KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beleidsbrief vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap

14 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie fecc902d6486421b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleid31 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 1185 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 maart 2025In deze brief kunt u lezen hoe ik mij in deze kabinetsperiode inzet voor eentoekomstbestendig stelsel van onderwijs en wetenschap. Die inzet isnodig, want er verandert veel voor het vervolgonderwijs (mbo, hbo enwo), onderzoek en wetenschap.Na een periode van groei daalt het aantal studenten al enige jaren enwordt er door dit kabinet bezuinigd. De komende jaren is er dus mindergeld beschikbaar voor onderwijs en wetenschap. Tegelijk zijn er grotemaatschappelijke uitdagingen, zoals de energietransitie, veiligheid,cybersecurity en vergrijzing. Onderwijs en wetenschap kunnen daar eenbelangrijke bijdrage aan leveren. Onderwijs en wetenschap zijn daarnaastonmisbaar voor een goed functionerende arbeidsmarkt, voor innovatie-vermogen en voor een sterke rechtsstaat. Deze beleidsbrief gaat overnieuw beleid en nieuwe accenten die ik aanbreng. Deze nieuwe accentenvoeg ik toe aan de prioriteiten die dit kabinet reeds heeft gesteld op hetgebied van vervolgonderwijs en wetenschap, zoals de extra eenmaligetegemoetkoming voor studenten die onder het sociaal leenstelsel hebbengestudeerd, de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo of de uitvoeringvan de Nationaal Groeifonds-projecten. Aan het regeerprogramma blijf ikonverminderd uitvoering geven. Met deze brief reageer ik tevens op hetbriefadvies van de Onderwijsraad over omgaan met dalende studenten-aantallen.1TrendsEen aantal ontwikkelingen in de samenleving zet grote druk op het stelselvan vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap. Deze ontwikkelingenstaan uitvoerig beschreven in de toekomstverkenning uit 2023.2 Tweeontwikkelingen wil ik nader toelichten.1Onderwijsraad, Advies omgaan met dalende studentenaantallen, 20252Kamerstukken II 2023/24, 31 288, nr. 1072 kst-31288-1185ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11851 Ten eerste leidt de demografische ontwikkeling van vergrijzing en eenlager geboortecijfer naar verwachting de komende 25 jaar tot dalendestudenten- aantallen.3 Na decennia van ononderbroken stijging vanstudentenaantallen neemt het aantal studenten af. Het totaal aantalmbo-studenten is afgenomen van de piek van 508.000 studenten in 2020tot 469.000 in 2023. De verwachting is dat dit aantal tot 2027 min of meerstabiel blijft om daarna verder te dalen tot 455.000 in 2030 en tot 431.000in 2040. In het hbo is ook de daling ingezet, van de piek van 491.000studenten in 2021 naar 410.000 in 2030. De daling zet ook in het hbo doorná 2030. In de ramingen stijgen de studentenaantallen in het wo nog lichttot 2030. De ramingen voor deze sector zijn echter met meer onzekerheidomgeven, vanwege de ontwikkelingen rondom de instroom van interna-tionale studenten. In de praktijk echter lopen de aantallen nu al op veelplekken terug. Verschillen tussen regio’s zijn groot, maar in steeds meerregio’s is sprake van dalende studentenaantallen.Ten tweede, stagneert de groei van de arbeidsproductiviteit in Nederlandal jaren. Onderwijs, onderzoek en innovatie zijn de katalysator voorarbeidsproductiviteits- en welvaartsgroei. Tegelijkertijd is er sprake vanlangdurige grote arbeidsmarkt-krapte met name in sectoren met groteeconomische en maatschappelijke relevantie (zoals zorg, onderwijs, ICTen techniek). De brede welvaart van Nederlanders en de concurrentiepo-sitie van Nederland en Europa komen door beide ontwikkelingen ingevaar. Recente rapporten4 geven aan dat onze beperkte productiviteits-groei moet verbeteren zodat Europa niet verder achterop raakt tenopzichte van landen zoals de VS en China. Landen in de Europese Uniehebben eerder afgesproken om 3% van het bbp te besteden aan R&Domdat deze investeringen belangrijk zijn voor onze kennissamenleving ende economische groei stimuleren. Het kabinet blijft streven naar deze 3%voor private en publieke investeringen gezamenlijk in 2030.5 De normonderstreept ook het grote belang van de benodigde kennis en deontwikkeling van talent voor de toekomst van Nederland.BezuinigingenDit kabinet bezuinigt op onderwijs en wetenschap, maar investeert extrain bestaanszekerheid, veiligheid en defensie. Er zijn scherpe keuzesgemaakt om de overheidsfinanciën nu en in de toekomst gezond tehouden. Ik ben mij ervan bewust dat deze keuzes pijnlijke gevolgenhebben. Ik wil de bezuinigingsopgave op een zorgvuldige en verstandigemanier invullen, met oog voor de studenten, docenten en onderzoekers.Uw Kamer heeft tijdens de begrotingsbehandeling een aantal bezuini-gingen op onderwijs en wetenschap verlicht of teruggedraaid.6 Ook wil ikbenadrukken dat het kabinet een stevig pakket aan maatregelen behoudtvoor het vervolgonderwijs, de wetenschap en innovatie dat ik in deze briefuitwerk.Naar een weerbaar en wendbaar stelselNederland heeft momenteel een goede uitgangspositie. We hebben eenkwalitatief goed en toegankelijk stelsel van vervolgonderwijs, onderzoeken wetenschap. Nederlandse instellingen worden door het bedrijfsleven,maar ook internationaal gezien hoog gewaardeerd en ons land is rijk aan3Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, 2024.4Europese Commissie: The Draghi report, 2024 en Letta, Much more than a Market, 20245Momenteel werkt de Minister van EZ aan een actieplan dat in het derde kwartaal met uwKamer gedeeld wordt.6Ik beschouw mijn toezegging om in deze brief met een uitwerking te komen van de langstu-deermaatregel als afgedaan nu deze maatregel is komen te vervallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11852 excellente wetenschappers.7 Desondanks zijn er strategische keuzes nodigom het stelsel kwalitatief goed en toegankelijk te houden in het licht vanbovenstaande trends, maatschappelijke opgaven en de bezuinigingen.Gelet op de dalende studentenaantallen in de onderwijssectoren en debezuinigingsopgave is het niet mogelijk om alles te blijven doen, overal.Daarnaast heeft mijn eigen departement te maken met bezuinigingenwaardoor de inzet de komende jaren meer toegespitst zal moetenplaatsvinden. In de beleidsreactie op de toekomstverkenning voor hetvervolgonderwijs en onderzoek zijn vijf prioritaire thema’s aangewezen:kansen voor studenten, arbeidsmarkt, regio, gelijkwaardig vervolgon-derwijs en wetenschap voor de maatschappij van morgen enovermorgen.8 Ik wil hierop voortbouwen, maar daarvoor is het nodig datnaast het maken van strategische keuzes ook ieders rol en verantwoorde-lijkheid in het stelsel helder is. Het is van groot belang dat de instellingenvia autonomie, zelfregie en goede samenwerking niet alleen het instel-lingsbelang, maar ook het gezamenlijke publieke belang behartigen en datde sturingswijze vanuit de overheid hier duidelijker op is gericht. Degezamenlijke opgave om tot een weerbaar en wendbaar stelsel te komen,vraagt een lange adem en zal zich ook uitstrekken naar volgendekabinetten. Enerzijds omdat grootschalige wijzigingen in het stelsel tijdkosten; anderzijds omdat de financiële kaders deze kabinetsperiodebeperkt zijn.Verhouding overheid – instellingen en verlichten administratieve lastenDe afgelopen jaren is er vaak voor gekozen om vanuit de overheid testuren via tijdelijke programma’s en projecten. Dat is zowel voor de sectorals overheid een intensieve werkwijze met relatief veel en toenemendeadministratieve lasten, overhead en verantwoordingsdruk. Ik wil naar eenandere verhouding tussen overheid en de kennissector waarbij deoverheid stuurt op strategische keuzes via stelselinstrumenten. Datbetekent dat de overheid zich minder bemoeit met besluiten die op hetniveau van het instellingsbestuur liggen, maar ook dat instellingsbesturenzich gezamenlijk meer inzetten voor het belang van de sector en demaatschappij. Daarbij staat zelfregie voorop, met oog voor de uitwerkingvan hun besluiten voor het gehele stelsel en minder voor de eigeninstelling. Indien zelfregie niet toereikend is, ga ik per opgave en persector instrumenten zoals bekostiging en wet- en regelgeving inzetten omde juiste impulsen geven om de gewenste maatschappelijke en econo-mische uitkomsten te realiseren. De instrumenten worden zo ingericht datsamenwerking in plaats van concurrentie wordt bevorderd.Voor het huidige bestuursakkoord Hoger onderwijs en wetenschap ga ikervan uit, net als bij de Werkagenda mbo dat instellingen zich blijveninspannen voor de afgesproken doelen.9 Ik streef daarbij naar eenvermindering van de administratieve lasten en het beleggen vanverantwoordelijkheden waar ze primair thuishoren. Dat betekent ook datik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid blijven nemen voorthema’s als werkdruk, wetenschappelijke integriteit, diversiteit/inclusie ensociale veiligheid. De komende jaren bouw ik de ad hoc stimulerende rolvan de overheid hierin stapsgewijs af en neem ik goed werkgeverschap inal zijn aspecten als uitgangspunt in mijn gesprekken met de sector. Methet mbo, hbo en wo wil ik afspraken maken over welke administratievelasten we verder kunnen verminderen. Ik beschouw in dit kader de7IBO Doelmatig hoger onderwijs, Talent op de juiste plek, 20248Kamerstukken II 2023/24, 31 288, nr. 10729Kamerstukken II, 2021/22, 31 288, nr. 969Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11853 toevoeging van de kwaliteitsmiddelen10 in het hbo en wo aan de vastevoet, de afbouw van tijdelijke subsidies in het mbo en de invulling van de€ 40 miljoen van het amendement Bontenbal, waar ik later in deze briefop terugkom, als goede eerste stappen om administratieve lasten te gaanbeperken. In mijn overleggen met de sector zal ik hier nader invulling aangaan geven.In deze kabinetsperiode geef ik prioriteit aan twee belangrijke doelen diehet stelsel meer toekomstbestendig maken:1.Het stelsel weerbaarder maken voor dalende studentaantallen;2.Meer bijdragen aan maatschappelijke opgaven.Ik ga nu dieper in op de aanpak die ik voor ogen heb per doel, waarbij ikme realiseer dat deze twee doelen onderling zijn vervlochten en elkaarbeïnvloeden. Daarnaast verschilt de invulling van mijn aanpak oponderdelen per sector, omdat de urgentie en context verschillend is voorhet mbo, hbo en wo. Voor alle maatregelen geldt dat deze passen binnende daarvoor beschikbare middelen op de OCW-begroting.1. Het stelsel weerbaarder maken voor dalende studentaantallen Dalende studentenaantallen hoeven als zodanig geen probleem te zijn.Maar zijn dat wel door de combinatie met maatschappelijke opgaven,bezuinigingen, regionale verschillen en stabilisering van het aantalinternationale studenten. Hierdoor staan instellingen voor de keuze omopleidingen en onderzoek al dan niet af te bouwen. Waardoor opleidingendie belangrijk zijn voor de (regionale) arbeidsmarkt of de samenlevingmogelijk niet behouden worden. De keuzes die individuele instellingenhierin maken, tellen niet automatisch op tot een optimaal regionaal en/oflandelijk gewenst opleidingsaanbod, waarbij ook voldoende specialis-tische opleidingen behouden blijven. Hierdoor komt de kwaliteit,toegankelijkheid en doelmatigheid van het vervolgonderwijs mogelijkonder druk te staan.Om die druk tegen te gaan is samenwerking nodig, maar in de huidigebekostigingssystematiek zitten onvoldoende prikkels die onderwijs-instellingen aanzetten tot samenwerking.11 De huidige prikkels kunnensamenwerking over instellingsgrenzen heen en gezamenlijke keuzes overeen opleidingsaanbod en onderzoek in de weg staan. Om een kwalitatiefgoed, toegankelijk en doelmatig opleidingsaanbod te waarborgen, zijnstrategische keuzes van zowel instellingen als overheid nodig. Daarnaastwordt verkend op welke manier de vraagstukken in bepaalde regio’skunnen worden geadresseerd, omdat de krimp verschillend uitpakt voorinstellingen, voor regio’s en per sector.Daarom ga ik aan de slag met een aanpak voor het mbo, hbo en wo,gericht op het enerzijds bieden van meer stabiliteit en anderzijds hetstimuleren van meer samenwerking en zelfregie. Daarbij beperk ik desturende rol van de overheid tot stelselinstrumenten (zoals wetgeving enbekostiging) en doe ik dit niet via tijdelijke programma’s en projecten.Deze keuze in zichzelf leidt al tot meer stabiliteit en voorspelbaarheid. Ikzal de impact daarvan bezien, en wil ook verkennen of er meer nodig en10Zie ook het wetsvoorstel Afschaffen grondslag kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs, datvorig jaar is aangenomen.11Desondanks is de afgelopen jaren in de sector de mate van algemene afstemming, horizontaledialoog met regionale stakeholders en fusiebewegingen gestegen. De huidige systematiekbekostiging kan hierbij belemmerend werken, maar hoeft niet bestuurlijk onoverkomelijk tezijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11854 mogelijk is rond stabilisering van de bekostiging, binnen de budgettairekaders op de OCW-begroting.De doelen die ik nastreef zijn hetzelfde voor de sectoren, de aanpakverschilt echter omdat de uitgangssituatie en context bij de sectorenanders is. Tegelijkertijd zie ik ook veel overeenkomsten. Ik verwachtdaarom dat de sectoren onderling van elkaar leren en ervaringen overelkaars aanpak uitwisselen. Hieronder werk ik dit respectievelijk voor hetmbo, hbo en wo verder uit.Aanpak in het mboOp dit moment ontvangen mbo-instellingen hun rijksbijdrage volledig opbasis van het aantal studenten en afgegeven diploma’s. Daling van hetaantal studenten heeft dan ook stevige gevolgen voor de hoogte van debekostiging die een onderwijsinstelling ontvangt, waarbij ook structurelekosten van instellingen deels dalen (omdat er bijvoorbeeld minderhuisvesting en personeel nodig is). Het volledig in stand houden van hethuidige onderwijsaanbod is daarom niet haalbaar. Het onderwijs hoortconstant in te spelen op de maatschappelijke vraag. Voor instellingen diete maken krijgen met fors dalende studentaantallen zal het echter steedsmoeilijker worden om een divers en relevant onderwijsaanbod in stand tehouden.12Ik vind het van groot belang dat mbo-studenten binnen redelijke reisaf-stand goed onderwijs kunnen volgen. Ik denk daarbij in het bijzonder aanstudenten die kwalificatieplichtig zijn en ben me ervan bewust dat voorstudenten in de entreeopleiding en op niveau 2 toegankelijkheid nauwsamenhangt met het kunnen volgen van een opleiding dichtbij huis.13Tegelijkertijd zie ik dat studenten voor specialistische opleidingen ook nual bereid zijn om verder te reizen.Dalende studentenaantallen hebben ook impact op de leefbaarheid ensociaaleconomische ontwikkeling van regio’s. Zo kan het onderwijsmogelijk minder goed inspelen op behoeften vanuit de arbeidsmarkt ende maatschappij14 en heeft de daling van het aantal studenten eennegatief effect op de krapte op de arbeidsmarkt. Het aanbieden van eninvesteren in opleidingen die voor de leefbaarheid van de regio en demaatschappelijke opgaven van groot belang zijn, zoals opleidingen dienodig zijn voor de zorg, weerbaarheid en veiligheid of de energietransitie,wordt in de huidige bekostigingssystematiek niet direct financieelbeloond. Van de huidige, volledige variabele bekostiging gaat voorinstellingen door de focus op studentaantallen juist een prikkel uit om zichte richten op studies die populair zijn onder studenten en die geenonevenredig hoge kosten met zich meebrengen.15 Deze concurrentie-prikkel kan belemmerend werken voor instellingen die met goedeintenties samenwerking willen opzoeken.12Toereikendheid, doelmatigheid en kostentoerekening in het mbo, hbo en wo&o, 202113Samen gericht opleiden voor wendbare vakmensen IBO Toekomstbestendigheid van het mbo |Rapport | Rijksoverheid.nl14Zie ook Europees Nederland | Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 enToereikendheid, doelmatigheid en kostentoerekening in het mbo, hbo en wo&o | Rapport |Rijksoverheid.nl15Tegelijkertijd bevatten de wet (bijvoorbeeld met de zorgplichten arbeidsmarktperspectief endoelmatigheid), de kwalificatiestructuur in SBB-verband en de relatie tussen opleiding enberoepspraktijkvorming waarborgen om de aansluiting tussen het mbo en de arbeidsmarkt tebewerkstelligen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11855 Voor het mbo is € 90 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode2025–2027, voor behoud en transitie van het opleidingsaanbod in sterkkrimpende regio’s. Ik kies ervoor om met deze aanpak nadrukkelijk in tezetten op samenwerking tussen instellingen. De instellingen uit dezeregio’s dienen voor april 2025 een gezamenlijk regioplan in waarin zijgezamenlijk maatregelen voorstellen zodat een toekomstbestendigaanbod van beroepsopleidingen kan worden gerealiseerd.Voor de periode na 2027 zie ik aanleiding om de gehele financiëlesystematiek van het mbo te doordenken en de bekostiging te herzien.16 Dekomende tijd werk ik samen met de mbo-sector aan het identificeren endoorlichten van een aantal mogelijke bekostigingsvarianten. Dezevarianten toets ik aan een aantal ontwerpeisen. De nieuwe systematiekmoet uitvoerbaar, eenvoudig en voorspelbaar zijn, en ook budgetneutraal.Een nieuwe systematiek leidt tot mogelijke herverdeeleffecten, dezemoeten door de instellingen geabsorbeerd kunnen worden. Ook kies ikervoor dat de systematiek primair een lumpsummodel blijft, waarbijonderwijsinstellingen bestedingsvrijheid hebben.Daarbij wil ik de mogelijkheid behouden om als Rijksoverheid gericht metgeld te kunnen sturen op landelijke of sectorbrede ambities. Naast dezeontwerpeisen hanteer ik een viertal inhoudelijke doelen bij de herziening.Allereerst wil ik dat het mbo een zo toegankelijk mogelijk aanbod vanberoepsopleidingen aanbiedt, binnen redelijke reisafstand voor studenten.Het is daarom nodig dat de nieuwe systematiek de concurrentieprikkelverkleint en samenwerking stimuleert. Ten tweede vind ik het belangrijkdat het mbo op een doelmatige manier functioneert. Doelmatig betekentin mijn ogen dat met de efficiënte inzet van de beschikbare overheids-middelen zoveel mogelijk maatschappelijk effect wordt bereikt. Ook wil ikdat het mbo inspeelt op de leer- en begeleidingsbehoeften van verschil-lende groepen studenten. Tot slot is van belang dat het onderwijsaanbodzo goed mogelijk aansluit op de arbeidsmarktvraag.Verschillende varianten voor een nieuwe bekostigingssystematiek zullenworden getoetst op bovengenoemde doelen en besproken met debetrokken sector. Ik ben mij ervan bewust dat er spanning kan bestaantussen de ontwerpeisen en de inhoudelijke doelen. Daarom zal ik devarianten zorgvuldig afwegen. Voor mij is daarbij een belangrijkuitgangspunt dat de bekostiging instellingen faciliteert goed beroepson-derwijs te bieden voor de vakmensen van morgen. De deugdelijkheid vande gemaakte keuzes zal bovendien worden getoetst door een reviewcom-missie onder leiding van Kees Vendrik. Eind dit jaar informeer ik uwKamer over mijn definitieve keuze. Daarbij wil ik wel aan verwachtings-management doen. De krimp heeft tot gevolg dat er structureel mindermiddelen beschikbaar zijn voor het mbo. Met deze varianten zet ik in ophet beter kunnen opvangen van de krimp, maar dat kan niet voorkomendat er keuzes gemaakt moeten worden in bijvoorbeeld het opleidings-aanbod.Om de bekostiging vervolgens aan te passen is een wetswijziging nodig.Ik verwacht dat de herziene bekostigingssystematiek voor het mbo in 2029in werking treedt. Ik bekijk hoe er na het aflopen van de extra middelenvoor dalende studentaantallen en de huidige kwaliteitsafspraken in 2027een soepele overgang geborgd wordt.16Zo luidde ook het advies van CMMBO: CMMBO Advies - Sturing en instandhouding vanregionale mbo infrastructuur | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11856 Aanpak in het hbo en woVoor het hbo en wo werk ik een integrale aanpak uit met vergelijkbaredoelstellingen waarover ik Uw Kamer later dit jaar informeer. De aanpakbestaat uit twee elementen: 1. het borgen van een macrodoelmatig,toegankelijk en kwalitatief goed opleidingsaanbod; en 2. aanpassingen inde bekostigingssystematiek.Borgen van macrodoelmatig, toegankelijk en kwalitatief goed opleidings-aanbodHet eerste element bestaat uit het borgen van een macrodoelmatigaanbod van hbo- en wo-opleidingen. Het is belangrijk dat het opleidings-aanbod zich ontwikkelt en meebeweegt met de maatschappij. Deafgelopen jaren zijn meer opleidingen gestart dan beëindigd. Opleidingenkunnen nu te maken krijgen met te lage studentenaantallen, wat metname in het hbo en in bepaalde regio’s speelt. Daarom is voor het hbo€ 90 miljoen beschikbaar gesteld in de periode 2022–2027 voor behoud entransitie van het opleidingsaanbod in sterk krimpende regio’s. Ik besefdaarbij dat het niet altijd mogelijk en nodig zal zijn om alle opleidingenoveral te behouden. Ik wil echter voorkomen dat cruciaal onderwijs voorde Nederlandse maatschappij verloren gaat en dat de sector bij de(door)ontwikkeling van het onderwijsaanbod onvoldoende inspeelt op dekansen voor de economie en maatschappij.17Om dit te waarborgen is het belangrijk dat instellingen gezamenlijkregulier kritisch reflecteren op hoe het onderwijs aansluit op de behoeftenvan de (regionale) arbeidsmarkt, maatschappij en wetenschap, in dialoogmet hun maatschappelijke partners. Waar nodig sturen zij hiergezamenlijk op bij, van opleidingsniveau tot aan landelijk niveau. Hieroverzijn in het Bestuursakkoord Hoger onderwijs en wetenschap zowel met dehogescholen als de universiteiten afspraken gemaakt. Zowel hogescholenals universiteiten geven hier vanuit zelfregie op de verschillende niveausinvulling aan. Denk onder andere aan de sectorale verkenningen, desectorale adviescolleges in het hbo en sectorplannen in het hbo en hetwo, de recent goedgekeurde clusteraanvragen voor masters in het hbo, degezamenlijke inspanningen ter versterking van het talenonderwijs in hetwo en de vele vormen van samenwerkingen tussen instellingen met hetbedrijfsleven binnen regio’s.Tegen de achtergrond van teruglopende studentenaantallen in combinatiemet de bezuinigingen en de arbeidsmarktkrapte is het nu zaak om delandelijke afstemming over het onderwijsaanbod door te ontwikkelen,zodat strategische keuzes over het onderwijsaanbod waar nodig ooksector- en regio-overstijgend gemaakt worden. Vereniging Hogescholen(VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) zetten hier stappen op. In hethbo wordt onderzoek uitgevoerd naar de manier waarop de zelfregie opnieuw en bestaand onderwijsaanbod vanuit instellingsniveau versterktkan worden en hoe het proces landelijk vormgegeven kan worden. In hetwo is afgelopen jaar een heldere overlegstructuur op drie niveaus(opleiding, decaan, bestuur) opgezet om voornemens tot nieuweopleidingen gezamenlijk te bespreken. Het wo verkent momenteel of dezeoverlegstructuur kan worden doorontwikkeld voor afstemming over hetgehele onderwijsaanbod.17Om te bepalen wat economische en maatschappelijke kansen zijn kan bijvoorbeeld de in 2024gepubliceerde Nationale Technologiestrategie worden benut.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11857 Dit is een goede beweging die ik van harte steun en graag wil besten-digen. Aanvullend neem ik daarom maatregelen om de samenwerking opopleidingsaanbod duurzaam te borgen. Hiertoe verken ik of ik eenwettelijke grondslag in de WHW kan creëren voor gezamenlijke verant-woordelijkheid op het gebied van opleidingsaanbod. Voorts wil ik samenmet de hbo- en wo-sector een inhoudelijk beleidskader ontwikkelen vooreen macrodoelmatig onderwijsaanbod. Enerzijds met het oog op hetbeschermen van cruciale (kleine of unieke) opleidingen voor de Neder-landse maatschappij en binding met de regio, en anderzijds voor hetverzilveren van kansen voor economie en maatschappij door hetonderwijsaanbod hierop beter te laten aansluiten. Hierbij wil ik hetverschil in oriëntatie van beroepsgericht en wetenschappelijk onderwijsbeter tot uitdrukking laten komen. Hiermee voldoe ik aan de motieMartens-America.18Aanpassingen in de bekostigingssystematiekHet tweede element van mijn aanpak richt zich op aanpassingen in debekostigingssystematiek. De daling van het aantal studenten heeftgevolgen voor de hoogte van de bekostiging die een onderwijsinstellingontvangt. Op dit moment ontvangen hbo- en wo-instellingen hunrijksbijdrage voor een gedeelte variabel, op basis van het aantal studentenen afgegeven diploma’s.Zoals in het regeerprogramma aangegeven, verken ik mogelijkheden vooreen stabielere bekostiging zodat de onderwijsinstellingen ook bij dalendestudentenaantallen een goed onderwijsaanbod op peil kunnen houden, inhet bijzonder opleidingen die voor de regio vitaal zijn of landelijk uniekzijn.19 In het regeerprogramma heb ik capaciteitsbekostiging genoemd alseen van de mogelijkheden. In het licht van de maatschappelijke discussieover de bekostiging vind ik dat daarbij gekeken moet worden naar hetgehele mechanisme waarop het overheidsbudget tot stand komt.Belangrijk hierbij is de consistentie en interactie hierbinnen, evenals dekernuitgangspunten van beleid zoals voorspelbaarheid, stabiliteit ensamenwerking.In het kader van stabiliteit heb ik reeds de vaste voet in het verdeelmodelstapsgewijs verhoogd. Vanaf 2025 zijn ook de kwaliteitsmiddelen in hethbo en wo toegevoegd aan de vaste voet. Hiermee neemt de vaste voet inhet hbo toe van 20% in 2024 tot 32% in 2025 en de vaste voet in het wovan 54% tot 57%. In aanvulling hierop ben ik van plan om een vaste voette introduceren in de bekostiging van het praktijkgericht onderzoek in hethbo. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Stultiens en Hertzberger.20De aanpassing van de hoogte van de vaste voet richt zich op de kortetermijn. Ik wil echter in deze kabinetsperiode ook stappen zetten inontwerp van de bekostiging op langere termijn, bijvoorbeeld als het gaatom de invulling van capaciteitsbekostiging.21 Dergelijke veranderingenvergen eerst gedegen onderzoek en analyse en wordt samen met deinstellingen en de koepels vormgegeven. Randvoorwaarde is dat dezeinvullingen bijdragen aan rust in het systeem en niet leidt tot zodanigsubstantiële herverdeeleffecten tussen instellingen dat deze niet geabsor-beerd kunnen worden. Het hbo en wo heeft immers al te maken met forse18Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 VIII, nr. 8819Conform de toezegging in het debat leraren op 22 januari 2025 merk ik hierbij op dat delerarenopleidingen onderdeel zijn van dit proces (Kamerstuk 27 923, nr. 509).20Kamerstukken II, 2023/24, 31 288, nr. 111921Naast capaciteitsbekostiging wil ik bijvoorbeeld ook kijken naar de gevolgen van opwaartsedruk en de bekostiging van doorstromers en uitvallers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11858 bezuinigingen. Aanvullend wil ik zicht krijgen op de reële kosten vantechnische en zorgopleidingen en of de huidige bekostigingssystematiekdaarvoor volstaat.Daarnaast wil ik samen met de hbo- en wo-sector kijken naar manierenom via de bekostiging instellingen de ruimte te geven om tot verder-gaande samenwerking te komen op een macrodoelmatig onderwijs-aanbod, dat passend is bij de regionale functie die zij vervullen. Verder wilik in kaart brengen wat het effect is van keuzes in bekostigingssystematiekop de financiering van onderzoek en wetenschap. Ik wil voorkomen datdalende studentenaantallen daar een negatief effect op hebben. Mijnstreven is om voorkeursopties die uit deze verkenning komen uiterlijk in2026 te presenteren inclusief een tijdspad hoe deze voorkeursoptiesstapsgewijs te implementeren. Daarbij bouw ik voort op de analyse vande bekostigingssystematiek en -varianten zoals door mijn voorgangerreeds met uw Kamer is gedeeld.222. Meer bijdragen aan maatschappelijke opgaven Om met onderwijs en onderzoek effectiever bij te dragen aan maatschap-pelijke uitdagingen, moeten we gerichter opleiden voor specifiekesectoren op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd ook meer verbinding leggentussen wetenschap en maatschappij.De arbeidsmarktkrapte kunnen we niet alleen vanuit het onderwijsoplossen. Meer (zij)instroom alleen is niet voldoende, er zijn simpelwegniet genoeg mensen. Daarom zetten we kabinetsbreed en met de socialepartners in op vermindering van de arbeidsmarktkrapte met een bredearbeidsmarktagenda langs vijf sporen, zoals toegelicht in de Kamerbriefvan 13 december 202423, en met een productiviteitsagenda. Hiervoor zal ikmij vanuit het onderwijs volop inzetten.Leven Lang Ontwikkelen (LLO)Het kabinet vindt het voor de werkzekerheid en voor de noodzakelijkewelvaartsgroei belangrijk dat iedereen zich een leven lang blijft ontwik-kelen (LLO). LLO is cruciaal voor duurzame inzetbaarheid op de arbeids-markt. Ook ons concurrentievermogen staat of valt met voldoendemensen met de juiste vaardigheden die willen en kunnen werken. Hetmoet daarom vanzelfsprekend worden om je hele loopbaan te blijvenontwikkelen. Daarvoor zijn werkgevers en werknemers samen verant-woordelijk, ondersteund door de overheid. De deelname onderwerkenden aan scholing is echter niet toegenomen in de afgelopen jaren,ondanks publieke en private investeringen. Het is in elk geval nodig datwe bestaande publieke en private investeringen in LLO beter benuttenzodat deelname aan scholing en leren op het werk groeit, een sterkeleercultuur ontstaat en de aansluiting van het opleidingsaanbod op devraag van de (regionale) arbeidsmarkt verbetert. Om dit te realiseren komthet kabinet met een gezamenlijke LLO-agenda. Met de LLO-agendawerken we samen met sociale partners, regio’s en publieke en privateopleiders aan structurele verbeteringen.Private opleiders en het mbo, hbo en wo leveren via bij- en omscholingeen grote bijdrage aan LLO. Het is daarom een belangrijke pijler voor hetgehele vervolg- onderwijs. Daarnaast moet de basis voor LLO al in hetinitiële onderwijs gelegd worden. Bij- en omscholing gaat zowel over hetaanleren van goede basisvaardig- heden als over hoogwaardige kennis en22Kamerstukken II, 2023/24, 31 288, nr. 109623Kamerstukken II, 2024/2025, 29 544, nr. 1260.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11859 vaardigheden voor nieuwe technologieën en kansen voor de economie.Nederland scoort internationaal met een top-5 positie goed op driegemeten basisvaardigheden bij volwassenen, maar er is nog steeds eengroep van drie miljoen mensen die lage basisvaardigheden heeft.24 25 Bij-en omscholing kan bijdragen aan het verbeteren hiervan, evenals aan hetterugdringen van arbeidsmarkttekorten26 en het verhogen van deproductiviteit.Mede daarom continueren de Staatssecretaris van OCW en ik deonderwijsagenda LLO27 als belangrijk onderdeel van de LLO-agenda vandit kabinet. Onderdeel daarvan is de lopende verkenning over of hetmogelijk en wenselijk is dat het mbo, hbo en wo een bredere en duide-lijkere wettelijke opdracht krijgen voor LLO gericht op bij- en omscholing.Zodat publieke opleiders meer kunnen bijdragen aan LLO in aanvulling opde meerwaarde en kwaliteit van private opleiders. Hierin gaat ookspecifieke aandacht uit naar een mogelijke opdracht voor basisvaardig-heden in het mbo.28 De onderwijsagenda moet er daarnaast aan bijdragendat het mbo, hbo en wo beter kunnen inspelen op de vraag van dearbeidsmarkt met flexibel aanbod dat aansluit op de behoeften vanwerkenden en werkzoekenden. Om investeringen in LLO in de toekomsteffectiever te kunnen benutten verkent dit kabinet verder wat er nodig isom een publieke-private infrastructuur te realiseren voor een persoonlijkeleer- en ontwikkelrekening. Daarnaast verkennen we hoe de samen-werking tussen bedrijfsvakscholen en het publieke en private onderwijs(regionaal) versterkt kan worden om publiek-private samenwerkingenrondom LLO te stimuleren.29 Dat doen we via het NGF-programma deLLO-Katalysator30 en het Nationaal Versterkingsplan van Microchip-talent,waarin ook een stevig LLO-component zit.VervolgonderwijsVoor studenten zou het goed zijn als er minder nadruk komt te liggen opmaximale zelfontplooiing en opwaartse druk. Ik gun jonge mensenonderwijs waarin zij ontdekken wat zij met hun unieke vaardigheden entalenten kunnen bijdragen aan de samenleving. Van betekenis zijn voor desamenleving draagt bij aan mentale gezondheid, weerbaarheid engeestelijk welzijn van studenten. Deze kijk op onderwijs is voor mij eenleidend principe. Van de drie normatieve stelselperspectieven, zoalsgeschetst in de eerdere toekomstverkenning voor het vervolgonderwijs en24PIAAC, Kernvaardigheden van volwassenen, resultaten van de Nederlandse survey 2023, 202425Van de groep met lage basisvaardigheden is het grootste deel werkzaam. Ook blijkt uit dewerkgeversmodule, die als onderdeel van PIAAC is uitgevoerd, dat circa 30% van dewerkgevers aangeeft dat een deel van hun werknemers niet over voldoende vaardighedenbeschikt, die voor de functie nodig zijn.26Bij- en omscholing kunnen bijdragen aan het terugdringen van arbeidsmarktkrapte. Hetkabinet stelt tijdelijk budget beschikbaar met als doel om scholing te subsidiëren voormaatschappelijk cruciale sectoren. Het tijdelijk beschikbare budget wordt toegevoegd aan deSLIM-regeling van het Ministerie van SZW.27Kamerstukken II, 2023/24, 30 012, nr. 15728De verkenning wordt uitgevoerd door een consortium van CINOP, Ockham IPS en ROA enwordt na de zomer opgeleverd, inclusief verkenning opdracht basisvaardigheden mboconform motie Kisteman Kamerstuk 28 760, nr. 121.29Motie Martens-America over onderzoek naar informele rol van bedrijfsvakscholen en de roldie zij kunnen spelen in het formele aanbod, Kamerstukken II, 2024/25, 36 600, VIII, nr. 85.30Inmiddels zijn 55 projecten van de LLO-katalysator gestart, gericht op de energie- en grond-stoffentransitie én op professionalisering van LLO binnen het onderwijs. Zo werken Univer-siteit Twente, Saxion Hogeschool en ROC Twente gezamenlijk aan het versnellen van deverduurzaming van 400 wijken. Ook hebben 11 hogescholen de krachten gebundeld in hetinitiatief FastSwitch, met als doel om 9400 studenten de overstap te laten maken naar eentekortsector.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118510 de wetenschap, wil ik daarom scherper kiezen voor het perspectief gerichtop de maatschappij.31Nederland ziet zich gesteld voor de ingewikkelde combinatie van dalendestudentenaantallen en grote maatschappelijke uitdagingen. Dat geldt voorde hele waaier van het vervolgonderwijs. We zullen meer focus moetenaanbrengen in het opleiden voor de maatschappelijke opgaven enstrategische tekortsectoren, in aanvulling op de maatregelen32 die deafgelopen periode al zijn getroffen (bijlage 1). Hiertoe is het van belangdat er landelijk meer zicht komt op wat de maatschappelijke opgaven enstrategische tekortsectoren zijn zodat het vervolgonderwijs en wetenschapzich daar nadrukkelijker op kunnen richten.33 Denk daarbij aan opleidingenin tekortsectoren zoals in de zorg, techniek en onderwijs, en opleidingengerelateerd aan strategische opgaven zoals de microchipsector, zoalseerder benoemd in de motie Paternotte. Er zijn landelijke afspraken enkaders nodig in combinatie met ruimte voor onderwijsinstellingen om hiergezamenlijk en in afstemming met maatschappelijke partners invullingaan te geven. Ik wil stimuleren dat zeker in het mbo en hbo, maar ook inhet wo, sectoroverstijgend én met werkgevers beter wordt samengewerkten afgestemd over het opleidingsaanbod in relatie tot maatschappelijkeen wetenschappelijke behoeften. De onderwijsinstellingen in het mbo,hbo en wo zetten hierin al mooie stappen. Het hbo werkt bijvoorbeeld almet de verbreding van hun opleidings-portfolio met associate degrees enmasteropleidingen aan een betere aansluiting op de behoeften van dearbeidsmarkt. Het betreft opleidingen waar het aantal studententoeneemt. Waar nodig moet herziening van de bekostigingssystematiekbijdragen aan deze beweging van meer samenwerking en minderconcurrentie.Studenten behouden uiteraard de ruimte om te kiezen voor een opleidingdie past bij hun talenten en interesses, maar wel binnen een opleidings-aanbod met duurzaam perspectief om bij te dragen aan de maatschappijen dat aansluit op de vaardigheden die nodig zijn op de arbeidsmarkt vanmorgen. We kunnen leerlingen en studenten via loopbaanoriëntatie en-begeleiding (LOB) en voorlichting beter voorbereiden op loopbaankeuzesen LLO. Dit sluit ook aan op de brief «Uitwerking plannen arbeidsmarkt-krapte en brede arbeidsmarktagenda» van SZW.34 Ook is het noodzakelijkdat instellingen prioriteit blijven geven aan het tegengaan van studieuitvalen het bevorderen van studie- en studentsucces, zoals beschreven in hetIBO Doelmatig hoger onderwijs35. Dit voorjaar zend ik uw Kamer een briefover toegankelijkheid en doorstroom voor hbo en wo.36De maatschappelijke uitdagingen en oplossingsrichtingen die ik hierbovenheb geschetst gelden voor het gehele vervolgonderwijs. De preciezeinvulling van de aanpak, zoals onderstaand beschreven, krijgt verschillendvorm in het mbo, hbo en wo omdat de context van de onderwijssectorenverschilt.Ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk werk ik aan een betereaansluiting van het onderwijs en de arbeidsmarkt en het vergroten vanhet studiesucces. Daartoe werk ik in het Ministerieel Vierlandenoverleg31Eimers, T. (red.) (2023) Vandaag is het 2040. Toekomstverkenning voor middelbaar beroepson-derwijs, hoger onderwijs en wetenschap. Nijmegen/Utrecht/Enschede/Amsterdam: KBANijmegen, ResearchNed, Andersson Elffers Felix, CHEPS, Kohnstamm Instituut.32Toezegging bij debat DUO en hbo Onderwijs (TZ202410-179) (Kamerstuk 31 288, nr. 1162)33Om meer zicht te krijgen op wat de maatschappelijke opgaven zijn en hoe het stelsel daaraaneen grotere bijdrage kan leveren, werk ik nauw samen met mijn collega’s in het kabinet.34Kamerstukken II, 2024/25, 29 544, nr. 126035Kamerstukken II, 2024/25, 31 288, nr. 114936IBO Doelmatig hoger onderwijs, Talent op de juiste plek, 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118511 (M4LO) OCW samen met de andere drie onderwijsministers in hetKoninkrijk aan het programma Strategic Education Alliance (SEA). Deafgelopen jaren is in het kader van SEA samen met Nederlandseinstellingen ingezet op begeleiding van Caribische studenten. Voor eenbetere voorbereiding en overgang op het vervolgonderwijs in Nederlandof elders wordt vanaf augustus 2025 gestart met een Caribbean AcademicFoundation Year (CAFY) voor aankomende studenten op de Bovenwindseeilanden, na succesvolle vergelijkbare CAFY’s op Aruba en Curaçao.Daarnaast zal ik naar aanleiding van de uitkomsten van de uitgevoerdearbeidsmarktanalyses en geplande rondetafelgesprekken met dewerkgeverssector, onderwijsveld en overheden in het M4LO spreken overbetere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt van deCaribische eilanden. Dit sluit tevens aan op de vorig jaar gestartesamenwerking tussen Nederlandse en Caribische onderwijsinstellingendie met een product diensten catalogus van best practices (beroeps)oplei-dingen en de opleidingen voor leraren gaan verbeteren op de Caribischeeilanden.Mbo PactIn het mbo werk ik de komende maanden aan afspraken met werkgeversen instellingen over wat het mbo kan doen voor het opleiden vanstudenten en voor het bij- en omscholen van werkenden en werkzoe-kenden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Dit doe ik omdat wezonder keuzes niet kunnen voorzien in de noden van de samenleving,mede gezien de krimp van studentenaantallen, en om te bevorderen datopleidingen een duurzaam arbeidsmarktperspectief bieden voorstudenten. Denk aan afspraken over gezamenlijke doelen, het benodigdeopleidingsaanbod en over verdere samenwerking tussen instellingenonderling en met werkgevers (ook bijvoorbeeld voor behoud vankleinschalig vakmanschap) en het bevorderen van om- en bijscholing. Ikkijk daarbij ook naar wat er aanvullend nodig is in wet- en regelgeving enbijvoorbeeld naar de bekostiging om dit vooruit te helpen. Als we totgezamenlijke afspraken komen, zullen we deze vastleggen in een Pactvoor het opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, zoals ook isaangekondigd in het Regeerprogramma.Aanpak arbeidsmarktkrapte in hbo en woDe regelgeving rond de macrodoelmatigheid in hbo en wo is gericht ophet toetsen van de arbeidsmarktbehoefte van een nieuwe opleiding. Dieregelgeving is echter niet gericht op de aansluiting van het gehele aanbodop de behoefte van arbeidsmarkt en samenleving.37 In het hbo en wo legik daarom deze kabinetsperiode de focus in mijn aanpak op het eerdergeschetste, gewijzigde beleid op het gebied van macrodoelmatigheid vanhet onderwijsaanbod. Deze houdt in dat onderwijsinstellingen gezamenlijkverantwoordelijk worden voor een macrodoelmatig aanbod en daarbijhoort ook het gezamenlijk inspelen op én het verzilveren van kansen vooreconomie en maatschappij. In de sectorplannen wordt er al op die maniersamengewerkt. Het is cruciaal dat onderwijsinstellingen gezamenlijk hetonderwijsaanbod regionaal en nationaal beschouwen, en niet primairindividueel. Naar aanleiding van de afspraken in het BestuursakkoordHoger Onderwijs en Wetenschap zijn zij hier reeds mee gestart.Aanvullend daarop zet ik in op het formuleren van een beleidsinhoudelijkkader voor een macrodoelmatig onderwijsaanbod, waarmee ik instel-lingen handvatten bied. Om het voorgaande te realiseren verken ik eenwijziging van de WHW om een wettelijke grondslag voor gezamenlijkeverantwoordelijkheid op het gebied van opleidingsaanbod te creëren.37Stelselrapportage Hoger Onderwijs 2016–2023, oktober 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118512 Onderzoek en wetenschapDe Nederlandse wetenschap is van topkwaliteit. Onderzoekers verleggenconstant de grenzen van onze kennis. Dat moet zo blijven, omdat dewetenschap (naast haar intrinsieke academische waarde) een crucialebijdrage levert aan het oplossen én duiden van grote maatschappelijkevraagstukken en aan de innovatiekracht en het verdienvermogen vanNederland en Europa. Daarbij hecht ik groot belang aan de academischevrijheid.Kennisinstellingen staan steeds meer in verbinding met de samenlevingop vele manieren. Ik zet erop in om die verbinding te versterken en deeconomische en maatschappelijke impact van onderzoek en wetenschapte vergroten.38 Goede voorbeelden zijn de investeringen van hetMinisterie van Defensie op het gebied van innovatie, de ontwikkeling vanonderzoeksinfrastructuur zoals de Einstein Telescope in EuregioMaas-Rijn, het innovatiegericht inkopen door overheden, instrumenten alsSmall Business Innovation Research, de betrokkenheid van ministeries enandere overheden bij de Nationale Wetenschapsagenda, het missiege-dreven innovatiebeleid en het Delta Climate Centre waar practoraten(mbo), lectoraten (hbo) en wetenschappelijke onderzoekers (wo) nauwsamenwerken. Een ander voorbeeld is de Biotech Booster, gefinancierd uithet Nationaal Groeifonds. De Biotech Booster is een samenwerking vankennisinstellingen en bedrijven in de kennisketen van fundamenteelonderzoek en innovatie tot maatschappelijke impact en verdienvermogen.Wetenschappers en ondernemers worden met advies en middelenondersteund bij de commercialisatie van de biotechnologiekennis dieNederland rijk is.39Ook op andere manieren wordt de verbinding tussen wetenschap enmaatschappelijke uitdagingen georganiseerd. De Faculty of Impact vanUNL, NWO en Techleap heeft januari jl. de vierde ronde geopend vooronderzoekers die ondernemerschap willen combineren met wetenschap-pelijk onderzoek. Dertien fellows krijgen subsidie voor hun project op o.a.de thema’s veiligheid en energietransitie. Verder is eind 2024 door hetMinisterie van EZ, in samenwerking met het Ministerie van OCW, eennieuwe regeling Thematische Technology Transfer (TTT) opengesteld.Deze regeling ondersteunt kennisinstellingen en investeerders bijsamenwerkingen op bijvoorbeeld pandemische paraatheid en deprioriteiten in de Nationale Technologie Strategie. Binnen de Nationalewetenschapsagenda (NWA) zijn tien ministeries als co-financier eninhoudelijk betrokken bij het verbinden van wetenschap en maatschappij.Recente NWA-programma’s gaan o.a. over klimaatverandering engeopolitiek op de polen; de implicaties van de energietransitie voor dearbeidsmarkt; en kwetsbaarheid en weerbaarheid in een onlinemaatschappij.38Tijdens het commissiedebat op 3 oktober 2024 (Kamerstuk 29 338, nr. 279) heb ik uw Kamertoegezegd in mijn beleidsbrief nader in te gaan op de mogelijkheden tot het vergroten vantransparantie en onafhankelijkheid van bijzondere leerstoelen en de gevolgen van financieringvan nieuwe universiteiten. Ik ben samen met het veld bezig met de uitwerking hiervan en zaluw Kamer hier voor de zomer over informeren. Ik neem hierin ook de motie Teunissen enKostic mee (Kamerstuk 2023/2024 36 410 VIII, nr. 93).39Inmiddels zijn 54 projecten gestart, gericht op maatschappelijke uitdagingen in gezondheid,klimaat, energie, landbouw en voeding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118513 Ik blijf investeren in praktijkgericht onderzoek op hogescholen, ikintroduceer een vaste voet in de bekostiging40 en wil het professionaldoctorate wettelijk verankeren.41 Ik zie de hogescholen als een knooppuntop het gebied van transdisciplinair onderzoek, waarbij praktijkkennis enexpertise van maatschappelijke partners en bedrijven bij het heleonderzoekstraject worden betrokken.Ook internationaal zie ik kansen om de toppositie van de Nederlandsewetenschap te versterken, daarvoor ga ik bijvoorbeeld de InternationaleKennis- en Talentstrategie meer enten op het vergroten van de Neder-landse concurrentiekracht en de bijdrage aan Europese strategischeautonomie. Samenwerking in Europa, en daarbuiten, stelt kennisinstel-lingen in staat om mee te doen aan de internationale top. Nederlandseinstellingen zijn zeer succesvol in deelname aan Europese programma’s,zoals Horizon Europe, het lopende kaderprogramma voor onderzoek eninnovatie. Nederland is netto-ontvanger en is relatief een van de bestpresterende landen. Om dit te behouden, zet ik me op Europees niveau,samen met mijn collega van Economische Zaken, in voor een ambitieuzeen slagvaardige opvolger van Horizon Europe. Voor mij is hetuitgangspunt daarbij dat de Europese inzet op onderzoek en innovatie opcoherente wijze de gehele kennisketen bedient, in nauwe samenwerkingmet lidstaten en met betrokkenheid van stakeholders. Door belangrijkeO&I-ecosystemen in Europa te versterken en beter onderling te verbindenkunnen schaalvoordelen worden benut. Ik pleit daarom ook op Europeesniveau voor vermindering van administratieve lasten zodat er zo weinigmogelijk obstakels voor goede samenwerking zijn. Verder blijft hetuitgangspunt dat we op Europees niveau de meest excellente onderzoeks-en innovatieprojecten met de grootste economische en maatschappelijkeimpact financieren. Daarmee kunnen we op korte en langere termijnoptimaal bijdragen aan het vergroten van het lange termijn Europeseconcurrentievermogen en de open strategische autonomie en hetoplossen van maatschappelijke uitdagingen.Internationale samenwerking en kennisveiligheidIn het licht van geopolitieke ontwikkelingen vergt internationale samen-werking balanceren tussen enerzijds het benutten van kansen in openinternationale samenwerking en anderzijds het beschermen van denationale veiligheid. Daarom werk ik samen met de kennissector aan hetversterken van de weerbaarheid van de wetenschap, met de aanpakkennisveiligheid. De kennisinstellingen pakken kennisveiligheid serieus open hun beleid hierop is volop in ontwikkeling. Daar waar de risico’s voornationale veiligheid het grootst zijn werk ik met de Ministers van Justitieen Veiligheid en van Economische Zaken aan invoering van een wettelijkescreeningsplicht voor onderzoekers en masterstudenten. Hierbij heb ikoog voor de lasten die dit voor kennisinstellingen meebrengt. Dit wordt inkaart gebracht via een impact assessment. Daarnaast blijf ik mij inzettenvoor een level playing field in Europa en blijf ik invulling geven aan demotie Paternotte en Martens-America.4240Motie over belang van stabiele bekostiging hogescholen, Kamerstukken II 2023/24, 31 288,nr. 111941Kandidaten in een PD doorlopen een traject met aandacht voor ontwikkeling als onderzoeker,professional, innovator en veranderaar. Een PD is gelijkwaardig aan een PhD van deuniversiteiten.42Kamerstukken II, 2024/25, 31 288, nr. 1178Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118514 Behoud van toptalent voor oplossen maatschappelijke vraagstukkenTot slot blijft het aantrekken, ontwikkelen en behouden van onderzoek-stalent van groot belang voor het behouden en versterken van detoppositie van de Nederlandse wetenschap. Onderzoeken wijzen op eenhoge werk-, prestatie-, en aanvraagdruk. In dit kader maak ik mij vooralzorgen over de signalen dat jonge onderzoekers een kwetsbare positiehebben. De afgelopen tijd heb ik mij gebogen over het rapport van hetRathenau Instituut over jonge onderzoekers43 en heb ik hierovergesprekken gevoerd met verschillende partijen. Het belang van jongeonderzoekers voor de academie – en daarbuiten – is daarin bevestigd. Zijvormen de volgende generatie topwetenschappers die werkt aanonderzoek en innovatie voor het oplossen van maatschappelijke vraag-stukken.De postdocfase vraagt met name aandacht. Uit het voorgenoemdeonderzoek blijkt dat postdocs kampen met loopbaanonzekerheid enworden geconfronteerd met (te) veel tijdelijke aanstellingen.44 DeNederlandse universiteiten delen deze zorg en werken aan het bieden vanhelderheid over carrièreperspectieven en werkzekerheid voor postdocs.Ook bespreken zij aan de cao-tafel hoe de tijdelijke banen van postdocs,naast inhoudelijk productief, interessant en uitdagend, verrijkt kunnenworden als waardevolle loopbaanstap.45 Dit past bij hun verantwoorde-lijkheid als werkgevers voor goed personeelsbeleid. In dit kader gaan deuniversiteiten ook een studie laten verrichten naar de contractuele positieen de loopbaan- en ontwikkelmogelijkheden bij de universiteiten vanwerknemers in de functie van onderzoeker en in het bijzonder postdocs(onderzoekers 3 en 4) mede met het oog op de arbeidsmarktpositie enloopbaan na afloop van een dienstverband bij een universiteit.46Aangezien deze cao-afspraken al langer lopen, ga ik ervan uit dat deinstellingen daar op korte termijn werk van maken.Ik wil de universiteiten de tijd geven om de hierboven genoemdeafspraken te maken en de studie te laten uitvoeren. Ik hoor te zijner tijdgraag van hen of er voorstellen zijn waar ik aan kan bijdragen. Op dezemanier geef ik invulling aan de toezegging over jonge onderzoekers enschrijf ik op dit moment nog geen visie waarmee ik de lasten van deuniversiteiten op dit moment zou verzwaren.47 Ik zal hier voor het eindevan het jaar bij uw Kamer op terugkomen.Invulling amendementen Bontenbal en EerdmansGezien de kwetsbare positie van de jonge onderzoekers zal ik de€ 40 miljoen uit het amendement Bontenbal c.s. inzetten voor dezedoelgroep (promovendi, postdocs en startende UD’s). Dat betekent dat ikdeze middelen inzet naar de geest van de eerdere startersbeurzen endaarbij recht blijf doen aan het oorspronkelijke doel daarvan om rust enruimte te creëren en de werkdruk te verlagen. Voor het verdelen van deze(beperkte hoeveelheid) middelen richt ik niet een separaat instrument in.Zo blijven de administratieve lasten voor de universiteiten beperkt. Ikbespreek met de universiteiten hoe zij deze middelen gaan inzetten om depositie, ondersteuning en onderzoekstijd van jonge onderzoekers teverbeteren.43Rathenau Instituut, «Een onzekere start», 202444idem45CAO Nederlandse Universiteiten 1 juli 2024 t/m 30 juni 202546idem47De toezegging een visie op jonge onderzoekers te formuleren is oorspronkelijk door mijnambtsvoorganger gedaan tijdens de OCW begrotingsbehandeling op 24 november 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118515 Vanwege de hardnekkigheid van de problematiek rondom de werkdruk,gebruik ik het jaarlijkse bedrag van € 25 miljoen tot en met 2028 uit hetamendement Eerdmans c.s. voor ophoging van de eerder beschikbaargestelde middelen van (gemiddeld) € 78 miljoen tot en met 2031 voormaatregelen die de werkdruk voor wetenschappers helpen verlichten.48Tot slotIn deze brief schets ik hoe ik in deze tijden van dalende studentenaan-tallen, de keuze voor bezuinigingen en regionale verschillen, hetfundament van ons stelsel wil behouden en tegelijkertijd vanuit vervolg-onderwijs, onderzoek en wetenschap meer wil bijdragen aan de samen-leving. Daarbij wil ik realistisch zijn. Ik wil toe naar een stelsel met meernadruk op gezamenlijkheid en minder op concurrentie, meer op bijdragenaan de samenleving en minder op maximale zelfontplooiing en opwaartsedruk. De manier waarop de overheid omgaat met de sector moet stabieler,voorspelbaarder en minder ad hoc worden. Minder op details enverantwoording, meer op gemeenschappelijke doelen die goed zijn voorde sector en voor de maatschappij. Ik wil daarom samen met de sectortoewerken naar meer focus door in te zetten op de hierboven beschrevenstrategische keuzes.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins48Kamerstuk 25 883, nr. 503Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118516 TOTAALOVERZICHT BESTAANDE MAATREGELEN ARBEIDS-MARKTKRAPTE1.Door het vorige kabinet is € 30 miljoen per jaar beschikbaar gesteldom de hbo-instroom in de tekortsectoren (zorg, IT, techniek enonderwijs) te verhogen, onderwijs-arbeidsmarktaansluiting teverbeteren en uitval en switch te verminderen. Ook de sectorplannenin het wo (€ 200 miljoen) dragen bij aan hogere kwaliteit van hetonderwijs, en daarmee betere (inhoudelijke) aansluiting van hetonderwijs met de arbeidsmarkt.2.OCW werkt met EZ en SZW aan de uitvoering van het ActieplanGroene en Digitale Banen (om arbeidsmarkttekorten in techniek enICT op te lossen).3.OCW werkt aan de aanpak van het lerarentekort door een diversopleidingsaanbod, ook voor zij-instromers, door de totstandbrengingvan een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s, dooroptimalisatie van het bevoegdhedenstelsel en tot slot door de verdereprofessionalisering van leraren.4.Ook investeert dit kabinet in project Beethoven (€ 450 miljoen tot enmet 2030 en daarna structureel € 80 miljoen per jaar) voor talentont-wikkeling in de microchipindustrie.5.Voorts is door het vorige kabinet € 180 miljoen beschikbaar gesteldvoor behoud en transitie van mbo- en hbo-opleidingsaanbod in sterkkrimpende regio’s (voor het mbo en hbo is per sector € 90 miljoenbeschikbaar). Het gaat daarbij ook om opleidingen in de tekortsecto-ren.6.Voor Engelstalig opleidingsaanbod geldt dat de WIB toestaat datopleidingen die opleiden voor beroepen met een uitzonderlijk grootarbeidsmarkttekort mogen afwijken van de norm dat de opleidingstaalhet Nederlands is.7.Daarnaast is de doorstroomregeling «versterking aansluitingberoepsonderwijskolom» ook gericht op tekortsectoren. In dezeregeling zit voor 2025 € 39 miljoen, vanaf 2026 is dit bedrag structu-reel.8.De LLO-katalysator (€ 392 miljoen) en LLO onderwijsagenda dragenbij aan het vergroten van een flexibele arbeidsmarkt en flexibelonderwijs. Daarbij wordt allereerst ingezet op tekortsectoren zoals deenergie- en grondstoffentransitie.9.LLO-beleid kan daarmee bijdragen aan (1) hogere participatie eninzetbaarheid van het individu, (2) terugdringen tekorten en bevorde-ren kwantitatieve en kwalitatieve match op de arbeidsmarkt, en(3) ontwikkelen menselijk kapitaal t.b.v. transities, innovatie en groei.10.Zowel in het mbo als het hbo en wo wordt gewerkt aan een stabielebekostigingssystematiek, waardoor instellingen minder afhankelijkzijn van fluctuerende studentenaantallen en ook op langere termijnopleidingen die belangrijk zijn voor de (regionale) arbeidsmarktkunnen behouden.11.OCW investeert extra in toegankelijkere studiekeuzeinformatie(bijvoorbeeld op KiesMBO.nl en Studiekeuze123). Goede Loopbaanori-ëntatie en -begeleiding (LOB) draagt bij aan een optimale match tussencapaciteiten, affiniteiten en arbeidsmarktperspectief. Om LOB teverstevigen kunnen mbo-instellingen gebruik maken van de regelingaanvullende bekostiging LOB (jaarlijks € 32 miljoen) en bekostigingvoor oriëntatieprogramma’s (jaarlijks € 14 miljoen). Er wordt onder-zocht of (en voor wie) oriëntatieprogramma’s bijdragen aan het makenvan bestendige studiekeuzes.BIJLAGE 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118517

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0a34541cc82ec058

14 okt 2026 · b28a440441dec5fe

13 okt 2026 · 4521feb5cd8f6c01

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.