KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

20 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f6bf4627c4f196b7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 793Wijziging van de Wet luchtvaart in verband metde bevoegdheidsverdeling voor buitenlandseluchthavensNr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 24 februari 2026 Deze nota is vastgesteld en ingediend mede namens de Staatssecretarisvan Defensie.Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vastecommissie van Infrastructuur en Waterstaat van 14 januari 2026 metbetrekking tot het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties vanD66 en PVV hebben nog enkele vragen en opmerkingen. In het navol-gende ga ik in op de vragen en opmerkingen uit het verslag, waarbij devolgorde van het verslag is aangehouden.InleidingDe leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan toelichten hoewordt geborgd dat Nederlandse nationale veiligheidsbelangen altijdprevaleren boven buitenlandse of bondgenootschappelijke operationelebelangen, bijvoorbeeld bij NAVO-activiteiten.Primair heeft dit wetsvoorstel geen betrekking op de verhouding tussenNederlandse nationale veiligheidsbelangen en buitenlandse of bondge-nootschappelijke operationele belangen. Dit wetsvoorstel betreft slechtseen wijziging van de bevoegdheidsverdeling tussen de Ministers vanInfrastructuur en Waterstaat en Defensie ten aanzien van de gevolgen vanbuitenlandse luchthavens voor de ruimtelijke ordening op Nederlandsgrondgebied. Deze worden in lijn gebracht met de bevoegdheidsverdelingzoals deze al geldt voor de nationale luchthavens.Nederland onderhoudt een goede relatie met haar buurlanden en maaktonderdeel uit van de NAVO. De operationele belangen van onze bondge-noten en de NAVO staan ten dienste van de Nederlandse nationaleveiligheid. kst-36793-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 793, nr. 61 AanleidingDe leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan garanderen dat desamenloop tussen de Wet luchtvaart en de Omgevingswet niet leidt totonduidelijkheid over verantwoordelijkheden, handhaving en aanspreek-punten voor provincies en gemeenten in grensregio’s.In de memorie van toelichting is vermeld dat het wetsvoorstel slechts eenwijziging van de bevoegdheidsverdeling tussen de Minister van Infra-structuur en Waterstaat en de Minister van Defensie beoogt. Een besluitbeperkingengebied voor de buitenlandse militaire luchthaven Geilen-kirchen zal in eerste instantie ook binnen de kaders van de Wet luchtvaartworden vastgesteld. De regels die binnen het vast te stellen beperkingen-gebied gaan gelden, zullen op enig moment overgaan naar het krachtensde Omgevingswet vastgestelde Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit zal tezijner tijd uiteraard mede in overleg met de betrokken decentraleoverheden plaatsvinden. Overigens is per 1 juli 2024 het besluit beperkin-gengebied voor de buitenlandse burgerlijke luchthaven Weeze in werkinggetreden1. Er zijn geen signalen dat de vaststelling van dit besluit heeftgeleid tot onduidelijkheden bij de betrokken decentrale overheden.Inhoud wetsvoorstelDe leden van de D66-fractie constateren dat in artikel 8a.58 wordtopgenomen dat de Minister van Defensie in het geval van een buiten-landse militaire luchthaven een verklaring van geen bezwaar kanverlenen. Momenteel is dit nog de Minister van Infrastructuur enWaterstaat (IenW) in overeenstemming met de Minister van Defensie.Deze leden vragen waarom de regering niet gekozen heeft voor eenvariant waarin de Minister van Defensie dit kan doen in overeenstemmingmet de Minister van IenW.Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de bevoegdheden van deMinister van Infrastructuur en Waterstaat en van de Minister van Defensieten aanzien van de gevolgen van buitenlandse luchthavens voor deruimtelijke ordening op Nederlands grondgebied in lijn worden gebrachtmet de bevoegdheidsverdeling zoals deze al geldt voor de nationaleluchthavens. Op grond van hoofdstuk 10 van de Wet luchtvaart is deMinister van Defensie verantwoordelijk voor militaire luchthavens. Deverantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaatvoor de luchthaven Schiphol en de luchthavens van nationale betekenis isgeregeld in hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. In hoofdstuk 10 is slechtsin een incidenteel geval bepaald dat het aanwenden van een bevoegdheidvan de Minister van Defensie ten aanzien van militaire luchthavensplaatsvindt in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur enWaterstaat. Dit is het geval bij het vaststellen van meet- en rekenvoor-schriften over geluidbelasting2. Dit komt voort uit de wens dat ten aanzienvan dergelijke voorschriften zoveel mogelijk dezelfde regels voorburgerluchthavens en militaire luchthavens worden vastgesteld. Gelethierop ligt het verlenen van een verklaring van geen bezwaar door deMinister van Defensie in overeenstemming met de Minister van Infra-structuur en Waterstaat, naar het oordeel van de regering, niet voor dehand.1Staatsblad 2024, 57.2Artikel 10.12, derde lid, van de Wet luchtvaart. Een dergelijke regeling kan naast voorschriftenover de geluidbelasting tevens meet- en rekenvoorschriften inhouden over het externe-veiligheidsrisico.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 793, nr. 62 De leden van de D66-fractie constateren dat in artikel 8a.59 wordtopgenomen dat de Minister van Defensie ten aanzien van buitenlandsemilitaire luchthavens regels over de wijze van meten en berekenen vangeluidbelasting vaststelt. Deze leden vragen waarom de regeringvoornemens is om in geval van militaire luchthavens de manier vanmeten en berekenen van geluidsbelasting op een andere manier in terichten. Ook vragen deze leden of de regering op dit punt heeftoverwogen om te kiezen voor een variant waarin de Minister van Defensiedit kan doen in overeenstemming met de Minister van IenW.Zoals blijkt uit de beantwoording van de vorige vraag is het uitgangspuntvan het wetsvoorstel dat de bevoegdheden van de Minister van Defensieten aanzien van de gevolgen van buitenlandse militaire luchthavens voorde ruimtelijke ordening op Nederlands grondgebied in lijn wordengebracht met de bevoegdheden die de Minister op grond vanhoofdstuk 10 van het Wet luchtvaart al heeft ten aanzien van militaireluchthavens op Nederlands grondgebied. Eén van die bevoegdheden ishet vaststellen van reken- en meetvoorschriften over geluidbelasting inovereenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat3.Artikel I, onderdeel C, van het wetsvoorstel stelt voor dat de Minister vanDefensie eenzelfde bevoegdheid krijgt ten aanzien van het vaststellen vandergelijke regels ten aanzien van buitenlandse militaire luchthavens. Inhet voorgestelde artikelonderdeel is expliciet opgenomen dat ook dezeregels worden vastgesteld in overeenstemming met de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat.De leden van de PVV-fractie vragen of de regering enkele praktijkvoor-beelden kan geven van situaties waarbij zelfstandige beslissingsbe-voegdheid van de Minister van Defensie de noodzaak heeft, evenalsvoorbeelden van situaties waarbij het essentieel is dat andere Ministersvia overleg- of instemmingsconstructies zijn betrokken.De luchtvaartwetgeving kent van oudsher een duidelijke taakverdelingtussen twee Ministers: de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voorde burgerluchtvaart en de algemene luchtverkeersveiligheid, en deMinister van Defensie voor de militaire luchtvaart. Deze systematiek is ookin dit wetsvoorstel doorgetrokken.Nederland oefent als NAVO-bondgenoot via overleg met de NAVO en deoverige partners in het AWACS-programma invloed uit. Binnen deRijksoverheid is het Ministerie van Defensie verantwoordelijk voor decontacten met de NAVO over vliegbasis Geilenkirchen. Voor militaireluchthavens gelden, net als op het gebied van materieel, personeel en hetvervoer van gevaarlijke stoffen, specifieke en veelal in NAVO-kaderovereengekomen voorschriften die niet van toepassing zijn op deburgerluchtvaart.De wetswijziging kent de Minister van Defensie de exclusievebevoegdheid toe om een Commissie Regionaal Overleg (CRO) in testellen. Dit is een concreet voorbeeld waar de exclusieve bevoegdheid vande Minister van Defensie doelmatig is. Defensie is de directe gespreks-partner van zowel lokale overheden als de NAVO en is daardoor in staatom de juiste partijen aan tafel brengen. Een aanvullende rol voor deMinister van Infrastructuur en Waterstaat is in dit verband niet nodig.Tegelijkertijd blijft er sprake van gezamenlijke bevoegdheden waar datinhoudelijk wenselijk is. Bij het vaststellen van de ministeriële regelingvoor het meten, berekenen en registreren van de geluidsbelasting van3Zie vorige voetnoot.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 793, nr. 63 buitenlandse militaire luchthavens (onder meer artikel 8a.59) blijft – zoalsook blijkt uit de beantwoording van de vorige vraag – overeenstemmingtussen de Ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat vereist.Hiermee wordt geborgd dat de geluidsregels voor burgerluchthavens enmilitaire luchthavens zo veel mogelijk op elkaar aansluiten.De leden van de PVV-fractie begrijpen het belang van militaire vertrouwe-lijkheid, maar zij vragen hoe wordt voorkomen dat het niet openbaarmaken van gegevens leidt tot structureel gebrek aan transparantie richtingomwonenden, gemeenten en provincies.Het Ministerie van Defensie beseft dat militair vliegverkeer invloed kanhebben op de leefomgeving. Daarom is het Ministerie van Defensietransparant over militair vliegverkeer waar dat wél kan. Zo wordt er doorhet Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) in opdracht van hetMinisterie van Defensie jaarlijks een rapportage uitgebracht over degeluidsbelasting door vliegverkeer van en naar de AWACS-vliegbasisGeilenkirchen over Nederlands grondgebied. De rapportage geeft onderandere inzicht in het aantal en soort vliegtuigbewegingen en of dehiermee samenhangende geluidbelasting binnen de wettelijk vastgelegdegeluidszone is gebleven. Deze jaarlijkse rapportages worden gedeeld enbesproken met belanghebbenden.In aanvulling op de jaarlijkse NLR-rapportage is er vanaf 2007 opNederlands grondgebied nabij de AWACS-vliegbasis Geilenkirchen ookeen meetnet ingericht. Dit vanwege de behoefte van de regio om degeluidbelasting van het overvliegend vliegverkeer van deze basis temonitoren met metingen en hierover de omgeving te informeren. HetMinisterie van Defensie draagt bij aan de kosten van het meetnet. Dejaarlijkse rapportages van het meetnet worden door de betrokkengemeenten gedeeld en besproken met het Ministerie van Defensie enandere belanghebbenden.Het Ministerie van Defensie zal de jaarlijkse NLR-rapportages en debijdrage aan het meetnet ook na de invoering van de wetswijzigingcontinueren. De externe informatievoorziening over de geluidbelastingvan het vliegverkeer van de AWACS-basis Geilenkirchen blijft hiermeeongewijzigd.GevolgenDe leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan toelichten waaromgeen enkele verbetering wordt aangebracht in de rechtspositie vanomwonenden van buitenlandse militaire luchthavens, terwijl zij welblijvend worden geconfronteerd met geluidsoverlast, veiligheidsrisico’sen mogelijke schade.De voorgestelde wetswijziging ziet uitsluitend op de bevoegdheidsver-deling tussen de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Ministervan Defensie. De wetswijziging raakt daarmee nadrukkelijk niet aan derechtspositie van omwonenden van buitenlandse militaire luchthavens.Daarbij merk ik op dat in de afgelopen jaren het aantal vliegtuigbewe-gingen van de AWACS-vliegbasis Geilenkirchen over Nederlandsgrondgebied sterk is afgenomen door afspraken met de NAVO.TotstandkomingsprocedureDe leden van de D66-fractie constateren dat de regering heeft besloten bijdit wetsvoorstel af te zien van een uitvoerings- en handhavingstoets doorde Inspectie Leefomgeving en Transport en Militaire Luchtvaart Autoriteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 793, nr. 64 Deze leden vragen of de regering bereid is om hen om een algemenezienswijze te vragen over het wetsvoorstel en deze voor de behandeling inde Tweede Kamer aan de Kamer toe te zenden.In het voortraject is een concept van het wetsvoorstel toegezonden aan deInspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Militaire LuchtvaartAutoriteit (MLA). Zowel de ILT als de MLA heeft besloten dat het conceptvoor hen geen aanleiding gaf om een uitvoerings- en handhavingstoetsuit te voeren. Gelet hierop is in paragraaf 6 van de memorie vantoelichting vermeld dat in overleg met de ILT en de MLA geen uitvoerings-en handhavingstoets is uitgevoerd. Dit betrof dus geen eenzijdigebeslissing van de zijde van de regering.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,R. TiemanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 793, nr. 65

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 9f863f074d57fc3e

14 okt 2026 · edaacc724bc7c7c6

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.