Verslag van een schriftelijk overleg over de Geannoteerde Agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025 (Kamerstuk 21501-31-806)
Brontekst
Versie 1ef13f4ffa56a2e3 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-31Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid,Volksgezondheid en ConsumentenzakenNr. 807 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 25 november 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over de brief van 17 november 2025 over degeannoteerde Agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleidvan 1 december 2025 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 806).De vragen en opmerkingen zijn op 21 november 2025 aan de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 25 november2025 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Van der BurgAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-21501-31-807ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8071 InleidingBijgaand ontvangt u de beantwoording van het Schriftelijk Overleg overde Formele Raad WSB van 1 december aanstaande welke uw Kamer mijop 21 november jl. heeft toegezonden.Aanvullend wil ik uw Kamer informeren over twee toegevoegde w.v.t.t.k.-agendapunten voor de Formele Raad. Het eerste punt betreft eentoelichting van de Europese Commissie op het recent bereikte onderhan-delaarsakkoord tussen de Raad en het Europees Parlement over deVerordening oprichting EU-talentenpool. Tijdens dit punt zal ik hetNederlandse standpunt toelichten in de Raad en de Commissie oproepenom het juridisch kader rond de detachering van derdelanderwerknemerste verduidelijken.Het tweede punt betreft de ondersteuning van Portugese conclusies naaraanleiding van een bijeenkomst in Porto. Portugal organiseert sinds dePorto-top van 2021 om de twee jaar een bijeenkomst voor Europesestakeholders. De conclusies zijn in lijn met de staande kabinetsinzet.Nederland is daarom voornemens de conclusies te ondersteunen. Deconclusies roepen op tot actie om kwaliteitsbanen te bevorderen endaarmee een bijdrage te leveren aan het verbeteren van het concurrentie-vermogen van de Unie. Ook noemen de conclusies, mede op verzoek vanNederland, dat eerlijke arbeidsmobiliteit moet worden bevorderd,inclusief de aanpak van misstanden rond de detachering van derdelandersen versterking van de Europese Arbeidsautoriteit.InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie11Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie19 Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de stukken ten behoeve van de vergadering van deRaad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 1 december2025 aanstaande en het BNC-fiche ten aanzien van het EuropeesSociaal Fonds. Met name over dat laatste hebben deze leden nogvragen.De leden van de D66-fractie merken op dat in de vormgeving vanhet Europees Sociaal Fonds (ESF) binnen het voorstel voorNationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPP) nadruk-kelijk aandacht gevraagd wordt voor het partnerschapsprincipe.Deze leden wijzen op voldoende afstemming en samenwerking bijhet uitwerken van deze plannen met lokale en provincialemedeoverheden. Zij voeren een groot deel van de taken opsociaal gebied uit, vooral na de decentralisatie van veel taken inhet sociaal domein. Hun noden om mensen effectief te kunnenhelpen zijn daarom van groot belang om de middelen effectief teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8072 besteden, zo stellen deze leden. Hoe verhoudt de betrokkenheidvan medeoverheden bij het opstellen van de NRPP zich tot hunbetrokkenheid bij het opstellen van het herstel- enveerkrachtplan (HVP)? Is de Minister voornemens om dezebetrokkenheid te versterken en zo ja, op welke wijze?Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP, dat gericht is op hetpartnerschapsbeginsel. Het kabinet wil hier ook actief vorm aan gevenmiddels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere(maatschappelijke) partners, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel enmet de motie Paternotte.1Omdat de onderhandelingen in Brussel op dit moment lopen en dedefinitieve vormgeving van het NRPP daarmee nog niet is vastgelegd, ishet nog te vroeg om reeds gedetailleerde afspraken te maken metmedeoverheden en andere partners. Wel wordt op dit moment verkendwat de voorgestelde vormgeving van het NRPP betekent voor denationale organisatie van het proces. Hier worden geleerde lessen van hetHVP in meegenomen.De leden van de D66-fractie constateren dat uitgaven vooronderwijs volledig meetellen bij het bepalen van de 14% van deNRPP-uitgaven die verplicht besteed dient te worden aan socialedoelstellingen. Deze leden stellen dat onderwijs de motor is voorgelijke kansen in de samenleving en daarom van groot belang inhet verwezenlijken van sociale doelstellingen. Welk deel van dehuidige uitgaven van het ESF gaat op dit moment naar onderwijs-gerelateerde uitgaven? Is de Minister voornemens te onderzoekenin hoeverre meer ESF-middelen besteed kunnen worden aanonderwijsplannen die gericht zijn op het bevorderen vankansengelijkheid?Het totaal beschikbare budget dat naar onderwijsinstellingen (vso-proscholen) gaat in dit tijdvak (voor drie schooljaren, vanaf 1 augustus 2025tot en met 31 juli 2028) bedraagt 30,5 miljoen. In de eerste twee tijdvakken(2022–2023 en 2023–2025) is er respectievelijk 15 en 30 miljoenbeschikbaar gesteld. In totaal is dus ruim 75 miljoen voor deze programm-aperiode beschikbaar gesteld voor onderwijs. Daarnaast worden o.a.middelen vrijgemaakt voor om- en bijscholing gedurende het werkzameleven.Er is aandacht voor gelijkere kansen binnen de uitvoering van alleprojecten onder het huidige ESF. Dit betreft een horizontale doelstellingonder de ESF+-verordening. Ook in het Commissievoorstel voor het NRPPkomt gelijkere kansen terug als horizontale doelstelling, die moet wordenmeegenomen bij het opstellen van de nationale plannen.De leden van de D66-fractie zien dat het kabinet nog steeds alsdoelstelling heeft om dakloosheid te beëindigen in 2030, maardat we nog niet op koers liggen dat doel te halen. Is de Ministerhet met voornoemde leden eens dat dak- en thuislozen een zeerkwetsbare doelgroep zijn die nog meer ondersteuning kunnengebruiken? Is de Minister bereid met medeoverheden een plan opte stellen hoe ESF-middelen kunnen bijdragen aan het verwezen-lijken van het doel dat in 2030 iedereen een dak boven zijn ofhaar hoofd heeft?1Kamerstuk 21 501-08, nr. 985Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8073 Het kabinet is het ermee eens dat dak- en thuisloze mensen een zeerkwetsbare doelgroep betreft welke extra aandacht nodig heeft. HetEuropees Sociaal Fonds heeft in het Meerjarig Financieel Kader (MFK)vanaf 2028 geen specifiek budget of programma, maar wordt onderdeelvan de Nationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPPs). Het is opdit moment nog te vroeg om in te gaan op de specifieke invulling van hetNRPP dat voor Nederland opgesteld zal worden. Conform het Commissie-voorstel dienen de NRPP-plannen te worden opgesteld door de lidstaten,in samenspraak met medeoverheden. Op dit moment worden devereisten uit het NRPP nader geanalyseerd en wordt bestudeerd op welkewijze het opstellen van de NRPP-plannen het best georganiseerd kanworden.De leden van de D66-fractie merken op dat sinds de start van dehuidige ESF-looptijd de personeelstekorten fors zijn toegenomen,met name in specifieke sectoren zoals de zorg, het onderwijs entechniek. Op welke manier is de Minister voornemens om ditgegeven te verwerken in het nationale NRPP die voor Nederlandopgesteld zal worden? En op welke manier is de Ministervoornemens om te zorgen dat dit gegeven ook meegewogen zalworden in de beoordeling van NRPP van andere landen? Is deMinister het met deze leden eens dat het van belang is voor hetconcurrentievermogen van Europa als geheel dat alle landenzorgen voor strategisch arbeidsmarktbeleid voor essentiëlesectoren, in lijn met het rapport-Draghi? Op welke manier zal deMinister dit over het voetlicht brengen in discussies over dezeverordening?Het is op dit moment nog te vroeg om in te gaan op de specifiekeinvulling van het NRPP dat voor Nederland opgesteld zal worden. Om alsUnie concurrerend te blijven, arbeidsmarkttekorten aan te pakken en omde grote transities waar te kunnen maken, zijn vaardigheden en de socialeinclusie van mensen van belang. Ook het rapport van Mario Draghi overde concurrentiekracht van de EU2 benoemt specifiek het belang vanmenselijk kapitaal als basisvoorwaarde voor het versterken van deEU-concurrentiepositie. Het kabinet vindt het positief dat deze inzet wordtgereflecteerd in het NRPP-voorstel, met een sterkere focus op vaardig-heden, sociale inclusie en een goed functionerende arbeidsmarkt. Hetkabinet zal er gedurende de onderhandelingen op inzetten dat dezeversterkte focus niet verwatert en waar mogelijk verder versterkt wordt.Bovendien benadrukt het kabinet het belang van het investeren inmensen, om de transities te kunnen maken en het concurrentievermogenvan de EU te versterken.Het kabinet vindt het belangrijk dat lidstaten hervormingen implemen-teren die de economie van de lidstaten, en in het verlengde daarvan deEU als geheel, versterken. Uitkering van EU-middelen op basis vanmijlpalen en doelstellingen, die ook betrekking hebben op hervormingen,kan hieraan een bijdrage leveren. Het kabinet ondersteunt dan ook devoorwaarde dat lidstaten in hun NRPP een significant deel van deuitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbeve-lingen in het Europees Semester moeten adresseren.De leden van de D66-fractie constateren dat landspecifiekeaanbevelingen een prominente rol zullen krijgen in het beoor-delen van de NRPP. Een belangrijke recente landspecifiekeaanbeveling voor Nederland is om bij- en omscholingsmogelijk-2The future of European competitiveness: Report by Mario Draghi (2025), ISBN 978-92-68-22716–9Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8074 heden voor iedereen te versterken via gericht en op maatgesneden arbeidsmarktbeleid. Op welke manier is de Ministervoornemens tegemoet te komen aan deze aanbeveling in hetalgemeen en specifiek in het nationale NRPP. Wil de Minister inoverweging nemen om bijvoorbeeld een persoonlijk leerbudgetop te stellen, dat iedereen kan aanboren om tijdens het leven bijen om te scholen?Het kabinet herkent zich in de betreffende aanbeveling3, die in lijn is metlandspecifieke aanbevelingen (LSA’s) uit eerdere jaren. Voor eenveerkrachtige en dynamische arbeidsmarkt is een goede match van vraagen aanbod van vaardigheden en arbeidskrachten van belang. Dit vergrootde productiviteit van onze economie, versterkt de positie, de bestaansze-kerheid en de eigenwaarde van werkende Nederlanders en draagt bij aande brede welvaart van ons land.Het kabinet rapporteert in de Jaarlijkse Voortgangsrapportage4 (AnnualProgress Report – APR) over de voortgang op het budgettair-structureelplan voor de middellange termijn. De APR gaat onder andere in op devoortgang op de investeringen en hervormingen die het kabinet heeftopgenomen in het budgettair-structureel plan in het kader van de LSA’s ende gemeenschappelijke prioriteiten van de Europese Unie.Uw Kamer is eerder geïnformeerd over hoe het kabinet arbeidsmarkt-krapte wil verminderen via de brede arbeidsmarktagenda.5 Dat doen weonder meer door de arbeidsmarktinfrastructuur te hervormen richting éénwerkcentrum per arbeidsmarktregio, waarin publieke en private organi-saties samenwerken. Middels de hervorming krijgen werkzoekenden,werkenden en werkgevers betere ondersteuning op hun arbeidsmarkt- enscholingsgerelateerde vraagstukken. Ook stimuleert en ondersteunt hetkabinet mensen om te werken aan hun blijvende inzetbaarheid op dearbeidsmarkt. Bijvoorbeeld via subsidies voor scholing in crucialesectoren en sectorale ontwikkelpaden. Uw Kamer is eerder geïnformeerdover de beoogde verkenning naar hoe publieke en private LLO-middeleneffectiever kunnen worden ingezet.6 Doel van deze verkenning is om tekomen tot een ontwerp voor een toekomstbestendige infrastructuur dieleren en ontwikkelen voor iedereen mogelijk maakt. Hierbij wordt ookoverwogen om daar invulling aan te geven door middel van eenpersoonlijk budget. Het is aan een volgend kabinet om daar een besluitover te nemen.Met betrekking tot het NRPP, verwelkomt het kabinet dat in de Commissie-voorstellen voor het NRPP een verband wordt gelegd met de LSA’s uit hetEuropees Semester. Het is positief dat de Europese voorstellen voor hetNRPP een sterke focus hebben op vaardigheden, sociale inclusie en eengoed functionerende arbeidsmarkt. Het is op dit moment nog te vroeg omin te gaan op de specifieke invulling van het NRPP dat voor Nederlandopgesteld zal worden.3De landspecifieke aanbeveling (LSA) uit het Lentepakket van 2025 over bij- en omscholingsmo-gelijkheden luidt als volgt: «Uitgebreide maatregelen uitvoeren om tekorten aan arbeids-krachten en vaardigheden aan te pakken, onder meer door onderbenut arbeidspotentieel aan teboren, door de bij- en omscholingsmogelijkheden voor iedereen te versterken via gericht en opmaat gesneden actief arbeidsmarktbeleid, en door mobiliteit naar sectoren met een hogeproductiviteit en sectoren met betrekking tot maatschappelijke uitdagingen aan te moedigen».4https://economy-finance.ec.europa.eu/document/download/73e6cf75-6334-45a4-9012-76cc6d549406_nl?filename=annual_progress_report-2025-netherlands_nl_1.pdf5Kamerstukken II, 2024/25, 29 544, nr. 1260.6Kamerstukken II, 2024/25, 30 012, nr. 158.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8075 De leden van de D66-fractie verwelkomen maatregelen die vanuitEuropa worden genomen om te zorgen voor meer betaalbarewoningen via het EU Affordable Housing Plan, zoals het herzienvan staatssteunregels voor betaalbare, energiezuinige socialehuisvesting. Wat zijn de precieze verwachtingen van de Ministerover het plan dat verwacht wordt voor het einde van het jaargepresenteerd te worden? Graag vernemen voornoemde leden opwelke manier en op welke termijn de Minister actie zal onder-nemen om nieuwe regels toe te passen in de Nederlandsepraktijk.De Europese Commissie heeft aangekondigd het «European AffordableHousing Plan» op 16 december te presenteren. Na publicatie zal hetkabinet de voorstellen beoordelen en hierover een BNC-fiche opstellen,dat aan de Kamer wordt toegezonden conform de reguliere afspraken.Deze appreciatie vormt de basis voor verdere kabinetsinzet.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben met veel interesse kennisge-nomen van de agenda van de Raad Werkgelegenheid en SociaalBeleid van 1 december. Deze leden hebben hierover een aantalvragen aan de Minister.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij de meningdeelt dat de aanstaande Europese Unie (EU) Talent Pool in depraktijk een «EU-Tinder voor arbeidsmigranten» zal worden,waarmee uitzendbureaus en malafide intermediairs uit anderelidstaten nog makkelijker goedkope arbeidskrachten uit derdelanden naar Nederland kunnen halen.In de Verordening zijn, mede op voorspraak van Nederland, enkeleconcrete waarborgen opgenomen die oneigenlijke detachering vanderdelanderwerknemers moet tegengaan, en goed werkgeverschap eneerlijke werving moet bevorderen. Zo stelt de Verordening dat werving enplaatsing alleen gericht mag zijn op functies in de lidstaat waarin dewerkgever gevestigd is en substantiële economische activiteiten verricht.Ook dient er sprake te zijn van een concrete vacature, alvorens eenwerkgever een werknemer uit een derde land kan werven. Elke lidstaatkan zelf bepalen welk type werkgever wordt toegelaten tot het platform.Daarnaast kunnen lidstaten individuele werkgevers uitsluiten vandeelname aan het platform. Verder wordt expliciet genoemd dat deDetacheringsrichtlijn en de relevante jurisprudentie nageleefd dienen teworden, waaronder de voorwaarde van legale en gewoonlijke tewerk-stelling in de zendende lidstaat.Tegelijkertijd deel ik de zorgen van de PVV-fractie dat de EU-talentenpoolkan leiden tot een grotere instroom van (kwetsbare) werkenden op deNederlandse arbeidsmarkt. Het blijft op grond van de compromistekstmogelijk dat derdelanderwerknemers die via het online portaal wordengerekruteerd, na werving (vrijwel) onmiddellijk op grond van het vrijverkeer van diensten kunnen worden gedetacheerd naar een andere(niet-deelnemende) lidstaat. Het (vrijwel) onmiddellijk detacheren vanderdelanderwerknemers naar een andere lidstaat is overigens eenbestaande praktijk die zich ook los van de EU-talentpool voordoet.Daarom is het tegengaan van oneigenlijke detachering ook buiten deonderhandelingen over de EU-talentenpool een belangrijke prioriteit voorNederland. Het kabinet zet actief in op een verheldering van het juridischTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8076 kader rond de detachering van derdelanderwerknemers en versterkingvan de Europese Arbeidsautoriteit.7Mede gelet op de weging van de Nederlandse belangen op het vlak vanhet voorkomen van misstanden en oneigenlijke detachering van metname derdelanderwerknemers, maar ook op migratiesamenwerking enpartnerschappen met landen van buiten de Unie, het krachtenveld en hetuiteindelijke doel en reikwijdte van de Verordening, zal het kabinet zichonthouden van stemming. Daarbij merk ik graag op dat een onthoudingvan stemming de facto telt als tegenstem.De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister kan verant-woorden dat de Europese Commissie voornemens is de nationaleregels rond detachering verder te harmoniseren of zelfs af teschaffen, terwijl dit volgens deze leden grote risico’s oplevertvoor arbeidsuitbuiting, sociale dumping en oneerlijke concur-rentie voor Nederlandse werknemers.Het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2026 bevat geennieuwe voorstellen die zien op het harmoniseren of afschaffen van deregels rond detachering. Wel heeft de Europese Commissie voor 2026 eenFair Labour Mobility Package voorgesteld. Mijn inzet is erop gericht dat ditpakket ook een initiatief zal omvatten voor de verduidelijking van hetjuridisch kader voor de detachering van derdelanderwerknemers, alsmedevoorstellen bevat voor versterking van de Europese Arbeidsautoriteit.De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Minister accep-teert dat de EU zich steeds verder bemoeit met de Nederlandsewoningmarkt, terwijl huisvesting volgens deze leden primair eennationale aangelegenheid is en moet blijven.Het kabinet onderschrijft dat huisvesting in de eerste plaats een nationaleverantwoordelijkheid is. De EU heeft geen bevoegdheid om nationaalwoonbeleid over te nemen en dat moet ook zo blijven. Dit is ook demening van veel andere lidstaten en dit uitgangspunt wordt bevestigddoor de Europese Commissie. Tegelijkertijd ziet het kabinet meerwaardein Europese samenwerking waar dit aanvullend en ondersteunend vanaard is. Bijvoorbeeld bij het beter benutten van Europese financieringsin-strumenten en het uitwisselen van kennis en goede voorbeelden tussenlidstaten. Daarnaast raakt de woningbouw wel aan Europese wetgeving,zoals bijvoorbeeld regels over bouwveiligheid, natuurherstel en staats-steun. Mijn inzet op Europees niveau concentreert zich dan ook op hetverminderen van beperkende regels en het creëren van meer ruimte voorde corporaties op de woningbouwmarkt.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister kangaranderen dat eventuele EU-wijzigingen in de staatssteunregelsniet zullen leiden tot Europese inmenging in de Nederlandsewoningmarkt of tot druk vanuit Brussel om meer middenhuurmet overheidssteun te realiseren.De leden van de PVV-fractie stellen terecht dat dit een nationale aangele-genheid betreft. De concept wijziging die de Europese Commissie heeftgeconsulteerd laat meer ruimte aan lidstaten dan nu het geval is. Er is duszeker geen sprake van meer Europese inmenging, maar juist minder8. Hetgaat daarnaast om extra ruimte, maar de regeling bevat geen verplichting.7Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158, bijlage «Position Paper Posting of Third-CountryNationals».8https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_25_2266.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8077 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie constateren dat de onderhande-lingen over de herziening van Verordening 883/2004 al lange tijdvoortduren en dat Nederland herhaaldelijk zorgen heeft geuitover de voorgestelde verruiming van exportmogelijkheden in hetwerkloosheidshoofdstuk. Deze leden vragen hoe ver het kabinetbereid is te gaan om dit dossier tegen te houden indien deuiteindelijke uitkomst van de onderhandelingen niet in lijn blijktte zijn met de Nederlandse inzet en belangen. Kan het kabinetuiteenzetten welke scenario’s zij daarbij voor ogen heeft enwelke instrumenten Nederland nog kan inzetten?Het is goed dat er Europese afspraken zijn over de coördinatie van socialezekerheid. De Verordening is van groot belang voor werkgevers,werknemers en andere burgers. Denk bijvoorbeeld aan een Nederlandsbedrijf dat een grote opdracht in het buitenland uitvoert, of aan iemand inde grensstreek die in een andere lidstaat werkt dan waar deze persoonwoont. In dergelijke situaties is het essentieel dat iemand niet dubbelsociaal verzekerd is, of in geen van beide lidstaten. Tegelijkertijd klopt hetdat Nederland kritisch staat tegenover de voorgestelde verruiming vanexportmogelijkheden in het werkloosheidshoofdstuk, omdat dit activeringnaar werk en controles op de rechtmatigheid van de uitkering bemoeilijkt.Deze zorgen blijf ik actief onder de aandacht brengen in Brussel bij een zobreed mogelijke groep stakeholders.Behalve de zorgen bij het werkloosheidshoofdstuk, hecht ik veel waardeaan het moderniseren van de Verordening. De arbeidsmarkt heeft deafgelopen jaren niet stilgestaan, bijvoorbeeld ten aanzien van ontwikke-lingen als telewerk en flexibilisering. Ook neemt het aantal mensen dat temaken heeft met sociale zekerheidssystemen van verschillende lidstatenalleen maar toe. Dit zet druk op uitvoeringsorganisaties. Om deze redenenvind ik het van belang dat wordt bezien hoe de Verordening toekomstbe-stendig kan worden gemaakt. Nederland heeft eerder een non-paperopgesteld met ideeën waar een toekomstig voorstel aan kan voldoen enzal hiervoor aandacht blijven vragen.9Wat betreft de onderhandelingen over het huidige herzieningsvoorstel kanik het volgende toelichten. Op dit moment vinden er onder het Deensevoorzitterschap geen onderhandelingen over het herzieningsvoorstelplaats. De verwachting is echter dat de onderhandelingen onder hetkomende Cypriotische voorzitterschap worden hervat. Onder Poolsvoorzitterschap is er reeds een Raadsmandaat vastgesteld, waarmee hetCypriotische voorzitterschap van de Raad de onderhandelingen met hetEuropees Parlement kan voeren (de zogenoemde trilogen). Het is mogelijkdat het in de trilogen met het Europees Parlement tot een onderhan-delingsakkoord komt. Mocht dit het geval zijn, dan wordt een mogelijkonderhandelingsakkoord opnieuw ter besluitvorming aan de Raad en hetEuropees Parlement voorgelegd. Er is een gekwalificeerde meerderheidvan lidstaten in de Raad nodig om in te stemmen met het bereikteonderhandelingsakkoord. Deze formele momenten, maar ook degesprekken en afstemming achter de schermen, zijn gelegenheden om deNederlandse belangen onder de aandacht te brengen. Daarbij probeer ikniet alleen samen te werken met gelijkgezinde lidstaten, maar juist zobreed mogelijk coalities te smeden. Het Verdrag biedt ten slotte demogelijkheid om een eventueel akkoord door te verwijzen naar deEuropese Raad van regeringsleiders, indien een akkoord afbreuk zou doen9Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158, bijlage «Modernisation of Social Security Coordi-nation in the EU».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8078 aan belangrijke aspecten van het socialezekerheidsstelsel. Nederlandheeft in het verleden het standpunt ingenomen dat inzet van dezemogelijkheid niet proportioneel is, de uitkomst daarvan onzeker is, eninzet de bredere Nederlandse belangen kan schaden.Ik zal de Kamer vanzelfsprekend informeren bij belangrijke ontwikke-lingen.De leden van de VVD-fractie verzoeken het kabinet toe te lichtenhoe vaak Nederland in de afgelopen jaren gebruik heeft gemaaktvan het Europees Globaliseringsfonds (EGF). Acht het kabinet hetfonds succesvol in de Nederlandse context? Zijn er elementenvan het instrument die volgens het kabinet verbeterd kunnenworden? Zo ja, welke?Tijdens de huidige periode (vanaf 2021) heeft Nederland geen gebruikge-maakt van het Europees Globaliseringsfonds (EGF). In de periode2014–2020 heeft Nederland drie keer gebruikgemaakt van het EGF. Hetkabinet is van mening dat het in eerste instantie aan werkgevers enwerknemers is, eventueel ondersteund door de nationale overheid, omwerknemers die hun baan (dreigen te) verliezen te ondersteunen. Wel kanhet EGF in sommige gevallen, mits de doelgroep duidelijk is afgebakend,als aanvulling dienen op deze bestaande instrumenten.In het BNC-fiche over de herziening van het EGF is toegelicht dat hetkabinet positief is over het eerder inzetten van instrumenten omwerknemers te ondersteunen voordat baanverliezen plaatsvinden. Opdeze manier kunnen werknemers doorgaans gemakkelijker aan eenandere baan geholpen worden. Een dergelijke verbreding is voorgestelddoor de Europese Commissie en betreft een verbetering.De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat allewerknemers gezond en veilig kunnen werken. Tegelijkertijdwillen deze leden dat regelgeving over gevaarlijke stoffenwerkbaar blijft voor bedrijven, waaronder het midden- enkleinbedrijf (mkb). Zij vragen daarom op welke wijze het kabinethet bedrijfsleven, inclusief het mkb, heeft geconsulteerd bij debepaling van het Nederlandse standpunt. Wat was de aard van deontvangen input en hoe is deze betrokken bij de uiteindelijkeinzet?Het mkb is via de Nederlandse werkgeversvertegenwoordiging betrokkenbij de totstandkoming van de grenswaarden in de CMRD. In het «AdvisoryCommittee for Safety and Health at Work» (ACSH) bespreken overheden,werkgevers en werknemers uit de lidstaten voorstellen van de Commissie.Dit comité heeft een unaniem advies uitgebracht met betrekking tot deactualisatie van grenswaarden voor gevaarlijke stoffen voor CMRD6. Devoorgestelde waarden zijn gebaseerd op de stand van de wetenschap enzijn haalbaar geacht door sociale partners op EU-niveau.In het ACSH zijn dus zowel de Nederlandse overheid als werkgevers- enwerknemersorganisaties, waaronder vertegenwoordigers van het mkb,betrokken geweest bij het opstellen van dit advies. De kabinetsinzet is inlijn met dit advies.De leden van de VVD-fractie constateren dat dit dossier algeruime tijd geblokkeerd is door het ontbreken van unanimiteit.Deze leden vragen welke lidstaten op dit moment aangeven niette kunnen instemmen met het voorstel en welke argumenten zijdaarvoor aandragen. Is er zicht op een mogelijk compromis? ZoTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8079 ja, hoe zou een dergelijk compromis eruit kunnen zien? Ten slottevragen deze leden welke meerwaarde deze richtlijn concreet zouhebben voor Nederland, gelet op het feit dat discriminatie hier alverboden is en nationale wetten voorzien in de beoogdebescherming.Ik kan helaas niet ingaan op posities van individuele lidstaten gezien devertrouwelijkheid van de onderhandelingen. Na het niet bereiken van eenalgemene oriëntatie voor het Richtlijnvoorstel tijdens de Formele RaadWerkgelegenheid en Sociaal Beleid van 19 juni 202510, heeft het DeenseVoorzitterschap vanaf juli in diverse Raadswerkgroepen gepoogd teverkennen op welke manier een akkoord bereikt kon worden door aan delidstaten te vragen welke verdere wijzigingen in de tekst nodig zijn. Ditheeft echter nog niet geleid tot aanpassing van de teksten. Daarom is nieteenduidig te zeggen hoe een compromis eruit zal moeten komen te zien.Gezien Nederland reeds vrijwel alle bepalingen uit de Richtlijn heeftgeïmplementeerd, worden voor Nederland geen verstrekkende gevolgenmeer verwacht indien er een akkoord zou worden bereikt over de richtlijnin de huidige vorm. Tegelijkertijd gaan er een belangrijke signaalwerkingen effect uit van aanname van deze richtlijn. De richtlijn helpt omdiscriminatie op grond van godsdienst of levensovertuiging, handicap,leeftijd of seksuele gerichtheid tegen te gaan. Het is daarom belangrijk datook alle andere EU-lidstaten aan de Richtlijn gehouden kunnen worden,zodat discriminatie in de gehele Unie wordt tegengegaan. Het kabinet isdan ook overtuigd van de toegevoegde waarde van dit Richtlijnvoorstel enblijft daarom oproepen tot spoedige aanname ervan.De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang vanvermindering van regeldruk en uitvoerbare regelgeving. Dezeleden vragen daarom welke Europese regels op het terrein vansociale zaken en werkgelegenheid volgens het kabinet inaanmerking komen voor vereenvoudiging of mogelijk schrappen.Wordt hier actief op ingezet in Brussel? Is de Europese Commissievoornemens om binnen deze portefeuille eveneens aandacht tebesteden aan het terugdringen van administratieve lasten enregeldruk? Tot slot vragen deze leden hoe het kabinet samen-werkt met andere lidstaten om dit onderwerp op de Europeseagenda te zetten.Europese regels op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheiddienen effectief bij te dragen aan de bescherming van rechten. Tegelij-kertijd zouden deze regels niet moeten leiden tot regeldruk voor bedrijvenen nationale autoriteiten die niet in verhouding staan tot het doel. Hetkabinet acht het dan ook van belang dat hier oog voor is gedurende degehele wetgevingscyclus, inclusief de implementatiefase. Hier vraagt hetkabinet in brede zin actief aandacht voor in EU-verband. Uw Kamer is overdeze inzet geïnformeerd via de Kamerbrief over het ondernemingsklimaat,waaronder de nieuwe aanpak regeldruk voor ondernemers.11 Zo heeftNederland er, samen met andere lidstaten, bij de Commissie op aange-drongen om alle bestaande regels systematisch tegen het licht te houdenom waar mogelijk regeldruk te verminderen12. De Commissie heeftaangekondigd dit te gaan doen. In haar jaarlijkse voortgangsrapport oververeenvoudiging, implementatie en handhaving benoemt UitvoerendVice-President en Eurocommisaris Roxana Mînzatu dat zij tegen het einde10https://video.consilium.europa.eu/event/en/28001.11Kamerstukken II, 2024/25, 32 637, nr. 706.12Kamerstukken II, 2023/24, 21501-30, nr. 596 (bijlage)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80710 van haar mandaat al haar beleid zal toetsen op relevantie, proportiona-liteit en zal bezien of deze nog «fit for purpose» is13. Dat verwelkom ik.Het kabinet ziet verder mogelijkheden voor Europese digitaliseringsvoor-stellen om regeldruk te verminderen. Zo kan de aangekondigde EuropeseSociale Zekerheidspas (ESSPASS) bijdragen aan verbeterde dienstver-lening aan EU-burgers en het vereenvoudigen van de internationaleuitvoering en handhaving. Ook het initiatief voor een vrijwillig gezamenlijkelektronisch meldformulier voor grensoverschrijdende detacheringen(«e-declaration») kan bijdragen aan het verminderen van regeldruk.Namelijk door het creëren van één gecentraliseerd systeem voorgrensoverschrijdende detacheringen. Op dit moment heeft elke lidstaateen eigen meldloket. Het kabinet steunt het doel van dit voorstel maar zetzich er ook in de triloogfase voor in dat het voorstel voldoendewaarborgen bevat voor de bescherming van gedetacheerde werknemers.Het besluit of Nederland deelneemt aan het initiatief, volgt pas wanneerhet voorstel definitief is. Verder wordt opgemerkt dat met betrekking totde meldplicht voor grensoverschrijdende detacheringen wordt onderzochtof twee maatregelen uit Duitsland en Spanje – respectievelijk eenrisicogebaseerde aanpak en een vrijstelling voor kortdurende detache-ringen – ook in Nederland kunnen bijdragen aan het verlagen vanregeldruk. Deze maatregelen zijn eerder gepresenteerd in de EuropeseSingle Market Enforcement Taskforce14.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat hetkabinet zorgen heeft geuit over het risico op oneigenlijkedetachering van derdelanderwerknemers. Kan het kabinetuiteenzetten welke maatregelen het bij voorkeur getroffen zietom te waarborgen dat dergelijke oneigenlijke detachering wordtvoorkomen? Daarnaast vragen deze leden ook aan het kabinet tebevestigen dat als deze waarborgen in het uiteindelijke voorstelonvoldoende zijn geregeld, Nederland zich zal onthouden vansteun en dus niet vóór het voorstel zal stemmen,In de Verordening betreffende de oprichting van een EU-talentenpool zijn,mede op voorspraak van Nederland, enkele concrete waarborgenopgenomen die oneigenlijke detachering van derdelanderwerknemersmoet voorkomen en goed werkgeverschap moet bevorderen. Zo stelt deVerordening dat werving en plaatsing alleen gericht mag zijn op functiesin de lidstaat waarin de werkgever gevestigd is en substantiële econo-mische activiteiten verricht. Ook dient er sprake te zijn van een concretevacature alvorens een werkgever een werknemer uit een derde land kanwerven. Elke lidstaat kan zelf bepalen welk type werkgever wordttoegelaten tot het platform. Daarnaast kunnen lidstaten individuelewerkgevers uitsluiten van deelname aan het platform. Verder wordtexpliciet genoemd dat de Detacheringsrichtlijn en de relevante jurispru-dentie nageleefd dienen te worden, waaronder de voorwaarde van legaleen gewoonlijke tewerkstelling in de zendende lidstaat.Tegelijkertijd blijft op grond van de compromistekst mogelijk datderdelanderwerknemers die via het online portaal worden gerekruteerdna werving (vrijwel) onmiddellijk op grond van het vrij verkeer van13https://commission.europa.eu/document/download/94b7b6dd-8401-4da1-90fe-05a39f2fc3d7_en?filename=2025-annual-progress-report-on-simplification-implementation-and-enforcement-dm_en_4.pdf&prefLang=nl14Kamerstukken II, 204/25, 29 861, nr.168Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80711 diensten kunnen worden gedetacheerd naar een andere (niet-deelnemende) lidstaat. Het (vrijwel) onmiddellijk detacheren vanderdelanderwerknemers naar een andere lidstaat is overigens eenbestaande praktijk die zich ook los van de EU-talentpool voordoet. Hetkabinet heeft er daarom aanvullend op ingezet om additionelewaarborgen op te nemen om de mogelijkheden tot oneigenlijkedetachering van derdelanderwerknemers in de specifieke context van deEU-talentenpool tegen te gaan, en hiertoe verschillende voorstellengedaan, waaronder het introduceren van een bepaalde werkperiode in dezendende lidstaat alvorens te kunnen worden gedetacheerd. Voor dezevoorstellen bestond echter onvoldoende steun in het krachtenveld.Gelet op de weging van de Nederlandse belangen op het vlak van hetvoorkomen van misstanden en oneigenlijke detachering van met namederdelanderwerknemers, migratiesamenwerking en partnerschappen metlanden van buiten de Unie, het krachtenveld en het uiteindelijke doel enreikwijdte van de Verordening, zal het kabinet zich onthouden vanstemming. Het kabinet zal bij de onthouding een stemverklaring afgeven,waarmee het kabinet aandacht wil vragen voor de benodigde verhel-dering van het juridisch kader rond de detachering van derdelanderwerk-nemers. Want ook buiten de onderhandelingen over de EU-talentenpool ishet tegengaan van oneigenlijke detachering een belangrijke prioriteit voorNederland. Het kabinet zet daarom actief in op een verheldering van hetjuridisch kader rond de detachering van derdelanderwerknemers en eenbetere handhaving door de Europese Arbeidsautoriteit.15De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinetaangeeft dat ook buiten de onderhandelingen over deEU-talentenpool het tegengaan van oneigenlijke detachering eenbelangrijke prioriteit voor Nederland is. Kan de Minister aangevenop welke manier zij dit doen?Ook buiten de onderhandelingen over de EU-talentenpool is hettegengaan van oneigenlijke detachering een belangrijke prioriteit voor hetkabinet. Het kabinet zet actief in op een verduidelijking van het juridischkader rond de detachering van derdelanderwerknemers en een beterehandhaving door de Europese Arbeidsautoriteit. Het kabinet heeft hiertoeo.a. het initiatief genomen voor een gezamenlijk position paper.16Bij diverse gelegenheden blijft het kabinet hiervoor in Europees verbandaandacht vragen. Zo heeft Nederland oktober jl. in Brussel een bijeen-komst over eerlijke arbeidsmobiliteit georganiseerd waaraan op hoogniveau werd deelgenomen door leden van de Europese Commissie en hetEuropees Parlement en vertegenwoordigers van andere lidstaten.Gezaghebbende sprekers hebben tijdens dat event gewezen op detoename van het aantal gedetacheerde derdelanderwerknemers en denoodzaak om het juridisch kader voor de detachering van derdelander-werknemers te verduidelijken. Ik blijf hier de komende tijd in Europeesverband aandacht voor vragen en zal daarin blijven optrekken met anderelidstaten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen, gelet op hetaflopen van het huidig Meerjarig Financieel Kader (MFK) en hetvan start gaan van de onderhandelingen over het nieuwe MFK,waarin het Globaliseringsfonds niet is meegenomen, hoe het15Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158, bijlage «Position Paper Posting of Third-CountryNationals».16Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158, bijlage «Position Paper Posting of Third-CountryNationals».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80712 kabinet reflecteert op het risico dat de mogelijkheid tot voort-zetting van dit fonds in het nieuwe MFK komt te vervallen. Kanhet kabinet aangeven hoe hiermee rekening wordt gehouden inde Nederlandse positie richting de onderhandelingen over hetvolgend MFK?Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting.In het voorstel van de Europese Commissie voor het Meerjarig FinancieelKader (MFK) komt het Europees Globaliseringsfonds (EGF) vanaf 2028 nietterug als op zichzelf staand fonds. Het kabinet onderschrijft het belang vaninzet op vaardigheden voor een goed functionerende arbeidsmarkt in hetnieuwe MFK. Daarom vindt het kabinet het positief dat het bevorderenvan kwalitatieve werkgelegenheid en vaardigheden is opgenomen in deCommissievoorstellen voor het NRPP. Dit is in lijn met de doelstellingenvan het huidige EGF.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt datNederland met de bestaande nationale grenswaarden meerbescherming aan werknemers biedt door scherpere geformu-leerde grenswaarden dan de voorgestelde nieuwe Europesegrenswaarden.Nederland heeft voor een aantal stoffen andere grenswaarden dan devoorgestelde Europese grenswaarden. De voorgestelde Europesegrenswaarden zijn gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten.Nederland steunt deze Europese grenswaarden.Voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen is de huidige Neder-landse grenswaarde van 0,0.055 mg/m3 als benzo(a)pyreen hoger dan devoorgestelde Europese waarde. De meeste andere Europese landenhebben op dit moment nog geen grenswaarde voor polycyclischearomatische koolwaterstoffen.De huidige Nederlandse grenswaarde voor kobalt (0,02 mg/m3) komtovereen met de Europese overgangswaarde die de Commissie voorsteltvoor de inhaleerbare fractie. Het Europese voorstel hanteert een strengeredefinitieve grenswaarde van 0,01 mg/m3 voor de inhaleerbare fractie en0,0.025 mg/m3 voor de respirabele fractie, met een overgangsperiode van6 jaar waarin de huidige Nederlandse waarde (0,02 mg/m3) nog geldt. Ditbetekent dat Nederland tijdens de overgangsfase al voldoet aan deEuropese norm, maar na deze periode de strengere Europese waarde zalmoeten implementeren.Voor 1,4-dioxane heeft Nederland een grenswaarde van 20 mg/m3, devoorgestelde Europese grenswaarde ligt lager.Voor lasrook is de Nederlandse grenswaarde vastgesteld op 1 mg/m3. Degrenswaarde in Nederland is met name gebaseerd op de componentfijnstof in lasrook. De Commissie heeft geconcludeerd dat het nietmogelijk is om te komen tot een eenduidige grenswaarde voor allemogelijke vormen van lasrook. De Commissie stelt voor om lasrook alskankerverwekkend mengsel in bijlage I van de CMRD op te nemen. Hetkabinet zal verder in overleg met sociale partners in Nederland onder-zoeken of het voorstel van de Commissie gevolgen heeft voor deNederlandse grenswaarde voor lasrook.Voor isopreen heeft Nederland momenteel geen grenswaarde. Het kabinetsteunt de opname van isopreen in het voorstel, omdat een Europesegrenswaarde zorgt voor een gelijk speelveld en de administratieve lastenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80713 voor Nederlandse bedrijven verlaagt, die nu zelf een bedrijfsgrenswaardemoeten vaststellen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinetkan toezeggen dat het, waar Nederlandse normen scherper zijndan de nieuwe Europese minimumwaarden, niet voornemens isom de nationale beschermingsniveaus te verlagen.De voorgestelde Europese minimumnormen in de zesde wijziging van deEU-Richtlijn ten behoeve van grenswaarden voor gevaarlijke stoffen(CMRD6) zijn voor een groot deel strenger dan de huidige grenswaardenin Nederland. Nu de Commissie voorstelt lasrook als kankerverwekkendproces toe te voegen aan de bijlage van de CMRD, maar geen Europesegrenswaarde voor lasrook vaststelt, zal het kabinet verder in overleg metsociale partners in Nederland onderzoeken of het voorstel van deCommissie gevolgen heeft voor de Nederlandse grenswaarde voorlasrook.Voor een aantal stoffen biedt Nederland een vergelijkbaar of minderstreng beschermingsniveau dan de voorgestelde Europese grenswaarden.De voorgestelde Europese grenswaarden zijn gebaseerd op actuelewetenschappelijke inzichten. Nederland steunt deze Europese grens-waarden, die deels strenger zijn dan de bestaande nationale grens-waarden. Voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen is de huidigeNederlandse grenswaarde hoger dan de voorgestelde Europese waarde.Voor kobalt komt de Nederlandse grenswaarde overeen met de Europeseovergangswaarde. Voor 1,4-dioxane ligt de voorgestelde Europesegrenswaarde lager dan de huidige Nederlandse grenswaarde. Voorisopreen heeft Nederland momenteel geen grenswaarde.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinetzegt de ambitie va de Europese Commissie te steunen om deregeldruk te verminderen maar zonder het beschermingsniveauvan werkenden te ondermijnen. Tegelijkertijd wordt er welgesproken over het afschaffen en verzwakken van bijvoorbeeldde Anti-wegkijkwet en de doelstellingen van het EuropeesSociaal Fonds+, wat allemaal wel raakt aan de arbeids- ensocialezekerheidsrechten van werkenden. Hoe kijkt het kabinethiernaar? Kan het kabinet toezeggen niet met implementatie vanvereenvoudiging in te stemmen tot er voldoende waarborg is vande arbeids- en socialezekerheidsrechten van werkenden? Zo ja,wat verstaat dit kabinet onder voldoende waarborg? Zo nee,waarom niet?Het klopt dat het uitgangspunt voor het kabinet is om regeldruk teverminderen, zonder de gerelateerde beleidsdoelstellingen en hetbeschermingsniveau van wetgeving te ondermijnen. Het kabinetbeoordeelt elk nieuw voorstel langs dit uitgangspunt. Voor de beoordelingvan het voorstel rondom de «Corporate Sustainability Due DiligenceDirective» en het «Europees Sociaal Fonds» verwijs ik uw Kamer naar dedaaraan gerelateerde Kamerstukken.17 In algemene zin geldt dat hetkabinet bij ieder voorstel een gedegen belangenafweging maakt.Daarvoor is het van belang dat de impact van het betreffende wetgevings-voorstel op bedrijven, burgers en uitvoeringsinstanties goed in beeld is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinetbereid is om op impact assessments door de Europese Commissieaan te dringen die inzage geven in de potentiële gevolgen voor17Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4012, en Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4152.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80714 werknemers en de samenleving van de verschillende Omnibusdereguleringspakketten. Als de Europese Commissie weigert omimpact assessments te maken, op welke wijze gaat het kabinetde Kamer dan zelf informeren over de impact die deze deregule-ringspakketten op werknemersbescherming en op ons arbeids-marktbeleid in Nederland gaat hebben?Het kabinet vindt dat alle voorstellen van de Commissie moeten wordenvoorzien van een effectbeoordeling waarin de gevolgen voor allerelevante stakeholders, waaronder bedrijven werknemers en nationaleautoriteiten, worden meegewogen. Het kabinet dringt er bij de Commissieop aan om voor elk voorstel een gedegen effectbeoordeling te maken.Wanneer een dergelijke effectbeoordeling ontbreekt dan zal het kabinet degevolgen van de voorstellen zelf in kaart brengen. Uw Kamer zal hierovervia de geëigende wegen worden geïnformeerd, zoals via BNC-fiches en deGeannoteerde Agenda voor de Europese Raad.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het kabinetkijkt naar de mogelijkheden om het Europees semester uit tebreiden, bijvoorbeeld met data over ongelijkheid in bezit enrijkdom. En hoe kijkt het kabinet naar de mogelijkheden om hetEuropees semester uit te breiden, bijvoorbeeld met data om teanalyseren hoe het gaat met de beginselen van de Europese Pijlervan Sociale rechten?Binnen het Europees Semester is er reeds veel data beschikbaar. Zo ziethet Sociaal Beschermingscomité (Social Protection Committee, SPC) toeop de sociale situatie en de beleidsontwikkelingen inzake socialebescherming in de lidstaten. De bevindingen worden gepresenteerd inhun jaarlijks rapport.18Het jaarlijks rapport van het SPC monitort de sociale situatie in delidstaten, inclusief de voortgang op de EU- en nationale doelstellingenvoor 2030, identificeert belangrijke structurele sociale uitdagingenwaarmee individuele lidstaten worden geconfronteerd, en beoordeeltrecente ontwikkelingen in het sociale domein. Het rapport dient alsleidraad voor de voorbereidende werkzaamheden voor het EuropeesSemester.Onderdeel van dit rapport is het «Social Protection Performance Monitor»(SPPM), waarin sociale indicatoren worden gebruikt, zoals de materiële ensociale deprivatie, de inkomensverhouding, de uitgaven aan huisvestingen de at-risk-of poverty-or-social-exclusion (AROPE) indicator.Daarnaast wordt ook in het Gezamenlijk Werkgelegenheidsrapport (JointEmployment Report, JER) gerapporteerd over de inkomensongelijkheidbinnen de Europese Unie.De Europese Commissie kan naar aanleiding van de analyses enrapporten landspecifieke aanbevelingen doen. Dit ziet ook toe op hetthema sociale bescherming. De aanbevelingen van de Commissie zijn nietjuridisch bindend.Binnen de Europese Pijler van de sociale rechten bestaat al een monito-rende functie, het zogenoemde «Sociale Scoreboard». Dit Scoreboard isgeïntegreerd in het Europees Semester en wordt ieder jaar geanalyseerddoor de Europese Commissie in het Gezamenlijk Werkgelegenheids-18Social Protection Committee Annual Report 2025 data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13348-2025-ADD-1/en/pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80715 rapport van de Commissie en de Raad (Joint Employment Report, JER).Aan de hand van zestien indicatoren toont het Sociale Scoreboard hoelidstaten ervoor staan op het terrein van gelijke kansen en toegang tot dearbeidsmarkt, eerlijke werkomstandigheden, en sociale zekerheid eninclusie. Daarnaast zijn de drie EU-kerndoelen voor 2030 op het gebiedvan werkgelegenheid, deelname aan opleiding of training en debestrijding van armoede, opgenomen in het JER.Sinds 2024 bevat het JER ook een landenanalyse over sociale conver-gentie. Aan de hand van het Raamwerk voor Sociale Convergentie (SocialConvergence Framework, SCF) wordt gekeken naar mogelijke risico’s tenaanzien van opwaartse sociale convergentie, waarbij ook gebruik wordtgemaakt van de gegevens uit het Sociale Scoreboard.De Europese Commissie publiceert op 25 november 2025 het herfstpakket,waarin ook het voorstel voor het JER is opgenomen. Uw Kamer zal deoverkoepelende kabinetsreactie op het herfstpakket einde van dit jaarontvangen. Het JER wordt besproken tijdens de Formele Raad Werkgele-genheid en Sociaal Beleid (WSB) in maart 2026. De kabinetsappreciatievan het JER wordt opgenomen in de Geannoteerde Agenda voor dezeRaad.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinetkan toelichten hoe de planning voor de implementatie er nuuitziet, met het oog op de uitspraak van het Hof van vorige weekmet betrekking op de Europese richtlijn minimumloon waarmeeelke twijfel over de rechtsgrond is weggenomen.Momenteel wordt de Hof-uitspraak bestudeerd, waarbij ook wordtgekeken of de uitspraak consequenties heeft voor het implementatiewets-voorstel. Ik zal de Eerste Kamer en Tweede Kamer op korte termijninformeren over het vervolgproces.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren datvakbonden aangeven dat niet alle in Nederland bestaandeuitzonderingen op ons reguliere minimumloon voldoen aan allevereisten die de richtlijn aan uitzonderingen stelt(non-discriminatie en evenredigheid, waaronder een legitiem doelomvattend), waardoor Nederland het risico loopt om deze EU-wetonjuist te implementeren. Is de Minister bereid om naar dezepunten te kijken met sociale partners, in het kader van deimplementatie? Kan het kabinet daarnaast toelichten of zijvoornemens is bij de verdere uitwerking van het implementatieen actieplan aan te sluiten bij het in de richtlijn opgenomenvoorstel voor criteria, waaronder de veelgenoemde richtlijn van60% van het mediane loon?Tijdens het implementatietraject heeft uitgebreid overleg plaatsgevondenmet de sociale partners. De uitspraak van het Hof geeft in mijn ogen geenaanleiding om de discussie over uitzonderingen te heropenen.19In het implementatiewetsvoorstel is een delegatiegrondslag opgenomenwaarin is geregeld dat in een ministeriële regeling indicatieve (niet-bindende) referentiewaarden worden vastgesteld. De Tweede Kamer is in19https://www.eerstekamer.nl/brief_in/20250704/beantwoording_kamervragen/f=/vmovfjtlwr7j.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80716 het najaar van 2024 geïnformeerd over de beoogde invulling van dezeministeriële regeling.20De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat deerkenning van mbo-diploma’s, zeker in de grensregio’s, eenknelpunt blijft terwijl daar juist arbeidsmarkttekorten bestaan.Hoe kijkt het kabinet aan tegen deze aanhoudende problemenrond wederzijdse erkenning, en welke stappen zet het kabinet omde mobiliteit van vakmensen daadwerkelijk te verbeteren?Het kabinet erkent dat mobiliteit in de grensregio’s een belangrijkebijdrage kan leveren aan het oplossen van arbeids- en vaardigheidste-korten. Er wordt al op verschillende manieren over de grenzen heensamengewerkt om mobiliteit te bevorderen. Zo stimuleert het RijnlandInstituut samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het werkveld inNoord-Nederland en Noordwest-Duitsland, met als doel om euregionalecompetenties en binationale curricula te ontwikkelen. Een goed voorbeeldhiervan zijn de pilots in de Eems-Dollard grensregio met hetMOVE-certificate, dat internationale waarde aan nationale diploma’s geeftdoor aanvullingen van vaktechnische onderdelen die aan de andere kantvan de grens nodig zijn. Daarnaast kunnen mbo-instellingen enwerkgevers bij de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfs-leven (SBB) advies krijgen over de waarde van een buitenlands diploma.Ook kunnen mbo-gediplomeerden die in het buitenland willen werken eenEuropass Certificaatsupplement (CS) aanvragen via SBB. Dit is een korteen praktische beschrijving van een Nederlands mbo-diploma in hetNederlands, Engels of Duits. Het kabinet staat echter terughoudendtegenover automatische wederzijdse diplomaerkenning in het mbo,vanwege de vele verschillende systemen voor beroepsonderwijs.Diploma’s zijn niet één op één vergelijkbaar, ook niet met onzebuurlanden. Daarom ziet het kabinet voor het mbo vooral toegevoegdewaarde in het valideren en erkennen van specifieke vaardigheden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat bij de behan-deling van het agendapunt «Aanname opinie van het Werkgele-genheidscomité over het verbeteren van de reikwijdte enrelevantie van datacollectie rond sociale dialoog op EU ennationaal niveau», het kabinet aangeeft in te zetten op hetbeperkt houden van administratieve lasten. Kan het kabinetaangeven wat daarmee bedoeld wordt? En wat dit concreetbetekent op het moment dat het kabinet zich ook tegelijkertijdinzet voor het verbeteren en versterken van datacollectie?Het kabinet vindt het belangrijk om de monitoring te versterken en dedataverzameling rond de sociale dialoog in de EU te verbeteren. Daarbijacht het kabinet het wenselijk dat de lidstaten hierbij zoveel mogelijkkunnen aansluiten bij al bestaande rapportages, in plaats van het creërenvan nieuwe mechanismen. Het CBS monitort het aantal vakbondsleden,houdt stakingscijfers bij en doet onderzoek naar de cao-dekkingsgraad.21Daarnaast voert TNO diverse grootschalige enquêtes uit onderwerknemers (NEA), werkgevers (WEA) en zelfstandigen (ZEA).22Momenteel wordt gewerkt aan een onderhoud van het cao en avv-stelsel.Uw Kamer is op 15 oktober 2025 middels een Kamerbrief geïnformeerd20https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/09/25/kamerbrief-ministeriele-regeling-ter-vaststelling-van-indicatieve-referentiewaarden-wettelijk-minimumloon21Vakbondslidmaatschap | CBS, Minder stakingen in 2024 | CBS en Werknemers naar soort CAOen SBI naar achtergrondkenmerken, 2010–2024 | CBS22Onze onderzoeken – Monitor arbeidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80717 over de stand van zaken.23 In deze Kamerbrief wordt onder andere eenverdiepend onderzoek naar de cao-dekkingsgraad en de organisatiegraadvan werkgevers aangekondigd en wordt gemeld cao-afspraken overtoegang tot de werkvloer te monitoren. Op deze manier werkt Nederlandaan het versterken en behouden van het cao-stelsel en voldoet hiermeeook aan zowel de implementatie van de richtlijn toereikende minimum-lonen, als de raadsaanbeveling inzake de sociale dialoog.Zowel de raadsaanbeveling als de opinie bevat handvaten die hetmogelijk maken voor lidstaten om data te putten uit al bestaandemechanismen, waarbij Nederland gebruik kan maken van de maatregelendie genoemd staan in de verkenning.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er eeninvesteringstekort van 800 miljard euro is om het woningtekortop te lossen in Europa. Hoe kijkt het kabinet naar demogelijkheid om de Europese Investeringsbank meer compe-tenties te geven om hier een rol in te spelen, door publiek enprivate investeringen aan te trekken? En wat zouden volgens hetkabinet criteria moeten zijn om ervoor te zorgen dat privateinvesteerders worden aangetrokken die niet enkel torenhogewinst willen maken?Het kabinet heeft in het afgelopen jaar een aantal verkennendegesprekken gevoerd met de Europese Investeringsbank over eenmogelijke bijdrage aan de financiering van private partijen voor dewoningbouwopgave. Dit heeft tot op heden nog niet tot concretevoorstellen geleid. Het kabinet blijft in de gaten houden welke kansen hierliggen voor ondersteuning van het nationale beleid ten aanzien van dewoningbouwopgave, aangezien private investeringen hard nodig zijn.In de afgelopen jaren is wet- en regelgeving geïntroduceerd om huurdersop de Nederlandse woningmarkt beter te beschermen, zoals de «Wetbetaalbare huur» en de «Wet goed verhuurderschap». Het kabinet is vanmening dat verhuurders die zich aan deze wetgeving houden eenconstructieve bijdrage kunnen leveren aan het functioneren van dehuurmarkt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat hetEuropees Sociaal Fonds bijdraagt aan het behalen van de sociale2030-doelen uit de Europese Pijler van Sociale Rechten. Hoe kijkthet kabinet naar de rol van dit fonds in het realiseren van dezedoelen, en beschouwt het kabinet het wenselijk dat deze2030-doelen ook in het nieuwe MFK verankerd blijven met denodige financiële middelen?De principes van de pijler zijn gericht op gelijke kansen op de arbeids-markt, fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming eninclusie. Ze dragen bij aan de totstandkoming van een diepere eneerlijkere interne markt. Een goed werkende en eerlijke interne markt voorpersonen, goederen, kapitaal en diensten is het belangrijkste middel vande EU om brede welvaart en banen te creëren, en is essentieel voor hetconcurrentievermogen van Nederland en de EU als geheel. Voor behouden versterking van het draagvlak voor de interne markt, is het belangrijkdat iedereen de vruchten ervan kan plukken en niemand wordtachtergelaten.23Kamerstuk 29 544, nr. 1304Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80718 Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting.Het Europees Sociaal Fonds heeft in het Meerjarig Financieel Kader (MFK)vanaf 2028 geen specifiek budget of programma, maar wordt onderdeelvan de Nationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPPs). Het kabinetverwelkomt dat in de Commissievoorstellen een verband wordt gelegdtussen deze NRPPs en de landspecifieke aanbevelingen uit het EuropeesSemester. Hieronder vallen ook de aanbevelingen met betrekking tot deEuropese Pijler van Sociale Rechten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de jaarlijksevoortgangsrapportage24 dat het Europese sociale acquis positiefuitwerkt voor werkenden, de samenleving en een gelijkspeelveld. Onderschrijft de Minister deze conclusie, en zal zij ditstandpunt inbrengen tijdens de EPSCO-Raad?Ik deel dat – waar gepast en waar EU-optreden concreet toegevoegdewaarde heeft – actie nodig is op sociaal- en werkgelegenheidsterrein inhet licht van de brede verscheidenheid aan uitdagingen waar de EU zichvoor ziet gesteld25. Daarbij kan worden voortgebouwd op de recenteinspanningen van de Unie om opwaartse sociaaleconomische conver-gentie en een gelijk speelveld te bevorderen, met de Europese Pijler voorSociale Rechten als leidraad. Tegelijkertijd deel ik de conclusie van devoortgangsrapportage dat het goed is om gezien de noodzaak tot hetversterken van het concurrentievermogen van de Unie, te voorkomen dater ongerechtvaardigde lasten voor het bedrijfsleven uit Europese wet- enregelgeving voortvloeien. Het behouden van het sociale model van de EUen het versterken van het concurrentievermogen van de EU zijn immerselkaar versterkende doelstellingen die tegelijkertijd moeten wordennagestreefd. Dit standpunt zal ik uitdragen in het beleidsdebat tijdens deRaad over vereenvoudiging en regeldruk.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het kabinetde mogelijkheden beoordeelt waarop de EIB kan bijdragen aaneen huizenmarkt waar sociale huisvesting, coöperaties en limitedprofitmodellen een rol spelen.Het kabinet wil juridische en financiële belemmeringen voor coöperatievewoonvormen wegnemen en zo werken aan een derde sector. Om debelangrijkste belemmeringen weg te nemen heeft de Kamer gevraagd omeen revolverend fonds op te zetten om wooncoöperaties te stimuleren. Eris hiervoor een subsidie verstrekt aan SVn van 60,6 miljoen. Deverwachting is dat het fonds uiterlijk eind 2026 van start kan gaan. Ditnationale fonds heeft de komende jaren de prioriteit. Een evaluatie van ditfonds moet uitwijzen hoe het bijdraagt aan betere financiering vancoöperatieve woonvormen. Daarna kan eventueel worden bezien ofandere vormen van financiering zoals van de Europese Investeringsbankwenselijk zijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de geannoteerde agenda en hebben daarbij enkelevragen.De leden van de CDA-fractie merken op dat veel gemeenten enarbeidsmarktregio’s gebruik maken van financiering vanuit het24https://commission.europa.eu/document/download/2cccc264-4100-42ce-a97b-931af0d625d2_en?filename=COM_2025_871_1_EN.pdf25Kamerstukken II, 2023/24, 21 501–31, nr. 732.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80719 Europees Sociaal Fonds om mensen met een kwetsbare arbeids-marktpositie aan het werk te helpen en te houden (door middelvan arbeidsmarktinfrastructuurinstrumenten). Deze leden lezen inhet bijbehorende BNC-fiche dat de uitkomst van de onderhande-lingen over het ESF 2028–2034 gevolgen kan hebben deuitvoering en financiering van toekomstige projecten. Deze ledenvragen of de regering zich in gaat zetten om ervoor te zorgen datook in de toekomst arbeidsmarktregio’s en gemeenten kunnenputten uit financiering uit het ESF. Indien nee, kan de regeringaangeven waarom dit geen onderdeel is van de inzet van deNederlandse regering.De ESF-middelen hebben in Nederland een belangrijke rol in hetbevorderen van sociale inclusie en het versterken van vaardigheden diebijdragen aan de ontwikkeling van menselijk potentieel in alle arbeids-marktregio’s. Het ESF is onderdeel van het cohesiebeleid van de EuropeseUnie. Het kabinet vindt dat het cohesiebeleid zich zo veel mogelijk dient terichten op regio’s die op sociaaleconomisch gebied achterblijven, door hetbevorderen van economische, sociale en territoriale convergentie, maardat het cohesiebeleid in principe beschikbaar moet blijven voor alleregio’s in de EU.Het ESF wordt onder de commissievoorstellen onderdeel van hetNationale en Regionale Partnerschapsplan (NRPP). De NRPP’s dienen eengeïntegreerde visie te bevatten op de uitdagingen en kansen binnen eenlidstaat of regio en omvatten zowel investeringen als hervormingen. Hetkabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op hetpartnerschapsbeginsel en het kabinet wil hier ook actief vorm aan gevenmiddels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere(maatschappelijke) partners.Het kabinet wil verder dat het cohesiebeleid zich meer focust op hetversterken van het concurrentievermogen van de EU, waarbij rekeningwordt gehouden met specifieke kenmerken en sterktes van regio’s.Inhoudelijk betekent dit een inzet op de drie transities: digitaal, sociaal(arbeidsmarkt) en groen, met onderzoek en innovatie (en de uitroldaarvan) als dwarsdoorsnijder. Om als Unie concurrerend te blijven,arbeidsmarkttekorten aan te pakken en om de grote transities waar tekunnen maken, zijn vaardigheden en de sociale inclusie van mensenimmers van belang. Een voldoende en goed geschoolde beroepsbe-volking, waar het ESF op inzet, is essentieel om de transities te kunnenwaarmaken. Het kabinet vindt het positief dat deze inzet wordt gereflec-teerd in de Europese voorstellen voor het NRPP. Het kabinet zal ergedurende de onderhandelingen op inzetten dat de versterkte focus opvaardigheden niet verwatert en waar mogelijk verder versterkt wordt.De leden van de CDA-fractie hebben vernomen in de technischebriefing van 20 november 2025 dat de NRPP-plannen samen metmedeoverheden en andere betrokkenen worden opgesteld. Dezeleden vragen op welke wijze dit georganiseerd wordt.Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op hetpartnerschapsbeginsel en het kabinet wil hier ook actief vorm aan gevenmiddels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere(maatschappelijke) partners, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel enmet de motie Paternotte.2626Kamerstukken II, 2024/25, 21 501-08, nr. 985.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80720 Omdat de onderhandelingen in Brussel op dit moment lopen en dedefinitieve vormgeving van het NRPP daarmee nog niet is vastgelegd, ishet nog te vroeg om reeds gedetailleerde afspraken te maken metmedeoverheden en andere partners. Wel wordt op dit moment verkendwat de voorgestelde vormgeving van het NRPP betekent voor denationale organisatie van het proces.De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de veran-derde verantwoordingssystematiek onder het ESF. De transitievan financiering gebaseerd op daadwerkelijk gemaakte kostennaar resultaatfinanciering. Dit betekent dat bijvoorbeeldgemeenten aan de lat staan voor co-financiering en bijtoekenning men niet verzekerd is van daadwerkelijk middelen uithet fonds, omdat men daarvoor afhankelijk is van het al dan nietbehalen van de doelen. Deze leden vragen of er overwogen wordteen landelijk vangnet op te richten om dit risico te ondervangen.Is dit de daadwerkelijke intentie van de regering en, indien ja,wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?Het ESF wordt in het commissievoorstel onder het Nationale en RegionalePartnerschapsplan (NRPP) geschoven. Uitbetaling onder het NRPP vindtplaats als de lidstaat kan aantonen dat bepaalde mijlpalen en doelstel-lingen zijn behaald. Dit is vergelijkbaar met de systematiek die wordtgehanteerd voor de Herstel en Veerkrachtfaciliteit (HVF), waarbij hetbelangrijk is om te benadrukken dat bij de HVF niet met een geharmoni-seerde lijst van (output)indicatoren wordt gewerkt.Het kabinet is in den brede voorstander van een meer resultaatgerichtefinancieringswijze waarbij de uitbetaling van middelen plaatsvindt opbasis van vooraf afgesproken mijlpalen en doelstellingen in plaats vangemaakte kosten. Hiermee geeft de EU-begroting een financiële prikkelom beleidsdoelstellingen te behalen. Ook geeft deze financieringswijze inpraktische zin de mogelijkheid om de uitbetalingen van EU-middelenafhankelijk te maken van structurele hervormingen.Onderdeel van het Commissievoorstel is dat indien een betaling vanuit deUnie wordt opgeschort, bijvoorbeeld door het niet behalen van eenmijlpaal of doelstelling of bij onvoldoende controles in het kader van hetbeschermen van de financiële belangen van de Unie, de lidstaten hunverplichting dienen na te komen om betalingen aan eindbegunstigdenvoort te zetten. Bij het opstellen van het plan, zullen er nadere afsprakenworden gemaakt over de budgettaire risico’s.De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen ten aanzienvan het herzieningsvoorstel van de Europese Commissie over decoördinatie van Sociale Zekerheidssystemen. Deze leden vragenwaar de regering verwacht dat een mogelijk compromis op uitzou kunnen komen en wat de gevolgen daarvan zijn voorNederland. Hiernaast vragen deze leden ook hoe de regeringaankijkt tegen het idee om het voorstel te splitsen in twee delen,ook wel 4+2 genoemd. Waarbij de twee hoofdstukken waarherhaaldelijk geen overeenkomst over gevonden kon worden, teweten de export van WW naar een ander land en prior notificationvan werkgever aan lidstaat van tewerkstelling bij detachering,zouden worden losgekoppeld van de overige vier hoofdstukken,teneinde in ieder geval de overige vier hoofdstukken aangenomente krijgen.Het herzieningsvoorstel is een zogenoemde pakketdeal met wijzigingen inzes onderdelen van de Verordening. De onderhandelingen liggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80721 momenteel stil, maar naar verwachting worden de onderhandelingenhervat onder het komende Cypriotische voorzitterschap. De onderhande-lingen beperken zich tot onderdelen uit de hoofdstukken waar nog geenconsensus bereikt kon worden, namelijk het hoofdstuk over werkloos-heidsuitkeringen en het hoofdstuk over toepasselijke wetgeving27. Er ligtmomenteel geen nieuwe tekst op tafel, maar de richting van devoorstellen is duidelijk op basis van eerdere documenten van eerderevoorzitterschappen. Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.1. Werkloosheidsuitkeringen De belangrijkste aanpassingen zijn:a. Verlenging exporttermijn Onder de huidige regels is export van WW-uitkeringen beperkt mogelijk:een WW-gerechtigde moet in Nederland verblijven en mag maximaal driemaanden met behoud van uitkering in een andere EU-lidstaat naar werkzoeken. In de Raad en het EP is brede steun voor verlenging van dezeexporttermijn naar zes maanden. Hier wordt dus niet meer over onder-handeld.b. Verlegging verantwoordelijkheid naar werkland voor werklozen die ineen andere lidstaat wonen dan waar zij werkten («grenswerkers») Voor grenswerkers, zoals grensarbeiders of seizoenarbeiders, geldenbijzondere regels. Op dit moment ontvangen grensarbeiders bijvoorbeeldeen werkloosheidsuitkering uit het woonland. Ter compensatie betaalt hetwerkland een vergoeding aan het woonland. In het herzieningsvoorstelwordt deze systematiek gewijzigd: het werkland wordt verantwoordelijkvoor de betaling van de werkloosheidsuitkering aan grenswerkers. Daarbijintroduceert het herzieningsvoorstel wel een zogenoemde affiliatieperiodeten behoeve van het werkland: de werknemer moet een minimale periodein het werkland hebben gewerkt voordat dat werkland bevoegd wordtvoor de betaling van de WW-uitkering. Over de duur van deze termijnwordt nog onderhandeld; in de afgelopen jaren varieerden de voorstellentussen drie en zes maanden. Het wordt voor migrerende werknemershiermee mogelijk om vanuit het woonland in het werkland naar werk tezoeken. Hier is in de voorliggende teksten geen maximale exporttermijnaan verbonden. De regels van het werkland zoals sollicitatieverplichtingenblijven in dit geval van toepassing.Daarnaast wordt nog onderhandeld over een mogelijk langere export-termijn voor grenswerkers die ten minste 24 maanden in het werklandhebben gewerkt en in het woonland naar werk willen zoeken.27De wijzigingen in de overige vier hoofdstukken waarover al brede overeenstemming bestaat,zien onder meer op nieuwe anticumulatieregels voor ouderschapsuitkeringen. Ouderschaps-uitkeringen worden voortaan behandeld als een individueel recht. Deze regels pakken eerlijkeruit voor de burger. Ook bevat het pakket afspraken over gegevensuitwisseling bij de exportvan uitkeringen. Deze afspraken beogen »bulk-gegevensuitwisseling» te vergemakkelijken enNederland steunt deze afspraken. Daarnaast komt er een hoofdstuk over langdurige zorg. DeWet langdurige zorg (Wlz) valt nu al onder de verordening, maar er wordt met de toevoegingvan dit nieuwe hoofdstuk een onderscheid gemaakt tussen «cure» en «care». Bij een eventueelakkoord wordt dit element later door de Europese Commissie en de lidstaten gezamenlijknader uitgewerkt. Daartoe zal er een lijst worden opgesteld om vast te stellen wat onder dedefinitie van langdurige zorg gaat vallen en wat niet. Tot slot wordt jurisprudentie van hetEU-Hof van Justitie over socialezekerheidsaanspraken van zogenoemde «niet-actieven»gecodificeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80722 2. Toepasselijke wetgeving De herziening bevat ook een aantal wijzigingen die premieshoppenbeogen tegen te gaan. Het belangrijkste voorbeeld is de codificatie enverlenging van de eis dat een werknemer voorafgaand aan detacheringgedurende drie maanden onderworpen moet zijn geweest aan desocialezekerheidswetgeving van de zendende lidstaat, voordat hij tijdensde detachering in die lidstaat verzekerd kan blijven. Dit moet waarborgendat er een daadwerkelijke band bestaat tussen de gedetacheerdewerknemer en de lidstaat van waaruit hij wordt uitgezonden. Nederland isvoorstander van deze aanpassing.Een ander voorstel dat Nederland steunt, betreft de wijziging van debepaling over het herstel van de toepasselijke wetgeving met terugwer-kende kracht.Over een aantal onderdelen in dit hoofdstuk wordt nog onderhandeld. Zoheeft het Europees Parlement voorgesteld om een systeem van «vooraf-gaande notificatie» bij detachering in te stellen, zodat de ontvangendelidstaat beter kan handhaven. Naast verbetering van de handhaving, vindtNederland het belangrijk om aandacht te hebben voor de administratievelasten voor werkgevers.3. Oplossingsrichting 4+2 Nederland heeft eerder ingezet op de zogenoemde 4+2-variant, met hetidee dat het werk aan de overige hoofdstukken niet verloren zou gaan enrekening houdend met de ontstane impasse rond de laatste tweehoofdstukken: het hoofdstuk over werkloosheid en het hoofdstuk overtoepasselijke wetgeving. Deze oplossingsrichting is ook in de eerste helftvan 2024 actief verkend door het toenmalig Belgische voorzitterschap metactieve steun van Nederland. Dit idee bleek echter niet op voldoendesteun te kunnen rekenen. Met name het Europees Parlement gaf aan devoorkeur te geven aan een totaalakkoord op alle onderdelen. Ook binnende Raad heeft een groot aantal lidstaten aangegeven een akkoord tewillen bereiken op het volledige pakket. In de onlangs verschenen briefvan dertien lidstaten wordt opgeroepen een akkoord te bereiken op alleonderdelen. Daarom lijkt deze variant op dit moment niet aan de orde.De leden van de CDA-fractie vragen naar de status van hetvoorstel van de Europese Commissie om het mandaat van deEuropese Arbeidsauthoriteit (ELA) te herzien. Deze leden vragenook wat de inzet van het kabinet is voor deze herziening.Naar verwachting publiceert de Europese Commissie in het derdekwartaal van 2026 het Pakket voor eerlijke arbeidsmobiliteit. Onderdeelvan dit pakket is naar verwachting een wetgevend voorstel ter versterkingvan de Europese Arbeidsautoriteit (ELA).Het kabinet kijkt uit naar de publicatie van het pakket en onderstreept dateen sterke, effectieve ELA van belang is voor eerlijke arbeidsmobiliteit enhet aanpakken van grensoverschrijdende misstanden. Op 10 januari 2024is uw Kamer geïnformeerd over de Nederlandse prioriteiten voor deevaluatie van ELA.28 De inzet ziet toe op: een stevige verankering in hetmandaat van de uitdagingen rond detachering van derdelanderwerk-nemers; het versterken van de informatiepositie van ELA; een proactieverol door ELA bij het opzetten van gezamenlijke inspecties; en verbeterdeinformatievoorziening aan arbeidsmigranten in de landen van herkomst.28https://open.overheid.nl/documenten/92444fcf-870c-4224-8721-ddc0cdf01a86/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80723 De Europese Commissie heeft op 26 mei 2025 haar eerste evaluatie-rapport van de ELA gepubliceerd.29 De evaluatie concludeert dat gerichtewijzigingen de ELA zouden kunnen versterken, zoals uitgebreiderebevoegdheden op het gebied van de rol van de ELA ten aanzien vanonderdanen van derde landen, gegevensverwerking en betere samen-werking met de lidstaten, onder meer op het gebied van informatiever-strekking.Na publicatie van het Pakket voor eerlijke arbeidsmobiliteit informeert hetkabinet uw Kamer over haar positie middels het BNC-fiche, conform destaande afspraken over Europese informatievoorziening aan hetparlement.29European Labour Authority supports fair labour mobility in the EU – Employment, SocialAffairs and InclusionTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 80724
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.