KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling (Kamerstuk 28973-258)

14 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 13adf11f83a5c990 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 973Toekomst veehouderijNr. 267 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 14 mei 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecre-taris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 19 december 2024over Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling(Kamerstuk 28 973, nr. 258).De vragen en opmerkingen zijn op 24 maart 2025 aan de Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 14 mei 2025 zijnde vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,AardemaAdjunct-griffier van de commissie,Van den Brule-Holtjer kst-28973-267ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2671 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en de reactie van debewindspersoon Algemeen beleid en rechtszekerheid1. De leden van de PVV-fractie vragen hierbij aan de Staatssecretaris ofhet nu wel het geschikte moment is om het huidige stalbeoordelings-stelsel te vervangen, aangezien er nog steeds discussie is over deeffectiviteit van eerdere emissiereductiemaatregelen.Diverse rapporten, waaronder «Stikstofverlies uit opgeslagen mest» (CBS,2019), gaven aanleiding voor het onderzoek naar «Effectiviteitemissiearme stalsystemen in de praktijk» (WUR, 2022, bijlage bijKamerstuk 29 383, nr. 382). Uit die rapporten blijkt dat emissiereductie-maatregelen in de praktijk niet altijd waarmaken wat vooraf (mede opbasis van metingen) verwacht had mogen worden. In reactie daarop is in2023 een vernieuwing van het stelsel van stalbeoordeling ingezet. Hethuidige kabinet heeft de noodzaak hiervoor onderkend en daarom is devernieuwing van het stelsel opgenomen in het regeerprogramma. Hetontwikkelen en implementeren van het vernieuwde stelsel zal enige tijd inbeslag nemen, het is daarom verstandig om niet te wachten met hetstarten hiervan. In de tussentijd blijft het bestaande stelsel in stand enworden waar mogelijk verbeteringen doorgevoerd.2. Kan de Staatssecretaris ook een reflectie geven op de waarborging datveehouders niet steeds opnieuw moeten investeren in technieken die laterdoor de overheid als onvoldoende worden beoordeeld?Natuurlijk is het teleurstellend wanneer prestaties van emissiereductie-maatregelen in de praktijk tegenvallen. In de uitgangspunten voor hetvernieuwde stelsel van stalbeoordeling is daarom opgenomen dat ermeer aandacht moet zijn voor borging en zekerheid. De overheid baseertzich in de stalbeoordeling op de stand van wetenschap en kennis en zalzich dus moeten verhouden tot ontwikkelingen daarin. Zonder voorafonhaalbaar grote onzekerheidsmarges aan te houden, is het niet helemaalte voorkomen dat in individuele situaties achteraf iets toch kan tegen-vallen. De keuzes in het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling zijnerop gericht dat dit zo min mogelijk voorkomt en dat de kansen dieemissiereductiemaatregelen brengen toch kunnen worden benut.3. Afsluitend op dit onderdeel vragen deze leden waarom er is gekozenom het Nederlandse Normalisatie Instituut (NEN) een rol te geven in deborging van innovaties en welke invloed dit heeft op de snelheid vanimplementatie.Er is een brede vraag naar meer private verantwoordelijkheid in het stelselvan stalbeoordeling. De huidige systematiek is volledig publiek, met eenhoog detailniveau in regelgeving. Private partijen vragen om meer ruimteom een eigen invulling te kunnen geven. Hierbij wordt ook gestreefd naarmeer ruimte voor innovatie. Het beoordelingsstelsel wordt voor publiekedoelen gebruikt: milieu- en natuurvergunningverlening. Dit stelt eisen aande private invulling.Gecombineerd leidt dit tot een publiek-privaat stelsel. Een dergelijk stelselfunctioneert alleen als er duidelijke en navolgbare afspraken gemaaktkunnen worden tussen marktpartijen onderling en tussen marktpartijen ende overheid. Deze afspraken kunnen, zeker als het om technischeonderwerpen gaat, goed worden vastgelegd in normen. Hier zijn ook inandere domeinen goede ervaringen mee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2672 NEN is binnen Nederland de partij die de vastlegging van dit soortnormen faciliteert. Het zogeheten normalisatietraject heeft als doel ommet alle belanghebbenden tot consensus te komen over de inhoud van denormen. De normen worden gebruikt in het publiek-private stelsel, ondermeer als het gaat over borging. Private partijen zullen conform de op testellen normen moeten gaan werken. NEN zal zelf geen rol krijgen in deborging van de prestatie van emissiereductiemaatregelen. Dit normalisa-tieproces neemt enkele jaren in beslag en vindt parallel plaats aan hetwetgevingsproces. Het kabinet streeft ernaar om ook tussendocumenten,bijvoorbeeld conceptnormen, publiek beschikbaar te maken, zodatpartijen daar zo vroeg mogelijk hun voordeel mee kunnen doen.Effectiviteit van emissiearme stalsystemen4. De leden van de PVV-fractie zouden van de Staatssecretaris graag eenuitleg ontvangen met betrekking tot het programma waarbij zowelforfaitaire emissie-indicatoren, als continue metingen mogelijk worden.Hoe wordt de betrouwbaarheid van deze methodes gewaarborgd enwelke meetmethode heeft prioriteit? Hoe wordt voorkomen datveehouders met tijdelijke emissie-labels later alsnog met juridischeproblemen worden geconfronteerd?De betrouwbaarheid van beide methodes wordt gewaarborgd door voortte bouwen op de meest recente wetenschappelijke kennis daarover, ondermeer gepubliceerd in de «Richtlijnen voor het bepalen van emissies uitveestallen» (WUR, 2024). Er is geen prioriteit voor één van beidemethodes. Afhankelijk van de specifieke kenmerken van de bedrijfs-voering van een veehouder zal deze hier zelf een keuze in kunnen maken.Een periodieke heroverweging van emissielabels is onderdeel van hetwaarborgen van de betrouwbaarheid van de werking van emissiereductie-maatregelen. Periodieke correcties en het verwerken van voortschrijdendinzicht houdt het stelsel als geheel betrouwbaar. Gevolgen voorveehouders kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, maar tegen-vallers niet corrigeren creëert juist (juridische) onzekerheid, zoals dehuidige situatie laat zien.Het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling gaat over het betrouwbaarvaststellen van de prestaties van emissiereductiemaatregelen. Hetprogramma gaat niet over de eisen die aan veehouders worden gesteld,bijvoorbeeld in de vorm van emissiegrenswaarden per dierplaats.Wanneer betrouwbaar vastgestelde prestaties van emissiereductiemaatre-gelen bekend zijn kan daarmee rekening gehouden worden in de eisen dieaan emissies van veehouderijen worden gesteld.5. Afsluitend hierop zijn deze leden benieuwd op welke manier bedrijvenworden gecompenseerd die al in bestaande stalsystemen hebbengeïnvesteerd die niet meer voldoen aan de nieuwe standaarden?Het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling richt zich op de beoorde-lingssystematiek en niet op de hoogte van emissiegrenswaarden. Het doelvan het te vernieuwen stelsel van stalbeoordeling is om innovaties voorhet reduceren van stalemissies (ammoniak, fijnstof, geur, broeikasgassen)te beoordelen op de prestatie. Het stelsel van stalbeoordeling vormtdaarmee een bouwsteen voor vergunningverlening, doelsturing,toepassing van continu meten en het met vertrouwen toepassen vanmaatregelen. De eisen die ten aanzien van de hoogte van emissies uitstallen aan veehouders worden gesteld zijn het onderwerp van diverseandere beleidstrajecten. Binnen het Programma Vernieuwing Stalbeoor-deling wordt overgangsrecht ontwikkeld om bestaande systemen met eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2673 emissiefactor over te brengen naar het nieuwe stelsel, voor zover ditmogelijk is. Compensatie in welke vorm dan ook is dan ook niet aan deorde.Kosten en financiële impact voor boeren6. De leden van de PVV-fractie zouden graag een reactie van de Staatsse-cretaris ontvangen over wie de kosten gaat dragen voor het accreditatie-en certificeringssysteem?De zekerheid van prestaties van emissiearme stalsystemen en techniekenmoet worden verhoogd, maar het vergroten van zekerheid gaat vaakgepaard met kosten. Betaalbaarheid en de kostenverdeling tussen partijenbinnen het stelsel zijn daarin belangrijk. Certificering en accreditatie zijn inzichzelf private instrumenten; de kosten hiervan komen zonder aanpalendbeleid en stimuleringsmaatregelen dan ook bij marktpartijen te liggen. Erzijn diverse invullingen mogelijk van het accreditatie- en certificerings-systeem, en in de nadere uitwerking zal expliciet rekening gehoudenworden met de kosten.7. Kan de Staatssecretaris ook toelichten hoe deze nieuwe regelgevingzich verhoudt tot de belofte om boeren perspectief te bieden en onnodigelasten te verminderen?Het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling draagt bij aan hetperspectief van boeren door het faciliteren van vergunningverlening,doelsturing, toepassing van continu meten en het met meer vertrouwentoepassen van innovatieve technische en managementmaatregelen.8. Heeft de Staatssecretaris er al zicht op welke concrete financiële lastendit nieuwe beoordelingssysteem met emissie-labels en monitoringseisenmet zich mee brengt voor boeren en welke steunmaatregelen wordenoverwogen?Het in beeld brengen van de concrete financiële lasten van hetvernieuwde stelsel is onderdeel van de nadere uitwerking die nuplaatsvindt.9. Afsluitend hierop vragen deze leden wat er gebeurt wanneer blijkt datde marktomvang niet groot genoeg is om dit nieuwe stelsel rendabel temaken, zoals in de beslisnota wordt genoemd?In het normalisatietraject dat NEN faciliteert, worden door de belangheb-bende publieke en private partijen normen opgesteld waarin wordtbeschreven hoe emissiereductiemaatregelen beoordeeld kunnen worden.Deze normen moeten geschikt zijn om in milieu- en natuurregelgevinggebruikt te worden. De partijen die gebruik maken van deze normendragen bij aan de totstandkoming ervan. Voor deze partijen, dit zijn deconformiteitsbeoordelende instanties (CBI’s) en de leveranciers, is ditalleen een rendabele activiteit indien voldoende emissiereductiemaatre-gelen kunnen worden getoetst, die vervolgens bij voldoende veehouderskunnen worden verkocht. Op dit moment is het beeld dat de markt vooremissiereducerende maatregelen en technieken groot genoeg zal zijn vooreen rendabel stelsel. Dit zal echter in de nadere uitwerking onderzochtworden. Op de uitkomsten daar van kan ik nog niet vooruitlopen. Ondermeer in het Regieorgaan «Versnellen innovatie emissiereductie duurzameveehouderij» worden kansrijke ideeën getest op deze aspecten. Hetkabinet zet, zoals vermeld in het regeerprogramma, onder andereinnovatie centraal. Boeren krijgen de ruimte om te ondernemen enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2674 tegelijkertijd bij te dragen aan het halen van de verschillende doelen diede maatschappij van hen vraagt.Private certificering en controlemechanismen10. De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris waarom eendeel van de verantwoordelijkheid voor stalbeoordeling wordt overge-heveld naar private partijen en hoe hierbij de neutraliteit wordtgewaarborgd.De huidige situatie met lijsten emissiefactoren zorgt voor een hoogdetailniveau in regelgeving. Er is vanuit private partijen een grote vraagnaar meer eigen invulling in het stelsel van stalbeoordeling. De neutra-liteit en effectiviteit zullen worden gewaarborgd door een rolverdeling incertificering en/of accreditatie, met afspraken die worden vastgelegd innormen. Met accreditatie wordt bijvoorbeeld geborgd dat de certifice-rende instantie onafhankelijk, onpartijdig en deskundig te werk gaat.11. Evenals hoe voorkomen gaat worden dat door private certificeringsin-stanties de kosten en bureaucratie voor boeren onnodig hoog worden.Het private deel van het stelsel wordt door certificeringsinstantiesingevuld. De toetsing van emissiereductiemaatregelen voor hetemissielabel en de toetsing van de dienst van continu meten gaangepaard met kosten. Veehouders en leveranciers van emissiereductie-maatregelen kunnen kiezen voor de certificeringsinstantie die het meestpast bij hun eisen, inclusief tarieven. Er wordt gewerkt aan een stelselwaar meer certificerende instanties in kunnen gaan opereren die dat inconcurrentie gaan doen. Zoals hierboven ook al aangegeven, is het inbeeld brengen van de concrete financiële lasten van het vernieuwdestelsel onderdeel van de nadere uitwerking die nu plaatsvindt.12. Afsluitend hierop vragen deze leden de Staatssecretaris of hij kanaangeven welke waarborging er is dat dit nieuwe systeem juridischhoudbaar is en niet leidt tot rechtszaken zoals eerder met de stikstof-regels?Het nieuwe stelsel van stalbeoordeling is gericht op het beoordelen vanstalsystemen in het kader van vergunningverlening voor milieubelastendeactiviteiten. Het stelsel wordt daarnaast op dusdanige wijze ontwikkeld datdit met vertrouwen betrokken kan worden bij de beoordeling vanaanvragen voor een Natura 2000-activiteit, dat wil zeggen dat het ook alsbasis kan dienen voor de beoordeling op individueel stalniveau. Daarbo-venop blijft een passende beoordeling waarschijnlijk noodzakelijk voor hetverlenen van een natuurvergunning.Internationale concurrentiepositie en landbouwbeleid13. De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd of en hoe de Staatssecre-taris kan voorkomen dat Nederlandse boeren door deze extra regels opachterstand worden gezet ten opzichte van buitenlandse concurrenten.Het beoordelen van emissiereductiemaatregelen ten behoeve van devergunningen van veehouderijen verandert, maar dit resulteert alszodanig niet in extra regels voor boeren. Doelsturing in combinatie metcontinu meten is er juist op gericht het aantal regels te verkleinen.14. Is de Staatssecretaris ook bereid de invoering van deze regelgeving uitte stellen totdat een grondige evaluatie heeft plaatsgevonden van deeffectiviteit van bestaande emissiearme stalsystemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2675 Nee, de uitwerking en invoering zijn juist nodig om de effectiviteit vanemissiearme stalsystemen beter te kunnen beoordelen en waarborgen.Voor bestaande systemen zal overgangsrecht worden ontwikkeld. Hierin isvanzelfsprekend aandacht voor de daadwerkelijke werking van dezesystemen en hoe deze aangetoond of indien nodig verbeterd kan worden.De eerdere rapporten, waaronder het rapport «Schatting van stikstofver-liezen uit stallen op basis van de stikstof-fosfaat verhouding in afgevoerdemest» (WUR, 2023, bijlage bij Kamerstuk 29 383, nr. 406), worden hierbijbetrokken.15. Hoe verhoudt dit nieuwe systeem zich tot de stikstof- en emissieregelsin Duitsland en België? Zijn Nederlandse boeren straks opnieuw strengergereguleerd dan hun concurrenten?Het stelsel van stalbeoordeling vormt de basis voor vergunningverlening,doelsturing, toepassing van continu meten en het met vertrouwentoepassen van innovaties. De eisen die aan veehouders worden gesteldten aanzien van de hoogte van emissies, waaronder stikstof, wordenhiermee niet vastgesteld. Deze zijn het onderwerp van andere trajecten enmaken geen deel uit van dit programma.16. Is het met het oog op de aanloop naar het stikstofbeleid en ontwikke-lingsbeleid dierwaardige veehouderij bestuurlijk wel een juist momentvoor de Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling?Het nieuwe stelsel voor de beoordeling van prestaties van stalsystemenstaat zoals eerder aangegeven los van het stellen van mogelijke nieuweeisen aan veehouders ten aanzien van de hoogte van emissies, waaronderstikstof. Ook het vormgeven van de regels voor dierenwelzijn staat los vande inrichting van het stelsel van beoordeling van prestaties vanemissiearme stalsystemen en technieken. Wel is in het nieuwe stelselruimte voor integrale afwegingen, er kan dus aan de (elders bepaalde)regels voor dierenwelzijn worden getoetst. Daarnaast draagt hetProgramma Vernieuwing Stalbeoordeling bij aan een betere borging vande werking van emissiearme stalsystemen en technieken.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de stukken ter voorbereiding op het programma VernieuwingStalbeoordeling. Deze leden wensen in dit kader enkele specifiekeaandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichtingvan het kabinet.17. De leden van de VVD-fractie constateren dat de huidige Regelingammoniak en veehouderij (Rav)-systematiek niet langer voldoet en datvergunningverlening enkel mogelijk is via een passende beoordeling.Deze leden vragen het kabinet hoe de transitie naar het nieuwe beoorde-lingsstelsel zo wordt ingericht dat deze de innovatie niet vertraagt envergunningverlening niet verder bemoeilijkt.Het nieuwe stelsel is gericht op het beoordelen van stalsystemen voor deOmgevingsvergunning van milieubelastende activiteiten. Daarbij wordtook gekeken naar de toepasbaarheid van het stelsel bij het verlenen vanOmgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit. Het stelselwordt op een dusdanige wijze ontwikkeld dat dit met vertrouwen als basistoegepast kan worden bij de beoordeling van aanvragen voor Omgevings-vergunning Natura 2000-activiteit. In de ontwikkeling van het overgangs-recht voor de transitie naar het nieuwe stelsel zal rekening wordengehouden met innovatie en vergunningverlening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2676 In de tussentijd wordt binnen de bestaande regelgeving ook gewerkt aanverbetering, onder meer door aanpassing van de systeembeschrijvingenvan emissiereductiemaatregelen. Ook worden tussenresultaten, zoalsconceptnormen, zoveel mogelijk benut zodat de partijen die binnen hetstelsel opereren zo vroeg mogelijk weten waar ze aan toe zijn.18. Welke tijdelijke maatregelen worden overwogen om de impasse invergunningverlening voor emissiearme stalsystemen op te lossen?Op dit moment is vergunningverlening voor een Natura 2000-activiteitwaar een emissiearm stalsysteem bij betrokken is, enkel mogelijk via eenpassende beoordeling. Het kabinet werkt aan het op gang brengen vanvergunningverlening via de Ministeriële Commissie Economie enNatuurherstel. Daarnaast is de Minister van LVVN in gesprek met deprovincies over ondersteuning van ondernemers bij het opstellen van eenpassende beoordeling bij hun aanvraag voor een vergunning Natura2000-activiteit.19. De leden van de VVD-fractie achten het een cruciaal punt dat hetkabinet een helder en werkbaar alternatief voor de Rav-lijst moetformuleren; om technische innovaties mogelijk te maken en de stikstofuit-stoot daadwerkelijk te verminderen. Hoe beoordeelt het kabinet deeffectiviteit van de voorgestelde maatregelen in het faciliteren vaninnovaties?Het stelsel van stalbeoordeling vormt de basis voor vergunningverlening,doelsturing, toepassing van continu meten en het met vertrouwentoepassen van innovaties. Hierbij zijn met name zekerheid en borging vancruciaal belang. Als met voldoende mate van zekerheid aangetoond kanworden dat emissiereductiemaatregelen ook in de praktijk het beoogdeeffect bereiken, dan wordt dit een helder en werkbaar alternatief voor deRav-lijst. De uitgangspunten zijn met dat doel tot stand gekomen.20. Op welke termijn verwacht het kabinet dat het nieuwe beoordelings-stelsel operationeel zal zijn en welke garanties biedt het dat de emissiere-ductie daadwerkelijk wordt gerealiseerd?Het operationeel maken van het nieuwe beoordelingsstelsel gebeurt doormiddel van vier processen die parallel aan elkaar lopen:1.RegelgevingDe wijziging van de regelgeving heeft betrekking op het Besluitactiviteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ende Omgevingsregeling (Or). Dit betreft regelgeving onder de Omge-vingswet. Deze wijzigingen kosten doorgaans twee jaar nadat hetontwerp klaar is.2.Vaststellen van normen voor beoordeling ven emissiereductiemaatre-gelenHet traject om met alle belanghebbenden (publiek en privaat) inconsensus tot een norm te komen duurt volgens de verwachting vanNEN tot 2028. Tussenresultaten, zoals conceptnormen, zullen voorzover mogelijk worden benut in de tussentijd.3.SleutelpartijenIn het publiek-private stelsel verandert de rolverdeling. Publieke enprivate sleutelpartijen moeten in positie gebracht zijn om hun rol goedte kunnen uitoefenen. Dit vindt gelijktijdig plaats aan de ontwikkelingen implementatie van de regelgeving, omdat deze partijen hierin ookbetrokken worden.4.OvergangsrechtNadat de ontwerp-regelgeving gereed is, en dus preciezer bekend ishoe het nieuwe stelsel eruit ziet, zal overgangsrecht worden ontwor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2677 pen. Dit betekent dat ook bestaande beoordelingen in het nieuwestelsel ondergebracht moeten worden. Gezien de grotere vraag naarzekerheid en borging zal dit niet één-op-één kunnen plaatsvinden. Hoedit er precies uit ziet, dient nader bepaald te worden.Gelijktijdig hieraan worden ook korte termijn-verbeteringen getroffen diemogelijk zijn binnen het bestaande stelsel van stalbeoordeling.Een beoordelingsstelsel als zodanig biedt geen garantie dat emissiere-ductie daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Het stelsel van stalbeoordelingvormt de basis voor vergunningverlening, doelsturing, toepassing vancontinu meten en het met vertrouwen toepassen van innovaties. De eisenmet betrekking tot emissiereductie die aan veehouders gesteld worden, incombinatie met de mogelijke maatregelen (beste beschikbare technieken),bepalen de mate waarin emissiereductie bereikt wordt. Het vernieuwdestelsel zorgt ervoor dat er meer zekerheid is dat wat vergund is, ookdaadwerkelijk wordt bereikt.21. De leden van de VVD-fractie merken op dat in België nog steeds eenfunctionerende lijst voor ammoniak-reducerende systemen bestaat, teweten de AER-lijst. Deze leden vragen of het kabinet heeft onderzocht of,en in hoeverre, het Belgische model als inspiratie kan dienen voor deNederlandse situatie. Wat zijn de juridische en technische verschillentussen de AER-lijst en de Rav-systematiek, en zou een vergelijkbaar modelin Nederland een oplossing kunnen bieden voor de problemen rondomvergunningverlening?De Vlaamse AER-lijst lijkt in hoofdlijnen op de Nederlandse emissiefacto-renlijst uit bijlage V van de Omgevingsregeling (voorheen Rav). InNederland zijn meer onderzoeksrapporten over de werking vanemissiearme systemen in de praktijk. Hieruit blijkt dat de emissiereductieten opzichte van de emissiefactorenlijst tegenvalt. Dit bemoeilijkt devergunningverlening voor een Natura 2000-activiteit. Gezien de gelijkenistussen de Vlaamse AER-lijst en het huidige Nederlandse stelsel is eensysteem zoals in Vlaanderen helaas geen oplossing voor de problematiekmet de natuurvergunningen.22. De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wanneer het kabinet debenoemde wijziging van de Omgevingsregeling zal indienen bij de Kamer,en hoe het genoemde traject dat daarbij hoort eruitziet.Hierop zal nader worden ingegaan in de brief die voor de zomer aan deKamer verzonden zal worden.23. Deze leden willen ook weten hoe het private stelsel eruit zal zien, wiehiervoor verantwoordelijk wordt en hoe het toezicht hierop isgewaarborgd.De exacte vormgeving van het stelsel en de rolverdeling daarbinnenwordt momenteel uitgewerkt; hierover vinden gesprekken plaats. Op ditmoment staat vast dat het nieuwe stelsel gebruik zal maken van conformi-teitsbeoordeling. Dit is een vorm van zelfregulering. Hierbij wordenafspraken gemaakt die vervolgens gecontroleerd worden door partijen inde markt. In veel andere domeinen worden producten en diensten ook opdeze manier gereguleerd. Omdat het hier gaat om een publiek-privaatstelsel worden de eisen aan dit stelsel in regelgeving opgenomen. In deontwikkeling wordt aangesloten bij staand beleid over het gebruik vandeze instrumenten, zoals enkele jaren geleden verwoord in de Kamerbrief«Certificatie en accreditatie in het kader van het overheidsbeleid»(Kamerstuk 29 304, nr. 6). Onderdeel daarvan is dat er naast privateTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2678 controle ook altijd publiek toezicht plaatsvindt. Zoals aangegeven in deKamerbrief van 19 december 2024 wordt de Kamer voor de zomer van ditjaar nader geïnformeerd over de uitwerking van het programma; hetstreven is ook op dit punt meer duidelijkheid te geven.24. De leden van de VVD-fractie vragen wat betreft de betaalbaarheid enkostenverdeling van het nieuwe stelsel of dit niet grotendeels deverantwoordelijkheid van de markt zelf is. Ontwikkelaars en marktpartijendie hun innovatie gevalideerd willen zien, hebben immers zelf een belangbij deze validatie. Kan het kabinet hierop reflecteren?Het nieuwe stelsel van stalbeoordeling ziet op een publiek-privateverantwoordelijkheidsverdeling. Dit is een flinke verandering gezien hethuidige stelsel volledig publiek georganiseerd is. Om deze overgangmogelijk te maken, zal het Rijk in ieder geval de ontwikkelfase bekostigen,zoals de ontwikkeling van de normen ten behoeve van de beoordeling vanstalemissies en de opdracht voor het opstellen van het certificatieschemavoor het emissielabel. Idealiter moet het stelsel op eigen benen kunnenstaan, zonder financiële ondersteuning van het Rijk gezien conformiteits-beoordeling een vorm van zelfregulering is. Hierbij ligt dus na implemen-tatie inderdaad de verantwoordelijkheid voor de bekostiging bij de markt.25. De leden van de VVD-fractie willen verder weten hoe de borging vanadditieven in voer en mest is geregeld. Hoe vindt de validatie vanemissievermindering plaats en valt dit binnen het ProgrammaVernieuwing Stalbeoordeling? Zo niet, waar wordt dit dan geregeld?Additieven voor voer en mest kunnen gezien worden als management-maatregelen. Deze maatregelen zijn ook onderdeel van het ProgrammaVernieuwing Stalbeoordeling en kunnen in aanmerking komen voor eenemissielabel. Er wordt dan op basis van een norm bezien of dezemaatregelen voldoen aan vereisten en randvoorwaarden voor hettoekennen van een emissielabel. Het gaat hierbij onder andere over degemeten emissiereductie, de borging van de werking in de praktijk enrandvoorwaarden zoals (brand)veiligheid, robuustheid, dierenwelzijn enmogelijke afwentelingseffecten op andere emissies of op water en bodemvan de maatregel.Daarnaast biedt de mogelijkheid tot doelsturing in combinatie met continumeten mogelijkheden aan veehouders om deze maatregelen hiervoor inte zetten.26. De leden van de VVD-fractie vragen ook of het klopt dat het hele stelselis gebaseerd op de combinatie tussen staltechniek en een emissieplafondper bedrijf. Hoe en wanneer wordt dit emissieplafond dan bepaald envastgesteld, indien dit juist is?Het stelsel van stalbeoordeling is gebaseerd op een combinatie vanbeoordeling en normering. Normering vindt op verschillende wijzenplaats, bijvoorbeeld een maximale emissie per dierplaats (stikstof enfijnstof milieu), maximale concentraties (fijnstof), een maximale geurbe-lasting op woningen en een maximale depositie van stikstof (natuur). HetProgramma Vernieuwing Stalbeoordeling gaat over de beoordeling. Deeisen die aan veehouders worden gesteld ten aanzien de hoogte vanemissies, waaronder stikstof, zijn het onderwerp van diverse anderetrajecten. In het geval van een doelvoorschriftenvergunning i.c.m. continumeten is er daarnaast sprake van een emissieplafond op stalniveau. Ziehiervoor ook de «Contourenbrief bedrijfsspecifieke emissienormenstikstof en broeikasgassen» die de Minister van LVVN op 14 februari 2025aan de Kamer heeft verzonden (Kamerstuk 35 334, nr. 331).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 2679 27. De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat het kabinet stelt dat hetnieuwe stelsel complex is en tijd nodig heeft. Deze leden vragen wat er deafgelopen jaren is gebeurd, aangezien de problematiek al sinds deProgramma Aanpak Stikstof (PAS)-uitspraak (Afdeling bestuursrecht-spraak Raad van State, 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603) bekend is.De afgelopen jaren is gewerkt aan een handreiking passende beoordelingom de natuurvergunningverlening voor emissiearme stalsystemen verderte helpen. Het onderzoek «Toolbox passende beoordeling emissiearmestalsystemen» heeft er toe geleid dat er helaas nog geen handreikingopgesteld kan worden waarin stappen worden beschreven die (met hetdoorlopen daarvan) kunnen leiden tot juridisch houdbare vergunningen(Kamerstuk 29 383, nr. 414). Wel bieden de resultaten van het onderzoekhandvatten die door de Minister van LVVN momenteel nader wordenuitgewerkt. Daarnaast werkt het kabinet aan het weer op gang brengenvan vergunningverlening via de Ministeriële Commissie Economie enNatuurherstel.28. Bovendien wordt met NEN uitgewerkt hoe het stelsel van stalbeoor-deling kan worden ingericht. Wat is de tijdlijn van dit traject?Zoals hierboven aangegeven omvat het traject vier processen die parallelaan elkaar lopen, waaronder het vaststellen van normen voor beoordelingvan emissiereductiemaatregelen. Het inmiddels gestarte traject om metalle belanghebbenden (publiek en privaat) in consensus tot een norm tekomen duurt volgens de verwachting van NEN tot 2028. Tussenproductendie uit dit proces volgen worden zoveel als mogelijk gepubliceerd enbenut.29. De leden van de VVD-fractie ontvangen tot slot graag een stand vanzaken over de uitvoering van de motie van het lid Van Campen c.s.(Kamerstuk 35 334, nr. 266), die opriep tot het opstellen van eenhandreiking voor passende beoordeling en die eind 2023 al gereed hadmoeten zijn. Welke concrete stappen zet het kabinet om deze handreikingalsnog op te leveren?In de Kamerbrief van 25 november 2022 (Kamerstuk 34 682, nr. 108) heeftde toenmalige Minister voor Natuur en Stikstof toegezegd eenhandreiking passende beoordeling op te stellen. Op 14 juni 2024 zijn deresultaten van het onderzoek naar het opstellen een dergelijkehandreiking toegestuurd naar de Kamer (Kamerstuk 29 383, nr. 414). Hetonderzoek heeft er toe geleid dat er helaas nog geen handreikingopgesteld kan worden waarin stappen worden beschreven die (met hetdoorlopen daarvan) kunnen leiden tot juridisch houdbare vergunningen.Wel bieden de resultaten van het onderzoek handvatten die door deMinister van LVVN momenteel nader worden uitgewerkt. De Minister vanLVVN is hierover in gesprek met de bevoegde gezagen en de betrokkensectoren om samen te werken aan een handreiking passende beoordeling.Daarnaast is de Minister van LVVN verder in gesprek gegaan metbevoegde gezagen en techniekleveranciers om meer inzicht te kunnenkrijgen in de emissiereducerende werking van dergelijke systemen en hoedit ingezet kan worden in een passende beoordeling.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de Kamerbrief over ProgrammaVernieuwing Stalbeoordeling gelezen en hebben daarover een aantalvragen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26710 30. De leden van de BBB-fractie vragen ten eerste wat het te verwachtentijdspad is voor de uitwerking van de nieuwe beoordelingssystematiek.Daarnaast willen deze leden graag weten of er een versnelling van hetprogramma mogelijk is.Zoals hierboven aangegeven omvat het traject vier processen die parallelaan elkaar lopen, waaronder het vaststellen van normen voor beoordelingvan emissiereductiemaatregelen. Het traject om met alle belangheb-benden (publiek en privaat) in consensus tot een norm te komen duurtvolgens de verwachting van NEN tot 2028. Het gelijktijdige traject omregelgeving onder de Omgevingswet aan te passen vergt ook enkelejaren. Het doorvoeren van een dergelijke stelselwijziging en het goedvormgeven van de overgang daarnaar kan niet sneller. In de tussentijdwordt binnen de bestaande regelgeving ook gewerkt aan verbetering,onder meer door aanpassing van de systeembeschrijvingen van emissie-reductiemaatregelen. Ook worden tussenresultaten, zoals conceptnormen,zoveel mogelijk benut zodat de partijen die binnen het stelsel opereren zovroeg mogelijk weten waar ze aan toe zijn.31. De leden van de BBB-fractie willen ook graag weten hoe de ontwik-keling en implementatie van innovatieve stalsystemen en emissiereductie-systemen op dit moment kunnen worden gestimuleerd en gesteund, alsde nieuwe beoordelingssystematiek zo lang op zich laat wachten.Totdat het vernieuwde stelsel is geïmplementeerd blijft het bestaandestelsel van stalbeoordeling, onder de Omgevingswet, in werking. Debeoordeling voor milieuvergunningen bestaat en functioneert nog. Voorde beoordeling voor natuurvergunningen lopen ook andere kortetermijn-trajecten, zoals de Handreiking Passende Beoordeling. Onderdeelvan het stimuleren van nieuwe innovatie is ook het opschonen van debestaande emissiefactoren wanneer de werking hiervan aantoonbaarachterblijft. Daarnaast wordt de ontwikkeling gesteund in het Regieorgaan«Versnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderij» en zijnprojecten die subsidie uit de SBV innovatiemodule hebben gekregen inuitvoering.32. De leden van de BBB-fractie willen verder weten hoe het tijdstrajectvan het NEN-traject er nu precies uitziet. In de Kamerbrief wordt aange-geven dat het erkenningstraject wordt verbeterd, maar de ervaring leertdat het een paar jaar duurt voordat stalsystemen worden erkend. Dezeleden vragen daarom of het voor stallenbouwers nog wel aantrekkelijk isom via het huidige traject een systeem erkend te krijgen, of dat zij zullenwachten op het nieuwe stelsel.Het traject om met alle belanghebbenden (publiek en privaat) inconsensus tot een norm te komen duurt volgens de verwachting van NENtot 2028. In de tussentijd worden tussenresultaten zoveel mogelijkgedeeld. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om conceptnormen; dit geefteen indicatie voor de genoemde partijen waaraan getoetst zal worden.Partijen die praktijkrijpe emissiereductiemaatregelen hebben, waarvan heteffect door middel van metingen getoetst kan worden, wordt aangeradenniet te wachten op het nieuwe stelsel, maar het bestaande stelsel tebenutten.33. De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of het NEN-trajectervoor zal zorgen dat stalsystemen internationaal worden erkend,aangezien dit voor fabrikanten een belangrijke factor is bij investeringen.Deze leden willen ook weten hoe het staat met het Verificatie vanmilieutechnologieën voor landbouwproductie (VERA)-protocol, dathiervoor zou worden ontwikkeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26711 De VERA-samenwerking bestaat niet meer omdat teveel landen zichhieruit hebben teruggetrokken. Nederland zet wel in op samenwerking. Dewetenschappelijke meetrichtlijnen worden in samenwerking met Vlaamseinstellingen ontwikkeld. NEN is onderdeel van de Europese normalisatie-structuur, dit kan mogelijk op termijn ook bijdragen aan makkelijkereerkenning binnen Europa. Dat hangt echter wel af van het animo hiervoorin andere landen.34. De leden van de BBB-fractie maken zich ook zorgen over de aantrekke-lijkheid van de nieuwe systematiek voor kleinere veehouderijsectoren.Deze leden vragen of de markt groot genoeg zal zijn om investeringen instalsystemen voor deze sectoren te stimuleren. Daarnaast merken dezeleden op dat nieuwe innovaties vaak afkomstig zijn van kleinere bedrijvenof start-ups, die nu vaak vastlopen in het erkenningsproces door eengebrek aan middelen. Deze leden willen weten of het ontwikkelen van eenemissielabel voor deze partijen straks eenvoudiger wordt dan in dehuidige systematiek.Gezien de toegenomen eisen aan zekerheid over emissies op individueelbedrijfsniveau is de verwachting niet dat de beoordeling voor hetemissielabel goedkoper zal zijn dan nu het geval is in de huidige situatievoor een emissiefactor. Wel ontstaat door het toevoegen van doelsturingin combinatie met continu meten experimenteerruimte om ideeën uit teproberen bij veehouders die hier gebruik van willen maken. Daarnaastwordt in het Regieorgaan «Versnellen innovatie emissiereductie duurzameveehouderij» gewerkt aan het daadwerkelijk in de praktijk uittesten vaninnovatieve ideeën.35. De leden van de BBB-fractie ontvangen tot slot signalen datgemeenten terughoudend zijn in het verlenen van een proefstalstatus,ondanks de mogelijkheid daartoe onder de nieuwe Omgevingswet. Dezeleden willen weten hoe vaak gemeenten tot nu toe een proefstalstatushebben erkend en of de Staatssecretaris bereid is om gemeenten hierbij teondersteunen als blijkt dat dit slechts beperkt gebeurt.Het verlenen van maatwerkvergunningen voor innovatieve stallen(voorheen proefstallen genoemd) is onder de Omgevingswet inderdaadeen bevoegdheid van gemeenten. Deze vergunningen worden nietcentraal bijgehouden en het is daarom onbekend hoe vaak deze vergun-ningen worden verstrekt. Indien blijkt dat dit beperkt gebeurt om redenendie verband houden met de beoordelingssystematiek voor emissiereduc-tiemaatregelen dan kunnen de Minister van LVVN en ik daaroverdesgewenst het gesprek aangaan met de VNG. Overigens wordengemeenten in de uitvoering van deze bevoegdheid desgewenst nog altijddoor de Technische Adviespool (TAP) en RVO geadviseerd via het LoketAdvies Stalemissies (LAS).Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbriefover de Uitgangspunten Programma Vernieuwing Stalbeoordeling enhebben hier nog enkele vragen over.36. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de enorme schaalwaarop we in Nederland dieren fokken en doden leidt tot grote problemenvoor onder andere de natuur, waterkwaliteit en gezondheid van mens éndier. Er is een forse reductie van de uitstoot nodig maar in plaats van dathet kabinet daar werk van maakt, zet het vol in op technologie eninnovatie. In plaats van dat het kabinet de veestapel inkrimpt en boerenhelpt om te schakelen naar duurzame landbouw, tuigt het nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26712 beoordelingssystemen op, waardoor veehouders telkens weer zullenmoeten investeren in nieuwe lapmiddelen. Deze leden constateren dat aldeze beoordelingsmechanismen en waslijsten aan regels niet nodigzouden zijn, als we een natuurinclusief, duurzaam en houdbaar landbouw-systeem zouden hebben, in combinatie met een robuuste natuur. Deelt deStaatssecretaris deze mening?Het klopt dat er een geborgde daling van de stikstofemissie nodig is. DeMinisteriële Commissie Economie en Natuurherstel werkt onder anderedaar aan. Emissiereductie zal onder meer geborgd worden door toe tewerken naar sturing op emissie in plaats van depositie. Emissiearmestalsystemen en technieken kunnen daar bij goed onderhoud en goedgebruik een belangrijke rol in spelen. Het is daarbij van belang dat deprestaties daarvan op de juiste wijze beoordeeld worden.37. Op basis van welke onderbouwing kiest het kabinet er dan toch voorom niet aan een systeemverandering te werken, maar in te blijven zettenop technologische lapmiddelen?Een efficiënte en innovatieve voedselproductie draagt bij aan voedselze-kerheid en aan ruimte voor en behoud van biodiversiteit en natuur, zowelnationaal als mondiaal.Verschillende studies laten zien dat het reductiepotentieel door inzet vantechnieken en(management)maatregelen op bedrijven aanzienlijk is.Diverse factoren, waaronder goed onderhoud en goed gebruik, spelendaarbij een rol. Het is dus van belang om hier op in te blijven zetten.38. Welke lessen heeft dit kabinet geleerd van het verleden, van demislukte technologische innovaties en de nadelige gevolgen voor boeren?Uit verschillende onderzoeken, waaronder het onderzoek «Verbeteringvan effectiviteit emissiearme stalsystemen in de praktijk» (WUR, 2022,bijlage bij Kamerstuk 29 383, nr. 382) komt naar voren dat de huidigereguleringssystematiek in de gehele keten van ontwerp, beoordeling engebruik van een emissiearm stalsysteem niet effectief functioneert. Zoalsaangegeven in de beleidsreactie van 25 november 2022 op dat rapportworden de aanbevelingen uit dit onderzoek overgenomen, en onder meeruitgewerkt in het interdepartementale Programma Vernieuwing Stalbeoor-deling. Inherent aan innovatie is dat ideeën soms niet lukken of andersuitpakken in de praktijk. Dat is geen reden om minder in te zetten opinnovatie, maar om de beoordeling ervan te verbeteren.39. Hoe kijkt het kabinet naar de eerdere adviezen van prominenteadviesorganen, zoals de Algemene Rekenkamer?De leden van de PvdD-fractie constateren dat eerder onder andere deAlgemene Rekenkamer namelijk concludeerde dat het effect vantechnieken om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen vaakwordt overschat, waardoor steeds weer aanvullende maatregelen nodigzijn om binnen de milieugrenzen te blijven. Ook de Staatssecretaris geeftin de Kamerbrief aan dat technieken in de praktijk minder of zelfs geensignificante ammoniakemissiereducties bieden. Toch gaat het kabinetvolop door op deze route. Deze leden vinden dit onbegrijpelijk. Kan deStaatssecretaris aangeven op basis van welke onderbouwing, adviezen enonderzoeken ervoor is gekozen om meer in te zetten op innovaties, terwijlvoorbeelden uit het verleden telkens laten zien dat deze route niet werkten zelfs tot grote problemen kan leiden? Telkens weer wordt er belas-tinggeld gebruikt om een bepaald stalsysteem, zoals de emissiearmestalvloeren, te stimuleren. Boeren zitten vast aan de lening, maar deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26713 problemen werden niet opgelost. Het kabinet zegt nu alleen in te zetten opinnovatie dat een «reële zekerheid» biedt. Een nieuw frame, waarmeeboeren verder in de problemen worden gebracht. Want een reëlezekerheid kan je niet garanderen. Kan het kabinet aangeven wat «reëlezekerheid» betekent? Betekent dat: zekerheid dat (alleen) de uitstoot naarbeneden gaat, of zekerheid dat de innovatie er ook daadwerkelijk voorgaat zorgen dat de problemen integraal worden opgelost, waaronderdierenwelzijn?Niet duidelijk is op welke adviezen gedoeld wordt. Waar relevant enmogelijk wordt rekening gehouden met aanbevelingen van prominenteadviesorganen, zoals de Algemene Rekenkamer. Verschillende studies,waaronder de studie «Verkenning effecten landbouwinnovaties» van deWUR, laten zien dat het reductiepotentieel door inzet van technieken en(management)maatregelen op bedrijven aanzienlijk is. Diverse factoren,waaronder goed onderhoud en goed gebruik, spelen een belangrijke rol inde daadwerkelijk te realiseren emissiereductie.De emissiefactoren zoals we die nu kennen, geven de gemiddeldeammoniakemissie van emissiearme stalsystemen en technieken aan. Datis afdoende om aan de norm te voldoen en de beste beschikbaretechnieken voor te schrijven. Echter, voor de natuurvergunningverleningis gebleken dat deze systematiek onvoldoende zekerheid biedt voor debeoordeling van stikstofeffecten op individueel bedrijfsniveau.In het bestaande stelsel wordt een gemiddelde van een aantal proefme-tingen als emissiefactor in de bijlage van de Omgevingsregelingopgenomen, zonder dat is weergegeven hoe groot de betrouwbaarheidhiervan is. Onder reële zekerheid wordt verstaan dat de mate waarinmetingen en berekeningen zekerheid geven aan emissie-indicatoren in hetnieuwe stelsel wel wordt meegenomen. Hierin zijn verschillende vormenmogelijk die momenteel worden uitgewerkt.40. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de Staatssecretaris in deKamerbrief allerlei algemeenheden schrijft over dat het nieuwe systeemniet ten koste moet gaan van het mestbeleid en lacunes en overlap moetworden vermeden. Deze leden wijzen erop dat dit, gezien de huidige staatvan de landbouw en de omvang van het mestprobleem, zwaar onvol-doende is. Zullen de innovaties leiden tot een forse vermindering van demestproductie? Zo nee, waarom zet het kabinet hier dan toch op in,aangezien dit er alleen maar voor zal zorgen dat boeren nog verder vastkomen te zitten in het huidige systeem terwijl de urgente problemen nietworden opgelost?Technische en managementmaatregelen die hier bedoeld worden, zijngericht op het terugdringen van emissies uit stallen. Brongerichtemaatregelen, waarbij mest gescheiden wordt bij de bron in de stal,worden onder andere toegepast om de vorming van ammoniak (ofmethaan) vanaf de stalvloer te voorkomen of te verminderen. Dit staat losvan de aanpak van de mestproblematiek. De Minister van LVVN heeft deTweede Kamer eerder geïnformeerd over haar aanpak om de druk op demestmarkt te verlichten (Kamerstuk 33 037, nr. 559).41. De leden van de PvdD-fractie missen aandacht voor dierenwelzijn inde Kamerbrief van de Staatssecretaris. De dieren zijn immers de grootsteslachtoffers van dit systeem. De Staatssecretaris schrijft alleen dat eenuitgangspunt is dat de systemen moeten voldoen aan de «minimale»eisen voor dierenwelzijn. Deze leden wijzen erop dat de doelen voorbijvoorbeeld een «dierwaardige» veehouderij hiermee niet dichterbijkomen. De pogingen van de overheid en de vee-industrie om de milieu-impact van de veehouderij te verminderen, hebben de afgelopen decenniageleid tot het aanpassen van stallen met technieken en innovaties dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26714 direct of indirect ten koste gaan van dierenwelzijn. Denk aan dezogenaamde emissiearme stalvloeren en de luchtwassers, waarmee derisico’s op een stalbrand aanzienlijk werden vergroot. Doordat er volopwordt ingezet om de reductie buiten de stallen omlaag te brengen,resulteert dit vaak in potdichte volautomatische stallen. Dieren zitten24 uur per dag in hun eigen uitwerpselen; in een stal met een zeer slechteluchtkwaliteit. Meer dan de helft van de kalfjes heeft luchtwegaandoe-ningen. Miljoenen varkens lijden aan longaandoeningen en borstvliesont-stekingen. De Staatssecretaris stelt in de Kamerbrief dat innovatie voorhet ene doel niet ten koste mag gaan van het andere doel. Kan deStaatssecretaris toezeggen dat er door dit kabinet geen enkele innovatiezal worden gestimuleerd die leidt tot een verslechtering van het dieren-welzijn, ook als er nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke minimaleeisen? Deze minimale eisen zijn immers niet in lijn met de wens van deKamer en de politieke belofte om tot een «dierwaardige» veehouderij tekomen. Kan het kabinet beloven dat de nieuwe innovaties er niet toezullen leiden dat meer dieren in potdichte stallen worden gehouden ofminder vaak naar buiten kunnen? Zo nee, waarom niet?In het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling wordt juist gewerkt aaneen meer integrale beoordeling van emissiereductiemaatregelen. Er wordtdus niet alleen gekeken naar de prestaties ten aanzien van de reductie vanemissies, maar ook naar (brand)veiligheid en dierenwelzijn. De regelshiervoor worden niet in het programma ontwikkeld.De beoordeling van prestaties via het stelsel van de stalbeoordeling staatlos van het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling van nogniet-bewezen innovatieve maatregelen of het stimuleren van toepassingvan bewezen maatregelen. Bij openstellingen van nieuwe subsidierege-lingen zal steeds bekeken worden welke technische of managementmaat-regelen voor subsidie in aanmerking kunnen komen, en onder welkevoorwaarden. Zo is bij een recente openstelling van de Sbv-investerings-module in het kader van de aanpak piekbelasting het verbeteren vandierenwelzijn voorwaardelijk gesteld voor deelname aan de regeling. Voordierenwelzijn en brandveiligheid zijn aparte investeringen in de regelingopgenomen (Kamerstuk 30 252, nr. 171).42. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom het kabinet er niet voorkiest om te leren van boeren die op innovatieve wijze laten zien dat hetook anders kan, zoals voedselbosbouwers, Caring Farmers en akker-bouwers die zonder dierlijke mest en kunstmest werken? Waarom kiesthet kabinet er niet voor om déze innovaties op grote schaal te stimulerenen landelijk uit te rollen?In het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling wordt onderzocht inhoeverre de zekerheid die verkregen wordt uit een extensieve bedrijfs-voering, bijvoorbeeld doordat de emissie van bepaalde stoffen altijdonder een theoretisch maximum blijft, gebruikt kan worden in detoestemmingverlening voor milieu en natuur. Zoals aangegeven in deKamerbrief van 19 december wordt de Tweede Kamer voor de zomer vandit jaar geïnformeerd over de voortgang. Het streven is om in dan meerduidelijkheid te bieden of en zo ja, hoe dit vormgegeven kan worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 973, nr. 26715

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 36a5d418aa6dc6c6

14 okt 2026 · d368d1ef34425d7e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.