KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36800-VIII-146)

17 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e42b3f4d6efe9eb4 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 171 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 17 juni 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 15 april 2026 inzakede beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36 800 VIII,nr. 146).De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij briefvan 17 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,KoorevaarAdjunct-griffier van de commissie,Easton kst-36800-VIII-171ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1711 1Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren ingezet om de beheersing vanbasisvaardigheden op het mbo1 te versterken, hoe worden de voortgangen effectiviteit van deze inzet gemonitord en welke eventuele aanvullendemaatregelen kunnen worden overwogen om het mbo-basisvaardig-hedenniveau verder te verhogen?2Met de aanpak basisvaardigheden mbo is de afgelopen jaren stevigingezet op het verhogen van de onderwijskwaliteit van de basisvaardig-heden. De aanpak bestaat uit:•Het versterken van de kwaliteit van docenten basisvaardigheden: in dewet komen aanvullende eisen voor docenten basisvaardigheden.Hiervoor worden er aanvullende opleidingstrajecten ontwikkeld. Hetwetsvoorstel zal naar verwachting per 1 augustus 2027 in werkingtreden.•Het versterken van de kwaliteit van het taal-, reken- en burgerschaps-onderwijs: er komen nieuwe taaleisen en een passende examineringvoor het vak Nederlands. In het derde kwartaal van 2026 zullen wij uwKamer hier uitgebreider over informeren. De nieuwe rekeneisenworden in 2027 geëvalueerd. Ook komt er een hernieuwde inrichtingvan het burgerschapsonderwijs. Het wetsvoorstel dat dit regelt zal per1 augustus 2027 ingaan.•Het verbeteren van de monitoring van het beheersingsniveau van debasisvaardigheden van studenten: er worden peilingsonderzoekenontwikkeld voor rekenvaardigheid, leesvaardigheid en burgerschap. Deafname voor rekenen heeft inmiddels plaatsgevonden in het najaarvan 2025.•Mbo-instellingen hebben aanvullend geld ontvangen voor hetbijspijkeren van het taal- en rekenniveau van startende mbo-studenten.Vanaf studiejaar 2025/2026 tot en met studiejaar 2030/2031 is in totaal€ 147 miljoen beschikbaar gesteld aan mbo-instellingen.Een aantal jaar na inwerkingtreding van de maatregelen worden devoortgang en effectiviteit ervan geëvalueerd, te beginnen met rekenen, enwordt het beleid aangescherpt of bijgesteld indien hier aanleiding voor is.Ook de informatie uit de monitoring van de werkagenda geeft informatieover de bereikte resultaten.2In hoeverre houdt het mbo-basisvaardighedenniveau verband met hetopleidingsniveau en de didactische vaardigheden van mbo-docenten?Het niveau van basisvaardigheden van mbo-studenten hangt samen metmeerdere factoren. De kwaliteit van het onderwijs en de didactischevaardigheden van docenten spelen daarbij een belangrijke rol. Tegelij-kertijd hebben ook het instroomniveau van studenten, eerdere onderwijs-ervaringen en persoonlijke omstandigheden invloed op de ontwikkelingvan basisvaardigheden. Om de kwaliteit van het onderwijs in basisvaar-digheden verder te versterken, werken we aan aanvullende eisen voordocenten die onderwijs verzorgen in onder meer Nederlands en rekenenin het mbo. Het doel hiervan is dat studenten les krijgen van docenten metvoldoende vakinhoudelijke en didactische deskundigheid op het gebiedvan basisvaardigheden. Van mbo-instellingen wordt verwacht dat zijstructureel investeren in de kwaliteit en professionalisering van hundocententeams.31mbo: middelbaar beroepsonderwijs2Kamerstuk 31 293, nr. 855, p. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1712 Welke voorwaarden worden precies gesteld aan mbo-docenten en overwelke kwalificaties dienen mbo-docenten concreet te beschikken?De wet aanvullende eisen docenten basisvaardigheden gaat gelden voordocenten die les willen geven in een basisvaardigheid Nederlands,rekenen en/of burgerschap. Docenten met een pedagogisch-didactischgetuigschrift (pdg) of een diploma van een lerarenopleiding gericht opeen ander vak, worden verplicht een aanvullend opleidingstraject tevolgen voordat zij onderwijs mogen geven in een basisvaardigheid.Docenten met een passende lerarenopleiding, bijv. een lerarenopleidingNederlands, beschikken reeds over de juiste kennis en vaardigheden. Aanhen worden geen extra eisen gesteld. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Raadvan State. Wij streven ernaar het wetsvoorstel na de zomer met hetRvS-advies naar de Kamer te sturen. Doel is dat per 1 augustus 2027 dewet in werking treedt, waarbij rekening wordt gehouden met eenpassende overgangstermijn voor zittende docenten.4Waaruit bestaan precies de gerichte investeringen in lezen, schrijven enrekenen in het mbo-onderwijs?Voor het mbo is vanaf studiejaar 2025/2026 tot en met studiejaar2030/2031 in totaal € 147 miljoen beschikbaar gesteld aan mbo-instellingen. Met deze middelen kan extra onderwijspersoneel in dienstgenomen worden of worden behouden om startende mbo-studenten diemet onvoldoende basisvaardigheden instromen bij te spijkeren. Deverwachting is dat deze extra inzet bijdraagt aan het voorkomen vanonnodige studievertraging en uitval. Bovendien is goede beheersing vanbasisvaardigheden essentieel om goed mee te kunnen doen op dearbeidsmarkt en in onze maatschappij.5Hoeveel scholen zijn er in totaal als onvoldoende dan wel zeer zwakbeoordeeld, uitgesplitst naar regio en denominatie?Inspecteurs beoordeelden tijdens de steekproef kwaliteitsonderzoeken in2023–2024 en 2024–2025 scholen in de regio midden (Noord-Holland,Zuid-Holland, Flevoland en Utrecht), in de regio noord (Groningen,Friesland, Drenthe), in de regio oost (Overijssel, Gelderland) en in de regiozuid (Limburg, Noord-Brabant, Zeeland). In tabel 1 staat het aantal scholendat als onvoldoende of als zeer zwak werd beoordeeld naar regio. Deinspectie heeft alleen voor het primair onderwijs naar denominatiegekeken. De resultaten hiervan staan in tabel 2. Naast steekproefkwaliteitsonderzoeken vonden in dezelfde periode risico-kwaliteits-onderzoeken plaats die ook tot een onvoldoende of zeer zwak oordeelkunnen leiden. In de tabellen 3 en 4 staan de aantallen en percentagesonvoldoende of zeer zwak op basis van deze onderzoeken.Tabel 1 Uitkomsten steekproef kwaliteitsonderzoeken naar regioRegioOordeelPrimaironderwijsVoortgezetonderwijsAantal%Aantal onder-zochte scholenAantal%Aantal onder-zochte scholenMiddenOnvoldoende34162092919155Zeer zwak3121NoordOnvoldoende55104193555Zeer zwak3324OostOnvoldoende121210091849Zeer zwak4412ZuidOnvoldoende9910181171Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1713 RegioOordeelPrimaironderwijsVoortgezetonderwijsAantal%Aantal onder-zochte scholenAantal%Aantal onder-zochte scholenZeer zwak220– Tabel 2 Uitkomsten steekproef kwaliteitsonderzoeken in het primair onderwijs, naardenominatieDenominatieOordeelPrimair onderwijsAantal%Aantal onderzochtescholenOpenbaarOnvoldoende2414171Zeer zwak53Overig bijzonderOnvoldoende101567Zeer zwak23Protestants-christelijkOnvoldoende1514106Zeer zwak22Rooms-katholiekOnvoldoende118130Zeer zwak22 Tabel 3 Uitkomsten risico-kwaliteitsonderzoeken naar regioRegioOordeelPrimaironderwijsVoortgezetonderwijsAantal%Aantal onder-zochte scholenAantal%Aantal onder-zochte scholenMiddenOnvoldoende1164128310345231Zeer zwak48172410NoordOnvoldoende4545100184144Zeer zwak1616614OostOnvoldoende6644149376656Zeer zwak221547ZuidOnvoldoende5845130244455Zeer zwak161259 Tabel 4 Uitkomsten risico-kwaliteitsonderzoeken in het primair onderwijs, naardenominatieDenominatieOordeelPrimair onderwijsAantal%Aantal onderzochtescholenOpenbaarOnvoldoende11845264Zeer zwak4316Overig bijzonderOnvoldoende6042142Zeer zwak2820Protestants-christelijkOnvoldoende5244118Zeer zwak1311Rooms-katholiekOnvoldoende5640140Zeer zwak1813 6Hoeveel scholen zijn er onvoldoende dan wel zeer zwak beoordeeld dievorig jaar een soortgelijke beoordeling hadden?In schooljaar 2024–2025 kregen 32 scholen voor primair onderwijs eenherstelonderzoek, omdat zij in 2023–2024 tijdens een steekproef kwaliteits-onderzoek onvoldoende of zeer zwak waren. Van deze 32 scholen kregen 8opnieuw het oordeel onvoldoende of zeer zwak. In het voortgezetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1714 onderwijs werden 41 scholen opnieuw onderzocht vanwege onvoldoendekwaliteit tijdens het steekproefonderzoek. 20 scholen kregen opnieuw eenonvoldoende eindoordeel.Naast steekproefonderzoeken vonden ook risico-kwaliteitsonderzoekenplaats. In schooljaar 2024–2025 kregen 85 scholen voor primair onderwijseen herstelonderzoek, omdat zij in 2023–2024 tijdens een risico-kwaliteitsonderzoek onvoldoende of zeer zwak waren. Van deze85 scholen kregen 43 opnieuw het oordeel onvoldoende of zeer zwak. Inhet voortgezet onderwijs werden 46 scholen opnieuw onderzochtvanwege onvoldoende kwaliteit tijdens een risico-kwaliteitsonderzoek. 16scholen kregen opnieuw een onvoldoende eindoordeel.7Wat is de gemiddelde duur van een herstelopdracht?Een gemiddelde hersteltermijn waarbinnen aan een herstelopdracht moetzijn voldaan is lastig te geven. Het gaat immers om maatwerk. Bij eeneerste wettelijke tekortkoming geeft de inspectie een hersteltermijn vanmaximaal 12 maanden. Het herstelonderzoek vindt bij het verstrijken vandie termijn plaats. In sommige situaties is de gegeven termijn (aanzienlijk)korter, bijvoorbeeld als er sprake is van acute risico’s die snel moeten enook kunnen worden weggenomen, bij herhaalde tekortkomingen, of alshet gaat om relatief eenvoudige zaken, bijvoorbeeld administratieveonvolkomenheden.8Hoeveel herstelopdrachten hadden specifiek betrekking op burgerschaps-onderwijs?Naar aanleiding van het steekproefonderzoek van 2023–2024 en2024–2025 kreeg 53% van de 506 basisonderwijs (bo)-scholen, 49% van de185 (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so)-scholen en 65% van de348 onderzochte voortgezet onderwijs (vo)-scholen een herstelopdrachtvoor burgerschap (SvhO, p. 63).9In welke type mbo-opleidingen komt het oordeel onvoldoende of zeerzwak het vaakst voor?Dit heeft de inspectie niet onderzocht. De steekproef van opleidingen isniet volledig, waardoor een uitsplitsing naar type mbo-opleiding geenrepresentatief beeld geeft.10Welk kwaliteitsniveau op mbo’s ambieert u, welke maatregelen wordengenomen om de kwaliteitszorg op mbo’s te versterken, hoe beoordeelt uin algemene zin de verbeterplannen van mbo’s en welke gerichteverbeteractiviteiten ondersteunt u vanuit het departement?Van mbo-instellingen verwachten we dat ze onderwijs bieden datstudenten optimaal voorbereidt op deelname aan de samenleving, dearbeidsmarkt en een eventuele vervolgopleiding. Studenten kunnen nahet voltooien van een mbo-opleiding volwaardig meedoen in demaatschappij en daar een duurzame positie innemen. Dit is een gezamen-lijke verantwoordelijkheid van onder andere de overheid, onderwijsbe-sturen en docenten. Als overheid stellen we hiervoor kaders om eenminimale basiskwaliteit te kunnen borgen. Daarnaast stimuleren enfaciliteren we kwaliteit door middel van bijvoorbeeld de Werkagenda mboen het Stagepact. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op debasiskwaliteit en stimuleert daarnaast het ambitieniveau van instellingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1715 In de Staat van het Onderwijs 2026 constateert de Inspectie van hetOnderwijs dat nog niet elke opleiding voldoet aan de kaders voorkwaliteitszorg. De inspectie heeft op basis hiervan herstelopdrachtengegeven aan opleidingen. Mbo-opleidingen verbeteren zich aan de handvan herstelplannen voldoende (84% voldoet na de gestelde termijn).Opleidingen lijken hiermee verantwoordelijkheid te nemen voor het oporde brengen van de kwaliteitszorg. Tegelijkertijd is het van belang dat dekwaliteitszorg bij elke opleiding voldoende is. Daarom ondersteunen wezowel inhoudelijk als financieel het Kwaliteitsnetwerk mbo. Dit netwerkvan en voor mbo-instellingen werkt stelselmatig aan de verbetering vande kwaliteitszorg. Met het zogeheten Referentiewaardenmodel is eenuniforme kwaliteitszorgsystematiek in de sector geïntroduceerd.Momenteel is de sector hard aan het werk om zich deze systematiek eigente maken en te integreren in de bestaande kwaliteitscycli. We hebben ervertrouwen in dat dit een impuls gaat geven aan de kwaliteitszorg opzowel instellingsniveau als opleidingsniveau.11Uit steekproefonderzoek blijkt dat 18 procent van de scholen in hetfunderend onderwijs (po3, vo4 en (v)so5) en 29 procent van de vmbo b-/k-afdelingen als onvoldoende of zeer zwak wordt beoordeeld; zijn erregionale verschillen zichtbaar in de beoordeling van scholen in hetsteekproefonderzoek?De inspectie heeft voor het primair onderwijs (po) verkend of er regionaleverschillen zijn in de kwaliteit van scholen. Uit deze analyse komen geensignificante verschillen tussen regio’s naar voren.12Op welk onderdeel scoren veel scholen in het voortgezet onderwijsonvoldoende, gezien het feit dat kwaliteitszorg een hardnekkig zwak puntblijkt en 20 tot 32 procent van de scholen in het voortgezet onderwijs eenonvoldoende krijgen op de kwaliteitszorgstandaarden?Uit het steekproefonderzoek van 2023–2024 en 2024–2025 blijkt datvo-scholen relatief vaak het oordeel onvoldoende krijgen voor de driekwaliteitszorgstandaarden (en daarbinnen het vaakst voor de standaard«Evaluatie, verantwoording en dialoog» (32%)). Het tekortschieten van deevaluatie is veelal doorslaggevend voor het oordeel Onvoldoende. Na dekwaliteitszorgstandaarden beoordeelt de inspectie in het vo de standaardPedagogisch-didactisch handelen het vaakst als Onvoldoende (16%).13Bij herstelonderzoeken in het funderend onderwijs blijkt dat een derde vande scholen er na een jaar nog steeds niet in slaagt om de basiskwaliteit tebereiken; hoe succesvol zijn hersteltrajecten in het funderend onderwijsvolgens deze cijfers?Hersteltrajecten in het funderend onderwijs (fo) zijn, gelet op degenoemde cijfers, in twee van de drie gevallen binnen de afgesprokentermijn (meestal een jaar) succesvol. Het aandeel scholen dat de basis-kwaliteit niet binnen een jaar bereikt is hoog en stijgt. In die situaties vergthet hersteltraject meer tijd. Als een school er niet in slaagt om binnen eenjaar tot herstel te komen, kan de inspectie haar toezicht aanscherpen eneen financiële sanctie opleggen.3po: primair onderwijs4vo: voortgezet onderwijs5(v)so: (voortgezet) speciaal onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1716 14Hoe vaak zorgde een onvoldoende kwaliteitszorgstandaard voor eenonvoldoende dan wel zeer zwakke beoordeling van een school?Kwaliteitszorgstandaarden spelen een rol in de beslisregels over heteindoordeel in gevallen waarin de leerresultaten niet te beoordelen zijn. Inhet steekproefonderzoek van 2023–2024 en 2024–2025 werden 4 scholenvoor primair onderwijs en 2 afdelingen in het voortgezet onderwijswaarvan de leerresultaten niet beoordeeld konden worden, als onvol-doende beoordeeld omdat de kwaliteitszorgstandaard Visie, ambities endoelen onvoldoende was. Daarnaast werden 5 scholen voor primaironderwijs en 5 afdelingen in het voortgezet onderwijs als zeer zwakbeoordeeld omdat de leerresultaten niet beoordeeld konden worden, dekwaliteitszorgstandaard Visie, ambities en doelen onvoldoende was enminimaal nog één andere beslisstandaard ook onvoldoende was.15Slechts 70 procent van de leraren in het primair onderwijs heeft decomplexe differentiatievaardigheden onder de knie; welke factorenkunnen verklaren dat niet alle leraren deze vaardigheden onder de kniehebben?Er spelen verschillende factoren een rol waardoor leraren de complexedifferentiatievaardigheden niet altijd onder de knie hebben of niet genoegtijd hebben om deze actief toe te passen en zich hierin te ontwikkelen. Ditis een vaardigheid die vooral in de eerste fase van het beroep in depraktijk moet worden geleerd; beginnende leraren moeten hierin nogstappen zetten. Daarom wordt er gewerkt aan verschillende aspecten,zoals het scherper formuleren wat van leraren direct na de opleiding kanworden verwacht en wat daarna moet worden geleerd. Daaropaansluitend worden duidelijke ontwikkelpaden geformuleerd, waaronderdoorgroeien naar vakbekwaamheid, die richting moeten geven aan teontwikkelen professionaliseringsactiviteiten. Binnen scholen is hetdaarnaast belangrijk om samen aan expertise, vaardigheden en kwaliteitte werken met het hele team. Door gebruik te maken van expertrollen enkennisdeling kunnen leraren elkaar ondersteunen en samen werken aanbeter onderwijs voor alle leerlingen.16Welke wettelijke vereisten blijken het vaakst niet te worden gehaald danwel nageleefd in het burgerschapsonderwijs?De eisen waaraan scholen het vaakst niet voldoen zijn de eisen voor dedoelgerichtheid en samenhang van het in de praktijk gerealiseerdeaanbod van het burgerschapsonderwijs en de aansluiting van datonderwijs bij de kenmerken van de leerlingenpopulatie (SvhO, p. 63).17In het mbo worden 40 procent van de onderzochte opleidingen alsonvoldoende of zeer zwak beoordeeld, waarbij onvoldoende studiesucceshet meest doorslaggevend is; welke factor speelt volgens deze bevindingde grootste rol bij de negatieve beoordeling van mbo-opleidingen?Bij de negatieve beoordeling van mbo-opleidingen speelt een onvol-doende voor de standaard Studiesucces de grootste rol. Een onvoldoendeop deze standaard betekent dat te veel studenten de opleiding zonderdiploma verlaten. De inspectie beoordeelt de standaard Studiesucces bijde mbo-niveaus 2, 3 en 4 aan de hand van 3 indicatoren. Voor dezeindicatoren geldt per niveau een absolute norm, variërend van 61% tot82% (gediplomeerden of nog aan de opleiding studerenden). De inspectieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1717 heeft niet onderzocht wat de onderliggende factoren zijn voor het groteaantal onvoldoendes op de standaard Studiesucces.De inspectie spreekt overigens niet zonder meer het oordeel onvoldoendeover de opleiding uit, als alleen de onderwijsresultaten onder de normzijn. De inspectie gaat dan na welk beeld de instelling zelf heeft van deonderwijskwaliteit, om welke redenen studenten zijn uitgevallen, welkeaspecten daarvan beïnvloedbaar zijn, welke maatregelen de opleidingheeft getroffen ter vermindering van de uitval en verbetering van dekwaliteit en hoe hierop gestuurd wordt.18Het percentage havo-afdelingen met onvoldoende berekende resultaten isspectaculair gestegen van 4 procent in 2024 naar 21 procent in 2025;hoeveel havo-afdelingen zijn in 2025 opnieuw beoordeeld en hoeveeldaarvan zijn verbeterd?In principe berekent de inspectie elk jaar voor iedere afdeling opnieuw deonderwijsresultaten, tenzij dit door fusies of om andere redenen nietmogelijk is. In 2024 hadden 23 havo-afdelingen op basis van dezeberekening, die uitgaat van een driejaarsgemiddelde, onvoldoenderesultaten. In 2025 kon daarvan voor 21 afdelingen opnieuw eenberekening worden gemaakt. Op basis van deze berekening hadden3 afdelingen voldoende resultaten. Vanwege het werken met eendriejaarsgemiddelde kan het nog enige tijd duren voordat de berekenderesultaten weer voldoende zijn, bij de berekening van de resultaten in2025 tellen immers de resultaten van de twee voorafgaande jaren nogmee. Een definitief oordeel volgt pas na een kwaliteitsonderzoek.19Wat zijn de gevolgen van het niet uitvoeren van de aangenomen motieErgin cs. uit 2024 over de herinvoering van de ministersplaatsen voorCaribische kandidaten op de onderwijs- en loopbaankansen vanscholieren in het Caribisch deel van het Koninkrijk?6Zoals de Kamer op 16 december jl. is geïnformeerd, wordt de motieErgin cs. (2024) samen met VWS uitgevoerd in de vorm van een bredereintegrale aanpak om de aansluiting te verbeteren tussen zorgopleidingenmet selectie in Europees Nederland en het Caribisch zorgveld. Hiermeezetten we in op het terugdringen van de tekorten aan zorgprofessionalsdaar, door verbetering van de instroom, doorstroom én uitstroom vanCaribische studenten. Daarnaast is het streven om via de Variawet voorHoger Onderwijs de toegankelijkheid van selectieprocedures voorCaribische aspirant-studenten te verbeteren, zodat ze op een gelijk-waardige manier daaraan kunnen deelnemen. Het kabinet is pas recentmet deze aanpak gestart, waardoor de gevolgen daarvan nog niet directzichtbaar zijn. De instroom van Caribische studenten en de integraleprogrammatische aanpak zal tussentijds gemonitord worden en over driejaar vindt er een evaluatie plaats.20Welke specifieke sectoren of regio’s lopen voor de periode 2026–2030 hetgrootste risico op financiële instabiliteit vanwege de verwachte daling vande rijksbijdragen voor alle onderwijssectoren door onder anderebezuinigingen van het vorige kabinet en dalende leerlingaantallenhierdoor?6Kamerstuk 31 288, nr. 1118.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1718 Het kabinet-Jetten heeft ervoor gekozen een deel van de bezuinigingenvan het kabinet-Schoof terug te draaien en daarnaast in het onderwijs teinvesteren. Op die manier worden de financiële randvoorwaarden voorgoed onderwijs verstevigd. Zoals aangegeven in reactie op eerdereKamervragen7 is het positieve saldo van investeringen en extensiveringenvan het kabinet-Jetten groter dan het negatieve saldo op deOCW-begroting van het kabinet-Schoof.Bij dalende leerlingaantallen dalen de rijksbijdragen. Scholen in primairen voortgezet onderwijs met dalende leerlingenaantallen die de toekomstvan de school beïnvloeden – bijvoorbeeld in de regio’s waar deIncidentele Middelen Leerlingendaling (IML) zijn ingezet – moeten zoveelmogelijk met elkaar samenwerken en/of fuseren. Dit is ook van belangvanwege de lerarentekorten. Het voornemen om de kleinescholentoeslagom te vormen naar een dunbevolktheidstoeslag kan hierbij helpen. In hetvo is er al aanvullende bekostiging voor geïsoleerde vestigingen om hetaanbod in de regio in stand te houden.In het vmbo combineren scholen bij dalende leerlingaantallen, steedsvaker leerwegen en leerjaren om het onderwijs organiseerbaar te houden.In december 2025 ontving de Tweede Kamer een eerste tussenstand vande verkenning naar de toekomstbestendigheid van het vmbo: er zijnverschillende experimenten gestart zijn en er loopt een verkenning naarde profielen in het vmbo. Eind 2026 wordt de Tweede Kamer opnieuwgeïnformeerd over de stand van zaken.Het mbo heeft een sterke regionale functie en werkt daarom in arbeids-marktregio’s. De volgende arbeidsmarktregio’s hebben te maken met eenforse daling van het aantal mbo-studenten, waardoor de toegankelijkheiden beschikbaarheid van het onderwijs daar onder druk komt te staan:Friesland, Groningen, Drenthe, Twente, Achterhoek, Noord-HollandNoord, Zeeland, Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het kabinet heeftdaarom circa € 30 miljoen per jaar beschikbaar gesteld van 2025 tot enmet 2028 om de ergste krimp in deze regio’s op te vangen. Daarnaastwerkt het kabinet aan een wijziging van de bekostiging waardoor dezeminder afhankelijk wordt van fluctuaties in de studentenaantallen. Debeoogde inwerkingtreding van de nieuwe bekostigingssystematiek in hetvervolgonderwijs is per 2029. Uw Kamer wordt hier voor de zomer naderover geïnformeerd.In het hbo en wo hebben instellingen een bovenregionale functie, daaromzijn deze cijfers op een hoger aggregatieniveau geanalyseerd. In beidesectoren zijn de verschillen in de ontwikkeling van de verwachte studen-tenaantallen voor de periode 2026–2030 tussen regio’s beperkt. In het hbois de daling in de regio’s Noord (– 3,8%), Oost (– 4,3%) en Zuid (– 4,1%)vrijwel gelijk, terwijl deze in de Randstad lager ligt (– 1,2%).In het wo is een vergelijkbaar patroon zichtbaar. Ook hier liggen de regio’sNoord (– 6,3%), Oost (– 6,1%) en Zuid (– 6,4%) zeer dicht bij elkaar, meteen beperktere daling in de Randstad (– 4,1%). Aandachtspunt hierbij isdat deze prognoses zijn gebaseerd op historische marktaandelen endemografische bevolkingsvoorspellingen, andere factoren zoals het effectvan (krimp)maatregelen vanuit het Rijk of de instellingen zijn hierin dusniet (volledig) meegenomen. Mede hierdoor sluiten deze prognoses nietaltijd aan bij de voorspellingen in bijvoorbeeld jaarverslagen van deonderwijsinstellingen zelf. Voor het hbo is in de periode 2022 tot 2026eenmalig in totaal € 90 miljoen beschikbaar gesteld voor sterk krimpenderegio’s, met als doel samen een toegankelijk en gevarieerd onderwijs-aanbod te behouden dat aansluit op de regionale arbeidsmarkt. Desalniet-7Aanhangsel Handelingen II 2025–2026, nr. 1432Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1719 temin is de demografische krimp een van de redenen voor het kabinet omook de toekomstvastheid van de financiering van het hbo en wo teonderzoeken en is een herziening van deze bekostigingssystematiekvoorzien. Hierover wordt uw Kamer daarom uiterlijk in het vierde kwartaalvan 2026 geïnformeerd.2193 procent van de bestuurders van samenwerkingsverbanden geeft aandat de wettelijke scheiding tussen onderwijs- en zorgmiddelen eenpassend aanbod voor leerlingen in de weg staat; welke mogelijkheden zijner om die wettelijke scheiding tussen onderwijs- en zorgmiddelen teverkleinen?Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel Maatwerk in het funderendonderwijs waarin samenwerkingsverbanden meer ruimte krijgen om eendeel van hun budget flexibel in te zetten. Daarnaast is in het wetsvoorstelReikwijdte van het Ministerie van VWS opgenomen dat scholen engemeenten, en samenwerkingsverbanden waar het cluster 3 en 4 in hetspeciaal onderwijs betreft, afspraken maken over goede samenwerkingtussen onderwijs en zorg.22In 2024–2025 beheerste een derde van de gediplomeerden het referentie-niveau 2F voor Nederlands feitelijk niet door de systematiek van cijferdif-ferentiatie in het mbo 2; welke structurele maatregelen kunnen wordengenomen om te borgen dat het percentage gediplomeerden op termijnhet referentieniveau 2F behaalt en welke tijdspanne heeft u gesteld omdeze doelstelling te verbeteren?Uit een evaluatie naar de huidige taalniveaus uit 2022 bleek dat deze nietpassend zijn voor de diverse mbo-niveaus en studentengroepen. Om diereden heeft een expertgroep beter passende taaleisen per mbo-niveaugeformuleerd. Dit betekent dat er voor mbo 2 en mbo 3 een eigen setpassende taaleisen is geformuleerd, waarmee cijferdifferentiatie voormbo 2 kan worden afgeschaft. Deze taaleisen voor mbo 2 en 3 zijn binnende bandbreedte van het huidige 2F niveau geformuleerd, waarmee hetgevraagde beheersingsniveau gelijk blijft. Wij zullen uw Kamer in hetderde kwartaal informeren over de beoogde tijdspanne voor de nieuwetaaleisen en bijpassende examinering.23Welke structurele maatregelen kunnen worden genomen om te borgendat de resultaten voor het centraal examen Nederlands op mbo 4-niveaustijgen, gezien het feit dat in 2024–2025 38 procent van de gediplo-meerden onvoldoende lees- en/of kijk- en luistervaardig was op niveau 3F,en welke tijdspanne heeft de u gesteld om deze doelstelling teverbeteren?Uit een eerdere evaluatie naar de taalniveaus bleek dat deze niet passendzijn voor het mbo, waarna onze ambtsvoorganger een expertgroep heeftingesteld voor advies. In de Kamerbrief van 19 mei 20258 is uw Kamergeïnformeerd over de adviezen van de expertgroep voor nieuwe passendetaaleisen en examinering voor het mbo. Er zijn taaleisen per mbo-niveaugeformuleerd die uitgaan van mbo-praktijksituaties voor werk,maatschappij en doorstroom. Deze worden op bruikbaarheid voormbo-docenten getoetst. Deze bruikbaarheidstoets zullen wij u Kamer nogvoor de zomer toesturen. Daarnaast wordt een voorstel uitgewerkt voor8Kamerstukken II 2024/2025, 31 524, nr. 657Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17110 examinering die passend en haalbaar is en de examenkwaliteit waarborgt.In het derde kwartaal informeren wij uw Kamer hierover.24Hoeveel leerlingen in po, vo, vso en mbo kunnen momenteel daadwer-kelijk gevolgd worden op de referentieniveaus taal en rekenen, uitgesplitstper onderwijssector?Aan het eind van het primair onderwijs is van alle leerlingen die doorgaannaar het voortgezet onderwijs bekend of ze de referentieniveaus taal enrekenen beheersen. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs volgende meeste scholen de beheersing van de referentieniveaus via toetsen uitleerlingvolgsystemen. Deze beheersing wordt echter niet centraalgeregistreerd. De centraal examens zijn weliswaar geijkt op de referentie-niveaus, maar de eindexamenniveaus zijn onvoldoende vergelijkbaar metde referentieniveaus (Staat van het Onderwijs, 2025). Hierdoor kunnen deprestaties van leerlingen op de referentieniveaus aan het eind van hetvoorgezet onderwijs niet goed gevolgd worden. Daardoor is niet bekendmet welke beheersingsniveaus zij het vervolgonderwijs binnenkomen. Ditis een gemis. Het voornemen is om dit bij de komende herziening van dereferentieniveaus op te lossen. SLO, CvTE en Stichting Cito zullen hier inhet najaar 2026 mee starten. De herziening van de referentieniveaus zalnaar verwachting in 2028 gereed zijn.25Op welke onderdelen wijken de huidige mbo-rekeneisen af van dereferentieniveaus rekenen?Uitgangspunt voor de nieuwe rekeneisen voor het mbo zijn de referentie-niveaus (2F en 3F) zoals vastgelegd in het Besluit ReferentieniveausNederlandse taal en rekenen. De resultaten van het rekenexamen moeteninzicht geven in het beheersingsniveau van mbo-studenten gebaseerd opde referentieniveaus. In hoeverre het rekenexamen gebaseerd is op dereferentieniveaus zal onderdeel zijn van de evaluatie van de rekeneisen in2027. Indien nodig volgt dan een bijstelling.26Welke rol spelen klassenomvang en lesmethodes in de uitkomst dat bijnaeen derde van de basisschoolleerlingen aan het einde van de basisschoolreferentieniveau 1F voor gespreksvaardigheid nog niet beheerst?Het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) heeft een overzichtgemaakt van nationale en internationale studies naar het verband tussenklassengrootte en de prestaties van leerlingen.9 Hieruit concludeert hetNKO dat het effect van klassenverkleining op leerlingprestaties positief is,maar dat het bewijs hiervoor niet heel sterk is. Leerlingprestaties zijnnamelijk van veel verschillende factoren afhankelijk. De concrete impactvan klassenomvang is dus niet bekend.Volgens het recente peilingsonderzoek van de Inspectie van het Onderwijsnaar de mondelinge taalvaardigheid van leerlingen uit groep 8 gebruiktbijna 90 procent van de scholen een taalmethode om aan mondelingetaalvaardigheid te werken.10 Op basis hiervan kunnen we concluderen datlesmethodes van invloed zijn op de resultaten van leerlingen. Volgens deInspectie ontbreken in methodes vaak expliciete, meetbare doelen voormondelinge taalvaardigheid en monitoren leraren de mondelinge9Van der Vegt, A. (2025). Kleine klassen: beter voor leerling en leraar (1e update). Onderwijsken-nis.nl (NRO). Geraadpleegd op [dag maand jaar], van www.onderwijskennis.nl/node/289410Inspectie van het Onderwijs. (2025). Peil.Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs,speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs 2023–2024. Inspectie van het Onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17111 taalvaardigheid van leerlingen niet consequent. Hierdoor hebben lerarengeen zicht op de ontwikkeling van de mondelinge taalvaardigheden vanleerlingen en kunnen zij niet tijdig ingrijpen.27Welke kortetermijnmaatregelen kunnen er worden genomen om basis-schoolleerlingen wel de doelstelling van het basisschoolreferentieniveau1F voor gespreksvaardigheid te laten behalen, gezien het feit dat bijna eenderde van de basisschoolleerlingen aan het einde van de basisschoolreferentieniveau 1F voor gespreksvaardigheid nog niet beheerst?Volgend schooljaar treden de nieuwe kerndoelen Nederlands in werking.Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ontwikkelt hier leerlijnen bij, dievanaf 2027 beschikbaar zijn. De kerndoelen en leerlijnen geven lerarenconcrete handvatten om doelgericht met mondelinge taalvaardigheid aande slag te gaan. Met heldere doelen kunnen leraren de ontwikkeling vande mondelinge taalvaardigheid van leerlingen beter volgen en hun lessenhierop inrichten. Ook sturen de kerndoelen erop aan dat taalvaardighedenin alle vakken aan de orde komen. Hiermee bieden de nieuwe kerndoelenvolop gelegenheid om gespreksvaardigheden te verbeteren. Deverwachting is dat dit binnen enkele schooljaren tot zichtbare verbete-ringen leidt.28Welke beleidskeuzes volgen uit de constatering dat een onvoldoende voorhet centraal examen wiskunde in het vmbo een sterke voorspeller vooreen gebrek aan succes in het eerste studiejaar van het mbo blijkt te zijn;wordt het niveau van het vmbo verhoogd, de begeleiding van het mbobereikt of beide?De inspectie constateert dat ongeveer 15% van de vmbo-leerlingen meteen onvoldoende voor het centraal examen (CE) wiskunde in 2021 zich naeen jaar niet meer op het mbo-niveau bevond waarop ze gestart waren.Hierbij moet opgemerkt worden dat het CE wiskunde in 2021 onderuitzonderlijke omstandigheden heeft plaatsgevonden, in verband met detoen geldende coronamaatregelen. Zo was er de «duimregeling» dieexamenkandidaten de mogelijkheid gaf om één onvoldoende cijfer weg testrepen, waardoor dat niet meetelde voor de diplomering. We weten opbasis van onderzoek dat er in 2021 een grote toename was aanvmbo-kandidaten met een lage score op het wiskunde-examen.11 Dezeexamenkandidaten konden immers ook slagen door een minimaleinspanning te leveren bij wiskunde. Een cohortanalyse van DUO toondevervolgens aan dat wanneer de studenten die met en zonder gebruik-making van de «duimregeling» waren ingestroomd in het vervolgon-derwijs vergeleken werden, opviel dat de eerstgenoemde groep vakeruitviel in het vervolgonderwijs.12 Deze resultaten toonden het belang aanom na 2022 te stoppen met de examenversoepelingen. Sinds hetexamenjaar 2023 zijn de exameneisen daarom weer teruggegaan naar hetniveau van voor de coronapandemie. Daarnaast wordt er momenteelgewerkt aan een herziening van het wiskundecurriculum in het vmbo,waarbij er wordt gekeken naar wat leerlingen moeten kennen en kunnenaan het einde van het vmbo. De inzet van deze herziening is dat alleleerlingen in de bovenbouw van het vmbo een vorm van wiskunde ofgecijferdheid volgen.2911Vaardigheid Examenkandidaten 2021, College voor Toetsen en Examens.12Kamerstukken II, 2022–2023, 36 200 VIII, nr. 226.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17112 Nederlandse vo-leerlingen in leerjaar 2 presteren onder het internationaalgemiddelde op het gebied van computer- en informatiegeletterdheid(niveau 1, waar niveau 2 het basisniveau is); welke extra middelen komener beschikbaar om te voorkomen dat een grote groep leerlingen digitaalachterblijft voordat de kerndoelen in 2027 wettelijk van kracht worden?Dit is een bekend probleem. Daarom is het zo belangrijk dat de kerndoelendigitale geletterdheid worden ingevoerd. Scholen hoeven ook zeker niet tewachten tot 2027 als zij voor hun leerlingen alvast met digitale gelet-terdheid aan de slag willen gaan. De kerndoelen liggen er immers en diebieden een mooie gelegenheid om digitale geletterdheid sterker teverwerken in het schoolcurriculum. Voor de implementatie van allekerndoelen is cumulatief € 50 miljoen gereserveerd voor de periode2026–2031. Hiermee worden scholen door o.a. OCW, raden, bonden envakverenigingen ondersteund in het toepassen van het nieuwe curriculumop school. Er is geen deel geoormerkt voor digitale geletterdheid.Uit hetzelfde onderzoek13 blijkt overigens ook dat schoolleiders het belanginzien van digitale geletterdheid en dat de meeste Nederlandse scholenbeschikken over voldoende voorzieningen, zoals laptops en internetver-binding. Nederland loopt hierin voorop vergeleken met veel anderelanden. Dat is een goede basis van waaruit scholen kunnen gaan werkenaan de nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid.30Hoe verhoudt de voorgestelde wetswijziging van de WHW14 zich tot deaanbevelingen uit het NRO Consortiumonderzoek «Onbedoelde effectenvan selectie op de diversiteit van de geneeskundestudenten-populatie ende kandidatenpool: Wat kunnen we eraan doen?»15 (NRO project40.5.18650.007)?In het voorstel voor de Variawet HO, zoals gepubliceerd in het kader vaninternetconsultatie, worden bachelor- en masteropleidingen verplicht omhun selectieprocedure te onderbouwen en rekening te houden metonbedoelde benadeling(bias) van bepaalde groepen studenten. Ditvoorstel16 sluit deels aan bij de aanbevelingen uit het aangehaalde NROproject. De onderzoekers bevelen namelijk aan om de voorlichting overselectieprocedures te verbeteren en om oog te houden voor kansenge-lijkheid bij het ontwerpen van selectieprocedures. Het voorstel behelst datopleidingen voortaan verplicht worden om te beargumenteren waarom zebepaalde selectiecriteria en selectie-instrumenten inzetten en hoeonbedoelde bias (vertekening) zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ookmoet deze onderbouwing gepubliceerd worden op de website. Zo wordthet voor aspirant-studenten niet alleen inzichtelijk hoe zij wordengeselecteerd, maar ook waarom de instelling hen op dergelijke wijzeselecteert. De fase van internetconsultatie is recent gesloten en suggestiesvoor verbetering worden betrokken in de verdere voorbereiding van hetwetsvoorstel.De onderzoekers bevelen ook aan om ruimte te bieden aan instellingenvoor het voeren van vormen van voorkeursbeleid. Dat is momenteel niettoegestaan binnen de huidige wettelijke kaders. Het kabinet onderschrijft13Krepel, A., Karssen, M., Buisman, M., Conijn, J., Schreurs, B., Booij, G., & Farzan, K. (2024).ICILS 2023: De digitale geletterdheid van Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs.Kohnstamm Instituut.14Variawet hoger onderwijs 202# (https://www.internetconsultatie.nl/variawet/b1)15Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, Onbedoelde effecten van selectie op dediversiteit van de geneeskundestudenten-populatie en de kandidatenpool: Wat kunnen weeraan doen? (https://www.nko.nl/onderzoeksprojecten/unintended-effects-of-selection-on-medical-student-and-applicant-diversity-what-can-we-do-about-this)16Zie https://www.internetconsultatie.nl/variawet/b1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17113 het probleem van kansenongelijkheid in selectie, maar kiest voor eenandere aanpak om dit probleem tegen te gaan. Deze aanpak is, met devoorgestelde wetswijziging, gericht op verbetering van de onderbouwingvan selectieprocedures en het zoveel mogelijk tegengaan van onbedoeldebenadeling. De introductie van voorkeursbeleid brengt complexejuridische en uitvoeringsvragen met zich mee. Zo moet worden aange-toond dat het beoogde doel niet ook met andere, minder vergaandemiddelen bereikt kan worden.31Hoeveel meldingen van schorsing of verwijdering wegens fysiek geweldontving de inspectie17 in 2024–2025?In schooljaar 2024–2025 werden er in totaal 6248 leerlingen geschorst ofverwijderd op grond van een incident met als voornaamste reden fysiekgeweld. Het kan hierbij gaan om (dreigen met) fysiek geweld tegenmedeleerlingen of personeel, maar ook om vernieling of bezit vanvuurwerk of wapens. (SvhO, 2026)32Welke leerlinggroepen rapporteren de laagste veiligheidsbeleving volgensde jaarlijkse monitor?Dit heeft de inspectie onderzocht door te kijken naar de scholen waarvande leerlingen gedurende drie opeenvolgende jaren relatief lage scoreshebben in de veiligheidsmonitor (de scholen behoren tot de 20% scholenmet de laagste scores). Deze groep scholen heeft een populatie met eenhogere schoolweging. Dit betekent dat deze scholen een complexereleerlingenpopulatie hebben, vaak met meer risico op onderwijsachter-standen.Het maakt ook uit in welke regio de school staat. Leerlingen vanpo-scholen in het midden van het land hebben lagere scores op veilig-heidsbeleving dan leerlingen van scholen in het Oosten of Zuiden van hetland.Voor schoolgrootte, denominatie en stedelijkheid zijn geen robuustsignificante effecten op de veiligheidsbeleving gevonden. (IvhO,Technisch rapport Monitor sociale veiligheid, 2026). Wel is er in het po eensignificant effect van schoolgrootte op het welbevinden van leerlingenvoor de op veiligheidsbeleving hoogst scorende po-scholen. Scholen meteen grotere schoolpopulatie zitten vaker in de categorie scholen methoogste scores voor veiligheidsbeleving.Voor het voortgezet onderwijs was de groep scholen (uitgesplitst naarafdelingen) die drie jaar achter elkaar lage scores had te klein (enkeletientallen afdelingen) om er betrouwbare uitspraken over te kunnen doen.In het (v)so is de variatie in gebruikte instrumenten te groot om eendergelijke vergelijkende analyse te maken.33Bij situaties van islamofobe of homofobe uitingen kunnen verschillen innormen en waarden en politieke opvattingen een rol spelen, terwijl bijandere type veiligheidsincidenten scholen vaak een protocol hebben dataangeeft hoe te handelen; wat is de reden dat scholen bij situaties vanbijvoorbeeld islamofobie niet weten hoe ze moeten handelen en welkemaatregelen kunnen er worden genomen om dit wel te weten?17inspectie: Inspectie van het OnderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17114 De inspectie heeft niet onderzocht wat de reden is dat scholen bij situatiesvan bijvoorbeeld islamofobie niet weten hoe ze moeten handelen. Ditvraagstuk hangt samen met de bredere zorg voor (sociale) veiligheid opscholen. De inspectie is daarom voornemens om onderzoek te doen naarhoe leraren worden voorbereid op deze zorg voor (sociale) veiligheid inhet praktijkdeel van hun opleiding. Los daarvan is wel bekend dat scholenhet soms lastig vinden schurende gesprekken te voeren. We blijvendaarom met leraren in gesprek over de vraag welke behoeften zij hebbenaan ondersteuning. Daarnaast ondersteunen we scholen via StichtingSchool en Veiligheid. Zij hebben handreikingen en protocollen, ookspecifiek als het gaat om het omgaan met discriminerend gedrag zoals bijhomofobie of islamofobie18. Ook bij het Expertisepunt Burgerschapkunnen scholen terecht voor ondersteuning en voor trainingen inschurende gesprekken.34Hoe verklaart u dat 6 procent van de onderwijsbesturen in 2024 nogsteeds geen verantwoording aflegden over informatiebeveiliging enprivacy in hun jaarverslag, ondanks de verantwoordingsplicht?De constatering van de inspectie is dat in 6% van de jaarverslagen nietsstaat over maatregelen op het vlak van digitale weerbaarheid enveiligheid, ondanks de verantwoordingsverplichting op dit punt. Deinspectie heeft niet onderzocht wat hiervan de redenen of oorzaken zijn.35Op welke wijze gaat u scholen ondersteunen nu 80 tot 88 procent van deleraren aangeeft niet over de benodigde kennis en vaardigheden tebeschikken om AI19 effectief en veilig in te zetten in de lessen?Het kabinet onderschrijft het belang van het veilig en effectief gebruik vanAI in het onderwijs en ondersteunt scholen en leraren op verschillendemanieren hierbij.Ontwikkelingen rond digitalisering en AI worden goed meegenomen inprofessionaliseringsinitiatieven. In de nieuwe subsidieregeling van hetprogramma Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) isopgenomen dat digitalisering en AI integraal onderdeel moeten zijn vanprofessionalisering en curriculumontwikkeling, zodat deze duurzaamworden ingebed in het onderwijs. Ook krijgen AI en digitale geletterdheideen vaste plek in de nieuwe kerndoelen en in de lerarenopleidingen, zodatzowel huidige als toekomstige leraren beter worden voorbereid op hetwerken met AI.In het najaar deel ik het Regieplan Digitalisering in het funderendonderwijs met uw Kamer. Hierin worden de behoeften van scholen enleraren en de bestaande ondersteuningsmogelijkheden in kaart gebracht,en wordt bezien welke aanvullende ondersteuning nodig is om scholen enleraren te helpen AI verantwoord in te zetten.36Hoe heeft het aantal thuiszitters zich ontwikkeld sinds 2020?Op 21 mei jl. is uw Kamer geïnformeerd over de meest recente leerplicht-telling waarin de verzuimcijfers over het schooljaar 2024–2025 zijnweergeven. Het totale schoolverzuim – zo blijkt uit deze rapportage – stijgt18Zie bijvoorbeeld https://www.schoolenveiligheid.nl/kennisbank/discriminerend-gedrag-voorkomen/19AI: Artificiële IntelligentieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17115 al enige jaren. Dit betreft met name het absoluut verzuim, waarbijleerplichtige kinderen geen schoolinschrijving hebben, en in minder matehet langdurig relatief verzuim, waarbij ingeschreven leerlingen meer danvier weken ongeoorloofd afwezig zijn. Zie voor de ontwikkeling de tabelhieronder. Het kabinet ziet dit als een zorgelijke ontwikkeling en zetzodoende sinds 2022 in op het terugdringen van verzuim. Hiertoe heefthet kabinet onder meer meerdere wetsvoorstellen in voorbereiding, zoalshet wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim en het wetsvoorstelmaatwerk. Over onder meer deze maatregelen en verklaringen van destijging is uw Kamer op 21 mei jl. geïnformeerd.SchooljaarAbsoluut verzuimLangdurig relatief verzuim2017–20184.5154.1742018–20194.9853.9172019–20205.5703.3852020–20215.4913.3282021–202210.2403.2462022–202313.7073.8812023–202414.9794.2942024–202516.3514.804 37Wat verstaat de inspectie onder lichte interventies?Elke actie die de inspectie uitvoert, is een interventie die gericht is opbeter onderwijs. Lichte interventies zijn laagdrempelige acties waarmeede inspectie informeert en naleving stimuleert. Er is dan geen sprake vandoor de inspectie geconstateerde ernstige risico’s. Voorbeelden van lichteinterventies zijn een (telefoon)gesprek met een bestuur of school over eenspecifieke situatie of over de uitkomsten van de jaarlijkse prestatie- enrisicoanalyse van de inspectie, of een schriftelijke herinnering ombijvoorbeeld de uitkomsten van de monitor sociale veiligheid of hetjaarverslag naar de inspectie te zenden. Overigens zijn veel activiteiten omhet reguliere toezicht van de inspectie heen ook (lichte) interventies,bijvoorbeeld webinars die de inspectie organiseert of brochures die deinspectie uitbrengt.38Hoe gaat de inspectie ervoor zorgen dat er meer onaangekondigdebezoeken afgelegd worden aan de verschillende scholen?De inspectie is in 2025 een pilot gestart met meer onaangekondigde,minder intensieve bezoeken in het primair onderwijs. In 2025 ging het om211 basisscholen. In 2026 zijn 800 bezoeken in het basisonderwijsgepland. Ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezetonderwijs is een start gemaakt met deze onaangekondigde, minderintensieve bezoeken, dit jaar zijn er in deze sectoren 10 respectievelijk 30gepland.39Wanneer wordt er zwaarder toezicht ingezet?De inspectie komt tot zwaardere interventies wanneer risico’s voor de(financiële) kwaliteit van het bestuur of het onderwijs of geconstateerde(herhaalde) tekortkomingen daarom vragen. Dat kan zijn op basis vansignalen, op basis van de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse van deinspectie of op basis van bevindingen uit een onderzoek dat de inspectiedoet, zoals een onaangekondigd onderzoek of een steekproefonderzoek.40Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17116 Hoe worden de inspectiebezoeken omgezet naar kwalitatief goederesultaten?De inspectie heeft als belangrijke wettelijke taak het beoordelen enbevorderen van de kwaliteit van het onderwijs. Op basis van de Wet ophet onderwijstoezicht ziet de inspectie toe op de naleving van de bij ofkrachtens een onderwijswet gegeven voorschriften (verder dan dat magde inspectie bij haar oordelen niet gaan) en bevordert de inspectie deontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs aan en het bestuur vaninstellingen als bedoeld in de onderwijswetten. Deze rol is voor het hogeronderwijs beperkter op basis van de genoemde wet.Inspectiebezoeken kunnen bijdragen aan beter onderwijs en daarmee aanbetere resultaten, bijvoorbeeld waar de inspectie risico’s voor deonderwijskwaliteit constateert, herstelopdrachten geeft, en vervolgensherstelonderzoek doet. In die gevallen houdt de inspectie vast totdatherstel heeft plaatsgevonden. Maar een inspectiebezoek op zichzelf kanniet direct leiden tot verbetering van kwaliteit.Alle interventies van de inspectie, niet alleen inspectiebezoeken en-onderzoeken, maar ook thematisch onderzoek en de inzet vancommunicatie-instrumenten zoals bijvoorbeeld nieuwsbrieven enwebinars – gericht op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.De inspectie brengt met een evaluatie-programma in kaart wat er goedgaat en wat er beter kan in het toezicht. De inspectie doet daarbij ookonderzoek naar de effecten van het toezicht; of het toezicht bijdraagt aanbeter onderwijs en betere naleving van wet- en regelgeving. Daarbijblijven het steeds de instellingen en hun besturen die aan de lat staanvoor het feitelijk realiseren van beter onderwijs en betere resultaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17117

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 71b4d6bcf8ca54e5

14 okt 2026 · ae697d9965693d59

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.