KamerkringInloggen
Kamerbrief

Appreciatie amendementen ingediend bij de Wet collectieve warmte (Kamerstuk 36576)

30 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8e49ac7dd77e5a29 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 116 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 30 juni 2025InleidingHet kabinet wil de Kamer hartelijk danken voor het constructieve plenairedebat over de Wet collectieve warmte (hierna: Wcw). Na het debat zijnenkele amendementen inhoudelijk dusdanig gewijzigd dat het kabinet metdeze brief deze amendementen van een appreciatie voorziet. Dit betreft:1.amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 41 van mevrouw Kröger(GLPvdA) over restwarmte (thans: Kamerstuk 36 576, nr. 112);2.amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 62 van de heer Flach (SGP)c.s. over een vrijstellingsregeling buiten de warmtekavel (thans:Kamerstuk 36 576, nr. 111);3.amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 65 van de leden Grinwis(ChristenUnie) en Erkens (VVD) over de mogelijkheid tarieven vast testellen voor meerdere warmtekavels (thans: Kamerstuk 36 576,nr. 113);4.amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 74 van de heer Erkens (VVD)c.s. over de aanwijstermijn voor warmtebedrijven (thans: Kamerstuk36 576, nr. 114).Voor de overige gewijzigde amendementen blijft de eerder gegevenappreciatie actueel ook al zijn deze amendementen op punten gewijzigd;een overzicht hiervan is in de bijlage opgenomen. Verder gaat deze briefin op een toezegging aan de heer Vermeer (BBB) over afsluittarieven.Amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 112 (Kröger): evaluatierestwarmteHet lid Kröger (GroenLinks-PvdA) heeft na het plenaire debat eenaangepast amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 112 ingediend tervervanging van het amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 41. In hetaangepaste amendement wordt een evaluatie van het ophaalrecht kst-36576-116ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 1161 voorgesteld na 5 jaar. Het kabinet acht deze evaluatie wenselijk.Restwarmte wordt op dit moment nog beperkt benut. Met het ophaalrechtwordt beoogd dit te verbeteren. De evaluatie zal inzicht geven in dedoelmatigheid en effecten en op basis daarvan kan worden gewogen ofhet beleid aanpassing behoeft. Het kabinet geeft het amendement daaromoordeel Kamer.Amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 111 (Flach/Bontenbal):vrijstellingregeling buiten de warmtekavelDe indieners stellen voor om kleine collectieve warmtesystemen,verhuurders en verenigingen van eigenaars die buiten een vastgesteldwarmtekavel vallen, vrij te stellen van de ontheffingsplicht. In plaatsdaarvan komt een vrijstellingsregeling gecombineerd met een toets doorde ACM op de geschiktheid van het warmtebedrijf. Het voorstel isgewijzigd ten opzichte van amendement nummer 62 waarin alleen eenvrijstellingsregeling voor kleine collectieve warmtesystemen wasvoorgesteld.Het voorstel in amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 111 om eenvrijstellingsregeling met een meldplicht in te voeren voor niet alleenkleine collectieve warmtesystemen, maar ook voor verhuurders enverenigingen van eigenaars buiten een vastgesteld warmtekavel willenaanleggen en exploiteren, kent naar verwachting beperkte nadelen. Eenbelangrijk aandachtspunt is dat gemeenten bij toepassing van eenvrijstellingsregeling in combinatie met een meldplicht minder sturingsmo-gelijkheden hebben dan onder de huidige ontheffingsprocedure. Degemeente heeft in dat geval niet de mogelijkheid om per individueel gevalte beoordelen of de aanleg toekomstige ontwikkelingen – zoals de uitrolvan een grootschalige collectieve warmtevoorziening binnen eenwarmtekavel – onmogelijk maakt of belemmert.Tegelijkertijd kan de voorgestelde vereenvoudiging bijdragen aan deversnelling van de realisatie van collectieve warmte. Om vergelijkbareredenen als voor de vrijstellingsregeling voor kleine collectieve warmte-systemen (zoals opgenomen in het oorspronkelijke amendement) wordtook hiermee een vermindering van de regeldruk gerealiseerd. Devoorgestelde wijziging draagt tevens bij aan consistentie met de gekozenbenadering in de wet. Gelet hierop is ook na wijziging van ditamendement het oordeel aan de Kamer.Amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 113 (Grinwis/Erkens):mogelijkheid tarieven vast te stellen voor meerdere warmte-kavelsDe leden Grinwis (CU) en Erkens (VVD) hebben na het debat eenaangepast amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 113 ingediend tervervanging van amendement nummer 65. Amendement 65 bepaalde datals een warmtebedrijf voor meerdere warmtekavels is aangewezen, vooralle warmtekavels van dat warmtebedrijf hetzelfde tarief zou gelden. Ditamendement heeft het kabinet ontraden. Het standaard vaststellen vaneen tarief voor alle warmtekavels van een warmtebedrijf staat namelijk opgespannen voet met de regierol van gemeenten. Het risico van tarievenper warmtebedrijf is dat de uitrol van warmtesystemen niet kosteneffi-ciënt verloopt, omdat de consequenties van eventuele inefficiënte keuzesdoor gemeenten, zoals het vaststellen van ondoelmatige warmtekavels ofhet onvoldoende benutten van synergievoordelen (zoals «straat één keeropen»), voor een deel neergelegd worden bij verbruikers in anderegemeenten. Ook zou het vaststellen en wijzigen van uitgewerkte kavel-plannen ingewikkelder worden. In deze uitgewerkte kavelplannen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 1162 gemeenten moeten goedkeuren, wordt namelijk ook een indicatie vantarieven opgenomen. Doordat tarieven voor een warmtekavel dan ookbeïnvloed worden door ontwikkelingen op andere warmtekavels, kan hetmoeilijker zijn om deze indicatie te geven. Daarnaast zouden gemeenten,door wijzigingen van uitgewerkte kavelplannen niet goed te keuren,investeringen in andere gemeenten mogelijk kunnen blokkeren. Eenandere reden om het amendement te ontraden was om tariefschokken tevoorkomen bij de aanwijzing van een ander warmtebedrijf voor datwarmtekavel, bijvoorbeeld als een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang wordt aangewezen voor dat warmtekavel.Het aangepaste amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 113 maakt hetmogelijk dat er één kostengebaseerd tarief wordt vastgesteld voormeerdere warmtekavels waarvoor een warmtebedrijf is aangewezen, alsde gemeenten waarin deze warmtekavels zijn gelegen daarmeeinstemmen. Socialiseren kan dus als het warmtebedrijf en betrokkengemeenten daarom samen verzoeken. Het kan daarbij gaan om allewarmtekavels van het warmtebedrijf of een deel van diens warmtekavels.Op deze manier kunnen de gemeenten die hiervoor kiezen, een bewusteafweging maken of de voordelen van onderlinge socialisering opwegentegen een bepaalde mate van afhankelijkheid van de keuzes die in anderegemeenten worden gemaakt. Met deze aanpassing houden gemeentenvoldoende regierol, waarmee het kabinet dit amendement oordeel Kamergeeft.Omdat de keuzes van een gemeente impact hebben op tarieven in anderegemeenten die ook voor deze socialisering hebben gekozen, vereist ditwel dat gemeenten de ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningonderling coördineren. Deze oplossing kan daarom tot op zekere hoogtevergeleken worden met het vaststellen van een gemeentegrensover-schrijdend warmtekavel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuurkunnen nadere regels worden gesteld over deze socialisering en bijvoor-beeld de voorwaarden waaronder een gemeente de instemming voorsocialisering kan intrekken.Amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 114 (Erkens c.s.):aanwijzingstermijn voor warmtebedrijvenDit amendement met Kamerstuk 36 576, nr. 114 van het lid Erkens (VVD)c.s. bewerkstelligt onder meer een verlenging van de aanwijzingstermijnvoor bestaande en nieuwe warmtebedrijven die een collectieve warmte-voorzieningen exploiteren. Voor nieuwe situaties geldt een termijn van20–40 jaar, voor bestaande situaties een termijn van 14–30 jaar met eenverplichte verlenging onder voorwaarden van 10 jaar in geval van eensignificante uitbreiding.Met het oog op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM) is er geen aanleiding om de aanwijzingstermijn die warmtebe-drijven krijgen in het overgangsrecht te verlengen. De aanleiding voor hetamendement is, zoals de indieners aangeven, de onzekerheid die eenaantal warmtebedrijven ervaren over de mogelijkheid om nieuweinvesteringen binnen de aanwijzingstermijn terug te verdienen. Ditondanks dat het wetsvoorstel regelt dat warmtebedrijven voor investe-ringen in warmtenetten die binnen de aanwijzingstermijn in hetovergangsrecht nog niet zijn terugverdiend, een restwaardevergoedingontvangen volgens een in de regelgeving vastgestelde restwaardebe-paling.De betreffende warmtebedrijven stellen dat op dit moment een aantalparameters in de rekenregels voor restwaardebepaling en de tariefregu-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 1163 lering nog onvoldoende zijn uitgewerkt om de restwaarde na afloop vande aanwijzingstermijn in detail uit te kunnen rekenen bij het nemen van deinvesteringsbeslissing. Het kabinet merkt hierbij op dat de onzekerheidover de restwaardebepaling al beperkt wordt door het versneld vaststellenvan de gestandaardiseerde activawaarde (GAW), zoals voorgesteld in detweede nota van wijziging.1 Met het amendement wordt getracht nogmeer investeringszekerheid te bieden door de maximale aanwijzings-termijn met 10 jaar te verlengen tot maximaal 40 jaar.Het gewijzigde amendement is op een aantal punten een verbetering tenopzichte van het eerder ingediende amendement. In de eerste plaats ligtde bewijslast of er sprake is van een significante uitbreiding niet meer bijde ACM, maar bij het warmtebedrijf. Bedrijven hebben dan de prikkel omde juiste informatie te verstrekken, waardoor de ACM niet geconfontreerdwordt met een zeer bewerkelijke taak waarvoor zij additionele capaciteittoegekend zoumoeten krijgen. Ook is de voorspelbaarheid voor warmte-bedrijven vergroot door een delegatiegrondslag op te nemen voor eentoetsingskader en kan de verlenging worden ingetrokken indien devoorgenomen significante uitbreiding niet wordt gerealiseerd.De huidige aanwijzingstermijnen onder het overgangrecht zijn ruim enmet het versneld vaststelllen van de GAW wordt meer duidelijkheidgeboden over de restwaardebepaling. In de brief van 3 juni 20252 heefthet kabinet de indieners nog in overweging gegeven het aan de gemeentete laten om in overeenstemming met het warmtebedrijf te besluiten overeen langere aanwijzingstermijn. In het amendement heeft de gemeenteechter geen zelfstandige afwegingsruimte maar is zij verplicht de termijnte verlengen wanneer het warmtebedrijf met een investeringsplan bij deACM heeft aangetoond aan de criteria te voldoen. Tegen die achtergrondontraadt het kabinet het amendement ook in de huidige vorm.AfsluittariefTot slot is tijdens het Kamerdebat door het lid Vermeer (BBB) de vraaggesteld of het mogelijk is om een ongebruikte aansluiting voor eenlangere periode te behouden, zodat hij in de toekomst, bijvoorbeeld dooreen andere bewoner, weer gebruikt kan worden. Hij wees hierbij op dehoogte van het tarief voor een permanente afsluiting in verhouding toteen tijdelijke afsluiting. Ik heb in het debat toegezegd om hierop terug tekomen.Berekeningen afsluittariefAfsluittarieven bij warmte zijn gebaseerd op de gemiddelde daadwerke-lijke kosten van het afsluiten. De ACM onderzoekt jaarlijks deze kosten, enberekent met gebruik van de verzamelde gegevens de maximumtarievenvoor verschillende categorieën afsluitingen. De werkwijze is verdertoegelicht in de Kamerbrief van 3 juni 2025.3Tijdelijke en definitieve afsluitingConform het Warmtebesluit onderscheidt de ACM in haar berekeningenverschillende categorieën afsluitingen. Een belangrijk onderscheid isdaarbij het verschil tussen een tijdelijke en een definitieve afsluiting. Bijeen tijdelijke afsluiting wordt de aansluiting van de verbruiker nietvolledig verwijderd, maar tijdelijk ongeschikt gemaakt voor warmtele-1Kamerstuk 36 576, nr. 12.2Kamerstuk 36 576, nr. 30.3Kamerstuk 36 576, nr. 30.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 1164 vering. In dat geval kan de aansluiting tijdelijk worden afgesloten door hetafsluiten en verzegelen van de hoofdafsluiter of door verwijdering van deafleverset. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen in een situatie van tijdelijkeleegstand van een woning in verband met de verkoop ervan. Voor eentijdelijke afsluiting is in het huidige Warmtebesluit een tijdsgrensopgenomen van twee jaar.De kosten van een definitieve afsluiting – inclusief het verwijderen van deleidingen – zijn veel hoger dan van verzegelen. Daardoor is er eenaanzienlijk verschil tussen de tarieven voor beide soorten afsluitingen(€ 5.250,99 voor definitief en € 586,73 voor tijdelijk).Moet een ongebruikte aansluiting binnen twee jaar worden verwijderd?Het in stand houden van een ongebruikte aansluiting kent verschillendenadelen:•Het leidt tot warmteverliezen. De aansluitleidingen zijn niet meer ingebruik, maar warmte stijgt («drijft»). De aansluitleidingen liggennamelijk vaak hoger dan het distributienet, waardoor er nog steedswarmwaterstromen doorheen kunnen gaan.•Daarnaast kunnen ongebruikte leidingen in de weg zitten en een risicovormen bij graafwerkzaamheden. Veel gemeenten stellen daarom ookeisen aan het verwijderen van ongebruikte leidingen.Anderzijds bieden sommige warmtebedrijven de optie van een perma-nente afsluiting, waarbij de leiding blijft liggen, als dat technisch veilig isen als de gemeente daarmee akkoord gaat. In dat geval wordt er een tariefgerekend dat in lijn is met het tarief voor een tijdelijke afsluiting. Dit geeftaan dat het verwijderen van een aansluiting niet in alle gevallen na 2 jaarnoodzakelijk is.Afsluittarieven onder de WcwDe Wcw bepaalt dat afsluittarieven op kosten moeten worden gebaseerd.Hierover worden in het Besluit collectieve warmte nadere regels gesteld.Het voornemen is om de afsluittarieven in fase 2 van de kostengeba-seerde regulering opnieuw te laten baseren op de gemiddelde, daadwer-kelijke kosten van verschillende categorieën afsluitingen. In het ontwerp-besluit wordt het huidige onderscheid tussen tijdelijke en definitieveafsluitingen gehanteerd. Naar aanleiding van de vragen die hierover in hetdebat zijn gesteld, zal er bij de uitwerking van het Besluit collectievewarmte opnieuw gekeken worden naar deze definities. In het bijzonder zalopnieuw worden bekeken of de grens van 2 jaar voor een tijdelijkeafsluiting nog passend is, en of het mogelijk is om een type afsluiting tedefiniëren waarbij de afsluiting voor een langere periode ongebruikt blijftmaar de leiding niet verwijderd wordt.Daarnaast wordt overwogen om, naar aanleiding van de consultatiewaarin ook opmerkingen zijn gemaakt over de hoogte van het afsluittarief,een onderscheid te maken tussen afsluiten in grondgebonden woningenen in hoogbouw. In appartementen zijn de kosten van afsluiten namelijklager. Deze bepaling zal ertoe leiden dat bewoners van appartementenminder voor afsluiten zullen gaan betalen.De gemaakte keuzes zullen worden opgenomen in het definitieve Besluitcollectieve warmte.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.T.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 1165

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2707d9ed1e6973fa

14 okt 2026 · f6f311096daa85ed

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.