KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

16 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ae745144e202495d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 636Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en deBoeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Tweede vaststellingswetWetboek van Strafvordering)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING INHOUDSOPGAVEI.ALGEMEEN DEEL31.Inleiding32.Huidige regelingen43.Plaats in het nieuwe wetboek en aard van de omzetting54.Doelstellingen65.Adviezen over de tweede vaststellingswet76.Voorbereiding van de tweede vaststellingswet107.Uitvoeringsconsequenties10II.ARTIKELSGEWIJS DEEL13ARTIKEL I [vaststelling Boek 1, Hoofdstuk 10]13BOEK 113Strafvordering in het algemeen1310.Tenuitvoerlegging13ARTIKEL II [vaststelling Boek 7]32BOEK 732Tenuitvoerlegging321.Algemene bepalingen341.1.Informatie-uitwisseling341.2.Vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van strafrechtelijkebeslissingen391.3.Opschorting en schorsing441.4.Aanhouding, opneming en invrijheidstelling481.5.De raadkamer en de rechter-commissaris542.Toezicht, voorwaarden en omzetting632.1.Toezicht632.2.Voorwaardelijke straffen en maatregelen71 kst-36636-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 31 2.3.Omzetting van straffen en maatregelen in een strafbe-schikking772.4.Rechtsmiddelen773.Vrijheidsstraffen783.1.Algemeen783.2.Voorwaardelijke invrijheidstelling833.3.Rechtsmiddelen904.Terbeschikkingstelling924.1.Algemeen924.2.Verlenging en wijziging van de terbeschikkingstelling924.3.Beëindiging van de terbeschikkingstelling1044.4.Rechtsmiddelen1075.Geldelijke straffen en maatregelen1105.1.Geldboete en schadevergoedingsmaatregel1105.2.Ontnemingsmaatregel en ontnemingsschikking1195.3.Vermogensonderzoek1215.4.Gijzeling1235.5.Verrekening1275.6.Rechtsmiddelen1286.Andere straffen en maatregelen1326.1.Taakstraf1326.2.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders1366.3.Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendemaatregelen1386.4.Bijkomende straffen1456.5.Rechtsmiddelen1467.Jeugdigen en jongvolwassenen1467.1.Algemeen1497.2.Toezicht, voorwaarden en omzetting1527.3.Jeugddetentie1577.4.Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen1587.5.Geldelijke straffen en maatregelen1657.6.Taakstraf1667.7.Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige1687.8.Andere straffen en maatregelen1727.9.Rechtsmiddelen172ARTIKEL III [vaststelling Boek 8]173BOEK 8173Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking1731.Algemene bepalingen1792.Internationale rechtshulp in strafzaken1872.1.Algemene bepalingen1882.2.Verzoeken om rechtshulp gericht aan een andere staat1912.3.Verzoeken om rechtshulp gericht aan Nederland1972.4.Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen2072.5.Bijzondere procedures en rechtsmiddelen2103.Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams2163.1.Instelling en uitvoering2173.2.Bijzondere procedures en rechtsmiddelen2244.Overdracht en overname van strafvervolging2254.1.Overdracht van strafvervolging2274.2.Overname van strafvervolging van een andere staat238Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 32 4.3.Rechtsmiddelen2475.Europees onderzoeksbevel2485.1.Algemene bepalingen2505.2.Uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel2525.3.Erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeks-bevel2645.4.Rechtsmiddelen2776.Europees bevriezingsbevel2786.1.Algemene bepaling2796.2.Uitvaardiging en uitvoering van een Europees bevrie-zingsbevel2806.3.Rechtsmiddelen2857.Europese bevriezingsbeslissing2867.1.Algemene bepaling2887.2.Uitvaardiging van een Europese bevriezingsbeslissing2897.3.Erkenning en uitvoering van een Europese bevriezings-beslissing2927.4.Rechtsmiddelen2978.Europese beslissing betreffende toezichtmaatregelenals alternatief voor voorlopige hechtenis3008.1.Algemene bepalingen3018.2.Uitvaardiging van een Europese toezichtbeslissing3038.3.Erkenning en uitvoering van een Europese toezichtbe-slissing3109.Erkenning en uitvoering van een Europese toezichtbe-slissing3179.1.Algemene bepalingen3189.2.Uitvaardiging van een Europees beschermingsbevel3209.3.Erkenning en uitvoering van een Europees bescher-mingsbevel325ARTIKEL IV [inwerkingtreding]ARTIKEL V [citeertitel]III.TRANSPONERINGSTABELLEN331 I. ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding Op 21 maart 2023 is het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuweWetboek van Strafvordering (hierna: de eerste vaststellingswet) ingediendbij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2). De eerstevaststellingswet bevat de Boeken 1 tot en met 6 van het nieuwe Wetboekvan Strafvordering. In dat wetsvoorstel zijn Boek 1, Hoofdstuk 10, en deBoeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering gereserveerd.Deze onderdelen hebben betrekking op de tenuitvoerlegging (Boek 1,Hoofdstuk 10, en Boek 7) en op de internationale en Europese strafrechte-lijke samenwerking (Boek 8). Deze onderdelen van het nieuwe wetboekzijn gereserveerd, omdat de daarin op te nemen regelingen in recentejaren al zijn gemoderniseerd en ondergebracht in het huidige wetboek(huidige Vijfde Boek en Boek 6). Met het hier voorliggende wetsvoorstelzijn deze regelingen, in nauwe samenwerking met de betrokken ketenor-ganisaties, omgezet naar de structuur en terminologie van het nieuwewetboek. Omdat daarmee de resterende inhoud van het nieuwe WetboekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 33 van Strafvordering wordt vastgesteld, wordt dit wetsvoorstel aangeduidals de tweede vaststellingswet.Naast de eerste en tweede vaststellingswet bevat het wetgevingsprojectvan het nieuwe Wetboek van Strafvordering ook zogeheten aanvullings-en invoeringswetgeving. Met een aanvullingswet kunnen de eerste entweede vaststellingswet zo nodig worden gewijzigd of aangevuld. Zo is deeerste aanvullingswet van het nieuwe wetboek (hierna: de eersteaanvullingswet), met daarin diverse aanvullingen en verbeteringen in devaststellingswetten, in mei 2024 in formele consultatie gegeven. Eentweede aanvullingswet is voorzien. De invoeringswet van het nieuwewetboek (hierna: de invoeringswet) volgt later en corrigeert alle andereregelgeving in verband met het nieuwe wetboek. Daarbij gaat het onderandere om het corrigeren van verwijzingen naar het Wetboek vanStrafvordering. Ook zal de invoeringswet het overgangsrecht bevatten.Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd. In het algemeendeel wordt eerst aandacht besteed aan (de totstandkoming van) deregelingen van de tenuitvoerlegging en de internationale en Europesestrafrechtelijke samenwerking (paragraaf 2). Deze bespreking is beknopt,omdat de regelingen als gezegd al eerder zijn gemoderniseerd.Vervolgens wordt ingegaan op de plaats in het nieuwe wetboek en de(technische) aard van de omzetting (paragraaf 3), de relatie met dedoelstellingen van het nieuwe wetboek (paragraaf 4), de adviezen bij hetwetsvoorstel (paragraaf 5) en de werkwijze bij de voorbereiding van hetwetsvoorstel (paragraaf 6). Afzonderlijke aandacht wordt besteed aan definanciële en administratieve consequenties (paragraaf 7). Na hetalgemeen deel volgt de artikelsgewijze toelichting. Daarin wordt per boeknader ingegaan op de regeling en de achtergrond daarvan. Bij debespreking van de artikelen zal, net als bij de eerste vaststellingswet, denadruk liggen op het toelichten van de wijzigingen die zijn aangebrachtten opzichte van het huidige recht. Waar relevant wordt daarbij ookingegaan op bijvoorbeeld de verhouding tot hoger recht. Omdat dewijzigingen in dit wetsvoorstel beperkt en in principe technisch van aardzijn, wordt op dergelijke onderwerpen niet afzonderlijk ingegaan in hetalgemeen deel van de toelichting. Tot slot zijn als bijlagen bij dezememorie van toelichting twee transponeringstabellen opgenomen. Deeerste transponeringstabel geeft per artikel in de nieuwe regelingen aanop welke huidige bepaling(en) dit is gebaseerd. De tweede transpone-ringstabel geeft per artikel uit het huidige Vijfde Boek of Boek 6 aan inwelk nieuw artikel dit is overgegaan.2. Huidige regelingen In het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen overinternationale en Europese samenwerking – hierna ook: internationalesamenwerking of rechtshulp – per 1 juli 2018 opgenomen in het VijfdeBoek («Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking»). Dit iseen gevolg van de Wet herziening regeling internationale samenwerkingin strafzaken (Stb. 2017, 246; Kamerstukken 34 493). Met deze wet werd deregeling van de internationale samenwerking in strafzaken in het Wetboekvan Strafvordering herzien, opnieuw gepositioneerd en geherstructureerd.De verschillende bepalingen in het wetboek die samenhingen metinternationale samenwerking – en die over verschillende boeken van hetwetboek waren verspreid – zijn met die wetswijziging in één boekondergebracht. Bij die gelegenheid is ook de regeling van de zogeheten«kleine rechtshulp» gemoderniseerd (Vijfde Boek, Titel 1). Het Vijfde Boekbevat naast de kleine rechtshulpbepalingen, een regeling over interna-tionale gemeenschappelijke onderzoeksteams en bepalingen over deoverdracht en overname van strafvervolging (hierna gezamenlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 34 kortheidshalve ook aangeduid als «klassieke rechtshulp»), evenals eenaantal onderdelen die specifiek de implementatie van EU-instrumentenbetreffen (hierna ook: EU-rechtshulp).In het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen over detenuitvoerlegging van straffen en maatregelen opgenomen in Boek 6(«Tenuitvoerlegging»). Dit is een gevolg van de op 1 januari 2020 inwerking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen (Stb. 2017, 82; Kamerstukken 34 086). Tot de inwerking-treding van die wet stonden de bepalingen over de tenuitvoerlegging vanstraffen en maatregelen verspreid over het Wetboek van Strafrecht en hetWetboek van Strafvordering. De meest in het oog springende wijziging dieis doorgevoerd met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen, is de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor detenuitvoerlegging van het openbaar ministerie naar de Minister. Debeleidsmatige en beheersmatige sturing van de tenuitvoerlegging vindtsindsdien plaats vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Defeitelijke tenuitvoerlegging en de sturing daarop is belegd bij het CentraalJustitieel Incassobureau (CJIB). Het CJIB vervult daarmee de rol vanoperationeel ketenregisseur. Het CJIB zet de voor tenuitvoerleggingvatbare beslissingen die het openbaar ministerie aanlevert, namens deMinister als opdracht uit bij de personen en instanties die zijn belast metde feitelijke tenuitvoerlegging, zoals de gevangenissen, de politie, hetopenbaar ministerie, het CJIB, de reclassering en de raad voor dekinderbescherming. De wetgeving en bijbehorende uitvoeringspraktijkbieden de randvoorwaarden voor een snelle, daadwerkelijke en volledigetenuitvoerlegging door goed geïnformeerde partijen.3. Plaats in het nieuwe wetboek en aard van de omzetting In het huidige wetboek zijn eerst de bepalingen over de internationale enEuropese strafrechtelijke samenwerking opgenomen (in het Vijfde Boek)en daarna de bepalingen over de tenuitvoerlegging (in Boek 6). In hetnieuwe wetboek is deze volgorde omgedraaid. De regeling van detenuitvoerlegging is opgenomen in Boek 7, de bepalingen over interna-tionale samenwerking in Boek 8. Een eerste reden hiervoor is dat zowel deBoeken 1 tot en met 6 als het boek over de tenuitvoerlegging betrekkinghebben op de nationale strafvordering. Door de voorgestelde nieuweindeling worden zij nu niet meer «onderbroken» door een boek overrechtshulp. Een tweede reden is dat rechtshulp ook kan plaatsvinden in defase van de tenuitvoerlegging. Plaatsing van de regeling over deinternationale en Europese samenwerking na de regeling over detenuitvoerlegging brengt dit beter tot uitdrukking. Dit vergemakkelijkt ookde verwijzing in de rechtshulpbepalingen naar artikelen over de tenuit-voerlegging.Zoals in het voorgaande beschreven, zijn de regelingen van de tenuitvoer-legging en de internationale samenwerking recent al gemoderniseerd. Datbetekent dat de wijzigingen die nu zijn aangebracht bij de omzetting naarde nieuwe Boeken 7 en 8 in beginsel beperkt en technisch van aard zijn.De (technische) aanpassingen zijn met name gericht op de inhoudelijkeafstemming op de nieuwe Boeken 1 tot en met 6 en op het omnummerenvan de artikelen. Daarnaast zijn ook wetssystematische verbeteringendoorgevoerd en zijn de ervaringen uit de praktijk met de herziene boekenmeegenomen. Deze wijzigingen worden in het artikelsgewijze deel nadertoegelicht. Voor het overzicht volgt hieronder een opsomming van debelangrijkste inhoudelijke wijzigingen, met een verwijzing naar het artikel,de titel of het hoofdstuk waarover het gaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 35 Boek 1, Hoofdstuk 10, en Boek 7•verduidelijking van de taken en verantwoordelijkheden van de Minister(artikel 1.10.1) en van het openbaar ministerie (artikelen 1.10.7) in detenuitvoerlegging;•vormgeving van de rechterlijke procedures in de fase van de tenuit-voerlegging als raadkamerprocedures (Titel 1.5);•de mogelijkheid van toezicht door een andere instelling of persoon dande reclassering indien de aard van een voorwaarde of aanwijzingdaartoe aanleiding geeft (artikel 7.2.1, derde lid);•nuancering van de hoorplicht bij rechterlijke procedures inzaketerbeschikkingstelling (artikel 7.4.8, derde lid) en uniformering van diehoorplicht bij verlenging van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen (artikel 7.7.13, vijfde lid);•uitbreiding van de mogelijkheid tot beëindiging van een terbeschik-kingstelling bij een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Neder-land met het oog op terugkeer naar het land van herkomst (artikelen7.4.10 tot en met 7.4.12);•stroomlijning van de regeling inzake het onderzoek naar het vermogenvan de veroordeelde (Titel 5.3);•de mogelijkheid om een maatregel strekkende tot beperking van devrijheid tussentijds op te heffen (artikel 7.6.12), met bijbehorendrechtsmiddel (artikel 7.6.23, eerste lid);•een afzonderlijk hoofdstuk voor alle regels over de tenuitvoerleggingvan straffen en maatregelen die zijn opgelegd met toepassing van hetjeugdstrafrecht (Hoofdstuk 7);•vereenvoudiging van de regeling inzake vervangende jeugddetentie bijde maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (artikel 7.7.6,onderdeel e);•vereenvoudiging van de regeling inzake terugplaatsing tijdens devoorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen (artikel 7.7.15).Boek 8•een nieuw Hoofdstuk 1 met enkele algemeen geldende bepalingen enuitgangspunten, waaronder een bepaling over de verhouding tot deinternationale en Europese regelgeving en bepalingen om hetoptreden in het kader van de internationale rechtshulp van eenexplicietere normering te voorzien;•duidelijker uitgeschreven rechtsmiddelen, toegeschreven naar denieuwe bepalingen in de eerste vaststellingswet (artikel 6.4.1 e.v.) enop onderdelen gestroomlijnd, telkens opgenomen in de laatste titelvan de hoofdstukken.4. Doelstellingen In de memorie van toelichting bij de eerste vaststellingswet (Kamer-stukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, paragraaf 3) is ingegaan op de doelstel-lingen van de modernisering van het wetboek. Ook deze tweede vaststel-lingswet draagt bij aan deze doelstellingen. Door aanpassing van deindeling van en binnen de Boeken 7 en 8 en een betere inhoudelijkeafstemming, zowel met de Boeken 1 tot en met 6 als binnen de Boeken 7en 8, wordt gekomen tot een systematisch en inzichtelijk wetboek. Zowelin Boek 7 als Boek 8 zijn bevoegdheden en de rolverdeling tussen actorenverduidelijkt. Zo is in het kader van de tenuitvoerlegging de verantwoor-delijkheidsverdeling tussen Minister en openbaar ministerie, op basis vande huidige praktijk en werkafspraken, helderder opgeschreven. Ook inBoek 8 is ten opzichte van het huidige wetboek de rolverdeling tussen deverschillende bij de internationale samenwerking betrokken actoren beterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 36 beschreven en wordt in de wettekst geëxpliciteerd welke (Nederlandse)regels van toepassing zijn op optreden in het kader van de internationalesamenwerking en hoe de rechtsbescherming is vormgegeven. Daarbij isook gekeken hoe procedures beter op elkaar kunnen worden afgestemden zijn aanpassingen gedaan om enkele op dit moment in de praktijkervaren knelpunten weg te nemen.5. Adviezen over de tweede vaststellingswet Over het concept van dit wetsvoorstel zijn adviezen ontvangen van deRaad voor de rechtspraak (Rvdr), het College van procureurs-generaal vanhet openbaar ministerie (OM), de Nederlandse Orde van Advocaten(NOvA), de korpschef van de politie (Politie), het Platform bijzondereopsporingsdiensten (BOD’en)1, de Koninklijke Marechaussee (KMar) en dedrie reclasseringsinstellingen (3RO). De adviezen hebben op een aantalpunten geleid tot bijstelling of verduidelijking van het wetsvoorstel of dememorie van toelichting. Waar relevant wordt daarop ingegaan in deartikelsgewijze toelichting. In deze paragraaf wordt per boek ingegaan openkele meer algemene aandachtspunten.Een concept van dit wetsvoorstel is eveneens voorgelegd aan deopenbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, evenals – in verbandmet het concordantiebeginsel – aan Curaçao, Aruba en Sint Maarten. Zijhebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om eenadvies uit te brengen.Boek 1, Hoofdstuk 10, en Boek 7Over het algemeen zijn Boek 1, Hoofdstuk 10, en Boek 7 positiefontvangen. Er is waardering voor de vele tekstuele verbeteringen die zijndoorgevoerd. Ook verschillende inhoudelijke verduidelijkingen zijnpositief ontvangen, zoals de mogelijkheid om reeds voorwaarden tekunnen stellen voorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging van eenmaatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De meesteconsultatiereacties betroffen verzoeken om aanvulling van de wettekst ofde memorie van toelichting. Aan deze verzoeken is zoveel mogelijk gevolggegeven.Het OM gaat in zijn advies uitgebreid in op de tenuitvoerleggingspraktijkzoals die vorm heeft gekregen sinds de inwerkingtreding van de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Zoals aange-geven in paragraaf 2, is met die wet de verantwoordelijkheid voor detenuitvoerlegging van straffen en maatregelen overgegaan van hetopenbaar ministerie naar de Minister. Het OM staat nog steeds volledigachter deze verschuiving van verantwoordelijkheden. In dit wetsvoorstelis de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Minister en het openbaarministerie nader geduid en vollediger opgeschreven, mede op basis vande huidige praktijk en de gemaakte werkafspraken. Concreet is ditgebeurd in artikel 1.10.1 (voor de Minister) en in artikel 1.10.7 (voor hetopenbaar ministerie). Tot een nadere duiding is gekomen omdat dehuidige afbakening heeft gezorgd voor onduidelijkheid in de uitvoering enbovendien niet alle beslissingen dekt waarvan de tenuitvoerlegging in depraktijk plaatsvindt door de Minister. De (rest)verantwoordelijkheid vanhet openbaar ministerie is naar huidig recht zelfs niet vastgelegd. In deartikelsgewijze toelichting op de artikelen 1.10.1 en 1.10.7 wordt hieropnader ingegaan. Het OM heeft gevraagd te garanderen dat de nieuweformulering overeenstemt met de eerdere uitgangspunten van de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en met de1Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 37 nadien gemaakte bestuurlijke afspraken over de uitvoering. Dit verzoekvan het OM is ter harte genomen. Hier wordt dan ook benadrukt dat metde nadere duiding geen inhoudelijke wijziging is beoogd van de verant-woordelijkheidsverdeling tussen de Minister en het openbaar ministeriezoals die tot stand is gekomen met de Wet herziening tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen. Beoogd is beter tegemoet te komen aan deuitvoeringspraktijk zoals die sinds de inwerkingtreding van die wet vormheeft gekregen, onder meer door (ook) bepaalde beslissingen van deofficier van justitie onder de reikwijdte van de tenuitvoerleggingstaak vande Minister te brengen. In goed overleg met het openbaar ministerie enhet CJIB zijn de artikelen 1.10.1 en 1.10.7 en de toelichting daaropverduidelijkt.De 3RO hebben verschillende opmerkingen gemaakt over de regeling vanhet toezicht op de naleving. Daarbij wordt onder meer gepleit voor eenander wettelijk uitgangspunt bij het vormgeven van toezicht, met eenkleinere rol voor de rechter en de officier van justitie en een grotere rolvoor de uitvoering (de Minister). Deze voorstellen van de 3RO zijn meerprincipieel van aard en gaan daarmee de technische en beleidsarmeinhoud van dit wetsvoorstel te buiten. Zij raken ook aan meer wetgevingdan alleen het Wetboek van Strafvordering. Deze voorstellen van de 3ROzullen daarom in ander verband nader moeten worden bezien opbeleidsmatige aspecten als noodzakelijkheid, wenselijkheid en uitvoer-baarheid. Dat zal gebeuren in nauwe samenspraak met andere bij hettoezicht betrokken ketenpartners, zoals de rechtspraak, het openbaarministerie, de raad voor de kinderbescherming en het CJIB. Voor zover diebredere beleidsverkenning leidt tot wijzigingsvoorstellen, kunnen die bijhet nieuwe wetboek worden betrokken via de aanvullingswetgeving.Uiteraard zijn de meer gedetailleerde opmerkingen en suggesties van de3RO over Boek 7 wel betrokken bij dit wetsvoorstel. Zij hebben opverschillende plekken geleid tot verduidelijking van de wettekst en detoelichting. Waar relevant is dat aangegeven in de artikelsgewijzetoelichting.Boek 8De Rvdr, het OM en de Politie hebben in hun adviezen aandacht besteedaan Boek 8. Over het algemeen is Boek 8 positief ontvangen. De verduide-lijkingen die zijn doorgevoerd, waaronder de uitgeschreven regeling vanrechtsmiddelen, kunnen blijkens verschillende adviezen op waarderingrekenen. De meeste opmerkingen in de adviezen over Boek 8 betreffenverzoeken om aanvulling van de memorie van toelichting. Zoals eerderaangegeven ligt de nadruk in deze memorie van toelichting op hettoelichten van wijzigingen ten opzichte van het huidige recht. Daar waar inde advisering door voornoemde organisaties is gevraagd om een naderetoelichting op wijzigingen is daaraan zoveel mogelijk gevolg gegeven inde artikelsgewijze toelichting.Op enkele punten zijn naar aanleiding van de adviezen verbeteringenaangebracht in de wettekst van Boek 8. Naar aanleiding van het adviesvan de Rvdr is een redactionele verbetering doorgevoerd in artikel 8.2.10.Niet overgenomen is de suggestie om de definities van EU-instrumentenaan te passen in artikel 8.1.2. Overeenkomstig de Aanwijzingen voor deregelgeving is gekozen voor «dynamische» verwijzingen. De toelichtingbij artikel 8.1.2 is aangevuld om deze systematiek te verhelderen.Onder verwijzing naar artikel 8.1.3 – waarin de landelijke bevoegdheid vande officier van justitie ook van toepassing wordt verklaard in het kader vande bevoegdheidsuitoefening op grond van Boek 8 – heeft de Rvdrgewezen op het eigen advies over de Boeken 1 en 2 en het advies van deAfdeling advisering van de Raad van State over deze landelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 38 bevoegdheid. In reactie hierop wordt verwezen naar de reacties die op dieadviezen zijn gegeven. Voor Boek 8 geldt dat de in de eerdere boekengemaakte keuzes slechts zijn gevolgd.In navolging van het advies van het OM is in artikel 8.4.10, eerste lid,verduidelijkt dat de aldaar bedoelde kennisgeving achterwege kan wordengelaten indien de verdachte of veroordeelde zich niet in Nederlandbevindt en betekening niet mogelijk is. Daarnaast is naar aanleiding vanhet advies van het OM het eerste lid van artikel 8.4.26, zoals dat wasopgenomen in de consultatieversie, komen te vervallen. In dat artikellidwas bepaald dat de officier van justitie bij het landelijk parket is belast metde uitvoering van een ingewilligd verzoek tot overname van een strafver-volging van een internationaal gerecht. Bij nader inzien past deze regelingniet bij de keuze die is gemaakt in de artikelen 1.3.5 tot en met 1.3.9. In diebepalingen is ervoor gekozen de officier van justitie landelijkebevoegdheid te geven. Hoewel daarbij wel nader is bepaald waaropofficieren bij een arrondissements-, landelijk of functioneel parket zich inhet bijzonder richten, is in die regeling ook een bepaalde mate vanflexibiliteit behouden. Daarbij past niet een regeling in Boek 8 die eendergelijke ruimte niet laat. Bovendien, zo beschrijft ook het OM in zijnadvies, is het mogelijk dat na overdracht van een strafvervolging door eeninternationaal gerecht een vervolging wordt ingesteld voor een anderstrafbaar feit dan een internationaal misdrijf. In dergelijke gevallen kan hetwenselijk zijn dat een andere officier van justitie dan de officier bij hetlandelijk parket de zaak op zich neemt, bijvoorbeeld omdat het gaat omeen strafbaar feit waarbij de expertise van het functioneel parket vanbelang is. Omdat na de overdracht van de strafvervolging sprake is vaneen vervolging in Nederland zijn de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.9gewoon van toepassing. Hiervoor hoeft dus geen regeling te wordenopgenomen in Boek 8.Verder is overeenkomstig het advies van het OM de redactie van artikel8.5.33, tweede lid, meer in lijn gebracht met de redactie van artikel 8.2.23,tweede lid, en is in artikel 8.5.35 de verwijzing naar de bevoegderechtbank geschrapt, aangezien in artikel 8.1.5 al een algemene bevoegd-heidsregeling is opgenomen voor klaagschriften die op grond van Boek 8worden ingediend bij de rechtbank in verband met de uitvoering van eenrechtshulpverzoek of de uitvoering van een Europees bevel.De suggestie van het OM om in de artikelen 8.5.11 en 8.5.30 ook eenverwijzing naar artikel 2.7.47 op te nemen, is niet overgenomen. Dit wordtnader toegelicht bij artikel 8.5.11.Zowel het OM als de Politie hebben aandacht gevraagd voor de behoefteom een regeling als opgenomen in de artikelen 8.5.11 en 8.5.30 ook tekunnen toepassen ten aanzien van een aantal andere bevoegdheden, inhet bijzonder voor situaties waarin OVC-apparatuur in of peilbakens opeen voertuig zijn aangebracht. Zoals ook tijdens de voorbereiding van ditwetsvoorstel is besproken, biedt noch Richtlijn 2014/41/EU betreffende hetEuropees onderzoeksbevel in strafzaken – waaraan voornoemdebepalingen uitvoering geven – noch andere Europese en internationaleregelgeving ruimte voor een dergelijke regeling. Het kabinet zal zich opEU-niveau inzetten om aandacht voor dit onderwerp te vragen. Verwezenwordt naar het Non paper Cross-border bugging and tracking of vehiclesand the EIO, dat is meegestuurd als bijlage bij de brief van 23 februari2024 inzake de Geannoteerde Agenda voor de bijeenkomst van de RaadJustitiële en Binnenlandse Zaken van 4 en 5 maart 2024 (Kamerstukken II2023/24, 32 317, nr. 872).Zowel het OM als de Politie hebben opmerkingen gemaakt over artikel8.2.9, en dan in het bijzonder over de mogelijkheid voor de opsporings-ambtenaar om zelfstandig gegevens uit te wisselen. De in hetwetsvoorstel opgenomen bepaling vormt de uitkomst van verschillendebesprekingen tussen deze organisaties, en is niet aangepast naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 39 aanleiding van de adviezen, omdat daarmee de evenwichtige uitkomstvan deze besprekingen zou worden verstoord.Het verzoek van de Politie om in artikel 8.2.18 de mogelijkheid op tenemen om voorwerpen en gegevens – vooruitlopend op de rechterlijkebeslissing – alvast ter beschikking te stellen aan buitenlandse autoriteiten,is niet overgenomen. Een dergelijke wijziging vergt een nadere inhoude-lijke afweging – mede met het oog op de rechten van degenen om wiensvoorwerpen en gegevens het gaat – en gaat het bestek van een technischeomzetting van bepalingen naar het nieuwe wetboek te buiten. Overigenslijkt deze wens van de Politie blijkens het advies vooral ingegeven door deervaren duur van de procedure. Bij de herziening in 2018 was aanvankelijkeen regeling opgenomen die een voorlopige terbeschikkingstellingmogelijk maakte, zoals nu door de Politie in het advies voorgesteld. Nanegatieve adviezen hierover is destijds besloten van die regeling af tezien. In plaats hiervan werd gekozen voor wettelijke termijnen voor deprocedure, om zo de doorlooptijden terug te dringen.6. Voorbereiding van de tweede vaststellingswet Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is dezelfde werkwijze gehan-teerd zoals beschreven in de memorie van toelichting bij de eerstevaststellingswet (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, paragraaf 7.2). Datbetekent dat elk hoofdstuk van Boek 7 en Boek 8 in de afgelopen twee jaaris voorgelegd aan de Gecombineerde werkgroep Sv en in de vergade-ringen van die werkgroep besproken. Aan de Gecombineerde werkgroepSv is deelgenomen door de bij de strafrechtspleging betrokken organi-saties – waaronder de organisaties die betrokken zijn bij de tenuitvoer-legging en de internationale strafrechtelijke samenwerking – en vertegen-woordigers van het ministerie. Het voorliggende wetsvoorstel is hetresultaat van deze samenwerking. Ook bij de totstandkoming van dezetweede vaststellingswet heeft afstemming plaatsgevonden met deregeringscommissaris, prof. mr. G. Knigge.7. Uitvoeringsconsequenties 7.1. Inleiding Zoals aangegeven zijn de wijzigingen die ten opzichte van het geldendrecht zijn aangebracht bij de omzetting naar de voorgestelde Boeken 7 en8 beperkt en voornamelijk technisch van aard. In enkele artikelen is welsprake van een (inhoudelijke) wijziging die gevolgen heeft voor depraktijk.7.2. Implementatiewerkzaamheden De voorbereidingen die nodig zijn om te kunnen werken met de wijzi-gingen die dit wetsvoorstel teweegbrengt, worden ondergebracht in eendoor de strafrechtketenorganisaties opgebouwde implementatiestructuur.Binnen die structuur worden de wetsvoorstellen die gezamenlijk leiden toteen nieuw Wetboek van Strafvordering via een beheersbaar procesingevoerd, zodat de medewerkers op hun nieuwe taken zijn berekend ende nieuwe werkprocessen op adequate wijze worden ondersteund doorde ICT-systemen. In de toelichting op de eerste vaststellingswet is hieropnader ingegaan (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, Paragraaf 10.2.2).In dit kader wijzen diverse betrokken ketenpartners op de relatie tussen deinvoering van het onderhavige wetsvoorstel en de nog resterendeonderdelen van de implementatie van de Wet herziening tenuitvoer-legging strafrechtelijke beslissingen en de invloed daarvan op deverandercapaciteit van de organisaties. Het is goed dat daar oog voor is.Daar staat tegenover dat de inwerkingtreding van het nieuwe wetboekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 310 nog enkele jaren op zich laat wachten, mede met het oog op een goedevoorbereiding van de implementatie.7.3. Structurele uitvoeringsconsequenties 7.3.1. Boek 7 Op basis van uitgevoerde analyses verwachten de organisaties die werkenmet de bepalingen uit het nieuwe Boek 7 geen grote structurele werklast-effecten. Zo verwacht het CJIB onder meer structurele uitvoeringsconse-quenties ten gevolge van de verdere overdracht van de verantwoorde-lijkheid voor de tenuitvoerlegging van beslissingen van het openbaarministerie naar het CJIB, zoals de tenuitvoerlegging van bevelen totinverzekeringstelling in een huis van bewaring en bevelen tot gijzeling vaneen getuige. Ook de opschortende werking van het rechtsmiddel bezwaarbij de toepassing van vervangende hechtenis bij een taakstraf veroorzaakteen structurele werklastverzwaring, aangezien in de nieuwe situatie metde vervangende hechtenis moet worden gewacht totdat de termijn voorhet instellen van bezwaar is verlopen of, als een bezwaarschrift isingediend, totdat daarop is beslist. Dat betekent dat door het CJIB meercontrolewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd.Anderzijds leidt de wettelijke uitbreiding van de mogelijkheden totbeëindiging van een terbeschikkingstelling bij een vreemdeling zonderrechtmatig verblijf in Nederland (met het oog op terugkeer naar het landvan herkomst) naar verwachting tot een lastenverlichting. Ook heeft hetopenbaar ministerie aangegeven dat geen rechterlijke procedures meernodig zullen zijn om een terbeschikkingstelling met voorwaarden eerst omte zetten in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswegealvorens deze te kunnen beëindigen. Aangezien deze procedure niet vaakvoorkomt, zal de verlichting naar verwachting gering zijn. De uitbreidingleidt naar verwachting bovendien tot een kleine vermindering van hetaantal ten uitvoer te leggen terbeschikkingstellingen.Het inkorten en aanpassen van de regeling over het vermogensonderzoeken het vervallen van de generieke machtiging van de rechter-commissaris,zal voor het nieuwe vermogensonderzoek een werklastvermindering totgevolg hebben.Ook verwacht de Rechtspraak dat het in het geval van kennelijkeniet-ontvankelijkheid zonder zitting af kunnen doen van een herhaaldverzoek tot vermindering of kwijtschelding van een opgelegde ontneming,leidt tot een beperkte afname van de werklast. Een andere kleine afnamevan de werklast voorziet de Rechtspraak in de gevallen waarin hetgerechtshof vaststelt dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk ofkennelijk ongegrond is. In die gevallen hoeft eveneens geen zitting meerplaats te vinden.7.3.2. Boek 8 De wijzigingen met betrekking tot internationale en Europese strafrechte-lijke samenwerking zijn beperkt en het saldo van werklastverminderingenen -verzwaringen zal voor de betrokken organisaties naar verwachting nietleiden tot significante werklastveranderingen. Hierna volgt een beknopteweergave van de regelingen waardoor veranderingen worden verwacht.De bijgewerkte regeling omtrent de mogelijkheid voor opsporingsambte-naren om zelf internationaal inlichtingen uit te wisselen zonder tussen-komst van de officier van justitie zal naar verwachting een werklastver-mindering veroorzaken. Er is daarnaast sprake van eenwerklastverzwarend effect bij een verzoek van een buitenlandse opspo-ringsdienst om een getuige te laten horen door een opsporings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 311 ambtenaar, omdat uit de bijgewerkte regeling blijkt dat in dergelijkegevallen de tussenkomst van officier van justitie is vereist. De tussen-komst van de officier van justitie is nu echter ook altijd vereist als debuitenlandse opsporingsdienst de getuigenverklaring als bewijsmiddel wilgebruiken. Er is dus alleen sprake van een werklasteffect in gevallenwaarin de buitenlandse opsporingsdienst de verklaring niet als bewijs wilgebruiken.De Rechtspraak voorziet een beperkte werklastverzwaring door de nieuwemogelijkheid voor een in het buitenland verblijvende verdachte die nog inafwachting is van zijn uitlevering, om een getuigenverhoor door derechter-commissaris bij te wonen. Het wetsvoorstel voorziet verder innieuwe mogelijkheden voor buitenlandse ambtenaren om in Nederlandaanwezig te zijn bij onderzoekshandelingen, zoals een doorzoeking ofverhoor. Dit kan betekenen dat Nederlandse rechterlijke autoriteiten vakerbetrokken moeten worden. Ook voorziet het wetsvoorstel in een beklag-mogelijkheid bij de Nederlandse rechter indien een andere staat gevolgheeft gegeven aan een Nederlands verzoek tot bijvoorbeeld inbeslagnamevan voorwerpen. Dit is een nieuwe bepaling met volgens de rechtspraakpotentieel een grote kring van klagers. Tot slot kan de werklast toenemendoor het (nieuwe) rechtsmiddel tegen een beslissing van de rechter-commissaris over een machtiging tot uitvoering van een Europesebevriezingsbeslissing.Omdat de procedure aangaande bezwaar tegen overdracht van strafver-volging voor de benadeelde partij gelijk wordt getrokken met de klacht-procedure als de verdachte bezwaar heeft tegen de overdracht, hoeven ermogelijk minder afzonderlijke procedures te worden gevoerd. Deklaagschriften van benadeelde partij en verdachte kunnen – anders dannu – door dezelfde rechter gezamenlijk worden beoordeeld. Dit zou zowelvoor de rechterlijke macht als voor het openbaar ministerie tot eenwerklastvermindering kunnen leiden. Daar kan tegenover staan dat meerverdachten een kennisgeving van overdracht zullen ontvangen en hetdaardoor voorstelbaar is dat als gevolg hiervan meer verdachten eenklaagschrift zullen indienen.7.4. Financiële gevolgen De politie, de bijzondere opsporingsdiensten, de KoninklijkeMarechaussee en het NFI hebben aangegeven dat het wetsvoorstel geenconsequenties heeft voor deze organisaties. Naar aanleiding van hetconsultatieadvies van het openbaar ministerie zijn gesprekken gevoerdover de taakverdeling tussen organisaties in de tenuitvoerlegging vanstraffen en maatregelen. Deze overleggen hebben ertoe geleid dat hetopenbaar ministerie geen taakuitbreiding verwacht en zijn aanvankelijkeinschatting dienaangaande heeft bijgesteld.De verwachting is dat de invoering van de Boeken 7 en 8 van het nieuweWetboek van Strafvordering ook voor de andere betrokken organisatiesper saldo geen grote structurele werklasteffecten heeft en derhalve tot eenminimale structurele kostentoename zal leiden.Hierbij is de samenwerking op koppelvlakken tussen organisaties in destrafrechtketen nog niet volledig in kaart gebracht. Daarom wordt door deorganisaties in samenspraak verder gewerkt aan het ramen van deomvang van de structurele uitvoeringsconsequenties. Zoals eerderaangegeven in de memorie van toelichting bij de eerste vaststellingswet(zie Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, par. 10.3.2) is het in kaartbrengen van structurele uitvoeringsconsequenties een doorlopendproces. De hierboven beschreven inzichten zullen zo nodig herijkt wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 312 naar aanleiding van totstandkoming van lagere regelgeving en werkpro-cessen voor de praktijk. Een meer definitieve raming van de uitvoerings-consequenties zal worden toegelicht in de memorie van toelichting op deinvoeringswet.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL ARTIKEL I [vaststelling Boek 1, Hoofdstuk 10]BOEK 1Strafvordering in het algemeenHOOFDSTUK 10TenuitvoerleggingIn het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen over detenuitvoerlegging van straffen en maatregelen opgenomen in Boek 6(«Tenuitvoerlegging»). Zoals in het algemeen deel van deze memorie vantoelichting aan de orde is gekomen, is dit een gevolg van de op 1 januari2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen (Stb. 2017, 82; Kamerstukken 34 086). Tot de inwerking-treding van die wet stonden de bepalingen over de tenuitvoerleggingverspreid over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvor-dering.De meest in het oog springende wijziging die is doorgevoerd met de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, is deverschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging vanhet openbaar ministerie naar de Minister. Voorheen was de Minister alverantwoordelijk voor het beheer en de aansturing van de organisaties diebetrokken zijn bij de feitelijk tenuitvoerlegging. Het lag dan ook in de redede Minister, naast deze verantwoordelijkheid voor het beheer, deverantwoordelijkheid te geven voor het te voeren beleid en de uitvoeringdaarvan. Deze verantwoordelijkheid stelt de Minister in staat zicht tehouden op de hele tenuitvoerleggingsketen en centraal te sturen op eensnelle en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.Centraal daarbij staan een op de persoon van de veroordeelde gerichtetenuitvoerlegging en het goed informeren van alle betrokken organisatiesbinnen en buiten de strafrechtketen. Dat de Minister de beste aange-wezene is om de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging tedragen, past ook bij het gegeven dat het gaat om een vaststaandebeslissing van de rechter of de officier van justitie, die op de meestdoelmatige en doeltreffende wijze moet worden uitgevoerd. Doordat deMinister direct verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging, kan hetopenbaar ministerie zich bovendien richten op zijn kerntaken, te weten deopsporing en vervolging van strafbare feiten ter handhaving van destrafrechtelijke rechtsorde. Het openbaar ministerie draagt zorg voor deverstrekking aan de Minister van de voor tenuitvoerlegging vatbarebeslissingen en is bevoegd tot het nemen van opsporings- en vervol-gingsbeslissingen en tot het aanbrengen van zaken bij de rechtbank terverkrijging van een nadere beslissing, bijvoorbeeld als de veroordeeldegestelde voorwaarden niet naleeft. Die vervolgbeslissing wordt op haarbeurt weer uitgevoerd door de Minister. De beleidsmatige en beheers-matige sturing van de tenuitvoerlegging vindt plaats vanuit het Ministerievan Justitie en Veiligheid. De feitelijke tenuitvoerlegging en de sturingdaarop is belegd bij het CJIB. Het CJIB vervult daarmee de rol vanoperationeel ketenregisseur. Het CJIB zet de voor tenuitvoerleggingvatbare beslissingen namens de Minister als opdracht uit bij de personenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 313 en instanties die zijn belast met de feitelijke tenuitvoerlegging, zoals hetgevangeniswezen, de politie, het openbaar ministerie, het CJIB zelf, dereclassering en de raad voor de kinderbescherming. De wetgeving enbijbehorende uitvoeringspraktijk bieden de randvoorwaarden voor eensnelle, daadwerkelijke en volledige tenuitvoerlegging door goed geïnfor-meerde partijen.De bepalingen over de tenuitvoerlegging zijn opgenomen in dit hoofdstuken in Boek 7. In dit hoofdstuk staan de algemene uitgangspunten voor detenuitvoerlegging. In het huidige wetboek zijn deze uitgangspuntenopgenomen in het eerste hoofdstuk van Boek 6. Deze en andere algemeneuitgangspunten horen in Boek 1 omdat hier algemene bepalingen zijnopgenomen over de strafvordering in brede zin. De tenuitvoerlegging iseen onderdeel daarvan. In Boek 7 worden vervolgens per straf ofmaatregel regels gegeven over de wijze van tenuitvoerlegging. Ook zijn inBoek 7 regels opgenomen over onder andere het houden van toezicht enover de rechtsbescherming in de fase van de tenuitvoerlegging.Artikel 1.10.1 [tenuitvoerlegging door de Minister]De tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen vindt plaats door deMinister. Dit algemene uitgangspunt is ontleend aan het huidige artikel6:1:1, eerste lid. Dat de tenuitvoerlegging «door» de Minister plaatsvindtwil vanzelfsprekend niet zeggen dat de Minister de straffen en maatre-gelen eigenhandig moet tenuitvoerleggen, maar dat de Minister verant-woordelijk is voor die tenuitvoerlegging. Die toedeling van verantwoorde-lijkheid staat er niet aan in de weg dat de Minister de hem ten behoevevan de tenuitvoerlegging toegekende bevoegdheden mandateert aanambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn, noch dathij ten behoeve van de tenuitvoerlegging opdrachten geeft aan andereambtenaren en functionarissen. Dit is geregeld in de artikelen 1.10.4 en1.10.5.Met de toedeling van de verantwoordelijkheid aan de Minister is niet instrijd dat de wet ook aan andere instanties en functionarissen taken enbevoegdheden toekent in het kader van de tenuitvoerlegging. Eenduidelijk voorbeeld is de tussenkomst van de rechtbank die in tal vangevallen is voorgeschreven. Zo is een bevel van de rechtbank nodig voorhet (alsnog) tenuitvoerleggen van een voorwaardelijk niet tenuitvoerge-legde straf of maatregel bij overtreding van de voorwaarden (artikel 7.2.7)en verlof van de rechtbank voor de toepassing van gijzeling indienbetaling en verhaal van een ontnemingsmaatregel uitblijft (artikel 7.5.21).De tussenkomst van de rechtbank berust vanzelfsprekend niet op eendoor de Minister verleend mandaat of op een door hem gegevenopdracht, maar berust direct op de wet. Voor de beslissing van derechtbank is de Minister dan ook niet verantwoordelijk. Het is eerder zodat de door de wet voorgeschreven tussenkomst van de rechtbank deverantwoordelijkheid van de Minister begrenst en concretiseert. Dat hetalsnog tenuitvoerleggen van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdestraf of maatregel door de Minister moet plaatsvinden, betekent, zo volgtuit de wettelijke bevoegdheidstoedeling, niet dat de Minister de tenuit-voerlegging van die straf of maatregel mag bevelen, maar wel dat hij, alsde rechtbank die tenuitvoerlegging beveelt, daaraan gevolg moet geven.De wet kent ook aan het openbaar ministerie of de officier van justitietaken en bevoegdheden toe in het kader van de tenuitvoerlegging. Zokomt uitsluitend de officier van justitie de bevoegdheid toe om eenvordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuitvoerge-legde straf of maatregel in te dienen bij de rechtbank (artikel 7.2.7). Het isook de officier van justitie die beslist over het al dan niet verlenen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 314 voorwaardelijke invrijheidstelling aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf(artikel 7.3.7). Gewezen kan ook worden op de tenuitvoerlegging van detaakstraf. Volgens artikel 7.6.3 kan de officier van justitie een door derechter opgelegde specifieke taakstraf wijzigen voor zover het de aard vande werkzaamheden betreft. De officier van justitie benadert daarbij zoveelmogelijk de opgelegde taakstraf. En volgens artikel 7.6.4 beslist de officiervan justitie over de toepassing van de vervangende hechtenis. Ook voorde aan het openbaar ministerie of de officier van justitie toegekendebevoegdheden geldt dat zij de tenuitvoerleggingsbevoegdheid van deMinister begrenzen en concretiseren. Zo is de Minister niet bevoegd tebeslissen tot toepassing van de vervangende hechtenis bij een taakstraf.Wel zal hij de vervangende hechtenis moeten toepassen als de officier vanjustitie daartoe beslist. Dat is waarin de verantwoordelijkheid van deMinister zich concreet vertaalt.Van de andere instanties en functionarissen waaraan de wet taken enbevoegdheden toedeelt in het kader van de tenuitvoerlegging, kunnen inhet bijzonder de reclassering en de (directeuren van) penitentiaireinrichtingen worden genoemd. De reclassering kan van de rechteropdracht krijgen toezicht te houden op de naleving van bijzonderevoorwaarden (zie bijvoorbeeld artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek vanStrafrecht). Ook speelt de reclassering een belangrijke rol bij de tenuit-voerlegging van taakstraffen. De reclasseringsinstellingen zijn privateinstellingen. Hun bemoeienis met de tenuitvoerlegging kan dan ook nietberusten op een door de Minister op grond van artikel 1.10.4 verleendmandaat of een op grond van artikel 1.10.5 gegeven opdracht. Het gaatom een wettelijke taak die de bemoeienis van de Minister met detenuitvoerlegging van de taakstraf begrenst. De Minister mag detenuitvoerlegging van de taakstraf dan ook niet met toepassing van artikel1.10.4 of artikel 1.10.5 toevertrouwen aan een andere instantie. Wat voorde taak van de reclassering geldt, geldt in grote lijnen ook voor de taakvan (directeuren van) penitentiaire inrichtingen. Hun bevoegdheden metbetrekking tot de tenuitvoerlegging van onder meer de gevangenisstrafberusten op de Penitentiaire beginselenwet en niet op een door deMinister verleend mandaat of op een door hem gegeven opdracht. DeMinister is bij de uitoefening van zijn tenuitvoerleggingstaak gebondenaan die Penitentiaire beginselenwet. Hij mag die wet dus niet terzijdestellen door een gevangenisstraf met gebruikmaking van artikel 1.10.4 ofartikel 1.10.5 te laten tenuitvoerleggen door de in die artikelen bedoeldeambtenaren op een locatie die geen penitentiaire inrichting is. Welbehoort tot de verantwoordelijkheid van de Minister dat de veroordeeldewordt ingesloten in een penitentiaire inrichting. Tot zijn bevoegdhedenbehoort dat hij bepaalt welke inrichting dat is (artikel 15, derde lid,Penitentiaire beginselenwet).Uit het voorgaande blijkt dat het feit dat de wet aan andere instanties enfunctionarissen taken en bevoegdheden toekent in het kader van detenuitvoerlegging, niet haaks staat op de verantwoordelijkheid die istoebedeeld aan de Minister. Die wettelijke taaktoedeling doet niet af aande opdracht van de Minister om te zorgen voor een daadwerkelijke enadequate tenuitvoerlegging. Het tegendeel is eerder het geval. Zonderwetgeving zoals de Penitentiaire beginselenwet en de daarin toegedeeldetaken en bevoegdheden zou de Minister zijn verantwoordelijkheid voor detenuitvoerlegging moeilijk kunnen waarmaken. Aan de verdeling vantaken en bevoegdheden waarin de wet voorziet, is de Minister bij deuitoefening van de hem toebedeelde taak uiteraard gebonden. Dat maaktdat zijn verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging wordt begrensden ingekleurd door de bevoegdheden die zijn toegekend aan andereinstanties en functionarissen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 315 Eerste lidHet huidige artikel 6:1:1, eerste lid, belast de Minister met de tenuitvoer-legging van twee typen beslissingen: rechterlijke beslissingen enstrafbeschikkingen. Deze afbakening vindt zijn oorsprong in de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Voor deformulering is destijds aansluiting gezocht bij het oude artikel 553, datbepaalde dat het openbaar ministerie was belast met de tenuitvoerleggingvan rechterlijke beslissingen. Bij de omzetting van het oude artikel 553 ishet openbaar ministerie vervangen door de Minister en zijn de strafbe-schikkingen toegevoegd. In de nu voorliggende regeling is dezeafbakening echter om verschillende redenen verlaten. In plaats daarvanbelast het eerste lid de Minister met de tenuitvoerlegging van driecategorieën beslissingen: strafrechtelijke beslissingen, strafvorderlijkebeslissingen tot vrijheidsbeneming en enkele andere strafvorderlijkebeslissingen. Deze categorieën zijn nader geduid in respectievelijk hettweede, derde en vierde lid. Tot een nadere duiding is gekomen omdat dehuidige afbakening zorgt voor onduidelijkheid in de uitvoering enbovendien niet alle beslissingen dekt waarvan de tenuitvoerlegging in depraktijk plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van de Minister. Opdeze redenen wordt hieronder nader ingegaan.Tweede lidEen eerste reden waarom de huidige afbakening is verlaten, is dat in depraktijk niet altijd duidelijk is wat precies wordt verstaan onder «rechter-lijke beslissingen». Het lijdt geen twijfel dat daaronder in ieder gevalvallen de in vonnissen en arresten neergelegde beslissingen tot opleggingvan een straf of maatregel. Zo is in de memorie van toelichting bij de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen opgemerkt: «Detenuitvoerlegging van straffen en maatregelen geschiedt door de Ministervan Veiligheid en Justitie; het openbaar ministerie is exclusief verantwoor-delijk voor de verstrekking aan de Minister van voor tenuitvoerlegging inNederland vatbare beslissingen» (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3,p. 18, cursivering toegevoegd). Het gaat dus om rechterlijke beslissingenwaarin toepassing wordt gegeven aan het materiële strafrecht. Datkunnen naast de genoemde vonnissen en arresten ook separate beslis-singen zijn, zoals de maatregel van onttrekking aan het verkeer die wordtopgelegd bij afzonderlijke rechterlijke beslissing (artikel 36b, eerste lid,onderdeel 4°, van het Wetboek van Strafrecht). De eveneens genoemdestrafbeschikkingen, uitgevaardigd door de officier van justitie, komen watbetreft hun aard overeen met rechterlijke beslissingen tot oplegging vaneen straf of maatregel. Vanwege de toepassing van het materiëlestrafrecht is gekozen voor de overkoepelende term «strafrechtelijkebeslissingen».De Minister voert echter niet alle rechterlijke beslissingen uit. Een deel vande rechterlijke beslissingen wordt (nog steeds) uitgevoerd door hetopenbaar ministerie. Een voorbeeld is het bevel tot oproeping van eengetuige of verdachte voor de zitting. Met de Wet herziening tenuitvoer-legging strafrechtelijke beslissingen is niet beoogd de tenuitvoerleggingvan een bevel tot oproeping en vergelijkbare rechterlijke beslissingen opte dragen aan de Minister. De Minister heeft immers geen rol in de fasevan de berechting. Toch impliceert het huidige artikel 6:1:1 dat de Ministerook een verantwoordelijkheid draagt voor de tenuitvoerlegging vandergelijke rechterlijke beslissingen. Daarentegen vindt de tenuitvoer-legging door het openbaar ministerie plaats zonder expliciete wettelijkegrondslag, omdat geen met het oude artikel 553 vergelijkbare voorzieningis behouden voor de «overige» rechterlijke beslissingen. Vandaar dat isgekomen tot een nadere duiding van de rechterlijke beslissingen waarvanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 316 de tenuitvoerlegging is opgedragen aan de Minister. Daarmee samen-hangend is in artikel 1.10.7 geëxpliciteerd dat het openbaar ministerieverantwoordelijk is gebleven voor de tenuitvoerlegging van rechterlijkebeslissingen die niet worden tenuitvoergelegd door de Minister.Zoals in de inleidende toelichting op dit artikel al naar voren kwam,kunnen in het kader van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelennog diverse beslissingen worden genomen die nader invulling geven aanwat de toepassing van het materiële strafrecht inhoudt in het concretegeval. Zo kan de rechtbank in geval van overtreding van de voorwaardenbevelen tot het alsnog tenuitvoerleggen van een voorwaardelijk niettenuitvoergelegde straf of maatregel. En de officier van justitie kanbeslissen tot toepassing van de vervangende hechtenis indien eentaakstraf niet naar behoren is verricht. De tenuitvoerlegging van deze enandere (vervolg)beslissingen is verdisconteerd in de tenuitvoerleggingvan de oorspronkelijke strafrechtelijke beslissing. Het vijfde lid stelt datbuiten twijfel. In de toelichting op dat artikellid wordt dit verduidelijkt.Derde lidDe Minister is voorts belast met de tenuitvoerlegging van enkele anderebeslissingen van de rechter en het openbaar ministerie. Deze beslissingenzijn geen strafrechtelijke beslissingen omdat daarin geen toepassingwordt gegeven aan het materiële strafrecht. Vandaar dat wordt gesprokenvan «strafvorderlijke beslissingen». Deze beslissingen worden genomenin het kader van de strafvordering, maar het gaat niet om de rechterlijkeuitspraken en de strafbeschikkingen waarin die strafvordering resulteert.Twee voorbeelden van strafvorderlijke beslissingen waarbij de Minister isbelast met de tenuitvoerlegging zijn het bevel tot voorlopige hechtenis enhet bevel tot inverzekeringstelling waarbij de officier van justitie heeftbevolen dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt in een huis van bewaring.Ook hier vertoont de afbakening van het huidige artikel 6:1:1 gebreken.Want waar het bevel tot voorlopige hechtenis nog binnen de afbakeningkan worden gebracht (als rechterlijke beslissing), geldt dat niet voor hetbevel tot inverzekeringstelling (geen rechterlijke beslissing en geenstrafbeschikking). Met het verlaten van de afbakening van het huidigeartikel 6:1:1 wordt bereikt dat ook de tenuitvoerlegging van deze beslis-singen van de officier van justitie formeel op de juiste wijze is geborgd.Net als bij de rechterlijke beslissingen is het niet zo dat alle strafvorderlijkebeslissingen worden tenuitvoergelegd door de Minister. Als bijvoorbeeldde zittingsrechter beveelt dat het onderzoek op de zitting met geslotendeuren plaatsvindt, is het evident dat de Minister niet is belast met detenuitvoerlegging van dat bevel. Het is dan ook wenselijk nader te duidenop welke beslissingen – andere dan de strafrechtelijke beslissingen – deverantwoordelijkheid van de Minister betrekking heeft. Het derde envierde lid bieden deze nadere duiding.Tot de opsomming in het derde lid is gekomen door de verschillendestrafvorderlijke beslissingen van de rechter en het openbaar ministeriecategorisch te bezien. Daarbij is geconstateerd dat de Minister is belastmet de tenuitvoerlegging van enkele strafvorderlijke beslissingen dievrijheidsbeneming tot gevolg hebben. Voor deze categorie beslissingenbevat het wetboek specifieke voorzieningen, bijvoorbeeld over deopneming in een inrichting of instelling (artikel 7.1.17) en over deinvrijheidstelling (artikel 7.1.18). Om die reden zijn deze beslissingengezamenlijk aangeduid als «strafvorderlijke beslissingen tot vrijheidsbe-neming». De beslissingen worden in het derde lid uitputtend opgesomd.Het gaat om bevelen tot inverzekeringstelling waarbij de officier vanjustitie heeft bevolen dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt in een huis vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 317 bewaring (onderdeel a), bevelen tot voorlopige hechtenis (onderdeel b),bevelen tot gijzeling van getuigen (onderdeel c) en bevelen van de officiervan justitie dat de vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 7.2.2, plaatsvindtin een huis van bewaring (onderdeel d).Onderdeel a: bevelen tot inverzekeringstellingEen verdachte die wordt aangehouden, kan worden opgehouden vooronderzoek en daarna door de officier van justitie of de hulpofficier vanjustitie in verzekering worden gesteld. Artikel 2.5.15, vierde lid, eerste zin,bepaalt dat de inverzekeringstelling wordt tenuitvoergelegd in eenpolitiecel of in een cel van de Koninklijke marechaussee. Het is weinigzinvol de Minister te betrekken bij die tenuitvoerlegging. Dat wordt andersals de officier van justitie gebruik maakt van zijn in de tweede zin van datartikellid gegeven bevoegdheid om in bijzondere gevallen te bevelen datde inverzekeringstelling wordt tenuitvoergelegd in een huis van bewaring.Gezien de coördinerende rol van de Minister bij vrijheidsbenemingen dieworden geëffectueerd in penitentiaire inrichtingen, is de Minister belastmet de tenuitvoerlegging van deze bevelen. De tenuitvoerleggingstaakvan de Minister beperkt zich niet tot het effectueren van de vrijheidsbe-neming waartoe het bevel van de officier van justitie strekt. Bij een beveltot inverzekeringstelling doet zich namelijk een soortgelijk verschijnselvoor als bij strafrechtelijke beslissingen. Nadat het bevel is gegevenkunnen andere beslissingen worden genomen die betrekking hebben opde tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke bevel. Zo kan de inverzeke-ringstelling worden verlengd of opgeheven. Het vijfde lid stelt buitentwijfel dat ook de effectuering van deze (nadere) beslissingen behoort totde tenuitvoerleggingstaak van de Minister.Onderdeel b: bevelen tot voorlopige hechtenisOok bevelen tot voorlopige hechtenis worden tenuitvoergelegd in eenhuis van bewaring. Om die reden is de Minister belast met de tenuitvoer-legging van deze bevelen. In die gevallen waarin het optreden van deMinister niet kan worden afgewacht, bijvoorbeeld bij een bevel gevangen-neming dat op de zitting wordt gegeven ten aanzien van een daaraanwezige verdachte die zich op vrije voeten bevindt, is het wenselijk tevoorzien in een bevoegdheid voor het openbaar ministerie om tevoorkomen dat de verdachte zich aan de vrijheidsbeneming kanonttrekken (zie nader artikel 1.10.2, derde lid). De tenuitvoerleggingstaakvan de Minister beperkt zich niet tot het effectueren van de vrijheidsbe-neming waartoe het bevel tot voorlopige hechtenis strekt. Ook bij eenbevel tot voorlopige hechtenis kunnen, nadat het bevel is gegeven, anderebeslissingen worden genomen die betrekking hebben op de tenuitvoer-legging van het oorspronkelijke bevel. Zo kan de voorlopige hechtenisworden verlengd, geschorst en opgeheven. Het vijfde lid stelt buitentwijfel dat ook de effectuering van deze (nadere) beslissingen behoort totde tenuitvoerleggingstaak van de Minister.Onderdeel c: bevelen tot gijzeling van getuigenIn het vooronderzoek kan de rechter-commissaris en tijdens de berechtingkan de zittingsrechter bevelen dat een onwillige getuige wordt gegijzeld.De tenuitvoerlegging van dat bevel vindt (mede) plaats in een huis vanbewaring (artikel 9, tweede lid, onderdeel e, in samenhang met artikel 1,onderdeel t, van de Penitentiaire Beginselenwet). Om deze reden is deMinister belast met de tenuitvoerlegging van het bevel tot gijzeling. Netals bij bevelen tot voorlopige hechtenis kunnen zich spoedeisendesituaties voordoen die onmiddellijk optreden vereisen. Daarbij komt datde getuige in de praktijk soms niet onmiddellijk wordt overgebracht naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 318 het huis van bewaring, maar eerst in het gerechtsgebouw wordt onder-vraagd. Ook hierom is het wenselijk te voorzien in een bevoegdheid voorhet openbaar ministerie om te voorkomen dat de getuige zich aan devrijheidsbeneming kan onttrekken als het optreden van de Minister nietkan worden afgewacht (zie artikel 1.10.2, derde lid). Voorts geldt ook hierdat tot de tenuitvoerleggingstaak van de Minister hoort dat hij devervolgbeslissingen effectueert die worden gegeven met betrekking tot degijzeling. Dit wordt in het vijfde lid buiten twijfel gesteld.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook bevoegdheden tot gijzelingbestaan ten aanzien van veroordeelden, namelijk in geval volledig verhaalniet mogelijk blijkt bij de tenuitvoerlegging van een geldelijke straf ofmaatregel. Het gaat hier echter niet om strafvorderlijke beslissingen, maarom beslissingen die worden gegeven in het kader van de tenuitvoer-legging van een strafrechtelijke beslissing. Zij vallen daarom onder detenuitvoerlegging van de in het tweede lid bedoelde beslissingen. Hetvijfde lid voorziet daarin.Onderdeel d: bevelen tot aanhouding, bedoeld in artikel 7.2.2Naast de door opsporingsambtenaren in het kader van de opsporing uit teoefenen bevoegdheid tot aanhouding van verdachten, staan twee anderebevoegdheden die daarvan moeten worden onderscheiden. In de eersteplaats de in artikel 7.1.14 geregelde bevoegdheid van de Minister om eenopdracht tot tenuitvoerlegging te geven die strekt tot aanhouding van eenverdachte of veroordeelde met het oog op de tenuitvoerlegging van eenvrijheidsbenemende straf of maatregel. In de tweede plaats de in artikel7.2.2 aan de officier van justitie gegeven bevoegdheid om de aanhoudingvan de verdachte of veroordeelde te bevelen in gevallen waarin (bijvoor-beeld) wordt vermoed dat bijzondere voorwaarden zijn overtreden. Voorde door de Minister gegeven opdracht tot tenuitvoerlegging die strekt totaanhouding geldt uiteraard dat die tot zijn tenuitvoerleggingstaakbehoort. De vrijheidsbeneming die de aanhouding meebrengt vormt hetbegin van de tenuitvoerlegging van de desbetreffende straf of maatregelen valt daarmee onder de verantwoordelijkheid van de Minister. Tenaanzien van de in artikel 7.2.2 gegeven aanhoudingsbevoegdheid geldteenzelfde regeling als ten aanzien van de inverzekeringstelling. Devrijheidsbeneming vindt plaats in een politiecel of in een cel van deKoninklijke marechaussee, tenzij de officier van justitie bepaalt dat detenuitvoerlegging plaatsvindt in een huis van bewaring. In dat bijzonderegeval is de Minister verantwoordelijk voor de vrijheidsbeneming.Vierde lidNaast de strafrechtelijke beslissingen en de strafvorderlijke beslissingentot vrijheidsbeneming is de Minister in de praktijk verantwoordelijk voorde tenuitvoerlegging van een aantal overige strafvorderlijke beslissingen.Het gaat allereerst om beslissingen die in de uitvoering vergelijkbaar zijnmet een opgelegde straf of maatregel. Concreet gaat het om de transactie(Boek 3, Titel 4.2), de ontnemingsschikking (artikel 4.4.24) en de gedrags-aanwijzing (artikel 6.5.1). Deze modaliteiten komen allemaal tot stand opinitiatief van de officier van justitie en zijn dus geen rechterlijke beslis-singen. Het zijn evenmin strafbeschikkingen. Zij vallen dus buiten deafbakening van het huidige artikel 6:1:1. De ontnemingsschikking komtinhoudelijk echter in grote mate overeen met de door de rechteropgelegde ontnemingsmaatregel. En de voorwaarden die kunnen wordengesteld bij de transactie en de gedragsaanwijzing kunnen ook door derechter worden gesteld indien hij bepaalt dat een straf of maatregelvoorwaardelijk niet wordt tenuitvoergelegd. Binnen de strafrechtketen iskort na de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerleggingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 319 strafrechtelijke beslissingen dan ook geconcludeerd dat deze beslissingenom inhoudelijke redenen zouden moeten worden tenuitvoergelegd onderverantwoordelijkheid van de Minister. Het huidige artikel 6:1:1 maakt datformeel echter onmogelijk, omdat deze strafvorderlijke beslissingen alsgezegd geen rechterlijke beslissingen en geen strafbeschikkingen zijn. Metde nieuwe afbakening is de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoer-legging op de juiste wijze geborgd in de wet.Daarnaast zal de Minister verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerleggingvan de beslissing tot schadevergoeding als processuele sanctie (artikel4.3.12). Deze (nieuwe) rechterlijke beslissing hangt nauw samen met destrafzaak als zodanig – de beslissing wordt ook opgenomen in heteindvonnis (artikel 4.3.21, vijfde lid) – maar is geen strafrechtelijkebeslissing omdat geen toepassing wordt gegeven aan het materiëlestrafrecht. Het gaat om financiële genoegdoening in geval van onredelijkevertraging en dus om een strafvorderlijke beslissing. In de praktijk zal deuitbetaling van de schadevergoeding vergelijkbaar zijn met bijvoorbeeldhet uitkeren van het resterende bedrag van de schadevergoedingsmaat-regel (artikel 7.5.3), waardoor het in de rede ligt dat de tenuitvoerleggingplaatsvindt door de Minister.Ten aanzien van de in dit vierde lid genoemde strafvorderlijke beslis-singen geldt dat deze opsomming alleen relevant is in verband met detenuitvoerleggingstaak van de Minister. Daarom is in de aanhef van dit lidbepaald dat het erom gaat wat in dit artikel onder andere strafvorderlijkebeslissingen wordt verstaan. Door deze afbakening wordt voorkomen datdaar waar elders in het wetboek wordt gesproken over strafvorderlijkebeslissingen – bijvoorbeeld in artikel 1.1.6 of in artikel 7.7.1 – enkel de indit vierde lid genoemde beslissingen zouden moeten worden ingelezen.De beslissingen in het vierde lid onderscheiden zich hierin van destrafrechtelijke beslissingen (van het tweede lid) en de strafvorderlijkebeslissingen tot vrijheidsbeneming (van het derde lid), die wél alscategorie terugkeren in andere bepalingen van het wetboek en daar ooksteeds dezelfde afbakening hebben.Vijfde lidZoals hiervoor al aan de orde kwam, kunnen in het kader van de tenuit-voerlegging nadere beslissingen worden genomen die betrekking hebbenop die tenuitvoerlegging. Die vervolgbeslissingen kunnen wordengenomen door de rechtbank of door het openbaar ministerie, maar ookdoor de Minister. Voorbeelden van dat laatste zijn de uitvaardiging vaneen dwangbevel tot verhaal (artikel 7.5.6) en de beslissing tot toepassingvan vervangende hechtenis bij geldboetes (artikel 7.5.8). De bevoegdheidom deze beslissingen te nemen is een uitvloeisel van de taak die deMinister heeft met betrekking tot de tenuitvoerlegging. De verantwoorde-lijkheid van de Minister krijgt daarin concreet gestalte. Het spreekt vanzelfdat het nemen van deze beslissingen tot de tenuitvoerlegging behoortwaarmee de Minister is belast. Het is dan ook overbodig in de wet tebepalen dat de Minister is belast met de tenuitvoerlegging van zijn eigenbeslissingen. Dat is niet anders als de uitoefening van de bevoegdheid detussenkomst van de rechtbank vereist.Voor een deel van de vervolgbeslissingen die worden genomen door derechtbank of de officier van justitie geldt om een andere reden dat deeffectuering ervan behoort tot de tenuitvoerlegging waarmee de Ministeris belast. Als de rechtbank bijvoorbeeld de tenuitvoerlegging beveelt vaneen voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf wegens de overtredingvan de voorwaarden (artikel 7.2.7), is de consequentie daarvan dat de bijvonnis of arrest opgelegde straf alsnog moet worden tenuitvoergelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 320 Het spreekt op grond van het eerste en tweede lid vanzelf dat de Ministermet die tenuitvoerlegging is belast. Dat hoeft niet nog eens apart teworden bepaald. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bevoegdheid van deofficier van justitie om de tenuitvoerlegging te bevelen van de vervan-gende hechtenis bij een taakstraf (artikel 7.6.4). De consequentie van diebeslissing is dat de in het vonnis of arrest bepaalde vervangendehechtenis daadwerkelijk moet worden tenuitvoergelegd. Het kan gezienhet eerste en tweede lid niet anders of de Minister is met die tenuitvoer-legging belast. Dat hoeft niet apart te worden bepaald.Het vanzelfsprekende hoeft niet in de wet te worden uitgedrukt. De redendat toch in het vijfde lid is bepaald dat de effectuering van vervolgbeslis-singen tot de tenuitvoerleggingstaak van de Minister behoort, is dat erook vervolgbeslissingen zijn waarvan het niet vanzelf spreekt dat zij tot dietenuitvoerleggingstaak behoren. Zo kan de rechtbank, na oplegging vande maatregel van terbeschikkingstelling, die terbeschikkingstellingverlengen (artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht) ofbepalen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zalworden verpleegd (artikel 7.4.7, tweede lid). Men kan zich afvragen of detenuitvoerlegging van de verlengde terbeschikkingstelling nog kanworden gezien als de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijk vonnis. Datgeldt nog sterker als alsnog verpleging van overheidswege wordtbevolen. In het oorspronkelijke vonnis was die verpleging vanoverheidswege immers niet bevolen. Een wat ingewikkelder voorbeeld isde toepassing van het dwangmiddel gijzeling bij het niet betalen van eenin een strafbeschikking opgelegde geldboete (artikel 7.5.21). Die gijzelingmoet worden tenuitvoergelegd in een huis van bewaring, zodat detenuitvoerlegging ervan aan de Minister moet toekomen. De vraag isechter of dat uit het eerste en tweede lid volgt, aangezien de gijzeling nieteen dwangmiddel is dat in een strafbeschikking kan worden opgelegd; datzou in strijd zijn met artikel 5 van het Europees verdrag tot beschermingvan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er kandus niet worden gesproken van de tenuitvoerlegging van de strafbe-schikking, terwijl de bevoegdheid om het dwangmiddel toe te passen aande officier van justitie is gegeven, zodat het niet gaat om de tenuitvoer-legging van een eigen beslissing van de Minister.De onduidelijkheid rondom deze en andere twijfelgevallen zou kunnenworden opgelost door alle vervolgbeslissingen waarvan het niet vanzelfspreekt dat de effectuering ervan deel uitmaakt van de tenuitvoerleg-gingstaak van de Minister, afzonderlijk te vermelden in het tweede, derdeof vierde lid. De 3RO hebben verzocht om een dergelijke afbakening. Datis echter een moeizame aangelegenheid, die vraagt om het maken vaneen precies onderscheid tussen beslissingen die wel en beslissingen diegeen twijfelgeval opleveren. In plaats daarvan is in het vijfde lid generiekbepaald dat voor alle beslissingen die worden genomen in het kader vande tenuitvoerlegging van de in het eerste lid genoemde beslissingen,geldt dat de effectuering ervan wordt gerekend tot de aan de Ministertoebedeelde tenuitvoerleggingstaak. Dat uitgangspunt spreekt in eenaantal gevallen vanzelf, en in een aantal gevallen niet. In zoverre heeft debepaling het karakter van een uitbreidende definitie. Het voordeel vandeze oplossing is ook dat zij de regeling vereenvoudigt. Zo hoeven inonderdeel b van het derde lid enkel de bevelen tot voorlopige hechtenis teworden vermeld. Uit het vijfde lid volgt dat de Minister ook een taak heeftmet betrekking tot nadere beslissingen over de voorlopige hechtenis,zoals de verlenging van de gevangenhouding en de schorsing ervan.Hetzelfde geldt met betrekking tot bevelen tot gijzeling van een getuige.De vervolgbeslissing die op grond van artikel 2.10.35 moet wordengenomen door de rechtbank als de gijzeling is bevolen door de rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 321 commissaris, is via het vijfde lid inbegrepen in de tenuitvoerleggingstaakvan de Minister.Afsluitende opmerkingenMet de nadere duiding van de tenuitvoerleggingstaak van de Minister isgeen inhoudelijke wijziging beoogd van de verantwoordelijkheidsver-deling tussen de Minister en het openbaar ministerie zoals die tot stand isgekomen met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen. Integendeel, de nadere duiding komt juist beter tegemoetaan de uitvoeringspraktijk zoals die sinds de inwerkingtreding van die wetvorm heeft gekregen, onder meer door bepaalde beslissingen van deofficier van justitie onder de reikwijdte van het artikel te brengen. Hetadvies van het OM om af te zien van de nadere duiding en in plaatsdaarvan de afbakening van het huidige artikel 6:1:1 letterlijk over tenemen, is om die reden niet gevolgd.Tot slot wordt benadrukt dat dit artikel alleen betrekking heeft opbeslissingen die worden genomen met toepassing van het Wetboek vanStrafvordering. De Minister is daarnaast verantwoordelijk voor detenuitvoerlegging van enkele andersoortige beslissingen. Die beslissingenzijn niet gebaseerd op het Wetboek van Strafvordering, maar op andere(sectorale) wetgeving. Voorbeelden zijn de maatregel kostenverhaal (alsbedoeld in artikel 13d van de Opiumwet) en erkende geldelijke sancties enconfiscatiebeslissingen uit andere EU-lidstaten (als bedoeld in de Wetwederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties enbeslissingen tot confiscatie). Deze en andere meer specifieke beslissingenvallen buiten de reikwijdte van het Wetboek van Strafvordering en wordendus niet genoemd in dit artikel. Voor deze beslissingen geldt dat de wijzevan tenuitvoerlegging – ook naar huidig recht – steeds is geregeld in debetreffende wettelijke regeling. Vaak is dat gebeurd door relevantebepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstigetoepassing te verklaren. Via de invoeringswet wordt de andere (sectorale)wetgeving aangepast aan het nieuwe wetboek, zodat de verantwoorde-lijkheid van de Minister ook in die wetgeving geborgd blijft.Artikel 1.10.2 [spoedige tenuitvoerlegging; opschortende werkingrechtsmiddelen]Eerste lidDe met de tenuitvoerlegging belaste autoriteiten hebben niet alleen deplicht de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen uit te voeren. Zijhebben ook de opdracht hiertoe zo spoedig mogelijk over te gaan. Dieopdracht geldt bij alle ten uitvoer te leggen beslissingen. Bij strafrechte-lijke beslissingen bestaat een directe samenhang met het tweede lid:zodra de tenuitvoerlegging is toegelaten, vindt deze zo spoedig mogelijkplaats. Voor strafvorderlijke beslissingen tot vrijheidsbeneming geldt datzij dadelijk uitvoerbaar zijn, wat de noodzaak van een spoedige tenuitvoer-legging onderstreept (zie bijvoorbeeld artikel 2.5.24, eerste lid). Om eensnelle tenuitvoerlegging te kunnen realiseren verstrekt het openbaarministerie de door de Minister ten uitvoer te leggen beslissingen binnentwee weken nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn geworden. Alsde beslissing meteen voor tenuitvoerlegging vatbaar is, vindt verstrekkingdirect plaats (artikel 7.1.1, eerste lid).Een spoedige tenuitvoerlegging is een bestaand uitgangspunt (zie hethuidige artikel 6:1:2) en zorgt bij strafrechtelijke beslissingen voor eenduidelijke relatie tussen het gepleegde strafbare feit, de berechting en deopgelegde straf of maatregel. Een snelle tenuitvoerlegging is daarmeeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 322 van belang voor de geloofwaardigheid van het strafrecht en voor hetvertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Voor de fase van de tenuitvoer-legging is de concrete doelstelling de tijd tussen een beslissing en dedaadwerkelijke start van de tenuitvoerlegging zo kort mogelijk te latenzijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het snel oproepen van veroor-deelden tot een vrijheidsstraf zichzelf te melden bij de penitentiaireinrichting, om afspraken over het sneller verstrekken van de ten uitvoer teleggen beslissing en om het sneller starten van het toezicht. Dat eenbeslissing zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, laat onverlet dat zichsituaties kunnen voordoen waarbij de tenuitvoerlegging afhankelijk is vande tenuitvoerlegging van een andere (meestal eerdere) beslissing. Eenbevel tot voorlopige hechtenis kan bijvoorbeeld worden gegeven terwijlten aanzien van dezelfde verdachte nog een bevel tot inverzekeringstellingloopt. Of een tot gevangenisstraf veroordeelde zit al een eerder opgelegdegevangenisstraf uit. In dergelijke gevallen kan de beslissing vanzelf-sprekend niet direct worden uitgevoerd. Meestal vindt de tenuitvoer-legging dan aansluitend aan de andere beslissing plaats.Bijzondere aandacht gaat uit naar beslissingen die direct onherroepelijk ofuitvoerbaar zijn. Dat is het geval bij de strafvorderlijke beslissingen totvrijheidsbeneming, maar bijvoorbeeld ook als de veroordeelde en deofficier van justitie op de terechtzitting afstand doen van het recht omhoger beroep in te stellen, of als een maatregel is opgelegd waarbij derechter dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen. In die gevallen zullen devoor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen direct worden verstrekt tenbehoeve van de tenuitvoerlegging (artikel 7.1.1, eerste lid, tweede zin).Daarover zijn afzonderlijke afspraken gemaakt tussen de rechtspraak, hetopenbaar ministerie en de betrokken uitvoeringsorganisaties. Tot slot isbelangrijk dat snel vervolgbeslissingen kunnen worden genomen ofgevorderd als een beslissing niet (goed) wordt uitgevoerd of eenvoorwaarde niet wordt nageleefd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om desituatie dat een taakstraf niet naar behoren wordt verricht zodat vervan-gende hechtenis moet volgen, of om de situatie dat een voorwaardelijk invrijheid gestelde veroordeelde zich niet houdt aan een voorwaardewaardoor herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moetplaatsvinden. Ook dergelijke vervolgbeslissingen dienen snel te wordengenomen en uitgevoerd om effectief te kunnen fungeren als stok achterde deur.Tweede lidIn het strafrecht geldt het algemene uitgangspunt dat de tenuitvoer-legging van een beslissing niet kan aanvangen zolang tegen die beslissingnog een gewoon rechtsmiddel openstaat of, als een gewoon rechtsmiddelis aangewend, totdat het rechtsmiddel is ingetrokken of daarop onherroe-pelijk is beslist. Dit uitgangspunt is thans verankerd in artikel 6:1:16, eerstelid. Onder «gewoon rechtsmiddel» wordt niet alleen verstaan hogerberoep of beroep in cassatie, maar ook een bezwaarschrift of klaagschrift,beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris of verzet tegeneen strafbeschikking (artikel 5.1.2). Zie over de kwalificatie van verzet alsgewoon rechtsmiddel nader de algemene toelichting op Boek 5,Hoofdstuk 3 (Verzet tegen strafbeschikkingen).De opschortende werking van een gewoon rechtsmiddel geldt volgens hethuidige artikel 6:1:16, eerste lid, alleen voor de tenuitvoerlegging van een«rechterlijke beslissing». Dit tweede lid spreekt meer in algemene zin overde tenuitvoerlegging van een «beslissing». Het wetboek gaat er namelijkvan uit dat alle beslissingen – rechterlijke én niet-rechterlijke – niet wordentenuitvoergelegd zolang daartegen een gewoon rechtsmiddel open staat.Zo bepaalt artikel 2.5.24 dat beslissingen inzake de voorlopige hechtenisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 323 dadelijk uitvoerbaar zijn. Voor die (rechterlijke) beslissingen geldt dus eenuitzondering op de hoofdregel dat moet worden gewacht met detenuitvoerlegging. Dat de hoofdregel ook heeft te gelden ten aanzien vanniet-rechterlijke beslissingen, blijkt bijvoorbeeld uit artikel 2.5.16. Opgrond van dat artikel kan de (hulp)officier van justitie maatregelen bevelenten aanzien van de opgehouden of in verzekering gestelde verdachte. Deverdachte kan daartegen een bezwaarschrift indienen op grond van artikel2.5.58. In artikel 2.5.16, derde lid, is evenwel bepaald dat het bevel van de(hulp)officier van justitie dadelijk uitvoerbaar is. Die bepaling zou nietnodig zijn als het uitgangspunt was dat niet-rechterlijke beslissingen perdefinitie dadelijk uitvoerbaar zijn. Door in algemene zin te spreken over detenuitvoerlegging van een «beslissing» wordt dus tot uitdrukking gebrachtdat ook andere beslissingen, bijvoorbeeld die van de officier van justitie ofde Minister, niet worden tenuitvoergelegd zolang daartegen een gewoonrechtsmiddel open staat. Die formulering is ook in lijn met het oude artikel557, eerste lid. Dat artikellid was de voorganger van het huidige artikel6:1:16, eerste lid, en had eveneens betrekking op (alle) beslissingen.Het tweede lid heeft betrekking op beslissingen voor zover die voortenuitvoerlegging vatbaar zijn. Dat het om beslissingen moet gaan isrelevant voor het bezwaarschrift tegen de procesinleiding. Dat bezwaar-schrift richt zich namelijk niet tegen een beslissing, maar tegen eenhandeling (het indienen van die procesinleiding). Die handeling is eenvoldongen feit. Het tweede lid brengt dan ook niet mee dat de procesin-leiding wordt ingetrokken als daartegen een bezwaarschrift wordtingediend. Dat het moet gaan om beslissingen die voor tenuitvoerleggingvatbaar zijn, is relevant voor beslissingen om iets niet te doen. Diebeslissingen brengen mee dat er niets gebeurt. Het aanwenden van eenrechtsmiddel leidt er in die gevallen niet toe dat er (voorlopig) wél ietsmoet gebeuren. Dat wordt pas anders als het aanwenden van hetrechtsmiddel leidt tot een beslissing die inhoudt dat er iets moetgebeuren. Een voorbeeld hiervan is artikel 1.8.13 in samenhang metartikel 1.8.4. Tegen de afwijzing van de officier van justitie van het verzoekom processtukken te voegen, kan de verdachte een bezwaarschriftindienen. Zolang dat bezwaarschrift niet gegrond is verklaard, blijft deafwijzing in stand. Niet bepaald hoeft te worden dat die afwijzing dadelijkuitvoerbaar is.Specifiek voor de fase van de tenuitvoerlegging betekent het tweede liddat niet alleen moet worden gewacht met de tenuitvoerlegging van deoorspronkelijke beslissing (zoals de opgelegde straf of maatregel), maarook met die van eventuele nadere beslissingen waartegen een gewoonrechtsmiddel open staat. Voorbeelden zijn de beslissing van de Ministertot uitvaardiging van een dwangbevel tot verhaal (artikel 7.5.6) of debeslissing van de officier van justitie tot toepassing van vervangendehechtenis bij een taakstraf (artikel 7.6.4). Tegen beide beslissingen staatbezwaar open (artikelen 7.5.23 en 7.6.21) en in beide gevallen geldt dus dittweede lid. Waar nodig zijn te bestemder plaatse uitzonderingen gemaakt,zoals bij het bezwaarschrift tegen de herroeping van een voorwaardelijkeinvrijheidstelling. De beslissing van de officier van justitie tot herroepingis dadelijk uitvoerbaar (artikel 7.3.11, zevende lid), dus in dat geval heefteen eventueel bezwaarschrift geen opschortende werking. Hetzelfde geldtten aanzien van (voorlopige) beslissingen van de rechter-commissaris(artikel 7.2.3, zevende lid). De rechtvaardiging voor een uitzondering isvrijwel altijd gelegen in het feit dat direct ingrijpen is vereist, bijvoorbeeldomdat van de veroordeelde een acuut gevaar uitgaat. Het zou zeeronwenselijk zijn als een dergelijk ingrijpen kan worden verhinderd ofuitgesteld met het aanwenden van een rechtsmiddel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 324 Derde lidBij strafvorderlijke beslissingen tot vrijheidsbeneming kan zich de situatievoordoen dat de beslissing direct moet worden uitgevoerd, maarambtenaren van de Minister niet ter plaatse zijn om die directe uitvoeringte garanderen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een bevel gevangen-neming dat op de zitting wordt gegeven ten aanzien van een daaraanwezige verdachte die zich op vrije voeten bevindt. Op de zitting is (eenbevoegde vertegenwoordiger van) de Minister niet aanwezig. In dehuidige praktijk is door middel van werkafspraken erin voorzien dat hetopenbaar ministerie in dat geval kan doen wat nodig is om de vrijheidsbe-neming te garanderen, in naam van de Minister. In het derde lid zijn dezewerkafspraken gecodificeerd. Daardoor is op het niveau van de wetverzekerd dat het openbaar ministerie de maatregelen kan nemen dienoodzakelijk zijn om te voorkomen dat de verdachte, de veroordeelde ofde getuige zich onttrekt aan de vrijheidsbeneming. Een dergelijkeinterventie van het openbaar ministerie wijzigt uiteraard niets aan deverantwoordelijkheid van de Minister. De Minister blijft op grond vanartikel 1.10.1 verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de strafvor-derlijke beslissing tot vrijheidsbeneming.Artikel 1.10.3 [belangen bij de tenuitvoerlegging]Bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen moet rekeningworden gehouden met verschillende doelen en belangen. De wijzewaarop een vrijheidsstraf wordt voltrokken moet bijvoorbeeld nietonnodig in de weg staan aan de nieuwe kans die de veroordeelde krijgt bijzijn terugkeer in de samenleving. Naast de terugkeer in de samenlevingvan een veroordeelde moet bij beslissingen tijdens de tenuitvoerleggingook rekening worden gehouden met de veiligheid van de samenleving alsgeheel en de gerechtvaardigde belangen van slachtoffers ennabestaanden. Een afweging tussen resocialisatie, veiligheid en belangenvan slachtoffers is nadrukkelijk aan de orde bij het verlenen van vrijhedenaan veroordeelden en de voorwaarden die daarbij worden gesteld. Binnende uit de wetssystematiek volgende plicht tot tenuitvoerlegging geeft ditartikel hiertoe een algemene opdracht aan degenen die betrokken zijn bijof belast zijn met de tenuitvoerlegging. Er is niet beoogd een hiërarchieaan te brengen tussen de genoemde doelen en belangen of een apartegrond te creëren voor het opkomen tegen beslissingen in het kader van detenuitvoerlegging; het betreft nevengeschikte aspecten waarmee tijdensde tenuitvoerlegging doorlopend rekening moet worden gehouden.Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:1:3. Ten opzichtevan dat artikel is wel een tekstuele aanpassing doorgevoerd. Denabestaanden van slachtoffers worden niet langer afzonderlijk vermeld,omdat nabestaanden op grond van de definitie in artikel 1.5.1 zelfslachtoffer zijn.Artikel 1.10.4 [uitoefening van bevoegdheden door ambtenaren]De Minister kan de uitoefening van een of meer aan hem opgedragenbevoegdheden schriftelijk opdragen aan een ambtenaar die werkzaam isonder zijn verantwoordelijkheid. Deze mogelijkheid is ongewijzigdovergenomen uit het huidige artikel 6:1:4. Het eerste lid maakt hetbijvoorbeeld mogelijk dat ambtenaren van het CJIB of de Dienst JustitiëleInrichtingen (DJI) bevoegdheden inzetten ter inning en incasso vangeldelijke straffen of maatregelen, of bij de tenuitvoerlegging vanvrijheidsstraffen. De opdracht van de Minister wordt op schrift gesteld.Het tweede lid bepaalt dat de opgedragen bevoegdheid in naam en onderverantwoordelijkheid van de Minister wordt uitgeoefend. Bij algemeneTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 325 maatregel van bestuur kunnen op grond van artikel 1.10.11, tweede lid,nadere regels worden gesteld over de toepassing van bevoegdheden vande Minister door zijn ambtenaren. Deze bepaling is naar analogie vanartikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie, op grond waarvanrechterlijke ambtenaren van het openbaar ministerie bevoegdhedenkunnen opdragen aan bij een parket werkzame ambtenaren, onder meerin het kader van de tenuitvoerlegging. In het derde lid is de afdeling overmandaat van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard opde uitoefening van bevoegdheden namens de Minister.Artikel 1.10.5 [inschakeling politie, militairen, e.a. door deMinister]De Minister kan ten behoeve van de hem opgedragen tenuitvoerleggingeen beroep doen op anderen. In dit artikel is opgesomd wie voor detenuitvoerleggingstaak kan worden ingezet. Het artikel is inhoudelijkgebaseerd op het huidige artikel 6:1:5.Eerste lidHet eerste lid bepaalt dat de Minister voor de tenuitvoerlegging algemeneof bijzondere opdrachten kan geven aan ambtenaren van politie,aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aan militairen van deKoninklijke marechaussee, aan opsporingsambtenaren van de bijzondereopsporingsdiensten, en aan andere ambtenaren of functionarissen voorzover zij door de Minister zijn aangewezen voor de tenuitvoerlegging vandeze opdrachten. Het artikellid is ten opzichte van het huidige artikel 6:1:5,eerste lid, op drie punten gewijzigd. De eerste wijziging is van terminolo-gische aard. Er wordt niet langer gesproken over het geven van «lasten»,maar van «opdrachten». De term «opdracht» wordt ook gebruikt in relatietot de reclassering (zie artikel 7.2.1, tweede lid) en geeft de ambtelijkeverhouding tussen de Minister en de politie beter weer dan bijvoorbeeldde term «last» of «bevel». Gebruik van de term «bevel» zou bovendienbetekenen dat in artikel 7.1.14 gesproken moet worden van een «bevel tottenuitvoerlegging dat strekt tot aanhouding». Hierdoor ontstaat mogelijkverwarring met het bevel tot aanhouding dat de officier van justitie kangeven op grond van de artikelen 2.5.5 en 7.2.2. De tweede wijziging is datniet langer expliciet is bepaald dat de Minister de «nodige» opdrachtenkan geven. Bij elke bevoegdheid tot het geven van een opdracht of bevelin het nieuwe wetboek geldt immers dat deze slechts het geven vannodige opdrachten of bevelen legitimeert. De derde wijziging, tot slot, isdat de opsomming van functionarissen niet langer de gerechtsdeur-waarders bevat. De vermelding van de gerechtsdeurwaarders in hetvoormalige artikel 556 – de voorganger van het huidige artikel 6:1:5 – wasnodig omdat de betekening van gerechtelijke mededelingen aanvankelijkdiende plaats te vinden bij exploot van in het bijzonder de gerechtsdeur-waarder. Later kreeg de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen eeneigen regeling, waarin voor de gerechtsdeurwaarder geen plaats meerwas. Sindsdien had het oude artikel 556 voor die kennisgeving geenbetekenis meer. De laatste zin van artikel 556, eerste lid, bepaalde nog weldat de bijzondere last tot de gerechtsdeurwaarder wordt gericht inbepaalde gevallen van (kort gezegd) executiebeslag. Die bepaling isgereproduceerd in het huidige artikel 6:1:5, derde lid. Dat voor gevallenvan executiebeslag de inschakeling van de gerechtsdeurwaarder isvereist, volgt echter al uit de artikelen 7.5.6 en 7.5.7. De bevoegdheid – zoniet de plicht – van de Minister om de gerechtsdeurwaarder in teschakelen is rechtstreeks gebaseerd op die artikelen. Een separatebevoegdheid om de gerechtsdeurwaarder de desbetreffende opdracht tegeven voegt daaraan niets toe. Om deze redenen wordt de gerechtsdeur-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 326 waarder niet langer vermeld in het eerste lid, en is het derde lid van hethuidige artikel 6:1:5 niet overgenomen.Tweede lidVoor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip ofzeevissersvaartuig dan wel op een aangewezen installatie ter zee kan debijzondere opdracht worden gegeven aan de schipper of, bij eenaangewezen installatie, aan de leidinggevende. Dit tweede lid is inhou-delijk gelijk aan het huidige artikel 6:1:5, tweede lid, maar is redactioneelaangepast. Er kan namelijk niet langer worden verwezen naar eenovereenkomstig artikel 136a, tweede lid, aangewezen installatie; datartikellid is in het nieuwe wetboek niet overgenomen. Het huidige artikel136a, tweede lid, is ingevoerd met de Wet tot regeling van de strafvor-dering buiten het rechtsgebied van een rechtbank en enige daarmeeverband houdende voorzieningen (Stb. 1967, 152) en brengt mee datonder schipper wordt begrepen «hij die de leiding heeft op een door Onsaangewezen installatie ter zee». De inhoud van artikel 136a, tweede lid, isdaarom verwerkt in dit tweede lid.Derde lidArtikel 1.3.16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op alleambtenaren die de opdracht geven en op alle ambtenaren die de opdrachtuitvoeren. Dat artikellid bepaalt dat de opsporingsambtenaar bij deuitoefening van zijn bevoegdheid de hulp kan inroepen van de politie envan de Koninklijke marechaussee. Dit vloeit thans voort uit artikel 146,tweede lid. Het derde lid is daarmee inhoudelijk identiek aan het huidigeartikel 6:1:5, vierde lid.Artikel 1.10.6 [inlichtingen in verband met de tenuitvoerlegging]Eerste lidDe Minister kan aan een ieder bevelen de inlichtingen te verstrekken dieredelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging. Hierbij kanbijvoorbeeld worden gedacht aan informatie over de actuele verblijfplaatsvan de veroordeelde. Het verschoningsrecht van artikel 2.7.58, eerste lid,is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid geeft aan welkepersonen op grond van hun verschoningsrecht niet verplicht zijn tevoldoen aan bevelen als bedoeld in Boek 2, Hoofdstuk 7 (Bevoegdhedenmet betrekking tot voorwerpen en gegevens). Naar huidig recht is hetverschoningsrecht opgenomen in artikel 96a, derde lid. Het eerste lid isdaarmee inhoudelijk identiek aan het huidige artikel 6:1:9. Ten opzichtevan dat artikel is de term «vorderen» vervangen door «bevelen», omdat ereen verplichting is te voldoen. De formulering is daarmee ook gelijkge-trokken met vergelijkbare bevoegdheden voor de opsporingsambtenaaren de officier van justitie elders in het nieuwe wetboek. Zie bijvoorbeeldde artikelen 1.9.8, tweede lid, 2.7.16, derde lid, en 2.7.50, vierde lid. Ook indie artikelen wordt steeds gesproken over bevelen tot het verstrekken vaninlichtingen.Tweede lidIn navolging van het advies van het OM bepaalt het tweede lid dat eenbevel niet hoeft te worden opgevolgd indien het belang van enigopsporingsonderzoek zich daartegen verzet. Het is bijvoorbeeld denkbaardat in het kader van een lopend opsporingsonderzoek informatie bekendwordt over de verblijfplaats van een veroordeelde, maar dat dezeinformatie (nog) niet kan worden gedeeld omdat het niet in het belangTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 327 van dat onderzoek is dat bekend wordt dat bijzondere opsporings-bevoegdheden worden ingezet. De belangen van het opsporingson-derzoek wegen dan zwaarder dan het belang van het verstrekken van deinlichtingen. Daarbij is niet vereist dat het opsporingsonderzoekbetrekking heeft op (nieuwe strafbare feiten gepleegd door) de veroor-deelde. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een opsporingsonderzoek naareen medeverdachte.Artikel 1.10.7 [tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie]In de toelichting op artikel 1.10.1 is aangegeven welke beslissingen onderverantwoordelijkheid van de Minister worden tenuitvoergelegd sinds deinwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen. Kort gezegd gaat het om alle door de rechter en de officiervan justitie opgelegde straffen en maatregelen, strafvorderlijke vrijheids-benemingen, enkele andere strafvorderlijke beslissingen en alle vervolg-beslissingen die worden genomen in het kader van de tenuitvoerlegging.In de toelichting op artikel 1.10.1 is ook aangegeven dat het openbaarministerie verantwoordelijk is gebleven voor de uitvoering van andererechterlijke beslissingen. Dit blijkt echter niet expliciet uit de huidigewettelijke regeling. Het is wenselijk dit alsnog in de wet tot uitdrukking tebrengen. Dit artikel verduidelijkt dat het openbaar ministerie verantwoor-delijk is gebleven voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingendie niet worden tenuitvoergelegd door de Minister. De in aanmerkingkomende beslissingen zijn daarbij niet nader geduid zoals dat is gebeurdmet de beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging is opgedragen aan deMinister. Dat brengt namelijk het risico met zich dat beslissingen tussenwal en schip vallen als de opsommingen in de artikelen 1.10.1 en 1.10.7onverhoopt onvolledig zouden zijn. Dit artikel heeft aldus een accessoirkarakter: valt een uit te voeren rechterlijke beslissing niet onder deverantwoordelijkheid van de Minister, dan valt de uitvoering van diebeslissing onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie.Hiervan zou de suggestie kunnen uitgaan dat het gaat om een potentieelomvangrijke verzameling rechterlijke beslissingen. Zoals uit de hierondergegeven voorbeelden blijkt, gaat het echter om enkele specifiekebeslissingen die de rechter kan nemen gedurende de berechting. Zoalsook aangegeven in de toelichting op artikel 1.10.1, gaat het bij dit artikelom codificatie van de bestaande uitvoeringspraktijk, die sinds de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen onbedoeld geenwettelijke basis meer heeft. Er is uitdrukkelijk geen wijziging beoogd vande verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Minister en het openbaarministerie.Een voorbeeld van een rechterlijke beslissing die wordt uitgevoerd doorhet openbaar ministerie is de beslissing tot het oproepen van een getuigeof verdachte voor een zitting. Uit het huidige artikel 36a, eerste lid, kanworden afgeleid dat het niet de bedoeling is geweest van de wetgever omdeze taak met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen over te hevelen naar de Minister. Daarvoor bestaat ook geengoede grond. Ook het bevel tot medebrenging is een voorbeeld van eenrechterlijke beslissing die wordt uitgevoerd door het openbaar ministerie.De rechter kan een bevel tot oproeping van een getuige of verdachtevergezeld doen gaan van een bevel tot medebrenging. Hoewel detenuitvoerlegging van het bevel tot medebrenging vrijheidsbenemingimpliceert, is dat geen vrijheidsbeneming die plaatsvindt in een peniten-tiaire inrichting. Er is dan ook geen reden de Minister te belasten met detenuitvoerlegging. Het bevel tot medebrenging is aldus een rechterlijkebeslissing waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt door het openbaarministerie. Dit geldt ook voor rechterlijke beslissingen die (enkel) leidentot een kennisgeving. Vergelijk in dit verband het bepaalde in artikelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 328 1.9.10, tweede lid, dat het openbaar ministerie belast met de betekeningvan gerechtelijke mededelingen, tenzij de wet anders bepaalt. Deverantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor kennisgevingengeldt ook als de verplichting daartoe rechtstreeks voortvloeit uit de wet.Dit is bijvoorbeeld het geval in artikel 2.5.22, eerste lid, dat bepaalt dat hetbevel tot voorlopige hechtenis aan de verdachte wordt betekend.Het openbaar ministerie neemt ook zelf beslissingen, zowel in het kadervan de opsporing en vervolging als in het kader van de tenuitvoerlegging.Denk bijvoorbeeld aan de beslissing tot opheffing van de inverzekering-stelling of het indienen van een vordering tot (voorlopige) tenuitvoer-legging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregelbij de rechter-commissaris en de rechtbank. Dat het openbaar ministerieverantwoordelijk is voor het uitvoeren van deze en vergelijkbare beslis-singen, spreekt vanzelf en hoeft niet expliciet te worden bepaald. Op ditpunt kan een parallel worden getrokken met de «eigen» beslissingen vande Minister. Vergelijk de toelichting op artikel 1.10.1, vijfde lid.Het uitgangspunt dat het openbaar ministerie is belast met de tenuitvoer-legging van «overige» rechterlijke beslissingen, vindt uitzondering als uitde wettelijke regeling anders blijkt, zo bepaalt de zinsnede aan het slotvan het artikel. De achtergrond van deze zinsnede is dat er enkelerechterlijke beslissingen zijn die evident niet worden uitgevoerd door deMinister en evenmin door het openbaar ministerie. Denk bijvoorbeeld aanhet bevel dat het onderzoek op de zitting plaatsvindt met gesloten deurenof vergelijkbare, meer procedurele beslissingen. Het gaat daarbij wel omeen rechterlijke beslissing, maar niet één die wordt tenuitvoergelegd doorhet openbaar ministerie of door de Minister. In de regeling van dierechterlijke beslissingen ligt al besloten op welke wijze daaraan uitvoeringwordt gegeven.Artikel 1.10.8 [inschakeling politie, militairen e.a. door hetopenbaar ministerie]Net als de Minister kan het openbaar ministerie een beroep doen opanderen ten behoeve van de tenuitvoerlegging die door hem plaatsvindt.In dit artikel is opgesomd wie het openbaar ministerie kan inzetten voorzijn tenuitvoerleggingstaken.Dit artikel is nieuw en heeft een historisch vertrekpunt. Dit vertrekpunt isdat de staande magistratuur (het openbaar ministerie) oorspronkelijk deuitvoering verzorgde van de beslissingen en bevelen van de zittendemagistratuur (de rechtspraak). Het oude artikel 553 – de voorganger vanhet huidige artikel 6:1:1 – bepaalde dan ook dat het openbaar ministeriewas belast met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Hetging daarbij niet alleen om opgelegde straffen en maatregelen, maarbijvoorbeeld ook om bevelen tot voorlopige hechtenis en bevelen totoproeping van een getuige. Het artikel beperkte zich tot «rechterlijke»beslissingen. Dat het openbaar ministerie was belast met de tenuitvoer-legging van de bevelen die het zelf gaf, werd (en wordt) gezien alsvanzelfsprekend. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van deze bevelenbehoeft niet expliciet te worden toegekend. Het oude artikel 556 – devoorganger van het huidige artikel 6:1:5 – gaf het openbaar ministerievervolgens de bevoegdheid om in het kader van de tenuitvoerlegging eenalgemene of bijzondere last te geven aan de in dat artikel opgesomdefunctionarissen. Die bevoegdheid had mede betrekking op de tenuitvoer-legging van de «eigen» beslissingen van het openbaar ministerie. Sindsde Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is debevoegdheid tot het geven van een algemene of bijzondere last exclusiefbelegd bij de Minister (artikel 6:1:5), niet meer bij het openbaar ministerie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 329 De aan de Minister toegekende bevoegdheid heeft echter alleenbetrekking op de aan hem opgedragen beslissingen (artikel 6:1:1) en dusniet op (andere) beslissingen waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindtdoor het openbaar ministerie. Hier is aldus een wettelijke leemte ontstaan.Het eerste lid van dit artikel komt hieraan tegemoet. Bepaald is dat hetopenbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging die door hem plaatsvindtalgemene of bijzondere bevelen kan geven aan ambtenaren van politie,aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aan militairen van deKoninklijke marechaussee en aan opsporingsambtenaren van debijzondere opsporingsdiensten. Het artikellid vormt daarmee de evenknievan de bevoegdheid van de Minister in artikel 1.10.5, eerste lid.Dezelfde leemte is ontstaan met betrekking tot de bevoegdheid om vaneen ieder te bevelen inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijsnoodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging (artikel 1.10.6). Ook diebevoegdheid behoorde tot de inwerkingtreding van de Wet herzieningtenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen exclusief toe tot hetopenbaar ministerie, maar is sindsdien toebedeeld aan de Minister. Hethuidige wetboek bevat op onderdelen weliswaar vergelijkbare voorzie-ningen voor het openbaar ministerie (zie de huidige artikelen 36a, eerstelid, en 6:3:14, vijfde lid), maar die voorzieningen dekken niet het volledigetakenpakket van het openbaar ministerie. In het tweede lid van dit artikelis daarom artikel 1.10.6 van overeenkomstige toepassing verklaard op detenuitvoerlegging die plaatsvindt door het openbaar ministerie.In tegenstelling tot artikel 1.10.5 wordt in dit artikel wel gesproken over«bevelen». De ambtenaren waaraan zij zijn gericht staan immers onderhet gezag van de officier van justitie (zie de artikelen 12 en 14 van dePolitiewet). Ook in Boek 7 wordt steeds gesproken van «bevelen» van hetopenbaar ministerie of de officier van justitie. Gevaar voor verwarring methet bevel tot aanhouding is er niet, omdat het hier bedoelde bevel niet kanstrekken tot aanhouding.Artikel 1.10.9 [taak College van procureurs-generaal]Op grond van artikel 1.3.1 waakt het College van procureurs-generaal voorde behoorlijke vervolging en opsporing van strafbare feiten en kan het tenaanzien daarvan algemene aanwijzingen geven. Dit artikel regelt voor hetCollege van procureurs-generaal eenzelfde taak ten aanzien van detenuitvoerlegging door het openbaar ministerie. Deze taak hangt samenmet de landelijke bevoegdheid van het openbaar ministerie. Bij deinwerkingtreding van het huidige wetboek was de min of meer vanzelf-sprekende gedachte dat het openbaar ministerie bij het gerecht dat debeslissing heeft genomen, met de tenuitvoerlegging was belast (zie A.J.Blok en L. Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem: H.D.Tjeenk Willink & Zoon 1925, deel III, p. 182). Die gedachte bracht eenterritoriale beperking met zich, wat bijzondere voorzieningen nodigmaakte. Zie in dit verband bijvoorbeeld het voormalige artikel 556, tweedelid: «Het openbaar ministerie roept voor die tenuitvoerlegging zoo noodigde tusschenkomst in van het openbaar ministerie in andere rechtsge-bieden, dat dan gelijken last kan geven, als in het voorgaande lidbedoeld.» In de loop van de tijd heeft het beleggen van de tenuitvoer-legging bij het parket van het gerecht dat de beslissing heeft genomen,veel van zijn vanzelfsprekendheid verloren. Diezelfde ontwikkeling heeftzich voorgedaan ten aanzien van de bevoegdheidsuitoefening door deofficier van justitie in de fasen van de opsporing en vervolging. In hetnieuwe wetboek krijgt het openbaar ministerie dan ook een landelijkebevoegdheid. Voor wat betreft de opsporing en de vervolging is ditgeregeld in Boek 1, Hoofdstuk 3 (Vervolging en opsporing van strafbarefeiten). Zie in het bijzonder de uitgebreide toelichting op Boek 1, Titel 3.3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 330 (Landelijke bevoegdheidsuitoefening door de officier van justitie) en opartikel 1.3.12. De officier van justitie heeft daarmee de bevoegdheid om bijalle rechtbanken vorderingen en procesinleidingen in te dienen. Diebevoegdheid, die is vastgelegd in artikel 1.3.5, geldt ook voor (hetindienen van vorderingen in) de fase van de tenuitvoerlegging. Tenaanzien van de taak van het College van procureurs-generaal is echter eenaanvullende voorziening nodig, omdat artikel 1.3.1 enkel betrekking heeftop de vervolging en de opsporing. Dit artikel voorziet daarom in betrok-kenheid van het College van procureurs-generaal bij de tenuitvoerleggingdoor het openbaar ministerie. De wijze waarop die tenuitvoerleggingwordt georganiseerd, kan via algemene aanwijzingen gestalte krijgen.Daarbij wordt gesproken van «het openbaar ministerie» omdat hetbijvoorbeeld ook gaat om de tenuitvoerlegging van bevelen tot oproepingen medebrenging door de advocaat-generaal.Artikel 1.10.10 [kosten en baten van de tenuitvoerlegging]Eerste lidDe uitvoering van straffen en maatregelen betreft bij uitstek een taak vande Staat. Om die reden komen de kosten van de tenuitvoerlegging tenlaste van de Staat, voor zover niet bij of krachtens de wet anders isbepaald. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de in het kader van detenuitvoerlegging gemaakte kosten van verhaal en invorderingskosten;deze komen voor rekening van de veroordeelde (artikel 7.5.4, derde envierde lid).Tweede lidHet omgekeerde geldt ook: alles wat uit de tenuitvoerlegging wordtverkregen, komt ten bate van de Staat, met uitzondering van wat wordtverkregen ten behoeve van het slachtoffer. Naar huidig recht is deuitzondering beperkt tot wat wordt verkregen door de tenuitvoerleggingvan «de maatregel, genoemd in artikel 36f van het Wetboek van Straf-recht». Die formulering dekt echter niet de juiste lading. Bij de schadever-goedingsmaatregel komt namelijk alleen de hoofdsom ten bate van hetslachtoffer. De eventuele verhogingen vervallen aan de Staat. Daarnaast isschadevergoeding ook mogelijk bij andere straffen en maatregelen, in devorm van een bijzondere voorwaarde, of bij een strafbeschikking. Ook debijzondere voorwaarde of aanwijzing tot storting van een geldbedrag inhet schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling diezich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten tebehartigen, viel niet onder de oorspronkelijke formulering. Een en anderheeft geleid tot een tekstuele nuancering ten opzichte van het huidigeartikel 6:1:12.Artikel 1.10.11 [nadere regels]Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over de in dit hoofdstuk geregelde uitgangspunten,verantwoordelijkheden en taken in de tenuitvoerlegging. Deze delegatie-grondslag is overgenomen uit artikel 6:1:15, eerste lid, eerste zin.Specifiek met betrekking tot artikel 1.10.4 kunnen op grond van hettweede lid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels wordengesteld over de toepassing van bevoegdheden van de Minister door zijnambtenaren. Deze bepaling is naar analogie van artikel 126 van de Wet opde rechterlijke organisatie, op grond waarvan rechterlijke ambtenaren vanhet openbaar ministerie bevoegdheden kunnen opdragen aan bij eenparket werkzame ambtenaren, onder meer in het kader van de tenuitvoer-legging. Het tweede lid is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:1:15,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 331 tweede lid. Het derde lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuurkan worden bepaald dat de Staat geldbedragen, verkregen uit detenuitvoerlegging van geldboetes, op een daarbij vast te stellen grondslagen naar daarbij vast te stellen regelen ten goede laat komen aan eenrechtspersoon die krachtens het publiekrecht is ingesteld. Dit artikellid isinhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:1:15, vierde lid.Van het huidige artikel 6:1:15 zijn het eerste lid, tweede zin, en het derdelid niet overgenomen in dit artikel. Deze onderdelen betreffen namelijkonderwerpen die niet zijn geconcentreerd bij de algemene uitgangs-punten voor de tenuitvoerlegging in dit hoofdstuk. Zij zijn ondergebrachtin Boek 7.ARTIKEL II [vaststelling Boek 7]BOEK 7TenuitvoerleggingIn het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen over detenuitvoerlegging van straffen en maatregelen opgenomen in Boek 6(«Tenuitvoerlegging»). Dit is een gevolg van de op 1 januari 2020 inwerking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen (Stb. 2017, 82; Kamerstukken 34 086). Tot de inwerking-treding van die wet stonden de bepalingen over de tenuitvoerlegging vanstraffen en maatregelen verspreid over het Wetboek van Strafrecht en hetWetboek van Strafvordering. In de toelichting op Boek 1, Hoofdstuk 10, isuitgebreider ingegaan op de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechte-lijke beslissingen. Daarbij is ook aangegeven dat de algemene uitgangs-punten voor de tenuitvoerlegging zijn opgenomen in dat hoofdstuk. Dezeen andere algemene uitgangspunten horen in Boek 1 omdat daar dealgemene bepalingen over de strafvordering in brede zin zijn opgenomen.De tenuitvoerlegging is een onderdeel daarvan.Inhoud en indeling Boek 7Ondanks de overheveling van de algemene uitgangspunten naar Boek 1,Hoofdstuk 10, beginnen de Hoofdstukken 1 en 2 van Boek 7 met enkelealgemene bepalingen over de tenuitvoerlegging. De bepalingen zijn in diezin algemeen dat zij niet uitsluitend betrekking hebben op de tenuitvoer-legging van strafrechtelijke beslissingen. Het voordeel daarvan is dat deresterende hoofdstukken in Boek 7 wél uitsluitend betrekking hebben opstrafrechtelijke beslissingen. Dat komt de duidelijkheid van de nieuweregeling ten goede. Tot de algemene bepalingen die volgens deze opzetzijn ondergebracht in de Hoofdstukken 1 en 2 horen onder andere debepalingen over de aanvang van de tenuitvoerlegging, de opschorting ofschorsing van de tenuitvoerlegging, de aanhouding, opneming eninvrijheidstelling, de procedure bij de raadkamer of de rechter-commissaris, en het toezicht op de naleving. Vervolgens wordt in deHoofdstukken 3 tot en met 6 ingegaan op de wijze van tenuitvoerleggingvan de afzonderlijke straffen en maatregelen die onvoorwaardelijk zijnopgelegd of (door een bevel tot tenuitvoerlegging) onvoorwaardelijk zijngeworden.In het Wetboek van Strafrecht is het jeugdstrafrecht ondergebracht in eenaparte titel (Titel VIIIA van het Eerste Boek). In het nieuwe wetboek is hetjeugdprocesrecht eveneens apart geregeld, in Boek 6, Titel 1.1. In die lijnligt dat ook de tenuitvoerlegging in het kader van het jeugdstrafrecht eeneigen regeling heeft gekregen, in Boek 7, Hoofdstuk 7. Ook dit komt detoegankelijkheid van het wetboek ten goede.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 332 Het voorgaande leidt ertoe dat Boek 7 is onderverdeeld in de volgendehoofdstukken:–Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen–Hoofdstuk 2 Toezicht, voorwaarden en omzetting–Hoofdstuk 3 Vrijheidsstraffen–Hoofdstuk 4 Terbeschikkingstelling–Hoofdstuk 5 Geldelijke straffen en maatregelen–Hoofdstuk 6 Andere straffen en maatregelen–Hoofdstuk 7 Jeugdigen en jongvolwassenenBeperkte wijzigingenOmdat de bepalingen over de tenuitvoerlegging in 2020 zijn herzien, zijnde wijzigingen die bij de omzetting naar het nieuwe wetboek zijnaangebracht in beginsel beperkt. Zoals in het algemeen deel van dezememorie van toelichting aan de orde is gekomen, betreft het met namewijzigingen die erop zijn gericht de bepalingen in Boek 7 te latenaansluiten bij de Boeken 1 tot en met 6.Het gaat allereerst om het in lijn brengen van de gebruikte terminologie.Zo is bij de verschillende bepalingen waarin sprake is van berichtgeving,de terminologie afgestemd op Boek 1, Hoofdstuk 9. Ook de aanduidingvan termijnen is aangepast aan de terminologie elders in het nieuwewetboek (zie artikel 1.1.13). Daarnaast gaat het om (kleine) tekstuelewijzigingen, zoals het vervangen van verouderde teksten door modernertaalgebruik.In de tweede plaats is een aantal regelingen aangepast aan voorschriftendie elders in het nieuwe wetboek zijn opgenomen. Een voorbeeld betreftde regeling van de rechtsmiddelen. In het nieuwe wetboek worden derechtsmiddelen telkens geregeld in een aparte titel aan het slot van elkhoofdstuk. Aan die systematiek beantwoordt het huidige Boek 6 niet. Aandat boek ligt een ander indelingsprincipe ten grondslag, waarbij allerechterlijke beslissingen in één hoofdstuk zijn ondergebracht (Hoofdstuk6, «Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging»). Conform desystematiek van het nieuwe wetboek is dit indelingsprincipe losgelaten.Dat heeft als bijkomend voordeel dat alle relevante bepalingen over eenbepaalde straf of maatregel, voortaan kunnen worden geraadpleegd inéén hoofdstuk.Ten derde zijn enkele systematische verbeteringen doorgevoerd en isrekening gehouden met ervaringen uit de praktijk sinds de inwerking-treding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslis-singen. Dit heeft geleid tot enkele verduidelijkingen en beperkt inhoude-lijke wijzigingen waarvan de belangrijkste zijn opgesomd in paragraaf 3van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.Ten vierde is bij de omzetting geconstateerd dat in het huidige Boek 6enkele bepalingen zijn opgenomen die betrekking hebben op hetmateriële strafrecht of op andere fasen van het strafproces dan detenuitvoerlegging. Het gaat bijvoorbeeld om algemene termijnbepalingenof om voorschriften die de zittingsrechter moet toepassen tijdens deberechting in de hoofdzaak. Voor deze bepalingen geldt dat zij wordenovergeheveld naar waar zij horen. Verplaatsing binnen het nieuwewetboek zal plaatsvinden via de aanvullingswetgeving. Overheveling naareen andere wet, zoals het Wetboek van Strafrecht, zal plaatsvinden via deinvoeringswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 333 Tot slot is bij het opstellen van Boek 7 rekening gehouden met wetgevingdie in recente jaren is gepubliceerd in het Staatsblad, maar nog niet(volledig) in werking is getreden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Wetuitbreiding slachtofferrechten (Stb. 2021, 220).HOOFDSTUK 1Algemene bepalingenTITEL 1.1Informatie-uitwisselingArtikel 7.1.1 [verstrekking beslissingen; adviesrecht rechter]Dit artikel regelt de verstrekking aan de Minister van alle voor tenuitvoer-legging vatbare strafrechtelijke beslissingen en strafvorderlijke beslis-singen waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt door de Minister. Hetartikel is ontleend aan het huidige artikel 6:1:1, tweede en derde lid.Eerste lidHet openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat alle voor tenuit-voerlegging vatbare beslissingen zo spoedig mogelijk worden verstrektaan de Minister. De Minister en de onder hem ressorterende diensten zijnvervolgens verantwoordelijk voor de feitelijke tenuitvoerlegging en deregie daarop (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 19 e.v.). Deverantwoordelijkheid voor de verstrekking omvat vanwege artikel 1.10.1,vijfde lid, ook de eventuele vervolgbeslissingen die worden genomen inhet kader van de tenuitvoerlegging. Dat hoeven niet alleen rechterlijkebeslissingen te zijn (zoals de beslissing tot verlenging van de terbeschik-kingstelling of de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis),maar kunnen ook beslissingen zijn van het openbaar ministerie (zoals debeslissing tot toepassing van vervangende hechtenis bij een taakstraf).Vervolgbeslissingen van de Minister zelf hoeven vanzelfsprekend niet teworden verstrekt, aangezien de Minister daarover al beschikt. Zie over devervolgbeslissingen nader de toelichting op artikel 1.10.1, vijfde lid.Naar gelang de aard van de ten uitvoer te leggen beslissing verschilt determijn waarbinnen deze aan de Minister wordt verstrekt. Als hoofdregelgeldt dat de verstrekking zo spoedig mogelijk plaatsvindt, maar uiterlijkbinnen twee weken nadat de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar isgeworden. Ten behoeve van de voortvarendheid van de tenuitvoerleggingvan vonnissen bepaalt artikel 4.3.29 in lijn daarmee – net als het huidigeartikel 365, zevende lid – dat het vonnis binnen twee weken ter kenniswordt gebracht van het openbaar ministerie. Hierop vindt een administra-tieve controle plaats voordat het openbaar ministerie de beslissing aan deMinister verstrekt voor de tenuitvoerlegging. Het openbaar ministeriecontroleert de beslissing op de administratieve kwaliteit en volledigheid.De over te dragen informatie behoort te voldoen aan een aantal in destrafrechtketen gemaakte afspraken. Daarnaast voegt het openbaarministerie waar nodig relevante informatie toe aan de beslissing(Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 7, p. 14). De gecombineerdeaanlevertermijnen zorgen ervoor dat de tenuitvoerlegging van strafrechte-lijke beslissingen doorgaans binnen een maand ter hand kan wordengenomen.Zoals aangegeven in de toelichting op artikel 1.10.2, eerste lid, geldt hetuitgangspunt van een spoedige verstrekking in het bijzonder bij (monde-linge) beslissingen die direct onherroepelijk of uitvoerbaar zijn. Dat is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 334 geval bij de strafvorderlijke beslissingen tot vrijheidsbeneming, maar kanzich ook voordoen bij strafrechtelijke beslissingen. Bijvoorbeeld als deveroordeelde en de officier van justitie op de terechtzitting afstand doenvan het recht om hoger beroep in te stellen, of als een straf of maatregelis opgelegd waarbij de rechter dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen. Indie gevallen worden de beslissingen direct verstrekt aan de Minister tenbehoeve van de tenuitvoerlegging. Een mondelinge beslissing zal in diegevallen door de rechtspraak moeten worden vastgelegd, in beginselsummier, om directe verstrekking aan het openbaar ministerie mogelijk temaken. De rechtspraak is immers verantwoordelijk voor de inhoud van deeigen beslissingen. Over de directe verstrekking aan de Minister zijnwerkafspraken gemaakt tussen de rechtspraak, het openbaar ministerie ende betrokken uitvoeringsorganisaties.Reeds bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingenis onderkend dat het in de praktijk zal kunnen voorkomen dat de wettelijketermijnen voor verstrekking niet worden gehaald (Kamerstukken II2014/15, 34 086, nr. 3, p. 14). Zo is het openbaar ministerie afhankelijk vanhet door de rechter tijdig toezenden van de (mondelinge) beslissing inzodanige vorm dat deze kan worden tenuitvoergelegd. Het OM wijst hierterecht op in zijn advies. Aan het overschrijden van de termijnen door derechtspraak of het openbaar ministerie zijn dan ook geen processueleconsequenties verbonden. De wettelijke termijnen geven uiting aan hetstreven om de ten uitvoer te leggen beslissingen zo spoedig mogelijkterecht te laten komen bij de uitvoerende instantie, en dat streven wordtbreed gesteund binnen de keten. De registratie van de termijn waarbinneneen (mondelinge) beslissing wordt vrijgegeven leidt wel tot nuttigeinzichten om dit administratieve proces waar nodig te verbeteren.In het verlengde hiervan heeft het OM gevraagd naar de toegevoegdewaarde van het «doorgeven» van rechterlijke beslissingen door hetopenbaar ministerie. Volgens het OM is ook denkbaar dat rechterlijkebeslissingen rechtstreeks worden verstrekt aan de Minister. Directeverstrekking is inderdaad denkbaar, maar om meerdere redenen en opvoorspraak van het openbaar ministerie zelf is ervoor gekozen hetopenbaar ministerie aan te wijzen als exclusief leverancier. Hierop isuitgebreid ingegaan in de memorie van antwoord bij de Wet herzieningtenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Kamerstukken I 2016/17,34 086, C, p. 10). De eerste reden is dat het openbaar ministerie rechter-lijke uitspraken ontvangt als deelnemer aan het strafproces. Dit zou nietwijzigen als de rechtspraak ten uitvoer te leggen beslissingen rechtstreekszou verstrekken aan de Minister, zodat dit een aanvullende verstrekkingzou betekenen. De tweede reden is dat rechterlijke uitspraken door hetopenbaar ministerie worden gecontroleerd op administratieve kwaliteit envolledigheid, zoals hierboven al werd benadrukt. De rechtspraak isverantwoordelijk voor de controle van haar beslissingen. De over tedragen informatie behoort te voldoen aan een aantal in de strafrechts-keten gemaakte afspraken. Daarnaast voegt het openbaar ministerie– waar nodig en voor zover exclusief bij het openbaar ministerie bekend –voor de tenuitvoerlegging relevante informatie toe alvorens de beslissingte verstrekken aan de Minister. Het openbaar ministerie kan voorts eenadvies meegeven over de wijze van tenuitvoerlegging (artikel 7.1.2). Eenderde reden is dat naast rechterlijke beslissingen ook beslissingen van hetopenbaar ministerie moeten worden tenuitvoergelegd. Het is voor deuitvoerende instanties als weinig efficiënt beoordeeld om zowel tevoorzien in rechtstreekse aanlevering door de rechterlijke macht als doorhet openbaar ministerie. Daarop is de praktijk dan ook niet ingericht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 335 Tot slot wordt opgemerkt dat de wet niet bepaalt in welke vorm deverstrekking moet plaatsvinden. Hiervoor is bewust gekozen zodat departijen in de uitvoering een werkwijze kunnen kiezen die een snelle envolledige tenuitvoerlegging mogelijk maakt, die tegemoetkomt aan deinformatiebehoefte in de praktijk en die bovendien uitvoerbaar is. Binnende keten zijn dan ook werkafspraken gemaakt over de wijze vanverstrekking. Afgesproken is dat geregistreerde gegevens over ten uitvoerte leggen beslissingen digitaal worden doorgegeven aan de Minister.Daarvoor zijn koppelingen gelegd tussen de informatiesystemen van deverschillende ketenpartners, in het bijzonder die van de rechtspraak, hetopenbaar ministerie en het CJIB. Daarbij is iedere ketenpartner verant-woordelijk voor de eigen invoer. In de praktijk wordt daardoor – naastdoorzending van de geregistreerde gegevens – niet altijd een vonnis ofarrest verstuurd naar de Minister. In geval de informatiebehoefte ofinformatiesystemen na verloop van tijd zouden wijzigen, al dan niet tenaanzien van specifieke beslissingen, laat de wet alle ruimte voor eenandere of aanvullende vorm van verstrekking.Tweede lidIn de gevallen dat de rechter in de uitspraak advies geeft over de wijze vantenuitvoerlegging van de beslissing, wordt ook dit advies door hetopenbaar ministerie verstrekt, zodat daarmee rekening kan wordengehouden bij de tenuitvoerlegging. Het is een verantwoordelijkheid vande rechter om zich al bij het nemen van de beslissing rekenschap te gevenvan de (wijze van) tenuitvoerlegging. Een genomen beslissing moetimmers niet alleen juridisch juist, maar ook praktisch uitvoerbaar zijn eneen strafdoel dienen. Gelet hierop zal het adviesrecht via een aanvul-lingswet tot uitdrukking worden gebracht in Boek 4 (Berechting). Daarmeewordt ook tegemoet gekomen aan het verzoek van de Rvdr om hetadviesrecht duidelijker wettelijk te verankeren. Het adviesrecht van derechter is algemeen en kan dus worden toegepast bij alle te nemen(vervolg)beslissingen. Naast een advies over het moment of de plaats vantenuitvoerlegging kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een advies overhet gepast geachte (detentie)regime, of over aspecten van toezicht.Uiteraard kunnen het alleen kwesties betreffen waarop de Ministerdaadwerkelijk invloed kan uitoefenen en die dus niet onderdeel zijn vaneen dwingende wettelijke regeling. Anders dan bij door de rechteropgelegde straffen en maatregelen – die conform die beslissing moetenworden tenuitvoergelegd – kan worden afgeweken van het advies van derechter als opvolging van het advies tot problemen zou leiden in deuitvoering. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.Artikel 7.1.2 [advies openbaar ministerie]Een manier om invulling te geven aan de tijdens de tenuitvoerleggingverplichte afweging van belangen op grond van artikel 1.10.3 is het adviesdat het openbaar ministerie kan uitbrengen over tijdens de tenuitvoer-legging te nemen beslissingen. Dit advies kan bijvoorbeeld gaan over dewijze waarop een vrijheidsstraf wordt tenuitvoergelegd. Als het openbaarministerie over een veroordeelde wil adviseren, gebeurt dit zoveelmogelijk op of direct volgend op het moment dat de ten uitvoer te leggenbeslissing wordt verstrekt aan de Minister. Indien ontwikkelingen tijdensde tenuitvoerlegging daartoe aanleiding geven, kan het openbaarministerie op een later moment alsnog advies uitbrengen of het eerdereadvies aanvullen. De inhoud van dit artikel is ongewijzigd overgenomenuit het huidige artikel 6:1:10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 336 De bevoegdheid voor het openbaar ministerie om te adviseren dient hetbredere belang van een goede informatiedeling in de strafrechtketen.Voor een tenuitvoerlegging die naast de persoon van de veroordeelde ende aard van het gepleegde strafbare feit rekening houdt met de belangenvan slachtoffers en de samenleving, is het nodig dat degene die namensde Minister beslissingen neemt over de wijze van tenuitvoerlegging– naast de justitiële documentatie van de betrokkene – kan beschikkenover alle informatie die relevant is voor het inschatten van mogelijkerisico’s van schending van de belangen van slachtoffers of het ontstaanvan maatschappelijke onrust, die gepaard kunnen gaan met de te nemenbeslissing. Deze informatiebehoefte gaat verder dan alleen de eigenervaringen die de beslissende organisatie heeft met de veroordeelde. Ookde ervaringen en de professionele oordelen van andere partijen binnen enbuiten de strafrechtketen met en over de veroordeelde kunnen van belangzijn bij beslissingen over bijvoorbeeld het verlenen van vrijheden, en devoorwaarden die hierbij of bij een voorwaardelijke invrijheidstellingworden gesteld. Concreet kan het bijvoorbeeld gaan over een risico-analyse van de reclassering, of over een beschrijving van de politie of eengemeentebestuur over de maatschappelijke onrust die mogelijk kanontstaan als gevolg van de terugkeer van de veroordeelde. Het stellen vangerichte bijzondere voorwaarden, zoals een gebieds- of contactverbod,kan dan naast gedragsverandering van de veroordeelde bijdragen aan hetvoorkomen dat deze verstoring van de openbare orde zich herhaalt. Dezeinformatie kan ook relevant zijn voor het bepalen van de duur van deproeftijd. Ook het gedrag en de houding van de veroordeelde in degevangenis zijn mede bepalend bij het nemen van een beslissing over hetverlenen van eventuele vrijheden aan een veroordeelde. Tijdens dedetentie kan bijvoorbeeld blijken dat de veroordeelde zich gewelddadiggedraagt, zijn eerdere criminele gedrag voortzet vanuit detentie,psychische problemen heeft of ongewenst contact zoekt met slachtoffersof nabestaanden. Het streven is dergelijke relevante informatie die elk vande partijen in de strafrechtketen verzamelt over de betrokkene,beschikbaar te stellen aan de functionarissen die op een later momentbelast zijn met het nemen van (vervolg)beslissingen.Zoals ook is toegelicht bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechte-lijke beslissingen, heeft het openbaar ministerie een belangrijke rol bij ditexclusief volgen van personen door de strafrechtketen (Kamerstukken II2014/15, 34 086, nr. 3, p. 31). Dit start bij het gezag dat het openbaarministerie heeft over de opsporing en zet zich voort bij de vervolgingsbe-slissing die de officier van justitie neemt op basis van de aangedragenfeiten en omstandigheden. Bij het formuleren van de strafeis op de zittinghoudt de officier van justitie rekening met de aard van het gepleegdestrafbare feit, de persoon van de verdachte, zijn strafrechtelijk verleden,de omstandigheden van het geval en de belangen van het slachtoffer, denabestaanden en de samenleving. In de strafeis werkt dus door de in hetprocesdossier opgenomen persoonsgebonden informatie die is aange-leverd door bijvoorbeeld politie, gemeenten, reclassering en slachtoffersen nabestaanden. Nadat de strafrechter iemand heeft veroordeeld, geefthet openbaar ministerie de uitspraak vrij voor tenuitvoerlegging (artikel7.1.1). Dit is ook een kantelmoment voor de bedoelde informatieverza-meling en informatiedeling rondom de veroordeelde. Vanuit zijn exclu-sieve rol als verstrekker van voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingenbrengt het openbaar ministerie advies uit aan de Minister in die gevallenwaarin het openbaar ministerie op basis van het verloop van deopsporing, vervolging en berechting en de persoonsgebonden informatieuit deze fasen van oordeel is dat er bij de veroordeelde specifiekerisicofactoren aanwezig zijn die van belang zijn voor de wijze waarop destraf of maatregel moet worden tenuitvoergelegd. Dit is met name aan deorde bij ernstige strafbare feiten met een grote maatschappelijke impact.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 337 In het advies van het openbaar ministerie komt de voor de tenuitvoer-legging relevante informatie over de persoon van de veroordeelde uiteerdere fasen uit de strafrechtketen tot uitdrukking. In tegenstelling totwat het OM lijkt te veronderstellen, wordt van het openbaar ministerieniet verlangd dat de bij hem beschikbare informatie wordt samengevat ofovergeschreven. Wel is het belangrijk dat de voor de tenuitvoerleggingrelevante informatie die exclusief bij het openbaar ministerie aanwezig is,wordt gedeeld met de Minister, al dan niet als bijlage bij het advies. Hetadvies van het openbaar ministerie stelt hiermee de Minister en de onderhem ressorterende uitvoeringsorganisaties in staat de beslissingen zooptimaal mogelijk uit te voeren. Het advies dat het openbaar ministerieuitbrengt vormt hiermee ook de basis voor de latere beslissing van hetopenbaar ministerie over het stellen van bijzondere voorwaarden bij eenvoorwaardelijke invrijheidstelling en voor de beslissing over het al danniet toepassen van elektronisch toezicht daarbij. Zoals hierboven vermeldzijn ook het gedrag en de houding van de veroordeelde in de gevangenisbepalend voor de beslissing over vrijheden, zoals de verlening vanvoorwaardelijke invrijheidsstelling.Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie zoveel mogelijk een vollediginhoudelijk advies uitbrengt – met de voor de tenuitvoerlegging relevantepersoonsgebonden informatie en professionele oordelen over deveroordeelde – op of in aansluiting op het moment dat de beslissing voortenuitvoerlegging wordt verstrekt aan de Minister (Kamerstukken II2014/15, 34 086, nr. 3, p. 32). Het direct uitbrengen van een zo volledigmogelijk inhoudelijk advies past bij de kwalitatief hoogwaardige beslis-singen die het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging overdraagtaan de Minister. Indien daartoe aanleiding is, kan het openbaar ministerieeen advies op een later moment aanvullen of actualiseren. Dit vervolg-advies kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de maatschappelijkeonrust en de media-aandacht als gevolg van de zaak op het moment vande verstrekking van de ten uitvoer te leggen beslissing nog volop inbeweging zijn of bij relevante wijzigingen in de omstandigheden van hetslachtoffer. Dergelijke signalen kunnen bijvoorbeeld bij het openbaarministerie terechtkomen via de politie, slachtofferhulp, de reclassering ofde gemeente, of tijdens lokale afstemming die het openbaar ministerieheeft in een Veiligheidshuis of het driehoeksoverleg. Een dergelijk naderadvies van het openbaar ministerie kan ambtshalve worden uitgebracht ofop verzoek van de Minister. Dit laatste zal met name spelen op hetmoment dat de verantwoordelijke uitvoeringsorganisatie voor een tenemen vervolgbeslissing wil kunnen beschikken over de actuele omstan-digheden en daaruit voortvloeiende risico’s.In het huidige wetboek schrijft artikel 6:1:15, eerste lid, onderdeel c, voordat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelsworden gesteld over het advies van het openbaar ministerie. Dezedelegatiegrondslag is vervallen. Het openbaar ministerie kan zelfstandigbepalen wanneer en hoe vaak het gebruik wenst te maken van zijnadviesrecht, en welke vorm het advies dan heeft. Hetzelfde geldt voor hetadvies van de rechter in artikel 7.1.1, tweede lid; ook dat is niet onder-worpen aan nadere normering.Artikel 7.1.3 [mogelijke uitoefening bevoegdheid openbaarministerie]De tenuitvoerlegging van de in artikel 1.10.1 beschreven strafrechtelijkebeslissingen en strafvorderlijke beslissingen gebeurt onder verantwoorde-lijkheid van de Minister en door zijn uitvoeringsorganisaties. Dit heeft totgevolg dat de Minister de eerste kan zijn die kennisneemt van omstandig-heden die aanleiding kunnen geven tot de uitoefening van een aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 338 openbaar ministerie toegekende bevoegdheid, zoals het indienen van eenvordering met het oog op het verkrijgen van een vervolgbeslissing van derechter-commissaris of de rechtbank. In dit artikel, dat primair isgebaseerd op het huidige artikel 6:6:1, zesde lid, is voor deze gevallenbepaald dat de Minister – in de praktijk zijn uitvoeringsorganisaties – hetopenbaar ministerie kan informeren over die omstandigheden. Het isdaarna aan het openbaar ministerie om te beoordelen of die informatieaanleiding geeft tot het uitoefenen van de bedoelde bevoegdheid. DeMinister wordt in kennis gesteld van de beslissing van het openbaarministerie, zodat de centrale administratie van het verloop van detenuitvoerlegging volledig blijft.TITEL 1.2Vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslis-singenArtikel 7.1.4 [aanvang tenuitvoerlegging vonnis of arrest]Eerste lidDit artikel regelt de aanvang van de tenuitvoerlegging van vonnissen enarresten. Het betreft de omzetting van het huidige artikel 6:1:16, tweedetot en met vierde lid. Het huidige artikel 6:1:16, eerste lid, waarin deopschortende werking van gewone rechtsmiddelen tot uitdrukking isgebracht, is als algemeen strafvorderlijk uitgangspunt opgenomen inartikel 1.10.2, tweede lid. In aanvulling op dat algemene uitgangspuntbepaalt het eerste lid van dit artikel dat de ontnemingsmaatregel (artikel36e van het Wetboek van Strafrecht) pas kan worden tenuitvoergelegdnadat de veroordeling in de hoofdzaak onherroepelijk is geworden. Zo ishet mogelijk dat de ontnemingsmaatregel die onherroepelijk is gewordenomdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, alsnog vanrechtswege vervalt indien later in de hoofdzaak een uitspraak wordtgedaan die geen veroordeling inhoudt (artikel 4.4.19).Tweede lidAls een veroordelend vonnis of arrest is uitgesproken buiten de aanwe-zigheid van de verdachte, brengt de officier van justitie het vonnis ofarrest na ondertekening ter kennis van de verdachte die niet bij deuitspraak aanwezig is geweest, zo bepaalt artikel 4.3.30, eerste lid. Dewijze waarop de kennisgeving plaatsvindt, is geregeld in Boek 1,Hoofdstuk 9 (Overdracht van berichten en het indienen van stukken). Hetpraktische belang van dit betekeningsvoorschrift is dat als onzeker is of deverdachte van de datum van de (nadere) terechtzitting en de uitspraak opde hoogte is geweest, door betekening van het vonnis of arrest kanworden vastgesteld wanneer de termijn voor het instellen van eenrechtsmiddel verloopt en het vonnis of arrest daarmee voor tenuitvoer-legging vatbaar is. Na betekening van de kennisgeving kan het vonnis ofarrest worden tenuitvoergelegd. Als kennisgeving van het vonnis of arrestniet nodig is – de procesinleiding dan wel de oproeping voor de nadereterechtzitting is in persoon betekend, de verdachte is daar verschenen ofwas op de hoogte van de zittingsdag –, is het vonnis of arrest uitvoerbaarna de uitspraak. Het indienen van een rechtsmiddel heeft opschortendedan wel schorsende werking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 339 Derde lidDe opschortende dan wel schorsende werking van een rechtsmiddel geldtniet ten aanzien van bevelen die dadelijk uitvoerbaar zijn (onderdeel a).Dadelijke uitvoerbaarheid kan door de rechter bijvoorbeeld wordenverbonden aan de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid(artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Ook indienvolgens de officier van justitie vaststaat dat het rechtsmiddel te laat werdingesteld, vindt geen opschortende of schorsende werking plaats(onderdeel b). Dit ter voorkoming van moedwillige frustratie van detenuitvoerlegging. Ten opzichte van het huidige recht is aan onderdeel btoegevoegd dat de officier van justitie in dat geval ook van oordeel moetzijn dat de termijnoverschrijding evident niet verschoonbaar is (zie artikel5.1.3, tweede lid). Als de termijnoverschrijding namelijk is gelegen inomstandigheden buiten de invloedsfeer van de verdachte, kunnen dezeomstandigheden hem in beginsel niet worden tegengeworpen. Zie vooreen uitzondering ECLI:NL:HR:1986:AC9244. In die zaak was het te laatindienen van het rechtsmiddel te wijten aan een verzuim van deraadsman, wat volgens de Hoge Raad de verdachte kon worden toege-rekend. Acht de officier van justitie de termijnoverschrijding nietverschoonbaar, dan kan de rechter op verzoek van de verdachte bepalendat het rechtsmiddel alsnog opschortende dan wel schorsende werkingtoekomt. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat een dergelijk verzoekbij het instellen van hoger beroep wordt behandeld door de rechtbank diehet verstekvonnis wees (en dus niet door het gerechtshof dat over het telaat ingediende hoger beroep zal oordelen). Bij het instellen van beroep incassatie zal het verzoek worden behandeld door het gerechtshof dat hetverstekarrest wees (en dus niet door de Hoge Raad).Artikel 7.1.5 [aanvang tenuitvoerlegging strafbeschikking]Waar artikel 7.1.4 regels bevat voor de aanvang van de tenuitvoerleggingvan vonnissen en arresten, heeft dit artikel betrekking op strafbeschik-kingen. Het bepaalt het moment waarop met de tenuitvoerlegging kanworden begonnen en wanneer de tenuitvoerlegging wordt opgeschort ofgeschorst. De inhoud van het artikel is met minimale wijzigingenovergenomen uit de huidige artikelen 255a, derde lid, en 6:1:17, eerste entweede lid. Het huidige artikel 6:1:17, derde lid, waarin is bepaald dat deproeftijd van een aanwijzing met betrekking tot het gedrag van deverdachte niet loopt gedurende de tijd dat de verdachte rechtens zijnvrijheid is ontnomen, is om systematische redenen verplaatst naar Boek 3(Beslissingen over vervolging).Eerste lidEen verdachte kan verzet instellen tegen een strafbeschikking binnen tweeweken nadat een kopie van de strafbeschikking in persoon aan hem isuitgereikt of nadat zich een andere omstandigheid heeft voorgedaanwaaruit voortvloeit dat hij bekend is met de strafbeschikking (artikel 5.3.1,eerste lid). Indien de strafbeschikking is uitgereikt in persoon, is destrafbeschikking voor tenuitvoerlegging vatbaar nadat de termijn vanverzet is afgelopen (artikel 1.10.2, tweede lid). Wordt de strafbeschikkingniet in persoon uitgereikt, maar toegezonden, dan bepaalt het eerste lidvan dit artikel dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking kanplaatsvinden twee weken na de toezending. Bij die wijze van uitvaardigingkan het recht van verzet dus nog openstaan op het moment van tenuit-voerlegging, namelijk als de verdachte nog niet bekend is met destrafbeschikking. Doet de verdachte afstand van het recht tot verzet(artikel 5.3.2), dan is de strafbeschikking onherroepelijk vanaf het momentvan afstand doen en kan tenuitvoerlegging plaatsvinden vóór hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 340 verstrijken van de termijnen die voortvloeien uit artikel 1.10.2, tweede lid,en het eerste lid van dit artikel.Tweede lidDoor het instellen van verzet wordt de tenuitvoerlegging van de strafbe-schikking opgeschort of geschorst, tenzij naar het oordeel van de officiervan justitie vaststaat dat het verzet is ingesteld na het verstrijken van dedaarvoor geldende termijn. Ten opzichte van het huidige recht istoegevoegd dat de officier van justitie daarbij ook van oordeel moet zijndat de overschrijding van de termijn evident niet verschoonbaar is (zieartikel 5.1.3, tweede lid). Als de termijnoverschrijding is gelegen inomstandigheden buiten de invloedsfeer van de verdachte, kunnen dezeomstandigheden hem in beginsel niet worden tegengeworpen. Acht deofficier van justitie de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, dan kande rechter die het verzet behandelt op verzoek van de verdachte bepalendat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking alsnog wordt opgeschortof geschorst. Indien het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard door derechter, eindigt de opschorting of schorsing, ook als de rechter eerderheeft bepaald dat de tenuitvoerlegging moest worden opgeschort ofgeschorst.Derde lidEen strafbeschikking is niet langer voor tenuitvoerlegging vatbaar zodraeen procesinleiding is ingediend voor het in de strafbeschikking vermeldefeit. Is de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking al aangevangen, danwordt de tenuitvoerlegging geschorst. In artikel 4.3.19 is geregeld dat derechter de strafbeschikking vernietigt in geval van een veroordeling,vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging.Artikel 7.1.6 [geen tenuitvoerlegging na overlijden veroordeelde]Een straf of maatregel kan niet (verder) worden tenuitvoergelegd na dedood van de veroordeelde. Dit uitgangspunt is ongewijzigd overgenomenuit het huidige artikel 6:1:21 en benadrukt het persoonlijke karakter vanstraffen en maatregelen. Zo kunnen geldelijke straffen en maatregelen nahet overlijden van de veroordeelde niet alsnog worden verhaald op deboedel of erfgenamen. Een uitzondering geldt voor de ontnemingsmaat-regel (Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 9–10). Het overlijden vande veroordeelde staat evenmin in de weg aan het vorderen en tenuitvoer-leggen van de maatregel van onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijkerechterlijke beslissing op grond van artikel 36b, eerste lid, onderdeel 4°,van het Wetboek van Strafrecht (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4430).Artikel 7.1.7 [duur en verval recht tot tenuitvoerlegging]Eerste lidEen straf of maatregel kan alleen worden tenuitvoergelegd binnen dedaarvoor geldende tenuitvoerleggingstermijn. Dit uitgangspunt isongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:1:22. Net als het rechttot strafvordering, vastgelegd in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht,is het recht tot tenuitvoerlegging beperkt vanwege het uitwissendekarakter van (lang) tijdsverloop. Een tenuitvoerleggingstermijn verstrijktook als de overheid in de feitelijke onmogelijkheid verkeert een opgelegdestraf of maatregel ten uitvoer te leggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 341 Tweede lidDe tenuitvoerleggingstermijn van een straf of maatregel is een derdelanger dan het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarvoor destraf of maatregel is opgelegd. De verjaringstermijn van het recht totstrafvordering verschilt naar gelang de ernst van het strafbare feit (artikel70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Ten aanzien van misdrijvenwaarop een gevangenisstraf is gesteld van twaalf jaar of meer, en tenaanzien van zedendelicten waarop een gevangenisstraf van acht jaar isgesteld, begaan tegen een persoon onder de achttien jaar, verjaart hetrecht tot strafvordering niet (artikel 70, tweede lid, van het Wetboek vanStrafrecht), en derhalve evenmin dat tot tenuitvoerlegging. Indien éénstraf of maatregel is opgelegd voor verschillende feiten met een ongelijkestrafbedreiging, wordt bij het berekenen van de tenuitvoerleggingstermijnuitgegaan van het feit met de zwaarste strafdreiging(ECLI:NL:HR:1983:AC8058). Bij veroordeelden die zijn berecht volgens deregels van het jeugdstrafrecht, opgenomen in Titel VIIIA van het EersteBoek van het Wetboek van Strafrecht, geldt in veel gevallen een korteretenuitvoerleggingstermijn, gelet op de bijzondere bepalingen metbetrekking tot het recht tot strafvordering in artikel 77d van het Wetboekvan Strafrecht.Artikel 7.1.8 [aanvang, schorsing en verlenging tenuitvoerleg-gingstermijn]Eerste lidDe tenuitvoerleggingstermijn van een straf of maatregel vangt aan op dedag na die waarop de strafrechtelijke beslissing kan worden tenuitvoer-gelegd. Dit is ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:1:23. Ingeval van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregelmoet dan worden gekeken naar de uitspraak waarbij alsnog de (gedeelte-lijke) tenuitvoerlegging van de straf of maatregel wordt gelast(ECLI:NL:HR:2020:1123). Bij overtreding van de algemene voorwaardevangt de tenuitvoerleggingstermijn van de alsnog ten uitvoer te leggenstraf of maatregel aan op de dag na die waarop die strafrechtelijkebeslissing (waarbij de verdachte is veroordeeld voor het nieuwe strafbarefeit) kan worden tenuitvoergelegd.De 3RO hebben in hun advies gevraagd waarom alleen strafrechtelijkebeslissingen een tenuitvoerleggingstermijn kennen. Zij menen op dit punteen leemte te zien met betrekking tot strafvorderlijke beslissingen. Dit lijktechter te berusten op een misvatting. Ook naar huidig recht hebbenstrafvorderlijke beslissingen geen tenuitvoerleggingstermijn. Dezebeslissingen behelzen immers niet de oplegging van een straf ofmaatregel die binnen een bepaalde termijn moet worden tenuitvoer-gelegd. Dit laat uiteraard onverlet dat strafvorderlijke beslissingen eengeldigheidsduur kunnen hebben. De geldigheidsduur volgt in voorko-mende gevallen uit de wettelijke regeling van de strafvorderlijkebeslissing, of uit de strafvorderlijke beslissing zelf. Zo is een bevel totgevangenneming of gevangenhouding van kracht gedurende een door derechtbank te bepalen termijn van ten hoogste drie maanden, die ingaat ophet tijdstip van de tenuitvoerlegging van het bevel (artikel 2.5.45, eerstelid).Tweede lidDe tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de opschorting ofschorsing van de tenuitvoerlegging, en gedurende de tijd dat de veroor-deelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsont-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 342 neming ongeoorloofd afwezig is. Indien iemand bijvoorbeeld eengeldboete of een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en daarnaasteen langdurige vrijheidsstraf ondergaat, begint de tenuitvoerleggings-termijn voor de geldboete of schadevergoedingsmaatregel pas (weer) telopen op het moment dat de veroordeelde vrijkomt. Hierbij is niet relevantof de geldelijke en de vrijheidsbenemende straf of maatregel volgen uitdezelfde of uit verschillende veroordelingen. Het is evenmin relevant ofiemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen op basis van een beslissing vaneen Nederlandse rechter of van een buitenlandse rechter(ECLI:NL:HR:2010:BL6287). Benadrukt zij dat de tenuitvoerlegging en deactiviteiten die in het kader daarvan plaatsvinden, niet hoeven te wordenstopgezet tijdens de detentie. Ook als iemand rechtens zijn vrijheid isontnomen kan inning plaatsvinden van geldelijke straffen en maatregelen.In het kader van een persoonsgerichte tenuitvoerlegging wordt dan bezienof en in welke mate gelijktijdige inning kan (blijven) plaatsvinden.Mogelijkheden als uitstel van betaling of betaling in termijnen geldenonverkort. De opschorting van de tenuitvoerleggingstermijn heeft dusenkel tot gevolg dat de termijn wordt verlengd waarbinnen deze activi-teiten kunnen plaatsvinden. Ten opzichte van het huidige recht is in hettweede lid overigens vervallen dat het moet gaan om een «bij de wetbevolen» opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging. Dit houdtverband met artikel 7.1.12, tweede lid, waarin voor de Minister demogelijkheid is opgenomen om in de daar genoemde gevallen (alsnog)opschortende of schorsende werking toe te kennen aan een gratieverzoek.De opschorting of schorsing vloeit in die gevallen niet voort uit de wet,maar uit de beslissing van de Minister. De aangehaalde zinsnede is nietovergenomen om ervoor te zorgen dat de tenuitvoerleggingstermijn ookin die gevallen niet loopt.Derde lidBij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf ofmaatregel ondergaat in een inrichting of instelling, begint voor die straf ofmaatregel een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die waaropde ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een voorwaar-delijke invrijheidstelling begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn opde dag na die van de herroeping. Hier gaat het dus steeds om stuiting vande tenuitvoerleggingstermijn. Ten opzichte van het huidige artikel 6:1:23,tweede lid, dat spreekt over het ondergaan van een straf, is gecorrigeerddat stuiting eveneens plaatsvindt bij ongeoorloofde afwezigheid tijdens detenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel. De nieuwetermijn loopt op grond van het tweede lid niet gedurende de tijd dat deveroordeelde ongeoorloofd afwezig blijft.Vierde lidIn geval van een geldelijke straf of maatregel waarbij is bepaald dat hetbedrag in gedeelten mag worden voldaan, dan wel de Minister uitstel vanbetaling heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt detenuitvoerleggingstermijn verlengd met zes jaar. Naar huidig recht – zieartikel 6:1:23, vierde lid – is slechts verlenging mogelijk voor de duur vantwee jaar, en ook alleen bij een geldboete na een overtreding. Op beidepunten is een verruiming aangebracht. De verlenging met twee jaar stamtnamelijk nog uit de tijd dat betalingsregelingen zelf wettelijk in duurwaren gemaximeerd. Bij het vervallen van die maximale duur (en duslangere betalingsregelingen; zie Stb. 2010, 1) past dat de verlenging vande tenuitvoerleggingstermijn meebeweegt, om te voorkomen dat de strafof maatregel verjaart gedurende de betalingsregeling. Een verlenging metzes jaar wordt gezien als een passende en werkbare termijn, mede geletop de duur van betalingsregelingen in de praktijk. De beperking tot deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 343 geldboete bij overtredingen is losgelaten omdat bij het treffen van eenbetalingsregeling wordt gekeken naar alle openstaande geldelijke straffenen maatregelen van de veroordeelde. Het komt in de praktijk dan ook voordat een betalingsregeling wordt getroffen voor meerdere geldelijkestraffen en maatregelen, ook als die zijn opgelegd voor misdrijven.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de verlengde termijn in standblijft indien de betalingsregeling later vervalt omdat de veroordeelde dezeniet nakomt.Vijfde en zesde lidOp grond van het vijfde lid loopt de tenuitvoerleggingstermijn van eengeldboete, een ontnemingsmaatregel of een schadevergoedingsmaat-regel niet zolang de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen vantoepassing is op de veroordeelde. Dit biedt de veroordeelde de kans tebeginnen met een «schone lei». Na afloop van het schuldsaneringstrajectkan de straf of maatregel alsnog tot zijn recht komen. In lijn daarmeebepaalt het zesde lid dat de tenuitvoerleggingstermijn van geldsommenwordt verlengd met de zogenaamde afkoelingsperiode die kan wordenafgekondigd in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening(artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening). Die afkoelings-periode is bedoeld om te voorkomen dat de inzet van incassomaatregelende inzet van de schuldhulpverlening frustreert of tenietdoet.Het vijfde en zesde lid van het huidige artikel 6:1:23 zijn niet overgenomenin dit artikel. Gelet op hun inhoud worden zij via de invoeringswetverplaatst naar de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.TITEL 1.3Opschorting en schorsingArtikel 7.1.9 [opschorting bij optreden psychische stoornis]Indien een veroordeelde na de rechterlijke uitspraak, maar voor de startvan de tenuitvoerlegging is gaan lijden aan een psychische stoornis, kande tenuitvoerlegging worden opgeschort door de rechtbank. Dezemogelijkheid voor uitzonderlijke gevallen is thans geregeld in artikel 6:2:3en is met enkele aanvullingen overgenomen. Het tweede lid van hethuidige artikel 6:2:3 is vervallen, omdat dit artikellid overbodig is naast deartikelen 7.1.20, derde lid, en 7.1.21.Eerste, tweede en vierde lidDe mogelijkheid van opschorting geldt naar huidig recht alleen voor eenveroordeling tot vrijheidsstraf. Daaraan zijn in dit artikel toegevoegd detaakstraf en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelsel-matige daders. Net als bij de vrijheidsstraf is een succesvolle tenuitvoer-legging ook bij een taakstraf of een maatregel van plaatsing in eeninrichting voor stelselmatige daders niet goed denkbaar als de veroor-deelde een psychische stoornis heeft. Opschorting van de tenuitvoer-legging zal in beginsel alleen aan de orde kunnen zijn in situaties waarinook daadwerkelijk sprake is van een behandeling voor die stoornis, voorzover mogelijk (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 7, p. 49). Na hetherstel van de veroordeelde wordt op vordering van de officier van justitiehet bevel tot opschorting ingetrokken door de rechtbank. Dezevoorschriften zijn van overeenkomstige toepassing op de vervangendehechtenis en de gijzeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 344 Derde lidDe psychische stoornis van de veroordeelde is op zichzelf geen belemme-rende factor om tot tenuitvoerlegging over te gaan van een andere straf ofmaatregel, zoals een geldboete, een onttrekking aan het verkeer, eenontnemingsmaatregel, een schadevergoedingsmaatregel of een bijko-mende straf. Bij die straffen en maatregelen wordt de curator zo nodig opde gewone wijze uitgenodigd tot voldoening aan het vonnis of arrest.Indien de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze voor dit doeldoor de rechtbank benoemd op vordering van de officier van justitie.Artikel 7.1.10 [opschortende werking gratieverzoek]In dit artikel is uitgewerkt in welke gevallen een verzoekschrift om gratiede tenuitvoerlegging opschort. In het huidige wetboek is dat geregeld inartikel 6:7:2. Dat artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen.Eerste lidAan een gratieverzoek komt opschortende werking toe indien hetbetrekking heeft op een van de in dit artikel genoemde straffen endaarnaast geen van de uitzonderingen van artikel 7.1.11 van toepassing is.Op grond van het eerste lid heeft een gratieverzoek opschortende werkingals het betrekking heeft op een onherroepelijk vonnis of arrest met eenveroordeling tot een vrijheidsstraf van zes maanden of minder (onderdeela), een vrijheidsstraf van zes maanden of minder die voorwaardelijk niet istenuitvoergelegd en waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen (onderdeelb) of een taakstraf (onderdeel c). Bij de vrijheidsstraf wordt een grens vanzes maanden of minder gehanteerd in verband met de gemiddelde duurdie nodig is voor het nemen van een beslissing op een gratieverzoek(Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3, p. 3). Dat de opschortende werkingalleen toekomt aan gratieverzoeken bij korte vrijheidsstraffen entaakstraffen, heeft te maken met het gegeven dat een vrijheidsbenemingen een taakstraf niet kunnen worden teruggedraaid als het gratieverzoekwordt gehonoreerd. Dit is anders bij een gratieverzoek ten aanzien vanbijvoorbeeld een geldboete. Een geldbedrag kan immers wordenteruggestort indien gratie wordt verleend.Tweede lidEen gratieverzoek heeft ook opschortende werking als de tenuitvoer-legging nog niet is aangevangen een jaar na het onherroepelijk wordenvan de rechterlijke beslissing. Hierbij wordt geen onderscheid gemaaktnaar type straf of maatregel. De achtergrond van deze bepaling is datnaarmate meer tijd verstrijkt tussen het onherroepelijk worden van hetvonnis of arrest en de tenuitvoerlegging daarvan, de kans toeneemt dathet gratieverzoek leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Deveroordeelde die zelf heeft verzocht om uitstel van de tenuitvoerlegging,kan geen aanspraak maken op de opschortende werking indien (mede) alsgevolg van dat verzoek inmiddels een jaar is verstreken nadat het vonnisonherroepelijk is geworden (Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 6, p. 6).Om te voorkomen dat in de praktijk onduidelijkheid ontstaat over de aldan niet opschortende werking van gratieverzoeken, bevat artikel 7.1.13een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven opwelk moment de tenuitvoerlegging van de diverse straffen en maatre-gelen wordt geacht te zijn aangevangen. Naar huidig recht zijn die nadereregels vastgelegd in Hoofdstuk 5 van het Besluit tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 345 Artikel 7.1.11 [uitzonderingen opschortende werking gratie-verzoek]Dit artikel stelt beperkingen aan de opschortende werking van gratiever-zoeken. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd ten opzichtevan het huidige artikel 6:7:3. Wel is de volgorde van de uitzonderingengewijzigd en zijn ze deels opnieuw geformuleerd.Onderdeel aIn de eerste plaats heeft een gratieverzoek geen opschortende werking alsde veroordeelde al op een andere grond rechtens zijn vrijheid isontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.Deze uitzondering betreft een samenvoeging van de onderdelen a en bvan het huidige artikel 6:7:3. Diverse rechterlijke beslissingen kunnen tengrondslag liggen aan de vrijheidsontneming van de veroordeelde. Het kanbijvoorbeeld gaan om een bevel tot voorlopige hechtenis of om een(andere) onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf. Bij ongeoorloofdeafwezigheid kan worden gedacht aan veroordeelden die zich aan devoorlopige hechtenis hebben onttrokken. Van ongeoorloofde afwezigheidis ook sprake als een gratieverzoek wordt ingediend terwijl de veroor-deelde zich al had moeten melden bij de inrichting. De tenuitvoerleggingvan een vrijheidsstraf vangt namelijk aan op de datum van de dagte-kening van de mededeling dat de veroordeelde zich moet melden bij deinrichting, zo bepaalt het huidige artikel 5:2 van het Besluit tenuitvoer-legging strafrechtelijke beslissingen. Vergelijk ookECLI:NL:HR:2004:AP0426.Onderdeel bIn de tweede plaats heeft een herhaald gratieverzoek geen opschortendewerking. Met deze grond wordt beoogd moedwillige frustratie van detenuitvoerlegging zoveel mogelijk tegen te gaan.Onderdeel cEen derde uitzondering is het gratieverzoek dat wordt ingediend terwijl deveroordeelde tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zichbevindt op het grondgebied van een andere staat die een Nederlandsverzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oogdaarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast. Voldoende is dat deandere staat het uitleveringsverzoek in behandeling heeft genomen of devoorlopige aanhouding heeft gelast; de aanhouding zelf hoeft nog niet tehebben plaatsgevonden. Deze grond maakt het onmogelijk een doorNederland gestarte uitleveringsprocedure te frustreren door indiening vaneen gratieverzoek met betrekking tot de straf of maatregel waarvoor deuitlevering wordt gevraagd.Onderdeel dTot slot heeft een gratieverzoek geen opschortende werking als detenuitvoerlegging van de straf of maatregel is overgedragen aan eenandere staat. De Minister is dan immers niet langer belast met detenuitvoerlegging.Artikel 7.1.12 [mededeling opschorting of schorsing gratie-verzoek]In dit artikel is het huidige artikel 6:7:4 met beperkte wijzigingen overge-nomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 346 Eerste lidAls een gratieverzoek opschortende werking toekomt, stelt de Minister deveroordeelde hiervan in kennis. De opschorting duurt totdat op hetgratieverzoek is beschikt. Bij een gunstige beschikking ontvangt deveroordeelde een afschrift van het koninklijk besluit (artikel 18, eerste lid,Gratiewet). Als het gratieverzoek wordt afgewezen, wordt de veroordeeldedaarvan in kennis gesteld (artikel 18, tweede lid, Gratiewet). De straf ofmaatregel, of het restant daarvan, kan vervolgens worden tenuitvoer-gelegd.Het ingaan van de opschorting is dus niet langer, zoals in het huidigewetboek, afhankelijk gesteld van het moment waarop de veroordeeldemet de mededeling bekend is geworden (zie huidig artikel 6:7:4, derde lid,eerste zin). Dat uitgangspunt stond op gespannen voet met het bepaaldein het huidige vierde lid, dat voorschrijft dat de Minister na de mededelingzorgdraagt dat opschorting of schorsing plaatsvindt. Daaruit volgt dat metde opschorting niet mag worden gewacht totdat de veroordeelde bekendis met de mededeling. Dit heeft ertoe geleid dat de eerste zin van hethuidige derde lid niet is overgenomen. De tweede zin is toegevoegd aanhet eerste lid van dit artikel. Ook het genoemde vierde lid van artikel 6:7:4is niet overgenomen. Het spreekt immers vanzelf dat de Minister, dieverantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging, zorgt dat de wettelijkeregeling in acht wordt genomen. Dat hoeft niet afzonderlijk te wordenbepaald.Tweede lidIndien een gratieverzoek betrekking heeft op een vrijheidsstraf, op eenterbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of op eenmaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders,zonder dat de wet daaraan opschortende werking verbindt, kan deMinister niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort ofgeschorst zolang niet is beschikt op het gratieverzoek. Met deze uitzon-dering kunnen onbillijke situaties worden voorkomen indien toewijzingvan het gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk is. Ook is toepassing van ditartikellid denkbaar bij een bij de wet niet toegelaten straf of combinatievan straffen (M.J.M. Verpalen, in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns en M.J.M.Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, veertiende druk,Deventer: Wolters Kluwer 2021, aantekening 3 bij artikel 6:7:4).Artikel 7.1.13 [nadere regels]Dit artikel bevat net als het huidige artikel 6:7:8 een grondslag voor het bijalgemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels bij de titel overopschorting en schorsing. Die nadere regels hebben in ieder gevalbetrekking op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging. Ookin het huidige recht is (in het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen) voor alle straffen en maatregelen bepaald wanneer wordtaangenomen dat de tenuitvoerlegging is aangevangen. Zo kan eenvoudigworden vastgesteld of een gratieverzoek nog opschortende werking kantoekomen op grond van artikel 7.1.10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 347 TITEL 1.4Aanhouding, opneming en invrijheidstellingArtikel 7.1.14 [opdracht tot aanhouding]Eerste lidOp grond van artikel 1.10.5, eerste lid, kan de Minister voor de tenuitvoer-legging algemene of bijzondere opdrachten geven aan opsporingsambte-naren en aan andere aangewezen ambtenaren of functionarissen. Eenvoorbeeld van een bijzondere opdracht is de opdracht op grond waarvaniemand wordt aangehouden in het kader van de tenuitvoerlegging vaneen straf of maatregel. Deze opdracht tot aanhouding vergt bijzonderezorgvuldigheid vanwege de vrijheidsbeneming die deze tot gevolg heeft.Om deze reden worden in het eerste lid van dit artikel voorschriftengegeven voor de inhoud van een dergelijke opdracht. Deze voorschriftenzijn ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:1:6. De opdrachtmoet allereerst een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding bevatten van deaan te houden persoon (onderdeel a). Die aanduiding kan wordengegeven aan de hand van verschillende factoren, zoals persoonsge-gevens, een omschrijving van persoonlijke kenmerken en vingeraf-drukken. Voorts moet de opdracht een opgave bevatten van de beslissingof het bevel waarop de aanhouding steunt (onderdeel b). Tot slot bevat deopdracht een vermelding van de plaats waarnaartoe de aangehoudenpersoon moet worden overgebracht, zoals een inrichting, of van derechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid (onderdeel c). Tenaanzien van de genoemde rechter of ambtenaar volstaat vermelding vandiens functie.Tweede en derde lidDegene die de aanhouding heeft verricht dient de aangehouden persoondirect over te brengen naar de in de opdracht genoemde plaats ofpersoon. In het bepaalde in het derde lid werkt door dat de Minister deopdracht tot aanhouding geeft; zodra de aanhouding is verricht, wordt deMinister hierover direct geïnformeerd. Het huidige artikel 6:1:6, derde lid,tweede zin, is verplaatst naar artikel 7.1.16, omdat deze zin net alslaatstgenoemd artikel betrekking heeft op de identiteitsvaststelling van deaangehouden persoon.In het algemeen begint de vrijheidsbeneming op het moment van deaanhouding. Zie in dit verband bijvoorbeeld de toelichting op artikel 7.3.1,over het ingaan van een vrijheidsstraf. Dat de tenuitvoerlegging daardoorsoms begint op een andere plaats dan die welke uiteindelijk voor detenuitvoerlegging is bestemd, doet daaraan niets af. Een korte insluiting ineen politiecel in afwachting van transport naar de aangewezen inrichtingis in een dergelijk geval niet onrechtmatig (ECLI:NL:GHSGR:1987:AB9352).De penitentiaire beginselenwetten bevatten voorzieningen voor het gevaler (tijdelijk) geen plek beschikbaar is in een inrichting (artikel 15a van dePenitentiaire beginselenwet en artikel 15 van de Beginselenwet justitiëlejeugdinrichtingen).Het huidige artikel 6:1:6, vierde lid, is vooralsnog niet overgenomen in ditartikel. De inhoud van dat artikellid is namelijk afhankelijk van de invullingvan Boek 6, Hoofdstuk 3 (Strafvordering op zee en in de lucht). Deinvulling van dat gereserveerde hoofdstuk wordt geregeld via de eersteaanvullingswet. Via die aanvullingswet zal zo nodig ook dit artikel wordenaangevuld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 348 De grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuurkunnen stellen van nadere regels over het geven van een opdracht totaanhouding, is opgenomen in artikel 7.1.19.Artikel 7.1.15 [bevoegdheden bij aanhouding]Eerste en tweede lidDit artikel ziet op de bevoegdheden die voor de aanhouding kunnenworden uitgeoefend door de ambtenaar die is belast met de opdracht totaanhouding. Bij de invoering van de mogelijkheid bepaalde bevoegd-heden uit te oefenen in het kader van de tenuitvoerlegging (KamerstukkenII 2004/05, 29 413, nr. 7, p. 5 en 6) zijn in de wet waarborgen opgenomenvoor de uitoefening van die bevoegdheden. Of de ambtenaar tervaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon een vande opgesomde bevoegdheden kan inzetten, is afhankelijk van de in hettweede lid genoemde voorwaarden die betrekking hebben op de ernst vanhet gepleegde feit en de aard van de bevoegdheid. Op grond van dezeprocedurele waarborgen kan de ambtenaar veelal niet zelfstandigbeslissen tot het gebruik van deze bevoegdheden, maar mag dit enkel opbevel van de officier van justitie. Omdat sommige bevoegdheden zwarebeperkingen mogelijk maken op de grondrechten van betrokkene en zijnomgeving, kan de officier van justitie het bevel bovendien soms pasgeven nadat hij daartoe is gemachtigd door de rechter-commissaris. Dehuidige bepaling – artikel 6:1:7 – is voor wat betreft de uit te oefenenbevoegdheden inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, zo kan wordenbevestigd in reactie op de adviezen van de Politie en het OM. Van dehuidige bevoegdheden zijn dus de corresponderende bepalingen in Boek2 genoemd. Wel zijn de bepalingen over de vastlegging en de inhoud vande bevelen achterwege gelaten, aangezien Boek 2 hiervoor algemenebepalingen bevat.Op advies van de Politie is ook artikel 2.7.68 genoemd. In dat artikel is eenalgemene regeling getroffen die de mogelijkheden omvat van het huidigeartikel 126nd, zesde lid. Op grond van het huidige artikel 126nd is deofficier van justitie bevoegd bepaalde vastgelegde gegevens te vorderenin geval van verdenking van een misdrijf waarbij voorlopige hechtenismogelijk is. Het huidige artikel 126nd, zesde lid, bevat een regeling voorhet vorderen van gegevens in geval van verdenking van een lichterstrafbaar feit. De officier van justitie behoeft in dat geval een machtigingvan de rechter-commissaris. Deze mogelijkheid is veralgemeniseerd inartikel 2.7.68 voor de daar genoemde bevoegdheden (zie nader Kamer-stukken II 2022/2023, 36 927, nr. 3, p. 658–659). Voor de in het tweede lidgenoemde bevoegdheden geldt dat zij kunnen worden uitgeoefend indiende aan te houden persoon een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemendemaatregel is opgelegd voor een misdrijf waarvoor de bevoegdheid magworden uitgeoefend dan wel voor een dergelijk misdrijf de voorlopigehechtenis van die persoon is bevolen (onderdeel a). De samenhang metartikel 2.7.68 zorgt ervoor dat de bevoegdheden ook kunnen wordenuitgeoefend in geval van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemendemaatregel bij een lichter strafbaar feit, zij het – net als in Boek 2 – namachtiging van de rechter-commissaris (onderdeel b).Derde lidTen opzichte van artikel 6:1:7 is in dit artikel buiten twijfel gesteld dat deuitoefening van de daarin genoemde bevoegdheden steeds plaatsvindtonder gezag van de officier van justitie en dat de officier van justitie deandere ambtenaren (dus) bevelen ter zake kan geven. Die verduidelijkingis van belang in twee te onderscheiden situaties. De eerste betreft deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 349 toepassing van een bevoegdheid die aan een opsporingsambtenaar ofeen hulpofficier van justitie is gegeven in gevallen waarin de ambtenaardie met de aanhouding is belast zelf een opsporingsambtenaar ofhulpofficier van justitie is. Die ambtenaar valt in zoverre onder het gezagvan de officier van justitie. De tweede situatie is die waarin de toepassingvan de bevoegdheid bestaat uit een door de officier van justitie aan eenopsporingsambtenaar gegeven bevel. Ook de uitvoering van dat bevelvindt plaats onder gezag van de officier van justitie. Met betrekking tot ditartikel heeft de wetgever zich eerder uitgebreid uitgelaten over het gezagvan de officier van justitie (Kamerstukken II 2019/20, 35 311, nr. 3.): «Onderdit gezag valt de sturing van genoemde opsporingsactiviteiten tenbehoeve van de tenuitvoerlegging. Wanneer [het CJIB] namens deMinister [opdrachten] aan de politie geeft, zoals de opdracht eenveroordeelde aan te houden, zal de politie vanuit die verantwoordelijkheiddoor de Minister worden aangestuurd. Het gezag over de politie blijftechter primair rusten bij het openbaar ministerie, dat immers op grondvan artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie belast is en blijftmet het geheel van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ditstaat de verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerleggingniet in de weg. De enkele uitvoering van een [opdracht] tot aanhouding ende sturing hierop – het aanbellen bij een bepaald adres, iemand ophalenmet het oog op toepassing van het dwangmiddel gijzeling, et cetera –betreft nog geen opsporing. Op enig moment is in de uitvoering evenweleen omslagpunt te markeren naar activiteiten die zich naar hun aard welals zodanig laten kenmerken. Daarvan is in ieder geval sprake bijtoepassing van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. Waar aanhoudingvraagt om (gerichte) opsporing, zal de sturing van de politie overgaan van[het CJIB] naar het openbaar ministerie. Deze opsporing, waarbij in hetkader van de tenuitvoerlegging verdergaande bevoegdheden wordeningezet, behoort immers tot het exclusieve terrein van het openbaarministerie.» Voorgaande overwegingen hebben ertoe geleid dat hettweede lid van het huidige artikel 6:1:7 in dit artikel is opgesplitst in tweeartikelleden. In het nieuwe tweede lid worden nog steeds de eventueel uitte oefenen bevoegdheden opgesomd. In het derde lid komt vervolgens degezagsverhouding tot uitdrukking. Daarbij is ervan uitgegaan dat niet elkehulpofficier van justitie een ambtenaar zal zijn als bedoeld in artikel 1.10.8.Zie in dit verband ook artikel 1.3.13, waaruit blijkt dat ook buitengewoonopsporingsambtenaren hulpofficier van justitie kunnen zijn.Artikel 7.1.16 [identiteitsvaststelling na aanhouding]Eerste lidDe ambtenaar die is belast met de aanhouding van een persoon of met detenuitvoerlegging van een straf of maatregel, stelt na de aanhouding altijdde identiteit vast op de wijze die is bepaald in artikel 1.4.8. Door deuniforme standaardcontrole van de identiteit binnen de strafrechtketen,van de verdachte tot aan de veroordeelde die een straf of maatregelondergaat, wordt structureel bijgedragen aan het voorkomen vanidentiteitsfraude binnen het strafproces en wordt (ook bij de tenuitvoer-legging) het risico geminimaliseerd dat de verkeerde persoon wordtaangehouden. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de beginselen-wetten eigen voorschriften bevatten voor de identiteitsvaststelling. Zieartikel 28 van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 33 van de Beginse-lenwet justitiële jeugdinrichtingen en artikel 22 van de Beginselenwetverpleging ter beschikking gestelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 350 Tweede lidIndien de aangehouden persoon beweert en blijft beweren niet depersoon te zijn die had moeten worden aangehouden, neemt de Ministereen beslissing over de identiteit van de aangehoudene. In het huidigewetboek is dit geregeld in artikel 6:1:6, derde lid. Om de identiteit buitentwijfel vast te stellen kan gebruik worden gemaakt van identiteitsbewijzen,foto’s, vingerafdrukken en eventuele andere beschikbare gegevens. Alsdesondanks twijfel blijft bestaan over de identiteit, kan de Minister deofficier van justitie benaderen met het oog op de uitoefening van de in hetartikel opgesomde (opsporings)bevoegdheden. Dit is nieuw toegevoegdten opzichte van de huidige bepaling. De eventuele toepassing van dezebevoegdheden was de reden dat de definitieve identiteitsvaststelling in deconsultatieversie van dit wetsvoorstel was opgedragen aan de officier vanjustitie in plaats van aan de Minister. De toepassing van opsporings-bevoegdheden vindt immers plaats onder verantwoordelijkheid van deofficier van justitie (vgl. de toelichting op artikel 7.1.15). Het OM heeftechter aangegeven dat de inzet van aanvullende bevoegdhedendoorgaans niet aan de orde is. Om die reden is het aanzoeken van deofficier van justitie optioneel gemaakt. In verreweg de meeste gevallen zalkunnen worden volstaan met identiteitsvaststelling door de Minister.Slechts indien nodig zal een beroep worden gedaan op de officier vanjustitie. Gezien de systematische wijze waarop thans in de strafrechts-pleging de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen wordtvastgelegd en gecontroleerd, zal overigens alleen in uitzonderlijkegevallen twijfel kunnen ontstaan over de identiteit van de aangehoudene.Artikel 7.1.17 [opneming in inrichting of instelling]Voorkomen moet worden dat iemand onterecht wordt opgenomen in eeninrichting of instelling. Dit artikel bevat daartoe voorschriften, die naarhuidig recht zijn opgenomen in artikel 6:2:1 en daaruit inhoudelijkongewijzigd zijn overgenomen. Opneming vindt plaats in een inrichting ofinstelling. Dit artikel heeft daarom betekenis voor penitentiaire inrich-tingen (artikel 3 van de Penitentiaire beginselenwet), voor instellingenvoor forensische zorg (artikelen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet forensischezorg) en voor justitiële jeugdinrichtingen (artikel 3a van de Beginselenwetjustitiële jeugdinrichtingen). De Minister houdt alle gegevens vanveroordeelden bij en is in zoverre verantwoordelijk dat niemand langerwordt ingesloten dan waarvoor een titel voor vrijheidsbenemingbeschikbaar is (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 78).Eerste en tweede lidOp grond van het eerste lid vindt opneming plaats op grond van eenstrafrechtelijke beslissing (onderdeel a), een strafvorderlijke beslissing totvrijheidsbeneming (onderdeel b) of – bij wijze van tijdelijke voorziening –een opdracht tot tenuitvoerlegging van de Minister (onderdeel c). Bij detenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing wordt in de praktijkdoorgaans volstaan met het verstrekken van een uittreksel daarvan. Bijeen strafvorderlijke beslissing tot vrijheidsbeneming gaat het om de inartikel 1.10.1, derde lid, genoemde bevelen, zoals het bevel tot voorlopigehechtenis, het bevel tot inverzekeringstelling en het bevel tot aanhouding.Voor al deze bevelen is geregeld dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt ofkan plaatsvinden in een huis van bewaring (zie de artikelen 2.5.15, vierdelid, en 7.2.2, vijfde lid, alsmede artikel 9 van de Penitentiaire beginse-lenwet en artikel 8 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen). Alsde strafrechtelijke beslissing, of het uittreksel daarvan, of het strafvorder-lijke bevel tot vrijheidsbeneming nog niet voorhanden is, kan bij wijze vantijdelijke voorziening worden volstaan met een opdracht tot tenuitvoer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 351 legging van de Minister. De eisen waaraan deze opdracht moet voldoenzijn opgenomen in artikel 7.1.14. Bij gebruik van een opdracht tottenuitvoerlegging wordt zo spoedig mogelijk daarna de oorspronkelijkebeslissing nagezonden aan de directeur van de inrichting of het hoofd vande instelling.Derde en vierde lidHet derde lid bevat bijzondere voorzieningen voor de tenuitvoerleggingvan een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis of arrest. Indiengeen schriftelijk eindvonnis wordt gewezen, wijst de enkelvoudige kamerin het algemeen onmiddellijk na de sluiting van het onderzoek op deterechtzitting mondeling vonnis (artikelen 4.5.8, eerste lid, en 6.1.18, derdelid). Dat vonnis wordt in een aantal gevallen aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting (artikel 4.5.8, tweede lid) en overigensaangetekend op een aan de kopie van de oproeping te hechten stuk(artikel 4.5.9). Aangezien ook deze aantekening van het mondelingevonnis of arrest de gegevens bevat die nodig zijn voor de opneming,verschilt het desbetreffende stuk op dit punt inhoudelijk niet van hetuittreksel dat wordt opgemaakt van een strafrechtelijke beslissing en kanhet dus dienen als grondslag voor opneming (onderdelen a en b). In degevallen waarin het proces-verbaal van de terechtzitting of het aan dekopie van de oproeping gehechte stuk niet voorhanden is, kan ook hiereen opdracht tot tenuitvoerlegging worden gebruikt om de opnemingmogelijk te maken (onderdeel c). In dat geval wordt het oorspronkelijkestuk of een kopie daarvan zo spoedig mogelijk nagezonden aan dedirecteur van de inrichting of het hoofd van de instelling.Artikel 7.1.18 [invrijheidstelling]Dit artikel bevat regels over de invrijheidstelling door de directeur van deinrichting. De inhoud van dit artikel is overgenomen uit het huidige artikel6:2:5. Dat dit artikel ook van toepassing is op een voorwaardelijkeinvrijheidsstelling, is naar huidig recht bepaald in artikel 6:2:10, vijfde lid.Eerste tot en met derde lidInvrijheidstelling vindt volgens het eerste lid plaats op de laatste dag vande straftijd (onderdeel a), zodra het bevel tot vrijheidsbeneming doortijdsverloop zijn geldigheid verliest (onderdeel b), na verlening vanvoorwaardelijke invrijheidstelling (onderdeel c) of na een opdracht totinvrijheidstelling van de Minister (onderdeel d). Behoudens het bepaaldein het vierde lid vindt de invrijheidstelling in alle gevallen uiterlijk plaatsop het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt of het bevel tot vrijheidsbe-neming door tijdsverloop zijn geldigheid verliest. Het moment waarop eenveroordeelde in vrijheid moet worden gesteld is bij vrijheidsstraffennauwkeurig te bepalen: iedere tijdelijke vrijheidsstraf is te herleiden totdagen en zo nodig tot uren. Bij een bevel tot voorlopige hechtenis wordtde werkelijke geldigheidsduur in acht genomen; een in de loop van de dagte verlopen bevel kan immers diezelfde dag nog worden verlengd.In verreweg de meeste gevallen vindt de invrijheidstelling zijn oorsprongin het van rechtswege eindigen van de vrijheidsbenemende titel, of in debeslissing van de rechter of de officier van justitie tot (voorwaardelijke)invrijheidstelling. In enkele gevallen kan de invrijheidsstelling echter ookplaatsvinden in opdracht van de Minister. Daarbij kan bijvoorbeeldworden gedacht aan de beslissing tot gratieverlening, de beëindiging vande maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders(artikel 7.6.10) of de beëindiging van een vervangende hechtenis ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 352 gijzeling doordat (het restant van) het verschuldigde bedrag wordt betaald(artikelen 7.5.8, 7.5.20 en 7.5.21).Als op de terechtzitting of in raadkamer een beslissing wordt genomen diekan leiden tot invrijheidstelling van de verdachte of de veroordeelde, zoalsopheffing of schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, wordt debeslissing niet tenuitvoergelegd in de zittingszaal, maar in de inrichting.Het hier gaat om tussentijdse beslissingen die kunnen leiden tot invrij-heidstelling. Deze beslissingen wijken af van het einde van de straftijd, heteinde van het bevel tot vrijheidsbeneming door tijdsverloop en devoorwaardelijke invrijheidstelling, omdat in die gevallen het moment vaninvrijheidstelling steeds van tevoren bekend is en daarop kan wordengeanticipeerd. Bij tussentijdse beslissingen moet het ontsluitingsprocesad hoc worden geregeld. De Minister ontvangt een dergelijke beslissingop grond van artikel 7.1.1, eerste lid, en geeft deze als opdracht totinvrijheidstelling door aan de directeur van de inrichting. Eerst zal deMinister echter nagaan of de vrijheid van de betrokkene niet nog opandere titel ontnomen moet blijven. Als dat het geval is, wordt deopdracht tot invrijheidstelling uiteraard niet gegeven, maar verandertenkel de titel waarop iemand vanaf dat moment vastzit. Hierover wordt deinrichting geïnformeerd. Deze controle door de Minister dient tevoorkomen dat iemand ten aanzien van wie nog een andere vrijheidsbe-nemende titel openstaat (tijdelijk) niet beschikbaar is voor verderetenuitvoerlegging doordat hij in vrijheid zou moeten worden gesteld,zodat er kostbare capaciteit moet worden ingezet om de andere titelalsnog ten uitvoer te leggen. Dit kan in het bijzonder relevant zijn bijbuiten de reguliere kantoortijden genomen rechterlijke beslissingen diekunnen leiden tot invrijheidstelling. Hierbij kan worden gedacht aan deschorsing van de voorlopige hechtenis, een contraire beëindiging van eenterbeschikkingstelling of een beslissing van de rechter-commissaris overde tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij een maatregelstrekkende tot beperking van de vrijheid.Vierde lidHet vierde lid biedt de mogelijkheid om na ontvangst van de opdracht totinvrijheidstelling de betrokkene nog gedurende enige uren vast te houdenom de administratieve en fysieke afhandeling van de opdracht uit tevoeren. Als de veroordeelde op het moment van de opdracht totinvrijheidstelling niet in de inrichting is – bijvoorbeeld omdat hij nogonderweg is naar de inrichting na de zitting waar is besloten tot zijninvrijheidstelling – begint de termijn van drie uur te lopen vanaf hetmoment dat de veroordeelde terug is bij de inrichting, waar veelal ooknog persoonlijke bezittingen van de betrokkene zullen zijn. Het is goed tebenadrukken dat het streven in de praktijk is de daadwerkelijke invrijheid-stelling ruim binnen deze drie uur te realiseren, ook als deze uren buitende reguliere kantooruren vallen.Artikel 7.1.19 [nadere regels]Dit artikel bevat een grondslag voor het bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur stellen van nadere regels bij de titel overaanhouding, opneming en invrijheidstelling. De nadere regels hebben inieder geval betrekking op het geven van een opdracht tot aanhouding. Ditartikel betreft daarmee een inhoudelijk ongewijzigde samenvoeging vande huidige artikelen 6:1:15, eerste lid, onderdeel a, en 6:2:9, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 353 TITEL 1.5De raadkamer en de rechter-commissarisIn deze titel zijn algemene bepalingen opgenomen over de raadkamer ende rechter-commissaris, dus over de rechterlijke procedures in de fase vande tenuitvoerlegging. De artikelen zijn ontleend aan de titel met algemenebepalingen uit het huidige Hoofdstuk 6 van Boek 6 (Rechterlijke beslis-singen inzake de tenuitvoerlegging). De samenstelling van artikelen isdaarbij gewijzigd om deze te laten aansluiten bij het nieuwe wetboek.De belangrijkste reden voor aanpassing is dat de tenuitvoerleggingsproce-dures zijn vormgegeven als raadkamerprocedures. Het onderscheidendcriterium in het nieuwe wetboek is namelijk dat de raadkamer over dezaak beslist indien niet is voorgeschreven dat door de rechtbank of hetgerechtshof wordt beslist bij vonnis of arrest (artikel 1.2.4). Wanneer overde zaak moet worden beslist bij vonnis of arrest en wanneer niet, volgt uithet samenstel van bepalingen in Boek 1, Titels 1.2 en 2.1. De wet bepaaltin welke gevallen de rechtbank bij vonnis en het gerechtshof bij arrestbeslist (artikel 1.2.3, eerste lid). Dat is in ieder geval zo voor de beslis-singen die worden genomen bij de berechting en bij de afzonderlijkebehandeling van met de berechting verbonden vorderingen (artikel 1.2.3,tweede lid). Al deze vonnisprocedures zijn opgenomen in Boek 4(Berechting). Over andere kwesties beslist de raadkamer. Dat brengt meedat tenuitvoerleggingsprocedures worden beheerst door Boek 1, Titel 2.3(De raadkamer), voor zover daarvan in Boek 7 niet wordt afgeweken enwaar nodig te bestemder plaatse aangevuld met specifieke procedure-voorschriften. Met dit uitgangspunt van behandeling door de raadkamervalt niet goed te verenigen dat de procedures, zoals in het huidigewetboek het geval is, zijn gemodelleerd naar de berechting (zie met namehet huidige artikel 6:6:4, vierde lid). Van belang is verder dat de «gelijk-tijdige» behandeling van vorderingen tot tenuitvoerlegging met deberechting van een nieuw strafbaar feit in het nieuwe wetboek een plaatsheeft gekregen in Boek 4, Titel 4.2 (De vordering tot tenuitvoerlegging). InBoek 7 wordt daarom volstaan met het bepalen van de gevallen waarbijgevoegde behandeling met de berechting aangewezen is, en met hetbepalen van de bevoegde rechtbank. De gevoegde behandeling zelf vindtregeling in Boek 4.Het bovenstaande brengt mee dat de procedures in Boek 7 ofwelprocedures bij de rechter-commissaris zijn (waarop Boek 1, Titel 2.4, vantoepassing is), ofwel raadkamerprocedures (waarop Boek 1, Titel 2.3, vantoepassing is). Is een beslissing niet opgedragen aan de rechter-commissaris, dan is dus steeds de (enkelvoudige of meervoudige)raadkamer bevoegd. Het een en ander heeft geleid tot een terminolo-gische concretisering. Aangezien het gerecht dat het feit in eerste aanlegberecht alleen een rechtbank kan zijn, wordt in artikel 7.1.20, eerste lid– de opvolger van het huidige artikel 6:6:1, eerste lid – niet meergesproken over «het gerecht», maar over «de rechtbank». Hetzelfde geldtvoor de term «de rechter». Aangezien de bevoegdheidsregeling vanartikel 7.1.20, eerste lid, meebrengt dat in alle gevallen waarin eenbeslissing aan de rechter wordt opgedragen, die rechter de (raadkamervan de) rechtbank is, wordt telkens gesproken over «de rechtbank». In hetverlengde daarvan ligt dat «het openbaar ministerie» in veel gevallen isvervangen door «de officier van justitie». Het gerechtshof blijft nog weleen rol spelen in de gevallen dat hoger beroep open staat tegen eenbeslissing van de rechtbank.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 354 Belangrijker is dat de verandering van de bestaande procedures inraadkamerprocedures ten opzichte van het geldende recht ook inhoude-lijke veranderingen met zich brengt. De regeling van de berechting(waarnaar de bestaande procedures zijn gemodelleerd) is in het algemeenpreciezer en vollediger dan de meer globale regeling van de raadkamer-procedure die is neergelegd in Boek 1, Titel 2.3. Bij wijze van voorbeeldkan worden gewezen op de regeling van het getuigenverhoor. Het huidigeartikel 6:6:4, vierde lid, verklaart vrijwel alle artikelen over het verhoor vangetuigen tijdens de berechting van overeenkomstige toepassing,waaronder de criteria van de huidige artikelen 287 en 288. Dat maakt eenaparte voorziening voor anonieme getuigen nodig (zie het huidige artikel6:6:4, vijfde lid). De regeling in artikel 1.2.19, vierde lid, is algemener vanaard. Bepaald wordt dat de raadkamer getuigen «kan» horen. Deraadkamer wordt hier dus beoordelingsvrijheid gelaten; aan de criteriavan de huidige artikelen 287 en 288 is zij in de nieuwe regeling nietgebonden. Dit verschil in gedetailleerdheid is gerechtvaardigd door hetverschil in belangen. Die belangen zijn bij de berechting doorgaans groterdan bij een raadkamerbehandeling. Dat is ook het geval bij de raadkamer-procedures in het kader van de tenuitvoerlegging. Van een criminalcharge in de zin van artikel 6 EVRM is geen sprake. De op het spel staandebelangen zijn vergelijkbaar met die van een verdachte over wiensgevangenhouding de raadkamer beslist. Daarbij wordt opgemerkt dat deraadkamerprocedure en de berechting in het nieuwe wetboek verder naarelkaar zijn gegroeid. Zo geldt als regel ook voor de raadkamerproceduredat de behandeling plaatsvindt op een openbare zitting (artikel 1.2.16,eerste lid) en dat de beslissing in het openbaar moet worden uitgesproken(artikel 1.2.23, eerste lid). Bij de tenuitvoerleggingsprocedures wordt aandie regels vastgehouden.De Rvdr heeft aandacht gevraagd voor een tweetal mogelijke conse-quenties van de overgang naar een raadkamerprocedure. Allereerstvraagt de Rvdr of met de nieuwe regeling een wijziging is beoogd in desamenstelling – enkelvoudig of meervoudig – die de zaak behandelt. Hethuidige wetboek neemt in de fase van de tenuitvoerlegging een enkel-voudige kamer als uitgangspunt (artikel 6:6:1, zevende lid, onderdeel a) ennoemt vervolgens drie gevallen waarin de behandeling in ieder gevalmoet plaatsvinden door een meervoudige kamer (artikel 6:6:1, zevendelid, onderdeel b, onder 1°, 2° en 3°). Het gaat daarbij achtereenvolgens omeen vordering die strekt tot vrijheidsbeneming van een jaar of meer(onder 1°), het oordeel van de enkelvoudige kamer dat de zaak moetworden behandeld door een meervoudige kamer (onder 2°) en devordering tot tenuitvoerlegging die gevoegd wordt behandeld bij deberechting van een nieuw strafbaar feit, voor zover die nieuwe strafzaakwordt behandeld door een meervoudige kamer (onder 3°). In het nieuwewetboek is een meervoudige raadkamer de hoofdregel. Op grond vanartikel 1.2.13, eerste lid, kan echter behandeling plaatsvinden door eenenkelvoudige raadkamer indien de zaak van eenvoudige aard is en indienhet belang ervan zich daartegen niet verzet. De afweging of er aanleidingis te kiezen voor een enkelvoudige of meervoudige behandeling, isdaarmee aan de praktijk. Zoals aangegeven in de toelichting op artikel1.2.13, lijkt in de huidige praktijk ongeveer de helft van de raadkamerpro-cedures enkelvoudig te worden behandeld (Kamerstukken II 2022/2023,36 327, nr. 3, p. 131). In het vervolg van artikel 1.2.13, eerste lid, wordenenkele gevallen genoemd waarin de behandeling in ieder geval moetplaatsvinden door een meervoudige raadkamer (onderdelen a tot en mete). Daarbij is toegelicht dat onderdeel c – over de duur van de gevorderdevrijheidsbeneming – is ontleend aan de regeling in het huidige Boek 6(Kamerstukken II 2022/2023, 36 327, nr. 3, p. 133). Voor de twee anderegronden uit de huidige regeling geldt dat zij zijn verdisconteerd in demogelijkheid van verwijzing (artikel 1.2.6) en in de algemene procedure-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 355 regels met betrekking tot de hoofdzaak (artikel 1.2.5, eerste lid). Samen-vattend biedt de nieuwe regeling dus de handvatten om de huidigepraktijk te kunnen voortzetten.Daarnaast geeft de Rvdr aan dat door de meer globale regeling van deraadkamerprocedure enkele waarborgen lijken te verdwijnen. De Rvdrnoemt het horen van deskundigen (en getuigen), het uitvoeren vandeskundigenonderzoek en de uitspraaktermijn. Zoals aangegeven is deregeling van de raadkamer inderdaad minder gedetailleerd dan deregeling van de berechting, onder andere op het punt van deskundigen-(onderzoek). Voor veruit de meeste tenuitvoerleggingsprocedures volstaatdie globale regeling, gelet op het verschil in belangen met de berechting.Dat laat onverlet dat ten aanzien van specifieke procedures aanvullende ofafwijkende regels kunnen worden opgenomen, al naar gelang de aard vande procedure of de in het geding zijnde belangen. Naar aanleiding van hetadvies van de Rvdr is in deze titel een aanvullende voorziening getroffenvoor het horen van deskundigen in procedures die betrekking hebben opeen vrijheidsbenemende maatregel. Dat zijn de verschillende proceduresinzake de terbeschikkingstelling, de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor stelselmatige daders en de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen. Een bijzondere regeling is gerechtvaardigdvanwege de zwaarte van de procedures – de ingrijpendheid van de tenemen beslissingen – en de aard van de procedures, die doorgaansspecifieke deskundigheid vereist. Daarnaast is een algemene voorzieninggetroffen voor de uitspraaktermijn. Zie nader de artikelen 7.1.22, vijfde enzesde lid, en 7.1.24, eerste lid.Het OM heeft gevraagd om een zorgvuldig gebruik van de termen«openbaar ministerie» en «officier van justitie», zodat het OM ruimtehoudt om de wettelijke taken optimaal te verdelen binnen de eigenorganisatie. Zoals aangegeven wordt in Boek 7 vooral de term «officiervan justitie» gebruikt. De officier van justitie is immers steeds aan zet ombijvoorbeeld een vordering in te dienen, een conclusie te schrijven bij eenverzoek van de veroordeelde, of een beslissing te nemen. Dit hangtrechtstreeks samen met het zojuist genoemde uitgangspunt dat steeds de(raadkamer van de) rechtbank bevoegd is te beslissen op de vordering,het verzoek of het rechtsmiddel tegen de beslissing van de officier vanjustitie. De term «openbaar ministerie» wordt alleen gebruikt als deorganisatie als zodanig wordt bedoeld (bijvoorbeeld in de artikelen 1.10.7en 7.1.1) of om ook de advocaat-generaal te omvatten (bijvoorbeeld inartikel 1.10.2, derde lid). Dit onderscheid tussen beide termen wordt in hethele nieuwe wetboek consistent gehanteerd. Op grond van artikel 126 vande Wet op de rechterlijke organisatie blijft het onverminderd mogelijk omook andere medewerkers binnen het openbaar ministerie te betrekken bijde wettelijke taken.De consequentie van al het voorgaande is dat in vergelijking met hethuidige wetboek het aantal algemene bepalingen aanzienlijk kon wordenbeperkt. Naast de algemene regels in Boek 1, Titels 2.3 en 2.4, zijn slechtsenkele aanvullingen nodig. Daarbij is onderscheid gemaakt tussenalgemene bepalingen – artikelen die gelden voor de behandeling doorzowel de raadkamer als de rechter-commissaris – en bepalingen die alleenbetrekking hebben op de behandeling door de raadkamer. Hieronderworden de artikelen afzonderlijk toegelicht. Waar relevant wordt ooktoegelicht waarom artikelen (of onderdelen daarvan) uit de huidigeregeling niet of slechts deels zijn overgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 356 AFDELING 1.5.1AlgemeenArtikel 7.1.20 [bevoegde rechter]Eerste lidDe rechter die bevoegd is beslissingen te nemen in het kader van detenuitvoerlegging is de rechtbank die het strafbare feit heeft berechtwaarvoor de straf of maatregel is opgelegd, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank. De bevoegdheid van de rechter-commissaris is daarmee expliciet geregeld. Net als in de huidige regelingis de bevoegdheid van het gerechtshof dat in hoger beroep oordeelt nietgeregeld in dit artikel. Die bevoegdheid vloeit, tenzij anders is bepaald,voort uit artikel 60, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.Wat het gerechtshof in hoger beroep kan beslissen, vindt regeling bij hetdesbetreffende rechtsmiddel. Zie bijvoorbeeld de artikelen 7.4.13 en7.6.22. Een en ander maakt dat telkens in plaats van «de rechter» kanworden gesproken van «de rechtbank». Zie ook de inleidende toelichtingop deze titel. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de rechter diekennisneemt van de zaak in het kader van de tenuitvoerlegging nietdezelfde persoon hoeft te zijn als degene die de zaak in eerste aanlegheeft behandeld.Tweede lidIn het geval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijkebeslissing kan het eerste lid geen toepassing vinden. Er is dan immersgeen rechtbank die het strafbare feit heeft berecht waarvoor de straf ofmaatregel is opgelegd. Voor dat geval bepaalt het tweede lid dat derechtbank bevoegd is die het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld inartikel 31, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvon-nissen, heeft verleend, dan wel de rechtbank in het arrondissement waarde tenuitvoerlegging plaatsvindt.Derde lidHet derde lid bepaalt dat de rechtbank of de rechter-commissarisbeslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging kunnen nemen opvordering van de officier van justitie of op verzoek van de veroordeelde,tenzij de wet anders bepaalt. Bij de procedure tot wijziging van deproeftijd of voorwaarden (artikel 7.2.6) is bijvoorbeeld niet bepaald of dezemoet plaatsvinden op vordering of op verzoek. Het initiatief kan dusliggen bij de officier van justitie of bij de veroordeelde. Dat is anders bijhet bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuitvoerge-legde straf of maatregel (artikel 7.3.7). Dat bevel kan blijkens de wet alleenworden gegeven op vordering van de officier van justitie. Naar aanleidingvan een vordering of verzoek kan de rechtbank of de rechter-commissarisook ambtshalve beslissingen nemen. De ambtshalve beslissing kan danbetrekking hebben op iets anders dan (of iets naast) het gevorderde ofgevraagde, tenzij de wet voorschrijft dat de beoogde beslissing alleen kanworden genomen op vordering of op verzoek. Het is bijvoorbeelddenkbaar dat de rechtbank een vordering tot tenuitvoerlegging afwijst, envan de gelegenheid gebruik maakt om de proeftijd of de voorwaarden tewijzigen. Inhoudelijk komt dit artikellid dus overeen met het huidige artikel6:6:1, eerste lid, tweede zin.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 357 Vierde lidIndien de rechtbank of de rechter-commissaris bij het kennisnemen vaneen verzoek of bezwaarschrift meent dat de gevraagde beslissing moetworden genomen door een andere rechtbank of rechter-commissaris, stelthet de zaak in handen van de bevoegd geachte rechtbank of rechter-commissaris. Deze facultatieve verwijsmogelijkheid is opgenomen tenbehoeve van de veroordeelde die zich heeft vergist bij het aanschrijven.Van de officier van justitie mag worden verwacht dat hij zijn vorderingindient bij de juiste rechtbank of bij de juiste rechter-commissaris. Dehuidige regeling in artikel 6:6:1, vierde lid, maakt verwijzing ook mogelijkindien «een goede rechtsbedeling» dat vereist. Volgens de memorie vantoelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 97) maakt dit eenverwijzing mogelijk naar bijvoorbeeld het gerecht dat in tweede feitelijkeinstantie de straf heeft opgelegd. Deze grond voor verwijzing is echteronnodig gebleken en om die reden niet overgenomen. Voor een herover-weging, zoals bepleit door de Rvdr, is geen aanleiding nu ook in Boek 1,Titel 2.3, niet is voorzien in een dergelijke algemene verwijzingsplicht.Vervallen of verplaatste onderdelen van artikel 6:6:1Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 6:6:1. Van dat artikel zijnenkele artikelleden niet overgenomen. Het huidige tweede lid, dat ziet opde gevoegde behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging, is alondervangen door Boek 4, Titel 4.2 (De vordering tot tenuitvoerlegging).Het huidige vijfde lid heeft alleen betrekking op de raadkamer en isdaarom verplaatst naar Afdeling 1.5.2 (zie artikel 7.1.22). Het huidige zesdelid is ondergebracht in artikel 7.1.3, dat eerder is toegelicht. Het huidigezevende lid, tot slot, heeft voor wat betreft de onderdelen a en b plaatsge-maakt voor de artikelen 1.2.6 en 1.2.13. Onderdeel c mist zelfstandigebetekenis nu het eerste lid van dit artikel al tot uitdrukking brengt dat ookvoor de rechter-commissaris een rol is weggelegd bij rechterlijkeprocedures in het kader van de tenuitvoerlegging.Artikel 7.1.21 [rechtsbijstand]Dit artikel ziet op de rechtsbijstand bij tenuitvoerleggingsprocedures. Deinhoud ervan is deels overgenomen uit de artikelen 6:6:2 en 6:6:3, derdelid. Het eerste lid verklaart artikel 1.4.10 van overeenkomstige toepassingen bevestigt daarmee dat de veroordeelde – net als de verdachte bij deberechting – te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen.Beschikt de veroordeelde niet over een gekozen raadsman, dan geldt deregeling uit het tweede lid en wordt de veroordeelde een raadsmanaangewezen door de raad voor rechtsbijstand. Dit geldt bij iedereprocedure bij de rechtbank, alsook bij procedures bij de rechter-commissaris voor zover die strekken tot vrijheidsbeneming. De aanwijzingvindt plaats na kennisgeving door de officier van justitie (bij zaken opvordering van de officier van justitie) of na opdracht daartoe door devoorzitter van het oordelende gerecht (bij zaken niet op vordering van deofficier van justitie of in hoger beroep). Zowel de Rvdr als het OM hebbenaangegeven dat deze invulling niet strookt met werkafspraken die zijngemaakt over de toepassing van het huidige artikel 6:6:3, derde lid. Zobleek het in de praktijk lastig voor het openbaar ministerie om kennisge-vingen te doen aan de raad voor rechtsbijstand. Daarom is afgesprokendat steeds het gerecht zorgdraagt voor een opdracht aan de raad voorrechtsbijstand, ook als de procedure plaatsvindt op vordering van deofficier van justitie. Momenteel wordt een wetsvoorstel voorbereid om hethuidige artikel 6:6:3, derde lid, aan te passen conform deze werkafspraken.Zie het wetsvoorstel versterking rechtsbijstand in het strafproces, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 358 dat op 23 januari 2024 in formele consultatie is gegeven. Zodra datwetsvoorstel is aangenomen, tot wet is verheven en in werking isgetreden, zal dit artikel overeenkomstig worden gewijzigd in het nieuwewetboek.In het huidige artikel 6:6:3, derde lid, worden de huidige artikelen 43 tot enmet 46 van overeenkomstige toepassing verklaard. Aan de overeenkom-stige toepassing van artikel 46 bestaat echter weinig behoefte, medeomdat het vierde lid van dat artikel bepaalt dat aan alle belemmeringeneen einde komt als de dagvaarding (de procesinleiding) is ingediend. Datis bij een veroordeelde per definitie het geval. Daarentegen is artikel 48,tweede zin – over het ter kennis brengen aan de raadsman van alleberichten die aan de verdachte ter kennis worden gebracht – ten onrechteniet van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarom is in het zesde lidvan dit artikel ook de vervanger van die bepaling, artikel 1.4.20, genoemd.Met de overeenkomstige toepassing van dat artikel is ook geregeld dat derechten die in dit wetboek aan de veroordeelde zijn toegekend, ook doorzijn raadsman kunnen worden uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt.Daarmee is ook het huidige artikel 6:6:2 verdisconteerd in dit artikel.AFDELING 1.5.2De raadkamerArtikel 7.1.22 [procedure vóór de zitting]Dit artikel regelt wat procedureel gebeurt vóór de raadkamerzitting bij derechtbank die op grond van artikel 7.1.20 bevoegd is. Deze procedurelevoorschriften zien dus niet op de beslissingen die door de rechter-commissaris worden genomen.Eerste lidAls de procedure bij de raadkamer is geïnitieerd met een verzoek of eenbezwaarschrift van de veroordeelde, wordt het verzoek of het bezwaar-schrift door de griffier ter kennis gebracht van de officier van justitie, diedaarop zo spoedig mogelijk een conclusie neemt. Dit is inhoudelijk gelijkaan het huidige artikel 6:6:1, vijfde lid.Tweede lidHet openbaar ministerie draagt de op de zaak betrekking hebbendestukken over aan de rechtbank (artikel 1.2.15, eerste lid). De rechtbank diekennisneemt van de stukken bepaalt vervolgens of de zaak in behandelingwordt genomen. Zij kan de zaak zonder onderzoek op de zitting afdoenindien zij van oordeel is dat sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheidof kennelijke ongegrondheid. Kennelijke niet-ontvankelijkheid heeftbetrekking op gevallen waarin op voorhand duidelijk is dat de zaak zalworden afgewezen op formele gronden, bijvoorbeeld omdat de officiervan justitie of de veroordeelde de toepasselijke indientermijn niet in achtheeft genomen. Van kennelijke ongegrondheid is sprake indien opvoorhand duidelijk is dat het aangevoerde ongegrond is en er redelij-kerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Uiteraard zal bij twijfelnader onderzoek alsnog uitkomst moeten brengen. Dit voorschrift isontleend aan het huidige artikel 6:6:3, eerste lid, en daarbij aangevuld metde mogelijkheid van verkorte afdoening in geval van kennelijkeongegrondheid. In lijn met artikel 1.2.17, eerste lid, biedt het de rechtbankde mogelijkheid om zaken snel te sluiten indien een veroordeeldebijvoorbeeld met grote regelmaat niet ter zake doende verzoeken doetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 359 (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 99). Daarmee kan een onnodigbeslag op zittingscapaciteit worden voorkomen.Derde lidDe officier van justitie roept de veroordeelde en, indien daartoe aanleidingis, degene die met het reclasseringstoezicht is belast, op tot bijwoning vande zitting onder bijvoeging van de vordering of de conclusie. In tegen-stelling tot wat de Rvdr heeft opgemerkt met betrekking tot artikel 7.1.21,wordt de oproeping altijd aan de veroordeelde betekend. Oproeping vande reclasseringsmedewerker kan achterwege blijven indien de betreffendezaak geen betrekking heeft op het reclasseringstoezicht. Die situatie doetzich bijvoorbeeld voor bij de veroordeelde die wordt verdacht van eennieuw strafbaar feit (overtreding van de algemene voorwaarde), maar diezich overigens heeft gehouden aan eventuele bijzondere voorwaardenmet reclasseringstoezicht. De officier van justitie kan per zaak afwegen ofaanwezigheid van de reclassering gewenst is.Vierde lidHet huidige artikel 6:6:3, vierde lid, geeft de veroordeelde en de reclas-sering het recht om kennis te nemen van de processtukken. Die kennis-neming is in artikel 1.2.15, tweede lid, al geregeld voor de veroordeelde(die immers een procespartij is), maar niet voor de reclassering. Datartikellid wordt daarom in zoverre van overeenkomstige toepassingverklaard in de eerste zin van dit vierde lid.De tweede zin, waarin artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid, vanovereenkomstige toepassing is verklaard, waarborgt dat de veroordeeldeook het recht heeft een kopie te krijgen van de processtukken. Artikel 1.8.8bepaalt in het eerste lid dat het recht van de verdachte om kennis tenemen van de processtukken ook het recht omvat om van die proces-stukken een kopie te verkrijgen. Dit omdat het downloaden van de stukkenin het digitale tijdperk de normale manier is waarop de verdachte van diestukken kan kennisnemen. Dat zal in de praktijk ook gelden voor deprocespartijen in raadkamerprocedures. In het tweede lid van artikel 1.8.8is vervolgens bepaald dat in het belang van de bescherming van depersoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbarefeiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belangontleend, kan worden bepaald dat van bepaalde processtukken ofgedeelten daarvan alleen inzage wordt verleend. Van die beslissing wordtde verdachte dan in kennis gesteld, zo vermeldt het derde lid. Ook dezebeide artikelleden zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op deveroordeelde.Tijdens het opsporingsonderzoek kan de verdachte een bezwaarschriftindienen bij de rechter-commissaris indien hij meent dat hem tenonrechte een kopie van de processtukken is onthouden (artikel 1.8.13). Ditvoorschrift is niet van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat ditniet goed past bij een raadkamerprocedure tijdens de fase van detenuitvoerlegging. Niet de rechter-commissaris, maar de raadkamer moetbeoordelen hoever het recht op kennisneming van de processtukkenstrekt.Vijfde en zesde lidIndien de zaak betrekking heeft op een vrijheidsbenemende maatregel,gelden in aanvulling op artikel 1.2.19, vierde lid, enkele bijzonderevoorschriften met betrekking tot het oproepen van deskundigen. Devrijheidsbenemende maatregelen zijn de terbeschikkingstelling, deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 360 maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Rechterlijkeprocedures over deze maatregelen onderscheiden zich van anderetenuitvoerleggingsprocedures vanwege de zwaarte van de procedures– de ingrijpendheid van de te nemen beslissingen – en de aard van deprocedures, die doorgaans specifieke deskundigheid vereist. Om dieredenen bevatten het vijfde en zesde lid aanvullende voorschriften overhet oproepen van deskundigen. De voorschriften zijn gebaseerd op hethuidige artikel 6:6:3, vijfde lid. Voor de formulering is aansluiting gezochtbij de wijzigingen die zijn doorgevoerd in Boek 4, Titel 1.1 (Procesinleidingen voorbereiding van de terechtzitting). Zo komt het dagvaarden vandeskundigen niet meer voor, maar is alleen oproepen mogelijk. Een anderverschil met het huidige recht is dat verzoeken tot het horen van deskun-digen, gedaan vóór de zitting, niet meer worden gericht tot de officier vanjustitie, maar tot de voorzitter van de rechtbank, die vervolgens kanbevelen dat de officier van justitie de betreffende deskundige oproept. Hetvijfde en zesde lid sluiten aan bij deze veranderingen.Indien de zaak plaatsvindt op vordering van de officier van justitie, heeftdeze de bevoegdheid de door hem gewenste deskundigen op te roepenvoor de zitting. De officier van justitie doet hiervan opgave bij hetindienen van de vordering (vgl. artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel c). In deoproeping van de veroordeelde, bedoeld in het derde lid, wordt meldinggemaakt van de deskundigen die zullen worden opgeroepen (vgl. artikel4.1.12, eerste lid, onderdeel b). Ook wordt de veroordeelde in deoproeping gewezen op het recht om bij de voorzitter van de rechtbank teverzoeken om deskundigen op te roepen voor de zitting. Een dergelijkverzoek wordt slechts afgewezen indien het oproepen van de deskundigeniet in het belang is van een behoorlijke behandeling van de zaak. Tenaanzien van het horen op de zitting geldt het bepaalde in artikel 1.2.19,vierde lid.Vervallen of verplaatste onderdelen van de artikelen 6:6:3 en 6:6:6Dit artikel is primair gebaseerd op het huidige artikel 6:6:3. Van dat artikelis het eerste lid deels niet overgenomen. De eerste zin van dat artikellid,over het toezenden door de officier van justitie van de op de zaakbetrekking hebbende stukken, is namelijk overbodig naast artikel 1.2.15,eerste lid. Dat volgens de huidige tweede zin een dagbepaling moetplaatsvinden, is een vorm van detaillering die bij een raadkamerprocedureniet hoeft te worden geëxpliciteerd. Ook die zinsnede is dus niet overge-nomen. Het huidige derde lid van artikel 6:6:3 is opgenomen in artikel7.1.21, dat hierboven is toegelicht. Voor artikel 6:6:6 – dat bepaalt dat derechter in beroep een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf ofmaatregel kan opheffen of schorsen – geldt dat het via een aanvullingswetzal worden verplaatst naar Boek 5 (Rechtsmiddelen). Het artikel heeftbetrekking op beslissingen tot dadelijke uitvoerbaarheid die kunnenworden genomen in het kader van de berechting. Het gaat daarmee omeen beslissing tot opheffing of schorsing die niet kan worden genomendoor de raadkamer in de fase van de tenuitvoerlegging, maar door dezittingsrechter of de raadkamer tijdens de berechting in hoger beroep. Bijde overheveling van het huidige artikel 6:6:6 naar Boek 5 zal ook aandachtworden besteed aan de suggesties die de Rvdr heeft gedaan metbetrekking tot dat artikel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 361 Artikel 7.1.23 [onderzoek op de zitting]Eerste en tweede lidHet onderzoek in de raadkamer wordt beheerst door Boek 1, Titel 2.3 (Deraadkamer), zo werd al benadrukt in de inleidende toelichting op dezetitel. Uit artikel 1.2.18, tweede lid, volgt dat de veroordeelde op de zittingaanwezig kan zijn en aldaar kan worden gehoord. Aan het voorschriftopgenomen in het huidige artikel 6:6:4, derde lid, is daarom geenbehoefte meer voor zover daarin wordt gesproken over de veroordeelde.Voor de reclassering ontbreekt echter een vergelijkbare voorziening inBoek 1, Titel 2.3. In aanvulling op die titel voorziet het eerste lid van ditartikel daarom in dezelfde mogelijkheden voor de reclassering. Hettweede lid geeft de officier van justitie, de veroordeelde en diensraadsman de mogelijkheid om gedurende het onderzoek wijzigingen aante brengen in de vordering, de conclusie of het verzoek. Dit voorschriftkomt overeen met het huidige artikel 6:6:4, zesde lid.Vervallen onderdelen van artikel 6:6:4Ook van het huidige artikel 6:6:4 zijn enkele (delen van) artikelledenvervallen. Dat heeft te maken met het gegeven dat de procedures in hetkader van de tenuitvoerlegging zijn vormgegeven als raadkamerproce-dures. Daarmee valt niet te verenigen dat allerlei procedureregels van deberechting van overeenkomstige toepassing worden verklaard (huidigeeerste, vierde en vijfde lid). Die artikelleden zijn daarom grotendeelsvervallen. De inhoud van het huidige tweede lid, waarin is voorge-schreven dat de officier van justitie bij het onderzoek tegenwoordig is enter zake wordt gehoord, is al opgenomen in artikel 1.2.18, eerste lid. Detweede zin van het derde lid, waarin de mogelijkheid is opgenomen vanbijstand door een raadsman of advocaat, wordt gedekt door artikel 1.2.18,derde en vierde lid, en door artikel 7.1.21.Artikel 7.1.24 [beslissing raadkamer]Eerste lidIn afwijking van artikel 1.2.23, tweede lid, doet de raadkamer uiterlijkbinnen twee weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak. Dezetermijn geldt ook ten aanzien van de berechting – zie artikel 4.2.66, eerstelid – en is ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:6:4, vierdelid, in samenhang met artikel 345, derde lid. Op de uitspraaktermijn is deAlgemene termijnenwet niet van toepassing, wat tot gevolg kan hebbendat de uitspraak soms moet worden vervroegd. Ook dit is ongewijzigdovergenomen, uit het huidige artikel 135a, eerste lid. Zie nader detoelichting op artikel 4.2.66, eerste lid.Tweede lidDe beslissing van de raadkamer wordt ter kennis gebracht van de officiervan justitie (artikel 1.2.24, eerste lid) en via de officier van justitie aan debetrokken procespartij of diens raadsman of advocaat (artikel 1.2.24,tweede lid). Net als bij artikel 7.1.23 ontbreekt in Boek 1, Titel 2.3, eenvergelijkbaar voorschrift voor de reclassering. Het tweede lid van ditartikel voorziet hierin. Waar relevant wordt de beslissing ook gedeeld methet hoofd van de instelling waar een terbeschikkinggestelde vanoverheidswege wordt verpleegd, zoals dat ook gebruikelijk is onder dehuidige regeling. Uiteraard blijft een kennisgeving achterwege indiengeen sprake is van reclasseringstoezicht of van een terbeschikkingstellingmet verpleging van overheidswege, zo wordt opgemerkt in reactie opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 362 vragen van de 3RO. Vandaar dat de bepaling spreekt van het «in voorko-mende gevallen» ter kennis brengen van de beslissing. Dit is inhoudelijkniet anders dan in het huidige artikel 6:6:5, tweede lid.Derde lidIn artikel 1.2.24, tweede en derde lid, is bepaald wanneer de raadkamerbe-slissing ter kennis wordt gebracht van de betrokken procespartij.Betekening wordt in artikel 1.2.24 niet voorgeschreven. Van die algemeneregeling wordt in dit artikel afgeweken als tegen de beslissing eenrechtsmiddel openstaat, daarbij aansluiting zoekend bij het huidige artikel6:6:5, derde lid. Voor betekening is echter geen reden als de veroordeeldebij de uitspraak aanwezig was of als de dag van de uitspraak hem ismeegedeeld. Op dit punt is een beperking aangebracht, in lijn met artikel4.3.30. De Rvdr heeft terecht opgemerkt dat dit doorwerkt in de regelingvan enkele rechtsmiddelen, aangezien sommige beroepstermijnenbeginnen te lopen na de betekening van de beslissing. De betreffendetermijnbepalingen zijn aangevuld voor het geval geen betekeningplaatsvindt.Vervallen onderdelen van artikel 6:6:5Het huidige artikel 6:6:5, eerste lid, dat voorschrijft dat beslissingenworden gemotiveerd en in het openbaar worden uitgesproken, isoverbodig naast artikel 1.2.23, eerste en derde lid, en om die redenvervallen.HOOFDSTUK 2Toezicht, voorwaarden en omzettingTITEL 2.1ToezichtArtikel 7.2.1 [toezicht op de naleving]Het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende straffen, maatre-gelen, aanwijzingen en voorwaarden is nauw verbonden met deaanhouding van de veroordeelde (artikel 7.2.2) en met de vordering die deofficier van justitie indient bij de rechter-commissaris en/of de rechtbankter verkrijging van een vervolgbeslissing (artikelen 7.2.3 en 7.2.7). Deofficier van justitie is om deze reden verantwoordelijk voor het toezicht opde naleving met betrekking tot het verkrijgen van vervolgbeslissingen(vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 34 e.v.). De Minister isverantwoordelijk voor het feitelijke toezicht op de naleving.Het feitelijke, dagelijkse toezicht wordt in de praktijk meestal uitgeoefenddoor de reclassering. In het kader van het toezicht kan ook een rol zijnweggelegd voor ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoeringvan de politietaak, voor militairen van de Koninklijke marechaussee envoor opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten. Dezeambtenaren houden geen actief toezicht zoals de reclassering dat doet, inde vorm van doorlopende of periodieke controle, maar hebben wel eensignaleringsfunctie indien zij tijdens hun reguliere opsporings- ofhandhavingswerkzaamheden constateren dat de verdachte of veroor-deelde zich niet houdt aan een voorwaarde of aanwijzing. De Politie, KMaren BOD’en spreken in dit verband over reactieve handhaving. De dienstenkomen bijvoorbeeld in actie indien de veroordeelde een nieuw strafbaarfeit pleegt en zich dus niet houdt aan de algemene voorwaarde om geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 363 nieuw strafbaar feit te plegen. Ook is denkbaar dat de diensten in hetkader van hun reguliere werkzaamheden constateren dat een locatie-verbod of contactverbod niet wordt nageleefd. De diensten zullen in dezegevallen handhavend optreden en de officier van justitie en de Ministerinformeren als onderdeel van hun reguliere taakstelling.Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 6:3:14, dat met enkeleaanpassingen is overgenomen. Het huidige artikel 6:3:14, vijfde lid,inhoudende de bevoegdheid van de officier van justitie om van eeniederde gegevens te vorderen die nodig zijn voor het houden van toezicht opde naleving, is veralgemeniseerd om ook de andere tenuitvoerleg-gingstaken van het openbaar ministerie te omvatten. De bevoegdheid isom die reden verplaatst naar Boek 1, Hoofdstuk 10 (Tenuitvoerlegging).Zie artikel 1.10.8, tweede lid, in samenhang met artikel 1.10.6, en detoelichting op die beide artikelen.Eerste lidHet toezicht betreft in de eerste plaats de naleving van voorwaarden die inde verschillende fases van het strafproces – dus ook buiten de fase van detenuitvoerlegging – kunnen worden gesteld of van rechtswege gelden(onderdeel a). Denk aan voorwaarden bij een schorsing van de voorlopigehechtenis (artikel 2.5.33), een beslissing tot niet-vervolging (artikel 3.4.1),een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel (artikel 14cvan het Wetboek van Strafrecht), een terbeschikkingstelling metvoorwaarden (artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht), een voorwaarde-lijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (artikel 7.4.5), eenstrafonderbreking (artikel 7.3.4), een voorwaardelijke invrijheidstelling(artikel 7.3.9) of een gratieverlening (artikel 13 Gratiewet). Daarnaast gaathet om toezicht op zelfstandige vrijheidsbeperkende interventies(onderdelen b en c), zoals een gedragsaanwijzing van de officier vanjustitie (artikel 6.5.1), een gedragsaanwijzing in een strafbeschikking(artikel 3.3.1), de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambtenof bepaalde ambten te bekleden of het recht om bepaalde beroepen uit teoefenen (artikel 32 van het Wetboek van Strafrecht) en de gedragsbeïn-vloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen (artikelen 38v en 38z vanhet Wetboek van Strafrecht). De opsomming in het eerste lid komtovereen met het huidige artikel 6:3:14, eerste lid, met dien verstande datde transactie is toegevoegd en het huidige onderdeel a, onder 1°– voorwaarden gesteld bij uitstel van de beslissing of vervolging moetplaatshebben – niet langer afzonderlijk wordt genoemd omdat dezesituatie valt onder voorwaarden bij een beslissing tot niet-vervolging.Tweede en derde lidAls de rechter of de officier van justitie opdracht heeft gegeven tot hethouden van reclasseringstoezicht, geeft de Minister een reclasseringsin-stelling opdracht toezicht te houden en de verdachte of de veroordeeldeten behoeve daarvan te begeleiden. De rechter kan bijvoorbeeld opdrachtgeven tot het houden van reclasseringstoezicht indien hij bepaalt dat destraf of een gedeelte daarvan voorwaardelijk niet zal worden tenuitvoer-gelegd (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht). De officiervan justitie kan een dergelijke opdracht bijvoorbeeld geven in eenstrafbeschikking, of in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling(artikel 7.3.9, derde lid). Deze opdrachtverlening door de Minister aan dereclassering verloopt via het CJIB.De Minister kan ook ambtshalve een opdracht tot reclasseringstoezichtgeven. Een ambtshalve toezichtopdracht kan bijvoorbeeld aangewezenzijn indien de rechter of de officier van justitie abusievelijk heeft nagelatenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 364 opdracht te geven tot het houden van reclasseringstoezicht. In beleids-regels is nader uitgewerkt in welke gevallen een ambtshalve toezichtop-dracht aangewezen is. Ook kan het voorkomen dat een bijzonderevoorwaarde is gesteld of een bijkomende straf is opgelegd zonder datreclasseringstoezicht is bevolen en waarbij ook ambtshalve reclasserings-toezicht niet het gewenste toezicht oplevert. In dat geval wordt – ook in dehuidige praktijk – toezicht gehouden door andere instellingen of personen.In het derde lid is deze mogelijkheid geëxpliciteerd. Van toezicht doorandere instellingen of personen kan bijvoorbeeld sprake zijn bij deverplichting tot wijziging van een bedrijfsstructuur, bij een (tijdelijk)verbod op het houden van dieren of het voeren van een onderneming, ofbij de verplichting tot het volgen van onderwijs door een niet leerplichtigeveroordeelde. De Minister kan, bij wijze van uitzondering, in deze gevalleneen specifieke instelling of persoon opdracht geven tot het houden vantoezicht. Het CJIB heeft hierover afspraken gemaakt (of is hierover ingesprek) met meerdere toezichthoudende organisaties, waaronder deNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Dienst Uitvoering Onderwijs,de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst en het Centraal Bureauvoor de Rijvaardigheid.Tot slot kan de Minister een reeds gegeven toezichtopdracht wijzigenindien daartoe aanleiding is. Een wijziging kan aan de orde zijn bij eenverhuizing van de verdachte of de veroordeelde, of omdat de uitvoeringvan het toezicht daartoe anderszins aanleiding geeft. Ten aanzien vanreclasseringstoezicht is daarbij ook denkbaar dat de opdracht wordtovergedragen van een gecertificeerde instelling naar een reclasseringsin-stelling, of andersom. Zie hierover nader de toelichting op artikel 7.7.5.Vierde lidDe verdachte of de veroordeelde die onder toezicht is gesteld, is verplichtmedewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht. Onder deverplichting om mee te werken aan het reclasseringstoezicht wordt medebegrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij dereclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling ditnoodzakelijk acht. Reclasseringstoezicht is immers niet mogelijk als deonder toezicht gestelde weigert zich op het kantoor van de reclassering temelden voor gesprekken. Deze verplichting geldt ook voor degene aanwie een beroepsverbod is opgelegd.Vijfde lidVolledigheidshalve is in dit artikellid – in aanvulling op artikel 7.1.16,eerste lid – specifiek voor het toezicht bepaald dat ten behoeve daarvan deidentiteit van de verdachte of de veroordeelde wordt vastgesteld op dewijze bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid. Daarmee is ook hethuidige artikel 257a, vijfde lid, overgenomen, voor zover die bepaling zietop aanwijzingen in een strafbeschikking die betrekking hebben op hetgedrag van de verdachte. Op advies van de 3RO is de identiteitsvast-stelling ondergebracht in een apart lid, zodat het ook geldt bij andertoezicht dan reclasseringstoezicht. Mede in navolging van dat advies istoegevoegd dat de verdachte of veroordeelde verplicht is medewerking teverlenen aan de identiteitsvaststelling door het ter inzage aanbieden vaneen identiteitsbewijs of door het nemen van een of meer vingerafdrukken.Zesde lidHet is belangrijk dat de officier van justitie en de Minister op de hoogteblijven van het toezicht. Dit lid voorziet in de gewenste terugkoppelingdoor de reclasseringsinstelling en door de instellingen of personen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 365 bedoeld in het derde lid. Met het OM en de 3RO wordt gedeeld dat detoezichthouder niet in algemene zin hoeft te rapporteren over hetgehouden toezicht. De plicht om zonder aanleiding inlichtingen teverschaffen is dan ook niet overgenomen uit het huidige artikel 6:3:14,vierde lid, vanuit de gedachte: geen nieuws is goed nieuws. Dat ligtuiteraard anders in geval van het niet naleven van de in het eerste lidgenoemde vrijheidsbeperkingen, bij het niet meewerken aan het toezicht,of als de veiligheid dat anderszins vereist. In dat geval wordt primair deofficier van justitie geïnformeerd vanwege diens verantwoordelijkheid om– zo nodig direct – vorderingen in te dienen bij de rechter-commissaris ofde rechtbank voor het nemen van een vervolgbeslissing. Slechts bijuitzondering is denkbaar dat een overtreding niet (direct) wordt gemeld.Als de verdachte of veroordeelde bijvoorbeeld niet of te laat verschijnt opzijn afspraak bij de reclassering, kan op basis van de omstandigheden vanhet geval soms worden volstaan met een mondelinge waarschuwing. Eenmelding wordt wel gedaan bij een officiële waarschuwing of als eenvervolgbeslissing nodig wordt geacht. Bijvoorbeeld na meerdere kleineovertredingen, na een enkele ernstige overtreding of in geval van eenzorgelijke of risicovolle ontwikkeling in het gedrag van de verdachte ofveroordeelde. Het is uitdrukkelijk aan de officier van justitie om tebeslissen of consequenties moeten worden verbonden aan deniet-naleving, zo wordt opgemerkt richting het OM. Het is niet aan deMinister om op die magistratelijke beslissing voor te sorteren. Voor zoverde omstandigheden dit toelaten kan de toezichthouder wel advies gevenover de gewenste vervolgbeslissing. Dat advies kan bijvoorbeeldinhouden dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet wordengewijzigd of opgeheven (artikel 2.5.34), dat aanvullende voorwaarden ofeen verlengde proeftijd wenselijk zijn (artikel 7.2.6) of dat de voorwaar-delijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel alsnog (deels) moetworden tenuitvoergelegd (artikel 7.2.7). Naast de officier van justitie wordtook de Minister geïnformeerd over de niet-naleving zodat deze, alsverantwoordelijke voor de tenuitvoerlegging, de administratie oppersoonsniveau compleet kan houden. Uiteraard kunnen de officier vanjustitie en de Minister ook gelijktijdig worden geïnformeerd. De Ministerkan de officier van justitie ten behoeve van diens afweging voorzien vaneventuele aanvullende informatie met betrekking tot de persoon van deverdachte of veroordeelde.Artikel 7.2.2 [bevel tot aanhouding]Eerste tot en met derde lidDe officier van justitie kan de aanhouding van een veroordeelde bevelenindien het ernstige vermoeden bestaat dat een voorwaarde of maatregelniet wordt nageleefd. Aanhouding is ten aanzien van een terbeschikking-gestelde ook mogelijk indien het belang van de veiligheid van anderendan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist. Dattweede criterium is met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechte-lijke beslissingen ingevoerd omdat in de praktijk dringend behoeftebestond aan een aanhoudingsbevoegdheid om acuut gevaar te kunnenafwenden (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 89). Het is gelijk aanhet criterium voor oplegging van de terbeschikkingstelling (artikel 37a vanhet Wetboek van Strafrecht). De aanhouding van de terbeschikkingge-stelde en de daarna te vorderen (hervatting van de) verpleging vanoverheidswege hebben in dit geval een preventief karakter. In geval vanspoed kan de hulpofficier van justitie de aanhouding bevelen.Dit artikel is inhoudelijk grotendeels gelijk aan het huidige artikel 6:3:15,met dien verstande dat het huidige derde lid van artikel 6:3:15 is veralge-meniseerd en om die reden is opgenomen in artikel 7.1.3. Een tweedeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 366 verschil met het huidige artikel 6:3:15 is dat het eerste lid niet meerspreekt over de mogelijke aanhouding van de verdachte. Voorwaardevoor het kunnen geven van een bevel tot aanhouding is namelijk dataannemelijk is dat na de aanhouding (verdere) vrijheidsbeneming zalworden bevolen door de officier van justitie (artikelen 7.3.11 en 7.3.12),door de rechter-commissaris (artikel 7.2.3), door de rechtbank (artikel7.2.7) of door de Kroon (artikel 17 Gratiewet). Bij een verdachte kan alleenvrijheidsbeneming worden bevolen in geval van schending vanvoorwaarden die zijn gesteld bij de schorsing van de voorlopigehechtenis. De regeling over de voorlopige hechtenis in Boek 2 bevathiervoor al een eigen bevoegdheid tot aanhouding (artikel 2.5.35). Inandere gevallen waarbij een verdachte zich heeft te houden aanvoorwaarden – denk aan een voorwaarde bij een beslissing totniet-vervolging of een gedragsaanwijzing van de officier van justitie – zalschending van die voorwaarden niet leiden tot vrijheidsbeneming, maartot het (alsnog) vervolgen van de verdachte of het (alsnog) uitvaardigenvan een strafbeschikking. Om deze redenen is dit artikel toegespitst op deveroordeelde.Het ernstige vermoeden op basis waarvan kan worden overgegaan totaanhouding van de veroordeelde, kan onder meer ontstaan doordat deMinister de officier van justitie informeert over het niet-naleven van eenvoorwaarde of maatregel (artikel 7.1.3). Vanuit de verantwoordelijkheidvoor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en strafvorder-lijke beslissingen tot vrijheidsbeneming kunnen de Minister immerssignalen over niet-naleving bereiken. Voorafgaand aan het aanhoudings-bevel zullen in de praktijk veelal ook de reclassering, de politie en andereopsporingsambtenaren een rol spelen. Zij zijn immers primair belast methet toezicht op de naleving van voorwaarden en maatregelen of kunnenvanuit hun reguliere taakstelling een niet-naleving constateren (artikel7.2.1). Op basis van alle informatie zal de officier van justitie afwegenwelke actie moet worden ondernomen. Hierbij moet worden gedacht aanwettelijke bevoegdheden zoals het bevelen van de aanhouding (artikel2.5.35 of dit artikel), het alsnog vervolgen van de verdachte, het indienenvan een vordering tot (voorlopige, verdere of alsnog) tenuitvoerleggingvan de straf of maatregel (artikelen 7.2.3 en 7.2.7) of herroeping van devoorwaardelijke invrijheidstelling (artikelen 7.3.11 en 7.3.12). Overigenszal niet iedere overtreding aanleiding geven tot het bevelen van deaanhouding. Onder omstandigheden kan het opportuun zijn te volstaanmet een waarschuwing, een vordering tot wijziging van de voorwaardenof een vordering tot verlenging van de proeftijd.Vierde lidGelet op diens verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging vanstrafrechtelijke beslissingen en de in artikel 1.10.1 genoemde strafvorder-lijke beslissingen, en voor het verlenen van proefverlof aan terbeschik-kinggestelden, wordt de Minister – feitelijk het CJIB – standaard geïnfor-meerd over aanhoudingen op grond van dit artikel. In voorkomendegevallen kan die informatie ertoe leiden dat het proefverlof wordtbeëindigd door de DJI.Vijfde lidHet vijfde lid is nieuw en verduidelijkt op welke locatie de aansluitendevrijheidsbeneming plaatsvindt. In afwachting van de beslissing van deMinister (aangaande eventueel proefverlof van de terbeschikkingge-stelde), van de officier van justitie (artikelen 7.3.11 en 7.3.12) of van derechter-commissaris (artikel 7.2.3) vindt de vrijheidsbeneming van deaangehouden persoon plaats in een politiecel of in een cel van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 367 Koninklijke marechaussee. Dit is vergelijkbaar met de inverzekering-stelling (artikel 2.5.15, vierde lid). Net als bij de inverzekeringstelling kande officier van justitie bevelen dat de vrijheidsbeneming plaatsvindt in eenhuis van bewaring. In dat bijzondere geval is de Minister verantwoordelijkvoor de vrijheidsbeneming (zie artikel 1.10.1, derde lid).Artikel 7.2.3 [beslissingen rechter-commissaris]Eerste lidOp vordering van de officier van justitie is de rechter-commissarisbevoegd tot het nemen van enkele (voorlopige) beslissingen in het kadervan de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De gedachteachter deze beslissingen is dat de geloofwaardigheid en de toepassingvan de (vervangende of voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde) straf ofmaatregel gebaat is bij en vaak noodzaakt tot snel ingrijpen. Dit artikelbevat de mogelijke beslissingen van de rechter-commissaris en deprocedurevoorschriften die gelden bij de beoordeling. Het artikel moet insamenhang worden gelezen met artikel 7.2.2, zo kan mede wordenopgemerkt in reactie op een vraag van de Rvdr. De rechter-commissariskan een vordering dus toewijzen indien een voorwaarde of maatregel nietwordt nageleefd of – in geval van voorlopige beslissingen bij eenterbeschikkingstelling – als het belang van de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen die beslissinganderszins eist. Het artikel betreft een samenvoeging van de huidigeartikelen 6:6:10a, 6:6:11, vijfde tot en met negende lid, en 6:6:20. Dieartikelen zijn inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, met dien verstandedat het huidige artikel 6:6:20, eerste lid, onderdeel c – dat betrekking heeftop de tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie of vervangendehechtenis bij schending van de maatregel betreffende het gedrag van dejeugdige – vanwege zijn aard is verplaatst naar artikel 7.7.6 in Hoofdstuk 7(Jeugdigen en jongvolwassenen). Nieuw toegevoegd is de beslissing totvoorlopige herleving van de terbeschikkingstelling. Deze beslissing hangtsamen met en loopt vooruit op de vordering tot herleving van deterbeschikkingstelling die de officier van justitie kan indienen bij derechtbank indien de vreemdeling bij wie de terbeschikkingstelling isbeëindigd, zich niet houdt aan de voorwaarde niet naar Nederland terugte keren (artikel 7.4.12).Tweede lidAls de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 7.2.2, dient deofficier van justitie direct een vordering in bij de rechter-commissaris opgrond van dit artikel (artikel 7.2.2, derde lid). Indien een vordering wordtingediend die strekt tot het verkrijgen van een voorlopige beslissing,wordt tegelijkertijd een daarmee corresponderende vordering ingediendbij de rechtbank ter verkrijging van een definitieve beslissing. In geval vaneen vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijkniet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf of maatregel van plaatsing in eeninrichting voor stelselmatige daders, dient de officier van justitie dustegelijkertijd een vordering tot tenuitvoerlegging in bij de rechtbank opgrond van artikel 7.2.7. Hetzelfde geldt bij een vordering tot voorlopigevoortzetting of voorlopige herleving van de terbeschikkingstelling; in diegevallen wordt een vergelijkbare vordering ingediend bij de rechtbank opgrond van artikel 7.4.3 of artikel 7.4.12, eerste lid. Ook bij een vordering tothet voorlopig alsnog van overheidswege verplegen of het voorlopighervatten van de verpleging is vereist dat een daarmee corresponderendevordering wordt ingediend bij de rechtbank, op grond van artikel 7.4.7,tweede of derde lid. Een dergelijke «voortbouwende» vordering is nietnodig bij het indienen van een vordering tot tenuitvoerlegging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 368 vervangende hechtenis, omdat de rechter zich over die tenuitvoerleggingal heeft uitgesproken bij de strafoplegging. Tegen de beslissing van derechter-commissaris tot toepassing van de vervangende hechtenis staatwel beroep open op grond van artikel 7.2.9. De tijdelijke opname van eenterbeschikkinggestelde is een zelfstandige beslissing van de rechter-commissaris en kent dus evenmin een corresponderende procedure bij derechtbank.Derde en zesde lidDe rechter-commissaris dient binnen drie dagen te beslissen op devordering van de officier van justitie. In afwachting van de beslissingwordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld. In het kader van devoorbereiding van de beslissing wordt de aangehouden veroordeelde zomogelijk gehoord. Dit horen is geen absolute verplichting. Voorop staat despoed voor het nemen van de beslissing in reactie op het niet naleven vaneen voorwaarde of maatregel, dan wel ter afwending van gevaar.Als de rechter-commissaris de vordering toewijst, beveelt hij devoorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet tenuitvoerge-legde vrijheidsstraf of maatregel van plaatsing in een inrichting voorstelselmatige daders, de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis,de voorlopige voortzetting of herleving van de terbeschikkingstelling, devoorlopige (hervatting van de) verpleging van overheidswege, dan wel dezogeheten tijdelijke crisisopname. Met een tijdelijke crisisopname wordtbeoogd een stabilisatie van de problematiek van de terbeschikkingge-stelde te bereiken (Kamerstukken II 2009/10, 31 823, nr. 6, p. 11). Daarmeekan worden voorkomen dat een terbeschikkingstelling met voorwaardenwordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging vanoverheidswege. De criteria voor het toepassen van de tijdelijke crisis-opname zijn identiek aan de criteria voor omzetting van terbeschikking-stelling met voorwaarden in een terbeschikkingstelling met verplegingvan overheidswege (zie artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht). Eentijdelijke crisisopname kan derhalve plaatsvinden indien de veroordeeldeeen voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van deveiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen ofgoederen dat eist. Indien de maximale duur van de tijdelijke crisisopnameniet voldoende lijkt om de terbeschikkinggestelde te stabiliseren, zal geentijdelijke crisisopname maar (voorlopige) omzetting in verpleging vanoverheidswege worden gevorderd of bevolen (op grond van dit artikel enartikel 7.4.7, tweede lid). De crisisopname kent meer dan de omzetting inverpleging van overheidswege een preventief karakter. Door bijvoorbeeldeen psychotische episode kan tijdelijk gevaar ontstaan voor recidive. Eentijdelijke crisisopname kan dan dienen om de terbeschikkinggestelde testabiliseren en het recidivegevaar weg te nemen. De termijn van zevenweken is de termijn die in de forensisch-psychiatrische praktijk gebrui-kelijk is voor de beheersing van een crisissituatie. Als deze termijn te kortis, maar stabilisatie van de situatie kan worden verwacht binnen eentweede periode van zeven weken, kan de rechter-commissaris de tijdelijkecrisisopname met maximaal zeven weken verlengen. Gelet op het karaktervan de tijdelijke crisisopname is deze niet afhankelijk van de bereidver-klaring van de terbeschikkinggestelde.Vierde en vijfde lidAls de rechter-commissaris de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheid-stelling van de aangehouden veroordeelde. Indien de rechter-commissarisde tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis beveelt, bepaalt derechter-commissaris de duur van de vervangende hechtenis, die tenminste één dag beloopt. De duur van de vervangende hechtenis is tenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 369 hoogste wat is bepaald in het vonnis of arrest. De rechter-commissarisbrengt de vrijheidsbeneming op grond van het derde lid in mindering opde vervangende hechtenis.Zevende lidDe beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar. Debeslissing kan dus worden tenuitvoergelegd vooruitlopend op dedefinitieve beslissing van de rechtbank, of vooruitlopend op een eventueleberoepsprocedure.In geval van de voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niettenuitvoergelegde vrijheidsstraf of maatregel, is de rechtbank bevoegd debeslissing van de rechter-commissaris op te heffen zolang zij niet op devordering heeft beslist (artikel 7.2.7, vierde lid). Bij de voorlopigebeslissingen inzake de terbeschikkingstelling, zoals de voorlopigehervatting van de verpleging van overheidswege, kan de rechtbank eendergelijke tussenbeslissing niet nemen, zo wordt bevestigd in de richtingvan de Rvdr. Gelet op de aard van de maatregel van terbeschikkingstellingen de bijbehorende behandeling zou het onwenselijk zijn als de terbe-schikkinggestelde afwisselend en steeds voor zeer korte duur moetworden opgenomen of ontslagen uit een instelling. Dat laat onverlet datde latere beslissing van de rechtbank in de plaats treedt van de beslissingvan de rechter-commissaris, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegende beslissing van de rechtbank. De door de Rvdr aangedragen rechtspraak(ECLI:NL:GHARL:2016:6791) lijkt op dit punt uit te gaan van een verkeerderechtsopvatting. In de eerste plaats is de rechtbank in het systeem van hetwetboek een hogere (meer gezaghebbende) instantie dan de rechter-commissaris. Zo voorziet het wetboek op diverse plaatsen in het rechts-middel beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris. Over datberoep oordeelt de rechtbank. In de tweede plaats zijn beslissingen van derechter-commissaris inzake de terbeschikkingstelling uitdrukkelijkvoorlopige beslissingen, die genomen worden in afwachting van debeslissing van de rechtbank. Zie het tweede lid, waarin met zoveelwoorden wordt gesproken van de «definitieve» beslissing van derechtbank. Een definitieve beslissing is daarbij wat anders dan eenonherroepelijke beslissing. De beslissing van de rechtbank heeft, andersdan die van de rechter-commissaris, geen voorlopig karakter. In die zinzijn het definitieve beslissingen, ook als daartegen nog een rechtsmiddelopenstaat. Uit het systeem van de wet vloeit dus voort dat de beslissingvan de rechtbank in de plaats treedt van de voorlopige beslissing van derechter-commissaris. Doordat die voorlopige beslissing van de baan is, isook de dadelijke uitvoerbaarheid ervan verleden tijd.Indien de vordering tot (voorlopige) tenuitvoerlegging van de voorwaar-delijke niet tenuitvoergelegde straf of maatregel of de vordering tottenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt afgewezen, danwel de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard, en deveroordeelde al enige tijd de vrijheid is ontnomen, kan op verzoek van deveroordeelde een schadevergoeding worden toegekend (artikel 6.6.6,derde lid). De mogelijke schadevergoeding ziet op schade die is geledendoor de vrijheidsbeneming tussen het moment van aanhouding alsbedoeld in artikel 7.2.2 en het moment van afwijzing van de vordering danwel de beslissing waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk isverklaard (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 65).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 370 Artikel 7.2.4 [nadere regels]Dit artikel geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels bij detitel over toezicht. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking ophet uit te oefenen toezicht op de naleving, waaronder de werkzaamhedenvan de reclasseringsinstellingen. Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan heteerste lid, aanhef en onderdeel b, en het derde lid van het huidige artikel6:1:15. Die bepalingen zijn samengevoegd omdat zij inhoudelijkoverlappen. Bijkomend voordeel daarvan is dat duidelijker tot uitdrukkingkomt dat de nadere regels niet enkel de werkzaamheden van de reclas-sering hoeven te betreffen, maar bijvoorbeeld ook voorschriften voor deofficier van justitie en de veroordeelde (vgl. Kamerstukken II 2014/15,34 086, nr. 3, p. 74).TITEL 2.2Voorwaardelijke straffen en maatregelenArtikel 7.2.5 [betaling of storting geldelijke voorwaarden]Bij strafrechtelijke beslissingen en enkele strafvorderlijke beslissingenkunnen op verschillende momenten bijzondere voorwaarden wordengesteld waaraan de veroordeelde heeft te voldoen. Zo kan de rechter bijoplegging bepalen dat de straf of maatregel voorwaardelijk niet zalworden tenuitvoergelegd (artikelen 14a en 38p van het Wetboek vanStrafrecht). Daarbij kan de bijzondere voorwaarde worden gesteld totvergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade, tot stortingvan een waarborgsom, of tot storting van een geldbedrag in het schade-fonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doelstelt de belangen van slachtoffers te behartigen (artikel 14c, tweede lid,onder 1°, 2° en 4°). Vergelijkbare verplichtingen kunnen als voorwaardeworden gesteld bij een voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 7.3.9,tweede lid, onderdeel l) of als aanwijzing in een strafbeschikking (artikel3.3.1, derde lid). Dit artikel heeft betrekking op deze en vergelijkbaregeldelijke voorwaarden. Het betreft een samenvoeging en veralgemeni-sering van de huidige artikelen 538, tweede en derde lid, en 6:4:21. Omdatde schadevergoeding, de waarborgsom en vergelijkbare geldbedragengeen zelfstandige straf of maatregel zijn, maar een voorwaarde dan welaanwijzing bij een strafrechtelijke of strafvorderlijke beslissing, is hetartikel geplaatst in deze titel over voorwaardelijke straffen en maatre-gelen.Eerste en tweede lidDe Minister bepaalt de dag waarop het geldbedrag moet zijn betaald ofgestort en stelt de veroordeelde daarvan tijdig in kennis. De Minister kandaarbij uitstel van betaling of storting verlenen en betaling of storting intermijnen toestaan. Daarbij is de Minister vanzelfsprekend gebonden aande termijn van de proeftijd waarbinnen de voorwaarden gelden. Determijn voor storting van een waarborgsom is evenwel in geen gevallanger dan drie maanden, gerekend vanaf de dag waarop het vonnis ofarrest voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. Als de veroordeeldehet te betalen of te storten bedrag niet kan opbrengen, kan dat aanleidingzijn de voorwaarde of strafbeschikking te wijzigen met toepassing vanartikel 3.3.6, artikel 7.2.6 of artikel 7.3.9, zesde lid (vgl. Kamerstukken II1977/78, 15 012, nr. 3, p. 57). In andere gevallen zal niet-naleving inprincipe leiden tot het vorderen van de tenuitvoerlegging van devoorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf (artikel 7.2.7, eerste lid) danwel tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikelenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 371 7.3.11 en 7.3.12). In geval van een strafbeschikking kan wordenoverwogen de zaak alsnog voor de rechter te brengen.Ten opzichte van het huidige artikel 6:4:21, eerste lid, wordt in het eerstelid artikel 1.10.1 (het huidige artikel 6:1:1) niet van overeenkomstigetoepassing verklaard. Dat artikel belast de Minister met de tenuitvoer-legging van strafrechtelijke beslissingen en enkele strafvorderlijkebeslissingen. Een verwijzing naar dat artikel is overbodig, nu devoorwaarden deel uitmaken van een strafrechtelijke of strafvorderlijkebeslissing. Artikel 1.10.1 is dus per definitie van toepassing. Ook deverwijzing naar artikel 7.5.4, vierde lid, (het huidige artikel 6:4:5, vijfde lid)is niet overgenomen. Dat artikellid heeft betrekking op de kosten vanverhaal. Van verhaal kan echter geen sprake zijn bij een voorwaarde diede veroordeelde vrijwillig moet naleven om tenuitvoerlegging van devoorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of herroeping van devoorwaardelijke invrijheidstelling te voorkomen. De verwijzing naar artikel7.5.1, tweede en derde lid, (het huidige artikel 6:4:1, eerste en tweede lid)is niet langer nodig, nu de relevante onderdelen uit die artikelleden zijnuitgeschreven in dit artikel. Tot slot is de wat ongebruikelijke verwijzingnaar de delegatiebepaling van het huidige artikel 6:4:8 vervangen dooreen zelfstandige delegatiebepaling in het vierde lid.Derde lidDe rechtbank die oordeelt over een vordering tot tenuitvoerlegging vaneen voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel, is bevoegdte beslissen dat een al gestorte waarborgsom geheel of gedeeltelijkvervalt aan de Staat (artikel 7.2.7, zevende lid). Wordt daartoe niet beslist,dan wordt de waarborgsom teruggegeven, zo bepaalt het derde lid van ditartikel. De Minister is belast met de teruggave. Over het gestorte bedragwordt geen rente vergoed (Kamerstukken I 1982/83, 15012, nr. 31a, p. 15).In dit verband kan nog worden gewezen op artikel 7.5.22, waarin isbepaald dat een aan een (gewezen) verdachte of veroordeelde uit te kerenbedrag – zoals een gestorte waarborgsom – wordt verrekend met aan deStaat verschuldigde geldsommen. Zie nader de toelichting op artikel7.5.22.Vierde lidHet vierde lid geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels overde tenuitvoerlegging van geldelijke voorwaarden. In lijn met de verge-lijkbare delegatiebepaling van artikel 7.5.10 zien de nadere regels in iedergeval op de plaats en wijze van betaling of storting en op de termijnwaarbinnen de betaling of storting moet plaatsvinden.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook geldelijke voorwaardenkunnen worden gesteld bij de schorsing van de voorlopige hechtenis enbij een voorwaardelijke gratieverlening. De tenuitvoerlegging van dezegeldelijke voorwaarden – bij voorlopige hechtenis zekerheidstellinggenoemd – vindt op dezelfde wijze plaats. Dit volgt rechtstreeks uit deregelingen over respectievelijk de schorsing van de voorlopige hechtenis(artikel 2.5.33, derde en vierde lid) en de voorwaardelijke gratieverlening(artikel 13, vierde lid, van de Gratiewet).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 372 Artikel 7.2.6 [wijziging proeftijd en voorwaarden]Eerste lidIn de gevallen waarin de rechter bij de oplegging van een straf ofmaatregel bepaalt dat deze onder voorwaarden niet (geheel) hoeft teworden tenuitvoergelegd, bepaalt de rechter ook de proeftijd gedurendewelke de veroordeelde zich aan die voorwaarden dient te houden. Zie deartikelen 14b en 38p, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Derechtbank kan op vordering van de officier van justitie of op verzoek vande veroordeelde wijzigingen aanbrengen in de termijn van de proeftijd(onderdeel a), in de voorwaarden die aan de proeftijd zijn verbonden(onderdeel b) en in de opdracht tot reclasseringstoezicht (onderdeel c).Voor toepassing van dit artikel is niet nodig dat de proeftijd daadwerkelijkloopt. Zoals de 3RO terecht opmerkt kan een wijziging ook aangewezenzijn tijdens de opschorting of schorsing van de proeftijd.De inhoud van dit artikel is naar huidig recht opgenomen in artikel 6:6:19.Dat artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, met dien verstandedat de inhoud van het huidige derde lid is verplaatst naar artikel 7.4.7,eerste lid. Daarbij is het samengevoegd met de inhoud van het huidigeartikel 6:6:10, eerste lid, onderdeel f. Beide artikelleden regelden hetzelfde,namelijk de wijziging van de voorwaarden of het toezicht bij de terbe-schikkingstelling met voorwaarden en de terbeschikkingstelling waarbij deverpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd. Omdat bij diemaatregel geen sprake is van een proeftijd, is een zelfstandigevoorziening in Hoofdstuk 4 (Terbeschikkingstelling) meer op zijn plaats.Tweede lidDe rechtbank kan de proeftijd meermaals verlengen. Daarbij is deverlenging beperkt tot de maximale termijn die kan worden gesteld doorde rechter die de eerste proeftijd bepaalt (Kamerstukken II 2014/15, 34 086,nr. 3, p. 105). Als de initiële proeftijd bijvoorbeeld ten hoogste drie jaarhad kunnen bedragen, dan kan ook de verlenging ten hoogste drie jaarbedragen, ook als de rechter de initiële proeftijd heeft vastgesteld opminder dan drie jaar. In geval van meerdere verlengingen geldt hetmaximum voor de verlengingen gezamenlijk, zo wordt opgemerkt inreactie op vragen van de Rvdr en de 3RO. In het genoemde voorbeeld kande proeftijd dus bijvoorbeeld ook driemaal met een jaar worden verlengd,waarna het maximum van drie jaar is bereikt. Dat de bevoegdheid totverlenging is beperkt tot de maximale termijn die aanvankelijk konworden gesteld, betekent dat de totale proeftijd onder omstandighedentwintig jaar kan bedragen (zie artikel 14b, tweede en derde lid, van hetWetboek van Strafrecht). Voor straffen en maatregelen die zijn opgelegdmet toepassing van het jeugdstrafrecht geldt dat eenmalige verlengingmogelijk is voor ten hoogste één jaar, zo volgt uit artikel 7.7.5.Derde lidAls de rechter naast een terbeschikkingstelling met voorwaarden eengevangenisstraf van meer dan drie jaar oplegt, legt de rechter in deuitspraak de aard van de zorgverlening vast, die als voorwaarde isvastgesteld (artikel 38, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Hetderde lid biedt de rechtbank in die gevallen de mogelijkheid devoorwaarden opnieuw vast te stellen voor de laatste zes maanden van dedetentie. Het opnieuw vaststellen van de voorwaarden kan bijvoorbeeldaangewezen zijn als de (lange) duur van de detentie wijziging heeftgebracht in de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zowelpositief als negatief. De veroordeelde zal zich bereid moeten verklaren totTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 373 naleving van de nieuwe voorwaarden, zo volgt uit de overeenkomstigetoepassing van artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.Artikel 7.2.7 [vordering tot tenuitvoerlegging]Eerste en tweede lidDit artikel heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank tot het(alsnog) tenuitvoerleggen van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdestraf of maatregel, of een deel daarvan. Een hiertoe strekkende vorderingwordt – net als onder de huidige regeling van artikel 6:6:21 – ingediend alsde officier van justitie van oordeel is dat een ernstig vermoeden bestaatdat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefden niet kan worden volstaan met een waarschuwing of met een vorderingtot wijziging van de proeftijd of de voorwaarden (artikel 7.2.6). Devordering tot tenuitvoerlegging wordt niet later ingediend dan driemaanden na het verstrijken van de proeftijd. Bevoegd tot kennisnemingvan de vordering is de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisge-nomen van het strafbare feit waarvoor de straf of maatregel is opgelegd(artikel 7.1.20, eerste lid). Indien de veroordeelde is aangehoudenvanwege het ernstige vermoeden van schending van voorwaarden enaannemelijk is dat vrijheidsbeneming zal worden bevolen (artikel 7.2.2,eerste lid), wordt de vordering tegelijk ingediend met de alsdan direct bijde rechter-commissaris in te dienen vordering tot voorlopige tenuitvoer-legging (artikel 7.2.3, tweede lid).Indien de vordering (mede) verband houdt met het niet naleven van dealgemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van deproeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, wordt de vorderinggevoegd behandeld bij de berechting van dat nieuwe feit (artikel 7.2.8).Indien naast de algemene voorwaarde ook een bijzondere of een vanrechtswege geldende voorwaarde is geschonden, kan dit wordenbetrokken bij de te voegen vordering. De officier van justitie kan er in datgeval echter ook voor kiezen twee separate vorderingen in te dienen. Datwil zeggen een bij de berechting te voegen vordering in verband met deschending van de algemene voorwaarde, en een afzonderlijke vorderingop grond van dit artikel ten aanzien van de overige voorwaarde(n) (vgl.ECLI:NL:PHR:2007:BB6355).De Rvdr heeft gevraagd of een wijziging is aangebracht in de discretio-naire bevoegdheid die de officier van justitie naar huidig recht zou hebbenbij het indienen van de vordering. Dat is niet het geval. Ook naar huidigrecht is namelijk geen sprake van een volledig discretionairebevoegdheid. In het huidige artikel 6:6:21, derde lid, staat weliswaar datde officier van justitie een vordering «kan» indienen, maar de officier vanjustitie is in die keuze wel beperkt. Van een vordering mag slechts wordenafgezien als kan worden volstaan met een waarschuwing. Dituitgangspunt – vorderen, tenzij – is zuiverder tot uitdrukking gebracht inde wettekst. Een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd. Het al danniet toewijzen van de vordering vergt uiteraard een afweging per geval.De vaststelling dat een voorwaarde niet is nagekomen hoeft voor derechtbank geen dwingende reden te zijn om de (gedeeltelijke) tenuitvoer-legging te bevelen. De rechtbank zal op basis van de omstandigheden vanhet geval, waaronder de ernst van de schending, beslissen tot toewijzingof afwijzing van de vordering. Bij afwijzing van de vordering kan derechtbank ook (ambtshalve) beslissen tot wijziging van de proeftijd of devoorwaarden (artikel 7.2.6).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 374 Derde lidHet onderzoek door de rechtbank dient plaats te vinden binnen een zo kortmogelijke termijn. Dat bevordert een zo duidelijk mogelijke relatie tussende niet-naleving en het alsnog tenuitvoerleggen van de voorwaardelijkniet tenuitvoergelegde straf of maatregel. Bovendien kan sprake zijn vaneen voorlopige beslissing van de rechter-commissaris waarop spoedigeen beslissing moet volgen van de rechtbank. In dat laatste geval geldteen termijn van ten hoogste één maand na ontvangst van de vordering. Inreactie op een vraag van de Rvdr wordt opgemerkt dat een onverhoopteoverschrijding van deze termijn geen gevolgen heeft voor de ontvanke-lijkheid van de officier van justitie, voor de bevoegdheid van de rechtbankof voor de geldigheid van de voorlopige beslissing van de rechter-commissaris. Aan een termijnoverschrijding zijn dus geen procedureleconsequenties verbonden. Desondanks is het van groot belang dat de wet– net als de huidige wet – verplicht tot een voortvarend onderzoek in gevalvan een voorlopige beslissing van de rechter-commissaris.Vierde tot en met zesde lidDe rechtbank kan een eventueel bevel tot voorlopige tenuitvoerleggingvan de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,onderdeel a, opheffen zolang niet op de vordering tot tenuitvoerlegging isbeslist. In geval van de voorlopige tenuitvoerlegging van een kortevrijheidsstraf zal het ten uitvoer te leggen deel daarvan doorgaans al deelszijn ondergaan op het moment dat de rechtbank oordeelt over devordering. Bij toewijzing van de vordering kan de rechtbank dan ookbevelen dat de al ondergane vrijheidsbeneming in mindering wordtgebracht. Voor het geval de rechtbank gebruikmaakt van de door hetvijfde lid geboden mogelijkheid de vrijheidsstraf om te zetten in eentaakstraf, zal de rechtbank in de uitspraak bepalen volgens welke maatstafde aftrek zal plaatsvinden. Wijst de rechtbank de vordering af of verklaartzij de officier van justitie niet-ontvankelijk, en heeft vrijheidsbenemingplaatsgevonden op basis van de voorlopige beslissing van de rechter-commissaris, dan kan de veroordeelde een vergoeding worden toegekendop basis van artikel 6.6.6, derde lid.Zevende lidIndien bij een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel alsbijzondere voorwaarde is gesteld dat de veroordeelde een waarborgsommoet storten, kan de rechtbank beslissen dat een al gestortewaarborgsom geheel of gedeeltelijk vervalt aan de Staat. Wordt daartoeniet beslist, dan wordt de waarborgsom na ommekomst van de proeftijdteruggegeven conform artikel 7.2.5, derde lid.Vervallen onderdelen van artikel 6:6:21Het vijfde en achtste lid van het huidige artikel 6:6:21 zijn niet overge-nomen. Het huidige vijfde lid bevat een hoorplicht voor het geval hetonderzoek door de rechtbank volgt op een aanhouding. De Rvdr heeftgevraagd de noodzaak van deze hoorplicht nader toe te lichten. Ditverzoek heeft geleid tot het nadere inzicht dat een hoorplicht niet nodig is.Als de veroordeelde is aangehouden, wordt namelijk ook een vorderingtot (voorlopige) tenuitvoerlegging ingediend bij de rechter-commissaris(artikel 7.2.2, derde lid). De rechter-commissaris beslist binnen drie dagenen hoort zo mogelijk de aangehouden veroordeelde (artikel 7.2.3, derdelid). De vrijheidsbeneming in een politiecel maakt dat de veroordeeldezich in dat geval moet kunnen uitlaten over de ontstane situatie en over degevorderde (voorlopige) tenuitvoerlegging. Indien de rechter-commissarisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 375 de vordering tot (voorlopige) tenuitvoerlegging afwijst, wordt deaangehouden veroordeelde in vrijheid gesteld. In geval van toewijzingwordt overgegaan tot (voorlopige) tenuitvoerlegging. Tijdens de (latere)beoordeling door de rechtbank op grond van dit artikel, zal de veroor-deelde dus niet langer zijn aangehouden. Daarom kan worden volstaanmet de hoofdregel dat de veroordeelde wordt gehoord, althans daartoewordt opgeroepen (1.2.18, tweede lid). Op dit punt is dit artikel weer gelijkaan het voormalige artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.Het achtste lid van het huidige artikel 6:6:21 bepaalt dat als een voorwaar-delijke invrijheidstelling wordt herroepen nadat zij is geschorst, de(verdere) tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt geacht te zijnhervat op de dag van de aanhouding van de veroordeelde. Dit voorschriftis voor de rechtbank in onbruik geraakt sinds de inwerkingtreding van deWet straffen en beschermen. Sindsdien beslist de officier van justitie overherroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling (artikelen 7.3.11 en7.3.12). Met de Wet straffen en beschermen is nagelaten artikel 6:6:21,achtste lid, te schrappen. Het uitgangspunt dat de (verdere) tenuitvoer-legging van de vrijheidsstraf wordt geacht te zijn hervat op de dag van deaanhouding, is uiteraard wel behouden gebleven, in artikel 7.3.12, vierdelid.Artikel 7.2.8 [gevoegde behandeling vordering tot tenuitvoer-legging]De vordering tot tenuitvoerlegging die verband houdt met het vermoe-delijk niet naleven van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zichvoor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,wordt gevoegd behandeld bij de berechting van dat feit. Dit uitgangspuntwas tot de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen vastgelegd in artikel 14g, derde lid, van hetWetboek van Strafrecht (oud) en is met dit artikel opnieuw geëxpliciteerdin de wet. Omdat een gevoegde vordering tot tenuitvoerlegging deprocedure van de nieuwe strafzaak volgt, bepaalt dit artikel dat deprocedurele voorschriften uit artikel 7.2.7 in dat geval geen toepassingvinden. In plaats daarvan geldt het bepaalde in Boek 4, Titel 4.2 (Devordering tot tenuitvoerlegging). De rechter in de nieuwe strafzaak kanwel de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten in plaats van eenvrijheidsstraf, en beslissen tot het geheel of gedeeltelijk aan de Staat latenvervallen van een gestorte waarborgsom. Toewijzing van de vordering opgrond van een schending van de algemene voorwaarde is alleen mogelijkbij een veroordeling voor het nieuwe strafbare feit.Indien naast de algemene voorwaarde ook een bijzondere of een vanrechtswege geldende voorwaarde is geschonden, kan dit wordenbetrokken bij de te voegen vordering. Zoals aangegeven in de toelichtingop artikel 7.2.7, kan de officier van justitie in dat geval ook twee separatevorderingen indienen. Dat wil zeggen een bij de berechting te voegenvordering in verband met de schending van de algemene voorwaarde, eneen vordering op grond van artikel 7.2.7 ten aanzien van de overigegeschonden voorwaarde(n) (vgl. ECLI:NL:PHR:2007:BB6355). De beidevorderingen moeten op basis van de competentieregels mogelijk welworden ingediend bij verschillende rechtbanken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 376 TITEL 2.3Omzetting van straffen en maatregelen in een strafbeschikkingDeze titel is gereserveerd. Via de eerste aanvullingswet zal in deze titeleen nieuwe omzettingsprocedure worden opgenomen voor in eenstrafbeschikking opgelegde straffen en maatregelen die voorwaardelijkniet zijn tenuitvoergelegd. Deze procedure ziet zowel op gevallen waarinde in een strafbeschikking gestelde voorwaarden worden overtreden alsop gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een onherroepelijkestrafbeschikking niet of niet volledig heeft kunnen plaatsvinden. Volgensde nieuwe procedure kan de officier van justitie in deze gevallen ofwel deonherroepelijke strafbeschikking zelf wijzigen in het nadeel van deveroordeelde, ofwel een vordering daartoe indienen bij de rechtbank.TITEL 2.4RechtsmiddelenArtikel 7.2.9 [beroep inzake vervangende hechtenis maatregelen38v en 38z Sr]Eerste en tweede lidDe veroordeelde en de officier van justitie kunnen beroep instellen tegende beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 7.2.3, eerstelid, onderdeel f, over de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenisbij de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 38v vanhet Wetboek van Strafrecht) of de maatregel strekkende tot gedragsbeïn-vloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z van het Wetboek van Straf-recht). De officier van justitie kan beroep instellen binnen twee weken nade beslissing van de rechter-commissaris. De veroordeelde kan beroepinstellen binnen twee weken na de betekening van de beslissing. Indienop grond van artikel 7.1.24, derde lid, geen betekening hoeft plaats tevinden omdat de veroordeelde bij de uitspraak aanwezig was of de dagvan de uitspraak hem tevoren is meegedeeld, kan de veroordeelde beroepinstellen binnen twee weken na de beslissing. Het beroep wordtbehandeld door de rechtbank (vgl. artikel 5.1.2, tweede lid, onderdeel b).Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:6:22, met dienverstande dat de mogelijkheid van beroep tegen de gehele of gedeeltelijketenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie bij schending van demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige – het tweede deel vanhet huidige artikel 6:6:22, eerste lid, onderdeel a – om inhoudelijkeredenen is verplaatst naar artikel 7.7.30 in Hoofdstuk 7 (Jeugdigen enjongvolwassenen). Dat een rechtsmiddel open staat tegen de beslissingop een vordering tot tenuitvoerlegging die gevoegd is behandeld bij deberechting van een nieuw strafbaar feit (huidig artikel 6:6:22, eerste lid,onderdeel b), volgt al uit het samenstel van bepalingen in Boek 4(Berechting) en Boek 5 (Rechtsmiddelen) over het hoger beroep bij deberechting. In een strafzaak kan namelijk slechts hoger beroep wordeningesteld tegen het eindvonnis als geheel (artikel 5.4.4). De beslissing opeen gevoegde vordering tot tenuitvoerlegging maakt deel uit van dateindvonnis (artikel 4.4.11). Een gevoegde vordering volgt dus de regelsover hoger beroep in de reguliere strafzaak. Een aanvullende voorzieningin Boek 7 is daarmee niet nodig. Artikel 6:6:22, eerste lid, onderdeel b, isom die reden niet overgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 377 Derde lidOmdat het bevel tot tenuitvoerlegging van de rechter-commissarisdadelijk uitvoerbaar is, heeft het beroep geen opschortende of schorsendewerking. Dit is in afwijking van artikel 1.10.2, tweede lid, in samenhangmet artikel 5.1.2. De voorzitter van de rechtbank kan het bevel tottenuitvoerlegging van de rechter-commissaris wel opheffen zolang niet ophet beroep is beslist. Dit voorschrift is overgenomen uit artikel 6:6:22,tweede lid.Vierde lidDe rechtbank beslist zo spoedig mogelijk op het beroep. Het verklaart hetberoep niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. In het laatste gevalbeveelt de rechtbank wat volgens de wet behoort plaats te vinden. Ditvierde lid is gemodelleerd naar artikel 5.6.3.Vervallen onderdelen van artikel 6:6:22Het huidige artikel 6:6:22, derde lid, verklaart enkele procedurelevoorschriften uit de huidige artikelen 6:6:15 tot en met 6:6:17 vanovereenkomstige toepassing. Die artikelen regelen het hoger beroep bijhet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake terbeschikkingstelling. Dezeprocedurele voorschriften zijn grotendeels niet overgenomen, omdat huninhoud reeds terugkeert in algemeen geldende artikelen. Zo keert deinhoud van de in artikel 6:6:15, vierde lid, genoemde artikelen – over hetaanwenden en intrekken van gewone rechtsmiddelen en het indienen vaneen schriftuur – terug in Boek 5, Hoofdstukken 2 en 6. Die hoofdstukkenzijn ook van toepassing op het beroep bij de rechtbank op grond van ditartikel. Ook de inhoud van het huidige artikel 6:6:16, eerste lid – over hetafdoen zonder onderzoek op de zitting in geval van kennelijkeniet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid – is niet overgenomen,omdat dit een herhaling zou opleveren van de voorziening in artikel7.1.22, tweede lid.HOOFDSTUK 3VrijheidsstraffenTITEL 3.1AlgemeenArtikel 7.3.1 [aanvang vrijheidsstraf]Dit artikel regelt het moment waarop een vrijheidsstraf ingaat. Devrijheidsstraffen zijn gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis, militairedetentie en (vervangende) jeugddetentie (zie artikel 1, aanhef enonderdeel r, van de Penitentiaire beginselenwet). Dit hoofdstuk heeftbetrekking op de gevangenisstraf, de (vervangende) hechtenis en demilitaire detentie. Voor de tenuitvoerlegging van (vervangende) jeugdde-tentie is om systematische redenen een eigen regeling getroffen inHoofdstuk 7, over de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen diezijn opgelegd met toepassing van het jeugdstrafrecht. In die regeling– Titel 7.3 – worden veel van de navolgende artikelen van overeenkom-stige toepassing verklaard.De inhoud van dit artikel is gelijk aan het huidige artikel 6:2:2. Bij deaanvang van een vrijheidsstraf wordt onderscheid gemaakt tussenveroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden en overigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 378 veroordeelden. Bij veroordeelden die zich in voorlopige hechtenisbevinden vangt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aan op de dagwaarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden. Op datmoment eindigt de voorlopige hechtenis en begint de vrijheidsstraf vanrechtswege te lopen. Bij andere veroordeelden vangt de tenuitvoerleggingvan de vrijheidsstraf aan op de dag van de tenuitvoerlegging van derechterlijke beslissing. In het geval van een aanhouding ter tenuitvoer-legging is dat het moment van de aanhouding. In het geval dat deveroordeelde zichzelf meldt bij de inrichting is dat het moment vanmelding.Artikel 7.3.2 [tenuitvoerlegging meerdere vrijheidsstraffen]Als achtereenvolgens meerdere vrijheidsstraffen moeten wordenondergaan, worden deze zo veel mogelijk aaneensluitend tenuitvoer-gelegd, ook bij ongelijksoortige vrijheidsstraffen (zoals gevangenisstraf enhechtenis). De achtereenvolgens ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffenworden als één straf aangemerkt voor het bepalen van het moment vaninvrijheidstelling, bedoeld in artikel 7.1.18, eerste lid. Ook worden geheelonvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen, met uitzonderingvan vervangende hechtenis, als één straf aangemerkt voor de toepassingvan voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 7.3.7. Dit artikelis ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:2:6.Artikel 7.3.3 [verrekening vrijheidsbeneming buitenland]Veroordeelden die aan Nederland zijn overgeleverd of uitgeleverd om hierde (verdere) tenuitvoerlegging te ondergaan van een in Nederlandopgelegde vrijheidsstraf en in het kader van dat verzoek hebben vastge-zeten in het buitenland, zien die tijd in mindering gebracht op de tenuitvoer te leggen straf. Deze regel is overgenomen uit het huidige artikel6:2:7, eerste lid. Het huidige artikel 6:2:7, tweede lid, dat regelt dat debuitenlandse detentie wordt meegerekend als ondergane straftijd bij hetbepalen van het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling, isvanwege de inhoud verplaatst naar de titel over voorwaardelijkeinvrijheidstelling.Artikel 7.3.4 [strafonderbreking]Bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen wordt rekening gehoudenmet alle in aanmerking komende belangen, waaronder – zo schrijft artikel1.10.3 voor – de veiligheid van de samenleving, de belangen van hetslachtoffer en de resocialisatie van de veroordeelde. Afhankelijk van deomstandigheden van het geval zal ook met andere belangen rekeningmoeten worden gehouden. Er zijn uitzonderlijke gevallen denkbaarwaarbij het aangewezen kan zijn de tenuitvoerlegging van een vrijheids-straf (tijdelijk) te onderbreken. Het kan dan gaan om een zwaarwegendbelang in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, maar bijvoorbeeldook om het belang dat gediend is met de uitzetting van een gedetineerdevreemdeling of een andere reden ter behartiging van het algemeenbelang. Om die reden is de Minister bevoegd om in uitzonderlijke gevallende tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tijdelijk of voor onbepaaldetijd te onderbreken. Deze bevoegdheid is inhoudelijk ongewijzigdovergenomen uit het huidige artikel 6:2:4.Strafonderbreking is beperkt tot vrijheidsstraffen, wat betekent dat het kangaan om een gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis, militaire detentieof (vervangende) jeugddetentie (zie artikel 1, aanhef en onderdeel r, vande Penitentiaire beginselenwet). Ten aanzien van de (vervangende)jeugddetentie volgt dit uit artikel 7.7.8. De bevoegdheid tot het verlenenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 379 van strafonderbreking heeft dus geen betrekking op vrijheidsbenemendemaatregelen, zoals de terbeschikkingstelling met verpleging vanoverheidswege of de vreemdelingenbewaring.Op grond van artikel 7.3.6, tweede lid, worden nadere regels gesteld overstrafonderbreking. De regels hebben onder andere betrekking op devereisten voor strafonderbreking, de wijze van verlening van strafonder-breking, en de voorwaarden die kunnen worden verbonden aan destrafonderbreking.Eerste tot en met derde lidEr worden twee typen strafonderbreking onderscheiden: strafonder-breking voor bepaalde tijd (eerste lid) en strafonderbreking vooronbepaalde tijd (tweede lid). De strafonderbreking voor onbepaalde tijdstaat (enkel) ten dienste van het vertrek uit Nederland van vreemdelingendie hier geen bestendig rechtmatig verblijf hebben en die om die reden opgrond van artikel 7.3.7, tweede lid, onderdeel c, niet in aanmerking komenvoor voorwaardelijke invrijheidstelling. Nadat deze vreemdelingen eenbepaalde termijn van hun vrijheidsstraf hebben uitgezeten, kan deMinister hen strafonderbreking verlenen met het oog op het realiserenvan hun vertrek uit Nederland. Bij zijn beslissing betrekt de Minister naasthet uitzettingsbelang ook andere relevante belangen, waaronderslachtofferbelangen. Ook wordt (opnieuw) bezien of de overdracht van detenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aan een andere staat een reëlemogelijkheid is. Indien er zicht is op overdracht binnen een redelijketermijn, wordt geen strafonderbreking voor onbepaalde tijd verleend.Strafonderbreking voor bepaalde tijd is niet voorbehouden aan specifiekeveroordeelden. In beginsel kunnen alle veroordeelden hiervoor inaanmerking komen. Evenmin is vereist dat de veroordeelde een bepaalddeel van de vrijheidsstraf moet hebben uitgezeten voordat deze voorstrafonderbreking in aanmerking kan komen. Op verzoek van de veroor-deelde, de officier van justitie of ambtshalve kan de Minister op elkmoment gedurende de tenuitvoerlegging tijdelijk strafonderbrekingverlenen wanneer sprake is van een uitzonderlijke situatie. Of daarvansprake is, is ter beoordeling aan de Minister. Het gaat om zeer bijzonderegebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer, die dermate ingrijpend danwel zodanig van aard zijn dat niet kan worden volstaan met incidenteelverlof en niet kan worden gewacht tot een mogelijkheid om de inrichtingin een ander kader tijdelijk te verlaten. Met dit wettelijke vereiste wordtbenadrukt dat strafonderbreking geen recht is van de veroordeelde, maareen bevoegdheid van de Minister en dat de Minister deze bevoegdheidniet ruimhartig toepast. Bij zijn beslissing houdt de Minister rekening metalle relevante belangen. Er vindt dus een belangenafweging plaats, waarinde belangen van de veroordeelde worden afgewogen tegen het algemeenbelang. Wanneer de Minister aanleiding ziet om gebruik te maken van zijnbevoegdheid, stelt hij de veroordeelde daarmee bijvoorbeeld in staat omeen in levensgevaar verkerend familielid te bezoeken of om bij degeboorte van zijn kind aanwezig te kunnen zijn. Daarbij kan bewakingworden meegestuurd en kan er aanleiding zijn om bijzonderevoorwaarden aan de strafonderbreking te verbinden, waaronderbegeleiding door de reclassering en al dan niet gecontroleerd door middelvan elektronisch toezicht.Strafonderbreking is geen vorm van verlof. Dat strafonderbreking alleenwordt verleend wanneer niet kan worden volstaan met een vorm vanverlof houdt in dat eerst wordt gekeken of de veroordeelde in aanmerkingkomt voor een vorm van verlof en of dat verlof toereikend is. In de praktijkgaat het dan meestal om incidenteel verlof, dat een veroordeeldeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 380 eveneens in staat stelt om een gebeurtenis in de persoonlijke sfeer bij tewonen, en dat daarom veel raakvlakken heeft met de strafonderbrekingvoor bepaalde tijd. Incidenteel verlof is in duur in beginsel echter beperkttot één dag, terwijl de strafonderbreking voor bepaalde tijd langer kanduren. Bij de verlening van tijdelijke strafonderbreking stelt de Ministerook de duur ervan vast. Het eerste lid schrijft voor dat de strafonder-breking niet langer duurt dan noodzakelijk. Welke duur noodzakelijk is, zalvan geval tot geval verschillen en daarom is in de (lagere) regelgevinggeen vaste minimumduur als ondergrens opgenomen. Een bovengrens iswel vastgesteld: de strafonderbreking voor bepaalde tijd duurt maximaaldrie maanden.Indien bijzondere voorwaarden worden verbonden aan de strafonder-breking, wordt daarmee een (soms vergaande) inbreuk gemaakt op degrondrechten van de veroordeelde. Het gaat dan in het bijzonder om hetdoor artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op bescherming van hetprivéleven en het recht op bewegingsvrijheid van artikel 2, eerste lid, vanhet Vierde Protocol bij het EVRM. Voor beide rechten geldt dat deze nietabsoluut zijn. Beperkingen op deze rechten zijn onder bepaaldevoorwaarden toegestaan. Dat is het geval wanneer de inbreuk bij wet isvoorzien en noodzakelijk is in het belang van een gerechtvaardigd doel.De regeling dient bovendien afdoende waarborgen te bevatten teneindewillekeur en misbruik van de inperkende bevoegdheid te voorkomen.Daarnaast dient te zijn voldaan aan de voorwaarden van proportionaliteit(er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen de ernst van deinmenging en de zwaarte van het belang dat daarmee wordt gediend) ensubsidiariteit (het doel kan niet met een lichter, voor betrokkene minderingrijpend, middel worden bereikt).De lagere regels, bezien in samenhang met artikel 7.3.6, vormen devereiste grondslag voor het stellen van bijzondere voorwaarden. Hetverbinden van bijzondere voorwaarden aan de strafonderbreking voorbepaalde tijd kan nodig zijn om de belangen van slachtoffers tebeschermen of om de risico’s te ondervangen die strafonderbreking metzich brengt voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging of voor demaatschappelijke orde en veiligheid. De mogelijkheid tot het kunnenstellen van bijzondere voorwaarden is daarmee noodzakelijk voor eenverantwoorde toepassing van de strafonderbreking voor bepaalde tijd endaarmee voor het belang van een geloofwaardige tenuitvoerlegging vanvrijheidsstraffen.Voor wat betreft de voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit isallereerst de doelgroep van belang waaraan strafonderbreking wordtverleend. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor deRechten van de Mens brengt rechtmatige detentie naar zijn aard onvermij-delijk inbreuken met zich op het recht op privéleven en het recht opbewegingsvrijheid. Een gedetineerde zal dus eerder en verdergaandeinperkingen moeten «dulden» dan een regulier persoon. Deze bijzonderestatus geldt ook voor veroordeelden aan wie strafonderbreking wordtverleend. Het gaat hier immers om veroordeelden die een vrijheidsstrafuitzitten, die niet in aanmerking komen voor een vorm van verlof, maarten aanzien van wie in uitzonderlijke gevallen desalniettemin wordtoverwogen of zij de inrichting toch tijdelijk mogen verlaten in verbandmet klemmende redenen in de persoonlijke sfeer. Hoewel een verleendestrafonderbreking de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf tijdelijkschorst, is de beslissing om al dan niet strafonderbreking te verlenen enwelke bijzondere voorwaarden daaraan worden verbonden, een beslissingdie wordt genomen ten aanzien van een veroordeelde die een vrijheids-straf uitzit. Die vrijheidsbenemende titel zelf vervalt ook niet door debeslissing. Deze blijft bestaan, alleen de tenuitvoerlegging van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 381 vrijheidsstraf wordt slechts tijdelijk geschorst. Na het eindigen van destrafonderbreking wordt de tenuitvoerlegging van rechtswege hervat ende strafonderbreking kan ook eerder worden herroepen, bijvoorbeeld bijovertreding van een daaraan verbonden voorwaarde of in verband metgewijzigde omstandigheden. Of bepaalde bijzondere voorwaarden ook inhet individuele geval gerechtvaardigd zijn, vergt een individuele belan-genafweging, waarin alle relevante belangen worden meegewogen. Deuitkomst van die belangenafweging is één integrale beslissing over het aldan niet toekennen van de strafonderbreking, de duur ervan en deeventueel daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden. Tijdens destrafonderbreking kan zo nodig toezicht worden gehouden op de nalevingvan de gestelde bijzondere voorwaarden (artikel 7.2.1, eerste lid,onderdeel a, onder 5°). Meestal wordt dergelijk toezicht vormgegevendoor dit als afzonderlijke voorwaarde te stellen bij de beslissing totstrafonderbreking. De Minister geeft vervolgens ambtshalve een opdrachtaan een reclasseringsinstelling om toezicht te houden en de veroordeeldeten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 7.2.1, tweede lid).Vierde lidWanneer de Minister gebruik maakt van de bevoegdheid om strafonder-breking te verlenen, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstrafgeschorst. Dat betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn niet loopt voorde duur van de strafonderbreking (artikel 7.1.8, tweede lid).Vijfde lidAls de veroordeelde het niet eens is met een beslissing van de Ministerover strafonderbreking, kan de veroordeelde daartegen beroep instellenbij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing enJeugdbescherming. Daartoe is Hoofdstuk XIII van de Penitentiairebeginselenwet van toepassing verklaard. Daarmee is voorzien in eenbelangrijke rechtswaarborg tegen willekeur. Hierbij moet wel voor ogenworden gehouden dat het verlenen van strafonderbreking – en daarmeeook de vaststelling van de duur ervan en de daaraan te verbindenbijzondere voorwaarden – een discretionaire bevoegdheid is van deMinister. De uitkomst van de door de Minister gemaakte belangenaf-weging kan dan ook slechts marginaal worden getoetst.Artikel 7.3.5 [plaatsing in een instelling]Dit artikel biedt de mogelijkheid van plaatsing in een instelling van een totvrijheidsstraf veroordeelde die daarvoor in aanmerking komt wegens eenpsychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijkehandicap. Het artikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:2:8,eerste tot en met derde en zesde lid. Ten opzichte van dat artikel istoegevoegd dat de veroordeelde in kennis wordt gesteld van de beslissingtot plaatsing of de beslissing tot beëindiging van de plaatsing. Deplaatsing verloopt volgens de regels van de Wet forensische zorg en dedaarop gebaseerde regelgeving. Die regelgeving geldt uiteraard ook alsde veroordeelde na plaatsing op enig moment wordt overgeplaatst naareen andere instelling. In de instelling zal de veroordeelde aanspraakkunnen maken op de voor hem aangewezen behandeling (zie het vanovereenkomstige toepassing verklaarde artikel 7.4.1).Enkele onderdelen van het huidige artikel 6:2:8 zijn niet of ergens andersovergenomen. Het rechtsmiddel van het huidige vierde lid is verplaatstnaar Titel 3.3 (Rechtsmiddelen). Dat is in lijn met de algemene systematiekvan het nieuwe wetboek waarbij rechtsmiddelen worden opgenomen ineen aparte titel aan het slot van het hoofdstuk waarop zij betrekkingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 382 hebben. In lijn met het advies van de Rvdr is er dus niet voor gekozen ditrechtsmiddel te verplaatsen naar de Beginselenwet verpleging terbeschikking gestelden. Bij een voorgenomen plaatsing van een totvrijheidsstraf veroordeelde gaat het immers (nog) niet om een verpleegdeals bedoeld in die wet. Het vijfde lid van het huidige artikel 6:2:8 isdaarentegen niet overgenomen omdat dit overbodig is naast artikel 69van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Op grond vanlaatstgenoemd artikel kan iedere terbeschikkinggestelde of «anderszinsverpleegde» beroep instellen tegen een overplaatsing op grond van deartikelen 6.1, eerste lid, 6.5 en 6.7 van de Wet forensische zorg. Eeneenmaal geplaatste veroordeelde is een anderszins verpleegde (artikel 1,onderdeel j, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden).Het zesde lid van het huidige artikel 6:2:8 is niet langer nodig nu in ditartikel wordt gesproken over een veroordeelde tot «vrijheidsstraf», watook de (vervangende) hechtenis omvat.Artikel 7.3.6 [nadere regels]Het laatste artikel van deze titel bevat in het eerste lid de grondslag voornadere regels die worden gesteld bij het bepaalde in deze titel. De naderespecificering in het tweede en derde lid is overgenomen uit de huidigedelegatiebepaling, artikel 6:2:9. Het tweede lid van het huidige artikel 6:2:9is daarbij niet overgenomen, nu de inhoud daarvan wordt gedekt door heteerste lid.TITEL 3.2Voorwaardelijke invrijheidstellingDe artikelen 7.3.7 tot en met 7.3.13 bevatten de regeling van voorwaarde-lijke invrijheidstelling, zoals deze laatstelijk is gewijzigd met de Wetstraffen en beschermen (Stb. 2020, 224). De volgorde van de artikelen isenigszins veranderd ten opzichte van de huidige regeling in de artikelen6:2:10 tot en met 6:2:14, maar inhoudelijk is de regeling ongewijzigd.Hieronder volgt per artikel een beknopte toelichting. Voor een uitge-breidere toelichting wordt verwezen naar de parlementaire stukken bij deWet straffen en beschermen (in het bijzonder Kamerstukken II 2018/19,35 122, nrs. 3 en 6 en Kamerstukken I 2019/20, 35 122, nr. C).Artikel 7.3.7 [criteria voorwaardelijke invrijheidstelling]Dit artikel bevat de criteria waaraan moet worden voldaan om inaanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De inhoudvan het artikel is primair afkomstig uit het huidige artikel 6:2:10. In heteerste lid is verduidelijkt dat de officier van justitie beslist over het al danniet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit was eerstafzonderlijk bepaald in artikel 6:2:12, eerste lid. Om de leesbaarheid vande regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling te verbeteren is ervoorgekozen de inhoud van artikel 6:2:12 op te knippen en onder te brengen inde artikelen waarop het betrekking had. Van het huidige artikel 6:2:10 zijnhet vierde en vijfde lid niet overgenomen in dit artikel. Het huidige vierdelid bevat bijzondere regels voor het geval van de tenuitvoerlegging vaneen in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf. Deze bijzondere regelspassen naar hun aard beter in de Wet overdracht tenuitvoerleggingstrafvonnissen en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerleggingvrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties. Zij worden daarnaarverplaatst via de invoeringswet. Het huidige vijfde lid is ondergebracht inartikel 7.1.18, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 383 Eerste tot en met derde lidHet tijdstip waarop voorwaardelijke invrijheidstelling (op zijn vroegst)mogelijk is, verschilt naar gelang de duur van de vrijheidsstraf. Voorvrijheidsstraffen van meer dan één jaar en ten hoogste twee jaar kanvoorwaardelijke invrijheidstelling worden verleend wanneer de vrijheids-beneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het dan nog tenuitvoer te leggen strafrestant een derde gedeelte is ondergaan. Voortijdelijke vrijheidsstraffen van twee jaar en hoger kan voorwaardelijkeinvrijheidstelling worden verleend nadat ten minste twee derde gedeeltedaarvan is ondergaan, met dien verstande dat de periode waarovervoorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend niet langer is dantwee jaar. Een eventuele buitenlandse detentie wordt aangemerkt alsstraftijd bij het bepalen van het moment van voorwaardelijke invrijheid-stelling, tenzij die tijd al in mindering is gebracht op een andere vrijheids-straf die de veroordeelde heeft ondergaan.Vierde lidVoorwaardelijke invrijheidstelling is geen vanzelfsprekendheid. Het isslechts aan de orde als de veroordeelde voldoet aan de daarvoor gesteldecriteria. De wettelijke regeling faciliteert daarmee een persoonsgerichtebenadering. In het vierde lid zijn de hoofdcriteria opgenomen, te weten demate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeftdoen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samen-leving (onderdeel a), de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheid-stelling verbonden risico’s te beperken en beheersen (onderdeel b), en debelangen van slachtoffers en andere relevante personen (onderdeel c). Bijhet eerste criterium, het gedrag van de veroordeelde, wordt het gedraggedurende de hele detentie meegewogen. Het aanspreken van veroor-deelden op hun gedrag en de inzet op gedragsverandering is van belangom recidive te verminderen. In de praktijk wordt de persoonsgerichteaanpak vormgegeven door het stelsel van promoveren en degraderen,waarbij veroordeelden die gewenst gedrag vertonen in aanmerkingkunnen komen voor interne vrijheden en bij blijvend gewenst gedrag ookvoor externe vrijheden. Veroordeelden die ongewenst of zelfs strafbaargedrag laten zien, kunnen verleende vrijheden worden ontnomen. Zoworden veroordeelden aangesproken op hun gedrag en gestimuleerd huneigen verantwoordelijkheid te nemen. Het tweede criterium refereert aande mogelijke risico’s. Bij de beslissing tot de toekenning van voorwaarde-lijke invrijheidstelling moet worden beoordeeld of er risico’s zijn bij deterugkeer in de samenleving en of en, zo ja, hoe deze risico’s kunnenworden beperkt en beheerst. De veiligheid van de samenleving moetimmers gewaarborgd blijven. Het sluit ook aan bij het derde criterium.Een verantwoorde terugkeer in de samenleving vergt dat rekening wordtgehouden met de belangen van slachtoffers en andere relevantepersonen. Onder «andere relevante personen» worden in ieder gevalverstaan personen die bescherming behoeven vanwege een actuele en opfeiten gebaseerde waardering van risico’s ten aanzien van hun veiligheiddie te herleiden zijn naar de veroordeelde en diens (eventuele) vrijheden.Denk bijvoorbeeld aan personen die ten tijde van de strafzaak eenbelastende verklaring hebben afgelegd, of personen die afhankelijk zijnvan zorg die wordt verleend door de veroordeelde, zoals kinderen. Datrekening moet worden gehouden met de belangen van slachtoffers enandere relevante personen leidt ertoe dat bij het vaststellen vanbijzondere voorwaarden bijvoorbeeld contactverboden en locatiever-boden kunnen worden gesteld. In de gevallen dat risico’s bij de terugkeerin de samenleving zijn geïdentificeerd met betrekking tot slachtoffers enandere relevante personen, die niet voldoende kunnen worden beperkt enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 384 beheerst door het stellen van bijzondere voorwaarden, zal wordenafgezien van het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling.Vijfde lidDe officier van justitie baseert zijn beslissing over het al dan niet verlenenvan voorwaardelijke invrijheidstelling mede op de adviezen daarover vande directeur van de inrichting en van de reclasseringsinstelling. Dezeadviesplicht is overgenomen uit het huidige artikel 6:2:12, tweede lid. Voorhet maken van een goede afweging tussen de betrokken belangen doorde officier van justitie zijn naast het advies van de directeur van depenitentiaire inrichting ook van belang het advies en de risicobeoordelingdoor de reclassering, informatie van slachtoffers of andere relevantepersonen, zoals kinderen van de veroordeelde, en eventueel het adviesvan het lokaal parket. De reclasseringsinstelling betrekt bij de adviseringover de voorwaardelijke invrijheidstelling en de te stellen voorwaardenook de visie van de veroordeelde daarop. Deze advisering garandeert datde officier van justitie over de informatie beschikt die nodig is om degenoemde afweging te kunnen maken. Het CJIB draagt zorg voor hetverzamelen van alle benodigde informatie voor de officier van justitie.Ook informatie van het CJIB zelf over een eventuele betalingsregeling omde door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden, kan in debesluitvorming worden betrokken. De directeur van de penitentiaireinrichting neemt in zijn advies op of en, zo ja, onder welke voorwaardenverloven en vrijheden zijn verleend tijdens detentie, en hoe deze zijnverlopen. Daar waar gedurende de detentie, in het bijzonder de verlovenen vrijheden, sprake is (geweest) van reclasseringstoezicht, neemt dereclasseringsinstelling het verloop hiervan mee in het advies.Artikel 7.3.8 [beslissing officier van justitie; verzoek nieuwebeoordeling]Eerste lidDe veroordeelde wordt uiterlijk een maand voor het in artikel 7.3.7, eerstelid, opgenomen tijdstip in kennis gesteld van de beslissing van de officiervan justitie om wel of geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenenen, indien voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, over dedaaraan verbonden voorwaarden (artikel 7.3.9). De beslissing van deofficier van justitie kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenenvan voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld. De beslissing vande officier van justitie is in alle gevallen gemotiveerd en wordt aan deveroordeelde betekend, wat in deze gevallen normaal gesproken zalneerkomen op uitreiking in persoon. De periode van een maand maakt hetmogelijk om op een eventueel bezwaarschrift van de veroordeelde tegeneen afwijzende beslissing van de officier van justitie (als bedoeld in artikel7.3.15) nog vóór het in artikel 7.3.7 opgenomen tijdstip een beslissing vande rechtbank te krijgen.Tweede lidIndien de officier van justitie heeft besloten geen voorwaardelijkeinvrijheidstelling te verlenen, kan de veroordeelde na ten minste zesmaanden de officier van justitie verzoeken om alsnog voorwaardelijk invrijheid te worden gesteld. De omstandigheden die ertoe hebben geleidgeen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen, kunnen immerswijzigen. Als de veroordeelde inmiddels wel voldoet aan de criteria voorhet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling, kan de officier vanjustitie alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling verlenen. De termijn vanzes maanden geeft de veroordeelde voldoende tijd om ervoor te zorgenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 385 dat hij alsnog voldoet aan de criteria voor het verlenen van voorwaarde-lijke invrijheidstelling, maar niet dusdanig lang dat geen betekenisvolleperiode van voorwaardelijke invrijheidstelling resteert. De laatste zin vanhet tweede lid waarborgt dat de veroordeelde eenmaal een herhaaldverzoek kan indienen als ten minste zes maanden zijn verstreken na deafwijzing van het eerdere verzoek. Eenmaal, omdat de laatste zin zelf nietvan overeenkomstige toepassing is verklaard.Artikel 7.3.9 [voorwaarden bij voorwaardelijke invrijheidstelling]Dit artikel bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan eenvoorwaardelijke invrijheidstelling.Eerste lidHet eerste lid behelst de algemene voorwaarde: de veroordeelde mag zichvoor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit.Deze voorwaarde is van rechtswege verbonden aan iedere voorwaarde-lijke invrijheidstelling. Als de veroordeelde desondanks een strafbaar feitbegaat, is dat een grond voor herroeping van de invrijheidstelling (artikel7.3.11).Tweede en derde lidNaast de algemene voorwaarde kan de officier van justitie bijzonderevoorwaarden verbinden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hetgaat steeds om verplichtingen die betrekking hebben op het gedrag vande veroordeelde en die in het teken staan van de begeleide terugkeer inde samenleving. Belangrijke doelen daarbij zijn de beveiliging van desamenleving in het algemeen, het beschermen van het slachtoffer ofandere relevante personen in het bijzonder, alsmede het voorkomen vanrecidive. Acht de officier van justitie het noodzakelijk dat bij eenbijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht wordt gehouden, dan kan hijhiertoe opdracht geven in zijn beslissing. De Minister zal vervolgens eenopdracht tot reclasseringstoezicht geven op grond van artikel 7.2.1, zoalshij dat ook doet bij rechterlijke opdrachten tot reclasseringstoezicht.Vierde lidAls de officier van justitie bijzondere voorwaarden stelt, zijn daaraan vanrechtswege twee voorwaarden verbonden. Allereerst dient de veroor-deelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking teverlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of eenidentiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Voorts moet de veroordeeldemedewerking verlenen aan het eventuele reclasseringstoezicht, inclusiefde medewerking aan huisbezoeken.Vijfde lidAan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht wordenverbonden. Dit kan relevant zijn om controle op de naleving van bepaaldevoorwaarden mogelijk te maken, zoals bij een locatieverbod of locatie-gebod.Zesde lidBijzondere voorwaarden kunnen te allen tijde gemotiveerd wordengewijzigd of opgeheven door de officier van justitie. De veroordeeldewordt door de officier van justitie in kennis gesteld van een dergelijkebeslissing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 386 Artikel 7.3.10 [aanvang en verlenging proeftijd]Eerste lidDe proeftijd van een voorwaarde bij een voorwaardelijke invrijheidstellinggaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling en is qua duurgelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordtverleend, met een minimum van één jaar. De periode van voorwaardelijkeinvrijheidstelling en de duur van de proeftijd hoeven dus niet altijd gelijkte zijn.Tweede en derde lidDe proeftijd kan eenmaal met een periode van ten hoogste twee jaarworden verlengd als blijkt dat langer toezicht nodig is. In beginsel zal een(verlengde) proeftijd van twee jaar volstaan. In geval van veroordeeldenvoor ernstige misdrijven als zedendelicten en zware geweldsdelicten aanwie geen terbeschikkingstelling of maatregel strekkende tot gedragsbeïn-vloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht)is opgelegd, en die na een lange detentie voorwaardelijk in vrijheidworden gesteld, kan het noodzakelijk zijn om uit het oogpunt vanmaatschappelijke veiligheid en een verantwoorde re-integratie langertoezicht te houden en hen langer te begeleiden. De rechtbank kan in diegevallen op vordering van de officier van justitie de proeftijd telkens metten hoogste twee jaar verlengen. In tegenstelling tot wat de Rvdr stelt, isgeen verruiming aangebracht in de doelgroep. Wel is de wettekst omwillevan de duidelijkheid anders geformuleerd. De tekst van het huidige artikel6:1:18, tweede lid, bepaalt dat verdere verlenging van de proeftijdmogelijk is bij «de veroordeelde, bedoeld in artikel 38z, eerste lid, aanhefen onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht». Die verwijzingimpliceert ten onrechte dat het gaat om een veroordeelde aan wie demaatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking isopgelegd. Ook de 3RO lijken deze lezing te hanteren. Blijkens de wetsge-schiedenis gaat het echter uitdrukkelijk om veroordeelden aan wie demaatregel had kunnen worden opgelegd (vgl. Kamerstukken II 2013/14,33 816, nr. 10). Die afbakening is ook begrijpelijk, omdat het toezicht in hetandere geval kan worden vormgegeven via de maatregel zelf. Om over derelevante doelgroep geen twijfel te laten bestaan, is in de wettekstgeëxpliciteerd dat verdere verlenging van de proeftijd alleen mogelijk isbij een veroordeelde aan wie geen terbeschikkingstelling en geenmaatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking isopgelegd, maar bij wie dat wel had gekund omdat ernstig rekening ermeewordt gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf pleegtwaarvoor een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheids-beperking kan worden opgelegd. Zowel de officier van justitie als derechtbank zal steeds afwegen of een (verdere) verlenging van de proeftijdnoodzakelijk en proportioneel is, zo blijkt (ook) uit de tot nu toe toege-wezen en afgewezen vorderingen die strekken tot verlenging.Vierde lidEen proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtenszijn vrijheid is ontnomen. Dit is ongewijzigd overgenomen uit het huidigeartikel 6:1:18, derde lid. De 3RO hebben gevraagd naar de meerwaardevan deze bepaling ten opzichte van artikel 7.1.8, tweede lid, waarin isvoorzien in schorsing van de tenuitvoerleggingstermijn in geval vanvrijheidsbeneming. In reactie daarop kan worden aangegeven dat eenproeftijd niet hetzelfde is als de tenuitvoerleggingstermijn. De proeftijd isde termijn waarbinnen voorwaarden gelden. De tenuitvoerleggingstermijnis de termijn waarbinnen de Staat het recht heeft om een straf ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 387 maatregel als zodanig ten uitvoer te leggen. Het zijn dus verschillendegrootheden. Op grond van artikel 7.1.8, tweede lid, loopt de tenuitvoerleg-gingstermijn niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijnvrijheid is ontnomen. Deze bepaling heeft geen betrekking op eeneventuele proeftijd. Zonder aanvullende regeling zou een eventueleproeftijd doorlopen tijdens de vrijheidsbeneming.Artikel 7.3.11 [herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling]Eerste lidNet als in de huidige artikelen 6:2:12 en 6:2:13a kan de officier van justitiegemotiveerd beslissen de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen.Leeft de veroordeelde de voorwaarden niet na, dan vervalt daarmee inbeginsel de grondslag voor het in vrijheid verkeren van de veroordeeldeen zal in de regel worden overgegaan tot de verdere tenuitvoerleggingvan de vrijheidsstraf. Omdat de officier van justitie beslist over hetverlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling en daarbij ook debijzondere voorwaarden stelt, is de officier van justitie bij uitstek in staatom af te wegen of de voorwaardelijke invrijheidstelling moet wordenherroepen. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheid-stelling geheel of gedeeltelijk indien naar zijn oordeel een ernstigvermoeden bestaat dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft ofniet heeft nageleefd. Dit criterium is qua formulering gelijkgetrokken metandere bepalingen over niet-naleving, zoals de aanhouding (artikel 7.2.2,eerste lid, onderdeel a) of de indiening van een vordering tot tenuitvoer-legging (artikel 7.2.7, tweede lid). Daardoor wordt ook duidelijk datherroeping niet alleen mogelijk is bij niet-naleving van de algemene ofeen bijzondere voorwaarde, maar ook bij niet-naleving van de vanrechtswege geldende voorwaarden van artikel 7.3.9, vierde lid. Op grondvan de huidige wettekst is strikt genomen geen herroeping mogelijk bijovertreding van één van de van rechtswege verbonden voorwaarden. Dieomissie is dus hersteld.Tweede en derde lidDe voorwaardelijke invrijheidstelling kan ook geheel of gedeeltelijkworden herroepen indien het niet naleven van enige voorwaarde zichheeft voorgedaan in de periode dat de proeftijd niet loopt omdat deveroordeelde op andere grond rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Voortsis in het derde lid bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling(geheel) wordt herroepen indien de veroordeelde niet langer bestendigverblijfsrecht heeft in Nederland. Het doel van de voorwaardelijkeinvrijheidstelling, te weten de gecontroleerde terugkeer in de Nederlandsesamenleving, kan dan niet langer worden bereikt. Een en ander neemt nietweg dat op grond van artikel 7.3.4 aan een veroordeelde vreemdelingstrafonderbreking kan worden verleend met het oog op het verlaten vanNederland.Vierde lidOp grond van artikel 7.2.2 kan de aanhouding worden bevolen van devoorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelde indien het ernstigevermoeden bestaat dat hij zich zodanig heeft gedragen dat devoorwaarden niet worden nageleefd. Na een dergelijke aanhoudingbeslist de officier van justitie binnen drie dagen over de herroeping van devoorwaardelijke invrijheidstelling. De veroordeelde wordt niet in vrijheidgesteld zolang de officier van justitie geen beslissing heeft genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 388 Vijfde tot en met zevende lidVan herroeping wordt slechts afgezien indien de officier van justitie vanoordeel is dat kan worden volstaan met een waarschuwing of met hetwijzigen van de bijzondere voorwaarden. Dit zal onder andere afhankelijkzijn van de aard en de ernst van de overtreding. Bij deze afweging spelenbeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Belangrijk is datde reclassering – die toezicht houdt op de naleving van de aan devoorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden – in nauwcontact staat met de officier van justitie. Dit betekent dat in overleg met dereclassering wordt besloten of een waarschuwing of een wijziging van devoorwaarden in een voorkomend geval afdoende kan zijn. Biedt eenwaarschuwing of een wijziging van de voorwaarden geen soelaas, danherroept de officier van justitie de voorwaardelijke invrijheidstellinggeheel of gedeeltelijk. De Rvdr en de 3RO hebben gevraagd of hiermeewijziging wordt gebracht in de discretionaire bevoegdheid die de officiervan justitie naar huidig recht zou hebben. Dat is niet het geval. Ook naarhuidig recht is namelijk geen sprake van een volledig discretionairebevoegdheid. In het huidige artikel 6:2:13a, eerste lid, staat weliswaar datde officier van justitie de voorwaardelijke invrijheidstelling «kan»herroepen, maar het huidige vierde lid kent dezelfde beperking: vanherroepen mag slechts worden afgezien als een waarschuwing of eenwijziging van voorwaarden afdoende is. Dit uitgangspunt – herroepen,tenzij – is zuiverder tot uitdrukking gebracht in de wettekst. Een inhoude-lijke wijziging is daarmee niet beoogd. Gezien de gevolgen van debeslissing over een herroeping is bepaald dat deze aan de veroordeeldewordt betekend.Net als bij de beslissing tot het al dan niet verlenen van voorwaardelijkeinvrijheidstelling (artikel 7.3.7) wordt de officier van justitie bij debeslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstellinggeadviseerd door de directeur van de inrichting en door de reclasserings-instelling. Het advies kan ook zien op een eventuele wijziging van debijzondere voorwaarden. Dit is naar huidig recht geregeld in artikel 6:2:12,tweede lid.Artikel 7.3.12 [hervatting tenuitvoerlegging of voorwaardelijkeinvrijheidstelling]Indien de officier van justitie beslist tot herroeping, gelast hij de verderetenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf door onderbrengingvan betrokkene in een inrichting. In geval van gedeeltelijke herroepingwordt de veroordeelde opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld nadathet alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf isondergaan, eventueel onder aanpassing van de bijzondere voorwaardenop grond van artikel 7.3.9, zesde lid. Als de officier van justitie niet beslisttot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de aange-houden veroordeelde, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling hervat.Ook hier geldt dat de officier van justitie de eerder vastgestelde bijzonderevoorwaarden kan aanpassen. In het vierde lid, ten slotte, is bepaald dat alsde voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen nadat de veroordeeldeis aangehouden, de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt geachtte zijn hervat op de dag van de aanhouding.Artikel 7.3.13 [nadere regels]Dit artikel betreft het huidige artikel 6:2:14 en bevat een delegatie-grondslag voor nadere regels bij de titel over voorwaardelijke invrijheid-stelling. De nadere regels hebben in ieder geval betrekking op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 389 totstandkoming van de beslissing over het stellen, wijzigen of opheffenvan bijzondere voorwaarden.TITEL 3.3RechtsmiddelenArtikel 7.3.14 [beroep inzake plaatsing in een instelling]Eerste lidDe tot vrijheidsstraf veroordeelde kan beroep instellen tegen enkelebeslissingen van de Minister over het al dan niet plaatsen in een instellingvoor de verpleging van terbeschikkinggestelden op grond van artikel7.3.5. Dit rechtsmiddel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit hethuidige artikel 6:2:8, vierde lid.De veroordeelde kan beroep instellen tegen een drietal beslissingen. Hetgaat om de beslissing tot plaatsing in een instelling (onderdeel a), debeslissing tot beëindiging van die plaatsing (onderdeel b) en de beslissingtot niet plaatsing in afwijking van het advies van de rechter (onderdeel c).Laatstgenoemde beslissing hangt samen met de regeling in artikel 37b,tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het geval de rechterzowel gevangenisstraf als terbeschikkingstelling met verpleging vanoverheidswege heeft opgelegd. De rechter kan dan in zijn uitspraak adviesgeven over het moment waarop de terbeschikkingstelling zou moetenaanvangen. De Minister kan van dat advies afwijken naar aanleiding vande beoordelingen, bedoeld in artikel 7.3.5, tweede lid.Tweede en derde lidDe veroordeelde kan beroep instellen binnen een maand na de kennis-geving van de beslissing van de Minister. Het beroep wordt behandelddoor de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ). DeRSJ behandelt ook het beroep tegen beslissingen van de beklagcom-missie van de instellingen inzake plaatsing en overplaatsing (artikel 69 vande Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden). Om die redenbepaalt het derde lid dat de behandeling van het beroep plaatsvindtovereenkomstig dezelfde procedure.Artikel 7.3.15 [bezwaarschrift inzake voorwaardelijke invrijheid-stelling]Eerste en tweede lidDe veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen tegen de beslissing vande officier van justitie om geen voorwaardelijke invrijheidstelling teverlenen, tegen de beslissing tot uitstel van een beslissing over deverlening van voorwaardelijke invrijheidstelling en tegen de beslissing omde voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Dit rechtsmiddel isovergenomen uit het huidige artikel 6:6:8. De veroordeelde dient hetbezwaarschrift in op de griffie van de rechtbank binnen twee weken nadatde kennisgeving van de beslissing van de officier van justitie aan hem isbetekend.Derde lidOp grond van artikel 7.1.20, eerste lid, is tot kennisneming van hetbezwaarschrift bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisge-nomen van het strafbare feit ter zake waarvan de vrijheidsstraf wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 390 tenuitvoergelegd. Voor het geval van aaneensluitende tenuitvoerleggingvan meerdere vrijheidsstraffen bevat het derde lid een aanvullendecompetentieregeling. In dat geval is tot kennisneming bevoegd derechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld ter zake van het strafbarefeit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bijstraffen van gelijke lengte zijn de rechtbanken gelijkelijk bevoegd. In hetgeval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijkebeslissing geldt het bepaalde in artikel 7.1.20, tweede lid. In die bepalingis het huidige artikel 6:6:8, derde lid, verdisconteerd.Het huidige artikel 6:6:8, vierde lid, is niet overgenomen. Aan dat artikellidbestaat geen behoefte meer, omdat in het nieuwe wetboek de raadkamer-procedure het uitgangspunt is voor alle rechterlijke procedures in de fasevan de tenuitvoerlegging. Dat hoeft dus niet meer, zoals in het huidigevierde lid, te worden geëxpliciteerd. Zie in dit verband de inleidendetoelichting op Titel 1.5 (De raadkamer en de rechter-commissaris).Vierde en vijfde lidIn navolging van het huidige artikel 6:6:9 regelen het vierde en vijfde lidde procedure bij de rechtbank. De rechtbank onderzoekt zo spoedigmogelijk of de officier van justitie bij de afweging van de betrokkenbelangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het is dusniet aan de rechtbank om tot een geheel nieuwe afweging van debetrokken belangen te komen. Beoordeeld dient te worden of de officiervan justitie in zijn afweging van de betrokken belangen in redelijkheid totzijn beslissing is gekomen, een zogeheten marginale toets. Benadrukt zijdat de indiening van een bezwaarschrift geen opschortende of schorsendewerking heeft, omdat de beslissing van de officier van justitie totherroeping dadelijk uitvoerbaar is (artikel 7.3.11, zevende lid). Deveroordeelde wordt dus in beginsel niet voorwaardelijk in vrijheid gesteldzolang de rechtbank geen beslissing heeft genomen. Dat is slechts andersals de officier van justitie na de indiening van het bezwaarschrift alsnogvoorwaardelijke invrijheidstelling verleent, bijvoorbeeld naar aanleidingvan een verzoek van de veroordeelde op grond van artikel 7.3.8, tweedelid. Om deze reden is het tweede lid van het huidige artikel 6:6:9 nietovergenomen.Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond acht, bepaalt zij hettijdstip waarop de veroordeelde alsnog voorwaardelijk in vrijheid wordtgesteld (bij een bezwaarschrift tegen het niet verlenen van voorwaarde-lijke invrijheidstelling) dan wel opnieuw voorwaardelijk in vrijheid wordtgesteld (bij een bezwaarschrift tegen de herroeping van de voorwaarde-lijke invrijheidstelling). Conform het huidige recht kan de rechtbankdaarbij adviseren over de te stellen bijzondere voorwaarden. Tegen debeslissing van de rechtbank staat geen rechtsmiddel open, afgezien vanberoep in cassatie in het belang van de wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 391 HOOFDSTUK 4TerbeschikkingstellingTITEL 4.1AlgemeenArtikel 7.4.1 [behandeling en aanwijzingen]De Minister ziet erop toe dat de terbeschikkinggestelde die vanoverheidswege wordt verpleegd de op hem toegesneden behandelingkrijgt. Aan de term «behandeling» komt dezelfde betekenis toe als inartikel 1 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, teweten: het samenstel van handelingen, gericht op een dusdanigevermindering van de uit de psychische stoornis, psychogeriatrischeaandoening of verstandelijke handicap voortvloeiende gevaarlijkheid vande terbeschikkinggestelde voor de veiligheid van anderen of de algemeneveiligheid van personen of goederen, dat het doen terugkeren in demaatschappij verantwoord is. Met het oog op de genoemde belangen, ofde belangen van het slachtoffer, kan de Minister met betrekking totbepaalde terbeschikkinggestelden bijzondere aanwijzingen geven aan hethoofd van de instelling, zo bepaalt het tweede lid. Deze aanwijzingenbetreffen het regime en in verband daarmee de interne veiligheid van deinstelling. Denk hierbij aan beperkingen in de bewegingsvrijheid doorplaatsing in een extra beveiligde afdeling, of beperkingen in vertrouwe-lijke communicatie of bezoek.Artikel 7.4.2 [nadere regels]Dit artikel geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels over dein dit hoofdstuk geregelde procedures over de terbeschikkingstelling.Voortbouwend op het huidige artikel 6:6:18 hebben de nadere regels inieder geval betrekking op de procedure van verlenging van de terbeschik-kingstelling en op de procedure van de voorwaardelijke beëindiging vande verpleging van overheidswege.TITEL 4.2Verlenging en wijziging van de terbeschikkingstellingArtikel 7.4.3 [indiening verlengingsvordering]Eerste lidOp grond van artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kande termijn van de terbeschikkingstelling telkens met een jaar of twee jaarworden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemeneveiligheid van personen of goederen die verlenging eist. De officier vanjustitie dient hiertoe een vordering tot verlenging in bij de rechtbank. Ditartikel bevat een regeling voor de termijnen waarbinnen en de situatieswaarin de indiening van de vordering kan plaatsvinden. De regeling isinhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:6:11, eerstetot en met vijfde lid.Tweede lidDe verlengingsvordering wordt ingediend in de voorlaatste maand van delooptijd van de terbeschikkingstelling. De officier van justitie is nietverplicht tot indiening van een verlengingsvordering. Denkbaar is dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 392 uitgebrachte adviezen – zie artikel 7.4.4 – van dien aard zijn dat verlengingniet in de rede ligt. Door het niet indienen van een verlengingsvorderingkan de terbeschikkingstelling eindigen zonder tussenkomst van derechtbank.Derde lidIn geval van een terbeschikkingstelling met voorwaarden (als bedoeld inartikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) of een terbeschik-kingstelling waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk isbeëindigd, zal het niet naleven van (een van) die voorwaarden kunnenleiden tot het indienen van een vordering tot het alsnog vanoverheidswege verplegen (artikel 7.4.7, tweede lid) of een vordering tothervatting van de verpleging (artikel 7.4.7, derde lid). Met indiening vaneen dergelijke vordering hangt samen dat de terbeschikkingstelling ookverlenging behoeft. Als de terbeschikkingstelling zal eindigen binnen viermaanden na indiening van een vordering tot het alsnog vanoverheidswege verplegen dan wel een vordering tot hervatting van deverpleging, kan daarom (ook) een verlengingsvordering wordeningediend, zo bepaalt het derde lid.Vierde en vijfde lidEen verlengingsvordering die te laat is ingediend – in de laatste maandvan de looptijd van de terbeschikkingstelling of zelfs na afloop van demaatregel – kan onder omstandigheden toch ontvankelijk wordenverklaard. Daarmee is beoogd zoveel mogelijk te voorkomen dat een(abusievelijk) te laat ingediende verlengingsvordering het fatale rechts-gevolg heeft dat de terbeschikkingstelling door tijdsverloop eindigt en deterbeschikkinggestelde wordt vrijgelaten. Om een te laat ingediendeverlengingsvordering ontvankelijk te kunnen verklaren, is vereist dat devordering wordt ingediend binnen een redelijke termijn, en dat bijzondereomstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen verlenging van deterbeschikkingstelling eist. Het is aan de rechtbank om, afhankelijk van deomstandigheden van het geval, te bepalen wat in een concreet geval eenredelijke termijn is (Kamerstukken I 2000/01, 27258, nr. 255b, p. 1). Bij detoets of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de veiligheid vananderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederenverlenging van de terbeschikkingstelling eist, zal de rechtbank eenbelangenafweging maken tussen het belang van de maatschappijenerzijds en het belang van de terbeschikkinggestelde anderzijds. Hetbelang van de terbeschikkinggestelde kan zijn om tijdig te weten datverlenging wordt gevorderd en voor hoe lang (een of twee jaar). Ookmoet hij zich kunnen voorbereiden op de verlengingszitting en zich vanrechtsbijstand kunnen voorzien (Kamerstukken II 1999/2000, 27 258, nr. 3,p. 6). Daartegenover staat het belang van de maatschappij, die beschermddient te worden tegen de gevaarlijkheid van de terbeschikkinggestelde. Bijde belangenafweging dient daarom te worden bezien in hoeverre deterbeschikkinggestelde nog een serieus gevaar vormt. Als relevantefactoren bij die afweging heeft de wetgever onder meer genoemd de duurvan de behandeling – het gevaar voor de maatschappij is in het begin vande behandeling groter te achten dan in de fase van proefverlof of vanvoorwaardelijke beëindiging –, de ernst van de gepleegde feiten, devariant van de terbeschikkingstelling – gemaximeerd of niet – en de matevan termijnoverschrijding en de oorzaak daarvan (Kamerstukken II1999/2000, 27 258, nr. 3, p. 6).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 393 Het voorgaande laat onverlet dat de officier van justitie direct na hetblijken van het verzuim in actie zal moeten komen. Het vijfde lid bepaaltdan ook dat naast de verlengingsvordering bij de rechtbank ook direct eenvordering tot voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling wordtingediend bij de rechter-commissaris. De officier van justitie zal in datgeval ook een bevel tot aanhouding geven op grond van artikel 7.2.2. Voorde procedure bij de rechter-commissaris gelden de procedurevoor-schriften die ook gelden bij andere (voorlopige) beslissingen van derechter-commissaris (zie artikel 7.2.3 en de toelichting daarop). Dieprocedurevoorschriften zijn in het huidige wetboek op meerdere plekkenuitgeschreven, waaronder in artikel 6:6:11, zesde tot en met negende lid.Die herhaling is overbodig en om die reden achterwege gelaten. Het gaathier om een spoedprocedure in afwachting van de behandeling van en debeslissing op de verlengingsvordering door de rechtbank. De rechter-commissaris is dus de eerste die de hierboven beschreven belangenaf-weging dient te maken. Valt die belangenafweging uit in het voordeel vande terbeschikkinggestelde, dan zal deze in vrijheid worden gesteld. Debeslissing van de rechter-commissaris heeft wel een voorlopig karakter.Wordt de verlengingsvordering nadien toegewezen als gevolg van eenandere belangenafweging van de rechtbank, dan vormt dat ook de titel tothernieuwde vrijheidsbeneming van de terbeschikkinggestelde, ook alshoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank.Zesde lidVan belang is nog te noemen dat bij een tijdig ingediende verlengingsvor-dering de terbeschikkingstelling van kracht blijft zolang niet onherroepelijkis beslist op de verlengingsvordering. De terbeschikkinggestelde wordt inde tussentijd dus niet in vrijheid gesteld. Ook als een vordering totvoorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling is ingediend bij derechter-commissaris, wordt de aangehouden terbeschikkinggestelde nietin vrijheid gesteld totdat de rechter-commissaris op de vordering heeftbeslist (artikel 7.2.3, derde lid). Als de rechtbank de verlengingsvorderingtoewijst nadat de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zou zijngeëindigd, vangt de nieuwe termijn (met terugwerkende kracht) aan op dedag waarop de terbeschikkingstelling zou zijn geëindigd.Artikel 7.4.4 [stukken bij verlengingsvordering]Bij beslissingen ter zake van verlenging van een terbeschikkingstellingworden op grond van deze bepaling enkele specifieke documentenovergelegd die inzicht geven in het gedrag van de terbeschikkinggesteldeen de lichamelijke en geestelijke gesteldheid. Met dit artikel wordt hethuidige artikel 6:6:12 inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Het vijfde lidvan artikel 6:6:12 is daarbij verplaatst naar artikel 7.4.12, vanwege deinhoudelijke samenhang met dat artikel.Eerste lidBij een vordering tot verlenging van een terbeschikkingstelling metverpleging van overheidswege wordt allereerst een advies overgelegdvan het hoofd of de directeur van de instelling. In het Reglementverpleging ter beschikking gestelden zijn nadere regels gesteld over detotstandkoming en de inhoud van dit advies. Zo is bepaald dat het adviesmoet ingaan op de wenselijkheid van verlenging van de terbeschikking-stelling en, als verlenging wordt geadviseerd, de gewenste duur (een jaarof twee jaar). Het advies wordt uitgebracht indien drie maanden voor heteinde van de looptijd van de terbeschikkingstelling de verpleging nog nietis beëindigd (artikel 46, eerste lid, van het Reglement verpleging terbeschikking gestelden). Indien de verlenging ertoe zou kunnen leiden datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 394 de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van vier jaar ofeen veelvoud van vier jaar te boven gaat, brengt het hoofd van deinstelling een voorlopig advies uit zes maanden voor het tijdstip waaropde termijn van de terbeschikkingstelling zal zijn verstreken (artikel 47 vanhet Reglement verpleging ter beschikking gestelden). Het advies wordtgedagtekend en uitgebracht aan de Minister, dat het met de eventuelebijlagen zendt aan de officier van justitie (artikel 46, vijfde lid, van hetReglement verpleging ter beschikking gestelden). Bij de verlengingsvor-dering wordt voorts overgelegd een kopie van de aantekeningen over delichamelijke en geestelijke gesteldheid van de terbeschikkinggestelde.Hierbij gaat het om periodieke rapportages over het gedrag van deterbeschikkinggestelde, zoals de houding ten opzichte van andereterbeschikkinggestelden en het personeel van de instelling.Indien de officier van justitie voornemens is een verlenging te vorderenonder voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege(artikel 7.4.5), zal hij eerst de reclassering vragen om een maatregelrap-portage waarin de te stellen voorwaarden worden geformuleerd. Dereclassering kan hiertoe ook worden verzocht door de rechtbank zelf, inwelk geval het onderzoek op de zitting tijdelijk wordt aangehouden (artikel7.4.8, vierde lid). De 3RO hebben gevraagd dit reclasseringsadvies tevoorzien van een stevigere wettelijke basis. Een standaard advies van dereclassering heeft echter niet in alle gevallen toegevoegde waarde. In veelgevallen wordt de terbeschikkingstelling immers verlengd zonderwijziging van de verpleging van overheidswege. Voor de gevallen waarineen reclasseringsadvies wel een meerwaarde heeft, is dit voldoendegeborgd in de beleidsregels van het openbaar ministerie en in deprocedure bij de rechtbank. Voor zover bekend zijn er in de praktijk geenproblemen bij het betrekken van de reclassering.Tweede lidBij een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt bij de verlengings-vordering overgelegd een recent opgemaakt, gemotiveerd, gedagtekenden ondertekend advies van de reclassering en van een psychiater of eenpsycholoog, die zelf de terbeschikkinggestelde heeft onderzocht. In artikel48, eerste lid, van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden ishierover bepaald dat de reclassering drie maanden voor het einde van deterbeschikkingstelling een advies over de wenselijkheid van verlengingaan de Minister zendt. De stukken, waarbij het genoemde advies van depsychiater of psycholoog wordt gevoegd, worden twee maanden voor heteinde van de terbeschikkingstelling door tussenkomst van de Ministergezonden aan de officier van justitie (artikel 48, tweede lid, van hetReglement verpleging ter beschikking gestelden).Derde lidAls de officier van justitie een verlenging vordert waardoor de totale duurvan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eenperiode van vier jaar of van een veelvoud van vier jaar te boven gaat,wordt bij de vordering ook overgelegd een recent opgemaakt gezamenlijkadvies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines,waaronder een psychiater, dan wel adviezen van ieder van hen afzon-derlijk. Voor de termijn wordt gekeken naar de totale duur van deterbeschikkingstelling en dus niet naar de feitelijke duur van de verplegingvan overheidswege, zo wordt opgemerkt in reactie op een vraag van hetOM over hoe om te gaan met een verpleging van overheidswege dietijdelijk voorwaardelijk beëindigd is geweest. Uitgaan van de feitelijkeduur van de verpleging van overheidswege zou immers het (lastigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 395 werkbare) gevolg kunnen hebben dat het moment van de verlengingspro-cedure en de termijnberekening in dit artikel uiteen zouden gaan lopen.In het (gezamenlijke) advies rapporteren de gedragsdeskundigen ofverlenging al dan niet is geïndiceerd. Weigert de terbeschikkinggesteldemee te werken aan het onderzoek, dan rapporteren de gedragsdeskun-digen gezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk over de reden vande weigering, voor zover mogelijk. Op die manier krijgt de rechtbank invoorkomende gevallen inzicht in de achtergronden van de weigering. Deweigering kan immers het gevolg zijn van een bepaalde bij de betrokkenegeconstateerde psychische stoornis (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr.3, p. 5). Als de gedragsdeskundigen dit kunnen vaststellen, bijvoorbeeldna een (korte) klinische observatie, dient deze informatie te wordengedeeld met de rechtbank. Zo mogelijk wordt door de officier van justitieeen ander advies of rapport overgelegd over de wenselijkheid ofnoodzakelijkheid van een verlenging van de terbeschikkingstelling, aan detotstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is medewerking teverlenen. Dit kan bijvoorbeeld een advies of rapport zijn van een ambulantonderzoek dat is uitgevoerd door een psychiater van het NederlandsInstituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Is het nietmogelijk te rapporteren over de reden van de weigering, en is ook geenalternatief advies of rapport voorhanden, dan staat dat niet in de weg aaneen verlenging van de terbeschikkingstelling; de wettekst spreektuitdrukkelijk van het «zo mogelijk» delen van deze stukken.Vierde lidBij een verlenging als bedoeld in het derde lid kan de terbeschikkingge-stelde in opdracht van de Minister ter observatie worden overgebrachtnaar een accommodatie of een instelling voor klinische observatie.Daaronder is ook het Pieter Baan Centrum begrepen. De overbrenging kanzo nodig plaatsvinden zonder instemming van de terbeschikkinggestelde(vgl. o.a. ECLI:NL:HR:1993:ZC8444). De observatie duurt ten hoogste zevenweken; deze termijn is nodig om te komen tot een afgewogen rapport enadvies (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 3, p. 10). De opdracht wordtniet gegeven dan nadat de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman terzake zijn gehoord, althans daartoe in de gelegenheid zijn gesteld.De Rvdr heeft gevraagd of overbrenging ter observatie niet ook zoumoeten kunnen plaatsvinden op bevel van de rechtbank. Daarbij wijst deRvdr op artikel 7.4.7, vierde lid, op grond waarvan de rechtbank deoverbrenging kan bevelen indien zij overweegt te bevelen tot het alsnogvan overheidswege verplegen of tot hervatting van de verpleging. In ditartikel gaat het echter om een overbrenging in het kader van de tenuit-voerlegging, ter voorbereiding van een verlengingsvordering, terwijl deoverbrenging in artikel 7.4.7, vierde lid, plaatsvindt in het kader van eenrechterlijke procedure. De tenuitvoerlegging vindt plaats door de Minister(artikel 1.10.1). De rechtbank is in dit verband dus niet bevoegd tot hetbevelen van de overbrenging. Dat geldt ook voor het gerechtshofArnhem-Leeuwarden in hoger beroep. De rechtspraak van het gerechtshofwaarin desondanks een dergelijke bevoegdheid lijkt te worden aange-nomen (ECLI:NL:GHARL:2022:3659), lijkt dus te berusten op een verkeerdewetsuitleg.Vijfde lidTot slot bevat het vijfde lid een uitzondering op de plicht tot hetoverleggen van een advies van het hoofd of de directeur van de instelling(als bedoeld in het eerste lid). Als de terbeschikkingstelling in hogerberoep wordt verlengd met één jaar, dan is van die verlenging doorgaansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 396 al een groot deel verstreken tijdens de beroepsprocedure. In voorko-mende gevallen zal kort na de beslissing in hoger beroep de volgendeverlengingsvordering moeten worden ingediend. Als die verlengingsvor-dering wordt ingediend binnen twee maanden na de beslissing in hogerberoep, hoeft bij de verlengingsvordering geen advies van het hoofd of dedirecteur van de instelling te worden overgelegd. In dat geval kan wordenvolstaan met het overleggen van de aantekeningen over de lichamelijkeen geestelijke gesteldheid van de terbeschikkinggestelde (Kamerstukken II1992/93, 22 909, nr. 3, p. 15).Artikel 7.4.5 [voorwaardelijke beëindiging verpleging vanoverheidswege]Eerste en tweede lidBij de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging vanoverheidswege heeft de rechtbank de mogelijkheid de verpleging vanoverheidswege voorwaardelijk te beëindigen. Over deze voorwaardelijkebeëindiging zijn naar huidig recht regels gesteld in artikel 6:6:10, die zijnovergenomen in dit artikel. Het doel van de voorwaardelijke beëindiging ishet bewerkstelligen van een geleidelijke overgang tussen verlenging vande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en beëin-diging daarvan door afwijzing van de verlengingsvordering. De geleide-lijke terugkeer in de maatschappij wordt in het algemeen vormgegevendoor middel van proefverlof (als bedoeld in artikel 51 van de Beginse-lenwet verpleging ter beschikking gestelden), maar de rechtbank kan devoorwaardelijke beëindiging ook buiten een proefverlof om bevelen. Derechtbank kan daarmee in iedere casus afwegen in hoeverre de vrijheids-beneming of vrijheidsbeperking in het kader van de terbeschikkingstellingdient voort te duren (Kamerstukken II 1994/95, 24 256, nr. 3, p. 7). Debeslissing over voorwaardelijke beëindiging kan vanzelfsprekend nietworden genomen zonder zorgvuldige afweging tegen de veiligheid vananderen of de algemene veiligheid van personen of goederen.De rechtbank kan de verpleging van overheidswege ook voorwaardelijkbeëindigen als het proefverlof van de terbeschikkinggestelde ten minsteeen jaar onafgebroken heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode demaatregel is verlengd. De voorwaardelijke beëindiging vindt in dit gevalplaats bij afzonderlijke beslissing, op vordering van de officier van justitieof op verzoek van de terbeschikkinggestelde (artikel 7.1.20, eerste lid).Aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vanoverheidswege wordt geen termijn verbonden. De noodzaak van devoorwaardelijke beëindiging wordt door de rechtbank opnieuw getoetstbij de volgende verlengingsprocedure(s) (Kamerstukken II 2001/02, 28 238,nr. 3, p. 4 en 6). Als de rechtbank de terbeschikkingstelling als zodanigverlengt, loopt een eventuele voorwaardelijke beëindiging van deverpleging van overheidswege door, tenzij de rechtbank de hervatting vande verpleging beveelt. Deze koppeling met de terbeschikkingstelling alszodanig maakt dat geen behoefte is aan een aparte voorziening voor destart van de voorwaardelijke beëindiging indien de rechtbank beslist opeen verlengingsvordering nadat de termijn van de terbeschikkingstellingdoor tijdsverloop zou zijn geëindigd. De voorwaardelijke beëindiging gaatin dat geval in op hetzelfde moment als de nieuwe termijn van deterbeschikkingstelling (artikel 7.4.3, zesde lid). De voorziening in hethuidige artikel 6:6:11, vierde lid, laatste zin, is dus overbodig, zo wordtmede opgemerkt in reactie op een vraag van het OM. De betreffendevoorziening is strikt genomen zelfs onjuist, omdat dus geen sprake kanzijn van een separate vordering tot verlenging van de voorwaardelijkebeëindiging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 397 Derde lidBij de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswegestelt de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen dan welde algemene veiligheid van personen en goederen voorwaardenbetreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. De gesteldevoorwaarden kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de terbeschikkingge-stelde zich in een door de rechtbank aangewezen instelling laat opnemen,zich onder behandeling stelt van een in de uitspraak aangewezendeskundige, of door de behandelende arts voorgeschreven geneesmid-delen inneemt dan wel gedoogt dat deze door de behandelende arts aanhem worden toegediend (artikel 38a, eerste lid, van het Wetboek vanStrafrecht).Artikel 7.4.6 [minimale duur voorwaardelijke beëindiging]Eerste lidDit artikel geeft in het eerste lid een regeling voor beëindiging van deterbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in relatie tot devoorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Derechtbank mag een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstellingmet verpleging van overheidswege niet afwijzen dan nadat de verplegingvan overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijkbeëindigd is geweest. Zo wordt de onwenselijke situatie voorkomen dat ingeval van een zogenoemde contraire beëindiging de betrokkene abrupt,zonder enige vorm van begeleiding, wordt vrijgelaten, met alle recidiveri-sico’s van dien (Kamerstukken II 2010/11, 32 337, nr. 7, p. 2). Houdt deterbeschikkinggestelde zich niet aan de in het kader van de voorwaarde-lijke beëindiging geldende voorwaarden, dan kan de rechtbank dehervatting van de verpleging van overheidswege bevelen (artikel 7.4.7,derde lid).Tweede lidHet hierboven genoemde risico kan ook worden voorkomen doortoepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Met toepassingvan dat artikel kan de rechtbank een zorgmachtiging afgeven op grondvan de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of eenrechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeria-trische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). In dat geval vindtvanuit de terbeschikkingstelling een naadloze overgang plaats naar dereguliere zorg en is geen sprake van een abrupte beëindiging van debehandeling met een mogelijk verhoogd recidiverisico. In dat geval hoeftde verpleging van overheidswege niet al een jaar voorwaardelijk te zijnbeëindigd. De zorgmachtiging die de rechtbank kan afgeven geldt vooreen periode van zes maanden en kan strekken tot verplichte ambulantezorgverlening of een verplichte opname. In geval van verplichte opnamekan de geneesheer-directeur van de betrokken instelling de behandelingtijdens de machtiging niet beëindigen zonder toestemming van deMinister (artikel 8:18, vierde lid, Wvggz). Als de betrokkene de behan-deling zelf tussentijds wenst te beëindigen, is daarvoor rechterlijketussenkomst vereist (artikel 8:19 Wvggz).Dit artikel behelst het huidige artikel 6:2:17, eerste en tweede lid. Tenopzichte van dat artikel zijn in het tweede lid volledigheidshalve tweenieuwe uitzonderingen toegevoegd waarin voor de beëindiging van deterbeschikkingstelling evenmin is vereist dat de verpleging vanoverheidswege minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.De eerste uitzondering betreft de in artikel 7.4.11 geregelde bevoegdheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 398 van de rechtbank om de terbeschikkingstelling te beëindigen met het oogop de uitzetting van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft inNederland, onder de voorwaarde dat de vreemdeling niet naar Nederlandterugkeert. De tweede uitzondering betreft de situatie waarbij deterbeschikkingstelling niet is opgelegd voor een misdrijf als bedoeld inartikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en de totale duurvan de terbeschikkingstelling door toewijzing van de verlengingsvor-dering meer dan vier jaar zou belopen. Dit betreft in hoge mate eentheoretische situatie; in een dergelijk geval zal de officier van justitiepraktisch gesproken immers geen verlengingsvordering indienen. Mochtdat onverhoopt toch gebeuren, dan voorkomt deze bepaling demogelijkheid dat de rechtbank de terbeschikkingstelling abusievelijk zouverlengen en daarmee de looptijd meer zou bedragen dan het wettelijkmaximum.In navolging van het advies van de Rvdr wordt in dit verband voor devolledigheid nog gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67). In dat arrestoverwoog het gerechtshof dat een verlenging van de terbeschikking-stelling waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is ofwordt beëindigd, terwijl niet wordt voldaan aan de verlengingsgrond vanartikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, strijdig kan zijnmet artikel 5 EVRM en/of artikel 2, eerste lid, van het Vierde Protocol bijhet EVRM (het recht zich vrij te verplaatsen en vrij woonplaats te kiezen).Dit is afhankelijk van de aan de voorwaardelijke beëindiging verbondenvoorwaarden en de mate waarin zij raken aan de genoemde verdrags-rechten. In bijzondere gevallen kan daardoor beëindiging van deterbeschikkingstelling plaatsvinden terwijl de voorwaardelijke beëindigingnog niet minimaal een jaar heeft geduurd.Artikel 7.4.7 [wijziging van de terbeschikkingstelling]Eerste lidDe rechtbank is bevoegd tussentijds of bij de verlenging van de terbe-schikkingstelling te beslissen tot het wijzigen, aanvullen of opheffen vande daarbij gestelde voorwaarden. Ook is de rechtbank bevoegd totwijziging van de opdracht van artikel 38, tweede lid, van het Wetboek vanStrafrecht. Naar huidig recht volgt dit uit artikel 6:6:10, eerste lid,onderdelen a, c en f, en artikel 6:6:19, derde lid, in samenhang met artikel6:6:19, eerste lid, onderdeel c. Ten opzichte van die laatste bepalingen isde formulering gewijzigd, omdat het geven van de bedoelde opdrachtdwingend is voorgeschreven, zodat van het «alsnog geven» en het«opheffen» van de opdracht geen sprake kan zijn.Tweede en derde lidBij een terbeschikkingstelling met voorwaarden kan de niet-naleving van(een van) de voorwaarden ertoe leiden dat de rechtbank op vordering vande officier van justitie beveelt dat de terbeschikkinggestelde alsnog vanoverheidswege zal worden verpleegd. De terbeschikkingstelling metvoorwaarden wordt dan omgezet in een terbeschikkingstelling metverpleging van overheidswege. Bij een terbeschikkingstelling metverpleging van overheidswege waarbij de verpleging voorwaardelijk isbeëindigd, kan de niet-naleving van (een van) de voorwaarden ertoeleiden dat de rechtbank op vordering van de officier van justitie beveeltdat de verpleging van overheidswege wordt hervat. In beide gevallen kande officier van justitie de aanhouding van de terbeschikkinggesteldebevelen als aannemelijk is dat de rechtbank vrijheidsbeneming zalbevelen (artikel 7.2.2, eerste lid). Als de terbeschikkinggestelde isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 399 aangehouden, zal de officier van justitie direct een vordering indienen bijde rechter-commissaris tot het voorlopig alsnog van overheidswegeverplegen dan wel tot voorlopige hervatting van de verpleging vanoverheidswege (artikel 7.2.3, eerste lid, onderdeel c) en – op grond van ditartikel – een vordering bij de rechtbank tot het alsnog van overheidswegeverplegen dan wel tot hervatting van de verpleging van overheidswege(artikel 7.2.3, tweede lid). De omzetting of hervatting kan ook wordengevorderd en bevolen als het belang van de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist. Bij ditcriterium moet gedacht worden aan een plotselinge verslechtering van degeestelijke toestand van de terbeschikkinggestelde, gepaard metsymptomen die zich ook voorafgaand aan het plegen van het delicthebben voorgedaan (Kamerstukken II 1994/95, 24 256, nr. 6, p. 8). Van deomzetting of hervatting gaat in dat geval een preventieve werking uit.Vierde lidIndien de rechtbank overweegt alsnog verpleging van overheidswege tebevelen, kan zij – net als onder het huidige artikel 509g – bevelen dat deterbeschikkinggestelde ter observatie wordt overgebracht naar eenaccommodatie of een instelling voor klinische observatie. Daaronder isook het Pieter Baan Centrum begrepen. Op advies van de Rvdr is eendergelijke overbrenging ook mogelijk gemaakt voor het geval derechtbank een bevel tot hervatting van de verpleging van overheidswegeoverweegt. Het gaat daarbij immers om een vergelijkbare beoordeling. Uitde overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.53, derde en vijfde lid,volgt dat de observatie ten hoogste zeven weken duurt; deze termijn isnodig om te komen tot een afgewogen rapport en advies (vgl. Kamer-stukken II 1992/93, 22 909, nr. 3, p. 10). Het bevel wordt niet gegeven dannadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en deofficier van justitie, de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman in degelegenheid zijn gesteld te worden gehoord.Vijfde lidDit lid voorziet in de bevoegdheid tot aanhouding van de terbeschikking-gestelde indien de rechtbank beveelt tot observatie van de terbeschikking-gestelde, tot het alsnog van overheidswege verplegen of tot hervattingvan de verpleging. Deze aanhoudingsbevoegdheid zal doorgaans enkelworden uitgeoefend in het geval van een bevel tot observatie. Bij eenbevel tot het alsnog van overheidswege verplegen of tot hervatting van deverpleging zal de terbeschikkinggestelde immers meestal al de vrijheidzijn ontnomen op grond van artikel 7.2.2 en de daaropvolgende(voorlopige) beslissing van de rechter-commissaris van artikel 7.2.3, zokwam ook hierboven aan de orde. Conform het huidige artikel 509h vindtde aanhouding plaats op bevel van de officier van justitie of de hulpof-ficier van justitie. Na de aanhouding wordt de verdachte direct overge-bracht naar een door Onze Minister aangewezen accommodatie ofinstelling.Artikel 7.4.8 [onderzoek op de zitting]Dit artikel bevat enkele procedurevoorschriften voor het onderzoek op dezitting voor de verschillende beslissingen in het kader van de verlengingof wijziging van de terbeschikkingstelling. Het artikel is ontleend aan dehuidige artikelen 6:6:10, vierde lid, en 6:6:13 en bevat daarnaast enkelenieuwe onderdelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3100 Eerste lidHet eerste lid regelt de termijnen waarbinnen het onderzoek op de zittingmoet plaatsvinden. Algemeen uitgangspunt is dat het onderzoek zospoedig mogelijk plaatsvindt. Bij een verlengingsvordering vindt hetonderzoek op de zitting plaats uiterlijk twee maanden na indiening van devordering. Idealiter wordt de verlengingsvordering ingediend tweemaanden vóór het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling doortijdsverloop zal eindigen (artikel 7.4.3, tweede lid) en beslist de rechtbankbinnen twee maanden na het indienen van de vordering. Bij verlengingloopt de termijn dan soepel over in de nieuwe termijn. Als de verlengings-vordering later wordt ingediend of de rechtbank om een andere redenlater beslist over de verlenging, blijft de terbeschikkingstelling in detussentijd van kracht (artikel 7.4.3, zesde lid). Bij een onherroepelijkebeslissing tot verlenging gaat de nieuwe termijn van de terbeschikking-stelling met terugwerkende kracht in op de dag waarop de terbeschikking-stelling door tijdsverloop zou zijn geëindigd.Ook bij de vordering of het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging vande verpleging van overheidswege na twaalf maanden onafgebrokenproefverlof (artikel 7.4.5, tweede lid) en de vordering of het verzoek tottussentijdse wijziging, aanvulling of opheffing van voorwaarden (artikel7.4.7, eerste lid) vindt het onderzoek op de zitting plaats binnen uiterlijktwee maanden na ontvangst van de vordering dan wel de conclusie vande officier van justitie.Bij de vordering tot het alsnog van overheidswege verplegen of tothervatting van de verpleging van overheidswege (artikel 7.4.7, tweede enderde lid) vindt het onderzoek in ieder geval plaats binnen een maand nahet indienen van de vordering. Ten aanzien van deze beslissingen is devrijheidsbeneming van de terbeschikkinggestelde immers gelegen in een(voorlopige) beslissing van de rechter-commissaris. Een spoedigebeslissing van de rechtbank is om die reden geboden.Tweede lidDe rechtbank kan bepalen dat het inzien van geneeskundige en psycholo-gische rapporten de terbeschikkinggestelde persoonlijk niet is toegestaanindien zij ernstig gevaar vreest voor de geestelijke gezondheid van deterbeschikkinggestelde. De terbeschikkinggestelde kan in dat geval eenarts of advocaat, dan wel iemand die van de rechtbank bijzonderetoestemming heeft verkregen, machtigen de rapporten in te zien. Opadvies van de 3RO wordt de reclasseringswerker niet langer genoemd alspersoon die de terbeschikkinggestelde kan machtigen tot inzage. Dit isgedaan om een conflict van belangen zoveel mogelijk te voorkomen. Eendergelijk conflict kan zich bijvoorbeeld voordoen in geval de reclasserings-werker heeft geadviseerd tot hervatting van de verpleging vanoverheidswege.Derde lidHet huidige wetboek verplicht de rechtbank tot het horen van de terbe-schikkinggestelde en zijn raadsman alvorens te beslissen op eenverlengingsvordering (huidig artikel 6:6:13, derde en vierde lid). Dezehoorplicht is, zoals de Rvdr terecht aangeeft in zijn advies, te rigide. Zo isbepaald dat als de terbeschikkinggestelde niet in staat is te verschijnen opde zitting, de terbeschikkinggestelde op zijn verblijfplaats wordt gehoord.En als vanwege een beletsel niet kan worden voldaan aan de hoorplicht,dan mag pas op de verlengingsvordering worden beslist nadat hetbeletsel is weggevallen. Dit leidt soms tot onwerkbare situaties. In deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3101 praktijk doet zich namelijk soms de situatie voor dat de terbeschikkingge-stelde weigert te worden gehoord. Ook komt het voor dat de geestelijkegesteldheid van de terbeschikkinggestelde het niet toelaat om (waar danook) te worden gehoord. Het is onwenselijk een beslissing over deverlenging in die gevallen voor onbepaalde tijd te moeten uitstellen.Daarom is de hoorplicht uit het huidige artikel 6:6:13, derde en vierde lid,niet overgenomen. In plaats daarvan geldt de hoofdregel van artikel1.2.18, tweede lid, dat de terbeschikkinggestelde wordt gehoord, althansdaartoe wordt opgeroepen. Horen is dus niet langer verplicht als deterbeschikkinggestelde niet wil of kan worden gehoord. In aanvulling opde hoofdregel regelt dit derde lid dat als de terbeschikkinggestelde welwenst te worden gehoord, maar niet in staat is te verschijnen op de zittingwegens zijn (psychische) ziekte of aandoening, de terbeschikkinggesteldeop zijn verblijfplaats wordt gehoord. Het horen vindt in dat geval plaatsdoor een van de rechters, vergezeld door de griffier. Indien de terbeschik-kinggestelde zich ophoudt in een ander arrondissement, kan de rechtbankhet horen overdragen aan de rechtbank of de rechter-commissaris in datarrondissement.Vierde lidHet kan voorkomen dat de rechtbank overweegt de verpleging vanoverheidswege voorwaardelijk te beëindigen, terwijl tijdens het onderzoekop de zitting nog geen uitgewerkt resocialisatieplan voorhanden is. Als derechtbank het voor de vorming van haar oordeel noodzakelijk acht zichnader te doen voorlichten over de wijze waarop en de voorwaardenwaaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde in het maatschap-pelijk verkeer zou kunnen plaatsvinden, kan zij haar beslissing voor tenhoogste drie maanden aanhouden. Gedurende de aanhouding blijft deterbeschikkingstelling van kracht (artikel 7.4.3, zesde lid). De betrokkenenworden zo alsnog in de gelegenheid gesteld een plan te realiseren datinhoud en richting geeft aan de periode van voorwaardelijke beëindiging.Een vordering tot verlenging kan immers niet worden afgewezen dannadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaarvoorwaardelijk beëindigd is geweest (artikel 7.4.6, eerste lid). Eenvergelijkbare situatie kan zich voordoen indien de rechtbank overweegttoepassing te geven aan artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Als in hetkader van die overweging nadere voorlichting nodig is over de wijzewaarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschik-kinggestelde in het maatschappelijk verkeer zou kunnen plaatsvinden, kande rechtbank het onderzoek ook met drie maanden aanhouden. Indien derechtbank later beslist tot toepassing van artikel 2.3 van de Wet foren-sische zorg, zal de verlengingsvordering moeten worden afgewezen.Tegen die afwijzing kan de officier van justitie hoger beroep instellen bijhet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (artikel 7.4.13).De Rvdr heeft gevraagd waarom is afgestapt van de constructie in hethuidige artikel 6:6:13, vijfde en zesde lid, waarbij de aanhouding plaats-vindt onder gelijktijdige verlenging van de verpleging. In dit artikel wordtimmers volstaan met een aanhouding. Hiervoor is gekozen omdat eenverlenging van de «verpleging» strikt genomen niet zuiver is. Bedoeld isde terbeschikkingstelling als zodanig te laten voortduren. De verplegingvan overheidswege loopt dan automatisch door. Zoals aangegevenwaarborgt artikel 7.4.3, zesde lid, al dat de terbeschikkingstelling vankracht blijft zolang niet onherroepelijk is beslist op de verlengingsvor-dering. Een aanvullende voorziening in dit artikel zou een onnodigeherhaling opleveren. Het argument dat de huidige constructie (vangelijktijdige verlenging) de terbeschikkinggestelde sneller duidelijkheidgeeft over de duur van de terbeschikkingstelling, overtuigt niet, aangezienTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3102 die duur net zo goed blijkt uit de beslissing tot aanhouding. De terbeschik-kingstelling blijft immers net zo lang van kracht.Vijfde lidVoor zover tijdens het onderzoek op de zitting inhoudelijk wordtgesproken over de voorwaarden waaronder de beëindiging van deverpleging van overheidswege kan plaatsvinden, wordt het slachtoffer ofde daarmee gelijkgestelde spreekgerechtigde in de gelegenheid gesteldeen verklaring af te leggen (Kamerstukken II 2019/20, 35 349, nr. 3, p.19–21). Een verklaring kan ook worden afgelegd indien de voorwaardenbij de verlenging of tussentijds worden gewijzigd bij een terbeschikking-stelling met voorwaarden of bij een terbeschikkingstelling waarbij deverpleging van overheidswege reeds voorwaardelijk is beëindigd(Kamerstukken II 2019/20, 35 349, nr. 11). De verklaring heeft uitsluitendbetrekking op (het al dan niet stellen, wijzigen of opheffen van)voorwaarden die direct de belangen van het slachtoffer raken, zoals eenlocatieverbod of een contactverbod. Naar aanleiding van een opmerkingvan de 3RO wordt erop gewezen dat voorkomen moet worden dat hetslachtoffer in staat wordt gesteld een verklaring af te leggen terwijl tijdenshet onderzoek onverhoeds de inhoudelijke zaak niet wordt behandeld. Eenslachtoffer zou zich dan nodeloos hebben voorbereid om te spreken.Daarom geldt het spreekrecht uitsluitend indien de voorwaarden tengronde worden behandeld. Bij een voorwaardelijke beëindiging van deverpleging van overheidswege kan daarvan pas sprake zijn indienvoorafgaand aan het onderzoek door de reclassering op verzoek van derechtbank of de officier van justitie een maatregelrapport is opgemaakt,waarin wordt geadviseerd over de te stellen voorwaarden (KamerstukkenII 2019/20, 35 349, nr. 3, p. 20).Zesde lidDe rechtbank beveelt de invrijheidstelling van de terbeschikkinggesteldeindien de vordering tot het alsnog van overheidswege verplegen of devordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege wordtafgewezen, en de terbeschikkinggestelde voorlopig van overheidswegewordt verpleegd op grond van een beslissing van de rechter-commissaris(vgl. artikel 7.2.3, vierde lid). Zoals ook is toegelicht bij artikel 7.2.3, vloeituit het systeem van de wet voort dat de beslissing van de rechtbank in deplaats treedt van de voorlopige beslissing van de rechter-commissaris,ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van derechtbank. De beslissing van de rechter-commissaris is immers uitdruk-kelijk bestempeld als voorlopige beslissing, vooruitlopend op eenbeslissing van de rechtbank. Vanuit het systeem van de wet is er geengoede reden om de vrijheidsbeneming op basis van de voorlopigebeslissing te laten voortduren als de hogere autoriteit direct al vanoordeel is dat zij ongegrond is. De door de Rvdr aangedragen rechtspraakdie impliceert dat de voorlopige beslissing van de rechter-commissarisvoortduurt tijdens een eventueel hoger beroep (ECLI:NL:GHARL:2016:6791), lijkt aldus uit te gaan van een verkeerde rechtsop-vatting. Het zesde lid beoogt op dit punt een wettelijke verduidelijking tebrengen.Zevende lidHet zevende lid regelt de dadelijke uitvoerbaarheid van het bevel tot hetalsnog van overheidswege verplegen of het bevel tot hervatting van deverpleging van overheidswege. Daarbij maakt het niet uit of de rechter-commissaris eerder op grond van artikel 7.2.3 een voorlopige beslissingheeft genomen, of dat de rechtbank tot een beslissing is geroepen zonderTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3103 dat sprake is van een voorlopige beslissing van de rechter-commissaris.De rechtbank wijst een vordering toe als zij van oordeel is dat verplegingvan overheidswege aangewezen is in het belang van de veiligheid vananderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Geletdaarop is het wenselijk dat de beslissing van de rechtbank direct kanworden uitgevoerd in afwachting van een eventueel hoger beroep.TITEL 4.3Beëindiging van de terbeschikkingstellingArtikel 7.4.9 [beëindiging van rechtswege]Een terbeschikkingstelling vervalt van rechtswege bij het onherroepelijkworden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon opnieuwter beschikking wordt gesteld. Daarbij maakt het niet uit of het gaat omeen terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of eenterbeschikkingstelling met voorwaarden. Naar huidig recht is ditvastgelegd in artikel 6:2:17, derde lid. Een terbeschikkingstelling vervaltook van rechtswege indien de maatregel eerder is beëindigd door deMinister of door de rechtbank (artikelen 7.4.10 en 7.4.11) en een vorderingtot herleving als bedoeld in artikel 7.4.12 onherroepelijk is afgewezen.Naar huidig recht is dit vastgelegd in artikel 6:6:10b, derde lid.Artikel 7.4.10 [beëindiging door de Minister]Eerste lidBij vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederlandvormt hun status een obstakel voor de behandeling in het kader van deterbeschikkingstelling. De behandeling is immers erop gericht deterbeschikkinggestelde via het verlofsysteem op gecontroleerde wijze telaten terugkeren in de Nederlandse maatschappij. Aangezien illegale ofongewenst verklaarde terbeschikkinggestelden geen rechtmatig verblijfhebben in Nederland en daarom geen uitzicht hebben op een rechtmatigeterugkeer in de Nederlandse samenleving, komen zij niet in aanmerkingvoor resocialisatie door middel van verlof. Omdat verlof een essentieelonderdeel is van de behandeling, kan de behandeling bij deze vreemde-lingen niet worden afgerond. Hierdoor vindt niet of nauwelijks uitstroomplaats van deze groep terbeschikkinggestelden. Op grond van de Wetoverdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen kan worden geprobeerd detenuitvoerlegging van het strafvonnis waarbij de terbeschikkingstelling isopgelegd, over te dragen aan het land van herkomst. Een dergelijkeoverdracht biedt echter slechts in een beperkt aantal gevallen uitkomst. Inde eerste plaats bestaat in de meeste landen geen strafrechtelijkemaatregel die vergelijkbaar is met de terbeschikkingstelling. Dat staat inde weg aan het overnemen van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis.Ook het ontbreken van een verdrag met het land van herkomst kan eenobstakel vormen. Een verdragsbasis is strikt genomen niet vereist voorhet overdragen van de tenuitvoerlegging van een Nederlands strafvonnisaan het buitenland, maar het overdragen van de maatregel aan een landwaarmee geen verdrag bestaat, blijkt in de praktijk wel moeilijker te zijn.Om deze redenen is de Minister bevoegd tot het beëindigen van eenterbeschikkingstelling ten aanzien van deze vreemdelingen. Naar huidigrecht is dit vastgelegd in artikel 6:2:18. De Minister kan zich ter zakedesgewenst laten adviseren door de officier van justitie. De bevoegdheidtot beëindiging beoogt de terugkeer van de vreemdeling te vereenvou-digen, in het bijzonder voor die gevallen waarin de overdracht van detenuitvoerlegging op basis van de Wet overdracht tenuitvoerleggingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3104 strafvonnissen geen uitkomst biedt. De rechtbank heeft in artikel 7.4.11een inhoudelijk gelijke bevoegdheid tot beëindiging.Volgens het huidige artikel 6:2:18 kan beëindiging plaatsvinden bij eenterbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In dit artikelwordt – en dat is nieuw ten opzichte van het huidige recht – geenonderscheid meer gemaakt naar de vorm van de terbeschikkingstelling.Beëindiging is dus ook mogelijk bij een terbeschikkingstelling waarbij deverpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd of bij eenterbeschikkingstelling met voorwaarden. De hierboven beschrevenproblematiek doet zich namelijk ook voor bij vreemdelingen met dezevormen van terbeschikkingstelling, zo blijkt ook uit het advies «Vreemde-lingen in de tbs. Impasse door botsende rechtssystemen» van de Raadvoor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming van 28 januari 2021. Hetgaat om een zeer beperkte groep; in het najaar van 2020 waren er zestienvreemdelingen met een terbeschikkingstelling met voorwaardelijkebeëindiging van de verpleging van overheidswege en ongeveer evenveelmet een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Ondanks deze beperkteaantallen kan de veralgemenisering van de beëindigingsbevoegdheid hetproces van repatriëring verbeteren.Tweede lidVoorwaarde voor het kunnen beëindigen van de terbeschikkingstelling isdat met het land van herkomst afspraken zijn gemaakt over een passendevoorziening voor de betrokkene. De Minister heeft de taak in het land vanherkomst zo een passende voorziening voor de vreemdeling te zoeken,bijvoorbeeld opname in een psychiatrische kliniek. Met «passend» wordtgedoeld op passend naar de normen van het land van herkomst, waarbijde voorziening in ieder geval moet zijn gericht op vermindering van destoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar (Kamerstukken II2007/08, 31 552, nr. 3, p. 2).Derde lidDe beëindiging van de terbeschikkingstelling gaat pas in zodra devreemdeling daadwerkelijk Nederland is uitgezet. De terugkeer naar hetland van herkomst vindt plaats onder begeleiding van de Koninklijkemarechaussee en meestal ook onder begeleiding van een medewerkervan de betrokken instelling. Aan de beëindiging wordt de voorwaardeverbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert. Naarhuidig recht is ook het verlaten van Nederland onderdeel van devoorwaarde, om problemen te voorkomen in gevallen waarin de uitzettingmislukt na een onherroepelijke beslissing tot beëindiging van demaatregel (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 82). De voorwaardekan in het nieuwe wetboek echter worden beperkt tot een verbod naarNederland terug te keren. Immers, bij een mislukte uitzetting is nietvoldaan aan het derde lid en treedt de beëindiging van de terbeschikking-stelling niet in. Zie artikel 7.4.12 voor de procedure tot herleving van deterbeschikkingstelling indien de vreemdeling de voorwaarde niet naleeft.Artikel 7.4.11 [beëindiging door de rechtbank]Zoals aangegeven is de Minister op grond van artikel 7.4.10 bevoegd totbeëindiging van een terbeschikkingstelling bij een vreemdeling zonderrechtmatig verblijf in Nederland, met het oog op terugkeer naar het landvan herkomst. Op basis van dit artikel komt de rechtbank dezelfdebevoegdheid toe. De rechtbank kan de terbeschikkingstelling beëindigenop vordering van de officier van justitie of op verzoek van de terbeschik-kinggestelde. De rechtbank kan de beslissing ook ambtshalve nemen naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3105 aanleiding van een andere vordering of een ander verzoek (artikel 7.1.20,derde lid), bijvoorbeeld naar aanleiding van een verlengingszitting. In datgeval wordt de verlengingsvordering toegewezen en beslist de rechtbanktot beëindiging van de terbeschikkingstelling. Toewijzing van de verlen-gingsvordering onder gelijktijdige beëindiging van de terbeschikking-stelling lijkt op het eerste gezicht wellicht een vreemde combinatie vanbeslissingen, maar is noodzakelijk omdat de beëindiging pas plaatsvindtzodra de vreemdeling Nederland daadwerkelijk is uitgezet (artikel 7.4.10,derde lid). Indien de uitzetting onverhoopt mislukt, is behoefte aan deverlengde terbeschikkingstelling om de tenuitvoerlegging van demaatregel te kunnen voortzetten totdat de uitzetting alsnog slaagt. Derechtbank kan ook bij afzonderlijke beslissing overgaan tot beëindigingvan de terbeschikkingstelling, indien de gelegenheid tot uitzetting zichtussentijds voordoet en overigens is voldaan aan de voorwaarden voorbeëindiging. De criteria voor beëindiging zijn verder gelijk aan die vanartikel 7.4.10; zie nader de toelichting op dat artikel.Artikel 7.4.12 [herleving terbeschikkingstelling]Eerste en zevende lidAls de vreemdeling ten aanzien van wie de terbeschikkingstelling isbeëindigd zich niet houdt aan de daarbij gestelde voorwaarde niet naarNederland terug te keren, kan de rechtbank op vordering van de officiervan justitie bevelen dat de terbeschikkingstelling herleeft. De vreemdelingkan worden aangehouden (artikel 7.2.2) en de officier van justitie kan eenvordering tot voorlopige herleving van de terbeschikkingstelling indienenbij de rechter-commissaris (artikel 7.2.3). De termijn van de herleefdeterbeschikkingstelling wordt geacht te zijn gaan lopen vanaf deaanhouding.Tweede tot en met zesde lidZoals aangegeven bij artikel 7.4.10 is beëindiging van de terbeschikking-stelling niet alleen mogelijk bij een terbeschikkingstelling met verplegingvan overheidswege, maar ook bij een terbeschikkingstelling metvoorwaarden. Die uitbreiding heeft ook gevolgen voor de procedure totherleving van de terbeschikkingstelling. In principe herleeft de terbeschik-kingstelling in de vorm zoals deze is beëindigd. Dit artikel biedt derechtbank evenwel de mogelijkheid de herleefde terbeschikkingstelling teaccommoderen aan de (mogelijk gewijzigde) zorg- en veiligheidsbe-hoeften van het concrete geval. Zo zal de rechtbank bij een herleefdeterbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege moeten bepalenof de verpleging wordt hervat – in welk geval de betrokkene opnieuwgedwongen wordt opgenomen in een instelling (vgl. Kamerstukken II2007/08, 31 552, nr. 3, p. 2) – of dat de verpleging voorwaardelijk wordtbeëindigd. Ook bij een herleefde terbeschikkingstelling waarbij deverpleging al voorwaardelijk was beëindigd, kan de rechtbank beslissentot hervatting van de verpleging. In geval van een terbeschikkingstellingmet voorwaarden kan de rechtbank beslissen tot het alsnog vanoverheidswege verplegen. En bij een terbeschikkingstelling metvoorwaarden en een terbeschikkingstelling waarbij de verplegingvoorwaardelijk is beëindigd kan de rechtbank beslissen tot wijziging,aanvulling of opheffing van de gestelde voorwaarden.Voor de voorbereiding van de vordering en tijdens het onderzoek op dezitting gelden in belangrijke mate dezelfde procedurevoorschriften als bijeen verlengingsprocedure, welke voorschriften op advies van de Rvdr zijnnagelopen op volledigheid. Zo geldt dat bij de vordering een multidisci-plinair advies moet worden overgelegd indien tussen de datum vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3106 uitzetting van de vreemdeling en de datum van indiening van devordering een periode van drie jaar of meer is gelegen (tweede lid). Hetonderzoek op de zitting vindt in ieder geval plaats binnen een maand naontvangst van de vordering van de officier van justitie, waarbij deterbeschikkinggestelde in de gelegenheid wordt gesteld te wordengehoord en de rechtbank kan bepalen dat het inzien van geneeskundigerapporten en psychologische rapporten de terbeschikkinggesteldepersoonlijk niet is toegestaan (verwijzing in het derde lid naar artikel 7.4.8,tweede en derde lid). Ook wordt het slachtoffer of de daarmee gelijkge-stelde spreekgerechtigde in de gelegenheid gesteld een verklaring af teleggen voor zover tijdens het onderzoek inhoudelijk wordt gesproken over(eventuele wijziging van) de voorwaarden bij de terbeschikkingstellingmet voorwaarden of bij de terbeschikkingstelling waarbij de verplegingvan overheidswege voorwaardelijk is of wordt beëindigd (vierde en vijfdelid). Zie nader de toelichting op artikel 7.4.4, derde en vierde lid, en artikel7.4.8, vijfde lid.TITEL 4.4RechtsmiddelenArtikel 7.4.13 [hoger beroep inzake terbeschikkingstelling]Eerste lidDe officier van justitie en de terbeschikkinggestelde kunnen hoger beroepinstellen tegen de beslissingen van de rechtbank over verlenging ofherleving van de terbeschikkingstelling (artikelen 7.4.3 en 7.4.12),voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege(artikel 7.4.5, eerste en tweede lid, en artikel 7.4.12, vierde lid), het alsnogvan overheidswege verplegen (artikel 7.4.7, tweede lid, en artikel 7.4.12,zesde lid) en hervatting van de verpleging van overheidswege (artikel7.4.7, derde lid, en artikel 7.4.12, zesde lid). Hoger beroep kan uitsluitendworden ingesteld bij de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het woord «over» brengt tot uitdrukking dat hoger beroepopenstaat tegen alle beslissingen van de rechtbank, waaronder (deels)toewijzende en (deels) afwijzende beslissingen. De achtergrond hiervan isdat beide procespartijen doorgaans zullen opkomen tegen de voor hennegatieve beslissingen. Ten aanzien van bijvoorbeeld de verlenging vande terbeschikkingstelling zal de officier van justitie doorgaans opkomentegen een afwijzende beslissing, terwijl de terbeschikkinggestelde zalwillen opkomen tegen een toewijzende beslissing. Denkbaar is echter ookdat een verlengingsvordering wordt toegewezen, maar niet voor degevorderde twee jaar. Ook in dat geval kan de officier van justitie hogerberoep instellen.Tweede lidDe officier van justitie kan hoger beroep instellen binnen twee weken nade beslissing en de terbeschikkinggestelde binnen twee weken na debetekening van de beslissing. Indien op grond van artikel 7.1.24, derde lid,geen betekening hoeft plaats te vinden omdat de terbeschikkinggesteldebij de uitspraak aanwezig was of de dag van de uitspraak hem tevoren ismeegedeeld, kan de terbeschikkinggestelde beroep instellen binnen tweeweken na de beslissing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3107 Derde tot en met zesde lidHet derde tot en met zesde lid bevatten enkele procedurevoorschriftenvoor het hoger beroep bij de penitentiaire kamer van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden. De voorschriften vormen een aanvulling op dealgemene regeling inzake de raadkamerprocedure in Boek 1, Titel 2.3, ende algemene regels in Titel 1.5 (zie ook de inleidende toelichting op Titel1.5). De voorschriften zijn thans vervat in de artikelen 6:6:16 en 6:6:17.Daaruit zijn zij met beperkte wijzigingen overgenomen.Derde lidAllereerst is bepaald dat het gerechtshof zonder onderzoek op de zittingop het hoger beroep kan beslissen indien het na kennisneming van destukken van oordeel is dat het hoger beroep kennelijk niet ontvankelijk ofkennelijk ongegrond is. De beslissing tot kennelijke niet-ontvankelijkheidof kennelijke ongegrondheid dient ertoe in niet twijfelachtige zaken dedefinitieve beslissing op de verlengingsvordering niet langer op tehouden dan strikt noodzakelijk, waarmee ook het belang van de terbe-schikkinggestelde wordt gediend (Kamerstukken II 1971/72, 11 932, nr. 3,p. 20). Kennelijke niet-ontvankelijkheid heeft betrekking op gevallenwaarin op voorhand duidelijk is dat het hoger beroep zal wordenafgewezen op formele gronden, bijvoorbeeld omdat de officier van justitieof de terbeschikkinggestelde de beroepstermijn niet in acht heeftgenomen. Van kennelijke ongegrondheid is sprake indien het hogerberoep kennelijk zonder redelijke grond is ingesteld (Kamerstukken II1971/72, 11 932, nr. 3, p. 20). Het huidige voorschrift dat het gerechtshof,voordat het toepassing kan geven aan dit artikellid, eerst de advocaat-generaal, de terbeschikkinggestelde en diens raadsman moet horen, isvervallen. Dat voorschrift is onnodig zwaar voor de zaken die inaanmerking komen voor kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijkeongegrondheid. Er moet dan namelijk in alle gevallen een zitting wordengehouden, wat de meerwaarde van deze voorziening aanzienlijk beperkt.In navolging van artikel 1.2.17, eerste lid, biedt dit artikellid dan ook demogelijkheid tot het achterwege laten van het onderzoek op de zitting. Bijenige twijfel over de zaak geldt uiteraard dat nader onderzoek alsnoguitkomst zal moeten brengen.Vierde lidDe voorzitter van de penitentiaire kamer kan, zolang niet op het hogerberoep is beslist, de verpleging van overheidswege voorlopig beëindigen.De termijn van de terbeschikkingstelling loopt in dat geval door.Voorwaarde voor het voorlopig beëindigen van de verpleging vanoverheidswege is dat de rechtbank de verlengingsvordering moet hebbenafgewezen, bijvoorbeeld omdat zij van oordeel was dat het recidivegevaarniet langer bestaat of tot een maatschappelijk verantwoord niveau isteruggebracht.Vijfde lidDit lid verklaart enkele regels uit de procedure bij de rechtbank vanovereenkomstige toepassing. Allereerst kan het gerechtshof bepalen dathet inzien van geneeskundige en psychologische rapporten de terbeschik-kinggestelde persoonlijk niet is toegestaan indien ernstig gevaar wordtgevreesd voor de geestelijke gezondheid van de terbeschikkinggestelde.De terbeschikkinggestelde kan een arts of advocaat, dan wel iemand dievan het gerechtshof bijzondere toestemming heeft verkregen, machtigende rapporten in te zien. De terbeschikkinggestelde wordt in degelegenheid gesteld te worden gehoord. Voorts kan het gerechtshof deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3108 beslissing aanhouden indien het overweegt over te gaan tot voorwaarde-lijke beëindiging van de verpleging van overheidswege of tot toepassingvan artikel 2.3 van de Wet forensische zorg, maar voorlichting over deresocialisatie noodzakelijk acht (zie artikel 7.4.8, vierde lid). Tot slot geldtook in hoger beroep het spreekrecht van artikel 7.4.8, vijfde lid. Datspreekrecht houdt bij voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vanoverheidswege of bij wijziging, aanvulling of opheffing van de gesteldevoorwaarden in dat het slachtoffer of de daarmee gelijkgestelde spreekge-rechtigde in de gelegenheid wordt gesteld een verklaring af te leggen overde (mogelijke) voorwaarden die direct zijn belangen raken, voor zoverdaarover inhoudelijk wordt gesproken tijdens het onderzoek op de zitting.Zesde lidHet gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk op het hoger beroep. Hetverklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. In hetlaatste geval beveelt het gerechtshof wat volgens de wet behoort plaats tevinden. Het zesde lid is gemodelleerd naar artikel 5.6.3. De formulering isdaarmee anders dan het huidige artikel 6:6:17. Het «bevestigen» vanbeslissingen is bij het hoger beroep tegen vonnissen afgeschaft. Debeslissing van het gerechtshof is voorts ex nunc. Het gerechtshof beslistdus niet wat de rechtbank «had behoren te doen» als de situatie inmiddelsis veranderd.Tot slot wordt opgemerkt dat het vierde lid van het huidige artikel 6:6:15niet is overgenomen. Dat artikellid verklaarde enkele artikelen over degewone rechtsmiddelen van overeenkomstige toepassing. De artikelenwaarnaar werd verwezen zijn thans opgenomen in Boek 5 (Rechtsmid-delen). Gelet op de systematiek van het nieuwe wetboek gelden zij ook indeze beroepsprocedure. Het van overeenkomstige toepassing verklaren isdus niet langer nodig.Artikel 7.4.14 [bezwaarschrift inzake voorgenomen beëindiging]Eerste en tweede lidIndien de Minister voornemens is een terbeschikkingstelling te beëindigenten aanzien van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland,kan de vreemdeling tegen dit voornemen een bezwaarschrift indienen bijde rechtbank. Het bezwaarschrift kan worden ingediend binnen tweeweken na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen. Naar huidigrecht (artikel 6:2:18, vijfde en zesde lid) vindt indiening plaats bij hetgerecht dat in hoogste instantie de vrijheidsbenemende straf of maatregelheeft opgelegd. Dat kan zowel de rechtbank als het gerechtshof zijn. Dezebevoegdheidsregeling is onnodig ingewikkeld. De regeling wijkt ook afvan die bij de procedure tot herleving van de terbeschikkingstelling ingeval de vreemdeling naar Nederland terugkeert; dan is steeds derechtbank bevoegd (artikel 7.4.12). Dit volgt ook uit de hoofdregel datsteeds de rechtbank bevoegd is (artikel 7.1.20, eerste lid). In lijn daarmeeis de bevoegdheidsregeling in dit artikel aangepast. De suggestie van deRvdr om het bezwaarschrift steeds te laten behandelen door hetgerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is niet overgenomen. De rechtbank isnamelijk ook zelf bevoegd tot beëindiging van de terbeschikkingstelling(artikel 7.4.11) en is daarmee goed in staat de beslissing van de Ministermarginaal te toetsen. Voor een andere bevoegdheidsregeling bestaataldus geen aanleiding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3109 Derde tot en met vijfde lidDe rechtbank onderzoekt zo spoedig mogelijk of de Minister bij deafweging van de betrokken belangen in redelijkheid kon komen tot devoorgenomen beslissing. Uit het systeem van de wet volgt verder dat deartikelen 1.2.12 tot en met 1.2.24 van toepassing zijn op de bezwaarschrift-procedure. Om die reden is het voorschrift niet overgenomen dat deterbeschikkinggestelde moet worden gehoord, althans opgeroepen; ditvolgt al uit artikel 1.2.18, tweede lid. De beslissing van de rechtbank wordtaan de terbeschikkinggestelde betekend.HOOFDSTUK 5Geldelijke straffen en maatregelenTITEL 5.1Geldboete en schadevergoedingsmaatregelArtikel 7.5.1 [tijdstip betaling; betalingsregelingen]Eerste en tweede lidBij de inning van geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen bepaaltde Minister het moment of de momenten waarop uiterlijk moet wordenbetaald. De veroordeelde wordt hiervan in kennis gesteld. Voor het gevalde veroordeelde niet binnen de gestelde termijn(en) betaalt, is in artikel7.5.2 voorzien in wettelijke verhogingen. Indien de rechter of de officiervan justitie met toepassing van artikel 24a van het Wetboek van Strafrechtbetaling in termijnen heeft toegestaan, gelden in principe de door derechter dan wel officier van justitie bepaalde termijnen. Bij toepassing vanartikel 24a van het Wetboek van Strafrecht geldt dat de termijnen sameneen tijdvak van twee jaar (rechterlijke uitspraak) dan wel een jaar(strafbeschikking) niet mogen overschrijden.Ten opzichte van het huidige artikel 6:4:1 zijn twee wijzigingen doorge-voerd. De eerste wijziging is dat in een nieuw eerste lid is geëxpliciteerddat administratiekosten in rekening worden gebracht bij de inning van eengeldboete. Het in rekening brengen van dergelijke kosten is een afwijkingvan het uitgangspunt dat de kosten van tenuitvoerlegging voor rekeningkomen van de Staat. Artikel 1.10.10, eerste lid, bepaalt dat een dergelijkeafwijking bij of krachtens de wet moet zijn bepaald. Naar huidig rechtbepaalt artikel 4:10 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen dat administratiekosten in rekening worden gebracht. Het iswenselijk dit uitgangspunt te expliciteren op het niveau van de wet. Hetnieuwe eerste lid komt hieraan tegemoet. De tweede wijziging is dat nietlanger wordt verwezen naar artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht,maar dat in algemene zin wordt gesproken over «schadevergoedings-maatregel». Een vergelijkbare verwijzing ontbreekt ten aanzien van degeldboete. Ook zonder verwijzing naar artikel 36f van het Wetboek vanStrafrecht is voldoende duidelijk wat wordt bedoeld met de termschadevergoedingsmaatregel.Derde lidDe Minister kan uitstel van betaling verlenen en betaling in termijnentoestaan. Deze instrumenten dienen het maatschappelijk en verantwoordinnen dat de overheid voorstaat. Het treffen van een betalingsregeling enhet verlenen van uitstel van betaling is niet alleen mogelijk bij aanvangvan de tenuitvoerlegging, maar ook op een later moment, bijvoorbeeld naTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3110 de eerste aanmaning. Een betalingsregeling wordt getroffen voor het opdat moment verschuldigde bedrag. De Minister – feitelijk het CJIB – treftbetalingsregelingen voor één of meer vorderingen van de veroordeelde.Daarbij kunnen ook openstaande administratieve sancties wordenbetrokken die zijn opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijkehandhaving verkeersvoorschriften. De Minister kan een opeisbarevordering ook voegen in een bestaande betalingsregeling. Als artikel 24avan het Wetboek van Strafrecht is toegepast, kan de Minister een voor deveroordeelde gunstigere betalingsregeling toestaan. Dat kan op verzoekvan de veroordeelde, maar ook ambtshalve, bijvoorbeeld na beëindigingvan een traject van schuldhulpverlening. In dat laatste geval wordt deveroordeelde in kennis gesteld van de (gewijzigde) betalingsregeling. Hettreffen van een betalingsregeling is overigens geen recht van de veroor-deelde. Per geval wordt een afweging gemaakt of een betalingsregelingkans van slagen heeft.Vierde lidIndien de veroordeelde zich niet houdt aan een getroffen betalingsre-geling, vervalt de betalingsregeling en is het resterende bedrag onmid-dellijk in zijn geheel opeisbaar. Dit uitgangspunt is overgenomen uit hethuidige artikel 6:4:2, derde lid. Ten opzichte van dat artikellid is verduide-lijkt dat het vervallen van de betalingsregeling niet enkel plaatsvindt bijhet ingaan van de eerste wettelijke verhoging, maar bij iedereniet-nakoming. Zo komt beter tot uitdrukking dat de Minister niet alleen bijaanvang van de tenuitvoerlegging een betalingsregeling kan toestaan,maar ook op een later moment, bijvoorbeeld na de eerste aanmaning.Afhankelijk van de fase waarin de vervallen betalingsregeling wasgetroffen, betekent een hervatting van de tenuitvoerlegging dat (alsnog)aanmaningen en wettelijke verhogingen kunnen plaatsvinden, dat(alsnog) wordt overgegaan tot het nemen van verhaal, of dat (alsnog)toepassing wordt gegeven aan gijzeling of vervangende hechtenis. Hetvervallen van de betalingsregeling laat onverlet dat de Minister op eenlater moment opnieuw een betalingsregeling kan toestaan. Er is dan ookgeen aanleiding te voorzien in een hardheidsclausule of coulanceregelingvoor jeugdigen of jongvolwassenen, zo wordt opgemerkt in reactie op hetadvies van de Rvdr. Naar gelang de casuïstiek kan de Minister opnieuwbetaling in termijnen toestaan.Artikel 7.5.2 [aanmaning en wettelijke verhogingen]Indien een geldboete of schadevergoedingsmaatregel niet tijdig wordtbetaald, wordt de veroordeelde aangemaand en wordt het verschuldigdebedrag zo nodig tweemaal van rechtswege verhoogd. Naar huidig rechtzijn de regels hierover vastgelegd in artikel 6:4:2. Dat artikel is inhoudelijkongewijzigd overgenomen. Daarbij is de voorschotregeling van hethuidige zevende lid in een eigen artikel geplaatst (artikel 7.5.3).Eerste en tweede lidIndien niet tijdig wordt betaald op de krachtens artikel 7.5.1 vastgesteldedag of dagen, wordt de veroordeelde aangemaand tot betaling en wordthet verschuldigde bedrag van rechtswege verhoogd met € 20. Op deaanmaning is artikel 1.9.1, tweede lid, van toepassing. Een aanmaningvindt dus in beginsel plaats door schriftelijke overdracht. Bij deaanmaning wordt de veroordeelde een nieuwe termijn gegevenwaarbinnen het verhoogde bedrag moet worden betaald. Ook wordt deveroordeelde erop gewezen dat een tweede verhoging volgt als opnieuwniet (volledig) wordt betaald. De tweede verhoging bedraagt een vijfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3111 van (het nog niet betaalde gedeelte van) de verhoogde geldboete ofschadevergoedingsmaatregel, maar in ieder geval € 40.Derde lidAls de veroordeelde aantoonbaar niet verwijtbaar in verzuim is geblevenen de Minister alsnog uitstel van betaling verleent of alsnog betaling intermijnen toestaat, vinden de regels over aanmaning en verhoging geentoepassing zolang de veroordeelde de getroffen betalingsregelingnakomt. De enkele bereidheid van de veroordeelde tot het (alsnog)aangaan van een betalingsregeling is dus onvoldoende om de verho-gingen te kunnen terugdraaien. Als een latere betalingsregeling steeds totgevolg zou hebben dat ingetreden verhogingen worden teruggedraaid,verdwijnt immers de dwingende kracht van de aanmaningen en deverhogingen. Om die reden kunnen de verhogingen alleen wordenteruggedraaid indien de veroordeelde aantoonbaar niet verwijtbaar inverzuim is geweest (Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 3).Vierde en vijfde lidDeze leden bevatten een regeling over de volgorde waarin betalingenworden verwerkt die door de veroordeelde worden gedaan aan de Staat.Betalingen van de veroordeelde ter zake van een schadevergoedingsmaat-regel worden geacht in de eerste plaats te strekken tot voldoening van dehoofdsom. Daarmee wordt beoogd zeker te stellen dat betalingen ineerste instantie worden gebruikt tot voldoening van het slachtoffer(Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 91). Daarna worden betalingengeacht te strekken tot voldoening van de eventuele verhogingen. Deverhogingen vervallen aan de Staat. Betalingen van de veroordeelde terzake van een geldboete worden geacht te strekken tot voldoening vanachtereenvolgens de administratiekosten, de eventuele verhogingen ende hoofdsom. Met deze volgorde behouden de wettelijke verhogingen bijde geldboete hun functie van pressiemiddel. Immers, als een veroor-deelde na toepassing van de wettelijke verhogingen het bedrag van degeldboete voldoet, zonder de administratiekosten en de verhogingen tebetalen, zou – indien die betaling wordt geacht te strekken tot voldoeningvan de hoofdsom van de geldboete – een dwangmiddel ontbreken ombetaling af te dwingen van de administratiekosten en de verhogingen. Tenopzichte van het huidige artikel 6:4:2, zesde lid, is de term «anderegeldelijke sanctie» vervangen door «geldboete». Een andere geldelijkestraf of maatregel is binnen deze titel immers niet denkbaar, nu deontnemingsmaatregel een eigen regeling kent in Titel 5.2. Dit artikel kan indie titel niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, omdat bijde ontnemingsmaatregel geen verhogingen plaatsvinden en evenminadministratiekosten in rekening worden gebracht. Vergelijk het huidigeartikel 6:4:9, eerste lid. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in lagereregelgeving de bestemvolgorde is vastgelegd in het geval van meerdere(verschillende) geldelijke straffen of maatregelen. Zie het huidige artikel4:1 van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.Artikel 7.5.3 [voorschotregeling schadevergoedingsmaatregel]Specifiek ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel bevat ditartikel de zogenaamde voorschotregeling. De schadevergoedingsmaat-regel is zo vormgegeven dat de veroordeelde de verplichting wordtopgelegd tot betaling aan de Staat van een geldsom ten behoeve van hetslachtoffer. Een door de Staat ontvangen bedrag wordt vervolgens directuitgekeerd aan het slachtoffer (artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek vanStrafrecht). Met deze constructie, waarbij de Staat fungeert als een soorttussenpersoon, is controle mogelijk op de tenuitvoerlegging van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3112 schadevergoedingsmaatregel (Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p.29). De naleving van de verplichting voor de veroordeelde om deschadevergoeding rechtstreeks aan het slachtoffer te betalen, zou niet tecontroleren zijn. Een bijkomend voordeel is dat een directe confrontatiewordt vermeden tussen het slachtoffer en de veroordeelde in de vorm vaneen betaling van de één aan de ander. Omdat een betaling van deveroordeelde soms lang op zich kan laten wachten – bijvoorbeeld omdatde veroordeelde ook een (lange) vrijheidsstraf moet ondergaan – en datop gespannen voet staat met de gedachte dat de schadevergoedings-maatregel de rechtmatige toestand van het slachtoffer moet herstellen, isin dit artikel de huidige voorschotregeling inhoudelijk ongewijzigdovergenomen. Als de veroordeelde niet heeft voldaan aan zijn betalings-verplichting binnen acht maanden nadat de schadevergoedingsmaatregelonherroepelijk is geworden, keert de Staat het (resterende) bedrag uit aanhet slachtoffer. Bij het bepalen van de uitkering wordt rekening gehoudenmet een eventuele bovengrens die is gesteld op grond van artikel 7.5.10,tweede lid. De Staat verhaalt het uitgekeerde bedrag en de ingetredenverhogingen vervolgens op de veroordeelde.Artikel 7.5.4 [verhaal]Dit artikel bevat (algemene) regels over het verhaal dat kan wordengenomen op voorwerpen van de veroordeelde indien een geldboete ofeen schadevergoedingsmaatregel niet volledig is betaald. In de navol-gende artikelen zijn vervolgens meer specifieke regels opgenomen overde verschillende vormen van verhaal, te weten verhaal bij conservatoirbeslag (artikel 7.5.5), verhaal met dwangbevel (artikel 7.5.6) en verhaalzonder dwangbevel (artikel 7.5.7).Eerste lidBij gebreke van volledige betaling wordt het verschuldigde bedrag,vermeerderd met de verhogingen en de administratiekosten, na vooraf-gaande waarschuwing verhaald op de voorwerpen van de veroordeelde.Op de waarschuwing is artikel 1.9.1, tweede lid, van toepassing. Dewaarschuwing vindt dus in beginsel plaats door schriftelijke overdracht.Dat daarbij is bepaald dat woonplaats kan worden gekozen bij de Ministerhangt samen met het van toepassing zijn van het Wetboek van BurgerlijkeRechtsvordering. Degene onder wie beslag wordt genomen en derden-rechthebbenden moeten betekeningen en exploiten kunnen richten totdegene die de tenuitvoerlegging verzorgt (Kamerstukken II 2014/15,34 086, nr. 3, p. 91).Tweede lidGetracht wordt de straf of maatregel ten uitvoer te leggen doortoepassing van verhaal met of zonder dwangbevel, tenzij de Ministerdaarvan afziet. Een uitgevaardigd dwangbevel wordt in handen gesteldvan een deurwaarder. Indien minnelijke incasso niet mogelijk blijkt, zoektde deurwaarder verhaal op goederen van de veroordeelde.Derde en vierde lidDe kosten die worden gemaakt om de geldboete of de schadevergoe-dingsmaatregel te verhalen, komen voor rekening van de veroordeelde.De kosten zijn verbonden aan de inschakeling van een deurwaarder. Dituitgangspunt lijdt geen uitzondering als de strafrechtelijke beslissingwordt vernietigd na het instellen van een gewoon rechtsmiddel. Desituatie dat met de tenuitvoerlegging een aanvang is gemaakt terwijl nogeen gewoon rechtsmiddel openstond, kan zich met name voordoen bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3113 strafbeschikkingen. De tenuitvoerlegging van een strafbeschikking kanimmers plaatsvinden vanaf twee weken na de uitreiking in persoon oftoezending van de kopie van de strafbeschikking (artikel 7.1.5, eerste lid).Op dat moment kan nog verzet openstaan. Uiteraard geldt dat instellingvan dat rechtsmiddel de tenuitvoerlegging in beginsel opschort of schorst(artikel 7.1.5, tweede lid), zodat het nemen van verhaal daarna nietmogelijk is totdat op het rechtsmiddel is beslist.Het vierde en vijfde lid van het huidige artikel 6:4:3 – over de tenuitvoer-legging van de vervangende hechtenis indien bij een geldboete (ook) hetnemen van verhaal niet mogelijk blijkt – zijn verplaatst naar artikel 7.5.8,zodat alle regels over de vervangende hechtenis bij elkaar staan.Artikel 7.5.5 [verhaal bij conservatoir beslag]De Staat kan conservatoir beslag leggen tot bewaring van het recht totverhaal voor een naar aanleiding van het misdrijf, waarvoor eengeldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, op te leggengeldboete of ontnemingsmaatregel (artikel 2.7.19, eerste en tweede lid).Ook kan de Staat conservatoir beslag leggen tot bewaring van het rechttot verhaal voor een naar aanleiding van het misdrijf, waarvoor eengeldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, op te leggenschadevergoedingsmaatregel (artikel 2.7.19, derde lid). Met nameroerende goederen komen in aanmerking voor verhaal, maar ook oponroerende zaken of vermogensrechten is verhaal mogelijk (zie de inartikel 2.1.1 opgenomen definitie van «voorwerpen»). Conservatoir beslagkan voorts worden gelegd onder een ander dan de verdachte, ook opvoorwerpen waarvan niet behoeft te worden aangetoond dat zij vanmisdrijf afkomstig zijn.In dit artikel, dat inhoudelijk ongewijzigd is overgenomen uit het huidigeartikel 6:4:4, eerste en tweede lid, is bepaald hoe verhaal plaatsvindt opvoorwerpen die als zodanig zijn inbeslaggenomen. Daarbij beperkt ditartikel zich tot verhaal met betrekking tot een geldboete of een schadever-goedingsmaatregel. Artikel 7.5.11 verklaart dit artikel van overeenkom-stige toepassing op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel.Het verhaal vindt plaats op de wijze voorzien in het Wetboek vanBurgerlijke Rechtsvordering. Op de onder conservatoir beslag liggendevoorwerpen kan een geldboete of schadevergoedingsmaatregel alleenworden verhaald als deze onherroepelijk is. De rechter hoeft het conser-vatoir beslag niet te bekrachtigen. De onherroepelijke strafrechtelijkebeslissing geldt als executoriale titel. Deze titel wordt betekend aan deveroordeelde en, indien van toepassing, aan de derde onder wie beslag isgelegd. De kosten van het verhaal zijn voor rekening van de veroordeelde(artikel 7.5.4, derde en vierde lid).Het huidige artikel 6:4:4, derde lid, dat betrekking heeft op de civielrechte-lijke voorzieningen ten behoeve van de derde, is samen met het inhou-delijk gelijke artikel 6:4:5, vierde lid, verplaatst naar artikel 7.5.25, in detitel over de rechtsmiddelen.Artikel 7.5.6 [verhaal met dwangbevel]Voorwerpen waarop geen conservatoir beslag is gelegd als bedoeld inartikel 2.7.19, kunnen alleen te gelde worden gemaakt op grond van eendwangbevel. Daarop heeft dit artikel betrekking. Het betreft het huidigeartikel 6:4:5, eerste en tweede lid, dat zonder inhoudelijke wijzigingen isovergenomen. De overige onderdelen van het huidige artikel 6:4:5 zijn ominhoudelijke redenen elders opgenomen. Het huidige artikel 6:4:5, derdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3114 lid, inhoudende twee rechtsmiddelen inzake verhaal met dwangbevel, isopgeknipt in twee afzonderlijke artikelen en verplaatst naar Titel 5.6,waarin ook de overige rechtsmiddelen inzake geldelijke straffen enmaatregelen zijn ondergebracht. Het huidige artikel 6:4:5, vierde lid, iseveneens naar die titel verplaatst. Het huidige artikel 6:4:5, vijfde lid – totslot – is ondergebracht in artikel 7.5.4.Het nemen van verhaal vindt plaats met een dwangbevel dat namens deMinister wordt uitgevaardigd door het CJIB. Het dwangbevel wordttenuitvoergelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter. Het wordtafgegeven aan een deurwaarder, die daarbij ook een bijzondere opdrachtkan ontvangen, bijvoorbeeld met betrekking tot het voorwerp waaropbeslag moet worden gelegd (vgl. artikel 1.10.5, eerste lid). Het verhaalvindt plaats op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechts-vordering, door beslag en openbare verkoop. Doorgaans zal verhaalworden genomen op de roerende zaken van de veroordeelde, maarverhaal op onroerende zaken en vermogensrechten is niet uitgesloten.Door de tweede zin van het eerste lid kan bovendien verhaal wordengenomen op voorwerpen die als onderdeel van een schijnconstructie zijngaan toebehoren aan een ander dan de veroordeelde (Kamerstukken II2009/10, 32 194, nr. 7, p. 5). De verwijzing naar voorwerpen in de zin vanartikel 2.7.19, vierde en vijfde lid, maakt aldus dat ook beslag kan wordengelegd op voorwerpen waarvan niet hoeft te worden aangetoond dat zijvan een misdrijf afkomstig zijn en waarop niet al conservatoir (ander-)beslag rustte.Artikel 7.5.7 [verhaal zonder dwangbevel]Dit artikel betreft het huidige artikel 6:4:6, eerste tot en met vijfde enachtste lid, over het nemen van verhaal zonder dwangbevel. De overigeonderdelen van het huidige artikel 6:4:6 zijn om inhoudelijke redenenelders opgenomen. Het huidige artikel 6:4:6, zesde lid, inhoudende tweerechtsmiddelen inzake verhaal zonder dwangbevel, is verplaatst naar Titel5.6, waarin ook de overige rechtsmiddelen inzake geldelijke straffen enmaatregelen zijn ondergebracht. Het huidige artikel 6:4:6, zevende lid,over de kosten van verhaal, is ondergebracht in artikel 7.5.4.Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op – kort gezegd –loon, pensioenen, uitkeringen en banktegoeden van de veroordeelde. Hetnemen van verhaal zonder dwangbevel is aanzienlijk eenvoudiger danverhaal op grond van de artikelen 7.5.5 en 7.5.6, omdat geen deurwaar-derskosten worden gemaakt en geen «verlies» optreedt als gevolg vanopenbare verkoop. Als ten aanzien van de veroordeelde de schuldsane-ringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, kan geen verhaalzonder dwangbevel worden genomen. Gedurende de schuldsaneringsre-geling loopt de tenuitvoerleggingstermijn van de straf of maatregel niet(artikel 7.1.8, vijfde lid). Met de verlenging van de tenuitvoerleggings-termijn kan de tenuitvoerlegging en daarmee het verhaal ook nogplaatsvinden na afloop van het schuldsaneringstraject.Verhaal zonder dwangbevel vindt plaats op grond van een kennisgevingvan de Minister – namens deze van het CJIB – aan degene onder wieverhaal wordt genomen. Voor de toezending van de kennisgeving geldthet bepaalde in Boek 1, Hoofdstuk 9 (Overdracht van berichten en hetindienen van stukken). Door de overdracht van de kennisgeving is degeneonder wie verhaal wordt genomen verplicht tot betaling aan de Staat vanhet in de kennisgeving bedoelde bedrag, voor zover de veroordeelde ophem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. De Minister bepaalt determijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden. De verplichting totbetaling vervalt zodra het verschuldigde bedrag is betaald of verhaald enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3115 uiterlijk wanneer twee jaar is verstreken na de dag van de verstrekkingvan de kennisgeving. Nadat met het verhaal een aanvang is genomen(bijvoorbeeld op een bij het CJIB bekend bankrekeningnummer van debetrokkene), wordt de kennisgeving overgedragen aan de veroordeelde.Dit is om te voorkomen dat de betrokkene tegoeden op de bankrekeningweghaalt (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 126).Artikel 7.5.8 [vervangende hechtenis bij geldboete]Eerste lidBij de uitspraak waarbij een geldboete wordt opgelegd, beveelt de rechterdat vervangende hechtenis wordt toegepast voor het geval noch volledigebetaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag plaatsvindt(artikel 24c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Als bij detoepassing van verhaal de deurwaarder concludeert dat de goederen vande veroordeelde geen verhaal bieden ter voldoening aan de opgelegdegeldboete, meldt hij dit aan het CJIB. Het CJIB gaat vervolgens over tottenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De veroordeeldeontvangt hierover een waarschuwing. Op de waarschuwing is artikel 1.9.1,tweede lid, van toepassing. De waarschuwing vindt dus in beginsel plaatsdoor schriftelijke overdracht. Voor de toepassing van vervangendehechtenis is niet vereist dat daaraan voorafgaand een vermogenson-derzoek heeft plaatsgevonden op grond van Titel 5.3.Tweede lidTenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis vindt niet eerder plaatsdan twee weken na de dag van de waarschuwing, tenzij de veroordeeldegeen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Ten behoeve vande feitelijke aanhouding geeft het CJIB een opdracht tot tenuitvoerleggingdie strekt tot aanhouding (artikel 7.1.14) aan de politie van de regio waarinde woon- of verblijfplaats van de veroordeelde is gelegen. Indien deveroordeelde ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd ofop andere grond zijn vrijheid is ontnomen, probeert het CJIB hetincassotraject zo mogelijk af te ronden tijdens de vrijheidsbeneming,zodat de vervangende hechtenis zo mogelijk aansluitend kan wordentenuitvoergelegd.Derde en vierde lidBetalingsonmacht is geen reden om af te zien van de tenuitvoerleggingvan de vervangende hechtenis. Wel wordt rekening gehouden metgedeeltelijke voldoening van het verschuldigde bedrag. Omdat elke dagvervangende hechtenis staat voor een evenredig gedeelte van deopgelegde geldboete, wordt bij betaling van een deel van de geldboete devervangende hechtenis naar evenredigheid verminderd. Die verminderingkan ertoe leiden dat na betaling een gedeelte van een dag overblijft. In datgeval vindt afronding naar boven plaats. Verrekening vindt ook plaatsindien alsnog betaling plaatsvindt nadat de tenuitvoerlegging van devervangende hechtenis is aangevangen.Het huidige artikel 6:4:7, derde lid, wordt via de invoeringswet verplaatstnaar het Wetboek van Strafrecht. Dat artikellid is geïntroduceerd met deWet OM-afdoening en strekt ertoe dat in het geval de rechter een al danniet vervangende vrijheidsstraf oplegt, daarvan wordt afgetrokken de tijddie de betrokkene in gijzeling heeft doorgebracht in verband met verhaalvoor een eerder bij strafbeschikking ter zake van hetzelfde feit opgelegdegeldboete (Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 83). Omdat ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3116 voorschrift in acht moet worden genomen bij de berechting, wordt hetartikellid verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht.Artikel 7.5.9 [beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbaregeldboete]De Minister is bevoegd de tenuitvoerlegging van geldboetevonnissenwaarbij geen gratie mogelijk is te beëindigen als met de voortzetting vande tenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoepassing na te streven doelin redelijkheid wordt gediend. Met deze bevoegdheid voor uitzonderlijke(schrijnende) gevallen kan de Minister om overwegende redenen tengunste van de belanghebbende afwijken van de uit de wettelijke syste-matiek voortvloeiende plicht tot tenuitvoerlegging.De bevoegdheid ziet enkel op geldboetes die niet in aanmerking komenvoor gratie. Dit betreft door de rechter opgelegde onvoorwaardelijkegeldboetes tot en met een bedrag van € 340. Een eerste reden voor dezeuitsluiting, die in 1996 in de wet is opgenomen, was dat het voorveroordeelden, gelet op het consumptieniveau, niet onoverkomelijk wordtgeacht bedragen van deze relatieve hoogte te voldoen. Daarnaast pleittevoor uitsluiting van deze categorie de afweging van het belang van deveroordeelde bij kwijtschelding enerzijds tegen de last en kosten van eengratieprocedure anderzijds. Gratie wordt immers verleend bij koninklijkbesluit na advies van een rechter en met inachtneming van de bij deGratiewet gestelde voorschriften (artikel 122 Grondwet), waaronder demogelijkheid van advisering door het openbaar ministerie (artikel 5Gratiewet). Bovendien is voor het verslag van het openbaar ministerie inde regel een onderzoek van de politie nodig, waarin voor zover mogelijkwordt nagegaan of de bijzondere omstandigheden die door de veroor-deelde in het gratieverzoek zijn aangevoerd feitelijke grondslag hebben.Om deze redenen – die nog steeds gelden – is de gratieproceduregereserveerd voor gratieverzoeken die betrekking hebben op eensubstantiële straf (Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3, p. 3).Bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen isaangegeven dat ook met de (verdere) tenuitvoerlegging van (relatief)geringe geldboetevonnissen in voorkomende gevallen geen met destrafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend(Kamerstukken II 2014/15, 34 086, p. 23 e.v.). Voorheen nam het openbaarministerie in dergelijke schrijnende gevallen contact op met het CJIB omgebruik te maken van zijn bevoegdheid om uitstel van betaling te verlenentot ommekomst van de tenuitvoerleggingstermijn. Deze praktijk van«oplegging ter verjaring» was echter buitenwettelijk en is gestopt voorzaken waarbij gratie mogelijk is. Er zijn echter uitzonderlijke gevallenwaarin het maatschappelijk wenselijk is dat ook de relatief lichte geldboe-tevonnissen van minder dan € 340 om overwegende redenen niet (verder)worden tenuitvoergelegd. Het gaat dan vaak niet om één door de rechteropgelegde geldboete van minder dan € 340, maar om meerdere vandergelijke relatief geringe geldboetes, meestal voor overtredingen. Dit ismet name aan de orde bij overlastveelplegers en bij veroordeelden tot demaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, bijwie de tenuitvoerlegging van dergelijke geldboetevonnissen thans invoorkomende gevallen wordt opgeschort of geschorst. Deze opschortingof schorsing vindt vaak plaats op verzoek van ketenpartners, zoals grotegemeenten, om ingezette zorgtrajecten of re-integratie tijdens en na detenuitvoerlegging van de maatregel niet te verstoren. Met de tenuitvoer-legging van deze relatief kleine geldboetevonnissen is niet altijd meer eenstrafdoel in redelijkheid gediend, namelijk als aan de afgesproken(zorg)voorwaarden is voldaan of de maatregel is afgerond en recidive isuitgebleven. Om deze reden heeft de Minister de bevoegdheid deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3117 tenuitvoerlegging te beëindigen indien hij van oordeel is dat met devoortzetting daarvan geen strafdoel in redelijkheid wordt gediend. In hethuidige wetboek is deze bevoegdheid vastgelegd in artikel 6:1:11.Benadrukt wordt dat dit artikel geen recht voor veroordeelden behelst endat het op deze grond beëindigen van de tenuitvoerlegging geengevolgen heeft voor de justitiële documentatie van de veroordeelde.Er is geen gevolg gegeven aan het verzoek van het OM om de reikwijdtevan dit artikel uit te breiden naar geldboetes in strafbeschikkingen. Het isop zichzelf juist dat (ook) geldboetes in strafbeschikkingen niet inaanmerking komen voor gratie. Het systeem van buitengerechtelijkeafdoening valt immers als zodanig buiten de kaders van de Gratiewet(Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 47 en 49). Aan de officier vanjustitie kan, in voorkomende gevallen, de intrekking of wijziging van destrafbeschikking worden gevraagd. Daarmee wordt materieel hetzelfdebereikt als met het inwilligen van een gratieverzoek. Ook procedureel is ereen grote overeenkomst: het orgaan dat de straf heeft opgelegd, kanbewerkstelligen dat de tenuitvoerlegging wordt stopgezet. Bij de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is benadrukt (enin het huidige artikel 257e duidelijker tot uitdrukking gebracht) dat deofficier van justitie deze bevoegdheid behoudt tijdens de fase van detenuitvoerlegging (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 24, 29 en 62).Vergelijk ook artikel 22, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijkehandhaving verkeersvoorschriften, op grond waarvan de officier vanjustitie kan beslissen tot beëindiging van administratieve sancties die zijnopgelegd op grond van die wet. Voor een aanvullende bevoegdheid voorde Minister bestaat aldus geen aanleiding.Artikel 7.5.10 [nadere regels]Het laatste artikel van deze titel bevat, net als het huidige artikel 6:4:8, degrondslag voor het stellen van nadere regels over de tenuitvoerleggingvan geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen. De nadere regelshebben in ieder geval betrekking op de administratiekosten, de plaats enwijze van betaling, de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden,de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, de kosten vanverhaal, en de voorschotregeling.Het tweede lid ziet specifiek op de voorschotregeling en is op drie puntenverduidelijkt ten opzichte van het huidige artikel 6:4:8, derde lid. In deeerste plaats is de term «geweldsmisdrijf» vervangen door de meernauwkeurige omschrijving «een misdrijf dat gericht is tegen of gevaarveroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerpersonen». Deze formulering brengt duidelijker tot uitdrukking dat ookculpoze misdrijven in de algemene maatregel van bestuur kunnen wordenaangewezen als misdrijven waarvoor geen bovengrens geldt. Debegripsomschrijving wordt hiermee in lijn gebracht met die in anderebepalingen, zoals artikel 14b van het Wetboek van Strafrecht (duurproeftijd), artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (verlengingterbeschikkingstelling) en artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht(maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking). Inde tweede plaats is expliciet toegevoegd dat de betreffende misdrijven bijalgemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Daarmee wordtverduidelijkt dat deze algemene maatregel van bestuur geen naderebeperking bevat van het begrip «een misdrijf dat gericht is tegen ofgevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ofmeer personen of zedenmisdrijf». De algemene maatregel van bestuurvoorziet ten behoeve van de uitvoeringspraktijk in een limitatieveopsomming van misdrijven waarvoor geen voorschotplafond geldt, alsconcretisering van de in de wet gegeven omschrijving. Dit draagt bij aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3118 de rechtszekerheid. Tot slot is de eerste volzin van het huidige artikellidkomen te vervallen. Deze volzin hield kort gezegd in dat de voorschotre-geling gedurende een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde tijd(geheel) kon worden beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmis-drijven. Deze volzin is achterhaald doordat de eerder bij algemenemaatregel van bestuur bepaalde tijd inmiddels is verstreken.TITEL 5.2Ontnemingsmaatregel en ontnemingsschikkingArtikel 7.5.11 [schakelbepaling]De tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel vindt grotendeels opdezelfde wijze plaats als de tenuitvoerlegging van een geldboete of eenschadevergoedingsmaatregel. Dit artikel bevat hiertoe een schakelbe-paling. Het artikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:4:9. Daarbijis de verwijzing wel gecorrigeerd om deze te laten aansluiten bij de(beperkte) wijzigingen en verschuivingen binnen Titel 5.1 (Geldboete enschadevergoedingsmaatregel). Het van overeenkomstige toepassingverklaren van de delegatiebepaling (huidig artikel 6:4:8) is niet nodig,aangezien deze titel een eigen delegatiebepaling bevat.Artikel 7.5.12 [vermindering of kwijtschelding]Dit artikel voorziet in een procedure voor het verminderen of kwijt-schelden van het bedrag dat is vastgesteld bij de oplegging van deontnemingsmaatregel. Deze procedure is naar huidig recht vastgelegd inartikel 6:6:26.Eerste, tweede en vijfde lidBij oplegging van de ontnemingsmaatregel stelt de rechter het bedragvast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.Daarbij kan de rechter rekening houden met de omstandigheid dat dehuidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht vande verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalenbedrag te voldoen (artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht).Als in een later stadium betalingsonmacht wordt aangenomen, kan datreden zijn voor de officier van justitie of de veroordeelde om de rechtbankte vragen het bedrag van de ontnemingsmaatregel te verminderen ofkwijt te schelden. Een dergelijke vordering of een dergelijk verzoek kanook aangewezen zijn als de veroordeelde de benadeelde derde vrijwilligschadeloos heeft gesteld. De vordering of het verzoek moet wordeningediend binnen drie jaar nadat het verschuldigde bedrag is betaald ofverhaald. Het verzoek kan ook worden gedaan door een benadeeldederde, bijvoorbeeld omdat op het moment waarop de ontnemingsmaat-regel werd opgelegd nog onvoldoende duidelijkheid bestond over diensvordering, waardoor de rechter er geen rekening mee heeft gehouden(artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht). Als deveroordeelde het bedrag al heeft betaald of als al verhaal heeft plaatsge-vonden, kan de rechter bepalen dat het bedrag geheel of gedeeltelijk aande benadeelde derde zal worden uitgekeerd.Als blijkt dat de rechter een hoger bedrag heeft vastgesteld dan de somvan het werkelijke voordeel, strekt het bevel van de rechtbank totvermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil. Bij dieteruggave kan verrekening plaatsvinden met opeisbare openstaandestrafrechtelijke vorderingen (artikel 7.5.22).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3119 Derde lidDe rechtbank kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indien eentweede of volgend verzoek van de veroordeelde onderscheidenlijk debenadeelde derde kennelijk ongegrond is. Hierdoor kan wordenvoorkomen dat bij voorbaat als zinloos aan te merken verzoeken– bijvoorbeeld omdat geen nieuwe feiten of argumenten wordenaangevoerd ten opzichte van het vorige verzoek – een beslag op dezittingscapaciteit doen (Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 29).Nieuw ten opzichte van het huidige recht is de mogelijkheid om eenherhaald verzoek ook zonder onderzoek op de zitting af te doen indien hetverzoek kennelijk niet ontvankelijk is. Dit is lijn met vergelijkbarebepalingen in dit boek. Kennelijke niet-ontvankelijkheid heeft betrekkingop gevallen waarin op voorhand duidelijk is dat het verzoek zal wordenafgewezen op formele gronden, bijvoorbeeld omdat de veroordeelde ofde benadeelde derde de verzoektermijn niet in acht heeft genomen.Vierde lidAls de vordering of het verzoek wordt gedaan voordat het verschuldigdebedrag (geheel) is betaald of verhaald, kan de rechtbank bevelen dat deontnemingsmaatregel niet zal worden tenuitvoergelegd zolang niet isbeslist op de vordering of het verzoek. In de huidige wet is bepaald dateen dergelijk bevel direct ter kennis wordt gebracht aan de Minister. Diezin is niet overgenomen omdat in artikel 7.1.1, eerste lid, al is bepaald datvervolgbeslissingen – waarvan dit bevel een voorbeeld is – (direct) aan deMinister worden verstrekt.Artikel 7.5.13 [verzoek om teruggave na ontnemingsschikking]De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de zitting niet isgesloten, met de verdachte een schikking aangaan tot betaling van eengeldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ter gehele ofgedeeltelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel4.4.24). Met deze ontnemingsschikking kan een (voortzetting van de)ontnemingsprocedure worden voorkomen. Als na voldoening aan determen van de ontnemingsschikking blijkt van omstandigheden die deoplegging van een ontnemingsmaatregel zouden hebben uitgesloten, kande gewezen verdachte verzoeken om teruggave van betaalde geldbe-dragen of overgedragen voorwerpen.Naar huidig recht is deze mogelijkheid vastgelegd in artikel 6:4:18. Datartikel is overgenomen in dit artikel, met uitzondering van het eerste lid,dat via een aanvullingswet zal worden overgeheveld naar Boek 4(Berechting). De bevoegdheid tot het aangaan van een ontnemings-schikking is, als gezegd, geregeld in artikel 4.4.24. Dat de officier vanjustitie bij de uitoefening van die bevoegdheid een termijn moet bepalen,zoals het huidige eerste lid bepaalt, hangt met die uitoefening tennauwste samen. Ook de resterende inhoud van het huidige eerste lid– over de consequenties van (voldoening aan) de schikking voor devordering tot ontneming en de ontnemingsprocedure – staat los van detenuitvoerlegging. Het huidige eerste lid zal daarom bij aanvullingswet inzijn geheel worden geïncorporeerd in artikel 4.4.24.Het tweede en derde lid van het huidige artikel 6:4:18 zijn inhoudelijkongewijzigd (en samengevoegd) overgenomen in dit artikel. Indien navoldoening aan de termen van de ontnemingsschikking blijkt vanomstandigheden die de oplegging van de ontnemingsmaatregel zoudenhebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte de officier van justitieverzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3120 voorwerpen. Bij dergelijke omstandigheden kan bijvoorbeeld wordengedacht aan de afronding van de samenhangende strafzaak met een vande uitspraken van artikel 4.3.2. Het verzoek kan worden gedaan binnendrie jaar nadat het bedrag of het laatste gedeelte daarvan is betaald. Eenautomatisch recht op teruggave is niet voorzien, omdat dat zich nietverdraagt met het «dading-karakter» van de aangegane ontnemings-schikking (Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 51).Artikel 7.5.14 [verzoek om teruggave na strafbeschikking ofontnemingsschikking]De officier van justitie kan in een strafbeschikking aanwijzingen gevenwaaraan de verdachte moet voldoen (artikel 3.3.1, derde lid). Eenmogelijke aanwijzing is de voldoening aan de Staat van een geldbedragter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregenvoordeel (artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel c). De officier van justitie kanook, zolang het onderzoek op de zitting niet is gesloten, met de verdachteeen ontnemingsschikking aangaan (artikel 4.4.24). Als na betaling van eenbedrag of na overdracht van voorwerpen blijkt dat het werkelijk verkregenvoordeel lager is – bijvoorbeeld als gevolg van door derden aange-spannen civielrechtelijke procedures – kan de gewezen verdachte of deveroordeelde de Minister verzoeken om teruggave van een geldbedraggelijk aan het verschil. Deze voorziening is overgenomen uit het huidigeartikel 6:3:7, tweede lid. Daarbij is de procedure gelijkgetrokken met desterk vergelijkbare voorziening van artikel 7.5.13 (het huidige artikel6:4:18). Een verzoek op grond van artikel 7.5.13 moet, ook naar huidigrecht, binnen drie jaar worden gedaan. Het huidige artikel 6:3:7, tweedelid, kent daarentegen geen termijn; vereist is slechts dat de reden van hetverzoek binnen drie jaar was gebleken. In dit artikel is daarom aange-sloten bij de termijnstelling van artikel 7.5.13. Het verzoek kan dus wordengedaan binnen drie jaar nadat het bedrag of het laatste gedeelte daarvanis betaald. Een tweede aspect waarbij aansluiting is gezocht, is de eis datteruggave alleen kan plaatsvinden op verzoek, en dus niet langerambtshalve.Het eerste lid van het huidige artikel 6:3:7 – over de mogelijkheid vanverlenging van de termijn van een aanwijzing bij een strafbeschikking – isverplaatst naar de regeling van de strafbeschikking in Boek 3. Deeventuele verlenging van de termijn betreft immers een algemeen aspectvan de strafbeschikking. Daarbij komt dat de bedoelde aanwijzing geenbetrekking hoeft te hebben op de ontneming van wederrechtelijkverkregen voordeel.Artikel 7.5.15 [nadere regels]Het laatste artikel van deze titel, dat ongewijzigd is overgenomen uit hethuidige artikel 6:4:19, bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de tenuitvoerleggingvan een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking.TITEL 5.3VermogensonderzoekHet uitgangspunt is dat strafrechtelijke beslissingen zo snel mogelijkworden tenuitvoergelegd, zodat de relatie tussen het gepleegde strafbarefeit enerzijds en de reactie van de overheid anderzijds, in de vorm van deberechting en de bestraffing, een duidelijke samenhang behouden. In hetgeval van geldelijke straffen en maatregelen is dit soms lastig, als deveroordeelde niet voldoet aan de betalingsverplichting. Dit kan het gevolgTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3121 zijn van onmacht om te betalen, maar ook van onwil om te betalen. Ineerste instantie wordt getracht de geldboete, schadevergoedingsmaat-regel of ontnemingsmaatregel te innen door middel van toezending vaneen aanschrijving en eventuele aanmaningen, of door uitwinning vaneerder gelegd conservatoir beslag. Bij onvolledige betaling kan hetverschuldigde bedrag worden verhaald op inkomen of voorwerpen van deveroordeelde. Indien dit onvoldoende resultaat geeft, kan een onderzoeknaar het vermogen van de veroordeelde worden gestart. Naar huidigrecht is dit vermogensonderzoek vastgelegd in de artikelen 6:4:22 tot enmet 6:4:29. Het onderzoek is gericht op de vaststelling van de omvang vanhet vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen.Voor de regeling van het vermogensonderzoek heeft het strafrechtelijkfinancieel onderzoek model gestaan. In de regeling worden ten behoevevan het onderzoek aan de officier van justitie een aantal bevoegdhedentoegekend waarop veel bepalingen uit de huidige Titel IVA van het EersteBoek (Enige bijzondere dwangmiddelen) van overeenkomstige toepassingzijn verklaard.In deze titel is de regeling over het vermogensonderzoek overgenomen.De regeling is daarbij aanzienlijk ingekort en aangepast aan de syste-matiek van het nieuwe wetboek, in het bijzonder aan de systematiek vanBoek 2. De regeling van het opsporingsonderzoek en van de daarin toe tepassen bevoegdheden is namelijk anders opgezet dan in het huidigewetboek. Zo is voor bevelen, vorderingen en machtigingen een algemeneregeling getroffen. Afzonderlijke vastlegging van bevelen is niet altijdvereist (artikel 2.1.13). De inhoud van de bevelen, vorderingen enmachtigingen wordt geregeld bij algemene maatregel van bestuur (artikel2.1.15). De regeling met betrekking tot het vorderen van gegevens heeft– anders dan de andere bevoegdheden uit de genoemde Titel IVA van hetEerste Boek – geen plaats gekregen in Boek 2, Hoofdstuk 8, maar in Boek2, Hoofdstuk 7. Die regeling is bovendien op een andere leest geschoeid.Het strafrechtelijk financieel onderzoek keert in het nieuwe wetboek nietterug. De gedachte is dat onderzoek naar wederrechtelijk verkregenvoordeel deel uitmaakt van het opsporingsonderzoek en dat daarvoor deopsporingsbevoegdheden mogen worden toegepast die opsporingsamb-tenaren ter beschikking staan. In Boek 6, Titel 5.5 (Bevoegdheden inverband met de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel)zijn enkel nog een paar aanvullende bevoegdheden opgenomen dieuitsluitend betrekking hebben op onderzoek ten behoeve van devoordeelsontneming. Dat heeft de vraag opgeroepen of het vermogens-onderzoek in het nieuwe wetboek nog wel moest worden gemodelleerdnaar het afgeschafte strafrechtelijk financieel onderzoek. Daarbij ging hetin het bijzonder om de vraag of voor het vermogensonderzoek eenmachtiging van de rechter-commissaris nodig is. Die algemenemachtiging, die geen betrekking heeft op de concreet uit te oefenenbevoegdheden, heeft slechts een bescheiden waarborgfunctie. Daarbijwordt gewezen op een verschil met het strafrechtelijk financieelonderzoek, namelijk dat tijdens het vermogensonderzoek geen conser-vatoir beslag kan worden gelegd. De machtiging van de rechter-commissaris is dus niet nodig om het leggen van conservatoir beslag metwaarborgen te omkleden. In de huidige regeling van het strafrechtelijkfinancieel onderzoek vormt de machtiging van de rechter-commissaris tothet instellen van een onderzoek tegelijk een machtiging voor het leggenvan conservatoir beslag (huidig artikel 126b, eerste lid). In het nieuwewetboek is wel steeds een (aparte) machtiging vereist (zie de artikelen2.7.19, zesde lid, en 6.5.10, eerste lid). De benadering waarin alleen eenmachtiging is vereist wanneer dat voortvloeit uit de omschrijving van despecifieke bevoegdheden die in het onderzoek kunnen worden ingezet, isdoorgetrokken naar het vermogensonderzoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3122 In artikel 7.5.16 is bepaald dat het vermogensonderzoek kan plaatsvindenop bevel van de officier van justitie. Denkbaar is dat de officier van justitieeen dergelijk bevel afgeeft op basis van informatie van de Minister (artikel7.1.3). De Minister heeft immers zicht op de voortgang van de tenuitvoer-legging. De Minister is echter niet zelf bevoegd een vermogensonderzoekte starten, gelet op de opsporingsbevoegdheden die worden toegepast.Het bevel wordt door de officier van justitie enkel gegeven indien deresterende betalingsverplichting een aanzienlijke som geld betreft en eraanwijzingen bestaan dat de veroordeelde voorwerpen toebehorenwaarop verhaal kan worden genomen. Het bevel geldt voor ten hoogstezes maanden en kan door de officier van justitie telkens met eenzelfdeduur worden verlengd, totdat de maximale duur van twee jaar is bereikt.Opgemerkt zij dat de termijnen niet aaneengesloten hoeven te zijn. Opgrond van artikel 7.5.16, vijfde lid, kan het onderzoek door de officier vanjustitie worden onderbroken en hervat. De onderbreking schorst de duurvan het bevel. De maximale duur van het onderzoek kan dus over eenlangere periode worden gespreid.De betrokkenheid van de rechter-commissaris blijkt vervolgens, waarrelevant, uit de afzonderlijke bevoegdheden die kunnen worden uitge-oefend. De uit te oefenen bevoegdheden zijn opgesomd in artikel 7.5.17,eerste lid. Het gaat bijvoorbeeld om het stelselmatig observeren en hetaftappen en opnemen van telecommunicatie. De opsomming vanbevoegdheden is inhoudelijk gelijk aan de huidige artikelen 6:4:24 tot enmet 6:4:28, zij het beknopter weergegeven. Naar huidig recht worden debevoegdheden telkens opnieuw uitgeschreven, waarna een aantalcorresponderende bepalingen van overeenkomstige toepassing wordenverklaard. Zie bijvoorbeeld het huidige artikel 6:4:26, waar in het eerste lideen bevoegdheid wordt gegeven die overeenkomt met de bevoegdheid inhet huidige artikel 126nd, eerste lid, en waarop vervolgens het huidigeartikel 126nd, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstigetoepassing is verklaard. Dat niet ook het eerste lid van het huidige artikel126nd van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, heeft als redendat daarin een verdenkingsvoorwaarde wordt gesteld die niet vantoepassing is. Deze nogal omslachtige uitwerking is verlaten. In plaatsdaarvan bevat artikel 7.5.17, eerste lid, een opsomming van de in te zettenbevoegdheden, met daarbij enkele algemene uitgangspunten in deonderdelen a tot en met c. Deze beknopte weergave is ontleend aan artikel7.1.15 (het huidige artikel 6:1:7). De bepalingen over de vastlegging en deinhoud van de bevelen zijn achterwege gelaten nu de algemenebepalingen van Boek 2 daarin al voorzien.De Minister wordt geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoeknaar het vermogen. Indien uit het onderzoek vermogen naar voren komtwaarop verhaal kan worden genomen, zal het CJIB door inschakeling vande deurwaarder overgaan tot inbeslagneming. In afwachting van dekomst van de deurwaarder kan een ambtenaar als bedoeld in artikel1.10.5, eerste lid, de maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn omde voor verhaal vatbare voorwerpen veilig te stellen (artikel 7.5.6, derdelid).TITEL 5.4GijzelingArtikel 7.5.20 [gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel]Bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel bepaalt de rechterdat gijzeling kan worden toegepast indien de maatregel niet volledigwordt voldaan (artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht). AlsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3123 tijdens de tenuitvoerlegging blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en ergeen (volledig) verhaal kan worden genomen, kan de officier van justitietoepassing bevelen van de door de rechter in zijn uitspraak bepaaldegijzeling. Hierop ziet dit artikel, dat inhoudelijk ongewijzigd is overge-nomen uit het huidige artikel 6:4:20. Ook bij een in een strafbeschikkingopgelegde geldboete of bij een door de rechter opgelegde ontnemings-maatregel kan – na rechterlijke tussenkomst – gijzeling worden toegepast;zie daarvoor artikel 7.5.21. Voor de toepassing van gijzeling is niet vereistdat daaraan voorafgaand een vermogensonderzoek heeft plaatsgevondenop grond van Titel 5.3 (Vermogensonderzoek).Eerste lidOmdat de toepassing van gijzeling bij een schadevergoedingsmaatregeldirect volgt uit de rechterlijke beslissing waarin de maatregel is opgelegd,hoeft geen rechter te worden aangezocht op het moment dat het nemenvan verhaal ter inning niet slaagt; de officier van justitie beslist over detoepassing. Ook in een strafbeschikking kan een schadevergoedingsmaat-regel worden opgelegd (zie de in artikel 3.3.1, tweede lid, onderdeel d,omschreven maatregel). Omdat in een dergelijk geval gijzeling door deofficier van justitie niet mogelijk kan zijn – dat zou strijdig zijn met artikel 5EVRM – is het eerste lid tekstueel beperkt tot de bij vonnis of arrestopgelegde schadevergoedingsmaatregel. Als niet wordt voldaan aan deschadevergoedingsmaatregel die is opgelegd in een strafbeschikking, kande officier van justitie de zaak alsnog ter berechting aanbrengen.Tweede lidDe officier van justitie is bij het bepalen van de duur van de gijzelinggebonden aan dezelfde criteria als de rechtbank die op vordering van deofficier van justitie bepaalt of en hoe lang gijzeling kan worden toegepastbij een in een strafbeschikking opgelegde geldboete of bij een ontne-mingsmaatregel (artikel 7.5.21, vijfde lid). Voor de duur houdt dit in datminimaal één dag gijzeling wordt tenuitvoergelegd en maximaal één dagper openstaande € 25, met een totale maximumduur zoals door derechter bepaald in het vonnis of arrest. Voor de feitelijke duur van degijzeling wordt verder rekening gehouden met het bedrag dat al wel isvoldaan of verhaald. Dit betekent overigens niet dat in alle gevallen deduur van de gijzeling recht evenredig zal worden verminderd met hetbedrag dat al is voldaan. Onder omstandigheden, met name wanneergrotere bedragen zijn verschuldigd, is het wenselijk de duur van degijzeling langer te laten zijn om hiervan voldoende dreiging te latenuitgaan.Derde en vierde lidGijzeling wordt niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dathij wel wil, maar niet kan betalen. De bewijslast ligt hierbij primair bij deveroordeelde. Op het moment dat de veroordeelde tijdens de gijzelingalsnog het verschuldigde bedrag geheel voldoet, eindigt de gijzeling– vanzelfsprekend – direct. Daarnaast kan de Minister te allen tijde degijzeling beëindigen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als tijdens hetverblijf in het huis van bewaring alsnog een bevredigende betalingsre-geling is getroffen, maar ook als tijdens de gijzeling (alsnog) blijkt dat deveroordeelde daadwerkelijk niet in staat is te betalen. Ook kan wordengedacht aan gevallen waarin de gegijzelde ziek wordt in het huis vanbewaring. Voordat een opdracht tot invrijheidsstelling wordt gegevendoor de Minister, vindt afstemming plaats met de officier van justitie diede gijzeling heeft bevolen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3124 Vijfde lidGijzeling kan op een later moment opnieuw worden bevolen door deofficier van justitie. Gijzeling is immers een dwangmiddel dat de verschul-digdheid niet opheft. De gijzeling kan dus in gedeelten worden toegepast.Door deze flexibiliteit in de toepassing kan ook beter rekening wordengehouden met het vermogen van de veroordeelde op het moment dat hetertoe doet, namelijk het moment van de (stokkende) tenuitvoerlegging.Voor de goede orde wordt verder opgemerkt dat ook nadat de door derechter bepaalde maximale duur van de gijzeling is toegepast, deveroordeelde het openstaande bedrag verschuldigd blijft. Er resterenalsdan alleen geen wettelijke dwangmiddelen om de veroordeelde totbetaling te bewegen. Tegen de toepassing van gijzeling staat geenrechtsmiddel open voor de veroordeelde.Artikel 7.5.21 [gijzeling bij ontnemingsmaatregel of geldboete instrafbeschikking]Eerste tot en met vierde lidDit artikel betreft het huidige artikel 6:6:25 over de toepassing van hetdwangmiddel gijzeling indien geen (volledig) verhaal kan wordengenomen ter voldoening van een in een strafbeschikking opgelegdegeldboete of een door de rechter opgelegde ontnemingsmaatregel. De indit artikel opgenomen regeling komt overeen met de toepassing vangijzeling bij de inning van de schadevergoedingsmaatregel (artikel 7.5.20),met dien verstande dat voor de strafbeschikking en de ontnemingsmaat-regel geldt dat de officier van justitie een vordering moet indienen om teworden gemachtigd gijzeling toe te passen. Dit volgt uit het eerste lid, datom enkele redenen is geherformuleerd. De eerste reden is dat hetzwaartepunt niet moet liggen bij de bevoegdheid (van de officier vanjustitie) om te vorderen, maar bij de bevoegdheid (van de rechtbank) omte machtigen. Het huidige artikel 6:6:25 bepaalt nergens bij welke rechterde vordering moet worden ingediend in het geval van een ontnemings-maatregel; het zou ook de rechter-commissaris kunnen zijn. Die onduide-lijkheid is weggenomen door te spreken over de rechtbank. De tweedereden is dat de officier van justitie in artikel 7.5.20 beslist over detoepassing van gijzeling bij een schadevergoedingsmaatregel. Volgenshet huidige artikel 6:6:25 past de officier van justitie de gijzeling toe. Deformulering is op dit punt gelijkgetrokken met artikel 7.5.20. Opgemerkt zijnog dat in het eerste lid enkel wordt gesproken over de rechtbank.Daaronder valt ook de enkelvoudige kamer (de kantonrechter) van dierechtbank, die aan zet is in geval van een gijzelingsvordering bij een ineen strafbeschikking opgelegde geldboete.In het tweede lid staat een aparte regeling voor het bepalen van debevoegde rechtbank bij gijzeling in het kader van een in een strafbe-schikking opgelegde geldboete. Voor de bevoegde rechtbank bij eengijzelingsvordering in het kader van een ontnemingsmaatregel geldt dehoofdregel van artikel 7.1.20. De regeling van de relatieve competentie inhet tweede lid is beperkt gewijzigd. De focus is daarbij, meer dan naarhuidig recht, gelegd op het adres van de veroordeelde dat staat vermeldin de basisregistratie personen. Naar huidig recht telt ook het adres meedat is opgegeven bij het verzet tegen verhaal, maar dat geval doet zichzelden voor. Niet alleen komt dergelijk verzet weinig voor, artikel 1.9.6stuurt bovendien aan op het opgeven van een elektronisch adres, datgeen houvast biedt bij het bepalen van de relatieve competentie. Om dieredenen is bepaald dat primair de rechtbank bevoegd is in het rechts-gebied van het in de basisregistratie personen vermelde adres. Bijgebreke van een dergelijk adres is bevoegd de rechtbank Noord-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3125 Nederland. Deze wijziging komt neer op een verdere vereenvoudiging vande bestaande regeling.Vijfde lidDit lid ziet op de duur van de gijzeling, die verschillend kan zijn bij destrafbeschikking en bij de ontnemingsmaatregel, maar waarbij steedsgeldt dat per € 25 maximaal sprake kan zijn van één dag gijzeling. Voortshoudt de rechtbank rekening met gedeeltelijke betalingen die door deveroordeelde zijn verricht en met al genomen verhaal.Zesde lidHet zesde lid verklaart het derde tot en met vijfde lid van artikel 7.5.20 vanovereenkomstige toepassing. Zie nader de toelichting op dat artikel.Afsluitende opmerkingenVóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen werd bij de tenuitvoerlegging van eenschadevergoedingsmaatregel of ontnemingsmaatregel niet het dwang-middel gijzeling toegepast, maar de dwangmiddelen vervangendehechtenis respectievelijk lijfsdwang. De Wet herziening tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen bevat in artikel XLIVa overgangsrecht tenaanzien van deze dwangmiddelen. Volledigheidshalve worden hier enkeleopmerkingen gemaakt over dit overgangsrecht (in aanvulling opKamerstukken II 2019/20, 35 311, nr. 3, p. 16–17). Deze opmerkingen zijnook relevant met betrekking tot artikel 7.5.20.Het overgangsrecht houdt in dat een lijfsdwang of vervangendehechtenis, opgenomen in een uitspraak die is gewezen vóór de inwerking-treding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslis-singen – dus vóór 1 januari 2020 – ook ná die inwerkingtreding nog alslijfsdwang respectievelijk vervangende hechtenis wordt toegepast. In dieuitspraken heeft de rechter immers lijfsdwang of vervangende hechtenisbepaald, niet gijzeling. Bij de uitvoering van deze «oude» uitsprakengelden de regels inzake lijfsdwang of vervangende hechtenis zoals dieluidden vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoer-legging strafrechtelijke beslissingen. Kort gezegd regelt het overgangs-recht dus dat in oude zaken het oude recht geldt. Met één uitzondering:niet de officier van justitie, maar de Minister kan te allen tijde beslissen totbeëindiging van de lijfsdwang of vervangende hechtenis.In een ontnemingszaak uit 2021 heeft de Hoge Raad dit overgangsrechtzeer restrictief uitgelegd (ECLI:NL:HR:2021:109). De Hoge Raad bepaaldedat het overgangsrecht alleen geldt indien de rechtbank al vóór 1 januari2020 daadwerkelijk verlof had verleend tot tenuitvoerlegging vanlijfsdwang. In andere gevallen, ook als de ontnemingsmaatregel isopgelegd vóór 1 januari 2020, moet de officier van justitie een gijzelings-vordering indienen, aldus de Hoge Raad. Het gevolg is dat in vrijwel alleoude zaken (toch) gijzeling wordt toegepast indien betaling uitblijft.Deze rechtspraak van de Hoge Raad heeft geleid tot enkele onwenselijkebeslissingen in de lagere rechtspraak. Enkele rechtbanken hebbenopgemerkt dat zij op grond van het oude artikel 577c, zevende lid,bevoegd waren een lijfsdwang op te heffen op verzoek van de veroor-deelde (o.a. Rb. Noord-Nederland 7 juni 2023, zaaknummer 23–011197 enRb Gelderland 17 februari 2023, zaaknummer 23–001742 (beide nietgepubliceerd)). Dat is op zichzelf een juiste constatering. Op basis van hetovergangsrecht zou deze bevoegdheid tot opheffing nog steeds hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3126 gegolden ten aanzien van een lijfsdwang in een «oude» zaak. Als gevolgvan de rechtspraak van de Hoge Raad wordt echter geen toepassinggegeven aan het oude recht, maar aan de regels inzake gijzeling. In reactieop een verzoek tot opheffing van de gijzeling overwegen de genoemderechtbanken dat de vroegere bevoegdheid tot opheffing «abusievelijk»niet lijkt te zijn overgenomen in de regeling over gijzeling. De rechtbankenachten zich bevoegd te beslissen op een dergelijk verzoek. Bij de gijzelingis evenwel welbewust geen rol meer weggelegd voor de rechtbank tenaanzien van de beëindiging. Gelet op diens verantwoordelijkheid voor detenuitvoerlegging is deze bevoegdheid exclusief aan de Minister. Voor eenrechterlijke controle is ook geen aanleiding meer, omdat het dwangmiddelgijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde aantoonbaar nietkan betalen. De bevoegdheid van de rechtbank is, mede gelet op artikel7.1.20, beperkt tot de in de wet genoemde gevallen (vgl. ECLI:NL:RBDHA:2023:14421).TITEL 5.5VerrekeningArtikel 7.5.22 [verrekening]Indien een geldbedrag dient te worden uitbetaald aan een (gewezen)verdachte of veroordeelde, kan de Minister dit verrekenen met opeisbareopenstaande strafrechtelijke vorderingen. Het uitkeren van eengeldbedrag aan een (gewezen) verdachte of veroordeelde doet zichbijvoorbeeld voor bij het terugstorten van een waarborgsom (artikel 7.2.5,derde lid) of als de officier van justitie overgaat tot opheffing van een inhet kader van artikel 2.7.19 gelegd beslag. Verrekening is wenselijk om tevoorkomen dat gelden worden terugbetaald aan een persoon dietegelijkertijd op grond van een (andere) onherroepelijke strafrechtelijkebeslissing geld is verschuldigd aan de Staat. De praktische werkwijze isdat in gevallen waarin uitkering van een geldbedrag aan een (gewezen)verdachte of veroordeelde aan de orde lijkt, door het CJIB kan wordennagegaan of sprake is van opeisbare strafrechtelijke vorderingen. Zo ja,dan wordt het uit te keren bedrag in mindering gebracht op de opeisbarevorderingen. Een eventueel surplus wordt gerestitueerd. De betrokkenewordt door de Minister – feitelijk dus het CJIB – in kennis gesteld van detoegepaste verrekening.Naar huidig recht kan ook verrekening plaatsvinden door de rechter. Dit ishet geval bij toewijzing van een verzoek om schadevergoeding naonterecht voorarrest (huidig artikel 534, derde lid). Deze bevoegdheid vande rechter is niet overgenomen. De nieuwe regeling inzake schadever-goeding in Boek 6, Hoofdstuk 6 (Schadevergoeding en kosten) is namelijkzo vormgegeven dat uitbetaling niet langer plaatsvindt door de griffier,maar door de schadeveroorzakende instantie(s) zelf, ook in geval van eeneventuele beroepsprocedure. Dat maakt een rechterlijke bevoegdheid totverrekening overbodig. Dit artikel laat evenwel ruimte aan de schadever-oorzakende instantie(s) om, voordat wordt overgegaan tot uitbetaling, bijhet CJIB na te gaan of sprake is van opeisbare strafrechtelijke vorde-ringen. Deze kan het CJIB dan verrekenen voordat uitbetaling van hetrestant plaatsvindt door de schadeveroorzakende instantie(s). Voorverrekening door de Minister is dus niet vereist dat (ook) de uiteindelijkeuitbetaling plaatsvindt door de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3127 TITEL 5.6RechtsmiddelenArtikel 7.5.23 [bezwaarschrift inzake verhaal met dwangbevel]Eerste en tweede lidHet huidige artikel 6:4:5, derde lid, kent de veroordeelde het recht toe omverzet te doen tegen een dwangbevel tot verhaal. In dit artikel is ditrechtsmiddel inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. De termen «verzet»en «verzetschrift» zijn daarbij vervangen door de term «bezwaarschrift».In het nieuwe wetboek keert de verzetschriftprocedure namelijk niet terug(zie artikel 5.1.2). Het in dit artikel vasthouden aan de term verzet zouonzekerheid tot gevolg hebben over de toepassing van Boek 5, Hoofdstuk2, dat betrekking heeft op het instellen, intrekken en afstand doen vangewone rechtsmiddelen. Dit rechtsmiddel hangt samen met het rechts-middel dat door de geëxecuteerde kan worden ingesteld in civiele zaken.Met dat civielrechtelijke rechtsmiddel heeft het verzet van het huidigeartikel 6:4:5, derde lid, echter alleen de naam gemeen. De bepalingen vanhet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op dat verzet niet vanovereenkomstige toepassing verklaard. Er is, kortom, geen noodzaak omaansluiting te (blijven) zoeken bij het civiele recht. Dit rechtsmiddel isdaarom in overeenstemming gebracht met de systematiek van Boek 5door te spreken over een bezwaarschriftprocedure. Daarbij is niet uit hetoog verloren dat de positie van derden die recht menen te hebben op deinbeslaggenomen voorwerpen wél wordt beheerst door het civiele recht.De huidige artikelen 6:4:4, derde lid, en 6:4:5, vierde lid – die zijn samenge-voegd tot artikel 7.5.25 – verklaren het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor-dering in zoverre van toepassing. Dat betekent dat voor deze derden hetrechtsmiddel verzet openstaat (zie de artikelen 456 en 538 tot en met 540van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Nu geen sprake is vaneen strafvorderlijk rechtsmiddel, is het niet bezwaarlijk – of eigenlijk:juist – dat dit rechtsmiddel niet in Boek 5 voorkomt. Dat er een verschil interminologie is tussen het rechtsmiddel dat de veroordeelde terbeschikking staat en het rechtsmiddel dat de derde kan aanwenden, isweinig bezwaarlijk. Het gaat immers om verschillende rechtsmiddelen.Het civielrechtelijke verzet is een ander rechtsmiddel dan het bezwaar datis geregeld in dit artikel.Het bezwaarschrift wordt ingediend bij de rechtbank die het strafbare feitheeft berecht waarvoor de straf of maatregel is opgelegd (artikel 7.1.20,eerste lid). Gaat het om de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking,dan wordt het bezwaarschrift ingediend bij de rechtbank in het rechts-gebied van het adres van de veroordeelde. Voor dat laatste geval moet hetbezwaarschrift naar huidig recht worden ingediend bij «het gerecht datvan het daartegen gerichte verzet kennis heeft genomen of, indien verzetzou zijn gedaan, daarvan kennis had kunnen nemen». Die regeling isechter niet sluitend. Als de rechtbank heeft kennisgenomen van hetbedoelde verzet en daarover heeft geoordeeld, is immers geen sprakemeer van een bij strafbeschikking opgelegde geldboete. Het vonnis van derechtbank komt dan doorgaans – met vernietiging van de strafbe-schikking – voor die strafbeschikking in de plaats. Mogelijk is gedacht aanhet geval dat een niet onherroepelijke strafbeschikking wordt tenuitvoer-gelegd en dat tegelijk met het verzet tegen het dwangbevel verzet tegende strafbeschikking is gedaan. Op dat moment is echter geen sprake vaneen gerecht dat van het verzet tegen de strafbeschikking heeft kennisge-nomen. Evenmin is duidelijk welke rechtbank van het verzet zal kennis-nemen. De officier van justitie van het parket dat in de strafbeschikkingstaat vermeld (zie artikel 5.2.1, eerste lid) kan de procesinleiding gezienTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3128 zijn landelijke bevoegdheid in beginsel bij elke bevoegde rechtbankindienen. De huidige voorziening biedt dus evenmin houvast voor hetgeval geen verzet tegen de strafbeschikking is gedaan. Mede in navolgingvan het advies van de Rvdr is daarom aansluiting gezocht bij de bevoegd-heidsregeling van artikel 7.5.21, tweede lid. Dat betekent dat het bezwaar-schrift wordt ingediend bij de rechtbank in het rechtsgebied van het adresvan de veroordeelde. Als adres wordt aangemerkt het in de basisregis-tratie personen vermelde adres. Als de veroordeelde zich onverhooptmeldt bij een andere rechtbank, zal deze de zaak overdragen aan debevoegd geachte rechtbank (artikel 7.1.20, vierde lid). Indien de veroor-deelde niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratiepersonen, is de rechtbank Noord-Nederland bevoegd. Voor die centrali-satie pleit dat het aantal gevallen waarom het gaat beperkt is, en datdegenen die namens de Minister optreden – de Minister heeft hetdwangbevel uitgevaardigd – in Leeuwarden zetelen.Het bezwaarschrift wordt ingediend binnen twee weken na de betekeningvan het dwangbevel. Met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kanniet worden aangevangen totdat onherroepelijk is beslist op het bezwaar-schrift (artikel 1.10.2, tweede lid, in samenhang met artikel 5.1.2). Indienberoep in cassatie wordt ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank(artikel 7.5.24), duurt de opschorting dus voort totdat de Hoge Raad heeftbeslist.In afwijking van het huidige artikel 6:4:5, derde lid, is niet langer bepaalddat het bezwaarschrift niet kan zijn gericht tegen de oorspronkelijkegeldboete, schadevergoedingsmaatregel of ontnemingsmaatregel. Datspreekt namelijk voor zich. De oorspronkelijke strafrechtelijke beslissing isonherroepelijk en wordt reeds tenuitvoergelegd. Op grond van het eerstelid kan het bezwaarschrift slechts zijn gericht tegen een in het kader vande tenuitvoerlegging uitgevaardigd dwangbevel tot verhaal.Derde lidOmdat de Minister het dwangbevel heeft uitgevaardigd, is het wenselijkdat de Minister wordt opgeroepen en ter zake wordt gehoord. Bij gebrekaan een bijzondere bepaling gelden de hoofdregels van Boek 1, Titel 2.3(De raadkamer), waarin steeds een rol is weggelegd voor het openbaarministerie. Zo moet het openbaar ministerie de op de zaak betrekkinghebbende stukken overleggen (artikel 1.2.15, eerste lid), is het openbaarministerie bij het onderzoek op de zitting aanwezig en wordt het gehoordover de beslissingen die de raadkamer heeft te nemen (artikel 1.2.18,eerste lid), en wordt de beslissing van de raadkamer direct ter kennisgebracht van het openbaar ministerie (artikel 1.2.24, eerste lid). Hetopenbaar ministerie heeft evenwel geen betrokkenheid bij het uitvaar-digen van het dwangbevel waartegen bezwaar wordt gemaakt. Het derdelid van dit artikel garandeert daarom dat niet het openbaar ministerie,maar de Minister optreedt als procespartij. In deze bezwaarschriftpro-cedure treedt de Minister dus feitelijk in de plaats van het openbaarministerie (vgl. Kamerstukken II 2021/2022, 36 003, nr. 3, p. 41).Artikel 7.5.24 [beroep in cassatie inzake verhaal met dwangbevel]Eerste en tweede lidDe Minister en de veroordeelde kunnen beroep in cassatie instellen tegende beslissing van de rechtbank op een bezwaarschrift dat is ingediend opgrond van artikel 7.5.23. De Minister kan beroep instellen binnen tweeweken na de beslissing en de veroordeelde binnen twee weken na debetekening van de beslissing. Indien op grond van artikel 7.1.24, derde lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3129 geen betekening hoeft plaats te vinden omdat de veroordeelde bij deuitspraak aanwezig was of de dag van de uitspraak hem tevoren ismeegedeeld, kan de veroordeelde beroep instellen binnen twee weken nade beslissing. De veroordeelde is in het beroep slechts ontvankelijk navoorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en vanalle kosten op de griffie van de rechtbank die de beslissing heeftgenomen.Derde lidVolgens artikel 5.6.7 is Boek 5, Titel 5.1, van overeenkomstige toepassingop het cassatieberoep, tenzij de wet anders bepaalt. In Boek 5, Titel 5.1, isde gewone cassatieprocedure geregeld. Die regeling is toegesneden ophet openbaar ministerie en de verdachte. Omdat het in dit artikel gaat omde Minister en de veroordeelde, kan de vraag opkomen wat de overeen-komstige toepassing in dit geval inhoudt. Daarom verduidelijkt het derdelid dat voor beiden geldt wat is bepaald ten aanzien van de verdachte. Datbetekent aan de ene kant dat voor de Minister dezelfde termijn geldt voorhet indienen van een schriftuur (namelijk de termijn van artikel 5.5.7,tweede lid) en aan de andere kant dat alleen een raadsman – voor deMinister een advocaat – de zaak kan bepleiten (artikel 5.5.10, eerste lid).Artikel 7.5.25 [rechtspositie derden]Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat voorzieningen voorde derde die een recht wil doen gelden op inbeslaggenomen voorwerpen.Zie de artikelen 456 en 538 tot en met 540 van het Wetboek van BurgerlijkeRechtsvordering. Deze bepalingen zijn onverkort van toepassing, zoverduidelijkt dit artikel. Het betreft een samenvoeging van de huidigeartikelen 6:4:4, derde lid, en 6:4:5, vierde lid.Artikel 7.5.26 [rechtsmiddelen inzake verhaal zonder dwang-bevel]Tegen verhaal zonder dwangbevel kan iedere belanghebbende eenbezwaarschrift indienen bij de rechtbank. Net als het rechtsmiddel tegenverhaal met dwangbevel (artikel 7.5.23), geldt dat dit rechtsmiddel isvormgegeven als bezwaarschriftprocedure. De procedure is grotendeelsgelijk aan de bezwaarschriftprocedure en het beroep in cassatie bijverhaal met dwangbevel, met dien verstande dat de bezwaartermijnafwijkt. Indiening van het bezwaarschrift kan plaatsvinden tot zes wekenna de kennisgeving van verhaal aan de veroordeelde. Sinds de Wetherziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen wordt eenkennisgeving van verhaal zonder dwangbevel niet meer betekend, maarvia de post verstuurd. Daarmee samenhangend is de oude termijn vanéén week vervangen door zes weken. Dit is de in het bestuursrechtgebruikelijke termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift(artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). Betekening is nietnoodzakelijk aangezien de betrokkene in die zes weken ook al via andereweg, te weten de afboeking op zijn bankrekening, kennis neemt van hetgenomen verhaal (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 126). Eenander relevant verschil is dat artikel 7.5.24, tweede lid, de ontvankelijkheidvan een door de veroordeelde ingesteld cassatieberoep afhankelijk steltvan zekerheidstelling. Die eis geldt uiteraard niet voor een door een derdeingesteld beroep; dit is geëxpliciteerd. Zie verder de toelichting op deartikelen 7.5.23 en 7.5.24.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3130 Artikel 7.5.27 [bezwaarschrift inzake teruggave bij ontnemings-schikking]Eerste lidDe officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de zitting niet isgesloten, met de verdachte een ontnemingsschikking aangaan (artikel4.4.24). Met een ontnemingsschikking kan een (voortzetting van de)ontnemingsprocedure worden voorkomen. Als na voldoening aan determen van de ontnemingsschikking blijkt van omstandigheden die deoplegging van de ontnemingsmaatregel zouden hebben uitgesloten, kande gewezen verdachte verzoeken om teruggave van betaalde geldbe-dragen of overgedragen voorwerpen. Zie daarover artikel 7.5.13 en debijbehorende toelichting. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid vanbezwaar tegen de beslissing (of het uitblijven daarvan) van de officier vanjustitie. Naar huidig recht is deze procedure vastgelegd in artikel 6:6:27.Tweede lidHet bezwaarschrift kan worden ingediend binnen twee weken nadat degewezen verdachte kennis heeft gekregen van de desbetreffendebeslissing. Het bezwaarschrift kan ook worden ingediend nadat eenmaand is verstreken sinds de indiening van het verzoek waarop nog nietis beslist.Derde lidDe regeling van de relatieve competentie is ondergebracht in een nieuwderde lid en wijkt af van (het slot van) het huidige artikel 6:6:27, eerste lid.Nog afgezien van de vraag of het wel juist is om – zoals in dat artikellidwordt gedaan – te spreken over een officier van justitie die bij eenrechtbank «is geplaatst», voorziet de huidige regeling niet in het gevalwaarin de ontnemingsschikking is aangegaan door een officier van justitiebij een van de drie landelijke parketten. Daarin is alsnog voorzien. Voorhet overige sluit de regeling zoveel mogelijk aan bij de bestaanderegeling.Vierde lidIndien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond acht, beveelt zij deteruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naarmaatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit uit het civiele recht bekendecriterium laat toe dat de rechtbank de teruggave van een hoger bedragbeveelt dan ter uitvoering van de ontnemingsschikking is betaald,bijvoorbeeld door de wettelijke rente mede te betrekken.Artikel 7.5.28 [bezwaarschrift inzake teruggave bij ontnemings-schikking of strafbeschikking]Eerste lidDe officier van justitie kan in een strafbeschikking aanwijzingen gevenwaaraan de verdachte moet voldoen (artikel 3.3.1, derde lid). Een van demogelijke aanwijzingen is de voldoening aan de Staat van een geldbedragter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregenvoordeel (artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel c). De officier van justitie kanook, zolang het onderzoek op de zitting niet is gesloten, met de verdachteeen ontnemingsschikking aangaan (artikel 4.4.24). Als na betaling van eenbedrag of na overdracht van voorwerpen blijkt dat het werkelijk verkregenvoordeel lager is – bijvoorbeeld als gevolg van door derden aange-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3131 spannen civielrechtelijke procedures – kan de gewezen verdachte of deveroordeelde de Minister verzoeken om teruggave van een geldbedraggelijk aan het verschil. Zie daarover artikel 7.5.14 en de bijbehorendetoelichting. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid van bezwaar tegen debeslissing (of het uitblijven daarvan) van de Minister. Naar huidig recht isdeze procedure vastgelegd in artikel 6:6:24.Tweede lidHet bezwaarschrift kan worden ingediend binnen twee weken nadat degewezen verdachte of de veroordeelde kennis heeft gekregen van debeslissing op het verzoek. Het bezwaarschrift kan ook worden ingediendnadat een maand is verstreken sinds de indiening van het verzoek waaropnog niet is beslist.Derde lidHet is wenselijk dat de Minister wordt opgeroepen en ter zake wordtgehoord, aangezien de Minister de beslissing heeft genomen waartegenbezwaar wordt gemaakt, of heeft nagelaten die beslissing te nemen.Zonder bijzondere bepaling zouden de hoofdregels van Boek 1, Titel 2.3(De raadkamer) gelden, waarin steeds een rol is weggelegd voor hetopenbaar ministerie. Zo moet het openbaar ministerie de op de zaakbetrekking hebbende stukken overleggen (artikel 1.2.15, eerste lid), is hetopenbaar ministerie bij het onderzoek op de zitting aanwezig en wordt hetgehoord over de beslissingen die de raadkamer heeft te nemen (artikel1.2.18, eerste lid), en wordt de beslissing van de raadkamer direct terkennis gebracht van het openbaar ministerie (artikel 1.2.24, eerste lid). Hetopenbaar ministerie heeft evenwel geen betrokkenheid bij de beslissingwaartegen bezwaar wordt gemaakt. In navolging van het advies van hetOM schrijft het derde lid voor dat niet het openbaar ministerie, maar deMinister optreedt als procespartij. In deze bezwaarschriftprocedure treedtde Minister dus feitelijk in de plaats van het openbaar ministerie (vgl.Kamerstukken II 2021/2022, 36 003, nr. 3, p. 41).Vierde lidIndien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond acht, beveelt zij deteruggave van het verschil tussen het werkelijke voordeel en het betaaldebedrag. De bepaling dat een eventuele verhoging van rechtswege vervalt– zie het huidige artikel 6:6:24, derde lid – is niet overgenomen, omdat bijde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geen verhogingenplaatsvinden.HOOFDSTUK 6Andere straffen en maatregelenTITEL 6.1TaakstrafArtikel 7.6.1 [uitvoeringstermijn]Eerste lidEen taakstraf moet binnen een bepaalde termijn worden verricht. Vooreen door de rechter opgelegde taakstraf geldt een termijn van achttienmaanden en voor een door de officier van justitie in een strafbeschikkingopgelegde taakstraf een termijn van negen maanden. De termijn begint teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3132 lopen vanaf het moment dat het vonnis of arrest dan wel de strafbe-schikking onherroepelijk is geworden. Een en ander is inhoudelijkongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:3:1.Tweede lidDe termijn van de taakstraf loopt niet gedurende de tijd dat de veroor-deelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsont-neming ongeoorloofd afwezig is. Voor deze opschorting of schorsingmaakt het niet uit of de veroordeelde al was gedetineerd ten tijde van hetopleggen van de taakstraf, of dat het om een latere detentie gaat. In allegevallen wordt beoogd te voorkomen dat de veroordeelde de verjaringvan de taakstraf (en de vervangende hechtenis) kan bewerkstelligen doorzich aan de vrijheidsbeneming te onttrekken of ontvluchten.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het tweede lid ook geldt indiende rechtbank een nieuwe termijn heeft gesteld na een bezwaarschrifttegen de toepassing van vervangende hechtenis (artikel 7.6.21, derde lid).De wet maakt geen onderscheid tussen de oorspronkelijke termijn en dedoor de rechtbank gestelde termijn. In beide gevallen gaat het om «determijn waarbinnen de taakstraf moet worden verricht», zoals dit artikelhet verwoordt.Artikel 7.6.2 [identiteitsvaststelling]Bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf wordt de identiteit van deveroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste entweede lid. Dit voorschrift is geïntroduceerd met de Wet identiteitsvast-stelling verdachten, veroordeelden en getuigen (Stb. 2009, 317) met alsdoel het versterken van een juiste, betrouwbare en zorgvuldigevaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden in destrafrechtketen. De geloofwaardigheid van de rechtsstaat vereist immersdat de veroordeelde zelf zijn taakstraf ondergaat en wordt begeleid. Zieover de verificatie van de identiteit tijdens taakstraffen nader Kamer-stukken II 2007/08, 31 436, nr. 3, p. 37–40. Dit artikel betreft een samen-voeging van het huidige artikel 257a, vijfde lid (voor zover dat betrekkingheeft op de taakstraf) en artikel 22k, tweede zin, van het Wetboek vanStrafrecht (oud), dat met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechte-lijke beslissingen abusievelijk is vervallen zonder dat een daarmeecorresponderende bepaling in het huidige wetboek was opgenomen. Innavolging van het advies van de 3RO is verduidelijkt dat de veroordeeldeverplicht is medewerking te verlenen aan de identiteitsvaststelling. Dezemedewerkingsplicht bleek al impliciet uit de bepaling dat de vervangendehechtenis wordt bevolen indien de veroordeelde (onder andere) nietmeewerkt aan het vaststellen van de identiteit (artikel 7.6.4, huidig artikel6:3:3). Voor de duidelijkheid is deze medewerkingsplicht geëxpliciteerd.Artikel 7.6.3 [wijziging werkzaamheden]Met deze bepaling is het huidige artikel 6:3:2 inhoudelijk ongewijzigdovergenomen. Het bevat een uitzondering op de regel dat een door derechter opgelegde straf of maatregel niet wordt gewijzigd. De officier vanjustitie kan de inhoud van een taakstraf wat betreft de aard van de teverrichten werkzaamheden wijzigen indien een veroordeelde deze nietgeheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten.Een dergelijk inhoudelijk wijzigen van een door de rechter opgelegdetaakstraf is slechts in een beperkt aantal gevallen aan de orde. Hiervoor isnamelijk niet alleen nodig dat de rechter – anders dan gebruikelijk – vanuitde aard van het delict een specifieke taakstraf oplegt (bijvoorbeeld werkenin een revalidatiecentrum na dronken rijden), maar ook dat deze specifiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3133 taakstraf niet beschikbaar of anderszins niet haalbaar blijkt (bijvoorbeelddoor arbeidsongeschiktheid). In deze samenloop van uitzonderlijkeomstandigheden wordt door de reclassering gezocht naar het bestovereenkomende alternatief van vergelijkbare aard en zwaarte. De officiervan justitie toetst vervolgens zorgvuldig of de door de reclasseringvoorgestelde inhoudelijke wijziging nog in lijn is met wat de rechter heeftbedoeld met de oorspronkelijke taakstraf. De officier van justitie geeft vande wijziging kennis aan de veroordeelde. De kennisgeving behelst hetaantal uren taakstraf dat naar het oordeel van de officier van justitie isverricht, alsmede de taakstraf zoals deze voor het overige nader isvastgesteld. De kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk betekend aan deveroordeelde.Naar het oordeel van het OM is het CJIB net zo goed als de officier vanjustitie in staat te bepalen of de alternatieve werkzaamheden in lijn zijnmet wat de rechter heeft bedoeld met de oorspronkelijke taakstraf. HetOM heeft om die reden verzocht de bevoegdheid tot wijziging van detaakstraf toe te kennen aan de Minister. Aan dit verzoek is geen opvolginggegeven. Het gaat hier immers om de sporadische gevallen waarin derechter vanuit de aard van het delict een specifieke taakstraf heeftopgelegd – bijvoorbeeld werken in een revalidatiecentrum na dronkenrijden – en deze taakstraf niet beschikbaar of anderszins niet haalbaarblijkt, bijvoorbeeld vanwege arbeidsongeschiktheid. Een wijziging van deinhoud van deze straf betreft de toepassing van sanctierecht. Het OM lijktte miskennen dat dit een magistratelijke aangelegenheid is. Het is niet aande Minister maar aan de rechter of de officier van justitie om te bepalenwelke taakstraf moet worden opgelegd (artikel 22c, eerste lid, van hetWetboek van Strafrecht). Het (bij uitzondering) concretiseren van dewerkzaamheden hoort daarbij, zo wordt mede opgemerkt in reactie op hetadvies van de 3RO. Het is dan ook niet aan de Minister om te bepalen ofde werkzaamheden op enig moment moeten worden gewijzigd, want danzou de Minister treden in de oorspronkelijke beslissing van de rechter ofde officier van justitie. Wijziging van de inhoud van een taakstraf vergt omdie reden altijd een beslissing van de officier van justitie.Het OM heeft hetzelfde verzocht ten aanzien van de kennisgeving aan deveroordeelde over de wijziging van de taakstraf. Ook dit is volgens het OMeen taak die beter zou kunnen worden toegekend aan de Minister. Het OMnoemt in dit verband tevens artikel 7.6.4, derde lid, over de kennisgevingvan de beslissing tot toepassing van vervangende hechtenis. Het OMverzoekt deze administratieve taken bij de Minister te beleggen. Debeslissingen die het OM noemt, betreffen echter beslissingen van deofficier van justitie die moeten worden betekend. Betekening vindt inbeginsel altijd plaats door het openbaar ministerie (artikel 1.9.10). Medegelet op de zwaarte van de beslissingen – in het geval van dit artikelbetreft het de toepassing van sanctierecht in het geval van artikel 7.6.4betreft het vrijheidsbeneming – is er geen aanleiding af te wijken van dealgemene systematiek inzake betekening.De Rvdr, tot slot, heeft in overweging gegeven de raad voor de kinderbe-scherming advies te laten uitbrengen aan de officier van justitie voordatde taakstraf kan worden gewijzigd. Een dergelijke adviesrol is echteralleen van toegevoegde waarde indien de taakstraf is opgelegd mettoepassing van het jeugdstrafrecht. Voor die gevallen is betrokkenheidvan de raad voor de kinderbescherming reeds geborgd in artikel 7.7.20. Indit artikel gaat het echter om taakstraffen die zijn opgelegd aan volwas-senen en dus zonder toepassing van het jeugdstrafrecht. De raad voor dekinderbescherming heeft geen betrokkenheid bij de uitvoering van dezetaakstraffen. Om die reden is de suggestie van de Rvdr niet opgevolgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3134 Artikel 7.6.4 [toepassing vervangende hechtenis]Bij oplegging van een taakstraf bepaalt de rechter ook de duur van devervangende hechtenis die zal worden toegepast voor het geval dat deveroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht (artikel 22d van hetWetboek van Strafrecht). Indien de veroordeelde niet aanvangt met detaakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijnidentiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordtde vervangende hechtenis toegepast. De tenuitvoerlegging van eentaakstraf wordt als mislukt beschouwd indien de veroordeelde zich, naeen waarschuwing, opnieuw niet aan zijn verplichtingen houdt, indien determijn waarbinnen de taakstraf moet worden uitgevoerd dreigt te wordenoverschreden en dat te wijten is aan de veroordeelde, of in geval van eenernstige misdraging – denk aan werkweigering, dronkenschap, beledigingof het plegen van een misdrijf – waardoor de verdere uitvoering van detaakstraf onmogelijk wordt (Kamerstukken II 1998/99, 26 114, nr. 5, p. 18).De toepassing van vervangende hechtenis vindt – net als in het huidigeartikel 6:3:3 – plaats door de officier van justitie. De officier van justitiegeeft hiervan kennis aan de veroordeelde.Toepassing van de vervangende hechtenis kan alleen achterwege blijvenindien dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard wegensuitzonderlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan na hetopleggen van de taakstraf. Daarbij kan worden gedacht aan gewijzigdepersoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals een ernstigeziekte, een ongeval of opname in een accommodatie.Opgemerkt zij dat dit artikel alleen toepassing vindt bij een door derechter opgelegde taakstraf. Bij een taakstraf die is opgelegd in eenstrafbeschikking wordt de zaak bij niet (volledige) uitvoering geretour-neerd naar de officier van justitie en wordt het strafbare feit in beginselalsnog voorgelegd aan de rechter.Artikel 7.6.5 [beslistermijn officier van justitie]Eerste lidDe beslissing van de officier van justitie tot wijziging van de werkzaam-heden van de taakstraf (artikel 7.6.3, eerste lid) of tot toepassing vanvervangende hechtenis (artikel 7.6.4, eerste lid) kan worden genomen totdrie maanden na afloop van de termijn waarbinnen de taakstraf moetworden verricht. Zoals benadrukt in de toelichting op artikel 7.6.1, wordtonder «de termijn waarbinnen de taakstraf moet worden verricht» nietalleen de oorspronkelijke termijn van artikel 7.6.1, eerste lid, verstaan,maar ook de termijn die de rechtbank kan stellen op grond van artikel7.6.21, derde lid. In de praktijk worden de beslissingen genomen zodraduidelijk is geworden dat de taakstraf niet of niet naar behoren isuitgevoerd. Er wordt doorgaans dus niet gewacht tot het laatste moment.Tweede lidDit lid is nieuw en bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de taakstrafeindigt als de termijn van de taakstraf is verlopen en niet tijdig eenbeslissing tot omzetting is genomen of de beslissing inhoudt dat geenvervangende hechtenis wordt toegepast. De aanleiding voor dit artikellidis dat taakstraffen strikt genomen twee termijnen kennen; naast deuitvoeringstermijn (artikel 7.6.1, eerste lid, of artikel 7.6.21, derde lid) ookeen tenuitvoerleggingstermijn (artikelen 7.1.7 en 7.1.8). Die laatste termijnloopt door, ook bij het niet toepassen van vervangende hechtenis of bijhet niet tijdig nemen van een beslissing daarover. Om te voorkomen datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3135 de voorraad openstaande straffen en maatregelen gevuld blijft mettaakstraffen waaraan feitelijk geen uitvoering meer kan worden gegeven,bepaalt het tweede lid dat de tenuitvoerlegging in deze gevallen definitiefeindigt.Artikel 7.6.6 [kennisgeving voltooiing taakstraf]Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid stelt de Minister de veroordeeldezo spoedig mogelijk in kennis van zijn oordeel dat de opgelegde taakstrafnaar behoren is verricht.Artikel 7.6.7 [nadere regels]Dit laatste artikel van de titel over taakstraffen bevat een grondslag voornadere regels over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging vande taakstraf en de rechten en plichten van de tot een taakstraf veroor-deelde.TITEL 6.2Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersArtikel 7.6.8 [tenuitvoerlegging en kosten laatste fase]Eerste lidBij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders(hierna ook: ISD-maatregel) kan de laatste fase van de tenuitvoerleggingplaatsvinden buiten de inrichting. Betrokkenheid van het college vanburgemeester en wethouders is aan de orde indien en voor zover delaatste fase buiten de inrichting wordt doorgebracht. Dit artikel bevatenkele bepalingen over deze laatste fase van de tenuitvoerlegging. Hetbetreft een samenvoeging van het huidige artikel 6:2:19, tweede lid, en deartikelen 44d, derde lid, 44e, tweede lid, en 44f van de Penitentiairemaatregel. Deze samenvoeging vindt plaats omdat naar huidig recht optwee plaatsen hetzelfde is geregeld.Tweede lidDe Minister is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van strafrechte-lijke beslissingen (artikel 1.10.1, tweede lid), dus ook voor de tenuitvoer-legging van de ISD-maatregel in al haar fasen. In het tweede lid is totuitdrukking gebracht dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering vande ISD-maatregel in de laatste fase buiten de inrichting ligt bij het collegevan burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente. Dezenotie is overgenomen uit het huidige artikel 44e, tweede lid, van dePenitentiaire maatregel. In dit verband wordt gewezen op artikel 8, tweedelid, van de Penitentiaire maatregel. Daarin is onder meer bepaald datdegene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het penitentiairprogramma, toezicht houdt op het dagelijkse verloop daarvan. Met de«uitvoering» van de maatregel wordt gedoeld op de feitelijke endagelijkse uitvoering van de laatste fase. Daarvoor is het college vanburgemeester en wethouders verantwoordelijk. Het college van burge-meester en wethouders maakt bij de uitvoering van zijn taak gebruik vanzijn bevoegdheden en de ten dienste staande middelen en voorzieningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3136 Derde lidDe Minister en het college van burgemeester en wethouders makenafspraken over de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregelbuiten de inrichting. Deze bepaling is overgenomen uit artikel 44f, eerstelid, van de Penitentiaire maatregel. De afspraken betreffen in ieder gevalde huisvesting, de arbeid en de dagbesteding van de veroordeelde. Het isniet noodzakelijk afspraken te maken met iedere afzonderlijke gemeente.Afspraken kunnen de vorm krijgen van een convenant (Stb. 2004, 272).Vierde lidDe kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregelkomen ten laste van de deelnemende gemeente voor zover die kostenbetrekking hebben op het verblijf buiten de inrichting. Dit is een uitzon-dering op het uitgangspunt dat de kosten van de tenuitvoerlegging tenlaste komen van de Staat (artikel 1.10.10, eerste lid). Naar huidig recht isdeze uitzondering vastgelegd in artikel 6:2:19, tweede lid, en in artikel 44f,tweede lid, van de Penitentiaire maatregel.Naast de overheveling van de hierboven genoemde bepalingen uit dePenitentiaire maatregel, zullen uit dat besluit ook enkele bepalingenkomen te vervallen. Dat zal gebeuren via het invoeringsbesluit bij hetnieuwe wetboek. Te beginnen met artikel 44d, eerste lid, dat bepaalt datde tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel plaatsvindt in een inrichting,en artikel 44e, eerste lid, dat de algemene verantwoordelijkheid voor detenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel buiten deinrichting bij de directeur legt. Deze artikelen vormen een herhaling vanrespectievelijk artikel 10a van de Penitentiaire beginselenwet en artikel1.10.1 en zijn in dat opzicht dus overbodig. Hetzelfde geldt voor artikel44d, tweede lid, waarin staat dat de directeur toestemming kan verlenenvoor het tijdelijk verlaten van de inrichting overeenkomstig bij ministeriëleregeling te stellen nadere regels. Voor de ISD-maatregel is geen eigengrondslag nodig voor nadere regels over het tijdelijk verlaten van deinrichting; artikel 26, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet spreektal algemeen over «gedetineerden». Daaronder vallen ook veroordeeldenmet een ISD-maatregel. Ook voor hen gelden dus de regels uit deRegeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Met het vervallen van degenoemde bepalingen en het overhevelen van de in artikel 7.6.8opgenomen bepalingen blijven de nadere regels in de Penitentiairemaatregel beperkt tot het zogeheten verblijfsplan, waarvoor artikel 18c,tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet de delegatiegrondslagbiedt.Tot slot wordt opgemerkt dat het eerste lid van het huidige artikel 6:2:19 isvervallen. Dat er inrichtingen zijn voor stelselmatige daders en dat deMinister die inrichtingen moet aanwijzen volgt namelijk al uit de artikelen8 en 9, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet. Dat in die inrich-tingen veroordeelden met een ISD-maatregel worden geplaatst, volgt uitartikel 15, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet.Artikel 7.6.9 [tussentijdse beoordeling]Dit artikel ziet op de mogelijkheid tussentijds – tijdens de tenuitvoer-legging – de noodzaak te beoordelen van verdere tenuitvoerlegging vande ISD-maatregel. Het is een aanvulling op artikel 38n, derde lid, van hetWetboek van Strafrecht, waarin is bepaald dat de rechter bij of na hetopleggen van de maatregel kan beslissen tot een tussentijdse beoor-deling. Op grond van dit artikel kan de rechtbank op verzoek van deveroordeelde tot een tussentijdse beoordeling beslissen. Bevoegd is deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3137 rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feitwaarvoor de maatregel is opgelegd (artikel 7.1.20, eerste lid). Dit kan dus– indien het gerechtshof voor het eerst de maatregel heeft opgelegd – eenandere rechter zijn dan die op grond van artikel 38n, derde lid, van hetWetboek van Strafrecht heeft besloten tot een tussentijdse beoordeling.Op dit punt strookt de bevoegdheidsregel van artikel 7.1.20, eerste lid, metde rechtspraak waaruit volgt dat een redelijke wetsuitleg meebrengt datten aanzien van een in hoger beroep opgelegde ISD-maatregel heeft tegelden dat de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen vanhet misdrijf ter zake waarvan de ISD-maatregel is opgelegd, bevoegd is toteen tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van detenuitvoerlegging van de maatregel (ECLI:NL:HR:2008:BG1596). Hetgerechtshof is zelf dus niet bevoegd tot een tussentijdse beoordeling,maar is wel bevoegd om gelijktijdig met het opleggen van de maatregel tebeslissen tot een tussentijdse beoordeling. Dat een andere rechter dan derechter die de maatregel heeft opgelegd oordeelt over de noodzaak vande voortzetting van de tenuitvoerlegging is overigens ook het geval alshet gerechtshof niet beslist tot een tussentijdse beoordeling van deISD-maatregel en zes maanden na de start van de tenuitvoerlegging wordtverzocht om een tussentijdse beoordeling. Het tweede en derde lidbevatten enkele specifieke voorschriften voor de tussentijdse beoordeling.Deze zijn inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel6:6:14.Artikel 7.6.10 [beëindiging door de Minister]Dit artikel geeft de Minister de bevoegdheid tot het tussentijds beëindigenvan de ISD-maatregel wanneer de voortzetting van de tenuitvoerlegginggeen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid meerdient. Voor de beëindiging zal de Minister het advies inwinnen van dedirecteur van de inrichting waar de veroordeelde is geplaatst. Het artikel isinhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel 6:2:20.Artikel 7.6.11 [nadere regels]Dit artikel bevat de grondslag voor het stellen van nadere regels bij hetbepaalde in de titel over de ISD-maatregel. De nadere regels hebben inieder geval betrekking op de kosten van de tenuitvoerlegging van delaatste fase van de maatregel die ten laste komen van de deelnemendegemeente (thans geregeld in de Penitentiaire maatregel).TITEL 6.3Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelenArtikel 7.6.12 [wijziging of opheffing maatregel artikel 38v Sr]Op grond van dit artikel kan de rechtbank de maatregel strekkende totbeperking van de vrijheid (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht)inhoudelijk wijzigen of opheffen gedurende de looptijd van die maatregel.Naar huidig recht is dit geregeld in artikel 6:6:23a1. Een wijziging van deinhoud van de maatregel – gedoeld wordt op de modaliteiten genoemd inhet tweede lid van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht – isbijvoorbeeld aangewezen indien de veroordeelde zich niet mag bevindenin de buurt van het woonadres van het slachtoffer (locatieverbod), en hetslachtoffer gedurende de looptijd van de maatregel verhuist. Doorwijziging van de inhoud van de maatregel kan rekening worden gehoudenmet het nieuwe adres of de nieuwe woonplaats van het slachtoffer. Eenwijziging van de maatregel is ook denkbaar bij de andere modaliteiten vande maatregel, zoals bij het locatiegebod of bij het intensiveren ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3138 afbouwen van de meldplicht. Het artikel sluit aan bij de regeling totwijziging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (artikel7.6.16, huidig artikel 6:6:23d). In lijn met die regeling is nieuw toegevoegddat de rechtbank de maatregel ook in zijn geheel kan opheffen. Opheffingkan in uitzonderlijke gevallen aangewezen zijn, bijvoorbeeld indien demaatregel is opgelegd voor de maximale termijn van vijf jaar en ruimvoordien blijkt dat geen grond meer aanwezig is voor voortduring van demaatregel, bijvoorbeeld omdat verzoening heeft plaatsgevonden tussende veroordeelde en het slachtoffer.Net als bij de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheids-beperking kan de rechtbank de maatregel strekkende tot beperking van devrijheid wijzigen op vordering van de officier van justitie of op verzoek vande veroordeelde, dan wel, naar aanleiding van een andere vordering ofeen ander verzoek, ambtshalve (artikel 7.1.20, derde lid). De beslissing vande rechtbank is dadelijk uitvoerbaar.De Rvdr heeft de suggestie gedaan om ook de rechter in hoger beroep debevoegdheid te geven tot wijziging van een dadelijk uitvoerbaarverklaarde maatregel. Deze suggestie wordt nader bezien en zal via eenaanvullingswet worden betrokken bij Boek 5 (Rechtsmiddelen).Artikel 7.6.13 [vordering tenuitvoerlegging maatregel artikel 38zSr]De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) beoogt nieuwe strafbarefeiten en slachtoffers te voorkomen of slachtoffers en voormaligegetuigen te beschermen tegen ernstig belastend gedrag van de veroor-deelde. Op grond van artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek vanStrafrecht kan deze maatregel worden opgelegd aan degene aan wieterbeschikkingstelling wordt opgelegd, of aan degene die wordt veroor-deeld tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor een seksueel misdrijfdan wel voor een geweldsdelict dat wordt bedreigd met een gevangenis-straf van vier jaar of meer.Eerste en tweede lidIn dit artikel en de navolgende artikelen is de tenuitvoerlegging van demaatregel geregeld na ommekomst van de terbeschikkingstelling, dedetentie of de proeftijd bij de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdegevangenisstraf dan wel voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier vanjustitie vordert de tenuitvoerlegging in beginsel binnen een maand vóórhet einde van deze modaliteiten. Deze termijn sluit aan bij de termijn voorhet vorderen van verlenging van de terbeschikkingstelling (zie artikel7.4.3, tweede lid; niet later dan een maand vóór het tijdstip waarop deterbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen). Daarmee kan ingevallen waarin zowel een terbeschikkingstelling als een maatregelstrekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking is opgelegd eenintegrale beoordeling plaatsvinden van de wenselijkheid van het indienenvan een verlengingsvordering van de terbeschikkingstelling of van eenvordering tot tenuitvoerlegging van de maatregel.Specifiek ten aanzien van de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdegevangenisstraf verduidelijkt dit artikel dat de maatregel kan wordentenuitvoergelegd na ommekomst van de proeftijd, zo wordt bevestigdrichting de 3RO. Het huidige artikel 6:6:23a is op dit punt onduidelijk. Datartikel kan zo worden gelezen dat tenuitvoerlegging van de maatregel alzou kunnen plaatsvinden tijdens de proeftijd. Op de veroordeelde zoudenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3139 dan twee toezichtkaders tegelijkertijd van toepassing zijn. Dat is nietalleen onnodig, maar vanuit een oogpunt van proportionaliteit ookonwenselijk. In geval van niet-naleving tijdens de proeftijd kan immersworden overgegaan tot tenuitvoerlegging van (een deel van) de voorwaar-delijk niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf. De maatregel is dus pas vanmeerwaarde als deze wordt tenuitvoergelegd aansluitend op de proeftijd.De officier van justitie is in een later ingediende vordering nietteminontvankelijk, indien hij aannemelijk maakt dat de grond voor tenuitvoer-legging van de maatregel zich eerst nadien heeft voorgedaan. Op dezewijze wordt voorkomen dat bijvoorbeeld in het geval van een kortereonvoorwaardelijke gevangenisstraf of in de situatie waarin de veroor-deelde de fout ingaat in de laatste maand van de voorwaardelijkeinvrijheidstelling of de terbeschikkingstelling met voorwaarden, demaatregel niet zou kunnen worden tenuitvoergelegd omdat het nietmogelijk is de tenuitvoerlegging binnen die termijn te vorderen (Kamer-stukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p. 57).Derde lidBij de vordering legt de officier van justitie een recent opgemaaktreclasseringsadvies over. Dit reclasseringsadvies zal de rechtbankinformatie verschaffen ter beoordeling van het recidiverisico en kandaarnaast aanwijzingen bevatten dat de veroordeelde mogelijk ernstigbelastend gedrag zal vertonen jegens het slachtoffer of getuigen. Dit isook relevant voor de bij het bevel tot tenuitvoerlegging te stellenvoorwaarden (artikel 7.6.14).Indien de officier van justitie in de vordering aangeeft dat behandeling ofopname in een zorginstelling aangewezen is, vereist het huidige artikel6:6:23a, derde lid, dat een medische verklaring wordt overgelegd waaruitde noodzaak blijkt van behandeling of opname. Naar aanleiding van deadviezen van de 3RO en het OM is deze eis niet overgenomen. In depraktijk bestaat veel onduidelijkheid over deze verklaring, onder meer ingevallen van ambulante zorg. De 3RO hebben bovendien terechtaangegeven dat een medische verklaring niet is vereist bij anderemodaliteiten waarbij dezelfde voorwaarde kan worden gesteld, zoals bijeen voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel (artikel 14cvan het Wetboek van Strafrecht), een terbeschikkingstelling metvoorwaarden (artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht), een voorwaarde-lijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (artikel 7.4.5) ofeen voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 7.3.9). Om deze redenen isde eis van een medische verklaring vervallen.Vierde lidAls de tenuitvoerlegging van de maatregel niet wordt gevorderd, vervaltde opgelegde maatregel van rechtswege aan het einde van de straftijd ofde terbeschikkingstelling, dan wel na ommekomst van de proeftijd bij devoorwaardelijk niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf of voorwaardelijkeinvrijheidstelling.Artikel 7.6.14 [gronden en voorwaarden maatregel artikel 38z Sr]Eerste lidIn dit lid is bepaald wanneer de rechtbank een bevel tot tenuitvoerleggingkan afgeven voor de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht). Tenuit-voerlegging is mogelijk indien ernstig rekening ermee wordt gehoudenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3140 dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal begaan waarvoor demaatregel kan worden opgelegd (onderdeel a) of ter voorkoming vanernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen (onderdeel b).Voor de grond in onderdeel a geldt dat bepalend is of het aanweziggeachte recidiverisico betrekking heeft op een misdrijf waarvoor demaatregel kan worden opgelegd. Het gaat daarbij kort gezegd om eenseksueel misdrijf of zwaar geweldsdelict, dan wel een ander misdrijfwaarvoor terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. Door deze naderebegrenzing is gewaarborgd dat de aard en de zwaarte van het misdrijfwaarvan een grote vrees voor recidive wordt aangenomen, bepalend zijnvoor de vraag of de maatregel kan worden tenuitvoergelegd of verlengd(Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p. 37).Ten aanzien van de grond in onderdeel b is van belang dat de vrees voorernstig belastend gedrag op enigerlei wijze geobjectiveerd is. Met degekozen formulering is beoogd aan te geven dat niet louter het subjec-tieve oordeel van, bijvoorbeeld, het slachtoffer over mogelijk teverwachten belastend gedrag bepalend is, maar dat het een objecti-veerbare situatie betreft. Met andere woorden, er is sprake van sterkeaanwijzingen dat een situatie ontstaat die een redelijk denkend mens alsernstig belastend zou ervaren. Voorbeelden van belastend gedrag zijnbijvoorbeeld (veelvuldig) telefoneren, aanbellen of langslopen, waarbij degetuige of het slachtoffer ongevraagd op hinderlijke wijze met deveroordeelde wordt geconfronteerd. Dit kan voor hen ernstig belastendzijn omdat de veroordeelde zich ongevraagd meldt, mogelijk tracht henangst aan te jagen of zelfs een nieuw strafbaar feit pleegt, zoals eenmisdrijf bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht(bedreiging), artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (intimidatie) ofartikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (stalking). Als een slachtofferof getuige gelet op uitingen of gedrag redelijkerwijs kan vrezen voorernstig belastend gedrag door de veroordeelde, kan de rechtbankbesluiten tot tenuitvoerlegging van de maatregel. De vraag of bepaaldebelastende gedragingen jegens slachtoffers of getuigen gekwalificeerdkunnen worden als «ernstig» belastend vergt een individuele beoordeling,waarbij alle relevante feiten en omstandigheden van het voorliggendegeval worden betrokken. Naast de frequentie of indringendheid van degedragingen kunnen ook andere factoren van belang zijn bij dezebeoordeling, zoals de impact van het gepleegde strafbare feit op hetslachtoffer (Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p. 37–38).Tweede tot en met vijfde lidIn het tweede lid zijn de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendevoorwaarden opgesomd die kunnen worden verbonden aan het bevel tottenuitvoerlegging. Ten opzichte van het huidige artikel 6:6:23b, tweede lid,is de volgorde van de opsomming in lijn gebracht met andere voorwaar-delijke kaders, zoals dat van de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdestraf (artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht) en devoorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 7.3.9). De maatregel kan bestaanuit één of meer van de genoemde voorwaarden. Aan de voorwaarden kanelektronisch toezicht worden verbonden. Het vierde lid bepaalt bovendiendat de tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsvindt onder de vanrechtswege geldende voorwaarden dat de betrokkene medewerkingverleent aan de vaststelling van zijn identiteit en aan het eventuelereclasseringstoezicht, met inbegrip van huisbezoeken. De inhoud enreikwijdte van de verplichtingen zal door de rechtbank in de beslissing tottenuitvoerlegging zo exact mogelijk worden ingevuld en beschreven. Derechtbank zal bij het bevelen van de tenuitvoerlegging van de maatregelstreven naar een zo gering mogelijke beperking van de grondrechten vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3141 de veroordeelde in verhouding tot de belangen van beveiliging van demaatschappij en de voorkoming van strafbare feiten. Naarmate demaatregel meer beperkingen oplegt, worden aan de motivering zwaardereeisen gesteld, met name voor wat betreft de proportionaliteit van demaatregel.Zesde en achtste lidBij de last tot tenuitvoerlegging stelt de rechtbank de duur van demaatregel vast. Deze kan twee, drie, vier of vijf jaar bedragen. De termijnvangt aan op de dag waarop de rechtbank de tenuitvoerlegging heeftgelast. De beslissing van de rechtbank is namelijk dadelijk uitvoerbaar. Determijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijnvrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheids-ontneming ongeoorloofd afwezig is. Deze schorsingsbepaling is verplaatstvanuit het huidige artikel 6:6:23c, vierde lid (nieuw artikel 7.6.15). Deplaats van die bepaling kon namelijk het misverstand wekken dat deschorsing alleen geldt voor de verlengde termijn. De bepaling is daaromtoegevoegd aan het zesde lid, waar ook de aanvang van de termijn isgeregeld.Zevende lidIndien de rechtbank de tenuitvoerlegging van de maatregel gelast, bepaaltzij tevens de vervangende hechtenis die kan worden tenuitvoergelegdiedere keer dat de veroordeelde de gestelde voorwaarden niet naleeft. Netals in het huidige artikel 6:6:23b wordt dit bereikt door artikel 38w van hetWetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deduur van de vervangende hechtenis wordt vastgesteld in dagen, weken ofmaanden en bedraagt ten minste drie dagen (artikel 38w, tweede lid, vanhet Wetboek van Strafrecht). De rechtbank kan hierbij bepalen dat devervangende hechtenis oploopt bij herhaalde overtreding. De vervan-gende hechtenis geldt niet als vervanging van de maatregel (artikel 38w,vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Gedurende de tijd die invervangende hechtenis wordt doorgebracht, wordt de looptijd van demaatregel dan ook tijdelijk geschorst op grond van het zesde lid. In de wetis verder een maximumduur van zes maanden opgenomen (artikel 38w,derde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Dit betekent dat de totalevervangende hechtenis gedurende een termijn van tenuitvoerlegging vande maatregel de duur van zes maanden niet mag overschrijden. Wordt demaatregel vervolgens verlengd op grond van artikel 7.6.15, dan wordtdeze verlenging aangemerkt als een nieuwe maatregel en gaat daarmeeook een nieuwe maximumduur van zes maanden vervangende hechtenislopen. Een termijn van ten hoogste zes maanden vervangende hechtenisis dus gekoppeld aan elke afzonderlijke termijn van de maatregel(Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p. 43).Dit zevende lid was niet opgenomen in de versie van dit wetsvoorstel diein consultatie is gegeven en nadien aanhangig is gemaakt bij de Afdelingadvisering van de Raad van State. In die versie van het wetsvoorstel werdvoorgesteld om het bepalen van de vervangende hechtenis over te latenaan de rechter die de maatregel oplegt en dus niet aan de rechtbank diezich (later) buigt over de eventuele tenuitvoerlegging van de maatregel.Hierbij werd gewezen op artikel 5 EVRM en de daaruit voortvloeiende eisdat een vrijheidsbeneming moet zijn terug te voeren op de oorspronke-lijke veroordeling. Getwijfeld werd of de huidige systematiek voldoendetegemoetkomt aan die eis, aangezien de vervangende hechtenis pas ineen later stadium wordt bepaald door een andere rechter. Naderebestudering van de relevante Europese rechtspraak heeft echter geleid totde conclusie dat het huidige recht geen wijziging behoeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3142 Het EVRM voorziet in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, in een grondslagvoor vrijheidsbeneming indien een persoon op rechtmatige wijze isgedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. In zijnrechtspraak heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)de interpretatie van de zinssnede «na de veroordeling» verduidelijkt. Ermoet voldoende causaal verband bestaan tussen de vrijheidsbeneming ende veroordeling. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet devrijheidsbeneming resulteren uit, afhankelijk zijn van of plaatsvinden alsgevolg van de veroordeling (zie bijvoorbeeld EHRM 21 oktober 2013, no.42750/09 (Río del Prada t. Spanje), r.o. 124). Het causaal verband kan (ook)blijken uit het wettelijk kader, de rechtspraktijk en de context van deveroordeling (EHRM 24 juni 1982, no. 7906/77 (Droogenbroeck t. België),r.o. 38). Voorts moet de doelstelling van de latere vrijheidsbenemingdezelfde zijn als de doelstelling ten tijde van de veroordeling (zie o.a.EHRM 2 maart 1987, no. 9787/82 (Weeks t. het Verenigd Koninkrijk) enEHRM (GK) 28 mei 2022, no. 46295/99 (Stafford t. het VerenigdKoninkrijk)).De maatregel wordt opgelegd als de rechter de kans aanwezig acht dat deveroordeelde ook na een gevangenisstraf of terbeschikkingstellinggevaarlijk blijft. De maatregel beoogt nieuwe strafbare feiten en slacht-offers te voorkomen of slachtoffers en voormalige getuigen tebeschermen tegen ernstig belastend gedrag van de veroordeelde door deveroordeelde gecontroleerd te laten terugkeren in de samenleving. Of derisico-inschatting van de opleggende rechter terecht is, wordt kort voorhet einde van de gevangenisstraf of terbeschikkingstelling getoetst doorde rechtbank. De mogelijkheid is immers aanwezig dat de aanvankelijkeinschatting van de opleggende rechter in de tussentijd (deels) is achter-haald. Wordt het risico nog steeds aanwezig geacht, dan gelast derechtbank de tenuitvoerlegging van de maatregel. Een dergelijke last tottenuitvoerlegging is in lijn met de oorspronkelijke bedoeling van derechter die de maatregel heeft opgelegd. Indien de rechtbank van oordeelis dat de maatregel moet worden tenuitvoergelegd, moet de rechtbankook altijd de vervangende hechtenis bepalen. Dit volgt uit de dwingendeformulering van artikel 38w, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht:«(...) beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepastvoor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan». De vervangendehechtenis is dus inherent aan de maatregel. Gelet op deze wettelijkecontext bestaat er een sterk causaal verband tussen de veroordeling en delatere vervangende hechtenis. De opleggende rechter zal zich hiervanbewust zijn. Daarmee voldoet de huidige systematiek aan de eisen van hetEVRM.Dat vervangende hechtenis moet worden bepaald, betekent overigens nietdat iedere schending van voorwaarden automatisch resulteert in detoepassing van die vervangende hechtenis. Dit vergt uiteraard een toetsper geval. Het is aan de officier van justitie om een schending vanvoorwaarden te toetsen. Acht de officier van justitie toepassing van devervangende hechtenis noodzakelijk, dan kan hij de veroordeeldeaanhouden (artikel 7.2.2) en wendt hij zich tot de rechter-commissaris meteen vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis (artikel7.2.3). Tegen de beslissing van de rechter-commissaris staat beroep openbij de rechtbank (artikel 7.2.9). Er is dus voorzien in voldoende rechtsbe-scherming voor het geval de vervangende hechtenis daadwerkelijk wordttoegepast.Met het handhaven van de huidige systematiek wordt ook tegemoetge-komen aan de zorg van de Rvdr dat het voor de opleggende rechter lastigzou zijn een goede inschatting te maken van de mate van dreiging vanvervangende hechtenis die nodig zal zijn om ervoor te zorgen dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3143 veroordeelde de voorwaarden naleeft. Tussen de oplegging en deeventuele tenuitvoerlegging van de maatregel kan veel tijd verstrijken, ende veroordeelde kan in de tussentijd mogelijk een behandelingondergaan. Met behoud van de huidige systematiek blijft deze afwegingaan de rechtbank die zich (later) buigt over de eventuele tenuitvoerleggingvan de maatregel.Vervallen onderdelen van artikel 6:6:23bHet zesde lid van het huidige artikel 6:6:23b is grotendeels niet overge-nomen. Dat artikellid verklaart enkele artikelen van overeenkomstigetoepassing bij de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het gaat om artikel38w van het Wetboek van Strafrecht (over het bepalen van vervangendehechtenis) en de huidige artikelen 537 (schadevergoeding bij een tenonterechte ondergane vervangende hechtenis), 6:3:15 (aanhouding),6:6:20 (beslissing van de rechter-commissaris inzake toepassing van devervangende hechtenis) en 6:6:22 (hoger beroep).Het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen 6:3:15,6:6:20 en 6:6:22 is vanuit systematische redenen overbodig. Hunopvolgers – de artikelen 7.2.2, 7.2.3 en 7.2.9 – zijn vanwege hun algemenegelding «gewoon» van toepassing. Ook de overeenkomstige toepassingvan artikel 537 is niet nodig, nu dat artikel deel uitmaakt van de regelinginzake schadevergoeding in Boek 6, Hoofdstuk 6 (zie artikel 6.6.6). Zoalstoegelicht is de verwijzing naar artikel 38w van het Wetboek van Strafrechtwel behouden, in het zevende lid.Artikel 7.6.15 [verlenging maatregel artikel 38z Sr]De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) kan op grond van dit artikelperiodiek worden tenuitvoergelegd voor een maximale termijn van vijfjaar. Er is geen totale maximale duur opgenomen, wat betekent dat demaatregel steeds kan worden verlengd met twee, drie, vier of vijf jaar. Inuitzonderlijke gevallen is niet uitgesloten dat het toezicht een levenslangeduur kan krijgen, indien dat gelet op de voortdurende dreiging die van deveroordeelde uitgaat noodzakelijk is in het belang van de veiligheid vande samenleving. De gronden voor verlenging zijn gelijk aan die voor detenuitvoerlegging. Ook de procedurevoorschriften zijn gelijk aan die vande oorspronkelijke vordering tot tenuitvoerlegging (zie artikel 7.6.13). Devordering tot verlenging dient te worden ingediend uiterlijk een maandvóór het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen. Eenlater ingediende vordering is niettemin ontvankelijk, indien de officier vanjustitie aannemelijk maakt dat de grond voor verlenging zich eerst nadienheeft voorgedaan. Bij de vordering tot verlenging legt de officier vanjustitie een recent opgemaakt reclasseringsadvies over. De beslissing totverlenging is – net als de oorspronkelijke beslissing tot tenuitvoer-legging – dadelijk uitvoerbaar. Het huidige artikel 6:6:23c, vierde lid (overschorsing van de termijn van de maatregel) is verplaatst naar artikel7.6.14, zesde lid, en in dit artikel van overeenkomstige toepassingverklaard; zie de toelichting op artikel 7.6.14, zesde lid.Artikel 7.6.16 [wijziging of opheffing maatregel artikel 38z Sr]De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingkan door de rechtbank worden opgeheven op verzoek van de veroor-deelde of op vordering van de officier van justitie. Gelet op de mogelijklange duur van de maatregel is het denkbaar dat het recidiverisicogedurende de looptijd van de maatregel zodanig afneemt, dat opheffingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3144 van de maatregel gerechtvaardigd is. Ook kunnen de bij de maatregelgestelde voorwaarden worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding is.Ten opzichte van het huidige recht – artikel 6:6:23d – is de mogelijkheidvan ambtshalve ingrijpen niet overgenomen. De rechtbank houdt namelijkgeen toezicht op de naleving van de maatregel, waardoor een procedureop initiatief van de rechtbank zelf lastig denkbaar is. Iets anders is dat derechtbank op grond van artikel 7.1.20, derde lid, naar aanleiding van(bijvoorbeeld) een vordering tot verlenging van de maatregel welambtshalve de maatregel kan opheffen of de voorwaarden kan wijzigen.Er is geen reden om af te wijken van die algemene regeling. Zie nader detoelichting op artikel 7.1.20, derde lid.Artikel 7.6.17 [beëindiging maatregel artikel 38z Sr]De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingvervalt van rechtswege bij een nieuwe onherroepelijke rechterlijkeuitspraak waarbij dezelfde persoon (opnieuw) ter beschikking wordtgesteld of (opnieuw) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf en daarbijeen nieuwe maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbe-perking is opgelegd. De maatregel eindigt door tijdsverloop als de officiervan justitie geen vordering tot verlenging indient. In beide gevallen wordtdit zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht aan de veroordeelde. Ditartikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige artikel 6:6:23e.TITEL 6.4Bijkomende straffenDeze titel bevat de (beperkte) regeling van de tenuitvoerlegging van dedrie bijkomende straffen van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van hetWetboek van Strafrecht, te weten: ontzetting van bepaalde rechten,verbeurdverklaring en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.Artikel 7.6.18 [kosten openbaarmaking rechterlijke uitspraak]De kosten van openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak wordenvolgens artikel 36, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht door derechter geschat op een bepaald bedrag. In dit artikel wordt geëxpliciteerddat het bedrag waarop de kosten van openbaarmaking zijn geschat tenlaste komt van de veroordeelde. Hiermee wordt verduidelijkt dat het gaatom een uitzondering op de hoofdregel van artikel 1.10.10, eerste lid, datde kosten van de tenuitvoerlegging ten laste komen van de Staat. Naarhuidig recht ligt dit uitgangspunt besloten in artikel 6:5:2.Artikel 7.6.19 [wijze van tenuitvoerlegging]Eerste lidHet bedrag waarop niet inbeslaggenomen voorwerpen in de uitspraak zijngeschat en het bedrag waarop de kosten van openbaarmaking van derechterlijke uitspraak zijn geschat, worden op dezelfde wijze geïnd alsgeldelijke straffen en maatregelen. Dit uitgangspunt staat nu nogverspreid over verschillende artikelen (de huidige artikelen 6:5:1, eerste entweede lid, en 6:5:2 en artikel 34, derde lid, van het Wetboek van Straf-recht). In het eerste lid zijn deze bepalingen samengevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3145 Tweede lidOok een vordering kan worden verbeurdverklaard (artikel 33a, eerste envierde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor het geval deze niet isinbeslaggenomen, wordt zij tenuitvoergelegd door betekening van deuitspraak aan de schuldenaar.Het huidige artikel 6:5:2 verklaart artikel 24c van het Wetboek vanStrafrecht (over vervangende hechtenis) van overeenkomstige toepassingop de betaling van de kosten van openbaarmaking van de rechterlijkeuitspraak. Het betreft hier echter niet de tenuitvoerlegging van devervangende hechtenis, maar de oplegging ervan. De bepaling wordtdaarom via de invoeringswet overgeheveld naar het Wetboek vanStrafrecht. Er is geen reden om de oplegging van vervangende hechtenisop een andere plaats te regelen dan bij de geldboete en de verbeurdver-klaring.Artikel 7.6.20 [nadere regels]Dit artikel betreft het huidige artikel 6:5:3 en behelst een grondslag voornadere regels over de tenuitvoerlegging van de bijkomende straffen.TITEL 6.5RechtsmiddelenArtikel 7.6.21 [bezwaarschrift inzake taakstraf]Eerste en tweede lidIndien de bij vonnis of arrest tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangtmet de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijnidentiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht,bepaalt de officier van justitie of vervangende hechtenis wordt toegepast(artikel 7.6.4, eerste lid). Indien een gedeelte van de taakstraf is verricht,wordt een evenredige vermindering toegepast. Tegen de beslissing vande officier van justitie kan de veroordeelde een bezwaarschrift indienen bijde rechtbank. Conform artikel 7.1.20, eerste lid, is dat de rechtbank die hetstrafbare feit heeft berecht waarvoor de taakstraf is opgelegd. Hetbezwaarschrift wordt ingediend binnen twee weken na de betekening vande kennisgeving van de beslissing.Derde lidIn afwijking van het huidige recht wordt de vervangende hechtenis niettoegepast zolang niet op het bezwaarschrift is beslist. Een bezwaarschriftis namelijk een gewoon rechtsmiddel met opschortende werking (artikel1.10.2, tweede lid, in samenhang met artikel 5.1.2). Het onderzoek op dezitting vindt om die reden zo spoedig mogelijk plaats.Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart, vernietigt zij hetbevel van de officier van justitie. De rechtbank kan bijvoorbeeld op eenandere wijze rekening houden met een al uitgevoerd deel van de taakstraf(Kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 3, p. 15). Indien de rechtbank debeslissing van de officier van justitie vernietigt, vermindert zij de duur vande bevolen vervangende hechtenis of bepaalt zij het aantal uren taakstrafdat nog moet worden verricht en binnen welke termijn dat moet plaats-vinden. De toepassing van artikel 7.6.1, tweede lid, brengt mee dat dedoor de rechtbank bepaalde termijn niet loopt gedurende de tijd dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3146 veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheids-ontneming ongeoorloofd afwezig is.De suggestie van de 3RO om gegrondverklaring van een bezwaarschriftalleen mogelijk te maken in geval van een onbillijkheid van zwaarwe-gende aard wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich hebbenvoorgedaan na het opleggen van de taakstraf – het criterium van artikel7.6.4, eerste lid – is niet overgenomen. De rechtbank toetst op basis vanalle omstandigheden van het geval en zal niet lichtvaardig overgaan tothet bieden van een tweede kans, zeker in geval van verwijtbaar gedragaan de zijde van de veroordeelde. Een persoonsgerichte tenuitvoerleggingrechtvaardigt echter wel een afweging per geval.Artikel 7.6.22 [hoger beroep inzake ISD-maatregel]Eerste lidDe officier van justitie en de veroordeelde kunnen hoger beroep instellentegen beslissingen van de rechtbank over voortzetting of beëindiging vande maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders alsbedoeld in artikel 7.6.9. Hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bijde penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hetwoord «over» brengt tot uitdrukking dat hoger beroep openstaat tegenzowel toewijzende als afwijzende beslissingen van de rechtbank. Deachtergrond hiervan is dat beide procespartijen doorgaans zullenopkomen tegen de voor hen negatieve beslissingen.Tweede tot en met vijfde lidDeze leden bevatten enkele procedurevoorschriften voor het hogerberoep. De voorschriften vormen een aanvulling op de algemeneregelingen inzake de raadkamerprocedure (Boek 1, Titel 2.3), het hogerberoep (Boek 5) en de raadkamer in Titel 1.5. Zie ook de inleidendetoelichting op Titel 1.5. De voorschriften zijn thans vervat in artikel 6:6:16.Daaruit zijn zij met beperkte wijzigingen overgenomen.Derde lidHet gerechtshof kan zonder onderzoek op de zitting op het hoger beroepbeslissen indien het na kennisneming van de stukken van oordeel is dathet hoger beroep kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Debeslissing tot kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheiddient ertoe in niet twijfelachtige zaken de definitieve beslissing niet langerop te houden dan strikt noodzakelijk, waarmee ook het belang van deveroordeelde wordt gediend (vgl. Kamerstukken II 1971/72, 11 932, nr. 3, p.20). Kennelijke niet-ontvankelijkheid heeft betrekking op gevallen waarinop voorhand duidelijk is dat het hoger beroep zal worden afgewezen opformele gronden, bijvoorbeeld omdat de officier van justitie of deveroordeelde de beroepstermijn niet in acht heeft genomen. Vankennelijke ongegrondheid is sprake indien het hoger beroep kennelijkzonder redelijke grond is ingesteld (vgl. Kamerstukken II 1971/72, 11 932,nr. 3, p. 20). Het huidige voorschrift dat het gerechtshof, voordat hettoepassing kan geven aan dit artikellid, eerst de advocaat-generaal, deveroordeelde en diens raadsman moet horen, is vervallen. Dat voorschriftis onnodig zwaar voor de zaken die in aanmerking komen voor kennelijkeniet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid. Er moet dan namelijkin alle gevallen een zitting worden gehouden, wat de meerwaarde vandeze voorziening aanzienlijk beperkt. In navolging van artikel 1.2.17, eerstelid, biedt het derde lid dan ook de mogelijkheid tot het achterwege latenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3147 van het onderzoek op de zitting. Bij enige twijfel over de zaak geldtuiteraard dat nader onderzoek alsnog uitkomst zal moeten bieden.Vierde lidDe voorzitter van de penitentiaire kamer kan de ISD-maatregel voorlopigbeëindigen zolang niet op het hoger beroep is beslist. Voorwaarde voorhet voorlopig beëindigen van de ISD-maatregel is dat de rechtbank heeftbeslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel nietlanger is vereist.Vijfde lidHet gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk op het hoger beroep. Hetverklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond. In hetlaatste geval beveelt het gerechtshof wat volgens de wet behoort plaats tevinden. Het vijfde lid is gemodelleerd naar artikel 5.6.3. De formulering isdaarmee anders dan het huidige artikel 6:6:17. Het «bevestigen» vanbeslissingen is bij het hoger beroep tegen vonnissen afgeschaft. Debeslissing van het gerechtshof is voorts ex nunc. Het gerechtshof beslistdus niet wat de rechtbank «had behoren te doen» als de situatie inmiddelsis veranderd.Artikel 7.6.23 [hoger beroep inzake maatregelen 38v en 38z Sr]Dit artikel regelt het hoger beroep tegen beslissingen van de rechtbankinzake de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 38vvan het Wetboek van Strafrecht) en de maatregel strekkende tot gedrags-beïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z van het Wetboek vanStrafrecht). Ten aanzien van de maatregel strekkende tot beperking van devrijheid staat hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbankover opheffing van de maatregel of over wijziging van de inhoud van demaatregel. Ten aanzien van de maatregel strekkende tot gedragsbeïn-vloeding of vrijheidsbeperking staat – net als in het huidige artikel 6:6:24 –hoger beroep open tegen een beslissing van de rechtbank over tenuitvoer-legging van de maatregel, over verlenging van de termijn van demaatregel, over opheffing van de maatregel of over wijziging van dedaarbij gestelde voorwaarden.Het hoger beroep is voor beide maatregelen gemodelleerd naar het hogerberoep inzake de ISD-maatregel, zoals opgenomen in artikel 7.6.22. Netals in artikel 7.6.22, tweede lid, kan de officier van justitie hoger beroepinstellen binnen twee weken na de beslissing van de rechtbank en deveroordeelde binnen twee weken na de betekening van de beslissing vande rechtbank. Indien op grond van artikel 7.1.24, derde lid, geenbetekening hoeft plaats te vinden omdat de veroordeelde bij de uitspraakaanwezig was of de dag van de uitspraak hem tevoren is meegedeeld, kande veroordeelde beroep instellen binnen twee weken na de beslissing.Ten aanzien van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking kan hoger beroep uitsluitend worden ingesteld bij depenitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In hetbelang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, daarbij mede inaanmerking genomen het betrekkelijk geringe aantal procedures in hogerberoep, is bij deze maatregel gekozen voor één centrale beroepsinstantie(vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 3, p. 59). Zie verder detoelichting op artikel 7.6.22.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3148 HOOFDSTUK 7Jeugdigen en jongvolwassenenDe bijzondere regels van het meer pedagogische jeugdstrafrecht (Titel VIIIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht) bepalen welkestraffen en maatregelen kunnen worden opgelegd aan jeugdigen enjongvolwassenen. Ten opzichte van het algemene strafrecht kent hetjeugdstrafrecht enkele specifieke straffen en maatregelen. Te denken valtaan de jeugddetentie en aan de maatregel van plaatsing in een inrichtingvoor jeugdigen. Deze vrijheidsbenemende sancties worden uitgevoerddoor de DJI. Jeugdigen worden daarbij niet geplaatst in een penitentiaireinrichting, maar in beginsel in een justitiële jeugdinrichting.Bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die zijn opgelegdmet toepassing van het jeugdstrafrecht zijn verder vooral andere partijenbetrokken dan bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen diezijn opgelegd met toepassing van het algemene strafrecht. Het gaat in hetbijzonder om de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerdeinstellingen (als bedoeld in de Jeugdwet) die de jeugdreclasseringstaakuitvoeren. De raad voor de kinderbescherming coördineert de uitvoeringvan taakstraffen – zowel werkstraffen als leerstraffen – door jeugdigen enjongvolwassenen ten aanzien van wie het jeugdstrafrecht is toegepast.Daarnaast heeft de raad voor de kinderbescherming een bijzondere taak inde tenuitvoerlegging, te weten de zogenaamde casusregie. Doel van decasusregie is het bevorderen van de samenhang tussen de verschillendeactiviteiten van de ketenpartners in het jeugdstrafrecht om te komen toteen snelle, vroegtijdige en consequente reactie op het strafbaar gedragvan de jeugdige of jongvolwassene. Daarbij gaat het zowel om deinhoudelijke samenhang als om het toezien op de naleving van door deeigen organisatie en door de jeugdreclassering afgesproken termijnen enprocedures. Onderdeel van de casusregie is de toezichthoudende taak vande raad voor de kinderbescherming op de uitvoering van reclasserings-werkzaamheden door de gecertificeerde instellingen en, indien hetminderjarigen betreft, de reclasseringsinstellingen. Dit toezicht isvastgelegd in artikel 7.7.7 (huidig artikel 6:1:25). Bij deze toezichthoudendetaak hoort ook een aanwijzingsbevoegdheid jegens de organisaties die dereclasseringswerkzaamheden uitvoeren. Jeugdreclassering biedtbegeleiding van en toezicht op jeugdige veroordeelden bij verschillendebeslissingen met een voorwaardelijk kader, zoals een (deels) voorwaar-delijk niet tenuitvoergelegde jeugddetentie of een schorsing van devoorlopige hechtenis.TITEL 7.1AlgemeenArtikel 7.7.1 [algemene schakelbepaling]Het huidige artikel 6:1:14, eerste lid, verklaart alle bepalingen van hethuidige Boek 6 van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerleggingvan straffen en maatregelen die zijn opgelegd met toepassing van hetjeugdstrafrecht, behoudens eventuele bijzondere voorschriften. Degedachte achter deze algemene schakelbepaling is dat de tenuitvoer-legging van straffen en maatregelen die zijn opgelegd met toepassing vanhet jeugdstrafrecht procedureel niet wezenlijk verschilt van de tenuitvoer-legging van straffen en maatregelen die zijn opgelegd via het algemenestrafrecht. Daar waar sprake is van bijzonderheden, kan dit relatiefeenvoudig worden aangegeven met een uitzondering op de algemeneregels (Kamerstukken 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 42). Voorheen stonden inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3149 het Wetboek van Strafrecht enkele bijzondere of aanvullende tenuitvoer-leggingsbepalingen voor het jeugdstrafrecht. Met de Wet herzieningtenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zijn deze regels verplaatstnaar het Wetboek van Strafvordering. Daarbij zijn ze verspreid over hethuidige Boek 6 vormgegeven als uitzondering of aanvulling op dealgemene regels. Uitzonderingen of aanvullingen zijn bijvoorbeeldopgenomen over de tenuitvoerlegging van taakstraffen en over despecifieke straffen en maatregelen van het jeugdstrafrecht, zoals demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en de maatregelbetreffende het gedrag van de jeugdige.De op verschillende plaatsen opgenomen bijzondere tenuitvoerleggings-bepalingen voor het jeugdstrafrecht blijken de inzichtelijkheid van dewettelijke regeling niet ten goede gekomen. In de praktijk is geregeldonduidelijkheid over het toepasselijke wettelijke kader in jeugdzaken. Dieonduidelijkheid komt mede door de ruime formulering van het huidigeartikel 6:1:14, eerste lid. Dat artikellid is om verschillende redenen niet inde bestaande vorm overgenomen. De eerste reden is dat een deel van debepalingen uit Boek 7 zonder meer van toepassing is en dus niet vanovereenkomstige toepassing hoeft te worden verklaard. Dat geldt vooralle algemene bepalingen die in Hoofdstuk 1 zijn opgenomen. De tweede– belangrijkere – reden is dat veel bepalingen uit de Hoofdstukken 2 tot enmet 6 vanwege hun inhoud juist niet van overeenkomstige toepassing(kunnen) zijn op het jeugdstrafrecht. Dat geldt bijvoorbeeld voorHoofdstuk 4; de terbeschikkingstelling bestaat niet in het jeugdstrafrecht.Hetzelfde geldt voor de gevangenisstraf en de hechtenis, deISD-maatregel en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking. De daarop betrekking hebbende bepalingen kunnenvoor het overgrote deel niet overeenkomstig worden toegepast opstraffen en maatregelen die zijn opgelegd met toepassing van hetjeugdstrafrecht. Tot slot bestaat onduidelijkheid over de verhouding vanartikel 6:1:14, eerste lid, tot enkele meer specifieke schakelbepalingen. Alsvoorbeeld kan worden genoemd het huidige artikel 6:6:35. Dat artikelheeft betrekking op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.Met betrekking tot de vervangende jeugddetentie verklaart het tweede lidde artikelen 6:3:10 en 6:6:23 – die betrekking hebben op de taakstraf – vanovereenkomstige toepassing. Die overeenkomstige toepassing berust dusniet op artikel 6:1:14, eerste lid, maar op een specifieke bepaling. Hetzelfdedoet zich voor in het derde lid, waarin de huidige artikelen 6:3:15 en 6:6:20van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Die artikelen regelende aanhouding en aansluitende vrijheidsbeneming in geval vanovertreding van voorwaarden. Ook hier bestaat dus een specifiekeschakelbepaling naast artikel 6:1:14, eerste lid. Dat heeft de vraagopgeroepen in welke gevallen de overeenkomstige toepassing wél kanworden gebaseerd op artikel 6:1:14, eerste lid.Gelet op het vorengaande is gekozen voor een andere, meer preciezewettelijke regeling. De bijzondere bepalingen ten aanzien van hetjeugdstrafrecht zijn weer bij elkaar geplaatst, in één hoofdstuk. Om deverhouding tot de rest van Boek 7 te duiden, bepaalt dit artikel datHoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) onverkort van toepassing is op destrafrechtelijke beslissingen en de strafvorderlijke beslissingen die zijngenomen met toepassing van het jeugdstrafrecht. Voor de Hoofdstukken 2tot en met 6 geldt dat in Hoofdstuk 7 steeds per straf of maatregel wordtaangegeven in hoeverre die eerdere hoofdstukken van (overeenkomstige)toepassing zijn. Dit gebeurt, waar relevant, steeds in het eerste artikel vaneen bepaalde titel. Zo begint de titel over jeugddetentie (Titel 7.3) met eenartikel waarin de relevante bepalingen over de gevangenisstraf enhechtenis van overeenkomstige toepassing worden verklaard (artikel7.7.8). Vervolgens zijn de specifieke voorschriften over jeugddetentieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3150 opgenomen (artikelen 7.7.9 en 7.7.10). Het voordeel van deze opzet is datalle relevante regels over een bepaalde straf of maatregel zijn te vinden inéén titel. Dit komt de inzichtelijkheid van de wettelijke regeling aanzienlijkten goede. Uiteraard geldt ook voor Hoofdstuk 7 dat het begint met enkelealgemene bepalingen (Titels 7.1 en 7.2) en dat alle rechtsmiddelen bijelkaar zijn geplaatst (Titel 7.9).Artikel 7.7.2 [advies raad voor de kinderbescherming]De Minister heeft de mogelijkheid advies te vragen aan de raad voor dekinderbescherming over de plaats van tenuitvoerlegging van eenjeugddetentie of een maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen. Deze mogelijkheid is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uithet huidige artikel 6:1:14, tweede lid, en sluit aan bij de aan de raad voorde kinderbescherming opgedragen casusregie in strafzaken tegenjeugdigen. Omdat in voorkomende gevallen (ook) de rechter een advieskan geven over de (plaats of wijze van) tenuitvoerlegging (zie artikel 7.1.1,tweede lid), zal een advies van de raad voor de kinderbescherming metname van meerwaarde zijn als een nieuwe plaats wordt gezocht. Opadvies van de 3RO is de formulering van dit artikel geconcretiseerd,daarbij aansluiting zoekend bij de reikwijdte van het oude artikel 77v,vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.Artikel 7.7.3 [specifieke procedurele voorschriften]Dit artikel geeft enkele specifieke procedurele voorschriften voortenuitvoerleggingsprocedures in het kader van het jeugdstrafrecht. Zoalsaangegeven in de algemene toelichting op Titel 1.5 (De raadkamer en derechter-commissaris), zijn alle tenuitvoerleggingsprocedures vormge-geven als raadkamerprocedures. Gelet op de onverkorte toepassing vanHoofdstuk 1 (zie artikel 7.7.1), geldt dat ook voor jeugdzaken. Het artikelbetreft een samenvoeging van de huidige artikelen 6:6:3, zesde lid, en6:6:37, eerste lid. Daarbij zijn inhoudelijk geen wijzigingen doorgevoerd.Eerste lidHet huidige artikel 6:6:37, eerste lid, bepaalt ten aanzien van een aantalvervolgbeslissingen dat zij worden genomen bij beschikking. Hetonderscheid tussen uitspraken en beschikkingen komt in het nieuwewetboek echter niet meer voor. Waar beschikkingen worden gedefinieerdals niet op de terechtzitting gegeven beslissingen, is het voorschrift inzoverre ook overbodig geworden. Met het voorschrift in artikel 6:6:37,eerste lid, is vooral bedoeld aan te geven dat de behandeling door deraadkamer niet in het openbaar plaatsvindt. In zoverre is sprake van eenafwijking van artikel 1.2.16, eerste lid. Dit afwijkende uitgangspunt voorhet jeugdstrafrecht dient behouden te blijven, en is verwoord in het eerstelid van dit artikel. Daarbij geldt geen beperking tot specifieke beslissingen.Voor een onderscheid naar type beslissing bestaat geen dwingendereden. Daarbij komt dat sommige van de niet in artikel 6:6:37, eerste lid,genoemde beslissingen door de rechtbank ambtshalve kunnen wordengenomen in het kader van een procedure die wél is genoemd in datartikellid. Van een sluitende regeling is in het huidige wetboek dusgeenszins sprake. Dit artikel stelt buiten twijfel dat het besloten karaktervan de raadkamerprocedure geldt voor alle jeugdzaken, zowel in eersteaanleg als in hoger beroep.Op de beslotenheid van de zitting kunnen wel uitzonderingen wordengemaakt, zo volgt uit het van overeenkomstige toepassing verklaardeartikel 6.1.22 (huidige artikelen 495b en 497). Zo kan de rechtbankbijzondere toegang verlenen tot het bijwonen van de zitting. Aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3151 slachtoffer wordt in beginsel toegang verleend, tenzij de rechtbankwegens bijzondere redenen anders beslist. De rechtbank kan ook eenvolledig openbare behandeling bevelen indien zij van oordeel is dat hetbelang van de openbaarheid van de zitting zwaarder weegt dan hetbelang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deveroordeelde of de ouder. Tot slot kan worden bepaald dat vragen metbetrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheid of de levensom-standigheden van de veroordeelde in zijn afwezigheid zullen wordengesteld en behandeld. Zie nader de toelichting op artikel 6.1.22.Tweede lidHet voorschrift in het huidige artikel 6:6:37, eerste lid, dat pas eenbeslissing kan worden genomen nadat de veroordeelde is gehoord ofbehoorlijk is opgeroepen, is overbodig naast het algemene artikel 1.2.18,tweede lid. Dat in geval van een minderjarige veroordeelde ook de oudermoet worden opgeroepen of behoorlijk opgeroepen, is daarentegen eenaanvulling op Boek 1 die een plaats heeft gekregen in dit artikel. Onderouder van de minderjarige wordt verstaan de ouder of de voogd die hetgezag als bedoeld in artikel 245 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekover de minderjarige uitoefent (artikel 1.1.10, tweede lid).Met betrekking tot de ouder zijn enkele bepalingen uit Boek 6, Titel 1.1(Jeugdigen en jongvolwassenen) van overeenkomstige toepassingverklaard. Daarmee is allereerst geborgd dat berichten aan de minder-jarige ook worden overgedragen aan de ouder (artikel 6.1.32; huidigartikel 503). Verder geldt dat in de oproeping aan de ouder wordt gewezenop de mogelijkheid dat de rechtbank de medebrenging beveelt indien deouder niet verschijnt op de zitting. In bepaalde gevallen kan de ouder detoegang tot de zitting juist worden geweigerd. De toegelaten ouder wordtin de gelegenheid gesteld het woord te voeren, en kan worden bevolen dezittingzaal te verlaten, zodat de veroordeelde, een getuige of eendeskundige in zijn afwezigheid kan worden verhoord (artikelen 6.1.41,6.1.42 en 6.1.43; huidige artikelen 496 en 496a). Desgewenst kunnen doorde rechtbank inlichtingen worden ingewonnen bij de raad voor dekinderbescherming over de persoonlijkheid en de levensomstandighedenvan de minderjarige (artikel 6.1.29, eerste lid; huidig artikel 498). Zie naderde toelichting op de artikelen 6.1.29, eerste lid, 6.1.32, 6.1.41, 6.1.42 en6.1.43.Artikel 7.7.4 [nadere regels]Het laatste artikel van deze titel bevat een grondslag voor het bij (ofkrachtens) algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regelsover de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegdestraf of maatregel, van taakstraffen en van de maatregel betreffende hetgedrag van de jeugdige. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd overge-nomen uit het huidige artikel 6:3:13.TITEL 7.2Toezicht, voorwaarden en omzettingArtikel 7.7.5 [schakelbepaling]AanhefVoor het toezicht op de naleving geldt dat Hoofdstuk 2 (Toezicht,voorwaarden en omzetting) in zijn geheel van overeenkomstigetoepassing is op het jeugdstrafrecht. In deze schakelbepaling is datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3152 geregeld voor onderwerpen zoals het feitelijke toezicht, de aanhouding ingeval van niet-naleving, en de procedure bij de rechter-commissaris en/ofde rechtbank ter verkrijging van een vervolgbeslissing. De rechtsmiddelenzijn ondergebracht in Titel 7.9 (Rechtsmiddelen). Hoofdstuk 2 kan echterniet worden toegepast zonder enkele kleine afwijkingen en aanvullingen.Daarin voorzien de onderdelen a tot en met d van dit artikel en artikel7.7.6. Voor het overige gelden dus de regels uit Hoofdstuk 2, Titels 2.1 toten met 2.3.Onderdeel aReclasseringstoezicht wordt in het jeugdstrafrecht niet enkel gehoudendoor reclasseringsinstellingen, maar ook – of eigenlijk vooral – doorgecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.Onderdeel a bepaalt daarom dat voor de toepassing in het jeugdstrafrechtonder «reclasseringsinstelling» mede wordt verstaan een «gecertificeerdeinstelling». Deze gelijkschakeling betekent onder meer dat de Minister eengecertificeerde instelling opdracht zal geven tot reclasseringstoezichtindien de rechter of de officier van justitie daartoe opdracht heeft gegevenin zijn beslissing (artikel 7.2.1, tweede lid, eerste zin). De Minister kan ookambtshalve een opdracht tot reclasseringstoezicht geven aan eengecertificeerde instelling, of, als daartoe aanleiding is, de opdracht gevenaan een andere gecertificeerde instelling (artikel 7.2.1, tweede lid, tweedezin). De mogelijkheid van wijziging van de toezichtopdracht brengt voortsmee dat de Minister de opdracht tijdens de tenuitvoerlegging zo nodigkan overdragen van een gecertificeerde instelling naar een reclasserings-instelling, of van een reclasseringsinstelling naar een gecertificeerdeinstelling, hoewel dat laatste in de praktijk zeer zelden voorkomt. Eenoverdracht naar een reclasseringsinstelling is vanzelfsprekend alleenmogelijk in die gevallen waarin – als de veroordeelde op dat moment zouworden berecht of beoordeeld – ook de rechter de mogelijkheid zouhebben gehad een reclasseringsinstelling te belasten met het toezicht (ziede artikelen 77t, eerste lid, onderdeel b, en 77aa, derde lid, van hetWetboek van Strafrecht en de artikelen 7.7.13, zesde lid, 7.7.14, tweede lid,en 7.7.24, derde lid). Een overdracht kan dus niet plaatsvinden bij eenveroordeelde ten aanzien van wie volgens de wet enkel toezicht door eengecertificeerde instelling mogelijk is. De Minister is gebonden aan diewettelijke kaders.De Rvdr pleit voor een rechterlijke tussenkomst voordat een toezichtop-dracht kan worden overgedragen tussen een gecertificeerde instelling eneen reclasseringsinstelling. De door de Rvdr aangedragen verschillentussen beide domeinen zijn echter niet dusdanig dat zij een rechterlijketussenkomst rechtvaardigen of noodzaken. Ook naar huidig recht isdaarom geen rechterlijke tussenkomst vereist. Zoals de 3RO aangeven,hanteren ook zij een speciale methodiek voor adolescenten, met aandachtvoor pedagogische aspecten, contact met de veroordeelde in zijn eigenomgeving, en betrokkenheid van het netwerk en de familie. Bovendienkomt het in de praktijk soms voor dat beide toezichthouders naast elkaaractief zijn ten aanzien van dezelfde persoon, als gevolg van verschillendebeslissingen. Het is dan wenselijk het toezicht te kunnen concentreren.Rechterlijke tussenkomst is daarbij niet nodig.Naast de reclasseringsinstelling en de gecertificeerde instelling maakt hethuidige artikel 6:3:14, tweede lid, nog melding van een krachtensalgemene maatregel van bestuur aangewezen stichting. De stichtingwordt in het nieuwe wetboek niet meer genoemd. Die term verwees naarde vroegere stichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet opde jeugdzorg. Met de vervanging van die wet door de Jeugdwet is deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3153 stichting komen te vervallen als aparte categorie (zie Kamerstukken II2012/13, 33 684, nr. 3, p. 255–256).Onderdeel bOp grond van artikel 7.2.2 is het mogelijk een veroordeelde aan te houdenindien het ernstige vermoeden bestaat dat een voorwaarde of maatregelniet wordt nageleefd. Die bevoegdheid tot aanhouding kan ook wordenuitgeoefend in geval van niet-naleving binnen het jeugdstrafrecht. Tenaanzien van de veroordeelde tot de maatregel van plaatsing in eeninrichting is in dit onderdeel een aanvulling gedaan, zoals dat in artikel7.2.2 is gebeurd ten aanzien van de terbeschikkinggestelde. De veroor-deelde tot de maatregel van plaatsing in een inrichting kan ook wordenaangehouden indien het belang van de veiligheid van anderen dan wel dealgemene veiligheid van personen of goederen dit eist. Dit criterium isgelijk aan het criterium voor oplegging van de maatregel (artikel 77s,eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht). De aanhoudingen de (daarna te vorderen) tenuitvoerlegging of terugplaatsing hebben indat geval een preventief karakter. Met deze verduidelijking wordt medetegemoet gekomen aan een opmerking ter zake van de Rvdr.Onderdeel cEen derde modificatie is dat een proeftijd in afwijking van artikel 7.2.6,tweede lid, eenmaal met ten hoogste één jaar kan worden verlengd(onderdeel d). Dit is ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel6:6:19, tweede lid.Met betrekking tot de proeftijd heeft de Rvdr aandacht besteed aan dewettelijke bepalingen waarin is bepaald dat de proeftijd niet looptgedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.Een voorbeeld is artikel 7.7.9, derde lid. In relatie tot het jeugdstrafrechtvraagt de Rvdr of onder deze bepalingen ook vrijheidsbeneming opcivielrechtelijke titel valt, zoals een gesloten uithuisplaatsing of geslotenzorgverlening op grond van de Wet verplichte geestelijke gezond-heidszorg. Dat is inderdaad het geval. Ook in die gevallen van vrijheidsbe-neming wordt de proeftijd opgeschort of geschorst, omdat de veroor-deelde tijdelijk niet kan voldoen aan de vrijheidsbeperkende voorwaarden.Onderdeel dEen laatste verduidelijking heeft betrekking op de vordering tot tenuitvoer-legging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel(artikel 7.2.7). Bij toewijzing van de vordering kan de rechtbank detenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten in plaats van de tenuitvoer-legging van een vrijheidsstraf. Onder «vrijheidsstraf» kan binnen hetjeugdstrafrecht alleen de jeugddetentie worden begrepen. Ten aanzienvan de vervangende taakstraf zijn in artikel 7.2.7, vijfde lid, enkeleartikelen uit het algemene strafrecht van overeenkomstige toepassingverklaard. Het jeugdstrafrecht kent echter specifieke artikelen over detaakstraf. Op aangeven van de Rvdr is in dit onderdeel een alternatieveopsomming opgenomen die is toegespitst op het jeugdstrafrecht.Artikel 7.7.6 [beslissingen rechter-commissaris]Op vordering van de officier van justitie is de rechter-commissarisbevoegd tot het nemen van enkele (voorlopige) beslissingen in het kadervan de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De gedachteachter deze beslissingen is dat de geloofwaardigheid en de toepassingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3154 van de (vervangende of voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde) straf ofmaatregel gebaat is bij en vaak noodzaakt tot snel ingrijpen.Voor het algemene strafrecht staan de mogelijke beslissingen van derechter-commissaris opgesomd in artikel 7.2.3. In dat artikel staat ook deprocedure beschreven. Volgens artikel 7.7.5 geldt dat artikel ook tenaanzien van het jeugdstrafrecht. Uit de samenhang met de aanhouding(artikel 7.2.2) volgt dat de rechter-commissaris een vordering kantoewijzen indien een voorwaarde of maatregel niet wordt nageleefd of – ingeval van voorlopige beslissingen bij een maatregel tot plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen – als het belang van de veiligheid van anderendan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die beslissinganderszins eist. De mogelijke beslissingen in het algemene strafrecht(artikel 7.2.3, eerste lid) zijn echter grotendeels niet toepasbaar binnen hetjeugdstrafrecht. Zo kent het jeugdstrafrecht geen terbeschikkingstelling ofmaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Inafwijking van artikel 7.2.3, eerste lid, bevat dit artikel daarom eenalternatieve opsomming die is toegespitst op het jeugdstrafrecht. Hetbetreft een samenvoeging van het huidige artikel 6:6:20, eerste lid, voorzover dat betrekking heeft op het jeugdstrafrecht, en de artikelen 6:6:32,achtste lid, en 6:6:35, derde lid.De rechter-commissaris is in het kader van het jeugdstrafrecht bevoegd tebeslissen tot:–de voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuit-voergelegde jeugddetentie of maatregel van plaatsing in een inrichtingvoor jeugdigen (artikel 77x van het Wetboek van Strafrecht);–de voorlopige voortzetting van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen in geval de vordering tot verlenging te laat isingediend (artikel 7.7.13, tweede lid);–de voorlopige terugplaatsing van de veroordeelde tijdens de voorwaar-delijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichtingvoor jeugdigen (artikel 7.7.15);–de tijdelijke opname van de veroordeelde tot plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen indien de maatregel voorwaardelijk nietwordt tenuitvoergelegd, dan wel de eenmalige verlenging van detijdelijke opname (artikel 77x, tweede lid, tweede zin, van het Wetboekvan Strafrecht);–de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (artikel 77wc vanhet Wetboek van Strafrecht); en–de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij demaatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 77we vanhet Wetboek van Strafrecht).Gelet op de schakelbepaling in artikel 7.7.5 verlopen de procedure bij derechter-commissaris en de voorafgaande aanhouding hetzelfde als in hetalgemene strafrecht. Dat geldt ook voor de vordering tot tenuitvoer-legging die wordt ingediend bij de rechtbank ter verkrijging van eendefinitieve beslissing (artikel 7.2.7). De opmerking van het OM dat eenvoorziening ter zake zou ontbreken, is dus niet juist.De Rvdr heeft aandacht gevraagd voor de tenuitvoerlegging van devervangende jeugddetentie bij de maatregel betreffende het gedrag vande jeugdige. De Rvdr merkt op dat de huidige wetgeving twee manierenkent om te komen tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugdde-tentie voor het geval de veroordeelde zich niet houdt aan de maatregel.Enerzijds is de officier van justitie zelfstandig bevoegd te beslissen tottenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie. Tegen de beslissingvan de officier van justitie kan de veroordeelde een bezwaarschriftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3155 indienen (huidig artikel 6:6:35, tweede lid). Anderzijds kan een vorderingtot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie wordeningediend bij de rechter-commissaris. Tegen de beslissing van derechter-commissaris kan beroep worden ingesteld (huidig artikel 6:6:35,derde lid, in samenhang met artikel 6:6:22, eerste lid, onderdeel a). Beideopties waren overgenomen in de consultatieversie van dit wetsvoorstel.Naar aanleiding van de opmerkingen van de Rvdr is evenwel besloten deregeling aan te passen. Gekozen is voor behoud van de procedure bij derechter-commissaris. Daarmee is de zelfstandige bevoegdheid van deofficier van justitie vervallen. Voor behoud van de rechterlijke procedurepleit dat ook de minder verstrekkende interventie van tijdelijke opnemingin een justitiële jeugdinrichting rechterlijke tussenkomst vereist (artikel7.7.26). Ook brengt de procedure bij de rechter-commissaris mee dat deveroordeelde zo mogelijk wordt gehoord voordat vervangende jeugdde-tentie wordt toegepast (artikel 7.2.3, derde lid). Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het verzoek van het OM om dat mogelijk te maken. Gelet ophet beginsel van subsidiariteit zal de officier van justitie, voordat hij eenvordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie indientbij de rechter-commissaris, moeten beoordelen of kan worden volstaanmet het indienen van een vordering tot wijziging van de inhoud van demaatregel (artikel 7.7.25) of met een tijdelijke opneming (artikel 7.7.26).Tegen de beslissing van de rechter-commissaris kan beroep wordeningesteld bij de rechtbank (artikel 7.7.30).Artikel 7.7.7 [toezicht raad voor de kinderbescherming]De huidige toezichthoudende taak van de raad voor de kinderbeschermingop de jeugdreclassering (artikel 6:1:25, eerste lid) is met dit artikelinhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Over de casusregie van de raadvoor de kinderbescherming is al het nodige opgemerkt in de inleidendetoelichting op Hoofdstuk 7. In het kader van die casusregie kan de raadvoor de kinderbescherming de met de uitvoering van jeugdreclasseringbelaste gecertificeerde instelling de benodigde aanwijzingen geven.Onder omstandigheden kan ook een reclasseringsinstelling toezichthouden (zie de artikelen 77t, eerste lid, onderdeel b, en 77aa, derde lid,van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7.7.13, zesde lid, 7.7.14,tweede lid, en 7.7.24, derde lid). In dat geval kan de raad voor dekinderbescherming ook die reclasseringsinstelling aanwijzingen geven(vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33 498, nr. 9, p. 4). Met betrekking tot dereclasseringsinstelling was in de consultatieversie van dit wetsvoorstelweggevallen dat een aanwijzing alleen mogelijk is voor zover hetminderjarigen betreft, zo heeft de 3RO terecht opgemerkt. Die omissie ishersteld.De genoemde reclasseringswerkzaamheden betreffen onder andere hetgeven van aanwijzingen in het kader van een strafbeschikking (artikelen6.1.16, eerste lid, en 6.1.27), het toezicht en de begeleiding in het kadervan voorwaarden, aanwijzingen, maatregelen en straffen (artikel 7.7.5,aanhef en onderdeel a, in samenhang met artikel 7.2.1), de begeleidingtijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing ineen inrichting voor jeugdigen (artikelen 7.7.13, zesde lid, en 7.7.14, tweedelid) en de voorbereiding en de ondersteuning van de tenuitvoerleggingvan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (artikel 7.7.24,tweede en derde lid).Het huidige artikel 6:1:25, tweede lid, bevat een voorziening waarmee deraad voor de kinderbescherming in door de Minister aan te wijzengevallen de gecertificeerde instelling kan inschakelen voor vrijwilligebegeleiding van een jeugdige of een jongvolwassene. Hierbij hoeft hetniet enkel te gaan om vrijwillige begeleiding van een veroordeelde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3156 Vrijwillige begeleiding is ook mogelijk bij verdachten, bijvoorbeeld na deplaatsing in voorlopige hechtenis (artikel 2 van de Regeling vrijwilligebegeleiding jeugdreclassering). Het huidige artikel 6:1:25, tweede lid, kandus ook worden toegepast in de fase van de berechting en zal om diereden via een aanvullingswet worden geplaatst in Boek 6, Titel 1.1(Jeugdigen en jongvolwassenen). De bepaling zal bij die gelegenheid vanovereenkomstige toepassing worden verklaard voor de fase van detenuitvoerlegging.TITEL 7.3JeugddetentieArtikel 7.7.8 [schakelbepaling]Op de tenuitvoerlegging van de straf van jeugddetentie zijn enkelevoorschriften uit Hoofdstuk 3 (Vrijheidsstraffen) van overeenkomstigetoepassing. Het betreft de voorschriften over de aanvang van de straf(artikel 7.3.1), de tenuitvoerlegging in geval van meerdere vrijheids-straffen (artikel 7.3.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a), de verre-kening van vrijheidsbeneming in het buitenland (artikel 7.3.3), strafonder-breking (artikel 7.3.4) en de mogelijkheid van lagere regelgeving (artikel7.3.6, eerste en tweede lid). Verwezen zij naar de toelichting op degenoemde artikelen.De voorschriften over voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 7.3.2,tweede lid, onderdeel b, Titel 3.2 en Titel 3.3) en plaatsing in een instellingvoor terbeschikkinggestelden (artikel 7.3.5) zijn niet van overeenkomstigetoepassing verklaard. Ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheids-stelling kent de jeugddetentie namelijk een eigen regeling (artikel 7.7.9).Om deze reden is het huidige artikel 6:2:13c niet langer nodig. Plaatsing ineen instelling voor terbeschikkinggestelden is beperkt tot veroordeeldentot gevangenisstraf en hechtenis.Artikel 7.7.9 [voorwaardelijke invrijheidstelling]Eerste lidDe rechtbank kan te allen tijde voorwaardelijke invrijheidstelling verlenenaan de veroordeelde tot jeugddetentie. Naar huidig recht is dit vastgelegdin artikel 6:6:28. De beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan derechtbank nemen op vordering van de officier van justitie of op verzoekvan de veroordeelde (artikel 7.1.20, derde lid). Uit de overeenkomstigetoepassing van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht volgt dat tijdensde voorwaardelijke invrijheidstelling de algemene voorwaarde geldt datde veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maaktaan een strafbaar feit. Daarnaast kan de rechtbank bijzonderevoorwaarden stellen, waaraan eventueel elektronisch toezicht kan wordenverbonden.Tweede en derde lidDe voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelde krijgt te maken meteen proeftijd van ten hoogste twee jaar. De proeftijd loopt niet gedurendede tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Opvordering van de officier van justitie kan de rechtbank de proeftijdeenmaal met ten hoogste een jaar verlengen (artikel 7.7.5, aanhef enonderdeel c, in samenhang met artikel 7.2.6, tweede lid). De duur van deproeftijd en de door de rechtbank bepaalde bijzondere voorwaardenworden de veroordeelde in persoon betekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3157 In geval van schending van een voorwaarde kan de officier van justitieeen vordering indienen bij de rechter-commissaris en de rechtbank tot(voorlopige) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet tenuitvoerge-legde jeugddetentie (artikelen 7.7.5 en 7.7.6, onderdeel a, in samenhangmet de artikelen 7.2.3 en 7.2.7).Artikel 7.7.10 [omzetting jeugddetentie]De rechtbank kan een jeugddetentie geheel of gedeeltelijk omzetten in eengevangenisstraf, hechtenis, taakstraf of geldboete indien de tenuitvoer-legging van de jeugddetentie geheel of gedeeltelijk zou moeten plaats-vinden nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt ende veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank niet meer inaanmerking komt voor jeugddetentie. Naar huidig recht is dezemogelijkheid van omzetting vastgelegd in artikel 6:6:29. Tenuitvoerleggingvan jeugddetentie op meerderjarige leeftijd kan zich onder meer voordoenals de veroordeling plaatsvond op latere leeftijd (bijvoorbeeld bij eenzeventienjarige verdachte), als de veroordeelde zich ten tijde van deveroordeling niet in voorlopige hechtenis bevond, als een bevel tottenuitvoerlegging is gegeven op grond van artikel 7.2.7, of als deveroordeelde zich tijdelijk aan de tenuitvoerlegging van de jeugddetentieheeft weten te onttrekken. Op zichzelf staat meerderjarigheid niet in deweg aan (verdere) tenuitvoerlegging van de jeugddetentie. Het is echterniet ondenkbaar dat het onder omstandigheden, bijvoorbeeld gelet op deleeftijd en het ontwikkelingsniveau van de veroordeelde, ongewenst is datopneming dan wel verdere tenuitvoerlegging plaatsvindt in een justitiëlejeugdinrichting.Op grond van artikel 7.1.20, derde lid, kan de rechtbank beslissen totomzetting op vordering van de officier van justitie of op verzoek van deveroordeelde. De rechtbank kan op grond van dat artikellid ook ambts-halve beslissen tot omzetting als zij in een ander verband wordt aange-zocht, bijvoorbeeld naar aanleiding van een vordering tot tenuitvoer-legging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde jeugddetentie (vgl.Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 8).TITEL 7.4Plaatsing in een inrichting voor jeugdigenArtikel 7.7.11 [plaats van tenuitvoerlegging]Na oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen draagt de Minister de tenuitvoerlegging in beginsel op aan eenjustitiële jeugdinrichting (zie artikel 1, onderdeel b, in samenhang metartikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen). Tenuitvoer-legging van de maatregel kan ook elders plaatsvinden, bijvoorbeeld in eeninrichting voor de verpleging van terbeschikkinggestelden. Aanleidingvoor een andere locatie kan bijvoorbeeld zijn het advies van de rechterover de tenuitvoerlegging (artikel 7.7.1 in samenhang met artikel 7.1.1,tweede lid). Dit voorschrift is naar huidig recht opgenomen in artikel 77s,zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, maar verplaatst naar hetWetboek van Strafvordering omdat het uitdrukkelijk betrekking heeft opde tenuitvoerlegging van de maatregel. Het bedoelde artikellid zal via deinvoeringswet vervallen in het Wetboek van Strafrecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3158 Artikel 7.7.12 [beëindiging van de maatregel]Indien het doel van de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen is bereikt of beter op andere wijze kan worden bereikt, kan deMinister de maatregel te allen tijde voorwaardelijk of onvoorwaardelijkbeëindigen. De maatregel kan ook eerst voorwaardelijk en later onvoor-waardelijk worden beëindigd. Dit voorschrift is ongewijzigd overgenomenuit het huidige artikel 6:2:22, derde lid.Voorwaardelijke beëindiging vindt plaats op voorstel van de directeur vande inrichting waarin de veroordeelde zich bevindt. Het initiatief daartoekan worden genomen door de gecertificeerde instelling of de reclasse-ringsinstelling die is belast met de begeleiding en het toezicht. In hetBesluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zijn nadere regelsgegeven over de te stellen voorwaarden. Gelet op de wettelijke syste-matiek van voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, met daaraanverbonden voorwaarden in het kader van nazorg, blijft beëindiging doorde Minister beperkt tot die gevallen waarin met de verdere (intramurale)tenuitvoerlegging van de maatregel geen strafdoel meer in redelijkheid isgediend.Gezien de toezichthoudende rol van de raad voor de kinderbeschermingop de jeugdreclassering, en de daarmee samenhangende casusregie (ziede inleidende toelichting op Hoofdstuk 7 en artikel 7.7.7), vindt beëin-diging door de Minister niet plaats dan nadat de raad voor de kinderbe-scherming daarover heeft geadviseerd. Op advies van de 3RO is toege-voegd dat ook advies wordt gevraagd aan de reclasseringsinstellingindien deze is belast met de begeleiding van de veroordeelde. Vanbetrokkenheid van de reclassering kan bijvoorbeeld sprake zijn als deveroordeelde inmiddels buiten de inrichting verblijft op grond van eenscholings- en trainingsprogramma of in geval van een voorwaardelijkebeëindiging. Indien de maatregel voorwaardelijk wordt beëindigd, kan dereclasseringsinstelling ook advies geven over de te stellen voorwaardenen het houden van toezicht.Artikel 7.7.13 [verlenging maatregel]Eerste en tweede lidOp grond van artikel 77s, zevende lid, van het Wetboek van Strafrechtgeldt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor deduur van drie jaar. Behoudens verlenging eindigt de maatregel voorwaar-delijk na twee jaar. Verlenging is mogelijk onder de voorwaarden die zijnopgenomen in dit artikel. De officier van justitie dient hiertoe eenverlengingsvordering in bij de rechtbank. De inhoud van dit artikel isovergenomen uit het huidige artikel 6:6:31.Op grond van het tweede lid wordt de verlengingsvordering ingediend inde voorlaatste maand van de looptijd van de maatregel. De officier vanjustitie is niet verplicht tot indiening van een verlengingsvordering.Denkbaar is dat de uitgebrachte adviezen – zie het derde lid – van dienaard zijn dat verlenging niet in de rede ligt. Het niet indienen van eenverlengingsvordering leidt ertoe dat de maatregel van rechtswegevoorwaardelijk wordt beëindigd.Een verlengingsvordering die te laat is ingediend kan dankzij de overeen-komstige toepassing van artikel 7.4.3, vierde tot en met zesde lid, onderomstandigheden toch ontvankelijk worden verklaard. Om een te laatingediende verlengingsvordering ontvankelijk te kunnen verklaren, isvereist dat de vordering wordt ingediend binnen een redelijke termijn enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3159 dat overigens is voldaan aan de voorwaarden voor verlenging. Zie naderde toelichting op artikel 7.4.3. Van belang is dat de maatregel van krachtblijft totdat onherroepelijk is beslist op de vordering. Als de rechtbank deverlengingsvordering toewijst nadat de maatregel door tijdsverloopvoorwaardelijk zou zijn beëindigd, vangt de nieuwe termijn (met terugwer-kende kracht) aan op de dag waarop de maatregel voorwaardelijk zou zijnbeëindigd (artikel 7.4.3, zesde lid). Het voorgaande laat onverlet dat deofficier van justitie direct na het blijken van het verzuim in actie zalmoeten komen door naast de verlengingsvordering ook direct eenvordering tot voorlopige voortzetting van de maatregel in te dienen bij derechter-commissaris. Daarbij gelden de procedurevoorschriften die ookgelden bij andere (voorlopige) beslissingen van de rechter-commissaris(zie de artikelen 7.7.5 en 7.7.6 in samenhang met de artikelen 7.2.2 en7.2.3).Derde lidBij een vordering tot verlenging wordt een advies overgelegd van hethoofd of de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft. Hetadvies gaat in op de wenselijkheid van verlenging van de maatregel en opde voorgestelde duur daarvan. Als door gebrek aan medewerking van deveroordeelde niet een recent advies van het hoofd van de inrichtingbeschikbaar is, kan desondanks verlenging van de maatregel plaats-vinden. Bij de verlengingsvordering wordt voorts overgelegd een kopievan de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijke gesteldheid vande veroordeelde. Hierbij gaat het om periodieke rapportages over hetgedrag van de veroordeelde, zoals de houding ten opzichte van andereveroordeelden en het personeel van de inrichting. Als de veroordeeldeinmiddels op grond van een scholings- en trainingsprogramma of eenvoorwaardelijke beëindiging buiten de inrichting verblijft, worden bij hetadvies ook de beschouwingen gevoegd van de gecertificeerde instellingof de reclasseringsinstelling over de wenselijkheid van verlenging van demaatregel.Vierde lidIndien de officier van justitie verlenging vordert waardoor de maatregelde duur van vier jaar en zes maanden zal bereiken, wordt bij de vorderingook overgelegd een recent opgemaakt gezamenlijk advies van tweegedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder eenpsychiater, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. Naar huidigrecht moet deze dubbelrapportage worden overgelegd indien de officiervan justitie verlenging vordert waardoor de maatregel de maximale duurvan zeven jaar zou bereiken. In de praktijk wordt echter al lange tijd eentermijn van vier jaar en zes maanden gehanteerd vanuit de wens omtijdig(er) door middel van dubbelrapportage kritisch te kijken naar debehandeling die de veroordeelde tot dan toe heeft gehad en waar nodigde behandeling aan te passen, zodat de laatste fase van de maatregel zooptimaal mogelijk kan worden benut. De termijn is hieraan aangepast. Inhet (gezamenlijke) advies rapporteren de gedragsdeskundigen ofverlenging al dan niet is geïndiceerd. Zie nader de toelichting op het vanovereenkomstige toepassing verklaarde artikel 7.4.4, derde lid. Uiteraardis artikel 7.4.4, derde lid, alleen relevant voor zover het gaat om de tevoegen stukken, zo wordt opgemerkt in reactie op de adviezen van deRvdr en de 3RO. De termijn in artikel 7.4.4, derde lid, is immers toegespitstop de terbeschikkingstelling, en daarvan wordt in dit vierde lid afgeweken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3160 Vijfde lidDe veroordeelde wordt ter zitting gehoord, althans daartoe opgeroepen(artikel 1.2.18, tweede lid). In aanvulling daarop regelt dit nieuwe vijfde liddat als de veroordeelde wenst te worden gehoord, maar niet in staat is teverschijnen op de zitting wegens zijn (psychische) ziekte of aandoening,de veroordeelde op zijn verblijfplaats wordt gehoord. Het horen vindt indat geval plaats door een van de rechters, vergezeld door de griffier.Indien de veroordeelde zich ophoudt in een ander arrondissement, kan derechtbank het horen overdragen aan de rechtbank of de rechter-commissaris in dat arrondissement. Dit vijfde lid is toegevoegd innavolging van het advies van de Rvdr om het horen bij (de verlengings-procedure inzake) de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen gelijk te trekken met het horen bij (de verlengingsprocedureinzake) een terbeschikkingstelling (artikel 7.4.8, derde lid).Zesde en zevende lidAls de rechtbank de verlengingsvordering afwijst, wordt de maatregel vanrechtswege voorwaardelijk beëindigd. Met het oog op die situatie zijn eennieuw zesde en zevende lid toegevoegd. Deze artikelleden bieden derechtbank de mogelijkheid om voorafgaand aan de voorwaardelijkebeëindiging – in de beslissing op de vordering tot verlenging – bijzonderevoorwaarden te stellen en opdracht te geven tot reclasseringstoezicht. Opgrond van het huidige artikel 6:6:32, derde lid, kon de rechtbank dezebevoegdheden al uitoefenen «tijdens» de voorwaardelijke beëindiging.Het is echter wenselijk dat de rechtbank diezelfde bevoegdheden kanuitoefenen voorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging, zodat devoorwaarden en de begeleiding gelden vanaf de aanvang van devoorwaardelijke beëindiging. Uit de overeenkomstige toepassing vanartikel 7.4.8, vijfde lid, volgt dat als voorwaarden worden overwogen diedirect de belangen van het slachtoffer raken, zoals een locatie- ofcontactverbod, het slachtoffer of de daarmee gelijkgestelde spreekgerech-tigde in de gelegenheid wordt gesteld een verklaring af te leggen over(het al dan niet stellen van) die voorwaarden.De Rvdr heeft opgemerkt dat het stellen van voorwaarden niet alleen aande orde hoeft te zijn bij een afwijzing van de verlengingsvordering.Afwijzing van de vordering betekent immers dat de termijn van devoorwaardelijke beëindiging ingaat op het moment waarop de voorwaar-delijke beëindiging zou zijn ingegaan indien geen vordering tot verlengingzou zijn ingediend. Dat moment kan zijn gelegen vóór de beslissing vande rechtbank. Het komt in de praktijk daarom soms voor dat de maatregelwordt verlengd tot het moment van de uitspraak. Feitelijk wordt devordering dan (deels) toegewezen. In navolging van deze opmerking is hetvierde lid zo geformuleerd dat het in alle gevallen kan worden toegepastvoorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging.Ook heeft de Rvdr opgemerkt dat het zesde en zevende lid niet zoudenkunnen worden toegepast in hoger beroep. Dat lijkt echter te berusten opeen misverstand, aangezien het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kanbevelen wat volgens de wet behoort plaats te vinden (zie artikel 7.7.33,derde lid, in samenhang met artikel 7.6.22, vijfde lid).Vervallen of verplaatste onderdelen van artikel 6:6:31Van het huidige artikel 6:6:31 zijn het eerste lid, eerste zin, het tweede lid,eerste en derde zin, en het derde, vierde en zevende lid niet overge-nomen. Het huidige vierde lid, waarin is bepaald dat de verlengingsvor-dering altijd wordt behandeld door een meervoudige kamer, wordt viaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3161 een aanvullingswet geïncorporeerd in artikel 1.2.13, eerste lid, waarin alleraadkamerprocedures zijn genoemd die altijd door een meervoudigekamer worden afgedaan. Het huidige zevende lid, over het rechterlijkadvies, is overbodig naast artikel 7.1.1, tweede lid. De verplichting in hethuidige tweede lid, derde zin, dat in de beslissing tot verlenging wordtaangegeven wanneer de maatregel onvoorwaardelijk eindigt, is in depraktijk vrijwel onuitvoerbaar gebleken. Dat heeft er onder meer mee temaken dat voor de rechtbank onbekend is wanneer de maatregel niet liep.Het doel van deze verplichting – duidelijkheid verschaffen aan deveroordeelde – wordt bovendien maar beperkt bereikt, omdat demaatregel in de toekomst mogelijk verder kan worden verlengd. Voor deoverige genoemde onderdelen geldt dat zij via de invoeringswet wordenverplaatst naar het Wetboek van Strafrecht. Zij bevatten namelijk geenprocedurebepalingen, maar regelen de (maximale) duur van de maatregelen de gevallen waarin verlenging mogelijk is. Hetzelfde geldt voor dedelen van het huidige artikel 6:2:22, eerste en tweede lid, waarin isbepaald op welk moment de maatregel voorwaardelijk eindigt en degevallen waarin de termijn van de maatregel niet loopt. Al dezebepalingen passen naar hun aard beter in het Wetboek van Strafrecht. Indat wetboek zijn ook de maximale duur en de gronden voor verlengingvan de terbeschikkingstelling geregeld. Zie de artikelen 38d, tweede lid, en38e van het Wetboek van Strafrecht.Artikel 7.7.14 [verlenging voorwaardelijke beëindiging]Nadat de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vanrechtswege voorwaardelijk is beëindigd onder de in artikel 77t, eerste lid,van het Wetboek van Strafrecht genoemde voorwaarden, kan devoorwaardelijke beëindiging worden verlengd. De officier van justitiedient hiertoe een verlengingsvordering in bij de rechtbank. Voor deindiening gelden dezelfde termijnen als bij de vordering tot verlengingvan de maatregel. Bovendien geldt ook in deze procedure dat deveroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord. Zieartikel 7.7.13, tweede en vijfde lid, en de toelichting daarop. De rechtbankbepaalt de duur van de verlenging. De totale duur van de voorwaardelijkebeëindiging bedraagt ten hoogste twee jaar.Dit artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel6:6:32, eerste lid, tweede tot en met vijfde zin, derde lid, onderdelen a enb, en vijfde lid. Het huidige artikel 6:6:32, eerste lid, eerste zin, en tweedelid, wordt via de invoeringswet verplaatst naar het Wetboek van Straf-recht. Die artikelleden bevatten namelijk geen procedurebepalingen, maarregelen de (maximale) duur van de verlenging en de gevallen waarinverlenging mogelijk is. Deze bepalingen passen naar hun aard beter in hetWetboek van Strafrecht. In dat wetboek zijn ook de maximale duur en degronden voor verlenging van de terbeschikkingstelling geregeld. Zie deartikelen 38d, tweede lid, en 38e van het Wetboek van Strafrecht. Vergelijkook de toelichting op artikel 7.7.13. Het huidige artikel 6:6:32, derde lid,onderdeel c, en vierde lid – over de terugplaatsing in een inrichting – isondergebracht in artikel 7.7.15, omdat de terugplaatsing een zelfstandigeprocedure is die inhoudelijk moet worden onderscheiden van deprocedure tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging.De rechtbank kan tijdens en bij verlenging van de voorwaardelijkebeëindiging ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of opverzoek van de veroordeelde bijzondere voorwaarden stellen of – als mettoepassing van artikel 7.7.13, zesde lid, al voorwaarden zijn gesteld – degestelde voorwaarden wijzigen. Geput kan worden uit de (niet limitatieve)lijst van bijzondere voorwaarden in het van overeenkomstige toepassingverklaarde artikel 77z, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3162 rechtbank kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken toteen in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee devoorwaardelijke beëindiging is of wordt verlengd. Uit de overeenkomstigetoepassing van artikel 7.4.8, vijfde lid, volgt dat als voorwaarden wordenoverwogen die direct de belangen van het slachtoffer raken, zoals eenlocatie- of contactverbod, het slachtoffer of de daarmee gelijkgesteldespreekgerechtigde in de gelegenheid wordt gesteld een verklaring af teleggen over (het al dan niet stellen of verlengen van) die voorwaarden.Voorts kan de rechtbank opdracht geven dat een gecertificeerde instellingof, indien de veroordeelde de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, eenreclasseringsinstelling toezicht houdt op de naleving van de bijzonderevoorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt. Derechtbank kan ook een eerdere opdracht wijzigen. De toezichtopdrachtwordt feitelijk verstrekt door de Minister (artikel 7.7.5 in samenhang metartikel 7.2.1, tweede lid).Artikel 7.7.15 [terugplaatsing]Eerste en derde lidAls de veroordeelde zich tijdens de voorwaardelijke beëindiging van demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet houdt aande voorwaarden, kan de rechtbank bevelen dat de veroordeelde wordtteruggeplaatst in een inrichting. Het doel van een terugplaatsing is deveroordeelde maximaal te stimuleren zich aan de gestelde voorwaardente houden (Kamerstukken II 2010/11, 33 008, nr. 3, p. 4–5). Naar huidigrecht – zie artikel 6:6:32, derde lid, onderdeel c – wordt bij de terug-plaatsing gepreciseerd naar specifieke inrichtingen. Die preciseringverhoudt zich echter niet goed tot artikel 7.7.11. Volgens dat artikel ligt deplaatsingsbeslissing na oplegging van de maatregel bij de Minister.Daarbij ontbreekt een dwingende precisering; de veroordeelde kan ook«elders» worden opgenomen. Er is geen reden bij de terugplaatsing eenander regime te hanteren dan bij de initiële plaatsing. Het derde lid steltdaarom buiten twijfel dat artikel 7.7.11 ook geldt in geval van een bevel totterugplaatsing; ook in dat geval moet een plaats van tenuitvoerleggingworden bepaald (door de Minister).Tweede lidDe duur van de terugplaatsing bedraagt ten hoogste een jaar en deterugplaatsing kan, in geval van een kortere terugplaatsing, wordenherhaald. Uit de omstandigheid dat een eventuele terugplaatsing wordtbevolen tijdens de voorwaardelijke beëindiging vloeit voort dat deterugplaatsing de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet te buitenkan gaan. In reactie op een vraag van de 3RO kan worden bevestigd datde termijn van de voorwaardelijke beëindiging doorloopt tijdens deterugplaatsing. In voorkomende gevallen zal het bij een terugplaatsingvan langere duur dan ook noodzakelijk zijn eveneens de termijn van devoorwaardelijke beëindiging te verlengen binnen de daarvoor geldendegrenzen (Kamerstukken II 2010/11, 33 008, nr. 3, p. 5). Het daaraangerelateerde verzoek van de 3RO om de termijn van de maatregel teverlengen indien na terugplaatsing weinig tijd overblijft voor het inrichtenvan de nazorg, is niet overgenomen.Naar huidig recht kan een terugplaatsing maximaal twee keer wordenbevolen (zie huidig 6:6:32, vierde lid). Deze limitering is vervallen. In depraktijk werd dit namelijk als belemmerend ervaren. Indien de veroor-deelde bijvoorbeeld al een keer een maand is teruggeplaatst, wordt hetbevelen van een tweede (korte) terugplaatsing lastiger vanuit de weten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3163 schap dat er daarna geen stok achter de deur meer is. Om deze reden iservoor gekozen niet langer een limiet te stellen aan het aantal mogelijketerugplaatsingen, maar wel vast te houden aan de maximale duur in hettweede lid. Daardoor is binnen het bestaande maximum meer maatwerkmogelijk.Artikel 7.7.16 [omzetting in terbeschikkingstelling]Ondanks de lange duur van de maatregel van plaatsing in een inrichtingvoor jeugdigen kan het voorkomen dat de veroordeelde nog steedsrecidivegevaarlijk is op het moment dat de maatregel de maximale duurvan zeven jaar bereikt. Het zal in voorkomende gevallen gaan om eenjongvolwassene met zeer ernstige psychische problematiek. Om desamenleving ook in die gevallen (blijvend) te kunnen beschermen, maaktdit artikel het mogelijk de maatregel om te zetten in de maatregel vanterbeschikkingstelling. Het artikel is overgenomen uit het huidige artikel6:6:33.De overeenkomstige toepassing van artikel 37a, eerste, derde en vierdelid, van het Wetboek van Strafrecht brengt tot uitdrukking dat ten aanzienvan de criteria en de advisering dezelfde voorschriften gelden als bij deoplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Om het gevaarvan de veroordeelde goed te kunnen inschatten, wordt de rechtbankvoorzien van een recent opgemaakt gezamenlijk advies van tweegedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder eenpsychiater, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. In dit(gezamenlijke) advies rapporteren de gedragsdeskundigen of omzetting aldan niet is geïndiceerd. Weigert de veroordeelde mee te werken aan hetonderzoek, dan rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan welieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering, voor zovermogelijk. Op die manier krijgt de rechtbank in voorkomende gevalleninzicht in de achtergronden van de weigering. De weigering kan immershet gevolg zijn van een bepaalde, bij de betrokkene geconstateerdepsychische stoornis (vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 3, p. 5). Zomogelijk wordt een ander advies of rapport overgelegd over de wense-lijkheid of noodzakelijkheid van een omzetting, aan de totstandkomingwaarvan de betrokkene wel bereid is medewerking te verlenen. Dit kanbijvoorbeeld een advies of rapport zijn van een ambulant onderzoek dat isuitgevoerd door een psychiater van het Nederlands Instituut voorForensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Is het niet mogelijk terapporteren over de reden van de weigering, en is ook geen alternatiefadvies of rapport voorhanden, dan staat dat niet in de weg aan eenomzetting; de wettekst spreekt uitdrukkelijk van het «zo mogelijk» delenvan deze stukken.Op advies van de 3RO is aan het tweede lid nieuw toegevoegd dat ook dereclassering advies uitbrengt aan de rechtbank. De beslissing totomzetting moet volgens het derde lid namelijk worden genomen voordatde maatregel voorwaardelijk eindigt, of tijdens de voorwaardelijkebeëindiging. Indien de vordering tot omzetting wordt ingediend tijdens devoorwaardelijke beëindiging, houdt de reclassering doorgaans reedstoezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden. In dat toezichtliggen de redenen om de vordering tot omzetting in te dienen, bijvoor-beeld omdat de veroordeelde ontregelt en dusdanig gevaarlijk wordt datomzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswegenoodzakelijk wordt geacht. Indien de vordering tot omzetting wordtingediend voorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging, zal eenafwijzing van de vordering tot gevolg hebben dat de maatregel voorwaar-delijk zal eindigen, in welk geval het aannemelijk is dat de reclasseringtoezicht zal gaan houden. In beide situaties is een adviserende rol van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3164 reclassering dus gerechtvaardigd en wenselijk. In de huidige praktijk komthet om die reden dan ook al voor dat de reclassering rapportageuitbrengt, of dat reclasseringswerkers op de zitting verschijnen alsdeskundige (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBNNE:2023:4028).Artikel 7.7.17 [beëindiging van rechtswege]Een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vervalt vanrechtswege bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraakwaarbij dezelfde persoon ter beschikking wordt gesteld of opnieuw demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd.Ten aanzien van de terbeschikkingstelling maakt het niet uit of het gaatom een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of omeen terbeschikkingstelling met voorwaarden. Een maatregel van plaatsingin een inrichting voor jeugdigen vervalt ook van rechtswege bij hetonherroepelijk worden van de beslissing waarbij de maatregel wordtomgezet in een maatregel van terbeschikkingstelling. De inhoud van dezebepaling is een samenvoeging van de huidige artikelen 6:2:22, eerste lid,en 6:6:33, derde lid.TITEL 7.5Geldelijke straffen en maatregelenArtikel 7.7.18 [schakelbepaling]De tenuitvoerlegging van een geldboete, een schadevergoedingsmaat-regel, een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking, opgelegd ofgetroffen met toepassing van het jeugdstrafrecht, vindt plaats op dezelfdewijze als wanneer een dergelijke straf of maatregel is opgelegd mettoepassing van het algemene strafrecht. Alle voorschriften uit Hoofdstuk 5(Geldelijke straffen en maatregelen) zijn van overeenkomstige toepassing.De overeenkomstige toepassing vindt plaats met twee modificaties. Deeerste modificatie is dat als een geldboete niet wordt betaald en evenminkan worden verhaald, vervangende jeugddetentie wordt toegepast inplaats van vervangende hechtenis (onderdeel a). De tweede modificatie isdat een vordering tot toepassing van het dwangmiddel gijzeling bij eenontnemingsmaatregel wordt ingediend bij de kinderrechter, conform hethuidige artikel 6:6:30a (onderdeel b). Voorts geldt de aanvullendevoorziening van artikel 7.7.19.Artikel 7.7.19 [vervanging geldboete]Eerste lidDe rechter kan bij de uitspraak waarbij een geldboete wordt opgelegd,bevelen dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast indienvolledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedragvolgt (artikel 77l, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Dit artikel– dat is overgenomen uit het huidige artikel 6:6:30 – kent de rechtbank debevoegdheid toe de geldboete of het niet betaalde gedeelte daarvan tevervangen door jeugddetentie of een taakstraf. Vervanging door jeugdde-tentie is mogelijk op vordering van de officier van justitie. Vervangingdoor een taakstraf is mogelijk op verzoek van de veroordeelde, ook indienin de uitspraak al vervangende jeugddetentie is bepaald. Zolang detenuitvoerlegging van een eventuele vervangende jeugddetentie nog nietis aangevangen, kan de rechtbank ook de duur daarvan wijzigen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3165 Tweede lidDe taakstraf wordt opgelegd in evenredigheid met het nog verschuldigdebedrag. Oplegging en tenuitvoerlegging van de taakstraf vindt uiteraardplaats overeenkomstig dezelfde regels als iedere andere taakstraf. Daarbijgaat het bijvoorbeeld om de voorschriften over de termijn waarbinnen detaakstraf (arbeid of leerproject) moet zijn verricht, over de wijziging van detaakstraf en over de taken van de raad voor de kinderbescherming in hetkader van de tenuitvoerlegging van taakstraffen.Ten opzichte van het huidige artikel 6:6:30, tweede lid, en in navolging vanhet advies van de Rvdr is niet langer bepaald dat omzetting in eentaakstraf alleen mogelijk is zolang de veroordeelde nog niet de leeftijd vanachttien jaar heeft bereikt. Deze leeftijdsgrens wordt namelijk ook nietgebruikt in geval van toewijzing van een vordering tot tenuitvoerleggingwaarbij de rechtbank de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelast inplaats van de tenuitvoerlegging van jeugddetentie (artikel 7.7.5 insamenhang met artikel 7.2.7). Omzetting is dus mogelijk in alle gevallenwaarin de geldboete is opgelegd met toepassing van het jeugdstrafrecht.Verplaatste onderdelen van artikel 6:6:30Van het huidige artikel 6:6:30 zijn het derde tot en met vijfde lid nietovergenomen. Die artikelleden bevatten voorschriften die (volledig ofprimair) toepassing vinden bij de oplegging van de geldboete. Het gaatom de mogelijkheid voor de rechter om in zijn uitspraak te bepalen dat devervangende jeugddetentie wordt tenuitvoergelegd als vervangendehechtenis indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging deleeftijd van achttien jaar heeft bereikt (huidige derde lid) en omvoorschriften over de omvang van de vervangende vrijheidsontneming(huidige vierde en vijfde lid). Deze voorschriften worden via de invoe-ringswet verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht. Voor zover relevantworden zij bij die gelegenheid in dit artikel van overeenkomstigetoepassing verklaard op de krachtens het eerste lid te nemen beslissing.TITEL 7.6TaakstrafArtikel 7.7.20 [schakelbepaling]Op de tenuitvoerlegging van een taakstraf, opgelegd met toepassing vanhet jeugdstrafrecht, zijn veel voorschriften uit Titel 6.1 (Taakstraf) vanovereenkomstige toepassing. Het betreft de voorschriften over schorsingvan de uitvoeringstermijn (artikel 7.6.1, tweede lid), vaststelling van deidentiteit (artikel 7.6.2), wijziging van de werkzaamheden (artikel 7.6.3), debeslistermijn voor wijziging of omzetting van de taakstraf (artikel 7.6.5), dekennisgeving van voltooiing (artikel 7.6.6) en de lagere regelgeving (artikel7.6.7). Verwezen zij naar de toelichting op de genoemde artikelen.Voor wat betreft de wijziging van de werkzaamheden geldt dat afwijkingvan de aanvankelijk opgelegde taakstraf zo beperkt mogelijk dient teblijven, met de door de rechter gegeven aanwijzingen als leidraad. Debeperking houdt ten aanzien van het jeugdstrafrecht in ieder geval in dateen leerstraf niet kan worden gewijzigd in een werkstraf en een werkstrafniet in een leerstraf, en dat in geval van een combinatie van leer- enwerkstraf de verhouding tussen beide componenten niet kan wordengewijzigd. Als bijzonderheid geldt voorts dat een wijziging niet kanplaatsvinden dan nadat advies is ingewonnen bij de raad voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3166 kinderbescherming en de veroordeelde is gehoord. Dit is naar huidig rechtbepaald in artikel 6:3:9, tweede lid.De voorschriften over de uitvoeringstermijn (artikel 7.6.1, eerste lid) en detoepassing van vervangende hechtenis (artikel 7.6.4) zijn niet vanovereenkomstige toepassing verklaard. Op deze punten kent deze titelspecifieke voorschriften.Artikel 7.7.21 [uitvoeringstermijn]Een taakstraf moet binnen een bepaalde termijn worden verricht. Integenstelling tot de algemene regeling in artikel 7.6.1, eerste lid, geldt eenvaste uitvoeringstermijn voor taakstraffen die zijn opgelegd mettoepassing van het jeugdstrafrecht, ongeacht of de taakstraf is opgelegdin een rechterlijke uitspraak of in een strafbeschikking. De uitvoerings-termijn is negen maanden voor werk- en leerstraffen van ten hoogstehonderd uur, en achttien maanden voor werk- en leerstraffen van langereduur. Deze termijnen zijn ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel6:3:8. De termijn van de taakstraf loopt niet gedurende de tijd dat deveroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheids-ontneming ongeoorloofd afwezig is (artikel 7.7.20 in samenhang metartikel 7.6.1, tweede lid).Artikel 7.7.22 [taken raad voor de kinderbescherming]De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak de voorbereiding en deondersteuning van de tenuitvoerlegging van taakstraffen die zijn opgelegdmet toepassing van het jeugdstrafrecht. Onverminderd de taken enbevoegdheden van de Minister en de officier van justitie ten aanzien vande tenuitvoerlegging van taakstraffen, is de raad voor de kinderbe-scherming onder meer belast met de zorg voor het aanbod van project-plaatsen voor de uitvoering van taakstraffen. Via de uitvoerdertaakstraffen – de medewerker van de raad voor de kinderbescherming dieis belast met begeleiding en toezicht in het kader van de tenuitvoerleggingvan een taakstraf – houdt de raad voor de kinderbescherming bovendientoezicht op de verrichtingen van de veroordeelde en de omstandighedenwaaronder deze plaatsvinden. Het toezicht omvat ook de veiligheid, degezondheid en de arbeidsomstandigheden op de projectplaats en deredelijkheid van de opgedragen werkzaamheden of opgelegde verplich-tingen.Artikel 7.7.23 [toepassing vervangende jeugddetentie]Bij oplegging van een taakstraf bepaalt de rechter ook de duur van devervangende jeugddetentie die zal worden toegepast voor het geval datde veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht (artikel 77n vanhet Wetboek van Strafrecht). Indien de veroordeelde niet aanvangt met detaakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijnidentiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordtde vervangende jeugddetentie toegepast. De tenuitvoerlegging van eentaakstraf wordt als mislukt beschouwd indien de veroordeelde zich na eenwaarschuwing opnieuw niet houdt aan zijn verplichtingen, indien determijn waarbinnen de taakstraf moet worden uitgevoerd dreigt te wordenoverschreden en dat te wijten is aan de veroordeelde, of in geval van eenernstige misdraging – denk aan werkweigering, onvoldoende inzet bij eenleerstraf, dronkenschap, belediging of het plegen van een misdrijf –waardoor de verdere uitvoering van de taakstraf onmogelijk wordt(Kamerstukken II 1998/99, 26 114, nr. 5, p. 18). De toepassing vanvervangende jeugddetentie vindt plaats – net als in het huidige artikel6:3:10 – door de officier van justitie. De officier van justitie geeft hiervanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3167 kennis aan de veroordeelde en aan de raad voor de kinderbescherming.Indien de veroordeelde een raadsman heeft, ontvangt ook deze eenbericht, zo wordt opgemerkt in reactie op een vraag van de Rvdr (zieartikel 7.1.21, zesde lid, in samenhang met artikel 1.4.10, tweede lid).Toepassing van de vervangende jeugddetentie kan alleen achterwegeblijven indien dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aardwegens uitzonderlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan nahet opleggen van de taakstraf. Daarbij kan worden gedacht aan gewijzigdepersoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals een ernstigeziekte, een ongeval of opname in een accommodatie.Opgemerkt zij dat dit artikel alleen toepassing vindt bij een door derechter opgelegde taakstraf. Bij een taakstraf die is opgelegd in eenstrafbeschikking wordt de zaak bij niet (volledige) uitvoering geretour-neerd naar de officier van justitie en wordt het strafbare feit in beginselalsnog voorgelegd aan de rechter.Het huidige derde lid van artikel 6:3:10 is niet overgenomen. Dat artikellidbevat de mogelijkheid voor de rechter om in zijn uitspraak te bepalen datde vervangende jeugddetentie wordt tenuitvoergelegd als vervangendehechtenis indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging deleeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Dit voorschrift is dus vantoepassing bij de oplegging van de taakstraf en wordt om die reden via deinvoeringswet verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht.TITEL 7.7Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdigeArtikel 7.7.24 [invulling maatregel]Eerste lidIndien de rechter de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdigeoplegt – in de praktijk ook wel gedragsbeïnvloedende maatregel of GBMgenoemd – geeft de rechter in de uitspraak aan waaruit de maatregelbestaat (artikel 77w, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Daarvoorzal de rechter kunnen putten uit het advies van de raad voor de kinderbe-scherming of, in het geval van een jongvolwassene, de gedragsdes-kundige. De maatregel kan bijvoorbeeld inhouden dat de veroordeeldedeelneemt aan een programma in een door de rechter aan te wijzeninstelling of dat de veroordeelde een ambulant programma zal volgenonder begeleiding van een door de rechter aan te wijzen organisatie. Isdat het geval, dan bepaalt het eerste lid van dit artikel – net als het huidigeartikel 6:3:12, tweede lid – dat de betrokken instelling of organisatie voorde uitvoering van het programma een plan vaststelt dat is afgestemd opde problematiek van de veroordeelde. Uitgangspunt is een programmagericht op onderwijs en het aanleren van (sociale) vaardigheden, datzoveel mogelijk is opgebouwd uit bestaande leerprojecten met individueletrajectbegeleiding, eventueel in combinatie met gezinsbegeleiding. Bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels wordengesteld over de eisen waaraan het plan, het programma en de instelling oforganisatie moeten voldoen, alsmede over de werkwijze van die instellingof organisatie (artikel 7.7.4, eerste lid, onderdeel c).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3168 Tweede tot en met vijfde lidDe gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het houden vantoezicht op de naleving van de maatregel en het ten behoeve daarvanbegeleiden van de veroordeelde. Als onderdelen van het programmaworden uitgevoerd door verschillende instanties, kan daaruit ook eencoördinerende taak voor de gecertificeerde instelling voortvloeien. Indiende veroordeelde ten tijde van de tenuitvoerlegging van de maatregel deleeftijd van zestien jaar bereikt of heeft bereikt, kan de rechtbank opdrachtgeven dat het toezicht en de begeleiding plaatsvinden door een reclasse-ringsinstelling. Op het toezicht en de begeleiding is artikel 7.2.1 vantoepassing (artikel 7.7.5).Vervallen of verplaatste onderdelen van artikel 6:3:12Van het huidige artikel 6:3:12 zijn het eerste en vierde lid niet overge-nomen. Die leden bevatten algemene termijnbepalingen die via deinvoeringswet zullen worden verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht.Verder is op advies van de 3RO niet overgenomen uit het tweede lid datde gecertificeerde instelling of de reclasseringsinstelling desgevraagdverslag uitbrengt aan de Minister over de wijze waarop de veroordeeldede maatregel uitvoert. Het kunnen opvragen van informatie is inherentaan de verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging enbehoeft – net als bij andere straffen en maatregelen – geen explicitering.Ook is de identificatieplicht niet overgenomen, omdat deze reedsvoortvloeit uit artikel 7.7.5 in samenhang met artikel 7.2.1, vijfde lid.Artikel 7.7.25 [wijziging invulling maatregel]Eerste lidDe maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige kan een andereinvulling krijgen indien het gedrag van de veroordeelde daartoeaanleiding geeft of indien dit in het belang is van de ontwikkeling van deveroordeelde. Deze voorziening biedt de praktijk de mogelijkheid tereageren op onvoorziene situaties die tot bijstelling moeten leiden van hetopgestelde programma. De aanleiding tot wijziging kan liggen in hetgedrag van de veroordeelde zelf, maar kan bijvoorbeeld ook voortvloeienuit de houding van anderen die betrokken zijn bij het programma.Gedacht kan worden aan de situatie dat gezinsbegeleiding deel uitmaaktvan de maatregel en de gezinsleden daaraan onvoldoende medewerkingverlenen of er tussentijds een wijziging is opgetreden in de gezinssituatiedie het voortzetten van die begeleiding bemoeilijkt. Omdat de aanleidingtot wijziging kan liggen in het gedrag van de veroordeelde zelf of inexterne factoren, is denkbaar dat een wijziging plaatsvindt op vordering ofop verzoek. Op advies van de Rvdr is het artikel op dit punt veralgemeni-seerd.Tweede en derde lidTot een andere invulling van de maatregel kan de rechtbank pas beslissennadat de raad voor de kinderbescherming een gemotiveerd advies heeftovergelegd. Dat advies moet worden ondersteund door ten minste eengedragsdeskundige, zo volgt uit de overeenkomstige toepassing vanartikel 77w, tweede lid, eerste zin. In geval van een jongvolwassene kanhet advies van de raad voor de kinderbescherming achterwege blijven enwordt in plaats daarvan advies gevraagd van een gedragsdeskundige ofvan de reclasseringsinstelling die is belast met de begeleiding van deveroordeelde. Verder zijn de voorschriften met betrekking tot deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3169 oplegging en de invulling van de maatregel van overeenkomstigetoepassing.Artikel 7.7.26 [tijdelijke opneming]Indien de veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoer-legging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, kan deofficier van justitie – in plaats van het vorderen van de vervangendejeugddetentie (artikel 7.7.6 in samenhang met artikel 7.2.3) – vorderen datde veroordeelde voor ten hoogste een maand wordt opgenomen in eenjustitiële jeugdinrichting. Naar huidig recht is deze mogelijkheid van eentijdelijke opneming vastgelegd in artikel 6:6:35, vierde en vijfde lid. Dekortdurende vrijheidsontneming – in de praktijk ook wel «time-out»genoemd – beoogt de afgehaakte veroordeelde te stimuleren opnieuwactief mee te werken aan het voor hem opgestelde programma, opdat demet de maatregel beoogde gedragsverandering kan worden bereikt. Detijdelijke opneming kan ten hoogste tweemaal worden bevolen, ook als demaatregel is verlengd. De tijdelijke opneming schorst de termijn van demaatregel en laat de mogelijkheid van (latere) toepassing van vervan-gende jeugddetentie onverlet.De Rvdr heeft in overweging gegeven de regeling van de tijdelijkeopneming gelijk te trekken met de regeling van de tijdelijke terugplaatsingbij de maatregel van plaatsing van in een inrichting voor jeugdigen (artikel7.7.15). Deze suggestie is niet overgenomen. De duur van een tijdelijketerugplaatsing bedraagt namelijk ten hoogste een jaar en de terug-plaatsing kan, in geval van een kortere terugplaatsing, worden herhaald.Het hieraan aanpassen van de regeling van de tijdelijke opneming zou eenuitbreiding inhouden die zich moeilijk verhoudt tot de duur van demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige. In herinnering wordtgeroepen dat de tijdelijke opneming een codificatie is geweest van depraktijk waarbij de veroordeelde tijdelijk en kortdurend in een jeugdin-richting werd geplaatst. Technisch kreeg deze plaatsing vorm doordat bijonvoldoende medewerking een bevel tot tenuitvoerlegging van devervangende jeugddetentie werd gegeven. Indien de veroordeeldedaartegen bezwaar maakte, beoordeelde de rechtbank of de veroordeeldede deelname aan het programma mocht hervatten. Bij de invoering vanhet adolescentenstrafrecht is deze tijdelijke opneming voorzien van eenexpliciete wettelijke basis, zodat deze niet meer afhankelijk is van eenbezwaarschrift van de veroordeelde. Zie nader Kamerstukken II 2012/13,33 498, nr. 3, p. 35–36.Artikel 7.7.27 [verlenging maatregel]De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegdvoor ten minste zes maanden en ten hoogste een jaar (artikel 77w, achtstelid, van het Wetboek van Strafrecht). De maatregel kan eenmalig wordenverlengd voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel isopgelegd. Verlenging is mogelijk indien het gedrag van de veroordeeldedaartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwik-keling van de veroordeelde. Dit artikel regelt de verlengingsprocedure. Hetartikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidige artikel6:6:36, eerste lid, tweede zin, en tweede tot en met vierde lid.Eerste en tweede lidVerlenging vindt plaats door de rechtbank op vordering van de officier vanjustitie. De vordering wordt ingediend niet eerder dan twee maanden enniet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel doortijdsverloop zal eindigen. Een vordering die later is ingediend, is nietteminTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3170 ontvankelijk indien zij binnen een redelijke termijn is ingediend enbijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de verdere ontwik-keling van de veroordeelde de verlenging van de maatregel eist. Met deovereenkomstige toepassing van artikel 7.4.3, vijfde en zesde lid, isverzekerd dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel voortduurt zolangniet onherroepelijk is beslist op de vordering tot verlenging. Vooral in hetgeval dat de maatregel intramuraal wordt ondergaan, is voortzetting vande titel noodzakelijk. Als de rechtbank de verlengingsvordering toewijstnadat de maatregel door tijdsverloop zou zijn geëindigd, vangt de nieuwetermijn (met terugwerkende kracht) aan op de dag waarop de maatregelzou zijn geëindigd als geen vordering tot verlenging was ingediend.Derde lidOpdat de officier van justitie bij het opstellen van de verlengingsvorderingbeschikt over actuele informatie, wordt hij voorzien van een gemotiveerdadvies van de raad voor de kinderbescherming en van de aantekeningenover het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling oforganisatie die is belast met de uitvoering van de maatregel. In geval vaneen jongvolwassene kan het advies van de raad voor de kinderbe-scherming achterwege blijven en wordt in plaats daarvan advies gevraagdvan een gedragsdeskundige of van de reclasseringsinstelling die is belastmet het toezicht en de begeleiding.Vierde lidDe rechtbank geeft in de beslissing tot verlenging aan waaruit demaatregel na verlenging zal bestaan. Het kan zijn dat het programma datde veroordeelde al volgde, wordt verlengd. Ook is mogelijk dat de standvan de ontwikkelingen van dat moment leidt tot de beslissing dat deveroordeelde gaat deelnemen aan een nieuw programma. De rechtbankkan ook bepalen dat het bedoelde programma geheel of ten dele komt tebestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van deJeugdwet (vgl. artikel 77wa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht).Vervallen of verplaatste onderdelen van artikel 6:6:36Het huidige artikel 6:6:36, eerste lid, eerste zin, en vijfde lid, is nietovergenomen. Het huidige eerste lid, eerste zin, wordt via de invoe-ringswet verplaatst naar het Wetboek van Strafrecht. Het bevat namelijkgeen procedurebepaling, maar regelt de (maximale) duur van demaatregel en het geval waarin verlenging mogelijk is. Deze voorschriftenpassen naar hun aard beter in het Wetboek van Strafrecht. In dat wetboekzijn bijvoorbeeld ook de maximale duur en de gronden voor verlengingvan de terbeschikkingstelling geregeld. Ten aanzien van de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor jeugdigen geldt hetzelfde. Zie de artikelen38d, tweede lid, en 38e van het Wetboek van Strafrecht en de toelichtingop artikel 7.7.13. In het huidige vijfde lid worden artikel 77wa van hetWetboek van Strafrecht en de huidige artikelen 6:6:34 en 6:6:35 – denieuwe artikelen 7.7.25 en 7.7.26 – van overeenkomstige toepassingverklaard. Het is echter niet nodig artikel 7.7.25 van overeenkomstigetoepassing te verklaren, omdat de daarin bedoelde bevoegdheid derechtbank al toekomt op grond van artikel 7.1.20, derde lid. De overeen-komstige toepassing van artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht ligtal besloten in de bevoegdheid voor de rechtbank om een andere invullingaan het programma te geven. Ook een verwijzing naar artikel 7.7.26 is nietnodig; uit de verlenging van de maatregel volgt dat de regeling van detijdelijke opneming van toepassing blijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3171 TITEL 7.8Andere straffen en maatregelenDe tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van verbeurdverklaring(artikel 9, derde lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafrecht) en demaatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (artikel 77we van hetWetboek van Strafrecht) vindt op dezelfde wijze plaats als wanneer diestraf of maatregel is opgelegd met toepassing van het algemenestrafrecht. De artikelen 7.7.28 en 7.7.29 garanderen de onverkortetoepassing van de relevante voorschriften uit Hoofdstuk 6 (Anderestraffen en maatregelen).TITEL 7.9RechtsmiddelenArtikel 7.7.30 [beroep inzake vervangende jeugddetentie]De officier van justitie en de veroordeelde kunnen beroep instellen tegende beslissing van de rechter-commissaris over de tenuitvoerlegging vande vervangende jeugddetentie bij de maatregel strekkende tot beperkingvan de vrijheid en bij de maatregel betreffende het gedrag van dejeugdige (artikel 7.7.6, aanhef en onderdelen e en f). Het beroep wordtbehandeld door de rechtbank (vgl. artikel 5.1.2, tweede lid, onderdeel b).Met deze beroepsprocedure is de bestaande voorziening van artikel6:6:22, eerste lid, onderdeel a, en tweede en derde lid, inhoudelijkongewijzigd overgenomen. De procedure is identiek aan de beroepspro-cedure van artikel 7.2.9. Verwezen zij naar de toelichting op dat artikel.Artikel 7.7.31 [rechtsmiddelen inzake geldelijke straffen enmaatregelen]Omdat de tenuitvoerlegging van geldelijke straffen en maatregelen in hetjeugdstrafrecht niet verschilt van de tenuitvoerlegging in het algemenestrafrecht (zie artikel 7.7.18), zijn ook de rechtsmiddelen uit Titel 5.6(Rechtsmiddelen) van overeenkomstige toepassing verklaard. De op dievoorzieningen gegeven toelichting geldt dus ook voor het jeugdstrafrecht.Artikel 7.7.32 [bezwaarschrift inzake taakstraf]De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank tegende beslissing van de officier van justitie tot wijziging van de taakstraf(artikel 7.7.20 in samenhang met artikel 7.6.3) of tot toepassing vanvervangende jeugddetentie bij de taakstraf (artikel 7.7.23). De procedurevindt plaats overeenkomstig de bezwaarschriftprocedure van artikel7.6.21.In het kader van artikel 7.6.21 heeft de Rvdr aangegeven dat de rechtbanknaar huidig recht de mogelijkheid heeft de beslissing van de officier vanjustitie te wijzigen. Onder verwijzing naar een beslissing van de rechtbankMidden-Nederland van 18 februari 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:582)verzoekt de Rvdr deze mogelijkheid te behouden ten aanzien vantaakstraffen die zijn opgelegd met toepassing van het jeugdstrafrecht,zodat een werkstraf alsnog (deels) kan worden omgezet in een leerstraf.Deze rechtspraak lijkt echter te berusten op een verkeerde toepassing vande wet. Bij het «wijzigen» van de beslissing van de officier van justitiegaat het om de beslissing tot het ondergaan van een aantal dagenvervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie. De rechtbank kanop een andere wijze rekening houden met een al uitgevoerd deel van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3172 taakstraf (Kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 3, p. 15). De rechtbank kandaarom de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het aantaldagen vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie vermin-deren. Ook kan de rechtbank de beslissing vernietigen en bepalen dat deveroordeelde een tweede kans krijgt om de taakstraf te verrichten. In datgeval bepaalt de rechtbank het aantal uren taakstraf dat nog moet wordenverricht en binnen welke termijn dat moet plaatsvinden. De bezwaar-schriftprocedure is dus niet bedoeld om de aard van de taakstraf tewijzigen. Ook als de veroordeelde bezwaar maakt tegen een wijziging vande werkzaamheden (als bedoeld in artikel 7.7.20 in samenhang met artikel7.6.3), is dat geen gelegenheid om de taakstraf als zodanig te wijzigen. Derechtbank toetst in dat geval of de alternatieve werkzaamheden in lijn zijnmet wat de rechter heeft bedoeld met de oorspronkelijke taakstraf.Het OM heeft verzocht de veroordeelde te voorzien van gefinancierderechtsbijstand bij de voorbereiding van een (eventueel) bezwaarschrifttegen de toepassing van vervangende jeugddetentie. Artikel 7.1.21,tweede lid, is in die gevallen niet van toepassing, omdat (nog) geensprake is van een rechterlijke procedure. Dit verzoek van het OM zalworden betrokken bij lopende discussies over rechtsbijstand in hetstrafproces, en over de financiering van die rechtsbijstand.Artikel 7.7.33 [hoger beroep inzake maatregel van plaatsing ineen inrichting voor jeugdigen, maatregel betreffende het gedragvan de jeugdige en maatregel strekkende tot beperking van devrijheid]De officier van justitie en de veroordeelde kunnen hoger beroep instellentegen diverse beslissingen van de rechtbank over de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor jeugdigen, de maatregel betreffende hetgedrag van de jeugdige en de maatregel strekkende tot beperking van devrijheid. Ten aanzien van de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen en de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige kanhet hoger beroep uitsluitend worden ingesteld bij de penitentiaire kamervan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het woord «over» brengt totuitdrukking dat hoger beroep openstaat tegen alle beslissingen van derechtbank, zowel toewijzend als afwijzend. De achtergrond hiervan is datbeide procespartijen doorgaans zullen opkomen tegen de voor hennegatieve beslissingen. Het hoger beroep vindt plaats overeenkomstig devoorschriften van artikel 7.6.22. Verwezen zij naar de toelichting op datartikel.ARTIKEL III [vaststelling Boek 8]BOEK 8Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerkingDe internationale en Europese samenwerking in strafzaken (hierna ook:rechtshulp) is in Nederland geregeld in het Wetboek van Strafvordering enin andere wetgeving die betrekking heeft op specifieke onderwerpen,zoals de Uitleveringswet, de Overleveringswet, de Wet overdrachttenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS), de Wet wederzijdse erkenningen tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties(WETS) en rechtshulpinstrumenten in relatie tot internationale tribunalen.Voor een groot deel is deze wetgeving ingegeven door internationale enEuropese verdragen en regelgeving van de Europese Unie (hierna: EU). Inhet Wetboek van Strafvordering zijn de rechtshulpbepalingen opgenomendie nauw samenhangen met reguliere onderdelen van het Wetboek vanStrafvordering, zoals de regeling van de opsporingsbevoegdheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3173 In het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen overinternationale en Europese samenwerking per 1 juli 2018 opgenomen inhet Vijfde Boek «Internationale en Europese strafrechtelijke samen-werking». Zoals in het algemeen deel van deze toelichting aan de orde isgekomen, is dit een gevolg van de Wet herziening regeling internationalesamenwerking in strafzaken (Stb. 2017, 246; Kamerstukken 34 493). Zoalsdaar beschreven werd de regeling van de internationale samenwerking instrafzaken in het Wetboek van Strafvordering met deze wet herzien,geherpositioneerd en geherstructureerd. Daarbij werden de verschillendebepalingen in het wetboek die samenhingen met internationale samen-werking – en die over verschillende boeken van het wetboek warenverspreid – in één boek ondergebracht.Indeling Boek 8In het huidige Vijfde Boek is een onderscheid gemaakt tussen de«klassieke rechtshulp» die (veelal) op verdragen is gebaseerd, en desamenwerking binnen de EU die haar oorsprong vindt in EU-instrumenten(kaderbesluiten, richtlijnen en verordeningen). Daarvoor werd bij deherziening van de regeling in 2018 gekozen omdat de EU-instrumenteninzake wederzijdse erkenning op zichzelf staan en onafhankelijk vantraditionele verdragen en wetgeving functioneren. Zie Kamerstukken II2015/16, 34 439, nr. 3, p. 12. Aan dit onderscheid is in het nieuwe wetboekvastgehouden. Dat betekent dat – na een nieuw eerste hoofdstuk waarinenkele algemene bepalingen zijn opgenomen – eerst de hoofdstukken diebetrekking hebben op de «klassieke rechtshulp» volgen (de hoofdstukken2 tot en met 4), en daarna de hoofdstukken waarmee uitvoering wordtgegeven aan EU-instrumenten (de hoofdstukken 5 tot en met 9). Eenbijkomend voordeel van deze indeling is dat als er nieuweEU-instrumenten tot stand worden gebracht, deze eenvoudig aan hetnieuwe wetboek kunnen worden toegevoegd. Zo kunnen ingewikkelde(her)nummeringen worden voorkomen. Deze werkwijze – waarbij nieuweEU-instrumenten als nieuw hoofdstuk achteraan worden toegevoegd –betekent dat (net als in het huidige Vijfde Boek) geen sprake is van eenrangschikking van de EU-instrumenten in de volgorde waarin zij chronolo-gisch in een strafprocedure aan de orde zijn. Deze afwijkende indeling tenopzichte van de rest van het wetboek – waarin wel de chronologie van destrafprocedure wordt gevolgd – is hier niet bezwaarlijk. Allereerst is eenchronologische volgorde hier moeilijker te realiseren, omdat een aantalEU-instrumenten in meerdere fasen van de strafprocedure toepassingkunnen vinden. In de tweede plaats geldt dat rechtshulp in zekere zin perdefinitie fragmentarisch is: er worden bepaalde handelingen voor of metelkaar verricht, terwijl de (lid)staat die de handelingen verricht in veelgevallen niet de (lid)staat is waar de vervolging is of wordt ingesteld.Leidend bij de beoordeling van bevelen uit andere EU-lidstaten en deuitvoering daarvan is steeds het toepasselijke EU-instrument. Vanuit datoogpunt is vooral belangrijk dat de verschillende EU-instrumentenduidelijk zijn terug te vinden en van elkaar worden onderscheiden in hetwetboek. Dit wordt bereikt door de uitvoeringsbepalingen van deverschillende EU-instrumenten in een eigen hoofdstuk op te nemen. Bij deindeling van de hoofdstukken over de EU-instrumenten is in beginsel deindeling gevolgd die ook in het huidige Vijfde Boek is gevolgd. Tenopzichte van die indeling is één wijziging aangebracht. De bepalingen terimplementatie van Kaderbesluit 2003/577/JBZ inzake de tenuitvoerleggingvan beslissingen in de Europese Unie tot bevriezing van voorwerpen enbewijsstukken (hierna: het KB-EBV) en de bepalingen ter implementatievan Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning vanbevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: de Vo. 2018/1805) zijn inhet huidige wetboek gezamenlijk ondergebracht in Titel 5 van het VijfdeBoek. Deze instrumenten zijn in het nieuwe wetboek ieder in een eigenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3174 hoofdstuk opgenomen. Dat sluit niet alleen beter aan bij het uitgangspuntom de uitvoeringsbepalingen van ieder EU-instrument in een eigenhoofdstuk onder te brengen, maar brengt ook beter tot uitdrukking datbeide instrumenten – hoewel zij beide (mede) zien op «bevriezing» – eeneigen reikwijdte hebben. Dat geldt allereerst ten aanzien van de lidstatenwaartussen deze instrumenten kunnen worden toegepast: het KB-EBVgeldt in de relatie tot Ierland en Denemarken, terwijl Vo. 2018/1805toepassing vindt tussen de andere EU-lidstaten. In de tweede plaats gaathet om de reikwijdte van de «bevriezing» (naar Nederlands recht: beslag).Waar het KB-EBV eveneens ziet op de bevriezing van bewijsstukken, heeftde confiscatieverordening alleen betrekking op de bevriezing vanvoorwerpen die geconfisqueerd kunnen worden; de bevriezing tenbehoeve van het veiligstellen van bewijs is – voor de EU-lidstaten, nietzijnde Ierland en Denemarken – ondergebracht in Richtlijn 2014/41betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: deRichtlijn EOB). Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen eerst hethoofdstuk dat betrekking heeft op Vo. 2018/1805 op te nemen en daarnahet hoofdstuk dat strekt ter implementatie van het KB-EBV. Vo. 2018/1805is immers in relatie tot de meeste lidstaten van toepassing en is om diereden voor de praktijk van groter belang. Ten overvloede wordt hierbijopgemerkt dat Vo. 2018/1805 behalve op bevriezing, ook betrekking heeftop confiscatie. De wetgeving ter uitvoering van de bepalingen betreffendeconfiscatie zijn opgenomen in de Wet wederzijdse erkenning en tenuit-voerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (Wwetgc).Het voorgaande leidt ertoe dat Boek 8 is onderverdeeld in de volgendehoofdstukken:–Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen–Hoofdstuk 2 Internationale rechtshulp in strafzaken–Hoofdstuk 3 Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams–Hoofdstuk 4 Overdracht en overname van strafvervolging–Hoofdstuk 5 Europees onderzoeksbevel–Hoofdstuk 6 Europees bevriezingsbevel–Hoofdstuk 7 Europese bevriezingsbeslissing–Hoofdstuk 8 Europese beslissing betreffende toezichtmaatregelen alsalternatief voor voorlopige hechtenis–Hoofdstuk 9 Europees beschermingsbevel(Beperkte) Wijzigingen– Aansluiting bij Boek 1 tot en met 7Omdat de bepalingen over internationale en Europese samenwerking in2018 zijn herzien, zijn de wijzigingen die bij de omzetting naar het nieuwewetboek zijn aangebracht in beginsel beperkt. Zoals in het algemeen deelvan deze memorie aan de orde is gekomen, betreft het met namewijzigingen die erop zijn gericht de bepalingen in Boek 8 te latenaansluiten bij de bepalingen in Boeken 1 tot en met 7, voor zover datmogelijk is zonder af te doen aan verplichtingen die voortvloeien uitverdragen of EU-instrumenten.Het gaat allereerst om het in lijn brengen van de gebruikte terminologie.Zo is bij de verschillende bepalingen waarin sprake is van berichtgeving,de terminologie afgestemd op artikel 1.9.1. Ook de aanduiding vantermijnen is aangepast op de terminologie elders in het nieuwe wetboek(zie artikel 1.1.13). Daarnaast gaat het om (kleine) wijzigingen, zoals devervanging van «Onze Minister van Justitie en Veiligheid» door «OnzeMinister» (zie artikel 1.1.18).Omdat rekening moet worden gehouden met de verdrags- enEU-rechtelijke kaders is in een aantal gevallen echter – net als in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3175 huidige wetboek – de voorkeur gegeven aan aansluiting bij terminologiegebruikt in verdragen en EU-instrumenten. Dit speelt met name bijbepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan EU-regelgeving.Betreft dit verordeningen dan is er vaak weinig ruimte om een afwijkendeterminologie te hanteren. Maar ook bij de implementatie van kaderbe-sluiten en richtlijnen is soms gekozen voor aansluiting bij de terminologieuit de desbetreffende instrumenten om zo het risico van een inbreukpro-cedure te voorkomen. Dit betekent dat op onderdelen ook tussen dehoofdstukken over de klassieke rechtshulp en de «EU-hoofdstukken»verschillen bestaan in de gebruikte terminologie. Zo worden in deEU-hoofdstukken – conform de EU-instrumenten – de begrippen «bevel»en «uitvaardigende lidstaat» gebruikt, terwijl in de hoofdstukken overklassieke rechtshulp «verzoek» en «verzoekende staat» worden gehan-teerd. Binnen de hoofdstukken die betrekking hebben op EU-instrumentenis ernaar gestreefd de terminologie waar mogelijk zoveel mogelijk opelkaar aan te laten sluiten. Dit betekent dat – net als nu – in al dezehoofdstukken de term «uitvaardigende» en «uitvoerende» lidstaat wordengebruikt, ondanks dat een aantal EU-instrumenten in de Nederlandsetaalversie de termen «beslissingsstaat» en «tenuitvoerleggingsstaat»gebruikt. Daarbij wordt opgemerkt dat in de Engelse en Franse taalversievan alle via het wetboek geïmplementeerde EU-instrumenten wel steedsdezelfde termen worden gebruikt («issuing State» en «executing State»respectievelijk «État d»émission» en «État d’exécution»). Als wordtgedoeld op de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende respectievelijkuitvoerende lidstaat worden deze aangeduid als de «uitvaardigende»respectievelijk «uitvoerende autoriteit».Daar waar in de huidige bepalingen termen worden gebruikt die gelijk-luidend zijn aan termen elders in het (nieuwe) wetboek, maar die eenandere betekenis hebben, wordt die afwijkende betekenis waar mogelijkduidelijker naar voren gebracht. Soms gebeurt dat door een naderedefinitiebepaling. Een voorbeeld is artikel 8.1.4, eerste lid, waarin isverduidelijkt dat in het kader van Boek 8 in beginsel onder opsporings-ambtenaren alleen worden verstaan de ambtenaren, bedoeld in artikel1.3.10 (en dus niet alle ambtenaren die onder de definitie van opsporings-ambtenaar in artikel 1.1.5 vallen). In andere gevallen is gekozen voor hetgebruik van een nieuw, ander begrip. Zo omvat het begrip «vervolging» inverschillende bepalingen in het huidige Vijfde Boek mede de fase van hetopsporingsonderzoek. Daar waar dat zo is, is deze term in het nieuwewetboek vervangen door het begrip «strafvervolging». In bepalingen waarde term «vervolging» is gehandhaafd, wordt daarmee nog louter gedoeldop situaties die vallen binnen het nieuwe vervolgingsbegrip (zie Boek 1,Titel 3.2). In een aantal gevallen is het niet goed mogelijk om een anderbegrip te gebruiken of te werken met een definitiebepaling. Een voorbeeldvan een dergelijk begrip is «bewijs». Deze term heeft binnen het verbandvan internationale en Europese samenwerking een eigen, autonomebetekenis die mede afhankelijk is van zowel de invulling die aan datbegrip in het desbetreffende verdrag of EU-instrument wordt gegeven alsde invulling die dat begrip heeft in de staat waarmee wordt samenge-werkt. Bij de betekenis die aan begrippen in Boek 8 is gegeven zal daaromook aandacht moeten zijn voor de inhoud die dat begrip heeft binnen hetkader waarbinnen wordt samengewerkt.Als de termen «opsporingsambtenaar», «officier van justitie», «rechter(-commissaris)» en «wet» worden gebruikt wordt daaronder – tenzij andersaangegeven – de desbetreffende Nederlandse autoriteiten en wetverstaan.Voor de termen waarmee niet de (strafvorderlijke) autoriteiten, maar debetrokkenen worden aangeduid, zoals de verdachte, veroordeelde engetuige, geldt – afhankelijk van de context van de bepaling – datdaaronder zowel degene kan worden verstaan die als zodanig naarNederlands recht wordt aangemerkt als degene die als zodanig wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3176 aangemerkt naar het recht van de staat waarmee de rechtshulprelatiebestaat.In de tweede plaats is een aantal regelingen aangepast aan voorschriftendie elders in het nieuwe wetboek zijn opgenomen. Een voorbeeld is delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie (artikelen 1.3.5 en1.3.12). De landelijke bevoegdheid zal ook gelden voor het handelen vande officier van justitie in het kader van de internationale en Europeserechtshulp (zie de toelichting op artikel 8.1.3). Een ander voorbeeld betreftde regeling van de rechtsmiddelen. Bij de herziening in 2018 is aandachtbesteed aan de mogelijkheden voor betrokkenen om rechtsmiddelen aante wenden wanneer in het kader van internationale rechtshulp bevoegd-heden tegen hen zijn ingezet. De beklagregeling kreeg daarbij eencentralere positie als rechtswaarborg. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493,nr. 3, p. 22–23. In de parlementaire stukken werd opgemerkt dat, omdat deherziening vooruitliep op de modernisering van het wetboek, daarbij nogwerd uitgegaan van het wettelijk kader zoals opgenomen in het huidigeWetboek van Strafvordering. Nu inmiddels het wetsvoorstel totvaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is ingediend bijde Tweede Kamer, kan de regeling omtrent de rechtsmiddelen wordentoegeschreven naar de nieuwe bepalingen (artikel 6.4.1 e.v.). Net alselders in het nieuwe wetboek zullen de rechtsmiddelen steeds aan heteind van de verschillende hoofdstukken worden opgenomen, in een eigentitel of afdeling.In de derde plaats kan worden gewezen op voorstellen waarmee wordtbeoogd het optreden in het kader van de internationale rechtshulp vaneen explicietere normering te voorzien. Dit draagt eraan bij dat het nieuwewetboek het actuele recht weerspiegelt, dat procedures en rolverdelingenhelder zijn en dat duidelijk is waar grenzen van het overheidsoptredenliggen. Nieuw is een hoofdstuk (Hoofdstuk 1) waarin enkele algemenebepalingen zijn opgenomen. Dit hoofdstuk bevat onder andere bepalingenwaarin wordt geëxpliciteerd dat het nationaal strafvorderlijk (gezags)kadereveneens van toepassing is op de verschillende bij de rechtshulpbetrokken actoren indien zij optreden in het kader van internationalerechtshulp. Daarnaast is in bepalingen die samenhangen met specifiekevormen van rechtshulp, zoals artikel 8.2.13, voorzien in een expliciteringvan voorschriften (uit de Boeken 1 tot en met 7) die op het handelen vantoepassing zijn.– Verdere systematisering binnen Boek 8Ook binnen de verschillende hoofdstukken in Boek 8 is gekeken of hetmogelijk is om deze (nog) beter op elkaar aan te laten sluiten. Bij deherziening in 2018 zijn hiertoe al de nodige veranderingen aangebracht.Het gaat dus om een beperkt aantal aanvullende wijzigingen. Eenvoorbeeld is het aanbrengen van meer consistentie bij het gebruik vanbegrippen. Zo wordt in het huidige wetboek naar de staat waarmee eenrechtshulprelatie bestaat verwezen met de termen «vreemde staat» en«andere staat». In het nieuwe wetboek wordt ervoor gekozen om – bij deklassieke rechtshulp – steeds de term «andere staat» te gebruiken. Zo sluitde terminologie bij de klassieke rechtshulp zoveel mogelijk aan bij determinologie die wordt gebruikt in het kader van de EU-instrumenten,waar steeds het begrip «andere lidstaat» wordt gehanteerd. Verder zijn deverschillende hoofdstukken – voor zover mogelijk – steeds volgensdezelfde indeling opgezet, waarbij eerst de algemene bepalingen zijnopgenomen, vervolgens de bepalingen over de situatie waarin Nederlandeen verzoek tot rechtshulp/bevel doet uitgaan, daarna de bepalingen diezien op de gevallen waarin Nederland een rechtshulpverzoek/bevelontvangt en, tot slot, eventuele bepalingen inzake rechtsmiddelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3177 Gelaagde regelgeving/verhouding tot hoger rechtVoor een goed begrip van de regeling in Boek 8 is van belang dat in hetkader van internationale en Europese samenwerking sprake is vangelaagde regelgeving, in die zin dat het toepasselijke juridische kader nietalleen voortvloeit uit het nationale wettelijke kader, maar ook uit detoepasselijke verdragen en EU-regelgeving. Raadpleging van toepasselijkeverdragen en EU-regelgeving naast de nationale wetgeving is vaaknoodzakelijk. In bepaalde gevallen vormen regelingen in verdragen enEU-regelgeving ook zelfstandig een grondslag voor het verlenen vanrechtshulp. Ten aanzien van de regeling van de klassieke rechtshulp, die inbelangrijke mate is gebaseerd op verdragen, geldt het volgende. De in deHoofdstukken 2 tot en met 4 opgenomen voorschriften zijn ten opzichtevan de toepasselijke verdragen aanvullend van aard. Zij maken, waarnodig, een goede (door)werking van de verdragsrechtelijke bepalingen inde nationale rechtsorde mogelijk. Daarbij geldt overigens dat indien eenverdrag een imperatieve regeling bevat die afwijkt van een nationaalvoorschrift, de regeling in het verdrag voor gaat. Dit volgt uit artikel 94van de Grondwet. Voor zover een toepasselijk verdrag met open offacultatief geformuleerde normen ruimte biedt voor invulling daarvandoor nationaal recht, gelden de voorschriften in de Hoofdstukken 2 tot enmet 4 als aanvullende maatstaf. Bij rechtshulpverzoeken die niet zijngebaseerd op een verdrag, is het nationale wettelijke kader leidend. Het isook mogelijk dat een verdergaande mogelijkheid tot rechtshulpverleningis opgenomen in een verdrag dan op basis van het nationale rechtmogelijk is – bijvoorbeeld bevoegdheidsuitoefening. Dan vormt dievoorziening (en dus niet de nationale wet) de basis voor uitvoering vaneen verzoek om rechtshulp afkomstig van een staat die partij is bij hetdesbetreffende verdrag. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 13en ECLI:NL:HR:2009:BF0837.Voor nationale bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aanEU-regelgeving (Hoofdstukken 5 tot en met 9) geldt het volgende. Hetrecht van de Europese Unie heeft voorrang boven de nationale wetgeving.Richtlijnen dienen binnen de implementatietermijn te worden omgezet innationale wetgeving. De nationale bepalingen zullen vervolgens moetenworden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en de bedoeling vande richtlijn (richtlijnconforme interpretatie). Indien een richtlijn niet tijdigof onvolledig is geïmplementeerd – en richtlijnconforme interpretatie vanhet nationale recht (inclusief voorschriften die niet speciaal zijn ingevoerdvoor de implementatie) geen soelaas biedt – kunnen richtlijnbepalingendie voldoende duidelijk, precies en onvoorwaardelijk zijn geformuleerdrechtstreekse werking hebben. Deze rechtstreekse werking kan wordeningeroepen door individuen met het oog op de bescherming van hunbelangen tegenover de staat. Tegen deze achtergrond geldt dat kennis-neming van richtlijnen en de daarop betrekking hebbende jurisprudentievan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij toepassing van denationale wetgeving aangewezen kan zijn. Voor verordeningen geldt datzij verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks van toepassingzijn in de lidstaten (zie artikel 288 van het Verdrag betreffende de werkingvan de Europese Unie (VWEU)). In de nationale wetgeving worden slechtsnoodzakelijke uitvoeringsvoorschriften opgenomen, bijvoorbeeldvoorschriften waarmee de in Nederland bevoegde autoriteit wordtaangewezen. Verdergaande omzetting of het overschrijven van deverordening is verboden op grond van het zogenoemde «overschrijf-verbod». Zie onder andere HvJEG 31 januari 1978, C-94/77 (Zerbone). Bijverordeningen geldt dus dat de verordening zelf de belangrijksterechtsbron is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3178 Om meer duidelijkheid te bieden over de verhouding tussen debepalingen in Boek 8 en internationale en Europese regelgeving, is inHoofdstuk 1 een bepaling opgenomen, waarin deze verhouding totuitdrukking wordt gebracht (artikel 8.1.1).De hoofdstukken 5 tot en met 9 van Boek 8 geven uitvoering aan Europeseregelgeving. Ten behoeve van de inzichtelijkheid in de achtergrond vandeze bepalingen wordt in de artikelsgewijze toelichting op deze hoofd-stukken ook steeds per artikel aangegeven aan welke Europeesrechtelijkebepalingen daarmee uitvoering wordt gegeven. Bij de invoeringswetzullen ten behoeve van de notificatie aan de Europese CommissieEU-transponeringstabellen voor het gehele nieuwe wetboek wordenopgesteld. Daarmee wordt nu gewacht omdat het – mede gelet op deaanvullingswetgeving – nog mogelijk is dat artikelen wordenvernummerd, en omdat ook bepalingen die via aanvullingswetgeving aanhet nieuwe wetboek worden toegevoegd soms mede uitvoering gevenaan EU-regelgeving. Overeenkomstig de daarvoor geldende procedureszullen deze tabellen na notificatie als bijlage bij een mededeling vanimplementatie in de Staatscourant worden gepubliceerd.HOOFDSTUK 1Algemene bepalingenHoofdstuk 1 is nieuw. Het bevat enkele algemene bepalingen die relevantzijn voor alle onderwerpen geregeld in Boek 8. Het hoofdstuk begint meteen artikel over de verhouding van de bepalingen in Boek 8 tot hogerrecht (artikel 8.1.1) en een definitiebepaling (artikel 8.1.2). Daarna volgenvoorschriften over de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie,de taak van het College van procureurs-generaal (artikel 8.1.3) en denormering van het handelen van opsporingsambtenaren (artikel 8.1.4).Hiermee wordt ten opzichte van het huidige wetboek een verduidelijkingaangebracht over het toepasselijk nationaal-strafvorderlijk (gezag)kader inde context van de internationale en Europese samenwerking in strafzaken.Verder wordt de reikwijdte van enkele in dat verband gehanteerdebegrippen nader bepaald. Daarnaast wordt voorzien in een aanvulling opde relatieve competentiebepalingen in Boek 1 ten aanzien van derechtbank (raadkamer) (artikel 8.1.5) en rechter-commissaris (artikel 8.1.6)die optreden in het kader van rechtshulp. Het hoofdstuk eindigt met eengrondslag voor een ministeriële regeling waarin regels kunnen wordenopgenomen over het vastleggen van gegevens over inkomende enuitgaande rechtshulp op grond van de regelingen in Boek 8 (artikel 8.1.7).Artikel 8.1.1 [verhouding tot hoger recht]Zoals in de algemene inleiding op dit boek is beschreven, is in het kadervan internationale en Europese samenwerking sprake van gelaagderegelgeving, in die zin dat het toepasselijke juridische kader niet alleenvoortvloeit uit het nationale wettelijke kader, maar ook uit de toepasselijkeverdragen en EU-regelgeving. Dat betekent dat het vaak nodig is naast debepalingen opgenomen in Boek 8 (en bijzondere wetten) de toepasselijkeverdragen en EU-regelgeving te raadplegen. In verzoeken om rechtshulpwordt altijd tot uitdrukking gebracht of en zo ja, op welke verdrags- danwel EU-rechtelijke grondslag deze zijn gebaseerd. Dit is immers medebe-palend voor of, en zo ja, op welke wijze uitvoering kan worden gegevenaan het verzoek. Daar waar voor de regelingen in de andere boeken vandit wetboek geldt dat in principe kan worden volstaan met raadplegingvan de nationale wettelijke regeling, geldt voor de regelingen in Boek 8dus dat zij steeds moeten worden bezien en toegepast in het licht van detoepasselijke verdragen en EU-instrumenten. Om de kenbaarheid teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3179 vergroten, wordt deze gelaagdheid van de regelgeving in onderhavigartikel tot uitdrukking gebracht.Tenzij anders bepaald, is het mogelijk dat rechtshulpverzoeken wordengedaan zonder dat een verdrag of verbindend besluit van een volkenrech-telijke organisaties daarvoor in een grondslag voorziet. Bij dergelijkerechtshulpverzoeken is het nationale wettelijke kader leidend. Zie over deterughoudendheid die daarbij in acht wordt genomen ook Kamerstukken II2015/16, 34 493, nr. 3, p. 15–16.Eerste lidMet dit artikellid is in de wet tot uitdrukking gebracht dat het toepasselijkejuridische kader niet alleen voortvloeit uit het nationale wettelijke kader,maar ook uit de toepasselijke verdragen en EU-instrumenten, zoalshiervoor is toegelicht. In het artikellid is niet de term «verbindenderechtshandeling van de Europese Unie» gebruikt, maar – net als in deartikelen 93 en 94 van de Grondwet – de term «verbindende besluiten vanvolkenrechtelijke organisaties». Daaronder vallen naast verbindenderechtshandelingen van de Europese Unie ook bindende VN-resolutieswaarmee bijvoorbeeld een internationaal gerecht is opgericht. DergelijkeVN-resoluties bevatten in voorkomende gevallen ook voorschriften overde samenwerking tussen het internationale gerecht en staten. Met de term«daarvoor geldende» wordt tot uitdrukking gebracht dat hier wordtgedoeld op verdragen en verbindende besluiten die zien op de onderlingerechtshulprelatie. Afhankelijk van de (lid)staat (of het internationalegerecht) waaraan of waardoor het rechtshulpverzoek wordt gedaan en desoort rechtshulp (bijvoorbeeld kleine rechtshulp of overdracht vanstrafvervolging) kan het dus gaan om andere verdragen of verbindendebesluiten. Ten overvloede wordt opgemerkt dat onderhavige bepaling derechtstreekse werking van eenieder verbindende bepalingen uit (andere)verdragen op grond van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet en derechtstreekse werking van (andere) EU-bepalingen op grond van hetUnierecht onverlet laat.Met de voorzieningen in Boek 8 is beoogd een goede (door)werking vande verdragsrechtelijke bepalingen in de nationale rechtsorde mogelijk temaken. Dat neemt niet weg dat, zoals met het voorschrift wordt geëxplici-teerd in de wet, regelingen in verdragen en verbindende besluiten vanvolkenrechtelijke organisaties die zien op strafrechtelijke internationale enEuropese samenwerking ook zelfstandig een grondslag voor het verlenenvan rechtshulp kunnen vormen. Wanneer een verdrag of verbindendbesluit van een volkenrechtelijke organisatie voorziet in een verdergaandemogelijkheid tot rechtshulpverlening dan op basis van het nationale rechtmogelijk is, dan vormt die voorziening (en dus niet de nationale wet) debasis voor uitvoering van een verzoek om rechtshulp afkomstig van eenstaat die partij is bij het desbetreffende verdrag respectievelijk die doorhet desbetreffende besluit van een volkenrechtelijke organisatie isgebonden. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 13 enECLI:NL:HR:2009:BF0837.Tweede lidIn diverse bepalingen in het huidige Vijfde Boek is de zinsnede «tenzij eenverdrag [of een verbindende rechtshandeling van de Europese Unie]anders bepaalt» opgenomen. Zoals in de algemene inleiding uiteengezet,geldt dit echter niet alleen voor de voorschriften waarin deze zinsnedeexpliciet is opgenomen, maar voor alle voorschriften die zijn opgenomenin Boek 8. Om die reden is deze zinsnede in de verschillende afzonderlijkebepalingen geschrapt. In plaats daarvan legt dit artikellid vast datbepalingen in dit boek geen toepassing vinden indien deze toepassingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3180 niet verenigbaar is met de toepasselijke verdragen en verbindendebesluiten van volkenrechtelijke organisaties. In combinatie met het eerstelid betekent dit dat wanneer een verdrag of verbindend besluit van eenvolkenrechtelijke organisatie een imperatieve regeling bevat die afwijktvan een nationaal voorschrift, de regeling in het verdrag of het besluitdient te worden toegepast in plaats van het nationale voorschrift.Derde lidVoor zover een toepasselijk verdrag met open of facultatief geformuleerdenormen ruimte biedt voor invulling daarvan door nationaal recht, geldende voorschriften in Boek 8 als aanvullende maatstaf, zo is in dit artikellidvastgelegd.Artikel 8.1.2 [definities]Eerste lidDit artikellid voorziet in definities van de verschillendeEU-rechtsinstrumenten die in Boek 8 een plek hebben. Een aantal vandeze instrumenten is in het huidige wetboek eveneens van een definitievoorzien (zie de huidige artikelen 5.5.14, onderdeel b, 5.7.1, onderdeel a,en 5.8.1, onderdelen g tot en met i). Andere EU-instrumenten worden inde wettekst volledig aangehaald, zoals de Richtlijn EOB in het huidigeartikel 5.4.1, vierde lid. In Boek 8 worden alle EU-instrumenten waarnaarin de wettekst wordt verwezen van een definitie voorzien. Naar een aantalEU-instrumenten wordt in meer dan in één hoofdstuk verwezen. Dit geldtbijvoorbeeld voor Kaderbesluit 2009/829/JBZ, dat zowel in Hoofdstuk 8 alsin Hoofdstuk 9 wordt genoemd. In verband met de overzichtelijkheid is ervervolgens – in afwijking van het uitgangspunt dat begrippen die slechtsin één hoofdstuk voorkomen bij dat hoofdstuk worden gedefinieerd – voorgekozen om alle EU-instrumenten in dit artikel te definiëren.Er is gekozen voor een zogenoemde «dynamische verwijzing» naar deEU-instrumenten. Dat sprake is van een dynamische verwijzing blijktdaaruit dat geen beperking is aangebracht tot «de tekst zoals deze bij dierichtlijn is vastgesteld» (vgl. aanwijzing 9.10 van de Aanwijzingen voor deRegelgeving). Dat betekent dat voor zover de genoemde EU-instrumentenna hun totstandkoming zijn gewijzigd of nog worden gewijzigd, wordtgedoeld op het EU-instrument inclusief die wijzigingen. Ten aanzien vande Richtlijn EOB betekent dit bijvoorbeeld dat de verwijzing ziet op derichtlijn zoals deze luidt inclusief de inwerkingtreding van Richtlijn (EU)2022/228 tot wijziging van Richtlijn 2014/41/EU met betrekking tot deaanpassing ervan aan de Unievoorschriften inzake de bescherming vanpersoonsgegevens. Mocht de Richtlijn EOB in de toekomst opnieuwworden gewijzigd, dan zal de definitie automatisch ook die wijzigingenomvatten. Hetzelfde geldt voor de andere gedefinieerde EU-instrumenten.Tweede lidZoals in de algemene inleiding bij Boek 8 aangegeven, wordt in deverschillende EU-hoofdstukken (Hoofdstukken 5 tot en met 9) niet hetbegrip «staat» gebruikt, maar het begrip «lidstaat», overeenkomstig determinologie in de EU-instrumenten. Omdat deze term in meerderehoofdstukken van Boek 8 voorkomt, wordt de term hier gedefinieerd. Uitde hier gegeven definitie blijkt dat de term «lidstaat» betrekking heeft opEU-lidstaten die zijn «gebonden door de desbetreffende rechtshandelingvan de Europese Unie». Met de term «rechtshandeling van de EuropeseUnie» wordt aangesloten bij artikel 288 VWEU. Onder het begrip wordenook begrepen verordeningen, richtlijnen en kaderbesluiten (voorloper vande richtlijn) die tot stand zijn gekomen voorafgaand aan de inwerking-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3181 treding van het Verdrag van Lissabon. In Boek 8 gaat het steeds omverbindende rechtshandelingen van de Europese Unie. Niet elke rechts-handeling van de Europese Unie is bindend voor alle EU-lidstaten. Datgeldt niet alleen voor besluiten waarin de adressaten zijn vermeld (artikel288, vierde alinea, VWEU), maar dit kan ook aan de orde zijn bij verorde-ningen, richtlijnen en kaderbesluiten. Zo zijn de Richtlijn EOB en Vo.2018/1805 niet verbindend voor de lidstaten Ierland en Denemarken (ziede overwegingen 44 en 45 bij de Richtlijn EOB en de overwegingen 56 en57 bij Vo. 2018/1805). Het KB-EBV en Kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake detoepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingentot confiscatie zijn daarentegen uitsluitend nog van toepassing in derelatie tot Ierland en Denemarken (zie artikel 39 confiscatieverordening). Inhet huidige wetboek wordt dit tot uitdrukking gebracht door in deverschillende bepalingen Ierland en Denemarken te noemen (huidigeartikelen 5.4.1, eerste lid, en 5.4.21), dan wel door een verwijzing naar delidstaat die «[niet] is gebonden» door het desbetreffende EU-instrument(huidige artikelen 5.5.1, eerste lid, 5.5.9, eerste lid, 5.5.15, eerste lid, en5.5.19, eerste lid). De keuze voor een verwijzing in deze laatste bepalingennaar «lidstaat van de Europese Unie die [niet] is gebonden door Veror-dening (EU) nr. 2018/1805» moet worden bezien tegen de achtergrond datdie bepalingen samenhangen met de implementatie van een verordening.Aangezien verordeningen rechtstreekse werking hebben, ligt het inverband met het in de algemene inleiding al genoemde «overschrijf-verbod» niet voor de hand dat in de nationale wet wordt opgenomenwelke lidstaten aan die verordening gebonden zijn. In verband met deconsistentie en om veelvuldige herhaling te voorkomen – zoals in hethuidige Titel 5 van het Vijfde Boek – is ervoor gekozen om via eenalgemene definitiebepaling tot uitdrukking te brengen dat de hoofd-stukken over de EU-instrumenten alleen van toepassing zijn op delidstaten die door het desbetreffende EU-instrument zijn gebonden.Daarmee keren bepalingen van deze strekking in de verschillendeEU-hoofdstukken niet terug. De nu gekozen systematiek voorkomt dat ineventuele toekomstige gevallen in de wet moet worden opgenomenwelke lidstaten zijn gebonden aan het desbetreffende instrumenten en datde wet (herhaaldelijk) moet worden aangepast als hierin wijzigingenoptreden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het desbetreffendeEU-instrument zelf (en eventueel daarbij horende stukken en verklaringen)wordt geraadpleegd indien het wenselijk is na te gaan welke lidstatendoor dat instrument gebonden zijn. Dat is niet anders dan wanneer er eenklassiek rechtshulpverzoek wordt gedaan, waarbij ook moet wordennagegaan of er een verdrag, en zo ja, welk verdrag, in relatie tot debetreffende staat kan worden toegepast.Artikel 8.1.3 [landelijke bevoegdheid officier van justitie en taakCollege van procureurs-generaal]Dit artikel is nieuw. De bepaling voorziet in een verduidelijking zowel vande taak en verantwoordelijkheid van het College van procureurs-generaalin het kader van de internationale rechtshulp als van de landelijkebevoegdheid van de officier van justitie voor zijn optreden in het kadervan de internationale en Europese samenwerking. De bepaling voorzietniet in nieuwe of aanvullende bevoegdheden voor de officier van justitie,maar verduidelijkt slechts dat in die gevallen waarin aan de officier vanjustitie bevoegdheden zijn toegekend in Boek 8, de artikelen 1.3.1 en 1.3.5van overeenkomstige toepassing zijn.Door de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 1.3.1 is inde wet geëxpliciteerd dat de taak en verantwoordelijkheid van het Collegevan procureurs-generaal zich ook over de uitoefening van bevoegdhedenin het kader van de internationale en Europese strafrechtelijke samen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3182 werking uitstrekt. Aldus draagt de bepaling bij aan de (nadere) normeringvan de bevoegdheidsuitoefening in het kader van de internationalerechtshulp. Dat artikel 1.3.1 van overeenkomstige toepassing wordtverklaard is aangewezen, omdat bij de uitoefening van bevoegdheden nietin alle gevallen zonder meer sprake is van «opsporing» en «vervolging» inde zin van het nieuwe wetboek. Zo is, wanneer door Nederlandseautoriteiten onderzoekshandelingen worden uitgevoerd ten behoeve vaneen andere staat, niet zonder meer sprake van een onderzoek «met alsdoel het nemen van strafvorderlijke beslissingen» (artikel 1.1.6). De rolvan de Nederlandse autoriteiten bestaat er in dit geval immers slechts uituitvoering te geven aan het verzoek, zonder dat er in een Nederlandbeslissingen worden genomen over bijvoorbeeld een eventuelevervolging. Evenmin levert bijvoorbeeld de betrokkenheid van de officiervan justitie bij de overdracht van de strafvervolging aan een andere staatof de tenuitvoerlegging van een buitenlandse toezichtbeslissing«opsporing» of «vervolging» op. Nu is bepaald dat artikel 1.3.1 overeen-komstige toepassing vindt, wordt buiten twijfel gesteld dat het Collegevan procureurs-generaal ook ten aanzien van de uitoefening van dezebevoegdheden een verantwoordelijkheid en taak heeft.Doordat artikel 1.3.5 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, isook ten aanzien van de internationale rechtshulp voorzien in de landelijkevervolgingsbevoegdheid van de officier van justitie. Artikel 1.3.12, waarinde landelijke opsporingsbevoegdheid van de officier van justitie wordtgeregeld, wordt van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 8.1.4,tweede lid. De verwijzing naar artikel 1.3.12 is in die bepaling opgenomen,omdat artikel 1.3.12 niet uitsluitend betrekking heeft op de officier vanjustitie, maar net als artikel 8.1.4 ook ziet op andere gewoon opsporings-ambtenaren (zie artikel 1.3.10). Dat de landelijke bevoegdheid voor deofficier van justitie ook voor de internationale strafrechtelijke samen-werking wordt geïntroduceerd, brengt mee dat het voorschrift uit hethuidige artikel 5.3.8, eerste lid, inhoudende dat de Minister van Justitie enVeiligheid (in de praktijk: de Afdeling Internationale aangelegenheden enRechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie enVeiligheid) een verzoek tot strafvervolging stuurt aan de officier vanjustitie «in het arrondissement waar degene op wie het verzoek betrekkingheeft zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft» dan wel – indien degene opwie het verzoek betrekking heeft geen vaste woon- of verblijfplaats heeftin Nederland – «de officier van justitie bij het landelijk parket», niet in hetnieuwe wetboek terugkomt (zie artikel 8.4.13). Dat geldt evenzo voor hetvoorschrift in het huidige artikel 5.1.4, vierde lid, inhoudende dat deofficier van justitie «in het arrondissement waarin de in het verzoekgevraagde handeling moet worden verricht, dan wel van de officier vanjustitie bij het landelijk parket of het functioneel parket» zelfstandigbevoegd is tot inwilliging van het verzoek indien een verdrag voorziet inrechtstreekse toezending (zie artikel 8.2.9, tweede lid). Deze voorschriftensluiten immers niet goed aan bij die landelijke bevoegdheid. De achter-grond van deze bepalingen lijkt overigens vooral te zijn gelegen in hetbereiken van een doelmatige afdoening van het rechtshulpverzoek (vgl. deconclusie van AG Fokkens bij ECLI:NL:HR:1995:ZD0304, NJ 1996/287). Diedoelmatigheid kan echter ook op andere wijze worden bereikt, bijvoor-beeld door werkafspraken tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid– dat de verzoeken ontvangt – en het openbaar ministerie, werkafsprakenbinnen het openbaar ministerie, en bij het kenbaar maken van decontactpunten voor buitenlandse autoriteiten in het kader van verdragenen EU-instrumenten.Het voorschrift in het huidige artikel 5.3.8, eerste lid, dat het verzoek wordtgestuurd aan de officier van justitie in het arrondissement waar degeneop wie het verzoek betrekking heeft zijn vaste woon- of verblijfplaats heeftof de officier van het landelijk parket, bevat in feite ook een regeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3183 de relatieve competentie van de rechtbank (vgl. Tekst & CommentaarStrafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aante-kening bij art. 5.3.8). Nu dit voorschrift uit artikel 5.3.8, eerste lid, nietwordt overgenomen in het nieuwe wetboek, vervalt dus ook de (impli-ciete) regeling van de relatieve competentie van de rechtbank die daaraanverbonden was in gevallen waarin sprake is van een overdracht vanstrafvervolging. Wanneer Nederland originaire rechtsmacht heeft tenaanzien van het feit, kan worden teruggevallen op de voorschriftenopgenomen in Boek 1, Titel 2.2. Voor gevallen waarin sprake is vanafgeleide rechtsmacht en de verdachte niet in Nederland woont of geenvaste verblijfplaats in Nederland heeft, is voorzien in een aanvulling tenopzichte van de regeling in Boek 1. Deze aanvullende regeling isopgenomen in artikel 8.4.18.Het huidige artikel 5.1.4, vierde lid, bevat op eenzelfde wijze – via deaanwijzing van de bevoegde officier van justitie – een verkapte competen-tieregeling voor de rechter-commissaris. Omdat deze impliciete regelingin artikel 5.1.4, vierde lid, zoals hiervoor aangegeven, in verband met detoepasselijkheid van de regeling van de landelijke bevoegdheidsuitoe-fening door de officier van justitie vervalt, is in artikel 8.1.6 een aanvul-lende regeling opgenomen met betrekking tot de relatieve competentievan de rechter-commissaris voor zijn optreden in het kader van deinternationale rechtshulp. Ook ten aanzien van de rechtbank is voorzien ineen explicitering van de toepasselijke competentieregels indien dat inaanvulling op de competentieregels elders in het wetboek noodzakelijk is(zie in het bijzonder artikel 8.1.5).Artikel 8.1.4 [opsporingsambtenaren]Dit artikel verduidelijkt wie onder «opsporingsambtenaar» wordt verstaanin Boek 8 en welke normering op handelingen door opsporingsambte-naren in het kader van de internationale samenwerking van toepassing is.Eerste lidIn dit artikellid wordt verhelderd dat wanneer in dit boek bevoegdhedenaan een Nederlandse opsporingsambtenaar worden toegekend,daaronder de ambtenaren, genoemd in artikel 1.3.10 worden verstaan (degewoon opsporingsambtenaren). Dat betekent dat hieronder in beginselniet worden verstaan de buitengewoon opsporingsambtenaren (zie artikel1.3.11). Dit is anders wanneer uit de wet, een verdrag of een verbindenderechtshandeling van de Europese Unie blijkt dat in een bepaald geval eenruimere of beperktere groep van opsporingsambtenaren als bevoegd isaangewezen (zie ook artikel 8.1.1 en de algemene inleiding op dit boek).Een voorbeeld waar uit een verdrag blijkt dat een afwijkende invulling aanhet begrip «opsporingsambtenaar» moet worden gegeven is het Verdragtussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en hetGroothertogdom Luxenburg inzake grensoverschrijdend politieeloptreden. In de bijlagen bij dat verdrag is voor ieder van de drie betrokkenstaten aangegeven wie als bevoegde ambtenaren in de zin van datverdrag zijn aangemerkt.Tweede lidIn het tweede lid worden enkele bepalingen uit de Boeken 1 en 2 vanovereenkomstige toepassing verklaard. Dit artikellid is opgenomen omdat,zoals in de toelichting bij artikel 8.1.3 al aan de orde is gekomen, deuitoefening van bevoegdheden in het kader van de internationale enEuropese samenwerking niet steeds kan worden gerekend tot opsporingin de zin van artikel 1.1.6. Door de verwijzing naar de bepalingen uit deBoeken 1 en 2 wordt verhelderd dat de daarmee verband houdendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3184 voorschriften ook op de uitoefening van in dit boek toegekende bevoegd-heden in beginsel steeds van toepassing zijn. Dit is uiteraard anderswanneer uit de wet, het toepasselijke verdrag of verbindende rechtshan-deling van de Europese Unie het tegendeel blijkt (artikel 8.1.1). Eenvoorbeeld van een dergelijke uitzondering die blijkt uit de wet is dat, voorzover een verzoek is gebaseerd op een verdrag, uit artikel 8.2.13 volgt dathet onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerde eisen van proportiona-liteit in beginsel niet worden beoordeeld.Artikel 8.1.5 [relatieve competentie rechtbank]In verschillende bepalingen in het huidige Vijfde Boek is voorzien in demogelijkheid voor betrokkenen om een klaagschrift in te dienen «bij derechtbank» (huidige artikelen 5.1.11, 5.4.10, 5.5.12 en 5.5.18). In diebepalingen is niet nader geregeld welke rechtbank bevoegd is tot hetbehandelen van het klaagschrift.Nu de regeling van de relatieve competentie van de rechtbanken die isgeregeld in Boek 1 alleen betrekking heeft op de berechting, vragenandere vormen van rechterlijke bemoeienis, zoals beoordeling door deraadkamer van een klaagschrift, om een aparte bevoegdheidsregeling.Naast de algemene vangnetbepaling (artikel 1.2.12) voorziet het wetboekdaarin op verschillende plaatsen. In onderhavige bepaling wordt eendergelijke regeling opgenomen voor gevallen waarin in Boek 8 is voorzienin de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift tegen hetoptreden van de Nederlandse autoriteiten ter uitvoering van eenrechtshulpverzoek of Europees bevel. Het gaat dus om de situatie waarinNederlandse autoriteiten bevoegdheden uitoefenen op verzoek van en inhet kader van een opsporingsonderzoek, vervolging, berechting oftenuitvoerlegging in een andere (lid)staat. In de praktijk wordt in derge-lijke gevallen voor de relatieve competentie aansluiting gezocht bij hethuidige artikel 552a, derde en vierde lid. Daarbij zijn er rechtbanken diehebben geoordeeld dat een redelijke wetsuitleg van artikel 552a, derde lid– op grond waarvan de rechtbank waar de zaak wordt vervolgd bevoegd istot behandeling van klaagschriften – meebrengt dat bevoegd is derechtbank in het rechtsgebied waar het zwaartepunt van het onderzoekligt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBNHO:2021:1256). In de praktijk komt diterop neer dat het klaagschrift wordt behandeld door de rechtbank in hetrechtsgebied van de officier van justitie die belast is met de uitvoering vanhet rechtshulpverzoek of Europees bevel (hierna: de uitvoerende officiervan justitie). Er zijn echter ook rechters die artikel 552a, vierde lid,toepassen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2022:8115). De daaraan tengrondslag liggende redenering lijkt te zijn dat artikel 552a, derde lid, nietvan toepassing is nu bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek ofEuropees bevel geen sprake is van een vervolging voor een gerecht infeitelijke aanleg (in Nederland). Om die reden wordt teruggevallen opartikel 552a, vierde lid, op grond waarvan bevoegd is de rechtbank in wierrechtsgebied de inbeslagneming of het onderzoek van gegevens heeftplaatsgevonden. Deze verschillende benaderingen in de huidige praktijkgeven aanleiding om in het nieuwe wetboek op dit punt meer helderheidte verschaffen. Aangeknoopt wordt bij het rechtsgebied van de uitvoe-rende officier van justitie. Daarvoor is gekozen omdat op deze wijzeklaagschriften die verband houden met hetzelfde rechtshulpverzoek/Europees bevel – ook in gevallen waarin er in meerdere rechtsgebiedenhandelingen zijn verricht – bij één rechtbank kunnen worden behandeld.De bepaling is beperkt tot gevallen waarin wordt voorzien in demogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift (artikelen 8.2.26, 8.5.35,8.6.8 en 8.7.17) of verlof is vereist (artikel 8.2.27). In gevallen waarin eenrechtsmiddel kan worden ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris of de rechtbank (zie de artikelen 8.2.25, 8.5.34, 8.6.7 en 8.7.16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3185 in combinatie met Boek 2, Titel 7.8), gelden de reguliere relatievecompetentieregels.Voor de situatie waarin Nederland optreedt als verzoekende/uitvaardigende (lid)staat geldt dat in principe kan worden volstaan met dereguliere relatieve competentiebepalingen, omdat dan sprake is van eenopsporingsonderzoek, vervolging, berechting of tenuitvoerlegging inNederland. Daar waar aanvullingen op die relatieve competentiebepa-lingen nodig zijn, zijn die opgenomen in de desbetreffende bepalingen inde Hoofdstukken 2 tot en met 9 (zie de artikelen 8.2.24, tweede lid, 8.5.33,tweede lid, en 8.6.6, eerste lid).Artikel 8.1.6 [relatieve competentie rechter-commissaris]In de toelichting bij artikel 8.1.3 kwam al aan de orde dat in het huidigeartikel 5.1.4, vierde lid, een verkapte regeling van de relatievebevoegdheid van de rechter-commissaris besloten ligt doordat isvoorgeschreven welke officier van justitie bevoegd is tot inwilliging vaneen verzoek tot rechtshulp. Omdat dit voorschrift in verband met delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie (zie de toelichting bijartikel 8.1.3) komt te vervallen, bevat dit artikel een regeling van derelatieve competentie van de rechter-commissaris bij zijn optreden in hetkader van Boek 8. Net als in het huidige artikel 5.1.4 gaat het om eenrelatieve competentieregeling die houvast biedt bij inkomende rechtshulp-verzoeken. Bij uitgaande verzoeken geldt immers dat sprake is van eenopsporingsonderzoek, vervolging, berechting of tenuitvoerlegging inNederland. Anders is dit wanneer een rechtshulpverzoek uit hetbuitenland wordt ontvangen. In die gevallen is een competentieregelingvan belang voor de trefzekere en vlotte afdoening van het verzoek. Datgeldt ook voor ontvangen bevelen uit andere EU-lidstaten. Daarom wordtvoorgesteld de regeling algemeen te laten gelden voor ontvangenrechtshulpverzoeken en bevelen en deze in Hoofdstuk 1 op te nemen. Inlijn met de regeling in het huidige artikel 5.1.4, vierde lid, geldt dat zowelde rechter-commissaris in het rechtsgebied waarin de handeling moetplaatsvinden, als de rechter-commissaris in de rechtbanken Amsterdam,Den Haag, Oost-Brabant, Overijssel en Rotterdam bevoegd zijn totoptreden.Dit artikel laat bepalingen inzake de relatieve bevoegdheidsregeling eldersin het wetboek onverlet. Dat betekent in de eerste plaats dat, wanneerNederland zelf ook onderzoek doet naar het strafbare feit of de desbetref-fende verdachte, voor de uitvoering van het rechtshulpverzoek of bevel,de rechter-commissaris kan worden ingeschakeld die al betrokken is bijhet Nederlandse opsporingsonderzoek. Het betekent in de tweede plaatsdat artikel 1.2.26, vierde en vijfde lid, ook kan worden toegepast in gevalvan optreden van de rechter-commissaris in het kader van rechtshulp. Datkan bijvoorbeeld aangewezen zijn als een rechtshulpverzoek wordtgedaan om meerdere onderzoekshandelingen te verrichten in verschil-lende plaatsen (bijvoorbeeld huiszoekingen in meerdere plaatsen) ofwanneer blijkt dat een onderzoekshandeling bij nader inzien in een anderrechtsgebied moet worden uitgevoerd (vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZD0304, NJ1996/287). In een dergelijk geval kan het om redenen van doelmatigheidwenselijk zijn dat één rechter-commissaris het rechtshulpverzoekbehandelt (toepassing artikel 1.2.26, vierde lid) of dat de rechter-commissaris de behandeling overdraagt (toepassing artikel 1.2.26, vijfdelid).Artikel 8.1.7 [nadere regelgeving]In het huidige wetboek zijn in verschillende titels van het Vijfde Boekbepalingen opgenomen over de vastlegging van gegevens overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3186 inkomende en uitgaande rechtshulp. Zo is in het huidige artikel 5.1.7,derde lid, opgenomen dat in gevallen waarin een opsporingsambtenaarzelfstandig een rechtshulpverzoek inwilligt en uitvoert daarvan aante-kening wordt gemaakt in een register. In de aantekening dienen in iedergeval de aard van het verzoek, de hoedanigheid van de verzoeker en hetgevolg dat aan het verzoek is gegeven te worden opgenomen. Dezebepaling is dus beperkt tot ingewilligde verzoeken in het kader vanpolitiële rechtshulp. De bestaande praktijk is echter dat politie, openbaarministerie, AIRS – die rechtshulpverzoeken behandelt namens de Ministervan Justitie en Veiligheid –, het CJIB en de afdeling van de DJI die zichbezighoudt met de overdracht van strafvonnissen (DJI-IOS), alleinkomende en uitgaande rechtshulp registreren in het Dutch InternationalAssistance System (DIAS), de opvolger van het Landelijk UniformRegistratiesysteem (LURIS). Een ander voorbeeld betreft artikel 5.4.31. Opgrond van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling regels wordenvastgesteld over het verzamelen en verstrekken van gegevens over deuitvoering van het EOB. Tot op heden is geen ministeriële regeling opdeze grondslag tot stand gebracht. Ook uitgevaardigde en ontvangenEOB’s worden echter in DIAS geregistreerd, net als andere bevelen aan ofvan EU-lidstaten die zijn uitgevaardigd op grond van wederzijdserechtshulpinstrumenten van de EU.Nu in beginsel alle inkomende en uitgaande rechtshulp worden geregis-treerd in DIAS, wordt voorzien in een grondslag voor een ministeriëleregeling waarin regels kunnen worden opgenomen over de registratie vande uitvaardiging, ontvangst en uitvoering van rechtshulpverzoeken enbevelen van EU-lidstaten overeenkomstig Boek 8. Voor de verstrekkingvan de gegevens hoeft geen grondslag te worden opgenomen, omdatdaarin al is voorzien in de Wet politiegegevens, het Besluit politiege-gevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluitjustitiële en strafvorderlijke gegevens.HOOFDSTUK 2Internationale rechtshulp in strafzakenDe bepalingen in het Vijfde Boek, Titel 1 van het huidige wetboek, keren inhet nieuwe wetboek terug in Hoofdstuk 2. Het betreft de bepalingen inzake«kleine» of «secundaire» rechtshulp: het verzoeken aan buitenlandseautoriteiten om medewerking aan de opsporing, vervolging, berechtingvan strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen en het verlenenvan deze medewerking aan buitenlandse autoriteiten. De bepalingeninzake de kleine rechtshulp zijn bij gelegenheid van de Wet herzieningregeling internationale samenwerking in strafzaken gemoderniseerd, in dezin van verbeterd, vereenvoudigd en voorzien van afdoende waarborgenvoor een evenwichtige toepassing. De regeling is daarbij, mede vanwegede ontwikkeling van aparte EU-instrumenten voor de samenwerkingbinnen de EU, meer toegespitst op de procedure voor rechtshulp metlanden buiten Europa. Daarmee is niet gezegd dat deze bepalingen in hetgeheel niet meer relevant zijn in de verhouding tot de andere EU-lidstaten.In gevallen waarin EU-instrumenten bepaalde vormen van rechtshulp nietomvatten of waarin bepaalde EU-instrumenten (nog) niet gelden tenaanzien van bepaalde EU-lidstaten, kan worden teruggevallen op deregeling inzake kleine rechtshulp. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr.3, p. 10–12. In de bepalingen worden ten opzichte van de huidige regelingeen aantal wijzigingen aangebracht om deze meer in lijn te brengen metbepalingen elders in het wetboek. Zoals ook in de algemene inleiding bijBoek 8 toegelicht gaat het daarbij zowel om terminologische en redacti-onele verbeteringen, als om wijzigingen ingegeven door aangepasteregelingen elders in het wetboek, zoals de landelijke bevoegdheid van deofficier van justitie. Daarnaast is de indeling op onderdelen aangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3187 De indeling van Hoofdstuk 2 is als volgt. In Titel 2.1 zijn algemenebepalingen opgenomen. In Titel 2.2 zijn de voorschriften die zien op deverzoeken om rechtshulp gericht aan een andere staat opgenomen.Daarna volgen in Titel 2.3 de bepalingen over de verzoeken om rechtshulpgericht aan Nederland. Binnen die titel worden, in lijn met de opzet die in2018 is gekozen, de voorschriften over de inwilliging en uitvoering vaneen binnenkomend verzoek (nog) duidelijker van elkaar onderscheiden.Titel 2.4 bevat een regeling over feiten begaan aan boord van luchtvaar-tuigen. Deze regeling is in een afzonderlijke titel opgenomen, omdat zij opeen bijzondere vorm van kleine rechtshulp ziet. In het huidige wetboek zijnde desbetreffende bepalingen ondergebracht in een aparte afdeling. Aanhet slot van dit hoofdstuk volgen, conform de opzet van het nieuwewetboek, de voorschriften over de rechtsmiddelen en bijzondereprocedures, waaronder de verlofprocedure (Titel 2.5).TITEL 2.1Algemene bepalingenArtikel 8.2.1 [wederzijdse rechtshulp]Dit artikel heeft betrekking op de reikwijdte van de regeling van de kleinerechtshulp. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening regelinginternationale samenwerking in strafzaken per 1 juli 2018 is in artikel 5.1.1,eerste lid, van het huidige wetboek opgenomen dat rechtshulp kanworden verleend «in het kader van de opsporing, vervolging, berechtingvan strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen». Met dezeformulering werd ten opzichte van de daarvoor gebruikte term «strafzaak»verduidelijkt dat strafrechtelijke rechtshulp niet alleen kan plaatsvinden ineen gevorderd stadium van het onderzoek, waarin sprake is van een meerof minder helder omlijnde strafzaak, maar ook betrekking kan hebben ophet opsporingsonderzoek naar gepleegde strafbare feiten, zonder datnoodzakelijkerwijs al een verdachte in beeld is of wordt vervolgd. Welmoet sprake zijn van een strafrechtelijk onderzoek. Dit werd gemarkeerddoor «in verband met» te vervangen door «in het kader van». ZieKamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 13. Ook werd verduidelijkt dathet mogelijk is om rechtshulp te verlenen bij de «tenuitvoerlegging vanstraffen». De term «straffen» heeft hier een autonome betekenis,waaronder ook strafrechtelijke maatregelen vallen, zoals de ontnemings-maatregel. Om dit duidelijker in de wettekst tot uitdrukking te brengen isdeze term in het nieuwe wetboek vervangen door «strafrechtelijkesancties». Benadrukt zij dat Hoofdstuk 2 van Boek 8 alleen ziet op kleinerechtshulp bij de tenuitvoerlegging (zie ook artikel 8.2.2, eerste lid).Hieronder valt bijvoorbeeld het betekenen van beslissingen, het zoekennaar criminele vermogensbestanddelen ter executie van een buitenlandsontnemingsvonnis en de opsporing van veroordeelden die zich in hetbuitenland aan detentie hebben onttrokken. Zie Kamerstukken II 2015/16,34 493, nr. 3, p. 27. De overname van de tenuitvoerlegging valt niet onderhet bereik van Hoofdstuk 2. Dit onderwerp wordt geregeld in anderewetten.Ten opzichte van het huidige artikel 5.1.1, eerste lid, vervalt de verwijzingnaar verzoeken om rechtshulp. Hoewel kleine rechtshulp over hetalgemeen wordt verleend op verzoek, zijn er bijvoorbeeld ook verdragendie «spontane» gegevensverstrekking mogelijk maken. Een andervoorbeeld vormen de bepalingen inzake luchtvaartuigen (artikelen 8.2.21tot en met 8.2.23), die geen rechtshulpverzoek vergen.Daarnaast is ten opzichte van het huidige artikel 5.1.1, eerste lid, toege-voegd dat de regeling niet van toepassing is indien uit een verdrag ofverbindende rechtshandeling van de Europese Unie het tegendeel blijkt(onderdeel a). In het huidige artikel 5.1.1 is al bepaald dat de regeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3188 de kleine rechtshulp niet van toepassing is indien in de afdoening isvoorzien bij of krachtens andere wetten. Daarmee wordt bijvoorbeeldgedoeld op de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet wederzijdseerkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijkesancties (WETS) en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen(WOTS). Dit voorschrift keert terug in onderdeel b. Ook in anderegevallen, waarin wel sprake is van kleine rechtshulp, blijft de regeling dienu in Hoofdstuk 2 is opgenomen echter soms buiten toepassing. Dit geldtallereerst wanneer een EU-instrument wordt toegepast, zoals de RichtlijnEOB of Vo. 2018/1805. Ten aanzien van EU-instrumenten inzake weder-zijdse erkenning geldt dat zij op zichzelf staan en onafhankelijk functio-neren van de traditionele verdragen. Met de voorgestelde bepaling wordtdeze verhouding tussen de traditionele kleine rechtshulp en deEU-instrumenten inzake wederzijdse erkenning verduidelijkt. Zoalshiervoor al aan de orde kwam, betekent dit niet dat de bepalingen inzakede kleine rechtshulp in het geheel niet meer van belang zijn voor desamenwerking tussen lidstaten van de EU. De bestaande EU-instrumentendekken immers niet de gehele kleine rechtshulp tussen de EU-lidstaten.Bovendien gelden niet alle instrumenten ook voor alle lidstaten. Zo geldtde Richtlijn EOB niet voor Ierland en Denemarken. Iets soortgelijks geldteveneens – met afwijkende groepen lidstaten voor zover die lidstaten dedesbetreffende instrumenten (nog) niet hebben geïmplementeerd – voorandere EU-instrumenten (zie ook de toelichting op artikel 8.1.2). Indergelijke gevallen kan worden teruggevallen op de algemene regelinginzake de kleine rechtshulp. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p.12. Daarnaast geldt dat een aantal EU-instrumenten de mogelijkheidopenlaat, ook wanneer het desbetreffende EU-instrument in een regelingvoorziet, om (in bepaalde gevallen) de regels voor de kleine rechtshulp teblijven toepassen. Een eerste voorbeeld betreft de Richtlijn EOB. Zoalsblijkt uit artikel 34 van die richtlijn worden, kort gezegd, de rechtshulpbe-palingen tussen de lidstaten in beginsel niet meer toegepast wanneer deRichtlijn EOB in de samenwerking voorziet. Echter, het blijft mogelijk (aande Europese Commissie gemelde) bilaterale en multilaterale overeen-komsten en regelingen met andere lidstaten toe te passen indien dat tengoede komt aan de doelstellingen van de richtlijn en dat ertoe bijdraagt deprocedures voor bewijsvergaring te vereenvoudigen of verder teversoepelen, mits het in de richtlijn voorgeschreven niveau vanwaarborgen in acht wordt genomen. Nederland maakt gebruik van dezemogelijkheid om bepaalde bilaterale en multilaterale verdragen te blijventoepassen. Zie ook artikel II van de Wet implementatie richtlijn Europeesonderzoeksbevel; Stb. 2017, 231. Door de verwijzing naar deEU-instrumenten in artikel 8.2.1 onderdeel a, wordt verduidelijkt dat hetEU-instrument leidend is voor de beantwoording van de vraag of (ook)gebruik kan worden gemaakt van de bepalingen in Hoofdstuk 2. Ook uiteen verdrag kan blijken dat de bepalingen uit Hoofdstuk 2 niet vantoepassing zijn bij de uitvoering van de verdragsbepalingen. Dit wordteveneens tot uitdrukking gebracht in onderdeel a.Artikel 8.2.1 ziet op de vraag of de bepalingen in onderhavig hoofdstukvan toepassing zijn of dat een ander wettelijk, EU-rechtelijk of verdrags-rechtelijk kader dient te worden toegepast. Daarmee moet het wordenonderscheiden van artikel 8.1.1, dat betekenis heeft voor situaties waarinde bepalingen in Hoofdstuk 2 weliswaar in beginsel van toepassing zijn,maar in een verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijkeorganisatie is voorzien in een afwijkende of aanvullende regeling tenopzichte van de hier opgenomen bepalingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3189 Artikel 8.2.2 [verzoeken om rechtshulp]Dit artikel geeft enkele algemene voorschriften over verzoeken omrechtshulp die in het huidige wetboek zijn opgenomen in artikel 5.1.1,tweede en derde lid.Eerste lidHet huidige artikel 5.1.1, tweede lid, bevat een opsomming van de vormenvan bijstand waarop een rechtshulpverzoek betrekking kan hebben. Uit deopsomming blijkt dat de inhoud van bijstand zeer ruim is. Dit sluit aan bijhet uitgangspunt, zowel in verdragen als in artikel 8.2.10, eerste lid,vastgelegd, dat staten elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulpverlenen. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening regelinginternationale samenwerking in strafzaken is aan deze opsomming hetonderzoek naar wederrechtelijk verkregen voordeel toegevoegd, omdatdaaraan in de praktijk een groeiende behoefte bestond. Deze mogelijkheidtot rechtshulp bestaat ongeacht in welke fase de ontnemingsprocedurezich bevindt. De juridische vorm van de procedure is daarbij van onderge-schikt belang. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 14. Onder«ontneming» kan blijkens de toepasselijke verdragen ook verbeurdver-klaring of onttrekking aan het verkeer worden verstaan (voor zover diesancties betrekking hebben op «proceeds of crime»). Om duidelijker in dewet tot uitdrukking te brengen dat het hier gaat om een autonoom begrip,is ervoor gekozen «te ontnemen voordeel» ten opzichte van de bestaandewettekst te wijzigen in «te confisqueren voordeel». Ten opzichte vanartikel 5.1.1, tweede lid, zijn verder enkele redactionele wijzigingendoorgevoerd. Toegevoegd is dat het ook kan gaan om het gezamenlijkverrichten van onderzoekshandelingen of het verlenen van medewerkingdaaraan met het oog op de verkrijging van «andere relevante informatie».Daarmee wordt verhelderd dat verzoeken om rechtshulp ook betrekkingkunnen hebben op bijvoorbeeld onderzoekshandelingen in het kader vande executiefase. De term «bewijsmateriaal» zou immers kunnen impli-ceren dat die fase wordt uitgezonderd. Daarbij wordt aangetekend dat indit verband onder «bewijsmateriaal» – net als in het kader van het EOB(zie ook artikel 8.5.2, eerste lid) – eveneens worden verstaan voorwerpenen gegevens die worden verzameld om de waarheid aan het licht tebrengen in een strafprocedure, maar die uiteindelijk niet als bewijsmiddelworden gebruikt tijdens het onderzoek op de terechtzitting. Gedacht kanworden aan informatie die (uiteindelijk alleen) wordt gebruikt om richtingte geven aan het opsporingsonderzoek. Voor zover informatie niet kanworden aangemerkt als «bewijsmateriaal», valt deze onder «andererelevante informatie». Het gaat daarbij uitsluitend om informatie dierelevant is in het kader van de opsporing, de vervolging en de berechtingvan strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties,zo volgt uit de aanhef van artikel 8.2.1.Verder is toegevoegd «tot het verrichten van handelingen ter beëindigingvan een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten».Hiermee wordt in het bijzonder gedoeld op het ontoegankelijk maken vangegevens. Verzoeken die hierop betrekking hebben worden in de praktijkgedaan, onder meer in het kader van strafrechtelijke onderzoeken naarkinderpornografie. Het doel van de ontoegankelijkmaking is niet zozeerwaarheidsvinding als wel het beëindigen van het strafbare feit. Omdat hetbij ontoegankelijkmaking tegen deze achtergrond strikt genomen niet gaatom «het verrichten van onderzoekshandelingen» wordt voorgesteld omde bepaling op dit punt aan te vullen. Daarnaast is «documenten, dossiersof stukken» vervangen door «stukken», aangezien deze laatste term – dieook elders in het wetboek voorkomt – documenten en dossiers omvat. Dezinsnede «het betekenen of uitreiken van stukken of het doen vanaanzeggingen of mededelingen aan derden» is vervangen door «hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3190 betekenen of op andere wijze overdragen van berichten aan derden». Zosluit de formulering beter aan bij de terminologie in Boek 1, Hoofdstuk 9,waar de overkoepelende term «berichten» wordt gebruikt.Tweede lidDit artikellid komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.1, derdelid. Met de bepaling wordt tot uitdrukking gebracht dat ook rechtshulp kanplaatsvinden in relatie tussen Nederland en een internationaal gerecht.Hiertoe bestaat naast de basis in dit artikellid ook de mogelijkheid opgrond van verdragen en bijzondere wetgeving, zoals de Uitvoeringswetinternationaal strafrecht. Zoals uit artikel 8.2.1 blijkt gaan deze verdragenen bijzondere wetgeving voor op de regeling opgenomen in dit wetboek.TITEL 2.2Verzoeken tot rechtshulp gericht aan een andere staatTitel 2.2 ziet op de «uitgaande» rechtshulpverzoeken, dat wil zeggenverzoeken om rechtshulp gedaan door Nederland aan een andere staat.Deze regeling is geïntroduceerd bij de Wet herziening regeling interna-tionale samenwerking strafzaken met ingang van 1 juli 2018. Tot datmoment ontbrak een regeling van de uitgaande rechtshulpverzoeken enmoesten de aan te houden formaliteiten worden afgeleid uit toepasselijkeverdragen en jurisprudentie. De in 2018 geïntroduceerde regeling is in hetnieuwe wetboek overgenomen, waarbij enkele verdere verduidelijkingenin de procedure zijn aangebracht, die in het hiernavolgende wordentoegelicht.Artikel 8.2.3 [bevoegde autoriteit]Eerste lidZoals blijkt uit dit artikellid – dat inhoudelijk overeenkomt met het huidigeartikel 5.1.2, eerste lid, – vervult de officier van justitie bij het uitvaardigenvan rechtshulpverzoeken in de zin van artikel 8.2.1 een centrale rol. Derechter-commissaris kan in het kader van zijn taakuitoefening in hetvooronderzoek echter eveneens rechtshulpverzoeken uitvaardigen. Doorde toevoeging van een verwijzing naar de artikelen 2.10.1 tot en met2.10.4 is ten aanzien van de rechter-commissaris verhelderd dat bevoegdis tot het richten van een verzoek om rechtshulp aan buitenlandseautoriteiten, de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen verrichtin het kader van het desbetreffende opsporingsonderzoek en die voorhandelingen die naar Nederlands recht tot zijn bevoegdheid behoren,medewerking van buitenlandse autoriteiten nodig heeft. Deze situatie– waarin de rechter-commissaris zelf een rechtshulpverzoek doet – moetworden onderscheiden van de situatie waarin een machtiging van derechter-commissaris is vereist, voordat de officier van justitie een verzoekkan doen uitgaan (zie hierover nader de toelichting bij artikel 8.2.4). Nietalleen de rechter-commissaris, maar ook het gerecht dat de zaak infeitelijke aanleg behandelt kan (net als nu) een rechtshulpverzoek doen.Tweede lidEen groot aantal verdragen en EU-instrumenten bieden een grondslagvoor rechtstreekse informatie-uitwisseling tussen opsporingsdiensten. Inhet huidige artikel 5.1.7 is ten behoeve hiervan in een regeling voorzienvoor de inwilliging van ontvangen verzoeken tot «inlichtingen». Ditvoorschrift is in artikel 8.2.9, derde lid, opgenomen. Het huidige artikel5.1.2 bevat de «spiegelbepaling» die een regeling geeft voor het doen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3191 een verzoek aan het buitenland gericht op het verkrijgen van inlichtingen.Deze spiegelbepaling is in het hier toegelichte artikellid opgenomen. Derechtstreeks van een buitenlandse opsporingsambtenaar ontvangeninformatie mag niet worden gebruikt voor het bewijs in een strafrechte-lijke procedure. De informatie kan pas als bewijsmiddel worden gebruiktals deze is verkregen via (of daarvoor toestemming is gegeven door) debevoegde justitiële autoriteiten. Dit volgt uit toepasselijke verdragen enEU-instrumenten. Zie bijvoorbeeld artikel 39, tweede lid, van de Overeen-komst ter uitvoering van het te Schengen Gesloten Akkoord van 14 juni1985 (Schengenuitvoeringsovereenkomst of SUO) en artikel 1, vierde lid,van Kaderbesluit 2006/960/JBZ (hierna: Zweeds kaderbesluit). Dezebeperking geldt vanzelfsprekend ook als de inlichtingenuitwisselingplaatsvindt zonder dat daar een verdragsrechtelijke of EU-rechtelijkegrondslag voor is. Met de term «inlichtingen» is dit in de wettekst totuitdrukking gebracht.Ten opzichte van de huidige artikelen 5.1.2, tweede lid, en 5.1.7 is eenaantal wijzigingen aangebracht. De zinsnede in het huidige artikel 5.1.2,tweede lid, waaruit volgt dat verzoeken tot het verkrijgen van inlichtingenworden gedaan onder het gezag van de officier van justitie en dat diensalgemene en bijzondere aanwijzingen in acht worden genomen, keert nietterug. Ook voor zover in dergelijke gevallen geen sprake is van«opsporing» in de zin van artikel 1.1.6 volgt dit immers al uit de artikelen8.1.3 en 8.1.4. Inhoudelijk is op dit punt dus geen wijziging beoogd.Daarnaast is verhelderd in welke gevallen een verzoek om inlichtingenzonder tussenkomst van de officier van justitie kan worden gedaan.Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 8.2.9, derde lid.Derde lidDit artikellid voorziet in een regeling voor de verzending van de rechts-hulpverzoeken die overeenkomt met de regeling in het huidige artikel5.1.2, derde lid. In beginsel worden rechtshulpverzoeken door de Ministervan Justitie en Veiligheid verzonden. Dat is anders wanneer een verdragvoorziet in rechtstreekse verzending tussen de justitiële autoriteiten danwel wanneer een rechtshulpverzoek zelfstandig door een opsporings-ambtenaar kan worden gedaan.Artikel 8.2.4 [vereisten verzoek]Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.3.Overeenkomstig het uitgangspunt in internationale instrumenten enjurisprudentie volgt uit deze bepaling, kort gezegd, dat voorwaarde vooreen rechtshulpverzoek is dat is voldaan aan de vereisten die op grond vande nationale wetgeving gelden voor toepassing van de in het verzoek omrechtshulp gevraagde bevoegdheden. Het gaat daarbij niet alleen ommateriële vereisten (zoals het voldoen aan de verdenkingscriteria), maarook om procedurele vereisten. Dit betekent bijvoorbeeld dat, indien eenbevoegdheid naar nationaal recht alleen kan worden uitgeoefend na eendaartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris, die machtigingdoor de officier van justitie ook moet zijn verkregen voorafgaand aan hetverzenden van het rechtshulpverzoek. Ten opzichte van het huidige artikel5.1.3 is de zinsnede «de vereisten die gelden op grond van het wetboek»vervangen door «vereisten die op grond van de Nederlandse wet gelden».Zo wordt verduidelijkt dat bij uitgaande verzoeken om rechtshulp ook devereisten die op grond van bijzondere wetten gelden voor de uitoefeningvan bevoegdheden in acht moeten worden genomen. Daarmee hoeft nietlanger, zoals in het huidige artikel 5.1.3, afzonderlijk te worden verwezennaar de Wet politiegegevens. Gekozen is voor de term «Nederlandse wet»om buiten twijfel te stellen dat het in deze bepaling gaat om de vereistenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3192 die naar Nederlands recht aan de bevoegdheidsuitoefening wordengesteld.Artikel 8.2.5 [videoconferentie]Het huidige artikel 5.1.3a dat, samen met het huidige artikel 5.1.9, ziet opde videoconferentie, is in dit artikel overgenomen. Artikel 5.1.3a werd metde inwerkingtreding per 1 juli 2018 van de Wet herziening regelinginternationale samenwerking in strafzaken geïntroduceerd in het Wetboekvan Strafvordering. Voor een toelichting op de bepaling wordt verwezennaar Kamerstukken II 2016/17, 34 493, nr. 6, p. 6–7 en nr. 7.Eerste lidTen opzichte van het huidige artikel 5.1.3a, eerste lid, zijn enkele redacti-onele verbeteringen aangebracht. Met de inwerkingtreding van deVerzamelwet Justitie en Veiligheid 2018 is de term «bevel» in artikel 5.1.3avervangen door «verzoek», conform de gebruikelijke terminologie in hetkader van de wederzijdse rechtshulp (zie Kamerstukken II 2017/18, 34 887,nr. 7, p. 9). De term «uitgevaardigd» is destijds echter blijven staan. Om determinologie volledig te laten aansluiten bij het begrippenkader voor dewederzijdse rechtshulp is deze term hier vervangen door «gedaan».Daarnaast wordt, in overeenstemming met de terminologie elders in hetwetboek, het begrip «verhoren» vervangen door «horen, verhoren ofondervragen». In lijn met artikel 1.11.3 (videoconferentie in de nationalecontext) is ten aanzien van het gebruik van videoconferentie bij eenverdachte eveneens toegevoegd «het laten bijwonen van een verhoor ofzitting». Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk voor een in het buitenlandverblijvende verdachte die nog in afwachting is van zijn uitlevering, omeen verhoor door de rechter-commissaris van een getuige bij te wonen.Verduidelijkt zij dat het niet kan gaan om het bijwonen door de verdachtevan de terechtzitting in zijn eigen strafzaak. Zoals in de wetsgeschiedenisvan de huidige artikelen 5.1.3a en 5.1.9 uiteengezet, is het inzetten vanvideoconferentie ter berechting niet mogelijk op grond van deze bepaling.Zie Kamerstukken II 2016/17, 34 493, nr. 6, p. 7. In het huidige artikel 5.1.9is dit tot uitdrukking gebracht met de zinsnede «in het kader van deopsporing en vervolging». In verband met het nieuwe vervolgingsbegripis deze zinsnede nu vervangen door «anders dan in het kader van zijnberechting». Dit betekent dat – net als nu – geen rechtshulpverzoek kanworden gedaan om videoconferentie toe te passen ter berechting van deverdachte. In een dergelijk geval is ook geen sprake van kleine rechtshulp(vgl. artikel 8.2.2, eerste lid). Het voorgaande betekent niet dat berechtingvia videoconferentie onder geen enkele conditie mogelijk is. Dit vereistechter – gelet op de belangen die op het spel staan – een met zorgvuldigewaarborgen omklede verdragsrechtelijke regeling, mogelijkerwijs nogaangevuld met nationaalrechtelijke uitvoeringsvoorschriften.Tweede lidDit artikellid heeft betrekking op de wijze waarop het videoverhoor, als hetrechtshulpverzoek eenmaal is ingewilligd, moet worden uitgevoerd. De inNederland geldende rechten en verplichtingen voor het verhoor vangetuigen, deskundigen en verdachten door de rechter-commissarisworden daarbij in acht genomen. Dit is alleen anders als dit uit eentoepasselijk verdrag volgt (zie hierover ook artikel 8.1.1 en de algemeneinleiding op dit boek). Zo wordt de rechtspositie van te (ver)horen persoongewaarborgd en wordt zijn positie zoveel mogelijk gelijkgeschakeld metdie van een persoon die fysiek in Nederland wordt ge- of verhoord. Zienader Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 20 en 29 en KamerstukkenII 2015/16, 34 493, nr. 7, p. 3. Het huidige artikel 5.1.3a, tweede lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3193 verklaart de bepalingen inzake het verhoor door de rechter-commissarisvan overeenkomstige toepassing. Vanzelfsprekend geldt dat indien eengerecht het verhoor afneemt, de bepalingen die op een dergelijk verhoorbetrekking hebben van toepassing zijn. Dit is in het hier toegelichteartikellid verhelderd.Derde en vierde lidDeze leden – die inhoudelijk overeenkomen met het huidige artikel 5.1.3a,derde en vierde lid – zien op het maken van praktische afspraken tussende verzoekende rechter(-commissaris) en de autoriteiten van de anderestaat en het ter beschikking stellen van technische middelen voor devideoconferentie.Artikel 8.2.6 [vastleggen van telecommunicatie]De inhoud van het derde lid van de huidige artikelen 126ma, 126ta en126zga is verplaatst naar dit artikel en artikel 8.2.7, aangezien de in diebepalingen opgenomen voorschriften betrekking hebben op interna-tionale samenwerking. De regeling ziet immers op het vastleggen vantelecommunicatie met een technisch hulpmiddel van gebruikers die zichop het grondgebied van een andere staat bevinden. De voorschriften zijngeïntroduceerd ter uitvoering van de artikelen 18 en 20 van de Overeen-komst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van deEU-rechtshulpovereenkomst). Ze hangen samen met de artikelen 8.2.16 en8.2.17, die eveneens uitvoering geven aan die verdragsbepalingen, maardan ingeval van inkomende rechtshulp rondom de vastlegging vantelecommunicatie met een technisch hulpmiddel. Soortgelijke bepalingenzijn in het kader van het EOB opgenomen (artikelen 8.5.10 en 8.5.11).Het hier toegelichte artikel heeft betrekking op het doen van een rechts-hulpverzoek aan een andere staat om telecommunicatie vast te leggendan wel rechtstreeks door te geleiden (zie artikel 2.8.14, derde lid, zoalsopgenomen in de RvS-versie). Het gaat om de voorschriften waarmeeuitvoering wordt gegeven aan artikel 18 van deEU-rechtshulpovereenkomst. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen aange-bracht ten opzichte van de bepalingen in het huidige wetboek. Wel is deredactie meer in lijn gebracht met soortgelijke bepalingen in Boek 8. Zo isonder andere – in lijn met de terminologie in Boek 2 – het begrip«telecommunicatie» ten opzichte van de huidige wettekst vervangen doorde term «communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13». Daarmee is geeninhoudelijke wijziging beoogd. Zoals beschreven in de toelichting opartikel 2.8.13 (eerste vaststellingswet) heeft dat artikel immers betrekkingop telecommunicatie (communicatie die plaatsvindt door middel van eenaanbieder van een communicatiedienst). Omwille van de leesbaarheidwordt in deze memorie van toelichting nog wel de term «telecommuni-catie» gebruikt in gevallen waarin wordt gedoeld op communicatie alsbedoeld in artikel 2.8.13.Artikel 8.2.7 [vastleggen van telecommunicatie zonder bijstandbuitenlandse autoriteiten]De inhoud van het eerste en tweede lid van de huidige artikelen 126ma,126ta en 126zga is overgenomen in deze bepaling. Het artikel geeftuitvoering aan artikel 20 van de EU-rechtshulpovereenkomst en ziet op desituatie waarin telecommunicatie van een gebruiker die zich in hetbuitenland bevindt kan worden vastgelegd vanuit Nederland zonderbijstand door de buitenlandse autoriteiten. Naast enkele redactioneleverbeteringen is de volgende wijziging aangebracht. In het eerste lid vanhet huidige artikel 126ma Sv is een verwijzing opgenomen naar «eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3194 bevel als bedoeld in artikel 126m, derde lid». Daarmee lijkt het vastleggenvan telecommunicatie in een andere staat zonder bijstand van debuitenlandse autoriteiten enkel mogelijk in gevallen waarin het gaat omcommunicatie die plaatsvindt via een openbaar telecommunicatienetwerkof door gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst. Hetvastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 126m, vierde lid, lijktnaar huidig recht (zonder een rechtshulpverzoek) dus niet mogelijk opgrond van deze bepalingen als de gebruiker zich op het grondgebied vaneen andere staat bevindt. Hetzelfde geldt in het kader van de artikelen126ta en 126zga. De aangebrachte beperking houdt verband met hetgebruik van de term «telecommunicatie» in deEU-rechtshulpovereenkomst. Het is echter de vraag of destijds – deovereenkomst dateert uit 2000 – daadwerkelijk is beoogd anderecommunicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van eenaanbieder uit te sluiten. In dit verband kan ook worden gewezen op hetexplanatory report bij die overeenkomst waarin staat dat de bepalingenover telecommunicatie «sufficiently general» zijn gehouden (onder meer)«in order to guarantee as far as possible their adaptability to futuredevelopments» (Explanatory report on the Convention of 29 May 2000 onMutual Assistance in Criminal Matters between the Member States of theEuropean Union, 2000/C 379/02). Bij de implementatie van artikel 31 vande Richtlijn EOB – welke bepaling sterk lijkt op artikel 20 van deEU-rechtshulpovereenkomst – is in de Nederlandse wetgeving geenbeperking aangebracht tot communicatie via een openbaar telecommuni-catienetwerk of door gebruikmaking van een openbare telecommunicatie-dienst. Om die reden is in het eerste lid verwezen naar «communicatie opgrond van artikel 2.8.13» (zonder beperking tot het vierde lid van diebepaling).Artikel 8.2.8 [uitreiking van stukken]Met deze bepaling wordt het huidige artikel 36e, derde lid, omgezet naarhet nieuwe wetboek. De regeling is verplaatst naar Boek 8 omdat hetbetekenen en uitreiken van stukken in het buitenland in beginsel vergt dateen rechtshulpverzoek aan de staat wordt gedaan waar de betrokkene zijnadres heeft. Het betekenen en uitreiken van stukken wordt dan ookaangemerkt als «kleine rechtshulp» (zie ook artikel 8.2.2, eerste lid).Verplaatsing naar Boek 8 ligt ook voor de hand omdat de situatie waarinNederland namens een buitenlandse autoriteit een stuk uitreikt ofbetekent aan een persoon met een adres in Nederland (de spiegelbeeldigesituatie) eveneens is geregeld in Boek 8 (artikel 8.2.19; het huidige artikel5.1.14). Ten opzichte van artikel 36e, derde lid, zijn enkele redactionelewijzigingen doorgevoerd, enerzijds om het artikel zelfstandig leesbaar temaken, anderzijds om de betekenis van het artikel voor de rechtspraktijkduidelijker in de wettekst tot uitdrukking te brengen. Hiermee zijn geeninhoudelijke wijzigingen beoogd.Eerste lidVoorop staat de aanbieding aan het adres door tussenkomst van debevoegde buitenlandse autoriteit (in het huidige artikel 36e «doortussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie»). Dereden om de aanbieding van stukken door tussenkomst van de buiten-landse autoriteiten in de wet voorop te stellen, is dat in het kader van deinternationale samenwerking tussenkomst van de bevoegde buitenlandseautoriteiten van de staat op wiens grondgebied de handeling wordtverricht (in dit geval de betekening/uitreiking) het uitgangspunt is. Hetverrichten van handelingen op het grondgebied van een andere staatzonder tussenkomst van de buitenlandse autoriteiten is slechts aan deorde als een verdrag dat toelaat (zie het tweede lid). De wijze waarop deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3195 buitenlandse autoriteit de stukken zal aanbieden, zal mede afhankelijk zijnvan eventuele toepasselijke verdragsbepalingen en een eventuelespecifieke voorkeur voor een bepaalde wijze van uitreiken die doorNederland wordt opgenomen in het rechtshulpverzoek. Zo wordt in artikel7 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp instrafzaken (hierna: het ERV) bepaald dat de buitenlandse autoriteit het stuktoezendt aan de geadresseerde. Op verzoek van de verzoekende staat kande uitreiking ook op andere wijze plaatsvinden (mits niet onverenigbaarmet het recht van de aangezochte staat), bijvoorbeeld door betekening inpersoon. De term «aangeboden» in onderhavig artikel biedt ruimte voorzowel toezending per (elektronische) post als een andere wijze vanaanbieding. Er is niet voorzien in een van artikel 1.9.13, zevende lid,afwijkende regeling. Dit betekent dat wanneer het bericht niet kan wordenuitgereikt op het adres waar het is aangeboden, het bericht kan wordenuitgereikt aan de (Nederlandse) autoriteit waarvan het is uitgegaan. Deweigering om het bericht in ontvangst te nemen door degene voor wiehet bericht is bestemd, wordt gelijkgesteld met een uitreiking aan diepersoon.Tweede lidRechtstreekse toezending – dat wil zeggen toezending zonder tussen-komst van de buitenlandse autoriteiten – is, zo wordt in dit artikellidduidelijker tot uitdrukking gebracht, slechts mogelijk wanneer een verdragdaarin voorziet. Met «toezenden» wordt, anders dan met «aan te bieden»in het eerste lid slechts gedoeld op toezending per (elektronische) post.Een voorbeeld van een verdrag dat rechtstreekse toezending mogelijkmaakt is de EU-rechtshulpovereenkomst. Op grond van artikel 5 van datverdrag is rechtstreekse toezending aan de geadresseerde zelfs hetuitgangspunt tussen EU-lidstaten. Alleen in een aantal specifiek in hettweede lid van die bepaling genoemde gevallen kan toezending doortussenkomst van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaatplaatsvinden. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid datartikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van het EVRM en artikel 6, derde lidvan Richtlijn 2012/13/EU geen specifieke – en dus ook niet van artikel 5van de EU-rechtshulpovereenkomst en het huidige artikel 36e, derde lid,afwijkende – eisen stelt aan de wijze van betekening. Dit geldt eveneensvoor artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 2016/343/EU(ECLI:NL:HR:2022:1469).Derde lidHet huidige artikel 36e, derde lid, bevat ook nog een voorschrift inzake devertaling van de dagvaarding en andere gerechtelijke mededelingen. Datvoorschrift, dat uitvoering geeft aan artikel 5, derde lid, van deEU-rechtshulpovereenkomst, is in aangepaste vorm overgenomen.Toegevoegd is de zinsnede: «indien aannemelijk is dat degene voor wiehet bericht bestemd is de Nederlandse taal niet of onvoldoendebeheerst». De persoon van wie slechts een adres in het buitenland bekendis, kan immers een persoon zijn die het Nederlands machtig is, bijvoor-beeld omdat deze Nederlander is. In de Boeken 1 tot en met 6 zijnverschillende bepalingen opgenomen over de vertaling van (proces-)stukken (zie bijvoorbeeld de artikelen 1.5.7, 1.8.9, 4.1.2, 4.1.12, 4.5.4 en5.4.10). Deze bepalingen gelden onverminderd. Dat betekent dat bijvoor-beeld een procesinleiding volledig dient te worden vertaald indien deverdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. De hieropgenomen bepaling is in aanvulling daarop nodig, omdat het bijberichten die in het buitenland worden uitgereikt niet alleen om proces-stukken gaat en ook niet alleen om berichten die moeten wordenuitgereikt aan de verdachte of het slachtoffer, terwijl artikel 5 van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3196 EU-rechtshulpovereenkomst ook in die gevallen verplicht tot vertaling van(de essentiële onderdelen van) het bericht.TITEL 2.3Verzoeken tot rechtshulp gericht aan NederlandDeze titel ziet op «inkomende» rechtshulpverzoeken, dat wil zeggengevallen waarin Nederland door een andere staat wordt verzocht omkleine rechtshulp te verlenen. Zoals in de inleiding bij Hoofdstuk 2 al aande orde kwam, is deze regeling met de Wet herziening regeling interna-tionale samenwerking in strafzaken in 2018 gemoderniseerd. Daarbij werdeen duidelijker onderscheid aangebracht tussen de inwilliging en deuitvoering van het verzoek en werden de daarbij te maken afwegingen inde wet tot uitdrukking gebracht. Eveneens voorzag de herzieningswet ineen nadere regeling over de inzet van opsporingsbevoegdheden. Verderwerden de mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden tegen deuitvoering door Nederland van een rechtshulpverzoek gestroomlijnd. Tenopzichte van de bestaande derde afdeling van het Vijfde Boek, Titel I, is devolgorde van de bepalingen aangepast om de samenhang tussen deverschillende bepalingen beter tot uitdrukking te brengen. Daarbij wordtop hoofdlijnen een chronologische volgorde aangehouden. De titel begint– in lijn met de uitsplitsing die in 2018 is gemaakt tussen de inwilliging ende uitvoering van het rechtshulpverzoek – met de bepalingen diebetrekking hebben op de inwilliging van een binnengekomen rechtshulp-verzoek. Daarna volgen de bepalingen over de uitvoering van het verzoeken de doorgeleiding van de resultaten van het onderzoek aan de autori-teiten van de verzoekende staat. Tot slot is voorzien in een delegatie-grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels testellen over de inwilliging en uitvoering van rechtshulpverzoeken.Artikel 8.2.9 [ontvangst verzoek]De verschillende bepalingen over de ontvangst van een rechtshulpverzoekdie in het huidige wetboek zijn opgenomen in de artikelen 5.1.4, eerste envierde lid, en artikel 5.1.7, eerst lid, zijn gezamenlijk ondergebracht in ditartikel. Hierdoor wordt in een oogopslag zichtbaar dat, afhankelijk van hetverdrag waarop het verzoek is gebaseerd, het verzoek in ontvangst wordtgenomen door de Minister van Justitie en Veiligheid (eerste lid), deofficier van justitie (tweede lid) of een opsporingsambtenaar (derde lid) enwie in die gevallen (formeel) beslist over het (niet) inwilligen van hetverzoek.Eerste lidIn gevallen waarin een verdrag niet in rechtstreekse toezending aan dejustitiële autoriteiten voorziet (zie het tweede lid), wordt een rechtshulp-verzoek in ontvangst genomen door de Minister van Justitie en Veiligheid(in de praktijk: de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulpin Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid). Tenzijde Minister aanstonds van oordeel is dat het verzoek om rechtshulp moetworden afgewezen, stelt hij het verzoek in handen van de officier vanjustitie. Het woord «aanstonds» is daarbij ten opzichte van het huidigeartikel 5.1.4, eerste lid, vervangen door «klaarblijkelijk», omdat dit woordbeter dan de woorden «meteen al» (waardoor «aanstonds» elders in hetwetboek is vervangen) tot uitdrukking brengt dat het hier gaat om eenmarginale toets («rauwelijkse afwijzing»). Als de officier van justitie, nadoorzending, tot de conclusie komt dat het verzoek toch niet kan wordeningewilligd (zie ook de weigeringsgronden in artikel 8.2.10), dan bericht hijhierover de Minister. Dat de Minister vervolgens de beslissing tot nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3197 inwilliging neemt is in de nieuwe wettekst duidelijker tot uitdrukkinggebracht door toevoeging van een tweede zin. In de regel zal de Ministerhierbij het oordeel van de officier van justitie volgen. In de in artikel 8.2.10,zesde tot en met negende lid, genoemde gevallen zal de Minister echterook een eigen afweging (moeten) maken, al dan niet in afstemming metde Minister van Buitenlandse Zaken respectievelijk de Minister vanFinanciën. Dat betekent dat de officier van justitie in die gevallen, ook alshij zelf van oordeel is dat het verzoek voor inwilliging vatbaar is, contactmoet zoeken met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, met het oog opeen beslissing van de Minister, zo volgt uit de desbetreffende artikelleden.Tweede lidIn de situatie waarin een verdrag voorziet in de rechtstreekse toezendingaan de justitiële autoriteiten, wordt dit verzoek in ontvangst genomendoor de officier van justitie. Ten opzichte van die regeling in het huidigeartikel 5.1.4, vierde lid, komt te vervallen het voorschrift dat over hetrechtshulpverzoek wordt beslist door de officier van justitie «in hetarrondissement waarin de in het verzoek gevraagde handeling moetworden verricht, dan wel een officier van justitie bij het landelijk parket ofbij het functioneel parket». Deze wijziging, die verband houdt met delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie, is toegelicht bij artikel8.1.3. Op het uitgangspunt dat de officier van justitie in de in dit artikellidbedoelde gevallen over de inwilliging beslist, is een uitzonderinggeformuleerd in artikel 8.2.10, zesde lid. Dit betreft, kort gezegd, situatieswaarin sprake is van een vervolging of bestraffing op discriminatoiregronden. Ingeval van politieke delicten of fiscale delicten heeft de officiervan justitie toestemming van de Minister van Justitie en Veiligheid nodig(artikel 8.2.10, zevende en negende lid).Derde lidDit artikellid ziet op de politiële rechtshulp, dat wil zeggen de gevallenwaarin opsporingsambtenaren zonder tussenkomst van de officier vanjustitie rechtshulp kunnen verlenen. Daarmee is het huidige artikel 5.1.7,eerste lid, omgezet naar het nieuwe wetboek. Verwezen wordt naar detoelichting bij artikel 8.2.3, tweede lid. Daar wordt ook ingegaan op deinhoud van het huidige artikel 5.1.7, tweede lid, – waarin is voorge-schreven dat een rechtshulpverzoek wordt uitgevoerd onder het gezagvan de officier van justitie. Dat voorschrift keert hier niet terug, omdat dital volgt uit de artikelen 8.1.3 en 8.1.4. Inhoudelijk is op dit punt dus geensprake van een wijziging.Op grond van het huidige artikel 5.1.7, eerste lid, kan een opsporings-ambtenaar zonder tussenkomst van de officier van justitie een rechtshulp-verzoek inwilligen indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voorhet verkrijgen daarvan geen dwangmiddelen of een aantal in de wetopgesomde (bijzondere opsporings)bevoegdheden hoeven te wordeningezet. In de Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kadervan de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.) van het OM wordtde bevoegdheidsverdeling tussen opsporingsambtenaren en de officiervan justitie nader uiteengezet. In de praktijk bestaan echter nog onduide-lijkheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag in hoeverre het vooropsporingsambtenaren mogelijk is om ter uitvoering van een buitenlandsverzoek om inlichtingen een getuige te ondervragen die zelf bereid is eenverklaring af te leggen. De aangepaste redactie wil op dit punt meerduidelijkheid bieden.De nieuwe bepaling maakt het – net als nu – mogelijk voor opsporings-ambtenaren om een verzoek om inlichtingen in te willigen indien datverzoek betrekking heeft op inlichtingen waarover de opsporings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3198 ambtenaar al beschikt. Dit omvat vanzelfsprekend de bestaande politiege-gevens. Wanneer het verzoek om rechtshulp op deze gegevens ziet, vindtde uitvoering van het verzoek eveneens plaats met inachtneming van devoorwaarden die de Wet en het Besluit politiegegevens daaraan stellen(vgl. artikel 8.2.13, tweede lid). Dat betekent onder andere dat degegevens door de buitenlandse autoriteiten slechts mogen wordengebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. In artikel 5:3 van hetBesluit politiegegevens is daarbij voorzien in een aparte regeling voor deuitwisseling van politiegegevens met lidstaten van de Europese Unie. Metdit bijzondere verstrekkingenregime wordt uitvoering gegeven aan het bijartikel 8.2.3 al genoemde Zweeds kaderbesluit. Zie Kamerstukken II2015/16, 34 493, nr. 3, p. 15. Er is niet gekozen voor een verwijzing naar«politiegegevens» in de wettekst, maar naar «inlichtingen waarover deopsporingsambtenaar al beschikt» om een aantal redenen. De eerstereden is dat de gegevens naar buitenlands recht mogelijk niet als eenpolitiegegeven zijn aangemerkt. Deze overweging is vooral van belang inhet kader van artikel 8.2.3, tweede lid. De nu gekozen terminologie sluitaan bij het begrippenkader in toepasselijke instrumenten, zoals artikel 2,onderdeel d, onder i, van het Zweeds kaderbesluit. Een tweede reden isdat onder de definitie van «politiegegeven» alleen persoonsgegevensvallen (zie artikel 1, onder a, Wet politiegegevens). Het is echter mogelijkdat buitenlandse opsporingsambtenaren om andere gegevens verzoekenwaarover Nederlandse opsporingsambtenaren al beschikken, zoals detechnische specificaties van een ingezet opsporingsmiddel. De gekozenformulering maakt duidelijk dat ook in dergelijke gevallen inlichtingenkunnen worden verstrekt zonder tussenkomst van de officier van justitie.De bepaling maakt het daarnaast mogelijk voor opsporingsambtenarenom zonder tussenkomst van de officier van justitie gegevens die elders– dat wil zeggen bij een andere organisatie of persoon – zijn vastgelegdaan het buitenland te verstrekken, mits voor het verkrijgen daarvanuitsluitend bevoegdheden hoeven te worden verricht waartoe deopsporingsambtenaar in een nationaal onderzoek zelfstandig bevoegd is.Doordat in de wettekst wordt verwezen naar «elders vastgelegdegegevens» wordt verduidelijkt dat het alleen gaat om bevoegdheden metbetrekking tot gegevens (zie Boek 2, Hoofdstuk 7) en dus niet om anderebevoegdheden, zoals het horen van getuigen. Dit sluit aan bij artikel 2,onder d, onderdeel ii, van het Zweeds kaderbesluit. Aldus wordt op ditpunt dus meer duidelijkheid geboden. Dat opsporingsambtenarenopsporingsbevoegdheden mogen uitoefenen waartoe zij in een nationaalonderzoek zelfstandig bevoegd zijn, vormt een (beperkte) uitbreiding vande bestaande mogelijkheden om een buitenlands rechtshulpverzoekzelfstandig af te doen. Door de opsomming van bevoegdheden in hethuidige artikel 5.1.7, tweede lid, wordt namelijk uitgesloten dat opspo-ringsambtenaren ter uitvoering van een buitenlands verzoek om inlich-tingen – zonder tussenkomst van de officier van justitie – de opsporings-bevoegdheden opgenomen in bijvoorbeeld de huidige artikelen 126na en126nda uitoefenen, terwijl zij daartoe in een nationaal onderzoek welzelfstandig bevoegd zijn. Dat de tussenkomst van de officier van justitieniet langer noodzakelijk is, doet er niet aan af dat bijvoorbeeld wel contactmoet worden opgenomen met de hulpofficier van justitie indien dat bij deuitoefening van de desbetreffende bevoegdheid in een nationaalonderzoek ook vereist zou zijn (vgl. artikel 8.2.13, tweede lid). De uitoe-fening van deze bevoegdheden dient uiteraard te blijven binnen degrenzen die daaraan in een Nederlands onderzoek zijn gesteld en metinachtneming van de Nederlandse wetgeving (zie artikel 8.2.13, tweedelid). Wanneer de buitenlandse autoriteiten de gevraagde inlichtingenwillen gebruiken als bewijs is tussenkomst van de officier van justitienoodzakelijk (zie ook de toelichting op artikel 8.2.3, tweede lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3199 Het voorschrift uit het huidige artikel 5.1.7, derde lid, dat aantekeningwordt gehouden van iedere inwilliging van een verzoek om rechtshulpdoor opsporingsambtenaren vervalt, nu in artikel 8.1.7 een grondslag isopgenomen voor een ministeriële regeling over het vastleggen vangegevens over de uitvoering van de bepalingen in Boek 8. De registratie-voorschriften uit artikel 5.1.7, derde lid, zullen in die ministeriële regelingterugkeren.Artikel 8.2.10 [inwilliging en weigeringsgronden]In dit artikel zijn de bepalingen uit de huidige artikelen 5.1.4, tweede enderde lid, en 5.1.5 samengebracht. Aldus zijn de verschillendevoorschriften over de beslissing tot het (niet) inwilligen van een rechts-hulpverzoek ondergebracht in één bepaling.Eerste en tweede lidDeze artikelleden komen inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.4,tweede en derde lid. In het eerste lid is tot uitdrukking gebracht datverzoeken die zijn gebaseerd op een verdrag zoveel mogelijk wordenuitgevoerd. Het tweede lid heeft betrekking op verzoeken die niet zijngebaseerd op een verdrag en op verzoeken ten aanzien waarvan hettoepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht. Bij de Wet herzieningregeling internationale samenwerking in strafzaken zijn de mogelijkhedenom kleine rechtshulp te verlenen zonder verdragsbasis verruimd. Zie vooreen nadere toelichting, ook ten aanzien van de terughoudendheid enzorgvuldigheid die daarbij in acht moeten worden genomen: Kamer-stukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 6–7 en 15–16.Derde lidHet derde tot en met negende lid beschrijven de verschillende weigerings-gronden die in het huidige wetboek zijn opgenomen in artikel 5.1.5. Ditartikellid bevat de weigeringsgrond die verband houdt met ne bis inidem-beginsel, dat in het huidige artikel 5.1.5, eerste lid, is opgenomen.Vierde lidIn dit lid is de weigeringsgrond uit het huidige artikel 5.1.5, tweede lid,overgenomen. Deze bepaling ziet op de weigering in verband met eenlopend opsporingsonderzoek of een lopende vervolging in Nederland. Tenopzichte van artikel 5.1.5, tweede lid, is een wijziging aangebracht dieverband houdt met het nieuwe vervolgingsbegrip. Aan het huidigewetboek ligt het wetssystematische uitgangspunt ten grondslag dat devervolging aanvangt op het moment waarop de rechter(-commissaris)door een vordering in de zaak wordt betrokken. Omdat die systematiek– met de afschaffing van het gerechtelijk vooronderzoek en de ontwikke-lingen met betrekking tot het opsporingsonderzoek – niet meer aansluit bijde huidige realiteit, krijgt het vervolgingsbegrip in het nieuwe wetboekeen andere invulling. Het beginpunt van de vervolging wordt gemarkeerddoor de indiening van de procesinleiding (aanbrengen zaak terberechting) of het uitvaardigen van een strafbeschikking. Zie hierovernader de toelichting bij Boek 1, Titel 3.2. Om geen inhoudelijke wijziging inde weigeringsgrond uit het huidige artikel 5.1.5, tweede lid, aan tebrengen, is ten opzichte van dat voorschrift de zinsnede «een onderzoeknaar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd»vervangen door «een onderzoek naar feiten ter zake waarvan tegen deverdachte in Nederland een opsporingsonderzoek is ingesteld». Dezeterminologische wijziging sluit ook beter aan bij de uitleg die aan hethuidige artikel 5.1.5, tweede lid, wordt gegeven. Blijkens de wetsgeschie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3200 denis is dit artikellid aan de orde wanneer sprake is van «een situatiewaarin een strafrechtelijk onderzoek of strafvervolging tegen debetrokkene loopt». Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 012, nr. 3, p. 5. Ookonder de huidige wetgeving geeft de omstandigheid dat er een opspo-ringsonderzoek gaande is dus al aanleiding om dit artikellid toe te passen.Vijfde lidDit lid ziet op de grond om een rechtshulpverzoek te weigeren indienflagrante mensenrechtenschendingen dreigen. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.1.5, derde lid, is de zinsnede «op feiten en omstandig-heden gebaseerd» komen te vervallen. Hiermee is geen inhoudelijkewijziging beoogd. De zinsnede is geschrapt omdat deze inhoudelijk nietstoevoegt. Dat het vermoeden «gegrond» moet zijn impliceert immers aldat er feiten en omstandigheden aanwezig moeten zijn die het vermoedenstaven. Met de schrapping wordt de formulering meer in lijn gebracht metde formulering van het zesde lid.Zesde lidIn dit artikellid is de weigeringsgrond opgenomen die het mogelijk maakteen rechtshulpverzoek te weigeren indien grond bestaat voor hetvermoeden dat het is gedaan om iemand te vervolgen, te straffen ofanderszins te treffen op discriminatoire gronden. De bepaling komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.5, vierde lid. De zinsnede«grond bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoekingesteld met het oogmerk» is daarbij vervangen door «een gegrondvermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoekgericht op». Daarmee wordt niet alleen beter aangesloten bij formule-ringen in andere rechtshulpwetgeving (zie bijvoorbeeld artikel 10 van deUitleveringswet), maar ook bij de bedoeling van de wetgever om niet eendergelijke zware eis als een oogmerk te stellen. Zie J.M. Sjöcrona, Dekleine rechtshulp (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint BV 1990, p. 162;Tekst & Commentaar Strafvordering, vijftiende druk, Deventer: WoltersKluwer 2023, aantekening 3d bij artikel 5.1.5. Voor deze weigeringsgrondgeldt dat over het inroepen daarvan altijd door de Minister van Justitie enVeiligheid wordt beslist, dus ook in gevallen waarin het verzoek op grondvan een verdrag rechtstreeks aan de officier van justitie of eenopsporingsambtenaar kan worden gezonden op grond van artikel 8.2.9,tweede lid en derde lid.Zevende lidDit lid ziet op rechtshulpverzoeken betreffende onderzoek naar strafbarefeiten van politieke aard. Het geven van uitvoering aan een dergelijkverzoek is slechts mogelijk na machtiging van de Minister van Justitie enVeiligheid. Het voorschrift uit de derde zin van het huidige artikel 5.1.5,vijfde lid, dat de beslissing op het verzoek langs diplomatieke weg terkennis van de autoriteiten van de verzoekende staat wordt gebracht, keertterug in artikel 8.2.11 dat ziet op de in kennisstelling van de autoriteitenvan de verzoekende staat.Achtste en negende lidDeze artikelleden komen inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.5,zesde en zevende lid. Het achtste lid vormt een uitzondering op hetzevende lid en is (ook al in het huidige wetboek) opgenomen omdat in eenaantal terrorismeverdragen is bepaald dat in het kader van rechtshulpver-lening ter zake van de in die verdragen omschreven misdrijven geenweigeringsgrond voor politieke delicten mag gelden. In het kader van dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3201 verdragen is om die reden geen machtiging van de Minister van Justitieen Veiligheid vereist voordat aan een rechtshulpverzoek uitvoering wordtgegeven. Het negende lid bevat de «fiscale» exceptie.Artikel 8.2.11 [kennisgeving en registratie]In dit artikel zijn de huidige bepalingen over de kennisgeving aan deandere staat over de (niet-)inwilliging van het verzoek – in het huidigewetboek opgenomen in de artikelen 5.1.4, vijfde lid, 5.1.5, vijfde lid, derdezin, en 5.1.6, tweede lid – samengebracht.Eerste lidDit voorschrift ziet op de kennisgeving aan de autoriteiten van deverzoekende staat over de niet-inwilliging van het verzoek. De eerste tweevolzinnen komen overeen met het huidige artikel 5.1.4, vijfde lid. Delaatste volzin – over de kennisgeving via diplomatieke weg – komtovereen met het huidige artikel 5.1.5, vijfde lid, derde zin. De kennisgevingover de niet-inwilliging wordt gedaan door de autoriteit die over deinwilliging beslist.Tweede lidDeze bepaling heeft betrekking op de kennisgeving indien het verzoekwordt ingewilligd. Ook daarbij geldt dat de beslissende autoriteit (zieartikel 8.2.9) de verzoekende staat hierover bericht. In overeenstemmingmet het huidige artikel 5.1.6, tweede lid, wordt bepaald dat de officier vanjustitie die het verzoek uitvoert, vervolgens zo nodig in overleg treedt metde verzoekende staat over de uitvoering van het verzoek. Indien sprake isvan een rechtshulpverzoek als bedoeld in artikel 8.2.9, derde lid, zal geensprake zijn van nader overleg over de uitvoering van het verzoek door deofficier van justitie. Over het algemeen worden in een dergelijk geval,waarin een opsporingsambtenaar het verzoek zelf kan inwilligen enuitvoeren, met de inwilliging direct ook de verzochte inlichtingenverstrekt.Artikel 8.2.12 [uitvoering verzoek]Eerste lidDit lid – dat overeenkomt met het huidige artikel 5.1.6, eerste lid – betreftde spoedige uitvoering van het verzoek na inwilliging.Tweede lidDe inhoud van het huidige artikel 5.1.6, derde lid, keert in dit artikellidterug. Het roept op tot het – binnen de grenzen van het toepasselijk zijndeverdrag en de wet – in acht nemen van de door de verzoekende staataangegeven formaliteiten en procedures.Artikel 8.2.13 [bevoegdheden bij uitvoering verzoek]De inhoud van het huidige artikel 5.1.8 is in dit artikel overgenomen.Artikel 5.1.8 werd met de inwerkingtreding van de Wet herziening regelinginternationale samenwerking in strafzaken per 1 juli 2018 in het huidigeWetboek van Strafvordering opgenomen. Daarmee werd een (duide-lijkere) regeling geïntroduceerd over de bevoegdheden die kunnenworden ingezet bij de uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek.Artikel 8.2.13 ziet op de bevoegdheidsuitoefening nadat een rechtshulp-verzoek is ingewilligd. De inwilliging vindt plaats overeenkomstig deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3202 artikelen 8.2.9 tot en met 8.2.11. Ten opzichte van artikel 5.1.8 zijn nogenkele nadere verduidelijkingen over de van toepassing zijnde Neder-landse voorschriften aangebracht.Eerste lidNet als in het huidige artikel 5.1.8, eerste lid, eerste zin, brengt ditvoorschrift het uitgangspunt tot uitdrukking dat bij de uitvoering van eenrechtshulpverzoek de bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend die ooknaar Nederlands recht in een Nederlands opsporingsonderzoek naardezelfde strafbare feiten kunnen worden uitgeoefend.Tweede lidDit artikellid regelt dat, kort gezegd, moet zijn voldaan aan de nadereeisen die aan de toepassing van een bepaalde bevoegdheid wordengesteld naar Nederland recht, voordat de desbetreffende bevoegdheid kanworden uitgeoefend ten behoeve van de uitvoering van een rechtshulp-verzoek. Indien een verzoek is gebaseerd op een verdrag, moet deproportionaliteitsafweging echter achterwege blijven voor zover zij raaktaan het onderzoeksbelang, maar proportionaliteitseisen die zijn gerela-teerd aan de ingrijpendheid van de bevoegdheidsuitoefening, zoals deverdenkingscriteria, blijven wel gelden. Zie ook Tekst & CommentaarStrafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aante-kening 3 bij artikel 5.1.8. Als een verzoek op een verdrag is gebaseerd,blijft het maken van een proportionaliteitsafweging mogelijk als hettoepasselijke verdrag dit (ten aanzien van een bepaalde bevoegdheid)toelaat. Om te voorkomen dat in dergelijke gevallen deze toetsachterwege zou moeten worden gelaten op grond van de Nederlandsewetgeving, terwijl een verdrag deze wel toestaat (maar er niet toeverplicht), is in het tweede lid, opgenomen «tenzij uit het verdrag hettegendeel blijkt». Ten opzichte van het huidige artikel 5.1.8, eerste lid,tweede zin, waarin deze voorschriften nu zijn opgenomen, is verduidelijkt– door in het artikellid een uitzondering op te nemen voor de regeling inBoek 2, Titel 7.5 – dat, ook als er een verdragsbasis is voor de rechtshulp,in volle omvang kan worden getoetst of de uitvoering naar Nederlandsrecht een (on)toelaatbare inbreuk op het verschoningsrecht oplevert.De inhoud van het huidige artikel 5.1.8, zesde lid, eerste en derde zin,keert niet terug in het nieuwe wetboek. Uit het tweede lid van artikel8.2.13 volgt immers al dat bij de bevoegdheidsuitoefening wordtgehandeld met inachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaarNederlands onderzoek betrekking hebben. Dit impliceert dat, voor zoverde wettelijke bevoegdheidsbepalingen bijvoorbeeld voorzien in eennotificatieverplichting (artikel 2.8.2; het huidige artikel 126bb) ofvoorschriften bevatten over de verwerking van de door de bevoegdheids-uitoefening verkregen gegevens (waaronder een plicht de desbetreffendegegevens (op een bepaald moment) te vernietigen (artikel 2.8.3 en debepalingen over gegevensverwerking zoals opgenomen in de eersteaanvullingswet; de huidige artikelen 126aa, tweede lid, 126cc en 126dd)),daaraan ook moet worden voldaan bij de uitvoering van een rechtshulp-verzoek. Voor het belang van het onderzoek treedt in het geval vanrechtshulp het belang van het buitenlandse onderzoek in de plaats. Detweede volzin van artikel 5.1.8, zesde lid, keert terug in artikel 8.2.18, derdelid.Derde tot en met zesde lidDeze artikelleden komen inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.8,tweede tot en met vijfde lid. Het gaat om voorschriften over de keuze voorde minst ingrijpende bevoegdheid (derde lid), de gevallen waarin eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3203 verzoek afkomstig dient te zijn van een rechterlijke autoriteit van deverzoekende staat (vierde lid) en voorschriften over de betrokkenheid vande Nederlandse rechter-commissaris (vijfde en zesde lid).Artikel 8.2.14 [gezamenlijk verrichten van onderzoekshande-lingen met buitenlandse ambtenaren op Nederlands grondgebied]Dit artikel is nieuw. Het gezamenlijk verrichten van onderzoekshande-lingen met buitenlandse ambtenaren in het kader van een buitenlands ofbuitenlands-Nederlands onderzoek – waarop deze bepaling ziet – moetworden onderscheiden van de situatie waarin buitenlandse opsporings-ambtenaren op Nederlandse grondgebied bevoegdheden uitoefenen alsbijdrage aan een Nederlands onderzoek. Zie ook A.L. Melai/M.S. Groen-huijsen e.a. (red.), Het Wetboek van Strafvordering, aantekening 17 bijartikel 126g Sv. Dit laatste is geen rechtshulp in de zin van artikel 8.2.1 en8.2.2 en is van een regeling voorzien in Boek 2, Titel 8.4.Het is mogelijk dat buitenlandse opsporingsambtenaren – ook buiten hetkader van een gezamenlijk onderzoeksteam (zie Hoofdstuk 4) – opNederlands grondgebied gezamenlijk met Nederlandse opsporingsambte-naren onderzoekshandelingen verrichten of aanwezig zijn bij deverrichting van onderzoekshandelingen door de Nederlandse autoriteitenter uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek. Een voorbeeldhiervan is dat buitenlandse opsporingsambtenaren aanwezig zijn bij eendoorzoeking of vragen kunnen stellen bij een door Nederlandse autori-teiten geleid verhoor dat op hun verzoek wordt verricht. Verschillendeverdragen bieden hiervoor een expliciete grondslag, zoals artikel 4 ERV,zoals gewijzigd door het Tweede aanvullend Protocol (aanwezigheid bijuitvoering rogatoire commissie) en artikel 26 (gemengde patrouilles encontroles) van het Benelux rechtshulpverdrag. Onderhavig artikel legt vastdat in dergelijke gevallen waarin de Nederlandse wetgeving, een verdragof een EU-instrument daarin voorziet, buitenlandse opsporingsambte-naren bevoegdheden kunnen uitoefenen op Nederlands grondgebied.Artikel 2.8.20 werkt in zoverre door in deze bepaling dat, tenzij uit eenverdrag of een EU-instrument anders volgt, alleen de daarin opgenomenbevoegdheden kunnen worden uitgeoefend door buitenlandse opspo-ringsambtenaren. Alleen voor die gevallen voorziet de Nederlandse wetimmers in een grondslag voor die bevoegdheidsuitoefening doorbuitenlandse opsporingsambtenaren. Op het optreden van de buiten-landse opsporingsambtenaren is ook voor het overige het Nederlandserecht van toepassing, zo wordt tot uitdrukking gebracht door de vanovereenkomstige toepassing verklaring van artikel 8.2.13, tweede lid. Eensoortgelijke bepaling geldt ten aanzien van het optreden op Nederlandsgrondgebied door buitenlandse opsporingsambtenaren in het kader vaneen gemeenschappelijk onderzoeksteam. Zie het huidige artikel 5.2.2,waarvan de inhoud in het nieuwe wetboek wordt opgenomen in artikel8.3.2. Vastgelegd wordt dat dergelijk optreden de voorafgaandetoestemming van de officier van justitie behoeft en dat de ambtenaren bijhun optreden onder het gezag van de Nederlandse officier van justitiestaan. Dat doet overigens niet af aan de bevoegdheid van de rechter-commissaris om bijvoorbeeld te beslissen over wie er bij een door hemgeleide doorzoeking aanwezig zijn.Artikel 8.2.15 [videoconferentie]Dit artikel, dat ziet op de uitvoering van een verzoek tot toepassing vanvideoconferentie, komt overeen met het huidige artikel 5.1.9. De bepalingvormt de «spiegelbepaling» van artikel 8.2.5, die het voor Nederlandmogelijk maakt om aan buitenlandse autoriteiten een verzoek totvideoconferentie te doen. Zie nader de toelichting op artikel 8.2.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3204 Artikel 8.2.16 [directe doorgeleiding telecommunicatie]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.1.12 naar hetnieuwe wetboek. Het artikel voorziet in de mogelijkheid om te voldoenaan een rechtshulpverzoek om telecommunicatie vast te leggen enrechtstreeks door te geleiden naar de verzoekende staat, mits een verdragin deze mogelijkheid voorziet. Hiermee wordt invulling gegeven aanartikel 18 van de EU-rechtshulpovereenkomst. Het derde lid van hethuidige artikel 5.1.12 over de kennisgeving aan de betrokkene keert in hetnieuwe wetboek niet terug. Artikel 8.2.13 schrijft al voor dat bij deuitvoering van een rechtshulpverzoek de Nederlandse bevoegdhedenworden ingezet «met inachtneming van de bepalingen die op eenvergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekking hebben». Hieruit volgt datook aan de mededelingsplicht moet worden voldaan. Voor het belang vanhet onderzoek treedt daarbij het belang van het buitenlandse onderzoek inde plaats. Over het moment van kennisgeving kan worden overlegd metde buitenlandse autoriteiten. Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 28 351, nr.3, p. 6.Eerste lidDit lid biedt de grondslag voor de uitvoering van een rechtshulpverzoektot vastlegging en rechtstreekse doorgeleiding. De tweede zin van hethuidige artikel 5.1.12, eerste lid, waarin de artikelen 126m en 126t vanovereenkomstige toepassing werden verklaard, keert niet terug, nu detoepasselijkheid van de Nederlandse voorschriften op de bevoegdheids-uitoefening al volgt uit artikel 8.2.13, tweede lid. Ter verduidelijking dat devastlegging van de telecommunicatie uitsluitend kan plaatsvinden indiendit naar Nederlands recht mogelijk is en volgens Nederlands rechtplaatsvindt, is een verwijzing naar artikel 8.2.13 opgenomen. In de tweedezin, waarin is opgenomen dat artikel 8.2.13, tweede lid, tweede zin, nietvan toepassing is, wordt tot uitdrukking gebracht dat in gevallen waarinmet een technisch hulpmiddel vastgelegde communicatie rechtstreekswordt doorgeleid aan de buitenlandse autoriteiten en de gebruiker zich opNederlands grondgebied bevindt wel het onderzoeksbelang en dedaaraan gerelateerde eisen van proportionaliteit worden getoetst (zieartikel 18, tweede lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdeel b,EU-rechtshulpovereenkomst).Tweede lidDit voorschrift bevat de voorwaarden die aan de doorgeleiding wordenverbonden indien de doorgeleide communicatie betrekking heeft op eengebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt. De bepaling komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.12, tweede lid.Artikel 8.2.17 [opnemen telecommunicatie van gebruiker die zichop Nederlands grondgebied bevindt]Dit artikel geeft nadere regels voor de situatie waarin een buitenlandseautoriteit met behulp van een technisch hulpmiddel telecommunicatievastlegt (vgl. artikel 2.8.13) of het voornemen daartoe heeft van eengebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt. Het artikel isingevoerd naar aanleiding van artikel 20 van deEU-rechtshulpovereenkomst. Met de bepaling wordt het huidige artikel5.1.13 omgezet naar het nieuwe wetboek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3205 Eerste lidOp grond van dit artikellid is, overeenkomstig het huidige artikel 5.1.13,eerste lid, vastlegging door een buitenlandse autoriteit mogelijk indieneen verdrag daarin voorziet en de buitenlandse autoriteiten een kennis-geving doen toekomen aan de officier van justitie. Anders dan in dehuidige wetgeving wordt niet verwezen naar een «door het College vanprocureurs-generaal daartoe aangewezen officier van justitie». Uiteraardblijft het mogelijk om binnen de organisatie van het openbaar ministerieeen specifieke officier van justitie aan te wijzen die de kennisgevingen metbetrekking tot het opnemen van telecommunicatie behandelt.Tweede en derde lidNet als in het huidige artikel 5.1.13, tweede en derde lid, is een regelingopgenomen voor de vereiste machtiging van de rechter-commissaris. Zievoor de bevoegde rechter-commissaris artikel 8.1.6. De officier van justitiezal deze machtiging moeten vorderen voordat hij kan instemmen met hetbuitenlandse voornemen tot het vastleggen van telecommunicatie of devoortzetting daarvan. De in artikel 5.1.13, derde lid, opgenomen verwijzingnaar de artikelen 126m en 126t is in het nieuwe wetboek vervangen dooreen verwijzing naar artikel 8.2.13. Zie hierover de toelichting bij artikel8.2.16, eerste lid. Doordat van artikel 8.2.13, tweede lid, alleen de eerstezin van overeenkomstige toepassing is verklaard, is verhelderd dat het,conform artikel 20, vierde lid, onderdeel a, subonderdeel i, van deEU-rechtshulpovereenkomst in deze gevallen mogelijk is om het onder-zoeksbelang en de daarmee gepaard gaande proportionaliteitseisen tetoetsen.Vierde lidIn dit artikellid – waarin de inhoud van het huidige artikel 5.1.13, vierde lid,is opgenomen – is geregeld dat de officier van justitie na de machtigingvan de rechter-commissaris de buitenlandse autoriteiten van deinstemming en van de gestelde voorwaarden in kennis stelt.Vijfde lidDit lid komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.13, vijfde lid.Bij artikel 8.2.16 is toegelicht dat een verwijzing naar de mededelingsplichtaldaar niet noodzakelijk is, omdat geldt dat de Nederlandse wetgeving opde bevoegdheidsuitoefening van toepassing is. Zie artikel 8.2.13, tweedelid. De mededelingsplicht vloeit bij die bepaling dus voort uit het vantoepassing zijnde artikel 2.8.2. In het kader van onderhavig artikel oefenende buitenlandse autoriteiten de bevoegdheid uit. Artikel 8.2.17 voorziet inde procedure die moet worden gevolgd om met die bevoegdheidsuitoe-fening in te stemmen. Daarop is artikel 8.2.13 niet van toepassing. Omdathet wel wenselijk is om – net als op grond van de huidige wetgeving – ineen mededelingsplicht te voorzien is artikel 2.8.2 van overeenkomstigetoepassing verklaard.Zesde en zevende lidDeze artikelleden zien op de situatie waarin de rechter-commissaris geenmachtiging geeft. De officier van justitie kan dan niet instemmen met hetvastleggen van de gegevens. Het vastleggen dient in dat geval onmid-dellijk te worden stopgezet en de al vastgelegde gegevens moetenworden vernietigd. Een uitzondering op dit laatste is mogelijk. Uit hetexplanatory report bij de EU-rechtshulpovereenkomst blijkt dat is gedachtaan de situatie waarin in de staat die de gegevens heeft vastgelegd eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3206 schadevergoedingsprocedure wordt gevoerd in het kader waarvan hetnoodzakelijk wordt geacht de overgenomen gegevens te gebruiken. Ziehet Explanatory report on the convention of 29 May 2000 on MutualAssistance in Criminal Matters between the Members States of theEuropean Union, 2000/C 379/02 (PbEU 2000, C 379/7). Daartoe moet eennieuw verzoek door de buitenlandse autoriteiten worden gedaan dat doorde Minister van Justitie en Veiligheid wordt beoordeeld. Zie KamerstukkenII 2001/02, 28 351, nr. 3, p. 7. Deze regeling komt inhoudelijk overeen methet huidige artikel 5.1.13, zesde en zevende lid.Artikel 8.2.18 [overdracht resultaten uitvoering rechtshulp-verzoek aan het buitenland]Dit artikel ziet op de overdracht van de resultaten van de uitvoering vanhet rechtshulpverzoek. Indien een rechtsmiddel is aangewend of determijn om een rechtsmiddel in te stellen nog niet is verstreken, kunnende resultaten pas worden overgedragen nadat onherroepelijk op hetrechtsmiddel is beslist of nadat de termijn om het rechtsmiddel in testellen ongebruikt is verstreken. Verduidelijkt ten opzichte van debestaande wettekst is dat met de verstrekking van de resultaten van hetonderzoek waarop het rechtsmiddel geen betrekking heeft of kan hebben,niet hoeft te worden gewacht. De regeling betreft de omzetting van hethuidige artikel 5.1.10, eerste en tweede lid. De inhoud van het huidigeartikel 5.1.10, derde en vierde lid, – met de regels over de verlofpro-cedure – keert terug in artikel 8.2.27.De inhoud van het huidige artikel 5.1.8, zesde lid, tweede zin, keert terugin het derde lid van artikel 8.2.18. Zoals in de toelichting op artikel 8.2.13 alaan de orde is gekomen, zijn de voorschriften uit artikel 2.1.18 in beginselvan toepassing wanneer door de Nederlandse autoriteiten de aldaargenoemde bevoegdheden zijn ingezet. Het huidige artikel 5.1.8, zesde lid,tweede zin, bevat evenwel een uitzondering hierop, die specifiek geldt inde rechtshulpsituatie. Omdat het voorschrift verband houdt met deoverdracht van de resultaten van het rechtshulpverzoek, keert het op dezeplaats in het nieuwe wetboek terug.Artikel 8.2.19 [uitreiking van stukken]Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.14 enheeft betrekking op de uitreiking van stukken ter uitvoering van eenverzoek om rechtshulp. Er zijn enkele redactionele wijzigingen aange-bracht om de terminologie meer in lijn te brengen met de bepalingen inBoek 1 over het aanbieden van berichten. De term «derden» is, net als inhet huidige wetboek, opgenomen om tot uitdrukking te brengen dat het indeze bepaling niet gaat om het verzenden van stukken tussen debevoegde autoriteiten van de betrokken staten, maar het verlenen vanrechtshulp bij de aanbieding van berichten aan bijvoorbeeld eenverdachte, veroordeelde, getuige of slachtoffer.Artikel 8.2.20 [algemene maatregel van bestuur]De grondslag voor een algemene maatregel van bestuur die in het huidigeartikel 5.1.1, vierde lid, is opgenomen, is in dit artikel overgenomen.TITEL 2.4Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigenIn deze titel keren de huidige artikelen 5.1.15 en 5.1.16 terug in het nieuwewetboek. Ook de inhoud van de huidige artikelen 539t en 539l, eerste lid,onderdeel a, tweede zinsdeel, wordt naar deze titel overgeheveld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3207 Daarmee zijn alle voorschriften die verband houden met het Verdraginzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boordvan luchtvaartuigen (hierna: Verdrag van Tokio) in één titel opgenomen.Artikel 8.2.21 [overdracht verdachte inzittende luchtvaartuig]Met het eerste lid wordt het huidige artikel 539t overgeheveld naar hetnieuwe wetboek. In het tweede lid keert de inhoud van het huidige 539l,derde lid, onderdeel a, terug. Dat geeft de officier van justitie debevoegdheid om, indien de gezagvoerder overeenkomstig het eerste lidbevoegd is de inzittende van een Nederlands luchtvaartuig over te dragenaan de bevoegde autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig landt, tebevelen van deze bevoegdheid gebruik te maken.Artikel 8.2.22 [onderzoek na landing buitenlands luchtvaartuig]Dit artikel betreft de omzetting naar het nieuwe wetboek van het huidigeartikel 5.1.15. Het artikel geeft een regeling voor gevallen waarin eenluchtvaartuig op Nederlands grondgebied landt, terwijl aan boord een feitis gepleegd waarop de Nederlandse strafwet niet toepasselijk is. Datbetekent dat onderhavig artikel, net als het huidige artikel 5.1.15, alleenziet op gevallen waarin een buitenlands luchtvaartuig op Nederlandsgrondgebied landt. Wanneer het gaat om een Nederlands luchtvaartuigheeft Nederland immers in alle gevallen rechtsmacht (zie artikel 3 van hetWetboek van Strafrecht). Om te voorkomen dat een dader van ernstigefeiten aan vervolging kan ontkomen, verplicht dit artikel om direct een«voorlopig onderzoek» naar die feiten in te stellen zowel indien door degezagdrager van een geland luchtvaartuig een persoon wordt overge-dragen die van een ernstig delict wordt verdacht als wanneer zich eenpersoon aan boord bevindt die de vlucht met (bedreiging met) geweldheeft gehinderd, het luchtvaartuig heeft overmeesterd of het op andereonrechtmatige wijze onder zijn macht heeft (zie artikel 13, vierde lid, vanhet Verdrag van Tokio). Voor een nadere toelichting op het verdrag en debepaling wordt verwezen naar Kamerstukken II 1967/68, 9491 (R 633), nr. 3en Kamerstukken II 1967/68, 9492, nr. 3.Eerste lidTen opzichte van het huidige artikel 5.1.15, eerste lid, is «vreemdluchtvaartuig» vervangen door «buitenlands luchtvaartuig». Dit sluit aanbij de wijziging doorgevoerd in Boek 8 om niet langer «vreemde staat» tegebruiken. Zie hierover de algemene inleiding bij Boek 8. Hiermee is dusgeen inhoudelijke wijziging beoogd. De laatste zin van het huidige artikel5.1.15, eerste lid, waarin artikel 146 (territoriale beperking opsporings-bevoegdheden) buiten toepassing is verklaard, keert in het nieuwewetboek niet terug. Er is immers voorzien in een landelijke opsporings-bevoegdheid (zie artikel 1.3.12), die in artikel 8.1.4 van overeenkomstigetoepassing is verklaard, ook voor zover de uitoefening van bevoegdhedenniet kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van artikel 1.1.6.Tweede lidDit lid ziet op de inbeslagneming van voorwerpen. Het komt inhoudelijkovereen met het huidige artikel 5.1.15, tweede lid. In die bepaling is eenverwijzing naar «de in artikel 94 bedoelde voorwerpen» opgenomen. Deinbeslagneming kan echter uitsluitend betrekking hebben op voorwerpendie kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen in de(eventuele) buitenlandse strafzaak. Zie ook Tekst & Commentaar Strafvor-dering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aantekening 8c bijartikel 5.1.15. In de wettekst is nu dan ook verduidelijkt dat inbeslagne-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3208 mingsbevoegdheid (buiten het in artikel 9, derde lid, van het Verdrag vanTokio bedoelde geval) uitsluitend betrekking kan hebben op voorwerpendie kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. In gevallenwaarin de verdachte bijvoorbeeld verboden voorwerpen in handen heeft,zoals wapens of verdovende middelen, is sprake van een strafbaarvoorhanden hebben op Nederlands grondgebied. Dan is onttrekking aanhet verkeer op die grondslag mogelijk. Zie Kamerstukken II 1968/69, 9492,nr. 3, p. 6.Het huidige artikel 5.1.15, derde lid, keert in het nieuwe wetboek alszodanig niet terug. Dat artikellid verklaart enkele bepalingen elders uit hetwetboek van overeenkomstige toepassing. Het gaat om een aantalartikelen aangaande de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen,de teruggave daarvan en de bepalingen inzake het beklag. De mogelijk-heden tot het instellen van beklag keren terug in Titel 2.5. De vanovereenkomstige toepassing verklaring van de voorschriften inzake debewaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen wordt tenopzichte van de huidige wet vervangen door een verwijzing naar artikel8.2.13, eerste en tweede lid.Artikel 8.2.23 [weigeringsgronden]Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.16. Debepaling bevat twee weigeringsgronden om een «voorlopig onderzoek»als bedoeld in artikel 8.2.22 uit te voeren. Het eerste lid bevat een(dwingende) weigeringsgrond bij, kort gezegd, het vermoeden van eendiscriminatoire vervolging (vgl. artikel 8.2.10, zesde lid). In het tweede lidis een (facultatieve) weigeringsgrond opgenomen voor zogenoemdepolitieke delicten. In dat geval kan een onderzoek slechts plaatsvinden nadaartoe verkregen toestemming van de Minister (vgl. artikel 8.2.10,zevende lid).Eerste lidIn artikel 5.1.16, eerste lid, zijn op dit moment als discriminatiegrondenopgenomen ras, godsdienst en levensovertuiging. Aangenomen wordtechter dat de bepaling, die uitvoering geeft aan artikel 2 van het Verdragvan Tokio, dezelfde discriminatiegronden omvat als het huidige artikel5.1.5, vierde lid (artikel 8.2.10, zesde lid). Zie Tekst & CommentaarStrafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aante-kening 3 bij artikel 5.1.16. Om die reden bevat het eerste lid nu een directeverwijzing naar de in artikel 8.2.10, zesde lid, opgenomen discriminatie-gronden. Deze gronden komen overeen met de discriminatiegrondenopgenomen in artikel 2 van het Verdrag van Tokio. Hierbij kan in hetbijzonder worden gewezen op de grond «de groep van de bevolkingwaartoe hij behoort», waaronder bijvoorbeeld ook gender en seksuelegerichtheid kunnen worden verstaan. Vgl. de Guidelines on internationalprotection: Gender-Related Persecution within the context of Article 1A(2)of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status ofRefugees (HCR/GIP/02/01) en de Guidelines on international protection:«Membership of a particular social group» within the context of Article1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to theStatus of Refugees (HCR/GIP/02/02).Tweede lidDe inhoud van dit voorschrift komt overeen met het huidige artikel 5.1.16,tweede lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3209 TITEL 2.5Bijzondere procedures en rechtsmiddelenBij de herziening van de regeling van de internationale samenwerking instrafzaken in 2018 is ook aandacht geweest voor de mogelijkheden voorbetrokkenen om rechtsmiddelen aan te wenden wanneer in het kader vande internationale rechtshulp bevoegdheden tegen hen zijn ingezet. Debeklagregeling kreeg daarbij een centralere positie als rechtswaarborg,waarop de betrokkene actief moet worden gewezen. De toepassing van deverlofprocedure werd beperkt tot gevallen waarin een beklagprocedureniet tot de mogelijkheid behoort. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr.3, p. 22–23. In de parlementaire stukken werd opgemerkt dat, omdat deherziening vooruitliep op de modernisering van het wetboek, daarbij nogwerd uitgegaan van het wettelijk kader zoals opgenomen in het huidigeWetboek van Strafvordering. Nu de eerste vaststellingswet inmiddels isingediend bij de Tweede Kamer, kan de regeling worden toegeschrevennaar de nieuwe bepalingen. Ten opzichte van het huidige wetboek is eenregeling toegevoegd voor het doen van beklag bij een uitgaand rechts-hulpverzoek (artikel 8.2.24). Daarna volgen de bepalingen over derechtsmiddelen en bijzondere procedures in gevallen waarin sprake is vanbevoegdheidsuitoefening door Nederlandse autoriteiten ter uitvoeringvan een rechtshulpverzoek (artikelen 8.2.25 tot en met 8.2.27). Net alselders in het wetboek zijn de rechtsmiddelen hier gezamenlijk aan heteinde van het hoofdstuk opgenomen in een afzonderlijke titel. Omdat deverlofprocedure geen rechtsmiddel is, maar een afzonderlijke procedure,en de beklagprocedure in Boek 6 (Bijzondere procedures) is opgenomen,krijgt deze titel het opschrift «Bijzondere procedures en rechtsmiddelen».Artikel 8.2.24 [rechtsmiddelen uitgaand verzoek]Dit artikel is nieuw. Het bevat een regeling voor, kort gezegd, gevallenwaarin door een andere staat gevolg is gegeven aan een door deNederlandse autoriteiten gedaan rechtshulpverzoek dat betrekking heeftop de inbeslagneming van voorwerpen (vgl. artikel 6.4.1) dan wel hetovernemen, verstrekken, ontoegankelijk maken of bewaren enbeschikbaar houden van gegevens (vgl. artikel 6.4.5). In dergelijkegevallen is het voor de belanghebbende mogelijk om tegen de inbeslag-neming dan wel het overnemen, verstrekken, ontoegankelijk maken ofbewaren en beschikbaar houden van gegevens beklag in te dienen bij deNederlandse rechter. Uit de van overeenkomstige toepassing verklaring inhet eerste lid van een aantal bepalingen uit Boek 6 volgt dat in dezemogelijkheid is voorzien voor alle belanghebbenden die ook eendergelijke beklagmogelijkheid zouden hebben gehad als de bevoegd-heden door de Nederlandse autoriteiten zelf zouden zijn uitgeoefend opNederlands grondgebied.In een beklagzaak die betrekking had op goederen die waren inbeslagge-nomen door de Spaanse autoriteiten in verband met een door deNederlandse autoriteiten uitgevaardigd Europees aanhoudingsbeveloordeelde de Hoge Raad dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat indergelijke gevallen kan worden geklaagd over de (voortduring van) hetbeslag bij de Nederlandse rechter (ECLI:NL:HR:2008:BC9015). InECLI:NL:HR:2011:BR2911 oordeelde de Hoge Raad dat indien beslag isgelegd door een andere staat ter uitvoering van een door Nederlanduitgevaardigd Europees bevriezingsbevel redelijke wetstoepassing(eveneens) meebrengt dat over (de voortduring van) het beslag kanworden geklaagd bij de Nederlandse rechter. Uit de rechtspraak kanworden afgeleid dat dit ook geldt in het kader van kleine rechtshulp. Ziebijvoorbeeld ECLI:NL:HR:1987:AC9986; ECLI:NL:HR:2012:BX6930 enECLI:NL:HR:2019:425. In lijn hiermee is, net als in het huidige artikel 5.5.12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3210 is geregeld voor de Europese bevriezingsbeslissing, ook voor detraditionele rechtshulp in de wet expliciet voorzien in deze beklagmoge-lijkheid.Eerste lidDit artikellid verklaart een aantal bepalingen uit Boek 6 die betrekkinghebben op de beklagprocedure van overeenkomstige toepassing. Daarbijis bepaald dat alleen kan worden geklaagd over het verzoek en – in lijnmet de hiervoor genoemde uitspraken – over de voortduring van hetdaaraan gegeven gevolg. Er kan dus, kort gezegd, alleen bij de Neder-landse rechter worden geklaagd over het optreden van de Nederlandseautoriteiten, niet over het optreden van de buitenlandse autoriteiten bij deuitvoering (vgl. de in artikel 8.2.25, tweede lid, geregelde spiegelbeeldigesituatie). In overeenstemming met de regeling in het kader van deEuropese bevriezingsbeslissing kan pas worden geklaagd nadat debuitenlandse autoriteiten gevolg hebben gegeven aan het verzoek. Zowordt voorkomen dat de Nederlandse rechter zich moet buigen oververzoeken die door de buitenlandse autoriteiten überhaupt niet uitgevoerdworden, bijvoorbeeld omdat zij een weigeringsgrond inroepen.Anders dan in artikel 8.2.26 is in de onderhavige bepaling – net als nu –niet voorzien in een voorschrift over kennisgeving aan de betrokkene datbinnen twee weken beklag kan worden ingesteld. De kennisgevingsver-plichting in artikel 8.2.26, in combinatie met de beklagtermijn van tweeweken, houdt ermee verband dat in de daar bedoelde gevallenvoorwerpen of gegevens door Nederland worden overgedragen aan eenandere staat (zie nader de toelichting bij artikel 8.2.26). Na de overdrachtkan in Nederland geen beklag meer tegen (de voortzetting van) het beslagof het overnemen en verstrekken van gegevens worden ingesteld. In hethier bedoelde geval is er echter geen reden om de beklagtermijn tebeperken ten opzichte van de regeling in artikel 6.4.1 noch om personenspecifiek te attenderen op de mogelijkheid om beklag in te stellen.Immers, het beslag is gelegd respectievelijk de in dit artikellid bedoeldebevoegdheden zijn ten aanzien van gegevens uitgeoefend op verzoek vanNederland en zolang die situatie voortduurt is Nederland in de positie omgevolg te geven aan beslissingen op een eventueel beklag.Tweede lidOp grond van artikel 6.4.1, tweede lid, kan een klaagschrift uiterlijk binnendrie maanden na de beëindiging van de zaak worden ingediend bij hetgerecht dat de zaak (het laatst) heeft berecht. Artikel 6.4.1, derde lid,voorziet in een competentieregeling ten aanzien van de rechtbank die overhet beklag zal oordelen in gevallen waarin onbekend is of berechting zalplaatsvinden. Op grond van die bepaling is de rechtbank bevoegd in hetrechtsgebied waarbinnen de handeling heeft plaatsgevonden. Nu bij eendoor Nederland gedaan rechtshulpverzoek de handeling in het buitenlandzal hebben plaatsgevonden, biedt deze regeling geen oplossing voor de indit voorschrift centraal staande situatie waarin onbekend is of berechtingzal plaatsvinden. Daarom is hiervoor in dit artikellid een apartevoorziening getroffen. Bevoegd is de rechtbank in het rechtsgebiedwaarbinnen de officier van justitie of rechter-commissaris die hetrechtshulpverzoek heeft gedaan, werkzaam is. Als het verzoek is gedaandoor een officier van justitie bij het landelijk of functioneel parket, dan zijnde rechtbanken Amsterdam, Den Haag, Oost-Brabant, Overijssel ofRotterdam bevoegd. Overeenkomstig het huidige artikel 6.4.1, derde lid,dient het klaagschrift uiterlijk binnen twee jaar na de inbeslagneming ofde handeling waarop het beklag betrekking heeft te zijn ingediend bij derechtbank. Op het punt van de termijn wordt in dit artikellid immers niet ineen afwijkende regeling voorzien. Ook de tweede en derde volzin vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3211 artikel 6.4.1, derde lid, zijn van toepassing. Op grond daarvan wordt debehandeling van het klaagschrift overgedragen als de rechtbank consta-teert dat de berechting door een ander gerecht plaatsvindt of zal plaats-vinden.Derde lidIn dit artikellid is bepaald dat indien de rechter het beklag gegrond acht,de officier van justitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenko-mende gevolg geeft. In voorkomende gevallen zal dit inhouden dat deofficier van justitie het verzoek moet intrekken en de buitenlandseautoriteiten daarover moet berichten. Die buitenlandse autoriteiten zullendan het beslag moeten opheffen en over de teruggave van de voorwerpenrespectievelijk over de vernietiging van de overgenomen gegevensmoeten beslissen. Het is ook mogelijk dat de voorwerpen of gegevens alzijn verstrekt aan de officier van justitie. In voorkomende gevallen zal deofficier van justitie dan zelf tot de teruggave of vernietiging van devoorwerpen of gegevens kunnen overgaan. Er kunnen zich echter situatiesvoordoen waarin dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de buitenlandseautoriteiten hebben bedongen dat de voorwerpen teruggezonden moetenworden. Met de woorden «zoveel mogelijk» wordt tot uitdrukkinggebracht dat de officier van justitie moet doen wat in zijn macht ligt. Datbetekent ook dat de officier van justitie in voorkomende gevallen nietlouter kan volstaan met de intrekking van het rechtshulpverzoek. Als hetaan de buitenlandse autoriteiten is om te beslissen over teruggave ofvernietiging, dan zal hij die autoriteiten op de hoogte moeten stellen vande beslissing van de Nederlandse rechter, opdat zij daarmee bij hunbeslissing rekening kunnen houden.Vierde lidHet is mogelijk dat een belanghebbende zich in de uitvoerende staatbeklaagt over de inwilliging en de uitvoering van het Nederlandserechtshulpverzoek. Dit artikellid regelt ten behoeve van die situatie dat deNederlandse autoriteit die het verzoek heeft uitgevaardigd inlichtingenomtrent het verzoek kan verschaffen aan de buitenlandse autoriteiten. Eensoortgelijke regeling is opgenomen in het huidige artikel 5.5.12.Artikel 8.2.25 [rechtsmiddelen bij uitvoering rechtshulp]Dit artikel is nieuw en betreft een nadere uitwerking van de huidigeartikelen 5.1.10, vierde lid, 5.1.11, derde lid, en 5.1.15, derde lid. Debepaling ziet op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegende uitoefening van bevoegdheden door de Nederlandse autoriteiten teruitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek.Eerste lidBepaald wordt dat bij de uitoefening van bevoegdheden door Nederlandin het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek de directdaarmee verband houdende rechtsmiddelen die in een Nederlandsonderzoek ter beschikking staan, ook in dit geval voor de officier vanjustitie en de betrokkene openstaan. In de praktijk gaat het om demogelijkheden opgenomen in Boek 2 om rechtsmiddelen aan te wendentegen het uitoefenen van bevoegdheden, waaronder de beroepsmoge-lijkheid voor functioneel verschoningsgerechtigden, opgenomen in Boek2, Titel 7.8. In beginsel vallen hieronder ook de beklagmogelijkhedenopgenomen in Boek 6, die op dit moment ook al expliciet van overeen-komstige toepassing zijn verklaard in de huidige artikelen 5.1.10, 5.1.11 en5.1.15. Echter, op dit punt is in de artikelen 8.2.26 en 8.2.27 een afwijkendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3212 regeling opgenomen indien de voorwerpen en gegevens zijn verkregendoor inzet van de aldaar genoemde bevoegdheden. Met de zinsnede«tenzij de wet anders bepaalt» in onderhavig artikellid wordt totuitdrukking gebracht dat in dergelijke gevallen die afwijkende regelsgelden.Tweede lidIn lijn met het huidige artikel 5.1.11, derde lid, is verhelderd dat de rechtergeen onderzoek doet naar de gronden waarop het verzoek om rechtshulpberust. Hij toetst dus slechts het optreden van de Nederlandse autori-teiten. Dit geldt ook indien op grond van de artikelen 8.2.26 en 8.2.27 eenbeslissing wordt genomen. Anders dan in het eerste lid is in onderhavigartikellid dan ook niet opgenomen «tenzij de wet anders bepaalt».Derde lidIn dit lid worden het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassingverklaard ten aanzien van de bevoegdheid, opgenomen in artikel 8.2.22,tweede lid. De van overeenkomstige toepassing verklaring is nodig,omdat het in artikel 8.2.22, tweede lid, niet gaat om een bevoegdheid diein een Nederlands onderzoek ter beschikking staat, maar om eenafzonderlijke grondslag voor inbeslagneming. Het gaat immers om eensituatie waarin Nederland zelf geen (originaire) rechtsmacht heeft enevenmin een rechtshulpverzoek heeft ontvangen. Het beslag vindt plaatsin het kader van een «voorlopig onderzoek», waartoe Nederland op grondvan het Verdrag van Tokio gehouden is en waartoe de bevoegdheid vanrechtswege ontstaat. Overeenkomstig het huidige artikel 5.1.15, derde lid,wordt bewerkstelligd dat ook in dit geval de mogelijkheid tot beklagbestaat. De aanwijzing van de rechtbank binnen wiens rechtsgebied hetluchtvaartuig is geland als bevoegde rechtbank is niet overgenomen.Immers, de regeling uit artikel 6.4.1, derde lid, kan hier worden toegepast.De rechtbank in wier rechtsgebied de handeling zal plaatsvinden zal in depraktijk dezelfde rechtbank zijn als de rechtbank in wier rechtsgebied hetluchtvaartuig is geland. Artikel 8.1.5 is in dit geval niet van toepassingomdat aan de inbeslagneming geen rechtshulpverzoek of Europees(onderzoeks)bevel ten grondslag ligt.Artikel 8.2.26 [beklagprocedure]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.1.11, over debeklagprocedure, naar het nieuwe wetboek. Omdat sprake is van eenrechtshulpverzoek, bevat het artikel – net als de huidige bepaling – op eenaantal punten afwijkingen van de beklagregeling die geldt in nationaleopsporingsonderzoeken (zie Boek 6). Het gaat onder andere om hetvoorschrift om de betrokkene (degene tegen wie de bevoegdheid isaangewend) in kennis te stellen van de mogelijkheid om binnen tweeweken beklag in te stellen. Deze kennisgeving moet mede tegen deachtergrond worden bezien dat het voor de belanghebbende moeilijk kanzijn om na overdracht van de voorwerpen en gegevens tegen de(voortzetting van de) inbeslagneming en verwerking van gegevens in hetbuitenland op te komen (Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 22–23).Zoals eerder in deze memorie van toelichting al aan de orde kwam, is in2018 bij de herziening van de regeling van de internationale samen-werking in strafzaken, de beklagprocedure centraler gepositioneerd alsrechtswaarborg. De redactie van de bepaling is op een aantal puntenaangepast. Zoals in 2018 al aangegeven is de regeling destijds geschrevenop basis van de toen geldende beklagregeling in artikel 552a. In dit artikelis uitgegaan van de beklagregeling zoals die is vormgegeven in deartikelen 6.4.1 en 6.4.5. Dit betekent met name dat de gebruikte termino-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3213 logie aan die bepalingen is aangepast. Overeenkomstig de opzet van hetnieuwe wetboek is de regeling voor de (verkorte) termijnen zoals die inhet huidige wetboek geldt op grond van de artikelen 552a, negende lid, en552d, vierde lid, in onderhavig artikel opgenomen. Deze verkortetermijnen zijn, net als nu, van toepassing op de in het eerste lid genoemdesituaties. In andere gevallen gelden op grond van artikel 8.2.25 dereguliere beklagtermijnen van de artikelen 6.4.1 en 6.4.5, of – zoals bij hetfunctioneel verschoningsrecht – de in bijzondere regelingen opgenomentermijnen. Ten opzichte van de huidige wettekst keren het ontoegankelijkmaken van gegevens en het bewaren en beschikbaar houden vangegevens niet terug. Immers, de inzet van deze bevoegdheden leidt niettot het overdragen van gegevens aan een buitenlandse autoriteit,waardoor er geen bijzonder belang is dat noopt tot toepassing vanverkorte beklagtermijnen.Eerste lidDit artikellid bevat een regeling over het informeren van de betrokkeneover de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift. Ten opzichtevan het huidige artikel 5.1.11, eerste lid, is een aantal wijzigingenaangebracht. Zo is het voorschrift dat de kennisgeving aan de betrokkeneachterwege blijft verplaatst naar een afzonderlijke bepaling over deverlofprocedure (zie artikel 8.2.27). Op grond van het huidige artikel 5.1.11wordt de «betrokkene» geïnformeerd. Daarmee wordt gedoeld op degenejegens wie de bevoegdheid wordt aangewend. In de wettekst is ditverhelderd. Voor de opsomming van de personen is bovendienaansluiting gezocht bij de personen aan wie op grond van de nieuwebeklagregeling in de Boek 6, Titel 4.1 de mogelijkheid tot beklag toekomt.Voor de bevoegde rechtbank wordt verwezen naar artikel 8.1.5.Tweede lidDeze bepaling komt overeen met het huidige artikel 5.1.11, tweede lid. Hetvoorziet in een inspanningsverplichting voor de officier van justitie om denader aangeduide direct belanghebbenden in Nederland een kennis-geving als bedoeld in het eerste lid te doen toekomen, indien dit mogelijkis zonder dat het belang van geheimhouding wordt geschaad. Zie hierovernader Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 23.Derde lidDe autoriteiten van de staat die het rechtshulpverzoek heeft gedaanworden in kennis gesteld over de indiening van een klaagschrift en deuitkomsten van de beklagprocedure. Dit geldt ook voor gevallen waarin erberoep op grond van artikel 2.7.71 in verband met het functioneelverschoningsrecht is ingesteld (zie artikel 8.2.25). Dit voorschrift komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.1.11, vierde lid.Vierde lidDit artikellid bevat net als het huidige artikel 5.1.10, vierde lid, een regelingdie het mogelijk maakt om bepaalde voorschriften over de raadkamerpro-cedure buiten toepassing te laten in geval door de verzoekende staat omgeheimhouding is verzocht. In beginsel zal in dergelijke gevallen debeklagprocedure niet aan de orde zijn. Immers, in gevallen waarin deverzoekende staat om geheimhouding heeft verzocht, zal de in het eerstelid bedoelde kennisgeving achterwege blijven en zal er in de regel (dus)geen beklagprocedure volgen (artikel 8.2.27, eerste lid). Het is in uitzonde-ringsgevallen echter denkbaar dat een belanghebbende, ondanks hetachterwege blijven van een kennisgeving, toch op de hoogte is of raaktTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3214 van de bevoegdheidstoepassing. In die gevallen kan hij gebruikmaken vande hier voorgestelde beklagregeling om overdracht van de voorwerpen ofgegevens aan het buitenland te verhinderen. Het is dan, om de door hetbuitenland gevraagde geheimhouding te waarborgen, aangewezen de opde zaak betrekking hebbende stukken niet aan de klager te verstrekken.Vijfde en zesde lidIn deze artikelleden zijn de verkorte termijnen voor de behandeling vanklaagschriften door de rechtbank en de Hoge Raad opgenomen. Dezeverkorte termijnen zijn in het huidige wetboek opgenomen in artikel 552a,negende lid, en 552d, vierde lid. De termijn van twee weken voor hetinstellen van cassatie wordt niet expliciet genoemd, omdat deze termijn alvolgt uit artikel 6.4.14, waarnaar wordt verwezen. De verkorte termijnendie gelden voor de procedure rondom het verschoningsrecht zijnopgenomen in artikel 2.7.71, waardoor daarvoor hier geen apartevoorschriften hoeven te worden opgenomen.Artikel 8.2.27 [verlofprocedure]Zoals hiervoor toegelicht zijn de bepalingen over de verlofprocedureondergebracht in een afzonderlijk artikel.Eerste lidIn dit artikellid keert het voorschrift uit het huidige artikel 5.1.11, eerste lid,terug dat kennisgeving aan degene onder wie voorwerpen in beslag zijngenomen, bij wie gegevens zijn overgenomen of die op bevel gegevensheeft verstrekt achterwege blijft indien de geheimhouding van hetonderzoek daardoor in het gedrang zou komen. In dat geval wordt – zoalsnaar huidig recht ook uit artikel 5.1.10, eerste lid, volgt – in bepaaldegevallen de verlofprocedure gevolgd voordat de voorwerpen of gegevensworden overgedragen aan de andere staat (zie ook artikel 8.2.18). Deverlofprocedure is dus uitsluitend van toepassing in gevallen waarin debeklagprocedure voorafgaand aan de overdracht van de voorwerpen engegevens niet tot de mogelijkheden behoort. Zo worden dubbeleprocedures uitgesloten. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 26.De toepassing van de verlofprocedure is beperkt tot gevallen waarin bij deuitvoering van het verzoek om rechtshulp ingrijpende bevoegdheden zijntoegepast en waarin de overdracht van de resultaten mogelijk grotegevolgen heeft voor de rechtspositie van de betrokkene. Dit moet medeworden bezien tegen de achtergrond dat – voor zover die volgt – in destrafzaak in het buitenland (in gevallen waarin geen sprake is van eenlidstaat van de Europese Unie) vaak niet meer over de rechtmatigheid vande uitvoering van het verzoek door Nederland kan worden geklaagd. Deintensiteit van de rechtshulprelatie met staten buiten de EU verschilt,evenals de mate van vertrouwen in het rechtssysteem van de betrokkenstaten, waardoor de verlofprocedure in dergelijke gevallen een waarborg-functie kan vervullen. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 21–22.De verlofprocedure is allereerst, net als nu, aan de orde in de in de wetgenoemde gevallen waarin voorwerpen in beslag zijn genomen en eenkennisgeving achterwege is gebleven vanwege de geheimhouding vanhet onderzoek, waardoor de betrokkene geen gebruik heeft kunnen makenvan de beklagmogelijkheid. Dit moet worden bezien tegen de achtergronddat de betrokkene nadat de voorwerpen zijn overgedragen aan hetbuitenland, daarover zelf niet meer zal kunnen beschikken.De verlofprocedure is daarnaast van toepassing indien bepaaldeingrijpende (heimelijke) bevoegdheden zijn ingezet om de over te dragengegevens te vergaren, waarbij de gevolgen van de overdracht van degegevens voor de rechtspositie van betrokkene groot kunnen zijn. AndersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3215 dan bij ingrijpende bevoegdheden die betrekking hebben op gegevens(zie de verwijzing naar de artikelen 2.7.46, derde lid, 2.7.48 en 2.7.68),waarbij een kennisgeving wel tot de mogelijkheden behoort maar onderomstandigheden achterwege wordt gelaten, kan bij de inzet van heime-lijke bevoegdheden de beklagprocedure per definitie geen rol spelen. Tenopzichte van de bestaande opsomming van bevoegdheden in artikel5.1.10, derde lid, wordt een aantal wijzigingen aangebracht. Allereerstwordt de bevoegdheid tot het binnendringen in een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk dat bij de verdachte in gebruikis uit artikel 2.8.16 toegevoegd. In de tweede plaats zal geen verwijzingworden opgenomen naar de equivalenten in het nieuwe wetboek van debevoegdheden in de huidige artikelen 126ne, derde lid, 126ng, eerste lid,126ue, eerste lid, en 126ug, eerste lid. In het huidige wetboek wordt tenaanzien van de bevoegdheden niet zijnde beslag verwezen naarbepalingen waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris isvereist. Nu dat voor deze bevoegdheden in het nieuwe wetboek niet(langer) geldt, zullen zij ook niet langer onder de verlofprocedure wordengebracht. Voor de bevoegde rechtbank wordt verwezen naar artikel 8.1.5.Tweede lidIn het huidige artikel 5.1.10, derde lid, wordt onder andere artikel 23, zesdelid, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat biedt de raadkamerdie de verlofprocedure behandelt de mogelijkheid om de oproeping vande betrokkenen en de verstrekking van stukken aan de klager achterwegete laten indien het belang van het onderzoek anders ernstig wordtgeschaad, bijvoorbeeld vanwege collusiegevaar. Daarbij wordt veronder-steld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien deverzoekende staat om geheimhouding heeft verzocht of wanneer uit deaard van het verzoek blijkt dat geheimhouding is geboden. Dit artikellidvormt de inhoudelijk ongewijzigde omzetting van artikel 5.1.10, derde lid.Derde lidArtikel 8.2.25, tweede lid, waarin is bepaald dat de rechter geen onderzoekdoet naar de gronden waarop het verzoek om rechtshulp berust, wordtmet dit voorschrift van overeenkomstige toepassing verklaard op deverlofprocedure. Dit is conform het huidige recht; zie Tekst enCommentaar Strafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer2023, aantekening 4 bij artikel 5.1.10.Vierde lidDit artikellid bevat termijnvoorschriften voor de behandeling door derechtbank en het beroep in cassatie in de verlofprocedure. Deze termijnengelden naar huidig recht op grond van artikel 5.1.10, vierde lid, waarin deartikelen 552a, negende lid, en 552d, vierde lid, van overeenkomstigetoepassing zijn verklaard op de verlofprocedure.HOOFDSTUK 3Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteamsDe bepalingen inzake de internationale gemeenschappelijke onderzoeks-teams, opgenomen in het huidige Vijfde Boek, Titel 2, keren terug in dithoofdstuk. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams, ook welaangeduid als Joint Investigation Teams (JIT’s), bieden een kader voor dedeelnemende staten tot het gezamenlijk verrichten van strafrechtelijkeonderzoeken naar grensoverschrijdende strafbare feiten. Daarbij zal het inde regel gaan om complexe onderzoeken, waardoor samenwerking enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3216 coördinatie binnen een gezamenlijk team een duidelijke toegevoegdewaarde heeft (vgl. artikel 13, eerste lid, van deEU-rechtshulpovereenkomst). Binnen een team kan de onderzoeksstra-tegie gezamenlijk worden bepaald en kunnen opsporingsbevoegdhedenworden toegepast zonder rechtshulpverzoek. Een internationaal gemeen-schappelijk onderzoeksteam (hierna: gemeenschappelijk onderzoeksteam)wordt samengesteld voor een bepaalde, beperkte periode en werkt inovereenstemming met het nationale recht van de staat waar de bevoegd-heden worden uitgeoefend.De bepalingen in het wetboek zijn gebaseerd op artikel 13 van deEU-rechtshulpovereenkomst. Ook andere verdragen en EU-instrumenten,zoals het Tweede Aanvullend Protocol bij het ERV, het Verdrag van deVerenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad(hierna: UNTOC) en Kaderbesluit 2002/465/JBZ inzake gemeenschappe-lijke onderzoeksteams (hierna: het Kaderbesluit JITS), bevatten eenregeling over gemeenschappelijke onderzoeksteams. De bepalingeninzake de gemeenschappelijke onderzoeksteams zijn bij de Wet herzieningregeling internationale samenwerking in strafzaken vernummerd, maarinhoudelijk grotendeels ongewijzigd gebleven. Ten opzichte van dieregeling zijn in dit hoofdstuk een beperkt aantal wijzigingen aangebracht.In de eerste plaats is, net als op andere plekken in dit boek, voorzien ineen verduidelijking van de normering van het optreden in het kader vaneen gemeenschappelijk onderzoeksteam (zie artikel 8.3.2). In de tweedeplaats zijn enkele (redactionele) aanpassingen doorgevoerd om debepalingen beter te laten aansluiten op bepalingen elders in het nieuwewetboek, waaronder de overige hoofdstukken in dit boek. Tot slot is deregeling van het beklag en verlof – in het huidige wetboek implicietgeregeld in artikel 5.2.4, derde lid – nader uitgewerkt. Overeenkomstig deindeling die wordt aangehouden in het nieuwe wetboek zijn debepalingen hierover aan het einde van het hoofdstuk opgenomen (zie Titel3.2).TITEL 3.1Instelling en uitvoeringArtikel 8.3.1 [instelling gemeenschappelijk onderzoeksteam]Dit artikel geeft voorschriften voor het instellen van een gemeenschap-pelijk onderzoeksteam. De bepaling komt inhoudelijk overeen met hethuidige artikel 5.2.1.Eerste lidOp grond van dit artikellid kan een gemeenschappelijk onderzoeksteamalleen worden ingesteld indien een verdrag of een verbindende rechts-handeling van de Europese Unie een grondslag daarvoor biedt. Zoals inde inleiding op dit hoofdstuk aan de orde kwam, zijn er verschillendeverdragen die hierin voorzien. Dat geldt ook voor het Kaderbesluit JITS. Inhet huidige artikel 5.2.1 wordt in verband met dit laatste naar «eenkaderbesluit van de Raad van de Europese Unie» verwezen. Om dewettekst toekomstbestendiger te maken en meer in lijn te brengen met debepalingen elders in Boek 8 is dit gewijzigd in «een verbindende rechts-handeling van de Europese Unie».Blijkens de bepaling – en overeenkomstig de toepasselijke verdragen enEU-instrumenten – wordt een gemeenschappelijk onderzoeksteamingesteld «voor een beperkte periode». Dit sluit aan bij het uitgangspuntdat een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt ingesteld voor eenbepaald doel, te weten het gezamenlijk doen van onderzoek naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3217 bepaalde strafbare feiten. Dit doet niet af aan de mogelijkheid om deperiode in onderlinge afstemming te verlengen indien daar aanleiding toeis. In verschillende verdragen wordt in deze mogelijkheid explicietvoorzien. Indien de periode wordt verlengd, wordt de overeenkomst (ziehet derde lid) bijgewerkt.Net als nu is de officier van justitie aangewezen als de autoriteit die vanuitNederland bevoegd is tot het instellen van een gemeenschappelijkonderzoeksteam. Ten tijde van de totstandkoming van de verschillendeverdragsrechtelijke grondslagen en het Kaderbesluit JITS stond daarbijvoor ogen dat één van de betrokken nationale onderzoeksleiders – eenofficier van justitie of in sommige landen een (onderzoeks)rechter – werdaangewezen als leider van het gemeenschappelijke team. In de praktijkheeft zich inmiddels een werkwijze ontwikkeld waarbij (bij bepaaldeonderzoeken) niet één van de nationale onderzoeksleiders de leidingheeft, maar waarbij de nationale onderzoeksleiders de inzet van opspo-ringsbevoegdheden in de eigen staat afstemmen met de andere staten.Het gemeenschappelijke onderzoeksteam kan dan in meerdere statengevestigd zijn. De wettekst laat ruimte voor Nederlandse deelname aaneen op deze wijze ingericht onderzoeksteam zolang in Nederland sprake isvan een eigen opsporingsonderzoek naar de strafbare feiten waarvoor hetteam wordt ingesteld. Dit vloeit voort uit de zinsnede dat een onderzoek-steam kan worden ingesteld ten behoeve van het «gezamenlijk uitvoerenvan strafrechtelijke onderzoeken». De gedachte achter een gemeenschap-pelijk onderzoeksteam is immers het concentreren van nationaleonderzoeken. Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 351, nr. 3, p. 9. Mocht inNederland geen sprake zijn van een opsporingsonderzoek naar dedesbetreffende strafbare feiten (en daartoe ook geen voornemen bestaan),dan kan Nederland een bijdrage leveren aan een strafrechtelijk onderzoekvan een andere staat door het verlenen van «kleine rechtshulp» (binnende EU: de uitvoering van een EOB).De term «landen» is ten opzichte van de huidige wettekst vervangen door«staten» om de terminologie meer in lijn te brengen met de in de overigehoofdstukken van dit boek gehanteerde begrippen.Tweede lidHet is een vereiste dat de instelling van een gemeenschappelijk onder-zoeksteam schriftelijk overeen wordt gekomen tussen de officier vanjustitie en de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken staten, zoalshet huidige artikel 5.2.1, tweede lid, ook al voorschrijft.Derde lidDit artikellid betreft de omzetting van het huidige artikel 5.2.1, derde lid.Bepaald wordt welke onderwerpen in elk geval in de overeenkomstdienen te zijn vastgelegd. Het derde lid van het huidige artikel 5.2.1 bevateen verwijzing naar een aantal bepalingen die tot doel hebben teverzekeren dat in een overeenkomst ook steeds als voorwaarde isopgenomen dat de buitenlandse opsporingsambtenaren in voorkomendegevallen als getuige dienen te verschijnen bij de rechter-commissaris ofop zitting. In het huidige wetboek ontbreken daarbij echter verwijzingennaar bijvoorbeeld het verhoor door de raadkamer en tijdens het hogerberoep. Deze omissie is hersteld door in algemene zin te verwijzen naarde oproeping om als getuige in de strafzaak te worden gehoord door derechter, onder wie worden begrepen de rechter-commissaris, deraadsheer-commissaris, de rechtbank en het gerechtshof.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3218 Artikel 8.3.2 [uitoefening bevoegdheden]Het huidige artikel 5.2.2, dat ziet op de uitoefening van opsporings-bevoegdheden in Nederland ten behoeve van het gemeenschappelijkeonderzoeksteam, is met deze bepaling omgezet naar het nieuwe wetboek.Het uitgangspunt bij een gemeenschappelijk onderzoeksteam is dat deuitoefening van bevoegdheden ten behoeve van het team niet wordtgebaseerd op rechtshulpverzoeken of EOB’s, maar op het nationale rechtvan de lidstaat waar de bevoegdheden worden uitgeoefend. Zie Kamer-stukken II 2001/02, 28 351, nr. 3, p. 9 en overweging 8 bij de Richtlijn EOB.Het huidige artikel 5.2.2 ziet daarbij zowel op door Nederlandse als doorbuitenlandse ambtenaren uitgevoerde onderzoekshandelingen. In ditartikel zijn deze twee situaties van elkaar onderscheiden om zo debetekenis van de bepaling te verduidelijken.Eerste lidUitgaande van het uitgangspunt dat een gemeenschappelijk onderzoek-steam een concentratie van nationale onderzoeken betreft (zie detoelichting op artikel 8.3.1, eerste lid) zal een belangrijk deel van debevoegdheidsuitoefening door Nederlandse opsporingsambtenaren opNederlands grondgebied kunnen worden aangemerkt als een Nederlandsopsporingsonderzoek: een onderzoek in verband met strafbare feitenonder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen vanstrafvorderlijke beslissingen (artikel 1.1.6). Omdat het binnen het kadervan het gemeenschappelijk team ook kan voorkomen dat op Nederlandsgrondgebied door Nederlandse opsporingsambtenaren onderzoekshande-lingen worden verricht ten behoeve van vervolging in een van de anderedeelnemende landen is – net als in het huidige artikel 5.2.2 – vastgelegddat ook in dergelijke gevallen door Nederlandse opsporingsambtenarende bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend die naar Nederlands rechtin een Nederlands opsporingsonderzoek naar dezelfde strafbare feitenkunnen worden uitgeoefend. Aangezien de hulpofficier van justitie, deofficier van justitie en de rechter-commissaris eveneens betrokken kunnenzijn bij de bevoegdheidsuitoefening op het Nederlandse grondgebied,worden zij ook genoemd.In deze bepaling is niet voorzien in een nadere normering van debevoegdheidsuitoefening door Nederlandse ambtenaren op het grond-gebied van een andere staat. De inhoud van het huidige artikel 539a wordtmet de eerste aanvullingswet verplaatst naar Boek 1, waardoor het ookhier van toepassing is. Op grond van die bepaling is bevoegdheidsuitoe-fening door Nederlandse ambtenaren buiten Nederland slechts mogelijkindien dit wordt toegelaten door het volkenrecht en het interregionalerecht. Het optreden van de Nederlandse opsporingsambtenaren moetdaarbij passen binnen de nationale wetgeving van het land waar zij actiefzijn. Vgl. artikel 13, derde lid, EU-rechtshulpovereenkomst en artikel 20,zesde lid, Tweede Protocol bij het ERV. Ook moeten de Nederlandseopsporingsambtenaren – net als op grond van het huidige wetboek (vgl.ECLI:NL:HR:2010:BL5629) – de Nederlandse rechtsregels naleven, ook alszij op het grondgebied van een andere staat bevoegdheden uitoefenen.Tweede lidDit voorschrift heeft betrekking op de normering van het handelen vanbuitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.2.2 is de bepaling inhoudelijk ongewijzigd. In lijn met hethiervoor beschreven uitgangspunt dat de uitoefening van bevoegdhedenis gebaseerd op het nationale recht van de lidstaat waar de bevoegdhedenworden uitgeoefend, kunnen buitenlandse opsporingsambtenaren – netals nu – in Nederland slechts de bevoegdheden uitoefenen ten aanzienTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3219 waarvan in de Nederlandse wetgeving expliciet is bepaald dat zij doorbuitenlandse ambtenaren kunnen worden uitgeoefend. Zie de artikelen2.5.5, vijfde lid, en 2.8.20. Daarnaast kunnen buitenlandse opsporingsamb-tenaren bevoegdheden in Nederland uitoefenen indien een verdrag datgeldt tussen de aan het team deelnemende staten of een toepasselijkEU-instrument daarin voorziet. Gedacht kan worden aan bepalingen inverdragen over grensoverschrijdende achtervolging of observatie of hetvastleggen van telecommunicatie van gebruikers die zich op het grond-gebied van een andere staat bevinden zonder technische bijstand van diestaat. Vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28 350 (R 1720), nr. 3, p. 19 enKamerstukken II 2001/02, 28 351, nr. 3, p. 8–9.Derde lidIn dit artikellid is vastgelegd dat de bevoegdheidsuitoefening dieplaatsvindt overeenkomstig het eerste en tweede lid moet voldoen aan denadere eisen die aan de toepassing van die bevoegdheid worden gesteldnaar Nederlands recht. Dit vloeit al voort uit het huidige artikel 5.2.2, nublijkens die bepaling de bevoegdheidsuitoefening geschiedt «metinachtneming van het bepaalde bij en krachtens dit wetboek». Dat geldtook indien de bevoegdheidsuitoefening is gebaseerd op een verdrag.Daarbij gaat een eventuele afwijkende normering in een verdrag voor opde Nederlandse wetgeving (zie ook artikel 8.1.1), maar dient waar eenverdrag daartoe ruimte laat het Nederlandse recht zoveel mogelijkgevolgd te worden. De regeling die geldt binnen het verband van hetgemeenschappelijk onderzoeksteam sluit aldus aan bij de regeling diegeldt in het kader van kleine rechtshulp (artikel 8.2.13, tweede lid).Artikel 8.3.3 [rechtstreekse doorgeleiding telecommunicatie]Dit artikel ziet op de mogelijkheid om telecommunicatie op te nemen enrechtstreeks door te geleiden naar het gemeenschappelijk onderzoek-steam. Het betreft de omzetting van het huidige artikel 5.2.5. In debepaling zijn ten opzichte van dat artikel enkele redactionele wijzigingenaangebracht. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting opartikel 8.2.16. Het derde lid van artikel 5.2.5 over de kennisgeving aan debetrokkene keert – net als soortgelijke bepalingen in andere hoofd-stukken – in het nieuwe wetboek niet terug. Artikel 8.3.2, derde lid, schrijftvoor dat de bevoegdheidsuitoefening binnen Nederland plaatsvindt «metinachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaar Nederlandsonderzoek betrekking hebben». Hieruit volgt al dat ook aan de medede-lingsplicht moet worden voldaan.In artikel 8.3.5 wordt verhelderd dat ook ten aanzien van de doorgeleidingvan telecommunicatie in eerste instantie sprake is van een «tijdelijketerbeschikkingstelling» aan het gemeenschappelijke team, waarbij degegevens nog niet voor het bewijs mogen worden gebruikt door deandere leden van het team en zij overeenkomstig het Nederlandse rechtmoeten worden verwerkt. Pas nadat de gegevens «definitief» terbeschikking zijn gesteld, kunnen zij door de andere deelnemende landenaan het gemeenschappelijke onderzoeksteam voor het bewijs wordengebruikt. De voorwaarden opgenomen in het tweede lid van onderhavigartikel blijven ook na die «definitieve terbeschikkingstelling» gelden.Net als op grond van het huidige artikel 5.2.5 geldt – anders dan in hetkader van kleine rechtshulp (zie artikel 8.2.16; huidig artikel 5.1.12) – niethet vereiste dat in de mogelijkheid tot rechtstreekse doorgeleiding moetzijn voorzien in een verdrag. Dat houdt verband het volgende. Eengemeenschappelijk onderzoeksteam kan alleen worden ingesteld indieneen verdrag of EU-instrument daarin voorziet (zie artikel 8.3.1, eerste lid).Gelet op de intensieve samenwerking binnen het gemeenschappelijkeonderzoeksteam en het vertrouwen dat tussen de deelnemende statenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3220 dient te bestaan, neemt Nederland in beginsel alleen deel aan gemeen-schappelijke onderzoeksteams met staten waarmee al een bestendigerechtshulprelatie bestaat. Daarbij komt dat de doorgeleide gegevens inhet kader van een gemeenschappelijk onderzoeksteam – anders dan in hetkader van kleine rechtshulp – in eerste instantie slechts onder aanvullendevoorwaarden ter beschikking worden gesteld, hetgeen hiervoor isaangeduid als «tijdelijke terbeschikkingstelling». Pas na de «definitieveterbeschikkingstelling» kan een deelnemende staat de gegevens voor hetbewijs gebruiken en overeenkomstig het eigen recht verwerken. Degegevens worden alleen definitief ter beschikking gesteld aan een aan hetteam deelnemende staat die een vervolging zal instellen (en dus niet aanalle deelnemende staten aan het gemeenschappelijk onderzoeksteam).Voor landen die niet zijn gebonden aan de Richtlijn EOB geldt dat dezedefinitieve terbeschikkingstelling pas mogelijk is nadat overeenkomstigartikel 8.3.8 verlof van de rechtbank is verkregen. De tijdelijke terbeschik-kingstelling door rechtstreekse doorgeleiding draagt eraan bij dat degegevens – zonder dat de andere landen daarvan al gebruik kunnenmaken voor het bewijs – snel beschikbaar komen ten behoeve van hetgezamenlijke onderzoek, waarbij niet de tussenstap hoeft te wordengenomen dat de gegevens eerst in Nederland worden vastgelegd endaarna moeten worden overgedragen aan het gemeenschappelijk team(zie artikel 8.3.4).Artikel 8.3.4 [overdracht resultaten onderzoek]Dit artikel regelt de terbeschikkingstelling van in Nederland inbeslagge-nomen voorwerpen en verkregen gegevens aan het gemeenschappelijkonderzoeksteam. De bepaling betreft samen met de artikelen 8.3.5, 8.3.8en 8.3.9 de omzetting van het huidige artikel 5.2.4. Met de bepalingenwordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tiende lid, onderdeel a, van deEU-rechtshulpovereenkomst, dat wil zeggen: de terbeschikkingstelling vanvoorwerpen en gegevens aan het gemeenschappelijke onderzoeksteamvoor het doel waarvoor het team is ingesteld (vgl. artikel 20, tiende lid,van het Tweede Protocol bij het ERV). Op dit uitgangspunt zijn enkeleuitzonderingen geformuleerd, in de onderdelen b tot en met d van artikel13, tiende lid, van de EU-rechtshulpovereenkomst. Die uitzonderingen zijnvan nadere regeling voorzien in de Wet politiegegevens (artikelen 15a en17a) en het Besluit politiegegevens (artikelen 5:1, 5:3 en 5:6) en de Wetjustitiële en strafvorderlijke gegevens (artikelen 16a en 39ga). ZieKamerstukken II 2001/02, 28 350 (R 1720), nr. 3, p. 20.In het huidige artikel 5.2.4 wordt een onderscheid gemaakt tussen de«voorlopige terbeschikkingstelling» en «definitieve terbeschikking-stelling». Met «voorlopige terbeschikkingstelling» wordt bedoeld dat devoorwerpen en gegevens beschikbaar zijn voor het gemeenschappelijketeam. Dit stelt de andere leden in staat om de desbetreffende informatie tegebruiken voor de opsporing van het strafbare feit waarvoor het team isingesteld, bijvoorbeeld omdat daaruit nieuwe aanknopingspunten kunnenworden afgeleid voor verder onderzoek. De ter beschikking gesteldevoorwerpen en gegevens mogen echter niet door de overige statenworden gebruikt voor het bewijs en – in de terminologie van het huidigeartikel 5.2.4 – het Nederlandse recht blijft onverkort gelden ten aanzienvan de overgedragen voorwerpen en gegevens. Andere staten kunnen devoorwerpen en gegevens pas gebruiken als bewijsmiddel nadat zij«definitief» ter beschikking zijn gesteld. Een definitieve terbeschikking-stelling is alleen aan de orde als (ook) vervolging plaatsvindt in een vande andere staten. Indien de vervolging plaatsvindt in Nederland is dedefinitieve terbeschikkingstelling immers niet nodig. Indien in het kadervan een rechtshulpverzoek of een EOB de beklagprocedure zou openstaanof – bij een rechtshulpverzoek – verlof zou moeten worden verleendvoordat de voorwerpen of gegevens zouden kunnen worden overge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3221 dragen, moeten deze procedures ook worden toegepast voordat devoorwerpen en gegevens definitief ter beschikking worden gesteld aaneen andere staat die deelneemt aan het gemeenschappelijke onderzoeks-team. Zie Kamerstukken II 2011/01, 28 351, nr. 3, p. 9–10.In artikel 8.3.4 e.v. blijven bovenstaande uitgangspunten gehandhaafd.Wel is gekozen voor een andere redactie en andere terminologie. Tenaanzien van de terbeschikkingstelling wordt niet langer gebruikgemaaktvan de termen «voorlopige» en «definitieve». Deze termen wekken deonjuiste indruk dat de rechthebbende na de definitieve terbeschikking-stelling zijn voorwerpen of gegevens definitief kwijt is. Dit neemt niet wegdat wel nog steeds een onderscheid wordt gemaakt tussen de terbeschik-kingstelling aan het gemeenschappelijke team onder voorwaarden en deterbeschikkingstelling aan de staat waarin een vervolging wordt ingesteld,waarbij die voorwaarden worden opgeheven.Met onderhavig artikel is artikel 5.2.4, eerste lid, omgezet naar het nieuwewetboek. Hiermee is voorzien in een grondslag om voorwerpen engegevens direct ter beschikking te stellen aan het onderzoeksteam. Tenopzichte van de huidige bepaling is verhelderd – door toevoeging aan heteerste lid van de zinsnede «ten behoeve van het onderzoek van hetgemeenschappelijke onderzoeksteam» – dat dit artikel betrekking heeft opde terbeschikkingstelling van de voorwerpen en gegevens aan het teamten behoeve van het doel waarvoor het team is ingesteld. Zoals hiervooraan de orde is gekomen, is het – overeenkomstig toepasselijkeverdragen – onder omstandigheden mogelijk dat landen die deelnemenaan het onderzoeksteam de gegevens ook voor andere doeleindengebruiken, zoals ten behoeve van de opsporing en vervolging in eenandere strafzaak. Deze uitzonderingen op de hoofdregel zijn van eenregeling voorzien in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële enstrafvorderlijke gegevens.Artikel 8.3.5 [voorwaarden verbonden aan overdracht resultatenen opheffing daarvan]Eerste lidDit artikellid ziet op wat naar huidig recht wordt aangeduid als de«voorlopige terbeschikkingstelling» (zie de toelichting op artikel 8.3.4). Devoorwerpen en gegevens kunnen onmiddellijk ter beschikking wordengesteld aan de andere leden van het team, maar wel onder voorwaardendie het gebruik dat van de voorwerpen en gegevens kan worden gemaaktbeperken, zoals op dit moment ook volgt uit artikel 5.2.4, tweede lid.Ten opzichte van artikel 5.2.4, tweede lid, is een redactionele wijzigingaangebracht. Op grond van het huidige artikellid geldt dat «het Neder-landse recht onverkort blijft gelden» ten aanzien de voorlopig terbeschikking gestelde voorwerpen en gegevens. Juridisch gezien is hetechter niet mogelijk om voor anderen dan Nederlandse opsporingsambte-naren het Nederlandse recht in het buitenland te laten «gelden», hetgeenaan de orde is als het onderzoeksteam (ook) buiten Nederland isgevestigd. Wel is het mogelijk de voorwaarde te stellen dat de andereleden van het gemeenschappelijk team het Nederlandse recht ten aanzienvan de voorwerpen en gegevens die door Nederland ter beschikkingworden gesteld volledig respecteren. Dit betekent onder andere dat devoorwerpen en gegevens overeenkomstig het Nederlandse recht moetenworden verwerkt en dat uitspraken van de Nederlandse (beklag- ofverlof)rechter moeten worden opgevolgd. Het gaat daarmee dus slechtsom een redactionele en niet om een inhoudelijke wijziging.Verhelderd is verder dat de «voorlopige terbeschikkingstelling» ook geldtvoor telecommunicatie die overeenkomstig artikel 8.3.3 rechtstreekswordt doorgeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3222 Tweede lidDit voorschrift treft een regeling voor de situatie die in het huidige artikel5.2.4 wordt aangeduid als de «definitieve terbeschikkingstelling», hetgeenkort gezegd erop neerkomt dat de voorwaarden dat het Nederlandse rechtop de voorwerpen en gegevens wordt toegepast en dat de voorwerpen engegevens niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt, komen tevervallen. Ten opzichte van het huidige artikel 5.2.4, derde lid, is «hetgemeenschappelijk onderzoeksteam dat in het buitenland is gevestigd»gewijzigd in «[i]ndien de vervolging van het strafbare feit zal plaatsvindenin een andere staat». Ook als een gemeenschappelijk onderzoeksteam inNederland is gevestigd kan het immers zo zijn dat een van de andere bijhet team betrokken staten vervolging instelt naar een of meer strafbarefeiten ter opsporing waarvan het team is opgericht. Niet uitgesloten is datvervolgingen in meerdere deelnemende staten zullen plaatsvinden,bijvoorbeeld omdat verdachten uit verschillende staten bij de strafbarefeiten betrokken zijn. Voorwerpen of gegevens worden alleen «definitief»ter beschikking gesteld aan een staat die een vervolging instelt en daarbijgebruik wil maken van de betreffende voorwerpen en gegevens.Daarnaast is toegevoegd dat de officier van justitie bedingt dat devoorwerpen worden «teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvor-dering nodige gebruik is gemaakt, tenzij aannemelijk is dat de rechtheb-bende op die voorwerpen niet in Nederland verblijf houdt». Een soort-gelijk voorschrift is opgenomen in artikel 8.2.18, tweede lid. Door dezetoevoeging wordt voorkomen dat een betrokkene wiens voorwerpen inhet kader van een gemeenschappelijk onderzoeksteam worden verstrektaan een andere staat in een nadeliger positie terechtkomt dan iemandwiens voorwerpen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek of een EOBaan het buitenland worden overgedragen.Derde lidIn het huidige artikel 5.2.4, derde lid, is opgenomen dat voorwerpen engegevens definitief ter beschikking kunnen worden gesteld aan hetgemeenschappelijk onderzoeksteam «voor zover en indien vantoepassing, de rechtbank daartoe verlof heeft verleend». Hiermee isbedoeld aan te sluiten bij de regels omtrent het beklag en verlof bij deoverdracht van bewijs bij het uitvoeren van rechtshulpverzoeken (huidigeartikelen 5.1.10 en 5.1.11; in dit wetboek: de artikelen 8.2.26 en 8.2.27).Indien in het kader van een rechtshulpverzoek de beklagprocedure zouopenstaan of verlof zou moeten worden verleend voordat de voorwerpenof gegevens zouden kunnen worden overgedragen, gelden deze proce-dures ook voordat de gestelde voorwaarden ten aanzien van devoorwerpen en gegevens kunnen worden opgeheven en de gegevens dus«definitief» ter beschikking worden gesteld aan een aan het gemeen-schappelijk onderzoeksteam deelnemende staat. Zie Kamerstukken II2011/01, 28 351, nr. 3, p. 9–10. Daarmee wordt voorkomen dat betrokkenenin een nadeliger positie terechtkomen dan wanneer de voorwerpen engegevens worden verstrekt aan een ander land in het kader van eenrechtshulpverzoek (binnen EU-verband: in het kader van een EOB). In hetnieuwe wetboek is deze impliciete regeling nader uitgewerkt. In het hieraan de orde zijnde artikellid wordt vastgelegd – in lijn met de regeling inartikel 8.2.18, eerste lid – dat indien verlof moet worden verleend, eenrechtsmiddel is aangewend of de termijn om een rechtsmiddel in testellen nog niet is verstreken, met de opheffing van de voorwaarden moetworden gewacht totdat het verlof is verleend, onherroepelijk op hetrechtsmiddel is beslist of totdat de termijn om het rechtsmiddel in testellen ongebruikt is verstreken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3223 Artikel 8.3.6 [bewijskracht buitenlandse processen-verbaal]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.2.3 waarin wordtbepaald dat, kort gezegd, processen-verbaal opgesteld door buitenlandseambtenaren die deelnemen aan het gemeenschappelijk team dezelfdebewijskracht hebben als wanneer deze processen-verbaal door Neder-landse ambtenaren zouden zijn opgesteld, tenzij het proces-verbaal diebewijskracht niet heeft in de staat waaruit de ambtenaar afkomstig is. Hetbelang om voor de bewijskracht van buitenlandse processen-verbaal eenbijzondere regeling op te nemen, is afgenomen met de opname van dezebuitenlandse processen-verbaal in het huidige artikel 344, eerste lid, onder3° per 1 november 2006. Daarmee werden dergelijke processen-verbaalals uitgangspunt niet langer aangemerkt als «overige schriftelijkestukken» en gold de daarop van toepassing zijnde bewijsminimumre-geling in beginsel dus al niet meer voor dergelijke processen-verbaal. Detoegevoegde waarde van het voorschrift bestaat inmiddels dan ook nogvoornamelijk daarin dat het erin voorziet dat het bewijs dat de verdachtehet feit heeft begaan door de Nederlandse rechter kan worden aange-nomen op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar uit deverzoekende staat (huidige artikel 344, tweede lid; in dit wetboek: artikel4.3.10, derde lid), tenzij die processen-verbaal die bewijskracht in de staatwaaruit de ambtenaar afkomstig is niet hebben. Zie Kamerstukken II1979/80, 15 972, nrs. 1–3, p. 9. Om deze mogelijkheid te behouden, keertde inhoud van het huidige artikel 5.2.3 in onderhavig artikel terug. Tenovervloede wordt opgemerkt dat aldus mogelijk is dat aan buitenlandseprocessen-verbaal onder omstandigheden een bijzondere bewijskrachtwordt toegekend, maar dat het altijd aan de rechter blijft om te beoor-delen of een proces-verbaal daadwerkelijk bruikbaar is voor het bewijs enwelk belang aan een bewijsmiddel wordt toegekend.TITEL 3.2Bijzondere procedures en rechtsmiddelenArtikel 8.3.7 [rechtsmiddelen tegen onderzoekshandelingen]Zoals in de toelichting op artikel 8.3.2, eerste lid, is uiteengezet, zal eenbelangrijk deel van de bevoegdheidsuitoefening door Nederlandseopsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied kunnen wordenaangemerkt als een Nederlands opsporingsonderzoek. Dat betekent datdaarmee ook alle voorschriften inzake rechtsmiddelen tegen die bevoegd-heidsaanwending van toepassing zijn. Omdat het binnen het kader vanhet gemeenschappelijke team echter ook kan voorkomen dat op Neder-lands grondgebied door Nederlandse opsporingsambtenaren onderzoeks-handelingen worden verricht ten behoeve van vervolging in een van deandere deelnemende staten, wordt hier vastgelegd dat voor debetrokkene en de officier van justitie de direct met de toegepastebevoegdheid verband houdende rechtsmiddelen die in een Nederlandsonderzoek ter beschikking staan, ook in dat geval kunnen wordenaangewend. Het gaat dan onder andere om de mogelijkheid voor deofficier van justitie en de functioneel verschoningsgerechtigde om opgrond van artikel 2.7.71, eerste lid, in beroep te gaan tegen een beslissingvan de rechter-commissaris over het verschoningsrecht. Een soortgelijkeregeling is opgenomen in artikel 8.2.25, eerste lid.Artikel 8.3.8 [beklag]Dit artikel ziet op de beklagprocedure. Bij artikel 8.3.5, derde lid, istoegelicht dat uit het huidige artikel 5.2.4, derde lid, volgt dat indien in hetkader van een rechtshulpverzoek de beklagprocedure zou openstaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3224 voordat de voorwerpen of gegevens zouden kunnen worden overge-dragen, deze mogelijkheid ook openstaat voordat de gesteldevoorwaarden ten aanzien van de voorwerpen en gegevens in het kadervan een gemeenschappelijk onderzoeksteam kunnen worden opgehevenen de gegevens dus «definitief» ter beschikking worden gesteld aan eenaan het gemeenschappelijk onderzoeksteam deelnemende staat. Deprocedure verloopt overeenkomstig de procedure opgenomen in artikel8.2.26.Voorzien is in een regeling van de relatieve competentie van de rechtbank.Artikel 8.1.5 is immers niet van toepassing nu Nederland onderdeel is vanhet gemeenschappelijk onderzoeksteam en er dus geen rechtshulpverzoekis gedaan of Europees onderzoeksbevel is uitgevaardigd ten behoeve vande overdracht van voorwerpen en gegevens. Bevoegd om over hetklaagschrift te oordelen is de rechter in het rechtsgebied waarbinnen hetonderzoeksteam is gevestigd. Omdat het voorkomt dat het gemeenschap-pelijk onderzoeksteam niet in Nederland is gevestigd, is in door de vanovereenkomstige toepassing verklaring van artikel 8.1.5 ook de rechtbankvan, kort gezegd, het rechtsgebied van de officier van justitie diebetrokken is bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam (zie artikel 8.3.5)bevoegd om over een klaagschrift te oordelen. Zo kan worden bewerk-stelligd dat klaagschriften die verband houden met bevoegdheidsuitoe-fening in het kader van het gemeenschappelijk onderzoeksteam (en zienop dezelfde beslissing van de officier van justitie om de voorwaarden opte heffen) bij dezelfde rechtbank kunnen worden behandeld.Artikel 8.3.9 [verlof]Dit artikel heeft betrekking op de verlofprocedure, die zoals in detoelichting op artikel 8.3.5, derde lid, aan de orde is gekomen, ook vantoepassing is indien de officier van justitie voornemens is de voorwerpenof gegevens definitief ter beschikking te stellen indien dat verlof ookvereist zou zijn als kleine rechtshulp zou zijn verleend.Eerste, derde en vierde lidVoor de gevallen waarin verlof is vereist, is aangesloten bij artikel 8.2.27,eerste lid. Ook voor het overige verloopt de procedure overeenkomstigartikel 8.2.27.Tweede lidIn dit artikellid is bepaald dat verlof niet nodig is indien de staat die devervolging zal instellen en aan wie de voorwerpen en gegevens wordenovergedragen, net als Nederland, gebonden is aan de Richtlijn EOB. Alduswordt bewerkstelligd dat voor de overdracht van voorwerpen engegevens tussen EU-lidstaten in het kader van een gemeenschappelijkonderzoeksteam geen zwaardere eisen gelden dan wanneer dezeoverdracht zou plaatsvinden op grond van een EOB. In het kader van hetEOB, dat ook kan worden uitgevaardigd ter verkrijging van bewijsmate-riaal dat al in het bezit is van een andere lidstaat, geldt immers geenverlofprocedure (zie Titel 5.4).HOOFDSTUK 4Overdracht en overname van strafvervolgingHet huidige Vijfde Boek, Titel 3, ziet op de overdracht en overname vanstrafvervolging. Overdracht en overname van strafvervolging betreffeneen vorm van «primaire» rechtshulp, waarbij de primaire verantwoorde-lijkheid voor de afdoening van de strafzaak wordt overgedragen van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3225 ene aan de andere staat. Nederland is partij bij verschillende verdragendie zien op de overdracht en overname van strafvervolging. Het gaatdaarbij zowel om algemene overdrachtsverdragen, zoals het EuropeesVerdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (hierna: EVOS), alsom verschillende verdragen die mede betrekking hebben op anderevormen van rechtshulp of specifieke categorieën van delicten, zoals hetERV en het UNTOC. De bepalingen in het huidige Wetboek van Strafvor-dering bieden ook een grondslag om zonder een verdragsbasis destrafvervolging over te dragen dan wel over te nemen.De bepalingen over overdracht en overname van strafvervolging zijn in2018 verplaatst van het Vierde naar het Vijfde Boek van het huidigewetboek, zonder dat daarbij grote inhoudelijke wijzigingen zijn doorge-voerd. De bepalingen keren in Boek 8 terug in onderhavig hoofdstuk. Tenopzichte van de huidige regeling worden enkele wijzigingen aangebrachtin de indeling. In het huidige wetboek wordt steeds een onderscheidgemaakt tussen de overdracht en overname door de Minister van Justitieen Veiligheid en de overdracht en overname door de officier van justitie.Daarbij bevat de regeling inzake de overdracht en overname door deofficier van justitie – ondergebracht in een aparte paragraaf – steedsslechts één artikel, waarin de bepalingen die zien op de overdracht enovername door de Minister van overeenkomstige toepassing wordenverklaard. Omdat de procedure daardoor in feite grotendeels hetzelfde is,zijn in het nieuwe wetboek de bepalingen over overdracht en overnamedoor de Minister en de officier van justitie samengevoegd. Daarmee sluitde structuur beter aan bij de opbouw van Hoofdstuk 2. Bij de bepalingenover de overname van strafvervolging (zie Titel 4.2) wordt, eveneens inlijn met de indeling in Hoofdstuk 2, een duidelijker onderscheid gemaakttussen bepalingen die betrekking hebben op de beslissing op het verzoeken de uitvoering daarvan. Net als elders in het wetboek worden derechtsmiddelen aan het einde van het hoofdstuk opgenomen, in eenafzonderlijke titel.Om de rechtsmiddelen beter te laten aansluiten bij bepalingen elders inhet wetboek, worden de bestaande regelingen voor de verdachte enbenadeelde partij om op te komen tegen een voorgenomen overdrachtaangepast. Zie hierover nader de toelichting op de artikelen 8.4.6 en8.4.28.Enkele terminologische aspectenDit hoofdstuk gaat over de overdracht en overname van «strafver-volging». Zoals in de inleiding op Boek 8 al aan de orde is gekomen, heeftdit begrip in het kader van de internationale strafrechtelijke samenwerkingeen eigen, autonome betekenis, die afwijkt van de invulling die elders inhet wetboek aan het begrip «vervolging» wordt gegeven. De term«strafvervolging» wordt in verschillende internationale instrumentengebruikt. Zoals uit het Engelse equivalent van dit begrip, onder anderegebruikt in het EVOS, – «(criminal) proceedings» – al blijkt, heeft hetbegrip een ruime reikwijdte. Het omvat zowel opsporing, vervolging alsberechting, evenals de ontnemingsprocedure.Een centraal criterium bij de overdracht en overname van strafvervolgingis de «goede rechtsbedeling». De overdracht en overname moeten in hetbelang van de goede rechtsbedeling zijn. Voor de invulling die aan hetbegrip wordt gegeven in het kader van de internationale rechtshulp, wordtverwezen naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1979/80, 15 972, nr.3, p. 15 en Kamerstukken II 1990/91, 22 083, nr. 3, p. 23). In verschillendeverdragen, waaronder het EVOS, is die invulling uitgewerkt in een aantalspecifieke voorwaarden (criteria) waaronder een verzoek aan een anderestaat kan worden gedaan en gronden op basis waarvan een verzoek vaneen andere staat kan worden geweigerd. Deze verdragsrechtelijkeuitwerkingen kunnen ook richtinggevend zijn voor beslissingen totTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3226 overdracht die niet op een verdragsgrondslag zijn gebaseerd. Debeoordelingscriteria – die soms in verschillende richtingen wijzen en geen(dwingende) onderlinge rangorde hebben – zijn erop gericht te bepalen inwelke staat een strafvervolging – met het oog op onder andere waarheids-vinding, rechtshandhaving, proces-economie, herstel van de rechtsorde,de bescherming van de rechten van bij de strafrechtprocedure betrokkenpersonen (verdachte, slachtoffer) en het voorkomen van rechtsmachtcon-flicten – (het beste) kan plaatsvinden.In dit hoofdstuk worden de termen «verdachte» en «veroordeelde»gebruikt. Daaronder worden, net als op andere plekken in dit boek, medeverstaan degenen die als zodanig worden aangemerkt door het recht vande verzoekende staat.TITEL 4.1Overdracht van strafvervolgingDeze titel bevat de bepalingen die zien op de situatie waarin de strafver-volging door Nederland wordt overgedragen aan een andere staat envoorziet daarmee in de omzetting van de huidige artikelen 5.3.1 tot en met5.3.5 naar het nieuwe wetboek. Zoals in de inleiding op dit hoofdstuk altoegelicht, zijn de bepalingen inzake de overdracht door de Minister vanJustitie en Veiligheid en die inzake de overdracht door de officier vanjustitie samengevoegd.Artikel 8.4.1 [verzoek]Deze bepaling is nieuw.Eerste lidDit artikellid legt vast dat – net als bij andere vormen van rechtshulp –overdracht plaatsvindt op basis van een verzoek. Dit verzoek kan ookworden gedaan zonder dat daaraan een verdrag ten grondslag ligt.Tweede lidOverdracht van strafvervolging is in beginsel alleen mogelijk indien deoverdragende partij – in dit geval Nederland – zelf het recht tot strafver-volging heeft. Anders is immers geen sprake van «overdracht». Datbetekent dat vervolgingsbeletselen in beginsel in de weg staan aan hetdoen van een verzoek tot vervolging aan een andere staat. Naar geldendrecht kan een strafvervolging echter wel door Nederland worden«overgedragen» in gevallen waarin Nederland zelf geen rechtsmacht heeftten aanzien van het desbetreffende strafbare feit («de Nederlandsestrafwet niet toepasselijk is»). In de praktijk krijgt dit vorm door het doenvan aangifte door de Nederlandse autoriteiten in het buitenland, welke totstrekking heeft het instellen van een strafvervolging. Vgl. artikel 21 ERV enartikel 42 van het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp instrafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburgen het Koninkrijk der Nederlanden (Benelux uitleverings- en rechtshulp-verdrag; hierna: BUV). Deze aangifte wordt – ook naar huidig recht –aangemerkt als een verzoek aan het buitenland om de strafvervolging«over te nemen», hetgeen tot gevolg heeft dat ook in dergelijke gevallende in dit hoofdstuk beschreven procedure moet worden gevolgd. Zie Tekst& Commentaar Strafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer2023, aantekening 1e bij artikel 5.3.1. Ten overvloede wordt opgemerkt datNederland weliswaar geen rechtsmacht hoeft te hebben ter zake van hetstrafbare feit (tenzij een verdrag anders bepaalt; zie artikel 8.1.1, tweedelid), maar dat wel sprake moet zijn van een feit dat naar Nederlands rechtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3227 strafbaar is. Dit geldt, net als nu, ook als een verdrag dat vereiste niet(expliciet) stelt (zie artikel 8.1.1, derde lid). Zie ook Kamerstukken II1979/80, 15 972, nr. 3, p. 8–9 en Kamerstukken II 1981/82, 15 971 (R1133),nr. 10, p. 44–45. Andere vervolgingsbeletselen dan het ontbreken vanrechtsmacht staan in beginsel wel aan overdracht in de weg. Bij anderevervolgingsbeletselen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verjaringvan het strafbare feit en het ne bis in idem-beginsel. Voor de betekenisvan dit laatste beginsel is – zo volgt ook uit artikel 8.1.1 – niet alleen denationale wetgeving, maar ook de uitleg die daaraan wordt gegeven in hettoepasselijke verdrag van belang. Zie in dit verband ook de toelichting opartikel 8.4.2, tweede lid.Artikel 8.4.2 [moment van overdracht]Eerste lidOp grond van jurisprudentie van de Hoge Raad, gebaseerd op hetsysteem van de wet, is het niet langer mogelijk een strafvervolging over tedragen nadat het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen. Blijkensdie rechtspraak kan de verdachte in een dergelijk geval aanspraak makenop de voortzetting van de procedure totdat een einduitspraak is gegeven.Zie HR 28 februari 1984, NJ 1984/490. Zie eveneens Kamerstukken II1983/84, 15 971 (R 1133) en 15 972, nr. 14, p. 26. Dit geldt binnen desystematiek van het nieuwe wetboek des te meer, nu immers de «proforma-dagvaarding» is afgeschaft. De procesinleiding, waarmee de zaakwordt aangebracht bij de rechtbank, kan worden ingediend na eenafgerond opsporingsonderzoek. Verwacht mag worden dat de officier vanjustitie voorafgaand aan het indienen van de procesinleiding heeft kunnenbeoordelen of overdracht van strafvervolging wenselijk is. De verdachtemoet er na indiening van de procesinleiding dan ook van uit kunnen gaandat de berechting in Nederland plaatsvindt. Deze hoofdregel wordt met ditartikellid in de wet vastgelegd. Een uitzondering geldt voor de afgesplitsteontnemingsprocedure (zie artikel 8.4.3), die wel na het uitbrengen van deprocesinleiding in de hoofdzaak kan worden overgedragen.Na indiening van de procesinleiding is overdracht niet mogelijk totdat eenonherroepelijke uitspraak is gedaan. Als eenmaal een onherroepelijkeuitspraak is gedaan, is het afhankelijk van het concrete geval of overdrachtalsnog mogelijk is. Indien onherroepelijk op de materiële vragen (devragen opgenomen in het huidige artikel 350) is beslist – leidend tot eenveroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging – isoverdracht in beginsel niet mogelijk. Zoals ook uit artikel 8.4.1 volgt staatin een dergelijk geval het ne bis in idem-beginsel immers (in de regel) inde weg aan de overdracht van strafvervolging. Op de onmogelijkheid omna een veroordeling de strafvervolging over te dragen is in het tweede lideen uitzondering geformuleerd.Overdracht is mogelijk als een einduitspraak van formele aard (hethuidige artikel 349) is gedaan. Een dergelijke einduitspraak staat immersniet in de weg aan een nieuwe vervolging. Dit kan anders zijn als deaanleiding voor het doen van de einduitspraak een vervolgingsbeletseloplevert (zie artikel 8.4.1, tweede lid). Gedacht kan worden aan de situatiewaarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard wegensverjaring van het strafbare feit.Tweede lidOp grond van een aantal verdragen is het mogelijk om de strafvervolgingover te dragen nadat bij onherroepelijke uitspraak een straf of maatregelis opgelegd. Overdracht is in dergelijke gevallen, kort gezegd, mogelijkindien de opgelegde straf of maatregel niet ten uitvoer kan worden gelegden het niet mogelijk is uitlevering te bewerkstelligen of om de tenuitvoer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3228 legging van de straf of maatregel over te dragen. Vgl. artikel 8, tweede lid,EVOS en artikel 54 SUO. Zolang de opgelegde straf of maatregel inNederland nog niet daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd, levert dit geenstrijd op met het ne bis in idem beginsel (Vgl. ECLI:EU:C:2014:586(Spasic´)). Het doel van de overdracht in dergelijke gevallen is tevoorkomen dat de betrokkene ongestraft blijft door het grondgebied vande staat die de straf of maatregel heeft opgelegd te verlaten. Nu dezeoverdracht alleen kan plaatsvinden in voornoemde situatie waarin detenuitvoerlegging niet mogelijk is, zal een dergelijke overdracht hogeuitzondering zijn en behoort dat ook te zijn. Zie Kamerstukken II 1983/84,15 971 (R133) en 15 972, nr. 14, p. 26–27. In beginsel mag van de officiervan justitie worden verwacht dat hij, voordat de procesinleiding wordtingediend, beoordeelt of er een grond is – waaronder de onmogelijkheidom de eventuele straf ten uitvoer te leggen – om de strafvervolging overte dragen. Het is echter mogelijk dat van dergelijke omstandigheden paslater blijkt of dat deze omstandigheden pas later optreden. Nu het gaat omeen mogelijkheid tot overdracht die slechts geldt bij hoge uitzondering,wordt in de wet opgenomen dat indien bij onherroepelijke uitspraak eenstraf of maatregel is opgelegd, overdracht van strafvervolging ter zake vanhetzelfde feit is uitgesloten, tenzij het toepasselijke verdrag daarinuitdrukkelijk voorziet.Voor de ontnemingsprocedure geldt dat deze wel kan worden overge-dragen nadat in de hoofdzaak al een straf of maatregel is opgelegd, mitsin de hoofdzaak de ontnemingsvordering niet is beoordeeld dan wel– nadat de ontnemingsmaatregel is opgelegd – indien die maatregel nogniet tenuitvoergelegd is. Zie hierover nader de toelichting op artikel 8.4.3.Artikel 8.4.3 [verzoek inzake een ontnemingsprocedure]Eerste lidMet deze bepaling wordt het huidige artikel 5.3.1, zesde lid, omgezet. Debepaling voorziet in de mogelijkheid om alleen de ontnemingsprocedureover te dragen aan een andere staat. Daaraan kan met name behoeftebestaan in gevallen waarin, terwijl er goede redenen zijn om het strafbarefeit in Nederland te berechten, het wederrechtelijk verkregen voordeel(nagenoeg) geheel in een andere staat is ondergebracht. Het voorschrift isvan belang in relatie tot landen die, net als Nederland, een van dehoofdzaak afgesplitste (of af te splitsen) procedure kennen tot ontnemingvan het wederrechtelijk verkregen voordeel of die daartoe een op zichzelfstaande in rem-procedure (ook wel: non conviction based confiscation(NCBC)-procedure) kennen. Zie Kamerstukken II 1990/94, 22 083, nr. 3, p. 7.Er zijn verschillende verdragen die in deze overdracht voorzien,waaronder het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, deopsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten vanmisdrijven en de financiering van terrorisme. In de huidige bepalingenover de overdracht en overname van strafvervolging is niet uitdrukkelijkgeregeld in welk stadium van het geding de ontnemingsprocedure kanworden overgedragen. In lijn met het uitgangspunt dat een recht alleenkan worden overgedragen door het openbaar ministerie als het over datrecht beschikt (zie de toelichting op artikel 8.4.1, tweede lid), volgt uit denieuwe wettelijke bepaling dat de ontnemingsvordering zelfstandig alleenkan worden overgedragen als de hoofdzaak in Nederland is berecht,wordt berecht of zal worden berecht. Daarmee wordt verduidelijkt datdeze overdracht niet alleen mogelijk is nadat de berechting is uitgemondin een onherroepelijke veroordeling («is berecht»), maar ook al terwijl deprocedure in de hoofdzaak nog loopt («wordt berecht»), mits de ontne-mingsvordering niet gevoegd met de hoofdzaak wordt behandeld (zie hettweede lid). Niet vereist is dat de procesinleiding al is ingediend.Voldoende is dat het voornemen hiertoe bestaat. Daarbij wordt aange-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3229 tekend dat, mocht de Nederlandse strafrechter in de hoofdzaak oordelendat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het ten lastegelegde feit, het verzoek aan de andere staat moet worden ingetrokken.Om die reden ligt het voor de hand dat over het algemeen wordt gewachtmet een verzoek totdat in Nederland een veroordeling heeft plaatsge-vonden. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin het van belang isde ontnemingsprocedure al eerder over te dragen, bijvoorbeeld om tevoorkomen dat het vermogen wordt doorgesluisd (indien er geenmogelijkheden zijn om voorlopige maatregelen te nemen). Het is mogelijkdat het recht van de andere staat vereist dat de verdachte eerst (onherroe-pelijk) is veroordeeld voordat die staat de ontnemingsprocedure kanovernemen. Op deze plaats wordt nog verwezen naar artikel 8.4.5, tweedelid. In die bepaling is vastgelegd dat een voorstel of verzoek tot overdrachtvoor een ontnemingsvordering niet meer kan worden gedaan nadat tweejaar zijn verstreken na een veroordeling in eerste aanleg of, als deverdachte in eerste aanleg niet is veroordeeld, na een veroordeling inhoger beroep (zie artikel 4.4.17). Dit sluit aan bij het uitgangspunt,vastgelegd in artikel 8.4.1, dat het slechts mogelijk is een recht over tedragen dat men heeft.Tweede lidUit dit artikellid volgt dat niet langer een verzoek tot overdracht kanworden gedaan wanneer de ontnemingsvordering overeenkomstig artikel4.4.20 met de procesinleiding is ingediend. Indien de officier van justitievoor aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de vordering intrekten de verdachte direct kennisgeeft van zijn voornemen om de vorderingafzonderlijk in te dienen (artikel 4.4.14), is overdracht van de ontnemings-vordering wél mogelijk, evenals wanneer de rechter de gevoegdevordering afsplitst (artikel 4.4.22).Derde lidOverdracht van de ontnemingsprocedure nadat de ontnemingsmaatregelis opgelegd – in de hoofdzaak dan wel in een afgesplitste procedure – is inbeginsel niet mogelijk. In dit artikellid wordt hierop echter – in lijn met dewetsgeschiedenis – een uitzondering geformuleerd. Indien de tenuitvoer-legging van de ontnemingsmaatregel anders niet mogelijk is, isoverdracht van de ontnemingsprocedure mogelijk nadat die maatregel isopgelegd (zie Kamerstukken II 1990/91, 22 083, nr. 3, p. 17). Anders dan opgrond van artikel 8.4.2, tweede lid, is hier niet vereist dat een verdraguitdrukkelijk in een grondslag hiervoor voorziet. Dit houdt verband methet volgende. De wijze waarop procedures rondom het ontnemen vanwederrechtelijk verkregen voordeel zijn vormgegeven, verschilt somsaanzienlijk tussen staten. Ook de mogelijkheden om rechtspersonenstrafrechtelijk te vervolgen verschillen. Dat betekent dat het voor anderestaten niet zonder meer mogelijk is – ook niet na een «omzettingspro-cedure» – om een door Nederland opgelegde ontnemingsmaatregel tenuitvoer te leggen. Verschillende verdragen die regelingen rondomconfiscatie bevatten, voorzien dan ook in twee procedures, namelijk deprocedure waarbij de tenuitvoerlegging wordt overgenomen en eenprocedure volgens welke de aangezochte staat naar aanleiding van eenverzoek een eigen confiscatieprocedure in gang zet. Daarbij komt dat erook staten zijn die – vanwege het ontbreken van een verdragsrelatie – nietde mogelijkheid hebben om de tenuitvoerlegging van een ontnemings-maatregel over te nemen, maar wellicht wel bereid zijn zelf een proceduretegen de betrokkene te starten. Zie Kamerstukken II 1990/91, 22 083, nr. 3,p. 6, 7 en 17. Mede gelet op het voorgaande en het belang om criminelewinsten te ontnemen, waaraan Nederland zich via verschillendeverdragen heeft gecommitteerd, is het wenselijk dat een ontnemingsvor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3230 dering kan worden overgedragen nadat de ontnemingsmaatregel al isopgelegd in gevallen waarin die maatregel anders niet ten uitvoer kanworden gelegd, ongeacht of een verdrag expliciet in de mogelijkheidvoorziet. Daarbij gaat het om de situatie waarin de maatregel noch inNederland kan worden tenuitvoergelegd noch in de andere staat zonderdat de ontnemingsprocedure wordt overgedragen. Strijd met het ne bis inidem beginsel levert dit niet op zolang de maatregel door Nederland nogniet ten uitvoer is gelegd. Zie Kamerstukken II 1990/91, 22 083, nr. 3, p. 17en de toelichting op artikel 8.4.2, tweede lid.Artikel 8.4.4 [bevoegde autoriteit]Eerste lidOp grond van de huidige artikelen 5.3.1, eerste lid, en 5.3.2, eerste lid, isde Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegde autoriteit om eenandere staat te verzoeken een strafvervolging in te stellen. De Ministerdoet dat op voorstel van de officier van justitie. Indien een toepasselijkverdrag daarin voorziet, is de officier van justitie bevoegd om het verzoekzonder tussenkomst van de Minister te doen, zo volgt uit het huidigeartikel 5.3.5. Zoals in de inleiding op dit hoofdstuk beschreven zijn dezebepalingen hier samengevoegd, aangezien in belangrijke mate dezelfdeprocedurevoorschriften gelden.Tweede lidDit artikellid, dat voorschriften bevat over het verzoek van de officier vanjustitie aan de Minister en diens beslissing daarover, komt inhoudelijkovereen met de huidige artikelen 5.3.1, eerste lid, en 5.3.2, eerste lid,eerste volzin. De voorwaarde uit het huidige artikel 5.3.1, eerste lid, dat deoverdracht alleen kan worden verzocht ten aanzien van «een feit met deopsporing waarvan hij [de officier van justitie] is belast», keert niet terug.De zinsnede had slechts de beperkte strekking om te verduidelijken aanwelke officier van justitie het initiatief tot overdracht toekomt. ZieKamerstukken II 1979/80, 15 972, nr. 3, p. 8. Een dergelijk voorschrift in dewet sluit niet goed aan bij de landelijke bevoegdheid van de officier vanjustitie. Zie over de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie inhet kader van internationale strafrechtelijke samenwerking ook (detoelichting op) artikel 8.1.3. De tweede zin van artikel 5.3.2, eerste lid, – datvoorschrijft dat indien het verzoek op een verdrag is gegrond, devoorschriften van dat verdrag in acht moeten worden genomen – keertevenmin terug in het nieuwe wetboek. Zoals in de algemene inleiding opBoek 8 is uiteengezet, geldt als algemeen uitgangspunt voor devoorschriften in dit boek dat zij ten opzichte van verdragen aanvullend vanaard zijn en dat indien een verdrag een regeling bevat die afwijkt van dewettelijke voorschriften, de verdragsregeling voorrang heeft. Dit is ookvastgelegd in artikel 8.1.1.Derde lidHet voorschrift uit het huidige artikel 5.3.2, tweede lid, dat een verzoekdoor tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken wordt gedaan,keert hier terug. Dit kan uiteraard anders zijn indien het toepasselijkeverdrag anders bepaalt.Vierde lidDit artikellid betreft de omzetting van het huidige artikel 5.3.4. Op grondvan deze bepaling informeert de Minister de officier van justitie overzowel de beslissing op het verzoek als over door hem ontvangenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3231 berichten over het verloop en de afloop van de zaak in het buitenland(«afloopberichten») (vgl. artikel 8.4.17, tweede lid).Artikel 8.4.5 [voorwaarden voor overdracht]Eerste lidOp grond van dit voorschrift moet een overdracht van strafvervolging inhet belang van de goede rechtsbedeling zijn, zoals op dit moment ookvolgt uit de huidige artikelen 5.3.1, eerste lid, en 5.3.5, eerste lid. Op deinvulling die aan dit begrip wordt gegeven is in de algemene inleiding opdit hoofdstuk ingegaan.Tweede lidDeze bepaling verduidelijkt – in lijn met het uitgangspunt vastgelegd inartikel 8.4.1, tweede lid, – dat een voorstel of verzoek tot overdracht vooreen ontnemingsvordering niet meer kan worden gedaan nadat twee jaarzijn verstreken na een veroordeling in eerste aanleg of, als de verdachte ineerste aanleg niet is veroordeeld, na een veroordeling in hoger beroep(zie artikel 4.4.17). Vgl. A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), HetWetboek van Strafvordering, aantekening 45 bij artikel 552t. Blijkens dewettekst moet het voorstel of verzoek door de officier van justitie binnendeze termijn zijn gedaan. De overdracht hoeft dus niet al binnen dezetermijn te zijn gerealiseerd.Artikel 8.4.6 [kennisgeving verdachte, veroordeelde enbenadeelde partij]Met deze bepaling wordt het huidige artikel 5.3.1, tweede en derde lid,omgezet naar het nieuwe wetboek. Het betreft de voorschriften omtrentde kennisgeving aan de verdachte door de officier van justitie van diensvoornemen tot het doen van een verzoek aan een andere staat totovername van strafvervolging (artikel 8.4.4, eerste lid, onder a) of van zijnvoorstel aan de Minister daartoe (artikel 8.4.4, eerste lid, onder b). Daarbijzijn enkele wijzigingen aangebracht om de bepaling beter te latenaansluiten bij regelingen elders in het wetboek, waaronder in hetbijzonder, de voorschriften betreffende de kennisgeving totniet-vervolging. De bepalingen over het rechtsmiddel dat de verdachtekan instellen naar aanleiding van de kennisgeving (het huidige artikel5.3.1, vijfde lid) keren terug in artikel 8.4.28. Daarnaast omvat dit artikel,samen met artikel 8.4.28, de omzetting van het huidige artikel 5.3.1, vierdelid, dat ziet op de instemming van benadeelde partij. Ten opzichte van debestaande wetgeving is de procedure in verband met de benadeelde partijmeer in lijn gebracht met de regeling van de kennisgeving aan deverdachte.Eerste lidOp grond van het huidige artikel 5.3.1, eerste lid, moet de kennisgevingworden gedaan aan de verdachte die zich in Nederland bevindt of die eenbekende woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft en ten aanzien vanwie voorlopige hechtenis is toegepast. Tot aan de afschaffing van hetgerechtelijk vooronderzoek (GVO) per 1 januari 2013 diende de verdachteook te worden geïnformeerd als een GVO was ingesteld. De redendaarvoor was dat in gevallen waarin voorlopige hechtenis was toegepastof een GVO was ingesteld de officier van justitie moest beslissen of totverdere vervolging werd overgegaan. Indien hij besloot tot niet verderevervolging, dan diende de officier van justitie de verdachte daarvan inkennis te stellen, aan welke kennisgeving een aantal rechtsgevolgen wasTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3232 verbonden. In gevallen waarin de officier van justitie besloot de zaak nietzelf te vervolgen, maar over te dragen aan het buitenland, zou hij opgrond van die regeling gehouden zijn geweest de verdachte in kennis testellen van zijn beslissing tot niet verdere vervolging. Het was evenwelniet de bedoeling dat de daaraan verbonden rechtsgevolgen zoudenoptreden, maar dat de verdachte verder zou worden vervolgd in eenandere staat, mede op grond van het al in Nederland ingestelde opspo-ringsonderzoek. Daarom gold op grond van artikel 552t (oud) Sv (hetlatere artikel 5.3.1, tweede lid en derde lid) dat de verdachte in plaats vaneen kennisgeving niet verdere vervolging een kennisgeving zouontvangen over het voorstel tot overdracht. Zie Kamerstukken II 1983/84,15 971 (R 1133) en 15 972, nr. 14, p. 7. Tussen de kennisgeving van nietverdere vervolging en de kennisgeving van het voornemen tot overdrachtbestaat dus een duidelijk verband.Voor het nieuwe wetboek geldt dat de officier van justitie op grond vanartikel 3.4.2 is gehouden een verdachte die is verhoord in kennis te stellenvan een beslissing tot niet-vervolging. Op grond van de hier voorgesteldebepaling ontvangt die verdachte wanneer het voornemen bestaat om destrafvervolging over te dragen aan het buitenland in plaats van dekennisgeving niet-vervolging een kennisgeving over dit voornemen totoverdracht. Indien de overdracht plaatsvindt nadat de vervolging isaangevangen (zie artikel 8.4.2, tweede lid, en artikel 8.4.3) ontvangt deverdachte respectievelijk de veroordeelde eveneens een kennisgevingover het voornemen tot overdracht.Op grond van de huidige wettelijke regeling hoeft de kennisgeving alleente worden gedaan aan verdachten die zich in Nederland bevinden dan weldie een bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland hebben. Degedachte achter deze beperking is dat er gevallen in de praktijk zijn waarinhet adres van de verdachte niet kan worden achterhaald. De betekeningvan de kennisgeving zou daardoor onmogelijk worden en daarmee zou ergeen overdracht kunnen plaatsvinden. Zie Kamerstukken II 2001/02,28 351, nr. 3, p. 11–12. Inmiddels zijn er ook mogelijkheden tot elektro-nische betekening. Daarvoor is wel nodig dat er een elektronisch adres isopgegeven en dat rechtstreekse toezending is toegelaten. In gevallenwaarin elektronische betekening niet mogelijk is, is voordat betekeningmogelijk is door uitreiking aan de bevoegde autoriteiten (zie artikel 1.9.13,zevende lid), vereist dat de buitenlandse autoriteiten de kennisgevingtevergeefs hebben aangeboden aan het buitenlandse adres (zie artikel8.2.8, eerste lid). Dat betekent dat voorgenoemd geval waarin betekeningniet mogelijk is, zich nog altijd kan voordoen als elektronische betekeningniet mogelijk is en de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaatsheeft. In lijn met de huidige wetgeving is dan ook bepaald dat dekennisgeving over het voornemen tot overdracht in dergelijke gevallenachterwege kan blijven.In de tweede zin van dit artikellid is een regeling opgenomen ten aanzienvan de kennisgeving van de benadeelde partij. Op grond van het huidigeartikel 5.3.1, vierde lid, kan een verzoek aan een andere staat, indien debenadeelde partij de wens te kennen heeft gegeven dat haar schade in hetstrafproces wordt vergoed, slechts worden gedaan na schriftelijkeinstemming van de benadeelde partij of, indien die instemming niet wordtverkregen, met machtiging van de rechtbank. Deze regeling is opgenomenin het wetboek in lijn met artikel 1, tweede lid, van het niet in werkinggetreden Verdrag tussen het Koninkrijk België, het GroothertogdomLuxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen vanstrafvervolgingen (Benelux overdrachtsverdrag). In die verdragsbepalingis opgenomen dat «indien zich reeds een burgerlijke partij heeft gevoegd»een verzoek aan een van de andere verdragsluitende staten slechts kanworden gedaan «met instemming van die partij, of krachtens eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3233 beslissing van de rechter waarbij wordt vastgesteld dat het belang vaneen goede rechtsbedeling de vervolging in die Staat eist». In de huidigepraktijk wordt aan dat voorschrift invulling gegeven door de benadeeldepartij schriftelijk te benaderen met de vraag of zij bezwaar heeft tegen eenoverdracht. Een machtiging wordt gevraagd indien de benadeelde partijvervolgens tijdig kenbaar maakt dat zij, gelet op de wens zich in hetstrafproces te voegen, belang hecht aan berechting in Nederland. ZieTekst & Commentaar Strafvordering, vijftiende druk, Deventer: WoltersKluwer 2023, aantekening 6 bij artikel 5.3.1. Daarmee lijkt de procedure inde praktijk al in belangrijke mate op een bezwaarschriftprocedure. Door dehuidige wettelijke vormgeving wijkt de procedure echter af van deprocedure die geldt ten aanzien van de verdachte of veroordeelde. Ditbetekent dat in gevallen waarin zowel de verdachte of veroordeelde als debenadeelde partij bezwaren hebben tegen de overdracht twee verschil-lende procedures – bij twee verschillende rechters (gerechtshof respectie-velijk rechtbank) – moeten worden gevolgd. Om dit te voorkomen iservoor gekozen niet alleen de procedure ten aanzien van de verdachte ofde veroordeelde te wijzigen van een op de «artikel 12-procedure»gelijkende procedure naar een bezwaarschriftprocedure (zie de toelichtingop artikel 8.4.28), maar ook om de procedure voor de benadeelde partij tewijzigen. Net als voor de verdachte of de veroordeelde zal ook ten aanzienvan de benadeelde partij gelden dat zij een kennisgeving van hetvoornemen om de strafvervolging over te dragen zal ontvangen,waartegen bezwaar kan worden gemaakt bij de rechtbank. Het nooit inwerking getreden artikel 1, tweede lid, Benelux overdrachtsverdrag biedtdaartoe ruimte, nu op grond van die bepaling noch schriftelijkeinstemming, noch expliciete instemming is vereist, hetgeen demogelijkheid openlaat om – zoals in de nieuwe regeling en in debestaande praktijk – te kiezen voor een vorm van stilzwijgendeinstemming indien de benadeelde partij geen bezwaar maakt tegen deoverdracht. De verwijzing naar de vordering van de benadeelde partij isten opzichte van de bestaande wettekst redactioneel meer in lijn gebrachtmet de formulering in artikel 1.5.13.Tweede lidDit nieuwe voorschrift bevat een uitwerking van de informatie die in dekennisgeving moet zijn opgenomen ten aanzien van de mogelijkheid tothet instellen van een rechtsmiddel.Derde lidDit artikellid, dat ziet op het achterwege laten van de kennisgeving vanniet-vervolging, betreft de omzetting van het huidige artikel 5.3.1, derdelid. Zie ook de toelichting op het eerste lid.Vierde lidNaar huidig recht heeft het indienen van een rechtsmiddel tegen deoverdracht door de verdachte schorsende werking. Zie Kamerstukken II1984/85, 15971 (R1133) en 15972, nr. 20a, p. 4. In de praktijk betekent ditdat met het doen van een verzoek wordt gewacht totdat de termijn vantwee weken waarbinnen de verdachte het rechtsmiddel kan aanwenden isverstreken. Ten aanzien van de benadeelde partij geldt op grond van hethuidige artikel 5.3.1, vierde lid, dat indien de benadeelde partij nietinstemt met de overdracht het verzoek pas kan worden gedaan nadat eenmachtiging van de rechtbank is verkregen. Dit uitgangspunt, dat deofficier van justitie respectievelijk de Minister de termijn waarbinnenrechtsmiddelen kunnen worden ingezet, dan wel – indien een rechts-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3234 middel is ingediend – het oordeel van de rechter, afwacht, is in ditartikellid vastgelegd.Artikel 8.4.7 [overdracht processtukken en intrekking verzoek]Eerste lidDit artikellid ziet op de overdracht van (het originele of een gewaarmerktafschrift van) het strafdossier aan de staat aan wie het verzoek wordtgedaan om de strafvervolging over te nemen. Vgl. artikel 15, eerste lid,EVOS. In lijn met de terminologie van het nieuwe wetboek, wordt hier determ «processtukken» gebruikt.Met het huidige artikel 5.3.1, zevende lid, is beoogd buiten twijfel testellen dat de voegingsplicht die op grond van het huidige artikel 126aaSv geldt ook van toepassing is in gevallen waarin een verzoek totoverdracht wordt gedaan. Dergelijke bijzondere voorschriften keren in hetnieuwe wetboek niet terug, omdat dit al afdoende wordt geregeld door dealgemene regeling van de voeging van de processtukken, zoals istoegelicht in de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.8.3, tweede enderde lid. Binnen de structuur van het nieuwe wetboek geldt datbepalingen die zijn opgenomen in Boek 1, waaronder de regeling inzakede processtukken, gelden voor het hele wetboek. Die voorschriften geldendus ook ten aanzien van het optreden in het kader van de internationaleen Europese samenwerking. Er is daarom geen aanleiding bijzonderebepalingen over de voeging van processtukken op te nemen in onder-havig artikel.Tweede lidHet huidige artikel 5.3.2, derde lid, eerste zin, waarin de mogelijkheid totintrekking van een verzoek tot overdracht is geregeld, is in dit artikellidovergenomen. De tweede zin van artikel 5.3.2, derde lid, ziet op deintrekking van het verzoek naar aanleiding van de beslissing op het beklagvan de verdachte of de veroordeelde. Dat voorschrift keert in het nieuwewetboek niet terug, nu op grond van artikel 8.4.6, vierde lid, geldt dat methet doen van een verzoek wordt gewacht totdat op het ingestelderechtsmiddel is beslist.Artikel 8.4.8 [voorlopige gevolgen voorstel of verzoek totoverdracht]Deze bepaling heeft betrekking op de (tijdelijke) gevolgen van een verzoektot overdracht of voorstel daartoe die in het huidige wetboek in artikel5.3.3, eerste lid, zijn opgenomen. Artikel 8.4.9 regelt de gevolgen alseenmaal positief is beslist op het verzoek door de aangezochte staat.Eerste lidNadat de officier een verzoek (artikel 8.4.4, eerste lid, onder a) of voorstelheeft gedaan (artikel 8.4.4, eerste lid, onder b) tot overdracht van destrafvervolging aan een andere staat, dient hij zich in beginsel teonthouden van het indienen van een procesinleiding. Ten opzichte van dehuidige wettelijke regeling, opgenomen in artikel 5.3.3, zijn de gevolgengeëxpliciteerd voor de vordering tot ontneming van wederrechtelijkverkregen voordeel indien een verzoek of voorstel is gedaan om deontnemingsprocedure over te dragen (artikel 8.4.3). In dergelijke gevallendient de officier van justitie zich te onthouden van het indienen van eenontnemingsvordering bij de Nederlandse rechter. Het indienen van eenprocesinleiding is in gevallen waarin alleen de ontnemingsvorderingwordt overgedragen wel mogelijk (vgl. de toelichting op artikel 8.4.3). HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3235 artikellid sluit – in lijn met artikel 21 EVOS – andere handelingen, zoals hetvoortzetten van het opsporingsonderzoek, niet uit (vgl. Kamerstukken II1979/80, 15 972, nr. 3, p. 17). Het gaat immers nog om een voorlopigesituatie waarin de officier van justitie in afwachting is van de beslissing opzijn voorstel of het verzoek. In het geval waarin de Minister het voorstel ofde andere staat het verzoek afwijst, kan er aanleiding zijn voor de officiervan justitie om alsnog zelf de vervolging voort te zetten of de ontnemings-vordering in te dienen. Dat is anders wanneer de andere staat het verzoekeenmaal heeft ingewilligd. Dan vervallen het recht op strafvordering entot het doen van een ontnemingsvordering in beginsel definitief (zieartikel 8.4.9). Wel kan Nederland in dergelijke gevallen nog op verzoek vande andere staat op grond van Hoofdstuk 2 een bijdrage leveren aanbijvoorbeeld de verdere bewijsvergaring.Tweede lidDit artikellid ziet op de gevolgen van een verzoek of voorstel dat is gedaannadat in de zaak bij onherroepelijke uitspraak een straf of maatregel isopgelegd (artikel 8.4.2, tweede lid en artikel 8.4.3, derde lid). In dat gevaldient de Minister zich te onthouden van de tenuitvoerlegging van die strafof maatregel. Naast het huidige artikel 5.3.3, eerste lid, wordt met ditvoorschrift ook het huidige artikel 6:1:24 omgezet. Nu dit laatste artikelbetrekking heeft op de gevolgen voor de tenuitvoerlegging van eenverzoek tot overdracht van de strafvervolging en nauw samenhangt metde inhoud van het huidige artikel 5.3.3, eerste lid, past de inhoud van dezebepaling beter in dit boek dan in Boek 7.Derde lidIndien een voorstel of verzoek, kort gezegd, niet leidt tot een overdracht, isindiening van een procesinleiding of ontnemingsvordering dan wel detenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel weer mogelijk.Artikel 8.4.9 [gevolgen overdracht]De gevolgen van de overdracht van de strafvervolging – dus nadat hetverzoek is ingewilligd door de andere staat – zijn op dit momentvastgelegd in artikel 77 Wetboek van Strafrecht en het huidige artikel6:1:24. De inhoud van deze bepalingen wordt overgebracht naar dit artikel.Eerste lidOp grond van dit artikellid vervalt het recht tot strafvordering, debevoegdheid tot het doen van een ontnemingsvordering respectievelijkhet recht om de bij onherroepelijk uitspraak opgelegde straf of maatregelten uitvoer te leggen wanneer de andere staat het verzoek heeftingewilligd. Ten opzichte van artikel 77, eerste lid, Wetboek van Strafrechten het huidige artikel 6:1:24, eerste lid, is een verwijzing naar de ontne-mingsvordering toegevoegd. Immers, wanneer een ontnemingsprocedurewordt overgedragen, vervalt niet het recht van de officier van justitie omde vervolging voort te zetten, maar slechts diens recht om een ontne-mingsvordering in te dienen.Tweede lidZoals ook volgt uit het tweede lid van artikel 77 Wetboek van Strafrecht,het huidige artikel 6:1:24 en verdragsbepalingen, zoals artikel 21 EVOS,«herleven» de in het eerste lid genoemde rechten en bevoegdheid ingevallen waarin de andere staat kennis geeft dat op de inwilliging van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3236 verzoek wordt ingetrokken, dat geen strafvervolging wordt ingesteld ofdat de strafvervolging wordt gestaakt.Artikel 8.4.10 [in kennis stellen verdachte of veroordeelde vanherleving]Eerste lidOp grond van het huidige artikel 5.3.3, tweede lid, dient de officier vanjustitie de kennisgeving dat hij een voorstel of verzoek heeft gedaan omde strafvervolging over te dragen (zie artikel 8.4.6) in te trekken en deverdachte daarvan mededeling te doen in de gevallen beschreven inartikel 8.4.8, derde lid, en artikel 8.4.9, tweede lid. Daarmee is in feitesprake van een nieuwe kennisgeving. Onderhavig artikellid bepaalt danook dat de verdachte in kennis wordt gesteld van het «herleven» van de inartikel 8.4.8 en 8.4.9 genoemde rechten en bevoegdheid. Daarmee is geeninhoudelijke wijziging beoogd. In de wettekst wordt verhelderd dat dekennisgeving aan de verdachte dient te worden betekend.Tweede lidDe officier van justitie dient bij het herleven van het recht tot strafver-volging of de bevoegdheid tot het indienen op een ontnemingsvorderingzo spoedig mogelijk te beslissen of hij inderdaad een vervolging zalinstellen respectievelijk een ontnemingsvordering zal indienen. Indien deofficier van vervolging afziet, zal hij, overeenkomstig artikel 3.4.2, deverdachte van zijn beslissing in kennis moeten stellen. In dat geval isimmers sprake van een beslissing tot niet-vervolging als bedoeld in artikel3.4.2. Nadat deze laatste beslissing is genomen kan de verdachte nietmeer worden vervolgd, behalve in de gevallen opgesomd in artikel 3.4.3.In de wettekst worden de artikelen 3.1.3 en 3.1.4 van overeenkomstigetoepassing verklaard. Daarmee wordt verduidelijkt dat de verdachte omeen verklaring dat de zaak is beëindigd kan verzoeken indien de beslissingvan de officier van justitie over het al dan niet (alsnog) in Nederlandvervolgen van de verdachte uitblijft (artikel 3.1.3). Indien de rechtbanknaar aanleiding van dit verzoek verklaart dat de zaak is beëindigd, kangeen vervolging meer worden ingesteld voor hetzelfde feit, tenzij ersprake is van nieuwe bezwaren (artikel 3.1.4). Van overeenkomstigetoepassing verklaring van deze voorschriften is nodig, omdat het voor deverdachte mogelijk moet zijn om te verzoeken tot beëindiging van de zaak,nadat hij op grond van artikel 8.4.10 een kennisgeving heeft ontvangen ende beslissing over de vervolging daarna uitblijft, ook in gevallen waarin deofficier van justitie een verzoek tot overdracht heeft gedaan, zonder dat deverdachte is verhoord.Het wordt niet nodig geacht soortgelijke voorschriften ten aanzien van detenuitvoerlegging op te nemen. Anders dan bij de vervolging, hoeft geenbeslissing te worden genomen over het al dan niet tenuitvoerleggen vaneen bij onherroepelijke uitspraak opgelegde straf of maatregel. De uit desystematiek van de wet voortvloeiende verplichting tot tenuitvoerleggingblijft immers gelden. Daarbij wordt wel aangetekend dat, nu de feitelijkeonmogelijkheid om de straf of maatregel ten uitvoer te leggen tengrondslag zal hebben gelegen aan het verzoek tot overdracht vanstrafvervolging (zie de toelichting op de artikelen 8.4.2, tweede lid, en8.4.3, derde lid), het in de praktijk in voorkomende gevallen niet mogelijkzal zijn om (direct) tot tenuitvoerlegging over te gaan nadat een verzoekdoor een andere staat is afgewezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3237 TITEL 4.2Overname van strafvervolgingIn deze titel zijn de voorschriften opgenomen die gelden indien Nederlandeen verzoek van een andere staat (Afdeling 5.2.1) dan wel een internati-onaal gerecht (Afdeling 5.2.2) ontvangt om een strafvervolging in testellen. Hiermee worden de huidige artikelen 5.3.6 tot en met 5.3.22omgezet naar het nieuwe wetboek.AFDELING 4.2.1Overname van strafvervolging van een andere staatArtikel 8.4.11 [bevoegde autoriteit]Net als bij uitgaande verzoeken (zie artikel 8.4.4, eerste lid) geldt ook bijontvangen verzoeken dat de Minister van Justitie en Veiligheid in beginseldegene is die daarover beslist. Indien een toepasselijk verdrag daarinvoorziet, is de officier van justitie bevoegd om zonder tussenkomst van deMinister te beslissen om een strafvervolging over te nemen. Dit volgt uitde huidige artikelen 5.3.10, eerste lid, en 5.3.17, eerste lid. Zoals in deinleiding op dit hoofdstuk is beschreven, zijn deze bepalingen hiersamengevoegd, omdat in belangrijke mate dezelfde procedurevoor-schriften gelden, ongeacht of de Minister of de officier van justitie debeslissende autoriteit is.Artikel 8.4.12 [ontvangst door officier van justitie]Wanneer de officier van justitie de beslissende autoriteit is, neemt hij hetverzoek zelf in ontvangst. In verband met de landelijke bevoegdheid vande officier van justitie wordt hier niet nader bepaald welke officier het stukin ontvangst neemt. Zie hierover de toelichting op artikel 8.1.3.Artikel 8.4.13 [ontvangst door Minister]Eerste lidIndien de Minister de beslissende autoriteit is, wordt het verzoek doorhem in ontvangst genomen. Zie voor de situatie waarin het verzoek perongeluk naar de officier van justitie is gezonden door de buitenlandseautoriteiten het derde lid.Tweede lidNet als op grond van het huidige artikel 5.3.7, eerste lid, regelt dit artikelliddat de Minister het verzoek direct afwijst indien onmiddellijk kan wordenvastgesteld dat een van de in artikel 8.4.15, eerste lid, opgesomdeweigeringsgronden van toepassing is. De formulering is ten opzichte vande bestaande wettekst meer in lijn gebracht met de redactie van artikel8.2.9.Op grond van het huidige artikel 5.3.8 zendt de Minister een verzoek datniet direct wordt afgewezen voor advies naar de officier van justitie. Tenopzichte van het huidige artikel 5.3.8 is in verband met de landelijkebevoegdheid niet langer nader in de wet bepaald aan welke officier vanjustitie het verzoek moet worden gestuurd. Zie hierover de toelichting opartikel 8.1.3.Overeenkomstig het huidige artikel 5.3.9 brengt de officier van justitie zijnadvies vervolgens ter kennis van de Minister. Toegevoegd is dat de officiervan justitie dit «zo spoedig mogelijk» doet. Dat is in lijn met de bestaandeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3238 praktijk waarin de officier van justitie wordt verzocht zo spoedig mogelijk,in ieder geval binnen twee maanden, de Minister te berichten. Indiendefinitieve advisering binnen twee maanden niet mogelijk is, dient deMinister daarover bericht te ontvangen met het oog op het informerenvan de verzoekende staat. Zie nader Tekst en Commentaar Strafvordering,vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aantekening 2 bij artikel5.3.9. In bepaalde gevallen zal de officier van justitie eerst de verdachtemoeten horen, althans hem daarvoor moeten oproepen, voordat hij eenadvies kan uitbrengen. Zie daarover artikel 8.4.14, derde lid.Derde lidDit artikellid, dat de omzetting van het huidige artikel 5.3.6 betreft, ziet opde situatie waarin de Minister de beslissende autoriteit is, maar hetverzoek desondanks door de buitenlandse autoriteiten aan de officier vanjustitie is gezonden. De officier van justitie stuurt het verzoek dan dooraan de Minister, onder overlegging van zijn advies. Met dit laatste wordtvoorkomen dat na doorzending aan de Minister, de Minister het stuk weeraan de officier moet terugsturen voor advies.Artikel 8.4.14 [beslissing]Eerste lidDeze bepaling, die inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.3.10,eerste lid, schrijft voor dat de officier van justitie respectievelijk Ministerzo spoedig mogelijk een beslissing tot inwilliging dan wel afwijzing vanhet verzoek neemt.Tweede lidDe officier van justitie of de Minister kan de verzoekende staat om nadereinformatie verzoeken voordat hij zijn beslissing neemt. Overeenkomstigartikel 14 EVOS kan de verzoekende staat daarbij een termijn wordengesteld. Dit kan onder andere van belang zijn in situaties waarin deverdachte op grond van artikel 8.4.19 is gedetineerd en voorkomen moetworden dat de verdachte op vrije voeten komt en daardoor degelegenheid krijgt zich aan de vervolging te onttrekken. Zie ook Kamer-stukken II 1981/82, 15 971 (R 1133), nr. 10, p. 64–65. Deze bepaling komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.3.11.Derde lidOp grond van het huidige artikel 5.3.9, tweede lid, dient de verdachte doorde officier van justitie te worden gehoord voordat hij een advies aan deMinister uitbrengt dan wel – wanneer hij zelf de beslissende autoriteit is –een beslissing op het verzoek neemt. Dat is aan de orde in gevallenwaarin Nederland geen originaire rechtsmacht heeft – dat wil zeggen geenrechtsmacht heeft op grond van de artikelen 2 tot en met 8a Wetboek vanStrafrecht – ten aanzien van het desbetreffende feit, maar op grond vaneen verdrag toch een mogelijkheid tot strafvervolging heeft, die ontstaatdoor de overdracht van de strafvervolging (zie artikel 8b Wetboek vanStrafrecht; vgl. artikel 2 EVOS) («subsidiaire rechtsmacht»). Dit artikellidbetreft de omzetting van dit voorschrift naar het nieuwe wetboek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3239 Artikel 8.4.15 [weigeringsgronden]Eerste lidDe in deze bepaling opgesomde weigeringsgronden komen overeen metde weigeringsgronden, opgenomen in het huidige artikel 5.3.7, eerste lid.Het gaat om imperatieve weigeringsgronden, zoals ook volgt uit hethuidige artikel 5.3.10, tweede lid. De redactie van onderdeel d (ne bis inidem-beginsel) is daarbij aangepast. Deze weigeringsgrond komt in hethuidige wetboek in verschillende bepalingen voor en is in die bepalingenverschillend vormgegeven. In de huidige artikelen 5.1.5 en 5.4.4 wordtverwezen naar het beginsel van ne bis in idem. In de huidige artikelen5.5.3 en 5.7.10 naar «het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht enartikel 255, eerste lid, van dit Wetboek ten grondslag liggende beginsel».In het huidige artikel 5.3.7 wordt verwezen naar «het bepaalde in artikel 68van het Wetboek van Strafrecht». In het nieuwe wetboek worden dezeformuleringen meer met elkaar in lijn gebracht, door bij de weigerings-gronden steeds te verwijzen naar het beginsel van ne bis in idem.Ten aanzien van de weigeringsgrond opgenomen in het eerste lid,onderdeel a, wordt opgemerkt dat – net als nu – bij de beoordeling van destrafbaarheid naar Nederlands recht gebruik kan worden gemaakt van demethode «analogische transformatie» (ook wel aangeduid als«sinngemäße Umstellung») als het toepasselijke verdrag hiervoor ruimtebiedt. Dit houdt in dat wordt beoordeeld of het feit naar Nederlands rechteen strafbaar feit zou hebben opgeleverd indien het op Nederlandsgrondgebied zou zijn begaan.Tweede lidMet dit artikellid wordt het huidige artikel 5.3.7, tweede lid, omgezet.Aldus wordt voorzien in een weigeringsgrond voor gevallen waarin deverdachte een vreemdeling is die geen vaste woon- of verblijfplaats inNederland heeft. Er zijn twee uitzonderingen op deze facultatieveweigeringsgrond geformuleerd. Op grond van het vijfde lid – overeen-komend met het huidige artikel 5.3.7, derde lid – kan inwilliging van eenverzoek dat strekt tot het indienen van een ontnemingsvordering nietworden geweigerd om de reden dat de verdachte of veroordeelde geenvaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De andere uitzonderingvolgt uit artikel 8.4.21, derde lid. Net als op grond van het huidige artikel5.3.16, gaat het daarbij – kort gezegd – om verdachten van terroristischemisdrijven die niet kunnen worden uitgeleverd.Ten opzichte van het huidige artikel 5.3.7, tweede lid, wordt toegevoegddat een verzoek eveneens kan worden geweigerd «indien het instellen vanstrafvervolging om andere redenen niet in het belang van een goederechtsbedeling is». Deze zinsnede komt in de plaats van het huidige artikel5.3.10, vierde lid, waarin is bepaald dat bij een op een verdrag gegrondverzoek de daarin opgenomen weigeringsgronden in acht wordengenomen. Zoals in de algemene inleiding op Boek 8 is beschreven geldt inalle gevallen waarin een verzoek om rechtshulp is gebaseerd op eenverdrag, dat in overeenstemming met dat verdrag moet wordengehandeld. In artikel 8.1.1 is dit voor heel Boek 8 uitdrukkelijk in de wetvastgelegd. Dat geldt ook bij de toepassing van de weigeringsgronden. Indat opzicht bestaat geen verschil met de regeling van de weigerings-gronden in artikel 8.2.10, waarvoor eveneens geldt dat bij de toepassingvan de weigeringsgronden het toepasselijke verdrag in acht moet wordengenomen. Vanuit dat oogpunt bezien is het huidige artikel 5.3.10, vierdelid, overbodig. Tegelijkertijd bevat de huidige wettelijke regeling slechtseen beperkte opsomming van weigeringsgronden, ook in verhouding totopsommingen van weigeringsgronden in verdragen. Omdat dezeweigeringsgronden kunnen worden beschouwd als een uitwerking vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3240 het criterium van de «goede rechtsbedeling» is ervoor gekozen eenverwijzing naar dat criterium op te nemen, waarbij de invulling van datcriterium dus mede afhankelijk kan zijn van het toepasselijke verdrag.Tegelijkertijd wordt het aldus mogelijk om ook in gevallen waarin sprakeis van een verzoek dat niet is gebaseerd op een verdrag aan de goederechtsbedeling te toetsen. Daarmee wordt meer recht gedaan aan dit bijde overdracht en overname van strafvervolging centraal staandecriterium. Verwezen wordt naar de inleiding op dit hoofdstuk, waarinwordt ingegaan op de invulling die aan het begrip «goede rechtsbe-deling» wordt gegeven.Derde lidHet huidige artikel 5.3.10, derde lid, wordt met dit artikellid omgezet naarhet nieuwe wetboek. Het heeft enkel betrekking op verzoeken die niet zijngebaseerd op een verdrag. De huidige formulering van artikel 5.3.10,derde lid, maakt het slechts mogelijk het verzoek af te wijzen indien deofficier van justitie van oordeel is dat tegen de betrokkene geenvervolging kan plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat Nederlandse rechts-macht ontbreekt, er (andere) vervolgingsbeletselen bestaan of er te weinigbewijs voorhanden is. Het verzoek kan dus niet worden afgewezen opopportuniteitsgronden. Wel is het mogelijk om na de overdracht tebeslissen om het feit niet te vervolgen op gronden aan het algemeenbelang ontleend (het ontbreken van opportuniteit). Zie Kamerstukken II1981/82, 15 972, nr. 10, p. 67. In gevallen waarin het op voorhand duidelijkis dat Nederland geen vervolging zal instellen om opportuniteitsredenenlijkt het echter efficiënter om het verzoek te weigeren in plaats van heteerst in te willigen en de zaak daarna te seponeren, naar aanleidingwaarvan de verzoekende staat zijn vervolgingsrecht herkrijgt en alsnogzelf een vervolging kan instellen. In gevallen waarin pas na de overdracht(en aanvullend onderzoek) blijkt dat een vervolging niet opportuun is, kanwel de weg worden gekozen om te seponeren en daarmee de verzoe-kende staat de kans te geven om zelf een vervolging in stellen.Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer een verzoek wel op grondvan een verdrag is gedaan opportuniteitsafwegingen weliswaar geengrondslag kunnen bieden om het verzoek te weigeren, maar datverdragen veelal wel ruimte aan de nationale autoriteiten laten om nainwilliging van het verzoek overeenkomstig het eigen nationale recht eenafweging te maken of daadwerkelijk een vervolging zal worden ingesteld,waarna de verzoekende staat eventueel alsnog zelf tot een vervolging kanovergaan (vgl. artikel 8.4.9, tweede lid).Vierde lidZoals in de toelichting op artikel 8.4.1, tweede lid, al aan de orde kwam is«overdracht» ook mogelijk als de verzoekende staat zelf geen rechtsmachtten aanzien van het desbetreffende strafbare feit heeft. De overdrachtkrijgt dan in de praktijk vorm door een aangifte van het strafbare feit diedoor de ene staat (verzoekende staat) in een andere staat wordt gedaan.In dergelijke gevallen dient er ruimte te zijn – mits een eventueel verdragwaarop dit verzoek is gegrond daarvoor ruimte laat – om het verzoek af tewijzen in verband met opportuniteitsafwegingen. Dat is in dit artikellidvastgelegd.Vijfde lidZie voor een toelichting op dit artikellid, dat inhoudelijk overeenkomst methet huidige artikel 5.3.7, derde lid, de toelichting op artikel 8.4.15, tweedelid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3241 Artikel 8.4.16 [intrekking inwilliging]Dit artikel omschrijft de gevallen waarin een al genomen beslissing omeen verzoek in te willigen door Nederland kan worden ingetrokken. Methet artikel wordt het huidige artikel 5.3.12 omgezet.Eerste lidTen opzichte van het huidige artikel 5.3.12, eerste lid, is de zinsnede«zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen»vervangen door «zolang de procesinleiding of de afzonderlijke vorderingtot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet isgediend», zodat de formulering beter aansluit bij de systematiek in hetnieuwe wetboek. Geëxpliciteerd wordt dat de inwilliging in ieder gevalwordt ingetrokken indien alsnog blijkt dat een van de imperatieveweigeringsgronden (zie artikel 8.4.15, eerste lid) van toepassing is. Vgl.Kamerstukken II 1979/80, 15 972, nr. 3, p. 18 en artikel 12, eerste lid, EVOS.Tweede lidDit voorschrift komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.3.12,tweede lid. Het heeft betrekking op de situatie waarin de strafvervolgingdoor Nederland is overgenomen en heeft geleid tot een onherroepelijkvonnis of arrest waarin een straf of maatregel is opgelegd. In dergelijkegevallen is het mogelijk om de inwilliging in te trekken indien blijkt dat destraf of maatregel niet tenuitvoergelegd kan worden, bijvoorbeeld omdatde verdachte inmiddels Nederland is ontvlucht naar een land waarmeeNederland geen rechtshulprelatie heeft. Met de bepaling wordt verzekerddat straffeloosheid kan worden voorkomen. De bepaling is een uitwerkingvan artikel 12, tweede lid, onder a, EVOS.Artikel 8.4.17 [kennisgeving over beslissing]De inhoud van het huidige artikel 5.3.13 – dat ziet op de kennisgeving vande beslissing op het verzoek aan de andere staat – keert in het nieuwewetboek terug in onderhavig artikel. Ten opzichte van die bepaling is eenkleine redactionele wijziging doorgevoerd. In de formulering van heteerste lid is verduidelijkt dat de andere staat niet alleen in kennis wordtgesteld van de beslissing op het verzoek, maar ook van een eventuelebeslissing tot het intrekken van een inwilliging op grond van artikel 8.4.16.Artikel 8.4.18 [bevoegde rechtbank]Eerste lidZoals in de toelichting op artikel 8.1.3 uiteengezet, bevatte het huidigeartikel 5.3.8 een impliciete regeling voor de relatieve competentie van derechtbank. Met het komen te vervallen van een verwijzing naar despecifieke officier van justitie aan wie de Minister advies moet vragen, isdie impliciete regeling komen te vervallen. In het overgrote deel van degevallen zal kunnen worden teruggevallen op de relatieve competentiebe-palingen in Boek 1 dan wel bijzondere wetgeving zoals de Wet interna-tionale misdrijven. Immers, in beginsel zal Nederland een strafvervolgingalleen overnemen indien Nederland (originaire) rechtsmacht heeft tenaanzien van het desbetreffende strafbare feit. In gevallen waarin eenverdrag daarin voorziet, kan Nederland een strafvervolging echter ookovernemen als Nederland zelf geen originaire rechtsmacht heeft (subsi-diaire rechtsmacht). Zie ook de toelichting op artikel 8.4.14, derde lid, enartikel 8.4.21, eerste en tweede lid. In dergelijke gevallen kan hetvoorkomen dat op grond van bijzondere wetgeving of de artikelen 1.2.9 enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3242 1.2.10 geen bevoegde rechtbank kan worden aangewezen. Op grond vande huidige wettelijke regeling is in gevallen waarin de verdachte geenvaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, de officier van justitie vanhet landelijk parket aangewezen als de officier van justitie die advies overde overname geeft aan de Minister (en later met de uitvoering van eeningewilligd verzoek wordt belast) (zie het huidige artikel 5.3.8, tweede lid).In lijn hiermee worden de rechtbank Amsterdam, de rechtbankOost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdamaangewezen als bevoegde rechtbank in gevallen waarin geen andererechtbank bevoegd is.Tweede lidOp grond van de relatieve competentieregeling voor de rechtbanken diein het huidige artikel 5.3.8, tweede lid, ligt besloten, is bevoegd om eenovergenomen ontnemingsprocedure te behandelen de rechtbank in hetrechtsgebied waarbinnen degene op wie het verzoek betrekking heeft zijnvaste woon- of verblijfplaats heeft. Indien de betrokkene geen vaste woon-of verblijfplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank in hetrechtsgebied waarbinnen «de voorwerpen aanwezig zijn waarop demaatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tenuitvoer kan worden gelegd». Hierop aansluitend bepaalt dit artikellid, kortgezegd, dat bevoegd is de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest devordering te behandelen als de hoofdzaak in Nederland zou zijn berecht(waaronder de rechtbank in het rechtsgebied waarbinnen de verdachtezijn vaste woon- of verblijfplaats heeft) dan wel de rechtbank in hetrechtsgebied waarbinnen voorwerpen aanwezig zijn waarop de maatregeltot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan wordentenuitvoergelegd.Artikel 8.4.19 [aanhouden verdachte]Deze bepaling, die inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.3.14,ziet op de situatie waarin voor Nederland het vervolgingsrecht pas doorinwilliging van het verzoek ontstaat (subsidiaire rechtsmacht). Zie hieroverook de toelichting op artikel 8.4.14, derde lid, en artikel 8.4.21, eerste entweede lid. In dergelijke gevallen kan de betrokkene, totdat het verzoek isingewilligd, naar Nederlands recht niet als verdachte in de zin van artikel1.4.1 worden aangemerkt. Dat betekent dat het op grond van debepalingen in Boek 2 niet mogelijk is om hem op te houden vooronderzoek, in verzekering te stellen of voorlopige hechtenis toe te passen,hangende de beslissing op het buitenlandse verzoek. Onder omstandig-heden kan daaraan wel behoefte bestaan, bijvoorbeeld om te voorkomendat de verdachte zich door op de vlucht te slaan aan de vervolging kanonttrekken of vanwege collusiegevaar. De artikelen 27–29 EVOS biedenhiervoor een grondslag. Ten opzichte van de huidige wettekst is, in eentweede lid, verhelderd welke (steun)bevoegdheden bij de aanhouding vande betrokkene uitgeoefend kunnen worden.In het huidige artikel 5.3.14 worden ook de artikelen 533 tot en met 536van het overeenkomstige toepassing verklaard, waardoor de verdachteook voor de op grondslag van artikel 5.3.14 ondergane voorlopigehechtenis aanspraak kan maken op schadevergoeding indien de strafver-volging in Nederland uiteindelijk eindigt zonder oplegging van een straf ofmaatregel of in een oplegging van een straf of maatregel voor een feitwaarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Ook op grond van hetnieuwe wetboek kan de gewezen verdachte voor een dergelijke schade-vergoeding in aanmerking komen. Het optreden op grond van artikel8.4.19 kan immers worden aangemerkt als «strafvorderlijk optreden» in dezin van Boek 6, Hoofdstuk 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3243 Artikel 8.4.20 [bijzondere bewijskracht proces-verbaalopsporingsambtenaar]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.3.15, eerste lid,waarin wordt bepaald dat, kort gezegd, processen-verbaal van opspo-ringsambtenaren uit de verzoekende staat die worden meegezonden methet verzoek, dezelfde bewijskracht hebben als wanneer deze processen-verbaal door Nederlandse opsporingsambtenaren zouden zijn opgesteld,tenzij het proces-verbaal die bewijskracht in de verzoekende staat nietheeft. Zie ook de toelichting op artikel 8.4.6.Het tweede lid van het huidige artikel 5.3.15, dat ziet op het instellen vaneen strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo), keert niet terug in het nieuwewetboek. De regeling van het sfo is immers in het nieuwe wetboek nietmeer als afzonderlijk onderzoekskader overgenomen. Verwezen wordtnaar de toelichting op Boek 6, Afdeling 5.5.1. Vanzelfsprekend is hetmogelijk om na de overname van een ontnemingsvordering vanuit hetbuitenland de bevoegdheden uit het wetboek uit te oefenen. In dat gevalis immers sprake van een Nederlandse procedure.Artikel 8.4.21 [overname strafvervolging bij terrorisme]Eerste en tweede lidHet huidige artikel 5.3.16, eerste en tweede lid, geeft uitvoering aanverplichtingen op grond van een aantal «terrorismeverdragen». In dieverdragen is een uitwerking van het adagium «aut dedere aut iudicare»opgenomen, hetgeen inhoudt dat indien een verdachte van een strafbaarfeit waarop de verdragen betrekking hebben niet ter berechting wordtuitgeleverd, de staat waar de verdachte verblijft de vervolging op zichdient te nemen. Indien Nederland zelf geen rechtsmacht heeft, ontstaatdoor deze «overname» van de strafvervolging (subsidiaire) rechtsmacht(zie ook artikel 8b Wetboek van Strafrecht). De inhoud van het huidigeartikel 5.3.16, eerste en tweede lid, keert in onderhavige artikelleden terug.Omdat de afwijzing van het verzoek tot uitlevering op grond van heteerste lid als een «ingewilligd verzoek tot strafvervolging» moet wordenbeschouwd, is het niet mogelijk dat verzoek alsnog af te wijzen. Wel is hetmogelijk de inwilliging in te trekken. De inwilliging van het verzoek hoeftniet zonder meer te leiden tot instelling van een strafvervolging, zo volgtook uit de verschillende verdragen. Zo bepaalt artikel 7 van het EuropeesVerdrag tot bestrijding van terrorisme, dat de autoriteiten de beslissingover de vervolging nemen «op dezelfde wijze als in geval van eenstrafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat».Daarbij moet bedacht worden dat de redenen om het verzoek totuitlevering af te wijzen ook in de weg kunnen staan aan vervolging inNederland. Zie Kamerstukken II 1979/80, 15 972, nr. 3, p. 21.Derde en vierde lidZoals hiervoor uiteengezet staat de «automatische» inwilliging van hetverzoek er niet zonder meer aan in de weg dat die inwilliging wordtingetrokken. In onderhavige artikelleden is vastgelegd dat op een tweetalgronden om de inwilliging in te trekken – te weten de gronden in artikel8.4.15, tweede lid, en eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° – (in bepaaldegevallen) geen beroep kan worden gedaan. Dit is in overeenstemmingmet de in het tweede en vierde lid genoemde verdragen. De regeling komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.3.16, derde en vierde lid,waarbij wordt opgemerkt dat het huidige artikel 5.3.16, derde lid, perabuis naar artikel 5.3.7, eerste lid, aanhef en onder a, verwijst. Destrekking van dat artikellid is namelijk om aan te geven dat de omstan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3244 digheid dat de betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederlandheeft in de gevallen bedoeld in het eerste lid geen beletsel vormt voorovername van de strafvervolging (het huidige artikel 5.3.7, tweede lid). Opdit punt is bij de introductie van artikel 5.3.16 immers geen wijzigingbeoogd ten opzichte van het daarvoor geldende artikel 552hh Sv (zieKamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 31; vgl. Tekst en CommentaarStrafvordering, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2023, aante-kening 4 bij artikel 5.3.16). Het derde lid van het tot 1 juli 2018 geldendeartikel 552hh verwees naar artikel 552y, eerste lid en onder a, dat indertijdzag op de vreemdeling die zijn vaste woon- of verblijfplaats buitenNederland had. In het derde lid van artikel 8.4.21 is deze omissie hersteld.AFDELING 4.2.2Overname van strafvervolging van een internationaal gerechtSinds de inwerkingtreding per 1 april 2012 van de Wet verruimingmogelijkheden tot opsporing en vervolging van internationale misdrijven(Stb. 2011, 605; Kamerstukken 32475) is in het Wetboek van Strafvorderingeen regeling opgenomen voor de overname door Nederland vanstrafvervolging van internationale gerechten. De bepalingen moetenworden bezien tegen de achtergrond dat de mogelijkheden die interna-tionale gerechten hebben voor de vervolging en berechting van interna-tionale misdrijven, mede vanwege het mandaat en de capaciteit, beperktzijn. Nederland, als gastland van verschillende internationale gerechten,hecht er belang aan dat internationale gerechten hun doelstellingenbehalen en dat straffeloosheid van daders van internationale misdrijvenwordt voorkomen. Dat betekent dat Nederland in staat moet zijn om eeneventueel verzoek van een internationaal gerecht tot de overname vaneen strafvervolging in te willigen. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 475, nr.3, p. 11–12. Onderstaande regeling voorziet hierin. De bepalingen zijn in2018 met de herziening van de regeling van de internationale samen-werking in strafzaken vernummerd. Daarbij zijn geen (grote) inhoudelijkewijzigingen aangebracht. In deze afdeling keert de inhoud van de huidigeartikelen 5.3.17 tot en met 5.3.22 terug. Daarbij zijn opnieuw geen (grote)inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel is de volgorde van een aantalbepalingen gewijzigd, zodat de volgorde van de bepalingen in deAfdelingen 4.2.1 en 4.2.2 zo veel mogelijk gelijk is.Artikel 8.4.22 [verzoek]Dit artikel, dat inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.3.18,wijst de Minister aan als de bevoegde autoriteit om te beslissen over eenverzoek van een internationaal gerecht om een strafvervolging inNederland in te stellen. Ten opzichte van de bestaande wettekst is éénwijziging aangebracht. Ingevoegd is dat, als de officier van justitie van hetlandelijk parket het verzoek ontvangt en dat doorstuurt naar de Minister,hij ook direct zijn advies daarbij voegt. Een soortgelijke regeling isopgenomen in artikel 8.4.13, derde lid (het huidige artikel 5.3.6). Ook ingevallen waarin een verzoek van een internationaal gerecht wordtontvangen lijkt het efficiënter als de officier van justitie direct zijn adviesdaarbij voegt als hij de stukken doorstuurt naar de Minister. Dat voorkomtdat de Minister de stukken weer aan hem moet terugsturen ten behoevevan de advisering. Omdat de advisering in dit geval altijd plaatsvindt doorde officier van justitie van het landelijk parket, geldt dat alleen in gevallenwaarin de officier van justitie bij het landelijk parket de stukken van hetinternationaal gerecht ontvangt, hij daar een advies bijvoegt. Indien hetverzoek door een andere officier van justitie wordt ontvangen, zendt diede stukken zonder advies door, en zal de Minister vervolgens de officiervan justitie bij het landelijk parket om advies vragen (zie artikel 8.4.23).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3245 Artikel 8.4.23 [advies officier van justitie landelijk parket]De officier van justitie van het landelijk parket adviseert de Minister. Hijwordt daarbij geacht de Minister te adviseren over de haalbaarheid enopportuniteit van het verzoek. Zie hierover nader Kamerstukken II 2009/10,32 475, nr. 3, p. 13 en Kamerstukken II 2011/12, 32 475, nr. 6, p. 8. Deadviserende rol van de officier van justitie bij het landelijk parket sluitgoed aan bij diens verantwoordelijkheid en expertise ten aanzien van deWet internationale misdrijven. Een vervolging op grond van die wet ligt bijinwilliging van het verzoek in de rede. Zie Kamerstukken II 2009/10,32 475, nr. 3, p. 13. Ten opzichte van het huidige artikel 5.3.20 zijn geeninhoudelijke wijzigingen aangebracht.In beginsel ligt het voor de hand dat de officier van justitie van hetlandelijk parket ook de uitvoering van een ingewilligd verzoek ter handneemt. Niet alleen omdat hij over het verzoek heeft geadviseerd, maar ookomdat het – zoals hiervoor al aan de orde kwam – in beginsel zal gaan ominternationale misdrijven. Ook in gevallen waarin de vervolging na deoverdracht (uitsluitend) betrekking zou hebben op andere misdrijven, ishet mogelijk dat de officier van justitie van het landelijk parket de zaak opzich neemt (zie artikel 1.3.7). Dat neemt niet weg dat het aangewezen kanzijn dat een andere officier van justitie de uitvoering van een ingewilligdverzoek ter hand neemt, bijvoorbeeld als het gaat om feiten waarvoor despecifieke kennis van een functioneel parket is vereist.Artikel 8.4.24 [beslissing]Eerste lidDit artikellid, dat inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.3.21,eerste lid, ziet op de beslissing door de Minister op het verzoek.Tweede lidDeze bepaling betreft de omzetting van het huidige artikel 5.3.19. Opgrond van deze bepaling kan de Minister het internationale gerecht omnadere informatie verzoeken alvorens te beslissen.Artikel 8.4.25 [kennisgeving over beslissing]Op grond van het huidige artikel 5.3.21, tweede en derde lid, stelt deMinister zowel de officier van justitie die hem heeft geadviseerd als hetinternationale gerecht van wie het verzoek afkomstig is in kennis van zijnbeslissing. Ook verstuurt hij het internationale gerecht zogenoemde«afloopberichten» (vgl. artikel 8.4.4, vierde lid). Deze voorschriften zijninhoudelijk ongewijzigd overgenomen.Artikel 8.4.26 [bevoegdheid]De bepaling is nieuw en voorziet in een regeling voor de relatievecompetentie van de rechtbank. Nu het bij de overname van strafver-volging van een internationaal gerecht in beginsel zal gaan om interna-tionale misdrijven, zal in de regel de rechtbank Den Haag (zie artikel 15Wet internationale misdrijven) bevoegd zijn om over de feiten te oordelen.In andere gevallen kan in beginsel worden teruggevallen op de relatievecompetentieregels opgenomen in Boek 1. Mocht daarop niet kunnenworden teruggevallen dan zijn de rechtbank Amsterdam, de rechtbankOost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdambevoegd om over de feiten te oordelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3246 Artikel 8.4.27 [schakelbepaling]Dit artikel verklaart een aantal bepalingen uit de vorige afdeling vanovereenkomstige toepassing. Ten opzichte van het huidige artikel 5.3.22 iseen verwijzing naar artikel 8.4.19 toegevoegd. Daarmee wordt het ook ingevallen waarin een verzoek van een internationaal gerecht wordtontvangen en Nederland alleen subsidiaire rechtsmacht heeft (vgl. artikel8b, vierde lid, Wetboek van Strafrecht) mogelijk om de verdachte,hangende de behandeling van het verzoek, aan te houden, in verzekeringte stellen en in voorlopige hechtenis te nemen en aldus te voorkomen dathij zich bijvoorbeeld door op de vlucht te slaan aan de berechting kanonttrekken.TITEL 4.3RechtsmiddelenArtikel 8.4.28 [bezwaarschriftprocedure]Eerste lidOp grond van het huidige artikel 5.3.1, vijfde lid, kan een verdachte dieeen kennisgeving heeft ontvangen dat het voornemen bestaat destrafvervolging over te dragen aan een andere staat daartegen beklaginstellen bij het gerechtshof. De procedure is grotendeels vormgegevenovereenkomstig de «artikel 12-procedure». De bepaling is het gevolg vaneen amendement. Zie Kamerstukken II 1983/84, 15 972, nr. 11. Enkelemaanden voor de indiening van het amendement had de Hoge Raad ineen cassatie in het belang der wet-procedure een uitspraak gedaan overeen verdachte die beklag op grond van het destijds geldende artikel 12had ingediend bij het gerechtshof Amsterdam. Het openbaar ministeriehad in die zaak hangende het ingestelde hoger beroep besloten om destrafvervolging over te dragen aan Frankrijk. De verdachte stelde beklagin; hij wilde verder worden vervolgd in Nederland. Omdat de verdachte naaanvang van het onderzoek op de terechtzitting in het algemeen rechtheeft op de voortzetting van de procedure totdat een einduitspraak isgegeven, was de Hoge Raad van oordeel dat de verdachte belangheb-bende was in de zin van artikel 12 en dat het gerechtshof de vervolgingvan de verdachte (in Nederland) had kunnen bevelen. Zie HR 28 februari1984, NJ 1984/490.De aansluiting bij de artikel 12-procedure lijkt bij nader inzien minder voorde hand te liggen, om verschillende redenen. Allereerst is de procedureniet goed toegesneden op beklag tegen de voorgenomen strafvervolging.Zo valt de klager in dit geval samen met degene wiens vervolging wordtverlangd, hetgeen het bijvoorbeeld onduidelijk maakt wie wanneer moetworden gehoord. Vgl. A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), HetWetboek van Strafvordering, aantekening 35 bij artikel 552t. In de tweedeplaats sluit de op grond van de artikel 12 te nemen beslissing niet goedaan op de procedure. Een gegrond beklag dient immers te leiden tot eenbevel tot vervolging (in Nederland; vgl. het huidige artikel 5.3.2, derde lid,laatste zin). In het hiervoor beschreven geval was vervolging (inNederland) ook de wens van de verdachte. Over het algemeen zal hetbeklag echter niet zozeer zijn ingegeven vanuit een wens om vervolgd teworden maar richt een beklag zich met name tegen de overdracht van devervolging aan een andere staat. Ter illustratie kan hier nog wordengenoemd het geval waarin een verdachte zich verzet tegen overdrachtomdat het feit naar Nederlands recht is verjaard of omdat in zijn ogensprake is van een ne bis in idem-situatie. In dergelijke gevallen pastminder een bevel tot vervolging (in Nederland). Een bevel tot vervolgingpast ook minder in de situatie waarin de verdachte opkomt tegenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3247 overdracht van alleen de ontnemingsprocedure. De verdachte wordt indat geval immers al in Nederland vervolgd, nu de hoofdzaak in Nederlandwordt berecht. In de derde plaats sluit de artikel 12-procedure mindergoed aan bij de wijze waarop rechtsmiddelen in het kader van deinternationale rechtshulp zijn vormgegeven. Over het algemeen is daarbijimmers sprake van ofwel verlof ofwel een mogelijkheid tot bezwaar/beroep bij de rechtbank.Om deze redenen wordt voorgesteld om in het nieuwe wetboek de opartikel 12 gelijkende procedure te vervangen door een procedure waarbijde verdachte of veroordeelde een bezwaarschrift kan indienen tegen hetvoornemen om de strafvervolging over te dragen bij de rechtbank. Daarbijblijft de termijn van veertien dagen, opgenomen in het huidige artikel5.3.1, vijfde lid, behouden. Bevoegd tot het indienen van een bezwaar-schrift op grond van deze procedure is de verdachte of veroordeelde dieop grond van artikel 8.4.6, eerste lid, een kennisgeving heeft ontvangen.Zoals in de toelichting op die laatste bepaling aan de orde is gekomen,geldt ook voor de benadeelde partij die een kennisgeving heeftontvangen, dat zij een bezwaarschrift kan indienen tegen de voorge-nomen overdracht. Aldus geldt in beide gevallen dezelfde procedure enzouden de bezwaarschriften eventueel gezamenlijk kunnen wordenbehandeld.Tweede lidHet artikellid voorziet in een regeling van de relatieve competentie van derechtbank. Omdat geen sprake is van een klaagschrift tegen de overdrachtvan voorwerpen en gegevens, is (van overeenkomstige) toepassing vande relatieve competentieregels uit artikel 8.1.5 niet aan de orde. De hieropgenomen competentieregels houden in lijn met die bepaling in dat kortgezegd, de rechtbank in het rechtsgebied van de bij het uitgaande verzoekbetrokken officier van justitie bevoegd is over een bezwaarschrift teoordelen.Derde lidOp grond van dit artikellid verklaart de rechtbank het voorgenomenverzoek ontoelaatbaar als het bezwaarschrift gegrond wordt geacht. Datbetekent dat het verzoek – dat op grond van artikel 8.4.6, vierde lid, nogniet is verzonden aan de andere staat – niet meer kan worden gedaan.HOOFDSTUK 5Europees onderzoeksbevelMet de inwerkingtreding van de wet van 31 mei 2017 (Stb. 2017, 231;Kamerstukken 34 611) per 17 juni 2017 is Richtlijn 2014/41/EU betreffendehet Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de Richtlijn EOB) inNederland geïmplementeerd. De bepalingen inzake het Europeesonderzoeksbevel (hierna: EOB of bevel) zijn destijds opgenomen in eennieuw ingevoegde titel (Titel 4) in het Vijfde Boek van het huidigewetboek. Deze bepalingen keren in het nieuwe wetboek terug in dithoofdstuk van Boek 8. Daarbij wordt de volgorde van de artikelengewijzigd. Na de algemene bepalingen (Titel 5.1) worden eerst debepalingen inzake de uitvaardiging van een EOB opgenomen (Titel 5.2) enpas daarna de bepalingen inzake de uitvoering van een EOB (Titel 5.3). Hethoofdstuk eindigt met de regeling van de rechtsmiddelen (Titel 5.4).Daarmee sluit de volgorde van de bepalingen aan bij de indeling die ookis gevolgd in de andere hoofdstukken van Boek 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3248 De Richtlijn EOB is in 2014 tot stand gekomen en voorziet in mogelijk-heden tot samenwerking tussen EU-lidstaten in het kader van «kleinerechtshulp» ter vervanging van een aantal andere instrumentenwaaronder Kaderbesluit 2008/978/JBZ inzake het Europees bewijsverkrij-gingsbevel (hierna: het Kaderbesluit Europees bewijsverkrijgingsbevel).Het EOB is een instrument gericht op «bewijsgaring». Met de richtlijn isbeoogd een alomvattend systeem voor bewijsverkrijging in strafzakenmet een grensoverschrijdende dimensie binnen de EU tot stand tebrengen. Zie hierover ook de overwegingen 5 tot en met 7 bij de richtlijn.Uit artikel 34 van de richtlijn volgt dat de Richtlijn EOB in beginsel in deplaats komt van de klassieke kleine rechtshulp. Dat betekent dat inprincipe geen gebruik wordt gemaakt van kleine rechtshulpverdragen ende bepalingen in Hoofdstuk 2 bij kleine rechtshulp tussen EU-lidstaten diezijn gebonden aan de Richtlijn EOB (zie ook toelichting op artikel 8.2.1). Ineen aantal situaties kunnen deze verdragen en bepalingen echter wel nogsteeds worden toegepast tussen EU-lidstaten. Dat geldt allereerst in derechtshulprelatie met Denemarken en Ierland, die niet zijn gebonden doorde Richtlijn EOB (zie de overwegingen 44 en 45 bij de Richtlijn EOB). In detweede plaats kan klassieke kleine rechtshulp worden verleend in gevallendie niet vallen onder de Richtlijn EOB of een ander EU-instrument dat zietop wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Het gaat dan niet alleen omandere vormen van rechtshulp, zoals samenwerking in een gemeenschap-pelijk onderzoeksteam (zie hierover ook artikel 3 Richtlijn EOB) ofoverdracht van strafvervolging, maar bijvoorbeeld ook om kleinerechtshulp die niet is gericht op bewijsgaring, die ziet op politiesamen-werking of als sprake is van grondslagen voor het uitoefenen vanbevoegdheden op het grondgebied van een andere lidstaat die niet zijnopgenomen in de Richtlijn EOB. Een voorbeeld van dit laatste is degrensoverschrijdende observatie als bedoeld in de SUO. Zie ook deoverwegingen 8 tot en met 10 van de Richtlijn EOB en artikel II van de wetvan 31 mei en de toelichting op artikel 29 van het oorspronkelijkerichtlijnvoorstel (Raad van de Europese Unie, 9288/10 COPEN 117 ADD 1,p. 31). Ten derde blijft de toepassing van klassieke rechtshulpverdragen(en de bepalingen in Hoofdstuk 2 van dit boek) mogelijk in gevallenwaarin de betreffende bilaterale en multilaterale verdragen overeen-komstig artikel 34 van de richtlijn bij de Europese Commissie zijn gemeld.Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt om een aantalverdragen (met landen met wie Nederland een grens deelt) te kunnenblijven toepassen.Enkele terminologische aspectenZoals in de algemene inleiding op Boek 8 is beschreven, is het streven determinologie in de verschillende hoofdstukken van dit boek zo veelmogelijk op de gebruikte terminologie in de andere boeken van hetwetboek aan te laten sluiten. Ook binnen de hoofdstukken is getracht deredactie en gebruikte termen zoveel mogelijk in overeenstemming metelkaar te brengen. Voor wat betreft de hoofdstukken waarmee uitvoeringwordt gegeven aan EU-instrumenten is er echter op een aantal puntengekozen voor aansluiting bij de terminologie in het desbetreffendeEU-instrument, om zo het risico van non-conformiteit met deEU-verplichtingen te voorkomen. Dat geldt ook voor dit hoofdstuk. Datbetekent allereerst dat in dit hoofdstuk de term «lidstaat» wordt gebruiktin plaats van «staat». Met de term «lidstaat» wordt blijkens artikel 8.1.2,tweede lid, bedoeld de lidstaten van de Europese Unie die wordengebonden door de Richtlijn EOB. Dat zijn in het geval van de Richtlijn EOBalle EU-lidstaten, met uitzondering van Ierland en Denemarken, zoalshiervoor al aan de orde kwam. Ook wordt de term «uitvaardigende»lidstaat of autoriteit gebruikt in plaats van «verzoekende» staat. Andersdan bij de klassieke rechtshulp is immers geen sprake van een verzoek omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3249 rechtshulp, maar van een uitgevaardigd bevel. Wanneer het gaat om deNederlandse autoriteiten zal daarbij waar mogelijk worden opgenomenom welke autoriteit het gaat. Dat wil zeggen dat als bijvoorbeeld deofficier van justitie naar Nederlands recht de bevoegde autoriteit is en debepaling alleen op de Nederlandse bevoegde autoriteit betrekking heeft,in de wettekst niet zal worden opgenomen «de bevoegde uitvaardigende(of uitvoerende) autoriteit», maar «officier van justitie».Daarnaast geldt dat in de huidige wettekst, net als in de Richtlijn EOB,wordt gesproken over de «verdachte of beschuldigde persoon». Dezeterminologie is gehandhaafd. Anders dan in bepaalde andere lidstatenomvat het nieuwe Nederlandse verdachtenbegrip blijkens artikel 1.4.1,derde lid, ook de persoon tegen wie een vervolging is ingesteld en omvatdaarmee ook de «beschuldigde». Nu een EOB echter ook kan wordentoegepast in bepaalde bestuursrechtelijke procedures (zie artikel 4, onderb, van de Richtlijn EOB en artikel 8.5.2, tweede lid), is in dit hoofdstuk ookde term «beschuldigde» opgenomen. Daarmee wordt mede gedoeld opde persoon tegen wie door een bestuurlijke of rechterlijke autoriteit eenprocedure is ingesteld in verband met feiten die volgens het nationalerecht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn, mits tegen debeslissing beroep mogelijk is bij een in het bijzonder in strafzakenbevoegde rechter. Met «verdachte of beschuldigde» is, net zoals in deandere hoofdstukken, ook degene bedoeld die door de uitvaardigendestaat als zodanig is aangemerkt.Zowel in de Richtlijn EOB als in de wettekst is vastgelegd dat een EOB isgericht op het verkrijgen van «bewijsmateriaal». Deze laatste term heeft indit verband een autonome betekenis die moet worden onderscheiden vande term «bewijsmiddel» zoals dat in Boek 4 voorkomt. De term «bewijs-materiaal» omvat ook voorwerpen en gegevens die uiteindelijk niet alsbewijsmiddel op het onderzoek ter terechtzitting worden gebruikt, maardie bijvoorbeeld (uiteindelijk) alleen zijn gebruikt om richting te geven aanhet opsporingsonderzoek. De toepassing van een onderzoeksmaatregelstaat centraal, niet een te behalen resultaat. Zie Kamerstukken II 2016/17,34 611, nr. 3, p. 5. In dit verband kan ook worden gewezen op de artikelen1 en 4 en overweging 7 van het Kaderbesluit Europees bewijsverkrijgings-bevel – een van de EU-instrumenten die werd vervangen door de RichtlijnEOB. Daarin wordt bewijsmateriaal omschreven als voorwerpen,documenten en gegevens die in de uitvaardigende lidstaat nodig zijn voorgebruik in een strafprocedure.TITEL 5.1Algemene bepalingenIn deze titel keren de bepalingen terug die in het Vijfde Boek, Titel 4, vanhet huidige wetboek zijn opgenomen in de Eerste afdeling («Het Europeesonderzoeksbevel»). Ook opgenomen in deze titel is de inhoud van hethuidige artikel 5.4.30, welke bepaling zowel ten aanzien van de uitvaar-diging als de uitvoering van een EOB van toepassing is. De inhoud vanartikel 5.4.31 keert niet terug in dit hoofdstuk, omdat in artikel 8.1.7 alvoorzien is in een grondslag voor een ministeriële regeling waarin regelsover de registratie van gevraagde en verleende rechtshulp kunnenworden vastgelegd.Artikel 8.5.1 [definitie EOB]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.4.1, eerste lid,voor zover die bepaling een definitie bevat van het Europees onderzoeks-bevel. Voor het overige keert de inhoud van artikel 5.4.1 terug in artikel8.5.2. Er is voor gekozen om niet de definitie uit de richtlijn integraal overte nemen, maar om in plaats daarvan een verwijzing naar de richtlijn op teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3250 nemen. Door die verwijzing naar artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn EOBwordt duidelijk dat het moet gaan om een bevel dat is opgesteld enuitgevaardigd conform de in de richtlijn opgenomen bepalingen, voor dealdaar genoemde gevallen (zie ook de artikelen 3 en 4 van de RichtlijnEOB).Artikel 8.5.2 [reikwijdte]Zoals bij artikel 8.5.1 aangegeven betreft die bepaling samen met ditartikel de omzetting van het huidige artikel 5.4.1. Het huidige vierde lidvan artikel 5.4.1 – waarin is bepaald dat een EOB wordt opgesteld conformhet formulier in bijlage A bij de Richtlijn EOB – keert niet terug. Dat deNederlandse autoriteiten gebruik moeten maken van dit formulier (zieartikel 5 Richtlijn EOB) volgt immers al uit artikel 8.5.5, eerste lid, en datNederland moet toetsen of de buitenlandse autoriteiten aan dezeverplichting hebben voldaan, volgt al uit artikel 8.5.15.Eerste lidDit artikellid betreft de omzetting van het huidige artikel 5.4.1, eerste lid,naar het nieuwe wetboek, voor zover het gaat om de doelen waarvoor eenEOB kan worden uitgevaardigd. Artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn EOBgeeft immers niet alleen een definitie van het EOB (zie artikel 8.5.1), maarregelt ook – via die definitie – in combinatie met de artikelen 3 en 4 van derichtlijn, voor welk doel een EOB kan worden uitgevaardigd. Dat doel isom in een andere lidstaat een of meer bevoegdheden te laten uitoefenenmet het oog op verkrijging van bewijsmateriaal in een strafzaak (vgl.artikel 4 van de richtlijn). Het kan ook gaan om bewijsmateriaal dat al inhet bezit is van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat (artikel1, eerste lid, tweede zin, van de Richtlijn EOB). Zie voor een toelichting ophet begrip «bewijsmateriaal» de inleiding op dit hoofdstuk onder «enkeleterminologische aspecten». Van belang is dat de term «strafzaak» in dezerichtlijn een autonome betekenis heeft. Onder omstandigheden vallenhieronder ook civiele of administratieve procedures. Gedacht kan wordenaan een civiele of administratieve procedure ten aanzien van eenrechtspersoon. Een dergelijke procedure valt alleen onder de reikwijdtevan het begrip «strafzaak» indien het gaat om een procedure ten aanzienvan een rechtspersoon die samenhangt met een strafrechtelijke procedure(tegen natuurlijke personen) en die verband houdt met een strafbaar feitof een wetsovertreding waarvoor die rechtspersoon in de uitvaardigendelidstaat aansprakelijk gesteld of gestraft kan worden (artikel 4, onderdeeld, van de Richtlijn EOB). Voor de uitvaardiging door Nederland van eenEOB heeft dit laatste geen betekenis. In Nederland kunnen rechtspersonenimmers strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 51 van hetWetboek van Strafrecht; zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 611, nr. 3, p.23 (toelichting bij artikel 4 van de Richtlijn EOB)). De bepaling is in derichtlijn opgenomen omdat er lidstaten zijn waar rechtspersonen niet viahet strafrecht aansprakelijk kunnen worden gesteld voor strafbare feiten.In dergelijke lidstaten kunnen – mede gelet op de verplichtingen daartoeuit materieel strafrechtelijke EU-instrumenten – rechtspersonen wel viahet bestuurs- of civiele recht ter verantwoording worden geroepen voor(bepaalde) strafbare feiten die door hen zijn gepleegd. EOB’s uitge-vaardigd door die lidstaten die betrekking hebben op een dergelijkeprocedure, moeten op grond van de richtlijn door Nederland wordenerkend en uitgevoerd voor zover die procedure samenhangt met eenstrafrechtelijke procedure (tegen natuurlijke personen) en direct verbandhoudt met de aansprakelijkheidsstelling van die rechtspersoon voor eenstrafbaar feit.Blijkens de bepaling wordt een EOB uitgevaardigd door een rechterlijkeautoriteit van een lidstaat. De term «rechterlijke autoriteit» moet wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3251 uitgelegd overeenkomstig artikel 2, onderdeel c, van de Richtlijn EOB. Datbetekent dat hieronder ook wordt verstaan de officier van justitie. Zie indit verband ook ECLI:EU:C:2020:1002 en het verslag van de Commissieaan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Richtlijn2014/41/EU (COM(2021) 409 final), p. 4. Anders dan in het huidige artikel5.4.1, eerste lid, is geen uitzondering opgenomen voor Ierland enDenemarken. Uit artikel 8.1.2, tweede lid, volgt al dat niet gedoeld wordtop een beslissing afkomstig van een rechterlijke autoriteit uit een van dezelanden, aangezien deze landen niet gebonden zijn door de Richtlijn EOB(zie de overwegingen 44 en 45 bij de richtlijn).Tweede lidMet dit artikellid, dat overeenkomt met het huidige artikel 5.4.1, tweedelid, wordt de inhoud artikel 4, onderdelen b en c, Richtlijn EOBopgenomen in de wet. Die artikelonderdelen van de richtlijn voorzien inde mogelijkheid om een EOB uit te vaardigen voor het onderzoek naarstrafbare feiten die bestuursrechtelijk worden afgedaan. Gedacht kanworden aan de administratieve handhaving van verkeersvoorschriften.Derde lidEen EOB kan niet worden gebruikt in het kader van een gemeenschap-pelijk onderzoeksteam. De meerwaarde van een dergelijk team is immersdat bewijsmateriaal binnen dit team gedeeld kan worden zonder datdaarvoor een rechtshulpverzoek of EOB nodig is. Zie ook de toelichtendenota bij het aanvankelijke richtlijnvoorstel (Raad van de Europese Unie,9288/10 COPEN 117 ADD 1, p. 5). In artikel 3 van de Richtlijn EOB wordtdan ook bepaald dat het EOB niet ziet op de instelling en de bewijsver-garing in het kader van een gemeenschappelijk onderzoeksteam. Ditvoorschrift, dat in het huidige artikel 5.4.1, derde lid, is opgenomen, wordtmet onderhavig artikellid in het nieuwe wetboek vastgelegd. Voor hetinstellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt verwezennaar Hoofdstuk 3.Artikel 8.5.3 [lagere regelgeving]Deze bepaling, die de omzetting van het huidige artikelen 5.4.30 naar hetnieuwe wetboek betreft, voorziet in een grondslag voor nadere regel-geving over de uitvaardiging, erkenning en uitvoering van een EOB.TITEL 5.2Uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevelDeze titel ziet op de situatie waarin Nederland een EOB uitvaardigt en dusals uitvaardigende lidstaat optreedt. Het betreft de omzetting van dehuidige vierde afdeling van Titel 4 van het Vijfde Boek, met uitzonderingvan de bepalingen inzake rechtsmiddelen, die zoals in de inleiding op dithoofdstuk aangegeven, terugkeren in Titel 5.4.AFDELING 5.2.1Algemene bepalingen over de uitvaardiging van een EuropeesonderzoeksbevelIn deze afdeling keren de algemene bepalingen over de uitvaardiging vaneen EOB die in het huidige wetboek zijn opgenomen in de artikelen 5.4.21tot en met 5.4.23, terug. De voorschriften in deze afdeling geldenongeacht op welke bevoegdheid het EOB betrekking heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3252 Artikel 8.5.4 [uitvaardiging EOB]De inhoud van het huidige artikel 5.4.21 is in dit artikel overgenomen. Debepaling bevat de voorschriften over de uitvaardiging van een EOB envormt daarmee de implementatie van de artikelen 1, eerste lid, 2,onderdeel c, en 6, eerste en tweede lid, van de Richtlijn EOB.Eerste lidDit voorschrift komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.21,eerste lid. Er is een enkele redactionele wijziging doorgevoerd om deformulering meer te laten aansluiten bij artikel 8.2.3, eerste lid. Zoals bijartikel 8.5.2, eerste lid, toegelicht, kan ook de officier van justitie – die hier,net als in het huidige 5.4.21, eerste lid, is aangewezen als een uitvaardi-gende autoriteit – als zodanig worden aangemerkt.Tweede lidDit artikellid beschrijft de voorwaarden waaraan moet zijn voldaanvoordat een EOB kan worden uitgevaardigd. Daarmee is het huidigeartikel 5.4.21, tweede lid, naar het nieuwe wetboek omgezet. Ten opzichtevan die bepaling zijn in onderdeel b enkele redactionele wijzigingendoorgevoerd om de formulering meer in lijn te brengen met artikel 8.2.4.Artikel 8.5.5 [inhoud en taal EOB]Deze bepaling bevat voorschriften over de inhoud en de taal van het EOBdie in het huidige wetboek zijn opgenomen in artikel 5.4.22. Dezevormvoorschriften geven uitvoering aan de corresponderende vormvoor-schriften in de artikelen 5 en 9 van de Richtlijn EOB. De inhoud van hethuidige artikel 5.4.22, vijfde lid, keert terug in artikel 8.5.12, nu diebepaling aanvullende voorschriften bevat die alleen gelden in gevallenwaarin een aantal specifieke bevoegdheden (vordering verstrekkingtoekomstige gegevens, gecontroleerde aflevering, infiltratie) wordtingezet.Eerste lidDit lid komt inhoudelijk overeen met de huidige artikelen 5.4.1, vierde lid,en 5.4.22, eerste lid. De bepaling betreft de implementatie van artikel 5,eerste lid, eerste zin, van de Richtlijn EOB, dat voorschrijft dat deuitvaardigende autoriteit gebruikmaakt van het in de bijlage bij de richtlijnopgenomen formulier.Tweede lidOp grond van artikel 5, eerste lid, tweede zin, van de Richtlijn EOB dienteen EOB ten minste de aldaar opgesomde informatie te bevatten. Dezebepaling is in het huidige wetboek geïmplementeerd door artikel 5.4.22,tweede lid, en is met dit voorschrift omgezet naar het nieuwe wetboek.Omdat de volgorde van de artikelen in het nieuwe wetboek wijzigt tenopzichte van het huidige wetboek – eerst worden de bepalingenopgenomen over de uitvaardiging van een EOB, pas daarna debepalingen over de uitvoering van een EOB – is in het nieuwe wetboekgeen verwijzing naar een andere bepaling opgenomen, zoals in hethuidige artikel 5.4.22, tweede lid, wel het geval is. In plaats daarvan wordtuitgeschreven welke informatie een EOB ten minste dient te bevatten.Ten opzichte van de opsomming in het huidige artikel 5.4.3 dat ziet op desituatie waarin Nederland de ontvangende staat is (zie artikel 8.5.15), keertin onderdeel a de zinsnede «en, indien van toepassing, de validerendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3253 autoriteit» niet terug. Deze zinsnede houdt verband met de mogelijkheiddie artikel 2, onderdeel c, onder ii, van de richtlijn biedt om een andereautoriteit dan een rechter of officier van justitie aan te wijzen als uitvaardi-gende autoriteit. In dat geval moet het EOB, voordat het wordt verzonden,worden gevalideerd door een rechter of officier van justitie. Nu Nederlandgeen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid – de officier vanjustitie, rechter-commissaris en het gerecht zijn in artikel 8.5.4 alsuitvaardigende autoriteit aangewezen – hoeft deze zinsnede niet teworden opgenomen. Dat doet er niet aan af dat indien op grond vanNederlands recht een machtiging van de rechter-commissaris vereist isvoor de toepassing van een bevoegdheid die wordt opgenomen in hetbevel, die machtiging moet zijn verkregen voordat een EOB wordtuitgevaardigd (zie artikel 8.5.4, tweede lid, onder b).Derde lidDit lid komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.22, derde lid.De bepaling betreft de omzetting van artikel 9, tweede en vierde lid, vande Richtlijn EOB, die kort gezegd inhouden dat de uitvoerende autoriteitzo veel mogelijk «de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijkaangegeven vormvoorschriften en procedures in acht [neemt]» en dat deuitvaardigende autoriteit kan verzoeken om aanwezig te zijn bij debevoegdheidsuitoefening door de uitvoerende staat. Ten opzichte van dehuidige wettekst is de term «vormvereisten» vervangen door «formali-teiten en procedures» om de tekst meer in lijn te brengen met artikel8.2.12, tweede lid. De tekst van de richtlijn biedt hiervoor ruimte, zo blijktook uit de Engelse («formalities and procedures») en Franse («lesformalités et procédures») richtlijntekst. Er is dus geen inhoudelijkewijziging beoogd.Vierde lidDit artikellid ziet op de inhoud van een bevel dat wordt uitgevaardigd teraanvulling van een eerder EOB. Het gaat dan bijvoorbeeld om een bevelwaarin om de inzet van een aantal aanvullende bevoegdheden wordtgevraagd ten aanzien van dezelfde verdachte in het kader van dezelfdestrafzaak of om verlenging van de toepassing van de bevoegdheden die inhet eerdere EOB waren opgenomen. Het artikellid vervangt zonderaanpassingen de inhoud van het huidige artikel 5.4.22, vierde lid, eerstetwee zinnen. Het betreft de implementatie van artikel 8, eerste en derdelid, van het EOB. De derde zin van het huidige artikel 5.4.22, vierde lid,keert terug in artikel 8.5.6, derde lid, omdat het een uitzondering bevat opde aldaar opgenomen regeling over de verzending van het EOB.Vijfde lidDit lid – dat betrekking heeft op de vertaling van het formulier in deofficiële taal van de uitvoerende lidstaat dan wel een andere door dielidstaat opgegeven taal – komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel5.4.22, zesde lid. Met de bepaling is artikel 5, derde lid, van de RichtlijnEOB geïmplementeerd.Artikel 8.5.6 [verzending EOB]In dit artikel zijn de bepalingen uit de huidige artikelen 5.4.22, vierde lid,en 5.4.23 over de verzending van het EOB en de (daaropvolgende)communicatie tussen de uitvaardigende autoriteit (de Nederlandse officiervan justitie, rechter-commissaris of het gerecht) en de uitvoerendeautoriteiten overgenomen in het nieuwe wetboek. Daarmee wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3254 uitvoering gegeven aan soortgelijke voorschriften in de artikelen 7 en 8van de Richtlijn EOB.Eerste lidArtikel 7, eerste lid, van de Richtlijn EOB voorziet in de mogelijkheid totverzending van EOB’s tussen de justitiële autoriteiten. Deze bepaling ismet dit artikellid omgezet naar Nederlands recht. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.4.23, eerste lid, komt het woord «rechtstreeks» tevervallen. Op grond van artikel 7, derde lid, van de richtlijn EOB kunnenlidstaten een centrale autoriteit aanwijzen die (onder andere) kan wordenbelast met de administratieve toezending en de ontvangst van EOB’s.Nederland heeft van deze mogelijkheid geen gebruikgemaakt. ZieKamerstukken II 2016/17, 34 611, nr. 3, p. 24. Dat betekent dat de Neder-landse uitvoerende autoriteiten «rechtstreeks» (zonder gebruikmaking vaneen Nederlands contactpunt) een EOB verzenden. Dit staat er niet aan inde weg dat deze communicatie verloopt via de Internationale rechtshulp-centra (IRC’s), die niet moeten worden beschouwd als een centraleautoriteit in de zin van de richtlijn EOB. Door middel van de verklaring aande Europese Commissie waarin de uitvaardigende en uitvoerendeautoriteiten voor Nederland zijn opgegeven, is doorgegeven dat aanNederland gerichte EOB’s bij voorkeur dienen te worden verzonden aande officier van justitie bij een van de IRC’s.Het voorgaande neemt niet weg dat andere lidstaten wel van demogelijkheid om een contactpunt aan te wijzen gebruik kunnen hebbengemaakt. Het woord «rechtstreeks» – dat in artikel 7, eerste lid, van derichtlijn EOB ook niet is opgenomen – zou de onjuiste indruk kunnenwekken dat de Nederlandse uitvaardigende autoriteit geen gebruik hoeftte maken van deze contactpunten. Daarbij wordt opgemerkt dat deaangewezen contactpunten een louter administratieve functie hebben,zoals volgt uit artikel 7, derde lid, van de Richtlijn EOB. Zij kunnen nietbeslissen over de erkenning en de uitvoering van het EOB. Daaroverbeslist de uitvoerende autoriteit, zo volgt uit artikel 9 van de Richtlijn EOB.Tweede lidIn het tweede lid is het huidige artikel 5.4.23, tweede lid, overgenomen,waarmee artikel 7, tweede en zevende lid, van de Richtlijn EOB isgeïmplementeerd. De bepaling ziet op de verdere officiële communicatie,die eveneens – en volgens de richtlijn «rechtstreeks» – tussen de justitiëleautoriteiten onderling kan plaatsvinden.Derde lidDit voorschrift komt inhoudelijk overeen met artikel 5.4.22, vierde lid,derde volzin. De bepaling betreft de implementatie van artikel 8, tweedelid, van de Richtlijn EOB. Zoals bij artikel 8.5.5, vierde lid, toegelicht, isdeze bepaling opgenomen omdat het een uitzondering bevat op de in heteerste lid opgenomen regeling over de verzending van het EOB. Het gaathierbij om de bijzondere situatie waarbij de uitvaardigende autoriteit – indit geval de Nederlandse officier van justitie of rechter(-commissaris) – bijde uitvoering van het EOB in de uitvoerende lidstaat aanwezig is. Tijdensdie uitvoering kan die een eventueel aanvullend bevel rechtstreeks aan deuitvoerende autoriteit richten, zodat de aanvullende maatregeleneventueel meteen tijdens de actie kunnen worden uitgevoerd. Dat nieuwebevel hoeft dus niet via de uitvaardigende lidstaat – in dit gevalNederland – te lopen. Ook hoeft het aanvullende bevel in dit geval niet viade eventueel aangewezen administratieve contactpunten te lopen. Zie detoelichtende nota bij het aanvankelijke richtlijnvoorstel (Raad van deEuropese Unie, 9288/10 COPEN 117 ADD 1, p. 8). Deze afwijkendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3255 procedure wordt niet alleen tot uitdrukking gebracht door het gebruik vanhet woord «rechtstreeks», maar ook door het gebruik van het begrip «terbeschikking stellen» in plaats van «toezenden».AFDELING 5.2.2Nadere bepalingen over de uitvaardiging van een Europeesonderzoeksbevel dat betrekking heeft op bepaalde bevoegdhedenIn deze afdeling zijn voor een aantal bevoegdheden aanvullendebepalingen opgenomen, zoals ook de Richtlijn EOB over die onderzoeks-maatregelen enkele specifieke bepalingen bevat. De hier opgenomenvoorschriften zijn aanvullend ten opzichte van de bepalingen in Afdeling5.2.1. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat tenaanzien van een bepaalde bevoegdheid geen afzonderlijke bepaling indeze afdeling is opgenomen, niet betekent dat geen EOB kan wordenuitgevaardigd waarin een andere lidstaat om de uitvoering van dedesbetreffende bevoegdheid wordt gevraagd. Een door Nederlanduitgevaardigd EOB kan in beginsel zien op iedere onderzoeksmaatregeldie in een nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten ook zou kunnenworden uitgeoefend (artikel 8.5.4). Zie over de reikwijdte van de RichtlijnEOB ook artikel 8.5.2 en de algemene inleiding bij dit hoofdstuk. Dat tenaanzien van een bepaalde bevoegdheid geen afzonderlijk voorschrift isopgenomen betekent dus alleen dat ten opzichte van de artikelen 8.5.4 toten met 8.5.6 geen aanvullende voorschriften gelden voor de uitvaardigingvan een daarop betrekking hebbend EOB. Zie in deze zin ook overweging24 van de Richtlijn EOB.Artikel 8.5.7 [videoconferentie]Eerste lidDeze regeling, die ziet op een EOB dat wordt uitgevaardigd met het oogop een videoconferentie, komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel5.4.25, eerste lid. Het betreft de implementatie van artikel 24, eerste lid,van de Richtlijn EOB. De verwijzing naar «andere audiovisuele transmis-siemiddelen» keert in het nieuwe wetboek niet terug. Op grond van artikel1.11.3 vergt videoconferentie immers altijd de totstandkoming van eendirecte beeld- en geluidsverbinding, dus een audiovisuele transmissie.Daarbij wordt niet aangeduid welke transmissiemiddelen daartoe wordeningezet. In lijn met de gebruikte terminologie in het nieuwe wetboek,wordt gesproken over «doen horen, verhoren of ondervragen». Het ismogelijk om videoconferentie in de fase van de berechting toe te passenmet het oog op het verhoren of ondervragen van getuigen en deskun-digen. In dat geval is immers – in de terminologie van de richtlijn – sprakevan «verhoren» (artikel 24 van de richtlijn) en is het doel van detoepassing van videoconferentie «het verkrijgen van bewijsmateriaal»(artikel 1, eerste lid, van de richtlijn). Het toepassen van videoconferentieals volledig alternatief voor de fysieke aanwezigheid van de verdachtegedurende zijn berechting is op grond van de Richtlijn EOB niet mogelijk.Er is dan immers geen (of niet uitsluitend of in hoofdzaak) sprake van hetverzamelen van bewijsmateriaal. Indien de wens bestaat de verdachte tevervolgen en berechten dient een Europees aanhoudingsbevel (EAB) teworden uitgevaardigd. Vgl. overweging 25 bij de richtlijn. Anders dan inartikel 8.2.5 is er echter niet voor gekozen deze uitzondering in dezebepaling te expliciteren, om zo dicht mogelijk bij de tekst van de richtlijnte blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3256 Tweede, derde en vierde lidDeze artikelleden komen inhoudelijk overeen met het huidige artikel5.4.25, tweede, derde en vierde lid, waarmee artikel 24, derde, vierde envijfde lid, van de Richtlijn EOB zijn geïmplementeerd. Daarbij is dezelfdevolgorde van de artikelleden aangehouden als in artikel 8.2.5.Artikel 8.5.8 [tijdelijke terbeschikkingstelling van een buiten-landse gedetineerde aan Nederland]Eerste lidDe mogelijkheid om een EOB uit te vaardigen om een in een anderelidstaat gedetineerde persoon tijdelijk naar Nederland over te brengenvormt het onderwerp van dit voorschrift dat inhoudelijk overeenkomt methet huidige artikel 5.4.26, eerste lid. Het gaat hierbij om de implementatievan artikel 22, eerste lid, van de Richtlijn EOB, voor zover Nederland de rolvan uitvaardigende lidstaat vervult. In lijn met de richtlijntekst is dezinsnede toegevoegd «ter uitoefening van een bevoegdheid voor hetverkrijgen van bewijs waarvoor zijn aanwezigheid in Nederland isvereist». Daarmee wordt verduidelijkt dat, zoals blijkt uit overweging 25van de richtlijn, deze bevoegdheid alleen wordt ingezet ten behoeve vanhet verzamelen van bewijs. Indien het overbrengen van een persoon naarNederland wenselijk is in verband met diens vervolging en berechting dandient een EAB te worden uitgevaardigd. Zie over de betekenis van«bewijs» ook de inleiding op dit hoofdstuk, onder «Enkele terminolo-gische aspecten».Tweede lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.26, tweede lid, komt ongewijzigdterug in dit artikellid. De bepaling ziet op de praktische regeling voor detijdelijke overbrenging en voorziet in de implementatie van artikel 22,vijfde lid, van de richtlijn EOB.Derde lidHet is mogelijk dat het voor de tijdelijke overbrenging nodig is dat debetrokkene over het grondgebied van een of meer andere lidstaten dan deuitvaardigende en de uitvoerende lidstaat (hierna: derde lidstaat) reist. Opgrond van artikel 22, vierde lid, van de Richtlijn EOB wordt dit op verzoekdoor die derde lidstaat toegestaan. In onderhavig artikellid, datovereenkomt met het huidige artikel 5.4.26, derde lid, is bepaald dat deofficier van justitie dit verzoek aan de derde lidstaat doet.Vierde lidDe hier geregelde mogelijkheid tot inverzekeringstelling van de overge-brachte persoon gedurende zijn verblijf in Nederland betreft de omzettingvan het huidige artikel 5.4.26, vierde lid. Samen met hetgeen in het vijfdelid is bepaald, is artikel 22, zesde lid, van de Richtlijn EOB geïmplemen-teerd. Met het huidige artikel 5.4.26, vierde lid, is beoogd aan te sluiten bijartikel 50a, eerste lid, Uitleveringswet (UW) en 58, tweede lid, Overleve-ringswet (OW). Daarbij worden in het huidige artikel 5.4.26, vierde lid, netals in artikel 50a, eerste lid, UW de artikelen 54 en 56, eerste lid, vanovereenkomstige toepassing verklaard, waarmee wordt gedoeld op diebepalingen in de Uitleveringswet. Per abuis is de toevoeging dat het gaatom bepalingen in de Uitleveringswet in het huidige artikel 5.4.26 nietopgenomen. Deze omissie wordt hier hersteld. Omdat het EOB eenEU-rechtsinstrument betreft, is er daarbij voor gekozen om niet langerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3257 naar de bepalingen in de Uitleveringswet te verwijzen, maar naar degelijkluidende bepalingen in de Overleveringswet (eveneens eenuitwerking van een EU-instrument), zoals op dit moment ook gebeurt inartikel 5.4.16 (het nieuwe artikel 8.5.28). Ten overvloede wordt daarbijopgemerkt dat, gelet op artikel 22, zesde lid, van de Richtlijn EOBopschorting van de vrijheidsbeneming overeenkomstig artikel 64, eerstelid, Ow alleen aan de orde kan zijn indien de uitvoerende lidstaat daaromverzoekt.Vijfde lidDe overgebrachte persoon is een persoon die in een andere lidstaatrechtens zijn vrijheid is ontnomen, bijvoorbeeld omdat hij daar isveroordeeld voor een strafbaar feit. Het uitgangspunt (zie het vierde lid) isdan ook dat deze persoon in Nederland in verzekering wordt gesteld.Hierop is overeenkomstig artikel 22, zesde lid, van de richtlijn EOB eenuitzondering geformuleerd in onderhavig artikellid. Indien de uitvoerendestaat – dat is in dit geval de staat waaruit de betrokken persoon afkomstigis – daarom verzoekt, wordt de overgebrachte persoon in vrijheid gesteld.Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de detentietitel in de uitvoerendelidstaat afloopt. Ten opzichte van het huidige artikel 5.4.26, vijfde lid, is detekst meer in lijn gebracht met de tekst van de richtlijn.Zesde, zevende en achtste lidDeze artikelleden bevatten enkele aanvullende voorschriften over deonschendbaarheid van de overgebrachte persoon (zesde en zevende lid)en de kosten voor de overbrenging (achtste lid). De bepalingen komenovereen met het huidige artikel 5.4.26, zesde, zevende en achtste lid, enbetreffen de implementatie van artikel 22, zevende, achtste, negende entiende lid, van de Richtlijn EOB.Artikel 8.5.9 [tijdelijke terbeschikkingstelling gedetineerde aanhet buitenland ten behoeve van uitvoering van een EOB uitge-vaardigd door Nederland]Net als artikel 8.5.8 ziet deze bepaling op, kort gezegd, de tijdelijketerbeschikkingstelling van een persoon aan wie rechtens zijn vrijheid isontnomen (hierna kortheidshalve: een gedetineerde). In artikel 8.5.8 gaathet om de situatie waarin een in een andere lidstaat gedetineerde persoonop basis van een EOB naar Nederland wordt gebracht, met het oog op hetverrichten van onderzoekshandelingen – bijvoorbeeld het afnemen vaneen verhoor – door de Nederlandse autoriteiten. In dit artikel gaat het omde situatie waarin op basis van een door Nederland uitgevaardigd EOBeen Nederlandse gedetineerde aan een andere lidstaat ter beschikkingwordt gesteld. Dit kan aan de orde zijn in gevallen waarin het voor deuitvoering van een Nederlandse onderzoekswens in de uitvoerende staatnodig is dat de desbetreffende persoon ook in de uitvoerende staataanwezig is. Gedacht kan worden aan een confrontatie of een recon-structie in de uitvoerende lidstaat, waarbij ook aanwezigheid van de in deuitvaardigende lidstaat gedetineerde persoon gewenst is. Deze bepalingmoet dus worden onderscheiden van artikel 8.5.26, op grond waarvan eenin Nederland gedetineerde persoon tijdelijk wordt overgebracht naar eenandere lidstaat ter uitvoering van door die lidstaat gewenste onderzoeks-handelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3258 Eerste lidDit artikellid, dat inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.4.27,eerste lid, betreft de implementatie van artikel 23, eerste lid, van deRichtlijn EOB. Het gaat hier, zoals gezegd, om de uitvoering van eenonderzoekswens in de uitvoerende lidstaat waarbij de overbrenging vaneen gedetineerde, die in de uitvaardigende lidstaat verblijft, wenselijk is.Met de toevoeging «voor het verkrijgen van bewijs» wordt de tekst meerin lijn gebracht met artikel 23, eerste lid, van de richtlijn EOB, die dezezinsnede eveneens bevat. Zie hierover ook de toelichting op artikel 8.5.8,eerste lid.Tweede lidDeze bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.27,tweede lid. Het bevat enkele voorwaarden waaraan voor uitvaardiging vaneen EOB in dit geval moet zijn voldaan. De bepaling betreft, samen met dehierna nog te bespreken leden drie tot en met zes, de implementatie vanartikel 23, tweede lid, van de Richtlijn EOB, waarin enkele bepalingen uitartikel 22 van de richtlijn EOB van overeenkomstige toepassing zijnverklaard.Derde lidIndien de leeftijd of de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de overte brengen persoon daar aanleiding toe geeft, wordt niet alleen de over tebrengen persoon zelf (zie het tweede lid) maar ook diens wettelijkvertegenwoordiger de mogelijkheid gegeven zijn oordeel te geven over detijdelijke overbrenging, zo wordt hier vastgelegd. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.4.27, derde lid, is «officier van justitie» vervangen door«uitvaardigende autoriteit» nu immers ook de rechter-commissaris of hetgerecht een EOB kan uitvaardigen.Vierde lidDit artikellid ziet op de situatie waarin de betrokkene via het grondgebiedvan een andere lidstaat moet reizen naar de uitvoerende lidstaat (vgl.artikel 8.5.8, derde lid). De bepaling komt inhoudelijk overeen met hethuidige artikel 5.4.27, vierde lid. Anders dan in het derde lid, is in dezebepaling de term «officier van justitie» gehandhaafd. In de praktijk zal hetimmers altijd de officier van justitie zijn die om deze doortocht verzoekt,aangezien hij belast is met de uitvoering van de overbrenging.Vijfde lidTijdens het verblijf in het buitenland dient de overgebrachte persoon – diein Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen – «in hechtenis» teverblijven, zo volgt uit het huidige artikel 5.4.27, vijfde lid, dat met dezebepaling is omgezet naar het nieuwe wetboek. Ten opzichte van debestaande wettekst is een kleine omissie hersteld. De term «uitvaardi-gende lidstaat» is gewijzigd in «uitvoerende lidstaat». Het gaat immersom een persoon die vanuit Nederland tijdelijk wordt overgebracht naarhet buitenland ter uitvoering van een door Nederland uitgevaardigd EOB.De lidstaat waar de betrokkene naartoe wordt overgebracht is in dit gevaldus de uitvoerende lidstaat. Ten opzichte van artikel 5.4.27, vijfde lid, isverder de term «hechtenis» gewijzigd in «detentie». Met de termhechtenis wordt in het Nederlandse strafrecht immers gedoeld op eenspecifieke vrijheidsstraf, terwijl daarop hier niet gedoeld wordt. De termen«hechtenis», «detentie» en «vrijheidsbeneming» zijn ook blijkens deverschillende talenversies van de richtlijn EOB inwisselbare begrippen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3259 verwijzen naar een situatie van opsluiting of gevangenzetting. Zo wordenin de Nederlandse versie van de richtlijn zowel de termen «hechtenis» en«detentie» als «vrijheidsbeneming» gebruikt. In de Engelse versie wordtzowel het begrip «custody» als «detention» gebruikt en in de Duitse versiezowel «Haft» als «Freiheitsentzugs». Vgl. ECLI:EU:2016:610, r.o. 37–40. Hetis in dit geval aan de uitvoerende autoriteit om op de aldaar geldendetitels voor vrijheidsbeneming te voorzien in de vrijheidsbeneming van debetrokkene die tijdelijk is overgebracht naar die lidstaat.Daarnaast is, net als in het derde lid, de term «officier van justitie»vervangen door «uitvaardigende autoriteit». Verder is toegevoegd hetvoorschrift voor de Nederlandse autoriteiten om, conform artikel 23,tweede lid, jo. artikel 22, zesde lid, van de Richtlijn EOB, na deoverbrenging de andere lidstaten te verzoeken om de vrijheidsbenemingop te heffen wanneer naar Nederlands recht de grondslag daarvoor iskomen te vervallen. Dit laatste moet ruim worden uitgelegd. Er wordt nietalleen gedoeld op situaties waarin bijvoorbeeld de gronden voor devoorlopige hechtenis zijn komen te vervallen of een opgelegde strafvolledig ten uitvoer is gelegd, maar bijvoorbeeld ook op situaties waaringratie is verleend of de vrijheidsbeneming naar Nederlands recht wordtgeschorst of opgeschort.Zesde lidDeze bepaling betreft de omzetting van het huidige artikel 5.4.27, zesdelid. Ten opzichte van dat voorschrift is een kennelijke verschrijvinghersteld. De term «uitvaardigende lidstaat» is vervangen door «uitvoe-rende lidstaat». En net als in het vijfde lid is de term «hechtenis»vervangen door «detentie».Zevende lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.27, zevende lid, is met dit artikellidomgezet naar het nieuwe wetboek. Nu de betrokkene vanuit Nederlandnaar een andere lidstaat wordt vervoerd en weer terug, is ten opzichte vande huidige wettekst «naar en van Nederland» vervangen door «naar envan de uitvoerende lidstaat».Artikel 8.5.10 [vastlegging van telecommunicatie]Eerste lidDe hier voorziene mogelijkheid tot uitvaardiging van een EOB voor hetvastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13 betreft deomzetting naar het nieuwe wetboek van het huidige artikel 5.4.28, eerstelid. Met de bepaling is artikel 30, eerste en tweede lid, van de RichtlijnEOB geïmplementeerd. De tekst van het eerste lid is redactioneel meer inlijn gebracht met die richtlijnbepaling. Net als elders in Boek 8 wordt hier– in lijn met de terminologie in Boek 2 – de term «communicatie alsbedoeld in artikel 2.8.13» gebruikt. Daarmee is geen inhoudelijke wijzigingbeoogd. Zoals beschreven in de toelichting op artikel 2.8.13 heeft datartikel immers betrekking op telecommunicatie (communicatie dieplaatsvindt door middel van een aanbieder van een communicatiedienst).Tweede lidDit voorschrift komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.28,tweede lid, en betreft de implementatie van artikel 30, derde lid, van deRichtlijn EOB. De term «interceptie» – die ook in de richtlijn wordtgebruikt – is hier overgenomen, omdat – zoals uit het nieuwe vierde lidblijkt – de vastlegging van de communicatie op verschillende wijze kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3260 worden uitgevoerd, onder andere door rechtstreekse doorgeleiding(waarbij de communicatie pas in Nederland wordt vastgelegd).Derde lidHet huidige artikel 5.4.28, derde lid, is met deze bepaling omgezet naar hetnieuwe wetboek. Het betreft de implementatie van artikel 30, vierde lid,van de Richtlijn EOB. Net als in het tweede lid, wordt ook hier het woord«interceptie» gebruikt in plaats van «opnemen» of «vastleggen».Vierde lidDeze nieuwe bepaling correspondeert met artikel 30, zesde lid, van deRichtlijn EOB. Voor de situatie waarin Nederland de uitvoerende lidstaatis, is in artikel 8.5.29 (het huidige artikel 5.4.17) al bepaald dat in overlegwordt getreden over de wijze van uitvoering van de interceptie en dedoorgeleiding van de resultaten daarvan. Ook voor de situatie waarinNederland de uitvaardigende lidstaat is, is op deze plaats nu explicietbepaald dat hierover in overleg wordt getreden met – in dit geval – deuitvoerende lidstaat.Vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.28, vierde lid, – waarmee artikel 30,zevende en achtste lid, van de Richtlijn EOB zijn geïmplementeerd – keertterug in dit artikellid. De term «uitvaardigende autoriteit» is – ten aanzienvan het verzoek – vervangen door «officier van justitie», nu deze, blijkenshet eerste lid, de uitvaardigende autoriteit is.Artikel 8.5.11 [vastleggen van telecommunicatie zonder bijstandbuitenlandse autoriteiten]Deze bepaling ziet op de situatie, voorzien in artikel 31 van de RichtlijnEOB, waarin het vastleggen van telecommunicatie van een persoon diezich in een andere lidstaat bevindt, kan plaatsvinden zonder technischebijstand van die andere lidstaat. De bepaling bevat voor dat geval eenkennisgevingsverplichting. Met de bepaling is het huidige artikel 5.4.29naar het nieuwe wetboek omgezet.Er is, overeenkomstig het huidige recht, geen verwijzing naar artikel 2.7.49opgenomen. Artikel 2.7.49 gaat immers niet uit van het vastleggen vangegevens door de opsporingsautoriteiten zelf, maar voorziet in demogelijkheid tot het geven van een bevel aan een aanbieder om gegevenste verstrekken. De Richtlijn EOB biedt geen grondslag om – zondertussenkomst van een andere lidstaat – bevelen te geven aan aanbieders indie andere lidstaat. Deze gegevens kunnen wel door tussenkomst van deandere lidstaat worden verkregen. Artikel 8.5.12 biedt hiervoor eenregeling. In de toekomst biedt Verordening (EU) 2023/1543 betreffende hetEuropees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voorelektronische bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging vanvrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure (ook wel: dee-evidence verordening) een mogelijkheid om zelf bevelen aan buiten-landse aanbieders te geven (onder meer) met het oog op verkrijging vanverkeersgegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3261 Artikel 8.5.12 [vordering verstrekking gegevens, gecontroleerdeaflevering, infiltratie]Eerste lidHet huidige artikel 5.4.22, vijfde lid, is in dit lid terug te vinden. Hiermeezijn de artikelen 26, vierde en vijfde lid, 27, vierde en vijfde lid, 28, derdelid, en 29, tweede lid, van de Richtlijn EOB omgezet naar Nederlandsrecht. De bepaling wordt hier opgenomen, omdat zij, net als de andereartikelen in deze afdeling, betrekking heeft op aanvullende voorschriftendie alleen gelden voor een aantal specifieke bevoegdheden. Ten opzichtevan de huidige wettekst zijn verwijzingen naar de met de bevoegdhedencorresponderende bepalingen die elders in het wetboek zijn opgenomen,toegevoegd.Ter implementatie van artikel 26, vierde en vijfde lid, van de richtlijn wordtin het huidige artikel 5.4.22, vijfde lid, verwezen naar artikel 126nc. Dezeverwijzing is in het nieuwe wetboek vervangen door een verwijzing naarhet daarmee corresponderende artikel 2.7.46. Daarmee wordt ookuitvoering gegeven aan artikel 27, vierde en vijfde lid, van de richtlijn, nude inhoud van het huidige artikel 126nd eveneens in artikel 2.7.46 isovergenomen. In lijn met de artikelen 26 en 27 van de Richtlijn EOB wordtdaarbij een beperking aangebracht tot verstrekking van gegevensbetreffende bankrekeningen, andere financiële rekeningen, bankoperatiesen financiële operaties van andere financiële instellingen. Deze beperkingis niet alleen van belang omdat in andere gevallen in het EOB geenaanvullende informatie hoeft te worden verschaft over waarom degegevens van belang zijn voor de strafzaak, zoals blijkt uit onderhavigartikellid, maar ook omdat er in andere gevallen geen sprake is van eenaanvullende weigeringsgrond (vgl. artikel 8.5.31, eerste lid) die door deuitvoerende lidstaat kan worden ingeroepen. In lijn met artikel 26, vijfdelid, van de Richtlijn EOB en overeenkomstig het huidige artikel 5.4.22,vijfde lid, wordt bepaald dat indien sprake is van een bevel tot hetverstrekken van gegevens over bankrekeningen en andere financiëlerekeningen informatie wordt verschaft die de uitvoering ervan kanvergemakkelijken.Artikel 28 van de Richtlijn EOB ziet op onderzoeksmaatregelen waarbijrechtstreeks, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspannebewijsmateriaal wordt verzameld. In artikel 28, eerste lid, van de richtlijnworden het verzamelen van toekomstige gegevens van bancaire of anderefinanciële operaties en gecontroleerde aflevering als voorbeelden hiervangenoemd. In de transponeringstabel bij het implementatiewetsvoorstelwordt in dit verband verwezen naar de huidige artikelen 126ne, 126g, 126i,126o en 126q. In het nieuwe wetboek gaat het bij bevoegdheden waarbijrechtstreeks, doorlopend en gedurende een bepaalde tijdspannebewijsmateriaal wordt verzameld (en die niet ook onder «infiltratie»vallen; zie hierna) om de bevoegdheden opgenomen in de artikelen 2.7.49(bevel verstrekking toekomstige gegevens), 2.8.7 (stelselmatige obser-vatie) en 2.8.15 (vastleggen vertrouwelijke communicatie) en de nieuwebevoegdheden opgenomen in de artikelen 2.8.8 (stelselmatig overnemenvan persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen) en 2.8.18(stelselmatige locatiebepaling). Er is geen verwijzing opgenomen naarartikel 2.8.13, omdat voor het vastleggen van communicatie op grond vandie bepaling een afzonderlijke regeling is opgenomen in artikel 8.5.10. Tenaanzien van de «gecontroleerde aflevering» is ervoor gekozen deze termin de wet te handhaven. In het toelichtend rapport bij deEU-rechtshulpovereenkomst, die een soortgelijke bepaling bevat, is overdit begrip opgenomen dat het overeenkomstig de nationale wet enpraktijken dient te worden uitgelegd. Als voorbeeld wordt genoemd hetgeval waarin een illegale zending met de instemming van de betrokkenlidstaten is onderschept en er vervolgens toestemming is verleend om hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3262 transport – hetzij met de oorspronkelijke inhoud hetzij met een geheel ofgedeeltelijk vervangen inhoud – voort te zetten. Zie de toelichting bijartikel 12 in het Toelichtend rapport bij de EU-rechtshulpovereenkomst.Naar Nederlands recht zal veelal sprake zijn van uitstel van inbeslag-neming overeenkomstig artikel 2.8.5. De «gecontroleerde aflevering»omvat echter blijkens voorgaande omschrijving meer. Ook kan deaflevering gepaard gaan met de inzet van andere bevoegdheden,bijvoorbeeld stelselmatige observatie, om de voorwerpen te volgen(«gecontroleerd»).In het huidige artikel 5.4.22, vijfde lid, wordt ter implementatie van artikel29 van de Richtlijn EOB verwezen naar «infiltratie». Hieronder worden indit verband mede verstaan de bevoegdheden inzake pseudo-koop of-dienstverlening en het stelselmatig inwinnen van informatie. Ook dan isimmers sprake van «infiltreren of werken met een fictieve identiteit»(artikel 29, eerste lid, Richtlijn EOB). Zie nader: Kamerstukken II 2016/17,34 611, nr. 3, p. 16. In de transponeringstabel bij de memorie vantoelichting van de implementatiewetgeving wordt bij deze richtlijnbe-paling verwezen naar de huidige artikelen 126h, 126i, 126j, 126p, 126q en126qa. In dit artikellid is dan ook – naast naar infiltratie (artikel 2.8.12) –een verwijzing naar de desbetreffende bevoegdheden (artikelen 2.8.10 en2.8.11) opgenomen, evenals naar de bevoegdheid om burgers hierbijbijstand te laten verlenen (artikel 2.8.19).Tweede en derde lidToegevoegd ten opzichte van de huidige wettekst zijn twee artikelledenover het overleg met de uitvoerende lidstaat. Zij komen inhoudelijkovereen met soortgelijke voorschriften opgenomen in het huidige artikel5.4.19, dat ziet op de situatie waarin Nederland de uitvoerende autoriteit is(zie artikel 8.5.31). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het overlegover de bevoegdheden tot het verstrekken van toekomstige gegevens engecontroleerde aflevering (tweede lid) en overleg over «infiltratie» (derdelid). Dit houdt ermee verband dat in de richtlijn ook een onderscheidtussen deze situaties wordt aangebracht in die zin dat artikel 29, vierde lid(over «infiltratie») een nadere duiding geeft van een aantal onderwerpenwaarover afspraken dienen te worden gemaakt en in die bepaling hetnationale recht van de betrokken lidstaten sterker wordt gepositioneerddan in artikel 28, tweede lid (over verstrekking van toekomstige gegevensen gecontroleerde aflevering). Artikel 29 van de Richtlijn EOB geeft deuitvoerende lidstaat ook meer ruimte om de erkenning en uitvoering vanhet EOB te weigeren. Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 8.5.31.Artikel 8.5.13 [voorlopige maatregelen]In dit artikel is de inhoud van het huidige artikel 5.4.24 overgenomen.Hiermee is artikel 32 van de richtlijn geïmplementeerd. Nu de bepalingeen vrij specifieke situatie betreft waarin een EOB wordt uitgevaardigd omeen voorlopige maatregel te treffen om, kort gezegd, de vernietiging vanbewijsmateriaal te voorkomen, is ervoor gekozen haar achter de overigebepalingen in deze afdeling te plaatsen. De redactie is daarbij meer in lijngebracht met de tekst van artikel 32 van de richtlijn en artikel 8.5.32,waarin de situatie is geregeld waarbij Nederland uitvoering moet gevenaan een EOB strekkende tot een voorlopige maatregel uitgevaardigd dooreen andere lidstaat. Van belang is dat dit artikel uitsluitend ziet opvoorlopige maatregelen met het oog op bewijsverkrijging. Voor zover hetbijvoorbeeld gaat om beslag ten behoeve van confiscatie, kan wordenteruggevallen op andere instrumenten, waaronder in het bijzonder de Vo.2018/1805 (zie hoofdstuk 6). Zie over hoe deze maatregelen in elkaarkunnen overlopen overweging 34 bij de Richtlijn EOB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3263 TITEL 5.3Erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevelDeze titel ziet op de situatie waarin Nederland een EOB vanuit een anderelidstaat ontvangt en dus als uitvoerende lidstaat optreedt. Net als Titel 5.2is deze titel onderverdeeld in twee afdelingen: een afdeling met algemenebepalingen over – in dit geval – de erkenning en uitvoering van het EOB –en een afdeling waarin nadere bepalingen zijn opgenomen over deuitvoering van een EOB dat betrekking heeft op bepaalde bevoegdheden.AFDELING 5.3.1Algemene bepalingen over de erkenning en uitvoering van eenEuropees onderzoeksbevelDe inhoud van de bepalingen die zijn opgenomen in het huidige VijfdeBoek, Titel 4, Tweede afdeling (Uitvoering van een Europees onderzoeks-bevel) keert hier terug in het nieuwe wetboek.Ten opzichte van het huidige wetboek is de volgorde van een aantalbepalingen gewijzigd. De afdeling vangt aan met de bepalingen diebetrekking hebben op de ontvangst en de beslissing over de erkenning enuitvoering van het EOB (artikelen 8.5.14 tot en met 8.5.18; correspon-derend met de huidige artikelen 5.4.2 tot en met 5.4.4, 5.4.5, eerste lid,5.4.12 en 5.4.6). Daarna volgen voorschriften over de wijze van uitvoeringvan het EOB (artikelen 8.5.19 tot en met 8.5.22; corresponderend met dehuidige artikelen 5.4.5, tweede tot en met zevende lid, 5.4.7 en 5.4.8). Totslot bevat zij een bepaling over de overdracht van het bewijsmateriaal(artikel 8.5.23; corresponderend met huidig artikel 5.4.9) en de aansprake-lijkheid van autoriteiten van een andere lidstaat die aanwezig zijn opNederlands grondgebied (artikel 8.5.24; corresponderend met het huidigeartikel 5.4.11). Het huidige artikel 5.4.10 keert terug in Titel 5.4 over derechtsmiddelen.Artikel 8.5.14 [ontvangst, erkenning en uitvoering van het EOB]Eerste lidIn Nederland is de officier van justitie bevoegd tot erkenning en uitvoeringvan een EOB en dus de «uitvoerende autoriteit» in de zin van de RichtlijnEOB, zo volgt uit het huidige artikel 5.4.2, eerste lid. De inhoud van dezebepaling – waarmee artikel 9, eerste lid, van de Richtlijn EOB is omgezetnaar Nederlands recht – keert terug in deze bepaling. Toegevoegd is datde officier van justitie ook degene is die het EOB in ontvangst neemt.Daarmee wordt in de wet verduidelijkt dat Nederland geen gebruik heeftgemaakt van de mogelijkheid opgenomen in artikel 7 van de Richtlijn EOBom een centrale autoriteit aan te wijzen die is belast met de administra-tieve ontvangst van een EOB. Zie ook de toelichting op artikel 8.5.6, eerstelid, en Kamerstukken II 2016/17, 34 611, nr. 3, p. 24. Overeenkomstig artikel33 van de Richtlijn EOB is doorgegeven dat EOB’s gericht aan Nederlandbij voorkeur dienen te worden verzonden aan de officier van justitie bijeen van de gespecialiseerde Internationale Rechtshulp Centra (IRC).Tweede en derde lidDeze artikelleden komen overeen met het huidige artikel 5.4.2, tweede enderde lid, en geven uitvoering aan de artikelen 7, zesde lid, en 16, eerstelid, van de Richtlijn EOB. Bepaald wordt dat de officier van justitie deuitvaardigende autoriteit binnen een week in kennis stelt van de ontvangstvan het EOB overeenkomstig het daarvoor bedoelde formulier. Indien eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3264 andere autoriteit dan de officier van justitie het EOB ontvangt, bijvoor-beeld de politie, dan is die gehouden het EOB door te zenden aan deofficier van justitie.Vierde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.2, vierde lid – dat ziet op debeslissing van de officier van justitie over de erkenning en uitvoering vanhet EOB – keert terug in dit lid. Het betreft de implementatie van artikel 12,derde lid, van de Richtlijn EOB. De term «dertig dagen» is vervangen door«een maand» om de terminologie in lijn te brengen met de terminologievan het nieuwe wetboek. Blijkens artikel 1.1.13 wordt onder een maandverstaan een periode van dertig dagen.Vijfde lidVoor het geval waarin het bij uitzondering niet mogelijk is om binnendertig dagen te beslissen, is voorzien in de mogelijkheid om de beslis-termijn te verlengen met ten hoogste nog een maand. In dat geval dientde officier van justitie de uitvaardigende autoriteit hierover te informeren.De bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.2, vijfdelid, waarmee artikel 12, vijfde en zesde lid, van de Richtlijn EOB isomgezet naar Nederlands recht.Zesde lidOp grond van artikel 12, tweede lid, van de richtlijn EOB, kan de uitvaardi-gende autoriteit een specifieke termijn aangeven waarop de onderzoeks-maatregel dient te zijn uitgevoerd. Indien het niet mogelijk is om het bevelop die datum uit te voeren, dient de officier van justitie de uitvaardigendeautoriteit hierover te informeren, zo volgt uit artikel 12, vijfde lid, van derichtlijn EOB. Dit voorschrift, dat in het huidige artikel 5.4.2, zesde lid, isopgenomen, keert hier terug in het nieuwe wetboek.Artikel 8.5.15 [vatbaarheid voor erkenning]Dit artikel beschrijft aan welke vormvereisten een EOB moet voldoen omte kunnen worden erkend en ingewilligd (eerste en tweede lid). Daarnaastbevat het enkele bepalingen over contact met de uitvaardigende lidstaatindien er, kort gezegd, bedenkingen zijn over of aan alle (procedurele)vereisten voor uitvaardiging van het EOB is voldaan. Aldus wordt deuitvaardigende lidstaat in de gelegenheid gesteld de ontbrekendeinformatie aan te vullen. De vatbaarheid voor erkenning en uitvoeringworden in de richtlijn onderscheiden van de situatie waarin een weige-ringsgrond kan worden ingeroepen. Op dit laatste ziet artikel 8.5.16.Eerste en tweede lidIn deze artikelleden is de inhoud van het huidige artikel 5.4.3, eerste entweede lid, overgenomen. Het betreft de implementatie van artikel 5 vande Richtlijn EOB, waarin voorschriften over de inhoud en vorm van hetEOB zijn opgenomen.Derde lidBlijkens artikel 9, derde lid, van de Richtlijn EOB wordt een EOB terugge-stuurd naar de uitvaardigende staat indien het bevel niet is uitgevaardigddoor een bevoegde buitenlandse autoriteit. De inhoud van het huidigeartikel 5.4.3, derde lid – waarmee dit voorschrift is geïmplementeerd –keert terug in dit artikellid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3265 Vierde lidDeze bepaling die inhoudelijk overeenkomt met het huidige artikel 5.4.3,vierde lid, geeft uitvoering aan artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van deRichtlijn EOB. Het bevat een voorschrift voor de situatie waarin hetformulier bij het EOB onjuist of onvolledig is ingevuld, waardoor hetnemen van een beslissing over het EOB niet mogelijk is. De inhoud vanartikel 16, tweede lid, onderdelen b en c, van de Richtlijn EOB – over desituatie waarin het passend wordt geacht andere onderzoeksmaatregelenuit te voeren dan waarin oorspronkelijk was voorzien of waarin de door deuitvaardigende staat formaliteiten en procedures niet kunnen wordengevolgd – is geïmplementeerd door middel van het huidige artikel 5.4.5.De inhoud van die bepaling keert in terug in artikel 8.5.17.Vijfde lidHet huidige artikel 5.4.3, vijfde lid, is overgenomen in dit artikellid enbetreft de implementatie van artikel 6, derde lid, van de Richtlijn EOB.Geregeld wordt dat de officier van justitie in overleg kan treden met deuitvaardigende autoriteit wanneer, kort gezegd, de officier van justitieredenen heeft om aan te nemen dat het bevel niet noodzakelijk ofproportioneel is dan wel dat de uitvaardigende lidstaat de in het bevelgevraagde bevoegdheden in een nationaal onderzoek niet had kunnenaanwenden. Zoals destijds bij de implementatie van de Richtlijn EOBuiteen is gezet, gaat het om een voorziening die is opgenomen tervoorkoming van gevallen waarin evident disproportioneel lijkt te wordengehandeld, in de zin van inzet van (ingrijpende) bevoegdheden voorbagatelfeiten. Er is dus geen sprake van een algemene proportionaliteits-toets (zie ook artikel 8.5.20, tweede lid, tweede zin). De verantwoorde-lijkheid voor de beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteitvan de in het EOB opgenomen onderzoeksbevoegdheden ligt primair bijde uitvaardigende lidstaat. Indien het EOB evident disproportioneel lijkt,kan dit aan de orde worden gesteld bij de uitvaardigende lidstaat, zodat inonderling overleg kan worden bepaald hoe verder te handelen. Zie ookKamerstukken II 2016/17, 34 611, nr. 3, p. 7 en Kamerstukken II 2016/17,34 611, nr. 6, p. 2 en overweging 11 bij de Richtlijn EOB.Zesde lidDit artikellid – waarin de voorgaande leden van overeenkomstigetoepassing worden verklaard op een bevel tot aanvulling van een EOB (zieook artikel 8.5.5, vierde lid) – komt overeen met het huidige artikel 5.4.3,zesde lid. Met deze bepaling is artikel 8 van de richtlijn EOB geïmplemen-teerd.Artikel 8.5.16 [weigeringsgronden]In dit artikel zijn de mogelijkheden tot weigering van een EOBopgenomen, zoals die voortvloeien uit artikel 11 van de richtlijn EOB.Daarmee wordt het huidige artikel 5.4.4 omgezet naar het nieuwewetboek.Eerste en tweede lidDeze artikelleden – waarin de weigeringsgronden zijn opgesomd – komeninhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.4, eerste lid en tweede lid.Hiermee is artikel 11, eerste en vierde lid, van de Richtlijn EOB omgezetnaar Nederlands recht. Ten opzichte van de huidige wettekst is «wordtgeweigerd» gewijzigd in «kan worden geweigerd». De huidige formu-lering impliceert immers dat de weigeringsgronden imperatief zijn. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3266 verslag over de implementatie van de Richtlijn EOB spreekt de EuropeseCommissie in dit verband echter over «facultatieve gronden voorweigering». Verderop in dat verslag constateert de commissie dat eenaantal lidstaten «niet aan de richtlijn voldoen, omdat zij (...) verplichte inplaats van facultatieve gronden voor weigering van erkenning ofuitvoering hebben opgenomen». Zie COM (2021) 409 final, p. 8 e.v. en p.15. Ter verzekering van de volledige implementatie van de richtlijn is deredactie van de bepaling op dit punt daarom aangepast.Derde lidHet tweede lid voorziet in een aantal weigeringsgronden die, kortsamengevat, tot gevolg hebben dat een EOB kan worden geweigerdwegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid of omdat niet is voldaanaan de Nederlandse voorwaarden voor inzet van de gevraagdebevoegdheid. Dit derde lid bepaalt dat een EOB niet op deze gronden kanworden geweigerd indien het EOB op een van de in artikel 8.5.20, vierdelid, opgesomde (minder ingrijpende) opsporingsbevoegdhedenbetrekking heeft. Met de bepaling is artikel 11, tweede lid, van de RichtlijnEOB geïmplementeerd. Ten overvloede wordt opgemerkt dat, zoals uit hettweede lid voortvloeit, een EOB evenmin kan worden geweigerd wegenshet ontbreken van dubbele strafbaarheid indien sprake is van een van destrafbare feiten opgesomd in bijlage D bij de Richtlijn EOB.Vierde lidIndien sprake is van een strafbaar feit dat verband houdt met (belasting)-heffingen, kan uitvoering van het EOB niet worden geweigerd op degrond dat het Nederlandse recht niet voorziet in die heffing, zo wordt teromzetting van het huidige artikel 5.4.4, vierde lid, hier vastgelegd. Debepaling betreft de implementatie van artikel 11, derde lid, van de RichtlijnEOB.Vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.4, vijfde lid, keert in het nieuwewetboek terug in dit artikellid. Het voorschrift implementeert artikel 11,vijfde lid, van de Richtlijn EOB. In de bepaling is vastgelegd dat indien eenNederlandse autoriteit bevoegd is tot het opheffen van een voorrecht ofimmuniteit, die autoriteit door de officier van justitie wordt verzocht omopheffing daarvan. Als een autoriteit van een andere staat of eeninternationale organisatie bevoegd is tot opheffing van een immuniteit, isde uitvaardigende autoriteit zelf verantwoordelijk voor het verzoek totopheffing daarvan.Zesde lidMet dit artikellid wordt artikel 16, derde lid, onderdeel a, van de RichtlijnEOB – voor zover dat betrekking heeft op artikel 11 van de Richtlijn EOB(weigeringsgronden) – geïmplementeerd in het nieuwe wetboek. Opgrond van die richtlijnbepaling is de uitvoerende autoriteit gehouden deuitvaardigende autoriteit onmiddellijk te berichten over de weigering vande erkenning en uitvoering van een EOB. Ten opzichte van het huidigeartikel 5.4.4, zesde lid, vervallen de woorden «op een wijze die schriftelijkevastlegging mogelijk maakt». Artikel 1.9.1, tweede lid, impliceert immersdat «kennisgeven» schriftelijk gebeurt, tenzij bij algemene maatregel vanbestuur anders wordt bepaald.Voor zover artikel 16, derde lid, onder a, van de Richtlijn EOB betrekkingheeft op artikel 10 van die Richtlijn (toepassing andere soort onderzoeks-maatregel) is die bepaling geïmplementeerd door middel van het huidigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3267 artikel 5.4.7, vijfde lid, dat in het nieuwe wetboek terugkeert als artikel8.5.20, zesde lid. Ook de inhoud van artikel 16, derde lid, onder b, van deRichtlijn EOB (berichtgeving over uitstel van de tenuitvoerlegging) isopgenomen in die bepaling.Artikel 8.5.17 [spoedige erkenning en uitvoering en kosten]Eerste lidDeze bepaling, die betrekking heeft op de spoedige erkenning enuitvoering van het EOB en overleg over die uitvoering met de uitvaardi-gende autoriteit, komt zonder aanpassingen in de plaats van het huidigeartikel 5.4.5, eerste lid. De bepaling geeft daarmee uitvoering aan deartikelen 9, eerste lid, en 12, eerste lid, van de Richtlijn EOB. De overigeartikelleden van het huidige artikel 5.4.5 – die zien op de wijze waarop hetEOB wordt uitgevoerd en op de bijstand door buitenlandse autoriteiten –keren terug in de artikelen 8.5.19 en 8.5.21.Tweede en derde lidDeze bepalingen voorzien in voorschriften voor gevallen waarin de kostenvoor de uitvoering van een EOB uitzonderlijk hoog zijn. Zij vormen deomzetting van het huidige artikel 5.4.12 naar het nieuwe wetboek enstrekken daarmee tot implementatie van artikel 21 van de Richtlijn EOB. Inhet huidige wetboek is artikel 5.4.12 opgenomen na bepalingen over deuitvoering van het EOB en de overdracht van het bewijsmateriaal, terwijlhet artikel betrekking heeft op de beslisfase die aan de uitvoering van eenEOB voorafgaat. Daarom zijn deze voorschriften in het nieuwe wetboeknaar voren gehaald en hebben zij hier een plaats gekregen.Artikel 8.5.18 [opschorting van erkenning en uitvoering]Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.6 datvoorziet in de mogelijkheid om de erkenning en uitvoering van een EOBtijdelijk op te schorten in het belang van een lopend Nederlands strafrech-telijk onderzoek of waarin de voorwerpen en gegevens waarop het EOBbetrekking heeft worden gebruikt in een andere gerechtelijke procedure.De bepaling betreft de implementatie van de artikelen 12, vijfde en zesdelid, 15 en 16, derde lid, onderdeel b, van de Richtlijn EOB. Zie voor deimplementatie van artikel 12, vijfde en zesde lid, van de richtlijn ook deartikelen 8.5.14, vijfde lid, en 8.5.19, vierde lid.Artikel 8.5.19 [uitvoering EOB]In dit artikel keren de voorschriften over de uitvoering van het EOB terug,die in het huidige wetboek zijn opgenomen in artikel 5.4.5, tweede, derde,vijfde, zesde en zevende lid. De inhoud van het eerste lid van het huidigeartikel 5.4.5 is in het nieuwe wetboek opgenomen in artikel 8.5.17, eerstelid. Zie voor een toelichting op deze indeling de inleiding op deze titel,evenals de toelichting bij artikel 8.5.17. De inhoud van het huidige artikel5.4.5, vierde lid, keert terug in artikel 8.5.21. Hiermee is aansluitinggezocht bij de indeling in Hoofdstuk 2, waarin de bijstand door buiten-landse ambtenaren eveneens in een afzonderlijke bepaling (artikel 8.2.14)is ondergebracht.In het huidige artikel 5.4.5 worden verschillende termen gebruikt om totuitdrukking te brengen dat contact moet worden opgenomen metbuitenlandse autoriteiten, waaronder «mededelen» (artikel 5.4.5, tweedelid) «in kennis stellen» (artikel 5.4.5, zesde lid) en «op de hoogte stellen»(artikel 5.4.5, zevende lid). Hier is in verband met de consistentie gekozenvoor «in kennis stellen». Daarmee wordt blijkens artikel 1.9.1, tweede lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3268 bedoeld dat het bericht in schriftelijke vorm wordt overgedragen, tenzij bijalgemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald. Dit sluit aan bijartikel 16 van de richtlijn, waaruit blijkt dat de berichtgeving aan deuitvaardigende autoriteit op een zodanige wijze moet plaatsvinden datschriftelijke vastlegging mogelijk is.Eerste lidDeze bepaling komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.5,tweede lid. Het betreft de implementatie van artikel 9, tweede lid, enartikel 16, tweede lid, onder c, van de Richtlijn EOB voor het geval waarinNederland de uitvoerende autoriteit is. Zie voor de situatie waarinNederland de uitvaardigende autoriteit is artikel 8.5.5, derde lid. Op grondvan de bepaling moeten de door de uitvaardigende autoriteit in het EOBaangegeven formaliteiten en procedures zo veel mogelijk in acht wordengenomen.Tweede lidBepaald wordt dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eendoor de uitvaardigende autoriteit opgegeven kortere proceduretermijn. Inhet huidige artikel 5.4.5, derde lid, – dat met deze bepaling wordt omgezetnaar het nieuwe wetboek – wordt verwezen naar een kortere doorloop-termijn «dan die welke in dit artikel is gegeven». Deze zinsnede isovergenomen uit artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn EOB. De termijnvan dertig dagen die is opgenomen in artikel 12, derde lid, van de richtlijn,is echter niet in onderhavige bepaling opgenomen, maar in artikel 8.5.14,vierde lid (het huidige artikel 5.4.2, vierde lid). Om die reden is eenverwijzing naar die bepaling ten opzichte van de huidige wetteksttoegevoegd.Derde lidHet huidige artikel 5.4.5, vijfde lid, – dat voorschrijft binnen welke termijneen EOB dient te worden uitgevoerd – is inhoudelijk ongewijzigdovergenomen in dit artikellid. De bepaling betreft de implementatie vanartikel 12, vierde lid, van de Richtlijn EOB. In plaats van de term «negentigdagen» – die in de richtlijn wordt gebezigd – is in lijn met de gebruikteterminologie in het nieuwe wetboek gekozen voor de term «driemaanden». Zoals in de toelichting op artikel 8.5.14, vierde lid, al aan deorde kwam wordt op grond van artikel 1.1.13 onder een maand verstaaneen periode van dertig dagen. Met de gebruikte terminologie van driemaanden wordt dus dezelfde periode aangeduid als in de richtlijn.Vierde lidDit lid – dat de kennisgeving regelt aan de uitvaardigende autoriteit indienhet niet mogelijk is om de termijn na te leven, bijvoorbeeld omdat er eenrechtsmiddel wordt aangewend tegen de uitvoering van het EOB – komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.5, zesde lid. Het betreft deimplementatie van artikel 12, zesde lid, van de richtlijn.Vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.5, zevende lid, keert ongewijzigdterug in deze bepaling. Het betreft de implementatie van artikel 16, tweedelid, onder b, van de Richtlijn EOB dat ziet op de mogelijkheid voor deuitvoerende autoriteit om bij de uitvoering van een EOB onderzoeksmaat-regelen uit te voeren waarin oorspronkelijk niet was voorzien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3269 Artikel 8.5.20 [toepassing bevoegdheden ter uitvoering van eenEOB]Het huidige artikel 5.4.7 bevat een aantal voorschriften over de toepassingvan bevoegdheden bij de uitvoering van een EOB, die voortvloeien uitartikel 10 van de Richtlijn EOB. Voor de betekenis van deze bepaling wordtook verwezen naar overweging 10 bij de Richtlijn EOB. Deze voorschriftenzijn met deze bepaling omgezet naar het nieuwe wetboek.Eerste lidMet deze bepaling wordt artikel 5.4.7, eerste lid, omgezet naar het nieuwewetboek. Daarmee voorziet dit eerste lid – samen met het tweede enderde lid – in de implementatie van artikel 10, eerste lid, van de RichtlijnEOB. In dit eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat bij de uitvoeringvan een EOB alle bevoegdheden kunnen worden ingezet die in eenNederlands opsporingsonderzoek naar hetzelfde strafbare feit zoudenkunnen worden ingezet. Bij de implementatie van de richtlijn EOB is erdestijds voor gekozen om de redactie zoveel mogelijk te laten aansluitenbij de formulering van het huidige artikel 5.1.8 (Kamerstukken II 2016/17,34 611, nr. 3, p. 9.). In overeenstemming met dat uitgangspunt is deredactie in lijn gebracht met artikel 8.2.13, eerste lid.Tweede lidDit artikellid is nieuw ten opzichte van de bestaande wetgeving. Geëxplici-teerd wordt dat, om een bevoegdheid te kunnen toepassen ter uitvoeringvan een EOB, moet zijn voldaan aan de nadere eisen die aan detoepassing van die bevoegdheid worden gesteld naar Nederlands recht.In het vierde lid zijn op dit uitgangspunt enkele uitzonderingen geformu-leerd. Voor de formulering van de bepaling is aansluiting gezocht bijartikel 8.2.13, tweede lid.In beginsel worden het onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerdeeisen van proportionaliteit niet getoetst. In de artikelen 8.5.29 tot en met8.5.31 is een uitzondering hierop opgenomen, doordat de tweede zin vandit artikellid daar buiten toepassing wordt verklaard. Op grond van derichtlijn EOB is het namelijk bij de toepassing van die bevoegdheden weltoegestaan om het onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerde eisenvan proportionaliteit te toetsen (zie de artikelen 28 tot en met 30 van derichtlijn EOB). Aan het verschoningsrecht (Boek 2, Titel 7.5) kan in allegevallen in volle omvang worden getoetst, nu de onverenigbaarheid vande uitvoering van het EOB met een naar Nederlands recht geldendverschoningsrecht een weigeringsgrond vormt (artikel 8.5.16, eerste lid,onder a).Derde lidIndien de in het EOB opgenomen bevoegdheid niet beschikbaar is naarNederlands recht, dient te worden bekeken of er een andere bevoegdheidvoorhanden is waarmee uitvoering kan worden gegeven aan het EOB, zovolgt uit het huidige artikel 5.4.7, tweede lid, waarvan dit artikellid deomzetting betreft naar het nieuwe wetboek. Hiermee wordt niet alleenuitvoering gegeven aan artikel 10, eerste lid, maar ook aan artikel 10,vijfde lid, van de Richtlijn EOB. Met enkele redactionele wijzigingen isbeoogd de strekking van de bepaling – waarvoor eveneens overweging 10van de richtlijn EOB relevant is – te verhelderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3270 Vierde lidDit voorschrift bevat op dezelfde wijze als het huidige artikel 5.4.7, derdelid, enkele uitzonderingen op het eerste en tweede lid. Het betreft deimplementatie van artikel 10, tweede lid, van de Richtlijn EOB. Op grondvan die richtlijnbepaling dienen de aldaar opgesomde bevoegdhedenaltijd krachtens het nationale recht beschikbaar te zijn voor de uitvoeringvan een EOB. Het gaat, kort gezegd, om gevallen waarin het gaat ombewijsmateriaal dat al uit anderen hoofde in bezit is van politie en justitie(en waarvoor dus geen bevoegdheden meer hoeven te worden ingezetom dat te verzamelen; vgl. het bewijsverkrijgingsbevel dat op grond vanKaderbesluit 2008/978/JBZ kon worden uitgevaardigd en dat is opgegaanin het EOB) en gevallen waarin slechts een aantal opgesomde, minderingrijpende bevoegdheden hoeven te worden ingezet. Echter, deweigeringsgronden blijven wel van toepassing, zo volgt uit de verwijzingin artikel 10, tweede lid, naar artikel 11 van de Richtlijn EOB. Zie ookKamerstukken II 2016/17, 34 611, nr. 3, p. 9. Om dit laatste te verduide-lijken is een verwijzing naar artikel 8.5.16 opgenomen. De subonderdelena tot en met e in het derde lid corresponderen met de onderdelen a tot enmet e in artikel 10, tweede lid, van de Richtlijn EOB, met dien verstandedat de inhoud van de onderdelen d en e is omgedraaid. De redactie vanonderdeel d van onderhavig artikel is in lijn gebracht met artikel 2.1.1.Naar Nederlands recht kan uitvoering worden gegeven aan een verzoektot identificatie van een gebruiker van een communicatiedienst door inzetvan de bevoegdheid van artikel 2.7.47, derde lid.De verwijzing naar de verschillende bevoegdheden in onderdeel e van hethuidige artikel 5.4.7, derde lid, is gewijzigd. Artikel 10, tweede lid, onder d,van de Richtlijn EOB laat deze ruimte, aangezien het gaat om eenonderzoeksmaatregel «van niet-dwingende of niet-intrusieve aard zoalsgedefinieerd in het recht van de uitvoerende staat». In overweging 16 bijde richtlijn wordt hierover opgemerkt dat dergelijke maatregelen«bijvoorbeeld maatregelen zijn die geen inbreuk maken op het recht opprivacy of eigendom, afhankelijk van het nationale recht». Met deaanpassing wordt aangesloten bij de formulering van artikel 8.2.9, derdelid, waar eveneens het uitgangspunt is dat het niet kan gaan om de inzetvan dwangmiddelen of ingrijpende opsporingsbevoegdheden. Andersdan in artikel 8.2.9, derde lid, hoeft niet te worden verwezen naarinlichtingen waarover de opsporingsambtenaar al beschikt. Die situatiewordt immers bestreken door de onderdelen a en b van onderhavigartikellid.Vijfde lidDit artikellid vervangt zonder inhoudelijke aanpassingen het huidigeartikel 5.4.7, vierde lid. De bepaling betreft de implementatie van artikel10, derde lid, van de Richtlijn EOB en biedt de mogelijkheid om eenandere bevoegdheid toe te passen dan opgenomen in het EOB indiendaardoor op minder indringende wijze hetzelfde resultaat kan wordenbereikt.Zesde lidMet dit artikellid – dat inhoudelijk overeenkomt met artikel 5.4.7, vijfdelid – is artikel 10, vierde lid, van de Richtlijn EOB geïmplementeerd. Hetvoorziet in de kennisgeving aan de uitvaardigende autoriteit, zodat die kanbesluiten zijn bevel in te trekken of aan te vullen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3271 Artikel 8.5.21 [bijstand door buitenlandse autoriteiten]De inhoud van het huidige artikel 5.4.5, vierde lid, keert met deze bepalingterug in het nieuwe wetboek. Met het opnemen van dit voorschrift in eenafzonderlijk artikel is de indeling van Hoofdstuk 1 gevolgd, waar debepalingen over bijstand door buitenlandse ambtenaren en gezamenlijkoptreden eveneens in een afzonderlijk artikel zijn ondergebracht. Voor deredactie is aansluiting gezocht bij de formulering van artikel 9, vierde envijfde lid, van de Richtlijn EOB, waaraan dit artikel uitvoering geeft,evenals bij de redactie van de artikelen 8.2.14 en 8.3.2, tweede lid. Vanbelang is dat artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn EOB voorschrijft dat eenverzoek van de uitvaardigende autoriteit om bijstand te mogen verlenenbij de uitvoering van een EOB wordt ingewilligd. Blijkens artikel 9, vijfdelid, van de richtlijn betekent dit echter niet per definitie dat de buiten-landse ambtenaren ook bevoegdheden kunnen uitoefenen op Nederlandsgrondgebied. De mogelijkheden daartoe worden beheerst door hetNederlandse recht. Dat betekent dat buitenlandse ambtenaren opNederlands grondgebied alleen de bevoegdheden kunnen uitoefenen dieaan hen op grond van het Wetboek van Strafvordering expliciet zijntoegekend (zie de artikelen 2.5.5, vijfde lid, en 2.8.20).Artikel 8.5.22 [rechter-commissaris]Eerste lidUit artikel 8.5.20, tweede lid, volgt dat de bevoegdheidsuitoefening teruitvoering van een EOB plaatsvindt met inachtneming van de bepalingendie op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekking hebben. Datbetekent, onder meer, dat indien voor de bevoegdheidsuitoefening eenmachtiging is vereist, de officier van justitie die machtiging bij derechter-commissaris dient te vorderen. Ook om andere redenen kaninschakeling van de rechter-commissaris wenselijk zijn, bijvoorbeeldomdat de bevoegdheid naar nationaal recht is voorbehouden aan derechter-commissaris (vgl. artikel 8.5.20, tweede lid, enECLI:EU:C:2021:1020) of omdat de uitvaardigende lidstaat dit verzoekt(vgl. artikel 8.5.19, eerste lid). Dit artikellid – dat de omzetting betreft vanhet huidige artikel 5.4.8, eerste lid – biedt hiervoor een wettelijkegrondslag, ter uitvoering van artikel 9, eerste en tweede lid, van deRichtlijn EOB. De tussenkomst van de rechter-commissaris bij deuitvoering van het EOB is tijdelijk van aard en beperkt zich tot de door deofficier van justitie gevorderde onderzoekshandelingen. Voor de formu-lering is aansluiting gezocht bij artikel 8.2.13, vijfde lid.In de huidige redactie van artikel 5.4.8 is een verwijzing opgenomen naarhet huidige artikel 181. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat, indien dewet niet voorschrijft dat een specifieke vordering kan worden gekoppeldaan een bepaalde bevoegdheid, een vordering overeenkomstig hethuidige artikel 181 kan worden gedaan. De verwijzing naar het equivalentvan die bepaling in het nieuwe wetboek (artikel 2.10.1) is hier achterwegegelaten, aangezien dit artikellid voorziet in een zelfstandige grondslagvoor het indienen van de vordering.Tweede lidDit voorschrift lid komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.8,tweede lid, en geeft uitvoering aan artikel 13, eerste lid, van de RichtlijnEOB. Voor de gevallen waarin de rechter-commissaris is betrokken bijbepaalde onderzoekshandelingen wordt bepaald dat bewijsmateriaalzonder onnodige vertraging moet worden overgedragen aan de uitvaardi-gende lidstaat. Voor de redactie is aansluiting gezocht bij artikel 8.2.13,zesde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3272 Artikel 8.5.23 [overdracht resultaten]Eerste lidDit artikellid ziet op de spoedige overdracht van de resultaten van deuitvoering van een EOB aan de uitvaardigende autoriteit en betreftdaarmee de omzetting naar het nieuwe wetboek van het huidige artikel5.4.9, eerste lid. Met de bepaling wordt uitvoering gegeven aan artikel 13,eerste en tweede lid, van de Richtlijn EOB. Ten opzichte van het huidigeartikel 5.4.9, eerste lid, is verduidelijkt dat, indien moet worden gewachtmet het ter beschikking stellen van de onderzoekresultaten aan deautoriteiten die het EOB hebben uitgevaardigd omdat een klaagschrift isingediend (zie artikel 8.5.35), alleen hoeft te worden gewacht met deoverdracht van de resultaten waarop het klaagschrift betrekking heeft. Zieook de toelichting op artikel 8.2.18, in welke bepaling een soortgelijkeverduidelijking is doorgevoerd.Tweede lidDit lid – dat de bevoegdheid voor de officier van justitie bevat om tebedingen dat overgedragen bewijsmateriaal wordt teruggezonden nadatdaarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt – komtinhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.9, tweede lid, en betreft deimplementatie van artikel 13, derde lid, van de Richtlijn EOB.Derde en vierde lidAls uitgangspunt worden de resultaten pas overgedragen nadat determijn om een rechtsmiddel in te dienen is verstreken dan wel – indieneen rechtsmiddel is ingesteld – nadat onherroepelijk op het rechtsmiddelis beslist. In bepaalde gevallen dienen de resultaten echter alvast tijdelijkter beschikking te worden gesteld aan de uitvaardigende autoriteithangende de behandeling van het rechtsmiddel. Artikel 13, tweede lid, enartikel 14, zesde lid, van de Richtlijn EOB nopen tot het maken van dezeuitzondering op het algemene uitgangspunt dat wordt gewacht met deoverdracht, die in deze artikelleden zijn uitgewerkt. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.4.9, derde lid, waarmee in het huidige wetboek uitvoeringwordt gegeven aan genoemde richtlijnvoorschriften, is de redactie meerin lijn gebracht met artikel 8.3.5. Verwezen wordt naar de toelichting opdie bepaling.Vijfde lidDit artikellid – dat net als het derde lid voorziet in een tijdelijke terbeschikking stelling, maar dan voor gevallen waarin Nederland zelf noggebruik wil maken van de resultaten voor een eigen procedure en deovergedragen resultaten dus terug wil – komt overeen met het huidigeartikel 5.4.9, vierde lid, waarmee artikel 13, vierde lid, van de richtlijn isgeïmplementeerd.Zesde lidIn het huidige artikel 5.1.8, zesde lid, is voor kleine rechtshulp eenuitzondering gemaakt op de bewaarplicht zoals deze volgt uit het huidigeartikel 126cc (in het nieuwe wetboek: artikel 2.1.18, tweede lid). Dezeuitzondering wordt overgenomen in artikel 8.2.18. Het ligt voor de handdat een soortgelijke uitzondering geldt indien gegevens aan hetbuitenland worden afgegeven ter uitvoering van een EOB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3273 Artikel 8.5.24 [aansprakelijkheid autoriteiten andere lidstaat]Dit artikel voorziet overeenkomstig artikel 18 van de Richtlijn EOB in eenregeling voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren uiteen andere lidstaat voor schade die zij veroorzaken op Nederlandgrondgebied. Daarmee is het huidige artikel 5.4.11 omgezet naar hetnieuwe wetboek. De inhoud van het huidige artikel 5.4.11, eerste lid, datziet op de strafrechtelijke aansprakelijkheid bij misdrijven gepleegd doorof gepleegd tegen ambtenaren van een andere lidstaat die op Nederlandsgrondgebied aanwezig zijn in het kader van een EOB, keert niet alszodanig terug in het nieuwe wetboek. Ter uitvoering van het Benelux-verdrag inzake politiesamenwerking (zie Stb. 2022, 28) is er al in voorziendat ambtenaren van de uitvaardigende lidstaat worden gelijkgesteld metNederlandse ambtenaren in de verschillende bepalingen in het Wetboekvan Strafrecht die zien op delicten die alleen door dan wel tegen eenambtenaar kunnen worden begaan als delicten en de bepalingen die eenverhoging in de strafmaat kennen in het geval dat delict is begaan dooreen ambtenaar. Daarmee is ook artikel 17 van de Richtlijn EOB geïmple-menteerd en hoeft dit voorschrift, dat materieel strafrechtelijk van aard is,niet terug te keren in het Wetboek van Strafvordering.AFDELING 5.3.2Nadere bepalingen over de uitvoering van een Europees onder-zoeksbevel dat betrekking heeft op bepaalde bevoegdhedenDe inhoud van deze afdeling correspondeert met de inhoud van hethuidige Vijfde Boek, Titel 4, Derde afdeling. Net als Afdeling 5.2.2 bevatdeze bepaling nadere voorschriften ten aanzien van een aantal bevoegd-heden, in dit geval voor de situatie waarin Nederland als uitvoerendeautoriteit optreedt.Artikel 8.5.25 [videoconferentie]Dit artikel vormt de omzetting naar het nieuwe wetboek van het huidigeartikel 5.4.13. Het betreft de implementatie van artikel 24 van de RichtlijnEOB. Voor een toelichting op enkele tekstuele wijzigingen ten opzichte vande bestaande wetgeving, zoals het schrappen van de zinsnede «of andereaudiovisuele transmissie» en de vervanging van de term «verhoren» door«horen, verhoren en ondervragen» wordt verwezen naar de toelichting bijartikel 8.5.7.Eerste en tweede lidIn deze artikelleden zijn ten opzichte van het huidige artikel 5.4.13, eersteen tweede lid, enkele redactionele verbeteringen doorgevoerd. Deverwijzing naar het vierde tot en met zesde lid in het huidige artikel 5.4.13,eerste lid, is overbodig en keert niet terug.Derde tot en met zesde lidDeze artikelleden voorzien in de omzetting naar het nieuwe wetboek vanhet huidige artikel 5.4.13, derde tot en met zesde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3274 Artikel 8.5.26 [tijdelijke overbrenging van een Nederlandsegedetineerde naar de uitvaardigende lidstaat ter uitvoering vaneen bevoegdheid]Deze bepaling ziet op de situatie waarin de uitvaardigende lidstaatmiddels een EOB heeft gevraagd om de tijdelijke overbrenging naar dielidstaat van een persoon die in Nederland rechtens zijn vrijheid isontnomen, ter uitoefening van een bevoegdheid voor het verkrijgen vanbewijs waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebiedvan de uitvaardigende lidstaat is vereist. De bepaling komt inhoudelijkovereen met het huidige artikel 5.4.14 en voorziet in de implementatie vanartikel 22, eerste lid, van de Richtlijn EOB, voor het geval waarinNederland de uitvoerende lidstaat is. Zie voor de situatie waarinNederland de uitvaardigende lidstaat is artikel 8.5.8. Ten opzichte van debestaande bepaling zijn enkele redactionele verbeteringen doorgevoerd.Zie ook de toelichting op de artikelen 8.5.8 en 8.5.9. Daarnaast is in hetvijfde lid geëxpliciteerd dat de officier van justitie een verzoek omvrijlating van de overgebrachte persoon doet indien de grond voorvrijheidsbeneming in Nederland komt te vervallen.Artikel 8.5.27 [tijdelijke overbrenging van een buitenlandsegedetineerde ter uitvoering van een bevoegdheid ten behoeve vande buitenlandse autoriteit]Dit artikel heeft betrekking op de situatie waarin de uitvaardigende lidstaateen EOB uitvaardigt op grond waarvan een persoon die in de uitvaardi-gende lidstaat rechtens zijn vrijheid is ontnomen naar Nederland wordtgebracht, met het oog op de uitoefening van het verkrijgen van bewijs(voor de uitvaardigende lidstaat) waarvoor de aanwezigheid van dezepersoon in Nederland is vereist. De bepaling vormt daarmee de evenknievan artikel 8.5.9 en voorziet in de implementatie van artikel 23 van deRichtlijn EOB. In het huidige wetboek is deze bepaling opgenomen inartikel 5.4.15. Ten opzichte van dat voorschrift is de inhoud van het eersteen tweede lid samengevoegd. Zie voor een toelichting op enkeleredactionele wijzigingen ook de toelichting op de artikelen 8.5.8 en 8.5.9.Net als in artikel 8.5.8 zijn de verwijzingen naar de bepalingen inzake deinverzekeringstelling vervangen door verwijzingen naar de bepalingendaarover in de Overleveringswet. Zo gelden in alle gevallen waarin eenbuitenlandse gedetineerde naar Nederland wordt overgebracht dezelfdevoorschriften inzake diens vrijheidsbeneming. Daarnaast is ten opzichtevan de bestaande wettekst de term «in hechtenis» in het eerste lidvervangen door «rechtens zijn vrijheid is ontnomen». Zoals in detoelichting op artikel 8.5.9 al aan de orde is gekomen, heeft de term«hechtenis» in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht een specifiekebetekenis, waarop hier niet wordt gedoeld. In de huidige artikelen 5.4.14,eerste lid, 5.4.26, eerste lid, en 5.4.27, eerste lid, wordt ook niet deze term«hechtenis» gebruikt, maar is in plaats daarvan gekozen voor «rechtensvan zijn vrijheid beroofd». In al deze bepalingen is in het nieuwe wetboekgekozen voor «rechtens zijn vrijheid ontnomen», in lijn met de termino-logie in Boek 2.Artikel 8.5.28 [doortocht]Dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.4.16. Met debepaling is artikel 22, vierde lid, van de Richtlijn EOB geïmplementeerd,voor de situatie waarin Nederland de derde lidstaat betreft over wiensgrondgebied een gedetineerde wordt vervoerd die wordt overgebrachtvan de ene naar de andere lidstaat ter uitvoering van een EOB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3275 Artikel 8.5.29 [opnemen van telecommunicatie]Met deze bepaling is het huidige artikel 5.4.17 omgezet naar het nieuwewetboek. De bepaling ziet op de vastlegging van communicatie metbehulp van een technisch hulpmiddel, waarover in artikel 30 van deRichtlijn EOB een bijzondere regeling is opgenomen. Zie voor eentoelichting op de vervanging van het begrip «telecommunicatie» door«communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13» de toelichting op artikel8.5.10, eerste lid. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.Artikel 8.5.30 [kennisgeving vastlegging telecommunicatiezonder technische bijstand wanneer de persoon op wie devastlegging betrekking heeft zich in Nederland bevindt]Zoals in de toelichting op artikel 8.5.11 is beschreven voorziet artikel 31van de Richtlijn EOB in een regeling voor het geval waarin het vastleggenvan telecommunicatie van een persoon die zich in een andere lidstaatbevindt, kan plaatsvinden zonder technische bijstand van die anderelidstaat. In het huidige artikel 5.4.18 is een regeling opgenomen voor hetgeval waarin een andere lidstaat («de uitvaardigende lidstaat») zondertechnische bijstand van Nederland communicatie vastlegt van eencommunicatieadres dat in gebruik is op het Nederlandse grondgebied enNederland daarvan overeenkomstig artikel 31 van de Richtlijn in kennisstelt. Met deze bepaling wordt het huidige artikel 5.4.18 omgezet naar hetnieuwe wetboek. Zie voor een toelichting op de vervanging van het begrip«telecommunicatie» door «communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13» detoelichting op artikel 8.5.10, eerste lid. Hiermee is geen inhoudelijkewijziging beoogd.Eerste lidDit artikellid voorziet in de implementatie van artikel 31, tweede en vierdelid, van de Richtlijn EOB. Ten opzichte van het huidige artikel 5.4.18, eerstelid («stelt (...) in handen van de rechter-commissaris»), is verduidelijkt dateen machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Dit sluit aan bij deconstructie die is opgenomen in artikel 8.2.17 (opnemen telecommuni-catie van gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt in hetkader van de kleine rechtshulp).Tweede tot en met vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.4.18, tweede lid tot en met vijfde lid,keert met deze artikelleden terug in het nieuwe wetboek. De bepalingenbetreffen gezamenlijk de implementatie van artikel 31, derde lid, van derichtlijn. Ten opzichte van de huidige wettekst wordt in het vierde lid eenomissie hersteld. Naast een verwijzing naar artikel 1.6.7 (professioneelverschoningsrecht) is ook een verwijzing opgenomen naar artikel 1.6.8(bronbescherming journalisten). Dit is in lijn met de bepalingen inzakekleine rechtshulp en gezamenlijke onderzoeksteams over ditzelfdeonderwerp (artikelen 8.2.16, 8.2.17 en 8.3.3) en artikel 11, eerste lid, ondera, van de Richtlijn EOB. In de huidige wet zijn de termijnen voor derechter-commissaris om te beslissen naar aanleiding van de vorderingvan de officier van justitie en voor de officier van justitie om de uitvaardi-gende autoriteit in kennis te stellen aangeduid in uren. In het nieuwewetboek worden deze termijnen aangeduid in dagen. Daarmee is geeninhoudelijke wijziging beoogd. Met «dag» wordt immers gedoeld op eenperiode van vierentwintig uur (zie artikel 1.1.13), waardoor de termijn vantwee dagen genoemd in het derde lid gelijk is aan de termijn van «48 uur»genoemd in de huidige wet en de termijn van vier dagen genoemd in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3276 vierde lid gelijk aan de termijn van «96 uur» opgenomen in het huidigeartikel 5.4.18, derde lid.Artikel 8.5.31 [vordering verstrekking toekomstige gegevens,gecontroleerde aflevering, infiltratie]In dit artikel zijn de voorschriften over het «real time» verzamelen vanbewijs opgenomen, die voortvloeien uit de artikelen 28 en 29 van deRichtlijn EOB, voor zover Nederland de uitvoerende lidstaat is. Met heteerste lid wordt eveneens uitvoering gegeven aan de artikelen 26, zesdelid, en 27, vijfde lid, van de Richtlijn EOB. In het huidige wetboek zijn dezevoorschriften opgenomen in artikel 5.4.19. Voor een toelichting op deredactionele wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel8.5.12.Artikel 8.5.32 [voorlopige maatregelen]De inhoud van het huidige artikel 5.4.20 keert zonder inhoudelijkewijzigingen terug in deze bepaling. Het betreft de implementatie vanartikel 32 van de Richtlijn EOB voor zover Nederland de uitvoerendelidstaat is. Zie voor de situatie waarin Nederland de uitvaardigendelidstaat is artikel 8.5.13. De redactie van onderhavige artikel is met diebepaling in lijn gebracht. De termijn van «24 uur» uit het huidige wetboekis daarbij vervangen door «een dag». Hiermee is geen inhoudelijkewijziging beoogd, nu onder «dag» een periode van vierentwintig uurwordt verstaan (artikel 1.1.13).TITEL 5.4RechtsmiddelenArtikel 8.5.33 [rechtsmiddelen bij uitvaardiging EOB]Dit artikel is nieuw. Het bevat een regeling voor gevallen waarin door eenandere lidstaat gevolg is gegeven aan een door Nederland uitgevaardigdEOB dat betrekking heeft op het in beslag nemen van voorwerpen (vgl.artikel 6.4.1) dan wel het overnemen, verstrekken, ontoegankelijk makenof bewaren en beschikbaar houden van gegevens (vgl. artikel 6.4.5). Ooknaar huidig recht is het mogelijk hierover te klagen. Zie ook de toelichtingop artikel 8.2.24. De «gewone» beklagbepalingen waarnaar in het artikelwordt verwezen zijn van toepassing. Dat betekent dat er dus geen verkortetermijnen of aanvullende kennisgevingsverplichtingen gelden, zoals diewel gelden bij de uitvoering van een EOB (zie artikel 8.5.35). Dit houdtermee verband dat in de hier geregelde situatie Nederland de uitvaardi-gende lidstaat is, waardoor er dus geen sprake is van overdracht vanbewijsmateriaal vanuit Nederland naar een andere lidstaat. Het vierde lidziet nog steeds op de situatie waarbij Nederland de uitvaardigendelidstaat is. Anders dan in de andere artikelleden gaat het hier echter om desituatie waarin de betrokkene (ook) in de uitvoerende lidstaat eenrechtsmiddel heeft aangewend. Dit artikellid biedt voor die gevallen eengrondslag om nadere inlichtingen over het door Nederland uitgevaar-digde EOB aan de uitvoerende lidstaat te verstrekken. De bepaling isvormgegeven overeenkomstig het huidige artikel 5.5.12, derde lid.Artikel 8.5.34 [rechtsmiddelen bij uitvoering EOB]Deze bepaling is nieuw. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de RichtlijnEOB moeten bij de uitvoering van een rechtshulpverzoek dezelfderechtsmiddelen beschikbaar zijn als in een vergelijkbare nationale zaak.Op grond van artikel 14, tweede lid, van de richtlijn kunnen de materiëleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3277 gronden voor het EOB alleen in de uitvaardigende lidstaat wordenaangevochten. Deze beide uitgangspunten zijn met deze bepalingvastgelegd in het nieuwe wetboek. Voor de formulering van de bepaling isaansluiting gezocht bij artikel 8.2.25. Verwezen wordt ook naar detoelichting op die bepaling. In artikel 8.5.35 zijn enkele bijzonderevoorschriften opgenomen voor het beklag.Artikel 8.5.35 [beklagprocedure]Met deze bepaling wordt het huidige artikel 5.4.10 omgezet naar hetnieuwe wetboek. De bepaling moet worden gelezen in samenhang metartikel 8.5.34. Dat artikel voorziet al in een grondslag om beklag in testellen. Ook het tweede lid van artikel 8.5.34 (geen toetsing materiëlegronden EOB) is dus van toepassing tijdens de beklagprocedure. Zie overde toets die de rechter aanlegt bij de beoordeling van een klaagschrift ookECLI:NL:HR:2021:1940; ECLI:NL:HR:2022:511 en ECLI:NL:HR:2022:965. Hethier toegelichte artikel is in aanvulling op artikel 8.5.34 nodig, omdat hetenkele van de in Boek 6, Titels 4.1 en 4.2, opgenomen afwijkendevoorschriften bevat, die overeenkomen met de voorschriften, opgenomenin artikel 8.2.26. Zie voor een toelichting op de ten opzichte van debestaande wettekst aangebrachte wijzigingen de toelichting bij diebepaling. Het vierde lid moet mede tegen de achtergrond van artikel 19van de Richtlijn EOB worden bezien. Zie in dit verband ookECLI:NL:HR:2020:1227. Voor de bevoegde rechtbank wordt verwezen naarartikel 8.1.5.HOOFDSTUK 6Europees bevriezingsbevelDe bepalingen die met de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2020(Stb. 2020, 291; Kamerstukken 35 402) per 19 december 2020 in werkingzijn getreden ter uitvoering van Verordening (EU) 2018/1805 inzake dewederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen(hierna: Vo. 2018/1805) (het huidige Vijfde Boek, Titel 5, Derde afdeling),keren in het nieuwe wetboek terug in dit hoofdstuk. Voor een toelichtingop de keuze om deze bepalingen in een afzonderlijk hoofdstuk onder tebrengen wordt verwezen naar de algemene inleiding op Boek 8, onder«Indeling Boek 8». Zoals eveneens in de algemene inleiding uiteen isgezet (zie onder «Gelaagde regelgeving/verhouding tot hoger recht»)geldt voor verordeningen dat zij verbindend zijn in al hun onderdelen enrechtstreeks van toepassing zijn in de lidstaten (zie artikel 288 VWEU). Inde nationale wetgeving worden slechts noodzakelijke uitvoeringsvoor-schriften opgenomen, bijvoorbeeld voorschriften waarmee de inNederland bevoegde autoriteit wordt aangewezen. Verdergaandeomzetting of het overschrijven van de verordening is verboden op grondvan het zogenoemde «overschrijfverbod». Zie onder andereECLI:EU:C:1978:17 (Zerbone). Bij verordeningen geldt dus dat deverordening zelf de belangrijkste rechtsbron is. Dat betekent dat in hetWetboek van Strafvordering slechts enkele ten opzichte van de veror-dening aanvullende uitvoeringsvoorschriften zijn opgenomen. Debepalingen in dit hoofdstuk hebben – net als de bepalingen in het huidigewetboek – slechts betrekking op de in Vo. 2018/1805 geregelde «bevrie-zingsbevelen». Uitvoeringsregelgeving ten aanzien van het «confiscatie-bevel» zijn opgenomen in hoofdstuk III, afdeling 3, van de Wet weder-zijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingentot confiscatie (WWETGC).Een «bevriezingsbevel» is een voorlopige maatregel ter voorkoming vande vernietiging, verwerking, verplaatsing, overdracht of vervreemding vanvoorwerpen met het oog op de confiscatie daarvan. Het gaat, met andereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3278 woorden, om gevallen waarin de beschikkingsmacht over een voorwerpwordt beperkt. Het equivalent daarvan naar Nederlands recht is deinbeslagneming. De «bevriezing» of inbeslagneming die plaatsvindt opgrond van Vo. 2018/1805 moet worden onderscheiden van de inbeslag-neming op grond van de artikelen 8.5.13 en 8.5.32 in het kader van eenEOB. Inbeslagneming op grond van die bepalingen ziet op voorlopigemaatregelen met het oog op bewijsverkrijging, terwijl bevriezing op grondvan Vo. 2018/1805 wordt uitgevoerd met het oog op confiscatie. Hetbegrip «confiscatie» wordt in die verordening gebruikt wanneer deeigendom van een voorwerp definitief wordt «ontnomen». Het equivalentdaarvan naar Nederlands recht zijn de verbeurdverklaring, de onttrekkingaan het verkeer en de ontnemingsmaatregel. Zie Kamerstukken II 2019/20,35 402, nr. 3, p. 2–3.De volgorde van de bepalingen is ten opzichte van het huidige wetboekgewijzigd, zodat deze meer aansluit op de volgorde die ook in de overigehoofdstukken van Boek 8 wordt aangehouden. Dit leidt ertoe dat eerst eendefinitiebepaling is opgenomen (artikel 8.6.1; Titel 6.1). Daarna volgen inTitel 6.2 voorschriften over de uitvaardiging (artikel 8.6.2) en uitvoeringvan het Europees bevriezingsbevel (artikelen 8.6.3–8.6.5). Omdat dithoofdstuk slechts een beperkt aantal uitvoeringsbepalingen bevat, zijndeze bepalingen – anders dan in andere hoofdstukken – hier in één titelopgenomen. Binnen de artikelen over de uitvoering van het Europeesbevriezingsbevel wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussenvoorschriften die betrekking hebben op de beslissing over de erkenningvan het bevel (artikelen 8.6.3 en 8.6.4) en de voorschriften die zien op dedaadwerkelijke uitvoering daarvan (artikel 8.6.5). Het hoofdstuk eindigtmet een aantal bepalingen over rechtsmiddelen (Titel 6.3).Enkele terminologische aspectenZoals in de algemene inleiding is beschreven, is het streven de termino-logie in de verschillende hoofdstukken van Boek 8 zo veel mogelijk op degebruikte terminologie in de andere boeken van het wetboek aan te latensluiten. Ook binnen de hoofdstukken van Boek 8 is getracht de redactie engebruikte termen zoveel mogelijk in overeenstemming met elkaar tebrengen. Voor wat betreft de hoofdstukken waarmee uitvoering wordtgegeven aan EU-instrumenten is echter op een aantal punten gekozenvoor aansluiting bij de terminologie in het desbetreffende EU-instrument,om zo het risico van non-conformiteit met de EU-verplichtingen tevoorkomen. Dat geldt in het bijzonder voor dit hoofdstuk, dat uitvoerings-bepalingen bevat van een verordening die rechtstreekse werking heeft. Ditbetekent bijvoorbeeld dat zowel in de wet als in de toelichting op dithoofdstuk in beginsel de termen «bevriezing» en «confiscatie» wordengebruikt. Dat is alleen anders als wordt verwezen naar de toepassing vande Nederlandse wetgeving. In dat geval worden de Nederlandse equiva-lenten daarvan («inbeslagneming», «verbeurdverklaring», «ontnemings-maatregel» en «onttrekking aan het verkeer») gebruikt.TITEL 6.1Algemene bepalingArtikel 8.6.1 [definities]Net als in het huidige artikel 5.5.14 wordt in deze bepaling voorzien inenkele definities van begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt. Inlijn met het overschrijfverbod dat geldt bij verordeningen zijn dezedefinities zo vormgegeven dat zij een verwijzing bevatten naar decorresponderende definitie in Vo. 2018/1805. Zie ook Kamerstukken IITweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3279 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 16. Ten opzichte van het huidige artikel 5.5.14 iseen definitie van «Europees confiscatiebevel» toegevoegd vanwege hetgebruik van dit begrip in de artikelen 8.6.2 en 8.6.4. De definitie vanVerordening 2018/1805 keert in dit artikel niet terug, omdat deze definitieal is opgenomen in artikel 8.1.2. Voor een nadere uitleg van de begrippen«bevriezing» en «confiscatie» wordt verwezen naar de algemene inleidingop dit hoofdstuk en Kamerstukken II 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 2–3. Dedefinities van uitvaardigende en uitvoerende autoriteit die zijnopgenomen in het huidige artikel 5.5.14 keren in het nieuwe wetboek nietterug. Deze begrippen zijn ook in de andere EU-hoofdstukken nietgedefinieerd. Het begrip «(bevoegde) autoriteit(en)» is in de Hoofdstukken1 tot en met 4 evenmin van een definitie voorzien. Welke autoriteit alszodanig moet worden aangemerkt volgt immers uit het nationale rechtvan de desbetreffende (lid)staat. In de artikelen 8.6.2 en 8.6.3 wordt deofficier van justitie voor Nederland aangemerkt als uitvaardigenderespectievelijk uitvoerende autoriteit in het kader van het Europeesbevriezingsbevel.TITEL 6.2Uitvaardiging en uitvoering van een Europees bevriezingsbevelArtikel 8.6.2 [uitgaand Europees bevriezingsbevel]Een bevriezingsbevel kan worden uitgevaardigd in afwachting van hetconfiscatiebevel (zie artikel 4, zesde lid, onderdeel b, van Vo. 2018/1805)ter voorkoming dat de voorwerpen in afwachting van dat confiscatiebevel,kort gezegd, verplaatst, vervreemd of vernietigd worden. Een bevriezings-bevel kan blijkens de verordening ook worden uitgevaardigd samen meteen confiscatiebevel, ter veiligstelling van de desbetreffende voorwerpen(zie artikel 4, zesde lid, onderdeel a, van Vo. 2018/1805). Deze bepalingvoorziet ter uitvoering van artikel 2, onder 8, Vo. 2018/1805 in deaanwijzing van de officier van justitie als de Nederlandse autoriteit die totuitvaardiging van een bevriezingsbevel bevoegd is en beschrijft degevallen waarin de officier tot uitvaardiging kan overgaan. Daarmee is hethuidige artikel 5.5.19 omgezet naar het nieuwe wetboek.Eerste lidDit artikellid ziet op de situatie waarin het bevriezingsbevel vooruitlopendop de onherroepelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel of debijkomende straf van verbeurdverklaring wordt uitgevaardigd (vgl. artikel4, zesde lid, onderdeel b, van Vo. 2018/1805). Ten opzichte van het huidigeartikel 5.5.19 is een aantal wijzigingen aangebracht. Ten eerste is deinhoud van de twee bestaande artikelleden samengevoegd. Ten tweede isin de wettekst tot uitdrukking gebracht dat het gaat om de uitvaardigingvan een (Europees) «bevriezingsbevel», niet om een (nationaal) «bevel totinbeslagneming». Het nationale recht kent de modaliteit van een «bevel»tot inbeslagneming niet. Er is dan ook pas sprake van een «bevel» op hetmoment dat er sprake is van een uitvaardiging van de beslissing ombeslag te leggen aan een andere lidstaat overeenkomstig Vo. 2018/1805.Dit pleit ervoor om op dit punt meer aansluiting te zoeken bij de termino-logie uit de verordening. Hierdoor kan de verwijzing naar de verordeningten opzichte van het eerste lid van het huidige artikel 5.5.19 komen tevervallen. Deze redactie sluit ook beter aan bij de vormgeving van artikel8.5.4 inzake het EOB, waarin eveneens gebruikgemaakt wordt van deEuropeesrechtelijke term («Europees onderzoeksbevel»). In lijn met artikel1, derde lid, en overweging 21 van de verordening wordt in de wetteksttot uitdrukking gebracht dat een Europees bevriezingsbevel kan wordenuitgevaardigd ten aanzien van voorwerpen die op grond van het nationaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3280 recht vatbaar zijn voor inbeslagneming. Daarbij wordt geëxpliciteerd dateen bevel alleen kan worden uitgevaardigd indien is voldaan aan devereisten die op grond van de wet gelden voor de uitoefening van dezebevoegdheid tijdens een in Nederland uitgevoerd onderzoek (vgl. deartikelen 8.2.4 en 8.5.4, tweede lid). Dit betekent niet alleen dat moetworden getoetst of aan de materiële vereisten voor toepassing van diebevoegdheid is voldaan (vgl. artikel 1, derde lid, van de Vo. 2018/1805 incombinatie met overweging 21), maar ook dat aan de procedurelevoorschriften moet zijn voldaan. Zie hierover ook de toelichting op artikel8.2.4.Een bevriezingsbevel wordt uitgevaardigd met het oog op de latereconfiscatie van de desbetreffende voorwerpen. Zoals in de algemeneinleiding op dit hoofdstuk al aan de orde kwam, wordt met confiscatiegedoeld op het definitief «ontnemen» van een voorwerp aan een(rechts)persoon. Zie artikel 2, onderdelen 1 en 2, van Vo. 2018/1805. Hetgaat – naar Nederlands recht – om inbeslagneming met het oog op de(latere) ontneming, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer vanvoorwerpen. Om die reden wordt de verwijzing naar de artikelen 2.7.4 en2.7.19 (de bepalingen waarmee de huidige artikelen 94 en 94a naar hetnieuwe wetboek worden omgezet) beperkt tot de desbetreffendeonderdelen van die bepalingen. Voor zover inbeslagneming niet plaats-vindt met het oog op latere ontneming, verbeurdverklaring of onttrekkingaan het verkeer, maar (hoofdzakelijk) met het oog op bewijsverkrijging kangebruik worden gemaakt van een Europees onderzoeksbevel (zie artikel8.5.13). Dat geldt dus ook voor de inbeslagneming van voorwerpen diekunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen (artikel2.7.4, eerste lid, onderdeel b). Die inbeslagneming vindt immers plaatsmet het oog op waarheidsvinding. De desbetreffende voorwerpen,bijvoorbeeld bankafschriften, komen na een veroordeling niet (zondermeer) in aanmerking voor ontneming of verbeurdverklaring, maar dienenom aan te tonen dat de verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genotenen wat de omvang daarvan is (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3,p. 20). Zie overweging 34 bij de richtlijn EOB over de situatie waarin beidemaatregelen in elkaar overlopen (de voorwerpen worden zowel in beslaggenomen met het oog op waarheidsvinding als met het oog op latereontneming of verbeurdverklaring). Deze overweging heeft weliswaarbetrekking op Kaderbesluit 2003/577/JBZ (zie Hoofdstuk 7), maaraangezien het kaderbesluit in relatie tot de meeste lidstaten is vervangendoor de Vo. 2018/1805, kan worden aangenomen dat deze overweging ookvoor de relatie tussen de richtlijn EOB en de confiscatieverordeningrelevant blijft. Zie in dit verband ook artikel 39 van Vo. 2018/1805 waarinonder meer is bepaald dat voor de lidstaten die door deze verordeningzijn gebonden «verwijzingen naar Kaderbesluit 2003/577/JBZ betreffendehet bevriezen van de voorwerpen (...) [gelden] als verwijzingen naar dezeverordening». Het voorgaande doet er niet aan af dat bevoegdheden,zoals het vorderen van gegevens, door de Nederlandste autoriteitenkunnen worden ingezet als steunbevoegdheid ter uitvoering van eenEuropees bevriezingsbevel. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 4en 10. De door de inzet van deze steunbevoegdheden verkregen resul-taten kunnen, zoals uit het voorgaande blijkt, echter alleen op basis vaneen EOB worden overgedragen aan de uitvaardigende lidstaat.De schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek vanStrafrecht) valt niet onder het bereik van Vo. 2018/1805. Dit volgt uit dedefinitie van «voorwerpen» in artikel 2, derde lid, van de verordening.Daaruit blijkt dat de verordening betrekking heeft op, kort gezegd,criminele winsten (de opbrengsten van een strafbaar feit) en hulpmid-delen voor een strafbaar feit. Daarbij komt dat de schadevergoedings-maatregel in EU-verband al is aangemerkt als een geldelijke sanctie (zieook artikel 1 van Kaderbesluit 2005/214/JBZ inzake de toepassing van hetbeginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, artikel 1,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3281 onderdeel f, WWETGC en Kamerstukken II 2005/06, 30 699, nr. 3, p. 4–5 en9). De artikelen 29 en 30, eerste en vierde lid, van Vo. 2018/1805 hebbengeen betrekking op de schadevergoedingsmaatregel, maar voorzien in demogelijkheid om (op andere grondslag) inbeslaggenomen voorwerpenterug te kunnen geven aan het slachtoffer of om die voorwerpen aan tewenden om het slachtoffer te compenseren. De desbetreffendevoorschriften zien dus niet op de uitvoering van het confiscatiebevel maarop de wijze waarop vervolgens wordt beschikt over hetgeen door dieuitvoering is verkregen. Naar de Nederlandse praktijk vertaald betekent ditdat wanneer in een strafzaak zowel een schadevergoedingsmaatregel alseen ontnemingsmaatregel is opgelegd, het CJIB in het confiscatiecerti-ficaat kan opnemen dat het geld dat door de tenuitvoerlegging van hetconfiscatiebevel wordt verkregen, door de uitvoerende staat rechtstreeksaan het slachtoffer kan worden overgedragen. Vgl. COM (2016)819, p. 172;Kamerstukken II 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 14 en 23 en artikel 35, tweede lid,WWETGC.Tweede lidDit artikellid, dat betrekking heeft op de situatie waarin de ontnemings-maatregel of de verbeurdverklaring inmiddels vatbaar is voor tenuitvoer-legging, is nieuw. Wanneer de overeenkomstig de rechterlijke uitspraakverbeurdverklaarde of te ontnemen voorwerpen zich niet in Nederland,maar in een andere lidstaat bevinden, kan een confiscatiebevel wordenuitgevaardigd door de Minister van Justitie en Veiligheid op grond vanartikel 5 WWETGC. In de praktijk worden de bevelen uitgevaardigd doorhet CJIB (zie Kamerstukken II 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 14). Gelet op determijn van vijfenveertig dagen voor de buitenlandse autoriteiten om tebeslissen op het confiscatiebevel (artikel 20 van Vo. 2018/1805) kan hetwenselijk zijn dat die buitenlandse autoriteiten hangende hun beslissingmaatregelen treffen om de verplaatsing, vervreemding of vernietiging vande te confisqueren voorwerpen te voorkomen. Op grond van artikel 18,vijfde lid, van Vo. 2018/1805 kan de uitvoerende autoriteit deze maatre-gelen, overeenkomstig het nationale recht, ambtshalve toepassen (vgl.artikel 38 WWETGC). Om te voorkomen dat Nederland hierin volledigafhankelijk is van de buitenlandse autoriteiten, kan het wenselijk zijn datNederland ook zelf om de bevriezing van de desbetreffende voorwerpenkan vragen als er voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak geenbevriezingsbevel is uitgevaardigd door de officier van justitie. Daaromwordt hier de bevoegdheid opgenomen om ook in dergelijke gevallen eenbevriezingsbevel uit te vaardigen. Het bevriezingsbevel kan zowelgelijktijdig met het confiscatiebevel worden uitgevaardigd (vgl. artikel 4,zesde lid, onderdeel a, van Vo. 2018/1805) – om zo te voorkomen dat devoorwerpen verdwijnen gedurende de periode die de uitvoerende lidstaatnodig heeft om over de erkenning te beslissen – als daaraan voorafgaand(vgl. artikel 4, zesde lid, onderdeel b, van Vo. 2018/1805). Het opstellen vanhet confiscatiebevel en het verzamelen van de daarvoor benodigdegegevens kunnen immers tijd kosten. Deze aanvullende bevoegdheidmoet worden bezien tegen de achtergrond van de verordening, die erop isgericht te voorkomen dat criminele winsten niet kunnen wordenontnomen (zie overweging 10 bij Vo. 2018/1805). Ook als in een Neder-landse zaak nog een beoordeling moet plaatsvinden, zoals in hogerberoep, kan (conservatoir) beslag worden gelegd om te voorkomen dat devoorwerpen worden vervreemd. Eveneens kunnen voorwerpen veiligworden gesteld in afwachting van de komst van de deurwaarder. Zie hethuidige artikel 6:4:9 en 6:5:1 jo. artikel 6:4:3, tweede lid. De situatie hier isdaar in zoverre mee vergelijkbaar, dat de ontnemingsmaatregel ofverbeurdverklaring weliswaar al onherroepelijk is, maar dat in het2Artikel 30 Vo. 2018/1805 is nadien minder dwingend geformuleerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3282 buitenland nog besloten moet worden over de erkenning van hetEuropese confiscatiebevel. Ook dan kan het nodig zijn de voorwerpenveilig te stellen. Het bevriezingsbevel kan alleen worden uitgevaardigd tenaanzien van de voorwerpen waarop het (op te stellen) confiscatiebevelziet. Ten aanzien van andere voorwerpen is er immers naar Nederlandsrecht geen grondslag tot het nemen van verhaal (zie de huidige artikelen6:4:9 en 6:5:1 in combinatie met de artikelen 6:4:3 tot en met 6:4:6).De officier van justitie wordt ook in de executiefase aangewezen alsbevoegde autoriteit om het bevriezingsbevel uit te vaardigen. Dit houdtermee verband dat op grond van artikel 2, achtste lid, onderdeel a, van Vo.2018/1805 een Europees bevriezingsbevel moet worden uitgevaardigd ofgevalideerd door een rechter, rechtbank of openbare aanklager. DeMinister, die bevoegd is tot uitvaardiging van het confiscatiebevel, zal deofficier van justitie een verzoek doen. Een machtiging van de rechter-commissaris is niet nodig, omdat er in dit geval al een onherroepelijkeuitspraak van een rechter is op basis waarvan de voorwerpen ontnomenmogen worden of verbeurdverklaard zijn.Het artikellid ziet alleen op de ontnemingsmaatregel en de verbeurdver-klaring. Voor onttrekking aan het verkeer kan de situatie waarin dedesbetreffende voorwerpen voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak nogniet in beslag zijn genomen, zich niet voordoen. Onttrekking is alleenmogelijk als de voorwerpen ten tijde van de uitspraak al in beslag zijngenomen (ECLI:NL:HR:1999:ZD1365).Artikel 8.6.3 [beslissing over erkenning en uitvoering Europeesbevriezingsbevel]Eerste lidDit lid komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5.5.15, eerste lid.Met de bepaling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2, onder 9, enartikel 7, eerste en tweede lid, van Vo. 2018/1805 in die zin dat de officiervan justitie wordt aangewezen als bevoegde autoriteit voor de erkenningen tenuitvoerlegging van inkomende bevriezingsbevelen.De zinsnede «lidstaat van de Europese Unie die door Verordening2018/1805 is gebonden» in het huidige artikel 5.5.15, eerste lid, moetworden bezien tegen de achtergrond dat Ierland en Denemarken nietdeelnemen aan de verordening (zie overwegingen 56 en 57 van Vo.2018/1805). Nu uit de definitie van lidstaat in artikel 8.1.2, tweede lid, alvoortvloeit dat met «lidstaat» steeds wordt gedoeld op de lidstaten diedoor het desbetreffende instrument worden gebonden, kan hier wordenvolstaan met een verwijzing naar de bevoegde autoriteit van «een anderelidstaat».Tweede lidHet huidige artikel 5.5.16 regelt de bevoegdheid van de officier van justitieom de erkenning of tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel teweigeren. Dit voorschrift wordt in het nieuwe wetboek opgenomen inonderhavig artikellid, omdat het net als het eerste lid ziet op de beslissingover de erkenning en uitvoering van het bevriezingsbevel. De bepalingstrekt ter uitvoering van artikel 8, eerste lid, van Vo. 2018/1805, zoals ookblijkt uit de verwijzing naar die bepaling in de wettekst.Artikel 8.6.4 [prioritering bij meerdere bevelen]Het huidige artikel 5.5.17 strekt ter uitvoering van artikel 26 van Vo.2018/1805 en geeft de officier van justitie de bevoegdheid te beslissenwanneer twee of meer bevelen worden ontvangen die betrekking hebbenop hetzelfde voorwerp of dezelfde persoon. De inhoud van deze bepalingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3283 keert in het nieuwe wetboek terug in dit artikel. Dit artikel ziet op desituatie waarin Nederland een bevriezingsbevel ontvangt en daarnaasteen of meerdere andere bevriezingsbevelen (eerste lid) of een ofmeerdere confiscatiebevelen (tweede lid). Voor de situatie waarinNederland géén bevriezingsbevelen, maar wel meerdere confiscatiebe-velen ontvangt, wordt verwezen naar artikel 37 WWETGC.Artikel 8.6.5 [uitvoering Europees bevriezingsbevel]Eerste lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.15, tweede lid, is in het nieuwewetboek ondergebracht in een afzonderlijke bepaling, omdat zij niet zietop de beslissing over het bevel, maar op de uitvoering daarvan. Daarmeewordt net als in andere hoofdstukken een duidelijker onderscheidgemaakt tussen bepalingen over de beslissing en bepalingen over deuitvoering van een verzoek/bevel afkomstig van een andere (lid)staat. Inhet huidige artikel 5.5.15, tweede lid, wordt verwezen naar afwijkendebepalingen in het Wetboek van Strafvordering. In de nieuwe bepalingwordt – gelet op de rechtstreekse werking van de verordening – in plaatsdaarvan een verwijzing opgenomen naar Vo. 2018/1805. Daarmee wordtonder meer tot uitdrukking gebracht dat – in verband met het beginsel vanwederzijdse erkenning – niet hoeft te worden voldaan aan bijvoorbeeldhet vereiste in artikel 2.7.19 dat sprake moet zijn van een verdenking vaneen misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan wordenopgelegd, indien sprake is van een lijstfeit als bedoeld in artikel 3 van Vo.2018/1805. Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 17. Verder is in dewettekst verduidelijkt dat een proportionaliteitsafweging achterwege blijftvoor zover zij raakt aan het onderzoeksbelang. Dit is in lijn met deartikelen 8 en 33, tweede lid, van Vo. 2018/1805, evenals met overweging21 waarin overeenkomstig het beginsel van wederzijdse erkenning isgeëxpliciteerd dat de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid vanhet bevel (primair) is voorbehouden aan de uitvaardigende autoriteit. Zieover de betekenis van de toegevoegde zinsnede ook de toelichting opartikel 8.2.13, tweede lid. Omdat het bestaan van een voorrecht ofimmuniteit een weigeringsgrond is (zie artikel 8, eerste lid, onder a, vanVo. 2018/1805), kan wel in volle omvang worden getoetst of de uitvoeringvan het bevel een (on)toelaatbare inbreuk op het verschoningsrechtoplevert. Om die reden is in het tweede zinsgedeelte – anders dan in heteerste zinsgedeelte – niet verwezen naar Boek 2, Titel 7.5.Tweede lidDit artikellid is nieuw. Met de bepaling wordt uitvoering gegeven aanartikel 29, tweede lid, van Vo. 2018/1805. Op grond van die bepalingneemt de uitvoerende lidstaat de nodige maatregelen om bevrorenvoorwerpen aan het slachtoffer terug te geven als de uitvaardigendelidstaat daartoe een beslissing heeft uitgevaardigd. In het huidige wetboekvoorziet artikel 116, tweede lid en derde lid, in de mogelijkheid ominbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende. Inhet nieuwe wetboek keert deze regeling terug in artikel 2.7.26. Diebepaling is echter niet (zonder meer) van toepassing op de situatie waarinde Nederlandse officier van justitie uitvoering geeft aan een bevriezings-bevel afkomstig uit een andere lidstaat. Daarom wordt hier verhelderd datde officier van justitie van deze bevoegdheid gebruik kan maken omuitvoering te geven aan de verordening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3284 TITEL 6.3RechtsmiddelenNet als in de andere hoofdstukken zijn de voorschriften met betrekking totrechtsmiddelen gezamenlijk in een afzonderlijke titel opgenomen. Artikel8.6.6 ziet daarbij op de situatie waarin Nederland als uitvaardigendelidstaat optreedt, terwijl de artikelen 8.6.7 en 8.6.8 voorzien in een regelingvoor de gevallen waarin Nederland uitvoering geeft aan een door eenandere lidstaat uitgevaardigd Europees bevriezingsbevel. Omdat het bijeen bevriezingsbevel enkel gaat om de inbeslagneming van voorwerpen,zijn de bepalingen daarop iets meer specifiek toegeschreven dan inandere hoofdstukken.Artikel 8.6.6 [rechtsmiddelen bij uitvaardiging Europees bevrie-zingsbevel]Evenals in de andere hoofdstukken in Boek 8 wordt ook ten aanzien vanhet Europees bevriezingsbevel uitgeschreven dat, indien Nederland deuitvaardigende lidstaat is, in Nederland een rechtsmiddel kan wordenaangewend tegen het bevel en de voortduring van het daaraan gegevengevolg. Zie ook de toelichting op artikel 8.2.24. Deze mogelijkheid tot hetaanwenden van rechtsmiddelen is niet alleen in lijn met de aldaarbeschreven bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad, maar is ook inovereenstemming met artikel 33, vierde lid, van Vo. 2018/1805. Daarin isbepaald dat dat voorschrift geen afbreuk doet aan de toepassing in deuitvaardigende lidstaat van waarborgen en rechtsmiddelen overeen-komstig artikel 8 van Richtlijn 2014/42/EU (richtlijn betreffende debevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten vanmisdrijven in de Europese Unie). Zie voor de tot behandeling van hetklaagschrift bevoegde rechter de toelichting op artikel 8.2.24, tweede lid.Artikel 8.6.7 [rechtsmiddelen bij uitvoering Europees bevriezings-bevel]Deze bepaling is nieuw. Op grond van artikel 33, eerste lid, van Vo.2018/1805 hebben getroffen personen het recht om in de uitvoerendestaat effectieve rechtsmiddelen aan te wenden tegen de erkenning enuitvoering van een bevriezingsbevel, overeenkomstig het recht van deuitvoerende staat. Op grond van artikel 33, tweede lid, van de verordeningkunnen de materiële gronden voor het bevel alleen in de uitvaardigendelidstaat worden aangevochten. Deze beide uitgangspunten zijn met dezebepaling vastgelegd in het nieuwe wetboek. Voor de formulering ervan isaansluiting gezocht bij artikel 8.2.25. Verwezen wordt ook naar detoelichting op dat artikel. Daarmee is ook voorzien in een rechtsmiddelvoor de officier van justitie indien de rechter-commissaris op vorderingvan de officier niet de benodigde machtiging verleent om het bevriezings-bevel te kunnen uitvoeren. Dat geldt ook voor de officier van justitie en deverschoningsgerechtigde om op te komen tegen een beslissing van derechter-commissaris over het verschoningsrecht die wordt genomen inhet kader van de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel (zie Boek2, Titel 7.8). De bepaling moet worden gelezen in samenhang met artikel8.6.5, eerste lid. Uit die bepaling volgt onder andere dat bij de uitvoeringvan een Europees bevriezingsbevel de procedurele voorschriften die opgrond van de Nederlandse wet gelden in acht moeten worden genomen.Zie in dit verband ook de toelichting op artikel 8.2.13, tweede lid. Datbetekent dat als bijvoorbeeld in een Nederlandse zaak een machtiging vande rechter-commissaris zou zijn vereist voor de toepassing van debevoegdheid, die machtiging eveneens moet worden gevorderd enverleend voordat de officier van justitie die bevoegdheid kan aanwendenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3285 ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel. Onderhavige bepalingvoorziet erin dat als de rechter-commissaris die machtiging bijvoorbeeldniet zou verlenen, daartegen hetzelfde rechtsmiddel openstaat als bij eenafwijzende beslissing van de rechter-commissaris in een nationale zaak.Artikel 8.6.8 [beklag]Eerste lidTer uitvoering van artikel 33 van Vo. 2018/1805 voorziet het huidige artikel5.5.18 in de mogelijkheid van het instellen van beklag tegen de erkenningen uitvoering van het bevriezingsbevel door de officier van justitie.Onderhavig artikel moet worden gelezen in samenhang met artikel 8.6.7.Artikel 8.6.7 voorziet in principe al in de mogelijkheid tot het instellen vanbeklag tegen het ter uitvoering van het Europese bevriezingsbevelgelegde beslag. De hier toegelichte bepaling is in aanvulling daaropnodig, omdat daarin enkele van de «gewone» beklagregeling in Boek 6,Titel 4.1, afwijkende regels worden gegeven. Uit artikel 8.6.7, tweede lid,volgt al dat de betrokkene in Nederland niet de materiële gronden van hetbevriezingsbevel ter discussie kan stellen. Dit kan dus evenmin getoetstworden in een beklagprocedure. Als de betrokkene wil opkomen tegen demateriële gronden van het bevriezingsbevel, moet hij zich wenden tot deuitvaardigende lidstaat. In de uitvoerende lidstaat – in dit gevalNederland – kan enkel worden opgekomen tegen de erkenning en (dewijze van) uitvoering van het bevel. Niet is geregeld dat belanghebbendenin kennis worden gesteld van de bevriezing, omdat dit al volgt uit artikel32 van Vo. 2018/1805, dat rechtstreekse werking heeft. Net als op grondvan het huidige artikel 5.5.18 heeft het beklag geen schorsende werking.Dit betekent dat het beslag op de voorwerpen gedurende het beklaggehandhaafd blijft. Voor de bevoegde rechtbank wordt verwezen naarartikel 8.1.5. Tegen de beslissing van de rechtbank staat, net als nu, geenberoep in cassatie open.Tweede lidDit artikellid, dat nieuw is, houdt verband met artikel 11 van Vo. 2018/1805.Op grond van dat voorschrift neemt de uitvoerende autoriteit de geheim-houding van het onderzoek in acht. In Deel F van het bevriezingscertificaat(zie Bijlage 1 bij de verordening) kan de uitvaardigende lidstaat informatieopnemen omtrent de vertrouwelijkheid van het bevel. Een soortgelijkvoorschrift is opgenomen in de artikelen 8.2.26, vierde lid, en 8.5.35,vierde lid. De tweede volzin van het huidige artikel 5.5.18, waarin isbepaald dat het beklag geen schorsende werking heeft, keert niet alszodanig terug in het nieuwe wetboek. Beklag tegen inbeslagneming heeftimmers ook in een nationale zaak geen schorsende werking. Op dit punt isdus geen sprake van een afwijking van de regeling opgenomen in Boek 6,Titel 4.1. Hiermee is dan ook geen inhoudelijk wijziging beoogd. De inkennisstelling van de uitvaardigde autoriteit hoeft niet geregeld teworden, nu de verplichting daartoe rechtstreeks voortvloeit uit artikel 33,derde lid, van Vo. 2018/1805.HOOFDSTUK 7Europese bevriezingsbeslissingHet huidige Vijfde Boek, Titel 5 bevat zowel voorschriften ter implemen-tatie van Kaderbesluit 2003/577/JBZ inzake de tenuitvoerlegging in deEuropese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen ofbewijsstukken (hierna: het KB-EBV) (Eerste en Tweede afdeling) alsbepalingen ter uitvoering van Vo. 2018/1805 (Derde afdeling). Deze laatsteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3286 bepalingen zijn in het nieuwe wetboek opgenomen in Hoofdstuk 6. Debepalingen die met de wet van 16 juni 2005 (Stb. 2005, 310; Kamerstukken29845) ter implementatie van het KB-EBV in het huidige wetboek zijnopgenomen, zijn overgenomen in dit hoofdstuk. Zoals in de algemeneinleiding op Boek 8 is toegelicht, is ervoor gekozen deze bepalingen in eenafzonderlijk hoofdstuk onder te brengen, omdat dat beter aansluit bij hetuitgangspunt om de uitvoeringsbepalingen van ieder EU-instrument ineen eigen hoofdstuk onder te brengen. Ook wordt zo duidelijker totuitdrukking gebracht dat het KB-EBV een eigen, van Vo. 2018/1805afwijkende, reikwijdte heeft.Anders dan laatstgenoemde verordening ziet het KB-EBV alleen op«bevriezing». De confiscatie is ten opzichte van het KB-EBV afzonderlijkgeregeld in Kaderbesluit 2006/783/JBZ inzake de toepassing van hetbeginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie(hierna: het KB-confiscatie). Dat kaderbesluit is geïmplementeerd via deWWETGC, in welke wet ook de uitvoeringsvoorschriften van het «confis-catiegedeelte» van de Vo. 2018/1805 zijn opgenomen. Belangrijker is dat«bevriezing» in de zin van het KB-EBV niet alleen ziet op de bevriezing tenbehoeve van confiscatie, maar ook op bevriezing van bewijsstukken. Debevriezing ten behoeve van het veiligstellen van bewijs is nadienondergebracht in de Richtlijn EOB (zie Hoofdstuk 5).In zowel Vo. 2018/1805 (artikel 39) als de Richtlijn EOB (artikel 34, tweedelid) is bepaald dat deze instrumenten het KB-EBV vervangen tussen delidstaten die door die instrumenten gebonden zijn. Dat zijn – voor beideinstrumenten – alle lidstaten met uitzondering van Denemarken en Ierland(zie de overwegingen 56 en 57 bij Vo. 2018/1805 en de overwegingen 44en 45 bij de Richtlijn EOB). Met andere woorden, in de relatie metDenemarken en Ierland moet bij «bevriezing» worden samengewerkt opgrond van het KB-EBV en dus de voorschriften in dit hoofdstuk, terwijlmet alle andere lidstaten wordt samengewerkt op grond van de RichtlijnEOB (bevriezing ten behoeve van het veiligstellen van bewijs) en Vo.2018/1805 (bevriezing ten behoeve van confiscatie) en dus met inacht-neming van de Hoofdstukken 5 en 6.In dit hoofdstuk is dezelfde indeling gevolgd als in de andere hoofd-stukken in dit boek. Dat wil zeggen dat eerst een algemene bepaling isopgenomen (artikel 8.7.1; Titel 7.1). Daarna volgen de bepalingen over deuitvaardiging door Nederland (Titel 7.2) en de uitvoering door Nederland(Titel 7.3). Het hoofdstuk eindigt met enkele bepalingen over bijzondereprocedures en rechtsmiddelen (Titel 7.4).Enkele terminologische aspectenZoals eerder in deze memorie al aan de orde is gekomen, is het streven determinologie in de verschillende hoofdstukken van Boek 8 zo veelmogelijk op de gebruikte terminologie in de andere boeken van hetnieuwe wetboek aan te laten sluiten. Ook binnen de hoofdstukken vanBoek 8 is getracht de redactie en gebruikte termen zoveel mogelijk inovereenstemming met elkaar te brengen. Voor wat betreft de hoofd-stukken waarmee uitvoering wordt gegeven aan EU-instrumenten isechter op een aantal punten gekozen voor aansluiting bij de terminologiein het desbetreffende EU-instrument om zo het risico vannon-conformiteit met de EU-verplichtingen te voorkomen. Dat geldt ookvoor dit hoofdstuk. Zie over enkele van deze terminologische kwesties,zoals het gebruik van het woord «lidstaat», ook de inleiding op Hoofdstuk5.In het huidige wetboek wordt ook in de bepalingen waarmee uitvoeringwordt gegeven aan het KB-EBV de term «bevel tot inbeslagneming»gebruikt. Zoals toegelicht bij artikel 8.6.2, eerste lid, kent het nationalerecht de modaliteit van een «bevel» tot inbeslagneming niet. Met de termwordt in het verband van dit hoofdstuk gedoeld op de beslissing, bedoeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3287 in artikel 2, onder c, van het KB-EBV. De term wordt dan ook vervangendoor de term «Europese bevriezingsbeslissing». Dit sluit niet alleen beteraan bij de terminologie gebruikt in het KB-EBV; door het gebruik van dezeterm in plaats van «(Europees bevriezings)bevel» komt ook duidelijker inde wettekst tot uitdrukking dat het hier om een ander instrument gaat danin Hoofdstuk 6.In beginsel worden in dit hoofdstuk de termen «bevriezing» en «confis-catie» gebruikt, waarbij deze begrippen de betekenis hebben zoals dievolgt uit het KB-EBV en het KB-confiscatie. Zie ook artikel 8.7.1. Dat isanders wanneer wordt verwezen naar de toepassing van de Nederlandsewetgeving, dan worden de Nederlandse equivalenten («inbeslagneming»,«verbeurdverklaring», «ontnemingsmaatregel» en «onttrekking aan hetverkeer») gebruikt. Zoals gezegd kan een Europese bevriezingsbeslissingmet het oog op zowel confiscatie als het veiligstellen van «bewijsstukken»worden uitgevaardigd. De term «bewijsstukken» heeft daarbij in het kadervan dit hoofdstuk een autonome betekenis. Voor de definitie wordtverwezen naar artikel 2, onderdeel e, van het KB-EBV.Net als in de andere hoofdstukken en in het huidige Vijfde Boek, Titel 5,worden de termen «uitvaardigende» en «uitvoerende» lidstaat gebruikt.Wanneer het gaat om de Nederlandse autoriteiten zal daarbij waarmogelijk worden opgenomen om welke autoriteit het gaat. Dat wil zeggendat als bijvoorbeeld de officier van justitie naar Nederlands recht debevoegde autoriteit is en de bepaling alleen op de Nederlandse bevoegdeautoriteit betrekking heeft, de wettekst niet spreekt van «de bevoegdeuitvaardigende (of uitvoerende) autoriteit», maar van «officier vanjustitie». Niet alleen wanneer wordt verwezen naar de buitenlandseautoriteiten, maar ook wanneer er naar Nederlands recht meer dan eenautoriteit bevoegd kan zijn, worden de termen «uitvaardigende autoriteit»en «uitvoerende autoriteit» gebruikt.TITEL 7.1Algemene bepalingArtikel 8.7.1 [definities]In deze bepaling is de definitie van Europese bevriezingsbeslissingopgenomen zoals die op dit moment impliciet volgt uit de huidigeartikelen 5.5.1, eerste en derde lid, en 5.5.9, eerste en tweede lid. Ziehierover ook de algemene inleiding op dit hoofdstuk. Zoals daar aan deorde is gekomen kan bevriezing op grond van dit hoofdstuk, anders dan inhet kader van Hoofdstuk 6, niet alleen plaatsvinden met het oog opconfiscatie, maar ook met het oog op het veiligstellen van bewijs. Dedefinitie van confiscatiebeslissing is toegevoegd, omdat dit begrip wordtgebruikt in de artikelen 8.7.3, 8.7.9 en 8.7.10.Artikel 8.7.2 [reikwijdte]Zoals in de algemene inleiding op dit hoofdstuk is toegelicht, volgt uitartikel 39 van Vo. 2018/1805 en artikel 34, tweede lid, van de Richtlijn EOBdat voor alle lidstaten die door die instrumenten worden gebonden debepalingen uit het KB-EBV worden vervangen door de bepalingen uit dieinstrumenten. In de praktijk betekent dit dat de bepalingen uit het KB-EBValleen nog kunnen worden toegepast in de relatie met Ierland enDenemarken. In beginsel zijn alle lidstaten echter nog steeds gebondenaan Kaderbesluit 2003/577/JBZ, zij het dat de bepalingen uit het kaderbe-sluit alleen nog worden toegepast in de relatie met genoemde landen. Omdie reden volgt nog niet uit de definitie «lidstaat» in artikel 8.1.2, tweedelid, dat de bepalingen uit dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing zijn opEuropese bevriezingsbeslissingen uitgevaardigd door of uitgevaardigdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3288 aan een lidstaat die niet zijn gebonden door de Richtlijn EOB of Vo.2018/1805. Daarom wordt dit hier, ter omzetting de huidige artikelen 5.5.1,eerste lid, en 5.5.9, eerste lid, expliciet bepaald.TITEL 7.2Uitvaardiging van een Europese bevriezingsbeslissingIn deze titel zijn de bepalingen opgenomen die zien op de situatie waarinNederland als uitvaardigende autoriteit optreedt. Het gaat om devoorschriften die in het huidige wetboek in de Tweede afdeling van Titel 5van het Vijfde Boek te vinden zijn.Artikel 8.7.3 [uitvaardiging Europese bevriezingsbeslissing]Eerste lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.9, tweede en derde lid, wordt metdeze bepaling omgezet naar het nieuwe wetboek. Daarmee wordtuitvoering gegeven aan artikel 2, onderdeel a, van het KB-EBV in die zindat met deze bepaling de officier van justitie als bevoegde autoriteit wordtaangewezen om een beslissing tot bevriezing aan een andere staat uit tevaardigen. Een Europese bevriezingsbeslissing kan, zoals hiervoortoegelicht, worden uitgevaardigd met het oog op het veiligstellen vanbewijs of met het oog op confiscatie (zie de artikelen 2, onder c, en 3,eerste lid, van het KB-EBV). De verwijzing naar de artikelen 94 en 94a isdaarbij vervangen door een verwijzing naar de daarmee corresponde-rende bepalingen in het nieuwe wetboek. De inhoud van het huidigeartikel 5.5.9, derde lid, waarin is geregeld dat een bevriezingsbeslissingook kan worden uitgevaardigd met het oog op «anderbeslag» (zie hethuidige artikel 94a, vierde en vijfde lid) is eveneens overgenomen inonderhavig artikellid. Geëxpliciteerd wordt dat een beslissing slechts kanworden uitgevaardigd indien aan alle vereisten die op grond van deNederlandse wet gelden voor de uitoefening van de beslagbevoegdheid isvoldaan (vgl. de artikelen 8.2.4 en 8.5.4, tweede lid). Dit betekent nietalleen dat moet worden getoetst of aan de materiële vereisten voor inzetvan die bevoegdheid is voldaan, maar ook dat aan de procedurelevoorschriften moet zijn voldaan. Verwezen wordt naar de toelichting opartikel 8.2.4. Met dit artikellid wordt ook uitvoering gegeven aan deartikelen 2, onderdeel c, en 3, eerste lid, van het KB-EBV waaruit blijkt inwelke gevallen een Europese bevriezingsbeslissing kan worden uitge-vaardigd.Tweede lidVoor een toelichting op dit artikellid, dat nieuw is, wordt verwezen naar detoelichting op artikel 8.6.2, tweede lid. Ten opzichte van die bepaling is inhet hier toegelichte artikel ook een verwijzing opgenomen naar eenrechtshulpverzoek tot confiscatie. Dit houdt verband met artikel 21 van hetKB-confiscatie. Die bepaling maakt het mogelijk om in plaats van eenEuropees confiscatiebevel een op een verdrag gebaseerd rechtshulp-verzoek tot confiscatie te doen indien, kort gezegd, dat de procedures voorde tenuitvoerlegging van confiscatie vereenvoudigt of vergemakkelijkt. Ziehierover ook de toelichting op artikel 8.7.4, derde lid.Artikel 8.7.4 [inhoud en taal Europese bevriezingsbeslissing]Deze bepaling, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 4,eerste lid, 5, eerste lid, 9, en 10, eerste lid, van het KB-EBV, vormt deomzetting van het huidige artikel 5.5.10 naar het nieuwe wetboek. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3289 bevat voorschriften over de inhoud en taal van de bevriezingsbeslissingen het daarbij te verzenden certificaat en Europese confiscatiebeslissing/rechtshulpverzoek.Eerste lidOp grond van artikel 4 van het KB-EBV gaat de Europese bevriezingsbe-slissing vergezeld van een certificaat als bedoeld in artikel 9 van hetKB-EBV. Het model van dat certificaat is opgenomen in de bijlage bij hetkaderbesluit. In het huidige artikel 5.5.10, eerste lid, is voorzien in eengrondslag voor een algemene maatregel van bestuur waarin het modelvoor het certificaat is beschreven. Die algemene maatregel van bestuur– het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vanbevelen tot inbeslagneming – is strikt genomen vervallen per 1 juli 2018.Met de vernummering per die datum van onder andere het oude artikel552ss tot het huidige artikel 5.5.10, zonder dat het uitvoeringsbesluit is«omgehangen» naar de nieuwe bepaling, is de grondslag voor dat besluitimmers komen te vervallen. Desalniettemin wordt het besluit in de praktijknog altijd toegepast. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van dewetgever – die niet heeft beoogd inhoudelijke wijzigingen aan tebrengen – en in lijn met de verplichtingen die voortvloeien uit het KB-EBV.In het nieuwe wetboek is ervoor gekozen om de voorschriften die in hetuitvoeringsbesluit zijn opgenomen over te nemen in de wet. Daarmeewordt meer aansluiting gezocht bij de regeling van het EOB (zie Hoofdstuk5), waarbij soortgelijke voorschriften eveneens in de wet zijn opgenomen.Dit voorkomt dat voor een beperkt aantal voorschriften een afzonderlijkeregeling moet worden geraadpleegd. Voor dit artikellid betekent hetvoorgaande dat voor het model voor het certificaat niet langer naar eenalgemene maatregel van bestuur wordt verwezen maar naar de bijlage bijhet kaderbesluit (vgl. artikel 8.5.5, eerste lid, en het huidige artikel 5.4.22).Tweede lidDit artikellid voorziet, overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van het KB-EBVin de mogelijkheid voor de uitvaardigende lidstaat om in de beslissing totbevriezing uitdrukkelijk formaliteiten en procedures op te geven die doorde uitvoerende lidstaat zoveel mogelijk in acht worden genomen. Net alsin artikel 8.5.5, derde lid, is ten opzichte van de huidige wettekst de term«vormvereisten» vervangen door «formaliteiten en procedures» om detekst meer in lijn te brengen met artikel 8.2.12, tweede lid. De tekst sluitdaarmee ook meer aan bij de terminologie in het KB-EBV. Met dezeterminologische aanpassing ten opzichte van het huidige artikel 5.5.10,tweede lid, is dus geen inhoudelijke wijziging beoogd.Derde lidOp grond van artikel 10, eerste lid, van het KB-EBV dient een Europesebevriezingsbeslissing vergezeld te gaan van ofwel een verzoek totovergave van het bewijsmateriaal (onderdeel a) ofwel een verzoek totconfiscatie (onderdeel b) ofwel een instructie dat het voorwerp in deuitvoerende lidstaat blijft in afwachting van een verzoek als bedoeld in deonderdelen a en b (onderdeel c). Met dit artikellid worden de onderdelen aen b van artikel 10, eerste lid, KB-EBV geïmplementeerd.De reden dat (ook) in onderdeel b van die bepaling uit het kaderbesluit determ «verzoek» wordt gebruikt is dat op het moment van de totstand-koming van het kaderbesluit het KB-confiscatie nog niet bestond. Destijdsvolgde dus (zie ook artikel 10, tweede lid, KB-EBV) een klassiek rechtshulp-verzoek op de bevriezingsbeslissing. Het ligt evenwel voor de hand, ookgelet op de link die er bestaat tussen deze beide kaderbesluiten (zie ookoverweging 6 bij het KB-confiscatie), dat met de inwerkingtreding van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3290 KB-confiscatie «verzoek» in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van hetKB-EBV zo moet worden begrepen dat een confiscatiebeslissing dient teworden meegezonden (vgl. artikel 4, zesde lid, van Vo. 2018/1805); zie ookTekst & Commentaar Strafvordering, vijftiende druk, Deventer: WoltersKluwer 2023, aantekening 3b bij artikel 5.5.2. Om die reden is ten opzichtevan het huidige artikel 5.5.10, derde lid, toegevoegd de «Europeseconfiscatiebeslissing» (zie het nieuwe onderdeel b). Dat het hierbij gaatom voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, onttrekking aanhet verkeer of ontneming hoeft hierbij niet in de wet uitgeschreven teworden, nu dat volgt uit de definitie van Europese confiscatiebeslissingopgenomen in artikel 8.7.1. Naast de confiscatiebeslissing wordt ook hetrechtshulpverzoek tot confiscatie genoemd, omdat artikel 21 van hetKB-confiscatie de mogelijkheid openlaat om onderling bilaterale ofmultilaterale overeenkomsten toe te passen als daardoor de tenuitvoer-legging van beslissingen tot confiscatie wordt vereenvoudigd. De term«rechtshulpverzoek» blijft daarnaast gehandhaafd met het oog op deoverdracht van bewijsstukken (zie het nieuwe onderdeel a). In de relatiemet de lidstaten ten aanzien van wie het kaderbesluit verbindend is, geldtimmers dat de Richtlijn EOB niet verbindend is, waardoor voor deoverdracht van het bewijs alleen een rechtshulpverzoek kan volgen. Determ «verzoek» is ten opzichte van de huidige wettekst vervangen door«rechtshulpverzoek» om te verduidelijken dat het gaat om een verzoek datovereenkomstig de voorschriften die gelden voor wederzijdse rechtshulpwordt gedaan (zie Hoofdstuk 2 en eventueel tussen de betrokken lidstatengeldende verdragen). Vgl. artikel 10, tweede lid, van het KB-EBV. Ditbetekent vanzelfsprekend ook dat de bepalingen in Hoofdstuk 2 daaropvan toepassing zijn. Zie ook de toelichting op artikel 8.7.14.Door in onderdeel a naar artikel 2.7.4, eerste lid, onderdeel a en b, teverwijzen wordt verhelderd dat het daarbij niet alleen gaat om bewijs inde strafzaak, maar ook om voorwerpen die kunnen dienen om wederrech-telijk verkregen voordeel aan te tonen. Dat zijn geen voorwerpen dievallen onder het KB-confiscatie, omdat dat geen voorwerpen zijn dieblijvend worden ontnomen op grond van een onherroepelijke straf ofmaatregel (zie artikel 2, onderdeel c, van het KB-confiscatie), maar die welals overtuigingsstuk kunnen dienen in een strafprocedure (artikel 2, ondere, van het KB-EBV). Vgl. ook het huidige artikel 5.5.1, derde lid, onder a, ende toelichting op artikel 8.6.2, eerste lid.Vierde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.10, vierde lid, keert inhoudelijkongewijzigd terug in dit artikellid. Het betreft de omzetting van artikel 10,eerste lid, onderdeel c, van het KB-EBV. Zie hierover ook de toelichting bijhet derde lid. Net als in het derde lid is de term «verzoek» vervangen door«rechtshulpverzoek» en is toegevoegd de «Europese confiscatiebe-slissing».Vijfde lidIn artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenningen tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming is ter implementatievan artikel 9, derde lid, van het KB-EBV, kort gezegd, vastgelegd dat hetcertificaat in de officiële taal van de uitvoerende lidstaat wordt opgesteldof in een van de andere talen die de lidstaat heeft doorgegeven aan hetsecretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie. Zoals bij heteerste lid toegelicht, zijn de voorschriften uit het uitvoeringsbesluit in dewet overgenomen. Voor de redactie van het voorschrift over de taal vanhet certificaat wordt aangesloten bij artikel 8.5.5, vijfde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3291 Artikel 8.7.5 [verzending Europese bevriezingsbeslissing]In het huidige artikel 5.5.11 zijn de voorschriften opgenomen over deverzending van de Europese bevriezingsbeslissing aan de uitvoerendelidstaat. De verzending kan, overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van hetKB-EBV, rechtstreeks plaatsvinden tussen de bevoegde autoriteiten. Indienniet bekend is welke autoriteit bevoegd is tot erkenning en uitvoering vanhet bevel, kan de officier van justitie de uitvoerende lidstaat verzoeken ominlichtingen (artikel 4, derde lid, van het KB-EBV). Deze voorschriften kereninhoudelijk ongewijzigd terug in dit artikel. Wel zijn enkele redactionelewijzigingen aangebracht om de vormgeving van de bepaling meer te latenaansluiten bij bepalingen elders in Boek 8. Zo is de redactie van het eerstelid meer in lijn gebracht met artikel 8.5.6, eerste lid, en – daarmee – ookmet de tekst van het kaderbesluit. Hiermee is geen inhoudelijke wijzigingbeoogd: toezending kan blijven geschieden per post of langs elektro-nische weg.Artikel 8.7.6 [intrekken Europese bevriezingsbeslissing]Met deze bepaling – die in overeenstemming met artikel 6, derde lid, vanhet KB-EBV voorziet in de bevoegdheid tot intrekking van de Europesebevriezingsbeslissing – is het huidige artikel 5.5.13 omgezet naar hetnieuwe wetboek.TITEL 7.3Erkenning en uitvoering van een Europese bevriezingsbeslissingIn deze titel staan de voorschriften over de erkenning en uitvoering vaneen Europese bevriezingsbeslissing, die in het huidige Vijfde boek, Titel 5in de Eerste afdeling zijn opgenomen. Net als in de andere hoofdstukkenvan Boek 8 worden ook in deze titel de bepalingen over de erkenning ende uitvoering van de Europese bevriezingsbeslissing duidelijker van elkaaronderscheiden.Artikel 8.7.7 [ontvangst, erkenning en uitvoering van de Europesebevriezingsbeslissing]Eerste lidIn Nederland is de officier van justitie bevoegd tot erkenning en uitvoeringvan een Europese bevriezingsbeslissing afkomstig uit een andere lidstaat,zo volgt uit het huidige artikel 5.5.3, eerste lid. Voor de formulering van deonderhavige bepaling die de omzetting vormt van genoemd artikel, ismeer aansluiting gezocht bij artikel 8.5.14, eerste lid.Tweede lidDit artikellid, waarmee het huidige artikel 5.5.2, vijfde lid, naar het nieuwewetboek is omgezet, voorziet in de implementatie van artikel 4, vierde lid,van het KB-EBV. Het betreft een doorzendverplichting indien een andereautoriteit dan de officier van justitie, bijvoorbeeld de politie, de bevrie-zingsbeslissing ontvangt.Derde en vierde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.3, vierde lid, keert terug in dezeartikelleden. In het derde lid is in lijn met artikel 5, derde lid, van hetKB-EBV, vastgelegd dat de officier van justitie direct beslist over deerkenning en uitvoering en zo mogelijk binnen vierentwintig uur. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3292 nieuwe wetboek wordt voor de tijdsaanduiding niet «vierentwintig uur»maar «een dag» gehanteerd. Een dag houdt immers in vierentwintig uur;zie artikel 1.1.13. Het vierde lid ziet op het in kennis stellen van debeslissing van de uitvaardigende autoriteit. Met deze bepaling wordtnaast aan artikel 5, derde lid, ook uitvoering gegeven aan artikel 7, derdelid, van het KB-EBV. Er hoeft niet langer expliciet te worden bepaald dat dekennisgeving schriftelijk gebeurt nu dit al uit artikel 1.9.1, tweede lid,volgt.Artikel 8.7.8 [vatbaarheid voor erkenning]Op grond van artikel 5, eerste lid, KB-EBV dienen overeenkomstig dedaarvoor geldende regels toegezonden Europese bevriezingsbeslissingenals uitgangspunt te worden erkend. Dit is alleen anders als een van de inartikel 7 van het KB-EBV genoemde weigeringsgronden aan de orde is (zieartikel 8.7.10). Dat betekent dat in de regel beslissingen die voldoen aande definitie van artikel 2, onderdeel b, van het KB-EBV erkend enuitgevoerd moeten worden. Het gaat dan om beslissingen gericht op hetbevriezen van voorwerpen die – naar het recht van de uitvaardigendelidstaat – kunnen dienen als bewijsstuk of kunnen worden geconfisqueerd.Zie over de definitie van confiscatie ook de algemene inleiding op dithoofdstuk. Anders dan in het huidige artikel 5.5.1, tweede en derde lid,worden niet de Nederlandse begrippen «inbeslagneming», «verbeurdver-klaring», «ontneming», en «onttrekking aan het verkeer» gebruikt, maarde Europeesrechtelijke begrippen, omdat immers het recht van deuitvaardigende lidstaat op dit punt leidend is. Vanzelfsprekend kanNederland een Europees bevriezingsbevel alleen uitvoeren als devoorwerpen zich ook in Nederland bevinden. Zie in dit verband ook dedefinitie van «tenuitvoerleggingsstaat» in artikel 2, onderdeel c, van hetKB-EBV.Artikel 8.7.9 [bijbehorend certificaat]Eerste lidUit artikel 5 van het KB-EBV volgt dat de bevoegde autoriteit van deuitvoerende lidstaat een bevriezingsbeslissing erkent die is toegezondenovereenkomstig artikel 4 van het KB-EBV. Op grond van die bepaling gaatelke Europese bevriezingsbeslissing vergezeld van een certificaat (artikel 9van het KB-EBV) dat is opgesteld overeenkomstig het model dat isopgenomen in de bijlage bij het kaderbesluit. Deze voorschriften zijn inhet huidige wetboek opgenomen in artikel 5.5.2, eerste lid. De inhoud vandie bepaling keert op deze plaats terug in het nieuwe wetboek. Zie vooreen toelichting op de vervanging van de grondslag voor een algemenemaatregel van bestuur door een verwijzing naar de bijlage bij hetkaderbesluit de toelichting op artikel 8.7.4, eerste lid.Tweede lidEen Europese bevriezingsbeslissing uit een andere lidstaat dient, opgrond van artikel 10, eerste lid, van het KB-EBV, vergezeld te gaan van eenrechtshulpverzoek tot overdracht van het bewijsmateriaal, van eenEuropese confiscatiebeslissing of een rechtshulpverzoek tot confiscatie.Zie hierover en voor een toelichting op de wijzigingen die wordenaangebracht ten opzichte van het huidige artikel 5.5.2, tweede lid, detoelichting op artikel 8.7.4, derde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3293 Derde lidZie voor een toelichting op het derde lid de toelichting op artikel 8.7.4,vierde lid. Met dit artikellid is het huidige artikel 5.5.2, derde lid, omgezetnaar het nieuwe wetboek.Vierde lidIn artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning entenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming is ter implementatievan artikel 9, derde lid, van het KB-EBV, kort gezegd, vastgelegd dat hetcertificaat in het Nederlands moet zijn opgesteld of in een van de anderetalen die Nederland heeft doorgegeven aan het secretariaat-generaal vande Raad van de Europese Unie. Zoals bij artikel 8.7.4, eerste lid toegelicht,zijn in dit hoofdstuk de bepalingen van dat besluit op het niveau van dewet opgenomen. Voor de redactie van het voorschrift over de taal van hetcertificaat wordt aangesloten bij artikel 8.5.15, tweede lid. In de wettekstwordt naast het Nederlands ook het Engels genoemd, omdat die taal tentijde van de implementatie is doorgegeven aan het secretariaat-generaalvan de Raad van de Europese Unie.Vijfde lidDe inhoud huidige artikel 5.5.2, vierde lid, keert ongewijzigd terug in ditartikellid. Het betreft de implementatie van artikel 7, tweede lid, van hetKB-EBV.Artikel 8.7.10 [weigeringsgronden]De weigeringsgronden, opgenomen in het huidige artikel 5.5.3, tweedelid, en artikel 7, eerste en vierde lid, van het KB-EBV, zijn in het nieuwewetboek overgenomen in dit artikel. Ten opzichte van de bestaandewettekst wordt in onderdeel c niet meer verwezen naar bepalingen in hetWetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering, maar wordthet beginsel van ne bis in idem als zodanig genoemd (vgl. de artikelen8.2.10, derde lid, en 8.5.16, eerste lid, onder d).Onderdeel d ziet op de mogelijkheid om de erkenning en uitvoering vaneen Europese bevriezingsbeslissing te weigeren vanwege het ontbrekenvan dubbele strafbaarheid. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering.Op grond van artikel 3, tweede lid, van het KB-EBV wordt als sprake is vaneen in dat artikellid opgesomd strafbaar feit waarop naar het recht van deuitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf is gesteld met een maximumvan ten minste drie jaar, niet getoetst op dubbele strafbaarheid. Deze lijstvan strafbare feiten kan op grond van artikel 3, derde lid, van het KB-EBVworden aangevuld. Deze bepalingen zijn op dit moment geïmplementeerddoor artikel 5.5.3, derde lid, in combinatie met artikel 3 van het Uitvoe-ringsbesluit wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevelen totinbeslagneming. Zoals bij artikel 8.7.4, eerste lid, toegelicht, zijn devoorschriften uit het dat besluit in de wet opgenomen. Daarom wordt nietverwezen naar een algemene maatregel van bestuur, maar naar destrafbare feiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het KB-EBV. Dezeuitzondering op de toets aan dubbele strafbaarheid is net als in artikel8.5.16, tweede lid, onderdeel a, hier meteen in de opsommingopgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3294 Artikel 8.7.11 [spoedige erkenning en uitvoering en opschorting]Eerste lidOp grond van artikel 5, eerste lid, van het KB-EBV dient de uitvoerendeautoriteit niet alleen zo snel mogelijk een beslissing te nemen over debevriezing, maar dient hij «de nodige maatregelen [te nemen] voor deonmiddellijke tenuitvoerlegging daarvan». Dit is alleen anders indien eenweigeringsgrond van toepassing is (zie artikel 8.7.10) of een van degronden voor uitstel (zie het tweede lid). In het huidige artikel 5.5.4 is weleen regeling voor de opschorting van de uitvoering opgenomen, maar isde hoofdregel niet expliciet vastgelegd. Met dit artikellid is alsnog in deexplicitering van deze hoofdregel in de wet voorzien.Tweede lidDit lid beschrijft de gronden voor opschorting van de uitvoering van eenEuropese bevriezingsbeslissing. De gronden corresponderen met degronden voor uitstel, opgenomen in artikel 8, eerste lid, van het KB-EBV.Ten opzichte van het huidige artikel 5.5.4, eerste lid, zijn enkele redacti-onele verbeteringen aangebracht om met name de betekenis vanonderdeel c te verduidelijken.Derde tot en met vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.4, tweede tot en met vierde lid, isovergenomen in deze artikelleden. Het gaat om voorschriften overkennisgevingen aan de uitvaardigende autoriteit en het alsnog uitvoerenvan de bevriezingsbeslissing. Zie over de betekenis van het vijfde lid ookKamerstukken II 2004/05, 29 845, nr. 3, p. 15.Artikel 8.7.12 [uitvoering Europese bevriezingsbeslissing]Eerste lidIn dit eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat de uitvoering van eenEuropese bevriezingsbeslissing plaatsvindt overeenkomstig devoorschriften in dit wetboek inzake inbeslagneming en het overnemenvan gegevens. In het huidige wetboek is dit uitgangspunt – dat isvastgelegd in artikel 5, eerste lid, van het KB-EBV – opgenomen in artikel5.5.5, eerste lid. Net als bij andere vormen van (kleine) rechtshulp (zie ookde artikelen 8.2.13, tweede lid, en 8.5.20, tweede lid), geldt ook in hetkader van de Europese bevriezingsbeslissing dat gelet op het beginsel vanwederzijdse erkenning niet wordt getoetst aan het onderzoeksbelang ende daaraan gerelateerde eisen van proportionaliteit. Vgl. artikel 5, eerstelid, en overweging 4 van het KB-EBV en ECLI:NL:HR:2019:1694. Omdat hetbestaan van een voorrecht of immuniteit een weigeringsgrond is (zieartikel 8.7.10, onderdeel b) kan wel in volle omvang aan het verschonings-recht worden getoetst. Zie ook de toelichting op artikel 8.6.5, eerste lid.Tweede lidDe inhoud van het huidige artikel 5.5.5, tweede lid, keert terug in ditartikellid. Zie ook de toelichting op artikel 8.7.4, tweede lid.Derde lidDit artikellid vormt in zekere zin een verbijzondering van artikel 8.7.9,vijfde lid. Het KB-EBV gaat ervan uit dat de uitvaardigende lidstaat vrijprecies weet welke voorwerpen worden gezocht en waar deze zichTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3295 bevinden. De uitvaardigende lidstaat moet dit immers voldoendenauwkeurig aangeven op het mee te zenden certificaat (zie onderdeel fvan het certificaat). Van Nederland wordt niet verwacht dat het uitvoerigenaspeuringen doet om het voorwerp te vinden. Is de locatie waar devoorwerpen zich bevinden onvoldoende nauwkeurig aangegeven, danverzoekt de officier van justitie de uitvaardigende lidstaat om aanvullendeinlichtingen. Ontvangt hij die niet, dan kan de Europese bevriezingsbe-slissing in de praktijk niet worden uitgevoerd; zie het zesde lid, onderdeelc. Zie ook artikel 7, vierde lid, van het KB-EBV en Kamerstukken II 2004/05,29 845, nr. 3, p. 4 en p. 17.Vierde lidDit artikellid betreft de omzetting naar het nieuwe wetboek van hethuidige artikel 5.5.5, vierde lid. Om de voorwerpen in beslag te kunnennemen, is soms de inzet van andere (steun)bevoegdheden nodig,bijvoorbeeld een doorzoeking of een bevel uitlevering. Het recht van deuitvoerende lidstaat – in dit geval Nederland – is daarbij leidend (zie artikel5, tweede lid, van het KB-EBV). Dit betekent dat de andere staat eenrechtshulpverzoek moet doen voor inzet van deze steunbevoegdheden.Dit is anders bij een Europees bevriezingsbevel dat wordt uitgevaardigdop grond van Hoofdstuk 6. Op basis van Vo. 2018/1805 kunnen steunbe-voegdheden zonder een aanvullend verzoek of bevel worden ingezet (zieKamerstukken 2019/20, 35 402, nr. 3, p. 4 en 10).Als een rechtshulpverzoek voor de inzet van steunbevoegdhedenontbreekt, kan de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit op dehoogte stellen, zodat die alsnog een daartoe strekkend rechtshulpverzoekkan doen (zie het zesde lid).Vijfde lidNet als in het huidige artikel 5.5.5, vijfde lid, is in dit artikellid eenafwijking van het in het eerste lid geformuleerde uitgangspuntbeschreven, in die zin dat over de beëindiging van de bewaring van deinbeslaggenomen voorwerpen alleen kan worden beslist na overleg metde uitvaardigende autoriteit. Daarmee wordt uitvoering gegeven aanartikel 6, tweede lid, van het KB-EBV.Zesde lidDe verplichtingen tot het in kennis stellen van de uitvaardigende autoriteitdie zijn opgenomen in de artikelen 5, eerste lid en tweede lid, en 7, vierdelid, van het KB-EBV en die in het huidige wetboek geïmplementeerd doorartikel 5.5.5, zesde lid, keren hier terug in het nieuwe wetboek.Artikel 8.7.13 [duur beslag]Ter implementatie van artikel 6 van het KB-EBV zijn in deze bepalingenkele voorschriften over de duur van het door Nederland ter uitvoeringvan de bevriezingsbeslissing gelegde beslag opgenomen. Daarmee wordthet huidige artikel 5.5.7 inhoudelijk ongewijzigd omgezet naar het nieuwewetboek.Eerste en tweede lidAls uitgangspunt duurt het beslag voort totdat er een beslissing isgenomen over de Europese confiscatiebeslissing of het rechtshulpverzoek(artikel 6, eerste lid, van het KB-EBV), zo wordt in dit eerste lid vastgelegd.Dat is alleen anders indien het voorwerp al is teruggegeven vanwege eenbevel daartoe door de (Nederlandse) rechter naar aanleiding van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3296 klaagschrift (artikel 11 van het KB-EBV; zie artikel 8.7.17) of wanneer deuitvaardigende autoriteit het Europese bevriezingsbevel intrekt (artikel 6,derde lid, van het KB-EBV). Als de uitvaardigende autoriteit het bevelintrekt, beveelt de officier van justitie direct de teruggave van hetinbeslaggenomen voorwerp.Derde lidIn overleg met de uitvaardigende autoriteit kan de officier van justitievoorwaarden stellen om de duur van het beslag te beperken. De uitvaardi-gende autoriteit wordt in de gelegenheid gesteld opmerkingen te makenindien de officier van justitie overeenkomstig deze voorwaardenoverweegt het beslag te beëindigen (artikel 6, tweede lid, van hetKB-EBV).Artikel 8.7.14 [geen dubbele strafbaarheid bij rechtshulpverzoek]Dit artikel ziet niet op de Europese bevriezingsbeslissing, maar op hetdaarbij meegezonden of nagezonden rechtshulpverzoek (zie artikel 8.7.9,tweede en derde lid).Zoals toegelicht bij artikel 8.7.4, derde lid, wordt met de term «rechtshulp-verzoek» in de wet tot uitdrukking gebracht dat het gaat om een verzoekdat overeenkomstig de voorschriften die gelden voor wederzijdserechtshulp wordt gedaan (zie Hoofdstuk 2 en eventueel tussen debetrokken lidstaten geldende verdragen). Vgl. artikel 10, tweede lid, vanhet KB-EBV. Dat geldt ook voor het gebruik van deze term in artikel 8.7.9.Dit betekent vanzelfsprekend dat de bepalingen in Hoofdstuk 2, inclusiefde bepalingen over de overdracht van het bewijsmateriaal en derechtsmiddelen, daarop van toepassing zijn. Het is daarom niet nodig omdit, zoals in het huidige artikel 5.5.8, expliciet te bepalen. Op dit punt isdus geen inhoudelijke wijziging beoogd. De inhoud van de tweede zin uithet huidige artikel 5.5.8 keert wel terug in het nieuwe wetboek. Uit artikel10, derde lid, van het KB-EBV volgt dat bij de behandeling van hetrechtshulpverzoek dat samenhangt met de bevriezingsbeslissing nietgetoetst mag worden aan dubbele strafbaarheid als sprake is van een«lijstfeit» als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het KB-EBV (vgl. artikel8.7.10, onderdeel d). Hoewel deze weigeringsgrond in artikel 8.2.10 niet isopgenomen, vloeit impliciet uit artikel 8.2.13, eerste en tweede lid, voortdat bij de inzet van opsporingsbevoegdheden in Nederland moet wordenvoldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid (vgl. Kamerstukken II2015/16, 34 493, nr. 3, p. 18 en Kamerstukken II 2003/04, 29 451, nr. 1, p. 4).Ter verzekering van de volledige implementatie van het kaderbesluit isdaarom expliciet bepaald dat bij rechtshulpverzoeken die samenhangenmet een Europese bevriezingsbeslissing en die betrekking hebben op een«lijstfeit» niet mag worden getoetst aan dubbele strafbaarheid. Deweigeringsgronden uit artikel 8.2.10 kunnen wel op het rechtshulpverzoekworden toegepast (zie artikel 10, tweede lid, van het KB-EBV).TITEL 7.4RechtsmiddelenNet als in de andere hoofdstukken zijn de rechtsmiddelen duidelijkeruitgeschreven. Het uitgangspunt daarbij is dat bij de uitvaardiging enuitvoering van een Europese bevriezingsbeslissing dezelfde rechtsmid-delen beschikbaar zijn als in een vergelijkbare nationale zaak. Omdat hetbij een Europese bevriezingsbeslissing enkel gaat om de inbeslagnemingvan voorwerpen, zijn de bepalingen daarop iets meer specifiek toege-schreven dan in andere hoofdstukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3297 Artikel 8.7.15 [rechtsmiddelen bij uitvaardiging Europesebevriezingsbeslissing]In het huidige artikel 5.5.12 zijn de mogelijkheden tot het instellen vanbeklag geregeld in de gevallen waarin Nederland een Europese bevrie-zingsbeslissing heeft uitgevaardigd, ter implementatie van artikel 11 vanhet KB-EBV. Deze voorschriften zijn, met enkele verduidelijkingen,overgenomen in deze bepaling. Voor de bevoegde rechter wordtverwezen naar de toelichting op artikel 8.2.24, tweede lid.Eerste lidBlijkens artikel 11, eerste lid, van het KB-EBV kan in de uitvaardigendelidstaat worden geklaagd tegen de uitvaardiging van het bevel zodra dat isuitgevoerd door de uitvoerende lidstaat. Er kan in dat geval wordengeklaagd over het bevel en het voortduren van het beslag, maar niet overhet optreden bij de buitenlandse autoriteiten bij de uitvoering. Daaroverkan in de uitvoerende lidstaat worden geklaagd (vgl. artikel 8.7.17). Zieook de toelichting op artikel 8.2.24 (eerste lid). Het voorgaande is tenopzichte van het huidige artikel 5.5.12, eerste lid, in de wettekstverhelderd.Tweede lidIn het huidige artikel 5.5.12, tweede lid, wordt, kort gezegd, bepaald dat deofficier van justitie de Europese bevriezingsbeslissing intrekt als derechter het beklag gegrond verklaart. Het kan echter voorkomen dat devoorwerpen al aan Nederland zijn overgedragen. In dat geval ligt het in derede dat de voorwerpen worden teruggegeven door de officier vanjustitie. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin dat niet mogelijkis, bijvoorbeeld omdat de buitenlandse autoriteiten hebben bedongen datde voorwerpen teruggezonden moeten worden. Met de woorden «zoveelmogelijk» wordt – net als in artikel 8.2.24, derde lid, – tot uitdrukkinggebracht dat de officier van justitie moet doen wat in zijn macht ligt. Datbetekent ook dat de officier van justitie in voorkomende gevallen nietlouter kan volstaan met de intrekking van de bevriezingsbeslissing. Als hetaan de buitenlandse autoriteiten is om te beslissen over teruggave ofvernietiging, dan zal hij die autoriteiten op de hoogte moeten stellen vande beslissing van de Nederlandse rechter, opdat zij daarmee bij hunbeslissing rekening kunnen houden.Derde lidHet huidige artikel 5.5.12, derde lid, is inhoudelijk ongewijzigd omgezetnaar het nieuwe wetboek. Hiermee wordt mede uitvoering gegeven aanartikel 11, vierde lid, van KB-EBV. Zie over de betekenis van deze bepalingook de toelichting op artikel 8.2.24, vierde lid.Artikel 8.7.16 [rechtsmiddelen bij uitvoering Europese bevrie-zingsbeslissing]Eerste lidDeze bepaling is nieuw en geeft mede uitvoering aan artikel 11 van hetKB-EBV, op grond waarvan de betrokkene (eveneens) een rechtsmiddelmoet kunnen aanwenden in de uitvoerende lidstaat tegen de uitvoeringvan een Europese bevriezingsbeslissing. In de praktijk zal het gaan om hetinstellen van beklag tegen de inbeslagneming. In artikel 8.7.17 zijn enkelebijzondere voorschriften opgenomen ten aanzien van de beklagprocedure.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3298 De bepaling voorziet daarnaast in de mogelijkheid voor de officier vanjustitie om op te komen tegen een negatieve beslissing van de rechter-commissaris op een vordering van de officier om een door hembenodigde machtiging om uitvoering te kunnen geven aan een Europesebevriezingsbeslissing. Verder maakt de bepaling het mogelijk voor deofficier van justitie en de verschoningsgerechtigde om op te komen tegeneen beslissing van de rechter-commissaris over het verschoningsrecht diehij neemt in het kader van een Europese bevriezingsbeslissing (Boek 2,Titel 7.8). Soortgelijke voorschriften zijn opgenomen in de artikelen 8.2.25,8.5.34 en 8.6.7.Tweede lidTegen de materiële gronden voor het geven van de bevriezingsbeslissingkan alleen in de uitvaardigende lidstaat opgekomen worden (vgl. artikel11, derde lid, van het KB-EBV en ECLI:NL:HR:2019:1694). Dit uitgangspunt,dat in de huidige wet in artikel 5.5.6, eerste lid, is vastgelegd, keert hierterug in het nieuwe wetboek, omdat het niet alleen geldt ten aanzien vande beklagprocedure, maar ook bij de beoordeling van de andere hiervoorgenoemde rechtsmiddelen.Artikel 8.7.17 [beklag]Op grond van artikel 11 van het KB-EBV moet het mogelijk zijn om in deuitvoerende lidstaat een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitvoeringvan een Europese bevriezingsbeslissing. In het huidige wetboek is in demogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel voorzien met artikel5.5.6, waarvan de inhoud in het nieuwe wetboek terugkeert in dezebepaling. Onderhavig artikel moet worden gelezen in samenhang metartikel 8.7.16. Deze laatste bepaling voorziet in principe al in demogelijkheid tot het instellen van beklag tegen het beslag. De hiertoegelichte aanvulling daarop is nodig, omdat daarin enkele van de«gewone» beklagregeling in Boek 6, Titel 4.1, afwijkende regels wordengegeven.Eerste lidDit artikellid betreft de omzetting van het huidige artikel 5.5.6, eerste lid. Inde uitvoerende staat – in dit geval Nederland – kan alleen wordengeklaagd over de erkenning en de wijze waarop uitvoering wordt gegevenaan de bevriezingsbeslissing. Het voorschrift uit het huidige artikel 5.5.6,eerste lid, dat «de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslagvan het bevel», omdat tegen de materiële gronden van de Europesebevriezingsbeslissing alleen in de uitvaardigende lidstaat kan wordenopgekomen, is opgenomen in artikel 8.7.16, tweede lid. Welke rechtbankbevoegd is tot behandeling van het klaagschrift volgt uit artikel 8.1.5.Tweede lidOp grond van artikel 11, derde lid, van het KB-EBV dient de uitvaardi-gende autoriteit in kennis gesteld te worden als er een rechtsmiddel tegende uitvoering van de Europese bevriezingsbeslissing is aangewend in deuitvoerende staat. Deze bepaling is met het huidige artikel 5.5.6, tweedelid geïmplementeerd. De inhoud van die bepaling keert hier terug in hetnieuwe wetboek, door de van overeenkomstige toepassing verklaring vanartikel 8.2.26, derde lid. Ook het vierde lid van die laatste bepaling is vanovereenkomstige toepassing verklaard voor gevallen waarin de uitvaardi-gende lidstaat (ten aanzien van bepaalde informatie) om geheimhoudingheeft verzocht. Nu op grond van artikel 11, vierde lid, van het KB-EBV«passende informatie» moet worden verstrekt, bestaat hiervoor ruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3299 HOOFDSTUK 8Europese beslissing betreffende toezichtmaatregelen als alter-natief voor voorlopige hechtenisDit hoofdstuk betreft de omzetting van het huidige Vijfde Boek, Titel 7. Dein die titel opgenomen regeling, die met de wet herziening internationalesamenwerking in strafzaken (alleen) is vernummerd, maakt sinds deinwerkingtreding per 1 november 2013 van de wet van 5 juni 2013 (Stb.2013, 250; Kamerstukken 33 422) deel uit van het huidige wetboek. Metdeze regeling wordt uitvoering gegeven aan Kaderbesluit 2009/829/JBZinzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van hetbeginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaat-regelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (hierna: het KB toezicht-maatregelen). Kort samengevat bevat dit kaderbesluit voorschriften voorgevallen waarin de lidstaat waar de strafprocedure plaatsvindt (uitvaardi-gende lidstaat) als alternatief voor voorlopige hechtenis aan eenverdachte verplichtingen (toezichtmaatregelen) heeft opgelegd, terwijl dieverdachte een vaste woon- of verblijfplaats heeft in een andere lidstaat(uitvoerende lidstaat). Als de verdachte instemt met terugkeer naar dielidstaat, kan de uitvaardigende lidstaat een Europese toezichtbeslissinguitvaardigen. De uitvoerende lidstaat is in beginsel gehouden diebeslissing te erkennen en toezicht te houden op de naleving van de aan deverdachte opgelegde verplichtingen. De wijze waarop dit toezichtplaatsvindt wordt beheerst door het recht van de uitvoerende lidstaat. Deuitvaardigende lidstaat blijft bevoegd om alle beslissingen ter zake van devoorlopige hechtenis te nemen. Indien de verdachte de verplichtingen nietnaleeft, kan hij worden aangehouden en overgeleverd aan de uitvaardi-gende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dedoelen van het kaderbesluit zijn:–het garanderen van een normale rechtsgang en ervoor zorgen dat deverdachte beschikbaar is om voor de rechter te verschijnen;–in voorkomend geval bevorderen dat niet tot vrijheidsbenemingstrekkende maatregelen worden toegepast in geval van de vervolgingvan een niet-ingezetene als dat in soortgelijke omstandigheden bijingezetenen achterwege gelaten wordt;–de bescherming van slachtoffers en het publiek te verbeteren.Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 422, nr. 3, p. 2–3 en de overwegingen3–5 en 12 bij het KB toezichtmaatregelen.Ten opzichte van de huidige wet is de volgorde van de bepaling gewijzigd.Net als in de andere hoofdstukken zijn na een aantal algemene bepalingen(Titel 8.1), eerst de bepalingen inzake de uitvaardiging door Nederlandopgenomen (Titel 8.2) en daarna de bepalingen inzake de erkenning enuitvoering van een buitenlandse beslissing door Nederland (Titel 8.3). Nuhet gaat om implementatiewetgeving zijn daarbij geen inhoudelijkewijzigingen aangebracht.Enkele terminologische aspectenAnders dan in de andere titels in het huidige Vijfde Boek, wordt in Titel 7niet de officier van justitie maar het openbaar ministerie als bevoegdeautoriteit aangewezen in het geval Nederland de uitvaardigende lidstaatis. Die benadering is in dit hoofdstuk overgenomen. De Europesetoezichtbeslissing kan immers niet alleen door de officier van justitie,maar ook door de advocaat-generaal in hoger beroep worden uitge-vaardigd. In de bepalingen die betrekking hebben op de situatie waarinNederland als uitvoerende lidstaat optreedt, is de officier van justitie alsuitvoerende autoriteit aangewezen. Daarmee is aangesloten bij Boek 7,waarin in het kader van het toezicht op de naleving van voorwaarden ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3300 de officier van justitie (en niet het openbaar ministerie) als autoriteit wordtgenoemd. Wanneer het gaat om de Nederlandse autoriteiten zal waarmogelijk worden opgenomen om welke autoriteit het gaat. Dat wil zeggendat als de officier van justitie naar Nederlands recht de bevoegdeautoriteit is en de bepaling alleen op de Nederlandse bevoegde autoriteitbetrekking heeft, de wettekst niet spreekt van «de bevoegde uitvaardi-gende (of uitvoerende) autoriteit», maar van «officier van justitie».In Titel 8.2 wordt de term «verdachte» gebruikt als wordt gedoeld op depersoon ten aanzien van wie de toezichtmaatregelen worden toegepast. Indat geval is Nederland immers de uitvaardigende lidstaat. Omdatvoorlopige hechtenis – en dus ook de schorsing daarvan ondervoorwaarden – naar Nederlands recht alleen kan worden toegepast tenaanzien van een verdachte, zal de betrokkene dus altijd naar Nederlandsrecht kunnen worden aangemerkt als de verdachte. In Titel 8.3 wordt determ «betrokkene» gebruikt. In het kader van Boek 8 geldt dat onder hetbegrip «verdachte» ook degene wordt verstaan die naar aanleiding vanhet recht van de uitvaardigende lidstaat als zodanig wordt aangemerkt.Het is echter niet zonder meer zo dat degene ten aanzien van wietoezichtmaatregelen worden opgelegd naar buitenlands recht ook als«verdachte» is aangemerkt. Buitenlandse wetgeving kent soms ookandere kwalificaties, zoals de «beschuldigde». Omdat in het kaderbesluitde term «betrokkene» wordt gebruikt voor degene ten aanzien van wie detoezichtmaatregelen gelden, wordt deze term hier ook gebruikt.TITEL 8.1Algemene bepalingenIn deze titel zijn naast een definitiebepaling twee bepalingen inzake dereikwijdte opgenomen. Daarmee zijn de huidige artikelen 5.7.1, 5.7.3 en5.7.4, derde lid, omgezet naar het nieuwe wetboek. De inhoud van hethuidige artikel 5.7.4, eerste en tweede lid, is overgenomen in de artikelen8.8.4 en 8.8.12. Deze voorschriften lenen zich bij nader inzien beter voorde titels over de uitvaardiging en uitvoering van een Europese toezichtbe-slissing nu zij zien op de aanwijzing van de Nederlandse uitvaardigendeen uitvoerende autoriteit. Artikel 5.7.2 keert niet als afzonderlijke bepalingterug in het nieuwe wetboek. Dat Europese toezichtbeslissingen overeen-komstig de bepalingen in dit hoofdstuk moeten worden verzonden,erkend, en ten uitvoer gelegd volgt al uit de overige bepalingen in dithoofdstuk.Artikel 8.8.1 [definitiebepaling]In het huidige artikel 5.7.1 is een aantal definities opgenomen. De definitievan het kaderbesluit zelf is opgenomen in artikel 8.1.2 en hoeft om diereden hier niet te worden overgenomen. De definities van «uitvaardi-gende lidstaat» en «uitvoerende lidstaat» keren niet terug in het nieuwewetboek, nu deze termen ook in de andere hoofdstukken van Boek 8 (en inde meeste titels in het huidige Vijfde boek) niet gedefinieerd worden eneen vanzelfsprekende betekenis hebben. De definitie van «toezichtbe-slissing» is ten opzichte van de bestaande wettekst aangepast in die zindat, net als in andere hoofdstukken, ervoor is gekozen om niet de definitieuit het kaderbesluit integraal over te nemen, maar in plaats daarvan teverwijzen naar de definitie opgenomen in artikel 4, onderdeel a, van hetkaderbesluit. Net als in andere hoofdstukken wordt «Europese» ingevoegdvoor «toezichtbeslissing». Daarmee wordt duidelijker tot uitdrukkinggebracht dat het niet gaat om een louter nationale beslissing (dat is de«toezichtmaatregel»), maar om een beslissing die wordt uitgevaardigdaan een andere EU-lidstaat. De definitie van «toezichtmaatregel» is inovereenstemming met artikel 4, onderdeel b, van het KB toezichtmaatre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3301 gelen, met dien verstande dat in de definitie tot uitdrukking wordtgebracht dat de maatregel is opgelegd als alternatief voor voorlopigehechtenis (vgl. artikel 4, onderdeel a, van het KB toezichtmaatregelen).Deze maatregelen moeten blijkens die definitie zijn opgelegd overeen-komstig het recht van de uitvaardigende lidstaat. Naar Nederlands rechtgaat het om voorwaarden die worden opgelegd bij de schorsing(waaronder mede begrepen de opschorting) van de voorlopige hechtenis(zie Boek 2, Afdeling 5.4.3). Andere lidstaten kennen ook modaliteitenwaarbij toezichtmaatregelen kunnen worden toegepast zonder dat daarbijook meteen de voorlopige hechtenis wordt opgelegd.Artikel 8.8.2 [reikwijdte]Niet voor iedere toezichtmaatregel die is opgelegd als alternatief voorvoorlopige hechtenis kan een Europese toezichtbeslissing wordenuitgevaardigd. In artikel 8, eerste lid, van het KB toezichtbeslissingen isbepaald dat het kaderbesluit van toepassing is op een aantal aldaaropgesomde toezichtmaatregelen. Op grond van het tweede lid van diebepaling kunnen lidstaten in aanvulling daarop andere toezichtmaatre-gelen doorgeven aan de Europese Unie waarop zij eveneens bereid zijntoe te zien. Deze bepaling is met het huidige artikel 5.7.3 geïmplemen-teerd. Het eerste lid van die bepaling somt de toezichtmaatregelen uitartikel 8, eerste lid, van het kaderbesluit op. In het huidige artikel 5.7.3,tweede lid, is voorzien in een grondslag voor een algemene maatregelvan bestuur waarin overeenkomstig artikel 8, tweede lid, van hetkaderbesluit aanvullende toezichtmaatregelen kunnen wordenopgenomen. In artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenningtoezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis heeftNederland de verplichting tot het ondergaan van elektronisch toezichtopgenomen als aanvullende toezichtmaatregel. Dit betekent datNederland als uitvoerende lidstaat Europese toezichtbeslissingen vanandere lidstaten waarin deze maatregel is opgenomen kan erkennen enuitvoeren (zie ook artikel 10, vierde lid, van het KB toezichtmaatregelen).Nederland kan een toezichtbeslissing die op elektronisch toezichtbetrekking heeft alleen uitvaardigen als de andere lidstaat deze toezicht-maatregel ook heeft aangemeld overeenkomstig artikel 8, tweede lid, vanhet kaderbesluit.Eerste lidDe inhoud van het huidige artikel 5.7.3, eerste lid, is inhoudelijkongewijzigd overgenomen.Tweede lidHoewel deze bepaling blijkens de formulering ziet op de situatie waarinNederland de uitvoerende lidstaat is, is deze toch opgenomen bij dealgemene bepalingen. Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is dat hetvoorschrift nauw samenhangt met het eerste lid, onderdeel g. De tweedereden is dat het beginsel van reciprociteit (ook wel het wederkerigheidsbe-ginsel) impliceert dat Nederland geen Europese toezichtbeslissing kanuitvaardigen ten aanzien van andere toezichtmaatregelen dan de in de wetopgenomen en de door Nederland aan de EU doorgegeven maatregelen,omdat Nederland andere maatregelen immers in de wederkerige situatieniet erkent en uitvoert. In dat opzicht is de aanwijzing van toezichtmaatre-gelen in het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning toezichtmaatre-gelen als alternatief voor voorlopige hechtenis dus ook relevant voor desituatie waarin Nederland als uitvaardigende lidstaat optreedt. Hetuitvoeringbesluit zal in het kader van de invoeringswet worden«omgehangen» naar deze nieuwe grondslag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3302 Artikel 8.8.3 [overleg]Met deze bepaling wordt artikel 5.7.4, derde lid, omgezet naar het nieuwewetboek. De bepaling ziet op het overleg tussen de uitvaardigende en deuitvoerende lidstaat en geeft uitvoering aan artikel 22, eerste lid,onderdeel b, van het KB toezichtmaatregelen. In artikel 22, derde lid, vanhet kaderbesluit is een nadere duiding gegeven van welke informatie (inieder geval) tussen de uitvaardigende en uitvoerende autoriteiten kanworden uitgewisseld. Het gaat om informatie aan de hand waarvan deidentiteit en de woonplaats van de betrokkene kunnen worden nagegaanen (belangrijke) gegevens uit het strafregister. De uitwisseling vangegevens uit het strafregister vindt blijkens de richtlijn plaats overeen-komstig de toepasselijke (nationale) wetgeving – voor Nederland de Wetjustitiële en strafvorderlijke gegevens. De onderdelen a en c van artikel 22,eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen zijn geïmplementeerd met deartikelen 8.8.4, derde lid, en 8.8.18, derde lid. De inhoud van artikel 22,tweede lid, van het kaderbesluit is opgenomen in artikel 8.8.4, derde lid.TITEL 8.2Uitvaardiging van een Europese toezichtbeslissingIn deze titel keren de voorschriften uit het huidige Vijfde Boek, Titel 7,Derde afdeling, terug. De bepalingen zien op de situatie waarin Nederlandeen Europese toezichtbeslissing uitvaardigt. Zoals in de toelichting opartikel 8.8.1 al kort is aangegeven, is bij een «toezichtmaatregel» in de zinvan het KB toezichtmaatregelen naar Nederlands recht sprake vanvoorwaarden verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis.Artikel 8.8.4 [uitvaardiging Europese toezichtbeslissing]Eerste lidHet openbaar ministerie is bevoegd tot het uitvaardigen van een Europesetoezichtbeslissing, zo volgt uit het huidige artikel 5.7.4, tweede lid. Ziehierover ook de inleiding op dit hoofdstuk, onder «enkele terminologischeaspecten». De redactie van deze bepaling wordt meer in lijn gebracht metde redactie van soortgelijke artikelen in de andere hoofdstukken van ditboek. Dit betekent dat het artikellid niet spreekt over een «bevel totschorsing van voorlopige hechtenis», maar over een «Europese toezicht-beslissing». Gedoeld wordt immers op dit laatste en niet op het nationalebevel (vgl. de toelichting op artikel 8.8.1). Door deze terminologischewijziging komt ook duidelijker tot uitdrukking dat van uitvaardiging alleensprake kan zijn in de gevallen, beschreven in artikel 8.8.2. Niet iedereschorsing van de voorlopige hechtenis onder voorwaarden kan dus leidentot uitvaardiging van een Europese toezichtbeslissing. Dat neemt niet wegdat een dergelijke beslissing wel pas kan worden uitgevaardigd als derechter een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis ondervoorwaarden overeenkomstig de artikelen 2.5.32 en 2.5.33 heeft gegeven.Een toezichtbeslissing kan immers pas worden uitgevaardigd alsovereenkomstig de Nederlandse wetgeving een of meer toezichtmaatre-gelen zijn opgelegd. Vgl. artikel 4, onder a, van het KB toezichtmaatre-gelen. Dit betekent ook dat de verdachte zo mogelijk moet zijn gehoord(artikel 2.5.37). Op grond van het huidige artikel 5.7.16, derde lid, moet deschorsingsrechter bovendien «opdracht» hebben gegeven tot hetuitvaardigen van de Europese toezichtbeslissing. De gedachte daarachteris dat de schorsingsrechter bij zijn beslissing tot schorsing en de daarbijop te leggen voorwaarden rekening moet kunnen houden met deomstandigheid dat een andere lidstaat toezicht zal houden op de nalevingvan de voorwaarden. Daarvoor dient de rechter geïnformeerd te wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3303 door het openbaar ministerie over de wijze waarop een eventueel op teleggen schorsingsvoorwaarde het beste kan worden geformuleerd vooreen snelle erkenning en over de wijze waarop een voorwaarde in deuitvoerende lidstaat ten uitvoer wordt gelegd (vgl. het derde lid). ZieKamerstukken II 2012/13, 33 422, nr. 3, p. 21. Ten opzichte van de huidigewettekst is de term «opdracht» vervangen door «bevel». Daarbij wordtduidelijker in de wettekst tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is vaneen afzonderlijk bevel, maar dat de uitvaardiging van de Europesetoezichtbeslissing wordt bevolen in het bevel tot schorsing van devoorlopige hechtenis. Mocht pas op een later moment blijken dat hetwenselijk is om een Europese toezichtbeslissing uit te vaardigen dan kande rechter op grond van artikel 2.5.34 het schorsingsbevel wijzigen endaaraan toevoegen dat een dergelijke beslissing dient te wordenuitgevaardigd.Dat in dit geval buitenlandse autoriteiten belast zullen worden met hettoezicht, laat onverlet dat de schorsingsbeslissing (inclusief het bevel omeen Europese toezichtbeslissing uit te vaardigen) moet worden verstrektaan de Minister (in de praktijk: het CJIB) overeenkomstig artikel 7.1.1.Tweede lidDit artikellid regelt aan welke lidstaat de Europese toezichtbeslissing kanworden uitgevaardigd. De inhoud ervan is overgenomen uit het huidigeartikel 5.7.16, eerste en tweede lid. Daarmee wordt uitvoering gegevenaan artikel 9, eerste en tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen. Uit dieartikelleden volgt dat een Europese toezichtbeslissing in beginsel wordtuitgevaardigd aan de lidstaat waar de verdachte zijn vaste woon- enverblijfplaats heeft. De verdachte moet zich dan wel bereid hebbenverklaard naar die lidstaat terug te keren. Als de verdachte daaromverzoekt, kan de toezichtbeslissing ook aan een andere lidstaat wordenverzonden, mits die lidstaat daarmee instemt. De Europese toezichtbe-slissing kan niet aan meer dan een lidstaat tegelijkertijd worden uitge-vaardigd (zie het huidige artikel 5.7.17, vierde lid, en artikel 10, zesde lid,KB toezichtmaatregelen).Derde lidOp grond van artikel 22, eerste lid, onder a, van het KB toezichtmaatre-gelen overleggen de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat – tenzij ditonmogelijk is – al tijdens de opstelling van een beslissing waarbijtoezichtmaatregelen worden opgelegd. In het derde lid van dat artikel isbepaald dat de uitvaardigende lidstaat rekening houdt met door deuitvoerende lidstaat meegedeelde aanwijzingen over het gevaar dat debetrokkene kan opleveren voor slachtoffers en voor de gemeenschap inhet algemeen. In het huidige wetboek zijn deze bepalingen geïmplemen-teerd door middel van artikel 5.7.4, derde lid. Nu het gaat om een meerspecifieke vorm van overleg en de daarbij verkregen informatie bovendienvan belang kan zijn voor en moet worden betrokken bij de te nemenbeslissing over de schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarbij opte leggen voorwaarden (zie ook de toelichting op het eerste lid), is hetvoorschrift hier afzonderlijk opgenomen.Vierde lidDeze bepaling is nieuw. Op grond van artikel 2.5.24 is de schorsing van devoorlopige hechtenis dadelijk uitvoerbaar. Blijkens de wetsgeschiedeniskan de schorsingsrechter echter bepalen dat de schorsing pas ingaat ophet moment waarop het toezicht ook daadwerkelijk kan worden overge-dragen aan de uitvoerende lidstaat. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 422,nr. 3, p. 21–22. Dit is nu ook in de wettekst tot uitdrukking gebracht door teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3304 bepalen dat in afwijking van artikel 2.5.24 het moment van de schorsingkan worden vastgesteld op het moment dat de uitvoerende lidstaat deEuropese toezichtbeslissing heeft erkend. Het is aan de rechter om tebepalen of hij van deze mogelijkheid gebruikmaakt. Indien hij niet beslistom het moment van de schorsing op een later moment vast te stellen, isde schorsingsbeslissing uitvoerbaar. Tot aan het moment dat de Europesetoezichtbeslissing wordt erkend, kunnen de Nederlandse autoriteiten danzelf toezicht houden op de naleving van de voorwaarden (zie artikel 8.8.9,eerste lid).Artikel 8.8.5 [inhoud en taal Europese toezichtbeslissing]Eerste lidDeze bepaling is nieuw en volgt het stramien van de artikelen 8.5.5 en8.7.4 waarin wordt beschreven welke informatie in de Europese bevrie-zingsbeslissing moet zijn opgenomen en daarbij moet worden meege-zonden. Net als in de Richtlijn EOB en het KB-EBV is in het KB toezicht-maatregelen immers bepaald welke informatie in het bevel moet zijnopgenomen (artikel 10, vijfde lid). Naar de Nederlandse situatie vertaald,betekent dit dat informatie moet worden verstrekt over de (verwachte)duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis – die samenhangt metde duur van de voorlopige hechtenis – en de mogelijkheden tot verlengingdaarvan. Daarnaast moet een indicatie worden gegeven van de verwachteduur van het toezicht op de opgelegde voorwaarden, die immers kanafwijken van de duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis.Tweede en derde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.7.17, eerste en tweede lid, isopgenomen in deze artikelleden. Met de bepalingen over het meesturenmet de Europese toezichtbeslissing van een ingevuld certificaat en devertaling van dat certificaat zijn de artikelen 10, eerste en derde lid, en 24van het KB toezichtmaatregelen geïmplementeerd. In deze voorschriftenzijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel is de redactie meer inlijn gebracht met soortgelijke bepalingen in de Hoofdstukken 5, 6 en 7. Terverzekering van de implementatie van artikel 10, derde lid, is in dewettekst (tweede lid) geëxpliciteerd dat het certificaat ondertekend moetzijn.Artikel 8.8.6 [toezending Europese toezichtbeslissing]Eerste lidOp grond van artikel 10, tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen kande Europese toezichtbeslissing rechtstreeks worden toegezonden aan debevoegde autoriteiten, op zodanige wijze dat deze schriftelijk kan wordenvastgelegd en de echtheid ervan kan worden vastgesteld. Deze bepalinguit het kaderbesluit is met het huidige artikel 5.7.17, eerste en vijfde lid,omgezet naar Nederlands recht. De redactie daarvan is in dit artikellidmeer in lijn gebracht met soortgelijke voorschriften in de Hoofdstukken 5,6 en 7. Niet langer wordt bepaald dat de stukken moeten wordentoegezonden per gewone post, telefax of elektronische post, zoals in hethuidige artikel 5.7.6, tweede lid. In plaats daarvan is gekozen voor eenmeer techniekneutrale formulering die ook in het kaderbesluit zelf enbijvoorbeeld in artikel 8.5.6 wordt gebruikt. Hiermee is geen inhoudelijkewijziging beoogd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3305 Tweede lidAls de bevoegde autoriteit niet bekend is, kan het openbaar ministeriehierover inlichtingen inwinnen, zo volgt uit artikel 10, zevende, lid van hetKB toezichtmaatregelen. Dit voorschrift betreft de omzetting van hethuidige artikel 5.7.17, derde lid.Derde lidIn de wettekst wordt overeenkomstig artikel 10, tweede lid, laatste zin, vanhet KB toezichtmaatregelen geëxpliciteerd dat ook alle verdere communi-catie rechtstreeks kan plaatsvinden tussen de bevoegde autoriteiten. Ditstaat er overigens niet aan in de weg dat deze communicatie verloopt viade IRC’s (vgl. de toelichting op artikel 8.5.6, tweede lid).Artikel 8.8.7 [afschrift origineel]Met deze bepaling is artikel 5.7.17, zesde lid, inhoudelijk ongewijzigdomgezet naar het nieuwe wetboek. Het betreft de implementatie vanartikel 10, tweede lid, tweede zin, van het KB toezichtmaatregelen. Debepaling voorziet erin dat het openbaar ministerie op verzoek van debevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat een gewaarmerkt afschriftvan het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis of het originelecertificaat kan toesturen.Artikel 8.8.8 [intrekken Europese toezichtbeslissing]Ter implementatie van artikel 13, derde lid, van het KB toezichtmaatre-gelen zijn in het huidige artikel 5.7.18 voorschriften opgenomen over deintrekking van de Europese toezichtbeslissing. Deze voorschriften zijn indit artikel inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Artikel 13, derde lid, vanhet KB toezichtmaatregelen heeft betrekking op de situatie waarin deEuropese toezichtbeslissing wordt ingetrokken nog voordat met hettoezicht is aangevangen. Hoewel de uitvaardigende lidstaat bevoegd blijftom alle vervolgbeslissingen over het toezicht overeenkomstig hetnationale recht te nemen (artikel 18 van het KB toezichtmaatregelen), is ophet toezicht zelf na de erkenning van de Europese toezichtbeslissing hetrecht van de uitvoerende lidstaat van toepassing (artikel 16 van het KBtoezichtmaatregelen). Zo kan het voorkomen dat op grond van hetnationale recht van de uitvoerende lidstaat een maximumtermijn geldtvoor het toezicht. De uitvoerende lidstaat informeert de uitvaardigendelidstaat daar dan over (artikel 20, tweede lid, onder b, van het KBtoezichtmaatregelen). Dit kan aanleiding vormen voor de uitvaardigendelidstaat – in het kader van dit artikel: Nederland – om de Europesetoezichtbeslissing in te trekken. Een andere aanleiding om de toezichtbe-slissing in te trekken kan zijn gelegen in de kennisgeving door deuitvoerende lidstaat dat die lidstaat de toezichtmaatregel aanpast (artikel20, tweede lid, onder f, van het KB toezichtmaatregelen). Blijkens artikel15, derde lid, van het KB toezichtmaatregelen kan ook de kennisgevingvan de uitvoerende lidstaat dat hij weliswaar bereid is toezicht te houden,maar bij overtreding van de toezichtmaatregelen de overlevering van debetrokkene zal weigeren, aanleiding vormen om de Europese toezichtbe-slissing in te trekken. Deze mogelijkheid is dan ook toegevoegd aan debepaling (onderdeel c van het eerste lid). Net als in artikel 8.8.4, eerste lid,is de «opdracht» van de rechter vervangen door het «bevel» van deschorsingsrechter. In de praktijk betekent dit dat de officier van justitie naontvangst van de kennisgeving van de andere lidstaat de schorsings-rechter op grond van artikel 2.5.34 verzoekt het bevel tot schorsingzodanig te wijzigen dat het bevel tot uitvaardiging van de Europesetoezichtbeslissing daaruit wordt geschrapt. Daarbij kunnen ook deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3306 voorwaarden op een andere wijze worden vormgegeven. De uitvoerendelidstaat en de verdachte moeten uiterlijk tien dagen na de ontvangst vande hiervoor beschreven kennisgevingen van de intrekking op de hoogteworden gesteld. Net als in andere bepalingen in dit hoofdstuk wordt nietlanger expliciet bepaald dat de kennisgeving schriftelijk gebeurt, nu dit aluit artikel 1.9.1, tweede lid, volgt. Zie voor de gevallen waarin de wijzigingof opheffing van het Nederlandse bevel tot schorsing de aanleiding vormtvoor de intrekking of wijziging van de Europese toezichtbeslissing artikel8.8.10.Artikel 8.8.9 [gevolgen uitvaardigen Europese toezichtbeslissing]Eerste lidVanaf het moment dat de uitvoerende lidstaat de Europese toezichtbe-slissing heeft erkend en toezicht houdt op de naleving van de daarinopgenomen voorwaarden, schorten de Nederlandse autoriteiten dieanders daarmee belast zouden zijn dat toezicht op (artikel 11, eerste lid,van het KB toezichtmaatregelen). In het huidige artikel 5.7.19 is aange-knoopt bij «de periode dat in de uitvoerende lidstaat daarop toezichtwordt gehouden». Blijkens voornoemde bepaling uit het kaderbesluit blijftNederland bevoegd tot het houden van toezicht totdat het in kennis isgesteld van de erkenning van de toezichtbeslissing. Het moment waaropde kennisgeving is ontvangen, is dus het moment waarop het toezichtovergaat naar de andere lidstaat. De wettekst wordt op dit punt meer inlijn gebracht met de tekst van het kaderbesluit. Daarbij wordt opgemerktdat de rechter ook de mogelijkheid heeft om de schorsing pas te latenaanvangen op het moment waarop de uitvoerende lidstaat de Europesetoezichtbeslissing heeft erkend (zie artikel 8.8.4, vierde lid). Dat neemt nietweg dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin dat niet aangewezen isof waarin pas op een later moment tijdens de schorsing een aanleidingontstaat (bijvoorbeeld gewijzigde voorwaarden of een gewijzigde(woon)situatie van de verdachte) om het toezicht over te dragen. Opgrond van dit artikellid kunnen de Nederlandse autoriteiten dan toezichthouden totdat de Europese toezichtbeslissing is erkend.Tweede lidDe Nederlandse autoriteiten kunnen weer overgaan tot het zelf houdenvan toezicht als de bevoegde autoriteit uit de uitvoerende lidstaat (de«uitvoerende autoriteit») laat weten dat het toezicht aldaar is beëindigd(artikel 11, tweede lid, onderdelen c tot en met e, van het KB toezichtmaat-regelen) of als de betrokkene niet langer zijn vaste woon- of verblijfplaatsin de uitvoerende lidstaat heeft (artikel 11, tweede lid, onderdeel a, vanhet KB toezichtmaatregelen), zo is in het huidige artikel 5.7.19, tweede lid,onderdelen a en b vastgelegd. Deze voorschriften zijn in onderhavigartikellid opgenomen in de onderdelen b en d.In het kader van de implementatie is, naar aanleiding van de uitgebrachteadviezen, als grond om het toezicht weer terug te nemen toegevoegd desituatie waarin de verdachte zich in Nederland bevindt (het huidige artikel5.7.19, tweede lid, onderdeel c). Daarbij werd gedacht aan situaties waarinde verdachte tijdelijk naar Nederland terugkeert, bijvoorbeeld voor hetbijwonen van zijn zaak. Zie hierover Kamerstukken II 2012/13, 33 488, nr. 3,p. 22. Het KB toezichtmaatregelen biedt echter geen grondslag hiervoor.Daarom keert dit artikelonderdeel hier niet terug. Mocht sprake zijn vanovertreding van de voorwaarden terwijl de betrokkene in Nederland is,dan hoeft dit niet tot problemen te leiden. Nederland blijft immers, ooknadat het toezicht is overgedragen aan een andere lidstaat, bevoegd omgevolgen te verbinden aan de overtreding van de voorwaarden, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3307 aanhouding van de verdachte als die in Nederland is en opheffing van deschorsing van de voorlopige hechtenis.Op grond van artikel 11, tweede lid, onderdeel b, van het KB toezichtmaat-regelen is de uitvaardigende lidstaat zelf weer bevoegd toezicht uit teoefenen op het moment dat het de Europese toezichtbeslissing intrekt (zieartikel 8.8.8). De intrekking moet blijkens artikel 13, derde lid, van hetkaderbesluit plaatsvinden voordat de uitvoerende lidstaat met het toezichtis aangevangen. Deze mogelijkheid tot het doen herleven van het toezichtin Nederland is in het huidige artikel 5.7.19 niet expliciet opgenomen,omdat dit al is verdisconteerd in het eerste lid van die bepaling. Op gronddaarvan wordt het toezicht door de Nederlandse autoriteiten slechtsopgeschort gedurende de periode dat de uitvoerende lidstaat toezichthoudt. Omdat de formulering van het eerste lid op dit punt ten opzichtevan artikel 5.7.19 is aangepast, regelt het tweede lid nu ook dat Nederlandweer kan overgaan tot het houden van toezicht als de Europese toezicht-beslissing is ingetrokken (zie onderdeel a). Daarnaast is afzonderlijkbepaald dat toezicht wederom mogelijk wordt wanneer op grond van hetrecht van de uitvoerende lidstaat de maximumtermijn voor het houdenvan toezicht is verstreken (artikel 11, tweede lid, onderdeel d, KBtoezichtmaatregelen). Deze situatie wordt naar huidig recht geacht tevallen onder artikel 5.7.19, tweede lid, onderdeel a. In die bepaling wordtechter uitgegaan van het moment waarop Nederland bericht ontvangt dathet toezicht is beëindigd, terwijl op grond van artikel 20, tweede lid, vanhet KB toezichtmaatregelen de uitvoerende lidstaat al direct zodra deze deEuropese toezichtbeslissing ontvangt Nederland op de hoogte dient testellen van de daar geldende maximumtermijn. Als dat voor Nederlandgeen reden is om de Europese toezichtbeslissing in te trekken, moetNederland het toezicht zelf weer kunnen overnemen zodra die maximum-termijn is verstreken, ook zonder dat de uitvoerende autoriteit Nederlanddaarover nog afzonderlijk bericht. Om hierover geen misverstanden telaten bestaan, is daarom in een afzonderlijk onderdeel (onderdeel c)opgenomen dat Nederland ook weer zelf toezicht kan houden nadat diemaximumtermijn is verstreken. Zie over de in de uitvoerende lidstaatgeldende maximumtermijn voor het toezicht ook de toelichting op artikel8.8.11.Derde lidDit voorschrift is nieuw. Het voeren van overleg kan ook als een«praktische maatregel» worden beschouwd, waardoor deze niet in eenafzonderlijke wettelijke bepaling behoeft te worden geïmplementeerd.Omdat door EU-instrumenten voorgeschreven overleg op andere plaatsenin de Hoofdstukken 5–9 wettelijk is verankerd, is daarvoor ook hiergekozen. Blijkens de evaluatie van de implementatie van dit kaderbesluiten enkele aanverwante kaderbesluiten hecht de Europese Commissieeraan dat bepalingen inzake overleg tussen bevoegde autoriteiten wordenvastgelegd in de nationale wet. Zie COM (2014) 57 final, p. 7.Artikel 8.8.10 [wijziging en beëindiging schorsing voorlopigehechtenis]Eerste lidDit artikellid is nieuw. In lijn met artikel 18, eerste en tweede lid, van hetKB toezichtmaatregelen wordt geëxpliciteerd dat de Nederlandseautoriteiten bevoegd blijven om overeenkomstig het Nederlandse recht tebeslissen over de voorlopige hechtenis, de schorsing daarvan en devoorwaarden die daaraan verbonden zijn (hierna: vervolgbeslissingen),nadat het toezicht op grond van een Europese toezichtbeslissing isovergedragen. Deze wettelijke verduidelijking is aangewezen, omdat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3308 in het kader van andere EU-instrumenten die (mede) tot gevolg hebbendat het toezicht op de naleving van voorwaarden wordt overgedragen aaneen andere lidstaat, ook voorkomt dat de bevoegdheid tot het nemen vanvervolgbeslissingen overgaat op de andere lidstaat. Dit geldt bijvoorbeeldvoor Kaderbesluit 2008/947/JBZ, zo volgt uit artikel 14 van dat kaderbe-sluit.Op grond van artikel 2.5.37 wordt de verdachte zo veel mogelijk gehoordals de rechter-commissaris een beslissing over de schorsing van devoorlopige hechtenis neemt. Voor de rechtbank geldt op dit punt dealgemene regeling in Boek 1. Indien aangewezen kan het horen van deverdachte ook plaatsvinden via videoconferentie. Voor zover de verdachtezich in Nederland bevindt biedt artikel 1.11.3 hiervoor een grondslag. Alsde verdachte zich in het buitenland bevindt, kunnen de artikelen 8.2.5 en8.5.8 hiervoor een basis bieden. Daarmee is artikel 19, vierde lid, van hetKB toezichtmaatregelen geïmplementeerd.Tweede lidHet huidige artikel 5.7.20, tweede lid, bevat een aantal kennisgevingsver-plichtingen die voortvloeien uit artikel 19, eerste en vijfde lid, van het KBtoezichtmaatregelen. Voor een nadere toelichting op de opgenomenkennisgevingsverplichtingen wordt verwezen naar Kamerstukken II2012/13, 33 422, nr. 3, p. 23. De kennisgevingsverplichtingen die samen-hangen met de door de Nederlandse rechter genomen vervolgbeslis-singen zijn opgenomen in onderhavig artikellid. Net als in het huidigeartikel 5.7.20, tweede lid, wordt niet afzonderlijk verwezen naar deuitvaardiging van een aanhoudingsbevel (zie artikel 19, vijfde lid, incombinatie met artikel 18, eerste lid, onderdeel c, KB toezichtmaatre-gelen). Dit houdt ermee verband dat de uitvaardiging van een dergelijkbevel plaatsvindt overeenkomstig de Overleveringswet (vgl. artikel 21 KBtoezichtmaatregelen), in welke wet is geregeld hoe een dergelijk bevelmoet worden toegezonden aan de uitvoerende lidstaat. Op grond vanartikel 19, vijfde lid, van het KB toezichtmaatregelen moet de bevoegdeautoriteit in de uitvoerende lidstaat («uitvoerende autoriteit») ook inkennis worden gesteld van een ingesteld rechtsmiddel tegen eenbeslissing inzake de toezichtmaatregelen. Naar Nederlands recht zal hetgaan om beroep ingesteld tegen de beslissing over de schorsing van devoorlopige hechtenis. Dit is vastgelegd in onderdeel c. Net als in anderebepalingen in dit hoofdstuk wordt niet langer expliciet bepaald dat dekennisgeving schriftelijk gebeurt, nu dit al uit artikel 1.9.1, tweede lid,volgt.Derde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.7.20, tweede lid, onderdeel c, keertterug in dit voorschrift. De bepaling ziet op de situatie waarin de uitvoe-rende lidstaat heeft verzocht om informatie over de noodzaak van hetvoortduren van het toezicht (zie artikel 19, eerste lid, van het KB toezicht-maatregelen). Dit verzoek kan aanleiding vormen om bijvoorbeeld deschorsingsvoorwaarden te wijzigen of op te heffen. In dat geval wordt deuitvoerende lidstaat daarvan in kennis gesteld op grond van het tweedelid.Artikel 8.8.11 [verlenging toezicht]Het is mogelijk dat op grond van het recht van de uitvoerende lidstaat eenmaximumtermijn voor het houden van toezicht geldt. De uitvoerendelidstaat is gehouden de Nederlandse autoriteiten hierover te informeren(zie artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van het KB toezichtmaatregelen).Als het houden van toezicht ook na het verstrijken van die termijn nodigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3309 blijkt, kan de uitvaardigende lidstaat de uitvoerende lidstaat verzoeken omverlenging van het toezicht. Deze mogelijkheid, die in het huidige artikel5.5.20, eerste lid, is opgenomen, keert met deze bepaling terug in hetnieuwe wetboek.Het openbaar ministerie kan ook om verlenging verzoeken van de door deNederlandse autoriteiten zelf in de Europese toezichtbeslissing opgegeventermijn (vgl. artikel 19, tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen),bijvoorbeeld omdat de (schorsing van de) voorlopige hechtenis isverlengd (zie ook artikel 8.8.10, eerste lid). Ook op deze mogelijkheid zietonderhavige bepaling.Als de termijn in de uitvoerende lidstaat niet wordt of niet kan wordenverlengd, dan zal het toezicht in de uitvoerende lidstaat wordenbeëindigd. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 442, nr. 3, p. 23. De Neder-landse autoriteiten zijn dan zelf weer bevoegd om toezicht te houden, zovolgt uit artikel 8.8.9, tweede lid.TITEL 8.3Erkenning en uitvoering van een Europese toezichtbeslissingDe bepalingen over de erkenning en uitvoering van uit andere lidstatenontvangen Europese toezichtbeslissingen, die in het huidige Vijfde Boek,Titel 7, Derde afdeling, zijn opgenomen, zijn in deze titel overgenomen inhet nieuwe wetboek. Voor de volgorde van de bepalingen is aansluitinggezocht bij de indeling in de andere hoofdstukken, in het bijzonder deHoofdstukken 5 en 7. Dit betekent onder andere dat een duidelijkeronderscheid is aangebracht tussen bepalingen die gaan over de beslissingtot erkenning en de bepalingen over de uitvoering van de Europesetoezichtbeslissing.Artikel 8.8.12 [ontvangst, erkenning en uitvoering Europesetoezichtbeslissing]Eerste lidDit artikellid betreft de omzetting van de huidige artikelen 5.7.4, eerste lid,en 5.7.7, eerste lid, naar het nieuwe wetboek. In de bepaling is de voorNederland tot erkenning en uitvoering bevoegde autoriteit aangewezen(zie artikel 6 van het KB toezichtmaatregelen). Ten opzichte van de huidigewettekst wordt niet langer «het openbaar ministerie», maar de «officiervan justitie» aangewezen als bevoegde autoriteit. Zie hierover ook deinleiding op Hoofdstuk 8, onder «Enkele terminologische aspecten».Daarnaast is de redactie ten opzichte van de huidige wettekst meer in lijngebracht met de redactie van soortgelijke bepalingen in Boek 8 (ziebijvoorbeeld artikel 8.5.14, eerste lid), door toe te voegen dat de Europesetoezichtbeslissing ook in ontvangst wordt genomen door de officier vanjustitie. Daarmee wordt in de wet verduidelijkt dat Nederland geengebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid opgenomen in artikel 7 vanhet KB toezichtmaatregelen om een centrale autoriteit aan te wijzen die isbelast met de administratieve ontvangst van de toezichtbeslissingen.Blijkens de melding aan de Europese Commissie zijn de contactgegevensvan (de officier van justitie bij) het IRC in Haarlem doorgegeven voor deontvangst van Europese toezichtbeslissingen. Zoals toegelicht bij artikel8.5.6, tweede lid, wordt het IRC niet beschouwd als een centrale autoriteit.Ten overvloede wordt opgemerkt dat dit artikellid weliswaar bepaalt datde officier bevoegd is te beslissen over de erkenning en uitvoering vaneen Europese toezichtbeslissing, maar dat betekent niet dat de officier vanjustitie ook zelf de beslissing ten uitvoer legt. De tenuitvoerlegging van detoezichtbeslissing vindt plaats overeenkomstig het Nederlandse recht endus ook overeenkomstig de op grond van het Nederlandse recht geldendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3310 taakverdeling tussen de verschillende betrokken organisaties (zie artikel8.8.17). Dat niet alleen wordt bepaald dat de officier van justitie beslistover de «erkenning» maar ook bevoegd is te beslissen over de«uitvoering» houdt ermee verband dat de officier van justitie, overeen-komstig artikel 13 van KB toezichtmaatregelen, ook kan besluiten totaanpassing van de toezichtmaatregelen (artikel 8.8.16) en daarmee overde wijze waarop aan de Europese toezichtbeslissing uitvoering wordtgegeven.Tweede lidDe doorzendplicht, die ter implementatie van artikel 9, vierde lid, van hetKB toezichtmaatregelen, is opgenomen in het huidige artikel 5.7.6, derdelid, is in dit artikel opgenomen, nu het samenhangt met de ontvangst vande Europese toezichtbeslissing. De formulering is meer in lijn gebrachtmet soortgelijke bepalingen in andere hoofdstukken. Daarmee is geeninhoudelijke wijziging beoogd. De bepaling geeft ook uitvoering aanartikel 20, eerste lid, van het kaderbesluit, in welke bepaling is vastgelegddat de uitvaardigende lidstaat van de doorzending in kennis wordtgesteld.Derde lidMet dit artikellid is het huidige artikel 5.7.8, eerste lid, omgezet naar hetnieuwe wetboek. Deze bepaling is – in lijn met de opzet van de Hoofd-stukken 5–7 – hier opgenomen, zodat alle bepalingen over de beslispro-cedure in een artikel zijn ondergebracht.Op grond van artikel 12 van het KB toezichtmaatregelen moet debeslissing over de erkenning wordt genomen binnen een termijn van«twintig dagen na de ontvangst van de beslissing inzake toezichtmaatre-gelen». Blijkens de andere taalversies van het kaderbesluit gaat het hierbijom een termijn van twintig werkdagen (in de Engelse versie: «within20 working days»; in de Franse versie: «dans un délai de vingt joursouvrables»; in de Duitse versie: «innerhalb von 20 Arbeidstagen»). Om diereden is in het huidige artikel 5.7.8, eerste lid, een termijn van achten-twintig dagen opgenomen, hetgeen overeenkomt met twintig werkdagen.Zie Kamerstukken II 2012/13, 33 488, nr. 3, p. 16. Hoewel een termijn – inde systematiek van het nieuwe wetboek – van vier weken overeenkomtmet de hiervoor genoemde termijn van achtentwintig dagen, wordt in hetnieuwe wetboek omwille van de duidelijkheid en om discussie omtrenteen juiste implementatie van de Europese verplichtingen te voorkomeneen termijn van twintig werkdagen genoemd. Omdat in de Algemenetermijnenwet en het nieuwe Wetboek van Strafvordering de term«werkdagen» niet voorkomt, krijgt dit vorm door een termijn te noemenvan twintig dagen, waarbij zaterdagen, zondagen en algemeen erkendefeestdagen niet worden meegerekend voor de berekening van de termijn.De uitvaardigende autoriteit wordt direct in kennis gesteld van debeslissing over de erkenning en uitvoering van de Europese toezichtbe-slissing (vgl. artikel 20, tweede lid, onderdeel e, van het KB toezichtmaat-regelen). In gevallen waarin de beslissing inhoudt dat de uitvoering vande Europese toezichtbeslissing wordt geweigerd op grond van deweigeringsgronden opgenomen in artikel 8.8.15, is de beslissing van eenmotivering voorzien (vgl. artikel 20, tweede lid, onderdeel g, van het KBtoezichtmaatregelen).Vierde en vijfde lidDe inhoud van het huidige artikel 5.7.8, tweede en derde lid, is in dezeartikelleden inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Wel worden devoorschriften anders over de artikelleden verdeeld. Het vierde lid ziet opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3311 gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waarin nietbinnen de termijn van vier weken kan worden beslist (huidige artikel 5.7.8,tweede lid, onder c, en derde lid; artikel 12, derde lid, van het KBtoezichtmaatregelen). In het vijfde lid zijn de gevallen beschreven waarinde beslissing niet binnen de gestelde termijn kan worden genomen omdatde andere lidstaat de stukken niet juist of onvolledig heeft aangeleverd(huidige artikel 5.7.8, tweede lid, onder a en b; artikel 12, eerste en vierdelid, van het KB toezichtmaatregelen). De mogelijkheid om de beslissingover de erkenning uit te stellen in verband met een daartegen ingesteldrechtsmiddel (artikel 12, tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen) is– net als nu – niet opgenomen in de wet, omdat het Nederlandse rechtdeze mogelijkheid (voorafgaand aan het nemen van de beslissing) nietkent. Het kaderbesluit verplicht daartoe ook niet. Zie voor het geval waarinna de erkenning van de Europese toezichtbeslissing een zaak aanhangigwordt gemaakt bij de burgerlijke rechter artikel 8.8.18, eerste lid.Artikel 8.8.13 [vatbaarheid voor erkenning]Met deze bepaling is het huidige artikel 5.7.5 inhoudelijk ongewijzigdomgezet naar het nieuwe wetboek. De bepaling geeft uitvoering aanartikel 9, eerste en tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen. Deredactie van de bepaling is meer in lijn gebracht met de formulering vansoortgelijke bepalingen in de andere hoofdstukken (zie o.a. de artikelen8.5.15 en 8.7.7). Dit betekent dat wordt geëxpliciteerd dat de beslissingmoet zijn uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit van een anderelidstaat (vgl. artikel 10, eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen).Eveneens wordt expliciet in de bepaling opgenomen dat een Europesetoezichtbeslissing slechts vatbaar is voor erkenning indien de beslissingbetrekking heeft op de toezichtmaatregelen opgenomen in artikel 8.8.2(vgl. artikel 10, vierde lid, van het KB toezichtmaatregelen).Met betrekking tot onderdeel b wordt nog het volgende opgemerkt. Opgrond van artikel 9, tweede lid, van het KB toezichtmaatregelen kan ingevallen waarin de betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats heeft inde beoogde uitvoerende lidstaat de Europese toezichtbeslissing slechtsworden toegezonden aan de lidstaat als de betrokkene daarom heeftverzocht en de beoogde uitvoerende lidstaat met die toezending instemt.Het is aan de uitvoerende lidstaat om te bepalen in welke gevallen het meteen dergelijke toezending kan instemmen. Dit is in Nederland ingevulddoor als voorwaarde voor instemming te stellen dat er sprake moet zijnvan een aantoonbare en voldoende binding met Nederland. Zie voor eennadere toelichting: Kamerstukken II 2012/13, 33 422, nr. 3, p. 15.Artikel 8.8.14 [bijbehorend certificaat]Eerste lidIn dit artikellid is – ter omzetting naar het nieuwe wetboek van artikel5.7.6, eerste lid – vastgelegd dat met de Europese toezichtbeslissing eeningevuld en ondertekend certificaat dient te zijn meegezonden. Andersdan in het huidige artikel 5.7.6, tweede lid, wordt niet langer in de wetbepaald dat toezending plaats dient te vinden per gewone post, telefax oflangs elektronische weg. Daarmee is geen inhoudelijke wijziging beoogt.Zie hierover ook de toelichting op artikel 8.8.6.Tweede lidUit artikel 24 van het KB toezichtmaatregelen volgt dat het certificaat dataan Nederland wordt verzonden dient te zijn opgesteld in het Nederlandsof een andere taal die door Nederland is doorgegeven. Nederland heeftten tijde van de implementatie aangegeven dat het ook certificatenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3312 opgesteld in het Engels zal accepteren. In het huidige artikel 5.7.7, derdelid, wordt, naast naar het Nederlands, verwezen naar de talen dieNederland aan de Raad van de Europese Unie heeft medegedeeld. Inaansluiting op soortgelijke bepalingen in de Hoofdstukken 5 en 7 is dit inde nieuwe wettekst vervangen door een verwijzing naar de Engelse taal.Als het certificaat niet in een van deze talen is opgesteld, biedt de officiervan justitie de uitvaardigende lidstaat de gelegenheid het certificaat tevertalen (zie ook het derde lid).Derde lidHet vierde lid van het huidige artikel 5.7.7 – dat ter implementatie van deartikelen 12, vierde lid, en 15, eerste lid, onder a, van het KB toezichtmaat-regelen regelt dat de officier de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheidstelt om, kort gezegd, een onvolledig of onjuist ingevuld certificaat aan tevullen of te corrigeren – wordt hier inhoudelijk ongewijzigd overgenomen.Ten opzichte van de huidige wettekst is geëxpliciteerd dat de officier vanjustitie daarvoor een termijn kan stellen aan de uitvaardigende autoriteit.Het stellen van deze termijn is relevant voor de toepassing van deweigeringsgrond in artikel 8.8.15, eerste lid, onderdeel a.Vierde lidDit artikellid betreft de omzetting van het huidige artikel 5.7.7, tweede lid,naar het nieuwe wetboek. Het geeft uitvoering aan artikel 10, tweede lid,tweede zin, van het KB toezichtmaatregelen. Bepaald wordt dat de officiervan justitie de mogelijkheid heeft om de uitvaardigende lidstaat teverzoeken om het originele certificaat of om een gewaarmerkt afschriftvan de in de uitvaardigende lidstaat genomen toezichtbeslissing die aande Europese toezichtbeslissing ten grondslag ligt.Artikel 8.8.15 [weigeringsgronden]Eerste lidDe in dit artikellid opgenomen weigeringsgronden corresponderen met deweigeringsgronden in artikel 15, eerste lid, van het KB toezichtmaatre-gelen. Ten opzichte van het huidige artikel 5.7.10, eerste lid, is een aantalwijzigingen aangebracht. In de huidige bepaling is opgenomen dat hetopenbaar ministerie de erkenning «weigert». Daarmee is sprake vanimperatieve weigeringsgronden. In artikel 15, eerste lid, van het KBtoezichtmaatregelen is echter opgenomen dat de uitvoerende autoriteit deerkenning «kan weigeren». In het verslag over de implementatie van ditkaderbesluit stelt de Europese Commissie zich op het standpunt dat dezeweigeringsgronden dan ook facultatief zijn en dat het in strijd is met deletter en de geest van het kaderbesluit om deze weigeringsgronden in dewet verplichtend te formuleren. Zie COM (2014) 57 final, p. 9. Terverzekering van de volledige implementatie van het kaderbesluit is deredactie van het artikellid op dit punt dan ook aangepast. In onderdeel c(weigering vanwege ne bis in idem) wordt niet meer verwezen naar debepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvor-dering waarin dit beginsel is neergelegd, maar wordt het beginsel van nebis in idem als zodanig genoemd (vgl. de artikelen 8.2.10, derde lid, 8.5.16,eerste lid, onder d, en 8.7.10, onderdeel c). Op deze wijze is verduidelijktdat in het kader van deze weigeringsgrond ook rekening kan wordengehouden met eventuele jurisprudentie van het Hof van Justitie over ditbeginsel in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechtenvan de EU.Onderdeel d ziet op de mogelijkheid om de erkenning en uitvoering vaneen Europese toezichtbeslissing te weigeren vanwege het ontbreken vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3313 dubbele strafbaarheid. Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering. Opgrond van artikel 14, eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen wordt nietgetoetst op dubbele strafbaarheid als sprake is van een in dat artikellidopgesomd strafbaar feit waarop naar het recht van de uitvaardigendelidstaat een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minstedrie jaar. Deze opsomming van strafbare feiten kan op grond van artikel14, tweede lid, van het kaderbesluit worden aangevuld. Deze uitzonderingop de dubbele strafbaarheid is op dit moment geïmplementeerd door hethuidige artikel 5.7.10, derde lid, in combinatie met artikel 2 van hetUitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning toezichtmaatregelen alsalternatief voor voorlopige hechtenis. Net als in Hoofdstuk 5 (zie artikel8.5.16, tweede lid, onder a) en Hoofdstuk 7 (artikel 8.7.10, onderdeel d)wordt in onderhavig artikellid niet langer verwezen naar een algemenemaatregel van bestuur, maar naar de strafbare feiten, bedoeld in artikel14, eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen. De uitzondering op de toetsaan dubbele strafbaarheid is net als in de hiervoor genoemde bepalingenuit de Hoofdstukken 5 en 7, meteen in de opsomming opgenomen.De formulering in onderdeel e is aangepast, om deze meer in lijn tebrengen met de terminologie elders in het wetboek en in het Wetboek vanStrafrecht. Als elders naar rechtsmacht wordt verwezen wordt immerssteeds de formulering «de Nederlandse strafwet toepasselijk is» gebruikt.Tweede lidDit artikellid – waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 15, tweedelid, van het KB toezichtmaatregelen – betreft de omzetting van het huidigeartikel 5.7.10, tweede lid. In de bepaling, die ziet op het in de gelegenheidstellen van de uitvaardigende lidstaat tot het verstrekken van inlichtingen,zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.Derde lidArtikel 15, derde lid, van het KB toezichtmaatregelen is met artikel 5.7.10,vierde lid, in het huidige wetboek geïmplementeerd. Dit artikellid betreftde inhoudelijk ongewijzigde omzetting ervan. Voor een toelichting op dezebepaling – die betrekking heeft op de situatie waarin overlevering van debetrokkene naar de uitvaardigende lidstaat naar verwachting geweigerdzal worden als de betrokkene de toezichtmaatregelen niet naleeft, maarwaarbij Nederland desalniettemin bereid is toezicht te houden – wordtverwezen naar Kamerstukken II 2012/13, 33 422, nr. 3, p. 6–7.Vierde lidDit artikellid is nieuw. Het is opgenomen ter implementatie van artikel 15,eerste lid, onderdeel d, van het KB toezichtmaatregelen. Ook in anderehoofdstukken is deze regel inzake dubbele strafbaarheid bij feiten inverband met, kort gezegd, belastingen en heffingen, steeds in de wetuitgeschreven.Artikel 8.8.16 [aanpassing toezichtmaatregelen]Eerste en tweede lidAls de aard van de toezichtmaatregel onverenigbaar is met het Neder-lands recht, kan de officier van justitie deze maatregel zodanig aanpassendat de tenuitvoerlegging naar Nederlands recht mogelijk is. De aange-paste toezichtmaatregel mag daarbij niet strenger zijn dan de oorspron-kelijk opgelegde maatregel. Dit is bepaald in het huidige artikel 5.7.9, terimplementatie van artikel 13, eerste en tweede lid, van het KB toezicht-maatregelen. De bepaling is in deze artikelleden inhoudelijk ongewijzigdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3314 overgenomen. Zie voor een toelichting ook Kamerstukken II 2012/13,33 422, nr. 3, p. 5.Derde lidOp grond van artikel 20, tweede lid, onderdeel f, van het KB toezichtmaat-regelen wordt de uitvaardigende autoriteit direct in kennis gesteld van eenbeslissing om de toezichtmaatregelen aan te passen. Die heeft daarop demogelijkheid om het certificaat in te trekken, zolang met de tenuitvoer-legging van de toezichtmaatregel nog geen aanvang is gemaakt (zie ookartikel 8.8.17), zo volgt uit artikel 13, derde lid, van het KB toezichtmaatre-gelen. Deze kennisgevingsverplichting is met dit artikellid in de wetopgenomen, zoals ook andere kennisgevingsverplichtingen steeds in dewet zijn uitgeschreven.Artikel 8.8.17 [uitvoering Europese toezichtbeslissing]Eerste lidDeze bepaling betreft de omzetting van het huidige artikel 5.7.11 naar hetnieuwe wetboek en ziet op de uitvoering van de Europese toezichtbe-slissing. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 12, eerste lid, vanhet KB toezichtmaatregelen, op grond waarvan de officier van justitie«onverwijld alle nodige maatregelen voor het houden van toezicht» dientte nemen. De toezichtbeslissing wordt overeenkomstig het Nederlandserecht tenuitvoergelegd (vgl. artikel 16 van het KB toezichtmaatregelen).Het huidige artikel 5.7.11, tweede tot en met vierde lid, is in het nieuwewetboek vervangen door een verwijzing naar artikel 7.2.1, tweede tot enmet zesde lid. Daarmee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Deverwijzing naar artikel 7.2.1 verduidelijkt dat op dit punt – net als onderhet huidige recht – geen afwijking is beoogd van de voorschriften diegelden wanneer een Nederlandse beslissing tot het houden van toezicht(bevel schorsing voorlopige hechtenis) wordt tenuitvoergelegd. Zie ook detoelichting bij artikel 8.8.12, eerste lid.Tweede lidAls Nederland de uitvaardigende lidstaat heeft geïnformeerd datNederland de toezichtmaatregelen aanpast (zie artikel 8.8.16, derde lid) ofdat Nederland bij overtreding van de toezichtmaatregelen de overleveringzal weigeren (artikel 8.8.15, derde lid), heeft de uitvaardigende lidstaat tiendagen de tijd om de Europese toezichtbeslissing in te trekken. Deze laatstetermijn wordt dan ook afgewacht, zo bepaalt ook al het huidige artikel5.7.11, eerste lid. Ten opzichte van die bepaling is in overeenstemmingmet de artikelen 13, derde lid, en 15, derde lid, van het KB toezichtmaatre-gelen verhelderd dat de termijn van tien dagen alleen hoeft te wordenafgewacht indien een van voornoemde kennisgevingen is gedaan.Artikel 8.8.18 [kennisgevingen in het kader van de uitvoering]Eerste en tweede lidOp grond van de artikelen 19, derde lid, artikel 20, tweede lid, onderdeel atot en met d, van het KB toezichtmaatregelen is de officier van justitiegehouden de uitvaardigende autoriteit van een aantal gegevens enbevindingen in kennis te stellen. Deze kennisgevingsverplichtingen, die inhet huidige artikel 5.7.12 zijn opgenomen, keren in deze bepaling terug inhet nieuwe wetboek. Net als nu, is de kennisgevingsverplichtingen uitartikel 20, tweede lid, onderdeel b, van het kaderbesluit niet in deNederlandse wetgeving overgenomen. Die bepaling behoeft geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3315 implementatie omdat in Nederland geen maximumtermijn geldt voor hethouden van toezicht. De maximumtermijn moet immers onderscheidenworden van een periodieke herbevestiging van de noodzaak van hetvoortduren van het toezicht (zie artikel 23, derde lid, van het KB toezicht-maatregel). Omdat het recht van de uitvaardigende lidstaat op deverlenging, toetsing en intrekking van de toezichtmaatregelen vantoepassing blijft (zie artikel 18, eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen)is er geen aanleiding om voor dit laatste een regeling te treffen.Artikel 20, tweede lid, onderdeel d, van het kaderbesluit bevat eenverplichting om de uitvaardigende lidstaat in kennis te stellen van een inNederland ingesteld rechtsmiddel tegen de erkenningsbeslissing. Hoeweler in Nederland geen sprake is van een specifiek rechtsmiddel voor debetrokkene om op te komen tegen de erkenningsbeslissing, is het welmogelijk dat deze een zaak bij de burgerlijke rechter aanhangig maakt alshij meent dat de Europese toezichtbeslissing niet erkend had mogenworden. Omdat dit relevante informatie kan zijn voor de uitvaardigendelidstaat, is onderdeel c opgenomen.Derde lidDit artikellid is nieuw. Hoewel artikel 8.8.3 voorziet in de mogelijkheid totoverleg tussen de officier van justitie en de uitvaardigende autoriteit overde uitvoering van de toezichtbeslissing, is er aanleiding om het overlegindien de betrokkene de toezichtmaatregelen ernstig overtreedt (vgl.artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van het KB toezichtmaatregelen) naderte regelen. Dit overleg is immers niet alleen van belang met het oog opeen efficiënte uitvoering, maar ook met het oog op de veiligheid van demaatschappij en eventuele slachtoffers en het voorkomen dat debetrokkene zich onttrekt aan het toezicht. Het is daarom niet alleen vanbelang dat de uitvaardigende autoriteit op de hoogte is van deovertreding van de toezichtmaatregelen (zie het tweede lid), maar ook datoverlegd kan worden over de beste manier waarop gereageerd kanworden. De uitvaardigende lidstaat zou bijvoorbeeld de toezichtmaatre-gelen kunnen aanpassen of een aanhoudingsbevel kunnen uitvaardigenom alsnog voorlopige hechtenis te kunnen toepassen (vgl. artikel 18,eerste lid, van het KB toezichtmaatregelen). Als de overtreding van detoezichtmaatregelen gepaard gaat met het plegen van strafbare feiten, kanNederland daartegen een strafrechtelijke vervolging instellen, zoalsNederland ook een vervolging kan instellen ten aanzien van op anderemomenten gepleegde strafbare feiten die niet ten grondslag liggen aan deEuropese toezichtbeslissing (vgl. artikel 18, vijfde lid, van het KB toezicht-maatregelen).Artikel 8.8.19 [verzoek aan uitvaardigende lidstaat om nadereinformatie]De inhoud van het huidige artikel 5.7.13 keert hier terug in het nieuwewetboek. De bepaling betreft de implementatie van artikel 19, eerste lid,van het KB toezichtmaatregelen. Het artikel voorziet in een grondslag omde uitvaardigende autoriteit om nadere informatie te verzoeken over denoodzaak van het voortduren van het toezicht. Zie voor een toelichting opdeze bepaling ook Kamerstukken II 2012/13, 33 422, nr. 3, p. 20.Artikel 8.8.20 [erkenning wijziging Europese toezichtbeslissing]De uitvaardigende lidstaat kan de toezichtmaatregelen aanpassen. Dit kanaan de orde zijn naar aanleiding van een kennisgeving van de Neder-landse officier van justitie (bijvoorbeeld dat een toezichtmaatregel nietwordt nageleefd) of op eigen initiatief van de uitvaardigende lidstaat (naaraanleiding van de nationale procedure). De beslissing tot wijziging van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3316 toezichtmaatregelen wordt genomen overeenkomstig het recht van deuitvaardigende lidstaat (zie artikel 18, tweede lid, van het KB toezichtmaat-regelen). De officier van justitie beoordeelt bij een wijziging van detoezichtmaatregelen niet opnieuw de weigeringsgronden, maar beoor-deelt wel of de gewijzigde toezichtmaatregel een toezichtmaatregel is alsbedoeld in artikel 8.8.2. Eventueel kan de officier van justitie de toezicht-maatregel daarvoor aanpassen (zie artikel 8.8.16). Zie Kamerstukken II2012/13, 33 422, nr. 3, p. 20. Met dit voorschrift is artikel 5.7.14 omgezetnaar het nieuwe wetboek. Daarmee is artikel 18, vierde lid, van het KBtoezichtmaatregelen in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Erzijn enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd om het artikel beterleesbaar te maken. Daarmee zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.Artikel 8.8.21 [beëindiging toezicht]Ter omzetting van artikel 5.7.15 naar het nieuwe wetboek is in dezebepaling geregeld in welke gevallen het toezicht wordt beëindigd. Hetbetreft de implementatie van de artikelen 11, tweede lid, onderdelen a, ben e, 19, zesde lid, 20, tweede lid, onderdeel c, en 23, eerste en tweede lid,van het KB toezichtmaatregelen.Eerste lidMet het nieuwe onderdeel c wordt de mogelijkheid om het toezicht tebeëindigen die is opgenomen in artikel 11, tweede lid, onderdeel c, vanhet KB toezichtmaatregelen van een expliciete wettelijke basis voorzien.Artikel 11, het tweede lid, onderdeel d, van het kaderbesluit behoeft geenomzetting, omdat in Nederland niet een dergelijke maximumtermijn geldt(zie ook de toelichting op artikel 8.8.18, eerste en tweede lid).Tweede lidIn dit artikellid is ten opzichte van de bestaande wettekst een verwijzingnaar de reclasseringsinstelling komen te vervallen. Het is vanzelfsprekenddat de organisaties die betrokken zijn met het feitelijk uitoefenen van hettoezicht op de hoogte worden gesteld van de beëindiging daarvan. Uitartikel 8.8.17 volgt al dat op het toezicht op de naleving de Nederlandsewet- en regelgeving van toepassing is. Hierover hoeft dus geen afzon-derlijk voorschrift te worden opgenomen. Daarnaast is in de bepalingopgenomen dat de officier van justitie in overleg treedt met de uitvaardi-gende lidstaat om te voorkomen dat het toezicht wordt onderbroken. Ziein dit verband ook de toelichting op artikel 8.8.9, derde lid.HOOFDSTUK 9Europees beschermingsbevelDe bepalingen waarmee Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europeesbeschermingsbevel (hierna: de Richtlijn EB) zijn geïmplementeerd, zijnmet de Wet herziening internationale samenwerking in strafzakenondergebracht in het huidige Vijfde Boek, Titel 8. De voorschriften warenal eerder bij wet van 28 juni 2015 (Stb. 2015, 40; Kamerstukken 33954) inhet wetboek opgenomen en werden met de Wet herziening internationalesamenwerking enkel vernummerd. De bepalingen keren in dit hoofdstukterug in het nieuwe wetboek. Voor de indeling is aangesloten bij deandere hoofdstukken in Boek 8. Dit betekent dat eerst enkele algemenebepalingen worden opgenomen (Titel 9.1). Daarna volgen de bepalingendie betrekking hebben op de situatie waarin Nederland de uitvaardigendelidstaat is (Titel 9.2). Tot slot zijn de voorschriften opgenomen die geldenals Nederland als uitvoerende lidstaat optreedt (Titel 9.3).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3317 De Richtlijn EB beoogt slachtoffers de mogelijkheid te bieden ombepaalde maatregelen die hen beschermen, zoals een contactverbod, endie zijn opgelegd in de ene lidstaat, ook in een andere lidstaat te kunneninroepen en effectief te maken. Slachtoffers kunnen daartoe een verzoekindienen, waarop de lidstaat die de beschermingsmaatregelen heeftopgelegd, een Europees beschermingsbevel (hierna ook: EB of bescher-mingsbevel) kan uitvaardigen aan de lidstaat waar het slachtoffer woontof verblijft. Voor een uitgebreidere toelichting op de systematiek van derichtlijn EB wordt verwezen naar Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3. Derichtlijn EB ziet op maatregelen die zijn opgelegd «in strafzaken» (vgl.artikel 2, tweede lid, van de richtlijn EB). Net als in andereEU-instrumenten is «strafzaken» in dit verband een autonoom begrip (zieook overweging 9 en 10 bij de richtlijn EB). In de memorie van toelichtingbij de implementatiewetgeving is nader ingegaan op de kwestie voorwelke Nederlandse modaliteiten een EB op grond van deze richtlijn kanworden uitgevaardigd. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 20–23.Specifiek met betrekking tot maatregelen die kunnen worden opgelegd opgrond van de Wet tijdelijk huisverbod, kan in dit verband nog hetvolgende worden opgemerkt. In de memorie van toelichting bij deimplementatiewetgeving van de richtlijn EB wordt onder andereopgemerkt: «Op het eerste gezicht lijkt het huisverbod binnen het kadervan de richtlijn EB te vallen. Het gaat om strafzaken en er wordt eencontactverbod opgelegd.» Vervolgens wordt desalniettemin geconclu-deerd dat maatregelen opgelegd op grond van de Wet tijdelijk huisverbodniet ten grondslag kunnen liggen aan de uitvaardiging van een EB. Dieconclusie kan niet anders dan samenhangen met de reikwijdte van hetautonome begrip «strafzaken». Met de Wet tijdelijk huisverbod is immersjuist beoogd preventief optreden mogelijk te maken in gevallen waarin(nog) geen sprake is van een strafbaar feit. Daarmee kan het huisverboddan ook niet worden aangemerkt als een beschermingsmaatregel diewordt opgelegd «naar aanleiding van een strafbare gedraging of eenvermeende strafbare gedraging» (zie artikel 1, eerste lid, van de richtlijnEB). Verordening (EU) 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning vanbeschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken biedt wel een grondslagom het toezicht op de naleving van maatregelen opgelegd op grond vande Wet tijdelijk huisverbod over te dragen. Zoals destijds in de wetsge-schiedenis is uiteengezet, zal dit in de praktijk echter naar verwachtingniet of nauwelijks voorkomen. Zie Kamerstukken II 2013/14, 34 021, nr. 3,p. 6.TITEL 9.1Algemene bepalingenIn deze titel is een aantal algemene bepalingen opgenomen, die zowelgelden als Nederland als uitvaardigende lidstaat optreedt als wanneerNederland uitvoerende lidstaat is. Het gaat om een definitiebepaling(artikel 8.9.1) en bepalingen over de reikwijdte van het EB (artikel 8.9.2),over het overleg tussen de uitvaardigende en de uitvoerende autoriteit(artikel 8.9.3) en over kennisgevingen aan de beschermde persoon en depersoon die gevaar veroorzaakt (artikel 8.9.4). Omdat in artikel 8.1.7 al isvoorzien in een grondslag voor een ministeriële regeling over hetvastleggen van gegevens over de uitvoering van de bepalingen in Boek 8,keert de inhoud van artikel 5.8.17 niet als zodanig terug in deze titel.Artikel 8.9.1 [definitiebepaling]In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Ten opzichte van hethuidige artikel 5.8.1 – waarmee (voor zover nodig) artikel 2 van de RichtlijnEB is geïmplementeerd – keren de definities van de kaderbesluiten nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3318 terug. Deze zijn al opgenomen in artikel 8.1.2. Net als in de anderehoofdstukken worden ook de termen «uitvaardigende lidstaat» en«uitvoerende lidstaat» niet langer gedefinieerd, nu de inhoud van dezebegrippen voldoende duidelijk is. Voorts is ervan afgezien om debegrippen «beschermde persoon» en «de persoon die gevaar veroor-zaakt» te definiëren. Deze begrippen hebben een vanzelfsprekendebetekenis, die mede voortvloeit uit de definitie van beschermingsmaat-regel. Voor de betekenis van «beschermde persoon» wordt ook verwezennaar de overwegingen 11 en 12 van de Richtlijn EB.Bij de definitie van «Europees beschermingsbevel» is ervoor gekozen om,in lijn met de definitiebepalingen in de Hoofdstukken 5–8, te verwijzennaar de omschrijving van dit begrip in de richtlijn. Daarmee wordt deEuropeesrechtelijke dimensie van het beschermingsbevel benadrukt. Hetbeschermingsbevel moet immers worden onderscheiden van debeschermingsmaatregel. De beschermingsmaatregel is een beslissing dieis genomen volgens het recht van de uitvaardigende lidstaat en die degrondslag vormt voor het Europese beschermingsbevel. In de huidigedefinitie van «beschermingsmaatregel» wordt verwezen naar de verbodenen beperkingen die zijn opgesomd in artikel 5.8.3, onderdeel a. Dezebeperking van de reikwijdte tot bepaalde verboden en beperkingen is, netals in Hoofdstuk 8, opgenomen in een afzonderlijk artikel (artikel 8.9.2).Artikel 8.9.2 [reikwijdte]Een Europees beschermingsbevel kan slechts betrekking hebben op eenbeperkte set van verboden en beperkingen. Het gaat kort gezegd omlocatie-, contact- en benaderingsverboden en -beperkingen. In het huidigewetboek zijn deze beschermingsmaatregelen beschreven in artikel 5.8.3,onderdeel a. In aansluiting op Hoofdstuk 8 worden deze maatregelen ookin dit hoofdstuk bij de algemene bepalingen beschreven. Dat een EBalleen betrekking kan hebben op deze maatregelen is immers zowelrelevant voor de uitvaardiging van een EB door Nederland als voor debeslissing over de erkenning van een uit een andere lidstaat ontvangenEB.Omdat de precieze vormgeving van de verboden en beperkingen perlidstaat kan verschillen, is al in het huidige wetboek ervoor gekozen voorde beschrijving zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de tekst vanartikel 5 van de richtlijn. Ten opzichte van de huidige wettekst is bij hetcontactverbod (onderdeel b) de zinsnede «inclusief per telefoon, elektro-nische of gewone post, fax of op enige andere wijze» komen te vervallen.De zinsnede «(enige vorm van) contact» omvat al alle vormen van contact,zowel fysiek als via bijvoorbeeld post, fax, telefoon, internet, socialemedia of email. Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 7. Tenovervloede wordt opgemerkt dat niet bij ieder locatie-, contact- ofbenaderingsverbod een EB kan worden uitgevaardigd of erkend. Blijkensde definitiebepaling (zie artikel 8.9.1) gaat het bij een beschermingsmaat-regel immers om verboden en beperkingen die specifiek gericht zijn op debescherming van (de fysieke, psychische en seksuele integriteit van) eenpersoon. Een locatieverbod dat bijvoorbeeld (hoofdzakelijk) wordtopgelegd om te verhinderen dat de betrokkene terugkeert in zijn oudeomgeving om zo recidivegevaar te voorkomen, valt niet onder de richtlijnEB. Zie hierover ook overweging 9 bij de Richtlijn EB en Kamerstukken II2013/14, 33 954, nr. 3, p. 51.Artikel 8.9.3 [overleg]Deze bepaling is nieuw en geeft uitvoering aan artikel 16 van de RichtlijnEB. Zie voor een toelichting op deze wettelijke verankering van demogelijkheid tot het voeren van overleg ook de toelichting op artikel 8.8.9,derde lid. Een soortgelijk voorschrift is opgenomen in artikel 8.8.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3319 Artikel 8.9.4 [kennisgeving aan beschermde persoon en persoondie gevaar veroorzaakt]Onderhavig hoofdstuk bevat verschillende bepalingen waarin wordtvoorgeschreven dat aan de beschermde persoon en de gevaar veroorza-kende persoon een kennisgeving wordt gedaan. Zie bijvoorbeeld deartikelen 8.9.7, eerste lid, 8.9.8, 8.9.18 en 8.9.21. Dit artikel bepaalt met hetoog daarop – net als het huidige artikel 5.8.2, derde lid, – dat debeschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaken de uitvoe-rende en de uitvaardigende autoriteit op de hoogte dienen te stellen vanhet adres waarop zij deze kennisgevingen wensen te ontvangen. Ziehierover ook Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 29. De voorschriftenopgenomen in het huidige artikel 5.8.2, eerste lid, over de wijze vankennisgeving hoeven niet expliciet te worden opgenomen, nu uit artikel1.9.1, tweede lid, volgt dat «kennisgeving» schriftelijk dient te geschiedenen Boek 1 al algemene bepalingen geeft over de overdracht van berichten.TITEL 9.2Uitvaardiging van een Europees beschermingsbevelDeze titel bevat de bepalingen die betrekking hebben op de situatie waarinNederland als uitvaardigende lidstaat optreedt. Deze bepalingen zijn in hethuidige wetboek opgenomen in het Vijfde Boek, Titel 8, Derde afdeling.Artikel 8.9.5 [verzoek beschermde persoon]Een EB kan slechts worden uitgevaardigd als de beschermde persoondaarom heeft verzocht, zo volgt uit artikel 6, tweede lid, van de RichtlijnEB. Daarbij wordt opgemerkt dat de richtlijn uitgaat van de situatie waarinde beschermde persoon ten tijde van de oplegging van de beschermings-maatregel verbleef in de lidstaat waar die maatregel is opgelegd (deuitvaardigende lidstaat). De ratio van de Richtlijn EB is immers hetvoorkomen van een nieuwe procedure als de beschermde persoon zichnadien naar een andere lidstaat begeeft. Zie hierover overweging 18 vande Richtlijn EB en het explanatory memorandum bij het richtlijnvoorstel(17513/09 ADD 1 COPEN 247), p. 11–12. Dat neemt niet weg dat debeschermde persoon zijn verzoek ook nog kan indienen nadat hij zich alnaar een andere lidstaat heeft begeven. Het verzoek hoeft dus niet teworden gedaan voordat de betrokkene het grondgebied van de uitvaardi-gende lidstaat heeft verlaten. De beschermde persoon kan zijn verzoekzowel doen aan de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende lidstaat alsaan de bevoegde autoriteit in de (beoogde) uitvoerende lidstaat. Ditlaatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de beschermde persooninmiddels al in die uitvoerende lidstaat verblijft. De uitvoerende lidstaatstuurt in dat geval het verzoek door aan de bevoegde autoriteit van deuitvaardigende lidstaat (artikel 6, derde lid, van de Richtlijn EB), omdatalleen de uitvaardigende lidstaat op het verzoek kan beslissen. Om van demogelijkheid tot het doen van een verzoek tot uitvaardiging van een EBgebruik te kunnen maken, dient de beschermde persoon nadat eenbeschermingsmaatregel in een nationale procedure is opgelegd door deNederlandse rechter, officier van justitie of (in geval van bijvoorbeeldgratie) de Minister van deze mogelijkheid op de hoogte te worden gesteld(artikel 6, vijfde lid, van de Richtlijn EB). Deze voorschriften zijn in hethuidige wetboek geïmplementeerd in de artikelen 5.8.10 en 5.8.15. Deinhoud van deze bepalingen keert hier in het nieuwe wetboek terug, metdien verstande dat het huidige artikel 5.8.10, tweede lid, is opgenomen inartikel 8.9.13, omdat dat artikellid betrekking heeft op de situatie waarinNederland uitvoerende lidstaat is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3320 Eerste lidDit artikellid betreft de informatieplicht ten aanzien van de beschermdepersoon die in het huidige wetboek in artikel 5.8.15 is opgenomen. Tenopzichte van die bepaling is een verwijzing naar de Minister toegevoegd.In bepaalde gevallen – zoals bij een voorwaardelijke gratie – kan eenbeschermingsmaatregel namelijk ook worden opgelegd door de Minister.Tweede lidIn het huidige artikel 5.8.10, eerste lid, wordt gesproken over de «persoondie wordt beschermd door een beschermingsmaatregel op grond van hetNederlandse recht». De achtergrond van deze formulering is datNederland alleen op verzoek van een persoon ten aanzien van wie inNederland een beschermingsmaatregel geldt, een EB kan uitvaardigen.Als de beschermingsmaatregel is opgelegd door autoriteiten van eenandere lidstaat, zal alleen die lidstaat het EB kunnen uitvaardigen. In hetnieuwe wetboek is gekozen voor de term «beschermde persoon». Uitartikel 8.9.6, eerste lid, volgt immers al dat de Nederlandse officier vanjustitie alleen een EB kan uitvaardigen als er op grond van het Neder-landse recht al een beschermingsmaatregel is opgelegd. Overigens kaneen persoon die wordt beschermd door een beschermingsmaatregel dieis opgelegd in een andere lidstaat en die graag wil dat Nederland debescherming als uitvoerende lidstaat op zich neemt, wel een verzoek totuitvaardiging van een EB in Nederland indienen. Nederland kanvervolgens echter niet beslissen tot uitvaardiging van een EB, maar moethet verzoek doorgeleiden aan de uitvaardigende lidstaat; zie artikel 8.9.13,eerste lid.Derde lidHet huidige artikel 5.8.10, derde lid, is inhoudelijk ongewijzigd overge-nomen. Het betreft de implementatie van artikel 6, zesde lid, van deRichtlijn EB.Vierde lidZoals hiervoor toegelicht kan de beschermde persoon als hij graag wil dateen andere lidstaat de handhaving van de door de Nederlandse autori-teiten opgelegde beschermingsmaatregelen voortzet (Nederland is dusuitvaardigende lidstaat), zijn verzoek ook indienen bij die (beoogde)uitvoerende lidstaat. Deze mogelijkheid, die in het huidige wetboek inartikel 5.8.10, eerste lid, van een regeling is voorzien, is hier in eenafzonderlijk artikellid opgenomen. In principe is het aan de anderelidstaten om, conform de richtlijnverplichtingen, in hun wetgeving in dezemogelijkheid voor de beschermde persoon te voorzien en een doorzend-plicht in hun wet op te nemen. Daarom wordt de formulering ten opzichtevan de huidige wettekst aangepast, waarmee wordt benadrukt dat deNederlandse officier van justitie – als tot beslissing bevoegde autoriteit(zie artikel 8.9.6) – degene is die door andere lidstaten doorgestuurdeverzoeken in ontvangst neemt.Artikel 8.9.6 [uitvaardiging EB]Met deze bepaling is het huidige artikel 5.8.11, eerste en tweede lid,omgezet naar het nieuwe wetboek. Het derde lid keert terug in artikel8.9.7, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3321 Eerste lidDe officier van justitie is bevoegd een EB uit te vaardigen. De officier vanjustitie is dus aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3van de Richtlijn. Verzending van het EB aan de uitvoerende lidstaat zal inde praktijk plaatsvinden via het IRC Noord-Holland. Voor het overigebetreft dit artikellid de implementatie van de artikelen 5 en 6, eerste entweede lid, van de Richtlijn EB, waarin is opgenomen in welke gevalleneen EB kan worden uitgevaardigd. Zoals in de toelichting op artikel 8.9.5al aan de orde is gekomen, kan de officier van justitie een EB alleenuitvaardigen op verzoek van de beschermde persoon. Die persoon kandus zelf afwegen of de uitvaardiging van een EB in zijn belang is. Ziehierover ook Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 50. Ten opzichte vanhet huidige artikel 5.8.11, onderdeel a, is niet meer uitgeschreven dat debeschermingsmaatregel op grond van het Nederlandse recht moet zijnopgelegd. Dit volgt al uit de definitie van beschermingsmaatregel (artikel8.9.1). Blijkens die definitie gaat het immers om een «volgens hetnationale recht in de uitvaardigende lidstaat genomen beslissing instrafzaken». Niet vereist is dat de gevaar veroorzakende persoon (al) isveroordeeld. Zie ook overweging 10 van de Richtlijn EB. Een EB kan alleenworden uitgevaardigd als de beschermingsmaatregel ten tijde van hetverzoek al was opgelegd door de Nederlandse rechter, officier van justitieof Minister. Gedacht kan worden aan situaties waarin een dergelijk verbodof een dergelijke beperking als (bijzondere) voorwaarde bij een schorsingvan de voorlopige hechtenis of bij een voorwaardelijke straf of alsgedragsaanwijzing op grond van artikel 6.5.1 is opgelegd ter beschermingvan (de fysieke, psychische en seksuele integriteit van) de desbetreffendepersoon. De richtlijn schept geen recht om een nationale beschermings-maatregel te vragen. Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 19.Het huidige artikel 5.8.11, eerste lid, onderdeel b, keert niet als zodanigterug. Dat een EB alleen kan worden uitgevaardigd indien een locatie-,contact- of benaderingsverbod of -beperking is opgelegd, volgt al uitartikel 8.9.2, waarnaar in dit artikellid wordt verwezen.Tweede lidZoals in de toelichting op het eerste lid is uiteengezet, vormt de nationalemaatregel de grondslag voor het verzoek van de beschermde persoon omeen EB uit te vaardigen. De al opgelegde beschermingsmaatregel staatdaarbij niet meer ter discussie. Als de officier van justitie een verzoekontvangt, staat de vraag centraal of de bescherming die de betrokkene opgrond van die maatregelen in Nederland geniet, moet worden voortgezetin een andere lidstaat. Het gaat dan om de lidstaat waarnaar debeschermde persoon verhuist of al is verhuisd, of waar hij verblijft of zalverblijven. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 51. Blijkens artikel6, eerste lid, van de richtlijn betrekt de officier van justitie bij zijn overwe-gingen onder andere de duur van het verblijf in de uitvoerende lidstaat ende ernst van de behoefte aan bescherming. De woorden «onder meer»bieden ruimte om ook andere belangen mee te wegen, waaronder debelangen van de gevaar veroorzakende persoon. Zie over de beoorde-lingsruimte van de officier van justitie ook: Kamerstukken II 2013/14,33 954, nr. 3, p. 6, 7 en 51–52.Artikel 8.9.7 [kennisgeving en horen persoon die gevaar veroor-zaakt en beschermde persoon]Deze bepaling bevat voorschriften over het in kennis stellen van depersoon die gevaar veroorzaakt en de beschermde persoon van het inbehandeling nemen van het verzoek tot uitvaardiging van het EB en hethoren van die personen over het verzoek. Daarmee worden de huidigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3322 artikelen 5.8.11, derde lid, en 5.8.12 omgezet naar het nieuwe wetboek. Erzijn daarbij geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Voor eentoelichting wordt verwezen naar Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p.52–56. Met deze voorschriften is artikel 6, vierde lid, van de Richtlijn EBgeïmplementeerd. Die richtlijnbepaling moet worden bezien in het lichtvan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, waarinkort gezegd, het recht op effectieve rechtsbescherming is vastgelegd (zieoverweging 17 bij de Richtlijn EB).Artikel 8.9.8 [beslissing op verzoek]Het voorschrift, opgenomen in het huidige artikel 5.8.13, over het inkennis stellen van de beschermde persoon en de persoon die gevaarveroorzaakt van de beslissing op het verzoek om een EB uit te vaardigen,keert inhoudelijk ongewijzigd terug in dit artikel. Wel zijn enkele redacti-onele verbeteringen aangebracht. Nu bij zowel een afwijzing als eeninwilliging van een verzoek de beslissing van de officier van justitiegemotiveerd dient te zijn, is er geen aanleiding om een onderscheidtussen beide situaties te maken. Met onderhavige bepaling wordtuitvoering gegeven aan artikel 6, zevende lid, van de Richtlijn EB. Vooreen toelichting op de wijze waarop deze bepaling is omgezet naarNederlands recht, wordt verwezen naar Kamerstukken II 2013/14, 33 954,nr. 3, p. 56–57.Artikel 8.9.9 [inhoud en taal EB]Dit artikel betreft de omzetting naar het nieuwe wetboek van het huidigeartikel 5.8.14, eerste en vierde lid. Daarmee wordt uitvoering gegeven aande artikelen 7 en 17 van de Richtlijn EB. De redactie van de bepaling ismeer in lijn gebracht met soortgelijke bepalingen in andere hoofdstukken.Het tweede lid is nieuw. In beginsel volgt al uit het formulier opgenomenin de bijlage bij de richtlijn EB dat de in dit artikellid genoemde informatiemoet worden opgenomen in het EB. De hier opgesomde informatie wordtechter in artikel 7 van de richtlijn specifiek genoemd. In de Hoofdstukken5–8 zijn dergelijke bepalingen ook expliciet omgezet naar het Nederlandserecht. De bepaling bevat dus geen nieuwe verplichtingen. Zie over deomzetting van artikel 17 van de Richtlijn EB ook Kamerstukken II 2013/14,33 954, nr. 3, p. 33.Artikel 8.9.10 [verzending EB]In artikel 8, eerste en tweede lid, van de Richtlijn EB is beschreven opwelke wijze de uitvaardigende autoriteit – in dit geval de Nederlandseofficier van justitie – het EB dient te verzenden aan de uitvoerendelidstaat. Deze bepaling is in het huidige wetboek geïmplementeerd doorde artikelen 5.8.2, eerste en tweede lid, en 5.8.14, tweede en derde lid. Dievoorschriften keren in dit artikel terug in het nieuwe wetboek. De redactievan de bepalingen is daarbij meer in lijn gebracht met soortgelijkebepalingen in de Hoofdstukken 5–8. Dit betekent onder meer dat in hetderde lid niet specifiek wordt verwezen naar onder andere het Europeesjustitieel netwerk (EJN) en Europol. Uiteraard blijven dit belangrijkekanalen om de bevoegde autoriteit in andere lidstaten te achterhalen. Zievoor een toelichting op de redactionele wijzigingen in het eerste lid tenopzichte van het huidige artikel 5.8.2, eerste en tweede lid, ook detoelichting op artikel 8.8.6, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3323 Artikel 8.9.11 [vervolgbeslissingen beschermingsmaatregel]De inhoud van het huidige artikel 5.8.16 is in deze bepaling en artikel8.9.12 overgenomen. Deze bepaling bevat de voorschriften over devervolgbeslissing over de (nationaal) opgelegde beschermingsmaatregel.Artikel 8.9.12 ziet op de mogelijkheid van een (daarop eventueel volgende)wijziging of intrekking van het EB. Voor een toelichting op de betekenisvan deze bepalingen wordt ook verwezen naar Kamerstukken II 2013/14,33 954, nr. 3, p. 59–64.Eerste lidUit artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Richtlijn EB blijkt datvervolgbeslissingen ten aanzien van de beschermingsmaatregel die tengrondslag ligt aan het EB blijven voorbehouden aan de daartoe bevoegdeautoriteiten van de uitvaardigende lidstaat overeenkomstig het nationalerecht van die lidstaat. Dit betekent bijvoorbeeld dat als het EB betrekkingheeft op een locatie- of contactverbod dat is opgelegd als voorwaarde bijeen schorsing van de voorlopige hechtenis, de Nederlandse rechterbevoegd blijft overeenkomstig de artikelen 2.5.34 e.v. te beslissen overwijziging van het bevel tot schorsing (waaronder begrepen wijziging vande voorwaarden) of opheffing daarvan (waardoor de voorwaarden komente vervallen). In het huidige wetboek is dit vastgelegd in artikel 5.8.16,eerste lid. Dit is expliciet in de wet bepaald, omdat het in het kader vanandere EU-instrumenten die (mede) tot gevolg hebben dat het toezicht opde naleving van voorwaarden wordt overgedragen aan een anderelidstaat, ook voorkomt dat de bevoegdheid tot het nemen van vervolgbe-slissingen overgaat op de andere lidstaat. Dit geldt bijvoorbeeld voorKaderbesluit 2008/947/JBZ, zo volgt uit artikel 14 van dat kaderbesluit.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de term «wijziging» mede omvatde verlenging of herziening van de beschermingsmaatregel. Artikel 13,eerste lid, onderdeel b, van de Richtlijn EB behoeft – net als in het huidigewetboek – op deze plaats geen afzonderlijke implementatie. De inhoudvan die richtlijnbepaling vloeit al voort uit daarin genoemde kaderbe-sluiten. Voorschriften ter uitvoering van die kaderbesluiten zijnopgenomen in Hoofdstuk 8 en in de WETS.Tweede lidHet is mogelijk dat met betrekking tot hetzelfde locatie-, contact- ofbenaderingsverbod zowel een EB is uitgevaardigd als een Europesetoezichtbeslissing (zie Hoofdstuk 8) of een rechterlijke uitspraak met hetoog op tenuitvoerlegging van een dergelijk verbod in een andere lidstaat(zie de WETS). De Richtlijn EB bevat over deze samenloop verschillendebepalingen, waaronder het voorschrift in artikel 13, derde lid. Op grondvan die bepaling – die in het huidige wetboek is geïmplementeerd middelsartikel 5.8.16, derde lid – geldt dat vervolgbeslissingen over de bescher-mingsmaatregel in een geval van samenloop worden genomen overeen-komstig het KB toezichtmaatregelen of Kaderbesluit 2008/947/JBZ over dewederzijdse erkenning van vonnissen en proeftijdbeslissingen. Ziehierover ook overweging 33 bij de Richtlijn EB.Artikel 8.9.12 [intrekking EB]Zoals bij artikel 8.9.11 toegelicht, heeft dit artikel betrekking op devoorschriften uit artikel 5.8.16 over de intrekking van het EB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3324 Eerste lidDe officier van justitie is – net als op grond van het huidige artikel 5.8.16,eerste lid – bevoegd tot intrekking en wijziging van het EB. Hij zal het EB inieder geval moeten intrekken als in de nationale procedure wordt beslotentot beëindiging van de beschermingsmaatregel. De grondslag voor het EBkomt in dat geval immers te vervallen. Als de beschermingsmaatregelwordt gewijzigd zal dit in de meeste gevallen eveneens moeten leiden totovereenkomstige wijziging van het EB. Dit kan anders zijn in situatieswaarin een wijziging van het EB niet zou leiden tot wijziging van demaatregelen die in de uitvoerende lidstaat worden genomen. Zie voor eenaantal voorbeelden daarvan Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p.60–61. In de nieuwe wettekst is daarom bepaald dat het EB wordtingetrokken of gewijzigd indien de beslissing tot wijziging of beëindigingvan de beschermingsmaatrel «daartoe aanleiding geeft». Dit geeft deofficier van justitie bij wijziging van de beschermingsmaatregel de ruimteom te beoordelen of wijziging of intrekking van het EB aan de orde is.Op grond van artikel 13, vierde lid, van de Richtlijn EB dient de officier vanjustitie het EB ook in te trekken of te wijzigen als een op hetzelfde locatie-,contact- of benaderingsverbod betrekking hebbende rechterlijke uitspraakop grond van Kaderbesluit 2008/947/JBZ is uitgevaardigd aan een anderelidstaat – in de Richtlijn EB de «toezichtsstaat» genoemd – en die lidstaateen beslissing heeft genomen die gevolgen heeft voor dat verbod. Hethuidige artikel 5.8.16, tweede lid, lijkt deze mogelijkheid tot intrekking uitte sluiten, nu dat artikellid is geformuleerd als een uitzondering op heteerste lid van die bepaling. Dat artikellid keert om die reden dan ook nietterug in het nieuwe wetboek. Dat de in dat artikellid genoemde kaderbe-sluiten «voorrang» hebben boven de bepalingen in de richtlijn EB, volgt aluit artikel 8.9.11, tweede lid. In plaats daarvan is de inhoud van het artikel13, vierde lid, van de Richtlijn EB expliciet verdisconteerd in dezebepaling, door middel van een verwijzing naar artikel 8.9.11, tweede lid.Tweede lidDe inhoud van het huidige artikel 5.8.16, vierde lid, is ongewijzigdovergenomen. De kennisgevingsverplichting aan de uitvoerende lidstaatvloeit voort uit artikel 13, vijfde lid, van de Richtlijn EB. Zie over dekennisgevingsverplichting aan de beschermde en de gevaar veroorza-kende persoon ook Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 64.TITEL 9.3Erkenning en uitvoering van een Europees beschermingsbevelIn deze titel zijn de bepalingen opgenomen die gelden in de situatie datNederland uitvoerende lidstaat is. In het huidige wetboek zijn dezevoorschriften opgenomen in Het Vijfde Boek, Titel 8, Tweede afdeling. Netals in de andere hoofdstukken is hier voorzien in een duidelijker onder-scheid tussen bepalingen die betrekking hebben op de beslissing over deerkenning van het ontvangen beschermingsbevel en de uitvoeringdaarvan. Dit betekent dat de volgorde van de bepalingen ten opzichte vanhet huidige Vijfde Boek, Titel 8, Tweede afdeling, enigszins is gewijzigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3325 Artikel 8.9.13 [doorzenden verzoek tot uitvaardiging Europeesbeschermingsbevel]Eerste lidDe inhoud van het huidige artikel 5.8.10, tweede lid, is in deze bepalingovergenomen. Het voorschrift keert hier terug, omdat het betrekking heeftop de situatie waarin Nederland de (beoogde) uitvoerende lidstaat is. Uitartikel 6, derde lid, van de Richtlijn EB volgt dat de betrokkene zijn verzoekin dat geval ook bij Nederland als uitvoerende lidstaat kan indienen. Deofficier van justitie dient het verzoek dan door te geleiden naar debevoegde autoriteit van de lidstaat die de beschermingsmaatregel heeftopgelegd (de beoogde uitvaardigende lidstaat). In dit artikel wordt – netals in het huidige artikel 5.8.10, tweede lid – niet de term «beschermdepersoon» gebruikt, omdat het gebruik van dat begrip hier de onterechteindruk zou kunnen wekken dat het gaat om een persoon die wordtbeschermd door een door de Nederlandse rechter, officier of Ministeropgelegde beschermingsmaatregel. Is immers sprake van een persoondie wordt beschermd door een in een Nederlandse strafprocedureopgelegde beschermingsmaatregel, dan hoeft het verzoek niet te wordendoorgeleid, maar kan de Nederlandse officier daarover beslissen. Zieartikel 8.9.6.Tweede lidVoor een toelichting op de redactionele wijzigingen ten opzichte van hethuidige artikel 5.8.4, zevende lid, wordt verwezen naar de toelichting bijartikel 8.9.10. Het voorschrift om nadere inlichtingen in te winnen omtrentde bevoegde uitvaardigende autoriteit is in deze bepaling opgenomen,omdat de onbekendheid van de bevoegde autoriteiten in de uitvaardi-gende lidstaat in beginsel alleen aan de orde kan zijn voordat een EB doordie autoriteiten is uitgevaardigd. Als een EB eenmaal is uitgevaardigd, zijnde contactgegevens van de bevoegde autoriteit bekend, omdat deze in hetEB zijn vermeld.Artikel 8.9.14 [ontvangst, erkenning en uitvoering van het EB]In dit artikel zijn de bepalingen samengebracht die betrekking hebben opde ontvangst van het EB en de procedure ten aanzien van de beslissing.Deze voorschriften zijn in het huidige wetboek opgenomen in artikel 5.8.4,eerste, tweede, derde en zesde lid, en betreffen de implementatie van deartikelen 8, tweede en derde lid, en 9, eerste lid, van de Richtlijn EB.Eerste lidTen opzichte van het huidige artikel 5.8.4, eerste lid, is geëxpliciteerd datde officier van justitie het EB in ontvangst neemt en dat hij niet alleen isbelast met de beslissing over de uitvoering, maar ook met de beslissingover de erkenning van het beschermingsbevel. Daarmee is meeraansluiting gezocht bij soortgelijke bepalingen in de andere hoofdstukken.De officier van justitie is dus voor Nederland de bevoegde uitvoerendeautoriteit in de zin van artikel 3 van de Richtlijn EB. Dat de officier vanjustitie bevoegd is te beslissen over de erkenning en uitvoering, betekentoverigens niet dat de officier van justitie de beschermingsmaatregelenook zelf ten uitvoer legt. Zoals uit artikel 8.9.19 volgt, gelden voor detenuitvoerlegging dezelfde regels en dezelfde taakverdeling tussenorganisaties als die welke volgen uit het Nederlands recht. Zie hieroverook de toelichting op artikel 8.8.12, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3326 Tweede lidVoor de formulering van de «doorzendplicht» is ten opzichte van hethuidige artikel 5.8.4, zesde lid, meer aansluiting gezocht bij de redactievan soortgelijke bepalingen in andere hoofdstukken. Het voorschrift zietop de situatie waarin niet de officier van justitie, maar bijvoorbeeld depolitie het EB ontvangt.Derde en vierde lidOp grond van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn EB dient de officier vanjustitie «met bekwame spoed» over het EB te beslissen. In het huidigeartikel 5.8.4, tweede en derde lid, is vastgelegd dat de officier van justitieals uitgangspunt binnen achtentwintig dagen beslist. Deze termijn isopgenomen verband met een ordentelijke procedure. Voor de termijn vanachtentwintig dagen werd gekozen in aansluiting op het huidige artikel5.7.8 (destijds: artikel 5:3:8; in het nieuwe wetboek: artikel 8.8.12). ZieKamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 32. Aan dit uitgangspunt omaansluiting te zoeken bij de bepalingen over de Europese toezichtbe-slissing is hier vastgehouden. Dit betekent dat in overeenstemming metartikel 8.8.12, derde lid, een beslistermijn van twintig werkdagen geldt.Artikel 8.9.15 [vatbaarheid voor erkenning]Dit artikel beschrijft aan welke vormvereisten een EB moet voldoen om tekunnen worden erkend en ingewilligd (eerste en tweede lid). Daarnaastbevat het een bepaling over contact met de uitvaardigende lidstaat indien,kort gezegd, het formulier bij het EB onvolledig is ingevuld (derde lid). Indat geval wordt de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid gesteld deontbrekende informatie aan te vullen. De bepalingen komen inhoudelijkovereen met de artikelen 5.8.3 en 5.8.4, vierde en vijfde lid. De redactie isdaarbij meer in lijn gebracht met soortgelijke bepalingen in de Hoofd-stukken 5–8. Met de bepaling wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 5,7, 9, vierde lid, en 17 van de richtlijn EB.Artikel 8.9.16 [weigeringsgronden]De in artikel 10 van de richtlijn EB beschreven weigeringsgronden zijn metdeze bepaling geïmplementeerd in het nieuwe wetboek. Voor eentoelichting op de weigeringsgronden wordt verwezen naar KamerstukkenII 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 34–36. Ten opzichte van het huidige artikel 5.8.5is de formulering van de weigeringsgronden meer in overeenstemminggebracht met redactie van soortgelijke weigeringsgronden in de Hoofd-stukken 5–8. Zie over de formulering van het eerste lid, onderdeel e, ookde toelichting op artikel 8.8.15, eerste lid, onderdeel e.Artikel 8.9.17 [maatregelen]Eerste lidZowel het huidige artikel 5.8.4, eerste lid, als het huidige artikel 5.8.6,eerste lid, bepaalt dat de officier van justitie de tot uitvoering van het EBstrekkende maatregelen beveelt. De inhoud van deze bepalingen is hiersamengevoegd. Gelet op de omstandigheid dat het EB voor erkenningvatbaar is indien dat betrekking heeft op de in artikel 8.9.2 genoemdeverboden en beperkingen (zie de artikelen 8.9.15, eerste lid, en 8.9.16,eerste lid, onderdeel a) geldt vanzelfsprekend ook dat de officier vanjustitie ter uitvoering van het EB een dergelijk verbod of beperking zalbevelen. Daarmee biedt dit artikellid – ter uitvoering van artikel 9, eersteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3327 lid, van de Richtlijn EB – de grondslag voor het opleggen van de maatre-gelen die voortvloeien uit het ontvangen EB.Tweede lidHet kan nodig zijn dat de officier van justitie de maatregelen ten opzichtevan het EB aanpast. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de oorspronkelijkemaatregel verbonden is met een locatie en die locatie moet wordengewijzigd als de beschermde persoon verhuist of als sprake is van eenmodaliteit die het Nederlandse recht niet kent. Zie voor voorbeelden vandergelijke gevallen: Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 37. Ditartikellid biedt een grondslag om in dergelijke gevallen de maatregel aante passen ten opzichte van het EB. De Richtlijn EB laat hiervoor de ruimte,nu blijkens verschillende bepalingen uit die richtlijn (zie met name artikel9, eerste lid, en artikel 11, eerste lid) het recht van de uitvoerende lidstaatvan toepassing is op de vaststelling en handhaving van de beschermings-maatregel. In lijn met artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn EB dient deaangepaste maatregel zoveel mogelijk in overeenstemming te zijn met debeschermingsmaatregelen zoals opgelegd door de uitvaardigendelidstaat. Met deze bepaling is het huidige artikel 5.8.6, tweede lid, omgezetnaar het nieuwe wetboek.Derde lidDit artikellid legt de termijn gedurende welke de maatregelen (maximaal)gelden vast. Deze termijn is in het huidige wetboek opgenomen in artikel5.8.6, derde lid. Artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de Richtlijn EB biedtruimte voor het stellen van deze termijn. Blijkens de memorie vantoelichting bij de implementatiewet is gekozen voor een termijn van eenjaar in aansluiting op de termijn die geldt voor andere aanwijzingen, hetgedrag van de verdachte betreffend, opgelegd bij een strafbeschikking (inhet nieuwe wetboek: artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel e). Zie Kamer-stukken II 2013/14/33 954, nr. 3, p. 38. Zie voor de consequenties van dezetermijn de toelichting bij artikel 8.9.22.Artikel 8.9.18 [kennisgeving]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.8.6, vierde enzesde lid, naar het nieuwe wetboek. Met de bepaling – die ziet op het inkennis stellen van de uitvaardigende autoriteit, de persoon die gevaarveroorzaakt en de beschermde persoon van de genomen maatregelen – isartikel 9, derde lid, van de Richtlijn EB geïmplementeerd.Artikel 8.9.19 [uitvoering EB]Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 5.8.6, vijfde lid, naarhet nieuwe wetboek. De termijn van twee weken komt daarbij te vervallen,nu er geen reden is twee weken te wachten met de tenuitvoerleggingnadat de beschermde persoon en gevaar veroorzakende persoon van deerkenningsbeslissing in kennis zijn gesteld. Zeker in gevallen waarin debeschermde persoon inmiddels al in Nederland verblijft, is er aanleidingzo snel mogelijk met de tenuitvoerlegging aan te vangen. Er wordt danook, overeenkomstig artikel 15 van de Richtlijn EB, in de wet vastgelegddat de officier van justitie zorgdraagt voor een spoedige uitvoering, metdezelfde snelheid en prioriteit als ware het een vergelijkbare Nederlandsezaak. Blijkens de genoemde richtlijnbepaling kan de officier van justitiedaarbij rekening houden met de specifieke omstandigheden van hetgeval, waaronder begrepen de urgentie van de zaak, de vermoedelijkeaankomstdatum van de beschermde persoon op Nederlands grondgebieden – indien mogelijk – de omvang van het risico voor de beschermdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3328 persoon. In lijn met artikel 11, eerste lid, van de Richtlijn EB – waaraanmet dit artikel eveneens uitvoering wordt gegeven – is in de wet geëxplici-teerd dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt overeenkomstig het Neder-landse recht. Voor de formulering is aangesloten bij artikel 8.8.17, eerstelid.Artikel 8.9.20 [gevolgen overtreding]Het huidige artikel 5.8.7 – dat ziet op de gevolgen van de overtreding vande opgelegde maatregel(en) – wordt met deze bepaling omgezet naar hetnieuwe wetboek. Het eerste lid van die bepaling keert in het nieuwewetboek echter niet terug. Als de overtreding van de opgelegde verbodenof beperkingen een strafbaar feit oplevert of gepaard gaat met eenstrafbaar feit, dan kan de officier van justitie op basis van de bestaandebevoegdheden vervolging wegens dat strafbare feit instellen (vgl. artikel11, eerste lid, onderdeel a, van de Richtlijn EB). Het eerste lid van hethuidige artikel 5.8.7 voorziet in aanvulling daarop in een mogelijkheid omstrafrechtelijk op te treden bij een inbreuk die op zichzelf geen strafbaarfeit vormt of daarmee gepaard gaat. Op grond van die bepaling kan eenpolitieambtenaar in geval van (dreigende) overtreding van de maatregelde gevaar veroorzakende persoon bevelen de maatregel na te leven. Hetniet voldoen aan dat bevel van de politieambtenaar is een strafbaar feit inde zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Zie ook Kamer-stukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 42. Deze constructie lijkt onnodigomslachtig. Anders dan dat de enkele overtreding van de maatregel eenstrafbaar feit oplevert – zoals op grond van artikel 184a van het Wetboekvan Strafrecht bijvoorbeeld het geval is bij overtreding van een gedrags-aanwijzing opgelegd door de officier van justitie – moet eerst een bevelworden gegeven aan de betrokkene dat deze zich aan de maatregel moethouden. Pas bij een tweede (dreigende) overtreding kan daartegen doorde Nederlandse autoriteiten worden opgetreden. Daarom zal in plaatsdaarvan in de invoeringswet worden voorzien in een strafbaarstelling vande overtreding van de op grond van artikel 8.9.17 genomen maatregelen,in lijn met de systematiek die wordt gevolg bij overtreding van eengedragsaanwijzing die door de officier van justitie is opgelegd op grondvan artikel 6.5.1.De inhoud van het huidige artikel 5.8.7, tweede tot en met vierde lid, iszonder inhoudelijke wijzigingen overgenomen. Het is aan de uitvaardi-gende lidstaat om te beslissen of de overtreding aanleiding geeft ombijvoorbeeld de Europese beschermingsmaatregel in te trekken (en tervervanging daarvan een vrijheidsbenemende maatregel op te leggen) ofte wijzigen (artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn EB). Om die reden moetde officier van justitie de uitvaardigende lidstaat van de overtreding op dehoogte stellen. Als Nederland als uitvoerende lidstaat niet alleen een EB,maar ook een Europese toezichtbeslissing of rechterlijke uitspraak in dezin van Kaderbesluit 2008/829/JBZ heeft ontvangen die betrekking heeftop dezelfde beschermingsmaatregel, dan bericht de officier van justitieook de lidstaat die de toezichtbeslissing of rechterlijke uitspraak heeftuitgevaardigd. Zie artikel 12 van de Richtlijn EB en Kamerstukken II2013/14, 33 954, nr. 3, p. 42–43.Artikel 8.9.21 [verlenging en wijziging door de uitvaardigendelidstaat]Eerste lidDe bevoegdheid tot aanpassing of verlenging van de beschermingsmaat-regel blijft blijkens artikel 13, eerste en tweede lid, van de Richtlijn EBexclusief berusten bij de lidstaat waar die beschermingsmaatregel isopgelegd (de uitvaardigende lidstaat) overeenkomstig het recht van dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3329 lidstaat. Nadat de uitvoerende lidstaat van die wijziging of verlenging inkennis is gesteld, zal die de in de uitvoerende lidstaat bevolen maatre-gelen in beginsel moeten aanpassen, zo volgt uit artikel 13, zevende lid,onderdeel a, van de richtlijn. In het huidige wetboek is dit geregeld inartikel 5.8.8, eerste lid. De inhoud van die bepaling keert op deze plaatsterug in het nieuwe wetboek.Tweede lidArtikel 13, zevende lid, van de Richtlijn EB biedt de uitvoerende autoriteit– in dit geval de Nederlandse officier van justitie – de mogelijkheid om dehandhaving van de wijziging van het verbod te weigeren, indien debeschermingsmaatregel door de wijziging niet langer betrekking heeft opeen locatie-, contact- of benaderingsverbod of -beperking of omdat deverstrekte informatie onvolledig is. Vgl. artikel 8.9.16, eerste lid, onder aen b. Voor het overige wordt de wijziging niet getoetst. Ten opzichte vanhet huidige artikel 5.8.8, tweede lid, zijn geen inhoudelijke wijzigingenaangebracht. Wel zijn enkele tekstuele verbeteringen aangebracht inverband met de leesbaarheid van het artikellid.Derde en vierde lidMet deze artikelleden is het huidige artikel 5.8.8, derde en vierde lid,omgezet naar het nieuwe wetboek. Het derde lid bevat ter uitvoering vanartikel 13, zesde lid, van de Richtlijn EB een regeling over de beëindigingvan de door de officier van justitie bevolen maatregelen indien deuitvaardigende lidstaat het EB intrekt. In het vierde lid is geregeld dat depersoon die gevaar veroorzaakt, de beschermde persoon en de uitvaardi-gende autoriteit in kennis worden gesteld van een verlenging, wijziging ofde intrekking van de maatregelen die de officier van justitie heeft bevolenop grond van artikel 8.9.17 of de weigering een gewijzigd EB tehandhaven (vgl. artikel 10, tweede lid, van de Richtlijn EB). Het is immersvan belang dat geen onduidelijkheid bestaat over de status van demaatregelen. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 3, p. 47. Om diereden is aan het vierde lid toegevoegd dat de kennisgeving aan de gevaarveroorzakende persoon wordt betekend, zoals dat op grond van artikel8.9.18 ook geldt ten aanzien van de ongewijzigde maatregelen.Artikel 8.9.22 [beëindiging door de officier van justitie]In een aantal gevallen kan de Nederlandse officier van justitie ook zelfbesluiten de bevolen maatregelen te beëindigen. Deze gevallen worden inhet huidige wetboek, ter implementatie van artikel 14 van de Richtlijn EB,beschreven in artikel 5.8.9. Deze bepaling is inhoudelijk ongewijzigdovergenomen in dit artikel.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,T.H.D. StruyckenDe Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van WeelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3330 III. TRANSPONERINGSTABELLEN Nieuw naar huidigBoek 1 – Strafvordering in het algemeenHoofdstuk 10 – Tenuitvoerlegging1.10.1, eerste lid6:1:1, eerste lid1.10.1, tweede lidnieuw1.10.1, derde lidnieuw1.10.1, vierde lidnieuw1.10.1, vijfde lidnieuw1.10.2, eerste lid6:1:21.10.2, tweede lid6:1:16, eerste lid1.10.2, derde lidnieuw1.10.36:1:31.10.46:1:41.10.5, eerste lid6:1:5, eerste lid1.10.5, tweede lid6:1:5, tweede lid1.10.5, derde lid6:1:5, vierde lid1.10.6, eerste lid6:1:91.10.6, tweede lidnieuw1.10.7nieuw1.10.8nieuw36a, eerste lid6:3:14, vijfde lid1.10.9nieuw1.10.106:1:121.10.11, eerste lid6:1:15, eerste lid, eerste zin1.10.11, tweede lid6:1:15, tweede lid1.10.11, derde lid6:1:15, vierde lidBoek 7 – TenuitvoerleggingHoofdstuk 1 – Algemene bepalingenTitel 1.1 – Informatie-uitwisseling7.1.1, eerste lid6:1:1, tweede lid7.1.1, tweede lid6:1:1, derde lid6:6:31, zevende lid7.1.26:1:107.1.3nieuw6:3:15, derde lid6:6:1, zesde lidTitel 1.2 – Vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen7.1.4, eerste lid6:1:16, tweede lid7.1.4, tweede lid6:1:16, derde lid7.1.4, derde lid6:1:16, vierde lid7.1.5, eerste lid6:1:17, eerste lid7.1.5, tweede lid6:1:17, tweede lid7.1.5, derde lid255a, derde lid7.1.66:1:217.1.76:1:227.1.8, eerste lid6:1:23, eerste lid7.1.8, tweede lid6:1:23, derde lid7.1.8, derde lid6:1:23, tweede lid7.1.8, vierde lidnieuw6:1:23, vierde lid7.1.8, vijfde lid6:1:23, zevende lid7.1.8, zesde lid6:1:23, achtste lidTitel 1.3 – Opschorting en schorsing7.1.9, eerste lid6:2:3, eerste lid7.1.9, tweede lid6:2:3, derde lid7.1.9, derde lid6:2:3, vierde lid7.1.9, vierde lid6:2:3, vijfde lid7.1.106:7:27.1.11, onderdeel a6:7:3, onderdelen a en b7.1.11, onderdeel b6:7:3, onderdeel c7.1.11, onderdeel c6:7:3, onderdeel d7.1.11, onderdeel d6:7:3, onderdeel e7.1.12, eerste lid6:7:4, eerste lid en derde lid, tweede zin7.1.12, tweede lid6:7:4, tweede lid en derde lid, tweede zin7.1.136:7:8Titel 1.4 – Aanhouding, opneming en invrijheidstelling7.1.14, eerste lid6:1:6, eerste lid7.1.14, tweede lid6:1:6, tweede lid7.1.14, derde lid6:1:6, derde lid, eerste zinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3331 7.1.15, eerste lid6:1:7, eerste lid7.1.15, tweede lid6:1:7, tweede lid7.1.15, derde lid6:1:7, tweede lid7.1.16, eerste lid6:1:87.1.16, tweede lidnieuw6:1:6, derde lid, tweede zin7.1.176:2:17.1.186:2:56:2:10 vijfde lid7.1.196:1:15, eerste lid, onderdeel a6:2:9 eerste lidTitel 1.5 – De raadkamer en de rechter-commissaris7.1.20, eerste lid6:6:1, eerste lid, eerste zin7.1.20, tweede lid6:6:1, derde lid6:6:8, derde lid, derde zin7.1.20, derde lid6:6:1, eerste lid, tweede zin7.1.20, vierde lid6:6:1, vierde lid7.1.21, eerste lidnieuw7.1.21, tweede lid491, derde en vierde lid6:6:3, derde lid7.1.21, derde lidnieuw7.1.21, vierde lidnieuw7.1.21, vijfde lidnieuw7.1.21, zesde lid6:6:3, derde lid, derde zin6:6:27.1.22, eerste lid6:6:1, vijfde lid7.1.22, tweede lid6:6:3, eerste lid, tweede zin7.1.22, derde lid6:6:3, tweede lid7.1.22, vierde lid6:6:3, vierde lid7.1.22, vijfde lid6:6:3, vijfde lid7.1.22, zesde lid6:6:3, vijfde lid7.1.23, eerste lid6:6:4, derde lid7.1.23, tweede lid6:6:4, zesde lid7.1.24, eerste lid135a, eerste lid6:6:4, vierde lid, jo. 345, derde lid7.1.24, tweede lid6:6:5, tweede lid7.1.24, derde lid6:6:5, derde lidHoofdstuk 2 – Toezicht, voorwaarden en omzettingTitel 2.1 – Toezicht7.2.1, eerste lid6:3:14, eerste lid7.2.1, tweede lid6:3:14, tweede lid7.2.1, derde lidnieuw7.2.1, vierde lid6:3:14, derde lid7.2.1, vijfde lid6:3:14, derde lid257a, vijfde lid7.2.1, zesde lid6:3:14, vierde lid7.2.2, eerste lid6:2:13b, eerste lid6:3:15, eerste lid7.2.2, tweede lid6:3:15, tweede lid7.2.2, derde lid6:6:20, tweede lid, eerste zin7.2.2, vierde lid6:3:15, vierde lid7.2.2, vijfde lidnieuw7.2.3, eerste lidnieuw6:6:20, eerste lid, onderdelen a en b6:6:10a, eerste en tweede lid6:6:11, vijfde en zesde lid7.2.3, tweede lid6:6:20, tweede lid, tweede zin7.2.3, derde lid6:6:10a, derde lid6:6:11, zevende en achtste lid6:6:20, derde en vierde lid7.2.3, vierde lid6:6:20, zesde lid7.2.3, vijfde lid6:6:20, zevende lid7.2.3, zesde lid6:6:10a, vierde lid7.2.3, zevende lid6:6:11, negende lid6:6:20, vijfde lid7.2.46:1:15, eerste lid, onderdeel b, en derde lidTitel 2.2 – Voorwaardelijke straffen en maatregelen7.2.5, eerste lidnieuw6:4:21, eerste lid7.2.5, tweede lidnieuw6:4:21, tweede lid7.2.5, derde lid538, tweede en derde lid6:4:21, derde lid7.2.5, vierde lid6:4:21, eerste lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3332 7.2.6, eerste lid6:6:19, eerste lid7.2.6, tweede lid6:6:19, tweede lid7.2.6, derde lid6:6:19, vierde lid7.2.7, eerste lid6:6:21, eerste lid7.2.7, tweede lid6:6:21, derde lid14g, vijfde lid, tweede zin, Sr (oud)7.2.7, derde lid6:6:21, vierde lid7.2.7, vierde lid6:6:21, zesde lid7.2.7, vijfde lid6:6:21, tweede lid7.2.7, zesde lid6:6:21, zevende lid7.2.7, zevende lid538, eerste lid7.2.8nieuwTitel 2.3 – Omzetting van straffen en maatregelen in een strafbeschikkingTitel 2.4 – Rechtsmiddelen7.2.9, eerste lid6:6:22, eerste lid, onderdeel a7.2.9, tweede lid6:6:22, derde lid7.2.9, derde lid6:6:22, tweede lid7.2.9, vierde lid6:6:22, derde lidHoofdstuk 3 – VrijheidsstraffenTitel 3.1 – Algemeen7.3.16:2:27.3.2, eerste lid6:2:6, eerste zin7.3.2, tweede lid6:2:6, tweede zin, onderdelen a en b7.3.36:2:7, eerste lid7.3.4, eerste lid6:2:4, eerste lid7.3.4, tweede lid6:2:4, eerste lid7.3.4, derde lid6:2:4, eerste lid7.3.4, vierde lidnieuw7.3.4, vijfde lid6:2:4, tweede lid7.3.5, eerste lid6:2:8, eerste en zesde lid7.3.5, tweede lid6:2:8, tweede lid7.3.5, derde lidnieuw7.3.5, vierde lid6:2:8, derde lid7.3.6, eerste lid6:2:9, eerste en tweede lid7.3.6, tweede lid6:2:9, derde lid7.3.6, derde lid6:2:9, vierde lidTitel 3.2 – Voorwaardelijke invrijheidstelling7.3.7, eerste lid6:2:10, eerste lid6:2:12, eerste lid7.3.7, tweede lid6:2:10, tweede lid7.3.7, derde lid6:2:7, tweede lid7.3.7, vierde lid6:2:10, derde lid7.3.7, vijfde lid6:2:12, tweede lid7.3.8, eerste lid6:2:12, eerste lid6:2:13, eerste lid7.3.8, tweede lid6:2:13, tweede lid7.3.9, eerste lid6:2:11, eerste lid6:2:12, eerste lid7.3.9, tweede lid6:2:11, tweede en derde lid7.3.9, derde lidnieuw7.3.9, vierde lid6:2:11, tweede lid7.3.9, vijfde lid6:2:11, vierde lid7.3.9, zesde lid6:2:12, eerste lid7.3.10, eerste lid6:1:18, tweede lid7.3.10, tweede lid6:1:18, tweede lid7.3.10, derde lid6:1:18 tweede lid7.3.10, vierde lid6:1:18, derde lid7.3.11, eerste lid6:2:13a, eerste lid6:2:12, eerste lid7.3.11, tweede lid6:2:13a, tweede lid7.3.11, derde lid6:2:13a, derde lid7.3.11, vierde lid6:2:13b, tweede lid7.3.11, vijfde lid6:2:13a, vierde lid7.3.11, zesde lid6:2:12, tweede lid7.3.11, zevende lid6:2:12, eerste lid7.3.12, eerste lid6:2:13b, derde lid7.3.12, tweede lid6:2:13b, derde lid7.3.12, derde lid6:2:13b, vierde lid7.3.12, vierde lid6:2:13b, vijfde lid7.3.136:2:14Titel 3.3 – Rechtsmiddelen7.3.146:2:8, vierde lid7.3.15, eerste lid6:6:8, eerste lid7.3.15, tweede lid6:6:8, tweede lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3333 7.3.15, derde lid6:6:8, derde lid, eerste en tweede zin7.3.15, vierde lid6:6:9, eerste lid7.3.15, vijfde lid6:6:9, derde lidHoofdstuk 4 – TerbeschikkingstellingTitel 4.1 – Algemeen7.4.16:2:167.4.26:6:18Titel 4.2 – Verlenging en wijziging van de terbeschikkingstelling7.4.3, eerste lid6:6:10, eerste lid, onderdelen a en b7.4.3, tweede lid6:6:11, eerste lid7.4.3, derde lid6:6:11, tweede lid7.4.3, vierde lid6:6:11, derde lid7.4.3, vijfde lid6:6:11, vierde lid7.4.3, zesde lid6:6:11, vijfde lid7.4.4, eerste lid6:6:12, eerste lid7.4.4, tweede lid6:6:12, tweede lid7.4.4, derde lid6:6:12, derde lid7.4.4, vierde lid6:6:12, vierde lid7.4.4, vijfde lid6:6:12, zesde lid7.4.5, eerste lid6:6:10, eerste lid, onderdeel c7.4.5, tweede lid6:6:10, derde lid7.4.5, derde lid6:6:10, tweede lid7.4.6, eerste lid6:2:17, eerste lid7.4.6, tweede lid6:2:17, tweede lid7.4.7, eerste lid6:6:10, eerste lid, onderdelen a, c en f6:6:19, derde lid7.4.7, tweede lid6:6:10, eerste lid, onderdeel e7.4.7, derde lid6:6:10, eerste lid, onderdeel d7.4.7, vierde lid509g7.4.7, vijfde lid509h7.4.8, eerste lid6:6:13, eerste lid7.4.8, tweede lid6:6:13, tweede lid7.4.8, derde lidnieuw6:6:13, derde lid7.4.8, vierde lid6:6:13, vijfde en zesde lid7.4.8, vijfde lid6:6:10, vierde lid7.4.8, zesde lidnieuw7.4.8, zevende lidnieuwTitel 4.3 – Beëindiging van de terbeschikkingstelling7.4.9, onderdeel a6:2:17, derde lid7.4.9, onderdeel b6:6:10b, derde lid7.4.10, eerste lidnieuw6:2:18, eerste lid7.4.10, tweede lid6:2:18, tweede lid7.4.10, derde lid6:2:18, derde lid7.4.10, vierde lid6:2:18, vierde lid7.4.116:6:10b, eerste lid7.4.12, eerste lidnieuw6:6:10b, tweede lid, eerste zin7.4.12, tweede lid6:6:10b, tweede lid, vierde zin6:6:12, vijfde lid7.4.12, derde lidnieuw7.4.12, vierde lidnieuw7.4.12, vijfde lidnieuw7.4.12, zesde lid6:6:10b, tweede lid, tweede zin7.4.12, zevende lid6:6:10b, tweede lid, derde zinTitel 4.4 – Rechtsmiddelen7.4.13, eerste lid6:6:15, eerste lid, onderdelen a tot en met d7.4.13, tweede lid6:6:15, tweede lid7.4.13, derde lid6:6:16, eerste lid7.4.13, vierde lid6:6:16, tweede lid7.4.13, vijfde lidnieuw7.4.13, zesde lid6:6:177.4.14, eerste lid6:2:18, vijfde lid7.4.14, tweede lidnieuw7.4.14, derde lid6:2:18, zesde lid7.4.14, vierde lidnieuw7.4.14, vijfde lid6:2:18, zesde lidHoofdstuk 5 – Geldelijke straffen en maatregelenTitel 5.1 – Geldboete en schadevergoedingsmaatregel7.5.1, eerste lidnieuw7.5.1, tweede lid6:4:1, eerste lid7.5.1, derde lid6:4:1, tweede lid7.5.1, vierde lid6:4:2, derde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3334 7.5.2, eerste lid6:4:2, eerste lid7.5.2, tweede lid6:4:2, tweede lid7.5.2, derde lid6:4:2, vierde lid7.5.2, vierde lid6:4:2, vijfde lid en zevende lid, eerste zin7.5.2, vijfde lid6:4:2, zesde lid7.5.36:4:2, zevende lid, tweede en derde zin7.5.4, eerste lid6:4:3, eerste lid7.5.4, tweede lid6:4:3, derde lid7.5.4, derde lid6:4:3, zesde lid7.5.4, vierde lid6:4:5, vijfde lid6:4:6, zevende lid7.5.5, eerste lid6:4:4, eerste lid7.5.5, tweede lid6:4:4, tweede lid7.5.6, eerste lid6:4:5, eerste lid7.5.6, tweede lid6:4:5, tweede lid7.5.6, derde lid6:4:3, tweede lid7.5.7, eerste lid6:4:6, eerste lid7.5.7, tweede lid6:4:6, achtste lid7.5.7, derde lid6:4:6, tweede lid7.5.7, vierde lid6:4:6, derde lid7.5.7, vijfde lid6:4:6, vierde lid7.5.7, zesde lid6:4:6, vijfde lid7.5.8, eerste lid6:4:3, vierde lid7.5.8, tweede lid6:4:3, vijfde lid7.5.8, derde lid6:4:7, eerste lid7.5.8, vierde lid6:4:7, tweede lid7.5.96:1:117.5.10, eerste lid6:4:8, eerste en tweede lid7.5.10, tweede lid6:4:8, derde lidTitel 5.2 – Ontnemingsmaatregel en ontnemingsschikking7.5.116:4:97.5.12, eerste lid6:6:26, eerste lid7.5.12, tweede lid6:6:26, vierde lid7.5.12, derde lidnieuw6:6:26, derde lid7.5.12, vierde lid6:6:26, vijfde lid7.5.12, vijfde lid6:6:26, eerste en tweede lid7.5.136:4:18, tweede en derde lid7.5.146:3:7, tweede lid7.5.156:4:19Titel 5.3 – Vermogensonderzoek7.5.16, eerste lidnieuw6:4:22, eerste lid7.5.16, tweede lid6:4:22, tweede lid7.5.16, derde lid6:4:22, vierde lid7.5.16, vierde lid6:4:22, vijfde lid7.5.16, vijfde lid6:4:22, zevende lid7.5.17, eerste lid6:4:24 tot en met 6:4:287.5.17, tweede lidnieuw7.5.186:4:237.5.19, eerste lid6:4:22, achtste lid7.5.19, tweede lid6:4:22, negende lid7.5.19, derde lid6:4:29, eerste lid7.5.19, vierde lidnieuwTitel 5.4 – Gijzeling7.5.206:4:207.5.21, eerste lid6:6:25, eerste lid7.5.21, tweede lid6:6:25, tweede lid7.5.21, derde lid6:6:25, tweede lid7.5.21, vierde lid6:6:25, derde lid7.5.21, vijfde lid6:6:25, vierde en vijfde lid7.5.21, zesde lid6:6:25, zesde tot en met achtste lidTitel 5.5 – Verrekening7.5.226:1:13Titel 5.6 – Rechtsmiddelen7.5.236:4:5, derde lid7.5.246:4:5, derde lid7.5.256:4:4, derde lid6:4:5, vierde lid7.5.266:4:6, zesde lid7.5.27, eerste lid6:6:27, eerste lid7.5.27, tweede lid6:6:27, eerste en tweede lid7.5.27, derde lid6:6:27, eerste lid7.5.27, vierde lid6:6:27, derde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3335 7.5.286:6:24Hoofdstuk 6 – Andere straffen en maatregelenTitel 6.1 – Taakstraf7.6.16:3:17.6.2257a, vijfde lid22k, tweede zin, Sr (oud)7.6.36:3:27.6.46:3:37.6.5, eerste lid6:3:47.6.5, tweede lidnieuw7.6.66:3:57.6.76:3:6Titel 6.2 – Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders7.6.8, eerste lid44d, derde lid, Penitentiaire maatregel7.6.8, tweede lid44e, tweede lid, Penitentiaire maatregel7.6.8, derde lid44f, eerste lid, Penitentiaire maatregel7.6.8, vierde lid6:2:19, tweede lid44f, tweede lid, Penitentiaire maatregel7.6.96:6:147.6.106:2:207.6.116:2:21Titel 6.3 – Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen7.6.12nieuw6:6:23a17.6.136:6:23a7.6.14, eerste lid6:6:23b, eerste lid7.6.14, tweede lid6:6:23b, tweede lid7.6.14, derde lidnieuw7.6.14, vierde lid6:6:23b, derde lid7.6.14, vijfde lid6:6:23b, vierde lid7.6.14, zesde lid6:6:23b, vijfde lid6:6:23c, vierde lid7.6.14, zevende lid6:6:23b, zesde lid7.6.14, achtste lid6:6:23f, derde lid7.6.15, eerste lid6:6:23c, eerste lid7.6.15, tweede lid6:6:23c, tweede lid7.6.15, derde lid6:6:23c, derde lid6:6:23f, derde lid7.6.16, eerste lid6:6:23d7.6.16, tweede lid6:6:23f, derde lid7.6.176:6:23eTitel 6.4 – Bijkomende straffen7.6.186:5:27.6.19, eerste lid6:5:1, eerste en tweede lid6:5:234, derde lid, Sr7.6.19, tweede lid6:5:1, derde lid7.6.206:5:3Titel 6.5 – Rechtsmiddelen7.6.21, eerste lid6:6:23, eerste lid7.6.21, tweede lid6:6:23, eerste lid7.6.21, derde lid6:6:23, tweede lid7.6.22, eerste lid6:6:15, eerste lid, onderdeel e7.6.22, tweede lid6:6:15, tweede lid7.6.22, derde lid6:6:16, eerste lid7.6.22, vierde lid6:6:16, tweede lid7.6.22, vijfde lid6:6:177.6.23, eerste lidnieuw7.6.23, tweede lid6:6:23f, eerste lid7.6.23, derde lid6:6:23f, tweede lidHoofdstuk 7 – Jeugdigen en jongvolwassenenTitel 7.1 – Algemeen7.7.1nieuw6:1:14, eerste lid7.7.26:1:14, tweede lid7.7.3, eerste lid6:6:3, zesde lid6:6:37, eerste lid7.7.3, tweede lid6:6:3, zesde lid6:6:37, eerste lid7.7.4, eerste lid6:3:13, tweede lid7.7.4, tweede lid6:3:13, eerste lidTitel 7.2 – Toezicht, voorwaarden en omzettingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3336 7.7.5nieuw6:6:19, tweede lid6:6:32, zesde lid7.7.66:6:20, eerste lid6:6:32, achtste lid6:6:35, derde lid7.7.76:1:25, eerste lidTitel 7.3 – Jeugddetentie7.7.8nieuw7.7.9, eerste lid6:6:28, eerste lid7.7.9, tweede lid6:6:28, tweede lid7.7.9, derde lid6:6:28, tweede lid7.7.106:6:29Titel 7.4 – Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen7.7.1177s, zesde lid, Sr7.7.126:2:22, derde lid7.7.13, eerste lidnieuw7.7.13, tweede lid6:6:31, eerste lid, tweede en derde zin7.7.13, derde lid6:6:31, vijfde en zesde lid7.7.13, vierde lidnieuw6:6:31, tweede lid, vijfde zin7.7.13, vijfde lidnieuw7.7.13, zesde lidnieuw7.7.13, zevende lidnieuw7.7.14, eerste lid6:6:32, eerste lid, tweede tot en met vierde zin7.7.14, tweede lid6:6:32, derde lid, onderdelen a en b7.7.14, derde lid6:6:32, vijfde lid7.7.15, eerste lid6:6:32, derde lid, onderdeel c7.7.15, tweede lid6:6:32, vierde lid7.7.15, derde lidnieuw7.7.16, eerste lid6:6:33, eerste lid7.7.16, tweede lid6:6:33, vijfde lid7.7.16, derde lid6:6:33, vierde en zesde lid7.7.16, vierde lid6:6:33, tweede lid7.7.176:2:22, eerste lid, derde zin6:6:33, derde lidTitel 7.5 – Geldelijke straffen en maatregelen7.7.18nieuw6:6:30a7.7.19, eerste lid6:6:30, eerste lid7.7.19, tweede lid6:6:30, tweede lidTitel 7.6 – Taakstraf7.7.20nieuw6:3:9, tweede lid6:3:117.7.216:3:87.7.22, eerste lid6:3:9, eerste lid, eerste zin7.7.22, tweede lid6:3:9, eerste lid, tweede en derde zin7.7.23, eerste lid6:3:10, eerste lid7.7.23, tweede lid6:3:10, tweede lid7.7.23, derde lid6:3:10, vierde lidTitel 7.7 – Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige7.7.24, eerste lid6:3:12, tweede lid7.7.24, tweede lid6:3:12, derde lid, eerste zin7.7.24, derde lid6:3:12, derde lid, vierde zin7.7.256:6:347.7.26, eerste lid6:6:35, vierde lid7.7.26, tweede lid6:6:35, vijfde lid7.7.26, derde lid6:6:35, vijfde lid7.7.27, eerste lidnieuw7.7.27, tweede lid6:6:36, eerste lid, tweede zin, en tweede lid7.7.27, derde lid6:6:36, derde lid7.7.27, vierde lid6:6:36, vierde en vijfde lidTitel 7.8 – Andere straffen en maatregelen7.7.28nieuw7.7.29nieuwTitel 7.9 – Rechtsmiddelen7.7.30, eerste lid6:6:22, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid7.7.30, tweede lid6:6:22, derde lid7.7.31nieuw7.7.32, eerste lid6:6:23, eerste lid7.7.32, tweede lid6:6:237.7.33, eerste lidnieuw7.7.33, tweede lid6:6:37, tweede lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3337 7.7.33, derde lid6:6:37, derde lidBoek 8 – Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerkingHoofdstuk 1 – Algemene bepalingen8.1.1nieuw8.1.2, eerste lidnieuw5.5.14, onderdeel d5.7.1 onderdeel a5.8.1 onderdelen g tot en met i8.1.2, tweede lidnieuw8.1.3nieuw8.1.4nieuw8.1.5nieuw8.1.6nieuw8.1.7nieuw5.1.7, derde lid5.4.315.8.17Hoofdstuk 2 – Internationale rechtshulp in strafzakenTitel 2.1 – Algemene bepalingen8.2.15.1.1, eerste lid8.2.2, eerste lid5.1.1, tweede lid8.2.2, tweede lid5.1.1, derde lidTitel 2.2 – Verzoeken om rechtshulp gericht aan een andere staat8.2.35.1.28.2.45.1.38.2.55.1.3a8.2.6126ma, derde lid126ta, derde lid126zga, derde lid8.2.7126ma, eerste en tweede lid126ta, eerste en tweede lid126zga, eerste en tweede lid8.2.836e, derde lidTitel 2.3 – Verzoeken om rechtshulp gericht aan Nederland8.2.95.1.4, eerste lid8.2.9, tweede lid5.1.4, vierde lid8.2.9, derde lid5.1.7, eerste lid8.2.10, eerste lid5.1.4, tweede lid8.2.10, tweede lid5.1.4, derde lid8.2.10, derde lid5.1.5, eerste lid8.2.10, vierde lid5.1.5, tweede lid8.2.10, vijfde lid5.1.5, derde lid8.2.10, zesde lid5.1.5, vierde lid8.2.10, zevende lid5.1.5, vijfde lid8.2.10, achtste lid5.1.5, zesde lid8.2.10, negende lid5.1.5, zevende lid8.2.11, eerste lid5.1.4, vijfde lid5.1.5, vijfde lid, derde zin8.2.11, tweede lid5.1.6, tweede lid8.2.12, eerste lid5.1.6, eerste lid8.2.12, tweede lid5.1.6, derde lid8.2.13, eerste lid5.1.8, eerste lid8.2.13, tweede lid5.1.8, eerste lid8.2.13, derde lid5.1.8, tweede lid8.2.13, vierde lid5.1.8, derde lid8.2.13, vijfde lid5.1.8, vierde lid8.2.13, zesde lid5.1.8, vijfde lid8.2.14nieuw8.2.155.1.98.2.16, eerste lid5.1.12, eerste lid8.2.16, tweede lid5.1.12, tweede lid8.2.175.1.138.2.18, eerste lid5.1.10, eerste lid8.2.18, tweede lid5.1.10, tweede lid8.2.18, derde lid5.1.8, zesde lid8.2.195.1.148.2.205.1.1, vierde lidTitel 2.4 – Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen8.2.21539t539l, derde lid, onderdeel a8.2.225.1.158.2.235.1.16Titel 2.5 – Bijzondere procedures en rechtsmiddelen8.2.24nieuwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3338 8.2.25nieuw8.2.26, eerste lid5.1.11, eerste lid8.2.26, tweede lid5.1.11, tweede lid8.2.26, derde lid5.1.11, vierde lid8.2.26, vierde lid5.1.10, vierde lid8.2.26, vijfde lid552a, negende lid8.2.26, zesde lid552d, vierde lid8.2.275.1.10, derde en vierde lidHoofdstuk 3 – Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteamsTitel 3.1 – Instelling en uitvoering8.3.15.2.18.3.25.2.28.3.3, eerste lid5.2.5, eerste lid8.3.3, tweede lid5.2.5, tweede lid8.3.45.2.4, eerste lid8.3.5, eerste lid5.2.4, tweede lid8.3.5, tweede lid5.2.4, derde lid8.3.5, derde lid5.2.4, derde lid8.3.65.2.3Titel 3.2 – Bijzondere procedures en rechtsmiddelen8.3.75.2.28.3.85.2.4, derde lid8.3.95.2.4, derde lidHoofdstuk 4 – Overdracht en overname van strafvervolgingTitel 4.1 – Overdracht van strafvervolging8.4.1nieuw8.4.2nieuw8.4.3, eerste lid5.3.1, zesde lid8.4.3, tweede lidnieuw8.4.3, derde lidnieuw8.4.4, eerste lid5.3.1, eerste lid5.3.2, eerste lid5.3.58.4.4, tweede lid5.3.1, eerste lid5.3.2, eerste lid, tweede zin8.4.4, derde lid5.3.2, tweede lid8.4.4, vierde lid5.3.48.4.5, eerste lid5.3.1, eerste lid5.3.5, eerste lid8.4.5, tweede lidnieuw8.4.6, eerste lid5.3.1, tweede tot en met vierde lid8.4.6, tweede lidnieuw8.4.6, derde lid5.3.1, derde lid8.4.6, vierde lidnieuw8.4.7, eerste lid5.3.1, eerste en zevende lid8.4.7, tweede lid5.3.2, derde lid8.4.8, eerste lidnieuw8.4.8, tweede lid5.3.3, eerste lid6:1:248.4.8, derde lidnieuw8.4.9, eerste lid6:1:2477, eerste lid, Sr8.4.9, tweede lid6:1:2477, tweede lid, Sr8.4.10, eerste lid5.3.3, tweede lid8.4.10, tweede lidnieuwTitel 4.2 – Overname van strafvervolging van een andere staat8.4.115.3.10, eerste lid5.3.17, eerste lid8.4.125.3.17, tweede lid8.4.13, eerste lid5.3.88.4.13, tweede lid5.3.7, eerste lid5.3.88.4.13, derde lid5.3.65.3.9, eerste lid8.4.14, eerste lid5.3.10, eerste lid8.4.14, tweede lid5.3.118.4.14, derde lid5.3.9, tweede lid8.4.15, eerste lid5.3.7, eerste lid8.4.15, tweede lid5.3.7, tweede lid8.4.15, derde lid5.3.10, derde lid8.4.15, vierde lidnieuw8.4.15, vijfde lid5.3.7, derde lid8.4.165.3.12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3339 8.4.17, eerste lid5.3.13, eerste lid8.4.17, tweede lid5.3.13, tweede lid8.4.17, derde lidnieuw8.4.18nieuw8.4.195.3.14, nieuw8.4.205.3.15, eerste lid8.4.215.3.168.4.225.3.188.4.235.3.208.4.24, eerste lid5.3.21, eerste lid8.4.24, tweede lid5.3.198.4.25, eerste lid5.3.21, tweede lid8.4.25, tweede lid5.3.21, derde lid8.4.26nieuw8.4.275.3.22Titel 4.3 – Rechtsmiddelen8.4.28nieuw5.3.1, vierde en vijfde lidHoofdstuk 5 – Europees onderzoeksbevelTitel 5.1 – Algemene bepalingen8.5.15.4.1, eerste lid8.5.2, eerste lid5.4.1, eerste lid8.5.2, tweede lid5.4.1, tweede lid8.5.2, derde lid5.4.1, derde lid8.5.35.4.30Titel 5.2 – Uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel8.5.45.4.218.5.5, eerste lid5.4.1, vierde lid5.4.22, eerste lid8.5.5, tweede lid5.4.22, tweede lid8.5.5, derde lid5.4.22, derde lid8.5.5, vierde lid5.4.22, vierde lid8.5.5, vijfde lid5.4.22, zesde lid8.5.6, eerste lid5.4.23, eerste lid8.5.6, tweede lid5.4.23, tweede lid8.5.6, derde lid5.4.22, vierde lid8.5.7, eerste lid5.4.25, eerste lid8.5.7, tweede lid5.4.25, derde lid8.5.7, derde lid5.4.25, tweede lid8.5.7, vierde lid5.4.25, vierde lid8.5.85.4.268.5.95.4.278.5.10, eerste lid5.4.28, eerste lid8.5.10, tweede lid5.4.28, tweede lid8.5.10, derde lid5.4.28, derde lid8.5.10, vierde lidnieuw8.5.10, vijfde lid5.4.28, vierde lid8.5.115.4.298.5.12, eerste lid5.4.22, vijfde lid8.5.12, tweede lid5.4.19, tweede lid8.5.12, derde lid5.4.19, derde lid8.5.13, eerste lid5.4.24, eerste lid8.5.13, tweede lid5.4.24, eerste lid8.5.13, derde lid5.4.24, tweede lidTitel 5.3 – Erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel8.5.145.4.28.5.155.4.38.5.165.4.48.5.17, eerste lid5.4.5, eerste lid8.5.17, tweede lid5.4.12, eerste lid8.5.17, derde lid5.4.12, tweede lid8.5.185.4.68.5.19, eerste lid5.4.5, tweede lid8.5.19, tweede lid5.4.5, derde lid8.5.19, derde lid5.4.5, vijfde lid8.5.19, vierde lid5.4.5, zesde lid8.5.19, vijfde lid5.4.5, zevende lid8.5.20, eerste lid5.4.7, eerste lid8.5.20, tweede lidnieuw8.5.20, derde lid5.4.7, tweede lid8.5.20, vierde lid5.4.7, derde lid8.5.20, vijfde lid5.4.7, vierde lid8.5.20, zesde lid5.4.7, vijfde lid8.5.21, eerste lid5.4.5, vierde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3340 8.5.21, tweede lid5.4.5, vierde lid8.5.225.4.88.5.23, eerste lid5.4.9, eerste lid8.5.23, tweede lid5.4.9, tweede lid8.5.23, derde lid5.4.9, derde lid8.5.23, vierde lid5.4.9, derde lid8.5.23, vijfde lid5.4.9, vierde lid8.5.23, zesde lidnieuw8.5.24, eerste lid5.4.11, tweede lid8.5.24, tweede lid5.4.11, derde lid8.5.255.4.138.5.265.4.148.5.27, eerste lid5.4.15, eerste en tweede lid8.5.27, tweede lid5.4.15, derde lid8.5.27, derde lid5.4.15, vierde lid8.5.27, vierde lid5.4.15, vijfde lid8.5.27, vijfde lid5.4.15, zesde lid8.5.27, zesde lid5.4.15, zevende lid8.5.285.4.168.5.295.4.178.5.305.4.188.5.315.4.198.5.325.4.20Titel 5.4 – Rechtsmiddelen8.5.33nieuw8.5.34nieuw8.5.35, eerste lid5.4.10, eerste lid8.5.35, tweede lid5.4.10, tweede lid8.5.35, derde lid5.4.10, vijfde lid8.5.35, vierde lidnieuw8.5.35, vijfde lid552a, negende lid5.4.10, vierde lid8.5.35, zesde lid552d, vierde lid5.4.10, vierde lidHoofdstuk 6 – Europees bevriezingsbevelTitel 6.1 – Algemene bepaling8.6.15.5.14Titel 6.2 – Uitvaardiging en uitvoering van een Europees bevriezingsbevel8.6.2, eerste lid5.5.198.6.2, tweede lidnieuw8.6.3, eerste lid5.5.15, eerste lid8.6.3, tweede lid5.5.168.6.45.5.178.6.5, eerste lid5.5.15, tweede lid8.6.5, tweede lidnieuwTitel 6.3 – Rechtsmiddelen8.6.6nieuw8.6.7nieuw8.6.8, eerste lid5.5.188.6.8, tweede lidnieuwHoofdstuk 7 – Europese bevriezingsbeslissingTitel 7.1 – Algemene bepaling8.7.1nieuw8.7.25.5.1, eerste lid5.5.9, eerste lidTitel 7.2 – Uitvaardiging van een Europese bevriezingsbeslissing8.7.3, eerste lid5.5.9, tweede en derde lid8.7.3, tweede lidnieuw8.7.4, eerste lid5.5.10, eerste lid8.7.4, tweede lid5.5.10, tweede lid8.7.4, derde lid5.5.10, derde lid8.7.4, vierde lid5.5.10, vierde lid8.7.4, vijfde lid2, tweede lid, Uitvoeringsbesluit wederzijdseerkenning en tenuitvoerlegging van bevelentot inbeslagneming8.7.5, eerste lid5.5.11, eerste lid8.7.5, tweede lid5.5.11, tweede lid8.7.65.5.13Titel 7.3 – Erkenning en uitvoering van een Europese bevriezingsbeslissing8.7.7, eerste lid5.5.3, eerste lid8.7.7, tweede lid5.5.2, vijfde lid8.7.7, derde lid5.5.3, vierde lid8.7.7, vierde lid5.5.3, vierde lid8.7.85.5.1, tweede en derde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3341 8.7.9, eerste lid5.5.2, eerste lid8.7.9, tweede lid5.5.2, tweede lid8.7.9, derde lid5.5.2, derde lid8.7.9, vierde lid2, eerste lid, Uitvoeringsbesluit wederzijdseerkenning en tenuitvoerlegging van bevelentot inbeslagneming8.7.9, vijfde lid5.5.2, vierde lid8.7.105.5.3, tweede en derde lid8.7.11, eerste lidnieuw8.7.11, tweede lid5.5.4, eerste lid8.7.11, derde lid5.5.4, tweede lid8.7.11, vierde lid5.5.4, derde lid8.7.11, vijfde lid5.5.4, vierde lid8.7.125.5.58.7.135.5.78.7.145.5.8Titel 7.4 – Rechtsmiddelen8.7.155.5.128.7.16, eerste lidnieuw8.7.16, tweede lid5.5.6, eerste lid8.7.175.5.6Hoofdstuk 8 – Europese beslissing betreffende toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlo-pige hechtenisTitel 8.1 – Algemene bepalingen8.8.15.7.1, onderdelen b en c8.8.25.7.38.8.35.7.4, derde lidTitel 8.2 – Uitvaardiging van een Europese toezichtbeslissing8.8.4, eerste lid5.7.4, tweede lid5.7.16, derde lid8.8.4, tweede lid5.7.16, eerste en tweede lid5.7.17, vierde lid8.8.4, derde lid5.7.4, derde lid8.8.4, vierde lidnieuw8.8.5, eerste lidnieuw8.8.5, tweede lid5.7.17, eerste lid8.8.5, derde lid5.7.17, tweede lid8.8.6, eerste lid5.7.6, tweede lid5.7.17, eerste lid8.8.6, tweede lid5.7.17, derde lid8.8.6, derde lid5.7.17, vijfde lid8.8.75.7.17, zesde lid8.8.8, eerste lid5.7.18, eerste lid8.8.8, tweede lid5.7.18, tweede lid8.8.9, eerste lid5.7.19, eerste lid8.8.9, tweede lid5.7.19, tweede lid8.8.9, derde lidnieuw8.8.10, eerste lidnieuw8.8.10, tweede lid5.7.20, tweede lid8.8.10, derde lid5.7.20, tweede lid, onderdeel c8.8.115.7.20, eerste lidTitel 8.3 – Erkenning en uitvoering van een Europese toezichtbeslissing8.8.12, eerste lid5.7.4, eerste lid5.7.7, eerste lid8.8.12, tweede lid5.7.6, derde lid8.8.12, derde lid5.7.8, eerste lid8.8.12, vierde lid5.7.8, derde lid8.8.12, vijfde lid5.7.8, tweede lid8.8.135.7.58.8.14, eerste lid5.7.6, eerste lid8.8.14, tweede lid5.7.7, derde lid8.8.14, derde lid5.7.7, vierde lid8.8.14, vierde lid5.7.7, tweede lid8.8.15, eerste lid5.7.10, eerste en derde lid8.8.15, tweede lid5.7.10, tweede lid8.8.15, derde lid5.7.10, vierde lid8.8.15, vierde lidnieuw8.8.165.7.9, eerste lid8.8.16, tweede lid5.7.9, tweede lid8.8.16, derde lidnieuw8.8.17, eerste lid5.7.118.8.17, tweede lid5.7.11, eerste lid8.8.18, eerste lidnieuw5.7.12, eerste lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3342 8.8.18, tweede lid5.7.12, tweede lid8.8.18, derde lidnieuw8.8.195.7.138.8.20, eerste lid5.7.14, eerste lid8.8.20, tweede lid5.7.14, tweede en derde lid8.8.215.7.15Hoofdstuk 9 – Europees beschermingsbevelTitel 9.1 – Algemene bepalingen8.9.15.8.1, onderdelen a en b8.9.25.8.3, onderdeel a8.9.3nieuw8.9.45.8.2, derde lidTitel 9.2 – Uitvaardiging van een Europees beschermingsbevel8.9.5, eerste lid5.8.158.9.5, tweede lid5.8.10, eerste lid8.9.5, derde lid5.8.10, derde lid8.9.5, vierde lid5.8.10, eerste lid8.9.6, eerste lid5.8.11, eerste lid8.9.6, tweede lid5.8.11, tweede lid8.9.7, eerste lid5.8.11, derde lid8.9.7, tweede lid5.8.12, eerste lid8.9.7, derde lid5.8.12, tweede lid8.9.7, vierde lid5.8.12, derde lid8.9.7, vijfde lid5.8.12, vierde lid8.9.85.8.138.9.9, eerste lid5.8.14, eerste lid8.9.9, tweede lidnieuw8.9.9, derde lid5.8.14, vierde lid8.9.10, eerste lid5.8.2, eerste en tweede lid5.8.14, tweede lid8.9.10, tweede lid5.8.14, derde lid8.9.10, derde lid5.8.2, eerste lid8.9.11, eerste lid5.8.16, eerste lid8.9.11, tweede lid5.8.16, derde lid8.9.12, eerste lid5.8.16, eerste lid8.9.12, tweede lid5.8.16, vierde lidTitel 9.3 – Erkenning en uitvoering van Europees beschermingsbevel8.9.13, eerste lid5.8.10, tweede lid8.9.13, tweede lid5.8.4, zevende lid8.9.14, eerste lid5.8.4, eerste lid8.9.14, tweede lid5.8.4, zesde lid8.9.14, derde lid5.8.4, tweede lid8.9.14, vierde lid5.8.4, derde lid8.9.15, eerste lid5.8.38.9.15, tweede lid5.8.38.9.15, derde lid5.8.4, vijfde lid8.9.15, vierde lid5.8.4, vierde lid8.9.165.8.58.9.17, eerste lid5.8.4, eerste lid5.8.6, eerste lid8.9.17, tweede lid5.8.6, tweede lid8.9.17, derde lid5.8.6, derde lid8.9.18, eerste lid5.8.6, vierde lid8.9.18, tweede lid5.8.6, zesde lid8.9.195.8.6, vijfde lid8.9.20, eerste lid5.8.7, tweede lid8.9.20, tweede lid5.8.7, derde lid8.9.20, derde lid5.8.7, vierde lid8.9.215.8.88.9.225.8.9 Huidig naar nieuwVijfde Boek – Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerkingTitel 1 – Internationale rechtshulp in strafzakenEerste afdeling – Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken5.1.1, eerste lid8.2.15.1.1, tweede lid8.2.2, eerste lid5.1.1, derde lid8.2.2, tweede lid5.1.1, vierde lid8.2.20Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3343 Tweede afdeling – Verzoeken tot rechtshulp gericht aan het buitenland5.1.28.2.35.1.38.2.45.1.3a8.2.5Derde afdeling – Verzoeken tot rechtshulp gericht aan Nederland5.1.4, eerste lid8.2.9, eerste lid5.1.4, tweede lid8.2.10, eerste lid5.1.4, derde lid8.2.10, tweede lid5.1.4, vierde lid8.2.9, tweede lid5.1.4, vijfde lid8.2.11, eerste lid5.1.5, eerste tot en met zevende lid8.2.10, derde tot en met negende lid5.1.5, vijfde lid, derde zin8.2.11, eerste lid5.1.6, eerste lid8.2.12, eerste lid5.1.6, tweede lid8.2.11, tweede lid5.1.6, derde lid8.2.12, tweede lid5.1.7, eerste lid8.2.9, derde lid5.1.7, tweede lid8.1.38.1.45.1.7, derde lid8.1.75.1.8, eerste lid8.2.13, eerste lid5.1.8, tweede lid8.2.13, derde lid5.1.8, derde lid8.2.13, vierde lid5.1.8, vierde lid8.2.13, vijfde lid5.1.8, vijfde lid8.2.13, zesde lid5.1.8, zesde lid8.2.18, derde lid5.1.98.2.155.1.10, eerste lid8.2.18, eerste lid5.1.10, tweede lid8.2.18, tweede lid5.1.10, derde lid8.2.27, eerste lid5.1.10, vierde lid8.2.26, vierde lid8.2.27, tweede lid5.1.11, eerste lid8.2.26, eerste lid5.1.11, tweede lid8.2.26, tweede lid5.1.11, derde lid8.2.25, tweede lid5.1.11, vierde lid8.2.26, derde lid5.1.12, eerste lid8.2.16, eerste lid5.1.12, tweede lid8.2.16, tweede lid5.1.12, derde lid8.2.13, eerste en tweede lid5.1.138.2.175.1.148.2.19Vierde afdeling – Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen5.1.15, eerste lid8.2.22, eerste lid5.1.15, tweede lid8.2.22, tweede lid5.1.15, derde lid8.2.25, derde lid5.1.168.2.23Titel 2 – Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams5.2.18.3.15.2.28.3.28.3.75.2.38.3.65.2.4, eerste lid8.3.45.2.4, tweede lid8.3.5, eerste lid5.2.4, derde lid8.3.5, tweede lid8.3.88.3.95.2.5, eerste lid8.3.3, eerste lid5.2.5, tweede lid8.3.3, tweede lid5.2.5, derde lid8.3.2, eerste en derde lidTitel 3 – Overdracht en overname van strafvervolgingEerste afdeling – Overdracht van strafvervolging5.3.1, eerste lid8.4.4, tweede lid8.4.5, eerste lid8.4.7, eerste lid5.3.1, tweede lid8.4.6, eerste lid5.3.1, derde lid8.4.6, derde lid5.3.1, vierde lid8.4.6, eerste lid8.4.285.3.1, vijfde lid8.4.285.3.1, zesde lid8.4.3, eerste lid5.3.1, zevende lidniet overgenomen5.3.2, eerste lid8.4.4, eerste en tweede lid5.3.2, tweede lid8.4.4, derde lid5.3.2, derde lid8.4.7, tweede lid5.3.3, eerste lid8.4.8Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3344 5.3.3, tweede lid8.4.10, eerste lid5.3.48.4.4, vierde lid5.3.58.4.4, eerste lid8.4.5, eerste lidTweede afdeling – Overname van strafvervolging5.3.68.4.13, derde lid5.3.78.4.13, tweede lid8.4.15, eerste lid5.3.7, tweede lid8.4.15, tweede lid5.3.7, derde lid8.4.15, vijfde lid5.3.8, eerste lid8.4.13, tweede lid5.3.8, tweede lid8.4.13, tweede lid8.4.18, tweede lid5.3.9, eerste lid8.4.13, tweede lid5.3.9, tweede lid8.4.14, derde lid5.3.108.4.14, 8.4.115.3.10, tweede lid8.4.15, eerste lid5.3.10, derde lid8.4.15, derde lid5.3.10, vierde lid8.4.15, tweede lid5.3.118.4.14, tweede lid5.3.128.4.165.3.138.4.175.3.148.4.195.3.15, eerste lid8.4.205.3.15, tweede lidniet overgenomen5.3.168.4.215.3.17, eerste lid8.4.115.3.17, tweede lid8.4.125.3.188.4.225.3.198.4.24, tweede lid5.3.208.4.235.3.21, eerste lid8.4.24, eerste lid5.3.21, tweede lid8.4.25, eerste lid5.3.21, derde lid8.4.25, tweede lid5.3.228.4.27Titel 4 – Europees onderzoeksbevelEerste afdeling – Het Europees onderzoeksbevel5.4.1, eerste lid8.5.15.4.1, tweede en derde lid8.5.25.4.1, vierde lid8.5.5, eerste lidTweede afdeling – Uitvoering van een Europees onderzoeksbevel5.4.28.5.145.4.38.5.155.4.48.5.165.4.5, eerste lid8.5.17, eerste lid5.4.5, tweede lid8.5.19, eerste lid5.4.5, derde lid8.5.19, tweede lid5.4.5, vierde lid8.5.215.4.5, vijfde lid8.5.19, derde lid5.4.5, zesde lid8.5.19, vierde lid5.4.5, zevende lid8.5.19, vijfde lid5.4.68.5.185.4.7, eerste lid8.5.20, eerste lid5.4.7, tweede lid8.5.20, derde lid5.4.7, derde lid8.5.20, vierde lid5.4.7, vierde lid8.5.20, vijfde lid5.4.7, vijfde lid8.5.20, zesde lid5.4.88.5.225.4.9, eerste lid8.5.23, eerste lid5.4.9, tweede lid8.5.23, tweede lid5.4.9, derde lid8.5.23, derde en vierde lid5.4.9, vierde lid8.5.23, vijfde lid5.4.108.5.355.4.118.5.245.4.11, tweede lid8.5.24, eerste lid5.4.11, derde lid8.5.24, tweede lid5.4.12, eerste lid8.5.17, tweede lid5.4.12, tweede lid8.5.17, derde lidDerde afdeling – Nadere regeling van de uitvoering van enkele onderzoeksbevoegdheden5.4.138.5.255.4.148.5.265.4.158.5.275.4.168.5.285.4.178.5.29Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3345 5.4.188.5.305.4.198.5.31, eerste lid5.4.19, tweede lid8.5.12, tweede lid5.4.19, derde lid8.5.12, derde lid5.4.208.5.32Vierde afdeling – Uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel5.4.218.5.45.4.22, eerste lid8.5.5, eerste lid5.4.22, tweede lid8.5.5, tweede lid5.4.22, derde lid8.5.5, derde lid5.4.22, vierde lid8.5.5, vierde lid8.5.6, derde lid5.4.22, vijfde lid8.5.12, eerste lid5.4.22, zesde lid8.5.5, vijfde lid5.4.23, eerste lid8.5.6, eerste lid5.4.23, tweede lid8.5.6, tweede lid5.4.24, eerste lid8.5.13, eerste en tweede lid5.4.24, tweede lid8.5.13, derde lid5.4.258.5.75.4.268.5.85.4.278.5.95.4.28, eerste lid8.5.10, eerste lid5.4.28, tweede lid8.5.10, tweede lid5.4.28, derde lid8.5.10, derde lid5.4.28, vierde lid8.5.10, vijfde lid5.4.298.5.115.4.308.5.35.4.318.1.7Titel 5 – Europees bevriezingsbevelEerste afdeling – Bevelen uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie5.5.1, eerste lid8.7.25.5.1, tweede en derde lid8.7.85.5.2, eerste lid8.7.9, eerste lid5.5.2, tweede lid8.7.9, tweede lid5.5.2, derde lid8.7.9, derde lid5.5.2, vierde lid8.7.9, vijfde lid5.5.2, vijfde lid8.7.7, tweede lid5.5.3, eerste lid8.7.7, eerste lid5.5.3, tweede lid8.7.105.5.3, derde lid8.7.105.5.3, vierde lid8.7.7, derde en vierde lid5.5.4, eerste lid8.7.11, tweede lid5.5.4, tweede lid8.7.11, derde lid5.5.4, derde lid8.7.11,vierde lid5.5.4, vierde lid8.7.11, vijfde lid5.5.58.7.125.5.6, eerste lid8.7.17, eerste lid8.7.16, tweede lid5.5.6, tweede lid8.7.17, tweede lid5.5.78.7.135.5.88.7.14Tweede afdeling – Bevelen uitgevaardigd door Nederland5.5.9, eerste lid8.7.25.5.9, tweede lid8.7.3, eerste lid5.5.9, derde lid8.7.3, eerste lid5.5.108.7.4, eerste tot en met vierde lid5.5.11, eerste lid8.7.5, eerste lid5.5.11, tweede lid8.7.5, tweede lid5.5.11, derde lid8.7.5, eerste lid5.5.128.7.155.5.138.7.6Derde afdeling – Bevriezingsbevelen op grond van Verordening 2018/18055.5.14, onderdeel a8.6.15.5.14, onderdelen b en cniet overgenomen5.5.14, onderdeel d8.1.25.5.15, eerste lid8.6.3, eerste lid5.5.15, tweede lid8.6.5, eerste lid5.5.168.6.3, tweede lid5.5.178.6.4, eerste en tweede lid5.5.188.6.8, eerste lid5.5.19, eerste en tweede lid8.6.2, eerste lidTitel 6 – GereserveerdTitel 7 – Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevelen betreffende de voorlopigehechtenis tussen de lidstaten van de Europese UnieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3346 Eerste afdeling – Algemene bepalingen5.7.1, onderdeel a8.1.25.7.1, onderdelen b en c8.8.15.7.1, onderdelen d en eniet overgenomen5.7.2niet overgenomen5.7.38.8.25.7.4, eerste lid8.8.12, eerste lid5.7.4, tweede lid8.8.4, eerste lid5.7.4, derde lid8.8.38.8.4, derde lidTweede afdeling – Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse toezichtbeslissingen inNederland5.7.58.8.135.7.6, eerste lid8.8.14, eerste lid5.7.6, tweede lid8.8.6, eerste lid5.7.6, derde lid8.8.12, tweede lid5.7.7, eerste lid8.8.12, eerste lid5.7.7, tweede lid8.8.14, vierde lid5.7.7, derde lid8.8.14, tweede lid5.7.7, vierde lid8.8.14, derde lid5.7.8, eerste lid8.8.12, derde lid5.7.8, tweede lid8.8.12, vierde en vijfde lid5.7.8, derde lid8.8.12, derde lid5.7.9, eerste lid8.8.16, eerste lid5.7.9, tweede lid8.8.16, tweede lid5.7.10, eerste lid8.8.15, eerste lid5.7.10, tweede lid8.8.15, tweede lid5.7.10, derde lid8.8.15, eerste lid, onderdeel d5.7.10, vierde lid8.8.15, derde lid5.7.118.8.17, eerste lid5.7.12, eerste lid8.8.18, eerste lid5.7.12, tweede lid8.8.18, tweede lid5.7.138.8.195.7.14, eerste lid8.8.20, eerste lid5.7.14, tweede lid8.8.20, tweede lid5.7.14, derde lid8.8.20, tweede lid5.7.158.8.21Derde afdeling – Erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse bevelen tot schorsing van devoorlopige hechtenis in het buitenland5.7.16, eerste lid8.8.4, tweede lid5.7.16, tweede lid8.8.4, tweede lid5.7.16, derde lid8.8.4, eerste lid5.7.17, eerste lid8.8.5, tweede lid8.8.6, eerste lid5.7.17, tweede lid8.8.5, derde lid5.7.17, derde lid8.8.6, tweede lid5.7.17, vierde lid8.8.4, tweede lid5.7.17, vijfde lid8.8.6, eerste lid5.7.17, zesde lid8.8.75.7.188.8.85.7.19, eerste lid8.8.9, eerste lid5.7.19, tweede lid8.8.9, tweede lid5.7.20, eerste lid8.8.115.7.20, tweede lid8.8.10, tweede lidTitel 8 – Europees beschermingsbevelEerste afdeling – Algemene bepalingen5.8.1, onderdelen a en b8.9.15.8.1, onderdelen c tot en met fniet overgenomen5.8.1, onderdelen g tot en met i8.1.25.8.2, eerste lidniet overgenomen5.8.2, tweede lid8.9.10, eerste lid5.8.2, derde lid8.9.4Tweede afdeling – Europees beschermingsbevel uitgevaardigd door de bevoegde autoriteit vaneen andere lidstaat van de Europese Unie5.8.3, onderdeel a8.9.28.9.155.8.3, onderdeel b8.9.155.8.4, eerste lid8.9.14, eerste lid8.9.17, eerste lid5.8.4, tweede lid8.9.14, derde lid5.8.4, derde lid8.9.14, vierde lid5.8.4, vierde lid8.9.15, vierde lid5.8.4, vijfde lid8.9.15, derde lid5.8.4, zesde lid8.9.14, tweede lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3347 5.8.4, zevende lid8.9.13, tweede lid5.8.58.9.165.8.6, eerste lid8.9.17, eerste lid5.8.6, tweede lid8.9.17, tweede lid5.8.6, derde lid8.9.17, derde lid5.8.6, vierde lid8.9.18, eerste lid5.8.6, vijfde lid8.9.195.8.6, zesde lid8.9.18, tweede lid5.8.7, eerste lidniet overgenomen5.8.7, tweede lid8.9.20, eerste lid5.8.7, derde lid8.9.20, tweede lid5.8.7, vierde lid8.9.20, derde lid5.8.88.9.215.8.98.9.22Derde afdeling – Europees beschermingsbevel uitgevaardigd door de bevoegde autoriteit vanNederland5.8.10, eerste lid8.9.5, tweede lid5.8.10, tweede lid8.9.13, eerste lid5.8.10, derde lid8.9.5, derde lid5.8.11, eerste lid8.9.6, eerste lid5.8.11, tweede lid8.9.6, tweede lid5.8.11, derde lid8.9.7, eerste lid5.8.12, eerste lid8.9.7, tweede lid5.8.12, tweede lid8.9.7, derde lid5.8.12, derde lid8.9.7, vierde lid5.8.12, vierde lid8.9.7, vijfde lid5.8.138.9.85.8.14, eerste lid8.9.9, eerste lid8.9.105.8.14, tweede lid8.9.10, eerste lid5.8.14, derde lid8.9.10, tweede lid5.8.14, vierde lid8.9.9, derde lid5.8.158.9.5, eerste lid5.8.16, eerste lid8.9.11, eerste lid8.9.12 eerste lid5.8.16, tweede lidniet overgenomen5.8.16, derde lid8.9.11, tweede lid5.8.16, vierde lid8.9.12, tweede lid5.8.178.1.7Boek 6 – TenuitvoerleggingHoofdstuk 1 – Algemene bepalingenEerste titel – Taken en bevoegdheden6:1:1, eerste lid1.10.16:1:1, tweede lid7.1.1, eerste lid6:1:1, derde lid7.1.1, tweede lid6:1:21.10.2, eerste lid6:1:31.10.36:1:41.10.46:1:5, eerste lid1.10.5, eerste lid6:1:5, tweede lid1.10.5, tweede lid6:1:5, derde lidniet overgenomen6:1:5, vierde lid1.10.5, derde lid6:1:6, eerste lid7.1.14, eerste lid6:1:6, tweede lid7.1.14, tweede lid6:1:6, derde lid, eerste zin7.1.14, derde lid6:1:6, derde lid, tweede zin7.1.16, tweede lid6:1:6, vierde lidniet overgenomen6:1:7, eerste lid7.1.15, eerste lid6:1:7, tweede lid7.1.15, tweede lid6:1:87.1.16, eerste lid6:1:91.10.6, eerste lid6:1:107.1.26:1:117.5.96:1:121.10.106:1:137.5.226:1:14, eerste lid7.7.16:1:14, tweede lid7.7.26:1:15, eerste lid, eerste zin1.10.11, eerste lid6:1:15, eerste lid, onderdeel a7.1.196:1:15, eerste lid, onderdeel b7.2.46:1:15, eerste lid, onderdeel cniet overgenomen6:1:15, tweede lid1.10.11, tweede lid6:1:15, derde lid7.2.46:1:15, vierde lid1.10.11, derde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3348 Tweede titel – Aanvang, schorsing, beëindiging en tenuitvoerleggingstermijn6:1:16, eerste lid1.10.2, tweede lid6:1:16, tweede lid7.1.4, eerste lid6:1:16, derde lid7.1.4, tweede lid6:1:16, vierde lid7.1.4, derde lid6:1:17, eerste lid7.1.5, eerste lid6:1:17, tweede lid7.1.5, tweede lid6:1:17, derde lid3.3.1, vijfde lid6:1:18, eerste lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:1:18, tweede lid7.3.10, tweede en derde lid6:1:18, derde lid7.3.10, vierde lid6:1:19naar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:1:20naar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:1:217.1.66:1:227.1.76:1:23, eerste lid7.1.8, eerste lid6:1:23, tweede lid7.1.8, derde lid6:1:23, derde lid7.1.8, tweede lid6:1:23, vierde lid7.1.8, vierde lid6:1:23, vijfde lidnaar de Wet overdracht tenuitvoerleggingstrafvonnissen (via de invoeringswet)6:1:23, zesde lidnaar de Wet overdracht tenuitvoerleggingstrafvonnissen (via de invoeringswet)6:1:23, zevende lid7.1.8, vijfde lid6:1:23, achtste lid7.1.8, zesde lid6:1:248.4.8, tweede lid8.4.9Derde titel – Toezicht op de tenuitvoerlegging6:1:25, eerste lid7.7.76:1:25, tweede lidnaar Boek 6, Titel 1.1 (via een aanvullingswet)Hoofdstuk 2 – Vrijheidsbenemende straffen en maatregelenEerste titel – Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling6:2:17.1.176:2:27.3.16:2:3, eerste lid7.1.9, eerste lid6:2:3, tweede lidniet overgenomen6:2:3, derde lid7.1.9, tweede lid6:2:3, vierde lid7.1.9, derde lid6:2:3, vijfde lid7.1.9, vierde lid6:2:4, eerste lid7.3.4, eerste tot en met derde lid6:2:4, tweede lid7.3.4, vijfde lid6:2:57.1.186:2:67.3.26:2:7, eerste lid7.3.36:2:7, tweede lid7.3.7, derde lid6:2:8, eerste lid7.3.5, eerste lid6:2:8, tweede lid7.3.5, tweede lid6:2:8, derde lid7.3.5, vierde lid6:2:8, vierde lid7.3.146:2:8, vijfde lidniet overgenomen6:2:8, zesde lid7.3.5, eerste en tweede lid6:2:9, eerste lid7.1.197.3.6, eerste lid6:2:9, tweede lid7.3.6, eerste lid6:2:9, derde lid7.3.6, tweede lid6:2:9, vierde lid7.3.6, derde lidTweede titel – Voorwaardelijke invrijheidstelling6:2:10, eerste lid7.3.7, eerste lid6:2:10, tweede lid7.3.7, tweede lid6:2:10, derde lid7.3.7, vierde lid6:2:10, vierde lidnaar de Wet overdracht tenuitvoerleggingstrafvonnissen en de Wet wederzijdseerkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbene-mende en voorwaardelijke sancties (via deinvoeringswet)6:2:10, vijfde lid7.1.18, eerste lid6:2:11, eerste lid7.3.9, eerste lid6:2:11, tweede lid7.3.9, vierde lid6:2:11, derde lid7.3.9, tweede lid6:2:11, vierde lid7.3.9, vijfde lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3349 6:2:12, eerste lid7.3.7, eerste lid7.3.8, eerste lid7.3.9, zesde lid7.3.116:2:12, tweede lid7.3.7, vijfde lid7.3.11, zesde lid6:2:137.3.86:2:13a, eerste lid7.3.11, eerste lid6:2:13a, tweede lid7.3.11, tweede lid6:2:13a, derde lid7.3.11, derde lid6:2:13a, vierde lid7.3.11, vijfde lid6:2:13b, eerste lid7.2.2, eerste en tweede lid6:2:13b, tweede lid7.3.11, vierde lid6:2:13b, derde lid7.3.12, eerste en tweede lid6:2:13b, vierde lid7.3.12, derde lid6:2:13b, vijfde lid7.3.12, vierde lid6:2:13cniet overgenomen6:2:147.3.13Derde titel – Verpleging van overheidswege en terbeschikkingstelling6:2:167.4.16:2:17, eerste lid7.4.6, eerste lid6:2:17, tweede lid7.4.6, tweede lid6:2:17, derde lid7.4.9, onderdeel a6:2:18, eerste lid7.4.10, eerste lid6:2:18, tweede lid7.4.10, tweede lid6:2:18, derde lid7.4.10, derde lid6:2:18, vierde lid7.4.10, vierde lid6:2:18, vijfde lid7.4.14, eerste en tweede lid6:2:18, zesde lid7.4.14, derde lidVierde titel – Inrichting voor stelselmatige daders6:2:19, eerste lidniet overgenomen6:2:19, tweede lid7.6.8, vierde lid6:2:207.6.106:2:217.6.11Vijfde titel – Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen6:2:22, eerste lid, eerste en tweede zinnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:2:22, eerste lid, derde zin7.7.17, onderdeel a6:2:22, tweede lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:2:22, derde lid7.7.12Hoofdstuk 3 – Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaardenEerste titel – Taakstraffen6:3:17.6.16:3:27.6.36:3:37.6.46:3:47.6.5, eerste lid6:3:57.6.66:3:67.6.7Tweede titel – Gedragsaanwijzingen6:3:7, eerste lid3.3.6, derde lid6:3:7, tweede lid7.5.14Derde titel – Jeugdtaakstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel6:3:87.7.216:3:9, eerste lid, eerste tot en met derde zin7.7.226:3:9, eerste lid, vierde zinniet overgenomen6:3:9, tweede lid7.7.206:3:10, eerste lid7.7.23, eerste lid6:3:10, tweede lid7.7.23, tweede lid6:3:10, derde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:3:10, vierde lid7.7.23, derde lid6:3:117.7.206:3:12, eerste lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:3:12, tweede lid7.7.24, eerste lid6:3:12, derde lid, eerste zin7.7.24, tweede lid6:3:12, derde lid, tweede en derde zinniet overgenomen6:3:12, derde lid, vierde zin7.7.24, derde lid6:3:12, vierde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:3:13, eerste lid7.7.4, tweede lid6:3:13, tweede lid7.7.4, eerste lidVierde titel – Toezicht en aanhoudingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3350 6:3:14, eerste lid7.2.1, eerste lid6:3:14, tweede lid7.2.1, tweede lid6:3:14, derde lid7.2.1, vierde en vijfde lid6:3:14, vierde lid7.2.1, zesde lid6:3:14, vijfde lid1.10.8, tweede lid6:3:15, eerste lid7.7.2, eerste lid6:3:15, tweede lid7.2.2, tweede lid6:3:15, derde lid7.1.36:3:15, vierde lid7.2.2, vierde lidHoofdstuk 4 – Geldelijke straffen en maatregelenEerste titel – Inning van geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen6:4:1, eerste lid7.5.1, tweede lid6:4:1, tweede lid7.5.1, derde lid6:4:2, eerste lid7.5.2, eerste lid6:4:2, tweede lid7.5.2, tweede lid6:4:2, derde lid7.5.1, vierde lid6:4:2, vierde lid7.5.2, derde lid6:4:2, vijfde lid7.5.2, vierde lid6:4:2, zesde lid7.5.2, vijfde lid6:4:2, zevende lid, eerste zin7.5.2, vierde lid6:4:2, zevende lid, tweede en derde zin7.5.36:4:3, eerste lid7.5.4, eerste lid6:4:3, tweede lid7.5.6, derde lid6:4:3, derde lid7.5.4, tweede lid6:4:3, vierde lid7.5.8, eerste lid6:4:3, vijfde lid7.5.8, tweede lid6:4:3, zesde lid7.5.4, derde lid6:4:4, eerste lid7.5.5, eerste lid6:4:4, tweede lid7.5.5, tweede lid6:4:4, derde lid7.5.256:4:5, eerste lid7.5.6, eerste lid6:4:5, tweede lid7.5.6, tweede lid6:4:5, derde lid7.5.237.5.246:4:5, vierde lid7.5.256:4:5, vijfde lid7.5.4, vierde lid6:4:6, eerste lid7.5.7, eerste lid6:4:6, tweede lid7.5.7, derde lid6:4:6, derde lid7.5.7, vierde lid6:4:6, vierde lid7.5.7, vijfde lid6:4:6, vijfde lid7.5.7, zesde lid6:4:6, zesde lid7.5.266:4:6, zevende lid7.5.46:4;6, achtste lid7.5.7, tweede lid6:4:7, eerste lid7.5.8, eerste en derde lid6:4:7, tweede lid7.5.8, vierde lid6:4:7, derde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:4:8, eerste lid7.5.10, eerste lid6:4:8, tweede lid7.5.10, tweede lid6:4:8, derde lid7.5.10, tweede lidTweede titel – Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel6:4:97.5.116:4:18, eerste lid4.4.24, eerste lid6:4:18, tweede lid7.5.136:4:18, derde lid7.5.136:4:197.5.15Derde titel – Bevel gijzeling6:4:207.5.20Vierde titel – Storting waarborgsom6:4:21, eerste lid7.2.5, eerste en vierde lid6:4:21, tweede lid7.2.5, tweede lid6:4:21, derde lid7.2.5, derde lidVijfde titel – Onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde6:4:22, eerste lid7.5.16, eerste lid6:4:22, tweede lid7.5.16, tweede lid6:4:22, derde lidniet overgenomen6:4:22, vierde lid7.5.16, derde lid6:4:22, vijfde lid7.5.16, vierde lid6:4:22, zesde lidniet overgenomen6:4:22, zevende lid7.5.16, vijfde lid6:4:22, achtste lid7.5.19, eerste lid6:4:22, negende lid7.5.19, tweede lid6:4:237.5.18Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3351 6:4:247.5.176:4:257.5.176:4:267.5.176:4:277.5.176:4:287.5.176:4:29, eerste lid7.5.19, derde lid6:4:29, tweede lidniet overgenomenHoofdstuk 5 – Bijkomende straffen6:5:1, eerste lid7.6.19, eerste lid6:5:1, tweede lid7.6.19, eerste lid6:5:1, derde lid7.6.19, tweede lid6:5:27.6.187.6.19, eerste lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:5:37.6.20Hoofdstuk 6 – Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerleggingEerste titel – Algemeen6:6:1, eerste lid7.1.20, eerste en derde lid6:6:1, tweede lidniet overgenomen6:6:1, derde lid7.1.20, tweede lid6:6:1, vierde lid7.1.20, vierde lid6:6:1, vijfde lid7.1.22, eerste lid6:6:1, zesde lid7.1.36:6:1, zevende lidniet overgenomen6:6:27.1.21, zesde lid6:6:3, eerste liddeels niet overgenomen7.1.22, tweede lid6:6:3, tweede lid7.1.22, derde lid6:6:3, derde lid7.1.21, tweede lid6:6:3, vierde lid7.1.22, vierde lid6:6:3, vijfde lid7.1.22, vijfde en zesde lid6:6:3, zesde lid7.7.36:6:4, eerste lidniet overgenomen6:6:4, tweede lidniet overgenomen6:6:4, derde lid7.1.23, eerste lid6:6:4, vierde lidgrotendeels niet overgenomen7.1.24, eerste lid6:6:4, vijfde lidniet overgenomen6:6:4, zesde lid7.1.23, tweede lid6:6:5, eerste lidniet overgenomen6:6:5, tweede lid7.1.24, tweede lid6:6:5, derde lid7.1.24, derde lid6:6:6naar Boek 5 (via een aanvullingswet)6:6:7niet overgenomenTweede titel – Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen6:6:8, eerste lid7.3.15, eerste lid6:6:8, tweede lid7.3.15, tweede lid6:6:8, derde lid, eerste en tweede zin7.3.15, derde lid6:6:8, derde lid, derde zin7.1.20, tweede lid6:6:8, vierde lidniet overgenomen6:6:9, eerste lid7.3.15, derde lid6:6:9, tweede lidniet overgenomen6:6:9, derde lid7.3.15, vijfde lid6:6:10, eerste lid, onderdelen a en b7.4.3, eerste lid6:6:10, eerste lid, onderdeel c7.4.5, eerste lid6:6:10, eerste lid, onderdelen a, c, d, e, f7.4.76:6:10, tweede lid7.4.5, derde lid6:6:10, derde lid7.4.5, tweede lid6:6:10, vierde lid7.4.8, vijfde lid6:6:10a, eerste lid7.2.3, eerste lid, onderdeel e6:6:10a, tweede lid7.2.3, eerste lid, onderdeel e6:6:10a, derde lid7.2.3, derde en zevende lid6:6:10a, vierde lid7.2.3, zesde lid6:6:10b, eerste lid7.4.116:6:10b, tweede lid7.4.12, eerste, tweede, zesde en zevende lid6:6:10b, derde lid7.4.96:6:11, eerste lid7.4.3, tweede lid6:6:11, tweede lid7.4.3, derde lid6:6:11, derde lid7.4.3, vierde lid6:6:11, vierde lid7.4.3, zesde lid6:6:11, vijfde lid7.2.3, eerste lid7.4.3, vijfde lid6:6:11, zesde lid7.2.3, eerste lid, onderdeel cTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3352 6:6:11, zevende lid7.2.3, derde lid6:6:11, achtste lid7.2.3, derde lid6:6:11, negende lid7.2.3, zevende lid6:6:12, eerste lid7.4.4, eerste lid6:6:12, tweede lid7.4.4, tweede lid6:6:12, derde lid7.4.4, derde lid6:6:12, vierde lid7.4.4, vierde lid6:6:12, vijfde lid7.4.12, tweede lid6:6:12, zesde lid7.4.4, vijfde lid6:6:13, eerste lid7.4.8, eerste lid6:6:13, tweede lid7.4.8, tweede lid6:6:13, derde lid7.4.8, derde lid6:6:13, vierde lidniet overgenomen6:6:13, vijfde lid7.4.8, vierde lid6:6:13, zesde lid7.4.8, vierde lid6:6:147.6.96:6:15, eerste lid, onderdelen a tot en met d7.4.13, eerste lid6:6:15, eerste lid, onderdeel e7.6.22, eerste lid6:6:15, tweede lid7.4.13, tweede lid7.6.22, tweede lid6:6:15, derde en vierde lidniet overgenomen6:6:16, eerste lid7.4.13, derde lid7.6.22, derde lid6:6:16, tweede lid7.4.13, vierde lid7.6.22, vierde lid6:6:177.4.13, zesde lid7.6.22, vijfde lid6:6:187.4.2Derde titel – Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden6:6:19, eerste lid7.2.6, eerste lid6:6:19, tweede lid7.2.6, tweede lid7.7.5, onderdeel d6:6:19, derde lid7.4.7, eerste lid6:6:19, vierde lid7.2.6, derde lid6:6:20, eerste lid, onderdelen a en b7.2.3, eerste lid, onderdelen a en f7.7.66:6:20, eerste lid, onderdeel c7.7.66:6:20, tweede lid, eerste zin7.7.2, eerste lid6:6:20, tweede lid, tweede zin7.2.3, tweede lid6:6:20, derde lid7.2.3, derde lid6:6:20, vierde lid7.2.3, derde lid6:6:20, vijfde lid7.2.3, zevende lid6:6:20, zesde lid7.2.3, vierde lid6:6:20, zevende lid7.2.3, vijfde lid6:6:21, eerste lid7.2.7, eerste lid6:6:21, tweede lid7.2.7, vijfde lid6:6:21, derde lid7.2.7, tweede lid6:6:21, vierde lid7.2.7, derde lid6:6:21, vijfde lidniet overgenomen6:6:21, zesde lid7.2.7, vierde lid6:6:21, zevende lid7.2.7, zesde lid6:6:21, achtste lidniet overgenomen6:6:22, eerste lid, onderdeel a7.2.9, eerste lid7.7.30, eerste lid6:6:22, eerste lid, onderdeel bniet overgenomen6:6:22, tweede lid7.2.9, derde lid7.7.30, tweede lid6:6:22, derde lid7.2.9, tweede en vierde lid7.7.30, tweede lid6:6:22aniet overgenomen6:6:23, eerste lid7.6.21, eerste en tweede lid7.7.32, eerste lid6:6:23, tweede lid7.6.21, derde lid7.7.32, tweede lid6:6:23a17.6.126:6:23a7.6.136:6:23b, eerste lid7.6.14, eerste lid6:6:23b, tweede lid7.6.14, tweede lid6:6:23b, derde lid7.6.14, vierde lid6:6:23b, vierde lid7.6.14, vijfde lid6:6:23b, vijfde lid7.6.14, zesde lid6:6:23b, zesde lidgrotendeels niet overgenomen7.6.14, zevende lid6:6:23c, eerste lid7.6.15, eerste lidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3353 6:6:23c, tweede lid7.6.15, tweede lid6:6:23c, derde lid7.6.15, derde lid6:6:23c, vierde lid7.6.14, zesde lid6:6:23d7.6.166:6:23e7.6.176:6:23f, eerste lid7.6.23, tweede lid6:6:23f, tweede lid7.6.23, derde lid6:6:23f, derde lid7.6.14, achtste lid7.6.15, derde lid7.6.16, tweede lid6:6:247.5.28Vierde titel – Geldelijke straffen en maatregelen6:6:25, eerste lid7.5.21, eerste lid6:6:25, tweede lid7.5.21, tweede en derde lid6:6:25, derde lid7.5.21, vierde lid6:6:25, vierde lid7.5.21, vijfde lid6:6:25, vijfde lid7.5.21, vijfde lid6:6:25, zesde lid7.5.21, zesde lid6:6:25, zevende lid7.5.21, zesde lid6:6:25, achtste lid7.5.21, zesde lid6:6:26, eerste lid7.5.12, eerste lid6:6:26, tweede lid7.5.12, vijfde lid6:6:26, derde lid7.5.12, derde lid6:6:26, vierde lid7.5.12, tweede lid6:6:26, vijfde lid7.5.12, vierde lid6:6:27, eerste lid7.5.27, eerste en derde lid6:6:27, tweede lid7.5.27, tweede lid6:6:27, derde lid7.5.27, vierde lid6:6:27, vierde lidniet overgenomenVijfde titel – Jeugd6:6:287.7.96:6:297.7.106:6:30, eerste lid7.7.19, eerste lid6:6:30, tweede lid7.7.19, tweede lid6:6:30, derde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:30, vierde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:30, vijfde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:30a7.7.186:6:31, eerste lid, eerste zinnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:31, eerste lid, tweede en derde zin7.7.13, tweede lid6:6:31, tweede lid, eerste, tweede en vierde zinnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:31, tweede lid, derde zinniet overgenomen6:6:31, tweede lid, vijfde zin7.7.13, vierde lid6:6:31, derde lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:31, vierde lidnaar 1.2.13, eerste lid (via een aanvullingswet)6:6:31, vijfde lid7.7.13, derde lid6:6:31, zesde lid7.7.13, derde lid6:6:31, zevende lid7.1.1, tweede lid6:6:32, eerste lid, eerste zinnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:32, eerste lid, tweede tot en met vierde zin7.7.14, eerste lid6:6:32, tweede lidnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:32, derde lid, onderdelen a en b7.7.14, tweede lid6:6:32, derde lid, onderdeel c7.7.15, eerste lid6:6:32, vierde lid7.7.15, tweede lid6:6:32, vijfde lid7.7.14, derde lid6:6:32, zesde lid7.7.56:6:32, zevende lidniet overgenomen6:6:32, achtste lid7.7.66:6:33, eerste lid7.7.16, eerste lid6:6:33, tweede lid7.7.16, vierde lid6:6:33, derde lid7.7.17, onderdeel b6:6:33, vierde lid7.7.16, derde lid6:6:33, vijfde lid7.7.16, tweede lid6:6:33, zesde lid7.7.16, derde lid6:6:347.7.256:6:35, eerste lidniet overgenomenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3354 6:6:35, tweede lidniet overgenomen6:6:35, derde lid7.7.66:6:35, vierde lid7.7.26, eerste lid6:6:35, vijfde lid7.7.26, tweede en derde lid6:6:36, eerste lid, eerste zinnaar het Wetboek van Strafrecht (via deinvoeringswet)6:6:36, eerste lid, tweede zin7.7.27, tweede lid6:6:36, tweede lid7.7.27, tweede lid6:6:36, derde lid7.7.27, derde lid6:6:36, vierde lid7.7.27, vierde lid6:6:36, vijfde lidniet overgenomen6:6:37, eerste lid7.7.3, eerste en tweede lid6:6:37, tweede lid7.7.33, eerste lid6:6:37, derde lid7.7.33, tweede lidHoofdstuk 7 – Gratie6:7:1naar de Gratiewet (via de invoeringswet)6:7:27.1.106:7:37.1.116:7:4, eerste lid7.1.12, eerste lid6:7:4, tweede lid7.1.12, tweede lid6:7:4, derde lid, eerste zinniet overgenomen6:7:4, derde lid, tweede zin7.1.12, eerste lid6:7:4, vierde lidniet overgenomen6:7:5naar de Gratiewet (via de invoeringswet)6:7:6naar de Gratiewet (via de invoeringswet)6:7:7naar de Gratiewet (via de invoeringswet)6:7:87.1.13 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 3355

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 7fcdea7009f3c0be

14 okt 2026 · 32df62f79a8691c1

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.