat deze tijdig aangevraagd moet worden. Samenwerking met dealliantie digitale inclusie zorgt voor aanvullende ondersteuning, bijvoor-beeld via bibliotheken. Zie voor meer informatie de brief van de Staatsse-cretaris van SZW van 25 april 2025, «Informatie over de toegankelijkheidvan het energiefonds 2025» (Kamerstukken II, 2024/2025, 29 023, nr. 565).Vraag 68Welke middelen zijn in de begrotingswijziging voor 2025 opgenomen tenbehoeve van het programma Simpel Switchen in de participatieketen?Zijn deze middelen juridisch verplicht of gevoelig voor kasschuiven?Antwoord 68Voor het programma Simpel Switchen in de Participatieketen is€ 5 miljoen beschikbaar voor de periode van 2024 tot en met 2027 (zie ookde SZW-begroting 2025; Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 2). Bij deeerste suppletoire begroting van SZW zijn geen extra middelenopgenomen ten behoeve van het programma Simpel Switchen. Wel is deeindverantwoording en daarmee de eindafrekening voor een subsidie aanDivosa voor het programma Simpel Switchen doorgeschoven van 2024naar 2025. Daarom zijn deze subsidiemiddelen ook doorgeschoven om zode subsidie weer in het juiste kasritme te zetten.Vraag 69Worden de resultaten uit de invoeringstoets Breed Offensief meegenomenin de beleidsmatige en budgettaire keuzes binnen de Voorjaarsnota 2025?Antwoord 69Het kabinet is blij dat uit de resultaten van de invoeringstoets van hetBreed Offensief is gebleken dat de uitvoering van de wet- en regelgevinghoofdzakelijk voorspoedig verloopt. Ook laat het zien dat er nog verbeter-punten zijn om de uitgangspositie van mensen met een arbeidsbeperkingop de arbeidsmarkt te verbeteren. Daar wordt op verschillende manierenaan gewerkt. Zo zijn zowel het wetsvoorstel Participatiewet in balans alshet wetsvoorstel voor de vereenvoudiging van de Banenafspraak onlangsaangenomen door de Tweede Kamer. Eerder heeft het kabinet ookstructureel € 100 miljoen beschikbaar gesteld om de komende jaren deinfrastructuur van de sociaal ontwikkelbedrijven toekomstbestendig temaken en beschut werk te bevorderen. Verder is er met de Voorjaarsnotastructureel € 90 miljoen beschikbaar gesteld om de werking van loonkos-tensubsidie (LKS) bij beschut werk te verbeteren. Tot slot zijn met deVoorjaarsnota aanvullende middelen vrijgemaakt voor het ontwikkelenvan het arbeidsvermogen van mensen waarvan de Wajong-aanvraag isafgewezen en die tot de doelgroep van de Participatiewet behoren.Vraag 70Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 532 Hoeveel middelen zijn er in totaal vrijgemaakt in de Voorjaarsnota voorhet bevorderen van de digitale soevereiniteit van uw departement en derelevante zelfstandig bestuursorganen (zbo’s) en agentschappen?Antwoord 70Ten behoeve van het programma Weerbare Dienstverlening is€ 4,1 miljoen in 2025 en € 2,4 miljoen in 2026 vrijgemaakt, hiervan is circa€ 3,3 miljoen in 2025 en € 2,4 miljoen in 2026 bestemd voor de SVB, deoverige middelen zijn bestemd voor SZW en BZK. Het programma werktaan maatregelen om te zorgen dat de continuïteit van de dienstverleningvan de SVB zo goed mogelijk gewaarborgd is.Voor SZW is daarnaast € 1 miljoen in 2025 en € 1,6 miljoen in 2026vrijgemaakt voor het programma Digitale Weerbaarheid. Dit programmabevat geen budget voor het bevorderen van de digitale soevereiniteit,maar is gericht op de besturing van en verantwoordelijkheid overinformatiebeveiliging, de beveiliging van de toeleveringsketen, incident-beheer en de weerbaarheid van personeel en bestuur.Vraag 71Hoe waarborgt de regering een eerlijke beloning voor medewerkers vanwerk-ontwikkelbedrijven, gezien de signalen van tekorten en onderbe-taling zoals aangeleverd door gemeenten en ondernemingsraden?Antwoord 71Het kabinet vindt het belangrijk dat medewerkers van sociaal ontwikkelbe-drijven kunnen rekenen op een eerlijke beloning. De vaststelling vansalarissen is echter een aangelegenheid voor gemeenten, sociaalontwikkelbedrijven en de vertegenwoordiging van werknemers. Hierbijgeldt voor iedereen met een dienstbetrekking – dus ook mensen die bijsociaal ontwikkelbedrijven werken- dat het wettelijk minimumloon en dewettelijke minimumvakantiebijslag de minimale beloning vormen. Hiermoeten alle werkgevers zich aan houden, dus ook sociaal ontwikkelbe-drijven. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet toe op naleving vanarbeidswetgeving en heeft de bevoegdheid om bij overtredingen in tegrijpen. Tot slot zijn met de Voorjaarsnota 2025 structurele middelenvrijgemaakt voor de invoering van een forfaitaire loonkostensubsidie.Werkgevers die beschutte werkplekken aanbieden (met name sociaalontwikkelbedrijven) worden hierdoor meer adequaat gefinancierd. Tevensgeeft dit meer duidelijkheid en rust aan de doelgroep beschut werk. Totslot is het goed te noemen dat de cao-partners (VNG, Cedris, FNV en CNV)een eindresultaat hebben bereikt voor de Cao Aan de Slag 2025. Deze caoheeft een looptijd van één jaar en loopt tot en met 31 december 2025.Vakbonden FNV en CNV hebben het resultaat aan hun leden voorgelegden die hebben ingestemd. Momenteel loopt de ledenraadpleging vanCedris en VNG nog. Als ook hun leden akkoord gaan, zal het cao-resultaatrondom de zomer formeel worden bekrachtigd. In de volgende voort-gangsbrief over sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk wordt uwKamer nader geïnformeerd over de stand van zaken van de cao Aan deSlag.Vraag 72Zijn er in de suppletoire begrotingen of de Voorjaarsnota middelenvrijgemaakt of geoormerkt voor projecten die onder «het recht opvergissen» vallen, zoals correctieprocessen bij uitkeringsinstanties of deBelastingdienst?Antwoord 72In de voorjaarsnota zijn er middelen gereserveerd voor het wetsvoorstelHandhaving Sociale Zekerheid. Het wetsvoorstel ziet toe op passendhandhaven binnen het sociale zekerheidsdomein. Door het creëren vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 533 een waarschuwingsbevoegdheid en de mogelijkheid om af te zien vansanctioneren, wordt invulling gegeven aan het «recht op vergissen» doorde burger. De middelen die gedekt zijn in de voorjaarsnota vormenonderdeel van het totaalpakket aan middelen in het kader van hetwetsvoorstel. Verder zijn er in de Voorjaarsnota en in de suppletoirebegrotingen geen middelen vrijgemaakt of geoormerkt voor projectenbinnen de Belastingdienst die onder het «recht op vergissen» vallen.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 73Kunt u een overzicht geven van de mutaties rondom de stelselherzieningkinderopvang? Kunt u daarbij opnemen wat het voorziene bedrag wasvoor de stelselherziening voordat bij de Voorjaarsnota is besloten om destelselherziening later in te laten gaan? Kunt u in dit overzicht ookaangeven welke middelen er resteren nu de invoering wordt uitgesteld ener middelen zijn uitgetrokken voor een nieuw ingroeipad?Antwoord 73Onderstaande tabel bevat een overzicht van de mutaties in de 1e supple-toire begroting SZW rondom de stelselherziening kinderopvang.Bedragen x € 1 mln.2025202620272028202920301. Invoering nieuwe financiering per 2029– 38– 607– 2.196– 1.860– 317– 1562. Ingroeipadmiddelen192928331.0373941133. Flankerend beleid232314. Uitvoeringskosten implementatie– 55165Totaal– 24– 315– 1.363– 82116053 Toelichting:1.De eerste reeks toont de vrijval bij de invoering van het nieuwefinancieringsstelsel per 1 januari 2029. Hierbij is aangenomen dat deingroeistap die voor 2026 was voorzien twee jaar opschuift naar 2028.2.De tweede reeks toont de middelen die er in de voorjaarsbesluitvor-ming zijn gereserveerd voor het verhogen van de kinderopvangtoeslagin de aanloop naar de invoering naar het nieuwe stelsel per 1-1-2029.3.Op de SZW-begroting is ook een reservering getroffen voor flankerendbeleid en het ondersteunen van de sector in de transitie naar hetnieuwe stelsel.4.Vanwege de latere invoeringsdatum van het nieuwe stelsel zijnmiddelen (€ 4,8 miljoen) voor de uitvoeringskosten doorgeschovenvan 2025 naar 2029. Ten slotte is een aanvullende reserveringopgenomen voor de uitvoeringskosten van de invoering van hetnieuwe financieringsstelsel. Deze middelen staan op de aanvullendepost.Het kabinet heeft in de Voorjaarnota besloten om de maximum uurprijzenin de kinderopvangtoeslag voor 2026 volgens de reguliere systematiek teindexeren. De structurele kosten van dat besluit worden geraamd op€ 337 miljoen per jaar (zie daarvoor ook het antwoord op vraag 91).Het voorziene bedrag voor de stelselherziening, voordat bij Voorjaarsnotais besloten om de stelselherziening later in te laten gaan, is hieronderweergegeven. Het betreft de middelen om de kinderopvangtoeslag vanaf2025 stapsgewijs te verhogen, waarbij de nieuwe financiering voor dekinderopvang in 2027 zou worden ingevoerd. Daarnaast is in eenafzonderlijke regel de reservering voor uitvoeringskosten voor het nieuwestelsel opgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 534 Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Programmakosten4591.1202.7782.8712.9873.038Uitvoeringskosten55350282323Totaal4641.1732.8282.8993.0103.061 Zoals eerder in dit antwoord genoemd, wordt het nieuwe financierings-stelsel ingevoerd in 2029 en zijn er middelen uitgetrokken voor een nieuwingroeipad. Daarnaast is er een reservering getroffen voor flankerendbeleid en uitvoeringskosten. De beschikbare middelen voor de stelselher-ziening zijn daarmee als volgt:Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Programmakosten4408051.4142.0483.0642.995Uitvoeringskosten (AP)0,55350287488Flankerend beleid23231Totaal4418581.4642.0783.1703.114 Vraag 74Welke middelen resteren op de aanvullende post voor SZW? Wat was destand bij begroting 2025?Antwoord 74De onderstaande tabellen tonen de middelen die op de aanvullende postvoor SZW resteren bij de Miljoenennota 2025 en Voorjaarsnota 2025.Stand AP MJN 2025 (x € 1 mln.)20252026202720282029Struc.Kinderopvang werkenden (implementatiekosten)55350282323Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden161618953Loondoorbetaling bij ziekte2020202000Groepen in de knel193164149136110412Caribisch-Nederland999999Totaal243262246202146447 Stand AP VJN 2025 (x € 1 mln.)20252026202720282029Struc.Kinderopvang werkenden (implementatiekosten)15350287423Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden010000Loondoorbetaling bij ziekte4591700Groepen in de knel0602222Caribisch-Nederland009999Totaal411870568434 Vraag 75Waarom komen de reeksen m.b.t. de kinderopvang (tabel 3 suppletoirebegroting SZW, nr. 9 en 10) niet overeen met die van de Voorjaarsnota(tabel 5, reeks 29 en 30)?Antwoord 75Reeks 9 in tabel 3 van de 1e suppletoire begroting SZW en reeks 29 intabel 5 van de Voorjaarsnota hebben beide betrekking op de besparing alsgevolg van het nieuwe invoeringsjaar van het nieuwe kinderopvangstelsel(invoering per 2029 in plaats van 2027).Naast een besparing op de uitgaven heeft de nieuwe ingangsdatum ookeen effect op de ontvangsten. Deze komen vanaf 2027 hoger uit, doordater in de toeslagjaren waarin het huidige stelsel nog van kracht is meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 535 terugvorderingen zijn (er zijn overigens ook meer nabetalingen). De reeksdie in de Voorjaarsnota is opgenomen houdt naast het effect op deuitgaven ook rekening met de hogere ontvangsten, de reeks in de1e suppletoire begroting houdt alleen rekening met het effect op deuitgaven. Het effect op de ontvangsten maakt deel uit van reeks 10 intabel 4 van de 1e suppletoire begroting.Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Uitgaven1– 38,3– 611,6– 2.168,9– 1.742,9– 155,7– 47,3Ontvangsten20,04,2– 27,1– 117,1– 161,0– 108,3Totaal (netto-uitgaven)– 38,3– 607,4– 2.196,0– 1.860,0– 316,7– 155,6Totaal afgerond30– 600– 2.200– 1.900– 300– 2001 Gelijk aan reeks 9 in tabel 3 van de 1e suppletoire begroting SZW2 In de tabel zijn hogere ontvangsten weergegeven als lagere uitgaven en vice versa.3 Het op honderden miljoenen afgeronde bedrag komt voor alle jaren overeen met reeks 29 in tabel 5 van de Voorjaarsnota. Een gedeelte van de besparing als gevolg van het nieuwe invoeringsjaarwordt ingezet voor het verhogen van de vergoedingspercentages inaanloop naar de nieuwe financiering. In reeks 10 in tabel 3 van de1e suppletoire begroting SZW zijn de bijbehorende meeruitgaven voor destapsgewijze verhoging van de meeruitgaven weergegeven.In de reeks in de Voorjaarsnota is naast het effect op de uitgaven ookrekening gehouden met het effect op de ontvangsten (deze komen hogeruit). Daarnaast worden middelen ingezet om de toegankelijkheid vankinderopvang te borgen en de sector te ondersteunen bij de overgangnaar het nieuwe financieringsstelsel. In de 1e suppletoire zijn dezemiddelen verantwoord op artikel 99. Tot slot zijn er middelen gereserveerdvoor extra uitvoeringskosten. Ook deze middelen zitten wel in de reeksvan de Voorjaarsnota verwerkt maar niet in de betreffende reeks in de1e suppletoire begroting SZW. Het betreft een reservering op de aanvul-lende post.Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Uitgaven ingroeipadmiddelen119,2295,8850,81.078,6445,9148,4Ontvangsten20,0– 3,7– 18,3– 41,8– 51,6– 35,5Toegankelijkheid kinderopvang24,024,0Ondersteuning KO-sector2,47,87,3Uitvoeringskosten46,065,0Totaal (netto-uitgaven)19,2292,1832,51.039,2472,1209,2Totaal afgerond03008001.0005002001 Gelijk aan reeks 10 in tabel 3 van de 1e suppletoire begroting SZW2 De hogere ontvangsten zijn in de tabel weergegeven als lagere uitgaven. Het op honderden miljoenen afgeronde totaalbedrag komt voor alle jarenovereen met reeks 30 in tabel 5 van de Voorjaarsnota.Vraag 76Waarom heeft de reeks kinderopvang al betrekking op jaren voor 2027?Antwoord 76In de beantwoording van deze vraag is verondersteld dat wordt verwezennaar tabel 3 van de 1e suppletoire begroting SZW (reeks 9), oftewelonderstaande reeks:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 536 Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Invoering nieuwe financiering kinderopvang per 2029– 38,3– 611,6– 2.168,9– 1.742,9– 155,7– 47,3 Bovengenoemde reeks heeft betrekking op de vrijval als gevolg van deinvoering van het nieuwe kinderopvangstelsel per 2029 in plaats van 2027.De vrijval is berekend op basis van een vormgeving waarin het eerderbeoogde ingroeipad vanaf 2026 met twee jaar zou opschuiven. Daarnaastis er rekening mee gehouden dat ouders de kinderopvangtoeslag voor demaand januari reeds in december van het voorafgaande jaar ontvangen.Om deze redenen heeft reeks 9 ook betrekking op de jaren 2025 en 2026.Vraag 77Waarom zijn de reeksen 17 en 18 in de plus en niet in de min?Antwoord 77De oorspronkelijke taakstelling uit het HLA en de taakstelling vanwegedekking voor de OCW-begroting (amendement Bontenbal c.s.) zijn alsmin-reeks ingeboekt op de begroting van SZW. Dit is gebeurd in respectie-velijk de ontwerpbegroting 2025 («taakstelling HLA» op artikel 96) en hetamendement op deze begroting («taakstelling OCW» op artikel 99).Bij de 1e suppletoire begroting 2025 is een deel van de taakstelling opartikel 96 (Apparaat Kerndepartement) en artikel 99 (Nog onverdeeld)overgeboekt naar artikel 11 (waar de uitvoeringskosten ZBO’s staan).Dit wordt zichtbaar bij de reeksen 17 en 18. Deze reeksen laten zien welkdeel van de oorspronkelijke taakstelling wordt ingevuld via een bijdragevan de ZBO’s.Dit leidt tot een plus op artikel 96 en 99 (reeksen 17 en 18) en een (evengrote) min op artikel 11.Vraag 78Hoe hoog zijn de totale oninbare vorderingen van de Tijdelijke Noodmaat-regel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW)? Hoe verhoudt dit zichtot het bedrag uitgegeven aan de NOW? Verschilt dit per fase van deNOW?Antwoord 78Tabel: Oninbare NOW-vorderingen (bedragen x € 1 mln.)NOW 1NOW 2NOW 3.1NOW 3.2NOW 3.3NOW 4NOW 5NOW 6TotaalVastgestelde subsidie15.1562.7812.7532.9611.7009759391.21818.483Prognose totaal oninbarevorderingen139139,999,2115,292,154,840,971,5693,0w.v. reguliere vorderingen(zonder betalingsregeling)83,574,251,961,14828,721,436,9405,5Voorziening55,565,747,354,144,126,119,534,6346,9Afgeboekt288,54,673,92,61,92,358,6w.v. faillissementsvorderingen6755,133,244,531,718,215,222,7287,5Voorziening51,841,425,335,824,413,911,717,3221,6Afgeboekt15,213,77,98,77,34,33,55,465,9Oninbare vorderingen alspercentage vastgesteldesubsidie2,9%4,6%3,1%3,6%4,7%4,8%3,9%4,9%3,7%1 Uit UWV jaarverslag 2024.Bron: UWV (peildatum 30 april 2025) De NOW bestaat uit zes tranches, waarbij de NOW 3 uit drie aanvraagpe-riodes bestaat. De vastgestelde NOW-subsidie voor alle tranches samenbedraagt circa € 18,5 miljard (UWV jaarverslag 2024). Op 30 april 2025bedroeg het totale bedrag aan (verwachte) oninbare vorderingenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 537 € 693 miljoen. Het wordt later pas duidelijk of dit bedrag inderdaadvolledig oninbaar is. In de tabel hierboven is per NOW tranche eenuitsplitsing gemaakt. De oninbaarheid uitgedrukt als percentage van devastgestelde subsidie verschilt niet significant per NOW-regeling. Ditpercentage ligt tussen de 2,9% en 4,9%.We verwachten in totaal € 288 miljoen aan oninbare vorderingen alsgevolg van faillissement. Hiervan is € 66 miljoen reeds afgeboekt wegensoninbaarheid. Deze vorderingen zijn definitief oninbaar gebleken. Deresterende € 222 miljoen betreft een voorziening voor oninbare faillisse-mentsvorderingen. We verwachten dat dit bedrag aan oninbare vorde-ringen zich nog zal materialiseren. Daarnaast zijn er reguliere vorderingen,waarvoor nog geen betalingsregeling is getroffen en geen sprake is vanfaillissement. In totaal gaan we uit van € 406 miljoen aan oninbaarheid opdeze vorderingen. Hiervan is € 59 miljoen reeds afgeboekt. Devoorziening voor reguliere oninbare vorderingen bedroeg € 347 miljoenop 30 april 2025.Vraag 79Kunt u uiteenzetten hoeveel misbruik en oneigenlijk gebruik er is geweestbij de NOW in euro’s?Antwoord 79In verhouding tot de subsidieaanvragen zijn er weinig signalen vanmisbruik en oneigenlijk gebruik (M&O). Tot en met 2024 heeft UWV vooralle NOW-regelingen in totaal 2.895 meldingen ontvangen over mogelijkmisbruik door 2.302 bedrijven. Bij de helft van de meldingen is op basisvan onderzoek geconcludeerd dat er geen verdere actie nodig was. Bij deandere helft was sprake van mogelijke fraude of valsheid in geschrifte. Bijdie meldingen is een vervolgactie ondernomen of is de zaak overge-dragen aan een ketenpartner voor verdere verwerking. De controles bijvaststellingsaanvragen naar aanleiding van alle meldingen en datage-dreven signalen van de directie Handhaving bij UWV hebben in317 gevallen geleid tot een neerwaartse bijstelling van het definitievesubsidiebedrag met c.a. € 7,6 miljoen.37 In 14 gevallen is de definitievesubsidievaststelling achteraf herzien.Tegelijkertijd wordt erkend dat mogelijk niet alle gevallen van M&O inbeeld zijn, zoals ook in de evaluatie van 2024 naar voren kwam (Kamer-stukken II 2023/24, 35 420, nr. 536). De snelle totstandkoming van deNOW-regeling heeft een verhoogd risico op M&O met zich meegebracht,waarbij meer restrisico’s op M&O zijn aanvaard dan bij reguliereomstandigheden gebruikelijk zouden zijn. Hierover is uw Kamer periodiekgeïnformeerd. Tevens dient opgemerkt te worden dat het beleid voorM&O zo veel mogelijk preventief is ingestoken. De bovenvermeldebedragen geven daarmee geen volledig en representatief beeld voor deresultaten van het M&O-beleid binnen de NOW-regelingen als geheel.Vraag 80Kunt u voor de NOW uiteenzetten welk deel van de oninbare vorderingenkomt door misbruik en oneigenlijk gebruik, dan wel fraude, dan wel tewijten is aan andere oorzaken (zoals faillissementen, schijn-faillissementen of eventueel andere oorzaken)?Antwoord 80Oninbare vorderingen zijn te splitsen in NOW-vorderingen bij faillis-sement en reguliere NOW-vorderingen (zonder betalingsregeling). Per30 april 2025 is er € 66 miljoen afgeboekt op faillissementsvorderingen en37Bron: Jaarverslag UWV 2024 en Jaarverslag UWV 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 538 bedraagt de voorziening voor oninbaarheid voor deze categorie vorde-ringen € 222 miljoen. Bij de reguliere NOW-vorderingen (zonderbetalingsregeling) is er € 59 miljoen afgeboekt en komt de voorzieningvoor oninbaarheid uit op € 347 miljoen. De afboekingen en voorzieningenvoor oninbaarheid bedragen 3,7% van de vastgestelde NOW-subsidiesconform het UWV jaarverslag 2024. Een onderscheid naar misbruik enoneigenlijk gebruik (M&O) of fraude is niet te maken. In 2024 is de NOWregeling geëvalueerd door SEO en Dialogic (Kamerstukken II 2023/24,35 420, nr. 536). Dit onderzoek is tevens ingegaan op M&O-aspecten vande regeling. In verhouding tot de subsidieaanvragen zijn er weinigsignalen van M&O. Tegelijkertijd wordt erkend dat mogelijk niet allegevallen van M&O in beeld zijn. Het is dus niet mogelijk het M&O ineuro’s uit te drukken.Vraag 81Hoe hoog zijn de oninbare vorderingen van de NOW in totaal? Dus los vande bijstelling van € 133,7 miljoen?Antwoord 81Per 30 april 2025 is er € 66 miljoen afgeboekt op faillissementsvorde-ringen en bedraagt de voorziening voor oninbaarheid € 222 miljoen. Bijde reguliere NOW-vorderingen (zonder betalingsregeling) bedragen deafboekingen € 59 miljoen en komt de voorziening wegens oninbaarheiduit op € 347 miljoen. De afboekingen en voorzieningen voor oninbaarheidbedragen 3,7% van de vastgestelde NOW-subsidies conform het UWVjaarverslag 2024.Vraag 82Welk deel van de structurele tegenvaller in de WKB is toe te schrijven aande te hoge inschatting van de loonontwikkeling? En wat was de feitelijkeloonontwikkeling t.o.v. de Centraal Economische Plan (CEP)-raming?Antwoord 82De structurele tegenvaller op het kindgebonden budget (WKB) isnagenoeg geheel toe te schrijven aan een neerwaartse bijstelling van dedoor het Centraal Planbureau (CPB) geprognosticeerde loonontwikkelingvan huishoudens met kinderen.De WKB-uitgaven nemen structureel toe doordat het CPB de inkomens-ontwikkeling van huishoudens met kinderen in de CEP-raming vanaf 2027structureel lager inschat dan eerder ten tijde van de cMEV 2024 werdverwacht. De structureel lagere gezinsinkomens leiden daarbij tot hogereuitgaven aan WKB.In de onderstaande tabel is indicatief zichtbaar gemaakt in hoeverre hetCPB in het CEP 2025 de gemiddelde gezinsinkomens ten opzichte van decMEV 2024 heeft bijgesteld. Het betreft hier de gemiddelde inkomensont-wikkeling van alle huishoudens met kinderen hetgeen dus niet perdefinitie gelijkstaat aan de inkomensontwikkeling van specifiek deWKB-populatie.Om in aanmerking te kunnen komen voor WKB is onder meer de hoogtevan het inkomen en vermogen bepalend. Echter is de inkomensontwik-keling van specifiek de WKB-populatie lastig te bepalen, onder meeromdat de WKB-populatie als gevolg van beleid (tijdelijk) in omvang kanvariëren. Zo hebben de laatste jaren als gevolg van deWKB-intensiveringen veel nieuwe gezinnen met relatief hogere inkomensrecht gekregen op WKB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 539 Tabel: Indicatie bijstellingen CPB-prognose inkomensontwikkeling huishoudens met kinderen (cMEV2024 vs. CEP2025)202520262027202820292030Gemiddelde inkomenswikkeling huishoudens met kinderen(cMEV ’24)5,9%2,8%4,1%3,7%4,0%4,0%Gemiddelde inkomensontwikkeling huishoudens met kinderen(CEP ’25)5,8%3,1%3,8%3,3%3,3%3,2%Mutatie (jaarlijks)– 0,1%0,3%– 0,3%– 0,4%– 0,7%– 0,7%Mutatie (cum. t.o.v. 2025)– 0,1%0,2%– 0,1%– 0,4%– 1,1%– 1,8% Zoals uit bovenstaande tabel blijkt schat het CPB de inkomensontwik-keling van huishoudens met kinderen momenteel in vrijwel alle jaren (op2026 na) lager in dan voorheen ten tijde van cMEV 2024. In de jaren 2029en 2030 zijn de neerwaartse bijstellingen het grootst (circa –0,7% per jaar).Aangezien de loonverschillen cumuleren is er in 2030 cumulatief sprakevan de grootste neerwaartse loonbijstelling (en dus ook de grootstetoename van de WKB-uitgaven). Tot slot geldt dat de feitelijke loonontwik-keling pas na afloop van de betreffende jaren vastgesteld kan worden.Vraag 83Kunt u in eenvoudige taal uitleggen wat de volgende zin over deloonkostensubsidie (LKS) betekent: «Omdat het opwaartse effect van deprijsrealisaties kleiner is dan het neerwaartse effect van de volumereali-saties, is de per saldo bijstelling naar beneden»?Antwoord 83In maart hebben we de voorlopige realisatiecijfers van 2024 voor hetmacrobudget Participatiewetuitkeringen (bijstand, LKS, IOAW, IOAZ enBbz levensonderhoud) ontvangen. De gemiddeld hoogte van eenLKS-uitkering (prijs) in 2024 bleek hoger dan verwacht. Hierdoorverwachten we dat de LKS-uitgaven met € 7,6 miljoen toenemen in 2025.Daar staat tegenover dat het aantal LKS-uitkeringen (volume) in 2024 juistlager bleek dan verwacht. Hierdoor verwachten we dat de LKS-uitgavenmet € 32,3 miljoen afnemen in 2025. Het saldo van deze twee effectenleidt tot de verwachting dat de LKS-uitgaven in totaal met € 24,7 miljoenafnemen in 2025.Vraag 84Kunt u uitleggen wat de effecten in geld voor individuen zijn voorWajongers? Zoals geformuleerd in de memorie van toelichting dat er eenlagere gemiddelde jaaruitkering van de oude Wajong-regeling ontstaat?Antwoord 84De gemiddelde jaaruitkering van de oude Wajong-regeling is hetgemiddelde van de uitkeringen voor mensen met en zonder arbeidsver-mogen. Dit gemiddelde is om twee redenen lager dan eerder begroot. Teneerste vallen er meer mensen met arbeidsvermogen onder de (oude)Wajong dan eerder verwacht. Mensen in de Wajong met arbeidsver-mogen hebben een lagere uitkering (70% wml) dan de groep zonderarbeidsvermogen (75%). Ten tweede zijn er meer mensen die deelswerken en vanwege het verrekenen van het inkomen met de uitkering eenlagere uitkering ontvangen. De gemiddelde jaaruitkering per persoon ende totale uitkeringslasten zijn daardoor lager. Het effect per persoonverschilt, maar niemand is er in inkomen op achteruit gegaan. Deuitkeringsregels in de Wajong zorgen ervoor dat mensen die (meer) gaanwerken er in bruto totaalinkomen op vooruit gaan.Vraag 85Wat voor ingroeipad hoort er bij de voorziene middelen «ingroeipadnieuw kinderopvangstelsel»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 540 Antwoord 85Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welktoetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 86Tot welke inkomensgroep (afgerond op € 100) is het mogelijk om hetvergoedingspercentage te verhogen naar 96% met de middelen voorzienvoor «ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel» in 2025?Antwoord 86Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welktoetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding. In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 541 De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 87Tot welke inkomensgroep (afgerond op € 100) is het mogelijk om hetvergoedingspercentage te verhogen naar 96% met de middelen voorzienvoor «ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel» in 2026?Antwoord 87Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welktoetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding. In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 88Tot welke inkomensgroep (afgerond op € 100) is het mogelijk om hetvergoedingspercentage te verhogen naar 96% met de middelen voorzienvoor «ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel» in 2027?Antwoord 88Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 542 toetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding. In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 89Tot welke inkomensgroep (afgerond op € 100) is het mogelijk om hetvergoedingspercentage te verhogen naar 96% met de middelen voorzienvoor «ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel» in 2028?Antwoord 89Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welktoetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding. In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 90Tot welke inkomensgroep (afgerond op € 100) is het mogelijk om hetvergoedinsgpercentage te verhogen naar 96% met de middelen voorzienvoor «ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel» in 2029? Is het mogelijk omalle inkomensgroepen naar dit niveau te brengen?Antwoord 90Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het verhogen vande vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in de aanloop naarde invoering van een nieuw financieringsstelsel. De maximaal vergoedetarieven (de maximum uurprijs), de inkomensgrenzen en de vergoedings-percentages moeten voor aanvang van ieder kalenderjaar wordenvastgesteld met een algemene maatregel van bestuur (Amvb). Deze Amvbkent een voorhangprocedure. Het kabinet neemt in juni een formeelbesluit over de invulling van het Besluit KOT voor 2026 en zal later dezemaand bij het parlement worden voorgehangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 543 Er is ook nog geen besluit genomen over de exacte besteding van demiddelen in latere jaren. Wel kan een indicatie worden geven van eenmogelijk ingroeipad dat naar huidig inzicht mogelijk is met de gereser-veerde middelen voor het ingroeipad. Bij dit mogelijke ingroeipad wordtervan uitgegaan dat het vergoedingspercentage voor het eerste kindsteeds gelijkmatig wordt verhoogd voor alle inkomensgroepen die noggeen recht hadden op het maximale vergoedingspercentage van 96%.Onderstaande tabel toont voor dit scenario voor ieder jaar tot welktoetsingsinkomen recht zou ontstaan op 96% vergoeding. In 2029 hebbenalle inkomensgroepen recht op 96% vergoeding.202420252026202720282029Toetsingsinkomen (lopende prijzen)€ 28.300€ 47.400€ 56.400€ 83.800€ 111.200∞ De genoemde bedragen in bovenstaande tabel zijn nadrukkelijk indicatief.Vraag 91Hoeveel kost het toch indexeren van de maximum uurprijs? Hoe verhoudtdit zich tot mogelijk eerder ingeboekte reeksen? Op welke manier is derecente CEP-raming verwerkt?Antwoord 91Het indexeren van de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslagheeft structureel budgettaire gevolgen, omdat de uurprijs na indexatiestructureel op een hoger niveau komt te liggen, vergeleken met wanneerindexatie achterwege blijft. De in het Besluit kinderopvangtoeslagvoorgeschreven reguliere indexatie is een gewogen gemiddelde van deontwikkeling van de loonvoet bedrijven (80%) en de ontwikkeling van deconsumentenprijsindex (20%) volgens het Centraal Economisch Plan(CEP) van het Centraal Planbureau.De geraamde loon- en prijsontwikkeling voor 2026 bedroeg in het CEP2024 nog 3,76%. Ten tijde van de opstellen van de Hoofdlijnenakkoordwerd de opbrengst van het niet indexeren van de maximum uurprijsdaarom geraamd op € 254 miljoen structureel. Op basis van het CEP 2025werd de verwachte loon- en prijsontwikkeling over 2026 bijgesteld naar3,96% (+0,2%). Daarnaast zou een correctie plaatsvinden over degeraamde loon- en prijsontwikkeling voor 2025 (0,85%), doordat in hetCEP 2025 de geraamde loonontwikkeling over 2025 is bijgesteld van 4,2%naar 5,2% en de geraamde prijsontwikkeling van 2,8% naar 3,2%.Samengenomen leiden deze twee componenten ertoe dat de maximumuurprijzen in 2026 worden geïndexeerd met 4,84%, in plaats van de 3,76%waarvan in het HLA was uitgegaan. De raming van de verwachte kostenvan het indexeren van de maximum uurprijzen KOT worden zodoendeopwaarts bijgesteld naar € 337 miljoen structureel.Tabel: budgettaire gevolgen indexeren maximum uurprijs KOT 2026(x € 1 mln.)202520262027202820293030Indexeren MUP(CEP 2024)10125214245254254Indexeren MUP(CEP 2025)15184280318336337 Vraag 92Wat voor inkomenseffecten heeft het uitstellen van de stelselherzieningkinderopvang voor de jaren 2026, 2027 en 2028 ten opzichte van desituatie dat de stelselherziening wel doorging per 2027 (en de bijbeho-rende middelen om daarnaartoe te groeien)? Kunt u deze uitdrukken in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 544 gebruikelijke voorbeeldhuishoudens en boxplots? Wilt u voor zover deinvulling van de ingroeipaden (of andere parameters) nog onbekend isaannames maken over het ingroeipad op basis van de keuzes die in hetverleden genomen zijn, zoals dat er gekozen is voor variant 1 voor deeerste tranche van het ingroeipad?Antwoord 92Op de SZW-begroting is een reservering getroffen voor het jaarlijksverhogen van de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag inde aanloop naar de invoering van een nieuw financieringsstelsel. Op ditmoment is nog niet bekend wat de toekomstige vergoedingspercentageszullen zijn. De maximaal vergoede tarieven (de maximum uurprijs), deinkomensgrenzen en de vergoedingspercentages worden namelijk steedsper kalenderjaar vastgesteld met een algemene maatregel van bestuur(Amvb). Deze Amvb kent een voorhangprocedure. De wijziging van hetBesluit KOT voor 2026 zal in juni bij het parlement worden voorgehangen,voorzien van rekenvoorbeelden. Met de gebruikelijke boxplots wordt in deSZW-begroting een algemeen beeld geschetst van de jaarlijksekoopkrachtontwikkeling. Hiervoor geldt dat effecten van wijzigingen in dekinderopvangtoeslag vaak minder goed zichtbaar zijn, omdat de groep diegebruik maakt van kinderopvang relatief gezien erg klein is ten opzichtevan alle huishoudens. Daarom wordt doorgaans gewerkt met rekenvoor-beelden bij beleidswijzigingen.Zie voor het een indicatie van het ingroeipad naar het nieuwe financie-ringsstelsel ook het antwoord op vraag 85.Vraag 93Wat zijn de inkomenseffecten behorend bij het steiler afbouwen van deWKB? Kunt u deze uitdrukken in de gebruikelijke voorbeeldhuishoudensen boxplots?Antwoord 93Onderstaande tabel toont het mediane inkomenseffect voor de voorbeeld-huishoudens die geraakt worden door de invoering van het tweedeknikpunt in de WKB (steiler afbouwpercentage voor inkomens vanaf€ 60.000, prijspeil 2024). Het mediane inkomenseffect voor alle groepenvoorbeeldhuishoudens (inclusief huishoudens die geen WKB ontvangen)is 0,0%.Tabel: inkomenseffecten voor huishoudens met effect door verhoging van hetafbouwpercentage met 4,3%-punt bij inkomens vanaf € 60.000 (prijspeil 2024) in2027.InkomensgroepAlleen effect1e (<=106% WML)0,0%2e (106–173% WML)0,0%3e (173–257% WML)– 0,2%4e (257–380% WML)– 0,8%5e (>380% WML)– 1,0%InkomensbronWerkenden– 0,7%Uitkeringsgerechtigden– 0,4%Gepensioneerden0,0%HuishoudtypeTweeverdieners– 0,7%Alleenstaanden– 0,7%Alleenverdieners– 0,6%KinderenHuishoudens met kinderen– 0,7%Huishoudens zonder kinderen–Alle huishoudens met effect– 0,7% Vraag 94Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 545 Welke structurele tegenvaller op de SZW-begroting wordt gedekt door desteilere afbouw WKB?Antwoord 94De structurele tegenvaller van € 0,7 miljard op de SZW-begroting is hetgevolg van bijstellingen op basis van uitvoeringsinformatie van onderandere het UWV, SVB en Dienst Toeslagen. De tegenvaller wordt onderandere veroorzaakt door een hogere dan verwachte instroom in de Wetwerk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Daarnaast draagt ook eentoename in de instroom in de Ziektewet (ZW) bij aan de tegenvaller. Ookis het aantal kinderen dat gebruikmaakt van kinderopvang naar bovenbijgesteld, wat resulteert in een tegenvaller op de Kinderopvangtoeslag(KOT).De middelen die vrij zijn gekomen door de steilere afbouw van hetkindgebonden budget (WKB) zijn ingezet om de problematiek op deSZW-begroting in algemene zin van dekking te voorzien. Dit is niet toe tewijzen aan een specifieke tegenvaller of beleidsdossier.Vraag 95Hoeveel kindgebonden budget krijgt een gezin met respectievelijk twee,drie en vier kinderen, bij een inkomen van respectievelijk € 65.000, 70.000,75.000, 80.000, 85.000 en 90.000, zowel voor het jaar 2025 als voor 2026?Antwoord 95Onderstaande tabellen tonen het totale bedrag aan kindgebonden budgetvoor een paar met verschillende inkomenshoogtes in 2025 en 2026 inlopende prijzen. In de berekening wordt uitgegaan van kinderen in deleeftijdscategorie 6 tot en met 11 jaar. De bedragen voor alleenstaandeouders vallen hoger uit vanwege de aanvulling voor alleenstaande ouders(ALO-kop), deze bedraagt € 3.389 in 2025 en (voorlopig) € 3.407 in 2026.Tabel: Hoogte kindgebonden budget in 2025 en 2026 voor een paar met 2 kinderen.InkomenWKB 2025WKB 2026€ 65.000€ 3.280€ 3.399€ 70.000€ 2.947€ 3.043€ 75.000€ 2.614€ 2.687€ 80.000€ 2.281€ 2.331€ 85.000€ 1.948€ 1.974€ 90.000€ 1.615€ 1.618 Tabel: Hoogte kindgebonden budget in 2025 en 2026 voor een paar met 3 kinderen.Inkomen20252026€ 65.000€ 5.791€ 5.973€ 70.000€ 5.458€ 5.617€ 75.000€ 5.125€ 5.261€ 80.000€ 4.792€ 4.905€ 85.000€ 4.459€ 4.548€ 90.000€ 4.126€ 4.192 Tabel: Hoogte kindgebonden budget in 2025 en 2026 voor een paar met 4 kinderen.InkomenWKB 2025WKB 2026€ 65.000€ 8.302€ 8.547€ 70.000€ 7.969€ 8.191€ 75.000€ 7.636€ 7.835€ 80.000€ 7.303€ 7.479€ 85.000€ 6.970€ 7.122€ 90.000€ 6.637€ 6.766 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 546 Vraag 96Kunt u uiteenzetten hoe de extra gelden voor de Actieagenda Integratieterechtkomen in het Gemeentefonds en waar dit aan besteed moetworden? Zijn dit extra fondsen bovenop het Gemeentefonds of inclusief?Antwoord 96Een deel van de middelen van de Actieagenda Integratie, namelijk3 x 2 miljoen wordt ingezet voor verlenging van de SPUK agendaveerkracht en weerbaarheid in de periode 2026 tot en met 2028, alsonderdeel van de grotere interdepartementale SPUK Kansrijke Wijkenwaaraan ook andere departementen bijdragen. Deze middelen zijninmiddels overgemaakt naar het Gemeentefonds.Vraag 97Kunt u de reeks behorend bij de duurverkorting WW uitleggen (zowel alshet gaat om uitgavenmutaties als om premiegefinancierde uitgavenmu-taties)? Hoe verhoudt deze zich tot eerder ingeboekte reeksen (zoals bijHLA)? Wanneer zijn er reeksen behorend bij deze wijziging ingeboekt enter waarde van hoeveel euro?Antwoord 97In de Begroting SZW 2025 (Kamerstukken II 2024/2025, 36 600 XV, nr. 2) isde besparingsopgave uit het HLA ter waarde van € 200 miljoen per jaaringeboekt. In de eerste suppletoire begroting (Kamerstukken II 2024/2025,36 725 XV, nr. 2) is de reeks uit het HLA uitgeboekt en ingevuld met debudgettaire effecten van een duurverkorting naar 18 maanden conform deVoorjaarsnota. De tabel hieronder biedt een overzicht van alle effecten diezijn ingeboekt.Een duurverkorting van de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering heefteffecten op uitgaven die begrotingsgefinancierd en premiegefinancierdzijn. In de eerste suppletoire begroting is in hoofdstuk 2.1 de mutatieuitgesplitst naar type financiering. Bij de uitgavenmutaties is het effect opde Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW), bijstand, Toeslagenwet(TW) en kosten voor gemeenten opgenomen.Onder de premiegefinancierde mutaties is de besparing op de WW- enWGA-uitkering en uitvoeringskosten voor UWV opgenomen. Daarbij is debesparingsopgave van € 200 miljoen per jaar uit het Hoofdlijnenakkoord(HLA) ingevuld door het effect dat bij de duurverkorting hoort. Deingeboekte budgettaire effecten vinden grotendeels vanaf 2029 plaats. DeWW-uitgaven in 2027 en 2028 zijn in de eerste suppletoire begrotingopgehoogd, omdat de geraamde besparing in die jaren lager uitpakt danwat na het HLA is ingeboekt. Vanaf 2029 is de geraamde besparing tenopzichte van het HLA hoger waardoor de WW-uitgaven in de begrotingverder naar beneden zijn bijgesteld.Ingeboekte budgettaire effecten duurverkorting WW- en loongerelateerdeWGA-uitkeringx € mln. (prijspeil 2024)20262027202820292030Totaal5,00– 114,4– 398,1– 442,7WW– 115,2– 438,5– 453,8IOW38,16,5Bijstand16,261,663,7WGA– 16,0– 61,6– 61,2TW0,20,70,5Uitvoeringskosten UWV5,0– 2,2– 8,3– 8,6Uitvoeringskosten gemeente2,610,010,3 Vraag 98Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 547 Wanneer gaat de duurverkorting WW in? Wanneer ontvangt de Kamerdeze wetswijziging?Antwoord 98De Voorjaarsnota en eerste suppletoire begroting gaan uit van een datumvan inwerkingtreding van 1 januari 2027. UWV heeft aangegeven dat eenduurverkorting vóór 1 januari 2028 niet uitvoerbaar is. Het kabinet ismomenteel in gesprek met UWV en bekijkt de gevolgen hiervan.Vraag 99Kunt u een overzicht maken van de doorwerking van de WW-maatregel opandere regelingen, in zowel het budgettair effect als de beleidseffecten?Antwoord 99In onderstaande tabel vindt u de budgettaire effecten van een duurver-korting van de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering naar 18 maandendie ingeboekt zijn in de eerste suppletoire begroting.Werkloze werknemers die op de eerste werkloosheidsdag of eerste dagvan de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en 4 maanden of ouderzijn, kunnen na het bereiken van de maximale uitkeringsduur rechthebben op een IOW-uitkering. Een duurverkorting per 1 januari 2027 zounaar verwachting leiden tot meer mensen die recht hebben op eenIOW-uitkering. Hierbij zouden zij naar verwachting langer gebruik makenvan een IOW-uitkering omdat de WW- of loongerelateerde WGA-uitkeringal eerder eindigt. Voor nieuwe WW- en WGA-gerechtigden met een eersteuitkeringsdag met ingang van 1 januari 2028 is er geen recht opIOW-uitkering meer omdat de IOW tijdelijk is.Daarnaast stroomt een deel van de mensen na afloop van deWW-uitkering door naar de bijstand wanneer zij nog onvoldoendeinkomen hebben. Of iemand in aanmerking komt voor een bijstandsuit-kering is onder meer afhankelijk van het inkomen van een eventuelepartner en het beschikbare vermogen.Voor de loongerelateerde WGA-uitkering geldt dat een inkorting ertoeleidt dat uitkeringsgerechtigden eerder doorstromen naar de vervolgfasevan de WGA-uitkering. Uitkeringsgerechtigden ontvangen dan eenWGA-loonaanvullingsuitkering of een WGA-vervolguitkering. Deuitkeringshoogte is hier gemiddeld lager dan in de loongerelateerde fasevan de WGA-uitkering waardoor er een besparing optreedt. Voor dezegroep uitkeringsgerechtigden zijn er iets hogere uitgaven aan deToeslagenwet (TW) voorzien om aan te vullen tot het sociaal minimum.Anderzijds neemt het aantal TW-aanvullingen behorende bijWW-uitkeringen af omdat het aantal WW-uitkeringen afneemt. Per saldozijn hogere uitgaven aan de TW voorzien.Ingeboekte budgettaire effecten duurverkorting WW- en loongerelateerdeWGA-uitkeringx € mln. (prijspeil 2024)20262027202820292030Totaal5,00– 114,4– 398,1– 442,7WW– 115,2– 438,5– 453,8IOW38,16,5Bijstand16,261,663,7WGA– 16,0– 61,6– 61,2TW0,20,70,5Uitvoeringskosten UWV5,0– 2,2– 8,3– 8,6Uitvoeringskosten gemeente2,610,010,3 Vraag 100Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 548 Welke tegemoetkoming voor arbeidsongeschikte zzp’ers die een inko-menshiaat hebben wordt niet doorgezet? Over wat voor bedragen gaat ditvoor de begroting en voor mensen?Antwoord 100In de SZW begroting was naar aanleiding van de aangenomen motie vanKent (Kamerstukken II, 2023/2024, 32 043, nr. 635) een reserveringgetroffen van € 24,5 miljoen in 2025 voor een mogelijke tegemoetkomingvoor een groep arbeidsongeschikte zzp’ers. De motie riep op een regelingte treffen voor de groep zelfstandigen die per 1 januari 2013 een privatearbeidsongeschiktheidsuitkering (AOV) ontvangt en door de verhogingvan de AOW-leeftijd een gat heeft tussen de duur van de verzekering ende ingang van de AOW. Met de Kamerbrief van 15 april jl. (Kamer-stukken II, 2024/2025, 32 043, nr. 683) heb ik uw Kamer geïnformeerd debetreffende groep niet met een eenmalige passende regeling tegemoetge-komen kan worden zonder precedentwerking, zoals de motie vraagt.Vraag 101Waarom komt de reservering gemaakt voor de aanpak van problema-tische schulden naar aanleiding van het IBO te vervallen? Waar wordendeze middelen nu voor gebruikt? Komen deze middelen vrij?Antwoord 101De middelen vanaf 2029 voor de aanpak van problematisch schulden zijningezet om de problematiek op de SZW-begroting in algemene zin vandekking te voorzien. Dit is niet toe te wijzen aan een specifieke tegenvallerof beleidsdossier. De middelen zijn dus niet vrij beschikbaar.Vraag 102Kunt u een overzicht geven van de niet-juridisch verplichte onverdeeldereserveringen die volgens artikel 99 nog te verdelen zijn voor hetaankomende jaar?Antwoord 102Onderstaand is een overzicht weergegeven van de niet-juridischeverplichte onderverdeelde reserveringen van artikel 99 voor het jaar 2025.ReserveringBedrag (x € mln.)Reservering uitvoeringskosten voor wetgeving omtrent ZZP’ers1,000Reservering voor het bruteren van kwijtgescholden schulden i.h.k.v.hersteloperatieKinderopvang Toeslagenaffaire0,100Reservering ten behoeven van de wetsvoorstellen Meer zekerheidflexwerkers enVerduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Vbar)2,575Reservering implementatiekosten Participatiewet in balans37,710Reservering uitvoeringskosten wetsvoorstel proactieve dienstverlening1,850Reservering uitvoeringskosten om netto terug te vorderen i.p.v. bruto1,000Reservering uitvoeringskosten wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid14,000Reservering waarborgfonds saneringskredieten van gemeenten6,000Reservering voor verbetering schuldenketens1,990Reservering voor bescherming arbeidsmigranten (cie. Roemer)5,813Reservering voor wet implementatie richtlijn Loontransparantie2,500Reservering hogere kosten Kamer van Koophandel0,322Reservering loonkostensubsidie beschut werk (SO-bedrijven)34,257Nog te verdelen loon- en prijsindexatie 2025167,628Reservering apparaat0,647Taakstelling SZW2– 30,000Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 549 ReserveringBedrag (x € mln.)Totaal 1e suppletoire begroting147,3921 De gereserveerde loon- en prijsbijstelling is na publicatie van de 1e suppletoire begrotingdoorverdeeld naar de desbetreffende beleidsonderdelen.2 Dit betreft een oude taakstelling vanuit de augustusbesluitvorming 2020 die door SZW moetworden ingevuld gedurende het jaar 2025. Vraag 103Hoeveel besparing levert de verkorting van de WW op in de WIA, via deverkorting van de loongerelateerde uitkering?Antwoord 103De structurele besparing bedraagt ongeveer € 45 miljoen. Deze besparingis inclusief hogere uitgaven aan de Toeslagenwet voor deze groepuitkeringsgerechtigden.Vraag 104Is het theoretisch en praktisch mogelijk om de Werkhervatting GedeeltelijkArbeidsgeschikten (WGA) uit te zonderen van de geplande duurverkortingvan de WW-uitkering?Antwoord 104Voor de komst van de Wet WIA had de gedeeltelijk arbeidsongeschiktewerknemer tegelijkertijd recht op zowel een WAO- als een WW-uitkering.Bij de invoering van de Wet WIA in 2006 is ervoor gekozen om deWW-uitkering te incorporeren in de loongerelateerde WGA-uitkering. Ditis gerealiseerd door zowel de hoogte als de duur van de loongerelateerdeWGA-uitkering gelijk te stellen aan die van de WW. Ook geldt voor hetrecht op een loongerelateerde WGA-uitkering dezelfde referte-eis als voorhet recht op WW.Voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten betekende de incorporatie van deWW-uitkering in de loongerelateerde WGA-uitkering dat zij niet langerafzonderlijk een WW-uitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkeringhoefden aan te vragen. De samenvoeging van beide regelingen heeftzodoende gezorgd voor een duidelijke vereenvoudiging voor gedeeltelijkarbeidsgeschikten en de uitvoering. De gedeeltelijk arbeidsgeschiktewerknemer heeft met minder verschillende rechten en plichten te makenen de uitvoerder hoeft minder beoordelingen te doen. De koppelingtussen de WW- en de loongerelateerde uitkering is altijd een belangrijkuitgangspunt geweest.Het zou theoretisch gezien mogelijk zijn om de loongerelateerdeWGA-uitkering uit te zonderen van de geplande duurverkorting van deWW-uitkering. In de praktijk brengt deze uitzondering van de loongerela-teerde WGA-uitkering veel bezwaren met zich mee. Het kabinet wil graagde eenvoud behouden, die met de incorporatie van het WW-deel in deloongerelateerde WGA-uitkering is bereikt. Het kabinet vindt het onwen-selijk om wetgeving onnodig complex(er) te maken. Dit strookt niet deinzet van het kabinet om wet- en regelgeving te vereenvoudigen.De duurverkorting van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft totgevolg dat de WGA-gerechtigde na maximaal 18 maanden doorstroomtnaar de volgende uitkeringsfase. Na de loongerelateerde WGA-uitkeringkomt de WIA-uitkeringsgerechtigde in aanmerking voor een loonaanvul-lingsuitkering (LAU) óf een vervolguitkering (VVU). Dit is afhankelijk vande hoogte van eventuele inkomsten uit arbeid (ten minste 50% van deresterende verdiencapaciteit) of de mate van arbeidsongeschiktheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 550 Vraag 105Is het juridisch en praktisch mogelijk om te differentiëren in de WW-duurtussen verschillende leeftijdsgroepen?Antwoord 105Differentiëren in de WW-duur tussen verschillende leeftijdsgroepen leidttot een direct onderscheid op basis van leeftijd. Een direct onderscheid opleeftijd is in principe verboden, maar in sommige gevallen mag een directonderscheid wel worden gemaakt. Er moet hierbij sprake zijn van eenobjectieve rechtvaardiging voor dit onderscheid. Om te voldoen aan detoets van de objectieve rechtvaardigingsgrond moet voor een concretemaatregel sprake zijn van een legitiem doel en van een maatregel diegeschikt, noodzakelijk en evenredig is om het doel te bereiken. Of ersprake is van een objectieve rechtvaardiging is sterk afhankelijk van deverdere uitwerking. Dit zou nadere uitwerking vergen.Daarnaast zou differentiëren in de WW-duur tussen verschillendeleeftijdsgroepen zorgen voor een behoorlijke toename aan complexiteit inde WW. Dit strookt niet met de inzet van het kabinet om wet- en regel-geving te vereenvoudigen.Vraag 106Wat zou het budgettaire effect zijn wanneer de WGA wordt uitgezonderdvan de geplande duurverkorting van de WW-uitkering?Antwoord 106Wanneer de WGA wordt uitgezonderd van de duurverkorting van deWW-uitkering betekent dit dat de geboekte besparing op deWGA-uitkering niet zal optreden. Dit resulteert in een besparingsverliesvan structureel € 45 miljoen.Vraag 107Wat is de impact van de duurverkorting van de WW-uitkering op deleeftijdsgroep van 55–67 jarige werknemers?Antwoord 107In 2024 waren er circa 24.000 personen met een WW-uitkering die degrens van 18 maanden looptijd in dat jaar passeerden. De tabel hieronderlaat de leeftijdsverdeling van deze groep zien.Leeftijdsverdeling van personen met een WW-uitkering die de grens van 18 maandenlooptijd passeert in 2024.LeeftijdAandeel< 35 jaar0%35–44 jaar8%45–54 jaar31%55–64 jaar46%65–67 jaar15% Overwegend zijn het relatief oudere werknemers die langer dan18 maanden gebruik maken van een WW-uitkering. Dit heeft tweeredenen. Ten eerste is het voor ouderen relatief lastiger om een nieuwebaan te vinden. Ten tweede hebben deze werknemers voldoendearbeidsverleden opgebouwd om een uitkeringsrecht van meer dan18 maanden te krijgen. Voor de eerste 10 jaar arbeidsverleden wordt éénmaand WW-recht toegekend, voor de jaren daarna een halve maand. Omrecht te hebben op een WW-uitkering van 18 maanden is derhalve eenarbeidsverleden van 26 jaar vereist.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 551 De impact van een duurverkorting hangt uiteindelijk sterk af van dearbeidsmarktpositie van de werkloze werknemer. Voor sommigewerknemers zal gelden dat zij door hun zoekgedrag te intensiveren snellereen nieuwe baan zullen vinden. Tegelijkertijd zijn er ook werknemers meteen grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor deze werknemers is alleenintensiever zoekgedrag niet altijd voldoende om een baan te vinden. Zijkunnen terecht bij UWV voor ondersteunende dienstverlening.Vraag 108Wat is de impact van de duurverkorting van de WW-uitkering op andereleeftijdsgroepen dan 55–67 jarige werknemers?Antwoord 108In 2024 waren er circa 24.000 personen met een WW-uitkering die degrens van 18 maanden looptijd in dat jaar passeerden. De tabel hieronderlaat deze leeftijdsverdeling van deze groep zien.Leeftijdsverdeling van personen met een WW-uitkering die de grens van 18 maandenlooptijd passeert in 2024.LeeftijdAandeel< 35 jaar0%35–44 jaar8%45–54 jaar31%55–64 jaar46%65–67 jaar15% In de tabel is te zien dat het niet alleen 55-plussers zijn die te makenkrijgen met de duurverkorting. 39% van de werknemers die het betreft zijnwerknemers onder de 55 jaar. De impact van een duurverkorting hangtuiteindelijk sterk af van de arbeidsmarktpositie van de werklozewerknemer. Voor sommige werknemers zal gelden dat zij door hunzoekgedrag te intensiveren sneller een nieuwe baan zullen vinden.Tegelijkertijd zijn er ook werknemers met een grotere afstand tot dearbeidsmarkt. Voor deze werknemers is alleen intensiever zoekgedrag nietaltijd voldoende om een baan te vinden. Zij kunnen terecht bij UWV voorondersteunende dienstverlening.Vraag 109Hoeveel mensen hebben volgens de meest recente jaarcijfers (2024 ofouder) een WW-uitkering ontvangen met een loopduur van tussen de 18en 24 maanden?Antwoord 109In 2024 waren er 24.000 personen met een WW-uitkering die de grens van18 maanden looptijd in dat jaar passeerden.Vraag 110Hoeveel mensen hebben volgens de meest recente jaarcijfers (2024 ofouder) een WGA-loongerelateerde uitkering ontvangen met een loopduurvan tussen de 18 en 24 maanden?Antwoord 110In 2024 waren er 18.000 personen met een loongerelateerdeWGA-uitkering die de grens van 18 maanden looptijd in dat jaarpasseerden.Vraag 111Wat is de verwachte doorstroom van de WW naar de Participatiewetindien de WW 1 januari 2027 wordt ingekort van 24 naar 18 maanden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 552 Antwoord 111Als gevolg van een duurverkorting naar 18 maanden stromen naarverwachting maximaal 4.000 mensen extra van de WW-uitkering doornaar de Participatiewet.Vraag 112Welke maatregelen en prikkels voor re-integratie in werk zitten verwerkt inde huidige duur van de WW?Antwoord 112De Werkloosheidswet (WW) biedt werknemers een verzekering tegen hetrisico van inkomensverlies als gevolg van werkloosheid. De financiëlezekerheid die de WW geeft gaat gelijk op met de inspanningsverplichtingvan de werknemer om snel en actief op zoek te gaan naar een nieuwebaan. De WW fungeert hiermee als een vangnet, dat tegelijk een spring-plank naar nieuw werk moet zijn.Met de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) in 2016 isde WW activerender gemaakt. Zo is met de Wwz inkomensverrekeningvanaf de eerste werkloosheidsdag geïntroduceerd, in plaats van urenver-rekening. De systematiek van urenverrekening leidde tot een lager totaalinkomen in de situatie dat een werknemer het werk hervatte tegen eenloon dat lager was dan de hoogte van de uitkering. Om werkhervattingtegen een lager loon niet te ontmoedigen, is de systematiek van urenver-rekening in de WW vervangen door de systematiek van inkomensverre-kening. Hierdoor wordt een deel van de inkomsten uit die baan inmindering gebracht op de uitkering. Hiermee wordt bereikt dat werkennaast een WW-uitkering lonend is. Daarnaast is met de Wwz het begrippassende arbeid aangescherpt. De aanpassing houdt in dat na zesmaanden, in plaats van de tot dan toe geldende twaalf maanden, allearbeid in beginsel als passend wordt aangemerkt. Dit versterkt deactiverende werking van de WW, omdat werkloze werknemers een sterkeprikkel krijgen om in een vroeg(er) stadium op een lager opleidingsniveauof tegen een lager loon werk te aanvaarden, als blijkt dat werk vinden ophet eigen opleidingsniveau of loonniveau van het vorige werk binnen zesmaanden niet lukt.Vraag 113Welk flankerend beleid is denkbaar om de negatieve effecten van deWW-verkorting naar 18 maanden zoveel mogelijk te mitigeren?Antwoord 113In algemene zin zou het bestaande instrumentarium geïntensiveerdkunnen worden of nieuw flankerend beleid ontwikkeld kunnen worden.Het bestaande instrumentarium bestaat uit (online) basisdienstverleningvoor alle WW-gerechtigden. Aanvullend biedt UWV voorWW-gerechtigden die dat nodig hebben persoonlijke begeleidingsge-sprekken, scholing of inkoop van re-integratiedienstverlening.Vraag 114Hoe is de structurele € 36 miljoen per jaar gereserveerd voor het UWVzodat het financieringstekort bij het sociaal-medisch beoordelen kanworden opgevangen en taakdelegatie kan worden uitgebreid opgebouwd?Antwoord 114Als gevolg van de vorming van sociaal-medische centra (SMC’s) bedraagthet structurele financieringstekort bij de divisie sociaal-medische zaken€ 16 miljoen per jaar. Dat wordt hiermee opgelost. De resterende€ 20 miljoen is bestemd voor het uitbreiden van taakdelegatie. Het doelvan deze aanvullende middelen is om de omslag naar SMC’s teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 553 versnellen. Aan deze extra middelen is een prestatieafspraak verbonden,waar ik voor de zomer meer informatie over verstrek.Vraag 115Waarom is er gekozen voor een tijdspanne van 50 jaar omtrent OCTAS enwaar is dat op gebaseerd?Antwoord 115Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. De reservering bouwt in 50 jaar geleidelijk op, omdatWIA-uitkeringsgerechtigden tot aan de pensioenleeftijd in de WIA kunnenverblijven. De raming is gebaseerd op maatregelen waarvoor geldt dat hetna invoering vele jaren duurt voordat alle uitkeringsgerechtigden in deWIA door deze beleidsmaatregelen worden geraakt. Hiermee is in debudgettaire raming rekening gehouden.Vraag 116Hoe zien de reserveringen er de aankomende 50 jaar uit omtrent destructurele reservering voor de opvolging van de aanbevelingen voorOCTAS?Antwoord 116Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd.De reservering bouwt in 50 jaar geleidelijk op, omdatWIA-uitkeringsgerechtigden tot aan de pensioenleeftijd in de WIA kunnenverblijven. Hierdoor kost het na invoering vele jaren voordat alleuitkeringsgerechtigden in de WIA door deze beleidsmaatregelen wordengeraakt. Hiermee is in de budgettaire raming rekening gehouden.Vraag 117Welke middelen zijn precies bedoeld voor OCTAS, en welke voor dehersteloperatie UWV?Antwoord 117Voor de herstelacties UWV is in totaal € 133 miljoen (herstelactieWIA-dagloon, herstelactie WIA-indexatie en reservering maatmanloon-indexatie) aan middelen binnen de begrotingshorizon gereserveerd. VoorOCTAS is in totaal € 27 miljoen aan middelen binnen de begro-tingshorizon gereserveerd en structureel € 197 miljoen.Vraag 118Waar zijn het bedrag van € 197 en de tijdspanne van 50 jaar op gebaseerdvoor de opvolging van de aanbevelingen van OCTAS?Antwoord 118Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd.De reservering bouwt in 50 jaar geleidelijk op, omdatWIA-uitkeringsgerechtigden tot aan de pensioenleeftijd in de WIA kunnenverblijven. Hierdoor kost het na invoering vele jaren voordat alleuitkeringsgerechtigden in de WIA door deze beleidsmaatregelen wordengeraakt. Hiermee is in de budgettaire raming rekening gehouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 554 Vraag 119Is de structurele reservering van € 197 miljoen voor OCTAS voldoendeom de hardheden uit de aanbevelingen uit OCTAS 1 te financieren?Antwoord 119Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd. Met dereservering voor OCTAS kunnen echter niet alle hardheden wordenopgelost die OCTAS in haar probleemanalyse heeft geconstateerd.Vraag 120Wat wordt er gefinancierd met € 197 miljoen ten behoeve van OCTAS?Antwoord 120Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd.Vraag 121Hoeveel middelen worden gereserveerd voor OCTAS? Hoe verhoudendeze bedragen zich tot de kosten omschreven in het rapport van dezecommissie?Antwoord 121Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd. Er zijnmeer middelen benodigd om alle oplossingen te realiseren zoals in devariant «huidig stelsel beter» van het OCTAS-rapport wordt benoemd.Vraag 122Op welke wijze wordt de € 36 miljoen per jaar die gereserveerd is voor hetUWV ingezet om de taakdelegatie uit te breiden?Antwoord 122Er is € 20 miljoen per jaar voor het UWV gereserveerd voor het uitbreidenvan taakdelegatie. De gereserveerde middelen worden ingezet vooruitbreiding van de capaciteit van ondersteunend personeel van verzeke-ringsartsen. Het gaat om sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdes-kundigen en medisch secretaresses. Deze uitbreiding van taakdelegatie isonderdeel van de omslag naar sociaal-medische centra waar UWV meebezig is. Het doel van de aanvullende middelen is om deze omslag teversnellen. Daarnaast is er € 16 miljoen per jaar gereserveerd om hetstructurele financieringstekort bij de divisie sociaal-medische zaken op tevangen.Vraag 123Welke kleinere intensiveringen en ombuigingen vallen er precies onder16?Antwoord 123De post Overige intensiveringen en ombuigingen (hierna: Overige) is in de1e suppletoire begroting SZW uiteengezet in mutaties voor hoofdstuk 15(rijksgefinancierd) en hoofdstuk 40 (premiegefinancierd). Hieronder volgteen uitsplitsing van de post Overige per hoofdstuk. Voor beide hoofd-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 555 stukken geldt dat de post Overige uit zeer veel mutaties bestaat. Daaromzijn alleen de mutaties boven de € 1 miljoen weergegeven.Mutaties Overige intensiveringen en ombuigingen hoofdstuk 15:(x € mln.)202520262027202820292030IntensiveringenUitvoeringskosten NOW1301000Toelatingsstelsel WTTA10137200Maatregelen ZZP en flexcontracten887433Doorwerking gerechtelijke uitspraak box 3 op Toeslagen820000Bestedingsplan Paticipatiewet in balans534111Asielzoekers aan het werk5– 3– 7555Rentebaten Just Transition Fund500000Stroomlijning keten voor derdenbeslag (SKD) plateau 1500000Work in NL433222Continuïteit dienstverlening SVB420000Energietoelage Caribisch Nederland440000WTTA en WGS377777Systeemfout TW-ZW200000Wet Kinderopvang Bonaire, Sint Eustatius en Saba (WKO-BES)222211Implementatie asbestrichtlijn221111Arbeidsmarkinfrastructuur100000Registers Kinderopvang122111Subsidie vroegsignalering111000OmbuigingenUitstel Participatiewet in balans– 24– 80000Onderuitputting re-integratiebudget UWV– 2000000Niet halen banenafspraak overheid overige departementen– 1700000Dekking vanuit SLIM– 1400000Dekking vanuit ingroeipad kinderopvang– 5– 34– 10– 5– 1– 1Dekking vanuit artikel 11– 4– 3– 5– 4– 3– 3Uitvoeringskosten Stroomlijning keten derdenbeslag– 200000Vertraging nieuwe ziekten voor TSB-regeling– 1– 1– 1000Afschaffing Belastingrente bij Toeslagen0– 13– 12– 10– 7– 7 Mutaties Overige intensiveringen en ombuigingen hoofdstuk 40:(x € mln.)202520262027202820292030IntensiveringenHogere gebruikerskosten Basisregistratiepersoonsregister600000Vereenvoudiging verlofstelsel036999Tussentijdse maatregelenbesluit011111Overige beleidsmatige uitvoeringskosten300000Vertraging nieuw werkgeverschap010000Alle overige posten011111OmbuigingenNiet ingezette AP-middelen00– 2– 5– 7– 10 Vraag 124Kunt u nader specificeren waar de taakstelling HLA en Onderwijs, Cultuuren Wetenschap (OCW) precies neerslaan?Antwoord 124De taakstelling HLA slaat neer bij (bedragen x € 1 mln.):202520262027202820292030Kerndepartement21,930,738,145,238,938,9NLA1,01,02,03,04,04,0UWV0,011,723,836,348,748,7SVB0,01,83,65,57,37,3Totaal23,045,367,590,099,099,0 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 556 De taakstelling OCW (dekking amendement Bontenbal c.s.) slaat neer bij(bedragen x € 1 mln.):202520262027202820292030Kerndepartement2,52,52,42,42,42,4NLA1,41,41,51,51,51,5UWV26,626,626,626,626,626,6SVB3,93,93,93,93,93,9Totaal34,434,434,434,434,434,4 Vraag 125Welke relatief snel te realiseren maatregelen zijn getroffen om definanciële invulling van de taakstelling voor 2025 in te vullen?Antwoord 125De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reservesop het terrein van apparaat. Voor een beperkt bedrag wordt een besparingop zaken zoals de overige personeelskosten (zoals bloemetjes en borrels)en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacatures die ontstaan alsgevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt er terughoudendomgegaan met het invullen van vacatures. Ten slotte is er een bijdragevan de NLA.Vraag 126Hoe wordt € 4 miljoen voor de NLA, € 49 miljoen voor het UWV en€ 7 miljoen voor de SVB als taakstelling concreet ingevuld?Antwoord 126De NLA, UWV en SVB zijn bereid gevonden een bijdrage te leveren aan detaakstelling van cumulatief 0,5% per jaar vanaf 2026, oplopend naar 2% in2029 en structureel. Voor de NLA betreft het een financiële invulling. Overde invulling van de taakstelling bij UWV en de SVB is de Minister vanSZW met UWV en de SVB in gesprek. Hierbij wordt nadrukkelijk ookgekeken naar vereenvoudiging van wet- en regelgeving, maar ook naarbesparingen in bijvoorbeeld de bedrijfsvoering.Vraag 127Kunt u uitleggen waar de totale bezuinigingen bij het UWV landen, dieonder andere voortkomen uit het amendement Bontenbal c.s. en uit detaakstelling uit het HLA?Antwoord 127Over de invulling van de bezuinigingen voortkomend uit het amendementBontenbal c.s. en de taakstelling uit het HLA is SZW in gesprek met UWV.Hierbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar vereenvoudiging van wet- enregelgeving, maar ook naar besparingen in bijvoorbeeld de bedrijfs-voering.Vraag 128Wat wordt de invulling van de taakstelling uit het HLA op de NLA, hetUWV en SVB in 2025 en verder?Antwoord 128De NLA, UWV en SVB zijn bereid gevonden een bijdrage te leveren aan detaakstelling van cumulatief 0,5% per jaar vanaf 2026, oplopend naar 2% in2029 en structureel. Dit komt neer op € 4 miljoen voor NLA, € 49 miljoenvoor UWV en € 7 miljoen voor SVB. Voor de NLA betreft het eenfinanciële invulling. Over de invulling van de taakstelling bij UWV en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 557 SVB is de Minister van SZW met UWV en de SVB in gesprek. Hierbij wordtnadrukkelijk ook gekeken naar vereenvoudiging van wet- en regelgeving,waar dit niet lukt wordt de taakstelling ingevuld met een besparing opbedrijfsvoering of door middel van taakaanpassing.Vraag 129Hoe wordt de taakstelling OCW op de NLA, het UWV en SVB ingevuld in2025 en verder?Antwoord 129Onderstaande tabel bevat de verdeling van de taakstelling OCW (dekkingamendement Bontenbal c.s.) over de vier partijen in de jaren 2025–2030(bedragen in miljoenen euro).202520262027202820292030Kern2,52,52,42,42,42,4NLA1,41,41,51,51,51,5UWV26,626,626,626,626,626,6SVB3,93,93,93,93,93,9Totaal34,434,434,434,434,434,4 De taakstelling op de NLA wordt ingevuld vanuit de ontvangen LPO (2025)en de centrale reserve op artikel 96 en 99 (2026 en verder).Over de invulling van de taakstelling bij UWV en de SVB is SZW ingesprek met UWV en de SVB.Vraag 130Wat is het gevolg van de taakstellingen op de middelen die nu extra zijntoegevoegd voor de herstelactie en sociaal-medische beoordelingen bijhet UWV?Antwoord 130De taakstellingen hebben geen directe gevolgen voor de middelen dieUWV ontvangt voor de herstelactie en sociaal-medische beoordelingen.Over de invulling van de taakstellingen is de Minister van SZW in gesprekmet UWV, daarbij kan UWV ervoor kiezen om bepaalde organisatieonder-delen of processen te ontzien.Vraag 131Wat is de netto bezuiniging/investering in de SVB na de verschillendeombuigingen en intensiveringen?Antwoord 131Netto is de bezuiniging op de uitvoeringskosten van de SVB € 1,7 miljoenin 2025.Vraag 132Wat is de netto bezuiniging/investering in het UWV na de verschillendeombuigingen en intensiveringen?Antwoord 132Netto is de investering in de uitvoeringskosten van het UWV € 35 miljoenin 2025.Vraag 133Kan de verhoging van het minimumjeugdloon per leeftijd wordenweergegeven qua percentage van het minimumloon? Kan wordenweergeven wat het huidige minimumjeugdloon per 1 juli 2025 zouTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 558 bedragen indien deze verhoging op dat moment in werking wasgetreden?Antwoord 133Onderstaande tabel tonen het minimumjeugdloon als percentage van hetvolwassenminimumloon, zowel in de situatie vóór de aangekondigdeverhoging in de Voorjaarsnota 2025 als de situatie ná de verhoging per1 januari 2027.Staffel als % volwassenminimumloonVóór verhogingNa verhoging21 jaar100%100%20 jaar80%87,5%19 jaar60%75%18 jaar50%62,5%17 jaar39,5%50%16 jaar34,5%40%15 jaar30%30% De volgende tabel toont de bedragen van het minimumjeugdloon per1 juli 2025 zowel in de situatie zonder verhoging van het minimum-jeugdloon als in de hypothetische situatie dat de verhoging van hetminimumjeugdloon per 1 juli 2025 in zou gaan.Minimumjeugdloon per uurZonder verhogingMet verhoging21 jaar€ 14,40€ 14,4020 jaar€ 11,52€ 12,6019 jaar€ 8,64€ 10,8018 jaar€ 7,20€ 9,0017 jaar€ 5,69€ 7,2016 jaar€ 4,97€ 5,7615 jaar€ 4,32€ 4,32 Vraag 134Waarom was er een kasschuif noodzakelijk voor Groepen in de knel?Welke uitgaven werden voorzien en welke worden nu voorzien? Hoezokwamen de reserveringen in eerdere jaren niet tot besteding?Antwoord 134De besteding van de middelen uit de envelop Groepen in de knel die bijde Miljoenennota 2025 nog op de aanvullende post resteerden warendestijds nog niet concreet ingevuld. In de Miljoenennota 2025 isopgenomen dat voor deze middelen bij de voorjaarsbesluitvormingbeleidsopties worden uitgewerkt. Het was niet mogelijk om beleidsoptiesuit te werken waarvan het kasritme exact aansloot op het kasritme van demiddelen op de aanvullende post. Dat komt onder meer omdat een grootdeel van de middelen in 2025 stonden en tegelijkertijd veel beleidsoptieseen wetswijziging vergen, waardoor het niet mogelijk is om die beleids-opties nog dit jaar in te voeren. Daarom heeft het kabinet besloten om hetkasritme van de middelen uit de envelop Groepen in de knel aan tepassen, zodat het kasritme aansluit bij de uitgewerkte beleidsopties.Onderstaande tabel toont de uitgaven die worden voorzien met demiddelen uit de envelop Groepen inde knel.Nr.Budgettaire effecten maatregelen, x € mln.20252026202720282029Struc.Augustusbesluitvorming 20241.Integraal pakket problematische schulden24567310000Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 559 Nr.Budgettaire effecten maatregelen, x € mln.20252026202720282029Struc.2.Aanpassing handhaving sociale zekerheid612121212123.Schoolmaaltijden4545454545454.Aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voor achter-blijvers noodgedwongen elders verblijvende partner112121212125.Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen vangrondslag toeslagen obv verblijfstitel en recht kinderbijslag0555556.Verlengen aanvraagtermijn toeslagen0555557.Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskostendoor ziekte of invaliditeit in de inkomstenbelasting1111118.Netto i.p.v. bruto terugvorderen1313131009.Reservering voor aanpak armoede Caribisch Nederland22222210.Tijdelijke verlenging IPS-regeling gemeentelijke doelgroep43200011.Tijdelijke verlenging energiefonds60600000Voorjaarsbesluitvorming 202512.Ontwikkeling arbeidsvermogen afgewezen Wajongeren0048132913.Structurele verlenging IPS-regeling gemeentelijkedoelgroep061414121214.Inkomensafhankelijke kindregeling en plusopvang CN11333315.Werken met een arbeidsbeperking CN04444416.Financiering sociaal ontwikkelbedrijven34373942449017.Uitstellen aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bijloonkostensubsidie met 1 jaar (naar 2027)01111018.Vereenvoudiging Toeslagenwet00044519.Verbreden pilot dakloze arbeidsmigranten08880020.Verhoging minimumjeugdloon003940426021.Re-integratiedienstverlening WW’ers met een kwetsbarearbeidsmarktpositie00000322.Uitvoering WGS en uitbreiding toezicht Wtta377777 Vraag 135Welke gevolgen heeft het afromen van de envelop Groepen in de knelvoor de doelen van de envelop?Antwoord 135Met de middelen uit de envelop Groepen in de knel biedt het kabinet meerondersteuning aan kwetsbare groepen. Daarom zet het kabinet demiddelen uit de envelop Groepen in de knel in op maatregelen die hieraaneen bijdrage leveren. Zo wordt het minimumjeugdloon verhoogd, definanciering van beschut werk verbeterd, worden afgewezen Wajongerenin de Participatiewet ondersteund in de ontwikkeling van arbeidsver-mogen en wordt de Toeslagenwet vereenvoudigd. Onder andere dezemaatregelen dragen bij aan het oorspronkelijke doel van de envelop. Erzijn daarnaast nog vele terreinen die aandacht vragen van het kabinet.Daarom heeft het kabinet in de voorjaarsbesluitvorming keuzes moetenmaken en onder meer besloten om een deel van de middelen uit deenvelop af te romen.Vraag 136Kunt u reeks 11 omtrent de WIA uitsplitsen?Antwoord 136Reeks 11 in tabel 5 bevat de budgettaire effecten van enkele maatregelenop artikel 3 van de SZW-begroting. Weglekeffecten op bijvoorbeeld deToeslagenwet (TW) zijn hier niet in meegenomen. De reeks bestaat uitonderstaande reeksen:Tabel uitsplitsing reeks 11 tabel 5x € 1 mln.202520262027202820292030Loonloze tijdvakken– 3810311365697360-plusmaatregel73367837660Kwijtschelden voorschotten03033496991Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 560 x € 1 mln.202520262027202820292030Totaal– 32167212197214224 Vraag 137Kunt u een overzicht maken van alle mutaties die de WIA aangaan enspecificeren waar deze precies voor zijn bedoeld? Kunt u hierbij zowel eenfinanciële tabel presenteren als uitleg geven in woorden?Antwoord 137Hieronder volgt een overzicht van alle maatregelen waartoe het kabinetheeft besloten omtrent de WIA. De reeksen betreffen voornamelijktotaalreeksen tenzij anders aangegeven. Deze reeksen bevatten dus ookweglekeffecten op bijvoorbeeld de bijstand, de TW en uitvoeringskosten.Over de grootste beleidswijzigingen wordt uw Kamer binnenkort apartgeïnformeerd. Daarnaast ontvangt uw Kamer voor de zomer een briefover herstelacties bij het UWV. In die brief wordt ook ingegaan oponderstaande reservering naar aanleiding van maatmanloonindexatie-fouten, waarover u eerder via Kamerstukken II, 2024/2025, 25 883, nr. 520op de hoogte bent gebracht.Tabel maatregelen met betrekking tot de WIAx € 1 mln.202520262027202820292030CumStrucHerstelactiesHerstelactie WIA-dagloon2659360001200Herstelactie WIA-indexatie13200060Reservering maatmanloonindexatie21111170Sociaal-medisch beoordelen60-plusmaatregel29244761541970Uitvoeringskosten SMC30343636363620836Kwijtschelden voorschotten0313350719327893OCTASPraktisch beoordelen0013691947RIV-toets0000268150OverigDuurverkorting LGU WGA1000– 14– 55– 55– 125– 45Loonloze tijdvakken– 3510110659626635891Uitstel aangepast AO-criterium bij LKS01111140Herziene Opvangrichtlijn200000111Totaal272382401821842111.0813741 Betreft enkel het effect op de WGA plus de doorwerking daarvan op de TW.2 Betreft enkel het effect op de WGA. •Herstelactie WIA-dagloon: UWV heeft in de periode 2020–2024fouten gemaakt bij de vaststelling van het dagloon van WIA-uitkeringen. Deze fouten worden de komende jaren hersteld, wat extraWIA-uitgaven tot gevolg heeft. Voor het herstel zet UWV een organisa-tie op.•Herstelactie WIA-indexatie: in de periode 2006–2022 heeft deindexatie bij de toekenning van nieuwe WIA-uitkeringen in een deelvan de gevallen onjuist plaatsgevonden. Dit wordt de komende jarenhersteld.•Reservering maatmanloonindexatie: UWV is erachter gekomen dathet vanaf november 2023 bij de berekening van het maatmanloon eente laag indexatiepercentage gehanteerd heeft. In afwachting vanverder onderzoek wordt een reservering genomen voor eventueelherstel.•60-plusmaatregel: om de mismatch bij sociaal-medisch beoordelente verkleinen is het streven om vanaf september 2025 de vereenvou-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 561 digde claimbeoordeling voor 60-plussers voort te zetten voor eenperiode van 2 jaar.•Uitvoeringskosten Sociaal-Medische Centra (SMC): de vraagnaar sociaal-medische beoordelingen is al tijden groter dan het aantalbeoordelingen dat UWV kan verrichten. Hierdoor lopen de wachttijdenop en komt de dienstverlening van UWV onder druk te staan. Daaromis structurele aanvullende financiering voor het UWV nodig, zodattaakdelegatie bij sociaal-medische centra kan worden uitgebreid.Hierover zijn prestatieafspraken gemaakt met het UWV. Als de effectenuitblijven of tegenvallen zal de bestemming van deze middelenopnieuw worden bezien.•Kwijtschelden voorschotten: als gevolg van de lange wachttijdenbij WIA-claimbeoordelingen verstrekt UWV aan mensen een voorschotop de WIA-uitkering. Werknemers kunnen in financiële problemenkomen als deze voorschotten terugbetaald moeten worden indien ergeen recht blijkt op een uitkering. Daarom wordt sinds medio 2021buitenwettelijk beleid gevoerd en het voorschot kwijtgescholden. Ditbeleid wordt structureel en binnenwettelijk gemaakt, zodat het beleidvoorspelbaar wordt voor langdurig zieke werknemers.•Praktisch beoordelen: het kabinet heeft € 197 miljoen structureelvrijgemaakt voor structurele verbeteringen in het arbeidsongeschikt-heidsstelsel. Hiermee kunnen twee maatregelen worden gefinancierd.De eerste is het structureel maken van de maatregel praktischbeoordelen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage vaniemand die werkt bij een WIA-aanvraag wordt bepaald aan de handvan het inkomen dat met dat werk verdiend wordt.•Medisch advies van de bedrijfsarts leidend maken bij hetre-integratieverslag (RIV): de tweede maatregel is het leidendmaken van het medisch advies van de bedrijfsarts over de belastbaar-heid van de zieke werknemer bij de toets op de re-integratie inspannin-gen door UWV. Hierdoor zal de verzekeringsarts dit advies bij dezetoets niet langer beoordelen waardoor loonsancties op basis van eenmedisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekerings-arts niet meer mogelijk zijn. De sociaal-medische claimbeoordelingvoor het recht op een WIA-uitkering blijft (onveranderd) uitgevoerdworden door de verzekeringsarts van UWV.•Duurverkorting loongerelateerde uitkering (LGU) in deWerkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA): voor deLGU van de WGA en de Werkloosheidswet (WW) is omwille vanvereenvoudiging ervoor gekozen om de hoogte en duur van de tweeuitkeringen te harmoniseren. In het Hoofdlijnenakkoord is gekozenvoor een besparing op de WW. Hier wordt invulling aan gegeven meteen inkorting van de maximale WW-uitkeringsduur, wat ook leidt toteen inkorting van de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerdeWGA-uitkering. WGA-gerechtigden ontvangen daardoor eerder eenloonaanvullingsuitkering of vervolguitkering.•Loonloze tijdvakken: De Centrale Raad van Beroep heeft op 30 juli2024 een uitspraak gedaan omtrent de WIA-dagloonvaststellingwaarbij sprake is van zogenoemde loonloze tijdvakken. Deze uitspraakgaat verder dan een eerdere uitspraak van 29 november 2023 waarreeds middelen voor gereserveerd waren. Nu is aanvullend budgetvrijgemaakt voor het opvolgen van de laatste uitspraak.•Uitstel aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bijloonkostensubsidie (LKS): de invoering van een aangepastarbeidsongeschiktheidscriterium voor mensen die werken metloonkostensubsidie wordt met een jaar uitgesteld, van 1 januari 2026naar 1 januari 2027.•Herziene Opvangrichtlijn: als onderdeel van het Migratiepact is deOpvangrichtlijn herzien. Implementatie in nationale wetgeving moet injuni 2026 gereed zijn. De herziening ziet onder andere op het uitsluitenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 562 van de toegang tot de arbeidsmarkt voor een aantal categorieënasielzoekers van wie de asielaanvraag in de versnelde behandelings-procedure zit. Daarnaast nodigt de herziene opvangrichtlijn lidstatenuit om de wachttermijn voor toetreding tot de arbeidsmarkt voorkansrijke asielzoekers te verkorten naar 3 maanden. SZW zet hierop in,in lijn met de ambitie uit het regeerakkoord om asielzoekers testimuleren te werken. Dit leidt tot indirecte kosten voor werknemersre-gelingen en volksverzekeringen.Vraag 138Hoe werkt het overgangsrecht bij de WW-duurverkorting? Hoe lang looptdit overgangsrecht en voor welke groepen?Antwoord 138Op dit moment wordt het wetsvoorstel voor de WW-duurverkorting naderuitgewerkt. De memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel zalnader in gaan op het overgangsrecht.Vraag 139Wat valt er onder Overige intensiveringen en ombuigingen?Antwoord 139De post Overige intensiveringen en ombuigingen (hierna: Overige) is in de1e suppletoire begroting SZW uiteengezet in mutaties voor hoofdstuk 15(rijksgefinancierd) en hoofdstuk 40 (premiegefinancierd). Hieronder volgteen uitsplitsing van de post Overige per hoofdstuk. Voor beide hoofd-stukken geldt dat de post Overige uit zeer veel mutaties bestaat. Daaromzijn alleen de mutaties boven de € 1 miljoen weergegeven.Mutaties Overige intensiveringen en ombuigingen hoofdstuk 15:(x € mln.)202520262027202820292030IntensiveringenUitvoeringskosten NOW1301000Toelatingsstelsel WTTA10137200Maatregelen ZZP en flexcontracten887433Doorwerking gerechtelijke uitspraak box 3 op Toeslagen820000Bestedingsplan Paticipatiewet in balans534111Asielzoekers aan het werk5– 3– 7555Rentebaten Just Transition Fund500000Stroomlijning keten voor derdenbeslag (SKD) plateau 1500000Work in NL433222Continuïteit dienstverlening SVB420000Energietoelage Caribisch Nederland440000WTTA en WGS377777Systeemfout TW-ZW200000Wet Kinderopvang Bonaire Sint Eustatius en Saba (WKO-BES)222211Implementatie asbestrichtlijn221111Arbeidsmarkinfrastructuur100000Registers Kinderopvang122111Subsidie vroegsignalering111000OmbuigingenUitstel Participatiewet in balans– 24– 80000Onderuitputting re-integratiebudget UWV– 2000000Niet halen banenafspraak overheid overige departementen– 1700000Dekking vanuit SLIM– 1400000Dekking vanuit ingroeipad kinderopvang– 5– 34– 10– 5– 1– 1Dekking vanuit artikel 11– 4– 3– 5– 4– 3– 3Uitvoeringskosten Stroomlijning keten derdenbeslag– 200000Vertraging nieuwe ziekten voor TSB-regeling– 1– 1– 1000Afschaffing Belastingrente bij Toeslagen0– 13– 12– 10– 7– 7 Mutaties Overige intensiveringen en ombuigingen hoofdstuk 40:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 563 (x € mln.)202520262027202820292030IntensiveringenHogere gebruikerskosten Basisregistratiepersoonsregister600000Vereenvoudiging verlofstelsel036999Tussentijdse maatregelenbesluit011111Overige beleidsmatige uitvoeringskosten300000Vertraging nieuw werkgeverschap010000Alle overige posten011111OmbuigingenNiet ingezette AP-middelen00– 2– 5– 7– 10 Vraag 140Hoe kan het UWV een premiegefinancierde bijdrage leveren aan detaakstelling? Wat betekent dit precies? Hoe werkt dat?Antwoord 140De taakstelling ziet toe op het totale uitvoeringsbudget van UWV. Hetuitvoeringsbudget van UWV is opgebouwd uit een rijksgefinancierd deelen een premiegefinancierd deel. Het door het rijk gefinancierde deelmaakt SZW jaarlijks over naar UWV en heeft betrekking op de begrotings-gefinancierde activiteiten van UWV (bijvoorbeeld de Wajong, IOW, NOW).Het premiegefinancierde deel van de uitvoeringskosten boekt UWV tenlaste van de betreffende fondsen en heeft betrekking op de premiegefi-nancierde regelingen die UWV uitvoert (bijvoorbeeld de WW, WIA, ZW).De taakstelling is naar rato verdeeld over de rijks- en premiegefinancierdeuitvoeringsbudgetten van UWV. Het invullen van de taakstelling kan UWVdus doen door te besparen op de uitvoeringskosten van zowel debegrotingsgefinancierde als de premiegefinancierde regelingen.Vraag 141Welke maatregelen worden er genomen op het gebied van de WIA, onderandere op het gebied van sociaal-medisch beoordelen?Antwoord 141Hieronder volgt een overzicht van alle maatregelen waartoe het kabinetheeft besloten omtrent de WIA. De reeksen betreffen voornamelijktotaalreeksen tenzij anders aangegeven. Deze reeksen bevatten dus ookweglekeffecten op bijvoorbeeld de bijstand, de TW en uitvoeringskosten.Over de grootste beleidswijzigingen wordt uw Kamer binnenkort apartgeïnformeerd. Daarnaast ontvangt uw Kamer voor de zomer een briefover herstelacties bij het UWV. In die brief wordt ook ingegaan oponderstaande reservering naar aanleiding van maatmanloonindexatie-fouten, waarover u eerder via Kamerstukken II, 2024/2025, 25 883, nr. 520op de hoogte bent gebracht.Tabel: maatregelen met betrekking tot de WIAx € 1 mln.202520262027202820292030CumStrucHerstelactiesHerstelactie WIA-dagloon2659360001200Herstelactie WIA-indexatie13200060Reservering maatmanloonindexatie21111170Sociaal-medisch beoordelen60-plusmaatregel29244761541970Uitvoeringskosten SMC30343636363620836Kwijtschelden voorschotten0313350719327893OCTASPraktisch beoordelen0013691947RIV-toets0000268150OverigDuurverkorting LGU WGA1000– 14– 55– 55– 125– 45Loonloze tijdvakken– 3510110659626635891Uitstel aangepast AO-criterium bij LKS01111140Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 564 x € 1 mln.202520262027202820292030CumStrucHerziene Opvangrichtlijn200000111Totaal272382401821842111.0813741 Betreft enkel het effect op de WGA plus de doorwerking daarvan op de TW.2 Betreft enkel het effect op de WGA. •Herstelactie WIA-dagloon: UWV heeft in de periode 2020–2024fouten gemaakt bij de vaststelling van het dagloon van WIA-uitkeringen. Deze fouten worden de komende jaren hersteld, wat extraWIA-uitgaven tot gevolg heeft. Voor het herstel zet UWV een organisa-tie op.•Herstelactie WIA-indexatie: in de periode 2006–2022 heeft deindexatie bij de toekenning van nieuwe WIA-uitkeringen in een deelvan de gevallen onjuist plaatsgevonden. Dit wordt de komende jarenhersteld.•Reservering maatmanloonindexatie: UWV is erachter gekomen dathet vanaf november 2023 bij de berekening van het maatmanloon eente laag indexatiepercentage gehanteerd heeft. In afwachting vanverder onderzoek wordt een reservering genomen voor eventueelherstel.•60-plusmaatregel: om de mismatch bij sociaal-medisch beoordelente verkleinen is het streven om vanaf september 2025 de vereenvou-digde claimbeoordeling voor 60-plussers voort te zetten voor eenperiode van 2 jaar.•Uitvoeringskosten Sociaal-Medische Centra (SMC): de vraagnaar sociaal-medische beoordelingen is al tijden groter dan het aantalbeoordelingen dat UWV kan verrichten. Hierdoor lopen de wachttijdenop en komt de dienstverlening van UWV onder druk te staan. Daaromis structurele aanvullende financiering voor het UWV nodig, zodattaakdelegatie bij sociaal-medische centra kan worden uitgebreid.Hierover zijn prestatieafspraken gemaakt met het UWV. Als de effectenuitblijven of tegenvallen zal de bestemming van deze middelenopnieuw worden bezien.•Kwijtschelden voorschotten: als gevolg van de lange wachttijdenbij WIA-claimbeoordelingen verstrekt UWV aan mensen een voorschotop de WIA-uitkering. Werknemers kunnen in financiële problemenkomen als deze voorschotten terugbetaald moeten worden indien ergeen recht blijkt op een uitkering. Daarom wordt sinds medio 2021buitenwettelijk beleid gevoerd en het voorschot kwijtgescholden. Ditbeleid wordt structureel en binnenwettelijk gemaakt, zodat het beleidvoorspelbaar wordt voor langdurig zieke werknemers.•Praktisch beoordelen: het kabinet heeft € 197 miljoen structureelvrijgemaakt voor structurele verbeteringen in het arbeidsongeschikt-heidsstelsel. Hiermee kunnen twee maatregelen worden gefinancierd.De eerste is het structureel maken van de maatregel praktischbeoordelen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage vaniemand die werkt bij een WIA-aanvraag wordt bepaald aan de handvan het inkomen dat met dat werk verdiend wordt.•Medisch advies van de bedrijfsarts leidend maken bij hetre-integratieverslag (RIV): de tweede maatregel is het leidendmaken van het medisch advies van de bedrijfsarts over de belastbaar-heid van de zieke werknemer bij de toets op de re-integratie inspannin-gen door UWV. Hierdoor zal de verzekeringsarts dit advies bij dezetoets niet langer beoordelen waardoor loonsancties op basis van eenmedisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekerings-arts niet meer mogelijk zijn. De sociaal-medische claimbeoordelingvoor het recht op een WIA-uitkering blijft (onveranderd) uitgevoerdworden door de verzekeringsarts van UWV.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 565 •Duurverkorting loongerelateerde uitkering (LGU) in deWerkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA): voor deLGU van de WGA en de Werkloosheidswet (WW) is omwille vanvereenvoudiging ervoor gekozen om de hoogte en duur van de tweeuitkeringen te harmoniseren. In het Hoofdlijnenakkoord is gekozenvoor een besparing op de WW. Hier wordt invulling aan gegeven meteen inkorting van de maximale WW-uitkeringsduur, wat ook leidt toteen inkorting van de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerdeWGA-uitkering. WGA-gerechtigden ontvangen daardoor eerder eenloonaanvullingsuitkering of vervolguitkering.•Loonloze tijdvakken: De Centrale Raad van Beroep heeft op 30 juli2024 een uitspraak gedaan omtrent de WIA-dagloonvaststellingwaarbij sprake is van zogenoemde loonloze tijdvakken. Deze uitspraakgaat verder dan een eerdere uitspraak van 29 november 2023 waarreeds middelen voor gereserveerd waren. Nu is aanvullend budgetvrijgemaakt voor het opvolgen van de laatste uitspraak.•Uitstel aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bijloonkostensubsidie (LKS): de invoering van een aangepastarbeidsongeschiktheidscriterium voor mensen die werken metloonkostensubsidie wordt met een jaar uitgesteld, van 1 januari 2026naar 1 januari 2027.•Herziene Opvangrichtlijn: als onderdeel van het Migratiepact is deOpvangrichtlijn herzien. Implementatie in nationale wetgeving moet injuni 2026 gereed zijn. De herziening ziet onder andere op het uitsluitenvan de toegang tot de arbeidsmarkt voor een aantal categorieënasielzoekers van wie de asielaanvraag in de versnelde behandelings-procedure zit. Daarnaast nodigt de herziene opvangrichtlijn lidstatenuit om de wachttermijn voor toetreding tot de arbeidsmarkt voorkansrijke asielzoekers te verkorten naar 3 maanden. SZW zet hierop in,in lijn met de ambitie uit het regeerakkoord om asielzoekers testimuleren te werken. Dit leidt tot indirecte kosten voor werknemersre-gelingen en volksverzekeringen.Vraag 142Wat is het verwachte effect van de invoering van de vereenvoudigdebeoordeling voor 60-plussers vanaf 1 september 2025 op deWIA-instroom?Antwoord 142Als gevolg van de vereenvoudigde beoordeling voor 60-plussers krijgt eendeel van de 60-plussers een beoordeling met een uitkomst die afwijkt vande reguliere WIA-claimbeoordeling. De verwachting is dat er per jaar datde maatregel geldt ongeveer 2.400 60-plussers extra de WIA in zullenstromen. Doordat de maatregel met 2 jaar wordt verlengd gaat het dusom ongeveer 4.800 mensen.Vraag 143Wat is het verwachte effect van de invoering van de vereenvoudigdebeoordeling voor 60-plussers vanaf 1 september 2025 op de wachtlijstenbij het UWV?Antwoord 143Naar verwachting zorgt de 60-plusmaatregel ervoor dat UWV per jaarongeveer 10.000 extra beoordelingen kan doen. Dit komt doordat debeoordeling gedaan wordt met meer inzet van de arbeidsdeskundige engeen of minder inzet van de verzekeringsarts. Doordat de maatregel met2 jaar wordt verlengd gaat het dus om ongeveer 20.000 extra beoorde-lingen.Vraag 144Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 566 Op welke wijze wordt de vereenvoudigde beoordeling voor 60-plussersvanaf 1 september 2025 wettelijk gezien geregeld?Antwoord 144De vereenvoudigde beoordeling voor 60-plussers is een buitenwettelijkemaatregel. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat niemand erdoorbenadeeld wordt. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt dat devereenvoudigde beoordeling alleen wordt toegepast als werkgever enwerknemer daarvoor akkoord hebben gegeven. Werkgever en werknemerkunnen dus ook vragen om een reguliere beoordeling. Tot slot blijft dewaarborg die de wet biedt, namelijk de mogelijkheid om bezwaar temaken tegen de beslissing van UWV, onveranderd beschikbaar voor demensen die akkoord zijn met de vereenvoudigde beoordeling.Vraag 145Wat wordt bedoeld met het structureel en binnenwettelijk maken van hetkwijtscheldingsbeleid van WIA-voorschotten?Antwoord 145Het kwijtscheldbeleid WIA-voorschotten is telkens aangekondigd voor debeperkte duur van één jaar. Het betreft buitenwettelijk begunstigendbeleid, waar geen wettelijke grondslag voor is. In de Voorjaarsnota 2024 ishet beleid aangekondigd tot en met 31 december 2025 (Kamerstukken II2023/24, 36 550, nr. 1). De Minister van SZW vindt het wenselijk hetkwijtscheldbeleid WIA-voorschotten voor langere duur toe te passen enhiervoor een wettelijke grondslag te creëren. Dit geeft mensen meerzekerheid. Deze wettelijke grondslag wordt de komende periodeuitgewerkt.Vraag 146Hoeveel sociaal-medische beoordelingen worden jaarlijks bespaard doorde toepassing van de vereenvoudigde claimbeoordeling voor 60-plussers?Antwoord 146Naar verwachting zorgt de 60-plusmaatregel ervoor dat UWV per jaarongeveer 10.000 extra beoordelingen kan doen. Dit komt doordat debeoordeling gedaan wordt met meer inzet van de arbeidsdeskundige engeen of minder inzet van de verzekeringsarts. Doordat de maatregel met2 jaar wordt verlengd gaat het dus om ongeveer 20.000 extra beoorde-lingen.Vraag 147Wat is het verwachte effect op de andere wachttijden door de toepassingvan de vereenvoudigde claimbeoordeling voor 60-plussers?Antwoord 147De verwachting is dat de 60-plusmaatregel op zichzelf staand een positiefeffect heeft op de achterstanden en op de wachttijden bij deWIA-claimbeoordeling. Of de maatregel ook een positief effect heeft op dewachttijden van andere sociaal-medische beoordelingen die UWV verrichtis niet goed in te schatten en te meten, omdat er daarbij verschillendeeffecten door elkaar spelen.Vraag 148Welke concrete maatregelen worden genomen om het aantal dwangsom-betalingen, na te laat beslissen, structureel terug te dringen, en hoeverhoudt dit zich tot de stijgende uitvoeringslasten bij het UWV,waaronder de WIA-herstelacties?Antwoord 148Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 567 Door middel van een verkenning worden opties in kaart gebracht om hetverbeuren van dwangsommen in de WIA te beperken. Nadat deverkenning is afgerond, zal de Minister van SZW een besluit nemen overeventuele maatregelen.Vraag 149Waarom worden nieuwe ziektes gefaseerd aan de TegemoetkomingStoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB) toegevoegd? Waarom heeft ditvertraging opgelopen?Antwoord 149Beroepsziekten worden aan de regeling toegevoegd als voldaan is aaneen aantal praktische randvoorwaarden, waaronder:1.de verwachte aantallen aanvragen moeten door de uitvoerders van deTSB binnen een redelijke termijn kunnen worden verwerkt;2.er moet een protocol voor het Deskundigenpanel beschikbaar zijn voorhet beoordelen van een stoffengerelateerde beroepsziekte opindividueel niveau;3.er moeten voldoende medische en arbeidshygiënische expertsbeschikbaar en opgeleid zijn voor het Deskundigenpanel.Hierdoor is het praktisch niet uitvoerbaar om sneller of tegelijkertijd eengroot aantal ziekten aan de regeling toe te voegen.In 2024 heeft geen uitbreiding van de regeling plaatsgevonden. Redenhiervoor is dat de regeling nog niet liep zoals beoogd (zie ook de brief van19 december 2024; Kamerstukken II, 2024/2025, 25 883 nr. 518). Het aantalaanvragen is veel lager en het aantal afwijzingen veel hoger dan voor deinvoering was voorzien. Er is daarom in 2024 samen met de ketenpartnersingezet op verbetering van (de uitvoering van) de TSB, en daarna deregeling pas verder uit te breiden. Per 1 juli 2025 wordt de regelinguitgebreid met 3 nieuwe beroepsziekten.In de komende jaren zullen geleidelijk meer beroepsziekten aan deregeling worden toegevoegd.Vraag 150Wat gebeurt er met de middelen die per saldo bezuinigd zijn op dekinderopvang? Waar worden deze middelen voor ingezet?Antwoord 150Die middelen die vrij zijn gekomen door het uitstellen van het nieuwefinancieringsstelsel kinderopvang zijn ingezet om de problematiek op deSZW-begroting in algemene zin van dekking te voorzien. Dit is niet toe tewijzen aan een specifieke tegenvaller of beleidsdossier.Vraag 151Wat zit er in de bedragen die genoemd worden bij de laatste bullet overkinderopvang? Is dit het saldo van de beleidsmutaties, of zit hier ookendogene ontwikkeling in?Antwoord 151De bedragen in de laatste bullet over kinderopvang in de toelichting op demutaties op artikel 7 zijn een optelsom van beleidsmatige mutaties en deendogene ontwikkeling (ramingsbijstellingen, oftewel mee- entegenvallers).Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Ramingsbijstellingen («endogeen»)33,6– 200,1419,7268,4173,4163,7Beleidsmatige mutaties18,3– 571,8– 1.193,4– 608,5– 290,499,8Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 568 Bedragen x € 1 mln.202520262027202820292030Totaal51,9– 771,9– 773,7– 340,1463,8263,5 In de tekst van artikel 7 van de 1e suppletoire begroting zijn de belang-rijkste mutaties puntsgewijs en kwalitatief toegelicht. De beleidsmatigemutaties hebben betrekking op de invoering van het nieuwe kinderop-vangstelsel per 2029 en het bijbehorende ingroeipad. Zie voor eentoelichting op de beleidsmatige mutaties ook het antwoord op vraag 73.Vraag 152Hoeveel vakbonden met minder dan 500 leden zijn er in Nederland?Antwoord 152Het CBS publiceert iedere twee jaar het aantal vakbondsleden pervakcentrale en vakvereniging: https://opendata.cbs.nl/statline/?dl=1332C#/CBS/nl/dataset/80598ned/table.In deze statistiek staan totaalcijfers, cijfers per aangesloten vakbond zijnniet bekend. Het is daarom voor SZW niet bekend hoeveel vakbonden erzijn met minder dan 500 leden.Vraag 153Voor hoeveel werknemers gelden collectieve arbeidsovereenkomsten(cao’s) die afgesloten zijn door vakbonden met minder dan 500 leden?Kunt u dit per cao weergeven?Antwoord 153SZW beschikt niet over aantallen vakbondsleden op cao-niveau en kandaarom deze vraag niet beantwoorden.Vraag 154Hoe verhoudt het naar boven bijstellen van de uitvoeringskosten UWVzich tot de bezuiniging uit HLA en vanuit het amendement Bontenbal c.s.?Antwoord 154De per saldo stijging van de uitvoeringskosten UWV is met name hetgevolg van het toekennen van extra middelen voor de uitvoeringskostenvoor de WIA herstelactie dagloon en middelen voor aanvullendecapaciteit bij het sociaal-medisch beoordelen. Deze stijging van deuitvoeringskosten was niet in beeld op het moment dat de grondslag voorde taakstellingen is bepaald en is dus ook niet in de grondslag van hetUWV meegenomen.Vraag 155Hoe werkt de systematiek rondom posten waar de term nominaal bijstaat?Antwoord 155De uitgaven van de verschillende uitkeringsregelingen staan in de eerstesuppletoire begroting allemaal in een constant prijspeil. Dat wil zeggendat daarin geen rekening wordt gehouden met toekomstige indexatiesvan de uitkeringsbedragen. Het constante prijspeil wordt gebruikt op degehele Rijksbegroting en zorgt ervoor dat de uitgaven van verschillendedepartementen met elkaar vergeleken kunnen worden.In werkelijkheid worden (de meeste) uitkeringsbedragen wel geïndexeerd.Daarvoor heeft elke uitkeringsregeling een post «nominaal». Op dezebegrotingspost staan de middelen gereserveerd om de verschillendeuitkeringsregelingen in de toekomst te kunnen indexeren. Eén keer in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 569 jaar wordt de gehele Rijksbegroting geïndexeerd en worden de benodigdemiddelen daarvoor overgeheveld van de post nominaal naar hetbegrotingsartikel van de betreffende uitkeringsregeling. Dit gebeurt bij deMiljoenennota. In de komende Miljoenennota worden de uitgaven op deRijksbegroting geïndexeerd naar prijspeil 2025.De post nominaal kan vanwege twee redenen worden aangepast:1.Als het uitgavenniveau van de onderliggende uitkeringsregelingwijzigt, dan leidt dit tot een aanpassing van de benodigde middelenom de uitkeringsregeling in de toekomst te kunnen indexeren. Ditnoemen we een grondslageffect.2.Als het verwachte indexatiepercentage van de uitkeringsregelingwijzigt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als het CPB met een nieuwe ramingkomt voor de toekomstige inflatie of contractloonontwikkeling.Vraag 156Kunt u gesplitst aangeven voor het UWV wat de bezuinigingen zijn bij hetUWV als gevolg van respectievelijk de taakstelling uit het HLA en hetamendement Bontenbal c.s. en waar in de uitvoering deze bezuinigingenterechtkomen? Kunt u aangeven wat het UWV erbij krijgt, uitgesplitst naargeld voor uitvoeringskosten en geld voor herstelmaatregelen, uitgesplitstnaar hersteloperatie (indexatie-fouten, dagloonfouten en de uitsprakenvan de Centrale Raad van Beroep (CRvB))? Kunt u daarbij uitleggen hoedit optelt tot 200 miljoen zoals aangegeven op pagina 17 van deVoorjaarsnota?Antwoord 156De bezuinigingen als gevolg van de taakstelling uit het HLA en hetamendement Bontenbal c.s. tellen op tot € 75 miljoen structureel. Over deinvulling van deze bezuinigingen loopt het gesprek met UWV.x € 1 mln.202520262027202820292030StrucTaakstelling HLA11,723,836,348,748,748,7Amendement Bontenbal c.s.26,626,626,626,626,626,626,6Totaal26,638,350,562,975,375,375,3 De middelen voor de WIA-(herstel)maatregelen, zoals weergegeven oppagina 17 van de Voorjaarsnota, hebben betrekking op zowel uitkerings-lasten als uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten hebben betrekking opde herstelactie WIA-dagloon, de CRvB-uitspraak loonloze tijdvakken van30 juli 2024 en extra uitvoeringskosten om de druk op het sociaal-medischbeoordelen bij UWV te verlichten. De uitvoeringskosten worden verderuitgesplitst in het antwoord op vraag 60.x € 1 mln.202520262027202820292030StrucUitvoeringskosten42685336363636Vereenvoudigde beoordeling 60-plussers210244761540Kwijtschelden voorschotten0313350719393WIA herstelactie indexatie1320000Reservering fout indexatie maatmanloon2111111WIA herstelactie dagloon1332230000CRvB uitspraak loonloze tijdvakken– 359410259626691Totaal26144238192230249221 Vraag 157Is de volledige loon- en prijsontwikkeling (LPO) uitgekeerd? Zo nee,waarvoor is een deel van de LPO ingezet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 570 Antwoord 157De ontvangen LPO (€ 79 miljoen) is niet volledig uitgekeerd. We hebbende LPO wel uitgekeerd aan de apparaatsbudgetten onder andere alscompensatie voor de kosten van de cao en aan andere budgetten waar ersprake is van tariefstijging en aan structurele subsidies.Een deel ervan is ingezet als dekking in de voorjaarsbesluitvorming(€ 7 miljoen) en een deel is ingezet als dekking van de taakstelling OCW(dekking amendement Bontenbal c.s.) (€ 4 miljoen).Vraag 158Waarom komt € 2,3 miljoen van de middelen voor de tijdelijkeWIA-maatregel «praktisch beoordelen» niet tot besteding? Wat gebeurt ermet deze middelen, komen deze vrij ter besteding?Antwoord 158Bij het wetstraject van de tijdelijke WIA-maatregel praktisch beoordelenwas de inschatting gemaakt dat de maatregel mogelijk meer bezwaar- enberoepszaken tot gevolg zou hebben. Om deze beroepszaken te finan-cieren was € 2,3 miljoen gereserveerd. Nu de maatregel vanaf juli 2024loopt, blijkt dat de maatregel niet tot meer bezwaar- en beroepszaken leidten dus zijn de middelen niet meer nodig voor dit doel. De middelen zijndaarom ingezet om andere problematiek op de SZW-begroting vandekking te voorzien. Dit is niet toe te wijzen aan een specifieke tegenvallerof beleidsdossier.Vraag 159Waarom wordt de € 8,8 miljoen die was gereserveerd voor de implemen-tatie van het rapport Roemer niet besteed? Waar was deze voor bedoeld?Wat gebeurt er met deze middelen, komen deze vrij ter besteding? Komtdit geld alsnog ten goede van de implementatie van rapport Roemer? Zoja, in welke vorm?Antwoord 159In de uitvoering van de aanbevelingen van het Aanjaagteam BeschermingArbeidsmigranten ontstaan soms wijzigingen in de uitvoering en/ofvertraging op trajecten. Dat heeft soms ook financiële consequenties,waarbij middelen soms later ingezet worden en/of dat uitvoeringskostenlager of hoger uitvallen. Uw Kamer is regelmatig over wijzigingengeïnformeerd. Hoewel dergelijke wijzigingen eventueel leiden tot minderefinanciële uitgaven, voert het kabinet onverminderd de aanbevelingen vanhet Aanjaagteam uit zoals oorspronkelijk voorzien.De € 8,8 miljoen onderbesteding in 2025 zit hem voornamelijk op tweeonderdelen. Het eerste onderdeel betreft de aanbeveling van hetAanjaagteam om een arbeidscommissie in te stellen. Uw Kamer heeft op20 november 2023 een brief ontvangen waarin is aangegeven dat nietgekozen is voor een nieuw zelfstandig bestuursorgaan, maar voor eeninvulling waarbij in alle regio’s goede informatie, hulp en ondersteuningwordt ontwikkeld, inclusief betere toegang tot het recht (Kamerstukken II2023/24, 29 544, nr. 1223). Omdat besloten is deze aanbeveling op eenandere wijze in te vullen zijn er incidenteel minder middelen nodig. Er wasin 2025 rekening gehouden met een budget van 22 miljoen voor ditonderdeel, voornamelijk vanwege de opstartkosten van een (groot)zelfstandig orgaan. De verandering in uitvoering brengt met zich mee datde uitvoering dit jaar 15 miljoen zal kosten. Daarmee blijft een incidenteelbedrag van ongeveer 7 miljoen over.Daarnaast heeft de Belastingdienst aangegeven op dit moment nog geengebruik te willen maken van middelen die gereserveerd staan ten behoevevan de uitvoering van aanbeveling rondom grensoverschrijdend toezicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 571 De Belastingdienst neemt deel aan het team Aanpak MisstandenUitzendbureaus internationaal (AMU-I), samen met de Arbeidsinspectie,SVB en UWV. Zij doet dit echter voorlopig nog met bestaande mensen enmiddelen en beziet op dit moment nog in hoeverre er noodzaak bestaatom het eigen team uit te breiden. Een bedrag van € 1,5 miljoen komthierdoor op dit moment nog niet tot besteding.De middelen die niet tot besteding komen, zijn in de voorjaarsbesluit-vorming ingezet als dekking binnen de SZW-begroting. Dit is niet toe tewijzen aan een specifieke tegenvaller of beleidsdossier.Vraag 160Hoeveel eigenrisicodragers zijn er? Hoeveel werknemers zijn in Nederlandin dienst bij een eigenrisicodrager? Hoe verhoudt de omvang vanre-integratie van eigenrisicodragers zich tot re-integratie bij het UWV?Antwoord 160De werkgevers kunnen in principe op twee momenten in het jaareigenrisicodrager worden, namelijk op 1 januari en op 1 juli. De meestrecente cijfers over het eigenrisicodragerschap zijn daarom van 1 januarijl. Op 1 januari 2025 waren er 12.061 eigenrisicodragers voor de Werkher-vatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en 12.062 eigenrisico-dragers voor de Ziektewet (ZW).De exacte cijfers van het aantal werknemers die in Nederland in dienst zijnbij een eigenrisicodrager zijn niet bekend. De loonsommen van deeigenrisicodragers zijn wel bekend. De eigenrisicodragers voor de WGAomvatten 39% van de totale loonsom van alle werkgevers en bij de ZWeigenrisicodragers is dat 50%.In 2024 zijn er 55.792 nieuwe WIA-uitkeringen (voorlopig) toegekend.Hierbij kwamen 11.325 (voorlopig) toegekende WIA-uitkeringen voorrekening van de WGA eigenrisicodrager en 44.467 voor rekening vanpubliek verzekerde werkgevers. De (voorlopig) toegekendeWIA-uitkeringen staan redelijk in verhouding met het aantal personen datgere-integreerd wordt door eigenrisicodragers en publiek verzekerdewerkgevers. De voorgaande uitsplitsing is niet mogelijk voor de Ziektewet.De financieringsstromen van de eigenrisicodragers voor de Ziektewetvoorlopen namelijk niet via UWV. De nieuwe toegekende uitkeringen vande Ziektewet zijn daardoor minder inzichtelijk.Vraag 161Uit de Voorjaarsnota volgt € 0,3 miljard in 2025 voor uitvoeringsinfor-matie SZW, inclusief WIA-maatregelen, kan de regering uitleggen waaromdeze uitvoeringskosten stijgen, en welke stappen worden genomen om deefficiëntie van de uitvoering van sociale verzekeringsprogramma’s teverbeteren?Antwoord 161Naar aanleiding van de meest recente uitvoeringsinformatie van deverschillende uitvoeringsorganisaties, waaronder UWV, SVB en DienstToeslagen, zijn de regelingen op de SZW-begroting bijgesteld. In 2025hebben deze bijstellingen geleid tot een tegenvaller van € 0,3 miljard.De tegenvaller op basis van uitvoeringsinformatie wordt voor een grootdeel veroorzaakt door een tegenvaller op de Wet werk en inkomen naararbeidsvermogen (WIA). De voornaamste oorzaak hiervan is dat uit derealisaties van 2024 blijkt dat er meer mensen een WIA-uitkering hebbengekregen dan eerder verwacht. Deze hogere instroom wordt voornamelijkverklaard door long-covid en psychische aandoeningen. Daarnaast draagtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 572 de Ziektewet (ZW) ook bij aan de tegenvaller op basis van uitvoeringsin-formatie. Dit komt door een toename van de instroom in de ZW.Het is belangrijk om te benadrukken dat deze bijstelling het gevolg is vanrecente informatie over de ontwikkeling van het aantal gerechtigden en deuitkeringslasten, en daarmee niet direct samenhangt met de uitvoerings-kosten of de efficiëntie van de uitvoeringsorganisaties.Tegelijkertijd worden wel degelijk stappen gezet om de uitvoering vansociale zekerheidsregelingen efficiënter te maken. Zo zet UWV in op hetverbeteren van digitale ondersteuning voor medewerkers. UWV-breed iskwartaalsturing ingericht, om verbeteringen sneller en efficiënter door tekunnen voeren. Op het gebied van sociaal-medisch beoordelen is UWVbezig met organisatieveranderingen. Hierover informeer ik uw Kamervoor de zomer.Vraag 162Op welke manier is het gereserveerde bedrag voor de hersteloperatieUWV vastgesteld, aangezien de omvang hiervan nog niet bekend is?Antwoord 162De precieze omvang van de hersteloperatie WIA daglonen is inderdaadnog niet bekend. Desalniettemin heeft UWV ten behoeve van deUWV-jaarverantwoording een inschatting gemaakt van het totaalbedragdat nabetaald zal worden. Dit heeft UWV gedaan op basis van verschil-lende bronnen. Ook de Algemene Rekenkamer heeft in haar onderzoeknaar de WIA dagloonfouten naar deze raming gekeken.De inschatting van UWV is als basis gebruikt voor de raming die SZWdeze voorjaarsbesluitvorming heeft gebruikt. In de raming van SZW isenerzijds rekening gehouden met het bedrag dat nabetaald zal worden enanderzijds met de uitvoeringskosten die UWV zal maken bij dehersteloperatie.Vraag 163Wat zijn de kosten voor het doelmatig uitvoeren van het OCTAS-rapport?Antwoord 163In het OCTAS-eindrapport worden drie verschillende varianten geschetst.De varianten «Werk staat voorop» en «Basis voor werkenden» zijn niet involdoende mate uitgewerkt om hier een kosteninschatting voor te kunnengeven.De variant «Huidig stelsel beter» is het afgelopen jaar door het ministerieverder uitgewerkt. Het invoeren van alle maatregelen uit deze variantzorgt voor een verwachte structurele toename van de lasten van ongeveer€ 700 miljoen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet voor allemaatregelen ramingen gemaakt konden worden. Ook geldt voor sommigemaatregelen dat er in de uitwerkingen keuzes zijn gemaakt die tot gevolghebben dat de maatregelen betaalbaarder zijn.Voor een doelmatige uitvoering van het OCTAS-rapport is het van belangof het doel is om alle hardheden geheel weg te nemen of dat het doel isom de geconstateerde hardheden te verzachten. Afhankelijk van de keuzekunnen de kosten lager of hoger uitvallen.Vraag 164Waarom is er gekozen voor een structureel bedrag van € 197 miljoenomtrent OCTAS en waar is dat op gebaseerd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 573 Antwoord 164Het kabinet heeft bij de voorjaarsnota € 197 miljoen structureel vrijge-maakt voor structurele verbeteringen van het arbeidsongeschiktheids-stelsel. Dit is gebaseerd op beleidsmaatregelen waar de Tweede Kamervia een kamerbrief binnenkort nader over wordt geïnformeerd.Vraag 165Hoeveel financiële ruimte blijft er over van de envelop Groepen in de knelna de verschillende intensiveringen?Antwoord 165Na de voorgenomen intensiveringen uit de Voorjaarsnota blijft er geenfinanciële ruimte meer over in de envelop Groepen in de knel. Devolledige envelop is bestemd bij de voorjaarsbesluitvorming.Vraag 166Wat is het gevolg van het afromen van de envelop Groepen in de knelvoor het oorspronkelijke doel van de enveloppe, zoals OCTAS, Participa-tiewet en de Toeslagenwet?Antwoord 166Met de middelen uit de envelop Groepen in de knel biedt het kabinet meerondersteuning aan kwetsbare groepen. Daarom zet het kabinet demiddelen uit de envelop Groepen in de knel in op maatregelen die hieraaneen bijdrage leveren. Zo wordt het minimumjeugdloon verhoogd, definanciering van beschut werk verbeterd, worden afgewezen Wajongerenin de Participatiewet ondersteund in de ontwikkeling van arbeidsver-mogen en wordt de Toeslagenwet vereenvoudigd. Onder andere dezemaatregelen dragen bij aan het oorspronkelijke doel van de envelop. Erzijn daarnaast nog veel terreinen die aandacht vragen van het kabinet.Daarom heeft het kabinet in de voorjaarsbesluitvorming keuzes moetenmaken en onder meer besloten om een deel van de middelen uit deenvelop af te romen.Vraag 167Hoeveel kost het om 10.000 extra banen te realiseren binnen dewerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 167Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van op wat voor banen devraag precies ziet.In het onderstaande antwoord gaan we uit van 10.000 extra banenbeschut werk, waardoor in 2048 (als beschut werk volledig is ingegroeid)40.300 beschutte werkplekken, i.p.v. de nu geraamde 30.300 beschuttewerkplekken, worden gerealiseerd.Op basis van de huidige financiering en een geleidelijke ingroei kom jedan uit op een inschatting van de extra kosten van zo’n € 8,5 miljoen in2026 oplopend naar zo’n € 300 miljoen in 2048 o.b.v. enerzijds demiddelen die nu binnen de rijksbijdrage beschut werk verstrekt wordenaan gemeenten en anderzijds de middelen voor loonkostensubsidie o.b.v.een forfaitair bedrag voor beschut werk.Vraag 168Hoeveel kost het om 20.000 extra banen te realiseren binnen dewerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 168Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van op wat voor banen devraag precies ziet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 574 In het onderstaande antwoord gaan we uit van 20.000 extra banenbeschut werk, waardoor in 2048 (als beschut werk volledig is ingegroeid)50.300 beschutte werkplekken, i.p.v. de nu geraamde 30.300 beschuttewerkplekken, worden gerealiseerd.Op basis van de huidige financiering en een geleidelijke ingroei kom jedan uit op een inschatting van de extra kosten van zo’n € 17 miljoen in2026 oplopend naar zo’n € 600 miljoen.Vraag 169Hoeveel kost het om 30.000 extra banen te realiseren binnen dewerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 169Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van op wat voor banen devraag precies ziet.In het onderstaande antwoord gaan we uit van 30.000 extra banenbeschut werk, waardoor in 2048 (als beschut werk volledig is ingegroeid)60.300 beschutte werkplekken, i.p.v. de nu geraamde 30.300 beschuttewerkplekken, worden gerealiseerd.Op basis van de huidige financiering en een geleidelijke ingroei kom jedan uit op een inschatting van de extra kosten van zo’n € 26 miljoen in2026 oplopend naar zo’n € 900 miljoen in 2048 o.b.v. enerzijds demiddelen die nu binnen de rijksbijdrage beschut werk verstrekt wordt aangemeenten en anderzijds de middelen voor loonkostensubsidie o.b.v. eenforfaitair bedrag voor beschut werk.Vraag 170Hoeveel kost het om 40.000 extra banen te realiseren binnen dewerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 170Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van op wat voor banen devraag precies ziet.In het onderstaande antwoord gaan we uit van 40.000 extra banenbeschut werk, waardoor in 2048 (als beschut werk volledig is ingegroeid)70.300 beschutte werkplekken, i.p.v. de nu geraamde 30.300 beschuttewerkplekken, worden gerealiseerd.Op basis van de huidige financiering en een geleidelijke ingroei kom jedan uit op een inschatting van de extra kosten van zo’n € 34 miljoen in2026 oplopend naar zo’n € 1.200 miljoen in 2048 o.b.v. enerzijds demiddelen die nu binnen de rijksbijdrage beschut werk verstrekt wordt aangemeenten en anderzijds de middelen voor loonkostensubsidie o.b.v. eenforfaitair bedrag voor beschut werk.Vraag 171Hoeveel kost het om 50.000 extra banen te realiseren binnen dewerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 171Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van op wat voor banen devraag precies ziet.In het onderstaande antwoord gaan we uit van 50.000 extra banenbeschut werk, waardoor in 2048 (als beschut werk volledig is ingegroeid)80.300 beschutte werkplekken, i.p.v. de nu geraamde 30.300 beschuttewerkplekken, worden gerealiseerd.Op basis van de huidige financiering en een geleidelijke ingroei kom jedan uit op een inschatting van de extra kosten van zo’n € 43 miljoen in2026 oplopend naar zo’n € 1.500 miljoen in 2048 o.b.v. enerzijds demiddelen die nu binnen de rijksbijdrage beschut werk verstrekt wordt aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 575 gemeenten en anderzijds de middelen voor loonkostensubsidie o.b.v. eenforfaitair bedrag voor beschut werk.Vraag 172Is het mogelijk om 40.000 extra banen te realiseren door middel van hetbreder inzetten van de loonkostensubsidie en het bundelen van budgettenbij gemeenten? Zo ja, hoe ziet die berekening er dan uit?Antwoord 172Het is niet mogelijk om budgetneutraal 40.000 extra banen met loonkos-tensubsidie te realiseren; extra banen brengen extra uitgaven aanloonkostensubsidies en ondersteuningsmiddelen met zich mee.Vraag 173Wat is het financiële tekort voor gemeenten voor het bekostigen van deplekken in de werk-ontwikkelbedrijven op basis van de Wet socialewerkvoorziening en de Participatiewet?Antwoord 173Er is geen precies inzicht in hoeverre gemeenten t.a.v. hunwerk-ontwikkelbedrijven financieel tekortkomen of dat zij juistoverschotten realiseren. Dit zal ook per gemeente/regio verschillen en ismede afhankelijk van de (breedte van de) taken die gemeenten bij eenwerk-ontwikkelbedrijf hebben belegd en de bedrijfsvoering van debedrijven, zoals de werksoorten en het al dan niet detacheren van mensenbij reguliere werkgevers.De afgelopen jaren is onder meer onderzoek gedaan naar de kosten enuitvoering van beschut werk (een van de taken diewerk-ontwikkelbedrijven uitvoeren). Naar aanleiding daarvan heeft hetkabinet zowel in 2024 als in 2025 besloten extra budget toe te kennen aangemeenten. In 2024 is de Rijksbijdrage beschut werk met € 2.157 per plekopgehoogd. Bij de Voorjaarsnota 2025 is besloten om een forfaitaireloonkostensubsidie voor beschut werk in te voeren. Daarmee komt er perplek opnieuw bijna € 3.000 extra beschikbaar. In eerste instantie wordt dittoegevoegd aan de Rijksbijdrage beschut werk. Na aanpassing van de wetzal dit extra budget via het budget voor bijstand en loonkostensubsidiesbeschikbaar komen.Uit onderzoek blijkt daarnaast ook dat de verschillen tussenwerk-ontwikkelbedrijven groot zijn. Zowel in hoe ze georganiseerd zijn alsin hun financiële resultaten. Ook is er in veel regio’s nog geen duidelijketoekomstvisie vastgesteld. Dit beperkt de transitie en transformatie van dewerk-ontwikkelbedrijven. Om dit te stimuleren is er vanuit het Rijk vooreen periode van 10 jaar een impulsbudget beschikbaar gesteld, metdaaraan gekoppeld onder meer een ondersteuningsprogramma.Het budget voor de Wsw biedt elk jaar meer financiële ruimte (perwerkplek), doordat de uitstroom van Wsw-ers aanzienlijk sneller verlooptdan waar in de raming en daarmee in het budget rekening mee isgehouden. Hierdoor is het niet de verwachting dat er tekorten zijn op hetWsw-budget. Maar ook dit zal per gemeente/regio verschillen.Vraag 174Hoeveel kost het om alle deelnemers van de werk-ontwikkelbedrijvenonder de cao Sociale Werkvoorziening te laten vallen en de cao Aan deSlag! te laten vervallen?Antwoord 174Sociale partners gaan over het afsluiten van de cao’s. Daarbij bepalensociale partners ook voor welke groepen zij welke cao afsluiten. Hetkabinet heeft geen invloed op boven gestelde voorstel waarin de cao Aande Slag vervangen wordt door de cao SW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 576 Het is niet eenvoudig antwoord te geven op de vraag hoeveel de cao SWmeer kost dan de cao Aan de Slag. Dit hangt namelijk sterk af van deschaal waar medewerkers vanuit de cao Aan de Slag in terechtkomen alszij overgaan naar de cao SW. Binnen de cao SW zijn schalen die redelijkvergelijkbaar zijn met de schalen in de cao Aan de Slag, maar ook schalenwaarin medewerkers een aanzienlijk hoger loon (tot wel € 5.979)verdienen.Naast (mogelijk) loon, is de eindejaarsuitkering een ander belangrijkverschil tussen de beide cao’s. In de cao Aan de Slag is geen eindejaars-uitkering opgenomen. In de cao SW is een eindejaarsuitkering van 3,75%opgenomen.De kosten voor de cao Aan de Slag vallen daarmee in ieder geval 3,75%hoger uit wanneer deze cao vervangen wordt door de cao SW.Vraag 175Hoeveel mensen wachten op dit moment op een keuring bij eenkeuringsarts van het UWV? Is dit aantal hoger of lager dan een jaargeleden?Antwoord 175Sinds april 2024 is er een stijging van het aantal WIA aanvragen. Dezestijging heeft niet alleen een effect op het aantal wachtende cliënten opeen WIA-beoordeling. Ook het aantal wachtende cliënten op eenherbeoordeling en Wajong-beoordeling neemt hierdoor toe.Eind april 2025 wachten bijna 33 duizend mensen op eenWIA-beoordeling; dat zijn er bijna 6 duizend meer dan eind april 2024. Vandeze 33 duizend mensen wachten er 18 duizend langer dan de geldendebeslistermijn van 8 weken; vorig jaar waren dat er 14 duizend. Ookwachten er bijna 29 duizend mensen op een herbeoordeling (zowelprofessioneel als vraaggestuurd) tegenover ruim 23 duizend vorig jaar.Eind april wachten er 2.300 mensen op een Wajong-beoordeling, waarvaner bijna 700 langer wachten dan de beslistermijn. Vorig jaar wachtten er2.000 mensen op een Wajong beoordeling waarvan bijna 500 langer dande beslistermijn.Vraag 176Hoeveel bezwaren liggen er op dit moment tegen een keuring van eenkeuringsarts?Antwoord 176Op dit moment liggen er ruim 19 duizend medische bezwaarzaken.Vraag 177Wat is de maandelijkse achteruitgang voor werknemers met een arbeids-beperking, uitgaande van minimumloon en parttime werk door hetingevoerde Belastingplan? Wat is er financieel voor nodig om dezeachteruitgang op te lossen? Welke oplossingen zijn er om financiëleachteruitgang te compenseren?Antwoord 177Het is goed om te benadrukken dat er in het Belastingplan geen maatre-gelen zaten die anders uitpakken voor werknemers met een arbeidsbe-perking dan voor werknemers zonder arbeidsbeperking. Met het Belas-tingplan is de maximale algemene heffingskorting (AHK) verlaagd.Daarnaast is het tarief in de eerste schijf van box 1 verlaagd. Voor mensenmet een inkomen vanaf ongeveer € 26.000 weegt het voordeel van hetlagere schijftarief op tegen het nadeel van de lagere AHK. De groepbelastingplichtigen met een inkomen lager dan € 26.000 ondervindt persaldo nadeel van de maatregelen. Dit nadeel is groter naarmate hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 577 inkomen lager is, en bedraagt maximaal ongeveer € 185 per jaar, ofwelongeveer € 15 per maand.Los van de maatregelen uit het Belastingplan geldt dat mensen nadeelkunnen ondervinden als er geen loonstijging heeft plaatsgevonden. Ditgeldt voor een deel van de medewerkers bij sociaal ontwikkelbedrijven diein 2025 in sommige gevallen (40%) een lager netto-inkomen hebben danin 2024. Dit werkt met name door in de hoogte van de arbeidskorting. Degrenzen in de arbeidskorting worden jaarlijks geïndexeerd. Als hetinkomen constant blijft van het ene op het andere jaar, dan daalt het rechtop arbeidskorting als je in het opbouwtraject van de arbeidskorting zit. Diteffect is het sterkst tussen ongeveer € 12.000 en € 26.000. Het nadeel kanoplopen tot maximaal ongeveer € 32 per maand. Dit is echter geen gevolgvan maatregelen uit het Belastingplan.Daar staat tegenover dat per 2025 ook de huurtoeslag en het kindge-bonden budget verhoogd zijn. Of de betreffende werknemers hiervanprofiteren hangt af van de individuele situatie. Het is dan ook nieteenduidig te zeggen hoeveel ervoor nodig is om een eventuele achter-uitgang te compenseren. Daarnaast ontvangen mensen met een inkomenonder het sociaal minimum een aanvulling tot het sociaal minimum. Degroep die een nadeel ondervindt, zou het meest gebaat zijn geweest bijeen verhoging van het cao-loon.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 178Wat is de achteruitgang voor medewerkers in hun vakantiegeld door hetingevoerde Belastingplan? Wat is er financieel voor nodig om dezeachteruitgang op te lossen? Welke oplossingen zijn er om financiëleachteruitgang te compenseren?Antwoord 178Het vakantiegeld is onderdeel van het inkomen dat belast wordt in box 1.Het Belastingplan heeft dan ook geen ander effect op het vakantiegeld danop het reguliere looninkomen. In de loonheffing wordt het vakantiegeldvoor iedereen belast volgens de tabel bijzondere beloningen. Voor hetinhoudingspercentage in die tabel is de marginale belastingdruk vanbelang. Het Belastingplan zorgt voor beperkte wijzigingen in de marginalebelastingdruk. Het tarief in de eerste schijf is verlaagd met ruim éénprocentpunt, dat resulteert in een lager inhoudingspercentage. Daarnaastis het tarief in de tweede schijf met ongeveer 0,5 procentpunt verhoogden is de afbouw van de AHK steiler geworden door het verschuiven vanhet afbouwpunt. Dit zorgt voor een wat hoger inhoudingspercentage.Zoals elk jaar speelt indexatie van de inkomensgrenzen in de tabelbijzondere beloningen ook nog een rol. Als het inkomen van eenbelastingplichtige constant blijft, dan kan dat inkomen in 2025 net in eenandere schijf van de tabel bijzondere beloningen vallen dan dat in 2024het geval was. Hierdoor kan een hoger of lager inhoudingspercentagegaan gelden. Dit is echter geen gevolg van het Belastingplan.Deze vraag is door het Ministerie van Financiën beantwoord, voorvervolgvragen verwijzen wij u graag naar de Minister van Financiën.Vraag 179Hoeveel kost het om het minimumloon te verhogen met 10% vanaf1 januari 2026?Antwoord 179Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergteen wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. RekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 578 houdend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon per1 januari 2027 worden verhoogd.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 10% koststructureel ongeveer € 8,3 miljard per jaar. Dit betreft een groveinschatting van het budgettaire effect van een verhoging van hetminimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. De ramingbevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten van de Rijksoverheidals wetgever en niet van de Rijksoverheid als werkgever.Vraag 180Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2026, 2027 en 2028van het verhogen van het minimumloon met 10%, daarbij de verschil-lende inflatiescenario’s, tenminste bevattende een aanhoudendejaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%, in acht nemend?Antwoord 180Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergteen wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Rekeninghoudend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon op zijnvroegst per 1 januari 2027 worden verhoogd.Onderstaande tabel toont een indicatie van de inkomenseffecten van eenbijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 10%, dieoptreden per 1 januari 2027. Het betreft de effecten van een verhoging vanhet minimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. Ook wordtrekening gehouden met het effect van de hogere lonen aan de onderkantvan het loongebouw. De effecten van de minimumloonsverhoging op deinflatie en werkgelegenheid zijn niet meegenomen in deze berekeningomdat hier een inkomenseffect wordt getoond. Deze effecten zullen groterzijn naarmate de minimumloonsverhoging groter is. Het weergegeveninkomenseffect vergelijkt een situatie zonder extra verhoging van hetminimumloon met een situatie met extra verhoging van hetminimumloon, en hangt niet af van de inflatie. Bij een oplopende inflatiemet 2%, 5%, 7,5% en 10% neemt de koopkracht voor de verschillendegroepen met hetzelfde percentage af.De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 1,2% voor alleNederlandse huishoudens. Het positieve inkomenseffect zit met name bijde laagste inkomensgroepen (5,2% en 3,6% respectievelijk bij het eersteen tweede inkomenskwintiel). In deze groepen zitten naast minimumloon-verdieners ook veel uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden, die indoorsnee het meeste profijt hebben van de verhoging. Achter dezemediane inkomenseffecten gaat spreiding schuil die onder anderezichtbaar is bij werkenden. De doorsnee werkende gaat er 0,8% opvooruit, maar vooral voor werkenden op en net boven het WML ligt deinkomensvooruitgang hoger.Tabel: Inkomenseffect bijzondere verhoging WML met 10% per 1 januari 20271InkomensgroepIedereen1e (<=106% WML)5,2%2e (106–173% WML)3,6%3e (173–257% WML)1,7%4e (257–380% WML)0,9%5e (>380% WML)0,3%InkomensbronWerkenden0,8%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 579 InkomensgroepIedereenUitkeringsgerechtigden5,5%Gepensioneerden4,3%HuishoudtypeTweeverdieners1,4%Alleenstaanden2,9%Alleenverdieners1,2%KinderenHuishoudens met kinderen0,9%Huishoudens zonder kinderen1,2%Alle huishoudens1,9%1 Bron: berekeningen SZW Vraag 181Wat is het effect op armoede bij een verhoging van 10% van het wettelijkminimumloon?Antwoord 181Onderstaande tabel toont het risico op armoede onder personen (ex-ante)in 2027 en 2028 in het basispad (CEP 2025), en bij verhoging van het WMLmet 10% per 1 januari 2027. De armoede neemt naar verwachting met0,4%-punt af.Tabel: armoede onder personen (%)20272028Basispad2,8%2,7%Bijzondere verhoging WML 10%2,4%2,3% Vraag 182Hoeveel kost het om het minimumloon te verhogen naar € 16 per uurvanaf 1 januari 2026?Antwoord 182Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergteen wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Rekeninghoudend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon per1 januari 2027 worden verhoogd.Volgens de huidige inzichten is per 1 januari 2027 een bijzondereverhoging van het minimumloon van 5,0% benodigd om uit te komen opeen minimumuurloon van€ 16,–. Als de reguliere indexatie van hetminimumloon in de komende jaren anders uitvalt dan nu verwacht, danwijzigt het benodigde stijgingspercentage om uit te komen op eenminimumuurloon van € 16,–.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 5,0% koststructureel ongeveer € 4,1 miljard per jaar. Dit betreft een groveinschatting van het budgettaire effect van een verhoging van hetminimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. De ramingbevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten van de Rijksoverheidals wetgever en niet van de Rijksoverheid als werkgever.Vraag 183Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 580 Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2026, 2027 en 2028van het verhogen van het minimumloon naar € 16 per uur met daarbij inachtneming van verschillende inflatiescenario’s, tenminste bevattendeeen aanhoudende jaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%?Antwoord 183Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergteen wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Rekeninghoudend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon op zijnvroegst per 1 januari 2027 worden verhoogd. Volgens de huidige inzichtenis per 1 januari 2027 een bijzondere verhoging van het minimumloon van5,0% benodigd om uit te komen op een minimumuurloon van € 16,–. Alsde reguliere indexatie van het minimumloon in de komende jaren andersuitvalt dan nu verwacht, dan wijzigt het benodigde stijgingspercentageom uit te komen op een minimumuurloon van € 16,–.Onderstaande tabel toont een indicatie van de inkomenseffecten van eenbijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 5%, dieoptreden per 1 januari 2027. Het betreft de effecten van een verhoging vanhet minimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. Ook wordtrekening gehouden met het effect van de hogere lonen aan de onderkantvan het loongebouw. De effecten van de minimumloonsverhoging op deinflatie en werkgelegenheid zijn niet meegenomen in deze berekeningomdat hier een inkomenseffect wordt getoond. Deze effecten zullen groterzijn naarmate de minimumloonsverhoging groter is. Het weergegeveninkomenseffect vergelijkt een situatie zonder extra verhoging van hetminimumloon met een situatie met extra verhoging van hetminimumloon, en hangt niet af van de inflatie. Bij een oplopende inflatiemet 2%, 5%, 7,5% en 10% neemt de koopkracht voor de verschillendegroepen met hetzelfde percentage af.De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,8% voor alleNederlandse huishoudens. Het positieve inkomenseffect zit met name bijde laagste inkomensgroepen (2,5% en 1,6% respectievelijk bij het eersteen tweede inkomenskwintiel). In deze groepen zitten naast minimumloon-verdieners ook veel uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden, die indoorsnee het meeste profijt hebben van de verhoging. Achter dezemediane inkomenseffecten gaat spreiding schuil die onder anderezichtbaar is bij werkenden. De doorsnee werkende gaat er 0,3% opvooruit, maar vooral voor werkenden op en net boven het WML ligt deinkomensvooruitgang hoger.Tabel: Inkomenseffect bijzondere verhoging WML met 5% per 1 januari 20271InkomensgroepIedereen1e (<=106% WML)2,5%2e (106–173% WML)1,6%3e (173–257% WML)0,6%4e (257–380% WML)0,3%5e (>380% WML)0,1%InkomensbronWerkenden0,3%Uitkeringsgerechtigden2,7%Gepensioneerden2,1%HuishoudtypeTweeverdieners0,5%Alleenstaanden1,2%Alleenverdieners0,5%KinderenHuishoudens met kinderen0,3%Huishoudens zonder kinderen0,3%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 581 InkomensgroepIedereenAlle huishoudens0,8%1 Bron: SZW-berekeningen Vraag 184Wat is het effect op armoede bij een verhoging van het wettelijkminimumloon naar € 16 per uur?Antwoord 184Onderstaande tabel toont het risico op armoede onder personen (ex-ante)in 2027 en 2028 in het basispad (CEP 2025), en bij verhoging van het WMLmet 5% (€ 16 per uur) per 1 januari 2027. De armoede neemt naarverwachting met 0,2%-punt af.Tabel: armoede onder personen (%)Armoede onder personen20272028Basispad2,8%2,7%Bijzondere verhoging WML 5%2,6%2,5% Vraag 185Hoeveel kost het om het minimumloon te verhogen naar € 18 per uurvanaf 1 januari 2026?Antwoord 185Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergteen wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Rekeninghoudend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon op zijnvroegst per 1 januari 2027 worden verhoogd.Volgens de huidige inzichten is per 1 januari 2027 een bijzondereverhoging van het minimumloon van 18,3% benodigd om uit te komen opeen minimumuurloon van € 18,–. Als de reguliere indexatie van hetminimumloon in de komende jaren anders uitvalt dan nu verwacht, danwijzigt het benodigde stijgingspercentage om uit te komen op eenminimumuurloon van € 18,–.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 18,3% koststructureel ongeveer € 15 miljard per jaar. Dit betreft een groveinschatting van het budgettaire effect van een verhoging van hetminimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. De ramingbevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten van de Rijksoverheidals wetgever en niet van de Rijksoverheid als werkgever.Vraag 186Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2026, 2027 en 2028van het verhogen van het minimumloon naar € 18 per uur met daarbij inachtneming van verschillende inflatiescenario’s, tenminste bevattendeeen aanhoudende jaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%?Antwoord 186Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 januari2026 is niet meer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 582 een wetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Rekeninghoudend met de duur van een wetstraject kan het minimumloon op zijnvroegst per 1 januari 2027 worden verhoogd.Volgens de huidige inzichten is per 1 januari 2027 een bijzondereverhoging van het minimumloon van 18,3% benodigd om uit te komen opeen minimumuurloon van € 18. Als de reguliere indexatie van hetminimumloon in de komende jaren anders uitvalt dan nu verwacht, danwijzigt het benodigde stijgingspercentage om uit te komen op eenminimumuurloon van € 18,–.Onderstaande tabel toont een indicatie van de inkomenseffecten van eenbijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 18,3%, dieoptreden per 1 januari 2027. Het betreft de effecten van een verhoging vanhet minimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. Ook wordtrekening gehouden met het effect van de hogere lonen aan de onderkantvan het loongebouw. De effecten van de minimumloonsverhoging op deinflatie en werkgelegenheid zijn niet meegenomen in deze berekeningomdat hier een inkomenseffect wordt getoond. Deze effecten zullen groterzijn naarmate de minimumloonsverhoging groter is. Het weergegeveninkomenseffect vergelijkt een situatie zonder extra verhoging van hetminimumloon met een situatie met extra verhoging van hetminimumloon, en hangt niet af van de inflatie. Bij een oplopende inflatiemet 2%, 5%, 7,5% en 10% neemt de koopkracht voor de verschillendegroepen met hetzelfde percentage af.De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 4,4% voor alleNederlandse huishoudens. Het positieve inkomenseffect zit met name bijde laagste inkomensgroepen (9,6% en 7,4% respectievelijk bij het eersteen tweede inkomenskwintiel). In deze groepen zitten naast minimumloon-verdieners ook veel uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden, die indoorsnee het meeste profijt hebben van de verhoging. Achter dezemediane inkomenseffecten gaat spreiding schuil die onder anderezichtbaar is bij werkenden. De doorsnee werkende gaat er 2,0% opvooruit, maar vooral voor werkenden op en net boven het WML ligt deinkomensvooruitgang hoger.Tabel: Inkomenseffect bijzondere verhoging WML met 18,3% per 1 januari 20271InkomensgroepIedereen1e (<=106% WML)9,6%2e (106–173% WML)7,4%3e (173–257% WML)3,6%4e (257–380% WML)2,4%5e (>380% WML)0,7%InkomensbronWerkenden2,0%Uitkeringsgerechtigden10,2%Gepensioneerden7,7%HuishoudtypeTweeverdieners3,5%Alleenstaanden6,3%Alleenverdieners2,5%KinderenHuishoudens met kinderen2,2%Huishoudens zonder kinderen3,0%Alle huishoudens4,4%1 Bron: SZW-berekeningen Vraag 187Wat is het effect op armoede bij een verhoging van het wettelijkminimumloon naar € 18 per uur?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 583 Antwoord 187Onderstaande tabel toont het risico op armoede onder personen (ex-ante)in 2027 en 2028 in het basispad (CEP 2025), en bij verhoging van het WMLmet 18,3% (€ 18 per uur) per 1 januari 2027. De armoede neemt naarverwachting met 0,6%-punt af in 2028.Tabel: armoede onder personen (%)Armoede onder personen20272028Basispad2,8%2,7%Bijzondere verhoging WML 18,3%2,1%2,1% Vraag 188Hoeveel kost het om het minimumjeugdloon volledig af te schaffen vanaf1 januari 2026?Antwoord 188Het afschaffen van het minimumjeugdloon per 1 januari 2026 is niet meeruitvoerbaar, omdat dit een wetswijziging vergt. Dit kost normaliteranderhalf tot twee jaar. Rekening houdend met de duur van eenwetstraject kan het minimumjeugdloon op zijn vroegst per 1 januari 2027worden afgeschaft.De verwachte kosten van het afschaffen van het minimumjeugdloon vooralle leeftijden zijn structureel ongeveer € 130 miljoen per jaar. Deze kostenbestaan uit hogere uitgaven aan de Wajong (alleen voor 18-, 19- en20-jarigen) en loonkostensubsidie.Vraag 189Wat is het effect op de reële koopkracht uitgesplitst in 2026, 2027 en 2028van het afschaffen van het minimumjeugdloonloon met daarbij inachtneming van verschillende inflatiescenario’s, tenminste bevattendeeen aanhoudende jaargemiddelde inflatie van 2%, 5%, 7,5% en 10%uitgesplitst in voltijd en deeltijd jongeren?Antwoord 189Het is niet mogelijk om de effecten op de koopkrachtontwikkeling door hetafschaffen van het minimumjeugdloon te berekenen. Indien jongeren meteen laag inkomen, zoals ook bij studenten, door hun ouders wordenondersteund in hun inkomen wordt dat niet goed meegenomen in deinkomensstatistiek. Kleine wijzigingen kunnen bij lage inkomens ook totgrote inkomensmutaties leiden en de uitkomsten kunnen een vertekendbeeld geven. Het minimumjeugdloon wordt per 1 januari 2027 peralgemene maatregel van bestuur (AMvB) aangepast. In nota vantoelichting wordt ingegaan op de gevolgen van de verhoging waaronderde inkomenseffecten.Vraag 190Wat is het effect op armoede bij het afschaffen van het minimum-jeugdloon?Antwoord 190Het is niet mogelijk om de effecten op de armoede door het afschaffenvan het minimumjeugdloon te berekenen. Indien jongeren met een laaginkomen, zoals ook bij studenten, door hun ouders worden ondersteundin hun inkomen wordt dat niet goed meegenomen in de inkomenssta-tistiek. Kleine wijzigingen kunnen bij lage inkomens ook tot groteinkomensmutaties leiden en de uitkomsten kunnen een vertekend beeldgeven. Het minimumjeugdloon wordt per 1 januari 2027 per algemeneTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 584 maatregel van bestuur (AMvB) aangepast. In nota van toelichting wordtingegaan op de gevolgen van de verhoging waaronder de inkomensef-fecten.Vraag 191Wat is het effect op kinderarmoede bij het afschaffen van het minimum-jeugdloon?Antwoord 191Het is niet mogelijk om de effecten op de kinderarmoede door hetafschaffen van het minimumjeugdloon te berekenen. Indien jongeren meteen laag inkomen, zoals ook bij studenten, door hun ouders wordenondersteund in hun inkomen wordt dat niet goed meegenomen in deinkomensstatistiek. Kleine wijzigingen kunnen bij lage inkomens ook totgrote inkomensmutaties leiden en de uitkomsten kunnen een vertekendbeeld geven. Het minimumjeugdloon wordt per 1 januari 2027 peralgemene maatregel van bestuur (AMvB) aangepast. In nota vantoelichting wordt ingegaan op de gevolgen van de verhoging waaronderde inkomenseffecten.Vraag 192Hoeveel arbeidsmigranten leven er op dit moment in Nederland? Kan ditworden gespecificeerd per land van herkomst?Antwoord 192Het CBS Dashboard Arbeidsmigratie geeft inzicht in hoeveel personen vanbuiten de EU/EFTA en hoeveel personen met een EU/EFTA nationaliteitmet het migratiemotief arbeid in Nederland werken. Voor migranten vanbuiten de EU/EFTA is dit op basis van migratiejaren 1999 tot en met 2023.Voor EU/EFTA-migranten is dit op basis van migratiejaren 1999 tot en met2022. Hierbij is arbeidsmigratie dus gedefinieerd als personen dievanwege werk naar Nederland zijn gekomen. Aangezien de gegevensteruggaan tot 1999 zijn in de cijfers ook personen opgenomen die al eenlange tijd in Nederland kunnen wonen. Op 31 december 2022 zijn ervolgens dit dashboard 182.395 arbeidsmigranten en 62.400 gezinsmi-granten die meekwamen met arbeidsmigranten uit de EU/EFTA inNederland.38 Op 31 december 2023 zijn er in Nederland volgens ditdashboard 122.680 arbeidsmigranten (waaronder 103.235 kennismi-granten) en 91.225 gezinsmigranten die meekwamen met arbeidsmi-granten uit derde landen in Nederland aanwezig. Bovenstaande cijfersbetreffen alleen personen die als ingezetene staan ingeschreven in deBasisregistratie Personen (BRP). Personen die wel in de polisadministratievan het UWV voorkomen als werknemer, maar enkel als niet-ingezetene inhet Register Niet-Ingezetenen (RNI) van de BRP geregistreerd staan,worden niet meegenomen in deze standcijfers. Dit kunnen bijvoorbeeldseizoens- of grenswerkers zijn. Ook personen die noch zijn ingeschrevenin het bevolkingsregister, noch voorkomen in de polisadministratie vanUWV, zijn niet meegenomen in bovenstaande cijfers. Dit kunnen bijvoor-beeld gedetacheerde werknemers zijn die hun loon in het buitenlandontvangen en daarom niet in de polisadministratie voorkomen.Het Dashboard biedt geen uitsplitsing naar land van herkomst, maar welnaar nationaliteit op het moment van immigratie. In onderstaande tabelworden de top 10 nationaliteiten weergegeven voor niet-EU/EFTAmigranten en EU/EFTA-migranten met het migratiemotief arbeid.38Bron: CBS Dashboard MigratiemotievenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 585 Aantal arbeidsmigranten van buiten de EU-EFTA in Nederland naar nationaliteit op31 december 20231NationaliteitAantal personenIndiaas26.285Overige nationaliteiten21.740Chinees13.765Turks12.395Amerikaans8.435Russisch7.715Zuid-Afrikaans6.780Braziliaans4.375Iraans4.105Brits3.5151 Bron: CBS Dashboard Migratiemotieven Aantal EU/EFTA-arbeidsmigranten in Nederland naar nationaliteit op 31 december20221NationaliteitAantal personenPools47.710Italiaans17.550Roemeens15.790Spaans13.900Bulgaars13.475Duits12.995Portugees10.080Grieks9.295Frans9.205Overige landen7.7701 Bron: CBS Dashboard Migratiemotieven Vraag 193Kan worden gespecificeerd hoe lang arbeidsmigranten per land vanherkomst in Nederland verblijven?Antwoord 193Het percentage vertrokken arbeidsmigranten naar verblijfsduur ennationaliteit is beschikbaar via het Dashboard Migratiemotieven.Onderstaande figuren geven het respectievelijke aandeel vertrokkenarbeidsmigranten vanuit niet-EU/EFTA en EU/EFTA naar verblijfsjaren,uitgesplitst voor de meest voorkomende nationaliteiten van de groeparbeidsmigranten die eind 2023 (niet-EU/EFTA) en 2022 (EU/EFTA) inNederland aanwezig waren (zie ook vraag 192) en de totale populatiearbeidsmigranten. Voor de beantwoording van deze vraag is gekeken naareen vroeger instroomcohort (2013–2016 voor niet-EU/EFTA en 2012–2015voor EU/EFTA) om de vertrekpercentages op een langere termijn van7 verblijfsjaren te kunnen volgen. In het antwoord op vraag 194 wordt ookgekeken naar de vertrekpercentages van recentere instroomcohorten. Inhet Dashboard Migratiemotieven zijn enkel arbeidsmigranten meege-nomen die zich als ingezetene hebben ingeschreven in de BRP. Dit geeftmogelijk een vertekend beeld van de werkelijke verblijfsduur van de totalegroep personen die met migratiemotief arbeid naar Nederland komt, inhet bijzonder voor personen uit Midden-en Oost Europa, omdat personendie zich hebben geregistreerd als niet-ingezetenen met een veelal kortereverblijfsduur hierdoor niet meegenomen zijn in de vertrekcijfers.De verblijfsduur van arbeidsmigranten hangt zowel samen met hetinstroomcohort, als met de nationaliteit. Zo is na 5 jaar 63% van de totalepopulatie aan arbeidsmigranten van buiten de EU/EFTA die tussen2013–2016 naar Nederland kwam reeds vertrokken. Voor Turkse arbeids-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 586 migranten ligt dit percentage op 45% en voor Amerikaanse arbeidsmi-granten op 74%. Van de arbeidsmigranten met een EU/EFTA nationaliteitdie in 2012–2015 naar Nederland kwamen is na 5 jaar 67% reedsvertrokken. Voor Italiaanse arbeidsmigranten ligt dit percentage op 59%en voor Poolse arbeidsmigranten op 69%. Bij de interpretatie vanverschillen in verblijfsduur tussen nationaliteiten is relevant om tebenoemen dat de grootte van de populaties voor de verschillendenationaliteiten sterk uiteenlopen.Vraag 194Wat is de gemiddelde verblijfsduur van arbeidsmigranten in Nederland?Figuur Aandeel vertrokken arbeidsmigranten niet-EU/EFTAFiguur Aandeel vertrokken arbeidsmigranten EU/EFTATweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 587 Antwoord 194Het Dashboard Migratiemotieven biedt inzicht in het aandeel arbeidsmi-granten dat vertrokken is x aantal jaren na immigratie.39 Om de uiteinde-lijke gemiddelde verblijfsduur van de populatie arbeidsmigranten teberekenen zou naar de gehele lifespan gekeken moeten worden, doordatde arbeidsmigranten die nog in Nederland zijn (nog) geen eind verblijfs-datum kennen.De verblijfsduur van arbeidsmigranten hangt bovendien samen met huninstroomcohort, waarbij de verblijfsduur van vroegere instroomcohortenniet meer representatief hoeft te zijn voor de verblijfsduur van recentecohorten. Onderstaande figuur illustreert de vertrekpercentages voorarbeidsmigranten met nationaliteiten van binnen en buiten de EU/EFTAvoor verschillende instroomcohorten en jaren na immigratie. Zo is van de8.855 arbeidsmigranten die in 2012 naar Nederland migreerden met eennationaliteit van buiten de EU/EFTA na 4 jaar 61% vertrokken, waar ditvertrekpercentage voor de 19.910 niet-EU/EFTA arbeidsmigranten die in2019 naar Nederland migreerden op 44% ligt. Van de arbeidsmigrantenmet een EU/EFTA-nationaliteit die in 2012 migreerden is 1 jaar naimmigratie 28% vertrokken. Voor het instroomcohort in 2019 ligt ditvertrekpercentage 1 jaar na immigratie op 32%. De berekende vertrek-cijfers nemen enkel ingezetenen in de BRP mee en missen daarmee eendeel van de populatie arbeidsmigranten.Vraag 195Hoeveel arbeidsmigranten leven er op straat in Nederland?Antwoord 195De monitoring van het aantal dakloze arbeidsmigranten is zeer complex.In het Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers (september 2022)zijn schattingen opgenomen van het aantal dakloze EU-burgers omdat hetprecieze aantal dakloze EU-burgers in Nederland niet bekend is (hetbetreft hier niet-Nederlandse dakloze mensen). Het Rode Kruis schatte dat39Hierbij wordt geen tijdsspecificatie gemaakt binnen een verblijfsjaar. Als een arbeidsmigrantna 1 verblijfsjaar niet meer aanwezig is in Nederland, kan dit dus duiden op een verblijfsduurvan 1–12 maanden. Dit compliceert het berekenen van de exacte gemiddelde verblijfsduur.Figuur Aandeel vertrokken arbeidsmigranten naar jaren na immigratie, nationaliteiten instroomcohortTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 588 in 2021 in Nederland zo’n 2.500 tot 3.000 EU-burgers dakloos waren (RodeKruis, Valente, Dokters van de Wereld, 2021). Stichting Barka geeft aan datzij in 2021 in heel Nederland binnen al hun projecten ongeveer 3.100kwetsbare EU-burgers hebben ontmoet, waarvan 70% dakloos was(2.170). Volgens vakbond CNV en het Leger des Heils zijn er naar schatting10.000 dakloze arbeidsmigranten in Nederland en is ongeveer 60% vanalle mensen die op straat leven arbeidsmigrant (NOS, 2025).40 Volgensschattingen van CBS (2025) is bijna de helft van de dakloze mensengeboren in een ander land dan Nederland; hierbij is niet gerapporteerdhoeveel van hen arbeidsmigrant is.Om meer inzicht te krijgen in de omvang en samenstelling van de groepdak- en thuisloze mensen in Nederland, zijn het Kansfonds en HogeschoolUtrecht gestart met een nieuwe telling middels de European Typology ofHomelessness and Housing Exclusion (ETHOS) Light-methode41. Hierbijworden op één dag (peildatum) alle dakloze mensen in een bepaalderegio in kaart gebracht. In 2023 is in twee regio’s geteld, in 2024 in zesregio’s en in 2025 in negen regio’s. Volgens de rapportage van deETHOS-telling van 2024 was 35% van de mensen die op straat verblevenEU-burger met een niet-Nederlandse nationaliteit; het overgrote deel vanhen was arbeidsmigrant. Aanvullend kwalitatief onderzoek laat zien datgeen van de zes regio’s goed zicht heeft op dak- en thuisloosheid bijarbeidsmigranten, waardoor de werkelijke aantallen vermoedelijk hogerliggen. Door de komende jaren in steeds meer regio’s gebruik te makenvan dit type telling, hopen we ook beter zicht te krijgen op de omvang vande groep dakloze arbeidsmigranten en waar zij verblijven. Aangezien ernog niet in elke Nederlandse regio ETHOS-tellingen hebben plaatsge-vonden, kan er uit de rapportages op moment van schrijven nog geenlandelijk cijfer worden opgemaakt.Vraag 196Hoeveel procent van de dakloze arbeidsmigranten keert gemiddeld terugnaar hun land van herkomst?Antwoord 196Op dit moment hebben we op 6 locaties in Nederland opvang voorniet-rechthebbende EU-burgers. Op die locaties wordt ingezet ompersonen duurzaam terug aan het werk te helpen of te begeleiden terugnaar land van herkomst. In 2024 is uit een evaluatie van deze opvanggebleken dat gemiddeld 62% positief uitstroomt. Daarmee wordt bedoeldofwel duurzaam terug aan het werk, ofwel terug naar land van herkomst.De overige 38% is terug op straat beland of verbleef nog in de opvang. Inbijlage C van deze evaluatie zijn per stad de resultaten op een rij gezet.42Op 8 mei heeft het kabinet bekend gemaakt dat deze vorm van opvangvoor de jaren 2026 t/m 2028 doorgezet zal worden (Kamerstukken II,2024/25, 29 325, nr. 190). Er zal daarbij ook monitoring opgezet wordenom bij te houden hoeveel personen terug naar land van herkomst of naarduurzaam nieuw werk begeleid worden.Vraag 19740https://nos.nl/artikel/2554839-meer-daklozen-zijn-arbeidsmigrant-cnv-en-leger-des-heils-willen-nieuwe-aanpak, 7 februari 202541Deze methode, ontwikkeld door de KU Leuven, is gebaseerd op de bredere ETHOS-definitie,die dakloosheid definieert als een gebrek aan volwaardige huisvesting. ETHOS Light focustspecifiek op het identificeren van mensen die buiten de zichtbare dakloosheid vallen, zoalsmensen die bijvoorbeeld als zelfredzaam worden beschouwd, maar toch in een situatie vandak- en thuisloosheid verkeren.42https://significant.nl/wp-content/uploads/2024/12/Rapport-Evaluatie-pilot-kortdurende-opvang-dakloze-EU-burgers-definitief-.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 589 Hoeveel procent van de dakloze arbeidsmigranten wordt begeleid naarduurzaam nieuw werk in Nederland?Antwoord 197Op dit moment hebben we op 6 locaties in Nederland opvang voorniet-rechthebbende EU-burgers. Op die locaties wordt ingezet ompersonen duurzaam terug aan het werk te helpen of te begeleiden terugnaar land van herkomst. In 2024 is uit een evaluatie van deze opvanggebleken dat gemiddeld 62% positief uitstroomt. Daarmee wordt bedoeldofwel duurzaam terug aan het werk, ofwel terug naar land van herkomst.De overige 38% is terug op straat beland of verbleef nog in de opvang. Inbijlage C van deze evaluatie zijn per stad de resultaten op een rij gezet.43Op 8 mei heeft het kabinet bekend gemaakt dat deze vorm van opvangvoor de jaren 2026 t/m 2028 doorgezet zal worden (Kamerstukken II,2024/25, 29 325, nr. 190). Er zal daarbij ook monitoring opgezet wordenom bij te houden hoeveel personen terug naar land van herkomst of naarduurzaam nieuw werk begeleid worden.Vraag 198Hoeveel banen zouden er gecreëerd kunnen worden binnen de Banenaf-spraak door aanbestedingswetgeving te laten focussen opwerk-ontwikkelbedrijven?Antwoord 198De Aanbestedingswet biedt publieke opdrachtgevers ruimte om bij inkoopmaatschappelijke doelen mee te wegen, zoals het creëren van werk voormensen met een arbeidsbeperking. Dit kan bijdragen aan extra banenbinnen de Banenafspraak.De aanbestedingswetgeving is bedoeld om een gelijk speelveld te creërenvoor ondernemers die op een overheidsopdracht willen inschrijven. Defeitelijke werkgelegenheidseffecten van overheidsopdrachten waar deaanbestedingswetgeving op van toepassing is, zijn afhankelijk van veelverschillende factoren. Bijvoorbeeld van hoe gemeenten en andereopdrachtgevers deze ruimte benutten en de aard en omvang van deopdrachten. Het is om die reden niet mogelijk om een inschatting tegeven van het aantal banen dat kan worden gecreëerd door aanbeste-dingswetgeving te laten focussen op sociaal ontwikkelbedrijven.Vraag 199Voor welke «budgettaire problemen» wordt de envelop Groepen in deknel afgeroomd?Antwoord 199Tijdens de voorjaarsbesluitvorming heeft een integrale afwegingplaatsgevonden van inkomsten en uitgaven. Gezien het kabinet vasthoudtaan de begrotingsregels en principes van trendmatig begrotingsbeleid,moeten extra uitgaven gedekt worden met ombuigingen. Daarbij heeft hetkabinet de keuze gemaakt om een gedeelte van de middelen uit deenvelop Groepen in de knel af te romen. Daar stond niet een anderbudgettair dossier 1-op-1 tegenover.Vraag 200Klopt het dat de afroming van Groepen in de knel tot gevolg heeft dat erin 2025 nog € 19 miljoen beschikbaar is voor vroegsignalering?Antwoord 20043https://significant.nl/wp-content/uploads/2024/12/Rapport-Evaluatie-pilot-kortdurende-opvang-dakloze-EU-burgers-definitief-.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 590 De afroming van de middelen uit de envelop Groepen in de knel heeftgeen gevolgen voor de middelen voor vroegsignalering in 2025. In 2025 iser € 20 miljoen beschikbaar voor vroegsignalering, waarvan € 19 miljoenreeds is overgemaakt naar het Gemeentefonds en € 1 miljoen wordtingezet voor de subsidie Data Delen Armoede Schulden (DDAS). Hiermeekomen periodiek en geautomatiseerd gegevens beschikbaar. Dit inzicht inde resultaten van dienstverlening rondom armoede en schulden draagt bijaan het eerder signaleren van (problematische) schulden.Vraag 201Klopt het dat de afroming van Groepen in de knel tot gevolg heeft dat ervanaf 2026 geen structurele middelen meer beschikbaar zijn voorvroegsignalering?Antwoord 201De afroming van de middelen uit de envelop Groepen in de knel heeftgeen gevolgen voor de middelen voor vroegsignalering in 2025 t/m 2028.De afroming leidt er wel toe dat er vanaf 2029 geen structurele middelenmeer beschikbaar zijn voor vroegsignalering.Vraag 202Hoeveel fte zijn overheidswerkgevers tekortgeschoten in de uitvoeringvan de banenafspraak in 2025?Antwoord 202Er zijn nog geen cijfers bekend over het jaar 2025. Voor 2024 geldt dat ernog geen definitieve cijfers zijn. De definitieve cijfers worden in julibekend en zullen dan ook per brief aan uw Kamer aangeboden worden.De voorlopige cijfers over 2024 geven aan dat er in totaal ruim 90.000extra banen zijn gerealiseerd ten opzichte van de nulmeting uit 2014. Ditbetreft formele dienstverbanden en inleenverbanden binnen de markt- enoverheidssectoren. Inleenverbanden zijn zowel uitzendrelaties alsdetacheringen vanuit de sociale werkvoorziening (Wsw-detacheringen).De banen via inleenverbanden tellen mee bij de sector waar dewerknemer daadwerkelijk werkt. Bijvoorbeeld: iemand werkt gedeta-cheerd vanuit de sociale werkvoorziening bij een werkgever in deICT-branche. In dit geval telt hij mee bij de gerealiseerde aantallen voor demarkt. De ingeleende mensen uit de doelgroep worden bij elke metingopnieuw toegedeeld aan de sectoren op basis van de verdeelsleutelinleenverbanden. Deze wordt vastgesteld op basis van objectief, represen-tatief onderzoek door SEO Economisch Onderzoek. Omdat dit onderzoekeen doorlooptijd kent van enkele maanden zijn de definitieve cijfers over2024 pas begin juli beschikbaar.Vraag 203Hoeveel fte zijn marktwerkgevers tekortgeschoten in de uitvoering van debanenafspraak in 2025?Antwoord 203Er zijn nog geen cijfers bekend over het jaar 2025. Voor 2024 geldt dat ernog geen definitieve cijfers zijn. De definitieve cijfers worden in julibekend en zullen dan ook per brief aan uw Kamer aangeboden worden.De voorlopige cijfers over 2024 geven aan dat er in totaal ruim 90.000extra banen zijn gerealiseerd ten opzichte van de nulmeting uit 2014. Ditbetreft formele dienstverbanden en inleenverbanden binnen de markt- enoverheidssectoren. Inleenverbanden zijn zowel uitzendrelaties alsdetacheringen vanuit de sociale werkvoorziening (Wsw-detacheringen).De banen via inleenverbanden tellen mee bij de sector waar dewerknemer daadwerkelijk werkt. Bijvoorbeeld: iemand werkt gedeta-cheerd vanuit de sociale werkvoorziening bij een werkgever in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 591 ICT-branche. In dit geval telt hij mee bij de gerealiseerde aantallen voor demarkt. De ingeleende mensen uit de doelgroep worden bij elke metingopnieuw toegedeeld aan de sectoren op basis van de verdeelsleutelinleenverbanden. Deze wordt vastgesteld op basis van objectief, represen-tatief onderzoek door SEO Economisch Onderzoek. Omdat dit onderzoekeen doorlooptijd kent van enkele maanden zijn de definitieve cijfers over2024 pas begin juli beschikbaar.Vraag 204Hoeveel banen zijn er gerealiseerd in de sector overheid per 1 januari2025?Antwoord 204Er zijn nog geen cijfers bekend over het jaar 2025. Voor 2024 geldt dat ernog geen definitieve cijfers zijn. De definitieve cijfers worden in julibekend en zullen dan ook per brief aan uw Kamer aangeboden worden.De voorlopige cijfers over 2024 geven aan dat er in totaal ruim 90.000extra banen zijn gerealiseerd ten opzichte van de nulmeting uit 2014. Ditbetreft formele dienstverbanden en inleenverbanden binnen de markt- enoverheidssectoren. Inleenverbanden zijn zowel uitzendrelaties alsdetacheringen vanuit de sociale werkvoorziening (Wsw-detacheringen).De banen via inleenverbanden tellen mee bij de sector waar dewerknemer daadwerkelijk werkt. Bijvoorbeeld: iemand werkt gedeta-cheerd vanuit de sociale werkvoorziening bij een werkgever in deICT-branche. In dit geval telt hij mee bij de gerealiseerde aantallen voor demarkt. De ingeleende mensen uit de doelgroep worden bij elke metingopnieuw toegedeeld aan de sectoren op basis van de verdeelsleutelinleenverbanden. Deze wordt vastgesteld op basis van objectief, represen-tatief onderzoek door SEO Economisch Onderzoek. Omdat dit onderzoekeen doorlooptijd kent van enkele maanden zijn de definitieve cijfers over2024 pas begin juli beschikbaar.Vraag 205Hoeveel van de ingevulde banen in het kader van de banenafspraak zijntijdelijke functies (korter dan 1 jaar)?Antwoord 205UWV onderzoekt jaarlijks de duurzaamheid van het werk in de banenaf-spraak. Het meest recente onderzoek (Kamerstukken II 2024/2025, 34 352,nr. 331) gaat over de jaren 2022–2023. Het onderzoek kijkt naar een aantalaspecten waarmee de duurzaamheid van werk kan worden gemeten, zoalshet aandeel vaste contracten en het baanbehoud van mensen. Uit hetonderzoek blijkt dat de duurzaamheid van het werk de afgelopen jarenstabiel is gebleven. Per kwartaal (start in kwartaal Q4 2021 t/m Q3 2022)zijn gemiddeld 7.481 personen met één of meerdere banen gestart.Gemiddeld is twee derde (66%) van deze personen een jaar later nogsteeds aan het werk. Uit het onderzoek blijkt tevens dat het aantalverloonde uren in contracten voor bepaalde tijd is gedaald (–243.000)terwijl het aantal verloonde uren voor onbepaalde tijd is toegenomen(+331.000). Hierdoor is het aandeel verloonde uren voor onbepaalde tijd in2022 licht gestegen naar 62%.Vraag 206Wanneer wordt verwacht dat de banenafspraak voor zowel overheids- alsmarktwerkgevers wordt gehaald?Antwoord 206Het aantal gerealiseerde banen binnen de banenafspraak stagneert inzowel de overheid- als de marktsector. Daarom is het nodig dat er eenimpuls wordt gegeven aan de huidige banenafspraak en tegelijkertijd eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 592 visie wordt ontwikkeld voor de langere termijn. Op beide terreinenworden stappen gezet. Over de ontwikkeling van de langetermijnvisiewordt Uw Kamer voor het zomerreces geïnformeerd. En om de banenaf-spraak op de kortere termijn een impuls te geven heeft Uw Kamer recenteen wetsvoorstel aangenomen met maatregelen om de banenafspraak teverbeteren en zo nieuwe energie te brengen in de banenafspraak. Desamenwerking tussen de markt- en overheidssectoren wordt bijvoorbeeldmakkelijker gemaakt door het onderscheid tussen deze sectoren optermijn op te heffen. Het maakt dan niet meer uit waar iemand werkt maardát iemand werkt. Ook komt er een werkende quotumregeling die ingezetkan worden als stok achter de deur en beloont deze regeling werkgeversextra die meer banen realiseren. Tot slot zorgt het wetsvoorstel voorduurzame en eenvoudigere ondersteuning van werkgevers door hetloonkostenvoordeel banenafspraak structureel te maken. Tegelijkertijdwerkt het kabinet aan een wetsvoorstel voor het verder verbreden van dedoelgroep banenafspraak. Het kabinet is ervan overtuigd dat dezemaatregelen zullen leiden tot de realisatie van meer banen voor dedoelgroep banenafspraak.Vraag 207Op welke gronden concludeert de regering dat er «geen objectiefcriterium bestaat» om arbeidsongeschikte zzp’ers gunstiger te behandelendan andere voormalige overbruggingsregeling (OBR)-gerechtigden? Watis de juridische onderbouwing van de stelling dat een eenmaligetegemoetkoming aan deze groep zou leiden tot precedentwerking?Waarvoor worden de gereserveerde middelen nu exact ingezet, en opbasis van welke prioritering?Antwoord 207In de SZW-begroting was naar aanleiding van de aangenomen motie vanKent (Kamerstukken II, 2023/2024, 32 043, nr. 635) een reserveringgetroffen van € 24,5 miljoen in 2025 voor een mogelijke tegemoetkomingvoor een groep arbeidsongeschikte zzp’ers. De motie riep op een regelingte treffen voor de groep zelfstandigen die per 1 januari 2013 een privatearbeidsongeschiktheidsuitkering (AOV) ontvangt en door de verhogingvan de AOW-leeftijd een gat heeft tussen de duur van de verzekering ende ingang van de AOW. Met de Kamerbrief van 15 april jl. (Kamer-stukken II, 2024/2025, 32 043, nr. 683) heb ik uw Kamer geïnformeerd datde betreffende groep niet met een eenmalige passende regelingtegemoetgekomen kan worden zonder precedentwerking, zoals de motievraagt. Ik verwijs u naar de Kamerbrief voor de toelichting hierop. Hierinwordt de complete analyse uiteengezet en de onderbouwing gegevenvoor deze afweging. De gereserveerde middelen zijn gebruikt om deproblematiek op de SZW-begroting van dekking te voorzien. Dit is niet toete wijzen aan een specifieke tegenvaller of beleidsdossier.Vraag 208Hoeveel middelen uit de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid enEerder Uittreden (MDIEU)-regeling zijn tot nu toe besteed aan RegelingVervroegde Uittreding (RVU)-doeleinden (eerder uittreden) versusduurzame inzetbaarheid?Antwoord 208Van de tot nu toe betaalde subsidie en nog openstaande subsidieverplich-tingen voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden, is zo’n 45%bestemd voor RVU’s en 55% voor duurzame inzetbaarheid. Elke subsidie-aanvraag moet activiteiten rond duurzame inzetbaarheid bevatten,waarvan de werkgever zelf 50% betaalt. Subsidie voor RVU kan onderdeeluitmaken van de aanvraag, maar dat hoeft niet. Bij de projecten vansectorale samenwerkingsverbanden bevat bijna de helft ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 593 component eerder uittreden, naast duurzame inzetbaarheid. Bij indivi-duele bedrijven is dit minder dan twintig procent, in het laatste tijdvakminder dan tien procent. Van elke subsidieaanvraag moet ten minste 25%van de aangevraagde subsidie naar duurzame inzetbaarheid gaan.Het is niet mogelijk om nog nieuwe subsidie aan te vragen. De eindafre-kening van het grootste deel van de subsidie moet nog plaatsvinden en definanciële eindstand is pas eind 2026/begin 2027 bekend.Vraag 209Hoeveel middelen uit de MDIEU-regeling zijn tot nu toe besteed aanRVU-doeleinden (eerder uittreden) versus duurzame inzetbaarheid?Antwoord 209Van de tot nu toe betaalde subsidie en nog openstaande subsidieverplich-tingen voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden, is zo’n 45%bestemd voor RVU’s en 55% voor duurzame inzetbaarheid. Elke subsidie-aanvraag moet activiteiten rond duurzame inzetbaarheid bevatten,waarvan de werkgever zelf 50% betaalt. Subsidie voor RVU kan onderdeeluitmaken van de aanvraag, maar dat hoeft niet. Bij de projecten vansectorale samenwerkingsverbanden bevat bijna de helft ook eencomponent eerder uittreden, naast duurzame inzetbaarheid. Bij indivi-duele bedrijven is dit minder dan twintig procent, in het laatste tijdvakminder dan tien procent. Van elke subsidieaanvraag moet ten minste 25%van de aangevraagde subsidie naar duurzame inzetbaarheid gaan.Het is niet mogelijk om nog nieuwe subsidie aan te vragen. De eindafre-kening van het grootste deel van de subsidie moet nog plaatsvinden en definanciële eindstand is pas eind 2026/begin 2027 bekend.Vraag 210Wat is de rol van voedselprijzen in de hoogte van kinderarmoede?Antwoord 210Het is niet bekend welke rol voedselprijzen spelen in de hoogte vankinderarmoede. Er is een groep mensen die hulp nodig heeft om tekunnen voorzien in basale levensbehoeften, zoals voedsel. Uit onderzoekvan het Nibud in 2024 kwam naar voren dat 32% van de huishoudensmoeite heeft met rondkomen. 80% van degenen die moeite hebben metrondkomen, heeft moeite met betalen van boodschappen. Iets meer daneen derde van de deelnemende respondenten aan het onderzoek maaktedeel uit van een huishouden met kinderen. De voornaamste reden diemensen aangaven waardoor ze moeilijk konden rondkomen is het stijgenvan uitgaven in combinatie met gelijkblijvende (of dalende) inkomsten.Volgens onderzoek van het Nederlandse Rode Kruis leven er momenteel450.000 mensen in (verborgen) voedselnood. Het Ministerie van SZWondersteunt verschillende partijen die voedsel- en noodhulp verstrekken.Het gaat hierbij onder andere om de Voedselbanken Nederland, hetNederlandse Rode Kruis, de Stichting Urgente Noden Nederland en hetArmoedefonds. Tot slot krijgen dagelijks 350.000 leerlingen een extramaaltijd via het programma schoolmaaltijden.Vraag 211Wat is de rol van de hoogte van de huren in de mate van kinderarmoede?Antwoord 211Het is niet bekend welke rol huren spelen in de hoogte van kinderar-moede. Uit onderzoek van het Nibud in 2024 kwam naar voren dat 32%van de huishoudens moeite heeft met rondkomen. Huurders behoren totde groepen die beduidend meer dan gemiddeld moeite hebben metrondkomen (48% van de huishoudens die moeite hebben met rondkomenwonen in een huurwoning). 37% van hen geeft aan dat zij moeilijk kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 594 rondkomen door hoge vaste lasten. Iets meer dan een derde van dedeelnemende respondenten aan het onderzoek maakte deel uit van eenhuishouden met kinderen.Vraag 212In hoeverre is er sprake van een gebrek aan dagelijkse inname vancalorieën, honger, onder kinderen? Hoe wordt dit gemeten?Antwoord 212Het RIVM voert in opdracht van VWS voedingsstatusonderzoek uit. Opbasis van voedingsstatusonderzoek kan aan de hand van bloed ofurinemonsters worden beoordeeld wat de hoeveelheid voedingsstoffen(vitamines en mineralen) in het lichaam is. Mede op basis van debevindingen uit de Voedselconsumptiepeiling (VCP) bepaalt het RIVMwelke micronutriënten worden onderzocht om de voedingsstatus tebepalen, waarbij indien opportuun bepaalde leeftijdsgroepen wordenuitgelicht.Het RIVM voert in opdracht van VWS ook de VCP uit. In de VCP staat watkinderen eten verdeeld over de diverse leeftijdscategorieën. Dit geeft eenindicatie van de inname van voedingsmiddelen. Op basis van de VCP lijktde inname van een aantal vitamines en mineralen laag te zijn (ijzer bijmeisjes tussen 14–17 jaar, vitamine A en C bij jongens en meisjes tussen14–17 jaar). Deze gegevens worden meegenomen in de afweging tbv demeerjarige programmering van het voedingsstatusonderzoek. Voorverdere specificering van de kcal inname bij kinderen, verwijs ik naar dewebsite van de VCP Consumptie alle voedingsmiddelengroepen | Wat eetNederland.De JGZ helpt ouders/opvoeders bij het gezond opvoeden en latenopgroeien van hun kinderen en vervult een belangrijke rol in het signa-leren en registreren van risico’s. Ze voorzien in advies, voorlichting enondersteuning bij gezond opgroeien en opvoeden.Deze vraag is door het Ministerie van VWS beantwoord, voor vervolg-vragen verwijzen wij u graag naar de Minister van VWS.Vraag 213In hoeverre is er sprake van een gebrek aan dagelijkse inname van macro-en micronutriënten onder kinderen? Hoe wordt dit gemeten?Antwoord 213Het RIVM voert in opdracht van VWS voedingsstatusonderzoek uit. Opbasis van voedingsstatusonderzoek kan aan de hand van bloed ofurinemonsters worden beoordeeld wat de hoeveelheid voedingsstoffen(vitamines en mineralen) in het lichaam is. Mede op basis van debevindingen uit de Voedselconsumptiepeiling (VCP) bepaalt het RIVMwelke micronutriënten worden onderzocht om de voedingsstatus tebepalen, waarbij indien opportuun bepaalde leeftijdsgroepen wordenuitgelicht.Het RIVM voert in opdracht van VWS ook de VCP uit. In de VCP staat watkinderen eten verdeeld over de diverse leeftijdscategorieën. Dit geeft eenindicatie van de inname van voedingsmiddelen. Op basis van de VCP lijktde inname van een aantal vitamines en mineralen laag te zijn (ijzer bijmeisjes tussen 14–17 jaar, vitamine A en C bij jongens en meisjes tussen14–17 jaar). Deze gegevens worden meegenomen in de afweging tbv demeerjarige programmering van het voedingsstatusonderzoek. Voorverdere specificering van de kcal inname bij kinderen, verwijs ik naar dewebsite van de VCP Consumptie alle voedingsmiddelengroepen | Wat eetNederland.De JGZ helpt ouders/opvoeders bij het gezond opvoeden en latenopgroeien van hun kinderen en vervult een belangrijke rol in het signa-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 595 leren en registreren van risico’s. Ze voorzien in advies, voorlichting enondersteuning bij gezond opgroeien en opvoeden.Deze vraag is door het Ministerie van VWS beantwoord, voor vervolg-vragen verwijzen wij u graag naar de Minister van VWS.Vraag 214Welke feiten, cijfers en rapporten zijn er bekend over de relatie tussenvervoersarmoede en kinderarmoede?Antwoord 214Het is niet bekend wat de relatie is tussen vervoersarmoede en kinderar-moede. Wel blijkt uit gesprekken met jongeren die opgroeien in gezinnenmet een laag inkomen dat zij vaak betaalbaarheidsproblemen ervaren ophet vlak van mobiliteit. De vorm en mate van problematiek verschilttussen stedelijke en landelijke gebieden. Gemeenten en diverse fondsenontvangen middelen om kinderen te ondersteunen. Deze middelenkunnen ingezet worden om vervoersarmoede onder kinderen terug tedringen.Vraag 215Welke feiten, cijfers en rapporten zijn er bekend over de relatie tussen dehoogte van medische kosten, zoals tandheelkunde, en kinderarmoede?Antwoord 215Het is niet bekend wat de relatie is tussen de hoogte van medische kosten,zoals tandheelkunde, en kinderarmoede.Deze vraag is door het Ministerie van VWS beantwoord, voor vervolg-vragen verwijzen wij u graag naar de Minister van VWS.Vraag 216Hoeveel mensen hebben op dit moment een inkomen binnen 130% vanhet sociaal minimum?Antwoord 216Volgens CBS Statline hebben circa 1,1 miljoen huishoudens een inkomentot 130% van het sociaal minimum. Dat zijn circa 1,7 miljoen personen.Deze data zijn gebaseerd op voorlopige cijfers voor 2022.44 Tevens gaat ditom personen en huishoudens die langer dan 1 jaar in deze inkomenspo-sitie verkeren.Vraag 217Kan er worden gespecificeerd per contractvorm of uitkering welkemensen een inkomen hebben onder 130% van het sociaal minimum?Antwoord 217Volgens CBS Statline horen circa 261.000 personen in 2022 tot eenhuishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum met eenhoofdinkomen van de contractvorm «werknemer». In 2022 horen 133.000personen tot een huishouden met een inkomen tot 130% sociaalminimum met een hoofdinkomen van de contractvorm «zelfstandige».45Een nadere uitsplitsing in contractvormen is niet te maken.Circa 1,4 miljoen mensen horen in 2022 bij een huishouden, waarin dehoofdinkomensbron een werkloosheidsuitkering, een arbeids-ongeschiktheidsuitkering, een pensioen of een bijstandsuitkering is.44CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C129545CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C1295Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 596 Vraag 218Hoeveel kinderen groeien op dit moment op binnen een inkomen van130% van het sociaal minimum?Antwoord 218Volgens CBS Statline horen circa 323.000 minderjarige kinderen tot eenhuishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum in 2022.46Vraag 219Hoeveel 50-plussers hebben een inkomen van 130% van het sociaalminimum?Antwoord 219Volgens CBS Statline horen circa 1,1 miljoen personen in 2022 tot eenhuishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum waarin dehoofdkostwinner ouder is dan 45 jaar.47 In de CBS-tabel staat de leeftijdvan 50 jaar niet apart weergegeven.Vraag 220Hoeveel 65-plussers hebben een inkomen van 130% van het sociaalminimum?Antwoord 220Volgens CBS Statline horen in 2022 circa 613.000 personen tot eenhuishouden met een inkomen tot 130% sociaal minimum waarin dehoofdkostwinner 65 jaar of ouder is.48Vraag 221Hoeveel mensen die gebruik maken van de Inkomensvoorziening Oudereen gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers (IOAW) hebbeneen inkomen van 130% van het sociaal minimum?Antwoord 221De IOAW-uitkering zorgt voor een inkomen op het bijstandsniveau. Integenstelling tot de bijstand wordt het vermogen bij de IOAW buitenbeschouwing gehouden. Inkomen uit arbeid en overig inkomen wordenwel verrekend met de uitkering, dit geldt ook voor het inkomen van eeneventuele partner. Bepaalde inkomsten, zoals alimentatie, huurtoeslag enzorgtoeslag, worden niet verrekend waardoor iemand met eenIOAW-uitkering op 130% van het sociaal minimum kan uitkomen. Op ditmoment maken er circa 9.500 huishoudens gebruik van eenIOAW-uitkering. Naar verwachting gaat het hierbij maar om een beperktaantal mensen met een inkomen van 130% van het sociaal minimum. Hetis echter niet bekend om welk gedeelte het precies gaat.Vraag 222Hoeveel zzp’ers hebben een inkomen van 130% van het sociaal minimum?Antwoord 222Volgens CBS Statline horen 133.000 personen in 2022 bij een huishoudenmet een inkomen tot 130% sociaal minimum met een hoofdinkomensbronals zelfstandige. Zzp’ers staan niet in de CBS Statline, omdat zelfstan-46CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C129547CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C129548CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C1295Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 597 digen, die wel in de tabel staan, mogelijk mensen in dienst kunnenhebben.49Vraag 223Hoeveel studenten hebben een inkomen van 130% van het sociaalminimum?Antwoord 223Deze cijfers zijn niet beschikbaar. De data van het CBS gaat over personenbehorend bij huishoudens met een inkomen tot 130% sociaal minimum.50Het inkomen geldt dus op huishoudniveau. De woonsituatie vanstudenten is divers. Ze kunnen thuiswonend zijn of zelfstandig wonen,maar ook een kamer huren.Vraag 224Op welke manier worden lopende rechten (mensen die al in de WW zittenbij inwerkingtreding) bij de duurverkorting van de WW naar 18 maandenbeschermd of aangepast?Antwoord 224Op dit moment wordt het wetsvoorstel voor de WW-duurverkorting naderuitgewerkt. De memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel zalnader in gaan op het overgangsrecht.Vraag 225Hoeveel mensen ontvingen in 2024 een WW-uitkering die langer duurdedan 18 maanden?Antwoord 225In 2024 waren er 24.000 personen met een WW-uitkering die de grens van18 maanden looptijd in dat jaar passeerden.Vraag 226Is er onderzocht of een kortere WW-duur leidt tot snellere arbeidspartici-patie of re-integratie, en zo ja, wat waren de uitkomsten?Antwoord 226De WW-duurverkorting van 38 maanden naar 24 maanden die met de Wetwerk en zekerheid in 2016 is gerealiseerd, is recent door onderzoeks-bureau Significant APE geëvalueerd. Uw Kamer ontvangt voor hetzomerreces een brief over de WW-maatregel. In deze kamerbrief licht ikook de uitkomsten van dit onderzoek toe en ontvangt u daarbij hetrapport.Vraag 227Zijn er specifieke doelgroepen (zoals ouderen of mensen in sectoren methoge werkloosheidrisico’s) die onevenredig worden geraakt door dezeverkorting?Antwoord 227Overwegend zijn het relatief oudere werknemers die langer dan18 maanden gebruik maken van een WW-uitkering. Dit heeft tweeredenen. Ten eerste is het voor ouderen relatief lastiger om een nieuwebaan te vinden. Ten tweede hebben deze werknemers voldoendearbeidsverleden opgebouwd om een uitkeringsrecht van meer dan49CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C129550CBS, Statline, geraadpleegd op 26-05-2025. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85678NED/table?dl=C1295Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 598 18 maanden te krijgen. Voor de eerste 10 jaar arbeidsverleden wordt eenmaand WW-recht toegekend, voor de jaren arbeidsverleden daarna eenhalve maand. Om recht te hebben op een WW-uitkering van 18 maandenis derhalve een arbeidsverleden van 26 jaar vereist. Het zijn niet alleen55-plussers zijn die te maken krijgen met de duurverkorting. 39% van dewerknemers die het betreft zijn werknemers onder de 55 jaar. Uiteindelijkzal de impact die de duurverkorting op een individu heeft sterk afhangenvan de arbeidsmarktpositie van deze werknemerWerknemers die werkzaam zijn in een sector met een hoog werkloos-heidsrisico worden sneller werkloos en krijgen dus ook eerder met deduurverkorting te maken. In de tabel hieronder is een verdeling weerge-geven van de circa 24.000 personen met een WW-uitkering die in 2024 degrens van 18 maanden looptijd van de uitkering passeerden naar sectorvan instroom in de WW.Werkzame sector vóór instroom in de WW van personen met een WW-uitkering die degrens van 18 maanden looptijd passeert in 2024.1SectorAandeelLandbouw, Visserij en Voeding4%Bouw en hout2%Industrie11%Winkelbedrijf en groothandel15%Transport4%Gezondheid15%Overheid onderwijs4%Overheid overig2%Financieel en diensten21%Uitzend13%Overig bedrijf en beroep7%Overig0%1 Cijfers tellen niet volledig op tot 100% door afrondingsverschillen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 XV, nr. 599

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e1e233d8b9c9a633

14 okt 2026 · 0bcc9f2e4a4366c0

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.