Verslag van een commissiedebat, gehouden op 30 september 2025, over Funderend onderwijs
Brontekst
Versie 6d6c8255203fbf8b · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 12 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 21 oktober 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op30 september 2025 overleg gevoerd met de heer Becking, Staatssecretarisvan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 3 juli 2025 inzake voortgangsbrief leraren-strategie juli 2025 (Kamerstuk 27 923, nr. 514);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 3 juli 2025 inzake stand van zaken instand-houding in het basisonderwijs en update regiobijeenkomsten(Kamerstuk 31 293, nr. 832);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 3 juli 2025 inzake verzamelbrief moties entoezeggingen funderend onderwijs (Kamerstuk 31 293,nr. 830);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 1 juli 2025 inzake resultaten doorstroomtoet-sen en schooladviezen 2025 (Kamerstuk 31 293, nr. 829);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 30 juni 2025 inzake rapporten in het kadervan het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie (Kamer-stuk 36 272, nr. 19);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 30 juni 2025 inzake Subsidieregeling Schoolen Omgeving 2025–2028 (Kamerstuk 31 293, nr. 828);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 4 februari 2025 inzake reactie op het advies «Eenstevige stem» van de Onderwijsraad (Kamerstuk 33 223, nr. 8);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 24 april 2025 inzake onderzoeksrapportenom tot passende ondersteuning van leerlingen en studenten inde klas te komen (Kamerstuk 31 497, nr. 496);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 maart 2025 inzake reactie op de aangenomenontraden gewijzigde motie van de leden Van Zanten en kst-36800-VIII-12ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 121 Rooderkerk over een curriculum binnen lerarenopleidingenwaarin de nadruk ligt op vakinhoud en didactiek (Kamerstuk27 923, nr. 508) (Kamerstuk 27 923, nr. 510);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 25 april 2025 inzake stand van zakenonderwijsregio’s (Kamerstuk 27 923, nr. 512);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 6 maart 2025 inzake beantwoording vragencommissie over de vijfde voortgangsbrief Masterplan basis-vaardigheden (Kamerstuk 31 293, nr. 775) (Kamerstuk 31 293,nr. 784);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 4 december 2024 inzake vijfde voortgangs-brief Masterplan basisvaardigheden (Kamerstuk 31 293,nr. 775);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 19 juni 2025 inzake zesde voortgangsbriefMasterplan basisvaardigheden (Kamerstuk 31 293, nr. 827);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 1 september 2025 inzake kerndoelenburgerschap, digitale geletterdheid en Nederlandse gebaren-taal, en implementatiefase geactualiseerde kerndoelen(Kamerstuk 31 293, nr. 833);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 17 april 2025 inzake kerndoelen Nederlandsen rekenen en wiskunde (Kamerstuk 31 332, nr. 109);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 21 maart 2025 inzake toezegging gedaantijdens het debat Wijziging van enkele onderwijswetten inverband met de verplichtstelling van een verklaring omtrenthet gedrag in het aanvullend onderwijs (Kamerstuk 36 479),over de mogelijkheid om omzetbelasting te heffen op commer-ciële bijlesbureaus en de middelen terug laten vloeien naar hetpubliek bekostigde onderwijs (Kamerstuk 36 479, nr. 16);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 3 juli 2025 inzake beantwoording vragencommissie over de toezegging gedaan tijdens het debatWijziging van enkele onderwijswetten in verband met deverplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in hetaanvullend onderwijs (Kamerstuk 36 479), over de mogelijk-heid om omzetbelasting te heffen op commerciële bijlesbu-reaus en de middelen terug laten vloeien naar het publiekbekostigde onderwijs (Kamerstuk 36 479, nr. 16) (Kamerstuk36 479, nr. 17);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 24 april 2025 inzake beleidsreactie op de periodiekerapportage cultuureducatiebeleid 2013–2022 (Kamerstuk32 820, nr. 538).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 122 Voorzitter: BeckermanGriffier: EastonAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Beckerman, Ceder, Ergin,Haage, Hertzberger, Kisteman, Rooderkerk en Uppelschoten,en de heer Becking, Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap.Aanvang 18.02 uur.De voorzitter:Goedenavond. Welkom bij de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap. We hebben vanavond een debat over funderend onderwijs.Hoewel dit de laatste Kamerweek is, is het de eerste keer dat we dezenieuwe Staatssecretaris in ons midden hebben, de heer Becking. Welkomin deze commissie.Staatssecretaris Becking:Dank u.De voorzitter:Ik stel met een klein beetje pijn in het hart voor dat iedereen in dit debatvier minuten spreektijd heeft en vier interrupties per fractie. Dan ga ik alseerste het woord geven aan mevrouw Haage. Zij spreekt namensGroenLinks-PvdA.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. In ons onderwijs kunnen kinderen elkaar ontmoeten,komen ze tot bloei en ontwikkelen ze hun talenten. We investeren in detoekomst van onze kinderen en daarmee in de toekomst van ons land. Indit brede debat over funderend onderwijs wil ik beginnen bij de begroting.Het kabinet noemt de begroting beleidsarm, maar de onderwijsbezuini-gingen lopen de komende jaren verder op tot 1,4 miljard euro per jaar. Ditzijn bezuinigingen op basisscholen en op de aanpak van kansenonge-lijkheid, terwijl goed onderwijs van groot belang is voor de toekomst. Hetgeld dat je investeert, zou je dubbel terug kunnen verdienen.Het afschaffen van de brede brugklas is zo’n voorbeeld. Daarmee haddenwe later kunnen selecteren en leerlingen langer de kans kunnen geven omop het niveau te komen waar ze passen. Op internationale scholen is datal een succes en wij schaffen het juist weer af. De onderwijskansenre-geling is misschien gered, maar de SPUK-regeling voor gemeenten wordtweer gekort. Ook op onderwijsachterstandenbeleid, waarin voor- envroegschoolse educatie en ander taalonderwijs ervoor zorgen dat je ookkunt meekomen als je bijvoorbeeld een andere thuistaal hebt, wordtgekort. Op een taalschool in Deventer waar ik laatst was, moet men al dehelft van de docenten laten gaan. Graag een reactie van de Staatssecre-taris.We betalen ook met elkaar het onderwijs op scholen met een zeer striktegeloofsleer dat kinderen aanleert dat de vrouw onderdanig is aan de man,en andere discriminerende onwaarheden over homo’s en joodse mensenaanleert. Het is misschien een kleine groep scholen, maar ik wil toch dediscussie over artikel 23, die gisteren op Nieuwsuur naar voren werdgebracht, hier voeren. In 2021 werd nadrukkelijker in de wet vastgelegddat scholen aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaatmoeten voldoen. Op voorstel van GroenLinks-PvdA en SP is destijds eenamendement aangenomen dat regelt dat scholen respect voor democra-tische basiswaarden niet alleen moeten onderwijzen, maar ook in depraktijk moeten toepassen. Kortom, het zou mogelijk moeten zijn voor deinspectie om hierop in te grijpen. Wij willen ook heel graag dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 123 inspectie dat doet. Het probleem daarbij is dat de inspectie al niet eens hetbeleid heeft om alle scholen regelmatig te bezoeken. Graag een reactievan de Staatssecretaris op deze berichtgeving. Wat gaat hij concreetdoen?De voorzitter:Als u klaar bent met het blokje over Nieuwsuur laat ik een interruptie toe.Er is een interruptie van de heer Kisteman, namens de VVD.De heer Kisteman (VVD):Gisteren kwam dat onderzoek van Nieuwsuur naar buiten. Ik hebmevrouw Haage een reactie horen geven, maar misschien kan zij hier nogeens vertellen wat GroenLinks-PvdA ervan vindt dat kinderen op scholenleren dat je als jongen niet verliefd mag worden op een jongen of dat eenvrouw minderwaardig is.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Zoals ik net zei, vind ik het verwerpelijk dat wij als overheid onderwijsbekostigen waar dit soort teksten in de tekstboekjes staan. Daarom vind ikook dat ertegen moet worden opgetreden, omdat het nooit zo zou mogenzijn dat de vrijheid van onderwijs ingaat tegen een ander grondrecht,namelijk artikel 1. Daarbij wil ik wel echt benadrukken dat het om een zeerklein aantal scholen gaat, maar desalniettemin vind ik het heel belangrijkdat de kinderen die naar deze scholen gaan geen discriminatie wordtaangeleerd en dat zij op een goede manier klaar worden gemaakt voor deontwikkeling in de wereld.De heer Kisteman (VVD):Dan zijn we het daarover eens, want dat vindt de VVD ook. Een van demogelijkheden is om de onderwijsinspectie signaalgestuurd naar scholenof het informeel onderwijs te sturen. GroenLinks-PvdA heeft hetwetsvoorstel over informeel onderwijs controversieel verklaard. Zoumevrouw Haage kunnen uitleggen waarom ze deze wet controversieelverklaren als ze dit zo belangrijk vinden?Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):De discussie over het informeel onderwijs is wat genuanceerder. Ik denknamelijk dat het heel belangrijk is dat de al overbezette inspectie zichvooral richt op het formele onderwijs, dus gewoon op onze scholen. Ik zoueigenlijk nog veel meer een verdiepende discussie willen voeren over hetinformele onderwijs en niet over één nacht ijs gaan en daar nu met eenhele korte klap in verkiezingstijd een uitspraak over willen doen. Dezorgen deel ik. Ook voor het informeel onderwijs geldt dat. Ik ben opfantastische weekendscholen geweest waar de wereld van kinderen groterwordt gemaakt. Dat kan ook over religie gaan. Maar ook daar geldt dat ikerop tegen ben als daar discriminatie wordt aangeleerd.De voorzitter:Uw derde interruptie, meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Dit gaat niet over één nacht ijs. Het is geen verkiezingstijd. Ditwetsvoorstel ligt er al langere tijd. Er zijn signalen genoeg dat er in hetinformeel onderwijs dingen gebeuren die niet door de beugel kunnen.Mevrouw Haage zegt zelf ook dat er dingen geleerd worden aan kinderendie niet kunnen. Daarom zeggen wij in het wetsvoorstel: laat de inspectiedaar signaalgestuurd onderzoek doen. Het gaat dus niet over één nachtijs. Het gaat ook niet over verkiezingstijd. Nadat het kabinet is gevallen,zegt GroenLinks-PvdA: als het puntje bij paaltje komt, vinden we hetmisschien iets minder belangrijk en gaan we het controversieel verklaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 124 Als GroenLinks-PvdA het echt belangrijk vindt, kunnen we toch gewoondie wet gaan behandelen?Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik blijf bij het antwoord dat ik net heb gegeven. We staan aan uw zijdewaar we vinden dat discriminatie niet past in welk onderwijsprogrammadan ook. We vinden het heel belangrijk om goed uit te zoeken welkemiddelen er zijn om op te treden. Daar kom ik heel graag op terug als wena de verkiezingen dit wetsvoorstel uitgebreider gaan behandelen, inplaats van nu in dit korte commissiedebat.De voorzitter:Helder. Er zijn nog interrupties van mevrouw Hertzberger, de heer Ergin ende heer Ceder. Mevrouw Hertzberger, namens NSC.Mevrouw Hertzberger (NSC):Wij zijn ook geschrokken van de berichtgeving, van de taal en deperspectieven die op scholen rondgaan. Artikel 23 mag daarvoor nietworden misbruikt. Tegelijkertijd hoor ik mevrouw Haage zeggen dat zeheel graag wil dat de inspectie aandacht heeft voor het bekostigdeonderwijs. Daar staan wij helemaal achter. Wat denkt u dat de aandachtvoor de weekendscholen zou betekenen voor de inspectie en demogelijkheid van de onderwijsinspectie om op dit soort signalen vanuithet bekostigde onderwijs in te kunnen gaan?Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Dan gaan we het toch over het wetsvoorstel over weekendscholenhebben, als de voorzitter dat toestaat. Ik vind de vraag «wat verstaan weonder informeel onderwijs?» belangrijk. De inspectie komt eigenlijk nu almaar eens in de zeven jaar op een school. Als je je kindje naar een schoolbrengt, kan het de volle zes jaar daar op school hebben gezeten, terwijl deinspectie nog nooit een bezoek heeft gebracht. Ik vind het vooralbelangrijk dat de inspectie eerst de huidige taken goed op orde heeft. Danwil ik daarna heel graag nog met u nadenken over al dat informeleonderwijs in heel pluriforme verschijningsvormen. Ik zou dan graag willennadenken over de vraag wat daar dan een goed middel voor zou zijn. Ikheb namelijk ook gezien dat er bijvoorbeeld misstanden zijn op weekend-scholen waar gemeenten een subsidierelatie mee hebben. Dan zou hetmisschien een veel betere optie zijn om de inspectie even de huidigetaken te laten uitvoeren. Misschien is er dan een rol weggelegd voor degemeenten die op dit moment subsidies geven aan weekendscholen waarecht misstanden zijn aangetoond. Misschien gaat het niet eens ommisstanden in de klas, maar om misstanden met de financiën. Dat is dannatuurlijk net zo kwalijk.De voorzitter:Helder. Is dat afdoende voor mevrouw Hertzberger? Dat is het. Dan ga iknaar de heer Ergin, namens DENK.De heer Ergin (DENK):Ik vraag me het volgende af. Ook in het openbaar onderwijs zien we dat ermisstanden zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om stereotyperingen inlesmateriaal die niet handig zijn om aan kinderen te tonen. Dan hoor ik defractie van GroenLinks-PvdA nooit zeggen: we moeten de wet opopenbaar onderwijs aanpassen en de onderwijsvrijheid van die scholeninperken. Dan hoor ik GroenLinks-PvdA altijd zeggen: we moeten hetgesprek voeren. Ik vraag me af waarom GroenLinks-PvdA gelijk spreektover het wijzigen van artikel 23 als er misstanden zijn op bijzonderescholen, maar bij misstanden op openbare scholen zegt: we moeten metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 125 die scholen het gesprek aangaan over het lesmateriaal. Ik ben benieuwdwaar dat vandaan komt.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik ben ook heel erg benieuwd waar dat vandaan komt, want ik heb dat inieder geval nog nooit gezegd. Als er in het openbaar onderwijsmisstanden zijn die tegen artikel 1 van de Grondwet ingaan, dan zou deinspectie daar net zo goed op af moeten gaan. Het kan namelijk in allevormen van bijzonder onderwijs voorkomen dat mensen een ideologiehebben die tegen de Grondwet ingaat. Het botst op dat punt in desamenleving, dus op dat punt kan het ook in het onderwijs botsen. Wehebben daar een democratisch kader voor met elkaar. Daar moeten wedat aan afmeten, want zo staat het in de wet. Eigenlijk zijn we het dus nietoneens, denk ik.De heer Ergin (DENK):Het gaat niet om wat mevrouw Haage zegt, maar om wat de woord-voerders van GroenLinks-PvdA in de afgelopen jaren over dit onderwerphebben gezegd. Als er sprake was van lesmateriaal dat tot vragen leidde,dan moesten schoolbesturen en ontwikkelaars het gesprek voeren over devraag hoe het beter kan. Bij heel veel lesmateriaal over mensen met eenmigratieachtergrond was de reactie altijd: «Dat is niet echt handig. Deontwikkelaar van het lesmateriaal gaat het gesprek erover aan en hetwordt verbeterd.» Ik heb GroenLinks-PvdA toen nooit horen zeggen datwe de wet op openbaar onderwijs moeten aanpassen, omdat de openbarescholen minder ruimte moeten krijgen om hun eigen lesmateriaal tebepalen. Dat zien we ...De voorzitter:Kom alstublieft tot uw vraag.De heer Ergin (DENK):... bij artikel 23 wel. Dat is eigenlijk waar ik op doel. Waarom moet er bijopenbare scholen altijd het gesprek worden gevoerd, en moet artikel 23ineens aangepast worden als het om bijzondere scholen gaat?Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):U legt me allemaal woorden in de mond die ik toen niet en nu niet gezegdheb. Nu zegt u weer dat ik artikel 23 wil aanpassen, zodat scholen minderinvloed hebben op hun eigen lesmateriaal. Dat heb ik hier in dit debat nognooit gezegd. Ik zeg alleen dat het de taak van de inspectie zou kunnenzijn om op te treden als er misstanden zijn zoals we die gisteren heelnadrukkelijk op televisie bij Nieuwsuur hebben kunnen zien. Daarom hebik de Staatssecretaris gevraagd om te laten weten wat de inspectie hierinkan betekenen. Het maakt voor mijn fractie niet uit of dat nou om eenopenbare school gaat of om een school met een religieuze achtergrond,een bijzondere school. Als er misstanden zijn, dan wil ik heel graag dat erwordt opgetreden. Wat u mij in de mond probeerde te leggen, vind ikeigenlijk een beetje onplezierig, want zo staat mijn fractie er helemaal nietin.De voorzitter:Helder. Ik ga vanaf nu wel iets korter zijn met de interrupties. Deantwoorden mogen ook wel wat korter. Ik ga naar de heer Ceder. Hijspreekt namens de ChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben het met mijn collega eens dat elke school veilig zou moet zijn. Ikben het er ook mee eens dat de waarden die we in Nederland kennen,aangeleerd moeten worden. Tegelijkertijd vind ik ook dat de meerderheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 126 niet kan opleggen wat de minderheid moet vinden en als levensover-tuiging moet hebben. Ik vind ook dat de minderheid het recht heeft omeen levensovertuiging aan kinderen te leren. Scholen zijn namelijk nietvan de Staat. Scholen zijn van ouders. Ouders kiezen voor scholen diepassen bij hun levensovertuiging, binnen de kaders van rechtsstaat en debasiswaarden. Het moet wel een veilige school zijn. Mijn collega zegt datde onderwijsinspectie meer ruimte moet krijgen om in te grijpen. Ik kandaar een eind in meegaan, mocht dat nu niet het geval zijn. Als er geld encapaciteit voor nodig zou zijn, dan denk ik zelfs dat de ChristenUniesamen met GroenLinks-PvdA kan kijken wat nodig is om de inspectie haartaken te laten vervullen.De voorzitter:Komt u tot uw vraag?De heer Ceder (ChristenUnie):Mijn vraag is: erkent mevrouw Haage dat een Grondwetswijziging – daarwordt namelijk heel vaak mee geschemerd en gewapperd – eigenlijk dusniet leidt tot de oplossing? De oplossing zou namelijk zijn dat de onder-wijsinspectie gaat handhaven. Een Grondwetswijziging lost ...De voorzitter:Ja, de vraag is helder. Ik ga naar mevrouw Haage voor het antwoord.De heer Ceder (ChristenUnie):... het probleem niet op.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik ben het daar helemaal mee eens.De voorzitter:Dat was kort en krachtig. Dank u wel. Dan kunt u uw betoog vervolgen. Ikgeef het woord opnieuw aan mevrouw Haage, GroenLinks-PvdA.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Dank. Ik ga over naar het lerarentekort. Wat is daarvoor nodig? Volgensmij hebben we met z’n allen een marathon te lopen om goed onderwijs-personeel aan te trekken, op te leiden en vooral te behouden. Daarinwillen wij graag sneller vaste contracten en meer zeggenschap voorleraren. Er is ook eerder een motie ingediend door de leden Pijpelink enSoepboer over het professioneel statuut. Dat zou een vastere vormmoeten krijgen. Er moet ruimte zijn voor professionalisering en doorgroei-mogelijkheden.Belangrijk daarbij zijn ook zijinstromers. De AOb maakte een mooi planmet meer ruimte om het vak te leren door mensen bovenformatief aan tenemen, alle dagen in dienst te nemen en ook volwaardiger te betalen,zodat het niet alleen een optie is voor mensen met een rijke partner; overemancipatie gesproken. Wat we zo mooi vinden aan het plan van de AOb,is dat daarin ook wordt aangegeven wat de opbrengsten zijn. Zou deStaatssecretaris daarop kunnen reflecteren?Dan kom ik op mijn laatste punt: de curriculumvernieuwing. Zeer tegen dezin van onze fractie in en ook tegen de zin van de onderwijsbonden en desectorraden in, heeft de Staatssecretaris in oktober 2024 de vernieuwingvan het curriculum met een jaar vertraagd om de geactualiseerdekerndoelen te bundelen. Inmiddels ligt het kabinet aan diggelen en komener nieuwe verkiezingen aan. Wat onderneemt de Staatssecretaris nog omop dit vlak voortgang te boeken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 127 De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Haage. Ik ga naar mevrouw Hertzberger. Zij spreektnamens Nieuw Sociaal Contract. Excuses, wat is er aan de hand? Ah, ik ziehet al. Dit is een heel sympathieke commissie, die in al haar wijsheid heeftbesloten dat de heer Ceder, die zo meteen naar een plenair debat moet,als tweede het woord voert. Excuus. Ik geef het woord aan de heer Ceder.Hij spreekt namens de ChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Veel dank aan mijn collega, mevrouw Hertzberger.Voorzitter. Kunnen wij nog van elkaar verschillen in dit land of gaat demeerderheid bepalen wat minderheden in Nederland moeten vinden?Deze vraag had ik toen ik gisteren de uitzending van Nieuwsuur bekeek.Overigens had ik die vraag ook tijdens het debat toen ik het interruptie-debat tussen de heer Kisteman en mevrouw Haage hoorde. DeChristenUnie lijkt nog een van de weinige partijen te zijn die voor vrijheidis, ook wanneer het schuurt. Wij staan pal voor de onderwijsvrijheid,vastgelegd in artikel 23. Artikel 23 zou toch een van de liberale parelsmoeten zijn aan de parelketting van bijvoorbeeld de VVD. Het was danook de heer Cornielje die zich in de Tweede Kamer als uitgesprokenvoorstander van juist de vrijheid van onderwijs presenteerde, omdat hijhet als een liberale kernwaarde beschouwde. Hij droeg zelfs altijd eengeplastificeerd kaartje met artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid vanonderwijs regelt, in de binnenzak van zijn colbert. Ik zou zeggen: goedvoorbeeld doet volgen.Voorzitter. De essentie van onderwijs is dat het nooit neutraal is, of we datnou willen of niet of erkennen of niet. Elke school draagt waarden over: dechristelijke, de humanistische en ook de openbare school. Een leraarhangt zijn overtuiging immers niet aan de kapstok voordat hij gaatlesgeven. Hoe ga je dan om met al die verschillende opvattingen in onsland? De overheid heeft hier ruim honderd jaar geleden terecht eenbesluit over genomen en gezegd: wij staan onpartijdig tegenover deverschillende levensovertuigingen in ons land en zullen zorgen voorgelijke bekostiging, want al die mensen betalen ook belasting. Dat is devrijheid van onderwijs. Dat is ook de kracht van ons onderwijsstelsel. Hetbiedt ouders volop de mogelijkheid om een school te kiezen die bij hunovertuiging past en scholen om vanuit hun overtuiging les te geven. Hetonderwijs moet kwalitatief in orde zijn, absoluut. Het moet ook binnen dewaarden plaatsvinden die we met elkaar hebben afgesproken. Als eenschool daarvoor kiest, hoort daar ook het scheppingsverhaal bij. Eenschool mag ook nog de geloofsbelijdenis van een paar eeuwen geledenlezen. Dat mag in Nederland.Voorzitter. En ja, we hebben grenzen. De Tweede Kamer bepaalt alsmedewetgever wat die grenzen zijn. Een van die grenzen is de wettelijkeburgerschapsopdracht waarin onder meer staat dat het onderwijs zichonder andere herkenbaar moet richten op het bijbrengen van respect vooren kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Eenschool moet bovendien voor iedereen een veilige omgeving zijn,absoluut. Als aan dergelijke eisen niet wordt voldaan, dan moet eringegrepen worden. Maar dan is het aan de onderwijsinspectie en nietaan de politieke partijen hier of aan de meerderheid om te handhaven. Diebevoegdheden laat ik ook daar, niet omdat ik onverschillig ben, maaromdat dat vrijheid is en een liberale kernwaarde. Daar hoeft artikel 23,zoals mijn collega Haage net zei, niet voor overhoop.Zitten er spanningen tussen grondrechten? Ja, absoluut. Grondrechtenschuren. Dat zal elke democraat en jurist met mij eens zijn. Heb ik deafgelopen jaren ook zaken gezien waarvan ik dacht: daar moet deonderwijsinspectie echt op handhaven? Ja, die heb ik ook gezien. Maar ikga er niet over. Ook dat is de democratische rechtsstaat. Dat is de manierwaarop wij hebben gekozen om te leven in een democratische rechtsstaat,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 128 in het besef dat het tussen grondrechten kan en mag schuren en ook inhet besef dat een minderheid iets anders kan en mag vinden dan demeerderheid in dit land. Met een politiek die terughoudend is en die nietbij elk nieuwsbericht de campagnemachine laat ronken, laten we dehandhaving bij de inspectie.Voorzitter. Daarom krijg ik ook graag een reactie van de Staatssecretarisop de vraag of de onderwijsinspectie momenteel ook de capaciteit en demiddelen heeft om dit voor elkaar te krijgen. Heeft hij de onderwijsin-spectie ook gevraagd wat ze ervan vindt? De onderwijsinspectie laat ineen reactie op Nieuwsuur weten dat onder meer ouders en leerlingengevraagd zijn om ongewenste situaties te melden bij de inspectie. Kaneen dergelijk meldpunt niet toegankelijker gemaakt worden? Zo werkenwe immers aan een onderwijsstelsel waarin elk kind veilig is en zichzelfkan zijn en waar, binnen de wettelijke kaders van de democratischerechtsstaat, ruimte is voor elke godsdienst en levensovertuiging.De voorzitter:Kunt u richting een afronding gaan?De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, voorzitter. Tot slot iets van een totaal andere orde. Anderhalf jaargeleden is mijn motie aangenomen om in overleg te treden met onder-wijsorganisaties om concrete afspraken te maken om het aandeel mannenvoor de klas te verhogen. Dat is belangrijk, maar sindsdien is hetbehoorlijk stil geweest. Wanneer komt er eindelijk actie van hetonderwijsveld?De voorzitter:U ben nu een halve minuut over uw tijd heen.De heer Ceder (ChristenUnie):Wat kunnen we verwachten?Tot zover. Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er een interruptie van mevrouw Rooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik wil hier wat op doorvragen. De lijn dat het aan de inspectie is om hieropte handhaven, delen wij. In de berichtgeving van Nieuwsuur lazen we welecht schokkende dingen. We lazen bijvoorbeeld dat een reformatorischschoolbestuur openlijk zegt: als een leraar een homoseksuele relatieaangaat, wordt hij ontslagen. Hoe kijkt de heer Ceder daarnaar?De heer Ceder (ChristenUnie):Het is bekend dat het aan een school met een bepaalde overtuiging is omte kijken of iemand ook daar past. Als we voor een acceptatieplicht zoudengaan, zoals D66 volgens mij voorstelt, dan kan het joodse onderwijsopdoeken, want daarvoor heb je mensen nodig die niet alleen het lesboekkunnen lezen, maar ook de joodse cultuur begrijpen en overeenkomstigde cultuur van de school die waarden naast de democratische waardenkunnen overbrengen. Zijn de grenzen absoluut? Ik heb aangegeven dat erdingen zijn waar ik anders naar kijk of die ik niet door de beugel vindkunnen. Maar, nogmaals, de organisatie die hierop moet handhaven, is deonderwijsinspectie. Het alternatief is volgens mij immers veel erger,namelijk dat we de vrijheid die we belegd hebben in de samenleving naarons toe trekken en meerderheden gaan zoeken om minderheden die ietsvinden, in een hoek te drukken. Mijn antwoord daarop is: volgens mijhebben we die vrijheid, maar de acceptatieplicht zou, denk ik, als ik deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 129 retoriek van D66 doorredeneer, uiteindelijk leiden tot het stoppen vanbepaalde bijzondere scholen. Dat zou ik een onwenselijke ontwikkelingvinden.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nou, dat weeg ik toch echt anders. In de Grondwet staat dat er nietgediscrimineerd mag worden, bijvoorbeeld vanwege geaardheid ofvanwege andere redenen waarom je naar een school zou willen gaan. Datrecht hebben we. Om te bepalen dat je dat dan niet zou mogen doen, vindik heel ver gaan. De wet is helder. In de burgerschapsopdracht staatletterlijk dat schoolbesturen moeten zorgen voor een omgeving waarinleerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd voelen, ongeachtverschillen in godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Vindtde heer Ceder dan dat scholen die wet of onze grondrechten mogennegeren?De heer Ceder (ChristenUnie):Nee, grondrechten mogen absoluut niet genegeerd worden, dus artikel 23ook niet. De misvatting van D66, of in ieder geval in deze argumentatie, isdat artikel 1 hoger zou staan dan artikel 2, 3 of 6, de vrijheid van geweten,of artikel 23. Maar dat is niet waar. Die grondrechten zijn gelijkwaardig. Zezijn allemaal even belangrijk. Dat maakt dat het schuurt. Maar dat is juistde essentie van een democratische rechtsstaat. Als ik de redenering vanD66 zou volgen, zou dat het volgende betekenen. Als ik onderwijs met eenklas met alleen jongens zou willen vormgeven, omdat ik iets willenoverdragen over meesters in de klas, dan zou ik daar niet op mogensturen. Ik neem nog een keer de joodse school. Dit zou de facto het eindevan het joodse onderwijs in Nederland betekenen. Ik hoop dat D66 zichdat ook realiseert. Ik ben het eens met mevrouw Rooderkerk dat scholeneen veilige plek moeten zijn. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar weverschillen volgens mij van mening over de vraag waar je de handhavingbelegt. Als er gediscrimineerd wordt en er sprake is van ongelijkheidbuiten de kaders van de schurende grondrechten, dan moet er ingegrepenworden. Degene die dat bepaalt, is de onderwijsinspectie en niet D66. Dathebben we zo bepaald.De voorzitter:De derde interruptie van mevrouw Rooderkerk, D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Maar hier spreekt de heer Ceder zichzelf natuurlijk compleet tegen. Hijzegt: als er gediscrimineerd zou worden, dan mag dat niet, maar ik begrijphet wel dat een school zegt «ik neem geen homoseksuele leraar aan».Sterker nog, hij begrijpt dat een school zegt: ik ontsla die leraar. Hijberoept zich op artikel 23, maar de Onderwijsraad zegt zelf: de vrijheid vanhet onderwijs stopt bij de grenzen van de burgerschapsopdracht. Ik moetdus helaas constateren dat de heer Ceder het prima vindt dat scholen dewet overtreden wanneer hun eigen opvattingen hen beter uitkomen. Endat is echt onverenigbaar met de rechtsstaat, de burgerschapsopdracht eneen veilige school voor ieder kind en iedere leraar.De heer Ceder (ChristenUnie):Er wordt me iets in de mond gelegd wat niet waar is. Als de wetovertreden wordt, moet die gehandhaafd worden. Maar waarom wordtdie niet gehandhaafd? Omdat die niet overtreden wordt! U verzint iets,mevrouw Rooderkerk, en legt iets in de waarden die scholen moetenaanleren. U verzint iets, namelijk dat er ingegrepen zou moeten worden,terwijl de onderwijsinspectie klaarblijkelijk zegt: er valt niet te handhaven,want er wordt binnen de kaders van de wet gehandeld. U zegt dat ikbuiten de wet treed, maar als dat zo is, waarom grijpt de inspectie danTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1210 niet in? Of treedt de inspectie ook buiten de wet? Of doen wij dat allemaalin de Kamer? Doen de Minister en de regering dat ook en is D66 soms deenige die de wet op de juiste wijze interpreteert?Ik ben het met D66 eens dat het schuurt. En ik zeg dit ook niet, omdat ikper se zelf die opvattingen heb. Ik hoor van gevallen op bepaalde scholen,waarvan ik ook denk: dat is niet mijn keuze en dat is ook niet mijnopvatting. Maar ik sta wel voor die vrijheid om binnen de kaders van derechtsstaat en binnen de kaders van de wet ook minderheden, ook als ikdenk dat ik daar anders naar kijk, op een veilige wijze ... Ik wil namelijkniet tekortdoen aan de misstanden die we ook in het verleden in de Kamerbehandeld hebben. Daarbinnen moeten we handelen. Maar ik deel niet deopvatting dat mijn retoriek of mijn verhaal buiten de wet zou zijn. Sterkernog, ik denk dat waar D66 mij in probeert te positioneren, er eentje is diebuiten de reikwijdte van de huidige wetgeving valt.De voorzitter:Ik denk dat het antwoord helder is. Ik ga naar de heer Uppelschoten, PVV,want hij heeft ook een interruptie.De heer Uppelschoten (PVV):Het beeld dat de heer Ceder schetst, ook in de richting van de VVD, is: hetis een parelketting met mooie parels en dat moet toch juist voor eenliberaal heel mooi zijn. Maar de vraag is nu juist of het allemaal wel parelszijn. Hij kan dan wel zeggen «dingen schuren», maar als er dingen aan dieketting zitten die niet in een parelketting thuishoren, dan mag je daar ietsvan zeggen. Gisteren werd in het debat ook gezegd: de positie vanvrouwen is anders dan die van mannen. Sterker nog, «de positie vanvrouwen is minder dan die van mannen». Die opvatting kun je welhebben, maar dat is gewoon in strijd met wat we hier in Nederland metelkaar afgesproken hebben en met hoe we hier met elkaar omgaan. Dankan er wel gezegd worden «dat staat in de Bijbel» of «het staat in deKoran en daarom vind ik dat», maar wij hebben hier als mensen metelkaar afgesproken dat we bepaalde wetten hebben. Wij hebbenafgesproken dat die afspraken met mensen, die wij wetten noemen, hogergaan dan de wetten die blijkbaar uit de Koran of de Bijbel komen. Dandenk ik: dan is het niet meer schuren, want dan staat het misschien welhaaks op elkaar.De voorzitter:Helder. Ik verzoek de heer Ceder iets korter te antwoorden dan net.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben het met de heer Uppelschoten eens dat we een probleem hebbenals er aangeleerd wordt dat we buiten de kaders van de wet moeten gaanleven. Maar volgens mij maakt hij een redeneerfout. Ik neem even hetchristelijk onderwijs als voorbeeld, omdat ik daar wat beter in thuis bendan in de andere vormen. De heer Uppelschoten zegt dat klassiekeopvattingen vanuit christelijk denken haaks staan op democratischewaarden. Ik denk dat Nederland, een democratische rechtsstaat, juist eenuitvloeisel is van die christelijke beginselen en waarden. Zo’n uitvloeisel isde menselijke waardigheid, die op elke persoon van toepassing is: man,vrouw, kind, zwart, wit. Dat je vanuit autonomie mag kiezen, is daar ookeen uitvloeisel van. En juist van daaruit lezen wij het als respect voor derechtsstaat.Als het tegenover elkaar staat, hoort de onderwijsinspectie in te grijpen,want we hebben ook met elkaar afgesproken: we leren die waarden.Daarnaast mag vanuit de eigen overtuiging ook op een bij die overtuigingpassende wijze lesgegeven worden. De heer Uppelschoten zet dingentegenover elkaar, terwijl ik stel dat uit het christelijke denken juistvoortvloeit dat je de wet respecteert en dat je de overheid respecteert. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1211 staat dus niet naast elkaar, want het vloeit er juist uit voort. Daar zit geenspanning en daar waar die wel gepakt wordt – ik ga niet mijn hand voorelke school in het vuur steken – en daar waar er misstanden zijn, moet eringegrepen worden. En de handhaving van die kaders is belegd bij deonderwijsinspectie.De voorzitter:Ik ga terug naar de heer Uppelschoten voor een tweede interruptie.De heer Uppelschoten (PVV):Ik ga niet zeggen dat er niet ingegrepen moet worden, maar ik denk tochdat het wel essentieel is dat als wij een aantal normen en waarden metelkaar afgesproken hebben ... En natuurlijk heeft het christelijke geloofheel veel bijgedragen aan een menswaardige samenleving en aanempathie voor elkaar. Dat wordt niet bestreden. Maar als er gisteren in dieuitzending gezegd wordt «de positie van mannen en vrouwen isverschillend» en «vrouwen zijn minder dan mannen», dan denk ik: dat zijnscholen die betaald worden door de overheid. Wij als overheid hebbenook iets afgesproken over hoe we met elkaar omgaan en over de positievan mensen. Dat schuurt dan niet, maar ik heb het idee: dat staat toch eenbeetje haaks ... Een beetje? Dat staat haaks op wat wij met elkaarafgesproken hebben. En daar zou op de een of andere manier iets vangezegd moeten worden. Of er zou ingegrepen moeten worden, want hetgaat toch zeker over de kwaliteit van het onderwijs? De kwaliteit van hetonderwijs zou zijn dat wij democratische waarden ook in het onderwijsoverdragen. En dit lijkt daar toch niet mee in overeenstemming te zijn.De voorzitter:Helder. En nu graag echt een kort en bondig antwoord.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben het volledig met de heer Uppelschoten eens dat als een schoolaanleert dat vrouwen minderwaardig zijn en geen of minder rechtenhebben ... Ik weet niet wat hij net precies zei. Maar dan zeg ik: ingrijpen,want het is niet waar. We hebben gewoon gelijke rechten en plichten,mannen en vrouwen. Ik heb die uitzending ook gezien en volgens mij ginghet er in ieder geval in die school over dat iedereen gelijkwaardig is. Maarzij leren ook vanuit een klassiek christelijke opvatting, in ieder geval zoalszij die zien, dat er vanuit het geloof bepaalde rolverdelingen kunnen zijnvanuit die gelijkwaardigheid. Daar kunt u van alles van vinden en daar kanik van alles van vinden, maar volgens mij wordt er niet gezegd dat ersprake is van minderwaardigheid.Het valt me toch op dat de PVV eigenlijk zegt: ingrijpen op die christelijkescholen. In een eerder debat zeiden de heer Uppelschoten en de PVVnamelijk: het gaat ons met name om islamitische scholen, want daar vindthet een en ander plaats. Daar vond ik ook wat van, maar ik weet dus nietof dit standpunt veranderd is of dat het hun toen beter uitkwam. DeChristenUnie is consequent, want de ChristenUnie zegt: de vrijheid vanonderwijs betekent ook dat daar waar het schuurt, ook bij het islamitischonderwijs, binnen de kaders ... Dat herhaal ik, want er zijn ookmisstanden, waarvan ik denk: ingrijpen.De voorzitter:Wilt u afronden?De heer Ceder (ChristenUnie):Maar dat u dit dan zo zegt, meneer Uppelschoten. U zegt: een klassiekchristelijk verhaal en ook daar moet de PVV gaan ingrijpen. Voor mij is datwel een nieuw standpunt en het zou goed zijn om dat verhelderd tehebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1212 De voorzitter:U lokt hem mooi uit. De heer Uppelschoten voor zijn derde interruptie.De heer Uppelschoten (PVV):Even vooropgesteld: we, maar ik persoonlijk zeker, staan zeer sympathiektegenover het christelijk geloof. Dat staat buiten kijf. Maar we kunnen bestwel met elkaar praten over de vraag of alle waarden die overgedragenworden in overeenstemming zijn met de democratische waarden die wijhier in Nederland hoogachten. Natuurlijk moet de meerderheid geendingen gaan opleggen aan de minderheid, maar een minderheid magmisschien ook geen dingen doen die door de meerderheid ervarenworden als dingen die haaks staan op wat wij hier met elkaar afgesprokenhebben.Het gaat niet alleen over islamitische scholen. Gisteren ging het vooralover reformatorische scholen. Die ken ik ook wel een beetje. Maar goed, ikschrok toch een beetje van wat daar allemaal verteld werd. Ik denk dan:natuurlijk mag je die opvatting hebben. En het is dus niet alleen schuren,want ik heb het idee: het staat haaks op wat wij eigenlijk in Nederland metelkaar afgesproken hebben over hoe we in ieder geval mannen envrouwen ... Ik heb het dan nog niet eens over homo’s en ik weet niet watallemaal.De voorzitter:Ik merk veel herhaling. Kunt u tot een vraag komen?De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben het met de PVV eens dat er ingegrepen moet worden wanneer ersprake is van misstanden. In dit geval wordt er gezegd dat de vrouw lagerzou zijn dan de man. U hoort mij niet zeggen «niet ingrijpen». Ik zeg«ingrijpen». Het verschil, en dat zal ik blijven verdedigen, is dat wij het inde Kamer belegd hebben waar we dat vervolgens zeggen. Sorry, zeggen?Ik bedoel: waar we dat vervolgens handhaven.Voorzitter. Ik weet dat dit een gevoelig debat is waar mensen naar kijken.Ik heb net in een debat met mevrouw Rooderkerk gezegd dat je magafwijken als iemand homo zou zijn. Dat was zo specifiek dat het iets te kortdoor de bocht was, want dat mag niet. Maar iemand moet wel met zijnlevensovertuiging bij de school passen en daar zou dit onderdeel vankunnen zijn. Maar op basis daarvan ging ik iets te kort door de bocht. Mijnexcuses ervoor dat ze dat niet zouden mogen. Misschien bedoeldemevrouw Rooderkerk dat. Ik heb haar verweten dat zij buiten de wet ietszei. In die directe lijn klopt het. Ik ben dat ook met haar eens, maar dielevensovertuiging is wel iets. En dat wil ik dus nog wel meegeven.In de richting van de heer Uppelschoten: het is belangrijk dat hij volgensmij ziet dat ... Als hij zegt dat er ingegrepen moet worden en als hij datzegt over minderheden, ook als het gaat om bijzonder onderwijs, vind ikdat hij een gevaarlijk pad inslaat. Hier kijkt de ChristenUnie echt andersnaar.De voorzitter:Commissieleden wijzen mij erop dat vier interrupties heel weinig is. Ik benbest bereid om naar zes interrupties te gaan, want dit debat is tot 22.00uur uitgeschreven. Maar de interrupties zijn zó ontzettend lang en er zit zóveel herhaling in dat ... Als u er meer wilt, dan kan dat, maar dan ga ik zeecht kort houden. Ik zie iemand die absoluut niet meer dan vier inter-rupties wil, maar verder ... Oké, we gaan naar zes, maar die zijn dan welkort.De heer Kisteman (VVD):Ik ken deze commissie sinds een jaar een beetje. Het begint altijd met vierinterrupties. Vervolgens zijn dat er te weinig en vervolgens loopt het weerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1213 volledig uit de hand, zonder dat het iets toevoegt. Laten we dan afsprekendat er in die interrupties ook geen herhalingen meer zitten en dat het dusconstant nieuwe interrupties zijn. Een aantal mensen in deze commissieheeft daar weleens moeite mee.De voorzitter:Helder. Ik ga naar mevrouw Rooderkerk, D66, voor een vierde korte enbondige interruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik ben blij dat de heer Ceder daarop terugkomt, want het mag ook echtniet. Ik wilde er eigenlijk ook al een vraag over gaan stellen aan deStaatssecretaris. Als een school tegen Nieuwsuur zegt «als iemandhomoseksueel is, dan ontslaan we die of nemen we die niet aan», dan isdat echt een heel groot probleem. Hoe kan dit dan gebeuren?Voorzitter, ik zie u kijken maar ik moet wel effe mijn zin af kunnen maken!Nu wordt het heel spannend.Het punt is natuurlijk dat een school in een uitzending zegt: wij hebbeneen democratie, maar wij geloven ten diepste in een theologie. De heerCeder zegt hier dan op «de geaardheid is dan een levensovertuiging endaarom kan het niet», maar dat is echt een glijdende schaal. De burger-schapsopdracht is heel duidelijk en onze Grondwet is ook heel duidelijk.Daar moeten we niet halfslachtig mee omgaan en daar moeten we nu ookniet vaag over gaan doen. Iedereen heeft het recht om gelijk behandeld teworden en dáár staan wij voor.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben het eens met mevrouw Rooderkerk dat iedereen gelijk behandeldmoet worden, maar ik ben het er ook mee eens dat scholen een bepaaldelevensovertuiging mogen hebben. Op basis daarvan mag je wat mijbetreft ook aannamebeleid hebben. In dit geval hebben we het over eenonderwerp, namelijk of je iemand daarop zou moeten wijzen, waarovermevrouw Rooderkerk en ik niet eens zo heel sterk van mening verschillen.Voor mij persoonlijk verschillen we daarin, denk ik, niet zo heel veel, maardaar kunnen we over doorpraten.Als je het consequent doortrekt, is D66 dan ook voor een acceptatieplichtin bijvoorbeeld het joodse onderwijs? En daar gaat het knellen, wantmevrouw Rooderkerk en ik weten beiden dat dat de facto het einde zoubetekenen van het onderwijs van een bepaalde minderheid. Ook datonderwijs wil ik verdedigen en dat maakt dat ik vrijheid van onderwijs inz’n totaliteit op zo’n manier verdedig dat ik aangeef: als er gehandhaafdwordt, dan is dat dus juist aan de onderwijsinspectie. Op het moment datde Kamer voor de capaciteit of de middelen moet bijspringen, dan moetenwe dat doen.De voorzitter:Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng vande heer Ceder. Hij heeft gesproken namens de ChristenUnie en hij zal opeen later moment het debat verlaten om aan een ander debat deel te gaannemen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Hertzberger. Zij spreektnamens Nieuw Sociaal Contract.Mevrouw Hertzberger (NSC):Voorzitter. Het is goed dat we vandaag spreken over het primair envoortgezet onderwijs. We hadden zojuist een mooi debatje, maar ik denkdat er elders ook grote problemen liggen.Voor mijn fractie, Nieuw Sociaal Contract, hebben twee punten absoluutprioriteit. Dat is ten eerste de positie van de leraar en de professioneleautonomie en ten tweede een rem op de nieuwe bestuurlijke lagen,bestuurlijke drukte en bestuurlijk papier, oftewel de onderwijsregio’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1214 Laten we beginnen met de zeggenschap voor de docent. Veel lerarenhebben het idee dat ze steeds minder controle hebben over wat hun vakinhoudt en dat hun vakmanschap onderaan staat in de hiërarchie van hetNederlandse onderwijssysteem. Ik citeer uit het rapport van de Onder-wijsraad Een stevige stem: «We leven in de bizarre situatie dat leraren vanalles over de schutting krijgen gegooid: kerndoelen, methodes, toetsen,examens. 25% van de leraren die het onderwijs verlaat, doet dat vanwegeeen gebrek aan professionele autonomie in het klaslokaal.»Allerlei pogingen om de stem van de leraar beter te verankeren en beterte organiseren mislukten jammerlijk. De Onderwijscoöperatie sneuvelde,net zoals het Lerarenregister en het Lerarencollectief. Waarom lukt ditmaar niet? Wat heeft de Staatssecretaris hiervan geleerd? De Staatssecre-taris geeft aan manieren te onderzoeken waarop zeggenschap betergeborgd kan worden. Kan hij nu duidelijkheid geven over hoe enwanneer? Wanneer gaat dit structureel gebeuren, want het beleid blijft hetklaslokaal binnenstromen, zonder dat de leraar hier enige invloed vanbetekenis op kan uitoefenen?Helaas zijn we de afgelopen jaren wederom getuige van de uitrol vanweer een nieuwe managementlaag in het onderwijs, de onderwijsregio’s.Ik moet toegeven dat ook wij zien dat, ondanks een aangenomen motievan mijn voorganger Soepboer en Don Ceder, deze uitrol gewoondoordendert. Op een gegeven moment zit er dan niets anders op dan hetmaar te accepteren. Die onderwijsregio’s zijn onvermijdelijk en wemoeten constateren dat we in die nieuwe bestuurslaag gewoon weerprecies dezelfde bestuurlijke reflexen en valkuilen zien, die je altijd ziet inhet onderwijs.We horen bijvoorbeeld met name vanuit het primair onderwijs dat deonderwijsregio’s soms dwars door al bestaande samenwerkingsver-banden heen fietsen. Hoort de Staatssecretaris deze verhalen ook en, zoja, wat kan hij hieraan doen? Heeft hij met alle verschillende onderwijsre-gio’s contact? Ziet hij waar het niet goed loopt? Welke lessen trekt hijhieruit? En waar kan hij maatwerk bieden? Erkent de Staatssecretaris dathet vrijblijvende karakter in de praktijk niet vrijblijvend is? Als deonderwijsregio zo’n € 50 per leerling van de scholen wegvangt, is het eenheel duur grapje om niet mee te doen.We zien ook dat met name in het primair onderwijs het ene bestuur meervooraan kan zitten bij het verdelen van de gelden dan het andere bestuur,bijvoorbeeld van de eenpitters. Hoe zorgt de Staatssecretaris ervoor datde onderwijsregio’s niet nog meer schaalvergroting in de hand werkendoor de regeldruk te verhogen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat dekleinere scholen in dunbevolkte gebieden ook voldoende bediendworden?Hoe zorgen we ervoor dat de onderwijsregio’s niet verder uitdijen in takenen in geld? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat ze alleen verantwoor-delijk blijven voor de gezamenlijke opleiding en de invalpool van lerarenen dat ze daarnaast niet nog eens allerhande extra taken voor zichzelf erbijgaan verzinnen?Klopt het dat het budget voor de onderwijsregio’s al gestegen is van115 miljoen euro naar bijna 300 miljoen euro? Hoe komt dit, en kan deMinister toezeggen dat er niet nog meer budget, dat bestemd is voorscholen, straks verlegd wordt naar de onderwijsregio’s?Tot slot. Wat denkt u dat met name heel slecht geregeld is in de onderwijs-regio’s? Drie keer raden! De zeggenschap van de leraar. Officieel is hetdan wel een voorwaarde voor de subsidie, maar in de praktijk betekenthet gewoon precies wat de subsidie vraagt: één leraar. Niets ten nadelevan die leraar, want: prijs de man of vrouw die naast zijn of haar drukkebaan dit werk doet. Maar de Onderwijsraad waarschuwt precies hiervoor:«De overheid lijkt al gauw te vinden dat met het spreken van enkeleleraren de stem van de leraar gehoord is.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1215 Klopt het dat maar in 11 van de 50 onderwijsregio’s een lerarenorgani-satie betrokken is? Is de Staatssecretaris het ermee eens dat echteinspraak van een gedragen en representatief georganiseerde beroeps-groep noodzakelijk is, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de professionali-sering? Dat ligt tegenwoordig namelijk ook bij de onderwijsregio’s. Wegaan toch zeker in Nederland niet de leraar professionaliseren, zonder datdie leraar zelf kan meebeslissen over het hoe en wat?De voorzitter:Kun u richting een afronding gaan?Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik ben bijna klaar. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke termijn alleonderwijsregio’s zo snel mogelijk een lerarenorganisatie aansluiten? Kanhij dit toezeggen en zal hij hierover ook aan de Kamer rapporteren?Voorzitter. Dát vinden wij van groot belang: niet meer managementlagenen niet meer bestuurlijke drukte. Geef nu echt de ruimte aan de persoondie dat goede onderwijs dag in, dag uit geeft. En dat is maar één iemand:de leraar!De voorzitter:Dank u wel. Dat was namens NSC de bijdrage van mevrouw Hertzberger.Dan ga ik naar de heer Ergin. Hij spreekt namens de fractie van DENK.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank je wel. Onderwijs is de basis voor gelijke kansen. Hetbepaalt of kinderen later hun dromen waar kunnen maken. Maar onsonderwijs staat ook onder druk. Er zijn te weinig leraren. De werkdruk ishoog en de verschillen tussen onze kinderen worden steeds groter.Voorzitter. Dan het mantra dat de school de plek moet zijn waar kinderenzichzelf kunnen zijn en waar ze zich veilig moeten kunnen voelen. Als wekijken naar hoe we in ons land de ongelijkheid hebben georganiseerd,vraag ik me oprecht af of we bezig zijn met het bouwen van daadwerkelijkgoed onderwijs of met het «hokjes en vakjes»-denken in de samenleving,dat we eigenlijk al decennialang hebben, ook op de scholen mogelijk telaten zijn.Ik wil daarom een vraag aan de Staatssecretaris stellen over hetHerstelplan kwaliteit onderwijs. We hebben echt met heel veel bombariede voorgangers van de Staatssecretaris daarover horen praten. Er washeel veel aandacht voor, maar even later hoorden we dat de onderwijs-partners zich hebben teruggetrokken. Eigenlijk hebben we daarnamaandenlang niks daarover gehoord. Kan de Staatssecretaris aangevenwat de stand van zaken is bij het Herstelplan kwaliteit onderwijs?Voorzitter. Mijn tweede punt gaat over het programma School enOmgeving. Bijna 178.000 leerlingen profiteren de komende jaren van deextra activiteiten buiten schooltijd, van een extra taalblad, even op jegemak je huiswerk kunnen maken, tot een extra les om je talenten tekunnen ontwikkelen. We zien in de Miljoenennota dat de Staatssecretariseen deel van de bezuinigingen op de kansengelijkheidsmiddelen heeftteruggedraaid. Maar voor 16.000 leerlingen die net buiten het programmaSchool en Omgeving vallen, zien we die reparatie niet. Ik zou graag aan deStaatssecretaris willen vragen hoe het daarmee staat.In de stukken van de Staatssecretaris lezen we ook nog dat hij een aantalsubsidies wil bundelen. School en Omgeving, de schoolmaaltijden en debrugfunctionaris worden vanaf 2029 samengevoegd tot één regeling. Datklinkt op zich goed, maar ik weet ook dat er onder het samenbundelen vandit soort subsidies heel vaak een verkapte bezuiniging schuilt. Ik zou tochaan de Staatssecretaris willen vragen of hij in gewonemensentaal kanuitleggen wat ik hieronder moet verstaan. Betekent dit dat de exacteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1216 hoeveelheid middelen daadwerkelijk wordt gebundeld? Of is er sprakevan een verkapte bezuiniging?Voorzitter. Tot slot wil ik graag gebruikmaken van de mogelijkheid ommijn waardering uit te spreken voor alle docenten, in het bijzonder in hetislamitische onderwijs. We hebben gezien dat de PVV onlangs een motieindiende om specifiek islamitisch onderwijs te verbieden. In het verkie-zingsprogramma van de VVD lezen we dat ze gemeenten de mogelijkheidwillen geven om islamitische scholen te blokkeren. Wat ik net in het debatmiste, is hoe belangrijk het is dat de leerkracht die voor de klas staat hetverschil maakt. Ja, aan de ene kant heb je materiaal en methodes, maaraan de andere kant heb je de leerkracht, die het verschil maakt voor deleerling.We spreken altijd heel veel waardering uit voor leerkrachten. Dat doen wein heel veel debatten. Maar we zien dat incidenten met betrekking totartikel 23 uitvergroot worden. Ik zag gisteren weer politieke partijen diehet hele islamitische onderwijs, specifiek het islamitische onderwijs, ineen kwaad daglicht stelden. Maar laten we naar de werkelijkheid kijken.We hebben ongeveer 80 islamitische basisscholen. Meer dan 1.000docenten zetten zich dagelijks in. Ik kan me echt niet voorstellen dat diedocenten, leerkrachten, ’s ochtends opstaan en denken: ik ga mijnkinderen haat en geweld aanleren. Zij zorgen ervoor – voorzitter, ik garichting een afronding – dat duizenden kinderen niet alleen kennisopdoen, maar ook een veilige omgeving krijgen om hun identiteit tekunnen uiten. Ik wil heel duidelijk mijn waardering uitspreken voor dieleerkrachten, die iedere dag weer het verschil proberen te maken. Ik roepde commissie ook op om deze docenten, deze leerkrachten, niet tewantrouwen. Ik zou graag aan de Staatssecretaris willen vragen ...De voorzitter:Meneer Ergin, nu bent u wel echt ...De heer Ergin (DENK):... om ook deze leraren te steunen, die iedere dag hun best proberen tedoen voor hun leerlingen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat er nog een interruptie is van mevrouw Hertzberger,NSC.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik wil aan de heer Ergin vragen of hij vindt dat racistisch onderwijsverboden moet worden.De heer Ergin (DENK):Wat DENK vindt over de inhoud van het onderwijs is niet iets wat in dezediscussie past. Ik vind dat politici zeer terughoudend moeten zijn,bijvoorbeeld als het gaat over lesmateriaal. Maar als u aan mij vraagt of ikstrijd tegen racisme en discriminatie, dan is mijn antwoord voor de vollehonderd procent: ja. De vraag is alleen hoe het tot uiting komt inbijvoorbeeld lesmateriaal en hoe het tot uiting komt als het bijvoorbeeldgaat om veiligheid. Maar dat is uw vervolgvraag, volgens mij.Mevrouw Hertzberger (NSC):De heer Ergin praat er prachtig omheen, want natuurlijk is hij ertegen datracisme gedoceerd wordt. Nu las ik in het DENK-verkiezingsprogrammadat al het zionisme als racistisch bestempeld moet worden. Is de heerErgin het er ook mee eens dat zionisme een belangrijk onderdeel is van dejoodse cultuur, van de joodse religie en ook van het joodse onderwijs?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1217 De heer Ergin (DENK):Ik vind het prima om hier een zionismedebat van te maken. Dat is goed.Wij doelen in het verkiezingsprogramma op de ideologie van hetzionisme. Kijk naar de basisbeginselen van het zionisme. Dat is eenentiteit, een ideologie die gebaseerd is op apartheidsdenken. In essentie ishet een ideologie die gebaseerd is op ... Ik verwijs u naar de boeken diedaarover geschreven zijn door de oprichter van het zionisme, TheodorHerzl. Hij geeft heel duidelijk aan: wij willen een eigen staat, wij willen eeneigen land en wij willen dat dat land alleen bestemd is voor Joden. Dat isniets anders dan racistisch. Dat hebben we dus in het verkiezingspro-gramma opgeschreven. Als pleiten voor een staat die specifiek voor éénbepaalde religie is niet racistisch is, hoor ik dat graag van mevrouwHertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):Het is natuurlijk gewoon complete ironie dat DENK de afgelopen jaren temaken heeft gehad met een partij die heeft geprobeerd om de islam alseen ideologie te bestempelen, als een racistische ideologie, als eengevaarlijke ideologie. Dat was natuurlijk puur anti-islamitisch, antireli-gieus. Het is complete ironie dat DENK op precies dezelfde wijze probeerthet gehele Jodendom, waar het zionisme onlosmakelijk mee verbondenis, over één kam te scheren en strafbaar te stellen. Ik ben daar echtgeschokt door. Ik denk dat met dit perspectief het joodse onderwijsinderdaad om zeep wordt geholpen, en niet alleen dat, ik denk dat ditlevensgevaarlijk is voor alle Nederlandse Joden, hoe ze ook kijken naarzionisme.De heer Ergin (DENK):Ik vind het echt bizar dat mevrouw Hertzberger hier de woorden gebruiktdat het levensgevaarlijk zou zijn voor Joden als we zionisme racismenoemen. Ik gebruik dit argument niet heel vaak, maar ik spreek heel veelJoden die tegen het zionisme zijn. Ik spreek heel veel mensen die zeggen:«Ik ben joods. Ik erken dat en ik ben trots op mijn identiteit, maar ik vindhet zionisme een gevaarlijke ideologie.» Uit naam van de ideologie vanhet zionisme wordt de genocide gepleegd die nu gaande is in Palestina.De voorzitter:Kunnen we terug naar het onderwerp van dit debat?De heer Ergin (DENK):Ik wil best terug naar het debat gaan, maar er worden mij verwijtengemaakt alsof ik tegen artikel 23 zou zijn. Dat ben ik niet. En alsof ik sectegen joods onderwijs zou zijn. Dat ben ik niet. Er wordt ook nog eensgezegd dat wat in het verkiezingspartij van mijn partij staat, levensge-vaarlijk is voor Joden. Dat is echt totale onzin. Dat wil ik graag gezegdhebben.De voorzitter:Mevrouw Hertzberger, afrondend en alstublieft iets korter, want dat waswel echt de afspraak.Mevrouw Hertzberger (NSC):Het is gevaarlijk omdat je daarmee alles over één kam scheert. Dusdaarmee zeg je: al het zionisme is gevaarlijk. Laten we teruggaan naar hetonderwijs. Zionisme is er in vele, vele verschijningsvormen. Het is eenverlangen naar een meerderheid zijn, naar ergens een joodse staathebben. Het is in de geschiedenis op heel veel verschillende maniereningevuld. Om dat allemaal over één kam te scheren, is werkelijk waar vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1218 zulk laag niveau. En ja, dat is gevaarlijk voor de joodse gemeenschap inNederland. Het is een absoluut exces in het verkiezingsprogramma vanDENK.De heer Ergin (DENK):Wat echt werkelijk waar te gek voor woorden is, is om het op deze manierte benoemen. Het spreekt voor zich. Het zionisme kan misschien ooit,twee eeuwen terug, zijn ontstaan als een streven naar een eigen staat.Maar kijk naar wat er nu gebeurt. Palestijnen worden afgeslacht. Meer dan80.000 mensen zijn vermoord vanwege het zionisme. Als we kijken naarde uitspraken van Israëlische officials ...De voorzitter:Alstublieft terug naar het onderwerp van dit debat.De heer Ergin (DENK):Maar voorzitter, ik moet wel de gelegenheid krijgen om hier antwoord opte geven. U had ook kunnen ingrijpen bij mevrouw Hertzberger.De voorzitter:Geeft u alstublieft kort antwoord.De heer Ergin (DENK):Ik ga hier wel iets langer over uitweiden, want u staat toe dat ditonderwerp hier wordt ingebracht. Dan wil ik het wel toe kunnen lichten.De voorzitter:Eén moment. Ik neem even het woord als voorzitter. Ik sta het toe zolangwe het erover hebben binnen de context van de vrijheid van onderwijs enhet funderend onderwijs, zoals het op de agenda staat. Wanneer we echtrichting een Palestinadebat gaan, moet ik ingrijpen. Zolang u antwoordgeeft binnen de gevraagde context, namelijk het funderend onderwijs, datvanavond de agenda bepaalt, en de vrijheid van onderwijs, sta ik het toe.Daar kunt u mee uit de voeten, denk ik.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, de vraag gaat niet meer over artikel 23. De vraag gaat over hetverkiezingsprogramma van DENK. Als u die vraag toestaat, wil ik daar ookgraag op kunnen reageren. Er wordt gezegd dat zionisme geen racismezou zijn. Ik kan nog talloze voorbeelden geven van uitspraken die zijngedaan en van ideologische boeken waaruit blijkt dat er letterlijk enfiguurlijk wordt gepleit voor één staat waar alleen Joden welkom zijn. Datis het zionisme. Als dat geen racisme is, als dat niet is wat we nu ziengebeuren in Palestina, met het nederzettingenbeleid en de massaslach-tingen in Gaza, weet ik het ook niet meer. Wij zeggen in ieder geval waarhet op staat. Als we dat zeggen, zeggen wij dat niet omdat wij tegenartikel 23 zijn, of tegen het Jodendom of tegen Joden in Nederland.Sterker nog, ik spreek heel veel Joden die zelf zeggen dat ze niks te makenwillen hebben met het zionisme, omdat ze het een gevaarlijke ideologievinden.De voorzitter:Helder. Ik zie dat er nog twee mensen zijn met interrupties. Ik ga ook kijkennaar de context. De vraag moet echt binnen de context van dit debatblijven. Daar zijn we vrij ruim in. Het gaat over funderend onderwijs enartikel 23, de vrijheid van onderwijs. Het mag allemaal. Maar voor anderedebatten verwijs ik echt naar de andere zalen. Dat zeg ik tegen onsallemaal, want ik weet ook hoe graag wij allemaal debatteren en daarbijde emoties niet schuwen. Als eerste is mevrouw Haage, dacht ik, endaarna de heer Uppelschoten, PVV.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1219 Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik word hier eerlijk gezegd een beetje verdrietig van, omdat ik denk dat devrijheid van onderwijs, de vrijheid voor je eigen denominatie, of dat nueen religie is of een andere levensovertuiging, niet de vrijheid van eenander moet inperken. Dat wilde ik nog even gezegd hebben. Dus als wedaarvoor staan, moeten we ook voor elkaars vrijheden instaan. Ik ben ergteleurgesteld dat dat vanavond niet lukt.De voorzitter:Wilt u daarop reageren, meneer Ergin?De heer Ergin (DENK):Voorzitter, ik hoor geen vraag. Kennelijk zou ik niet instaan voorandermans vrijheden. Ik hoor daar graag voorbeelden van. Volgens mijpleit ik hier voor artikel 23. Dat doe ik niet zomaar. Dat doe ik als iemanddie zelf onderwijswethouder is geweest en door ouders werd gebeldomdat christelijke middelbare scholen tegen ouders en leerlingen zeiden:met een hoofddoek komt u niet binnen. Ik heb toen als wethouder nietgezegd: we moeten artikel 23 afschaffen. Nee, ik heb direct een afspraakgemaakt en ik ben in gesprek gegaan met schooldirecteuren. Ik heb tegenhen gezegd: «Volgens mij is het niet verstandig als u de identiteit van uwleerlingen ontkent. Volgens mij is dat niet goed voor een veilige school-omgeving.» Ik ben blij dat het mij toen is gelukt om een volwassengesprek te voeren over gevoelige onderwerpen, over zaken zoalsidentiteit. Het ging om meerdere scholen, met meerdere incidenten, maarik heb geconstateerd dat het uiteindelijk wel goed is gekomen. Als dit eenverwijt is dat ik daarin niet volwassen zou handelen of tegen andermansvrijheden in zou gaan, dan zeg ik: ik ben niet de juiste persoon om datverwijt te krijgen.De voorzitter:Dank u wel. Helder. Dan ga ik naar de heer Uppelschoten, PVV, voor eeninterruptie.De heer Uppelschoten (PVV):Ik wilde toch weer een beetje terug naar het onderwijs en het niet heelbreed trekken. Ten eerste hebben we gezegd dat openbare scholen nietneutraal zijn. Ze hebben ook opvattingen. Maar je mag van docenteneisen dat ze zich bewust zijn van hun eigen opvattingen en dat ze, als zedingen overdragen aan leerlingen, zeggen: dat zijn mijn opvattingen en erzijn ook andere opvattingen. Dan kom ik op de stap naar de islamitischescholen. Natuurlijk moeten islamitische scholen dat ook doen, maar dan iser volgens mij een tweede stap: zijn jouw opvattingen ook de beste? Alsdat verteld wordt, vind ik dat in strijd met de democratische waarden. Dancreëer je geen vrijheid, dan creëer je iets als: wij zijn de beste. Daar hoortdan ook nog bij ...De voorzitter:Graag uw vraag.De heer Uppelschoten (PVV):Mijn vraag is: als je streeft naar vrijheid in het onderwijs, vind je dan nietdat er ook vrijheid van opvattingen moet zijn en dat daar niet bij past dater verteld wordt dat één opvatting de juiste is en dat je die eigenlijk moetaanhouden? Want als je dat niet doet ...De voorzitter:Ik denk dat de vraag helder is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1220 De heer Uppelschoten (PVV):... dan zit je niet goed in de wedstrijd.De heer Ergin (DENK):Het is maar goed dat niet de PVV, maar de onderwijsinspectie toetst of dedemocratische waarden in het geding zijn of niet, en of die wordennageleefd, bijvoorbeeld in het islamitische onderwijs. In de inspectierap-porten zie ik dat de onderwijsinspectie juist toetst op burgerschap en opeen aantal andere zaken. De onderwijsinspectie zegt zelf bijvoorbeeld overeen aantal islamitische scholen, en zelfs over sommige reformatorischescholen, dat een en ander niet in strijd is met onze basisbeginselen, metonze democratische kernwaarden. Daar kunt u een politieke opvattingover hebben. Ik weet wat de politieke opvatting van de heer Uppelschotenis, namelijk: artikel 23 is prima, behalve voor de moslims. Als we hier tocheen debat gaan voeren over of iets past binnen onze democratischekernwaarden, dan zeg ik dat het de PVV is die eigenlijk handelt in strijdmet de democratische kernwaarden, want zij zegt: iedereen maggebruikmaken van artikel 23, behalve de moslims. Volgens mij zou deheer Uppelschoten eerst naar zichzelf moeten kijken.De voorzitter:Ah, ik zie de heer Uppelschoten toch aanstalten maken.De heer Uppelschoten (PVV):De heer Uppelschoten kijkt best naar zichzelf. Het gaat om het volgende:als je vrijheid propageert, horen allerlei opvattingen gelijkwaardig te zijn.Daar hoort dus niet bij dat je één opvatting te berde brengt en zegt: wijzijn de beste en dit is de opvatting die je eigenlijk zou moeten hebben. Alsje dat doet, heb ik het idee dat je eigenlijk handelt in strijd met depluriformiteit van de democratische samenleving. Dat hoort in hetonderwijs, welk onderwijs dan ook, niet te gebeuren.De voorzitter:En de vraag is denk ik of u het daarmee eens bent.De heer Ergin (DENK):Daar ben ik het niet mee eens, omdat dat dus incidentenpolitiek is.Volgens mij zijn de leerkrachten aan zet. Zij geven iedere dag met heelveel passie en energie les. Wat ze bij bijzonder onderwijs doen, bijvoor-beeld in het islamitische onderwijs, is dat ze de islamitische waardenoverbrengen, maar daarnaast onze democratische waarden plaatsen.Daarom zien we keer op keer in onderzoeken, bijvoorbeeld over islami-tisch onderwijs, dat islamitisch onderwijs ervoor zorgt dat de leerlingendie in de klas op islamitische grondslag les krijgen zich juist steeds sneller,steeds vaker en steeds overtuigender onderdeel voelen van de Neder-landse samenleving. Dat is precies omdat op die scholen de islamitischewaarden worden aangeleerd, maar vervolgens ook onze democratischewaarden daarnaast worden geplaatst. Ik constateer dat in de inspectierap-porten van de onderwijsinspectie al heel lang wordt geconstateerd dat erop geen enkele manier sprake is van strijdigheid met onze democratischekernwaarden. Misschien is het in het verleden wel gebeurd, maar zo langheb ik niet teruggelezen. Ik heb het over de recente geschiedenis. Ik vinddat we het debat op basis daarvan moeten voeren, en niet op basis vanonze eigen vooroordelen.De voorzitter:Dank aan de heer Ergin. Hij heeft gesproken namens de fractie van DENK.Dan ga ik nu naar mevrouw Rooderkerk. Zij voert het woord namens D66.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1221 Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Elke dag staan leraren voor de klas met één doel:kinderen goed onderwijs geven. Maar goed onderwijs kan niet bestaan alsleerlingen en leraren zich niet veilig en niet geaccepteerd weten om wie zijzijn. Daarom ben ook ik geschrokken van de berichtgeving van Nieuwsuurdeze week. We zagen lesmateriaal waarin kinderen leren dat vrouwenonderdanig moeten zijn aan mannen, dat meisjes onder druk wordengezet om bedekkende kleding te dragen, dat moeders eigenlijk nietbuitenshuis zouden mogen werken, laat staan leidinggevende functiesmogen vervullen. We zagen dat kinderen te horen krijgen dat anderegodsdiensten verkeerd zijn, dat de evolutietheorie slechts een ideolo-gische opvatting zou zijn. We zagen een islamitische lesmethode metantisemitische karikaturen, met Joden als leugenaars met geheimeplannen, met geld in hun handen. We zagen opdrachten waarbij hetantwoordenmodel Joden vergelijkt met de volgelingen van Hitler, als volkdat zichzelf als beter ziet dan andere volkeren. En we zagen een reforma-torisch schoolbestuur dat openlijk zegt: als een leraar een homoseksuelerelatie aangaat, wordt hij ontslagen. Het wordt scholen toegestaan tendiepste een theocratie te willen in plaats van de democratie, zolang zemaar wat extra aandacht hebben voor de basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat, zoals het Ministerie van OCW zegt.Voorzitter. Dit kan toch niet waar zijn? De wet is helder. In de burger-schapsopdracht staat letterlijk dat scholen de basiswaarden van dedemocratische rechtsstaat actief moeten bevorderen en dat besturenmoeten zorgen voor een schoolcultuur waarin leerlingen en personeelzich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht seksuele gerichtheid, afkomstof levensovertuiging. Het ministerie reageerde met te zeggen datbotsingen tussen grondrechten erbij horen. Ik denk alleen niet datkinderen zich hiertegen kunnen verweren, dat ze deze botsende opvat-tingen van hun rolmodellen kunnen verenigen. Hoe ziet de Staatssecre-taris dat?Ik heb de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Spreekt hij zichexpliciet en een voor een uit tegen deze praktijken? Vindt hij dat dezevoorbeelden passen binnen de wettelijke burgerschapsopdracht? Gaat hijde burgerschapsopdracht straks strenger handhaven? De Onderwijsraadheeft al gezegd: de vrijheid van onderwijs stopt bij de grenzen van dedemocratische rechtsstaat. Gaat de Staatssecretaris dat principe leidendmaken? Gaat hij in het nieuwe keurmerk voor lesmethoden opnemen datlesmateriaal aan de burgerschapsopdracht moet voldoen? Zolang dit nietgebeurt, blijven kinderen en leraren overgeleverd aan een onveiligeschoolomgeving.Dat probleem komt boven op een ander groot knelpunt, klassen die tegroot zijn. Wie voor een klas van 30 kinderen staat, weet dat elk extra kindtelt. Meer ogen die aandacht vragen, meer niveaus, meer ouderge-sprekken. Leraren verlaten het vak. Een op de drie kinderen verlaat schoolzonder goed te kunnen lezen of schrijven. De Algemene Rekenkamerbecijfert dat leraren een dag per week kwijt zijn aan administratie. D66 wildat het ministerie weer stuurt op arbeidsomstandigheden, dat we kleinereklassen en minder werkdruk niet langer vrijblijvend maken en overlatenaan scholen, maar hier een doel van maken om te zorgen dat het beterwordt. Daarom stellen wij een landelijk streefgetal voor van gemiddeld 21leerlingen per klas, te beginnen waar de nood het hoogst is. Weet deStaatssecretaris hoe groot de klassen nu zijn in het basis- en voortgezetonderwijs? Ik weet dat hij net gestart is, maar dit lijkt mij toch een vraagdie te beantwoorden zou moeten zijn. Echter, dat blijkt vaak moeilijk, gekgenoeg. Deelt hij de opvatting van leraren, volgens de AOb, dat 21leerlingen ideaal is? Is hij bereid om dit te onderzoeken en leraren serieustegemoet te komen in hun oproep tot kleinere klassen?Tot slot, voorzitter. Er zijn verkiezingen in aantocht. Die gaan overopbouwen of afbreken ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1222 De voorzitter:Kunt u afronden?Mevrouw Rooderkerk (D66):... over wegkijken of handelen. D66 kiest voor opbouwen. Wij geloven dathet wél kan. Investeren in plaats van bezuinigen. Veiligheid op scholenwaarborgen en kleinere klassen realiseren, zodat iedere leraar zich kanrichten op de kern: geweldige lessen voor ieder kind, in een school waarje altijd veilig en geaccepteerd bent.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de bijdrage van mevrouw Rooderkerk namens D66.We gaan nog niet naar de buurman, want er is nog een interruptie van deheer Kisteman, VVD.De heer Kisteman (VVD):Dank aan mevrouw Rooderkerk voor haar bijdrage. Ik heb een vraag overde kleinere klassen. D66 noemt 21 als streefgetal. We hebben al eenenorm lerarentekort. Wat gaat dit streefgetal van 21 voor kleinere klassendoen met het lerarentekort dat we al hebben? Hoeveel klassen hebbenstraks geen leraar, maar zijn wel kleiner?Mevrouw Rooderkerk (D66):Het lerarentekort is groot. Het is ook niet van vandaag. Dat zien we al eenhele tijd. We zien echter niet dat het wordt opgelost. Daarom denken wijdat er doorbraken nodig zijn in het onderwijs. Een van die doorbraken iskleinere klassen. De grootste reden die leraren geven voor het verlatenvan de klas, is dat de werkdruk zo hoog is. Als er meer kinderen in de klaszitten, zeker als dat er 30 zijn, geeft dat een veel hogere werkdruk.Daarmee verliezen we dus leraren. Het is ook nog eens een misvatting datwe niet genoeg leraren hebben. We hebben 200.000 bevoegde docenten.Die staan echter niet allemaal voor de klas. Als die wel voor de klaszouden staan, zouden we klassen kunnen hebben van tien leerlingen.Maar door de hoge werkdruk verliezen we die leraren voor het onderwijs.Dat willen wij een halt toeroepen. Het vergt wat omdenken, maar je ziet inlanden als Estland, waar dit al gebeurt, dat dit ervoor zorgt dat deonderwijskwaliteit heel erg goed is. Daar is het ons om te doen. Allepraktische vragen die daarbij horen, willen wij heel graag heel veruitgezocht zien, om te zorgen dat we het ook echt voor elkaar krijgen. Diezijn heel relevant, maar we moeten ook beginnen met de stip waar wenaartoe moeten. Dat is: goed onderwijs in kleinere klassen.De voorzitter:De heer Kisteman was tegen extra interrupties, maar maakt er gebruikvan.De heer Kisteman (VVD):Als het mag, dan mag het! We houden het wel bij het onderwerp, want ikwaarschuwde u al, voorzitter. Volgens mij is het aantal leraren weltoegenomen en geldt dat ook voor de instroom van studenten op depabo. Ik denk dat de Staatssecretaris dat straks nog beter kan toelichten,want ik kan de cijfers zo snel niet vinden. Ik ben gek op omdenken, dus alsik het goed begrijp, gaan we eerst de klassen kleiner maken, dan wordthet vak interessanter en dan gaan er meer leraren komen. Totdat dieleraren er zijn, betekent dat dus dat we een lerarentekort hebben en geenleraren voor de klas hebben staan. Of ik begrijp het niet, of ik denk te verom, maar volgens mij kun je de klassen pas kleiner gaan maken als erleraren zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1223 Mevrouw Rooderkerk (D66):Ten aanzien van het eerste punt: het gaat niet goed met het aantal leraren.Een kwart van het aantal pabostudenten vertrekt binnen vijf jaar weer uithet onderwijs. Dat is ontzettend zonde, want dit zijn enthousiaste, vaakjonge leraren, die echt zin hebben om voor de klas te gaan staan maarzeggen: het gaat niet op deze manier; de bureaucratie en de werkdruk zijnte veel. Die willen wij dus behouden. Hoe willen we dat doen? Samen metde SP hebben we aan een initiatiefwet gewerkt over kleinere klassen. Demanier waarop je dat doet, is niet: van vandaag op morgen invoeren endan maar zien wat er gebeurt. Je moet dat stapsgewijs doen. Wat ik nuvraag aan de Staatssecretaris is om te kijken naar een streefdoel, om metelkaar af te spreken waar je naar streeft. Als je nieuwe klassen maakt alsschool, kijk je dan bijvoorbeeld naar het aantal leerlingen en richt je hetdaarop in. Dat betekent niet dat je nu opeens allemaal klassen gaathalveren. Het betekent dat je dat geleidelijk laat gebeuren. Overigens isdaar natuurlijk ook geld voor nodig. Er zijn allerlei zaken die hierbijkomen. Maar wat ik al zei: over deze kant moeten we wat ons betreft ...De voorzitter:Kunt u afronden?Mevrouw Rooderkerk (D66):... heel goed nadenken. Daarom vraag ik de Staatssecretaris om daaruitgebreid onderzoek naar te laten doen. Maar het doel moet wat onsbetreft duidelijk zijn. De kwaliteit van het onderwijs moet echt omhoog. Ikdenk ook dat de heer Kisteman en ik elkaar daarin kunnen vinden.De voorzitter:De heer Kisteman, voor zijn allerlaatste interruptie.De heer Kisteman (VVD):Volgens mij was dit niet echt een antwoord op mijn vraag. Volgens mijblijft gewoon staan dat het een ideaalgetal is van 21. Dat roept D66 heelhard en dan zien ze later wel waar het terecht gaat komen en hoe we daargaan komen, met welke leerkrachten we dat moeten doen en waar definanciële middelen vandaan komen. Het klinkt ideaal, maar ik denk dat er,ondanks heel veel omdenken, goed gekeken moet worden naar het plan.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, want hier ligt een uitgebreide eerdere initiatiefwet aan ten grondslag.Die is in het verleden al ingediend door de SP en D66. Deze is absoluutlezenswaardig, ook voor de heer Kisteman, als hij wil weten hoe wij datvoor ons zien. Maar het gaat dus stapsgewijs. Er zit bijvoorbeeld ook geldin die wet. Als het nu mogelijk moet worden, in de huidige praktijk, is ernatuurlijk ook gewoon geld voor nodig, want anders krijg je het niet voorelkaar. Er zijn ook voldoende lokalen voor nodig. Je moet naar al die zakenkijken. Ik hoop ook dat we wat groter kunnen denken met elkaar. Als weécht het onderwijs willen verbeteren, is het niet genoeg om door te gaanmet wat lapmiddelen en te roepen hoe erg het lerarentekort is. Danmoeten we ook echt keuzes durven te maken. Daarom doen wij ditvoorstel.De voorzitter:De laatste interruptie van mevrouw Hertzberger, NSC.Mevrouw Hertzberger (NSC):Prachtig, zo’n streefgetal. Ook voor mij is niet geheel duidelijk hoe je daarkomt, maar het is in ieder geval mooi om een streefgetal neer te zetten.We zien ook veel leraren afhaken vanwege bestuurlijke drukte, vanwegeeen heleboel extra programma’s en weinig professionele autonomie. HoeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1224 kun je volgens D66 die professionele autonomie versterken en debestuurlijke drukte er een beetje af halen?De voorzitter:Dat is een heel grote vraag, maar ik vraag toch om een kort antwoord.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is inderdaad een grote vraag. Ik heb er ook al meerdere debatten overgevoerd met onder anderen uw voorganger, de heer Soepboer. Wat wijbelangrijk vinden, is dat het leraarschap ... Ik begon mijn tekst met: eenleraar wil goed onderwijs geven. Het is aan de politiek om hen vooraldaartoe in staat te stellen en hen niet te overladen met allerlei extra takenen zaken, bureaucratie, waar ze aan moeten voldoen. Ik heb in mijnperiode in de Kamer in ieder geval altijd mijn best gedaan om daar heelscherp op te zijn. We hebben bijvoorbeeld voorgesteld om een leraren-toets aan leraren voor te leggen wanneer er nieuw beleid aankomt: helptdit jou nou of niet? Zo hebben wij legio voorstellen gedaan. Maar ik deelhelemaal dat dit natuurlijk ook een grote zorg is van leraren. Dus ookhierbij vinden wij dat er veel meer moet gebeuren om te zorgen dat hetvak van leraar aantrekkelijk is. Maar iets als kleinere klassen is daarnatuurlijk wel degelijk onderdeel van, omdat het heel veel extra bureau-cratie vraagt als je veel meer leerlingen hebt. Denk aan het invullen vanmeer volgsystemen, meer toetsen maken, et cetera.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de bijdrage van mevrouw Rooderkerk, D66. Dan ga iknaar de heer Uppelschoten. Hij spreekt namens de fractie van de PVV. Aanu het woord.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het funderend onderwijs. Ook als jede agenda van deze vergadering bekijkt, zie je een ontzettende vracht aanstukken en nota’s. Voor het gemak heb ik maar even opgeschreven waarwe het eigenlijk over hebben: de basisvaardigheden, de kwaliteit van hetonderwijs, de lerarenstrategie, onderwijsregio’s, School en Omgeving, enook nog over een stevige stem voor de mensen in het onderwijs.Het Masterplan basisvaardigheden geeft aan dat bijna alle scholen in p.o.,vo en speciaal onderwijs meedoen aan het versterken van de basisvaar-digheden. De scholen hebben de vrijheid om te bepalen aan welkebasisvaardigheden ze willen meewerken. In het verslag van het project iste lezen dat veel scholen kiezen voor lezen, schrijven en rekenen. We zijnblij dat scholen ook de noodzaak voelen om juist aan deze basisvaardig-heden te werken, want het is een schande dat een ontwikkeld land alsNederland er niet in slaagt om leerlingen zo op te leiden dat ze ten minstegoed kunnen lezen, schrijven en rekenen. De vraag die blijft hangen, isechter hoe we vaststellen of leerlingen ook de referentieniveaus gehaaldhebben. Het is mooi dat heel veel scholen – dat is een heel hoogpercentage – meedoen met het Masterplan basisvaardigheden, maar hetgaat er natuurlijk om dat we kijken of als dit mooie plan ten einde komt, ermeer leerlingen zijn die de referentieniveaus halen voor lezen, schrijvenen rekenen.Dan de kwaliteit van het onderwijs. Die wordt aangepakt met hetherstelplan voor het onderwijs. Dit is wat ons betreft nog een grotereopdracht dan de basisvaardigheden. Er moet op scholen weer gewoongeleerd worden. De scholen moeten weer de leeromgeving wordenwaarin leerlingen worden uitgedaagd en gestimuleerd om zo veelmogelijk te leren, in plaats van beziggehouden te worden. Scholenmoeten de omgeving zijn waarin het onderwijs zo goed is – dat zeg ikvooral ook tegen de Partij van de Arbeid – dat leerlingen met eenachterstand toch net zo veel kunnen leren als bevoorrechte leerlingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1225 Scholen moeten de omgeving zijn waarin docenten er trots op zijn dat zeleerlingen kunnen verheffen, waar ze de overdragers zijn van de Neder-landse cultuur, normen en geschiedenis, en waar ze de toegangspoort zijntot nieuwe en onbekende werelden. Ik hoop dat de Staatssecretaris hetdaar heel erg mee eens is.Deze benadering valt of staat met de houding van de docent. Hij vraagtniet om aandacht, maar mag deze eisen en verwachten. Als je niet willeren, dan hoor je niet in de klas thuis. Je verstoort dan als niet-lerendehet leergedrag van welwillende leerlingen. Moeten er geen scholenkomen – dat is dan de vraag – die deze positieve houding ten aanzien vanhet leren uitstralen en daardoor een kwaliteitsnorm neerzetten voor goedonderwijs?Dan de lerarenstrategie. Die maakt duidelijk dat de rol van de overheidhelaas heel beperkt is. De opleidingsinstituten moeten er zelf voor zorgendat er een beter en duidelijker opleidingstraject komt. Er moet meereenduidigheid komen in al die verschillende opleidingstrajecten, want zemoeten toch leiden tot dezelfde bekwaamheidseisen. De eisen omtoegelaten te worden tot een opleidingstraject mogen wat ons betreft beststrenger. Dit alles wordt overgelaten aan het overlegcircuit van deopleidingen in het hbo en wo. De PVV vreest dat er weer een eindelozediscussie gaat ontstaan over de kwaliteitseisen aan de opleidingen en denormen waaraan docenten moeten voldoen. Er zal wel wat veranderen,maar, meneer de Staatssecretaris, zal dit overleg ook leiden tot meer enzelfbewustere docenten, en tot docenten die de didactiek van hun vak totin detail beheersen en ook vaktechnisch heel bekwaam zijn?Ik kijk even wat ik weg kan laten, want we hebben in de discussie al eenhoop gezegd.De onderwijsregio’s zijn teruggebracht tot een vrijwillig samenwerkings-verband dat een eigen overlegstructuur kiest en lean-and-mean moet zijn,omdat ze zo veel mogelijk middelen ten dienste moeten laten komen vanhet primaire proces en de leerlingen. Het is van groot belang dat scholenwerken vanuit een solidariteitsbeginsel en niet vanuit een concurrentie-overweging. De scholen zullen allemaal te maken blijven krijgen metlerarentekorten. Meneer de Staatssecretaris, er is behoefte aan creatieveoplossingen. Kunnen zijinstromers en gepensioneerden worden overge-haald om toch in het onderwijs te gaan werken of te blijven werken? Het isniet denkbeeldig dat er een extra overleglaag komt tussen de schoolbe-sturen en de opleidingsbesturen, een bestuurslaag die de problemen voorde scholen niet gaat oplossen en niet zal leiden tot creatieve oplossingen,maar tot meer bestuurlijke drukte.De PVV is blij met de aandacht voor en met de plannen en projecten die erlopen in het funderend onderwijs, ook al zijn we bezorgd over hetpraatcircuit, dat vergroot zal kunnen worden en niet alleen naar eenoplossing zoekt, maar ook een gemeenschappelijk verborgen doel heeft.Dat heb ik namelijk vaak gemerkt in mijn leven in de onderwijswereld ...De voorzitter:Kunt u richting de afronding gaan?De heer Uppelschoten (PVV):Ik ben bezig. De autonomie van alle betrokkenen mag niet of nauwelijksaangetast worden. Dan maar liever lang praten.Dan de laatste opmerking. Als je al die nota’s ziet, zou de Staatssecretarisdan niet de eis kunnen gaan stellen dat als die nota’s geproduceerdworden of dreigen geproduceerd te worden, de volgende vragen gesteldmoeten worden? Leiden die nota’s echt tot beter onderwijs? Leiden dienota’s tot meer leraren?De voorzitter:Laatste zin.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1226 De heer Uppelschoten (PVV):Leiden die nota’s tot betere leraren, tot meer leren door leerlingen en totmeer werkplezier van docenten? Dat is het grootste probleem als het gaatom meer leraren in het onderwijs krijgen.De voorzitter:Dank u wel.De heer Uppelschoten (PVV):Daar sluit ik mee af.De voorzitter:Bijna een minuut over tijd. Dank u wel, meneer Uppelschoten. U heeftgesproken namens de PVV. Ik verzoek u om de microfoon even uit tedoen, zodat alle aandacht en camera’s naar de heer Kisteman gaan. Hijspreekt namens de VVD. Aan u het woord, meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Dank u wel, voorzitter. De wereld om ons heen verandert snel. Wat onzekinderen moeten kunnen als zij van school af komen, is alweer heelanders dan tien jaar geleden. Tot tevredenheid van de VVD heeft hetkabinet met volle focus ingezet op basisvaardigheden als lezen enrekenen, maar ook digitale geletterdheid. De digitalisering van onzesamenleving zet zich in een rap tempo door, maar de ontwikkelingen gaanveel sneller dan het onderwijs kan bijbenen. Sterker nog, we lopen achterin vergelijking met andere landen in Europa. De VVD vindt dit zorgelijk,juist omdat hier veel kansen liggen voor een land als Nederland.Recent zijn de kerndoelen van digitale geletterdheid opgeleverd. Het debatover deze kerndoelen kan in de Kamer worden gevoerd, maar zelfs als deKamer er niks mee doet, treden deze kerndoelen pas medio 2027 inwerking. Wat de VVD betreft mag er veel meer prioriteit komen. Mijnvraag aan de Staatssecretaris is dan ook: kan dit niet sneller? Zo niet,kunnen er dan nu al stappen worden genomen zodat deze kerndoelenstraks sneller geïntegreerd kunnen worden? Het herzien van dekerndoelen voor het lezen en rekenen heeft twintig jaar geduurd. Laten weniet dezelfde fout maken door langdurig te debatteren over dezekerndoelen en alvast een aantal stappen nemen. Hoe kijkt de Staatssecre-taris hiernaar?Voorzitter. Op mijn initiatief is er een kwaliteitsalliantie gestart die onderandere als doel heeft om structureel te reflecteren op de kerndoelen. Ikzou graag van de Staatssecretaris weten hoe hij de kerndoelen voordigitale geletterdheid hierin gaat onderbrengen. Daarnaast zou ik graagwillen weten of en hoe het onderwijs zo snel mogelijk met de kerndoelenaan de slag kan en hoe de kerndoelen gaandeweg verbeterd kunnenworden. Ook wil ik weten welke rol hij hierin ziet voor de kwaliteitsalli-antie. Elke stap die we nu al kunnen zetten voor een versnelling van hetproces, is mooi meegenomen. Is de Staatssecretaris het met de VVD eensdat we nu al stappen moeten gaan zetten en niet moeten wachten tot dekerndoelen definitief zijn?Een veranderende wereld vraagt om flexibele leerkrachten die continu aanprofessionele ontwikkeling doen. Als we willen dat onze leerlingen goedworden onderwezen in digitale geletterdheid, dan moeten onze lerarenhier goed in opgeleid zijn. Dit betekent dat er op twee plekken iets moetgebeuren. Toekomstige leraren zullen op de pabo onderwijs moetenkrijgen in digitale geletterdheid en huidige leraren moeten wordenbijgeschoold. Ik wil van de Staatssecretaris weten hoe digitale gelet-terdheid zo snel mogelijk aan het curriculum van de pabo kan wordentoegevoegd. Daarnaast wil de VVD dat er een gedegen ontwikkelplankomt om leraren te trainen in digitale geletterdheid. Wat ons betreft zouhet ministerie hier de kar in moeten trekken en met spoed een trainingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1227 moeten gaan aanbieden. Deze heeft het ministerie tenslotte al voorbestuurders en schoolleiders. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar enwelke rol ziet hij hierin voor het ministerie?Voorzitter. Dan meertaligheid op school. Dat de wereld verandert, zien weniet alleen aan de snelle digitalisering op scholen. Het leerlingenbestandis nu meer divers dan ooit, met leerlingen die thuis een andere taalspreken. Toch bekijkt mijn fractie het recente advies van de Onderwijsraadover meertaligheid op school met een opgetrokken wenkbrauw. Onder-wijstaal en thuistaal zijn wat mijn fractie betreft twee verschillendedingen. Waar de Onderwijsraad pleit voor meer ruimte voor meertaligheidop school, vindt de VVD dat niet per se wenselijk. Ik vraag de Staatssecre-taris dan ook hoe hij dat ziet. Leidt deze benadering van meertaligheidvolgens hem niet tot problemen met bijvoorbeeld de onderwijsdoelen,extra belasting van leraren en complexiteit van het toetsen? Ziet hij net alsde VVD een risico op segregatie of groepsvorming?Daar wou ik het bij laten, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dat was keurig binnen de tijd; dat mag ook gezegd worden.Dan ga ik naar een interruptie van mevrouw Haage, GroenLinks-PvdA.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik zat de inbreng van de VVD eens even af te wachten, want ik hoorde ookuw eigen kritische noten richting D66 over het lerarentekort. Ik dacht: nou,dan komt er van de VVD ook een vlammend betoog of actie om hetlerarentekort aan te pakken. Maar daar heb ik echt niets over gehoord. Uwpartij levert nota bene in dit kabinet de Staatssecretaris. Wat heeft de VVDgedaan tegen het lerarentekort?De heer Kisteman (VVD):Volgens mij staat het ons vrij om zelf te bepalen wat wij inbrengen en hoewij interrumperen, maar dat geheel terzijde. Volgens mij is de pabo juistaantrekkelijk gemaakt en stijgt het aantal aanmeldingen bij de pabo. Daarheeft de VVD zeker voor gezorgd. De lonen zijn bijvoorbeeld gestegen inhet primair onderwijs, omdat er een betere aansluiting is op hetfunderend onderwijs. Werken in het onderwijs wordt beter beloond. Ik hebde tabelletjes op mijn kamer hangen. De VVD heeft dus heel veel gedaanom werken in het onderwijs aantrekkelijk te maken. Daar zijn belangrijkestappen in gezet. Er kunnen nog stappen worden gezet, maar die zijn ookzeker gezet de afgelopen termijn.De voorzitter:Is dat afdoende, mevrouw Haage? Nee? Nog een vervolginterruptie.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Dus u heeft een cao afgesloten. Dan nog even terugkomend op demeertaligheid. Als u zich daar iets meer in verdiept had, dan had ugeweten dat als je je thuistaal al goed kent en daar ook in onderwezenwordt, die meertaligheid er juist voor zorgt dat je het Nederlands veelbeter en sneller kan oppikken. Je hebt dan namelijk al haakjes naar hetrijke taalaanbod in je eigen taal, waardoor je het Nederlands ook veelbeter leert. Waarom volgt u daarin niet de kennis die de wetenschap onsdaarover biedt, vraag ik via de voorzitter.De heer Kisteman (VVD):«Als u zich iets meer had verdiept in het onderwijs ...» Sorry, mevrouwHaage, maar ik wil u even uitleggen wie hier de cao afsluit. Dat doen wijniet, maar dat doen de bonden die hier onder andere op de tribune zitten.Gaat u mij alstublieft niet iets verwijten wat ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1228 De voorzitter:Zou u willen ...De heer Kisteman (VVD):... mevrouw Haage überhaupt zelf niet weet. Waar het ons om gaat, is datals wij meertaligheid gaan toestaan op scholen ... Daar stellen wij ook devolgende vragen bij. Gaat het niet juist zorgen voor meer complexiteit ennog meer druk bij leraren? Gaat het er niet voor zorgen dat we nog meerdiverse toetsen en examens moeten gaan afnemen? Gaat het niet zorgenvoor extra belasting? Dat willen we juist niet, want we willen juist – datben ik volledig met mevrouw Rooderkerk eens – dat het bijvoorbeeld deeerste vijf jaar interessant blijft om die leraren op school te houden en dater niet meer werkdruk komt. Die vragen stellen wij nu ook. De Onder-wijsraad pleit hiervoor. Daar hebben wij vragen over en daar zetten wijvraagtekens bij.De voorzitter:Ik zie dat uw antwoord een heleboel interrupties uitlokt. Ik ga naar de heerErgin van de fractie van DENK.De heer Ergin (DENK):Ik was benieuwd of de heer Kisteman van de VVD ... Ik heb hier heel veelonderwijsdebatten gevoerd met woordvoerders van de VVD, maar ik hebbijvoorbeeld nog nooit een pleidooi tegen tweetalig onderwijs gehoord.We weten dat er op heel veel scholen in Nederland in het Nederlands enEngels les wordt gegeven. Is de VVD ook tegen tweetalig onderwijs,aangezien de VVD nu best wel veel grote vraagtekens plaatst bij eenadvies van de Onderwijsraad?De heer Kisteman (VVD):Nee, het gaat niet specifiek over het Engels. Het gaat erom dat kindereneen thuistaal en de Nederlandse taal hebben. Als ze het onderwijs in diebeide talen gaan geven, kan dat dus zorgen voor extra werkdruk, extratoetsen of meer complexiteit. Die vraagtekens zetten wij bij het advies vande Onderwijsraad. Wij vragen aan de Staatssecretaris hoe hij hiernaarkijkt.De heer Ergin (DENK):Zou het niet zo kunnen zijn dat als je juist de identiteit van het kind, en dusde thuistaal, erkent in plaats van verbiedt, zoals ik op school hebmeegemaakt, je kinderen krijgt die zowel het Nederlands als andere talenveel beter spreken en daardoor meertalig veel meer kunnen bijdragen aanNederland? Als je daar ruimte aan geeft en ervoor zorgt dat een kind datal een rijke soort van rugzak heeft met heel veel woorden, maar dan ineen andere taal ... Ziet de VVD dat op die manier of zegt de VVD: nee, wedoceren alleen in het Nederlands en met alle andere talen willen we nikste maken hebben?De heer Kisteman (VVD):Wij vragen ons af of het handig is als je meerdere talen in één school-gebouw gaat geven, of dat wel werkt voor de leerkrachten en of dewerkdruk van die leraren niet gaat stijgen. Daarom vragen wij ons af ofdat nuttig is. Ik weet dat het handig of beter is als kinderen thuis demoedertaal goed spreken. Ik weet dat je daardoor makkelijk andere talenleert. De vraag is alleen of je dat onder hetzelfde onderwijsdak moet gaantoevoegen. Daar zetten we onze vraagtekens bij.De voorzitter:Helder. Ik zag dat zowel mevrouw Rooderkerk als de heer Uppelschotenwillen interrumperen. Mevrouw Rooderkerk van D66 was eerder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1229 Mevrouw Rooderkerk (D66):Mijn vraag gaat over het curriculum. Ik hoorde de heer Kisteman eengloedvol betoog houden over dat het belangrijk is dat we sneller gaan zijnmet het invoeren van het nieuwe curriculum. Toen brak toch mijn klomp,want het was toch echt de VVD-Staatssecretaris Mariëlle Paul die ertoebesloten heeft om het curriculum, dat vorig jaar gewoon helemaal klaarwas, uit te stellen, waardoor we het nu nog steeds niet hebben, waardoorwe het nog steeds niet kunnen behandelen, waardoor zelfs de onderwijs-inspectie zegt: we kunnen dat curriculum pas in 2031 gaan handhaven.Wat is dan het pleidooi van de heer Kisteman? Dan spreekt hij tochhelemaal zijn eigen partijlijn tegen?De heer Kisteman (VVD):Mijn oproep ging volgens mij over de kerndoelen van digitale gelet-terdheid. Ik vroeg om daar vaart achter te zetten. Het was de wens van deoude coalitie om het aan te passen. Dat heeft voor een jaar vertraginggezorgd. Daar zijn wij akkoord mee gegaan. Tegelijkertijd heb ik ook dekwaliteitsalliantie naar voren gebracht. Die moet er juist voor zorgen datwe sneller en gaandeweg kunnen evalueren, zodat het niet meer twintigjaar hoeft te duren en die processen à la het Vlaamse model veel beter opelkaar afgestemd worden. Het doel is dat we de kerndoelen en hetcurriculum van het onderwijs gaandeweg, continu blijven evalueren.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk, dit is uw laatste interruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):We kunnen pas evalueren als die kerndoelen er zijn, en die zijn er dus nogniet. Die vertraging is dus echt, echt, echt heel slecht geweest, omdat weweten – dat weet ook de heer Kisteman – dat het heel slecht gaat als eenop de drie kinderen van school komt zonder goed te kunnen lezen ofschrijven. Die nieuwe kerndoelen helpen om daar verbetering in aan tebrengen, om te zorgen dat we lesmateriaal krijgen volgens de laatstewetenschappelijke inzichten en om te zorgen dat leraren weten welkekerndoelen zij moeten onderwijzen.De voorzitter:Kunt u richting een vraag gaan?Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is ook nog eens relevant omdat wij het hier vandaag hebben over watwe in een uitzending van Nieuwsuur hebben gezien ten aanzien van hetburgerschap. We wachten ook op de nieuwe kerndoelen voor burger-schap, want ook die zorgen ervoor dat het veel duidelijker wordt watscholen daarin moeten onderwijzen. Ik ben het er helemaal mee eens dater niet langer vertraagd moet worden. Maar dat is wel echt te danken aanhet kabinet, met daarin ook de VVD.De voorzitter:Meneer Kisteman van de VVD, wilt u reageren?De heer Kisteman (VVD):Volgens mij is dat dus een van de redenen dat we op mijn initiatief diekwaliteitsalliantie in het leven hebben geroepen. Dat hebben we gedaanzodat dit soort processen niet meer jarenlang duren, maar we gewoongaandeweg, constant evalueren. Ik denk dat dat volledig aansluit bij deoproep van mevrouw Rooderkerk.De voorzitter:De heer Uppelschoten, PVV. Dit is uw laatste.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1230 De heer Uppelschoten (PVV):Helaas. Ik wil nog even iets opmerken over meertaligheid. Ik begrijp hetbetoog van de heer Kisteman. Hij zegt: het is ingewikkeld om op scholente organiseren dat er in twee talen onderwezen wordt. Ik begrijp eigenlijkdat als je een thuistaal hebt en je Nederlands leert op school ... Je kuntzeggen: dat is leuk, twee talen. Maar het probleem is dat Nederlands welde voertaal is op school en je het Nederlands goed moet begrijpen om tekunnen begrijpen wat er verteld wordt. Ik maak helaas niet vaak mee datleerlingen die een thuistaal hebben daardoor het Nederlands beterbeheersen en beter in staat zijn om de lessen op school te volgen. Ik hebeerder het idee dat het tegenovergestelde waar is. Het is een heel positiefverhaal ...De voorzitter:En uw vraag?De heer Uppelschoten (PVV):... maar is dat wel zo?De voorzitter:Het is een beetje een bijzondere vraag om aan de heer Kisteman testellen, maar vooruit.De heer Kisteman (VVD):Inderdaad. Ik snap de vraag niet echt. Mijn pleidooi ging over meerta-ligheid op school. Dat ging niet over het Nederlands, het Engels of weet ikwat. Het gaat om meerdere talen. Het gaat erom dat wij er gewoonvoorstander van zijn om het onderwijs in het Nederlands te houden en dethuistaal daar niet aan toe te voegen. We zetten onze vraagtekens bij hetadvies van de Onderwijsraad.De voorzitter:Dank aan de heer Kisteman van de VVD voor zijn bijdrage. Ik kijk ofmevrouw Haage het voorzitterschap wil overnemen, zodat ik ook eenbijdrage kan leveren.Voorzitter: HaageDe voorzitter:Ja. Het is zeker heel fijn dat ik het woord mag geven aan mevrouwBeckerman van de SP.Mevrouw Beckerman (SP):Dank u wel, voorzitter. Ik had me er niet helemaal op voorbereid om voorte zitten. Ik heb ook af en toe een beetje spijt van de keuze dat ik mij hebopgeworpen, hoewel het een leuk debat is. Maar het scheelt wel dat er alheel veel dingen gezegd zijn in dit debat. Ik kan dus ook wat sneller doormijn tekst heen, want ik denk dat er al veel nuttige vragen zijn gesteld.Toen ik deze tekst maakte, zat ik een beetje te twijfelen, want dit is toch hetlaatste debat over funderend onderwijs. Moet je nou de balans opmakenna deze twee jaar, deze kabinetsperiode? Ik werd er eigenlijk vrij verdrietigvan toen ik dat ging doen. Dat heeft te maken met het volgende. Is hetstilstand? Is het achteruitgang? Er wordt hard bezuinigd, wat vooral deongelijkheid dreigt te vergroten. Tegelijkertijd is het heel mooi dat dooréén motie een natuurlijk heel pijnlijke bezuiniging nu gelukkig ongedaanwordt gemaakt. Maar we zien ook dat heel veel bezuinigingen wel in deboeken blijven staan, bezuinigingen die vooral leerlingen uit armeregezinnen harder dreigen te raken. Het grote uitblijven is wat de SP betreftnatuurlijk een echt fundamenteel debat over onderwijs en hoe we het echtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1231 zo gaan vormgeven dat we niet blijven dalen op al die lijstjes en vooral inkwaliteit.Wij willen dan toch een lans blijven breken voor de kleineklassenstrijd, destrijd voor de kleine klassen, als onderdeel van een groot pakket, waarbijwe, wat de SP betreft, stoppen met de lumpsumfinanciering, waarbij wezorgen dat geld voor onderwijs weer echt naar onderwijs gaat, waarbij wezorgen dat leraren veel meer zeggenschap krijgen. Ik vond ook hetpleidooi van mevrouw Hertzberger daarover mooi. Ik streep de stukjesweg die ik had geschreven over de onderwijsregio’s, want daar was ik hetzeer mee eens. Die kleineklassenstrijd is voor ons cruciaal, die kleineklassen. Ik hoor dat er steeds gezegd wordt: ja, maar er zijn zo weinigleraren. Dat klopt. Maar stel dat we het niet doen, dus dat we niet gaanstarten op kleine schaal en eerst op een paar plekken met kleine klassen.Wat gebeurt er dan? We zien nu dat juist door de grote klassen, door dehoge werkdruk, door de grote administratieve lasten leraren afhaken. Endan kun je nog een keer zeggen: zie je, dan moeten we de klas weer grotermaken. Dan is de werkdruk weer hoger en haken er weer leraren af. Danwordt de klas weer groter, wordt de werkdruk hoger en haakt weer eenleraar af. Die stroom moeten we doorbreken en wij denken dat dat kandoor onder andere te gaan voor een wettelijk maximum voor de klassen-grootte, te beginnen juist op plekken waar het echt heel hard nodig is,waar die kleine klas echt kan bijdragen aan beter werk voor de leraren enbeter onderwijs voor de leerlingen.Daarbij wil ik nogmaals opmerken dat 62.000 bevoegde leraren nu nietvoor de klas staan en deels ook weer overtuigd kunnen worden. DeUniversiteit Maastricht zocht het uit en zei: juist als je zorgt voor kleineklassen en een goede beloning, maar zeker ook voor die kleine klas enweinig bureaucratie, dan kun je echt het verschil maken en mensenterugtrekken. Er is al op gewezen, maar ik vond de factsheet voor dezijinstromers en de plannen van de AOb heel nuttig. Ik denk dat wedaarmee echt mensen kunnen motiveren om dat fantastische werk in hetonderwijs te gaan doen. Ik zou daar ook graag nadrukkelijk nog eenreactie op willen vragen, net als op ons plan voor de kleine klassen. Ik hebiets gezegd over de zeggenschap voor leraren. Dat is niet alleen maarbureaucratie wegsnijden – dat is denk ik cruciaal – maar ook echt dieautonomie een goed fundament geven.Er is al heel veel gezegd over de Nieuwsuuruitzending. Ik wil daar nog éénvraag aan toevoegen, heel kort. We hebben eerder een debat gehad overde inspectie en de problemen daar. Ik zou de Staatssecretaris willenvragen of het inmiddels op orde is, zodat er ingegrepen kan worden opplekken waar dat nodig is.Daar laat ik het bij. Dank u wel.De voorzitter:U was een minuutje over de tijd.Mevrouw Beckerman (SP):Nee! Ik kan de klok zien.De voorzitter:Nee, ik kan dat helemaal niet zien. Ik heb u juist even de ruimte wil geven,omdat u geen interrupties kon doen door uw voorzitterschap. Dus dankaan de SP voor de inbreng. Volgens mij kunnen we even schorsen. Nee?O, moet ik het voorzitterschap even teruggeven? Oké. Dan geef ik gewoonhet voorzitterschap weer terug aan de voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1232 Voorzitter: BeckermanDe voorzitter:Ja. Ik heb namelijk al overleg gehad met de nieuwe Staatssecretaris en diezit nog wel boordevol energie. Hij stelde voor om een kwartier teschorsen. Ik denk dat dat heel erg kort is, gezien de looptijden. Dus ik steltwintig minuten voor. Dan komen we om 20.00 uur weer terug. Ik schorsde vergadering dus tot 20.00 uur en dan kunnen we zien hoeveel energiede Staatssecretaris heeft. Succes.De vergadering wordt van 19.40 uur tot 20.00 uur geschorst.De voorzitter:Goedenavond. Als het iets rustiger kan zijn op de tribune en in de zaal,dan heropen ik het debat Funderend onderwijs. Welkom terug bij de vastecommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wij heten de nieuweStaatssecretaris, de heer Becking, welkom in ons midden. We hebbengezien dat hij een man van zijn woord is, want 20.00 uur terug is ook echt20.00 uur terug. Hij heeft een inleiding en gaat daarna in enkele blokjes devragen beantwoorden. Hij zal zo even de blokjes voor u opnoemen. Ik stelmijn medecommissieleden voor dat we dit keer wel echt gaan voor vierinterrupties. We gaan het nu ook niet uitbreiden, zodat we straks ruimtehebben voor een tweede termijn. Zelfs de heer Uppelschoten kijkt mijvrolijk aan, dus ik denk dat iedereen helemaal akkoord is. Dan geef ik hetwoord aan de Staatssecretaris, de heer Becking. Wilt u alstublieft eersteven de blokjes noemen?Staatssecretaris Becking:O, eerst de blokjes. Het eerste blokje gaat over burgerschap, inclusiefNieuwsuur. Het tweede blokje gaat over leraren. Dan komt er een blokjeover kwaliteit en digitalisering. Het vierde blokje is het blokje overig.De voorzitter:Helder. Dan geef ik u het woord voor uw inleiding.Staatssecretaris Becking:Dank, voorzitter. Allereerst wil ik u en uw commissieleden graag bedankenvoor uw bijdragen in de eerste termijn en in de afgelopen kabinetspe-riode. Onderwijs loopt als een rode draad door het leven van mijzelf envan mijn familie. Mijn vader werkte 40 jaar als directeur in het basison-derwijs. Mijn schoonouders stonden allebei voor de klas. Thuis zie ik mijnkinderen hun weg zoeken in de school en de studiebanken. Die ervaringenzijn ook mijn drijfveer als Staatssecretaris. Iedereen verdient een eerlijkekans en een goede toekomst. Je moet als leerling goed leren rekenen,goed leren schrijven en goed kunnen lezen. Samen met iedereen in hetonderwijs heb ik mij dan ook de afgelopen weken ingezet om de kinderenen jongeren een stevige basis mee te geven in een veilige omgeving.Die is cruciaal, zowel op school als daarbuiten. Ik zet me daar hard voor in.Veel van u hebben gewezen op de uitzending van Nieuwsuur vangisterenavond, die ik uiteraard zelf ook gezien heb. Ik vind het goed omhier maar meteen aan te geven dat de veiligheid van iedere leerlingvooropstaat. Ook bij een spanning tussen waarden en rechten, staat deveiligheid van de leerling bij mij voorop. Je moet kunnen zijn wie je wiltzijn. Je moet kunnen worden wie je wilt zijn. Je moet kunnen houden vanwie je wilt. Alle scholen zijn alweer bijna een maand geleden begonnen. Ikwens alle leerlingen en al het schoolpersoneel een mooi en succesvol jaartoe. Het kabinet is dan wel demissionair, maar de scholen natuurlijk niet.Iedere dag gaan bijna 2,3 miljoen leerlingen naar school. Net als u vind ikhet absoluut noodzakelijk dat we op alle scholen goed onderwijs geven,want dat draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen en daarmee aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1233 de toekomst van Nederland. Om dat alles mogelijk te maken, hebben wede afgelopen tijd belangrijke stappen gezet. Het is geweldig dat we hiermet alle betrokkenen uit het onderwijsveld stevig de schouders onderzetten. Samen met het onderwijs heb ik gewerkt aan het verbeteren vande basisvaardigheden van leerlingen en aan meer goede leraren enschoolleiders. Leraren, ondersteunend personeel, schoolleiders enschoolbestuurders werken dagelijks met hart en ziel om de uitdagingenhet hoofd te bieden en hun leerlingen de best mogelijke basis te gevenvoor het leven en de samenleving. Dat zeg ik ook in de richting van deheer Ergin.Ondanks al dat harde werk staat het onderwijs voor grote uitdagingen. Detekorten bestaan nog steeds en te veel leerlingen kunnen niet goed lezen,schrijven en rekenen. Dat is alle reden om met elkaar stevig door tepakken. Ik kijk er dan ook naar uit om met u van gedachten te wisselen opeen aantal belangrijke onderwerpen. Denk daarbij aan de curriculum-herziening in november en het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs.Voorzitter. Dan kom ik nu bij het eerste blokje.De voorzitter:Gaat u gerust verder met het eerste blokje.Staatssecretaris Becking:Mevrouw Haage van GroenLinks-PvdA vroeg of de inspectie wel goedgenoeg zicht heeft op casussen die Nieuwsuur noemt. Zij vroeg ook wat ikga doen. Met de aanscherping van de burgerschapsopdracht in 2021 heeftde inspectie meer mogelijkheden gekregen om in te grijpen op scholenwaar dit niet goed gaat. Dat doet de inspectie ook. Verreweg de meesteherstelopdrachten worden gegeven op de nieuwe standaard basisvaardig-heden, en daarbinnen voor burgerschap. Vanaf dit schooljaar telt dezestandaard ook mee in het eindoordeel van scholen. Dat is, denk ik,belangrijk. Het toezicht is wat dat betreft dus aangescherpt. Daarnaasthebben scholen de wettelijke taak om te zorgen voor een veilige leerom-geving.Om zicht te hebben op onveilige situaties en te kunnen helpen, heeft deinspectie ook vertrouwensinspecteurs. Uit een recente brief aan uw Kamerblijkt dat er steeds meer meldingen bij de vertrouwensinspecteursbinnenkomen. Dat is niet goed, maar daaraan is wel goed te zien dat devertrouwensinspecteurs van de inspectie worden gevonden. Daarnaastligt het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs momenteel in uw Kamer. Ditstelt extra eisen aan scholen om goed zicht te hebben op de veiligheid vanleerlingen en hierover te rapporteren aan de inspectie. Daarnaastontvangt uw Kamer dit najaar de uitvoeringstoets op de motie-Rooderkerk, die vraagt om meer schoolbezoeken van de inspectie. Dat kanleiden tot nog beter zicht op wat er op scholen gebeurt.Voor de goede orde: de inspectie neemt de signalen, zoals in Nieuwsuurvan gisterenavond, zeer serieus en bekijkt welke actie daarvoor nodig is.Daarnaast hoor ik ook heel goed wat uw Kamer heeft gezegd in de eerstetermijn. Daar zal ik ook bij de inspectie op aandringen.De voorzitter:Ik hoor dat u even ademhaalt. Dan is het tijd voor deze commissie. Als ude microfoon uitzet, dan geef ik het woord aan mevrouw Haage vanGroenLinks-PvdA voor haar interruptie.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Fijn om te horen dat de inspectie zichzelf in staat acht om hier eigenlijk optwee verschillende manieren aan te werken. In heb nog wel een vraagover het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs. Zoals ik het heb gelezen, isdat vooral een verzwaring van de administratieve last, omdat we alleenmaar met elkaar gaan registreren als er onveilige dingen gebeuren. MijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1234 vraag aan de Staatssecretaris zou ook zijn: wat gaan we vanuit die wetnou doen met elkaar? Volgens mij maak je een veilige klas vooral metelkaar. Volgens mij moet je juist ruimte aan leraren geven, zodat zij goedleren omgaan met onveilige situaties en deze niet langer voortbestaan. Opdie manier zijn leraren zelf geoutilleerd om op te treden.Staatssecretaris Becking:Daar ben ik het volstrekt mee eens. Ik denk dus dat het en-en is. Het is aande school en de schoolleiding om daar goed op toe te zien en actief aan tewerken. De meldplicht is als volgt bedoeld. Je wilt zicht hebben op demeldingen. Als het ernstige gevallen zijn, dan wil je daar ook als inspectieiets mee kunnen doen. Ik begrijp het punt van de administratieve lastgoed, maar het is ook wel voor het goede doel zou ik zeggen. Je wil ookzicht hebben op ernstige gevallen. Wellicht zorgt het dan voor een beetjeextra last. Ik hoor uw zorg wel. Die heb ik in algemene zin ook, maar in ditgeval denk ik dat het toch echt wel noodzakelijk is.De voorzitter:Vervolgt u de beantwoording.Staatssecretaris Becking:Rond burgerschap en grondrechten vroeg de heer Ceder naar decapaciteit van de inspectie. Hij wilde een reactie op de vraag of deinspectie de capaciteit en de middelen heeft om het allemaal voor elkaarte krijgen. Ook vroeg hij of ik de inspectie daarnaar gevraagd heb. Ik heber vertrouwen in dat de inspectie hier voldoende toezicht op kan uitoe-fenen. Dat hebben ze mij ook toegezegd. De inspectie doet dat signaalge-stuurd, via bestuursonderzoeken, en op stelselniveau, zoals u weet. Maarik zal hier bij de inspectie op blijven aandringen.Mevrouw Rooderkerk van D66 had een vraag over de handhaving van deburgerschapsopdracht. Zij vroeg of ik strenger ga handhaven op deburgerschapsopdracht. De inspectie hecht in al haar toezicht veel waardeaan burgerschap. Ik zei daar in de inleiding ook al iets over. Dat dittoezicht zo nodig al streng is, blijkt uit het grote aantal herstelopdrachten.Dat toezicht zet de inspectie ook door. Voor 2026 heeft de inspectiedaarnaast een themaonderzoek geprogrammeerd naar de wijze waaropscholen omgaan met risico’s en uitingen die in strijd zijn met basis-waarden. Daar heeft u in uw eerste termijn ook al uitgebreid overgesproken. Er komt dus een themaonderzoek naar precies dit punt.De heer Ceder van de ChristenUnie had een vraag over burgerschap. Hijvroeg: kan het meldpunt van de inspectie om ongewenste situaties temelden toegankelijker worden gemaakt? De inspectie heeft ouders enleerlingen opgeroepen zich te melden bij ongewenste situaties. Dat is alzeer toegankelijk. Er staat een formulier op de website en de inspectie isiedere werkdag telefonisch te bereiken. Meldingen kunnen ook anoniemworden gedaan. Ik denk dat dat ook heel belangrijk is. Daarnaast zijn erdus – ik zei het al – de vertrouwensinspecteurs, specifiek voor zorgen ofklachten over onder andere discriminatie. Ook zij zijn iedere werkdagtelefonisch bereikbaar.Dan kom ik bij de grenzen van de vrijheid van onderwijs. MevrouwRooderkerk stelde daar een vraag over. Ze vroeg of ik het principe dat devrijheid van onderwijs stopt bij de democratische rechtsstaat leidend gamaken. De democratische rechtsstaat en de basiswaarden die daaruitvoortvloeien, zoals vrijheid en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen,zijn voor het onderwijs en alle scholen leidend. Ik denk dat daar in uwKamer ook echt geen misverstand over kan bestaan. De basiswaarden vande democratische rechtsstaat zijn leidend in alles wat de scholen doen enwat wij met het beleid voorstaan. Dat is eigenlijk de kern van de wettelijkverplichte burgerschapsopdracht. Daarmee begrenst de democratischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1235 rechtsstaat inderdaad de vrijheid van onderwijs. Dat principe was, is enblijft wat mij betreft ook leidend.Dan kom ik specifieker bij de berichtgeving van Nieuwsuur. MevrouwRooderkerk vroeg of ik de voorbeelden van Nieuwsuur een voor eenveroordeel. Wanneer er sprake is van onderwijs dat indruist tegen debasiswaarden van de democratische rechtsstaat veroordeel ik dat. Ik hebdat volgens mij ook al verklapt. Het is echter niet aan mij, maar uiteindelijkaan de inspectie om te beoordelen wanneer dit in concrete gevallen hetgeval is. De inspectie zal de signalen vanuit Nieuwsuur ook wegen, enwaar nodig onderzoek doen en vervolgstappen zetten.Dan kom ik bij een keurmerk voor de burgerschapsopdracht. Ik kreeg devraag of het aankomende kwaliteitskeurmerk voor leermiddelen ook gaatbevatten dat het leermiddel moet voldoen aan de burgerschapsopdracht.Daarop is mijn antwoord dat ik structureel meer aandacht wil geven aande ontwikkeling van een kwaliteitskader en de kwaliteitsalliantie vanleermiddelen. Daarover zijn wij in gesprek met de onderwijsorganisaties.Vandaag was het eerste gesprek. Het is nog niet te zeggen of het keurmerkdaar de beste oplossing voor is. Ik informeer wel graag uw Kamer voor debegrotingsbehandeling over de stand van zaken op dit punt. Het voldoenaan de burgerschapsopdracht is een opdracht aan alle scholen. Ze dienendaar leermiddelen bij te gebruiken die daar invulling aan geven. Dat kannatuurlijk wel een methode zijn die past bij hun eigen onderwijskundigevisie.Voorzitter. Daarmee kom ik aan het einde van mijn eerste blokje.De voorzitter:Dan kijk ik even naar de medecommissieleden. Ik zie dat er een aantalvragen zijn. Ik zag vanuit mijn linkerooghoek volgens mij mevrouwRooderkerk van D66 als eerste, daarna de heer Ergin van DENK.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording, waaronder deantwoorden op mijn vragen over het veroordelen van de voorbeelden uitde uitzending van Nieuwsuur die ik heb genoemd. Goed om te horen datde Staatssecretaris aangeeft dat de inspectie serieus gaat kijken naar al designalen die door Nieuwsuur zijn verzameld. Tegelijkertijd baart hetnatuurlijk ook wel weer zorgen dat een journalistiek programma zoalsNieuwsuur die moet verzamelen en dat dit dus kennelijk nog op veelscholen voorkomt. Dat raakt nou juist weer aan onze eerder aangenomenmotie, namelijk dat wij willen dat de inspectie elke vier jaar op scholenkomt. Dat is veel vaker dan nu het geval is. Om het even scherp te stellen,is mijn vraag: geeft de Staatssecretaris hiermee aan dat het binnen deburgerschapsopdracht en de plicht voor een school om voor een veiligeschoolcultuur te zorgen, niet past dat een school zegt een leraar teontslaan als die homoseksueel blijkt te zijn?Staatssecretaris Becking:Ik weet niet of je een nieuwsprogramma nodig hebt om dit typevoorbeelden naar voren te halen. Het is in ieder geval wel via Nieuwsuurgebeurd. Ik denk dat het op zich goed is dat we het daar nu over hebbenen dat we daar ook op kunnen reageren, zoals ik in ieder geval gedaanheb. Als een leraar wordt ontslagen op basis van het feit dat hij homosek-sueel is, dan is dat denk ik geen ontslaggrond die standhoudt bij derechter. Dat is namelijk een vorm van discriminatie. Ontslag gaat altijdover de kwaliteit van je functioneren, maar niet over je seksuele voorkeur.Dat is in Nederland namelijk niet toegestaan.De voorzitter:Een vervolgvraag van Rooderkerk van D66.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1236 Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat klopt ook, lijkt mij. Hoe oordeelt de Staatssecretaris over de situatieals een school leerlingen leert dat vrouwen minderwaardig zijn aanmannen?Staatssecretaris Becking:Het uitgangspunt zijn de waarden van de democratische rechtsstaat:gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Je mag natuurlijk op basisvan je religieuze overtuigingen er allerlei opvattingen op nahouden, maardie worden wel begrensd door de kernwaarden van gelijkwaardigheid envrijheid om te zijn wie je bent en te worden wie je wilt worden. Daarmoeten scholen ook op toezien en naar handelen. Daar is het onderwijsook op ingericht. Je moet ook leren respect te hebben voor andersden-kenden, daar ook ruimte voor geven, ook ondanks het feit dat jij daar eenandere opvatting over hebt. Maar dat kan natuurlijk wel.De voorzitter:Ik ga eerst naar de heer Ergin van DENK en daarna naar de heer Uppel-schoten van de PVV.De heer Ergin (DENK):Het was voor mij even onduidelijk wat de Staatssecretaris zei over het aldan niet bestaan van scholen in Nederland die in strijd met de basis-waarden van onze democratische rechtsstaat handelen. Zijn er op ditmoment scholen die in strijd met onze democratische rechtsstaathandelen?Staatssecretaris Becking:Ik geloof niet dat ik dat bedoelde te zeggen. Ik heb ook geen signalen datdat zo is. Als dat wel zo is, zal de inspectie daar natuurlijk signaalgestuurdtoezicht op houden. Daar zijn wel signalen voor nodig. Dan wordt daaropgehandeld en desnoods ook opgetreden. Ik bedoelde dat niet te zeggen.De heer Ergin (DENK):Is de Staatssecretaris het met mij eens als ik de conclusie trek dat er op ditmoment nul scholen zijn in Nederland die in strijd met de basiswaardenvan onze democratische rechtsstaat handelen, zoals door de onderwijsin-spectie geconstateerd? Dat laatste moeten we er natuurlijk wel bijvermelden.Staatssecretaris Becking:Ik zei dat ik geen signalen ken waaruit zou blijken dat dit het geval is. Alsik er nu met honderd procent zekerheid een antwoord op moet geven, danmoet ik dat antwoord even schuldig blijven en het navragen. Ik dacht dathet nu niet het geval is en ik ben redelijk goed geïnformeerd.De voorzitter:Ik zie dat dat afdoende is. Dan ga ik naar de heer Uppelschoten, PVV.De heer Uppelschoten (PVV):In uw betoog gaf u eigenlijk aan dat de basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat leidend zijn voor de andere waarden. We hebben neteen discussie gehad over het gegeven dat waarden kunnen schuren endat er geen onderscheid is in waarden. Dat ging met name over artikel 1en 23, zal ik maar zeggen. Uit uw betoog, waar ik het heel erg mee eensben, maak ik op dat de basiswaarden van de democratische rechtsstaatbelangrijker zijn dan een aantal andere dingen en dat die andere waardenniet in strijd mogen zijn met de democratische rechtsstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1237 Staatssecretaris Becking:Laat ik het heel kort formuleren: als er sprake is van onvrije waarden diestrijdig zijn de vrije waarden die onze democratische rechtsstaatvoorstaat, dan ben ik daartegen. We leven natuurlijk in een democratischerechtsstaat met allerlei beginselen die in de Grondwet zijn vastgelegd enallerlei andere wetgeving, waaronder de onderwijsvrijheid. Maar die isniet onbegrensd. We zien allemaal hoe ingewikkeld het debat is, maar hetis niet onbegrensd. Uiteindelijk draait het dus om de waarden van dedemocratische rechtsstaat.De voorzitter:Ik zie dat dat afdoende is. Ik zie dat er geen nadere interrupties zijn, dus ikdenk dat u verder kunt met uw beantwoording.Staatssecretaris Becking:Dank. Dit wordt mijn tweede blokje. Dat gaat zijinstroom, onderwijsregio’sen kleine klassen. Daar waren vragen over van mevrouw Hertzberger enmevrouw Beckerman. Hoe gaat de Staatssecretaris de stem van de lerarenbeter borgen? Krijgen we daar ook iets van te zien? Met het wetsvoorstelover de versterking van de inspraak van leraren en schoolleiders werk ikaan het beter borgen van de stem van de leraren en de schoolleiders. Ikben nu aan het bekijken wat er eigenlijk allemaal in dat wetsvoorstelmoet. Via de halfjaarlijkse lerarenbrief zal ik u over de voortgang van hetwetsvoorstel informeren.De vraag van mevrouw Haage van GroenLinks-PvdA en mevrouwBeckerman was: herkent u de opbrengsten uit het actieplan van de AObvoor zijinstromers? Ik waardeer het dat de AOb aandacht vraagt voor dezijinstromers en met een plan komt. Ik erken natuurlijk zeer het belang vanzijinstroom. De PVV wees daar ook al op. De AOb pleit voor een bovenfor-matieve aanstelling van zijinstromers, voor goede begeleiding en vooreen volwaardig salaris voor werkdagen én voor opleidingsdagen. Goedebegeleiding van zijinstromers is inderdaad cruciaal voor het opleiden vanzijinstromers, want die komen vaak uit hele andere sectoren en dan valthet onderwijs niet altijd mee. Dat is ook een vak en daar moet je ook hardwerken. Ik wil graag gezegd hebben dat bovenformatieve aanstelling almogelijk is. In het primair onderwijs zien we al dat 60% van de zijin-stromers in het begin bovenformatief wordt ingezet. Ik ben bereid om metde AOb en andere partners in gesprek te gaan om te onderzoeken hoe wede zijinstroom verder kunnen bevorderen en ook de opbrengsten daarvan.Nieuwe investeringen op dat terrein zijn echter wel aan een nieuwkabinet. Maar ik wil niets anders doen dat het belang van zijinstroomonderstrepen. Ik denk dat daar voor de sector nog heel veel mogelijk-heden zijn, mits goed begeleid.GroenLinks-PvdA, mevrouw Haage, vroeg wat ...De voorzitter:Mag ik toch nog heel even? Ik was iets te langzaam. Ik zag de heerUppelschoten niet snel genoeg.De heer Uppelschoten (PVV):Dit punt gaat over leraren en, natuurlijk, de zij-instromers. Maar er is tochook een algemener probleem, namelijk dat de opleiding tot docent zoverschillend is op al die verschillende pabo’s. Mijn zorg is dat zij er met z’nallen uit moeten komen en dat u een heel afwachtende rol heeft. Mijn zorgen ook die van NSC is: kan er niet een heel groot praatcircuit ontstaanover de vraag hoe we de lerarenkwaliteit gaan verbeteren? En u kuntalleen maar afwachtend zijn, want het is de verantwoordelijkheid van dehogescholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1238 Staatssecretaris Becking:Voor de lerarenopleidingen gelden er landelijke kaders. De inhoud van hetcurriculum moet aansluiten op de inhoud van de kerndoelen, de examen-programma’s en de bekwaamheidseisen. Het is dus niet zo vrij als uwellicht zegt. De landelijke kaders, zoals de bekwaamheidseisen, wordenop dit moment vernieuwd. Dat zal ook zichtbaar worden in het curriculumvan de lerarenopleidingen. In dat traject hebben de leraren ook een stem.Ik was vorige week zelf op een pabo met nieuwe instromers, eerstejaarspabostudenten. Daar zie je heel duidelijk dat er heel erg hard wordtgewerkt aan de vernieuwing van het curriculum en de inhoud van deopleidingen, overigens door zeer gemotiveerde, jonge mensen.De voorzitter:Vervolgt u de beantwoording.Staatssecretaris Becking:Wat doe ik aan het behoud van leraren? Het wetsvoorstel StrategischHR-beleid is specifiek gericht op het aantrekkelijk houden van het beroepvan leraar, ook op de lange termijn. U hebt allemaal voldoende onder-streept hoe belangrijk leraren zijn voor goed onderwijs. Uiteindelijk draaithet natuurlijk daarom. Het wetsvoorstel Strategisch HR-beleid ligt nu voorbij de Raad van State voor advies. Ik verwacht het wetsvoorstel in hetvoorjaar naar de Tweede Kamer te kunnen sturen. Nogmaals, ik onder-streep het belang om in te zetten op het behoud van leraren, hettegengaan van de uitstroom en natuurlijk ook op het behoud van deschoolleiders en de onderwijsondersteuners, om die ook maar eens tenoemen. Iedereen doet ertoe in het onderwijs, maar zeker ook de leraren.De onderwijsregio’s. Mevrouw Hertzberger vroeg of het klopt dat hetbudget is gestegen van 115 miljoen naar bijna 300 miljoen euro. Hoe kandat? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat niet nog meer budget datbedoeld is voor de scholen, straks verlegd wordt naar de onderwijsre-gio’s? In de subsidieregeling voor de onderwijsregio’s zijn verschillendelosse subsidieregelingen gebundeld. Dat betreft eigenlijk een bundelingvan de middelen voor de Regionale aanpak personeelstekort onderwijs,de RAP, Samen Opleiden, de noodplannen in de G5, de regeling voorstatushouders en de zijinstroom voor schoolleiders. Het klopt dat hetbudget daardoor is gegroeid. Die regeling is voor de periode 2026 tot2029.De voorzitter:U lokt het wel uit, Staatssecretaris. U heeft vier interrupties, mevrouwHertzberger. Mevrouw Hertzberger, u spreekt buiten de microfoon. Ik laatde Staatssecretaris verdergaan met de beantwoording.Staatssecretaris Becking:Dan waren er vragen op het punt van de lerarenstrategie. Hoe zorgt deStaatssecretaris ervoor dat de onderwijsregio’s niet nog meer schaalver-groting in de hand werken door regeldruk te verhogen, en hoe zorgt hijervoor dat kleine scholen in dunbevolkte gebieden ook worden bediend?Ik hoor de vragen van de Kamer. Doel van de onderwijsregio’s is om tezorgen voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel. Dat isbelangrijk in verband met de tekorten en de regionale tekorten. Dat doenze door samen aan de slag te gaan, bijvoorbeeld met het werven,matchen en opleiden van onderwijspersoneel. Dit gaat ook overbegeleiding en professionalisering. Als je de krachten bundelt, kan datvolgens mij beter en hopelijk ook efficiënter. Zo kunnen scholen enbesturen worden ontlast. Veel scholen zijn kleinschalig en hebben weinigextra middelen. Daar kan dit heel behulpzaam bij zijn, denk ik. Om ervoorte zorgen dat ook scholen in dunbevolkte gebieden bediend kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1239 worden, is er een subsidieregeling voorzien voor extra budget voor juistdie regio’s.Ik heb er nog één.De voorzitter:Ik zie nu toch een vraag een vraag van mevrouw Hertzberger van NSC.Mevrouw Hertzberger (NSC):Het valt me op dat de Staatssecretaris het ook heeft over de status-houders. Ik had niet eerder gehoord dat die onderdeel zijn van deonderwijsregio’s. Misschien heb ik dat gemist. Het gaat nu al om meertaken dan ik me kan herinneren. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat diter recent bij is gekomen? Misschien aanvullend daarop zeg ik dat hethelaas een noodzaak is voor die kleine scholen, omdat ze voor het geld,die € 50 per leerling, dat eigenlijk voor hen bestemd was, nu naar deonderwijsregio’s moeten om daar alsnog dat geld te halen. Kan deStaatssecretaris toezeggen dat die onderwijsregio niet steeds maar gaatuitdijen in zowel taken als geld? Om die toezegging vroeg ik. Kan hij dat ofkan hij dat niet? Kan de Staatssecretaris ten tweede toezeggen dat dekleine scholen niet over het hoofd gezien worden en niet door allerleiextra hoepels moeten springen, met een heleboel extra administratie diezij helemaal niet aankunnen, om dezelfde bekostiging te krijgen als zehiervoor hadden?Staatssecretaris Becking:Wat betreft de statushouders: er was een regeling om statushouders op teleiden tot leraren. Ik weet niet of dat helpt voor het geheugen vanmevrouw Hertzberger, maar ik hoop het wel. De bundeling van deregelingen en de middelen was nadrukkelijk een wens van het veld. Datwilde niet te veel losse subsidies, maar juist een bundeling van dekrachten en de middelen. Ook was dat een wens van de Kamer. Dathebben we hier gedaan.Ik maak nu even een bruggetje naar het volgende punt van mevrouwHertzberger. Die bundeling wordt gevormd door het bundelen van eerderesamenwerkingsverbanden. Het is dus niet per se allemaal nieuw en meer.Het is een bundeling van de regionale aanpak van de tekorten en vanSamen Opleiden & Professionaliseren. Ik verval nu in herhaling. Door diebundeling kunnen we tekorten effectiever en efficiënter het hoofd bieden.Voor Samen Opleiden leidt dat in partnerschappen soms tot aanpassingenten opzichte van de oude samenwerking. Ik wil nog wel een keeronderstrepen dat ik er niet op uit ben om meer regelingen te onder-werpen, nog een extra laag en meer bureaucratie te creëren. Daar ben ikook wars van. Misschien kunnen we als een way forward, in mooiNederlands, een vorm van evaluatie afspreken over het functioneren vande onderwijsregio’s. We zijn nu anderhalf jaar onderweg, dus we zullendat enige ruimte moeten geven.Mevrouw Hertzberger (NSC):Sorry, maar dit is gewoon een aangenomen Kamermotie. Die is vollediggenegeerd of misschien gewoon als een advies terzijde geschoven. Ditzou een structurele stimuleringsregeling zijn, niet een hele extra manage-mentslaag. De Staatssecretaris kan wel toezeggen dat er geen extramanagementslagen meer bij komen – dat zou natuurlijk nog erger zijn –maar kan hij ook toezeggen dat dit het is? Deze paddenstoelen aan nieuwebestuurders hebben normaal altijd de neiging om nieuwe taken voorzichzelf te bedenken. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat er niet meerbudget en meer taken naar de onderwijsregio’s gaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1240 Staatssecretaris Becking:In algemene zin wil ik alleen maar onderstrepen dat ik vind dat het geldnaar de scholen moet. Er moet zo weinig mogelijk naar allerhande extradingen. In april bent u geïnformeerd over de uitvoering van de motie waaru nu op wijst. In die brief wordt het belang van de samenwerking en desolidariteit voor het tegengaan van tekorten ook benoemd. Er wordtverzocht om een structurele stimuleringsregeling voor regionalesamenwerking. Dat doen we ook met de regeling voor vier jaar. Hetvoordeel daarvan is dat het bestuurlijke rust geeft. Als je die dingen elkekeer na een of twee jaar gaat evalueren, geeft dat namelijk heel veelonrust. De motie verzocht ook om te investeren in het primaire proces.Dat gebeurt aansluitend op de behoefte in elke regio, bijvoorbeeld doorde begeleiding van startende docenten, door schoolleiders gezamenlijk opte leiden en door het vormgeven van gezamenlijke invalpools in het vo.Nogmaals, ik kijk of die onderzoeken resultaat hebben. Ik wil daar eenevaluatie over afspreken. De tweede conceptrapportage komt in decembernaar uw Kamer.De voorzitter:U kunt gewoon doorpraten, zie ik.Staatssecretaris Becking:Dan heeft mevrouw Hertzberger nog een vraag gesteld. Op welke manieris de beroepsgroep van leraar vertegenwoordigd in de onderwijsregio’s?Daar werken besturen, opleiders en de beroepsgroep samen aanvoldoende goed opgeleide leraren, schoolleiders en onderwijsonder-steunend personeel. Ik vind het van groot belang dat de beroepsgroepdaarin goed vertegenwoordigd is. De manier waarop de vertegenwoor-diging van de beroepsgroep wordt vormgegeven is aan de onderwijsre-gio’s. Op dit moment is deze vertegenwoordiging in 11 van de 50onderwijsregio’s vormgegeven door de georganiseerde lerarenorgani-saties. Maar in alle regio’s zitten leraren aan tafel. Dus die hebben eenplek gekregen. Samen met de lerarenorganisaties onderzoeken we opwelke manier we die vertegenwoordiging kunnen versterken en duurzaamkunnen vormgeven. Voor alle duidelijkheid: ik ben het er ontzettend meeeens dat de leraar volwaardig aan tafel moet. Zo zeg ik het maar duidelijk.Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Hertzberger vroeg of ik met alleverschillende onderwijsregio’s contact heb, of ik zie waar het niet goedloopt en of ik maatwerk kan bieden. Binnen een directie van OCW is deRealisatie-Eenheid aanwezig. Die is speciaal ingericht om de vorming vande onderwijsregio’s te stimuleren, te ondersteunen en kennis te delen. Zehebben daar dus heel veel contact met de onderwijsregio’s. Ik heb ze zelfvorige week ook nog gesproken. Juist omdat ze heel veel in de regio zijnen heel veel mensen spreken, kunnen ze heel goed maatwerk bieden aande betrokken mensen.Dan ...De voorzitter:Mevrouw Hertzberger, NSC.Mevrouw Hertzberger (NSC):Voorzitter, dan hoort u mij de rest van het debat ook niet meer; dat moetdan maar even. Dit is natuurlijk ontzettend teleurstellend. We hebben eenaangenomen motie die zegt: wees terughoudend; laat het geld in hetprimaire proces zitten. Het enige dat we de Staatssecretaris vragen is: zegnou toe dat dit het is en dat we niet meer taken geven en meer uitdijen.Nu ontslaat de Staatssecretaris zich eigenlijk volledig van die plicht. Wekunnen voorzien wat er gaat gebeuren: er komen extra taken, extrabestuurlijke drukte en extra papier. In 39 van de 50 regio’s zit gewoon ééndocent. Dat is windowdressing. Die docent kunnen we dankbaar zijn. AlsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1241 de Staatssecretaris het rapport van de Onderwijsraad goed gelezen heeft,dan weet hij dat dit een valkuil en windowdressing is. Het is voor de vorm:hier is een docent; we vragen hem.De voorzitter:Gaat u richting een vraag?Mevrouw Hertzberger (NSC):In alle onderwijsregio’s moet de organisatie aan tafel zitten. Kan deStaatssecretaris dan toezeggen dat hij daarnaartoe werkt? En zo ja, perwanneer zijn alle leraren gedragen en georganiseerd vertegenwoordigd inde onderwijsregio?Staatssecretaris Becking:U vraagt initieel aan mij om te zeggen dat er niks meer bovenop komt endat het hierbij blijft et cetera, et cetera. Dat kan ik in absolute zin niet zozeggen. Ik probeer heel duidelijk te maken dat ik vind dat we zo weinigmogelijk moeten toevoegen, dat we zo weinig mogelijk extra kostenmoeten hebben en dat we zo weinig mogelijk bureaucratie moetenhebben. Wel zie ik de voordelen van zo’n onderwijsregio, bijvoorbeeld intekortomgevingen, waar je dan toch echt die leraren voor de klas wilkrijgen, die je gewoon niet voorhanden hebt. Via zo’n orgaan, via zo’nonderwijsregio kan je dat met elkaar wel afspreken. Ik denk dat dit heelfunctioneel is, geld kan besparen – dat zou het moeten besparen.Vooralsnog, vooruitlopend op de evaluatie, heb ik de indruk dat ditpositief uitwerkt. Dus daar worden we het dan denk ik niet over eens.De voorzitter:Mevrouw Hertzberger zei: dan hoort u daarna niks meer van mij. Ik wilhaar er wel op wijzen dat zij nog één interruptie over heeft. Zij kan die nogeven opsparen. Ik geef de Staatssecretaris weer het woord.Staatssecretaris Becking:Dan kom ik bij de heer Ceder van de ChristenUnie, die zei dat er eenaangenomen motie is om concreet het aantal mannen voor de klas tevergroten en vroeg wanneer er actie komt vanuit het onderwijsveld enwanneer we die kunnen verwachten. Daar kom ik aan het eind van het jaarop terug, op 7 december, in de brief over de lerarenstrategie. Wacht even,ik dacht: hier staat «7 december». Ik vond dat lekker concreet!De voorzitter:We vonden het al erg specifiek.Staatssecretaris Becking:Het wordt dus 7 december. Haha, nee hoor!De voorzitter:In deze commissie schrijven we bij toezeggingen altijd een datum op.Welke datum is het?Staatssecretaris Becking:Het is in december.De voorzitter:Precies, dat schrijven we op.Staatssecretaris Becking:Er staat ook geen jaartal bij, dus hier kom ik goed weg! We zijn nog ingesprek met verschillende partijen, maar laat ik duidelijk zijn dat ik hetdoel van de motie ondersteun. Wel zijn we nog bezig met de uitwerking. IkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1242 nodig in algemene zin mannen uit om vooral leraar te worden en voor deklas te staan.Mevrouw de voorzitter. Het lid Rooderkerk sprak over kleinere klassen envroeg of ik de opvatting deel dat het ideale aantal leerlingen in de klas 21is en of ik bereid ben om dat streefgetal te hanteren. In algemene zin wil ikdaarover zeggen dat de indeling van leerlingen over klassen moet passenbij de pedagogische visie, de onderwijsvisie van de school. Ik wil descholen wel de vrijheid geven om daar ook zelf keuzes in te maken en datze die ruimte ook gewoon houden, omdat we anders weer iets vanuit DenHaag gaan voorschrijven. Kleinere klassen kunnen natuurlijk wel helpenom het werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken, maar dat kanbijvoorbeeld ook door de inzet van meer personeel, meer diverspersoneel. Klassenassistenten en multidisciplinaire teams bieden ruimteen expertise om leraren te ondersteunen en te ontlasten. Er is dus geenideaal aantal leerlingen. Ik vind het daarom niet logisch om een vaststreefgetal te hanteren.Daar komt bij – dat kwam ook al in het debatje voorbij – dat voor kleinereklassen veel extra leraren nodig zijn. Daar heb ik wel wat cijfers over. Eenindicatie: om op gemiddeld 21 leerlingen uit te komen op basisscholenmet een achterstandsscore, dus alleen op basisscholen met een achter-standsscore, kom je op 1.500 fte’s aan extra leerkrachten. Dat is nog veelmeer als we dit op alle scholen in het p.o. en het vo zouden willen. Het is267 miljoen voor scholen met een achterstandsscore en 1,3 miljard voorhet hele p.o. Het gaat dus wel echt over gigantische bedragen wanneerwe die norm echt gaan hanteren.Dan kom ik bij mevrouw Rooderkerk en mevrouw Beckerman, die vroegenof ik weet hoe groot de klassen nu zijn in het basis- en voortgezetonderwijs. Uit cijfers van 2020 blijkt dat in het basisonderwijs de gemid-delde groepsgrootte 22,9 is, maar er is wel een grote variatie tussenscholen, om de redenen die ik net noemde. Er zijn geen recente cijfersbeschikbaar over groepsgroottes in het voortgezet onderwijs, omdat heteigenlijk te ingewikkeld is om te komen tot een gemiddelde groepsgroottevanwege alle verschillende onderwijssoorten en -methoden en vakken.Ook is het hanteren van een maximale groepsgrootte voor een specifiekeschoolsoort ingewikkeld vanwege de brede brugklassen.Voorzitter. Dan kom ik bij mijn derde blokje.De voorzitter:Maar niet voordat we mevrouw Rooderkerk van D66 de mogelijkheidhebben gegeven om te interrumperen.Mevrouw Rooderkerk (D66):De Staatssecretaris is pas net begonnen op het departement. De dingendie hij zegt, zijn ons ook bekend. Maar als hij de komende maanden aande slag gaat bij het ministerie en in het onderwijs, wil ik hem tochuitdagen om groter te denken. De bezwaren die er zijn, zie ik ook. Wekunnen de obstakels schetsen die er zijn om bijvoorbeeld tot kleinereklassen te komen. Maar daartegenover staat het grote belang van goedonderwijs voor kinderen, het grote belang van het behoud van lerarenvoor de klas, het grote belang van het verlagen van de werkdruk en hetbelang van ervoor zorgen dat elk kind dat van school komt goed kan lezenen schrijven.Een cijfer over docenten zegt iets. Maar denk ook aan dit cijfer: een op dedrie kinderen gaat van school zonder die zaken goed te kunnen. Wijvinden dat een dusdanig groot probleem dat daar ook grote oplossingenvoor nodig zijn. Dat wil ik aan de Staatssecretaris meegeven. Ik hoop dathij dat oprecht wil bekijken en dat hij ook wil luisteren naar de leraren, dieallemaal zeggen: kleinere klassen zijn voor ons van heel groot belang.Mijn verzoek is dan ook of hij in ieder geval een onderzoek wil doen naarklasgrootte. 2020 is namelijk lang geleden. Ik meen dat het onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1243 waarmee we zicht hebben op klassen voor het vo zelfs uit 2016 komt. Eengemiddelde zegt helemaal niet alles. Uit latere berekeningen bleek dat10% van de scholen 30 leerlingen of meer in de klas heeft. Dat zijn echtmegaklassen. Wat ons betreft zou je dat niet moeten willen. Mijn verzoekis dan om dat in ieder geval te onderzoeken en om daar welwillend naarte kijken.Staatssecretaris Becking:Ik hoor het appel op groter denken. Nu ben ik, zoals u zelf ook almemoreerde, net begonnen en ook nog demissionair. Nou, alle ruimte omgroot te denken, zou ik bijna zeggen! Maar alle gekheid op een stokje: ikonderstreep natuurlijk heel erg het belang van de leerlingen en de leraren.We moeten de uitval en het ziekteverzuim beperken et cetera. Ik wil meinzetten voor alles wat daarvoor behulpzaam kan zijn. De cijfers zijninderdaad van 2020. Wellicht moeten we dus nog eens een verkenningnaar de stand van zaken vandaag doen. Dat wil ik wel toezeggen.De voorzitter:Dank u wel, maar bij een toezegging moeten we ook een datum noteren.Staatssecretaris Becking:8 december dan!De voorzitter:«5 december» werd hier gezegd. Dat is altijd een mooie datum!Staatssecretaris Becking:Het antwoord is: voor het zomerreces.De voorzitter:Die noteren we.Staatssecretaris Becking:Waarom? Dat is heel eenvoudig: we moeten dat aanbesteden of er inieder geval een partij voor inhuren et cetera, et cetera. Dat kost tijd. Hetlijkt me dan niet langzaam als we dat voor het zomerreces doen, om hetzo maar te zeggen.De voorzitter:Dat staat genoteerd.Staatssecretaris Becking:Dan ga ik, met uw welnemen, door met blokje drie. Ik kom op de puntenover curriculum van mevrouw Haage van GroenLinks-PvdA en de heerKisteman van de VVD. Zit er een beetje vaart in de curriculumvernieuwingen wat gaat u nog doen? Het goede nieuws is dat alle kerndoelen inconcept zijn opgeleverd. De kerndoelen voor de basisvaardigheden zijndefinitief aan uw Kamer aangeboden. De overige kerndoelen worden nuaangescherpt en volgen aan het einde van dit jaar. Die moeten nuwettelijk worden verankerd. Hiervoor staat eind november de wetsbehan-deling met uw Kamer gepland. Ik zou nog wel even willen onderstrepen– ik hoop dan op een goed debat met u – dat we dat debat in novemberook echt nodig hebben om dit alles te realiseren. Dat zeg ik er nog maareven bij. Anders lopen we namelijk heel veel vertraging op in het verderevervolg. Dit is een appel aan uw Kamer om dat mede mogelijk te maken.Dan gaan we nu richting de invoering, «implementatie» met een moeilijkwoord, van die kerndoelen. We staan in de startblokken om de scholenhierin te ondersteunen met professionalisering en met goedevoorbeelden. Ik roep de scholen dan ook op om zo snel mogelijk met dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1244 kerndoelen aan de slag te gaan, te beginnen bij Nederlands, rekenen enwiskunde.Dan de vraag van de heer Uppelschoten over de basisvaardigheden: hoestellen we binnen het Masterplan basisvaardigheden vast of leerlingen hetreferentieniveau gehaald hebben? In het najaar komen de voortgangsbriefen de monitor basisvaardigheden naar uw Kamer. Dan krijgt u beter zichtop de prestaties op het vlak van taal en rekenen, waarbij verschillendebronnen worden gebruikt die de referentieniveaus als ijkpunt nemen.Dan de vraag van de heer Kisteman of digitale geletterdheid sneller aanhet curriculum kan worden toegevoegd. Het antwoord op die vraag is nee.Er moet eerst een wettelijke grondslag zijn voor de invoering van dekerndoelen digitale geletterdheid. Die moet worden vastgesteld via hetwetsvoorstel Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Ik had hetnet al over dat debatje in november; dan behandelt uw Kamer het. Datmaakt dingen ook mogelijk. Daarna kunnen de kerndoelen pas wordenverwerkt in een conceptbesluit. De definitieve kerndoelen digitalegeletterdheid worden vervolgens vastgelegd in een algemene maatregelvan bestuur. De doelen treden in werking in een nieuw schooljaar. Heteerste moment waarop digitale geletterdheid formeel kan wordentoegevoegd aan het curriculum is daarmee in het schooljaar 2027/2028. Inde tussentijd kunnen scholen natuurlijk wel alvast aan de slag met dedefinitieve conceptkerndoelen. Er kan dus wel gewoon mee gewerktworden.«Hoe kunnen we zo snel mogelijk met die digitale geletterdheid in hetcurriculum aan de slag?» Die concepten zijn al beschikbaar, zoals ik net alzei. In 2026, komend jaar, wordt de implementatiefase landelijk afgetraptmet de «OCW Dichtbij»-bijeenkomsten. Dan worden de scholen meege-nomen in de inhoud en de aanpak van het vernieuwde curriculum. Deondersteuning waarmee zij hiermee aan de slag kunnen, wordt vormge-geven in samenwerking met onder andere de sectorraden, vakvereni-gingen, beroepsverenigingen, SLO en opleidingsinstellingen.Dan had de heer Kisteman nog de vraag hoe digitale geletterdheidgaandeweg verbeterd kan worden. Samen met SLO werk ik toe naar eensysteem van periodiek curriculumonderhoud. Hiervoor ontwikkelt SLOeen onderhoudskalender waarin ook de nieuwe leergebieden burgerschapen digitale geletterdheid zijn opgenomen. Deze leergebieden krijgen naarverwachting een extra evaluatiemoment zodat nieuwe inzichten enpraktijkervaringen snel kunnen worden verwerkt.«Kunnen de kwaliteitsalliantie en de Impuls open leermateriaal snel voorgoede leermiddelen en digitale geletterdheid zorgen?» Ik denk dat hetbelangrijk is dat er voor digitale geletterdheid gewoon een goed aanbodvan lesmateriaal is. Ik heb in de regeling voor open leermateriaal ruimtegeboden voor het ontwikkelen en implementeren van goed materiaal voordigitale geletterdheid. Met de ontwikkeling van het kwaliteitskader en dekwaliteitsalliantie leermiddelen wil ik structureel aandacht besteden aande kwaliteit van leermiddelen. Ik informeer uw Kamer voor de begrotings-behandeling over de stand van zaken.De voorzitter:Die staat ook genoteerd. Dank u. Er is een interruptie van de heerKisteman, VVD.De heer Kisteman (VVD):Ik vermoed dat de Staatssecretaris nu dit stukje heeft afgerond. O, hijheeft nog één antwoord, hoor ik. Dan wacht ik daar nog heel even op.Staatssecretaris Becking:«Hoe worden die kerndoelen opgenomen in het curriculum voorlerarenopleidingen en hoe worden docenten getraind?» Lerarenoplei-dingen bereiden zich nu voor om de nieuwe kerndoelen, waaronderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1245 digitale geletterdheid, in te voegen in hun curriculum. OCW heeftdaarover de regie en stelt middelen beschikbaar voor het projectteamlerarenopleiders digitale geletterdheid in 2026/2027. Dat project gaatleermiddelen ontwikkelen voor de lerarenopleidingen. Docenten die alvoor de klas staan, worden ondersteund door meegenomen te worden inde implementatie van het nieuwe curriculum; die krijgen dus ookondersteuning. Daarbij wordt er ingezet op bewustwording – waar gaathet eigenlijk over? – en het integreren van die digitale vaardigheden inbestaande vakken.Voorzitter. Dat was de laatste vraag en ook het einde van dit blokje.De heer Kisteman (VVD):Dat klinkt veelbelovend. Complimenten daarvoor. Ik heb nog één vraag.Als die kerndoelen er zijn, worden er lesmaterialen ontwikkeld. Diekerndoelen zijn er in 2027, als ik het goed begrijp. Dan moeten dielesmethodes toch pas worden ontwikkeld? Dan gaan die scholen daar dusniet in 2027 mee aan de slag, maar pas in 2028 of zelfs later. Stel nu datwe echt willen dat 2027 het doel wordt. Hoe zorgen we er dan voor dat dielesmethodes tegelijkertijd worden mee-ontwikkeld en niet pas vanaf 2027?Want anders duurt het gewoon weer een jaar voordat die lesmethodes erzijn. Mijn vraag is dus eigenlijk of er gaandeweg al her en der stappengezet kunnen worden. Ik snap dat we allemaal het debat moeten voeren,maar zou dat kunnen?Staatssecretaris Becking:Ik heb twee wat meer procedurele antwoorden daarop. Het implementa-tieplan is opgenomen in de brief over het masterplan. Dat is één. Twee.Die wetsbehandeling is daarin wel echt cruciaal. Dan kunnen we meerstappen zetten. Maar ik zal nog eens nagaan wat we nog extra kunnendoen om dit op de een of andere manier te versnellen. Die mogelijkhedenzijn er dus al met de conceptkerndoelen, maar ik zal nog eens een keerextra gas geven waar ik dat kan.De heer Kisteman (VVD):Ik wil niet de indruk wekken dat de Staatssecretaris dat niet doet. Alleen,we hebben met lesmethodeontwikkelaars gesproken en die wachten. Diegaan dan pas aan de slag. Stel dat we daar iets mee kunnen ... Volgensmij begrijpt de Staatssecretaris wat ik bedoel. Maar ik wil niet zeggen dathet niet snel genoeg gaat vanuit zijn kant.Staatssecretaris Becking:Ik begrijp heel goed wat de heer Kisteman bedoelt, denk ik. Ik zal me daarook voor inspannen. Tegelijkertijd kan ik natuurlijk niet vooruitlopen opbesluiten van uw Kamer. Die balans wil ik wel bewaken.De voorzitter:Helemaal goed. Mevrouw Hertzberger en daarna mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik wilde nog heel even ingaan op de inspraak van leraren. Eigenlijk hoordeik – dat is al een hele tijd terug – in dit laatste blokje over de digitalegeletterdheid precies wat nou het probleem is. Ik heb toevallig docentenen scholen gevraagd: geef nou eens een voorbeeld van een beleidstheoriewaarin de praktijk van het klaslokaal gewoon volledig ontbreekt. Ze gavenhet voorbeeld van de digitale geletterdheid. Ik hoor hier: «We hebbenlesmaterialen nodig. We hebben een periodieke ontwikkeling nodig insamenwerking met SLO. We ondersteunen de docent als die hetvervolgens allemaal moet invoeren.» Maar docenten zeggen: «Betrek onsvanaf het eerste moment, want wij hebben de mensen niet om dit te gaandoen. We kunnen het wel op een andere manier proberen te verweven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1246 Focus niet alleen op de vaardigheden. Je kunt geen vaardighedenaanleren zonder ook de kennis aan te leren en over te dragen.» In dit heleblokje zie ik gewoon weer zo’n schoolvoorbeeld – mooi woord trouwens,in deze context – van hoe dit misgaat. Waar is de docent in dit alles?Moeten we echt wachten op een wet over de versterking van de inspraakvan leraren, die misschien over een paar jaar een keertje klaar is, of gaanwe gewoon nu ingrijpen en die leraar een stoel aan tafel geven?Staatssecretaris Becking:Ik ben voortdurend met leraren in gesprek, en niet alleen ik persoonlijknatuurlijk, maar ook de ambtenaren. Leraren zijn ook op alle mogelijkemanieren betrokken. Het is niet zo erg als u schetst. Ze zijn betrokken viade vakorganisaties en de beroepsorganisaties. Individuele leraren zijnbetrokken. Daarvoor financieren we zelfs de bonden een stukje. BinnenSLO zijn veel docenten betrokken. Ik herken me dus niet helemaal in hetbeeld dat het in een soort vacuüm wordt georganiseerd. Ik denk niet datdat zo is. Ik herhaal dan maar dat ik al heb erkend dat ik denk dat deleraren een zo stevig mogelijke positie moeten hebben. Maar dat had ikeerder ook al gezegd.De voorzitter:Mevrouw Hertzberger is door haar interrupties heen, maar mevrouwRooderkerk en mevrouw Haage hebben ook hun vinger opgestoken.Mevrouw Rooderkerk, dit is ook uw laatste.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik heb nog een vraag ten aanzien van een motie van mevrouw Hertzbergeren mij over de doorstroomtoets, die vorige week door een hele grotemeerderheid is aangenomen. We zien dat er zo veel verschillen zijn tussenalle toetsen en dat tot ongelijke situaties leidt. Hier mag ook in tweedetermijn een antwoord op komen, hoor. Aangezien we nu toch bezig warenmet een rondje spoed, dacht ik: deze komt ook nog wel in aanmerking. Wezien dus dat er heel grote verschillen zijn tussen de toetsen en in deresultaten die die opleveren. Dat wordt nu onderzocht, gaf de Staatssecre-taris aan het begin al aan. Die motie ging over het oordeel van de lerarenen de toets. Het is niet zo dat het advies per se naar boven moet wordenbijgesteld, maar de toets is een factor die de leraar meeneemt bij hetmaken van een afweging over het schoolniveau van de kinderen. Mijnverzoek was om die met spoed op te pakken, omdat we echt heel veelzorgen hebben over die grote verschillen.Staatssecretaris Becking:Ik herken het punt. Ik kom er graag in tweede termijn op terug.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Ik wou nog even inhaken op de punten die mijn buurvrouw maakte.Zeggenschap voor leraren is iets anders dan een keer in gesprek gaan metmensen. Zeggenschap is serieus genomen worden in je vak en vanuit jevak echt invloed hebben en aan tafel zitten vanaf het initiële punt, hetmoment dat een nieuwe onderwijsontwikkeling begint. Misschien komenwe daar nu vanavond aan tafel niet uit, maar ik zou die hartenkreet heelerg van harte willen ondersteunen. Dat gaat verder dan een goed gesprekof de interesse van deze Staatssecretaris. Ik geloof het meteen als u hetzegt. Daar gaat het helemaal niet om. Maar we moeten dat echt beterorganiseren met elkaar, want het vak wordt ook veel leuker als je zelf meekan doen en mee kan beslissen.Staatssecretaris Becking:Ik hoor deze hartenkreet. Ik hoor die en ik heb er begrip voor. Maar ik kandaar nu niet concreet iets op toezeggen. Dat constateerde u zelf ook.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1247 De voorzitter:Vervolgt u de beantwoording.Staatssecretaris Becking:Ik kom bij het vierde en laatste blokje. «Graag een reactie op de onderwijs-bezuinigingen, zoals op de regeling voor gemeenten ten aanzien vanonderwijsachterstanden.» Dat was een vraag van mevrouw Haage vanGroenLinks-PvdA. Dit kabinet moet keuzes maken. Daarom kiezen we– daar hebben we het al de hele avond over – voor focus op de basisvaar-digheden en het lerarentekort. We blijven ons inzetten voor de kinderenvoor wie dat echt nodig is. Het kabinet investeert daarom structureel inSchool en Omgeving. Verder gaat dit kabinet door met investeringen in debrugfunctionaris. Ik heb in mijn eerste week een bezoek gebracht aan deErasmusschool hier in Den Haag Zuidwest. Ik heb gezien wat de brugfunc-tionaris daadwerkelijk kan betekenen in een wijk waarin het moeilijk gaat.We blijven investeren in schoolmaaltijden en voorschoolse educatie.Scholen in het primair en voortgezet onderwijs ontvangen ook onderwijs-achterstandsmiddelen. Het kabinet blijft ook structureel een omvangrijkbedrag van 600 miljoen investeren in het gemeentelijke onderwijsachter-standenbeleid.Dan de vraag van het lid Ergin: hoeveel scholen vallen buiten de regelingSchool en Omgeving? We bereiken de komende jaren meer scholen enmeer leerlingen met het programma School en Omgeving, namelijk139.000 leerlingen op bijna 1.200 scholen. Dat zijn bijna 300 scholen meerdan in de vorige subsidieperiode. Dat komt doordat scholen vakersubsidie hebben aangevraagd. Ze weten de weg te vinden. Doordat desubsidie is overvraagd en er is gerangschikt op basis van de onderwijs-achterstandsscore, konden de aanvragen van 149 scholen die eerder welmiddelen hebben ontvangen, helaas niet opnieuw worden toegekend. Hetgaat hierbij om scholen die niet behoren tot de 5% scholen met dehoogste onderwijsachterstanden. Deze scholen kunnen namelijk gebruikblijven maken van de kennis en kunde die de afgelopen jaren is opgedaan.Ook het leren tussen coalities van scholen, gemeenten en lokale organi-saties in het programma School en Omgeving blijven we vanuit de GelijkeKansen Alliantie faciliteren.Dan had de heer Ergin een vraag over de achtergrond van het bundelenvan de middelen voor School en Omgeving, Schoolmaaltijden en debrugfunctionaris in één regeling. Hij vroeg of dat niet een verkaptebezuiniging is. Het bundelen van de middelen voor de programma’sSchool en Omgeving, Schoolmaaltijden en brugfunctionaris is geenverkapte bezuiniging. Met het samenvoegen van de regelingen zetten welosse subsidies juist om in een structurele financiering voor scholen. Datis een afspraak uit het hoofdlijnenakkoord en een wens van de scholen.Zoals opgenomen in de OCW-begroting voor 2026 is voor het programmaSchool en Omgeving structureel 344 miljoen beschikbaar. Voor hetprogramma Schoolmaaltijden is 135 miljoen beschikbaar en voor debrugfunctionaris is ruim 54 miljoen beschikbaar.De voorzitter:Waren dat alle antwoorden over School en Omgeving? Dan ga ik naar eeninterruptie.Staatssecretaris Becking:Ja.De voorzitter:Dank u.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1248 De heer Ergin (DENK):Ik leg even uit hoe ik het heb begrepen. Dan hoor ik graag of ik het wel ofniet goed heb begrepen. Alle losstaande potjes houden dezelfde omvangqua financiële middelen, maar zijn in één pot gegoten. Daar is dus éénpotje van gemaakt. Dat bedoel ik niet in negatieve zin. Er is één grotegeldpot van gemaakt. Inclusief inflatiecorrectie en alles wat daarbij komtkijken, komen we er onderaan de streep op uit dat er niet wordt bezuinigdop wat kinderen op school krijgen.Staatssecretaris Becking:Ja, volgens mij is die interpretatie juist. Het gaat gebeuren. Het is nog nietgebeurd, maar het gaat gebeuren met als doel om dat allemaal in éénstructurele financiering onder te brengen voor hetzelfde bedrag.De voorzitter:Is dat afdoende? Ik zie geknik, dus dan kan de Staatssecretaris vervolgen.Staatssecretaris Becking:Het lid Uppelschoten van de PVV vroeg of er scholen moeten komen dieeen positieve houding hebben tegenover het leren úítstralen ... Nee, diezin loopt niet; dit is een oefening in Nederlands. Komen er scholen die eenpositieve houding hebben tegenover het léren uitstralen en die daardooreen kwaliteitsnorm zetten voor goed onderwijs? Ja, zeg ik. Tegen de heerUppelschoten zeg ik echter ook dat die er natuurlijk al zijn. Er zijnduizenden scholen die dat voorstaan. Vrijwel alle scholen redenerenvanuit hoge verwachtingen van leerlingen en gaan daarbij ook uit van eengoed klassenmanagement. Dat zijn bewezen effectieve aanpakken, die weook via het Masterplan basisvaardigheden uitdragen. Via het Groeifonds-voorstel Ontwikkelkracht werken we ook actief aan expertisescholen dieandere scholen helpen. Ik kan dus een positief antwoord geven op devraag.Dan kom ik op de vraag van de heer Kisteman van de VVD over de taligediversiteit. Die vraag gaat over het advies van de Onderwijsraad. Hoe zietde Staatssecretaris het recente advies van de Onderwijsraad overmeertaligheid? Leidt dit niet tot meer problemen? Het antwoord op dievraag is dat bijna alle leraren lesgeven aan leerlingen die thuis een anderetaal spreken. De Onderwijsraad heeft aangegeven dat het bewezeneffectief is om deze thuistaal niet te negeren, maar juist te gebruiken. Deanalyse van de Onderwijsraad is dat je beter Nederlands leert spreken,lezen en schrijven, als je gebruikmaakt van de taal die je thuis spreekt. Hetadvies is dus: doe dit nou vooral, want het Nederlands wordt er beter van.Uiteindelijk draait het natuurlijk om de goede beheersing van de Neder-landse taal. De thuistaal kan van alles zijn, bijvoorbeeld Turks of Fries.Gebruik die taal om het Nederlands machtig te worden. Dit wordt op veelscholen ten positieve ingezet, maar ik zal er in mijn beleidsreactieuitvoeriger op ingaan en wel reeds in november van dit jaar.Dan had de heer Ergin van DENK aan mij de vraag gesteld hoe het staatmet het herstelplan. Het is aan een volgend kabinet om eventuele stappente zetten richting een nieuw akkoord of niet. Dat zult u begrijpen. Ik wilhier wel over zeggen dat een breed akkoord ook een breed draagvlakverdient. Er zijn het afgelopen jaar over het herstelplan heel veelgesprekken gevoerd met leraren, leerlingen, schoolleiders, bestuurders,ouders en vertegenwoordigende organisaties, hier ook allemaal in de zaal.Ik heb met de sociale partners afgesproken dat we in gesprek willenblijven en ook samen willen blijven werken aan thema’s zoals basisvaar-digheden en het lerarentekort. Ik probeer dat dus in deze fase wel weereen beetje vooruit te helpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1249 De heer Ergin (DENK):Kan de Staatssecretaris ook aangeven hoe hij het gesprek aan wil gaanmet de partners, terwijl de partners zijn weggelopen uit het gesprek?Staatssecretaris Becking:Er was een goede aanleiding om het gesprek te beëindigen, gegeven debezuinigingen op de onderwijskansenregeling. Die is ongedaan gemaakten daarmee verviel een belangrijk argument voor het niet verder willenpraten. Ik ben nieuw gestart. Ik heb de partners toen meteen uitgenodigden gezegd dat we twee dingen kunnen doen: niet met elkaar in gesprekgaan of wel een gesprek hebben en bekijken wat we wél kunnen doenvoor het onderwijs in Nederland, want daar draait het uiteindelijk om.Daar hebben ze positief op gereageerd in een eerste informeel gesprek.We hebben in ieder geval tegen elkaar gezegd: laten we gewoon proberenom het weer verder te brengen. Dat gaan we de komende tijd ook doen.De voorzitter:Ik denk dat dat antwoord als positief wordt gezien, want ik zie geenvervolginterrupties. Dat kan ook komen doordat de heer Ergin door zijninterrupties heen is. Dat zullen we in de tweede termijn merken. Was uklaar met uw beantwoording?Staatssecretaris Becking:Ja.De voorzitter:Dank u wel. Het is als voorzitter op geen enkele manier mijn taak om eenoordeel te geven over de Staatssecretaris, maar ik wil toch opmerken datik de beantwoording heel erg knap vond voor een eerste debat. Ik denkdat meer mensen het gevoel hadden dat we met iemand met ervaring vandoen hadden. Ik zie positief geknik. Ik laat mijn oordeel hierbij, want dat isook niet heel erg gepast.Ik kijk naar mijn collega-Kamerleden. Is er behoefte aan een tweedetermijn? Dat is het geval. In de tweede termijn is de spreektijd altijd eenderde van de eerste termijn, dus hou het bij ongeveer één minuut entwintig seconden. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Haage van defractie GroenLinks-PvdA.Mevrouw Haage (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. U maaide me het gras voor de voeten weg. Ik wou eerstnog het volgende zeggen. 1,4 miljard aan onderwijsbezuinigingen poets jeniet zomaar weg, ook niet door – dat was het compliment – een aimabeleStaatssecretaris die weer met de sector om tafel gaat, wat ik heel ergtoejuich, en die laat zien dat hij stevig wil staan voor het onderwerp.Wij hebben nog een aantal zorgen. Daarom vraag ik een tweeminuten-debat aan. Dat lukt niet meer voor de verkiezingen; dat weet ik. Ik vraagdus een tweeminutendebat aan voor daarna – dat is ook goed gebruik –over het onderwijsachterstandenbeleid, de zeggenschap voor leraren endat plan over de zijinstromers. U schuift dat laatste naar een nieuwkabinet. Nou, dan zitten we in ieder geval met een nieuwe Kamer, duslaten we het er op dat moment opnieuw over hebben.Dank u wel.De voorzitter:Dank aan mevrouw Haage van GroenLinks-PvdA. Dan ga ik naar mevrouwHertzberger van Nieuw Sociaal Contract.Mevrouw Hertzberger (NSC):Laat ik in ieder geval zeggen: dank voor de beantwoording. Goed dat u hetspits heeft afgebeten. Ik moet wel zeggen dat ik wat teleurgesteld ben,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1250 zeker omdat we weten dat we geen tweeminutendebat meer hebben indeze zitting, dat ik maar één toezegging of zo heb gehoord en dat er maarheel weinig toeschietelijk toezeggingen zijn gegeven, misschien een oftwee. Ik kijk even naar de voorzitter.De voorzitter:De griffier heeft er zeven genoteerd.Mevrouw Hertzberger (NSC):Zeven! Dan vis ik misschien gewoon achter het net. We benadrukken echthoe belangrijk we de zeggenschap van de leraar vinden, maar dat wordtafgedaan met: we krijgen een wet voor de versterking van de inspraak vanleraren en ik praat erover met mensen en dat is het. Dat vind ik echt welheel mager, ook omdat de beleidstrein van OCW gewoon doorloopt. Ikprobeer het dus gewoon nog eens. Ik zoek echt, ten eerste, naar wat OCWzelf op korte termijn gaat veranderen in de manier waarop we beleidmaken. Dat kan misschien met internetconsultaties of burgerberaden oflerarenberaden; daar zijn ze tegenwoordig heel creatief mee. Kan deStaatssecretaris toezeggen om met iets te komen en echt na te denkenover wat we kunnen doen met het rapport over het onderwijs? Ik zoek ooknog naar op welke termijn de Staatssecretaris nu echt kan toezeggen datin alle 50 onderwijsregio’s een lerarenorganisatie betrokken is.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Helder. Dank aan mevrouw Hertzberger van Nieuw Sociaal Contract. Danga ik naar de heer Ergin van DENK.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Ik heb niet heel veel te melden anders dan dat we in dezeregeerperiode als het gaat om het onderwijs toch de conclusie moetentrekken dat het onderwijs er met name flink op achteruit is gegaan. Wezijn bijna twee jaar verder en nog steeds kom ik tot de conclusie dat weecht bizar weinig zijn opgeschoten met hele basale dingen, zoals hetherstelplan, hoe we omgaan met het lerarentekort en überhaupt hetherstellen van bezuinigingen. Dat is meer een conclusie in de zin van datdit het laatste debat is over funderend onderwijs in deze periode. Ik hoopna 29 oktober dat we echt wel stappen kunnen zetten als het gaat omonderwijs.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Kort maar krachtig. Dan mevrouw Rooderkerk, D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Ook dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoordingin dit eerste debat. Je zou bijna vergeten dat er komend jaar ook800 miljoen bezuinigd wordt door het kabinet door de voortvarendheidvan de antwoorden, maar dat doen we natuurlijk niet. We vinden datenorm schadelijk. Ook op School en Omgeving, dat net aan bod kwam,wordt gewoon heel veel bezuinigd. Dat is ontzettend zonde. Ik ben blij dathet ons vandaag gelukt is, met steun van heel veel leden hier in de Kamer,om het Onderwijsmuseum te redden en daarmee niet de geschiedenisvan ons onderwijs te laten uitwissen. Ik ben blij dat ons voorstel daarvooris aangenomen. Maar er is nog een lange weg te gaan om ervoor tezorgen dat we ook echt investeren in het onderwijs en dat we de waardevan het onderwijs voor de toekomst weer zien.Ik ben heel blij met de toezeggingen dat de inspectie de signalen vanNieuwsuur serieus neemt, dat we niet accepteren dat onderwijs plaats-vindt bij kinderen wanneer dit niet past binnen de burgerschapsopdrachtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1251 en de plicht van scholen voor een veilige schoolcultuur, en dat we daarook heel duidelijk over zijn. Ik ben ook blij met de toezegging omonderzoek te doen naar hoe het staat met klassengrootte, zodat we hier inde toekomst wellicht ook stappen op kunnen zetten. Dank voor dit debat.Maar er is veel te doen. Wat D66 betreft gaan we echt weer investeren inonderwijs.De voorzitter:Dank aan mevrouw Rooderkerk van D66. Dan ga ik naar de heer Uppel-schoten van de PVV.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik ben in ieder geval blij om te merkendat we een Staatssecretaris hebben die betrokken is bij het onderwijs enin korte tijd veel verstandige dingen kan zeggen.Ik zal ook schriftelijke vragen formuleren over die lerarenopleiding, wanter heeft weer een stuk in de Volkskrant gestaan van Aleid Truijens waaruitblijkt dat de kwaliteitseisen die geformuleerd zijn voor docenten in diecurricula niet terug te vinden zijn, en dat de helft van de tijd besteed wordtaan het nieuwe leren – laat ik het zo maar zeggen – en juist niet aanvakdidactische, pedagogische en vakinhoudelijke kennis. Ik zal die vragenformuleren. Ik ben heel benieuwd naar de antwoorden. Dat geeft mijalleen de zorg: zitten we niet weer in een heel groot praatcircus, waarbijgezegd wordt dat we de kwaliteit van de docenten gaan verhogen, terwijlje dat bijna niet kan terugvinden?Verder wil ik het volgende zeggen. Ik denk dat het heel moeilijk is om inhet onderwijs iets te veranderen, omdat er zo veel groepen zijn die huneigen autonomie willen bewaren dat dat ook steeds een argument is omwel of niet met iets samen te werken.De voorzitter:Dank aan de heer Uppelschoten van de PVV. Dan ga ik naar de heerKisteman van de VVD.De heer Kisteman (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij complimenten aan de Staatssecre-taris. Het is alsof we hier al met een hele ervaren bewindspersoon zitten.Dank voor de antwoorden over de digitale geletterdheid. We hebbenmooie stappen gezet. Ik kijk het met vertrouwen tegemoet.De Staatssecretaris zei tussen neus en lippen door nog even dat hijbegreep dat de bonden van tafel gingen als het ging om het herstelplanvoor het onderwijs. Daar denk ik toch iets anders over. Dat weten debonden ook heel goed van mij. Als ze bij elke bezuiniging weglopen,komen we helemaal geen steek verder. Daar kijken wij dus iets andersnaar. Maar daar hebben we het nog wel een keer over met de bonden.Dank u wel.De voorzitter:Dank aan de heer Kisteman. Hij sprak namens de VVD. Ik zie dat mevrouwRooderkerk een interruptie heeft.Mevrouw Rooderkerk (D66):De heer Kisteman verwijt nu dat ze van tafel gaan, maar gaat hij dan zelfook om tafel met de bonden om het hierover te hebben?De heer Kisteman (VVD):Ik zal geen namen noemen, maar er staat met iemand nog een biertje opde agenda.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1252 De voorzitter:Oké, maar niet voordat we dit debat hebben afgerond. Er rest nog eentweede termijn van de Staatssecretaris. We gaan een korte pauze inlassenzodat de Staatssecretaris de antwoorden kan voorbereiden.De vergadering wordt van 21.11 uur tot 21.14 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Onderwijs,Cultuur en Wetenschap. We zijn aangekomen bij de tweede termijn van dekant van het kabinet. Ik wil de Staatssecretaris het woord geven voor debeantwoording. De Staatssecretaris.Staatssecretaris Becking:Dank u wel, voorzitter. Ik ga op sprekersvolgorde verder. Ik heb mevrouwHaage gehoord, maar ik geloof niet dat ik daar nog op hoef te reageren.Mevrouw Hertzberger had het over de magere inspraak van docenten,leraren. Ik wil toch nog iets meer zeggen over die herhaalde pogingen. Wedoen al meer dan wellicht over tafel komt. We stimuleren de vorming vaneen beroepsgroep. Dat heb ik nog niet genoemd. We werken aan eenbeleidstoets voor leraren. Ik zei wel al: die spreken we ook vaak. Dat doenwe bijvoorbeeld via OCW Dichtbij, het Masterplan basisvaardigheden ende Nationale Aanpak Professionalisering Leraren. U vroeg om debetrokkenheid van elke leraar in de 50 onderwijsregio’s.De voorzitter:Er wordt verduidelijkt dat het gaat om lerarenorganisaties.Staatssecretaris Becking:Ja, maar ik wilde daarover zeggen dat in elke regio de beroepsgroepbetrokken is. Dat is ook een voorwaarde voor de subsidie van de komendejaren. Dat betreft de betrokkenheid van de beroepsgroep naast debesturen en de opleidingen. Maar goed, ik kan nog een keer herhalen datik het ook belangrijk vind dat leraren echt goed betrokken worden en datik me daar ook voor zal inspannen, maar dat het ook niet helemaalmakkelijk is om dat allemaal maar even vanuit Den Haag te doen en aan testuren. Daarvoor is het land toch net iets te groot en hebben we net iets teveel scholen, zal ik maar zeggen.De voorzitter:Ik ga toch even voor mevrouw Hertzberger vragen of u daar nog eennadere toezegging op kunt doen, zodat we daar nog op terug kunnenkomen.Staatssecretaris Becking:In de lerarenbrief in december kom ik daar graag op terug.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat er toch nog een vraag is van mevrouw Hertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik realiseer me ook dat het niet niks is. Dat begrijp ik natuurlijk ook. Ik zaginderdaad de houtskoolschets van de nieuwe poging die toch weergedaan wordt om een soort van onderwijscoöperatie op te zetten, waarhet ook in het rapport van de Onderwijsraad over ging. Daar zijn we ergbenieuwd naar. We hopen ook dat er gekeken wordt naar welke les wenou geleerd hebben en hoe al die vorige pogingen zijn gestrand. Watbetreft de subsidie voor de onderwijsregio is het erg belangrijk omgewoon één leraar of schoolleider of zoiets te betrekken. Dat doen ze nu.Het is belangrijk dat er achter die leraar een lerarenorganisatie zit en datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1253 die niet zomaar terzijde kan worden geschoven. Dat is van groot belang,denk ik. Het zou mooi zijn als dat in alle 50 onderwijsregio’s gerealiseerdkan worden. Die gaan namelijk ook straks over die professionalisering.Dat kan echt niet over de hoofden van de docenten zelf heen.Staatssecretaris Becking:Ik hoorde, geloof ik, geen vraag, dus dan ga ik door met de doorstroom-toets. Mevrouw Rooderkerk van D66 vroeg om minder gewicht toe tekennen aan de doorstroomtoets in het schooladvies. Dat is natuurlijk weleen grote vraag. Dat weet u ook wel. Daar kan ik heel veel over zeggen,maar in november komt de verkenning van de doorstroomtoets naar deTweede Kamer. Daar komt dit ook in terug. Maar dat vraagt wel eenzorgvuldige en brede weging. Dat wil ik dan dus verder oppakken.Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat bedoelt de Staatssecretaris daarmee? Zorgvuldigheid is natuurlijkhelemaal goed, maar brede weging ... Er ligt gewoon een aangenomenKamermotie om dit te gaan doen, maar daar moet natuurlijk wel een wetvoor worden aangepast, om maar iets te noemen. Mijn verzoek was omdaarbij spoed te betrachten.Staatssecretaris Becking:Dat kan ik bevestigen, want dat is ook onderdeel daarvan.Ik heb toch nog even de behoefte om te reageren op een opmerking vande heer Ergin. Ik wil daar alleen maar even over zeggen dat er ook elkedag heel veel goed gaat in het onderwijs, ook de afgelopen twee jaar.Ik denk dat ik op het andere blokje van mevrouw Rooderkerk niet hoef tereageren.De heer Uppelschoten gaat schriftelijk nog vragen stellen, dus daar komenwe dan later op terug, of nu.De heer Uppelschoten (PVV):Het is een onderzoek van de Radboud Universiteit en de eigen inspectie.Er ligt dus al heel veel informatie waaraan gezien kan worden of dekwaliteitseisen die geformuleerd zijn, ook terugkomen in het curriculum.Het antwoord is nee.De voorzitter:De heer Uppelschoten stelt zijn vragen en geeft de antwoorden. Dat is ergnuttig.Staatssecretaris Becking:Die komen schriftelijk, toch, om het even helemaal helder te hebben? Ja?Oké.Ik dank u voor een plezierig debat, voor al uw inspanningen en voor al uwbetrokkenheid.De voorzitter:Dank aan de Staatssecretaris. Maar we sluiten niet af voordat wij met deStaatssecretaris en de commissieleden de toezeggingen hebbendoorlopen, zodat we geen verkeerde of verschillende verwachtingenhebben.Allereerst concludeer ik dat er een tweeminutendebat is aangevraagddoor mevrouw Haage van GroenLinks-PvdA en dat dit vermoedelijk pasna het verkiezingsreces zal worden ingepland.Ik loop de toezeggingen langs.–Voor de begrotingsbehandeling van 2026 ontvangt de Kamer een briefover de stand van zaken van de ontwikkeling van een kwaliteitskadervoor leermiddelen, waarin ook wordt ingegaan op leermiddelen voordigitale geletterdheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1254 Alleen als je heel hooggeletterd bent, kun je deze zin nog goed lezen. DeStaatssecretaris knikt dat de toezegging juist is en ik zie ook geenproblemen vanuit de Kamer.–Dan ga ik naar toezegging twee. Bij de voortgangsbrief lerarenstrategievan december 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand vanzaken van het aangekondigde wetsvoorstel Versterken inspraak lerarenen schoolleiders.Ook die is juist.–Dan gaan we naar drie. Het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleiden arbeidsmarktmaatregelen wordt naar verwachting in het voorjaarvan 2026 naar de Kamer gestuurd.Die is ook juist.–Vier. Bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025 wordtde Kamer geïnformeerd over maatregelen om het aandeel mannenvoor de klas te verhogen, mede in navolging van de motie-Ceder c.s.Dat is de motie op stuk nr. 467 (27 923).Die is juist.–Vijf. De Staatssecretaris doet een verkenning naar de huidige cijfersvan de klassengrootte en zal de Kamer hier voor de zomer van 2026over informeren.Die is ook juist.–In het najaar van 2025 ontvangt de Kamer de voortgangsrapportage enmonitor van het Masterplan basisvaardigheden.–Zeven. In november 2025 ontvangt de Kamer de beleidsreactie overhet rapport van de Onderwijsraad, Talige diversiteit benutten.–Acht. Bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025 wordtde Kamer geïnformeerd over de betrokkenheid van leraren bij deonderwijsregio’s.–Negen. In november 2025 ontvangt de Kamer de uitkomst van deverkenning van het teruggaan naar één doorstroomtoets. Daarin wordtingegaan op de uitwerking van de motie van de leden Hertzberger enRooderkerk over het gewicht van de doorstroomtoets afhalen. Dat isde motie op stuk nr. 834 (31 293).Dan zijn we er. O, mevrouw Hertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):Over die toezegging. Het gaat dus niet om de betrokkenheid van lerarenbij de onderwijsregio’s, maar van lerarenorganisaties. Dat wil ik toch heeleven specificeren.De voorzitter:Ik zie dat er geknikt wordt, dus zodra ik de laptop heb teruggegeven, zaldie worden aangepast.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoorde ook nog de toezegging dan wel constatering dat de inspectieonderzoek doet op scholen naar de signalen uit Nieuwsuur. Dat klopttoch?Staatssecretaris Becking:Ik dacht gezegd te hebben dat de inspectie daar serieus naar kijkt en datals er aanleiding is om daar verder actie op te ondernemen, de inspectiedat dan ook zal doen. Dat heb ik volgens mij gezegd.Mevrouw Rooderkerk (D66):Maar als het zo gezegd wordt, is het dan mogelijk om de Kamer wel teinformeren over de uitkomsten daarvan? Anders verdwijnt het. Als deinspectie dit doet, zouden we het ook via de inspectie kunnen krijgen.Maar het is wel van belang dat het in ieder geval via een weg ook deKamer bereikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1255 Staatssecretaris Becking:Ja, dat kan als ik daarover geïnformeerd word door de inspectie. Via dieroute zou dat kunnen, ja.De voorzitter:Helder. Daarmee zijn we wel echt aan het einde gekomen van dit debatvan de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Eenwoord van dank aan de nieuwe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap, de heer Becking. Dank aan alle Kamerleden. Ik dank u ookdat we dit binnen de tijd hebben gedaan. Ik zag dat de heer Kistemanenigszins ongerust werd – die ongerustheid deelde ik wel – toen wijgingen uitbreiden naar zes interrupties. Maar we zijn keurig binnen de tijdgebleven. Volgens mij was het een nuttig en goed debat. Ik wens u nogeen fijne avond. Ik sluit de vergadering. Wel thuis.Sluiting 21.23 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1256
Gerelateerde bronnen
- Funderend onderwijs
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 30 september 2025, over Funderend onderwijs
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.