Verslag van een schriftelijk overleg over de verzamelbrief kwaliteit en veiligheid kinderopvang (Kamerstuk 31322-525)
Brontekst
Versie 5715fa1933909c9d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 322KinderopvangNr. 532 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 11 april 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over de brief van 20 maart 2024 over deverzamelbrief kwaliteit en veiligheid kinderopvang (Kamerstuk 31 322,nr. 525).De vragen en opmerkingen zijn op 2 april 2024 aan de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 11 april 2024zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,L. de JongDe adjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-31322-532ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5321 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie4IIAntwoord/Reactie van de Minister4 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de brief. Deze leden hebben echter enkele vragenover de verschillende onderdelen van de brief.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief welke aanpas-singen het kabinet voornemens is rondom de taaleis. Deze leden vragenwat het kabinet heeft gedaan met de andere aanbevelingen uit hetonderzoek, bijvoorbeeld op pagina 24 van het onderzoek «Taaleis IKK inde kinderopvang».1 Deze leden vragen specifiek naar de aanbevelingenom een differentiatiemethode toe te passen. Deze leden vragen naar deoverwegingen die het kabinet heeft gemaakt. Ook vragen deze ledenspecifiek naar de aanbeveling om duidelijk naar kinderopvangorganisatieste communiceren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vraag over deuitzondering op basis van leeftijd. Deze leden vragen hoe het kabinetervoor gaat zorgen dat mensen die onder deze tijdelijke uitzonderingvallen uiteindelijk wel aan de eis voldoen. Deze leden lezen in de brief datde Minister actie verwacht van het veld, maar deze leden vragen ook naarde rol die de Minister voor zichzelf en de Rijksoverheid ziet.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat dat het kabinet eenuitzondering wil maken voor pedagogisch professionals die een anderetaal spreken met kinderen. Deze leden vragen naar een inschatting van deomvang van deze groep. Deze leden vragen ook naar welke talen danuitgesloten worden. Deze leden slaan aan op het gebruik van het woord«bijvoorbeeld» in de brief. Zij vragen welke talen worden uitgezonderd enof het hier enkel gaat om de genoemde talen uit de Wet kinderopvang(Wko), artikel 1.56 tweede en derde lid.Ook lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat het kabinet eenuitzondering voornemens is voor de groep die door persoonlijkeomstandigheden nog niet aan de taaleis voldoet. Deze leden vragen hoelang de uitzondering geldt en hoe dit er in de praktijk uit ziet.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wanneer de TweedeKamer het wetsvoorstel voor het registreren van incidenten kanverwachten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over deuitzonderingen voor de gastouderopvang voor de Warenwet en deWarenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) 2023. Deze leden1Significant Public, 3 november 2023, «Taaleis IKK in de Kinderopvang».Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5322 vragen naar een overzicht van welke verplichtingen gelden voor degastouderopvang en welke voor de kinderopvang niet zijnde de gastou-deropvang.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief dat er volgenshet kabinet meerdere redenen zijn voor een uitzondering voor degastouderopvang op de WAS 2023. Een van die redenen is dat deveiligheid gewaarborgd is door toezicht van de GGD. Deze leden zijn nietovertuigd door dit argument, aangezien de GGD ook bij andere vormenvan kinderopvang toezicht houdt en het kabinet van mening is dat dezevormen van kinderopvang niet uitgezonderd dienen te worden. Dezeleden vragen of het kabinet hier nader op kan reflecteren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen uit de brief dat deWarenwetregeling zou betekenen dat kinderen niet in hun eigen bedmogen slapen tijdens opvangtijd. Deze leden vragen hoe dit precies volgtuit de Warenwetregeling.Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op welke manier hetkabinet de uitzonderingen wil vormgeven. Deze leden vragen het kabinette beargumenteren dat de gekozen reikwijdte van de uitzonderingproportioneel en juridisch houdbaar is.Ten slotte hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragenover de voorgestelde wijziging in het aanwijzen van EHBO-certificaten.Deze leden vragen of is overwogen om een andere instantie de lijst metaangewezen EHBO-certificaten te laten bepalen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voornemenom pedagogisch professionals in de buitenschoolse opvang (bso) uit tezonderen van de taaleis 3F. Deze leden maken zich zorgen over wat dezeversoepeling betekent voor de taalontwikkeling van kinderen. Kan deMinister dit toelichten?De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister ook 60-plussers wiluitzonderen van de taaltoets. Deze leden begrijpen de overweging envragen daarbij of, indien wenselijk en mogelijk, er wellicht een laagdrem-pelige methode is om de taaleis te halen dan wel om de taaleis te toetsen.Zou deze ontheffing eventueel tijdelijk geregeld kunnen worden?De leden van de VVD-fractie vrezen dat de taalvaardigheid van kinderenverder onder druk komt te staan. De leden vragen of de Minister kanonderbouwen waarom de versoepeling nu voor onbepaalde tijd geregeldis.De leden van de VVD-fractie lezen dat de tijdelijke maatregel ruimere inzetberoepskrachten in opleiding verlengd is tot juli 2026. Deze leden zijnbenieuwd of deze maatregel geëvalueerd is, en zo niet of deze noggeëvalueerd zal worden en wat er met de lessen uit de evaluatie gebeurtof zal gebeuren.De leden van de VVD-fractie lezen dat de beoogde instrumenten omincidenten tegen te gaan via een wetswijziging ingevoerd zullen wordenen per 1 januari 2026 in werking moeten treden. Deze leden horen graagvan de Minister wanneer zij voornemens is het voorstel bij de Kamer in tedienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5323 Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief en vanhet voornemen om de eindtermen van een EHBO-certificatie voortaan inde Regeling Wet kinderopvang op te nemen. Kan het kabinet nadertoelichten wat de gevolgen van dit voornemen zijn? In hoeverre wordtmet deze wijziging de controle op de kwaliteit van de EHBO geborgd? Inhoeverre kan de GGD nog toetsen of het EHBO-diploma is uitgegeven opbasis van een daadwerkelijke competentietoets?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de verzamelbriefkwaliteit en veiligheid kinderopvang. Deze leden vinden het van grootbelang om te investeren in de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang,om de brede ontwikkeling van kinderen te versterken. Zij hebben op ditmoment geen vragen met betrekking tot deze brief.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de brief. Dezeleden hebben daarover nog enkele vragen.De leden van de SGP-fractie zijn blij met het feit dat het kabinet speeltoe-stellen in de gastouderopvang uitzondert van de WAS 2025 en deWarenwetregeling vanaf 1 januari 2025. Hoe wordt in de tussenliggendetijd omgegaan met toezicht op gastouderopvang op dit punt? Kan deMinister toezeggen dat richting gastouders op deze punten niethandhavend zal worden opgetreden?De leden van de SGP-fractie hebben vragen over veiligheid in dekinderopvang. Situaties van onveiligheid van kinderen in de opvang latenzien dat het van belang is dat het vierogenprincipe wordt gehandhaafd.Hoe vindt dat op dit moment plaats? En hoe wordt voorkomen dat hetvierogenprincipe (tijdelijk) wordt losgelaten, met risico op onveiligheid enmisbruik?II Antwoord/Reactie van de Minister Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen vande leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66 en de SGPover de Verzamelbrief kwaliteit en veiligheid kinderopvang (Kamerstukken2023/2024, 31 322, nr. 525).Hieronder ga ik graag in op de gestelde vragen. De antwoorden zijngeordend per thema en vervolgens per fractie. De vragen over deuitzonderingen voor gastouderopvang van de Warenwetregelgevingbeantwoord ik mede namens de Minister voor Medische Zorg. Vanwegede benodigde interdepartementale afstemming volgt deze beantwoordinglater.Invoering taaleis Nederlands voor pedagogisch professionalsDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief welkeaanpassingen het kabinet voornemens is rondom de taaleis. Deze ledenvragen wat het kabinet heeft gedaan met de andere aanbevelingen uit hetonderzoek, bijvoorbeeld op pagina 24 van het onderzoek «Taaleis IKK inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5324 de kinderopvang».2 Deze leden vragen specifiek naar de aanbevelingenom een differentiatiemethode toe te passen. Deze leden vragen naar deoverwegingen die het kabinet heeft gemaakt. Ook vragen deze ledenspecifiek naar de aanbeveling om duidelijk naar kinderopvangorganisatieste communiceren.Ik heb diverse opties verkend voor aanpassing van de taaleis, waaronderde differentiatieoptie. Daarbij zou bijvoorbeeld op elke kinderopvanglo-catie of op elke groep één beroepskracht mogen werken die niet voldoetaan de taaleis IKK, op voorwaarde dat alle andere beroepskrachten op dielocatie of groep er wel aan voldoen. Hieraan kleven verschillende nadelen.Ten eerste leidt deze wijziging tot complexe regelgeving in de vorm vanuitzonderingen en bijzonderheden. Dat maakt de eisen lastig te begrijpenvoor de medewerkers in de kinderopvang. Daarmee samenhangend leidtdit tot hoge administratieve lasten en problemen ten aanzien van depraktische uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor kinderopvangorga-nisaties en toezichthouders. De roostering van personeel wordt namelijknog lastiger.3 Ten tweede zou deze optie betekenen dat de ene beroeps-kracht wel moet voldoen aan de taaleis en de andere niet, zonder dat hierobjectieve criteria voor bepaald zijn. Dat maakt de differentiatieoptiemoeilijk te motiveren. Tot slot bleek uit consultatie van sectorpartijen in dekinderopvang (vertegenwoordiging van kinderopvangorganisaties,beroepskrachten en ouders) dat deze optie niet de voorkeur geniet bij demeeste partijen.Ik werk momenteel aan een ministeriële regeling die de aangekondigdeaanpassingen doorvoert. Die regeling is deze week opengesteld voorinternetconsultatie. Daarnaast ga ik samen met de sectorpartijencommunicatie voorbereiden om de sector zo snel mogelijk duidelijkheid tegeven op de vragen die het onderzoeksbureau heeft opgehaald in depraktijk. Rond de zomer zullen daarmee al veel vragen beantwoord zijn.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het kabinetervoor gaat zorgen dat mensen die vallen onder de tijdelijke uitzonderingop basis van leeftijd uiteindelijk wel aan de eis voldoen.Het is mijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor goede en realistischetaaleisen. Daarom monitor ik de implementatie en bied ik enkele(tijdelijke) uitzonderingen op de taaleis. Dit is bedoeld om werkgevers enwerknemers te ondersteunen bij het voldoen aan de opleidingseisen.Afgelopen jaren heeft het Ministerie van SZW samen met de sector enMBO-raad gekeken hoe de toetsing van de taaleis passender kan. Uit hetonderzoek van Significant Public blijkt dat daarmee voor de grootstegroep medewerkers de taaleis haalbaar is. Door de extra tijd die ik geefaan oudere beroepskrachten is er meer tijd voor kinderopvangorgani-saties en opleidingsinstellingen om in specifieke gevallen maatwerk enextra ondersteuning te bieden. Ik zie het daarnaast als mijn taak om goedte communiceren over de taaleis. Daarnaast blijf ik in gesprek met desectorpartijen over een goede implementatie van de taaleis.2Significant Public, 3 november 2023, «Taaleis IKK in de Kinderopvang».3Differentiatie in de taaleis Nederlands zou een extra percentage zijn waarop gelet moet wordenbij het inroosteren van personeel. Dit terwijl er reeds verschillende rekenregels gelden tenaanzien van de inzet van beroepskrachten. Bijvoorbeeld ten aanzien van: beroepskracht-kindratio, beroepskrachten in opleiding en stagiairs, taalaanbod bij meertalige kinderopvang.Daarnaast moet men rekening houden met het altijd aanwezig zijn van vaste gezichten en eenvolwassene met EHBO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5325 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar een inschattingvan de omvang van de groep pedagogisch professionals die een anderetaal spreekt met kinderen. Zij vragen ook welke talen worden uitge-zonderd en of het hier enkel gaat om de genoemde talen uit de Wetkinderopvang (Wko), artikel 1.55 tweede en derde lid.Wat ik voornemens ben te regelen is dat beroepskrachten, die met dekinderen een andere taal spreken dan de Nederlandse taal, niet hoeven tevoldoen aan de taaleis Nederlands. Hun Nederlandssprekende collega’smoeten wel voldoen aan de taaleis Nederlands. Het gaat daarbijinderdaad om beroepskrachten die een andere taal spreken met dekinderen op basis van artikel 1.55 tweede lid Wet kinderopvang (anderetaal vanwege specifieke omstandigheden in verband met de herkomst vankinderen), artikel 1.55 derde lid Wet kinderopvang (Duits, Engels of Fransin het kader van meertalige kinderopvang) en daarnaast ook voorFriessprekende beroepskrachten (artikel 1.55 eerste lid Wet kinderopvang).Er is geen registratie waaruit is op te maken om hoeveel medewerkers hetgaat die uitsluitend een andere voertaal spreken dan Nederlands. In 2022heb ik een inventarisatie laten uitvoeren naar dit onderwerp.4 Deinventarisatie leidt tot een schatting van 120 kinderopvanglocaties inNederland waar mogelijk meertalige of anderstalige kinderopvang wordtaangeboden (circa 1% van de kinderopvanglocaties in Nederland).Meertalige kinderopvang is met ingang van 1 februari 2024 ook voordagopvang wettelijk mogelijk geworden, met een wijziging vanartikel 1.55 derde lid Wet kinderopvang. Het gaat bij meertalige kinder-opvang alleen om de Duitse, Engelse en Franse taal. Daarbij geldt devoorwaarde dat de houder dagelijks ook een beroepskracht inzet die deNederlandse taal op 3F-niveau beheerst.Het tweede lid van artikel 1.55 van de Wet kinderopvang regelt dat medeeen andere taal gebruikt kan worden, indien de herkomst van kinderen inspecifieke omstandigheden hiertoe noodzaakt (hierna: «anderstaligekinderopvang»). Deze omstandigheden bepalen welke taal mede wordtaangeboden naast Nederlands. Het gaat in de meeste gevallen om deEngelse taal, bij kinderopvangorganisaties die kinderen van expatsopvangen. Vaak hebben zij ook een doorgaande leerlijn met een interna-tionale school. Daarnaast kan het bij dit lid bijvoorbeeld gaan omOekraïense kinderen.In mijn Kamerbrief van februari 20235 heb ik aangegeven dat ik ookvoorwaarden wil stellen aan anderstalige kinderopvang. Dezevoorwaarden aan het pedagogisch beleidsplan en de taalbeheersingzullen vergelijkbaar zijn met die van meertalige kinderopvang. Ik werkdaartoe nadere voorwaarden uit zoals toegezegd in de Kamerbrief. En zaluw Kamer eind dit jaar informeren over de stand van zaken. Na depublicatie van de nadere voorwaarden zal de sector voldoende tijdmoeten krijgen om aan die eisen te voldoen. Deze nadere voorwaardenzullen daarom niet direct in werking kunnen treden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tot slot hoe lang deuitzondering geldt voor de groep die door persoonlijke omstandighedennog niet aan de taaleis voldoet en hoe dit er in de praktijk uit ziet.4Kamerstukken II 2022/2023, 31 322, nr. 467.5Kamerstukken II 2022/2023, 31 322, nr. 483.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5326 Ik wil de aanbeveling van Significant Public volgen om een uitzondering temaken voor beroepskrachten die in de tweede helft van 2024 langdurigafwezig zijn geweest. Dit kan bijvoorbeeld zijn door ziekte of (zwanger-schaps)verlof. Ik ben voornemens om iedereen die in de tweede helft van2024 acht weken of langer afwezig is geweest, zes maanden langer de tijdte geven om aan de taaleis te voldoen. Die zes maanden worden gerekendvanaf 1 januari 2025 of, indien dat later is, vanaf de datum van werkher-vatting.De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over wat de uitzon-dering van de taaleis voor pedagogisch professionals in de buiten-schoolse opvang (bso) betekent voor de taalontwikkeling van kinderen.Het belang van de taalontwikkeling van kinderen staat voor mij buiten kijf.Dat is ook waarom we de taaleis invoeren en waarom ik hecht aan hetbehoud van de taaleis voor alle medewerkers in de dagopvang. Diekinderen gaan immers nog niet naar school en voor hen is een rijketaalomgeving op de kinderopvang een belangrijke aanvulling op alle taaldie zij thuis meekrijgen. Tegelijkertijd concludeer ik dat de huidigetekorten vragen om behoud van goede medewerkers en het veiligstellenvan nieuwe aanwas voor de sector. Daarom heb ik gezocht naar aanpas-singen die een rijk taalaanbod in de dagopvang waarborgen en dieeveneens op verantwoorde wijze ruimte bieden aan de sector.Kinderen in de buitenschoolse opvang krijgen op school al Nederlandsvan een beroepskracht die Nederlands op 3F-niveau beheerst. Huntaalontwikkeling blijft dus gestimuleerd worden. Daarnaast zal een deelvan de beroepskrachten in de bso toch aan de taaleis voldoen, bijvoor-beeld omdat zij ook in de dagopvang willen werken of omdat zij met hunopleiding al voldoen aan de taaleis. Ik verwacht daarom niet dat detaalontwikkeling van kinderen achteruit zal gaan indien niet alle beroeps-krachten in de bso voldoen aan taalniveau 3F. Voor hen geldt bovendienwel de verplichting om de Nederlandse taal op het niveau te beheersendat gebruikelijk is voor mbo-niveau 3. Dat is taalniveau 2F.De leden van de VVD-fractie vragen of, indien wenselijk en mogelijk, ervoor 60-plusserers wellicht een laagdrempelige methode is om de taaleiste halen dan wel om de taaleis te toetsen. Zou deze ontheffing eventueeltijdelijk geregeld kunnen worden?De regelgeving schrijft niet voor op welke wijze beroepskrachten huntaalniveau moeten aantonen. Dit kan op verschillende manieren. Ikmoedig van harte aan een zo laagdrempelig mogelijke methode te kiezen.Ik zet mij er ook voor in de bestaande mogelijkheden hiervoor zo goedmogelijk onder de aandacht te brengen. Van belang is dat onafhankelijkwordt vastgesteld dat de betreffende medewerker taalniveau 3F Neder-lands beheerst voor de drie mondelinge deelvaardigheden (spreken,gesprekken voeren en luisteren).De leden van de VVD-fractie vrezen dat de taalvaardigheid van kinderenverder onder druk komt te staan. De leden vragen of de Minister kanonderbouwen waarom de versoepeling nu voor onbepaalde tijd geregeldis.Voor de dagopvang zal enkel een tijdelijke uitzondering op de taaleisgelden. De bso heeft een ander karakter dan de dagopvang en ook dan debasisschool. Daarom ben ik van mening dat de versoepeling daarmogelijk is om ruimte te bieden aan de praktijk, zonder dat dit groteconsequenties heeft voor de taalontwikkeling van kinderen. Zie ook mijnreactie op de voorgaande vragen van de VVD-fractie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5327 Uitzonderingen gastouderopvang van WarenwetDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en van de SGP-fractiehebben vragen gesteld over de uitzonderingen voor gastouderopvang vande Warenwetregelgeving.Deze vragen beantwoord ik mede namens de Minister voor MedischeZorg. Vanwege de benodigde interdepartementale afstemming volgt dezebeantwoording later.Wijziging werkwijze nadere regels kwalificatie EHBO in dekinderopvangDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of is overwogen omeen andere instantie de lijst met aangewezen EHBO-certificaten te latenbepalen.Er zijn diverse alternatieven overwogen. Er is gezocht naar andereonafhankelijke en deskundige partijen die dit kunnen doen. Eén oplos-singsrichting is accreditatie van certificerende instanties door de Raadvoor Accreditatie. De kosten en het accreditatieproces waar certificerendeinstanties dan mee te maken krijgen, maken dit echter een relatief zwaarmiddel. Het alternatief waar ik voor gekozen heb (eindtermen in regelingopnemen en laten vervallen lijst aangewezen certificaten) heeft dezenadelen niet, terwijl het wel zorgt voor meer duidelijkheid over welkevaardigheden een cursist moet beheersen.De leden van de NSC-fractie vragen naar de gevolgen van hetvoornemen om eindtermen EHBO in de Regeling Wet kinderopvang op tenemen.Met het opnemen van eindtermen is voor alle betrokkenen duidelijk welkeconcrete vaardigheden een pedagogisch medewerker of gastouder moetbeheersen om een certificaat voor EHBO bij kinderen te kunnen behalen.Nu staat in de Regeling Wet kinderopvang slechts een algemeneomschrijving waaraan men moet voldoen om adequate eerste hulp tekunnen bieden en daarnaast enkele eisen waaraan de certificerendeinstantie moet voldoen.De leden van de NSC-fractie vragen ook in hoeverre met de wijziging decontrole op de kwaliteit van de EHBO wordt geborgd. Verder vragen deleden van de NSC-fractie in hoeverre de GGD nog kan toetsen of hetEHBO-diploma gebaseerd is op een daadwerkelijke competentietoets.De huidige werkwijze straalt uit dat er vanuit de overheid controle is op dekwaliteit van een certificaat, terwijl dat niet zo is. Er vindt nu namelijkenkel een documentencheck plaats en geen praktijkonderzoek. In denieuwe werkwijze sturen we door eindtermen op te nemen in deregelgeving op het resultaat, namelijk pedagogisch medewerkers metjuiste EHBO-vaardigheden. Er is in het nieuwe systeem vanuit de overheidook geen controle op de kwaliteit van een certificaat. Dit is vergelijkbaarmet andere sectoren waarin een EHBO certificaat verplicht is.Ik voer momenteel gesprekken over het toezicht op de eindtermen. In dehuidige situatie toetst de GGD niet het examen dat is afgenomen voor hetbehalen van een certificaat. Dat zal in de nieuwe situatie waarschijnlijk ookniet gebeuren. Maar ik maak in de regelgeving wel duidelijker welkeeindtermen (en daarmee competenties) cursisten moeten behalen. Ik legde voorstellen nog voor aan de VNG en GGD GHOR Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5328 Overige vragenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en van de VVD-fractievragen wanneer de Tweede Kamer het wetsvoorstel voor het registrerenvan incidenten kan verwachten.Het streven is om de internetconsultatie van het wetsvoorstel voor dezomer te laten plaatsvinden.De leden van de VVD-fractie vragen of de tijdelijke maatregel ruimereinzet beroepskrachten geëvalueerd is, en zo niet of deze nog geëvalueerdzal worden en wat er met de lessen uit de evaluatie gebeurt of zalgebeuren.De maatregel is geëvalueerd. Het Expertisecentrum Kinderopvang heefteen onderzoek uitgevoerd onder houders en beroepskrachten naar degevolgen van deze maatregel voor de werkdruk en de pedagogischekwaliteit. Daarnaast heeft het Fonds Collectieve Belangen een onderzoekuitgevoerd naar de kandidatenreis in de kinderopvang. Daarin is aankandidaten onder meer naar de (gevolgen van) de mate van verantwoor-delijkheid op hun werk gevraagd.De lessen uit de evaluatie zijn betrokken bij deze verlenging. Door deverlenging van twee jaar behouden houders de ruimte in de formatie diezij volgens de evaluatie graag willen behouden. In de evaluatie kwam ooknaar voren dat zorgvuldige afweging en begeleiding bij de eventueleformatieve inzet van een beroepskracht in opleiding belangrijk zijn. Ikvraag daar bij deze verlenging extra aandacht voor door een nieuwevoorwaarde te stellen. Die voorwaarde houdt in dat er een begelei-dingsplan moet liggen waarmee de beroepskracht in opleiding, depraktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider hebben ingestemd.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de handhaving van hetvierogenprincipe plaatsvindt en hoe voorkomen wordt dat het vierogen-principe (tijdelijk) wordt losgelaten.Net als de leden van de SGP-fractie vind ik het vierogenprincipe belangrijkvoor de veiligheid van kinderen. Ik ben niet voornemens deze eis los telaten. Het vierogenprincipe houdt het volgende in. In de dagopvang moetde houder van het kindercentrum in het veiligheids- en gezondheidsbeleidbeschrijven hoe hij de dagopvang zodanig organiseert dat een beroeps-kracht de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien ofgehoord kan worden door een andere volwassene. Het veiligheids- engezondheidsbeleid is één van de kwaliteitseisen waar de GGD toezicht ophoudt en de gemeente op handhaaft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 322, nr. 5329
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.