Verzamelbrief Water
Brontekst
Versie 32461571b10347de · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202527 625WaterbeleidNr. 717 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 juli 2025Met deze brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand vanzaken en ontwikkelingen die betrekking hebben op het waterdomein.In maart 2025 was het Commissiedebat Water gevolgd door een Tweemi-nutendebat in april. Sinds deze debatten zijn diverse ontwikkelingen ophet beleidsterrein Water te melden. Daarnaast wordt met deze briefinvulling gegeven aan een aantal moties en toezeggingen. In de briefkomen de volgende onderwerpen aan bod:1.Waterveiligheid en Ruimte voor de Rivier 2.02.Waterkwaliteit3.Grondwater4.Zoetwater, Droogte en Klimaatadaptatie5.Caribische delen van het Koninkrijk6.OverigOver een aantal andere onderwerpen die ook betrekking hebben op hetwaterdomein zal de Kamer via aparte brieven geïnformeerd worden: demogelijkheden voor een verbod op PFAS, de stand van zaken metbetrekking tot de Kaderrichtlijn Water, het meerjarenplan instandhoudingnetwerken Rijkswaterstaat en de beantwoording van de vragen n.a.v. devoorhang van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kwaliteitleefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving in verband met deactualisatie van de Beleidslijn grote rivieren.1. Waterveiligheid en Ruimte voor de Rivier 2.0 Ruimte voor de Rivier 2.0Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) van 11 november 2024 istoegezegd aan het lid Heutink om de Kamer te informeren over de tijdlijnvan het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 (TZ202411-059). kst-27625-717ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7171 Met Ruimte voor de Rivier 2.0 (RvdR 2.0) wil het kabinet het rivieren-gebied zo inrichten dat het klaar is voor de toekomst. Een toekomst metzowel hogere als lagere afvoeren en een stabiele bodemligging. Eentoekomst waarin alle rivierfuncties zo goed mogelijk een plek hebben inhet rivierengebied. Om dat te bereiken wordt nu gewerkt aan de plannenvoor een toekomstbestendige inrichting van het rivierengebied.1Op verschillende plaatsen zakt de rivierbodem steeds verder weg. Zo is debodem van de Waal de afgelopen tientallen jaren op sommige plekken 1,5tot 2 meter gedaald. Deze bodemdaling veroorzaakt grote problemen voorde scheepvaart omdat de bodem niet overal even hard daalt. Tegelijkertijddalen de kunstwerken zoals stuwen en invaarten van binnenhavens nietmee. Door dalende waterstanden en grondwaterstanden ontstaatdaarnaast schade aan de landbouw en natuur omdat het grondwater vande omgeving uitzakt naar de lagergelegen rivier. Hierdoor neemt ook hetrisico op funderingsschade toe. Tot slot veroorzaakt de ongelijke dalingvan de rivierbodem een verslechtering van de waterverdeling overNederland, waarbij er steeds meer water naar de Waal stroomt en steedsminder naar de IJssel en het IJsselmeergebied.Om het rivierengebied in de toekomst veilig te houden, ook bij hogereafvoeren, zijn keuzes nodig. De dijken moeten extra versterkt worden enmogelijk is het nodig om op bepaalde plekken extra ruimte vrij te makenvoor de rivier, zodat de hogere waterafvoer veilig kan gebeuren.Daarnaast is ruimte nodig voor andere opgaven zoals bevaarbaarheid,zoetwatervoorziening en natuurontwikkeling. Hier richt RvdR 2.0 zich op.TijdlijnOp 3 april is het programma RvdR 2.0 formeel van start gegaan met eenbijeenkomst in Zaltbommel. Ook is het programma Integraal Rivierma-nagement (IRM), dat de basis vormt voor RvdR 2.0, vastgesteld en naar deKamer verstuurd.2 Het programma RvdR 2.0 gaat over de opgaven voorzowel hoogwater als laagwater. Het programma RvdR 2.0 is erop gerichtom de plannen die er al liggen verder uit te werken tot concrete maatre-gelpakketten. Dit doen we op zo’n manier dat we binnen afzienbare tijdecht aan de slag kunnen: de schop in de grond. Voor de bodemligging zijnin het programma IRM al de eerste keuzes gemaakt om de erosie van derivierbodem van de Maas en Rijntakken te stoppen en het waar nodig enhaalbaar weer omhoog brengen van eroderende delen van de Rijntakken.De uitwerking van de bodemmaatregelen loopt daarmee voor op deruimtelijke maatregelen voor de afvoercapaciteit en ruimte. De redenhiervoor is dat de droogteproblematiek vereist dat er al eerder keuzesgemaakt werden. Bij de Zuidelijke Waaldijk bekijken we daarom samenmet waterschap Rivierenland of we bij de HWBP-dijkversterking Weurt –Dreumel in de verkenning kunnen samenwerken zodat de mogelijkebodemmaatregelen verder worden geconcretiseerd.In 2026 worden keuzes gemaakt over een verder uitgewerkte doelstellingen het maatregelenpakket voor de rivierbodemligging. Er wordt danbesloten welke strategie gebruikt gaat worden om de bodem van de Maasen de Rijntakken te stabiliseren en er worden keuzes gemaakt over hettype, de volgorde, de omvang, de fasering en de doelstellingen van debodemmaatregelen die uit deze strategie voortkomen. Voor afvoercapa-citeit en ruimte wordt een visie ontwikkeld op welke manier we de hogere1De rivierfuncties zijn: veilige waterafvoer, bevaarbaarheid, zoetwaterbeschikbaarheid,ecologische waterkwaliteit en natuur, ruimtelijk-economische ontwikkeling, waaronderlandbouw.2Kamerstukken 31 710, nr. 86.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7172 afvoeren in de toekomst veilig kunnen verwerken en hoeveel ruimte ernodig is voor de verschillende rivierfuncties. Op basis daarvan wordtbepaald op welke locaties extra ruimte voor de rivier nodig is. Dit geeftinzicht en leidt tot duidelijkheid of de huidige ruimtelijke reserveringentoereikend zijn om de maatregelen uit te voeren of dat hiervoor aanvul-lende ruimtereserveringen nodig zijn.3De keuzes zullen worden vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma(NWP), waarvan het ontwerp eind 2026 verschijnt. Voor de rivierbodem-maatregelen geldt dat de voorbereiding van de uitvoering hierna kanstarten.In het programma RvdR 2.0 wordt de langetermijnstrategie voor deafvoercapaciteit en ruimte van de rivieren uitgewerkt in concreteruimtelijke maatregelen. Ook wordt er besloten over de volgorde, deomvang, de fasering en de doelstellingen van de te nemen ruimtelijkemaatregelen. Daarna start ook het uitvoeringsprogramma.Parallel aan het maken van het beleid voor de toekomstige inrichting vande rivieren willen we aan de slag. Enkele pilotprojecten zijn al gestart metde uitvoering, zoals het project Meanderende Maas en de dijkverleggingen -versterking bij Arcen.Dit jaar wordt gestart met de voorbereiding van twee suppletie-pilots inde Waal. Het programma gebruikt de leerervaringen die opgedaanworden uit deze projecten voor de verdere ontwikkeling van hetprogramma. In onderstaand figuur is de tijdlijn van RvdR 2.0 geschetst.Internationale ontwikkelingenTijdens het Commissiedebat Water van 29 januari 2024 is toegezegd aanhet lid De Groot om de Kamer in juni per brief nader te informeren overwelke maatregelen er worden getroffen in Benelux-verband en metDuitsland, en wat die maatregelen betekenen voor de aanpak vanNederlands waterprojecten.43Ruimtelijke reserveringen liggen vast in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).4Toezegging TZ202402-050.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7173 In het kader van RvdR 2.0 is in 2025 een meerjarig onderzoek gestart naarde effecten van genomen maatregelen in bovenstroomse stroomgebiedenop de waterafvoer naar Nederland. De uitkomsten van het onderzoekworden in 2027 verwacht en kunnen dan aan de Kamer worden gemeld.Het onderzoek richt zich in de eerste fase op het inventariseren vanmaatregelen in de internationale stroomgebieden van de Rijn en de Maasen op het ontwikkelen van methoden om de effecten van deze maatre-gelen op de wateraanvoer naar Nederland te duiden. De resultatenmoeten een inhoudelijke basis bieden voor het gesprek met buurlandenover bovenstroomse maatregelen.In het programma Rijn 2040 van de Internationale Commissie terBescherming van de Rijn (ICBR) is als doel gesteld om het overstromings-risico tussen 2020 en 2040 in het gehele Rijnstroomgebied met minstens15% te verkleinen. Hiervoor monitort de ICBR de waterstand dalendeeffecten van geplande maatregelen. De eerste resultaten hiervan wordeneind dit jaar verwacht.Toekomstperspectief Haringvlietmonding 2060De monding van het Haringvliet verzandt. Naar aanleiding van dezeontwikkeling is onder leiding van de gemeente Voorne aan Zee(voormalige gemeente Westvoorne) opdracht gegeven om een toekomst-visie voor het gebied uit te werken. Aan deze visie is de afgelopen jarendoor een coalitie, waaronder gemeenten en provincie, gewerkt. Rijkswa-terstaat heeft tijdens de totstandkoming het beheerdersperspectief, kennisen expertise op gebied van kust, morfologie en waterveiligheidingebracht. Aan de Kamer was toegezegd, naar aanleiding van eeneerdere vraag van het lid Madlener, dit toekomstperspectief te delen zodradeze gereed is.5 Op 22 januari 2025 heeft de gebiedscoalitie kennisge-nomen van de visie en de onderliggende rapporten (zie bijlage 1). Voorwat betreft het vervolg wordt de toekomstvisie uitgewerkt in 5 deelge-bieden, per deelgebied is de regie belegd bij de grootste belanghebbendepartij.Herijking Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)Zoals aangekondigd in het Regeerprogramma en de brief van 15 januari2025 wordt het HWBP herijkt om eind 2025 te komen tot bestuurlijkeafspraken over verbetering van sturing en voortgang van het HWBP.6 Deafgelopen periode zijn er intensieve gesprekken gevoerd tussen dealliantiepartners en er zijn goede stappen gezet richting gedragenbestuurlijke afspraken. Na de eerste bestuurlijke afstemming voor dezomer, worden de afspraken in het najaar verder uitgewerkt om te komentot definitieve bestuurlijke afspraken aan eind van het jaar.Vervolg evaluatie normen WaterwetIn dezelfde kamerbrief is aangekondigd dat het Rijk met de betreffendebetrokken partijen in gesprek zal gaan over de uitkomsten van detechnische evaluatie van de waterveiligheidsnormen. Deze ambtelijkegesprekken lopen en zijn erop gericht om eind 2025 een besluit te nemenover het eventueel aanpassen van de normen van betreffende dijktra-jecten.5Kamerstukken 27 625, nr. 634.6Kamerstukken 32 698, nr. 90.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7174 Biodiversiteit bij dijkenIn het Wetgevingsoverleg Water op 18 november 2024 is toegezegd aanhet lid Kostic´ om te verkennen of een basislijn biodiversiteit bij dijkver-sterking mogelijk is.7Hierover is het ministerie in gesprek gegaan met de Unie van Water-schappen en de programmadirectie van het HWBP. Daarbij is ervanuitgegaan dat met biodiversiteit in relatie tot dijken werd gedoeld op demanier waarop natuur een plek krijgt binnen projecten van het HWBP.Voor HWBP-projecten geldt dat per gebied door het waterschap wordtgekeken hoe natuur kan worden ingericht en ingezet, afgestemd op despecifieke kenmerken en opgaven van dat gebied. De kaders van hetHWBP bieden ruimte om biodiversiteit te koppelen aan dijkversterkingen.Bij een dijkversterking wordt biodiversiteit namelijk altijd meegenomen, inde zin dat aantasting van bestaande natuur wordt voorkomen, beperkt ofgecompenseerd en dat de aanleg van natuur die een positief effect heeftop waterveiligheid (zoals bloemrijke dijken en golfremmende vooroevers)wordt gestimuleerd. Regionaal en lokaal zijn verschillende afwegingen temaken ten aanzien van het meekoppelen van biodiversiteit aan dedijkversterkingsprojecten. Elke locatie kent namelijk unieke ecologische,hydrologische en ruimtelijke omstandigheden, en daarom is maatwerkessentieel en moet per project bekeken worden wat de beste benaderingis.Wanneer het gaat om het voorkomen, beperken en/of compenseren vannadelige gevolgen van het HWBP-project op beschermde natuur, dan zijnde bijbehorende kosten subsidiabel vanuit het HWBP. Daarnaast bestaatvanuit het HWBP de mogelijkheid om maatregelen die aangemerktkunnen worden als «wettelijke inpassing», te subsidiëren. De redeneerlijn«Inpassing in de leefomgeving» geeft subsidieaanvragers inzicht in welkekosten in aanmerking komen voor subsidie.8 Ambities van waterschappenen/of andere partijen op het gebied van biodiversiteit en/of natuur(meekoppelkansen) worden niet bekostigd vanuit het HWBP, maar zullendoor het betreffende waterschap en/of andere partijen bekostigd worden.Binnen het HWBP lopen er verschillende initiatieven om kennis teontwikkelen op het gebied van natuur, gericht op een doelmatigeuitvoering van het programma. Bijvoorbeeld de innovatieprojecten FutureDikes (bloemrijke dijken) en Dijken & Natuur. Uit het project Future Dikesblijkt dat bloemrijke dijken bijdragen aan waterveiligheid en daaromsubsidiabel zijn binnen HWBP-projecten. Het project Dijken & Natuurleverde waardevolle kennis op over vergunningen in Natura2000-gebieden, nature based solutions en hoe natuur een plek kan krijgenbinnen HWBP-projecten. Deze inzichten zijn verwerkt in de RoadmapDuurzaam HWBP, een niet-verplicht, maar breed toepasbaar hulpmiddelvoor de waterschappen om duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit(inclusief natuur) te borgen in hun werkprocessen.9In de praktijk blijkt dat waterschappen voorkeur hebben voor hetversterken van hun dijken in grond, waardoor een zogenaamde «groene»dijk in principe de standaard is. Die wetenschap, gecombineerd met dehiervoor genoemde redeneerlijn «Inpassing in de leefomgeving»,Roadmap en innovatieprojecten bieden voldoende basis voor hettoepassen van natuur in HWBP-projecten.7Toezegging TZ202411-060.8https://www.hwbp.nl/kennisbank/inpassing-in-de-leefomgeving--subsidiabiliteit.9https://roadmapduurzaamhwbp.nl/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7175 2. Waterkwaliteit Grenswaarden lozingen PFAS in DuitslandBij het WGO van 18 november hebben de leden Soepboer en Grinwis eenmotie ingediend waarin de regering is verzocht om er bij de Duitseregering op aan te dringen dat zij grenswaarden voor PFAS-lozingeninvoert, zodat PFAS-lozingen in de Rijn teruggedrongen kunnen worden.10Het is belangrijk dat de hoeveelheid geloosde PFAS wordt teruggebracht.Het ministerie is via verschillende trajecten in overleg met Duitsland metals doel PFAS-lozingen in de Rijn terug te dringen. IenW is zowel bilateraalin overleg met Duitsland als ook binnen de Internationale Commissie terBescherming van de Rijn (ICBR). Binnen de ICBR is een doelstellingafgesproken voor een 30% emissiereductie van verontreinigende stoffen,waaronder enkele PFAS. In aanvulling daarop heeft IenW de uitbreidingvan onderzoek naar PFAS in het Rijnstroomgebied op de agenda gezet. Ditonderzoek richt zich op meetmethoden, analyses en bronnen van PFAS.De inzet is om verdere afspraken te maken over het terugdringen vanlozingen.De problematiek van PFAS is aangekaart bij de recente top met Noordrijn-Westfalen. Tijdens dit overleg is door IenW aangeboden ervaringen tedelen met betrekking tot lozingen, vergunningverlening en toezicht.Ondersteunend is dat de Europese Commissie in haar beoordeling van deuitvoering van de derde stroomgebiedbeheerplannen, de Duitse vergun-ningverlenende instanties en de Bondsregering heeft opgeroepen omemissiegrenswaarden vast te stellen voor de lozing van PFAS-houdendafvalwater in de Rijn (https://environment.ec.europa.eu/topics/water/water-framework-directive/implementation-reports_en).Nederland werkt daarnaast samen met Duitsland, Denemarken,Noorwegen en Zweden aan een voorstel om het gebruik van PFAS opEuropees niveau te beperken en daarmee ook op de hoeveelheid PFAS diegeloosd wordt. Dit voorstel is ingediend bij de European ChemicalsAgency (ECHA) in februari 2023. ECHA verwerkt momenteel hetingediende commentaar bij de inspraakronde. De verwachting is dat hetagentschap dit volgend jaar afrondt waarna de Europese Commissie eenvoorstel ter bespreking en stemming zal opstellen.PFAS en een bijbehorende somnorm is ook opgenomen in het herzie-ningsvoorstel van de Europese richtlijn Prioritaire Stoffen onder deKaderrichtlijn Water.11 Deze norm wordt veel strenger dan de huidigenorm. Bij lozingsvergunningen zal hieraan voldaan moeten worden. Degesprekken tussen het Europees Parlement, de Milieuraad en de EuropeseCommissie zijn gestart, met als streven om rond de zomer 2025 eenakkoord te bereiken.De verwachting is dat al deze ontwikkelingen en inzet zullen leiden tot eenafname van PFAS-lozingen in de Rijn. Hiermee wordt invulling gegevenaan de motie van de leden Soepboer en Grinwis.10Kamerstukken 36 600-J, nr. 13.11Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende hetwaterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG betreffende de bescherming van het grondwater tegenverontreiniging en achteruitgang van de toestand en Richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwali-teitsnormen op het gebied van het waterbeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7176 PFAS in seaspray aerosolenIn januari 2024 is het rapport PFAS in seaspray aerosolen en zeeschuimgepubliceerd.12 Naar aanleiding van dit rapport heeft het Ministerie vanIenW samen met de provincies Zeeland, Zuid- en Noord-Holland en dedrinkwaterbedrijven gekeken hoe een meerjarig vervolgonderzoek vormkan worden gegeven.Specifiek in de kustzones blijkt dat de concentraties PFAS in de bodemhoger zijn dan in andere delen van het land. De oorzaak van dezeverhoogde concentraties is gelegen in hoge concentraties PFAS inseaspray. Seaspray ontstaat als de wind kleine waterdruppels afblaast vangolven. Het Ministerie van IenW wil samen met voornoemde partners inkaart brengen hoe deze verspreidingsroute van PFAS loopt en wat deconcentraties PFAS in deze zones zijn.De kustprovincies zien zich gesteld voor vragen wat te doen met grond-verzet en wat te doen met groenafval vanuit deze zone met verhoogdeconcentraties PFAS (ten opzichte van andere gebieden in Nederland), inhet geval er daadwerkelijke sprake is van verhoogde concentraties.Drinkwaterbedrijven die drinkwater bereiden uit grondwater of geïnfil-treerd water uit de duinen moeten weten wanneer de PFAS hun bronnenbereiken en hoe zij hiermee om moeten gaan.Om deze verspreidingsroute in kaart te brengen, zullen er een aantaldeel-onderzoeken worden uitgezet, die toezien op:1)PFAS in seaspray in de lucht;2)depositie op de bodem;3)depositie op en gehaltes in vegetatie;4)transport van PFAS vanuit de bodem naar het (diepere) grondwater.Dit onderzoek zal worden uitgevoerd in samenwerking met RIVM, TUDelft, TNO, KWR, en Deltares. De opdrachtverlening wordt verwacht nadeze zomer en de eerste resultaten komen beschikbaar één jaar naopdrachtverlening. De verwachting is dat het eindrapport in 2030 zalworden opgeleverd.Met de resultaten van dit onderzoek willen we meer begrijpen van hetgedrag van PFAS en de aanwezigheid van PFAS op specifieke plekken inNederland. Dit past in een reeks onderzoeken die vanuit het Ministerie vanIenW wordt geïnitieerd. Zo loopt er onder meer het onderzoek gericht ophet verminderen van de blootstelling in Nederland aan PFAS (het zgn.PFAS-onderzoeksprogramma van het RIVM13) en zal er gezondheidson-derzoek gaan starten in de aandachtsregio’s Westerschelde enChemours.14 Hierover zal de Kamer in een volgende brief nader wordengeïnformeerd.Subsidieregeling stimulering verwijdering medicijnrestenHet realiseren van schoon en ecologisch gezond water is een uitdagendeopgave. Het terugdringen van medicijnresten in het water is hierbij eenbelangrijk aspect. In Nederland worden steeds meer medicijnen gebruikt.De resten daarvan komen via het riool in het huishoudelijk afvalwaterterecht. Een deel wordt er nu uitgehaald in de rioolwaterzuiveringsinstal-laties, maar een ander deel wordt niet afgebroken en komt in hetoppervlaktewater terecht.12https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/01/29/pfas-in-sea-spray-aerosolen-en-zeeschuim.13Zie Kamerstukken 35 334, nr. 303.14Kamerstukken 35 334, nr. 321.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7177 In Nederland wordt naar schatting per jaar minstens 190 ton medicijn-resten op het oppervlaktewater geloosd. Medicijnresten kunnen water-fauna beïnvloeden en maken de bereiding van drinkwater lastiger. Vissenkunnen bijvoorbeeld weefselschade oplopen door pijnstillers, vangeslacht veranderen door anticonceptiemiddelen of van gedrag veran-deren door antidepressiva. Naar verwachting zal de impact van medicijn-resten in het water toenemen door vergrijzing van de bevolking enklimaatverandering.15Diverse waterschappen zijn aan de slag gegaan de afvalwaterzuiveringente verbeteren. Door het toepassen van aanvullende zuiveringstechnieken,een zogenaamde vierde trap, wordt een vergaande verwijdering vanmedicijnresten (en andere organische microverontreinigingen) oprioolwaterzuiveringsinstallaties in beheer bij de waterschappen bereikt.Met het beschikbaar gestelde bedrag uit het Deltafonds stimuleert hetMinisterie van IenW deze ontwikkeling en wordt ervaring opgedaan metde bouw van de vierde trap. Op een aanzienlijk deel van de rioolwaterzui-veringsinstallaties in Nederland zal namelijk naar verwachting een vierdetrap verplicht worden vanuit de herziene Europese richtlijn StedelijkAfvalwater.In het rapport van Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA)«Landelijke hotspotanalyse geneesmiddelen rwzi’s» is gekeken naar dehoeveelheid medicijnresten die via rioolwaterzuiveringen in het opper-vlaktewater terecht komen en hoe deze zich verspreiden in de ontvan-gende regionale wateren.16 Dit rapport is door de waterschappen gebruiktals advies bij het bepalen welke rioolwaterzuiveringsinstallatie als eersteeen vierde trap zouden moeten krijgen. Hiermee wordt invulling gegevenaan de motie van het lid Minhas voor wat betreft de effectieve inzet vande gereserveerde gelden.17 Tegelijkertijd is het van belang dat allewaterschappen kennis opdoen van de nieuwe aanvullende zuiveringstech-nieken.De totaal beschikbare gelden uit het Deltafonds zijn opgedeeld in tweetranches. De opdeling daarvan was bedoeld om de waterschappen testimuleren zo snel mogelijk te starten met de bouw van vergaandezuiveringen, waarmee invulling wordt gegeven aan het andere deel vande motie-Minhas voor wat betreft versnelling van de inzet van gelden. Deeerste tranche biedt hiertoe meer financiële middelen perrioolwaterzuiverings-installatie dan de voorgenomen tweede tranche(respectievelijk maximaal 4 miljoen en maximaal 3 miljoen euro perinstallatie afhankelijk van de hoeveelheid gezuiverd afvalwater).De subsidieregeling voor het eerste deel (Subsidieregeling stimuleringverwijdering medicijnresten eerste tranche) gold voor een beperkt aantalwaterschappen die zich hiervoor hadden ingeschreven. Deze subsidiere-geling is met ingang van 1 januari 2025 gesloten en heeft bijgedragen aande bouw van elf vierde trappen op rioolwaterzuiveringsinstallatiesverspreid door Nederland in de periode 2022 tot en met 2024.De gebruikte methode verschilt per installatie afhankelijk van de omstan-digheden en influent, waarbij vaak met actieve kool en/of ozon gewerkt15Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 totvaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, enRichtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzakemilieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgensintrekking van de richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEGvan de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EEG.16https://www.stowa.nl/publicaties/landelijke-hotspotanalyse-geneesmiddelen-rwzis.17Kamerstukken 27 625, nr. 648.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7178 wordt om de medicijnresten en andere organische microverontreini-gingen te verwijderen. Zo wordt actieve kool toegepast op RWZI LeidenNoord en RWZI Simpelveld. Op RWZI Houten en RWZI Hapert wordtgewerkt met ozon. Ook combinatie technieken van actieve kool met ozonworden toegepast, bijvoorbeeld op RWZI Horstermeer en RWZIWinterswijk. Met de eerste tranche is hiermee in totaal 27,4 miljoen euroingezet van het totale bedrag van 60 miljoen euro dat hiervoor terbeschikking is gesteld. Dit betekent dat een bedrag van 20,5 miljoen eurowordt doorgeschoven naar de tweede tranche, waarmee het totale bedragvoor die fase op 32,6 miljoen euro komt. Momenteel wordt gewerkt aanhet openstellen van de subsidieregeling stimulering verwijderingmedicijnresten tweede tranche. Het streven is dat deze in het derdekwartaal van dit jaar wordt opengesteld. Hierbij is de insteek dat allewaterschappen kunnen gaan inschrijven voor subsidie voor de bouw vaneen vierde trap op hun rioolwaterzuiveringsinstallaties. De installatie dientdan voor 31 december 2028 functioneel in bedrijf te zijn gesteld om devolledige subsidie te kunnen ontvangen. Veel waterschappen zijn daartoeal de voorbereidingen voor een vierde trap gestart.De verwachting is dat met het beschikbare budget zo’n twintig vierdetrappen gesubsidieerd kunnen gaan worden. Dit is afhankelijk van dehoeveelheid behandeld afvalwater per rioolwaterzuiveringsinstallatie enhet aantal inschrijvingen. De aanvragen zullen dan op volgorde vanbinnenkomst worden behandeld.3. Beprijzing watergebruik Beprijzing watergebruikIn de Kamerbrief over het beprijzen van watergebruik is genoemd dat deinzet van een combinatie van instrumenten het meest effectief is om hetwatergebruik terug te dringen.18 In het tweeminutendebat van 24 april jl.is toegezegd op de instrumenten terug te komen.•Ten aanzien van belasting op leidingwater wijs ik u graag op de briefvan de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.19 Hierinwordt voorgesteld de belasting op leidingwater aan te passen viaophoging van het heffingsplafond van 300 naar 50.000 kuub per 2026en afschaffing van het heffingsplafond per 2027.•Voor de verbreding van de grondwaterheffing wordt op dit momentmet de provincies in het kader van het Programma Bodem, Onder-grond en Grondwater een landelijke aanpassing van de heffingsgrond-slag onderzocht.•Voor zowel grond- als oppervlaktewater is het Ministerie van IenWbezig met het aanpassen van de regelgeving rondom onttrekkingsver-gunningen in het kader van de inbreukprocedure. Voor oppervlaktewa-ter wordt voorlopig afgezien van beprijzen.4. Zoetwater, Droogte en Klimaatadaptatie Nationale Adaptatie StrategieOp 22 mei jl. heeft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid(WRR) het rapport «Mens en klimaat. De kracht van sociale infrastructuurbij adaptatie» uitgebracht.20 In het rapport stelt de WRR dat klimaatadap-tatie niet alleen vraagt om aandacht voor de fysieke omgeving, maar ookvoor de sociale context. Nederland wordt volgens de WRR beter klimaat-18Kamerstuk 27 625, nr. 691.19Kamerstuk 32 140, nr. 251.20https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2025/05/22/mens-en-klimaat.-de-kracht-van-sociale-infrastructuur-bij-adaptatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 7179 bestendig wanneer de overheid ook inzet op sociale infrastructuur diemensen naar elkaar laat omkijken, hun onderlinge vertrouwen verhoogt,en handelingsperspectief biedt.Het rapport sluit aan bij de nieuwe Nationale klimaatadaptatiestrategie(NAS’26) die in ontwikkeling is. In het kader van dit proces wordt onderandere een Sociale Impact Analyse uitgevoerd. Hierin wordt een analyseuitgevoerd op de beleidsopties om inzicht te geven in de mogelijkesociaaleconomische gevolgen en de draagbaarheid, haalbaarheid enuitvoerbaarheid ervan. Het rapport van de WRR kan deze Sociale ImpactAnalyse versterken en verrijken. De inzichten uit de Sociale ImpactAnalyse worden gebruikt bij het opstellen van de ontwerp-NAS’26.De planning is om de ontwerp-NAS’26 eind dit jaar te publiceren. Dekabinetsreactie op het WRR-rapport zal bij de publicatie van de ontwerpNAS’26 worden opgesteld. Dan kan worden aangegeven hoe het kabinetzal omgaan met de adviezen en wat hiervan in de ontwerp-NAS’26 isverwerkt. Ditzelfde geldt ook voor het advies van de WetenschappelijkeKlimaatraad «Meeveranderen met het klimaat» dat op 19 juni jl. isgepubliceerd. Dit advies is op verzoek van het Ministerie van Infra-structuur en Waterstaat opgesteld ten behoeve van de NAS’26. Bij dezekabinetsreactie zal ook de motie van de leden De Hoop en Bromet wordenbetrokken.21WatervoetafdrukOp verzoek van het lid Kostic´ is er contact opgenomen met de onder-zoeksgroep binnen de Universiteit Twente om beleidsaanbevelingen entoelichting op te halen bij de Nederlandse «watervoetafdruk».De meest volledige schatting van de Nederlandse watervoetafdruk dateertuit 2011 en laat zien dat onze nationale watervoetafdruk ongeveer 23miljard kubieke meter water per jaar bedraagt, ofwel 4.000 liter per dagper hoofd van de bevolking. Zoals het lid Kostic´ ook aangaf, is 67%procent van onze watervoetafdruk afkomstig van landbouwproducten,31% vanuit de industrie en maar 2% voor huishoudelijk drinkwatercon-sumptie.Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in 2012 een vertalinggemaakt van de kennis en inzichten uit de watervoetafdruk naar beleids-aanbevelingen.22 De onderzoeksgroep in Twente geeft aan dat bedrijvendoorgaans belangrijker zijn in het verlagen van watervoetafdruk, maar dathet Rijk desalniettemin een belangrijke rol kan spelen door zich in tespannen voor:1.Het (internationaal) ontwikkelen en toepassing van eenwatervoetafdrukmonitoring- en benchmarkingsystematiek.2.Het internationaal harmoniseren van zogenaamde good waterstewardship normen.3.Het stimuleren van innovatie en kennisontwikkeling op het gebiedvan duurzaam waterbeheer en water-efficiënte productieketens inexporterende landen met waterschaarste (zgn. niet-duurzamehot-spots).Deze aanbevelingen hebben een sterk internationaal karakter en wordendeels opgepakt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit komtomdat 95% van onze watervoetafdruk in het buitenland ligt en veel vanonze binnenlandse productieketens al relatief water-efficiënt zijn.Vergeleken met nabijgelegen landen is onze watervoetafdruk ook vrijklein. België heeft bijvoorbeeld een 30% grotere watervoetafdruk perinwoner. De onderzoekers geven aan dat zowel de problemen als21Kamerstukken 27 625, nr. 602.22Planbureau voor de Leefomgeving (2012). Watervoetafdruk: bruikbaar voor duurzaamheids-beleid?https://www.pbl.nl/downloads/pbl-2012-watervoetafdruk-500007001-873pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71710 oplossingen voornamelijk in de handelsstromen liggen en minder in deNederlandse watersector.Het is belangrijk te beseffen dat de watervoetafdruk maar een beperktbeeld geeft van de wateropgave in Nederland. De watervoetafdruk richtzich op productie- en consumptieketens, terwijl de grootste zoetwaterbe-hoefte («blauw water») in Nederland voortkomt uit o.a. peilhandhaving enhet tegengaan van verzilting. Een duurzamer watergebruik blijft gestimu-leerd worden via programma’s als het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer,het Nationaal Water Programma en het Deltaprogramma Zoetwater, enhiermee wordt ten dele ook bijgedragen aan het verder verkleinen vanonze watervoetafdruk.Toetsen woningbouwopgaveDe motie van het lid Peter de Groot c.s. vraagt om een toetsing van hetruimtelijk afwegingskader, de landelijke maatlat en de interbestuurlijkeuitvoeringsagenda op te vergaande beperkingen en randvoorwaardenvoor woningbouwplannen, zodat het principe «water en bodem sturend»niet onevenredig de woningbouwopgave bemoeilijkt.23Om uitvoering te geven aan de motie is een onderzoek gestart waarbij heteffect van de maatlat en het afwegingskader op woningbouwprojecten inbeeld wordt gebracht. Het Ministerie van IenW begeleidt het onderzoek innauwe samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening (VRO). Na de zomer worden de resultaten verwachten met de Tweede Kamer gedeeld. Hierin worden ook andere relevanteinzichten meegenomen, zoals het recent verschenen rapport van hetEconomisch Instituut voor de Bouw (EIB) over WBS.24 Daarnaast wordtgewerkt aan de uitvoering van de Woontop-afspraken.25 Het gaat om eennadere, uniforme uitwerking van een aantal afspraken uit de maatlat.Gestart wordt met de onderwerpen bodemdaling, wateroverlast enwatertekort.Programma standaardisatie wateroverlastBij het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen, infrastructuuren openbare ruimte spelen standaarden een cruciale rol. Het OverlegStandaarden Klimaatadaptatie (OSKA) speelt een actieve rol in hetversnellen van klimaatadaptatie door nieuwe en bestaande standaarden teverbeteren. Dit draagt bij aan het behalen van de ambitie om Nederlandvoor 2050 klimaatbestendig te maken.In 2024 is OSKA gestart met het ontwikkelen van thematischeprogramma’s die aansluiten bij de doelen uit Landelijke Maatlat voor eengroene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. In samenwerking met destandaardisatie-organisaties Stichting Rioned, CROW, ISSO en NEN en hetMinisterie van VRO heeft het Ministerie van IenW het eerste programmaopgezet, «Programma Standaardisatie Wateroverlast». Dit programmabeschrijft hoe de betrokken partijen gezamenlijk werken aan het klimaat-adaptief maken van waterstandaarden, met tien concrete projecten dievan 2025 tot en met 2028 worden uitgevoerd. Vanuit IenW is er subsidiebeschikbaar gesteld die tot de helft van de projectenkosten dekt, deandere helft financieren de standaardisatie-organisaties zelf.23Kamerstukken 27 625, nr. 680.24https://www.eib.nl/wp-content/uploads/2025/03/RHWB-rapport-v14-FINAL2.pdf25https://www.volkshuisvestingnederland.nl/woontop/alle-afsprakenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71711 Voortgangsrapportage Beleidstafel wateroverlast en hoogwaterMet de vierde voortgangsrapportage van de Beleidstafel wateroverlast enhoogwater (bijlage) wordt inzicht gegeven in de voortgang van deaanbevelingen en acties uit het eindadvies van de Beleidstafel. Om hetwaterbewustzijn van inwoners te vergroten zijn de wateropgaven:verminderen van wateroverlast en voorbereiden op wateroverlastopgenomen in het bredere programma Leven met Water, dat later in dezebrief aan bod komt. Hierbij zijn de inzichten vanuit Limburg, die zij voor dewebsite www.wachtnietopwater.nl hebben ontwikkeld, gebruikt.Eén van de aanbevelingen uit de Beleidstafel is om de sponswerking vanhet landschap te herstellen en te versterken. Een goede sponswerking vanhet bodem en watersysteem betekent dat een landschap het vermogenheeft te functioneren als een spons die vol loopt in tijden van veel water,dit water vasthoudt en kan leveren in tijden van droogte wanneer ditwater nodig is. Om handvatten te bieden om de sponswerking vanlandschappen te vergroten, wordt gewerkt aan een afwegingskader. Hetafwegingskader is erop gericht om inzicht te geven in welk landschapwelke sponswerkingsmaatregelen voorgesteld kunnen worden en hoe ditbijdraagt aan zowel de opgave van watertekort en wateroverlast.Voor de uitwerking van de bovenregionale stresstesten worden ondermeer zogenoemde «waterbeelden» opgesteld, waarbij inzicht wordtgegeven wat de maximale waterdiepte is bij grootschalige extreme regen(200 mm in 48 uur).Deze waterbeelden zullen naar verwachting voor alle 13 regio’s inseptember, worden samengevoegd tot een landelijk overzichtsbeeld, nogzonder gevolgen mee te nemen. Op basis van de waterbeelden wordengevolgen in beeld gebracht, zoals aantal getroffen mensen, uitval vanvitale infrastructuur of bereikbaarheid. De oplevering is gepland in eind2025. Daarna wordt er in 2026 op basis van de gevolgenbeelden eenlandelijk overzichtsbeeld samengesteld voor het identificeren vanaandachtsgebieden.Het scenario dat is gebruikt bij deze stresstesten wordt ook meegenomenin de verdere implementatie van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten(Wwke) en de bredere Aanpak Vitaal vanuit het Rijk. In dit kader moetenaanbieders van kritieke entiteiten risico’s van natuur- en klimaatrisico’s inbeeld brengen. IenW ondersteunt dit met het opstellen van handreikingenen afspraken over uitgangspunten in samenwerking met de NEN.5. Caribische delen van het Koninkrijk Voortgang klimaatplannenOp dit moment werken de drie BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius enSaba) aan hun klimaatplannen. Om input te verzamelen voor de plannenhebben op alle drie de eilanden gesprekken plaatsgevonden metstakeholders en alle lagen van de bevolking. De BES-eilanden hebben tijdnodig om tot goede en breed gedragen plannen te komen. De klimaat-plannen van Saba en Sint-Eustatius zullen naar verwachting na de zomergereed zijn, Bonaire voorziet begin 2026 een plan gereed te hebben enook op Curaçao, Aruba en Sint-Maarten wordt gewerkt aan klimaat-plannen. Er wordt kennis en expertise beschikbaar gesteld voor alle zes deeilanden van het Koninkrijk via het International Panel on Deltas andCoastal areas (IPDC). Ook vindt er regelmatig uitwisseling van kennisplaats, zoals tijdens de tweede editie van de Caribbean Climate andEnergy Conference die van 25 tot 27 mei 2025 op Curaçao plaatsvond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71712 Daarnaast wordt in het kader van de NAS’26 gewerkt aan een deel overCaribisch Nederland. Dit bevat de prioriteiten van het Rijk met betrekkingtot klimaatadaptatie in Caribisch Nederland en bouwt voort op de drieklimaatplannen van de BES-eilanden. Om tot een goed onderbouwde eneffectieve strategie te komen, worden hierbij verschillende expert- enstakeholdergroepen betrokken.Uw Kamer zal geïnformeerd worden over de voortgang en uitkomst vanbovenstaande processen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motievan de leden White en Kröger.26Verontreiniging van de zee in Caribisch NederlandIn 2024–2025 zijn er zwerfafval monitoringspilots Caribisch Nederlanduitgevoerd op stranden van Sint-Eustatius en Saba in opdracht van hetMinisterie van IenW. De resultaten tonen een hoge aanwezigheid vanplastic zwerfafval, beduidend hoger dan op stranden in EuropeesNederland.27 Op Sint Eustatius zijn er 1.858 en op Saba 412 stukszwerfafval per 100 meter strand gevonden. Er kunnen nog geen trendsvastgesteld worden.6. Overig Staat van ons WaterBijgevoegd bij deze brief (bijlage 3) vindt u de rapportage De Staat vanOns Water. In deze rapportage wordt samenhangend gerapporteerd overde voortgang van het waterbeleid in het afgelopen kalenderjaar. Voor dezeonderwerpen bestaat namelijk ook een wettelijke rapportageplicht,waaraan met deze rapportage invulling wordt gegeven. Logischerwijskent deze rapportage een overlap met de verzamelbrief.De Staat van Ons Water (SvOW) is een gezamenlijke rapportage van departners van het Bestuursakkoord Water (BAW): het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, VNG, IPO enVewin.De partners van het Bestuursakkoord Water stellen deze rapportage op terverantwoording aan de Tweede Kamer.Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid Van Esch dieverzoekt om de Kamer te informeren over de uitwerking en gekozenwettelijke borging rondom Water en Bodem.28Leven met waterVia de brief van 27 november 2023 is de Kamer geïnformeerd over hetvoornemen om het waterbewustzijn onder Nederlanders te vergroten eninwoners aan te zetten tot anders handelen, bijvoorbeeld in geval vanextreme weerssituaties.29 Via de vernieuwde webpagina www.levenmet-water.nl wordt vanaf medio juni 2025 doorlopend gecommuniceerd overvier wateropgaven: verminderen van wateroverlast, voorbereiden opwateroverlast, voorkomen van watertekort (waaronder drinkwater) enverbeteren van waterkwaliteit. Daarnaast worden diverse anderemiddelen en initiatieven ingezet zoals educatiemateriaal voor scholen,26Kamerstukken 36 600-IV, nr. 43.27https://open.rijkswaterstaat.nl/open-overheid/onderzoeksrapporten/@271452/monitoring-and-assessment-beach-litter/.28Kamerstukken 36 200-XII, nr.7329Kamerstuk 27 625, nr. 659.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71713 open dagen bij waterschappen en zuiveringslocaties en een samen-werking gericht op het vergroenen van tuinen.IJsselmeergebiedTijdens het Commissiedebat Water van 26 maart 2025 is toegezegd aanhet lid Grinwis om de Kamer nader te informeren over de voortgang vande uitvoering van de motie Grinwis en De Groot over buitendijks bouwenin het IJsselmeergebied, en daarbij specifiek in te gaan op de plannen inMonnickendam.30De motie van de leden Grinwis en De Groot verzoekt de regering nieuwewaterrobuuste woningbouw en drijvend wonen langs de randen van hetMarkermeer, Gouwzee, IJmeer, Gooimeer en Eemmeer niet uit te sluitenmaar mogelijk te maken, zonder dat de zoetwaterbufferfunctie te veelwordt aangetast. Dit onderwerp is ook onderdeel van het advies van decommissie Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving(STOER). Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies.Voor onze zoetwatervoorziening, drinkwatervoorziening en watervei-ligheid is het van belang dat de huidige zoetwatervoorraad en dewaterbergingscapaciteit van deze meren niet veel verder wordt verkleind.De meren zijn immers de belangrijkste zoetwaterbron voor Noord-Nederland en beschermen ons tegen overstromingen door een teveel aanwater op te vangen. Terughoudend zijn met landaanwinning en buiten-dijks bouwen is daarom geboden: binnendijks bouwen wat binnendijkskan. Ook om toekomstige maatregelen die noodzakelijk zijn voor onzewaterveiligheid en zoetwatervoorziening niet moeilijker te maken.Voorbeelden zijn maatregelen als dijkversterkingen en een aanpassingvan het peilbeheer. Tegelijkertijd zijn woningbouw-initiatieven langs deranden van de meren mogelijk. De huidige regels in het Besluit kwaliteitleefomgeving (Bkl) bieden hiervoor de kaders aan gemeenten. De ruimtevoor landaanwinning en bouwactiviteiten is hierin begrensd tot eenmaximaal aantal hectare per gemeente31 in verband met de zoetwater- enwaterbergingsfunctie van het oppervlaktewater.Nieuw Monnickendam is een initiatief dat voorziet in nieuwe buitendijksewoningen in het Markermeer, gemeente Waterland. Op verzoek van degemeente Waterland gaan de Ministeries van VRO en IenW binnenkort ingesprek met de gemeente om te bespreken of en op welke wijzewoningbouw daar mogelijk is.Evaluatie subsidieregeling bevaarbaarheid IJsselmeergebiedMedio 2018 is een nieuw peilbesluit voor het IJsselmeergebied vastge-steld. Om de mogelijke negatieve effecten voor de bereikbaarheid van dejachthavens weg te nemen, is de Tijdelijke subsidieregeling bevaar-baarheid jachthavens en vaargeulen IJsselmeergebied in 2020 opgesteld.De subsidieregeling is opengesteld voor de periode 1 oktober 2020 –30 september 2025. Uit de evaluatie van de subsidieregeling is ondermeer gebleken dat er nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de subsidie-regeling en dat de jachthavens en vaargeulen niet aantoonbaar slechterbereikbaar worden door het vervroegd uitzakken van het zomerpeil in hetIJsselmeergebied. De subsidieregeling zal daarom niet verlengd wordenen de vrijvallende middelen vloeien terug naar het Deltafonds.30Toezegging TZ202504-053.31Besluit kwaliteit leefomgeving, paragraaf 5.1.3.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71714 Voortgangsrapportage Uitvoeringsprogramma Waddengebied 2024Bijgevoegd bij deze brief (bijlage 4) ontvangt u de VoortgangsrapportageUitvoeringsprogramma Waddengebied 2024. Deze is in het BestuurlijkOverleg Waddengebied van 16 juli 2025 vastgesteld. Jaarlijks wordt devoortgang van de transities en initiatieven van het Uitvoeringsprogrammain beeld gebracht middels een voortgangsrapportage. Het doel van dezevoortgangsrapportage is om inzicht te bieden in de voortgang van deafspraken en om partijen in staat te stellen het gesprek te voeren overgeboekte resultaten, de voortgang en eventuele bijsturing.Beleidskeuzes DeltafondsBij aanvang van het Wetgevingsoverleg Water van 11 november is naaraanleiding van de vragen van de begrotingsrapporteur De Hooptoegezegd om vóór het volgende commissiedebat Water de Kamer teinformeren over de budgetspanning op het Deltafonds en welke beleids-keuzes er zijn gemaakt in de aanloop naar de Voorjaarsnota.32Met de Voorjaarsnota zijn alle wijzigingen bekend gemaakt.33 De motivatievan de belangrijkste beleidswijzigingen staat hieronder toegelicht:Prioritair voor het kabinet is de opgave voor het HWBP voor de periode tot2036. Hiervoor hebben de waterschappen zich bereid getoond gezamenlijkmaximaal € 1,25 miljard bij te dragen en het Rijk gevraagd om dezelfdebijdrage. Omdat de vrije investeringsruimte op het Deltafonds beperkt isen er naast het HWBP andere belangrijke opgaven zijn, is nu € 1 miljardextra budget gereserveerd voor het HWBP voor de periode tot 2036. Metdit extra budget kunnen alle lopende projecten en de projecten die in 2026en 2027 gaan starten tot en met de realisatie worden gefinancierd.Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Grinwis c.s., om binnen devrije investeringsruimte van het Deltafonds prioriteit te geven aanwaterveiligheid en vertraging in het uitvoeren van de dijkversterkingsop-gaven in het HWBP te voorkomen.34Voorwaarde voor het uitgeven van dit extra rijksbudget is dat de program-masturing in de herijking van het HWBP wordt versterkt en er eenrealistische en uitvoerbare planning komt. Hierover worden eind 2025afspraken gemaakt met de waterschappen.Het kabinet kiest er ook voor om een flinke extra impuls gegeven aan deuitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW), met het oog op het behalenvan de doelen in 2027. Alles wordt op alles gezet om dat te halen. Infebruari 2025 is de Kamer geïnformeerd over de budgettaire spanningbinnen het Uitvoeringsprogramma KRW bij RWS.35 In die brief istoegelicht hoe RWS stevig moet bijsturen om het programma financieelbeheersbaar te houden, onder meer door aanpassingen in de scope en deuitvoering van het programma, en verder door een grondstrategie teontwikkelen die helpt om transportkosten te verminderen en te werkenaan een gebundelde aanbesteding. Ondanks het streven naar verkleiningvan deze budgetspanning, zal het niet lukken om die volledig metversoberingen en efficiencyverbeteringen op te lossen. Om te voorkomendat het uitvoeringstempo van het programma vertraagt, wordt het budgetvoor de uitvoering van de KRW door RWS in de jaren 2026 en 2027 intotaal met € 168 miljoen opgehoogd.32TZ202411-057.33Kamerstuk 36 725 J, nr. 2.34Kamerstuk 36 600 J, nr. 17.35Kamerstuk 27 625, nr. 699.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71715 Nadat in 2025 verder is onderzocht hoe de budgetspanning en de andererisico’s verkleind kunnen worden, zal worden bezien welke extra besluit-vorming nodig is. Het Deltafonds bekostigt zowel waterveiligheid alszoetwatervoorziening en waterkwaliteit. Bij de jaarlijkse programmeringvan het fonds wordt zodoende een integrale afweging gemaakt en daarbijworden ook koppelkansen tussen de verschillende waterbeleidsdoelenbetrokken. Dit is in lijn met de toezegging aan het lid Kostic´.36Het kabinet is ook voornemens om, nu het Transitiefonds niet langerbeschikbaar is, met Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN) een bijdragete leveren aan het behalen van de doelen voor natuur, water en klimaat,specifiek voor gebieden met hoge en urgente opgaven zoals debeekdalen, grondwaterbeschermingsgebieden, de gebieden rondomkwetsbare Natura 2000-gebieden en de veenweiden. De aanpak omtrentRLN wordt beschreven in een separate Kamerbrief over de voortgangm.b.t. de KRW die ook aan de Kamer wordt gestuurd.Met bovenstaande besluiten is gekozen om vooralsnog niet de volledigeinvesteringsruimte vast te leggen in de uitvoering van beleidsthema’s,maar een beperkte investeringsruimte te behouden. Hiermee blijft erenige flexibiliteit over en kunnen verdere tegenvallers en nieuweintensiveringen worden opvangen zonder meteen te hoeven herpriori-teren.Zoals bekend is in het Hoofdlijnenakkoord geen extra budget voor hetDeltafonds toegevoegd, maar zijn wel diverse ambities opgenomen diebinnen de bestaande ruimte moeten worden ingepast. Verder laat derecente jaren laten zien dat niet alles tegelijk kan omdat de maakbaarheidbeperkingen kent. Dit neemt niet weg dat er ook voor de toekomstbelangrijke opgaven en ambities zijn: zoals de hiervoor genoemderesterende opgaven voor het HWBP en de KRW, extra opgaven bij deAfsluitdijk, de vernieuwing van het Gemaal IJmuiden, het vervangen vande Stuwen in de Maas en vervolgstappen in het programma RvdR 2.0. Totslot is de financiële ruimte van het Deltafonds afgenomen door dekkingvan Rijksbrede problematiek bij de Voorjaarsnota 2025. Dit is onder meertot uiting gekomen in inhouding van een deel van de Eindejaarsmargevoor Herstel Toeslagen en de prijsbijstelling. De dekking van beidevraagstukken legt een beslag van ongeveer € 375 miljoen op hetDeltafonds.Vervolgtraject ontwikkeling stelsel waterschapsbelastingenOp 28 januari jl. vond in de Eerste Kamer de plenaire behandeling plaatsvan het wetsvoorstel tot aanpassing van het belastingstelsel van dewaterschappen. Dit wetsvoorstel is inmiddels aangenomen en treedt per1 januari 2026 in werking.37In de brief die voorafgaand aan het WGO Water van 18 november jl. isverstuurd, is toegezegd de Kamer nader te informeren over het vervolg-traject over de ontwikkeling van het stelsel van de waterschapsbelas-tingen en de vervolgstappen die hierin gezet worden.38 Dit traject richtzich op vraagstukken waar het voorgaande wetsvoorstel nog onvoldoendeantwoord op geeft. Het vervolgtraject zoals aangekondigd is inmiddelsvan start gegaan.36TZ202411-064.37Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemenewet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bijde watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossenvan enkele knelpunten (Stb 2025, 63).38Kamerstukken 27 625, nr. 693.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71716 In het vervolgtraject zal gekeken worden naar mogelijke aanvullendemaatregelen binnen zowel de watersysteemheffing als de zuiverings- enverontreinigingsheffing met als doel te komen tot een verdere ontwik-keling van een robuuster waterschapsbelastingstelsel. Zoals eerdertoegezegd, wordt hierbij onder andere gekeken naar de aanbevelingen diein 2014 door de OESO zijn gedaan.39 Het OESO-rapport bevat veelaanbevelingen, maar deze zijn niet allemaal gerelateerd aan de water-schapsbelastingen. Voor het vervolgtraject wordt in ieder geval gekekennaar de aanbevelingen uit het OESO-rapport gericht op het profijtbeginselen het principe «de vervuiler betaalt», waaronder een onderzoek naareconomische en financiële prikkels voor een efficiënte en rechtvaardigebeheersing van waterrisico’s, en een onderzoek naar versterking van hetfinancieringssysteem ter waarborging van de financiële duurzaamheid opde lange termijn. Het vervolgtraject geeft ook uitvoering aan de motieGrinwis c.s., die vraagt om nader onderzoek naar de toepassing van hetprincipe «de vervuiler betaalt» binnen de waterschapsbelastingen.40Daarnaast wordt in het vervolgtraject onderzocht welke mogelijkheden erzijn om de zuiverings- en verontreinigingsheffing meer op basis van deomvang van huishoudens te heffen, zoals wordt verzocht in de motie vande leden Olger van Dijk en Pierik.41 Ook wordt onderzocht hoe het leverenvan diensten ten behoeve van het watersysteem door agrariërs verdiscon-teerd kan worden in de kostentoedeling van de waterschapslasten, zoalsverzocht in de motie van het lid Pierik c.s.42Op dit moment wordt samen met de Unie van Waterschappen hetvervolgtraject vormgegeven, waarbij ook een proces wordt opgesteld opwelke wijze en op welk moment andere partners worden betrokken. Opbasis hiervan wordt mede bepaald welke maatregelen nader onderzochtworden. Medio 2026 worden de eerste onderzoeksresultaten verwacht. DeKamer wordt over de voortgang van het onderzoek nader geïnformeerd inhet najaar van 2025.Jaarlijkse update belastingopbrengst per waterschapDe motie van het lid Grinwis c.s. verzocht de regering onder andere deKamer jaarlijks te informeren over de belastingopbrengst per waterschap,de verdeling tussen de categorieën en de relatieve en absolute stijging endaling van de lasten per categorie.43 In de beantwoording van de gesteldevragen wordt voorzien met het jaarlijks overzicht van de Unie vanWaterschappen over de waterschapsbelastingen. Dit overzicht is alsbijlage bij deze brief gevoegd.44Conform de motie van het lid Grinwis c.s. zal dit overzicht ook in 2026opnieuw aan de Kamer worden toegezonden ter voorbereiding op hetCommissiedebat Water.Schadeafhandeling bij infraprojectenTijdens het commissiedebat Leefomgeving van 26 oktober 2023 is aan hetlid Beckerman toegezegd dat de Kamer zal worden geïnformeerd over demogelijkheid van het invoeren van een onafhankelijk schadeloket bij39OESO, Water Governance in the Netherlands: Fit for the future?, 2014. https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2014/03/water-governance-in-the-netherlands_g1g3f7ab/9789264102637-en.pdf40Kamerstukken 36 412, nr. 19.41Kamerstukken 36 412, nr. 23.42Kamerstukken 36 412, nr. 21.43Kamerstukken 36 412, nr. 19.44Zie Bijlage «Waterschapsbelasting 2025 het hoe en waarom».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71717 schade door grote infrastructurele werken, breder dan alleen dijkver-sterking.45Aanleiding waren verzakkingen van huizen bij het kanaal Almelo-DeHaandrik en een uitzending van het programma Pointer over schade aanwoningen in de omgeving van de Lekdijk. In het onderstaande wordtuitvoering gegeven aan de toezegging. Eerst wordt het juridisch kadertoegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de diverse overheden dieinfrastructurele werken (laten) uitvoeren en op de eventuele toegevoegdewaarde van een onafhankelijk schadeloket.Bij schade door fouten van een overheid is sprake van een civielrechtelijkeaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Dat kan bijvoorbeeld aan deorde zijn als bezittingen van burgers beschadigd raken bij de bouw vaninfrastructuur. De betreffende overheid of aannemer zal onrechtmatigtoegebrachte schade uit eigen beweging willen vergoeden maar als er,bijvoorbeeld over de omvang of de oorzaak van de schade, een blijvendverschil van mening bestaat kan altijd het onafhankelijke oordeel van deciviele rechter worden gevraagd.Daarnaast wordt er door overheden ook schade vergoed bij rechtmatighandelen (nadeelcompensatie). Nadeelcompensatie wordt toegekend alsbelanghebbenden door een rechtmatig besluit of handeling onevenredigzwaar worden getroffen en de schade het zgn. normaal maatschappelijkrisico overtreft. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een tijdelijkewegafsluiting leidt tot omzetverlies van ondernemers. Over nadeelcom-pensatie kan het onafhankelijk oordeel van de bestuursrechter wordenverkregen.Infrastructurele projecten vinden plaats binnen een groot aantal verschil-lende overheden, in elk geval bij het Rijk, bij twaalf provincies, ruimdriehonderd gemeenten en 21 waterschappen. Overheden dragen zelfverantwoordelijkheid voor de goede afdoening van eventuele schadege-vallen en nadeelcompensatieverzoeken. De bovengenoemde werkzaam-heden aan het kanaal Almelo-De Haandrik en de Lekdijk werden uitge-voerd door de provincie, respectievelijk het waterschap.Voor infrastructurele projecten die door of in opdracht van het Ministerievan IenW worden uitgevoerd geldt dat schadegevallen ennadeelcompensatie-verzoeken op een laagdrempelige wijze kunnenworden ingediend, vlot worden opgepakt en dat het weinig voor komt dateen burger of bedrijf daarna een gerechtelijke procedure aanspant. IenWheeft ruime ervaring met de inschakeling van een onafhankelijkeadviescommissie bij nadeelcompensatieverzoeken.Het is soms wel zo dat een schadegeval gecompliceerd ligt. Dat is metname het geval als onzeker is of geconstateerde schade inderdaad hetgevolg is van een bepaald infrastructureel project. Bij de werkzaamhedenaan het kanaal Almelo-De Haandrik en aan de Lekdijk was sprake van eendergelijk verschil van inzicht over de schadeoorzaak. Dat vraagstuk wordtniet opgelost door de beoordeling bij een onafhankelijk loket neer teleggen. Het vraagstuk blijft dan hetzelfde. Formalisering van afhandelingdoor een andere dan de aansprakelijke partij vergt wetgeving en kanlastenverzwarend werken. Bovendien kan in gecompliceerde aansprake-lijkheidsgevallen altijd worden besloten het advies van een derde in tewinnen of een mediationtraject te overwegen om (dreigende) patstel-lingen te doorbreken. Een onafhankelijk schadeloket biedt om dezeredenen geen toegevoegde waarde.45Toezegging TZ202311-019.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71718 Ter afsluitingDeze brief laat mede door de grote verscheidenheid aan onderwerpenzien dat er veel uitdagingen zijn voor het gehele Koninkrijk op het gebiedvan water. Samen met overheden, kennis- en onderzoeksinstituten,drinkwaterbedrijven en het bedrijfsleven, spant het Rijk zich ervoor in datNederland een leefbaar waterland kan blijven.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,R. TiemanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 27 625, nr. 71719
Gerelateerde bronnen
- De minister van IenW zal de Kamer voor het commissiedebat Water (17 juni 2025) informeren over de voortgang van de uitvoering van de motie over buitendijks bouw
De minister van IenW zal de Kamer voor het commissiedebat Water (17 juni 2025) informeren over de voortgang van de uitvoering van de motie over buitendijks bouwen en zal daarbij specifiek ingaan op de plannen in Monnickendam.
- De minister zegt de Kamer toe te onderzoeken hoe het Deltafonds en Deltaprogramma vanuit koppelkansen beter kunnen bijdragen aan het verbeteren van de waterkwal
De minister zegt de Kamer toe te onderzoeken hoe het Deltafonds en Deltaprogramma vanuit koppelkansen beter kunnen bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit en het behalen van de KRW-doelen en de Kamer hierover voor de Voorjaarsnota te informeren.
- De minister zegt toe om samen met de waterschappen te onderzoeken of een basislijn voor biodiversiteit bij dijken mogelijk is en informeert de Kamer hierover in
De minister zegt toe om samen met de waterschappen te onderzoeken of een basislijn voor biodiversiteit bij dijken mogelijk is en informeert de Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2025.
- De Kamer krijgt voor het volgende commissiedebat Water een brief van de minister met daarin zoveel als mogelijk informatie over hoe groot de budgetspanning is e
De Kamer krijgt voor het volgende commissiedebat Water een brief van de minister met daarin zoveel als mogelijk informatie over hoe groot de budgetspanning is en welke keuzes zijn gemaakt, in aanloop naar de Voorjaarsnota.
- De Kamer zal worden geïnformeerd over de mogelijkheid van het invoeren van een onafhankelijk schadeloket voor burgers die schade hebben ondervonden van grote in
De Kamer zal worden geïnformeerd over de mogelijkheid van het invoeren van een onafhankelijk schadeloket voor burgers die schade hebben ondervonden van grote infrastructurele projecten, breder dan alleen de verwachte verbreding van dijken.
- Voor de zomer van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over de tijdlijn van het programma Ruimte voor de rivier 2.0.
Voor de zomer van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over de tijdlijn van het programma Ruimte voor de rivier 2.0.
- In de verzamelbrief voor het volgende commissiedebat Water zal de minister van IenW de Kamer informeren over de uitkomsten van zijn gesprek met Universiteit Twe
In de verzamelbrief voor het volgende commissiedebat Water zal de minister van IenW de Kamer informeren over de uitkomsten van zijn gesprek met Universiteit Twente over hun aanbevelingen met betrekking tot de watervoetafdruk.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.