KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgang verduurzaming industrie

10 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4ee08d904197f044 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 826Industriebeleid32 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 214 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 oktober 2024De industrie is van groot belang voor Nederland. De sector draagt bij aanonze welvaart, produceert de producten die we dagelijks gebruiken engenereert de banen van vandaag en morgen. Daarnaast investeert eenmoderne, productieve industrie samen met onze kennisinstellingen ininnovatie en opschaling van technieken die de basis leggen voor detoekomst. De industrie speelt met haar energie- en grondstoffenvraagbovendien een centrale rol in de transitie naar een duurzaam energie-systeem en een circulaire economie, waarin groei samengaat met groen.De kern van het beleid is gericht op groene groei, het samenbrengen vanverduurzaming én concurrentiekracht. We hebben de afgelopen jarengezien dat dit kan. De Nederlandse economie bleef groeien terwijl erbelangrijke stappen werden gezet in de verduurzaming van de economieen de CO2-uitstoot daalde. Dat is de manier waarop het kabinet zich inzetom de nationale en internationale klimaatdoelen te halen en de industriete faciliteren om de kansen te benutten die voortkomen uit de transitie.Het is belangrijk dat we deze kansen nu pakken om schone bedrijven dieeen toegevoegde waarde hebben een toekomst te bieden in Nederland.De ambitie voor CO2-reductie binnen de industrie is hoog: in het klimaat-akkoord en na aanvullende klimaatmaatregelen van het vorige kabinet ishet doel voor de industrie bepaald op 67% reductie in 2030 ten opzichtevan 19901. Er zijn hiervoor belangrijke stappen gezet waardoor de uitstootvan de industrie in afgelopen jaren substantieel gedaald is (4,2 MtonCO2-equivalenten reductie in 2022 ten opzichte van 2021)2. Dit komt deelsdoor lagere productie en niet door verduurzaming. Dit beeld komt ooknaar voren in mijn eerste gesprekken als Minister met de energie-intensieve industrie, en wordt bevestigd in de cijfers van de NEa3 en deTop 60 interviews gehouden door Rijksdienst voor OndernemendNederland (RVO) met de grootste industriële uitstoters van broeikas-1Kamerstuk 36 410, nr. 1.2Klimaat- en Energieverkenning 2023 (pbl.nl)3Nog geen groene groei industrie | Nieuwsbericht | Nederlandse Emissieautoriteit kst-29826-214ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2141 gassen4. We moeten constateren dat de concurrentiepositie van deenergie-intensieve industrie onder druk staat, ondanks de goede ligging,verbindingen en kennis. Daarnaast is de transitie naar een klimaatneutrale industrie in een uitdagende fase terecht gekomen, waarbij deweg naar netto-nul hobbelig is. De opgelopen rente voor investeringen,hoge energieprijzen en nettarieven en onzekerheid over het moment datnieuwe energie-infrastructuur beschikbaar is, zorgen ervoor dat investe-ringsbeslissingen worden uitgesteld. Dat neemt niet weg dat bedrijvenverduurzaming als essentieel onderdeel van hun toekomstvisie zien.Deze ontwikkelingen laten zien dat beleid gericht op verduurzaming vande industrie en een gezondere leefomgeving naast ambitieus ookhaalbaar, uitvoerbaar en betaalbaar moet zijn. Hier ligt een grote opgavevoor het kabinet en de industrie. Het kabinetsbeleid moet ervoor zorgendat het investeringsklimaat verbetert en de randvoorwaarden op orde zijn.Dan blijft Nederland aantrekkelijk om in te investeren door de goedeligging, verbindingen en kennis en kunnen bedrijven met een groen enschoon verdienmodel ondernemen in Nederland. Het is tegelijkertijd aande industrie om de handschoen op te pakken en op korte termijn concreteverduurzamingsstappen te zetten en bij te dragen aan een gezondereleefomgeving. Dat is dan ook de koers die ik wil varen: vol ambitie degrote verduurzamingsopgave voor de industrie te lijf gaan, in dewetenschap dat de komende jaren vol uitdagingen zullen zijn. Samen metde industrie werken we aan de grote investeringen die zullen leiden toteen groene en concurrerende industrie in Nederland.Ook in de EU is er veel aandacht voor groene groei. Het Draghi-rapportstelt voor om met een gezamenlijk plan op EU-niveau te komen omtrentde-carbonisatie en concurrentievermogen. Draghi ziet de energie-intensieve industrie als een belangrijk en vitaal onderdeel van deEuropese economie. Ook de nieuwe Europese Commissie heeft een CleanIndustrial Deal aangekondigd om de Green Deal te complementeren en inte zetten op een concurrerende industrie in Europa. Het kabinet zet zichhier actief voor in, aangezien het kabinet ervan overtuigd is dattoekomstig verdienvermogen nauw samenhangt met het realiseren vanonze klimaatdoelstellingen en vice versa. Om meer positieve investerings-beslissingen te krijgen, is cruciaal dat we – zeker binnen Europa – eengelijk speelveld creëren en borgen dat Europees beleid de basis is vooronder meer normerende maatregelen die de vraagzijde van de groenebusiness case kunnen maken. Onze industriële bedrijven opereren immersin een zeer competitieve, internationale omgeving.Nederland kan echter niet enkel wachten op Europese voorstellen, in dewetenschap dat we zelf ook maatregelen moeten nemen om het investe-ringsklimaat te verbeteren en verduurzaming en een gezondere leefom-geving mogelijk te maken. In de afgelopen periode is er dan ook ingezetop maatwerkafspraken buiten de top-20 uitstoters. Dit heeft geleid totondertekening van Expression of Principles (EoP) met Alco EnergyRotterdam en met Coöperatie Koninklijke Cosun. Daarnaast zijn er ooktwee maatwerksubsidies toegekend voor ROCKWOOL en Yara Sluiskil inhet kader van de aanpak piekbelasting industrie voor stikstofemissiere-ductie. Het kabinet ondersteunt ook de noodzakelijke innovaties die nodigzijn om de bedrijven van de toekomst een kans te geven. Afgelopen zomerheb ik vanuit het Nationaal Groeifonds de nieuwe InvesteringssubsidieMaakindustrie Klimaat Neutrale Economie (IMKE) voor opschaling op hetgebied van elektrolysers, zonnepanelen en batterijen gepubliceerd.4In Bijlage 1 is het rapport opgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2142 Om het investeringsklimaat op orde te brengen en de verduurzaming doorte zetten is echter meer nodig. Het kabinet wil energiekosten nietsignificant uit de pas laten lopen met buurlanden, zodat Nederlandsebedrijven kunnen concurreren met het buitenland. In het voorjaar van2025 zal het kabinet, na publicatie, reageren op de beleidsaanbevelingenvan het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur5. In het IBO volgenconcrete beleidsopties die zowel bijdragen aan onze concurrentiepositieals de betaalbaarheid van energie voor bedrijven. Daarnaast onderzoekthet kabinet momenteel welke maatregelen nodig zijn om het CCS-projectAramis op gang te brengen. Tevens wil het kabinet meer aandacht gaanbesteden aan de opbouw van nieuwe industrie, waardoor we eentoekomstbestendige industrie hebben die de motor wordt voor Neder-landse innovatie in groene technieken en producten.Met het oog op het geplande commissiedebat over de verduurzaming vande industrie geef ik, mede namens de Staatssecretaris van I&W, in dezebrief aan waar we nu staan, welke beleidsmatige koers het kabinet wilvaren en geef ik een nadere uitwerking van de relevante delen in hetRegeerprogramma dat het kabinet op 13 september jl. aan de TweedeKamer heeft verzonden. Daarbij ga ik in op de ombouw van de industrie(paragraaf 1), opbouw van de industrie (paragraaf 2), het internationaal engelijk speelveld (paragraaf 3), randvoorwaarden en instrumenten(paragraaf 4) en stikstof (paragraaf 5). Naast de verduurzaming van deindustrie heeft het kabinet ook veel aandacht voor de verduurzaming vanhet mkb. De vorderingen op dit beleidsterrein zijn opgenomen in de meestrecente Kamerbrief over verduurzaming van het mkb6. Daarnaast is in debijlage de appreciatie van de Antwerpen verklaring opgenomen, zoalstoegezegd door de voormalig Minister voor Klimaat en Energie voor devaste Kamercommissie op 21 maart jl.7.1. Ombouw van de industrie Het kabinet zet zich in op de ombouw van bestaande industrie naargroene productieprocessen, met als doel het faciliteren van verduur-zaming, snellere CO2-reductie en een gezondere leefomgeving. Het ishierbij cruciaal dat er commitment is van zowel de overheid als bedrijvenom de gestelde reductiedoelen te halen.Top 60 interviewsDoor RVO zijn begin dit jaar interviews gehouden met de 54 grootsteuitstoters van broeikasgassen, ook bekend als de Top 60 interviews, ominzicht te krijgen in de voortgang van hun verduurzamingsprojecten enknelpunten die bedrijven ervaren. De rapportage is als bijlage aan dezekamerbrief toegevoegd.Uit de interviews komt naar voren dat de overgrote meerderheid van debedrijven verduurzaming als sterk noodzakelijk voor hun toekomstper-spectief ziet. Daarnaast blijkt het sentiment bij bedrijven verdeeld, vanneutraal tot soms sterk negatief, met betrekking tot rentabiliteit vanverduurzamingsinvesteringen en ervaren overheidssteun voor diverseknelpunten zoals netcongestie, hoge energie- en grondstofkosten enonzekerheid over ontwikkeling van duurzame energieketens. Verderbestaat er onzekerheid ten aanzien van de exacte uitwerking vanregelgeving en de impact die dit heeft op hun business case, zoals deimplementatie van de REDIII en de omgang met negatieve emissies.5Kamerstuk 36 471, nr. 96.6Kamerstuk 32 637, nr. 649.7Kamerstuk 22 112, nr. 3951.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2143 Ondanks deze uitdagingen, is de transitie wel onderweg. De geïnter-viewde bedrijven hebben gezamenlijk plannen om CO2-emissies in 2030jaarlijks 20 Mton te reduceren ten opzichte van 2021; voor 13 Mton is debesluitvorming definitief of worden de projecten als tamelijk zekeraangegeven, de overige 7 Mton betreft onzekere projecten.Het kabinet zet zich samen met bedrijven in om verduurzamingsprojectentot uitvoer te laten komen, waarbij van bedrijven ook commitment wordtverwacht om investeringsbeslissingen niet voor zich uit te schuiven. Maarzelfs met deze inspanningen zal het, op basis van de interviews,waarschijnlijk lastig blijken om de indicatieve sectordoelstelling voor deindustrie in 2030 te realiseren8. Op basis van de uitkomsten van deKlimaat- en Energieverkenning (KEV) 2024 die binnenkort verschijnt, zalworden beschouwd in hoeverre alternatief beleid nodig is. In de inter-views is ook gekeken naar de plannen na 2030 en het stemt positief datbedrijven aangeven dat er voor deze periode meer verduurzamings-plannen zijn met een jaarlijkse CO2-reductie van 10 Mton. Gelet op hetEuropese ETS waarin na 2039 geen nieuwe emissierechten meer op demarkt komen, zullen bedrijven ook in die jaren grote stappen moetenzetten. Het ETS fungeert daarmee als garantie dat de Europese klimaat-doelstellingen gehaald worden.Maatwerkaanpak verduurzaming industrieDe Kamer is eerder in verschillende Kamerbrieven over de voortgang vande maatwerkaanpak geïnformeerd9. Op 18 maart jl. is de Kamer voor hetlaatst geïnformeerd10. Er is daarbij aangegeven dat het komen totconcrete afspraken een complex en langdurig proces is. Dit is ook terug tezien in de eerder genoemde Top 60 interviews: de weg van ambitie naarrealisatie is niet eenvoudig en kan tijdrovender zijn dan vooraf ingeschat.In de afgelopen maanden zijn er echter weer belangrijke stappen gezet11.Tekstbox 1: Ondertekening Expression of Principles (EoP)Alco Energy Rotterdam en Coöperatie Koninklijke Cosun.In bovengenoemde voortgangsrapportage van 18 maart jl. isaangegeven dat vanwege de verhoogde doelstelling voor demaatwerkaanpak ook bedrijven buiten de top 20 grootste uitstotersbenaderd zijn voor een maatwerktraject. In de Kamerbrief van 8 meijl. is de Kamer geïnformeerd over de start van de maatwerkaanpakbij een drietal bedrijven, waaronder twee cluster 6 bedrijven.Op 10 oktober 2024 is met Alco Energy Rotterdam en CoöperatieKoninklijke Cosun de eerste fase positief afgesloten en is, als gevolgvan deze aanpak, met beide bedrijven een Expression of Principles(EoP) getekend.Deze bedrijven hebben elk de ambitie om circa 70% CO2-reductie terealiseren tussen 2020 en 2030. Samen resulteert dit in een jaarlijkseCO2-reductie van 0,5 Mton. Daarnaast willen zij zich inzetten omimpact op de leefomgeving te beperken en diverse innovaties te8De sectordoelstelling voor de industrie betreft een indicatief (rest)emissiedoel van 29,1 MtonCO2-equivalenten in 2030.9Conform de vraag van het Lid Boucke, d.d. 2 juni 2022, wordt de Kamer ieder half jaargeïnformeerd over de voortgang van de maatwerkaanpak verduurzaming industrie.10Kamerstuk 29 826, nr. 203.11Met de ondertekening van de Expression of Principles (EoP) van Alco Energy Rotterdam enCoöperatie Koninklijke Cosun zijn er in totaal 13 EoP’s ondertekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2144 onderzoeken om hun klanten te helpen verduurzamen. Dit is eeneerste stap in de richting van bindende maatwerkafspraken.Naast deze twee bedrijven is nog met twee andere bedrijven buitende top 20 het gesprek gevoerd over een mogelijke maatwerkaf-spraak. Na een intensieve verkenning met FrieslandCampina issamen geconcludeerd dat het starten van een maatwerktraject voorhun fabrieken geen aanvullende waarde heeft. Tot slot is recent eenverkenning gestart met Smurfit Westrock voor mogelijke maatwerk-afspraken. Deze gesprekken lopen nog.Voor wat betreft het maatwerktraject met Tata Steel Nederland is op26 april jl. het onderhandelingsmandaat vastgesteld12, nadat eind maartde kabinetsreactie op het advies van externe adviseurs Wijers/Blom wasuitgebracht13. De onderhandelingen met Tata Steel over verschoning enverduurzaming van de staalproductie in de IJmond zijn sinds die tijdgaande. De Kamer wordt waar mogelijk en waar nodig (wegens de(mogelijke) koersgevoeligheid, vertrouwelijkheid van de onderhande-lingen en onderhandelingspositie van de Staat) in (vertrouwelijke)technische briefings en brieven over de voortgang geïnformeerd. Dereactie op het tweede advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, datnamens de Staatssecretaris van I&W op 4 oktober jl. aan de Kamer isgezonden14, volgt voor het Kerstreces.In het kader van de maatwerkaanpak willen we onder meer maatwerksub-sidies kunnen verstrekken voor die projecten van de grootsteCO2-uitstoters waarvoor generieke subsidie-instrumenten niet passendzijn. Het verkrijgen van goedkeuring hiervoor blijkt een tijdrovend proces.Afgelopen jaar is met de Europese Commissie (EC) gesproken overmogelijkheden voor maatwerkfinanciering voor verduurzamingsprojectenvan maatwerkbedrijven. Op basis hiervan is een instrument ontworpendat past binnen de kaders van het tijdelijk crisissteunkader voor staats-steun (Temporary Crisis and Transition Framework, TCTF). De EC heeft op25 juli jl. goedkeuring gegeven aan dit instrument. Op 9 september jl. iseen eerste oproep voor ambitieuze voorstellen voor CO2-reductieopengesteld voor bedrijven die een Joint Letter of Intent (JLoI) met deStaat hebben gesloten.Toekomsttraject maatwerkDe intensieve contacten met de maatwerkbedrijven hebben afgelopentwee jaar diepgaande inzichten opgeleverd in de projecten, businesscases, risico’s en strategische overwegingen van hoofdkantoren enaandeelhouders. Hierdoor weten we beter dan voorheen welke randvoor-waarden echt bepalend zijn en hoe die vormgegeven moeten worden,maar ook dat investeringsbeslissingen genomen worden in een complexen tijdrovend samenspel van vele factoren. Ambitieuze bedrijven dieaangeven voor de realisatie van hun ambities aanvullende steun vanpublieke zijde nodig hebben, kunnen worden geholpen met demaatwerkaanpak. Niet alle bedrijven uit de doelgroep maken hier gebruikvan. Tussen de fase van de EoP en de JLoI is nodig dat de ambitiesworden vertaald in concrete business-cases. Als die uitblijven, stokt hetmaatwerktraject. We voeren nu gesprekken met de bedrijven, maar hetmag duidelijk zijn dat, als er bij een bedrijf (op korte termijn) geenaangrijpingspunten zijn voor concrete investeringen in Nederland, we op12Kamerstuk 29 826, nr. 209.13Kamerstuk 32 813, nr. 1369.14Kamerstuk 28 089, nr. 324Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2145 afzienbare termijn stoppen met maatwerkgesprekken en de vrijkomendecapaciteit inzetten bij de bedrijven waar dat wel het geval is.In het Regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet onderzoekt of eenregionale clusteraanpak voor bedrijfsoverstijgende uitdagingen, voorbijvoorbeeld de Botlek of Chemelot, behulpzaam kan zijn voor demaatwerkbedrijven. De verkenning naar de toegevoegde waarde voor detwee genoemde gebieden wordt momenteel uitgevoerd. De Kamer wordthierover geïnformeerd als deze verkenning is afgerond.2. Opbouw van de industrie De inzet van het kabinet is dat versterking van het Nederlandse verdien-vermogen en de klimaattransitie hand in hand gaan. Met de opbouw vannieuwe, schone industrie kan Nederland een groene toekomstbestendigegroei bewerkstelligen. Daarvoor zijn investeringen in nieuwe bedrijvigheidessentieel. Samen met bestaande en nieuwe innovatieve bedrijven enorganisaties zet het kabinet zich in om te bouwen aan de groeneeconomie van morgen, waarbij ruimte wordt gegeven aan ondernemer-schap en creativiteit.Nieuwe industrieDe hoofdrolspelers in de nieuwe economie zullen deels bestaandebedrijven zijn die zich richten op groene toepassingen, maar ook nieuwespelers met technologieën en producten die we ons nu nog niet kunnenvoorstellen. Zij zorgen voor kansen om te groeien naar een mondiaalconcurrerende, groene industrie, die tevens strategisch autonoom kanopereren. Daarnaast is baanbrekende innovatie met nieuwe jongebedrijven belangrijk voor de dynamiek in de industrie. Start-up’s &scale-up’s, duurzame buitenlandse bedrijven die zich in Nederland willenvestigen en bestaande bedrijven met groene technologieën moeten in degelegenheid gesteld worden te groeien. Deze bedrijven worden geholpenmet financiering (subsidies, leningen, garanties), vanuit bestaandinstrumentarium, begeleiding (door RVO, Invest-NL en ROM’s), hetNationaal Groeifonds, maatwerk, het Nationaal Programma Verduur-zaming Industrie en met de inzet van de NFIA en de regio’s. Voor deontwikkeling van nieuwe industrie werk ik nauw samen met de Ministervan Economische Zaken, zodat we ons effectief op de door onze minis-teries geformuleerde groeimarkten richten.Er zijn momenteel nog veel uitdagingen voor nieuwe, groene industrie omop termijn concurrerend te zijn. Om investeringen in de groene economiete versnellen, kan actieve inzet van de overheid op het gebied vanmarktcreatie, investeringsklimaat, innovatie en vergroening noodzakelijkzijn. Daarom wil ik meer aandacht besteden aan de opbouw van nieuweindustrie. In het eerste kwartaal van 2025 zal ik mijn aanpak hiertoe met deKamer delen.Circulaire plasticsCirculaire maatregelen dragen bij aan de verduurzaming van onzeindustrie. Een belangrijke productieketen is die van de plastics. Omplastics circulair te maken, gebruiken we een combinatie van normeren,stimuleren en beprijzen. De transitie naar circulair plastic is essentieel omde klimaatdoelen te kunnen behalen, de afhankelijkheid van fossielegrondstoffen te verminderen, en de leveringszekerheid van grondstoffente kunnen blijven waarborgen. Door middel van normeren, beprijzen enstimuleren wil het kabinet de juiste kaders stellen voor de ontwikkelingvan een stabiele markt voor circulair plastic.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2146 Onder het vorige kabinet is ingezet op de uitwerking van een circulaireplastic norm, die bedrijven in Nederland vanaf 2027 bij het maken vannieuwe plastics verplicht om duurzame biogrondstoffen en/of gerecycledplastic afval (recyclaat) toe te passen. Ook heeft het vorige kabinet intotaal € 267 miljoen aan subsidie uit het klimaatfonds geoormerkt voor detransitie naar circulair plastic om bedrijven te ondersteunen bij dezetransitie. De subsidies zijn onder meer bedoeld voor het doen vaninvesteringen voor het opschalen van inzamel- en recyclecapaciteit vancirculair plastic. Die investeringen zijn hard nodig om circulair plastic tekunnen laten concurreren met virgin plastic. Dat is ook van belang met hetoog op de overvloed aan virgin plastic van buiten de EU, waardoor hetverdienmodel voor recycling zwaar onder druk staat.De uitkomsten van de recente internetconsultatie van dit wetsvoorstel zijnonlangs gepubliceerd. Op basis van deze uitkomsten zal de Staatssecre-taris van I&W in samenspraak met de betrokken bewindspersonen deKamer informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel15. In hetRegeerprogramma is daarnaast een plasticheffing aangekondigd, met eenbeoogde opbrengst van € 547 miljoen per jaar vanaf 2028. Het kabinet zalde komende maanden in kaart brengen op welke manieren de plastic-heffing uit het Regeerprogramma vormgegeven kan worden en wat degevolgen daarvan zijn, ook in combinatie met de genoemde plastic norm.Ook wordt gekeken naar alternatieve manieren om tot de genoemdeopbrengst te komen. Op basis hiervan vindt besluitvorming bij deVoorjaarsnota 2025 plaats.3. Internationaal en gelijk speelveld Om in Nederland te kunnen profiteren van de kansen die de transitiebiedt, moeten we inzetten op een Europees en mondiaal gelijk speelveld,stevig Europees groen industriebeleid, betaalbare energie en gedegenpartnerschappen met gelijkgestemde landen.ElektriciteitskostenDe nettarieven lopen snel op voor de industrie. Ten dele vanwege groteinvesteringen die netbeheerders moeten doen om ons elektriciteits-systeem toekomstbestendig te maken, anderzijds omdat verschillenderegelingen gericht op grootgebruikers van elektriciteit zijn vervallen.Een van de maatregelen om Europese industrie te ondersteunen dieconcurreert op wereldmarkten is de indirecte kostencompensatie(IKC-regeling) welke de EU-ETS-kosten die elektriciteitsbedrijven aaneindverbruikers doorberekenen, compenseert. Veel lidstaten makengebruik van deze maatregel om hun industrie te steunen. Als lidstatendeze maatregel verschillend inzetten, ontstaat er echter op Europeesniveau een ongelijk speelveld. In Nederland is de IKC-regeling in 2023stopgezet, en nadien is afgelopen voorjaar besloten de regeling in 2024één jaar opnieuw open te stellen. Ook geven veel lidstaten korting aangrootverbruikers. In Nederland gebeurde dat via de zogenoemdevolumecorrectieregeling. Deze is in Nederland door ACM niet langertoegepast onder verwijzing naar Europese regelgeving16. Andere lidstatenwaaronder Frankrijk, Duitsland en Denemarken houden deze vergelijkbareregelingen vooralsnog in stand17.15Kamerstuk 32 813, nr. 1408.16ACM: in 2024 geen volumekorting meer voor grootverbruikers van elektriciteit | ACM.nl17Kamerstuk 32 813, nr. 1372.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2147 Onder meer naar aanleiding van signalen over de impact van stijgendenetwerktarieven op de mogelijkheden van de industrie om te verduur-zamen, is afgelopen mei een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO)Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur gestart. Doel van dit onderzoek isom meer inzicht in en grip te krijgen op de omvang van de investeringenin de elektriciteitsinfrastructuur tussen nu en 2040 en de bekostiging enfinanciering ervan, zowel vanuit nationaal als Europees perspectief omeen gelijk speelveld te borgen. Hiermee wordt deels invulling gegevenaan de motie Van Houwelingen18. Het kabinet reageert bij deVoorjaarsnota 2025 op de beleidsaanbevelingen uit het IBO. In dekabinetsreactie zal ook de optie voor eventuele verlenging van deIKC-regeling worden bezien.Duurzame koolstofOlie en gas zijn, naast brandstoffen voor energie, ook belangrijkegrondstoffen voor de industrie. In het Nationaal Plan Energiesysteem(NPE) wordt minimalisatie van fossiel grondstofgebruik in 2050 als doelgenoemd19. Daartoe is het cruciaal om – parallel aan de energietransitie –te werken aan de transitie van fossiele naar duurzame grondstoffen.Samen met de Staatssecretaris van I&W wordt gewerkt aan een visie ophet gebruik van duurzame koolstof als grondstof en een transitiepad datmogelijke routes schetst naar verduurzaming. Er wordt beoogd dit in juli2025 naar de Kamer te sturen.Op Europees niveau heeft Nederland het initiatief genomen een JointStatement on a European Sustainable Carbon Policy Package op testellen20. Dit statement benadrukt dat, om het concurrentievermogen engroene groei van Europese chemische industrie te borgen, het nodig isom gebruik van duurzame koolstofbronnen te stimuleren. Daarvoor is eenEuropees beleidsraamwerk nodig wat stuurt op marktcreatie, beschik-baarheid van duurzame koolstof en een gelijk speelveld. Dit statement isinmiddels ondertekend door 6 andere lidstaten en op 16 april jl. aange-boden aan EU-Commissaris Hoekstra.Antwerpen-verklaring en Draghi-rapportHet is een goede zaak dat de industrie haar behoeften met betrekking totde transitie naar klimaatneutraliteit kenbaar maakt. Publiek-privatesamenwerking zal een cruciale rol spelen bij de verduurzaming van deindustrie, zowel op het gebied van financiering als regelgeving. In datkader verwelkom ik initiatieven zoals de Antwerpen-verklaring. Mijnappreciatie is als bijlage aan deze Kamerbrief toegevoegd. Hierbij wordtvoldaan aan de toezegging van de voormalig Minister voor Klimaat enEnergie aan de vaste Commissie voor Economische Zaken en Klimaattijdens het debat van 21 maart jl. over een EU-klimaatdoel voor 204021.In het recent uitgekomen Draghi-rapport schetst Draghi een overkoe-pelend beeld van de Europese economie en constateert hij een achterblij-vende productiviteitsgroei in vergelijking met de Verenigde Staten. Draghidoet voor een tiental sectoren aanbevelingen, waaronder de energie-intensieve industrie. Toenemende uitdagingen zoals ambitieuze Europesedecarbonisatie in combinatie met structureel relatief hogere energie-prijzen leiden tot een verslechtering van de Europese concurrentiepositie.Door implementatie van de Green Deal wordt de Europese industrie18Kamerstuk 32 637, nr. 630.19Kamerstuk 32 813, nr. 1319.20Bijlage van Kamerstuk 32 852, nr. 31521Kamerstuk 22 112, nr. 3951.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2148 echter toonaangevend op het gebied van groene innovatie, mits er sprakeis van een aantrekkelijk investeringsklimaat. Het kabinet zal zich in de EUdan ook sterk maken voor het versnellen en harmoniseren van wetgevingvoor groene groei. Het kabinet is op 4 oktober jl. met een kabinetsreactieop het Draghi-rapport gekomen22.4. Randvoorwaarden en instrumenten Om groene groei mogelijk te maken, is het creëren van de juiste randvoor-waarden essentieel. Randvoorwaardelijk beleid is gericht op het scheppenvan een context waarin groene bedrijvigheid kan ontstaan en groeien. Omgroene groei te faciliteren, is een uitgebreid instrumentarium beschikbaar,gericht op innovatie, uitrol van duurzame technieken en stimulering vanduurzame productie. Op 12 september jl. heb ik toegezegd voorafgaandaan het komende commissiedebat op 17 oktober de Kamer te informerenover de uitkomsten van de gesprekken over de Delta Rhine Corridor23.Momenteel vinden intensieve gesprekken plaats met de initiatiefnemers inhet project (Gasunie, Tennet en het ammoniak consortium) over degezamenlijke planning en mogelijke alternatieve tracés voor individuelemodaliteiten. Ik heb de intentie om met mijn collega’s in het kabinet dekomende maanden een besluit te nemen over hoe de oorspronkelijkedoelstellingen van het project het beste gerealiseerd kunnen worden. Ikverwacht de Kamer hierover per brief begin december te informeren.Nationaal Programma Verduurzaming IndustrieZoals aangekondigd in het Regeerprogramma, zet het kabinet hetNationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) voort24. Het doelvan het NPVI is om verduurzaming van de industrie te versnellen, met alsfocus het halen van de klimaatdoelen in 2030. Het programma biedtinzicht in de complexiteit van de opgaven, stuurt op het oplossen vanconcrete knelpunten en faciliteert de samenwerking tussen de partners.Ook brengt het NPVI relevante programma’s en projecten samen.In de Kamerbrief Voortgang verduurzaming industrie d.d. 8 mei jl. heeft devoormalig Minister van Economische Zaken en Klimaat de Kamergeïnformeerd over het opleveren van een geactualiseerde RoutekaartVerduurzaming Industrie25. De Routekaart wordt beschouwd als hetfundament van het Nationaal Programma. Naast dat de Routekaart inzichtgeeft in de belangrijkste bestaande beleids- en realisatietrajecten biedt hetmogelijkheden om de voortgang van mijlpalen te monitoren en om op testuren. Als bijlage aan deze Kamerbrief stuur ik de Kamer de geactuali-seerde Routekaart NPVI Editie 2, mede ook naar de Eerste Kamer26.ClusteraanpakIn de industriële clusters is de voormalig Minister van Economische Zakenen Klimaat vorig jaar gestart met een versterkte clusteraanpak met departners van het NPVI. De aanpak omvat 5 geografische industriëleclusters en een zesde cluster bestaande uit bedrijven met eenCO2-reductieopgave verspreid door heel Nederland. In elk cluster is eenclusterregisseur aangesteld die werkt aan het creëren van meer inzicht inlopende projecten en afhankelijkheden, zodat knelpunten (versneld)kunnen worden opgelost, vertraging voorkomen en versnellingskansen in22Kamerstuk 21 501–30, nr. 61423Toezegging TZ202409–00424Kamerstuk 36 471, nr. 96.25Kamerstuk 29 826, nr. 211.26Eerste Kamer toezegging T03819 en T03810Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 2149 beeld gebracht. Daarnaast zorgt de clusteraanpak voor een verbeterdesamenwerking en besluitvorming tussen industrie, netbeheerders enoverheden. Wanneer vertraging dreigt in een cruciaal project voor deverduurzaming van de industrie hebben de clusterregisseurs het mandaaten de verantwoordelijkheid om stakeholders aan te spreken en debenodigde actie bespreekbaar te maken in de stuurgroep NPVI.Cluster 6 actieplanIn september 2023 is met de Kamer het Actieplan cluster 6 gedeeld27. Erwordt momenteel gewerkt aan een update van het Actieplan met eeninvulling van de regionale aanpak voor cluster 6 bedrijven. Dit betekenteen opschaling van de cluster 6 aanpak waarbij gekeken wordt naar lokaleoplossingen voor bedrijven in de regio. De casusaanpak uit het Actieplanwordt komende tijd voortgezet. In die aanpak zijn op dit moment zesbedrijven met in totaal 9 productielocaties onderhanden. In deze aanpakwordt gezocht naar een oplossing, vaak in een vastgelopen verduurza-mingsproject. De casus Saint-Gobain, een cluster 6 bedrijf, is met deplaatsing van een hybride glaswoloven succesvol afgesloten. Voor detoekomstige verduurzamingsopgaven van de betreffende productielocatiekan een soortgelijke aanpak dan ook kansrijk zijn. In het algemeen, gevencluster 6 bedrijven aan dat er voldoende potentieel is voor forseCO2-reductie in 2030 en verduurzaming noodzakelijk is voor huntoekomst, maar dat ze in de praktijk knelpunten ervaren zoals onderandere netcongestieproblematiek.Cluster Energie StrategieënDe 5 industrieclusters hebben in samenwerking met netbeheerders,overheden en de cluster regisseurs op 12 september jl. de vernieuwdeCluster Energie Strategieën (CES’en) aan mij aangeboden28. Voor cluster 6zijn voor het eerst door de verschillende provincies samen met de cluster6 organisatie provinciale Cluster Energie Strategieën opgesteld (pCES’en).Om een landelijk beeld te vormen van de verduurzamingsplannen van dedecentrale industrie worden de pCES’en samengevat in een overkoepe-lende cluster 6 CES. De pCES’en dienen daarnaast als input voor detweede ronde pMIEK’s (provinciaal Meerjarenprogramma InfrastructuurEnergie en Klimaat) waarbij de impact van de verduurzamingsplannen opde infrastructuur in kaart wordt gebracht.Naast deze aanpak voor de langere termijn zien we gelukkig dat er, door inte zetten op flexibiliteit in de afname, ook nog uitbreiding van capaciteitbij bedrijven mogelijk is. Een mooi voorbeeld hiervan is het cluster 6bedrijf Sappi. Door een contract af te sluiten voor flexibel vermogen is bijhet bedrijf een uitbreiding mogelijk en kan de netbeheerder ook andereklanten aansluiten.Tekstbox 2: Cluster Energie Strategieën (CES’en).In de CES’en beschrijven de clusters hun verduurzamingsplannen endaarmee veranderende energievraag tot 2050; voor cluster 6 is datgebeurd in een meer op de regio gerichte variant. Deze verduurza-mingsplannen laten zien dat CO2-afvang en opslag alsook waterstofveelal de beoogde verduurzamingspaden zijn van de industrie. Ookelektrificatie is een veel genoemd pad, maar hoge nettarieven ennetcongestie vormen daarbij obstakels.27Bijlage bij Kamerstuk 29 826, nr. 19728https://verduurzamingindustrie.nl/energie-infra/ces/default.aspxTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21410 In de CES’en worden daarnaast ook infrastructuurprojectenaangedragen die extra aandacht behoeven. PBL, TNO en RVOreflecteren momenteel op de uitkomsten van alle CES’en. Zij makeneen onafhankelijke rapportage over de resultaten, schetsen eenlandelijk beeld van de voortgang van de verduurzaming van deindustrie en geven advies over de methode waarop de industriewordt bevraagd naar hun verduurzamingsplannen. De Kamer wordtvoor het kerstreces geïnformeerd over de uitkomsten van dezeMIEK-ronde en de reflectie van PBL, TNO en RVO.Joint Taskforce AramisOm de CO2-reductie doelstellingen van de industrie te realiseren, isCarbon Capture and Storage (CCS) essentieel. Een belangrijk project isAramis, waarmee in de eerste fase een transport- en opslagcapaciteit van7,5 Mton per jaar wordt beoogd en op termijn een opslagcapaciteit van 22Mton per jaar mogelijk moet worden. Bij dit project zijn veel partijenbetrokken, die allemaal min of meer op hetzelfde moment een investe-ringsbesluit moeten nemen. Naar aanleiding van de expert opinion vanProf. Mulder is, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 16 april jl.29, eenpubliek-private taskforce opgericht die de risico’s langs de Aramis-waardeketen in kaart brengt en mogelijke publieke en private maatregelenom deze te mitigeren onderzoekt30. De belangrijkste risico’s die bedrijvenervan weerhouden definitieve investeringsbesluiten te nemen zijn in kaartgebracht. Op hoofdlijnen zijn dit: (1) risico op vertraging door onvol-doende coördinatie tussen de verschillende deelprojecten, (2) risico opvertraging in het vergunningen-proces, (3) het «vollooprisico» en (4) hetrisico op kostenstijgingen, waardoor de uiteindelijke transport- enopslagtarieven voor een deel van de emittenten te hoog worden voor eensluitende businesscase.Op dit moment worden potentiële private en publieke maatregelengeëvalueerd die kunnen helpen om deze risico’s te mitigeren. Privatemaatregelen zullen in elk scenario een harde voorwaarde zijn voor hetnemen van eventuele publieke maatregelen. Van bovengenoemde risico’smoet de eerste door marktpartijen gemitigeerd worden, terwijl de tweedevraagt om een gezamenlijke inspanning van overheid en marktpartijen.Voor de laatste twee risico’s worden zowel private als publieke maatre-gelen in kaart gebracht. Op basis van de uitkomsten van de Taskforce zalin het voorjaar 2025 worden bezien of, en zo ja welke, interventie gewenstis.WaterstofHet kabinet heeft besloten om de jaarverplichting voor Renewable Fuelsof Non-Biological Origin (RFNBO’s) in industrie te consulteren met hetstreven deze consultatie in de tweede helft van oktober 2024 te openen,zodat partijen die willen indienen voor de tweede openstelling van deOWE-regeling31 nog kennis kunnen nemen van de beoogde vormgevingvan de jaarverplichting. De reacties uit de consultatie neemt het kabinetmee in de verdere besluitvorming over invoering van de jaarverplichting.29Kamerstuk 32 813, nr. 1375.30Bijlage bij Kamerstuk 32 813, nr. 137531OWE-regeling betreft de subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbarewaterstof via elektrolyse die gedurende 15 t/m 31 oktober 2024 open is voor indienen vanaanvragen. In totaal is € 998.330.000 beschikbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21411 Daarnaast wordt gewerkt aan een voorstel voor vraagsubsidies voor hetgebruik van hernieuwbare waterstof in de industrie, waarbij verschillendevarianten worden onderzocht. De reacties van voornoemde consultatieworden ook meegenomen met de keuze voor vormgeving van dezevraagsubsidies. Verder werkt de Staatssecretaris van I&W momenteel deraffinageroute uit32, wat van belang is voor inzet van hernieuwbarewaterstof bij raffinaderijen. Via de raffinageroute wordt ook beoogd hetaanbod van hernieuwbare waterstof te vergroten die in andere industriëleprocessen kan worden ingezet. Later dit jaar zal meer uitgebreideinformatie met de Kamer worden gedeeld over de voortgang van hetwaterstofbeleid, voorafgaand aan het geplande Commissiedebat voorwaterstof.NIKIEen belangrijk knelpunt zit bij de opschaling van complexe doorbraaktech-nologieën die bewezen zijn op demonstratie schaal, maar nog niet zijntoegepast op commerciële schaal. Projecten die dergelijke nieuwe, vaakunieke, technieken toepassen zijn vaak duurder dan projecten gebaseerdop bewezen technieken of continuering van exploitatie van reedsbestaande installaties.De Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) richtzich specifiek op het ondersteunen van projecten in Nederland, waarbijinnovatieve technologie op commerciële schaal wordt toegepast en dieleiden tot significante CO2-emissiereductie. Via de NIKI komt hiermeesubsidie beschikbaar voor technieken met een groot potentieel vooradditionele CO2-emissiereductie waarvan de opschaling niet binnenbestaande subsidieregelingen past. Inmiddels is de NIKI-regelinggefinaliseerd en zal de internetconsultatie binnenkort van start gaan. Deeerste openstelling is voorzien voor het eerste kwartaal van 2025 met eenopenstellingsbudget van € 211 miljoen. In dit kader kan de NIKI voorzienin de opschaling van circulaire technieken op commerciële schaal binnende industrie. Hiermee is invulling gegeven aan de motie van Grinwisc.s.33.Nationaal GroeifondsMet het Nationaal Groeifonds wordt innovatie die nodig is om debedrijven van de toekomst een kans te geven ondersteund. Vanuit hetMinisterie van KGG coördineren we lopende innovatieprogramma’s, zoalsGroenvermogenNL (waterstof, 838 miljoen euro), BiobasedCircular(biobased chemie, 334 miljoen euro), SolarNL (Zon-PV, 412 miljoen euro)en Circular Plastics NL (circulaire plastics, 220 miljoen euro). Daarnaastwerk ik nauw samen met de Minister van Economische Zaken voorprogramma’s zoals Material Independence and Circular Batteries(Batterijen, 296 miljoen euro). Deze innovatieprogramma’s dragen doormiddel van het ondersteunen van maakindustrie en bijbehorendeecosystemen bij aan de klimaattransitie en aan de bedrijvigheid enweerbaarheid van de toekomst.Tekstbox 3: Investeringssubsidie Maakindustrie Klimaatneu-trale Economie (IMKE).Afgelopen zomer is de nieuwe Investeringssubsidie MaakindustrieKlimaatneutrale Economie (IMKE) met een budget van € 148 miljoengepubliceerd. De subsidie is op 1 oktober jl. opengesteld. Het budget32Kamerstuk 32 813, nr. 1383.33Kamerstuk 32 813, nr. 1345.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21412 van de IMKE loopt via de NGF-programma’s GroenvermogenNL,SolarNL en Material Independence and Circular Batteries (EZ).De IMKE ondersteunt maakbedrijven die willen investeren inproductielijnen voor zonnepanelen, batterijen of elektrolyse-installaties. In deze sectoren is het momenteel lastig voor bedrijvenom op te schalen. Hierdoor zien we innovatieve start- en scale-upsnaar het buitenland vertrekken. Met deze subsidie worden bedrijvenfinancieel ondersteund om de investeringsbereidheid in cleantech inNederland te vergroten.CO2-heffingMet de motie Erkens c.s. verzoekt de Kamer het kabinet om eenhardheidsclausule in de CO2-heffing industrie gericht op vermijdbareuitstoot uit te werken en te implementeren per 1 januari 202534. In deVoorjaarsnota is de Kamer geïnformeerd dat een aparte hardheids-clausule, in aanvulling op de reeds bestaande algemene hardheids-clausule, juridisch en uitvoeringstechnisch onwenselijk en onuitvoerbaaris. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet extern onderzoek latenuitvoeren naar mogelijke alternatieven voor een aparte hardheidsclausule.Dit is geconcretiseerd als een verkenning naar nieuwe flexibiliteitsoptiesbinnen de CO2-heffing industrie, in aanvulling op de bestaande flexibili-teitsopties van handel en verrekening. Dit onderzoek is op 7 oktober jl.met de Kamer gedeeld35.Het kabinet gaat de optie van het opstellen van een handelsplatformnader uitwerken. Daarnaast onderzoekt het kabinet of het mogelijk is ombedrijven meer flexibiliteit te bieden door eigen dispensatierechten uit detoekomst te lenen. Dit zou bedrijven in staat stellen om een huidig tekortaan dispensatierechten te dekken met dispensatierechten die ze in detoekomst zouden ontvangen. Hierdoor wordt de reductieopgave voor dezebedrijven in de toekomst groter omdat de bedrijven minder dispensatie-rechten overhouden in de jaren waaruit geleend is. Om te voorkomen datdeze reductieopgave tot hoge toekomstige kosten leidt, is het de intentievan het kabinet deze optie enkel beschikbaar te stellen voor bedrijven metconcrete verduurzamingsplannen. Door gebruik te maken van deze optiebetalen de bedrijven minder of geen heffing in de jaren waarin verduur-zaming nog niet mogelijk is, bijvoorbeeld door ontbrekende infrastructuur.In het voorjaar van 2025 zal worden besloten of deze optie in de wetopgenomen gaat worden.In het Klimaatakkoord en het coalitieakkoord van Rutte IV is afgesprokendat eventuele (niet beoogde) opbrengsten van de CO2-heffing ten goedekomen aan de verduurzaming van de industrie. Het kabinet verwacht opbasis van recente studies, zoals de tariefstudie van het PBL, dat bedrijvengedurende deze kabinetsperiode CO2-heffing zullen gaan betalen36.Daarom heeft het kabinet bij de Miljoenennota 2025 de terugsluisingeregeld. Voor de huidige kabinetsperiode (t/m 2028) is een raminggemaakt van de opbrengsten van de CO2-heffing voor de industrie enAfval Verbrandingsinstallaties (AVI’s). Deze worden toegevoegd aan hetKlimaatfonds en zijn geoormerkt voor, respectievelijk, de verduurzamingvan de industrie en AVI’s. De raming wordt herzien als er een lastenrele-vante beleidsmatige mutatie van de CO2-heffing plaatsvindt. Over de inzetvan de geraamde middelen wordt op een later moment besloten.34Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 40.35Kamerstuk 32 813, nr. 1414.36https://www.pbl.nl/publicaties/analyse-tarief-co2-heffing-industrie-tariefstudie-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21413 In het Commissiedebat Carbon Capture & Storage (CCS) van26 september jl. heb ik uw Kamer toegezegd om de samenhang tussen deCO2-heffing, ETS en de SDE++ nader toe te lichten37. In de SDE++, desubsidie die de onrendabele top van CO2-reducerende techniekenvergoed, wordt gecorrigeerd voor de ETS-prijs. Het in de SDE++ corri-geren voor de CO2-heffingsprijs zou ingaan tegen de wortel-stokgedachtein het beleid voor verduurzaming van de industrie, waarbij enerzijdsgeborgd wordt dat de industrie de reductieopgave realiseert (de stok) enanderzijds Nederland aantrekkelijk wordt gehouden voor nu nog nietrendabele investeringen door verduurzamende industrie (de wortel). Hetcorrigeren op basis van de ETS-prijs en niet de CO2-heffing helptbovendien het gelijke speelveld binnen de EU te waarborgen. AangezienETS in de hele EU van toepassing is, heeft de ETS-prijs geen invloed opde concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte vanEuropese concurrenten. De nationale CO2-heffing raakt daarentegenalleen Nederlandse bedrijven. Aangezien deze bedrijven internationaalopereren, zijn zij bovendien minder goed in staat om de meerkosten alsgevolg van de nationale CO2-heffing door te berekenen aan hun afnemers.Deze toelichting is in lijn met de eerdere beantwoording van Kamervragenuit 2021 over dit onderwerp38.Innovatieve groene investeringen (DEI+)Innovatieve groene investeringen in de industrie en energiesector wordengestimuleerd door de DEI+ subsidieregeling die innovatieve demonstratie-projecten ondersteunt. De regeling zal in 2025 worden voortgezet metaanvullende middelen uit het Klimaatfonds (€ 88 miljoen). Met dezeregeling kunnen bedrijven nieuwe groene processen, producten entechnieken verder ontwikkelen.In de motie van het lid Grinwis c.s. wordt gevraagd om te onderzoekenhoe nieuwe recyclingcapaciteit voor circulaire plastics versneld kanworden aangesloten op de energie infrastructuur39. Tevens bevat het eenverzoek om passende opschalingsinstrumenten zoals DEI+, VEKI en NIKIopen te stellen voor uitrol van circulaire technieken als die aantoonbaarCO2 reduceren. In de Kamerbrief Voortgang verduurzaming industrie d.d.8 mei jl. is de aanpak voor vergunning en aansluiting op infrastructuuralsook de ontwikkeling van de diverse subsidieregelingen toegelicht40.Daarop aansluitend kan worden vermeld dat de bestaande subsidierege-lingen DEI+ en VEKI, investeringen in de circulaire economie kunnenondersteunen als die ook bijdragen aan de reductie van de CO2-emissie.Hiermee is er invulling gegeven aan de motie van het lid Grinwis c.s.NetcongestieAdequate energie-infrastructuur is een essentiële randvoorwaarde vooreconomische activiteit. Netcongestie vormt momenteel een grootknelpunt dat het vestigingsklimaat negatief beïnvloedt. De Kamer is recentgeïnformeerd over de acties die het kabinet onderneemt om het knelpuntvan netcongestie te verminderen en mitigeren41.37Toezegging TZ202409–08538Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 72639Kamerstuk 32 813, nr. 1345.40Kamerstuk 29 826, nr. 211.41Kamerstuk 29 023, nr. 515.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21414 5. Stikstof De aanpak piekbelasting industrie, zoals aangekondigd in de Kamerbriefvan 12 juni 202342, heeft als doel met industriële piekbelasters afsprakente maken over of, en hoe, stikstofemissies versneld gereduceerd kunnenworden, boven op het wettelijk regime dat geregeld wordt aangescherpt.Het betreft de 1943 industriebedrijven die behoren tot de circa 3000piekbelasters44 over alle sectoren, die het RIVM heeft geïdentificeerd45.Net als de voormalig Minister van Economische Zaken en Klimaat zet ikmij onverminderd in om werk te maken van deze aanpak om de industrieeen evenwichtige bijdrage te laten leveren aan het oplossen van destikstofcrisis. Het aandeel van de industrie aan de stikstofdepositie opNatura 2000-gebieden is ca. 2,5% in 202146.Bovenwettelijke reductie van ammoniakuitstootSubsidieregeling voor bovenwettelijke ammoniakreductieMomenteel is de nieuwe subsidieregeling voor beperking van ammonia-kreductie in ontwikkeling. De verwachting is dat de regeling binnenkortgepubliceerd wordt. Hiervoor is een budget van € 54 miljoen beschikbaar.De beoogde regeling richt zich op de reductie van ammoniakemissie bijgrote (IPPC) installaties. Binnen de groep van industriële piekbelasterswordt circa 90% van de ammoniakemissie bij dergelijke installatiesgeëmitteerd door vijf bedrijven. De regeling is gericht op maatregelen diebovenwettelijk zijn, en zodoende niet verplicht. Om deel te nemen aan desubsidiemaatregel dienen bedrijven een aanvraag in via een tender,waarbij de aanvragen met de beste kosteneffectiviteit in aanmerkingkomen voor subsidie. De tendersystematiek geeft een prikkel om een zogroot mogelijke reductie van ammoniakemissie te organiseren. Deprojecten dienen uiterlijk in 2028 uitgevoerd te zijn. De verwachting is datdeze subsidiemodule leidt tot een jaarlijkse ammoniakreductie tussen de150.000 en 200.000 kilogram. Dit betreft 23–30% van de totale ammoniak-emissie van industriële piekbelasters.Maatwerksubsidie ROCKWOOLDaarnaast is onlangs goedkeuring gegeven voor het verlenen van eenmaatwerksubsidie aan ROCKWOOL, fabrikant van steenwolisolatie. Desubsidie van € 11,3 miljoen ondersteunt bij de aanschaf van eenverlengde uithardingsoven waarmee een alternatief bindmiddel toegepastkan worden bij het vervaardigen van isolatieproducten. Dit zal resulterenin een jaarlijkse ammoniak-reductie van 42.000 kilogram. Het projectwordt stapsgewijs uitgevoerd in de periode 2026 tot en met 2028 en leidttot een aanzienlijke depositiereductie van gemiddeld 5,68 tot 8,82mol/ha/jaar op de omringende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.ROCKWOOL heeft een reductieplan gepresenteerd om in totaal tot en met2028 75% van de totale ammoniakemissie te reduceren, en toegezegd ookdaarna door te gaan met reductie van emissies.42Kamerstuk 30 252, nr. 96.43Van de 19 industriebedrijven vallen er drie onder de CO2-maatwerkaanpak: Tata Steel, BP en,Chemelot (vanwege de koepelvergunning gecategoriseerd als één piekbelaster)44Een piekbelaster wordt door het RIVM gedefinieerd als een bedrijf dat binnen een straal van25km op het overbelaste Natura 2000-areaal een stikstof jaarvracht deponeert van minstens2500 mol/jaar.45Bepalen drempelwaarde piekbelasters-aanpak (RIVM-briefrapport 2023–0313)46CBS, PBL, RIVM, WUR (2024). Herkomst stikstofdepositie, 2022 (indicator 0507, versie 14,22 februari 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21415 Maatwerksubsidie Yara Sluiskil WESP-installatieTen slotte is voor Yara Sluiskil afgelopen periode een maatwerksubsidiegoedgekeurd ter waarde van € 11,5 miljoen voor de installatie van denageschakelde WESP-technologie (Wet Electrostatic Precipitator) op éénvan de granulatiefabrieken. Hiermee wordt een emissiereductie van31.000 kilogram ammoniak en 48.000 kilogram ammoniumnitraatstofbehaald. Met deze maatregel levert Yara een belangrijke bijdrage aan dereductie van ammoniakemissies.Benutting van stikstofdepositieruimteDe geëffectueerde stikstofdepositieruimte uit de regeling voor bovenwet-telijke ammoniakreductie en de maatwerkovereenkomsten metROCKWOOL en Yara Sluiskil wordt benut om de druk op stikstofgevoeligenatuur te verminderen. Alleen als de staat van de natuur het toelaat, kangebruikgemaakt worden van de beschikbare stikstofdepositieruimte voorde aanleg van energie-infrastructuur, het legaliseren van PAS-melders, hetmogelijk maken van woningbouw en/of andere urgente maatschappelijkeopgaven. De komende periode wil het kabinet met de relevante bevoegdegezagen en andere belanghouders bekijken welke mogelijkheden er zijn.Overige ontwikkelingenNaast bovengenoemde subsidies is reductie van stikstofuitstoot in deindustrie niet incidenteel, maar structureel, als gevolg van jarenlangestrenge doel- en emissiesturing. Zoals door mijn ambtsvoorganger ook inde beantwoording van Kamervragen van de leden Bisschop & Stoffer istoegelicht47, geldt voor industriële bedrijven al sinds de jaren ’90 dat zijzich dienen te houden aan uitgebreide wet- en regelgeving die emissie-grenswaarden voorschrijven, gekoppeld aan de BBT. Deze BBT worden ophun beurt weer gebruikt door het bevoegd gezag bij het vaststellen van debenodigde milieuvergunningen. Deze Europese emissiegrenswaardenworden geregeld aangescherpt. Mede door deze internationale milieuwe-tgeving is de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) in de industrie- enenergiesector met 79% gedaald in 2022, ten opzichte van 199048.De afgelopen tijd zijn deze ontwikkelingen op wettelijk terrein nog verderversneld: in de gehele industrie – niet alleen bij de piekbelasters – is zostreng mogelijk vergunnen nu de norm. Vanuit het Schone Lucht Akkoordis op landelijk niveau afgesproken dat het Rijk gemeenten en provinciesondersteunt om zoveel mogelijk aan de strenge kant van de BBT-range tevergunnen. Dit ambitieuze voornemen wordt nu, enkele jaren later,nogmaals op Europees niveau bekrachtigd: de recent herziene RichtlijnIndustriële Emissies (RIE), die 1 juli 2026 in werking treedt, verplichtbevoegde gezagen om zo dicht mogelijk tegen de onderkant van deBBT-range te vergunnen. Bedrijven moeten vanaf dat moment zelf hardkunnen maken waarom ze niet kunnen voldoen aan de onderkant vandeze range, en hiervoor bewijs aanleveren aan het bevoegd gezag. Naasthet feit dat het zo streng mogelijk vergunnen van bedrijven onder de RIEwettelijk zal worden vastgelegd, zijn de regels voor kleinere installaties(niet-IPPC installaties) ondertussen al aangescherpt. Recent zijn deemissiegrenswaarden voor ammoniak in het Besluit activiteiten leefom-geving omlaag gebracht: voor nieuwe bedrijven gelden deze sinds1 januari 2024; voor bestaande bedrijven vanaf 1 januari 2026. Hierdoorzijn extra mogelijkheden ontstaan om vergunningen aan te scherpen bij47Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 93248Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2023: Monitoring van de Wet stikstofre-ductie en natuurverbetering (RIVM, 2023).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21416 kleinere industriële installaties, zoals in de voedings- en genotsmiddelen-industrie49.Naast de aangescherpte milieunormen, zorgt een divers palet aaninstrumenten voor de algehele verduurzaming van de industrie, hetgeenweer zorgt voor een lagere uitstoot van NOx. NOx-vorming ontstaat bij allevormen van verbrandingsprocessen en heeft op die manier een relatiemet het vrijkomen van CO2. Met een breed palet aan beleids- en subsidie-maatregelen wordt er in de industrie gewerkt om CO2, energiebesparingen daaraan gekoppeld NOx-reductie te realiseren; naast de energiebespa-ringsplicht geeft de CO2-heffing industrie en het EU ETS een prikkel omCO2 en energie te besparen waardoor ook NOx emissies wordengereduceerd. Daarnaast bieden subsidieregelingen zoals de SDE++ en deVEKI, en de subsidies en afspraken van het CO2 maatwerk een onder-steuning voor verduurzaming. Uit de Emissieramingen van het PBL50blijktdat de NOx-emissies vanuit de industrie, als gevolg van de bovenge-noemde factoren, verder zullen dalen.Met de bovengenoemde maatregelen voor de reductie van ammoniak isde insteek om het beperkte budget voor de aanpak piekbelasting industriezo effectief mogelijk in te zetten om een bijdrage te leveren aan devermindering van de stikstofbelasting op natura 2000-gebieden. Hetkabinet kijkt de komende maanden naar mogelijkheden om meerbovenwettelijke reductie van ammoniakemissies binnen de industrie terealiseren.Tot slotIn deze Kamerbrief heb ik, mede namens de Staatssecretaris vanInfrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu, de Kamermeegenomen in de stand van zaken van de verduurzaming van deindustrie. De industrie is hard op weg om te verduurzamen, maar er isnog veel te doen. Om de industrie de mogelijkheid te geven te verduur-zamen, zet het Kabinet zich volledig in voor de tijdige realisatie vanrandvoorwaarden. Tegelijkertijd wordt een zelfde commitment verwachtvan het bedrijfsleven om concrete verduurzamingsprojecten in gang tezetten en in Nederland te investeren. Op die manier kan de overheidsamen met bedrijven zorgen voor groene groei, een gezondere leefom-geving, realisatie van de benodigde infrastructuur en het juiste (interna-tionale) investeringsklimaat om de noodzakelijke ombouw én opbouw tekunnen realiseren. Dit is noodzakelijk om de klimaatdoelen te halen entegelijkertijd een concurrerende, weerbare, toekomstbestendige, schoneen duurzame industrie in Nederland te hebben.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.Th.M. Hermans49MOB, ofi en OD NZKG realiseren forse winst natuur en milieu, persbericht OmgevingsdienstNoordzeekanaalgebied, 7 juli 2023, https://odnzkg.nl/mob-ofi-en-od-nzkg-realiseren-forse-winst-natuur-en-milieu/. Ofi’s ammoniakuitstoot zal dalen van 263,5 ton in 2020 naar maximaal11,9 ton in 1 oktober 2024 en 4,2 ton uiterlijk 1 januari 2028.50Geraamde ontwikkelingen in nationale emissies van luchtverontreinigende stoffen 2023,Planbureau voor de Leefomgeving, rapport dd. 28 februari 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 826, nr. 21417

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a462534dab0367c0

14 okt 2026 · 3942a516a3863f0d

13 okt 2026 · 953485539de06d90

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.