Voortgang Nationaal Programma Vitale Regio's
Brontekst
Versie cf8c3b02de1c3b2d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 697Gebiedsgerichte economische perspectieven enRegionaal Economisch BeleidNr. 179 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 30 januari 2026Eerder hebben uw Kamer en het kabinet de conclusies van het rapport«Elke regio telt» omarmd.1 In december 2024 is met het NationaalProgramma Vitale Regio’s (NPVR) en elf betrokken regio’s invullinggegeven aan de aanbeveling om regionale agenda’s op te stellen en benuthet rijk signalen uit verschillende gebiedsgerichte aanpakken om debeleids- en investeringslogica door te ontwikkelen.2Zoals ook benadrukt tijdens het debat op 2 oktober jl. is het voor dezeregio’s essentieel dat de inzet en samenwerking binnen het NPVR wordtvoortgezet om ervoor te zorgen dat al onze inwoners gelijkwaardigekansen hebben, ongeacht waar iemand is geboren en woont. De regio’sverschillen zodanig van elkaar dat gebiedsgerichte samenwerking cruciaalis. Dit vraagt om passende inzet van rijk en regio, anders kunnen deopgaven in deze regio’s niet effectief worden aangepakt en dreigt deervaren grote afstand tussen de Rijksoverheid en regio’s aan de randenvan Nederland verder op te lopen.Deze elf regio’s kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan grotemaatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat. Er is ruimte om teversnellen op het gebied van woningbouw, de energietransitie, deeconomische versterking en de weerbaarheid van ons land. De grens-ligging van het merendeel van deze regio’s is een kans om de samen-werking met buurlanden te verstevigen. Tegelijkertijd kennen de regio’sook een stapeling van opgaven die vragen om een gerichte impuls. Zo iser onder meer een mismatch op de woningmarkt, gezondheidsachter-standen en (energie)armoede. Door dubbele vergrijzing en ontgroening isde druk op de arbeidsmarkt hoog en neemt de beschikbaarheid enbereikbaarheid van publieke en private voorzieningen af. In deze brief1Kamerstuk 29 697, nr. 114 en Commissiedebat op 25 oktober 2023 (Kamerstuk 29 697, nr. 140).2Kamerstuk 29 697, nr. 158 kst-29697-179ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1791 worden een aantal urgente opgaven verder toegelicht waar het rijk en deregio’s de schouders onder moeten zetten – wetende dat er in deze regio’sook veel kracht aanwezig is.Uw Kamer vroeg mijn ambtsvoorganger om die reden in februari 2025 inkaart te brengen hoeveel geld er nodig is om de opgaven in deze regio’seffectief aan te kunnen pakken. Idealiter zou deze raming gebaseerd zijnop de plannen voor de regio en waar mogelijk reeds op uitvoerings-agenda’s. Deze zijn er echter nog niet. Daarop kom ik verder in deze briefterug. Om toch een eerste beeld te geven in antwoord op uw vraag heeftonderzoeksbureau Rebel, gebaseerd op bestaande studies, de drieNPVR-doelstellingen3 geoperationaliseerd en gekwantificeerd. Deuitkomst van het onderzoek levert een eerste indicatie op van circa€ 1 miljard per jaar4 aan benodigde middelen van overheden en privatepartijen. Het onderliggende onderzoek is als bijlage toegevoegd. Dit eerstebeeld is gebaseerd op eerdere onderzoeken en kentallen; deze eersteuitkomst is met aanzienlijke onzekerheid omgeven. Hieraan zullen we bijde verdere uitwerking van de raming aandacht aangeven als we deraming verfijnen op basis van de plannen voor de regio’s. Er kunnen danook nog thema’s worden toegevoegd.Het onderzoek liet ook zien dat opgaven tussen regio’s verschillen.Gedane aannames op basis van nationale kentallen moeten dus nogvertaald worden naar de regionale praktijk. Regionale verdieping op basisvan de plannen voor de regio’s in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s isdan ook noodzakelijk om de raming te kunnen vertalen naar effectievemaatregelen. Daarbij hoeft niet alles extra geld te kosten: ook in desamenwerking, met meer ruimte om eigen afwegingen te maken enkennisdeling, is winst te behalen bij het aanpakken van de regionaleopgaven.Voor deze investeringsopgave is op dit moment geen dekking voorzien.Uit politieke besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er voorde verschillende regio’s beschikbaar komen, al dan niet via herprioriteringbinnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het volgende kabinet enuw Kamer. Een volgende stap is om in aanloop naar de uitvoerings-agenda’s te bezien hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en privategeldstromen.LeeswijzerIn deze brief ga ik dieper in op de stand van zaken van het NPVR: ikbeschrijf eerst waar we staan in de samenwerking met de regio’s.Vervolgens beschrijf ik langs drie NPVR-doelstellingen de grootsteuitdagingen waar de regio’s en het rijk de komende jaren mee aan de slagmoeten. Dan volgt een korte toelichting op de inhoud van het onderzoeken het beeld dat daar uit volgt. Als derde ga ik in op de grensoverstij-gende samenwerking met buurlanden. Ten vierde sta ik stil bij kennis ende doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica. Ik sluit de briefaf met een vooruitblik op het komend jaar en de momenten waarop u alsKamer geïnformeerd wordt over de voortgang.3Het NPVR heeft drie overkoepelende doelstellingen: 1. Veilige en leefbare regio’s; 2. Eenduurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau; 3. Een gezonde en kansrijke toekomst voorinwoners in de regio’s.4De raming is gemaakt voor de komende tien jaar en bedraagt cumulatief 10,5 miljardTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1792 1. Stand van zaken samenwerking regio en rijk in het NPVR Er wordt hard gewerkt aan de totstandkoming van de plannen voor deregio. De eerste vier plannen voor de regio, van de regio’s Zuidoost-Fryslân, Noard-Fryslân, Twente en Zeeuws-Vlaanderen, worden begin2026 besproken tussen rijk en regio. Dit is gericht op het kunnen afgevenvan commitment vanuit het Rijk om op basis van het plan voor de regio,met de regio gezamenlijk toe te werken naar een regionale uitvoerings-agenda. In de bijlage van deze brief is een overzicht per regio met eenbeknopte weergave van de stand van zaken opgenomen.In het Kamerdebat van 2 oktober jl. werd gemaand tot een hoger tempo.Met de regio’s is afgesproken dat zij hun eigen tempo volgen, waardoorde plannen voor de regio’s niet allemaal op hetzelfde moment klaar zijn.Het tempo tussen de elf regio’s verschilt vanwege de wens om alleoverheidslagen, verschillende maatschappelijke partners en een brededelegatie van departementen te betrekken. Deze brede betrokkenheid isessentieel voor het draagvlak voor de plannen. Ook verschilt de matewaarin regio’s de samenwerking al georganiseerd hadden. Afhankelijkhiervan vraagt het tijd om de samenwerking te verstevigen en eenstabiele basis op te bouwen. Een derde reden is dat er in sommige regio’sverschillende programma’s tussen regio en rijk lopen, waaronder NOVEXen de Regio Deals.5 Deze programma’s hebben een andere focus maardragen zeker bij aan de doelstellingen van NPVR. Ze hebben echter welandere tijdspaden en aanpak. Dit betekent ook dat het werken aan deuitvoeringsagenda’s, waarin regio en rijk de inzet voor de komende vierjaar vastleggen, op verschillende momenten zal starten.Het betrekken van inwoners en specifiek jongeren is een belangrijkonderdeel van het NPVR. Het plan voor de regio gaat immers over huntoekomst. Iedere regio geeft daar op een eigen manier invulling aan, maaralle regio’s dragen er zorg voor dat jongeren worden betrokken bij hetopstellen van doelen en ambities voor de regio. Vanuit het rijk wordtblijvend aan regio’s gevraagd om jongeren te betrekken, waarbij ookaandacht is voor uitwisseling van ervaringen tussen de regio’s. Ook zaluitwisseling tussen de regio’s worden gestimuleerd over hoe jongeren hetbeste betrokken kunnen worden. Verder wordt vanuit mijn ministeriesamengewerkt met externe partners zoals de Nederlandse School voorOpenbaar Bestuur (NSOB) en Platform31 om kennis te ontwikkelen en tedelen over jongeren, waarbij de onderwerpen «betrekken van jongeren inparticipatieprocessen» en «behouden en aantrekken van jongeren voordeze regio’s» centraal staan. Hier zal tijdens de volgende voortgangsbriefnader op worden ingegaan. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aande motie van het lid Chakor.6 Zoals toegezegd aan het lid Chakor tijdenshet afgelopen debat op 2 oktober jl. is uitgevraagd of de regio’s behoeftehebben aan een inwonersregisseur. Regio’s hebben aangegeven op huneigen manier zorg te dragen voor de betrokkenheid van inwoners.Hierover is verdere informatie opgenomen in de bijlage bij deze brief.2. Opgaven van de regio’s Uit de samenwerking met de regio’s volgt een eerste, maar nietuitputtend, beeld van de belangrijkste opgaven. Hieruit blijkt dat de regio’sveel opgaven gemeen hebben, maar er zijn ook verschillen vanwegeregionale contexten. In de komende periode wordt deze inventarisatieverder verdiept en worden de opgaven en behoeften concreter naarmateer meer inzicht is in de plannen voor de regio’s. Dit leidt, naast inzicht in5In bijna alle regio’s loopt op dit moment een Regio Deal.6Kamerstuk 29 697, nr. 167Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1793 benodigde gebiedsgerichte interventies, ook tot inzicht in wat nodig is vande landelijke beleidslogica en systemen.Ik beschrijf hierna aan de hand van de drie doelstellingen van het NPVRde belangrijkste opgaven.Doelstelling 1: veilige en leefbare regio’sVeel regio’s hebben een verouderde woningvoorraad die niet aansluit bijhuidige woonwensen. Starters, ouderen en mensen met lagere inkomensvinden moeilijk betaalbare woningen. De opgave is vooral kwalitatief:herstructurering en transformatie zijn nodig om de leefkwaliteit in stedenen dorpen te verbeteren én om sociaal-maatschappelijke en sociaalecono-mische problemen aan te pakken.Het woningbestand bestaat grotendeels uit verouderde, grondgebondenwoningen met een laag energielabel in particulier bezit. Veel particuliereeigenaren hebben onvoldoende middelen voor onderhoud of verduur-zaming, wat leidt tot achterstallig onderhoud, energiearmoede en eenverslechterende leefomgeving. Door de lage bevolkingsdichtheid zijnduurzame oplossingen, zoals warmtenetten, vaak niet rendabel.Tegelijkertijd neemt door vergrijzing en ontgroening de druk op dewoningmarkt verder toe. Voor een toekomstbestendig vestigingsklimaat ishet daarom cruciaal om voldoende gezonde en energiezuinige woningente realiseren die aantrekkelijk zijn voor zowel huidige inwoners alsnieuwkomers. Daarbij moet rekening gehouden worden met een veiligeinrichting van de openbare ruimte, zodat de sociale cohesie versterktwordt en mensen zich veilig voelen in hun woonomgeving. Voldoendegeschikte en betaalbare woningen, passend bij de veranderendedemografische omstandigheden en de toekomstige werkgelegenheid zijnnodig. Het versterken van het regionaal economisch systeem draagt bijaan het behoud en aantrekken van inwoners en talent. Dit draagt ook bijaan het behoud van voorzieningen en de regionale arbeidsmarkt.De uitgestrektheid en de grensligging van deze gebieden brengen ookuitdagingen met zich mee rond veiligheid en handhaving, bijvoorbeeld ophet gebied van ondermijnende criminaliteit. De grote afstanden endunbevolkte gebieden maken effectief toezicht en snelle inzet complex.Daarnaast vergroot leegstand, welke in sommige gevallen wordtveroorzaakt door de landbouwtransitie, de kwetsbaarheid voor ondermij-nende criminaliteit. Ook is er vaak sprake van meer wantrouwen jegens deoverheid en andere instanties. De aanpak vraagt daarom om een integraleen grensoverschrijdende samenwerking.Veel van deze regio’s hebben een sterk landelijk karakter, met veelagrarische activiteit en natuur. Voor een langjarige houdbare aanpak is hetbelangrijk rekening te houden met de specifieke eigenschappen van hetlandelijk gebied en de volle breedte van de uitdagingen waar het landelijkgebied de komende decennia gesteld staat, waaronder het behoud enversterken van een toekomstbestendige landbouw en sociaaleconomischestructuren; en het versterken van de groene waarden van het landelijkgebied.De mate waarin de verschillende opgaven spelen, verschilt per regio. Rijken regio zullen in de aanpak de impact en kansen per gebied meenemen.Doelstelling 2: een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveauOntgroening, dubbele vergrijzing en lage bevolkingsdichtheid zetten decontinuïteit van zorg, onderwijs en openbaar vervoer onder druk, terwijldeze juist cruciaal zijn voor de aantrekkelijkheid van de regio. Voorzie-ningen zoals supermarkten en scholen vervullen in dunbevolkte gebiedeneen belangrijke sociale rol als ontmoetingsplaats. Ook hebben dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1794 voorzieningen vaak een dubbelrol: supermarkten als pakketpunt, scholenals multifunctionele accommodaties. De vormgeving van publiekemobiliteit is een cruciale factor om de bereikbaarheid van voorzieningente waarborgen.De aanwezigheid van vervolgonderwijs, mbo- en hbo-instellingen enverbindingen met universiteiten is essentieel om jong talent aan tetrekken. Wanneer jongeren voor onderwijs een regio verlaten en nietterugkeren, verergert de ontgroening en wordt het voor werkgeversmoeilijker om personeel te vinden. Ook is bereikbare en beschikbare zorgvan groot belang voor de leefbaarheid van deze gebieden, met namevanwege de toenemende vergrijzing.Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om meer dan woningen: ook deaanwezigheid en toekomstbestendigheid van voorzieningen, ontwikkel-kansen en een uitnodigende leefomgeving doen er toe. Het verbeterenvan verbindingen ten behoeve van het dagelijks leven en het werk isnoodzakelijk voor de kwaliteit van wonen en werken in deze regio’s. Ookdit draagt bij aan het behoud en aanwas van mensen en daarmee hetdraagvlak voor cruciale alledaagse voorzieningen. Het versterken van dezesamenhangende randvoorwaarden is van levensbelang om de regioeconomisch en sociaal vitaal te houden.Doelstelling 3: een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in deregio’sIn verschillende regio’s is sprake van een stapeling van sociaal-maatschappelijke en sociaaleconomische problemen die vaak generatieop generatie voortduren. Kwetsbare groepen met armoede- en gezond-heidsachterstanden concentreren zich in bepaalde wijken. Een deel vandeze inwoners is afkomstig uit grotere steden en is vanwege de aanwe-zigheid van nog betaalbare woningen naar deze delen van het landverhuisd. Deze instroom vergroot echter de druk op leefbaarheid,voorzieningen en de aantrekkelijkheid van wijken en dorpen.Economisch zijn veel regio’s kwetsbaar door hun relatief homogenestructuur. De lokale economie steunt vaak op enkele grote werkgevers enveel mkb’ers. Het vertrek of faillissement van deze dragers heeft directe eningrijpende gevolgen voor inwoners en werkgelegenheid. De arbeids-markt is bovendien krap, met grote tekorten in sectoren als zorg enonderwijs. Door de lage bevolkingsdichtheid is de doorwerking vanvergrijzing en ontgroening in deze regio’s groter dan gemiddeld. Degrensligging vormt een extra belemmering: diploma’s uit buurlandenworden niet altijd (tijdig) erkend, waardoor potentiële werknemers nietaltijd inzetbaar zijn.De zorg staat onder zware druk, terwijl juist in deze gebieden de behoeftegroot is door een ouder wordende bevolking en relatief veel inwoners metgezondheidsproblemen. Het tekort aan zorgpersoneel is structureel;ziekteverzuim is hoog en de werkdruk neemt toe. Veel regio’s kampen meteen huisartsentekort en soms is er nog maar één aanbieder voorthuiszorg, wat de continuïteit en kwaliteit van zorg kwetsbaar maakt. Ookgeografische factoren spelen een rol: grotere afstanden vergrotenreistijden voor zorgverleners, maar deze extra tijd wordt vaak nietvergoed, waardoor zorg moeilijker te organiseren is.Door de beperkte beschikbaarheid van formele zorg groeit de afhanke-lijkheid van mantelzorgers en vrijwilligers. Tegelijkertijd wordt vaninwoners verwacht dat zij meer gaan deelnemen aan de arbeidsmarktvanwege de krapte. Hierdoor komen sociale structuren zoals mienskip,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1795 naoberschap en samenredzaamheid onder druk te staan. Hoewel dezegemeenschappen traditioneel veerkrachtig zijn, kunnen zij de toenemendezorg- en ondersteuningstaken niet onbeperkt blijven opvangen wanneerprofessionele voorzieningen tekortschieten.3. Uitkomst van het onderzoek Uw Kamer heeft verzocht om de investeringsopgave voor deze regio’s inkaart te brengen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van september jl.wordt de investeringsopgave voor de elf regio’s via twee stappen in kaartgebracht.7 Omdat de plannen voor de regio nog volop in ontwikkelingzijn, is gestart met een onderzoek naar de investeringsopgave op basisvan de drie doelstellingen van het NPVR. Dit onderzoek is als bijlage metdeze Kamerbrief meegestuurd.De uitkomst van het onderzoek levert een eerste indicatie op van circa€ 1 miljard per jaar8 aan benodigde middelen van overheden en privatepartijen. Onderstaand is weergegeven welke onderdelen per doelstellingin het onderzoek zijn meegenomen en welk bedrag hiervoor is geraamd.•Voor doelstelling 1 (veilige en leefbare regio’s) is gekeken naarpublieke onrendabele toppen bij nieuwbouw, de herstructurering vanwinkelgebieden en niet-nieuwbouw gebonden investeringen inopenbare ruimte en veiligheid. De raming voor dit pakket aan opgavenbedraagt indicatief € 6,5 mld. aan benodigde publieke en privateinvesteringen voor de komende tien jaar en moet nog nader geconcre-tiseerd worden.9•Voor doelstelling 2 (een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau)is gekeken naar de bereikbaarheid van kernvoorzieningen binnen eenacceptabele reistijd. Enerzijds door naar de aanwezigheid vanvoorzieningen te kijken, anderzijds door investeringen in het openbaarvervoer (incl. investeringen in publieke vervoer). Ook is gekeken naarde capaciteit van deze voorzieningen in het licht van toekomstigedemografische ontwikkelingen. De raming voor de genoemde opgavencirca 2,7 mld. aan benodigde publieke en private investeringen voor dekomende tien jaar.•Voor de opgaven bij doelstelling 3 (een gezonde en kansrijke toekomstvoor inwoners in de regio’s) is gekeken naar indicatoren op een aantalthema’s, waaronder werk en inkomen, onderwijs en hulpverlening. Deraming is gebaseerd op inwoners van gemeenten die op meerdereindicatoren slecht scoren. De raming van deze opgaven bedraagt circa€ 1,3 mld. aan benodigde publieke en private investeringen voor dekomende tien jaar.Het onderzoek geeft een eerste beeld van de omvang, waar bij de verdereuitwerking de betrokkenheid van departementen aan rijkszijde ook verderuitgebreid zal worden om tot concrete maatregelen te komen. Devolgende stap is om in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s te bezienwelke maatregelen nodig zijn, wat de feitelijke investeringsbehoefte is perregio, hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en privategeldstromen en de baten van de investeringen die in deze raming niet zijnmeegenomen. Voor de geraamde bedragen geldt dan ook een aanzienlijkemate van onzekerheid. Ook is er nog geen dekking voorzien voor de7Kamerstuk 29 697, nr. 1738De raming is gemaakt voor de komende tien jaar en bedraagt cumulatief 10,5 miljard.9Een belangrijke kanttekening met betrekking tot «niet-nieuwbouw gevonden investeringen inopenbare ruimte en veiligheid» is dat de raming hiervan voor een belangrijk deel gebaseerd isop cijfers uit steden in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). DeNPLV-gebieden zijn niet één-op-één vergelijkbaar met de NPVR-regio’s. Dit maakt dat deindicatieve raming voor dit onderdeel op dit moment nog onvoldoende concreet is onder-bouwd en in het vervolgproces verder moet worden uitgewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1796 genoemde bedragen. Waar mogelijk is in de raming wel rekeninggehouden met reeds geoormerkte middelen, zoals de realisatiestimulans.Uit politieke besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er voorde verschillende regio’s beschikbaar komen al dan niet via herprioriteringbinnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het volgende kabinet enuw Kamer.4. Grensoverstijgende samenwerking met de buurlanden Een groot deel van de NPVR-regio’s ligt aan de grens. Samenwerking metbuurlanden is dan ook essentieel. Er wordt expliciet aandacht besteed aanhet wegnemen van grensbelemmeringen die kansen in de grensregiobelemmeren. Dit is voor inwoners van grensregio’s, ook buiten deNPVR-regio’s, van grote waarde voor de kwaliteit van leven, wonen enwerken.In 2024 is het Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen-Nederlandopgericht voor het testen van een nieuwe methode om grensbelemme-ringen tussen Nederland en Vlaanderen effectief aan te pakken. Via dewebsite10 wordt casuïstiek verzameld. Inmiddels worden 30 dossiersbehandeld over onder meer (vergoeding van) grensoverschrijdende zorgen belemmeringen bij de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit/ondermijning. Dit gebeurt in intensief contact met decentrale overhedenen onderwijsinstellingen in de Nederlands-Vlaamse grensregio.Met Nedersaksen zijn gesprekken gestart om de Samenwerkingsagendauit 2019 te herzien. Het doel is het actualiseren en bestendigen van deagenda op thema’s als arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg enmilieukwaliteit die aan beide zijden van de grens als relevant wordenervaren voor de samenwerking.Met Noordrijn-Westfalen zijn in 2025 de doelen uit de Grenslandconfe-rentie 2024 behaald, waaronder onderwijs in buurtaal, het inrichten vancontactpunten voor euregionaal onderwijs en de certificering vaneuregioprofielscholen en verhoogde financiering van GrensInfoPunten.Voor 2026 zijn nieuwe doelen gesteld, waaronder een werkagenda voorgrensoverschrijdend ambulancevervoer en BOA-bevoegdheden over degrens. Een ander belangrijk doel uit de nieuwe grenslandagenda isgrensdata, waarover meer in het volgende hoofdstuk.De BRIDGEforEU verordening roept lidstaten op tot grensoverschrijdendecoördinatiepunten om belemmeringen weg te nemen. De komendeperiode wordt met grensregio’s en buurlanden gesproken over depraktische invulling.Bij de aanpak van grensbelemmeringen is voorkomen beter dan genezen.De Grenseffectentoets is sinds 2021 in het Beleidskompas opgenomen alsverplichte kwaliteitseis bij de totstandkoming van nieuw beleid en nieuwewetgeving en brengt in beeld wat mogelijke grenseffecten zijn. Ook in deHandleiding Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden wordt verwezennaar de Grenseffectentoets. Uit een recente evaluatie11 van de Grenseffec-tentoets blijkt dat deze toets voortgezet en versterkt moet worden. Daarbijis het van belang goed te kijken naar de relatie tussen de Grenseffecten-toets en andere beleids- en wetgevingstoetsen. Aan de hand van deaanbevelingen uit de evaluatie zal in de komende periode worden gewerktaan het verder versterken van de Grenseffectentoets en de toepassingdaarvan.10www.schakelpunt.eu11Deze evaluatie wordt door het Ministerie van BZK en het Institute for Transnational andEuregional cross border cooperation and Mobility (ITEM) verricht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1797 5. Doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica enkennis Aan het begin van deze brief heb ik beschreven dat de elf regio’s meer eniets anders nodig hebben van de samenwerking tussen rijk en regio envan de inzet van het rijk. Het ontwikkelen van kennis en de doorontwik-keling ervan in de beleids- en investeringslogica van het rijk is daaromeen essentieel onderdeel van de aanpak. Dit komt niet alleen ten goedeaan deze elf regio’s; uiteindelijk profiteren alle regio’s van een aanpak vanhet rijk die beter inspeelt op regionale verschillen.Bij verschillende departementen worden stappen gezet om beleid beteraan te laten sluiten op regionale verschillen. Zowel in visievorming als hetontwikkelen van voorstellen voor concrete beleidsaanpassingen diebijdragen aan de doelstellingen van het NPVR. Hiermee draagt het rijk bijaan de kwaliteit van wonen, werken en leven in deze elf regio’s. Ik noemhiervan een aantal voorbeelden.De NPVR-regio’s in de Ontwerp-Nota RuimteDe Ontwerp-Nota Ruimte12 is de integrale visie van het Rijk op de fysiekeleefomgeving met bijbehorende ruimtelijke keuzes voor 2030 en 2050 meteen doorkijk naar 2100. Een deel van de keuzes in de Ontwerp-NotaRuimte heeft een relatie met het NPVR en de NPVR-regio’s. Een voorbeeldhiervan is de opgave van een gebalanceerde regionale ontwikkeling vanwonen, werken en voorzieningen. In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt ditgebiedsgericht uitgewerkt in de VISTA-strategie.13 De grote meerderheidvan de NPVR-regio’s ligt liggen voor een groot deel in gebieden die in deOntwerp-Nota Ruimte zijn benoemd tot gebieden voor versterken (van debestaande ruimtelijk-economische structuur) of initiëren (van eenschaalsprong in economie en verstedelijking).Een deel van de keuzes uit de VISTA-strategieën draagt ook bij aan deopgaven en ambities in het NPVR. Anderzijds dragen de NPVR-opgavenen ambities bij aan de realisatie van de VISTA-strategieën. Tegelijkertijdverschillen de aanpakken van de Ontwerp-Nota Ruimte en het NPVR welvan elkaar. Daar waar de Ontwerp-Nota Ruimte en de VISTA-strategie zichrichten op keuzes voor de fysieke leefomgeving, is de focus van het NPVRbreder en richt zich ook op maatregelen buiten de fysieke leefomgeving.Dit komt bij elkaar in de regio. Uiteraard wordt met de plannen voor deregio’s de verbinding gelegd tussen de regionale ambities en deuitwerking van de keuzes die worden gemaakt in de Ontwerp-NotaRuimte.Bijdragen aan regionaal-economische vitaliteit: Defensie in deNPVR-regio’sDefensie groeit de komende jaren en breidt haar opleidings-, oefen- entrainingscapaciteit in Nederland uit. Dit betekent niet alleen uitbreidingvan kazernes, opslagplaatsen, laagvlieggebieden en oefenterreinen, maarook een toename van personeel en investeringen in innovatie ensamenwerking met de maakindustrie. Bij de ruimtelijke plannen zoektDefensie koppelkansen met maatschappelijke opgaven en meervoudiggebruik van functies, en werkt zij deze samen met regionale partners enoverheden uit. Deze activiteiten versterken de regionaal-economische12Kamerstuk 29 435, nr. 26913Hierin worden vijf gebiedsgerichte strategieën onderscheiden die per regio invulling gevenaan de opgaven rondom woningbouw, werkgelegenheid en voorzieningen: versterken,initiëren, stimuleren, transformeren en accommoderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1798 vitaliteit en werkgelegenheid in diverse regio’s, waaronder die in de elfNPVR-regio’s. Dit betreft onder meer het maritieme cluster in de Kop vanNoord-Holland, en de samenwerking met VDL Born en Brightlands inLimburg.Een betere spreiding van rijkswerkgelegenheidHet kabinet heeft, in lijn met de wens van de Kamer, de ambitie omrijkswerkgelegenheid beter over het land te spreiden. Vanuit de coördine-rende verantwoordelijkheid van de Minister van BZK in het kabinet voorde rijksbrede aanpak, wordt periodiek de stand opgemaakt en hieroveraan uw Kamer gerapporteerd. Dit heb ik gedaan in de brief van19 september 2025.14 Uit het gepresenteerde overzicht van casussenwaaraan momenteel wordt gewerkt, blijkt dat het kabinet concretestappen zet naar een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid.Daaronder zijn casussen in regio’s die zijn opgenomen in het NPVR.In het kabinet zijn afspraken gemaakt waarmee de Minister van BZK eenadviserende rol heeft gekregen om Ministers te ondersteunen bij hettoewerken naar een betere spreiding van hun organisatie. Tegelijkertijdmoet er rekening worden gehouden met de grondwettelijke verhoudingendie bepalen dat iedere Minister verantwoordelijk is voor de eigenorganisatie. Als een nieuwe rijksdienst wordt opgericht of als eenbestaande rijksdienst groeit of andere huisvesting nodig heeft, ga ik ingesprek met mijn collega-bewindspersoon over een locatie die recht doetaan zowel de regio als de betreffende rijksdienst. Daar betrek ik deregioprofielen van provincies en regio’s bij. In de afgelopen periode heb ikmeerdere malen mijn adviesbevoegdheid ingezet om locatiekeuzes tebeïnvloeden. De afspraken in het kabinet zijn een breuk met hoe tot nu toelocatiekeuzes door Ministers werden gemaakt.Het tot stand brengen van passende huisvestingsoplossingen en hetdaarmee realiseren van een andere koers voor de rijkswerkgelegenheid iseen proces van langere adem. Internalisering van de rijksbrede aanpak encontinuering van de samenwerking met provincies en regio’s zijn daarbijvereist.Bereikbaarheid op Peil en publieke mobiliteitIn maart 2025 is het kabinetsstandpunt «Bereikbaarheid op Peil» naar deKamer gestuurd15, waarin de ambitie is beschreven om bereikbaarheidvan essentiële voorzieningen en banen centraler te stellen in beleid. Ingesprek met medeoverheden en maatschappelijke partijen is gebleken datuniforme nationale bereikbaarheidsdoelen niet wenselijk zijn. Daarom isgewerkt aan het bereikbaarheidspeil: een instrument om in heelNederland bereikbaarheid te kwantificeren, in beeld te brengen en temonitoren.In de tweede helft van 2025 is samen met decentrale overheden een planvan aanpak opgesteld voor regionale bereikbaarheidsanalyses, dat begindit jaar in de Bestuurlijk overleggen MIRT is vastgesteld. Per regio wordtvervolgens een bereikbaarheidsprofiel opgesteld met daarin de regionaleontwikkelstrategie. Zo wordt rekening gehouden met de diversiteit vanregio’s in plaats van generieke nationale doelen te stellen.14Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39015Kamerstuk 31 305, nr. 489Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 1799 Meer concreet worden stappen gezet ten aanzien van publieke mobiliteit.Publieke mobiliteit kan bijdragen aan de verbetering van de bereik-baarheid van voorzieningen en het terugdringen van vervoersarmoede.Dit is een belangrijk thema in de elf NPVR-regio’s. Met publieke mobiliteitbeogen we een integratie van openbaar vervoer en doelgroepenvervoerom te komen tot een effectiever, toegankelijker en inclusiever vervoers-systeem, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Publieke mobiliteit iseen effectief en vraagafhankelijk vervoerssysteem voor alle reizigers,waarbij slim gebruik gemaakt wordt van huidige vervoermiddelen encapaciteiten. Enkele regio’s zijn reeds betrokken, het voornemen is om deaanpak op te schalen naar alle NPVR-regio’s.Behoud van landelijk/regionaal dekkend opleidingsaanbodHet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) waarborgt,in samenwerking met onderwijsinstellingen, dat het onderwijsaanbodpassend, toegankelijk, van goede kwaliteit en arbeidsmarktrelevant is.Hierbij is extra aandacht voor regio’s waar demografische ontwikkelingenleiden tot dalende leerlingen- en studentenaantallen. Er wordt gekekenhoe een stabiele bekostiging kan worden gerealiseerd of waar – tijdelijk –aanvullende bekostiging nodig is. Ook bij de maatschappelijke rol die hetonderwijs vervult, zoals voor jongeren uit kansarmere doelgroepen, isuitdrukkelijk aandacht voor de regionale vertaling van landelijke doelstel-lingen, bijvoorbeeld in de werkagenda-mbo.Samen met medeoverheden wordt gewerkt aan het versterken van deculturele infrastructuur in heel Nederland. OCW doet onderzoek hoecultuuruitingen en -middelen op dit moment gespreid zijn. Daarbij wordtook gekeken naar praktische inzichten en handelingsperspectieven voortoekomstig beleid. Voor specifieke thema’s heeft OCW aandacht voor deregio, bijvoorbeeld door onderwijsregio’s te faciliteren in hun aanpak vanhet personeelstekort in het onderwijs of door bestaande en ontluikendesamenwerkingsinitiatieven in regionale ecosystemen op LLO-gebied testimuleren. Daarnaast werkt OCW op het gebied van wetenschapsbeleidook samen met en in de regio bijvoorbeeld binnen het Delta ClimateCenter in Zeeland, de AI-fabriek in Groningen16 en de voorbereidingenvoor de Einstein Telescope in Zuid-Limburg.ArbeidsmarktBij het realiseren van groene en digitale transitie, het versterken vanweerbaarheid en in sectoren als onderwijs en zorg is het niet kunnenvinden van geschikt personeel een groot probleem. Dit terwijl er ookmensen ongewild langs de kant staan of werk doen dat niet past bij huntalenten en mogelijkheden. Zij kunnen moeilijk de juiste ondersteuningvinden om aan het werk te komen en voor het aanleren van ontbrekendeskills om aan de slag te gaan. Ook in de elf regio’s is dit een grote opgave.De Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van EconomischeZaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werken daarom aanhet verbeteren van de arbeidsmarktinfrastructuur zodat de sociale opgave,de economische opgave en de ontwikkelopgave in samenhang wordenopgepakt. Per 1 januari 2027 wordt dit wettelijk geregeld. In elke van de35 arbeidsmarktregio’s worden Werkcentra geopend waar werkenden,werkzoekenden en werkgevers met hun vragen terechtkunnen. Vanuit eenbrede publiek-private samenwerking werken gemeenten, UWV, sociaalontwikkelbedrijven, vakbonden, werkgeversorganisaties, SBB enscholingsorganisaties aan urgente problemen in de regio en maken hier16Kamerstuk 26 643, nr. 1424Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 17910 afspraken over in meerjarenagenda. De Minister van SZW informeert heteerste kwartaal van 2026 uw Kamer over de voortgang.Kennisontwikkelingen en monitoringSamen met de betrokken departementen en de elf regio’s ontwikkelen weeen dashboard dat de ontwikkelingen over tijd zichtbaar maakt, zowel perregio als voor het programma als geheel. Het bevat zowel kwantitatieveindicatoren als kwalitatieve duiding en kan door regio’s zelf wordenaangevuld en gebruikt voor hun beleidsontwikkeling.Als rijk zetten we concrete stappen om elkaars informatie beter tebenutten. In het dashboard wordt bijvoorbeeld ook de bereikbaarheid vanvoorzieningen in beeld gebracht. Een onderdeel hiervan volgt uit desamenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat(IenW) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties(BZK) ten behoeve van de monitoring van het hiervoor genoemdeprogramma Bereikbaarheid op Peil. Op deze manier ontstaat beter inzichtin waarom opgaven zich in bepaalde regio’s anders manifesteren danelders en hoe gerichte oplossingen kunnen worden ontwikkeld. Dezespecifieke monitor komt landsdekkend beschikbaar en kan zodoende ookdoor andere gebiedsgerichte programma’s en regio’s gebruikt worden.BZK zet samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek in op hetduurzaam beschikbaar stellen van grensoverstijgende data overNederland, België, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen samen, om tevoorkomen dat dataverzameling stopt aan de landsgrens. Het doel van ditproject is om structureel 360-graden data over de grensregio beschikbaarte stellen voor beleidsmakers op nationaal, regionaal en lokaal niveau.17Vanzelfsprekend worden deze data onderdeel van het bovengenoemdedashboard.Tevens investeren we in gestructureerde reflectie tussen rijk en regio enbinnen het rijk. Zo ontstaat een duurzaam en gedeeld fundament voor hetaanpakken van maatschappelijke opgaven in alle delen van Nederland enverdiepen we de kennis over hoe beleid uitpakt in de praktijk. Dit doen wetussen de regio’s onderling, en tussen rijk en regio’s. Ook de rijksvertegen-woordigers en bestuurlijk trekkers ontmoeten elkaar jaarlijks en nemendeel aan gezamenlijke verdiepingssessies over regionale opgaven en derol van het rijk.Rural ReviewIn de vorige brief18 benoemde ik het belang van Rural Proofing, waarvoorik samen optrek met het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur (LVVN). Rural Proofing heeft als doel om te zorgen datbeleid aansluit bij de context en opgaven van het landelijke gebied. Metde Rural Policy Review zal uitwerking worden gegeven geschiktheid vanbeleid bij plattelandsgebieden conform motie van der Plas19 waarin hetkabinet wordt verzocht dit verder te onderzoeken. De Rural Policy Reviewis op woensdag 24 september van start gegaan met een startbijeenkomstmet stakeholders uit het landelijk gebied en mededepartementen.Momenteel vindt er een deskresearch plaats en de volgende stap zijngesprekken met regio’s. Het onderzoekstraject loopt tot begin 2027.17Deze data is open source beschikbaar op de website http://grensdata.eu en bevat de volgendethema’s: arbeid, economie, bedrijvendemografie, bevolking, grenspendel, onderwijs enwonen. De onderwerpen mobiliteit en voorzieningen worden voorzien in 2026.18Kamerstuk 29 697, nr. 17319Kamerstuk 36 410, nr. 121Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 17911 Tot slot en hoe we uw kamer informerenZoals aan het begin van de brief gezegd, is het van essentieel belang datde inzet en samenwerking binnen het NPVR wordt voortgezet, om ervoorte zorgen dat al onze inwoners gelijkwaardige kansen hebben, ongeachtwaar iemand geboren is en woont. Het is aan een volgend kabinet om eenafweging te maken over eventuele herbestemming van middelen en extrainvesteringen. Komend jaar zal worden doorgewerkt aan regionaleverdieping en concretisering van de opgaven om tot gedragen uitvoe-ringsagenda’s te komen.Uw Kamer zal eind 2026 weer worden geïnformeerd over de stand vanzaken van de uitvoeringsagenda’s, daaraan gekoppelde afspraken perregio en de doorvertaling in financiële behoeften per regio.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,F. RijkaartTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 697, nr. 17912
Gerelateerde bronnen
- De minister komt binnen een maand schriftelijk terug op de vraag van mw. Wijen-Nass over de regio’s die buiten het NPVR vallen.
De minister komt binnen een maand schriftelijk terug op de vraag van mw. Wijen-Nass over de regio’s die buiten het NPVR vallen.
- De minister komt in de voortgangsbrief van januari 2026 terug op het bekijken van een inwonersregisseur en waar er behoefte is aan de inzet van zo’n regisseur.
De minister komt in de voortgangsbrief van januari 2026 terug op het bekijken van een inwonersregisseur en waar er behoefte is aan de inzet van zo’n regisseur.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.