Aanpak dalende studentenaantallen in het mbo
Brontekst
Versie 000147e48039aaf8 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 524Beroepsonderwijs en Volwassenen EducatieNr. 619 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 juli 2024Het mbo vervult een cruciale rol voor de samenleving en de arbeidsmarkt.Een mbo-diploma stelt studenten in staat om zichzelf te ontplooien, waardan ook in Nederland. Het mbo is in alle regio’s nauw verbonden met hetregionale bedrijfsleven. De regionale opleidingscentra en beroepscollegeskennen een verspreiding over het land, waardoor er voor iedere studenteen bereikbaar en breed opleidingsaanbod beschikbaar is.Door verandering van de demografische samenstelling van de bevolkingdaalt het aantal studenten binnen het mbo sinds een aantal jaren en uit dereferentieraming blijkt dat deze daling voor langere tijd doorzet.1 Hierdoorkan de kwaliteit en regionale toegankelijkheid van het mbo-opleidings-aanbod onder druk komen te staan. Dit komt mede doordat de bekos-tiging van mbo-instellingen hoofdzakelijk wordt vastgesteld op basis vanhet aantal ingeschreven studenten. Verschraling van maatschappelijkvoorzieningen, zoals onderwijs, heeft gevolgen voor de leefbaarheid vanregio’s. Het zet de brede welvaart en het gemeenschapsleven verderonder druk, juist aan de randen van het land.2Om de mogelijke druk op het opleidingsaanbod tegen te gaan, zijn in hethoofdlijnenakkoord daarom afspraken gemaakt over het behouden vantoegankelijk onderwijs in de regio, door te bevorderen dat onderwijs-aanbod binnen een redelijke reistijd beschikbaar is en blijft. Dit is in hetbijzonder van belang voor studenten die een mbo entree- of mbo niveau 2opleiding volgen.3 Met deze brief informeer ik u over mijn aanpak op korteen middellange termijn om nabijheid van mbo onderwijs in de regio zogoed mogelijk te behouden.1Referentieraming OCW 20242Rapport «Elke regio telt», Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 29 697, nr. 1143Zie het Interdepartementaal Beleidsonderzoek MBO Samen gericht opleiden voor wendbarevakmensen IBO Toekomstbestendigheid van het mbo | Rapport | Rijksoverheid.nl kst-31524-619ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6191 Korte termijnIn 2020 telde de sector ongeveer 508 duizend studenten. In de meestrecente prognose van DUO wordt rekening gehouden met een terugloopvan het aantal studenten tot ongeveer 437 duizend (–14%) in 2038. Om degevolgen van krimp op te vangen zijn instellingen intensiever gaansamenwerken, zijn er instellingen gefuseerd en hebben instellingenmaatregelen genomen om schaalvoordelen te behalen. Er zit echter eengrens aan de efficiëntie die behaald kan worden. Op termijn heeft dekrimp, in potentie, verregaande gevolgen voor de kwaliteit en toeganke-lijkheid in bepaalde regio’s. Bijvoorbeeld doordat onderwijslocatiesmoeten sluiten, opleidingen niet meer aangeboden kunnen worden of deomvang van docententeams te klein wordt.4Om de grootste gevolgen van krimp op korte termijn op te vangen is in dewerkagenda € 90 miljoen beschikbaar gesteld voor de jaren 2025 tot enmet 2027. Samen met de sector werk ik aan een regeling, waarmee dezemiddelen worden verdeeld over mbo-instellingen binnen de sterkstkrimpende regio’s. Het doel is om in regio’s waar de impact van dedalende studentenaantallen het grootst is, een kwalitatief goed en diversmbo-aanbod beschikbaar te houden, binnen redelijke reisafstand. Om tebepalen om welke regio’s dit gaat, is gekeken waar de daling van hetaantal studenten het sterkst is. Hier is de indeling van de arbeidsmarktre-gio’s aangehouden. De norm die vervolgens wordt gehanteerd omaanspraak te maken op de aanvullende middelen is dat er sprake moetzijn van krimp in de periode tussen 2023–2033 en dat die krimp twee maalhoger is dan het landelijke gemiddelde. Instellingen met locaties in dezearbeidsmarktregio’s maken gezamenlijk aanspraak op aanvullendemiddelen.Met deze aanpak kies ik er bewust voor om daar te investeren waar deimpact het grootst is en niet op alle plekken in Nederland die te makenhebben met dalende studentenaantallen. Het gaat dan om de volgenderegio’s: Achterhoek, Drenthe, Zuid- Midden & Noord-Limburg, Twente,Zeeland, Friesland, Noord-Holland Noord, Rivierenland en Groningen.Het is belangrijk dat instellingen binnen deze sterk krimpende regio’s metelkaar samenwerken en gezamenlijk maatregelen nemen zodat deinstandhouding van een divers opleidingsaanbod gegarandeerd blijft.Hieronder leest u welke uitgangspunten ik daarbij hanteer.Uitgangspunten verdeling aanvullende middelen 2025–2027Instellingen in deze krimpregio’s vraag ik om in gezamenlijkheid een plante maken waarin scherpe keuzes worden gemaakt over het beoogdeonderwijsaanbod voor de komende vijf tot tien jaar. Daarbij dienen zijduidelijk te maken welke maatregelen nodig zijn om dat aanbod terealiseren. Hiermee sluit ik grotendeels aan bij het advies van deCommissie Macrodoelmatigheid MBO (CMMBO) om rekening te houdenmet regionale differentiatie.5Advies Sturing en instandhouding van regionale mboinfrastructuurDe CMMBO heeft, op verzoek van mijn ambtsvoorganger, onderzoekgedaan naar regionale samenwerking en de aanpak op dalendestudentenaantallen. Op basis van deze onderzoeken heeft de4PwC Strategy (2021). Toereikendheid, doelmatigheid en kostentoerekening in het mbo, hbo enwo&o.5CMMBO (2024). Sturing en instandhouding regionale mbo infrastructuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6192 CMMBO het advies «Sturing en instandhouding van regionale mboinfrastructuur» aan mij aangeboden. De onderliggende onderzoekenen het advies zijn bijgevoegd bij deze brief. De CMMBO adviseertonder meer om de krimpmiddelen in te zetten voor structureletransities en samenwerking en deze niet aan te wenden als kortlo-pende subsidiëring van opleidingen. De commissie adviseert verderom ruimte te laten voor maatwerk bij de instellingen in de krimpge-bieden. Ook adviseert de commissie om samenhangendeplanvorming in de regio te stimuleren, en te gaan voor een integralebenadering van de leefbaarheid in de krimpregio. Voor de langeretermijn adviseert de CMMBO onder andere om de bekostigingssyste-matiek te herzien. De inzichten vanuit de onderzoeken en het adviesover de aanpak op dalende studentenaantallen worden meege-nomen in de uitwerking van de aanpak voor de kortere en langeretermijn.Instellingen kunnen de middelen inzetten voor transitiemaatregelen,maatregelen ten behoeve van instandhouding of een fusie:CTransitiemaatregelen: In veel regio’s liggen kansen voor instellingendoor samen te werken aan een dekkend aanbod mbo-opleidingen.Daarvoor zullen onderling afwegingen moeten worden gemaakt,bijvoorbeeld door opleidingen te verbreden, onderling uit te wisselenen/of af te bouwen. Ook kunnen instellingen voorzieningen uitwisselenen gezamenlijke campussen vormen, ook met hbo- en wo-instellingen.Hierdoor wordt de doelmatigheid van het regionale opleidingsaanbodbevorderd. Deze maatregelen brengen tijdelijke kosten met zich meedie met de aanvullende middelen kunnen worden gedekt.CInstandhoudingsmaatregelen: Wanneer instellingen reeds aantoonbaarmaatregelen hebben genomen om de gevolgen van dalende studen-tenaantallen op te vangen, blijft er minder ruimte over om nog verderedoelmatigheidsvoordelen te behalen. Voorbeelden zijn regio’s waardoor fusies nog maar één mbo-instelling actief is, waar instellingenhun onderwijs bijvoorbeeld sterker hebben verbonden met de praktijken/of opleidingen hebben verbreed om kosten te reduceren. In zo’ngeval kunnen de aanvullende middelen worden aangewend om tekomen tot een sluitende exploitatie, door kosten te dekken omopleidingen en locaties tijdelijk in stand te houden. Ook na 2027 zijnmaatregelen nodig, waar momenteel geen aanvullende middelen voorbeschikbaar zijn.CFusie: De afgelopen jaren hebben veel mbo-instellingen de krachtengebundeld en zijn gefuseerd. Fusie is een goede oplossing geblekenom in veel regio’s een dekkend aanbod opleidingen in stand tehouden. Wanneer na een afweging over transitie- en instandhoudings-maatregelen blijkt dat een fusie de best passende oplossing is om eenregionaal dekkend aanbod mbo-opleidingen in stand te houden dankunnen de aanvullende middelen ook worden ingezet voor kosten diesamenhangen met een fusie.In de regeling worden de aanvullende middelen verdeeld over de regio’sop basis van het aantal woonachtige studenten en de absolute krimp.Hierdoor kunnen drie groepen regio’s worden onderscheiden (klein,middel en groot). De middelen worden vervolgens verdeeld met eenstaffel, voor iedere groep geldt een vast bedrag. Instellingen binnen eenarbeidsmarktregio dienen vervolgens gezamenlijk een aanvraag inwaarmee zij aanspraak kunnen maken op de aanvullende middelen. In ditplan stellen zij ook een onderlinge verdeling voor van het regionaalbeschikbare budget. Deze verdeling volgt logischerwijs uit de gekozenmaatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6193 Samenwerking in plaats van concurrentieOok na 2027 zijn maatregelen nodig om in heel Nederland voor iederestudent een kwalitatief goed aanbod mbo-opleidingen in stand te houden.Een aanbod dat aansluit op de (regionale) arbeidsmarkt en waarmee eenbelangrijke bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid van iedere regio.De huidige bekostigingssystematiek verdeelt de middelen op basis vanstudentenaantallen en diploma’s, wat ertoe heeft geleid dat instellingendoelmatiger zijn georganiseerd. Dit geeft echter ook een prikkel totconcurrentie, terwijl de komende jaren samenwerking de norm zoumoeten worden. De CMMBO benoemt dit punt ook in haar advies.Instellingen kunnen door de aanhoudende krimp na 2027 problemenondervinden met het aanbieden van kwalitatief hoogwaardige beroepsop-leidingen binnen een redelijke reisafstand. Daarom gebruik ik de komendeperiode om, binnen de bestaande budgettaire kaders, te komen tot eenaanpak voor de periode vanaf 2028.Ten slotteIk wil dat iedere mbo-student een vak kan leren dat bij hem of haar past,waar dan ook in Nederland. Dat vraagt van mij en de sector om een goeden divers aanbod mbo-opleidingen in stand te houden die hen hetperspectief biedt om aan de slag te gaan als beginnend beroepsbeoe-fenaar. Ik ga mij deze kabinetsperiode inzetten voor een passendestructurele oplossing. Als mogelijke oplossingsrichting kijk ik funda-menteel naar de verdeelsystematiek van de bekostiging van het mbo. Ikzie dit als een prioritaire opgave waar ik in mijn eerste gesprekken binnende sector nadrukkelijk aandacht voor wil vragen en ook graag met uwKamer over in gesprek ga. Tevens kom ik in het najaar met een bredereaanpak voor het opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, zoalsook aangekondigd in mijn brief over de monitoring van de werkagenda.Met deze aanpak wil ik het mbo toekomstbestendig maken waardoor wekwalitatief hoogwaardige vakopleidingen bereikbaar houden voor allestudenten in Nederland.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. BruinsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 524, nr. 6194
Gerelateerde bronnen
- De resultaten van twee onderzoeken naar de macrodoelmatigheid regionale samenwerking mbo worden voor de zomer 2024 naar de Kamer gestuurd.
De resultaten van twee onderzoeken naar de macrodoelmatigheid regionale samenwerking mbo worden voor de zomer 2024 naar de Kamer gestuurd.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.