KamerkringInloggen
← Verkenner

Kamerstuk · 22 sep 2026 · Tweede Kamer

Nota naar aanleiding van het verslag

Brontekst

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL Vergaderjaar 2026/27 36 903 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet register onderwijsdeelnemers in verband met de wettelijke borging van diverse verwerkingen van persoonsgegevens in het funderend onderwijs (Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs) Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 22 september 2026 De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. De regering is de leden van de fracties van CDA, ChristenUnie, D66, GroenLinks-PvdA, PVV en de VVD erkentelijk voor de gestelde vragen. Hierna reageert de regering op de door de fracties gestelde vragen. De door de leden gestelde vragen zijn zo veel mogelijk samengevoegd op thema om onnodige herhaling in de beantwoording te voorkomen. Allereerst zal de regering reageren op enkele vragen over het wetsvoorstel als geheel of in het algemeen. Daarna zal zij achtereenvolgens de vragen beantwoorden over de onderdelen Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs, verstrekking van personeelsgegevens aan sectorraden en verstrekking van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Inhoudsopgave 1. Algemeen a. Doelstelling b. Beginselen verwerking persoonsgegevens c. Evaluatiebepaling 2. Landelijke veiligheidsmonitor a. Nut en noodzaak b. Samenhang met Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs c. Bruikbaarheid, frequentie en administratieve lasten d. Bescherming persoonsgegevens e. Participatie, representativiteit en doelgroepen f. Verhouding tot toezicht g. Overig 3. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden a. Nut en noodzaak b. Bescherming persoonsgegevens c. Salarisgegeven d. Overige gegevens 4. Verstrekking gegevens Register Onderwijsdeelnemers aan NWO a. Bescherming persoonsgegevens b. Uitvoerbaarheid DUO 1. Algemeen A. Doelstelling De leden van de VVD vragen hoe de voorgestelde gegevensverwerkingen bijdragen tot het verbeteren van de onderwijskwaliteit en prestaties van leerlingen en of daar voorbeelden van zijn geweest. Kennisgedreven beleid is één van de pijlers om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren of te verrijken. Om kennisgedreven beleid mogelijk te maken, moeten organisaties over actuele, betrouwbare en accurate gegevens beschikken over de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs in brede zin. Concreet kan daarmee beleid worden ontwikkeld en uitgevoerd dat effectief en efficiënt is en dat is gebaseerd op bewezen praktijken en de best beschikbare kennis uit onderzoek. Het beleid is er onder andere op gericht om de onderwijskwaliteit te verbeteren en zal daarmee een positief effect hebben op de prestaties van leerlingen. Een veilige omgeving is een randvoorwaarde om tot leren te komen. Het percentage van leerlingen en personeel dat aangeeft zich (online) veilig te voelen, is daarmee een belangrijke indicator voor het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs. Door zicht te krijgen op de oorzaken van onveiligheid op school, kan de regering gericht inzetten op het voorkomen van dergelijke onveiligheid, bijvoorbeeld via aanvullende ondersteuning of wet- en regelgeving. Zo zijn onder andere de uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor over het schooljaar 2021-2022 aanleiding geweest om de beleidsinzet tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag te versterken door middel van aanvullende ondersteuning vanuit Stichting School & Veiligheid en de alliantie seksueel grensoverschrijdend gedrag.[voetnoot 1] Ook bleek uit de laatste editie van de Landelijke veiligheidsmonitor dat wanneer personeel te maken had met een incident, het in bijna 20% van de gevallen een familielid van een leerling betrof.[voetnoot 2] Dit inzicht is betrokken bij het besluit om samen met de sectorraden te werken aan het versterken van de samenwerking tussen ouders en school voor het bevorderen van een positief pedagogisch klimaat. In het geval van de levering aan de sectorraden dragen het gebruik van data en de bijbehorende analyses en informatie bij aan bijvoorbeeld de vroegsignalering van risico’s, organisatiebrede kwaliteitszorg en inzicht in het eigen presteren ten opzichte van vergelijkbare schoolbesturen. Benchmarks maken het voor onderwijsinstellingen mogelijk om hun personeels- en financiële kengetallen te vergelijken met andere, vergelijkbare schoolbesturen en sectoren, waardoor verschillen en verbeterpunten zichtbaar worden. Door inzicht in bijvoorbeeld leeftijdsopbouw (vergrijzing of vergroening), verzuim en de verhouding tussen tijdelijke en vaste formatie kunnen scholen gerichter sturen op personeelsbeleid. Benchmarks kunnen onderwijsinstellingen ondersteunen bij sturing, verantwoording en het signaleren van trends in hun organisatie.[voetnoot 3] Tevens zet open en duidelijke informatie over de kwaliteit van scholen, onderwijsinstellingen aan om beter te presteren.[voetnoot 4] Hierdoor dragen benchmarks bij aan het maken van onderbouwde keuzes in beleid en kunnen daarmee bijdragen aan versterking van de onderwijskwaliteit. Tot slot ondersteunen rapportages in het kader van het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), mogelijk gemaakt door de verstrekking van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan de NWO, schoolbesturen in het po en vo bij benchmarking, kwaliteitszorg en bij het samenstellen van hun jaarplannen. B. Beginselen verwerking persoonsgegevens De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de belangrijkste beginselen (doelbinding, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit) voor de verwerking van persoonsgegevens in dit wetsvoorstel zijn verwerkt en om dit per beginsel toe te lichten. Tevens vragen zij om de uitgevoerde DPIA’s aan de Kamers te doen toekomen en wat de uitkomsten en maatregelen zijn. De belangrijkste beginselen voor de verwerking van persoonsgegevens zijn doelbinding, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Het wetsvoorstel bepaalt nauwkeurig voor welke doelen persoonsgegevens mogen worden verwerkt. Persoonsgegevens mogen alleen voor deze uitdrukkelijk omschreven doelen worden gebruikt en niet voor andere doeleinden. In hoofdstuk 5 van de Memorie van Toelichting wordt uitgelegd hoe deze beginselen zijn verwerkt, welke belangenafwegingen ten grondslag liggen aan de keuzes en de overwogen alternatieven. De gegevensverwerkingen zijn beperkt tot drie thema’s: de Landelijke Veiligheidsmonitor (paragraaf 5.2), het verstrekken van personeelsgegevens aan sectorraden (paragraaf 5.3) en het verstrekken van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers aan NWO voor onderzoek (paragraaf 5.4). Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt wanneer dat noodzakelijk is om het doel van het wetsvoorstel te bereiken. Voor de Landelijke Veiligheidsmonitor is verwerking nodig om een betrouwbaar en gedifferentieerd landelijk beeld te krijgen van de veiligheid op scholen in het funderend onderwijs. Gegevensverstrekking aan de raden is noodzakelijk om de sectorraden in staat te stellen om schoolbesturen te ondersteunen bij hun verantwoording en vergelijking mogelijk te maken op kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs. Ook voor NWO geldt dat zonder deze gegevens de wettelijke taken of onderzoeksdoelen niet goed uitvoerbaar zijn. Het wetsvoorstel bevat waarborgen zodat de inbreuk op de privacy niet verder gaat dan nodig is. Zo worden gegevens zoveel mogelijk geaggregeerd of gepseudonimiseerd verwerkt, is toegang beperkt tot bevoegde personen, gelden bewaartermijnen en worden alleen noodzakelijke categorieën persoonsgegevens verwerkt. Daarmee staat de privacy-inbreuk in redelijke verhouding tot het maatschappelijke belang van goed onderwijsbeleid en onderzoek. In de toelichting is ook uiteengezet waarom minder ingrijpende alternatieven niet mogelijk zijn. Daartoe is onderzocht of dezelfde doelen bereikt kunnen worden zonder persoonsgegevens of met minder gevoelige gegevens. Wanneer dat niet voldoende mogelijk bleek, is gekozen voor verwerking met extra waarborgen. Bijvoorbeeld bij de Landelijke Veiligheidsmonitor is deelname niet verplicht en wordt dubbele uitvraag zoveel mogelijk voorkomen. De Data Protection Impact Assessments (DPIA) zijn openbaar en beschikbaar gemaakt via de wetgevingskalender.[voetnoot 5] De risico’s en genomen maatregelen zijn opgenomen in onderdelen C en D van de DPIA's, die zijn te raadplegen via de wetgevingskalender. C. Evaluatiebepaling De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom er geen evaluatiebepaling is toegevoegd aan het wetsvoorstel en op welke wijze er geëvalueerd wordt of de voorstellen daadwerkelijk bijdragen aan de doelen die worden beoogd en of bijsturing noodzakelijk is. Naar aanleiding van de vraag van de leden wordt bij nota van wijziging voorgesteld alsnog te voorzien in een evaluatiebepaling. Voorgesteld wordt te bepalen dat binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs de Minister van OCW aan uw Kamer en de Eerste Kamer een verslag stuurt inzake de doeltreffendheid en de effecten van de Landelijke veiligheidsmonitor.[voetnoot 6] De regering kiest ervoor om geen evaluatiebepaling op te nemen ten aanzien van de gegevensverstrekking aan de sectorraden en de gegevensverstrekking aan de NWO omdat de eerstgenoemde gegevensverstrekking slechts een klein deel is van het totaal aan gegevens dat wordt gebruikt door de sectorraden voor de informatieproducten/benchmarks. De gegevensverstrekking aan de NWO wordt als onderdeel van de verstrekkingen in artikel 23 van de Wet Register Onderwijsdeelnemers (WRO) al onderworpen aan een periodieke evaluatie. Voor het onderdeel Landelijke veiligheidsmonitor zal het onderzoeksbureau dat de Landelijke veiligheidsmonitor heeft uitgevoerd betrokken worden bij deze evaluatie. Aan de hand van dat verslag en de daarin vermelde resultaten kan worden beoordeeld welke effecten de wet heeft en in hoeverre en op welke punten bijsturing noodzakelijk is. Het gaat om een ex post evaluatie. Zoals toegelicht bij de nota van wijziging, is voor de termijn van vijf jaar gekozen omdat een wet kort na de inwerkingtreding nog geen diepgaand beeld van de effecten of doelbereiking van die wet geeft. Er is dan nog te weinig ervaring opgedaan en er zijn dan nog geen trends zichtbaar. Hiervoor zijn meerdere metingen noodzakelijk. De Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar 5.58) hanteert daarom een minimale evaluatietermijn van vijf jaar. De voorgestelde evaluatiebepaling is conform deze aanwijzing geformuleerd. 2. Landelijke veiligheidsmonitor A. Nut en noodzaak De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en het CDA hebben gevraagd naar de nut en noodzaak en proportionaliteit van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de VVD vragen zich daarbij af hoe de regering borgt dat de Landelijke veiligheidsmonitor wordt benut en bijdraagt aan het in de praktijk verbeteren van de veiligheid op school. Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor welke doeleinden er op schoolniveau uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor worden gegenereerd. De Minister van OCW dient als stelselverantwoordelijke de bevoegde gezagen zo goed mogelijk te ondersteunen bij de invulling van hun zorgplicht voor de (online) veiligheid op school. Dit wetsvoorstel is noodzakelijk om landelijk zicht te krijgen op de veiligheid op school ten behoeve van de landelijke beleids- en besluitvorming op het gebied van de veiligheid op school. In de eerste plaats betreft dat zicht op basis van gegevens over het veiligheidsklimaat zelf, zoals hoe vaak verschillende uitingsvormen van onveilig gedrag voorkomen of hoe de veiligheid in het algemeen door de deelnemers ervaren wordt. Zo kan de Landelijke veiligheidsmonitor leerlingen bevragen op bijvoorbeeld digitaal pesten, voor zover dat de veiligheids van leerlingen of personeel op school aantast. In de tweede plaats is het noodzakelijk om in beeld te krijgen welke (verschillende) problemen er spelen bij bepaalde groepen en onderwijssoorten en wat daar de context van is. Alleen door middel van een gedifferentieerd beeld kunnen relevante aangrijpingspunten voor doeltreffend en doelmatig landelijk beleid worden geïdentificeerd. Zo kunnen de uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor aanleiding zijn gericht beleid te voeren om de veiligheid van een specifieke doelgroep gericht te verbeteren. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk een gedifferentieerd landelijk beeld te krijgen door de uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor aan de hand van indirect identificerende gegevens (achtergrondkenmerken) te groeperen. Daarbij is ook sprake van bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Er worden géén directe persoonsgegevens aan de antwoorden gekoppeld. Er is onderzocht of het mogelijk is een Landelijke veiligheidsmonitor uit te voeren zonder dat daarbij bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard worden verwerkt. Dat zou echter leiden tot een sterk veralgemeniseerd en daarmee ongenuanceerd beeld van het veiligheidsklimaat, waarmee niet de benodigde concrete aanknopingspunten voor gericht beleid geïdentificeerd kunnen worden. Op basis van het bovenstaande wordt de verwerking van indirect herleidbare persoonsgegevens noodzakelijk geacht. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen om de inbreuk op de privacy zo veel mogelijk te beperken en de persoonlijke levenssfeer van deelnemers te beschermen. In dit licht acht de regering het verwerken van deze persoonsgegevens proportioneel. Uiteindelijk hebben scholen er profijt van als de overheid gericht datagedreven beleid kan voeren en haar beleid op basis van de Landelijke veiligheidsmonitor kan evalueren. Zo zijn onder andere de uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor over het schooljaar 2021-2022 aanleiding geweest om de beleidsinzet tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag te versterken door middel van aanvullende ondersteuning vanuit de Stichting School & Veiligheid en de alliantie seksueel grensoverschrijdend gedrag.[voetnoot 7] De uitkomsten van de Landelijke veiligheidsmonitor kunnen inzicht geven in de effectiviteit van de maatregelen en laten zien waar verdere ondersteuning of beleid noodzakelijk is, ook op het gebied van online vormen van onveiligheid. Zo wordt de inzet van beleid gerichter en effectiever, wat de veiligheid op school ten goede komt. Elke editie van de Landelijke veiligheidsmonitor zal resulteren in een landelijke rapportage die naar Uw Kamer verstuurd zal worden. Tegelijkertijd erkent de regering dat monitoring, hoewel die bijdraagt aan de (online) veiligheid op school, alleen in samenhang met andere maatregelen effectief is. De veiligheid op school staat of valt met de inzet van de school zelf om de veiligheid te borgen. Uit de evaluatie van de Wet veiligheid op school kwam naar voren dat goed zicht op de veiligheid en een periodieke evaluatie daarbij kunnen helpen.[voetnoot 8] Deelnemende scholen krijgen een schoolrapportage waarmee zij zicht krijgen op de veiligheid en gericht maatregelen kunnen nemen om deze te bevorderen. Hiermee kunnen deze scholen voldoen aan de wettelijke verplichting tot het uitvoeren van een leerlingmonitor op schoolniveau. B. Samenhang met Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs De leden van de fracties van CDA, D66, GroenLinks-PvdA, VVD en ChristenUnie vragen naar de onderlinge afhankelijkheid van onderhavig wetsvoorstel en het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, en wat de gevolgen zijn (voor de uitvoering) als één van deze twee wetsvoorstellen niet, of in gewijzigde vorm, wordt aangenomen. Onderhavig wetsvoorstel was in beperkte mate afhankelijk van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs. Naar aanleiding van het verwerpen van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht de regering het noodzakelijk enkele technische en inhoudelijke wijzigingen door te voeren per nota van wijziging.[voetnoot 9] In de geldende sectorwetten is reeds vastgelegd dat het bevoegd gezag vanwege zijn zorgplicht voor de veiligheid op school jaarlijks de veiligheid van leerlingen monitort en de resultaten aan de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) stuurt.[voetnoot 10] Omdat scholen verplicht zijn om de veiligheid van hun leerlingen jaarlijks te monitoren, zou het uitvoeren van de Landelijke veiligheidsmonitor in de praktijk betekenen dat leerlingen die deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor twee keer in één jaar bevraagd worden. Om te voorkomen dat er onnodig vaak een inbreuk wordt gemaakt op hun privacy wordt met dit wetsvoorstel voorgesteld dat deelnemende scholen kunnen voldoen aan hun wettelijke monitoringsverplichting door de Landelijke veiligheidsmonitor als leerlingmonitoringsinstrument in te zetten. Daarom moet de Landelijke veiligheidsmonitor juridisch en inhoudelijk aansluiten bij de leerlingmonitor. Dit wordt bewerkstelligd door in het onderhavige wetsvoorstel een verplichting op te nemen voor de Minister van OCW om een rapportage aan deelnemende scholen te verstrekken met school specifieke en geaggregeerde uitkomsten en daarbij te verwijzen naar de leerlingmonitoringsverplichting. Dit zorgt ervoor dat wijzigingen ten aanzien van de leerlingmonitor direct doorwerken in onderhavig wetsvoorstel. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs zou de delegatiegrondslag om regels te stellen aan de leerlingmonitor worden gewijzigd en uitgebreid. Deze wijzigingen zijn met het verwerpen van dat wetsvoorstel komen te vervallen. Dit heeft geen directe invloed op het onderhavige wetsvoorstel omdat de reeds bestaande wetgeving van kracht blijft. Het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs bevatte echter een delegatiegrondslag om regels te stellen aan de toezending van de resultaten aan de inspectie. De regering acht deze wetsverbetering noodzakelijk en stelt bij nota van wijziging voor om de delegatiegrondslag over te nemen in het onderhavige wetsvoorstel. Uit gesprekken met de inspectie bleek namelijk dat sommige scholen onbedoeld meer informatie aan de inspectie toezenden dan noodzakelijk is, waardoor een risico op onnodige inbreuk op de privacy van betrokkenen ontstaat. De toezending gebeurt ook niet altijd digitaal, wat de toezichtlast voor de inspectie vergroot. Door het gebrek aan regels acht de regering de privacy van betrokkenen en de helderheid van de regelgeving onvoldoende geborgd. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs zou het bevoegd gezag tevens verplicht worden jaarlijks het veiligheidsbeleid te evalueren en daarbij onder andere de uitkomsten van de leerlingmonitor en de veiligheid van het personeel te betrekken. Ten behoeve van deze verplichting is in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen dat de Minister van OCW in de schoolrapportage ook uitkomsten verstrekt over ervaringen met het veiligheidsbeleid en de veiligheid van personeel. Met het verwerpen van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs is de evaluatieverplichting komen te vervallen. De regering acht het echter van groot belang dat scholen de relevante beschikbare kennis kunnen gebruiken ten behoeve van het uitvoeren van het veiligheidsbeleid. Daartoe ontbreekt een grondslag in de zin van de AVG om gegevens te verstrekken aan het bevoegd gezag over het veiligheidsbeleid. De regering acht het van belang dat het bevoegd gezag gegevens over het veiligheidsbeleid en de veiligheid van het personeel moet kunnen betrekken bij het veiligheidsbeleid, omdat dit ook mogelijke gevolgen heeft voor de veiligheid van leerlingen. Ook heeft het bevoegd gezag in de hoedanigheid van werkgever nog steeds een verplichting voor een risico-inventarisatie en evaluatie ten aanzien van de veiligheid van het personeel.[voetnoot 11] In dat kader stelt de regering bij nota van wijziging voor om in de schoolrapportage tevens de uitkomsten over ervaringen met het veiligheidsbeleid en de veiligheid van personeel aan deelnemende scholen te verstrekken ten behoeve van de verplichting veiligheidsbeleid te voeren. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD en ChristenUnie vragen waarom het onderdeel LVM in onderhavig wetsvoorstel geen onderdeel uitmaakt van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs. De regering heeft ervoor gekozen de grondslag en regels inzake de Landelijke veiligheidsmonitor niet in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs op te nemen omdat dit tot vertraging zou hebben geleid voor dat wetsvoorstel. Toen werd geconcludeerd dat een wettelijke verankering van de taak en grondslag om de Landelijke veiligheidsmonitor uit te voeren noodzakelijk was, was de adviesaanvraag voor het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs reeds verzonden aan de Afdeling advisering van Raad van State. C. Bruikbaarheid, frequentie en administratieve lasten De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen naar de representativiteit en bruikbaarheid van eerdere edities van de Landelijke veiligheidsmonitor. De GroenLinks-PvdA-fractie vraagt daarbij of eerdere Landelijke veiligheidsmonitor’s uitgaan van “een sterk veralgemeniseerd en daarmee ongenuanceerd beeld van het veiligheidsklimaat”. De resultaten van de eerdere edities van de Landelijke veiligheidsmonitor zijn representatief en bruikbaar. De onderzoekers hebben de representativiteit van de resultaten ook onderbouwd in het rapport van de laatste editie van de Landelijke veiligheidsmonitor. Daarbij is gekeken naar achterstandsscores, stedelijkheid en leerlingaantallen.[voetnoot 12] Het beeld dat voortkomt uit de Landelijke veiligheidsmonitor 2021-2022 is ook niet sterk veralgemeniseerd of ongenuanceerd. Er ontbreekt echter wel een wettelijke basis voor het verwerken van (bijzondere categorieën) persoonsgegevens. Dat wordt met het onderhavige wetsvoorstel gerepareerd. Het wetsvoorstel bepaalt voor de komende edities van de Landelijke veiligheidsmonitor dat de Landelijke veiligheidsmonitor een gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar instrument is. Daaruit volgt dat gestreefd wordt naar een zo representatief mogelijke Landelijke veiligheidsmonitor. Nadere regels daarover worden vastgelegd bij ministeriële regeling. De leden van de fracties van D66, GroenLinks-PvdA en de ChristenUnie vragen naar de rationale achter de tweejaarlijkse cyclus van de Landelijke veiligheidsmonitor, mede in verhouding tot de jaarlijkse afname van de leerlingmonitor en gelet op de inbreuk op de privacy. De leden van GroenLinks-PvdA vragen om nader toe te lichten waarom er niet gekozen is voor een termijn van drie of vier jaar. De regering acht het noodzakelijk en proportioneel om de Landelijke veiligheidsmonitor met een frequentie van eens in de twee jaar af te nemen om voldoende zicht te krijgen op de landelijke trends en trendverschillen op het gebied van veiligheid in het funderend onderwijs. Bij een lagere frequentie van de afname (zoals eens per vier jaar) kan onvoldoende worden ingespeeld op ontwikkelingen in de samenleving die de veiligheid op school beïnvloeden. Dat brengt het risico met zich mee dat de veiligheid op scholen alsnog onvoldoende in beeld is en dat het landelijke beleid niet tijdig kan worden bijgestuurd. Indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken, zoals gedurende de COVID-pandemie, kan de tweejaarlijkse termijn van de Landelijke veiligheidsmonitor wel worden verlengd (bijvoorbeeld met één jaar). Jaarlijks monitoren op landelijk niveau, zoals dat wel verplicht is voor bevoegde gezagen, is ondoelmatig omdat de landelijke beleidscyclus langer duurt. Op schoolniveau kunnen jaarlijks wel concrete beleidsaanpassingen worden gedaan die direct doorwerking kunnen hebben op de veiligheid op school. Daar is dus wel gekozen voor jaarlijkse monitoring. De regering verkent de mogelijkheid voor het bieden van een beperkte alternatieve vragenlijst aan deelnemende scholen in de tussenliggende jaren van de Landelijke veiligheidsmonitor. De leden van de fracties van CDA, VVD, D66 en PVV vragen naar de gevolgen voor de toename van administratieve lasten ofwel regeldruk als gevolg van dit wetsvoorstel. De leden van D66 wijzen daarbij ook op de samenhang met de leerlingmonitorverplichting. Scholen hebben al een verplichting om jaarlijks de veiligheid van hun leerlingen te monitoren. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat scholen die ervoor kiezen om mee te werken aan de Landelijke veiligheidsmonitor, daarmee kunnen voldoen aan hun eigen leerlingmonitoringsverplichting. In feite zetten zij de schoolrapportage van de Landelijke veiligheidsmonitor dan in als leerlingmonitoringsinstrument. De administratieve lasten voor de school voor het bevragen van leerlingen zijn daarmee beperkt. Wel dienen leerlingen een vragenlijst in te vullen die langer is dan het gemiddelde leerlingmonitoringsinstrument. De toename van deze lasten is beperkt: €90.033 voor het totaal van de deelnemende scholen. Ook voor het personeel is er sprake van een beperkte stijging van de administratieve lasten. Deze neemt toe doordat personeel zelf deelneemt aan de monitor en ook aanvullende tijd in de les moet inruimen voor de afname van de monitor in de klas. De toename van deze lasten is beperkt tot €95.407 voor het totaal van de deelnemende scholen. Een uitgebreide berekening van de gevolgen voor de regeldruk is te vinden in de memorie van toelichting.[voetnoot 13] Dit wetsvoorstel brengt geen aanvullende toezichtslast met zich mee voor de inspectie. D. Bescherming persoonsgegevens De leden van de fracties van D66 en GroenLinks-PvdA hebben verschillende vragen gesteld over de technische, procedurele en organisatorische waarborgen voor de omgang met persoonsgegevens gelet op de bescherming daarvan. Zo hebben de leden van D66 gevraagd in te gaan op de verantwoordelijkheden en rollen tussen de verschillende betrokken partijen bij een datalek, welke concrete technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om datalekken te voorkomen en hoe toezicht wordt gehouden op de naleving hiervan, en op welke wijze betrokkenen worden geïnformeerd indien zich een datalek voordoet. Ook vraagt D66 of de digitale soevereiniteit wordt gewaarborgd door data op te slaan en te verwerken in Nederland of tenminste binnen de EU. Verder vragen de leden van GroenLinks-PvdA naar de technische eisen en toezicht hierop richting het onderzoeksbureau op het gebied van privacy, datahuishouding en cyberveiligheid. Tevens vragen deze leden om specifiek te maken welke “door de Minister van OCW geautoriseerde personen” uiteindelijk toegang krijgen tot de brondata van het onderzoek. Het voorliggende wetsvoorstel dankt zijn bestaansrecht aan de wens en noodzaak om de privacy van de deelnemers aan de Landelijke veiligheidsmonitor te beschermen. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG),[voetnoot 14] dit wetsvoorstel en de onderliggende ministeriële regeling worden daarom verschillende technische en organisatorische maatregelen genomen, onder andere om datalekken te voorkomen. In het wetsvoorstel is expliciet bepaald dat de Minister van OCW verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de Landelijke veiligheidsmonitor. Daarmee draagt de Minister van OCW ook de verantwoordelijkheid voor technische en organisatorische maatregelen en de naleving daarvan.[voetnoot 15] De Minister van OCW dient daarbij op grond van de AVG voorafgaand aan de verwerking van de persoonsgegevens een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (hierna: DPIA) uit te voeren teneinde risico’s te beperken en zoveel mogelijk te mitigeren.[voetnoot 16] In de praktijk zal de Minister van OCW een onderzoeksbureau opdracht geven de Landelijke veiligheidsmonitor uit te voeren. Het onderzoeksbureau verwerkt persoonsgegevens namens de Minister van OCW, en is gelet daarop verwerker in de zin van de AVG. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), als onderdeel van het Ministerie van OCW, levert enkel persoonsgegevens aan indien dat noodzakelijk is om deelnemers uit te nodigen.[voetnoot 17] Eventuele andere partijen die – met instemming van de Minister van OCW – worden ingeschakeld door het onderzoeksbureau, zijn sub-verwerker. Deze opdracht zal worden uitgezet binnen de Raamovereenkomst beleidsgericht onderzoek onderwijs 2026. De partijen binnen deze raamovereenkomst voldoen aan de maatregelen uit de Baseline Informatiebeveiliging (hierna: BIO) of maatregelen die hieraan gelijk zijn gesteld.[voetnoot 18] Daarin zijn ook maatregelen opgenomen voor de cyberveiligheid (informatiebeveiliging). De onderzoeksdata worden conform BIO geclassificeerd en beschermd. Ook hebben partijen afspraken gemaakt met de Minister van OCW over het nemen van technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen.[voetnoot 19] De regering zal in aanvulling daarop bij het verstrekken van de opdracht een verwerkersovereenkomst sluiten met het opdrachtnemende onderzoeksbureau waarin onder andere wordt vastgelegd: waarvoor de gegevens mogen worden verwerkt en welke gegevens mogen worden verwerkt; welke verdere (technische en organisatorische) beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen; welke afspraken er gelden voor het melden van datalekken en het afhandelen van AVG-verzoeken, en; welke vormen van toezicht de verwerkingsverantwoordelijke uitoefent, waaronder het uitvoeren van audits. Ook wordt vastgelegd dat er géén verwerking van persoonsgegevens, en dus ook geen opslag, mag plaatsvinden buiten de Europese Economische Ruimte (EER). Daarnaast worden ook in het wetsvoorstel en (in het kader van de uitvoering) op het niveau van ministeriële regeling enkele technische en organisatorische maatregelen expliciet opgenomen. Zo is in het wetsvoorstel de toegang tot de persoonsgegevens beperkt tot door de Minister van OCW geautoriseerde personen. In de praktijk zullen de persoonsgegevens in opdracht van de minister worden bewaard door de opdrachtnemer. De betreffende autorisaties zullen in beginsel dus beperkt zijn tot enkel de personen in dienst van de opdrachtnemer voor wie toegang noodzakelijk is voor de onderzoekswerkzaamheden. Op grond van de AVG moet de verwerking van persoonsgegevens worden beperkt tot dat wat noodzakelijk is. In het geval van de Landelijke veiligheidsmonitor betekent dit concreet dat de Minister van OCW en ambtenaren van het ministerie van OCW in beginsel geen toegang zullen hebben tot de met de Landelijke veiligheidsmonitor verkregen gegevens, omdat hun directe betrokkenheid bij het uitvoeren van de Landelijke veiligheidsmonitor niet noodzakelijk is. Er zijn zeer uitzonderlijke situaties denkbaar waarin het wel noodzakelijk is dat specifieke ambtenaren toegang hebben, bijvoorbeeld om te kunnen voldoen aan een wettelijke verplichting, zoals een inzageverzoek.[voetnoot 20] In dat geval is het noodzakelijk dat de Minister van OCW toegang heeft tot de gegevens om aan het verzoek te kunnen voldoen. De kans dat opvolging gegeven kan worden door de Minister aan een dergelijk inzageverzoek is overigens klein. Doordat de monitoringsgegevens van de Landelijke veiligheidsmonitor niet gekoppeld worden aan directe persoonsgegevens, kan naar verwachting in de meeste gevallen niet achterhaald worden welke gegevens behoren tot de indiener van het verzoek. Volgens artikel 11 van de AVG is de Minister van OCW dan ook niet verplicht om aan een verzoek op grond van artikel 15 tot en met artikel 20 van de AVG te voldoen, tenzij de betrokkene aanvullende gegevens verstrekt die het mogelijk maken hem te identificeren. Daarnaast wordt bij ministeriële regeling vastgelegd dat de Landelijke veiligheidsmonitor zo veel mogelijk digitaal wordt afgenomen. De Minister van OCW draagt, eventueel via het onderzoeksbureau, zorg voor een beveiligde digitale functionaliteit waarin de deelnemers de vragenlijsten kunnen invullen. Bij afname van de Landelijke veiligheidsmonitor op papier zou een veel groter aantal mensen betrokken moeten zijn bij het verzamelen en verwerken van de gegevens. Dit verhoogt de foutgevoeligheid en het risico op onbevoegde inzage in gegevens. Niet-digitale afname, bijvoorbeeld op papier of met bepaalde ondersteuning, kan uitsluitend wanneer zelfstandige, digitale afname niet mogelijk is. Indien er onverhoopt toch een datalek[voetnoot 21] plaatsvindt is de minister als verwerkingsverantwoordelijke verplicht de betrokkene hier onverwijld over te informeren indien het datalek een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van die betrokkenen, en binnen 72 uur een melding te maken bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).[voetnoot 22] In de eerdergenoemde verwerkersovereenkomst zullen daarover afspraken worden vastgelegd tussen de Minister van OCW en de opdrachtnemer. Daarbij is belangrijk dat er geen direct identificerende persoonsgegevens worden geregistreerd, zoals namen en (e-mail)adressen. Daarom zullen deelnemers in principe niet individueel over het datalek kunnen worden geïnformeerd. Kennisgeving zal dan via de betrokken school en/of per openbare mededeling plaatsvinden.[voetnoot 23] De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het gezien het feit dat bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt en de zorgen die er in het veld leven, niet wenselijk is om alsnog te kiezen voor een algemene regel van bestuur in plaats van voor een ministeriële regeling, en of de regering dit kan toelichten. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) worden de maatregelen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet op het niveau van ministeriële regeling vastgelegd, maar op het niveau van de wet in formele zin. De Afdeling merkte namelijk op dat passende en specifieke maatregelen of waarborgen zoveel mogelijk op hoofdlijnen in de wet in formele zin moeten worden verankerd, mede gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van (kwetsbare) leerlingen en personeel op grond van artikel 10 van de Grondwet. In dat kader is de delegatiegrondslag om op het niveau van ministeriële regeling nadere regels te stellen aan specifieke maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkenen geschrapt. Op wetsniveau is naar aanleiding van het advies van de Afdeling vastgelegd dat de Minister van OCW: de verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de Landelijke veiligheidsmonitor; uitsluitend persoonsgegevens verwerkt die behoren tot de achtergrondkenmerken en onderwerpen die noodzakelijk zijn voor het inzicht in de aandachtsgebieden van de Landelijke veiligheidsmonitor; de persoonsgegevens bewaart op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor door de minister geautoriseerde personen; en borgt dat leerlingen en ouders van leerlingen die de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt, en het personeel, worden geïnformeerd over de afname van de Landelijke veiligheidsmonitor, en dat deelname niet verplicht is. Op het niveau van ministeriële regeling worden slechts voorschriften opgenomen voor de verdere invulling en uitvoering van de Landelijke veiligheidsmonitor. Het gaat daarbij om nadere regels voor de achtergrondkenmerken en onderwerpen binnen de aandachtsgebieden, het uitvoeringsproces, de landelijke rapportage en de inhoud van de schoolrapportage. Het is noodzakelijk om deze bepalingen op het niveau van ministeriële regeling op te nemen, omdat deze voorschriften van administratieve aard zijn, uitwerking van details betreffen en bovendien naar verwachting met enige regelmaat wijziging behoeven. Daarbij biedt de tweejarige periodiciteit van de Landelijke veiligheidsmonitor te weinig ruimte om tussen twee edities van de Landelijke veiligheidsmonitor een wet of AMvB tijdig aan te passen.[voetnoot 24] Daarom is gekozen de nadere regels hierover op het niveau van ministeriële regeling vast te leggen. Deze regels kunnen wel zien op de voorzienbaarheid van de verwerking van persoonsgegevens en een goede uitvoering van de Landelijke veiligheidsmonitor, maar de bescherming van de rechten en vrijheden van betrokkenen is op het niveau van de wet uitgewerkt. De regering acht op deze manier een goede balans te hebben gevonden tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen enerzijds en het belang van duidelijke, nauwkeurige, flexibele en toekomstbestendige wet- en regelgeving anderzijds. De GroenLinks-PvdA-fractie vraagt of rapportages op schoolniveau, in het geval van kleinschalige scholen waar leerlingen of leerkrachten van minderheidsgroeperingen op één hand te tellen zijn, niet alsnog herleidbare informatie bevatten over personen. De regering heeft aandacht voor het risico van herleidbaarheid. Uitsplitsing naar specifieke doelgroepen is niet noodzakelijk om te voldoen aan de monitorings- en verzendverplichtingen van de school en wordt dus ook niet als zodanig opgenomen in de schoolrapportage. Dit zou ook het risico op herleidbaarheid vergroten. Ook wordt geen inzicht geboden in de resultaten over een onderwerp indien deze resultaten betrekking hebben op minder dan tien leerlingen of personeelsleden.[voetnoot 25] De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen of een kortere bewaartermijn dan drie jaar, waarna brondata van het Landelijke veiligheidsmonitor-onderzoek wordt verwijderd, is onderzocht en overwogen. Persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt. De regering heeft overwogen een bewaartermijn van maximaal twee jaar op te nemen. De doorlooptijd van één editie van de Landelijke veiligheidsmonitor, vanaf de uitvraag van de gegevens tot het opleveren van de eindrapportage, is ongeveer twee jaar. Om één editie van de Landelijke veiligheidsmonitor te kunnen afronden, dienen de persoonsgegevens dus minimaal twee jaar bewaard te kunnen worden. Het is echter mogelijk dat er tijdens de uitvoering onvoorziene problemen ontstaan, bijvoorbeeld in de personele bezetting van het onderzoeksbureau of zoals het geval was tijdens de COVID-19-pandemie.[voetnoot 26] Daarom wordt de mogelijkheid tot één extra jaar uitloop noodzakelijk geacht, wat neerkomt op een totaal van maximaal 3 jaar. Indien de doelstellingen zijn bereikt vóór deze maximale bewaartermijn, zullen de persoonsgegevens eerder worden verwijderd. De leden van de CDA-fractie vragen naar de wettelijke basis van de verwerking van de gegevens waarbij mogelijk sprake is van strafbare feiten, bij wie de bevoegdheid ligt om dit te signaleren, en wat er vervolgens met deze informatie gedaan wordt. In de AVG is vastgelegd dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen alleen mogen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden.[voetnoot 27] In het wetsvoorstel is bepaald dat de Minister van OCW ten behoeve van de Landelijke veiligheidsmonitor persoonsgegevens van strafrechtelijke aard verwerkt indien dat noodzakelijk is.[voetnoot 28] De regering hecht eraan te benadrukken dat de Landelijke veiligheidsmonitor niet tot doel heeft om zicht te krijgen op de prevalentie van strafbare feiten. Het valt echter niet uit te sluiten dat (in uitzonderlijke gevallen en louter in combinatie met andere gegevens) een mogelijk strafbaar feit uit de antwoorden kan worden afgeleid, dat aan de identiteit van een leerling gekoppeld zou kunnen worden. Sommige vragen van de Landelijke veiligheidsmonitor betreffen namelijk uitingsvormen van onveilig gedrag die in bepaalde gevallen strafbaar zijn. Omdat de Landelijke veiligheidsmonitor niet tot doel heeft om persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van leerlingen te verwerken, wordt de Landelijke veiligheidsmonitor zo ingericht dat het verkrijgen van deze gegevens zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ook worden in de schoolrapportage geen uitkomsten opgenomen die betrekking hebben op minder dan tien deelnemers, waarmee het risico op herleidbaarheid sterk wordt beperkt. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe (in het wetsvoorstel) wordt voorkomen dat het doel waarvoor de Landelijke veiligheidsmonitor wordt gebruikt niet onbedoeld groter wordt dan de bedoeling was, het risico op zogenaamde ‘mission creep’. Als verwerkingsverantwoordelijke moet de Minister van OCW volgens de AVG voldoen aan de waarborgen die de AVG vereist, zoals dataminimalisatie en informatiebeveiliging. In aanvulling daarop zijn verschillende waarborgen getroffen ten aanzien van het proces om zorgvuldige omgang met gegevens te borgen. Zo is het doel van de Landelijke veiligheidsmonitor opgenomen in het eerste lid van het wetsvoorstel. Het verwerken van deze gegevens voor een doel dat daarmee niet verenigbaar is, is op grond van de AVG niet mogelijk.[voetnoot 29] Ook is limitatief bepaald welke soorten persoonsgegevens de minister mag verwerken ten behoeve van de Landelijke veiligheidsmonitor. Daarnaast is in het wetsvoorstel opgenomen in welke producten de Landelijke veiligheidsmonitor moet resulteren, namelijk een landelijke rapportage en een schoolrapportage. Ook worden de persoonsgegevens uiterlijk na drie jaar verwijderd. Tot slot wordt een DPIA uitgevoerd en een verwerkersovereenkomst getekend waarin zorgvuldig wordt gekeken hoe de specifieke uitvoering voldoet aan de wettelijke eisen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de borging van de bescherming van persoonsgegevens bij het opstellen van de ministeriële regeling en de DPIA. Daarbij vragen zij om nader toe te lichten welke informatie het opdrachtnemende onderzoeksbureau op moet leveren voor het uitvoeren van de DPIA. Ook vragen zij hoe bij aanvullende ministeriële regelingen de beginselen van de AVG, met name dataminimalisatie en doelbinding, worden afgewogen, en naar de betrokkenheid van de AP bij het opstellen van nieuwe regelingen. Conform de AVG moet een verwerker alle benodigde informatie aanleveren die nodig is om een DPIA uit te kunnen voeren en te beoordelen of de verwerker afdoende garanties biedt met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen. Hieronder vallen in ieder geval certificeringen, het beveiligingsbeleid van de verwerker en concrete maatregelen die de verwerker treft om de beveiliging van (persoons)gegevens te waarborgen. De AVG is onverkort van toepassing bij het opstellen van ministeriële regelingen waarbij sprake is van de verwerking van persoonsgegevens. De beginselen van dataminimalisatie en doelbinding zullen daarom voor de ministeriële regeling over de Landelijke veiligheidsmonitor, binnen de kaders van het wetsvoorstel, zorgvuldig worden afgewogen. Bij het opstellen van de ministeriële regeling wordt bovendien een DPIA uitgevoerd. Deze wordt ter toetsing voorgelegd aan de Functionaris Gegevensbescherming (FG).[voetnoot 30] Ook wordt de AP verzocht een advies uit te brengen over de regeling.[voetnoot 31] Bij een wijziging van de regeling die raakt aan de verwerking van persoonsgegevens zal ditzelfde proces worden doorlopen, conform het regeringsbeleid en de AVG. Zoals gezegd, heeft de AP eveneens het onderhavige wetsvoorstel getoetst en een blanco advies gegeven. De leden van de PVV vragen wat er ten opzichte van de huidige situatie verandert in de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. De verdeling van verantwoordelijkheden onder het wetsvoorstel verschilt niet van de verdeling van verantwoordelijkheden binnen de vorige edities van de Landelijke veiligheidsmonitor. De Minister van OCW is verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevensverwerking. Dit wordt in het onderhavige wetsvoorstel enkel geëxpliciteerd zodat er geen onduidelijkheid over kan bestaan. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een risico bestaat dat gevoelige gegevens onbedoeld bekend worden bij derden. Evenwel wordt het risico “laag ingeschat” omdat er mitigerende maatregelen zijn getroffen. Deze leden vragen de regering om de risicoanalyse waar dit uit blijkt met de Kamer te delen. De regering acht het van groot belang dat er een zorgvuldige weging wordt gemaakt bij de verwerking van persoonsgegevens en de daar bijkomende risico’s zorgvuldig in kaart worden gebracht. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is in het kader van de Landelijke veiligheidsmonitor een DPIA uitgevoerd, waarin de risicoanalyse is opgenomen. Deze is gepubliceerd en te vinden op de wetgevingskalender.[voetnoot 32] De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke specifieke maatregelen er in de vraagstelling van de Landelijke veiligheidsmonitor worden genomen om te voldoen aan de aanvullende AVG-bescherming die geldt voor leerlingen tot 16 jaar. Leerlingen onder de zestien jaar hebben wat betreft hun persoonsgegevens recht op specifieke bescherming, aangezien zij zich allicht minder bewust zijn van hun rechten en de benodigde waarborgen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en minder goed kunnen overzien welke gevolgen en risico’s hun eventuele deelname mogelijk heeft.[voetnoot 33] Om die reden wordt op wetsniveau geregeld dat ook de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen onder de zestien jaar geïnformeerd worden over de Landelijke veiligheidsmonitor, zodat zij geïnformeerd kunnen beslissen over hun deelname. Daarnaast worden de vragenlijsten afgestemd op de ontwikkelingsfase, belevingswereld en ondersteuningsbehoefte van leerlingen. Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd op welke onderwerpen de leerlingen in de verschillende sectoren bevraagd worden. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA stellen vragen over de bescherming van bijzondere persoonsgegevens van leerlingen, die meestal minderjarig zijn, ook vanwege de gevoeligheid en mogelijke gevolgen voor kwetsbare jongeren. De leden vragen om praktisch uit te leggen hoe leerlingen bevraagd worden over deze gegevens. Kunnen zij naar eigen behoren invullen hoe zij zich identificeren, of moeten zij kiezen in een keuzemenu? Deze leden willen weten hoe wordt bepaald welke vraagstelling leerlingen uiteindelijk moeten beantwoorden, en welke bijzondere persoonsgegevens specifiek worden uitgevraagd. Ook vragen deze leden hoe de regering gaat voorkomen dat leerlingen uit eigen overweging geen persoonsgegevens kenbaar maken, bijvoorbeeld als een leerling openhartig een eigen ervaring deelt in een invulbaar vak in de vragenlijst. De regering zal in de praktijk de Landelijke veiligheidsmonitor laten uitvoeren door een onderzoeksbureau. Met dit bureau zullen afspraken gemaakt worden over de wijze waarop leerlingen bevraagd worden. De regering acht het van groot belang dat de wijze van bevraging aansluit bij de ontwikkelingsfase van de leerling. Dit zal ook als zodanig worden vastgelegd in de ministeriële regeling. Om het risico op herleidbare antwoorden te beperken wordt tevens bij ministeriële regeling vastgelegd dat de Landelijke veiligheidsmonitor uitsluitend gesloten vragen bevat. Het verwerken van bepaalde bijzondere persoonsgegevens is noodzakelijk voor het ontwikkelen van een geaggregeerd en niet tot personen herleidbaar, gedifferentieerd landelijk totaalbeeld van de veiligheid op school. Op wetsniveau wordt vastgelegd welke bijzondere categorieën persoonsgegevens worden verwerkt wanneer dit noodzakelijk is voor de doelstellingen van de Landelijke veiligheidsmonitor, deze betreffen: persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijken; persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken; gegevens over gezondheid; en gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid. Het gaat daarbij om het verwerken van indirect identificerende gegevens. Op het niveau van ministeriële regeling wordt een limitatieve opsomming vastgelegd van achtergrondkenmerken die noodzakelijk zijn voor het (gedifferentieerde) inzicht in de aandachtsgebieden. Binnen de bijzondere categorieën persoonsgegevens gaat het om: seksuele gerichtheid, genderincongruentie (combinatie van geboortegeslacht en genderidentiteit), uiterlijke kenmerken zoals huidskleur, religieuze overtuiging of identiteit, migratieachtergrond, handicap of beperking. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen om per onderzocht alternatief de onderliggende onderbouwing, indien beschikbaar, in volledigheid met de Kamer te delen. Nadat was geconcludeerd dat de Landelijke veiligheidsmonitor geen doorgang kon vinden zonder deze in lijn te brengen met de AVG, is onderzocht welke opties mogelijk waren.[voetnoot 34] De regering heeft daarover gedurende het wetgevingsproces zorgvuldige afwegingen gemaakt. Daartoe zijn in de Memorie van Toelichting, naast de noodzaak en proportionaliteitsafweging ook vanuit het subsidiariteitsbeginsel de volgende overwogen alternatieven opgenomen en toegelicht:[voetnoot 35] Alternatief 1: volledig anonieme Landelijke veiligheidsmonitor Er is overwogen om een volledig anonieme Landelijke veiligheidsmonitor uit te voeren. In dat geval zou de AVG niet van toepassing zijn. Dit zou echter betekenen dat het niet mogelijk is om voldoende zicht te krijgen op het veiligheidsklimaat en de juiste aangrijpingspunten voor het landelijke beleid te identificeren ten aanzien van de veiligheid van specifieke groepen. Dit zou de doeltreffendheid en doelmatigheid van het landelijke beleid schaden. Alternatief 2: uitvoeren op basis van uitdrukkelijke toestemming Daarnaast is overwogen, om de Landelijke veiligheidsmonitor in te richten en uit te voeren op basis van de in de AVG genoemde grondslag ‘(uitdrukkelijke) toestemming’.[voetnoot 36] Deze grondslag bleek niet van toepassing in het geval van de Landelijke veiligheidsmonitor, omdat toestemming in vrijheid dient te worden verleend en dat niet mogelijk is wanneer sprake is van ongelijke machtsverhoudingen. Bij de Landelijke veiligheidsmonitor is er zowel sprake van een ongelijke machtsverhouding tussen overheid-burger als ook tussen school en leerling. Bovendien kan de grondslag toestemming in een later stadium problemen opleveren, als deelnemers hun toestemming tussentijds zouden intrekken. Alternatief 3: wetenschappelijke bronnen Er is verkend of de doelstellingen van dit wetsvoorstel gerealiseerd kunnen worden door gebruik te maken van eventuele andere (wetenschappelijke) bronnen. Bronnen die een vergelijkbaar beeld met de Landelijke veiligheidsmonitor geven zijn echter niet bekend. Daarnaast is het noodzakelijk om met enige frequentie te meten om zicht te krijgen op trends en trendverschillen in het veiligheidsklimaat. Het ministerie van OCW is de enige organisatie waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden een dergelijk onderzoek structureel te laten uitvoeren en te financieren. Alternatief 4: Gegevens van de leerlingmonitor via de inspectie Er is overwogen of de beleidsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd op basis van de resultaten van leerlingmonitor die scholen verplicht zijn aan de inspectie te leveren. De geaggregeerde resultaten van de leerlingmonitor zijn echter inhoudelijk te beperkt om een bruikbaar landelijk beeld van het veiligheidsklimaat mee te vormen. Een alternatief dat is overwogen is ook het verder reguleren van de leerlingmonitor, zodat de resultaten daarvan wel bruikbaar zijn voor het creëren van een landelijk beeld van het veiligheidsklimaat. Dat is echter niet wenselijk, omdat dat zou leiden tot een hogere regeldruk voor scholen dan noodzakelijk, doordat er dan meer eisen moeten worden gesteld aan de instrumenten die scholen gebruiken om te voldoen aan hun verplichting jaarlijks de veiligheid te monitoren. Een alternatief daarvoor zou kunnen zijn om bevoegde gezagen te verplichten gebruik te maken van één monitorinstrument. Maar dat acht de regering een te vergaande beperking van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de betrokkenheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en van de staatssecretaris van Economische Zaken bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, vanwege de verantwoordelijkheden voor gegevensbescherming, digitaliseringsbeleid en online privacy. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) is primair verantwoordelijk voor de toetsing van de wetgeving op rechtsstatelijkheid en bestuurlijke kwaliteit. In lijn met de Aanwijzingen voor de regelgeving is onderhavig wetsvoorstel door JenV getoetst en akkoord bevonden.[voetnoot 37] Er was geen aanleiding om de Staatssecretaris van Economische Zaken apart te betrekken bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, anders dan de reguliere afstemming van wetsvoorstellen die namens de regering worden ingediend na het doorlopen van interdepartementale afstemming en bespreking in de ministerraad. Alle departementen, waaronder de in de vraag genoemde, zijn op deze wijze betrokken bij en akkoord met het wetsvoorstel. E. Participatie, representativiteit en doelgroepen De leden van de fracties van PVV, CDA, ChristenUnie en GroenLinks-PvdA vragen naar de deelname van scholen aan de Landelijke veiligheidsmonitor, de risico’s voor de representativiteit en op welke wijze de deelname vergroot kan worden. De leden van de CDA-fractie vragen naar de redenen waarom scholen niet deelnemen en of na aanname van het onderhavige wetsvoorstel scholen mogelijk niet meer deel willen nemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor. De leden van de PVV-fractie zien in het bijzonder het risico dat scholen die mogelijk minder goed scoren ervoor kiezen niet deel te nemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor en vragen zich af hoe de regering dit risico voor de representativiteit mitigeert. Ook de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich ten aanzien van het verkrijgen van een goed landelijk beeld ook af hoe wordt gezorgd voor een evenwichtige deelname van verschillende soorten scholen. Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wat de regering gaat doen om het deelnamepercentage te verhogen en tot welk percentage de regering dit wil doen, wat dit betekent voor andere aanbieders van veiligheidsmonitoren en of de regering naar één veiligheidsmonitor toe wil voor alle scholen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor verplicht wordt met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs en welke andere monitorsystemen bestaan naast de Landelijke veiligheidsmonitor. Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom de regering de mogelijkheid openlaat dat leerlingen mee kunnen doen zonder medewerking van scholen en vragen de regering uit te leggen wanneer daarvoor gekozen wordt. Daarbij vragen deze leden ook hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor vrijwillig is. Het is de bedoeling dat de Landelijke veiligheidsmonitor een betrouwbaar en gedifferentieerd, en daarmee zo representatief mogelijk, landelijk beeld van de veiligheid op school oplevert. Tegelijkertijd is het doel van de Landelijke veiligheidsmonitor niet een zo hoog mogelijk deelnamepercentage van scholen te behalen. De regering streeft dan ook geen specifiek deelnamepercentage na. Ondanks het geringe deelnamepercentage bleek dat zowel de monitor over het schooljaar 2020-2021 als 2021-2022 representatief was voor scholen in het primair en voortgezet onderwijs ten aanzien van achterstandsscores, stedelijkheid en leerlingaantallen.[voetnoot 38] Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs was de respons in de laatste twee edities echter dermate laag dat deze buiten beschouwing was gelaten.[voetnoot 39] Bij toekomstige edities van de Landelijke veiligheidsmonitor wil de regering toezien op een evenwichtige deelname van verschillende scholen, leerlingen en personeel ten behoeve van de representativiteit van deelnemende scholen, als ook de representativiteit van de doelgroepen binnen de Landelijke veiligheidsmonitor, zodat er een goed landelijk beeld ontstaat. In dit kader is in december 2021 als onderdeel van de Landelijke veiligheidsmonitor een non-response onderzoek uitgevoerd om de scholen die deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor te vergelijken met scholen dit niet doen en te onderzoek wat de redenen zijn waarom scholen niet deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor en wat hen zou bewegen wel mee te doen. Daarbij is gekeken naar de verschillen tussen deelnemende en niet-deelnemende scholen op het gebied van de intensiteit van het veiligheidsbeleid, betrokken gremia bij afspraken over sociale veiligheid en de opvolging van incidenten. Uit het onderzoek blijkt dat scholen die deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor vergelijkbaar scoren op de geconstrueerde schalen met scholen die niet deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor.[voetnoot 40] Er was dus geen reden om aan te nemen dat scholen die lager scoren op veiligheid ervoor kiezen niet deel te nemen. Daarnaast is gekeken naar de redenen waarom scholen wel of niet deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor. Vijfenzeventig procent van de respondenten gaf destijds aan dat ze niet deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor omdat zij al een ander instrument gebruiken om de veiligheids van hun leerlingen jaarlijks te monitoren. De regering hecht aan de keuzevrijheid van scholen als het gaat om de leerlingmonitor en acht het niet wenselijk om naar één veiligheidsmonitor voor alle scholen toe te werken. Deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor is dan ook niet verplicht. De regering zet zich in om het deelnamepercentage gelijk te houden en waar nodig te verhogen om tot een betrouwbaar en zo representatief mogelijk landelijk beeld te komen. Daarvoor zal bij de uitvoering van de Landelijke veiligheidsmonitor worden ingezet op verschillende responsverhogende maatregelen, waaronder een actieve wervingscampagne, heldere en transparante communicatie en het bieden van een beperkte alternatieve vragenlijst in de tussenliggende jaren van de Landelijke veiligheidsmonitor zodat scholen niet met twee verschillende instrumenten en aanbieders hoeven te werken. Ook is de verkenning over hoe de Minister van OCW kan komen tot betrouwbaar en voldoende gedifferentieerd landelijk zicht op de veiligheid in het praktijkonderwijs en het gespecialiseerd onderwijs recent gepubliceerd.[voetnoot 41] De uitkomsten van deze verkenning worden momenteel bestudeerd op gevolgen voor de Landelijke veiligheidsmonitor. Uw Kamer ontvangt vóór het herfstreces een beleidsreactie. Daarnaast is in dit wetsvoorstel geborgd dat scholen die deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor een schoolrapportage krijgen, waarmee zij aan hun leerlingmonitoringsverplichtingen kunnen voldoen.[voetnoot 42] Daarmee wordt voorkomen dat een school naast deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor ook een eigen leerlingmonitor moet uitvoeren. Ook worden er regels opgenomen over de representativiteit van de Landelijke veiligheidsmonitor op het niveau van ministeriële regeling. Met deze maatregelen verwacht de regering meer transparantie, duidelijkheid en zekerheid aan deelnemende scholen te geven wat de participatie ten goede kan komen. De impact op andere aanbieders wordt beperkt geacht. De inzet van de regering is niet gericht op het verkrijgen van een zeer hoog deelnamepercentage en daarmee zal het marktaandeel beperkt blijven. Indien het onverhoopt niet mogelijk blijkt om door afname via scholen een betrouwbaar en zo representatief mogelijk landelijk beeld van de veiligheid op scholen te krijgen biedt dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid om leerlingen direct – zonder een samenwerking met scholen aan te gaan – te werven.[voetnoot 43] Indien hiertoe wordt besloten kan voor de uitnodiging tot deelname van leerlingen gebruik worden gemaakt van de gegevens die zijn opgenomen in het Register onderwijsdeelnemers. In dat geval is het mogelijk dat scholen de Landelijke veiligheidsmonitor niet meer kunnen inzetten als leerlingmonitoringsinstrument, aangezien de Landelijke veiligheidsmonitor dan niet in samenwerking met de school wordt afgenomen. Deze mogelijkheid is echter slechts een terugvaloptie indien de afname via scholen niet haalbaar blijkt. Belangrijk is om hierbij te benadrukken dat de persoonsgegevens benodigd voor het wervingsproces niet worden gekoppeld aan de gegevens die bij daadwerkelijke deelname worden uitgevraagd. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om uit te leggen hoe de selectie van minderheidsgroepen, voor wie de veiligheid op school in het geding is, is gemaakt. Zij vragen ook wat wordt bedoeld met “bepaalde niet-Nederlandse etnische groeperingen”. Zij vragen verder of groeperingen binnen de lhbtiq+-gemeenschap worden uitgesplitst, zoals transjongeren, die relatief vaak kampen met nare ervaringen op school. In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel is onderbouwd welke bijzondere categorieën persoonsgegevens noodzakelijk zijn om te verwerken ten behoeve van de uitvoering van de Landelijke veiligheidsmonitor.[voetnoot 44] In de ministeriële regeling wordt specifiek vastgelegd naar welke achtergrondkenmerken de resultaten kunnen worden uitgesplitst. Daarbij wordt gekeken naar bestaande data waaruit blijkt dat de veiligheid van bepaalde minderheidsgroepen in het geding is en wordt in opdracht van OCW een verkennende literatuurstudie uitgevoerd. Er is bewust gekozen dit op het niveau van ministeriële regeling vast te leggen zodat deze lijst gewijzigd kan worden indien maatschappelijke ontwikkelingen daartoe noodzaken. Nederland is een pluriforme samenleving waar mensen leven met verschillende etnische achtergronden. Onderzoek wijst uit dat heersende (sociale) normen binnen een groep met betrekking tot uiterlijk of etniciteit ervoor kunnen zorgen dat bepaalde leerlingen als ‘anders’ worden gepercipieerd en in verband daarmee onevenredig met onveiligheid geconfronteerd worden.[voetnoot 45] In een rapport van het SCP kwam ook naar voren dat meer dan 50% van de leerlingen met een Turks-, Marokkaans-, Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse achtergrond aangaf discriminatie te ervaren door zowel klasgenoten als docenten of begeleiders.[voetnoot 46] In dat kader hecht de regering eraan om de resultaten uit te kunnen splitsen naar etniciteit. Het is voor de Landelijke veiligheidsmonitor niet noodzakelijk om de veiligheid per concrete specifieke groepering te monitoren. Wel is het noodzakelijk om een onderscheid te kunnen maken tussen leerlingen die aangeven wel of niet tot etnische minderheden te behoren. De regering maakt bij het uitsplitsen van de resultaten een zorgvuldige weging tussen privacyrisico’s en de toegevoegde waarde voor het ontwikkelen van gericht landelijk beleid. Omdat dit door de tijd heen kan veranderen wordt dit vastgelegd op het niveau van ministeriële regeling. In de concept-regeling Landelijke veiligheidsmonitor, die van 17 juli 2026 tot 30 september 2026 in internetconsultatie is, worden de resultaten van de Landelijke veiligheidsmonitor niet uitgesplitst naar specifieke achtergrondkenmerken, zoals specifieke geloofsovertuigingen of seksuele gerichtheden, of naar bijvoorbeeld transjongeren. Wel wordt bijvoorbeeld uitgesplitst naar wel of niet religieus of wel of niet lhbtiq+.[voetnoot 47] In combinatie met gegevens over bijvoorbeeld de redenen waarom iemand gepest wordt (bijvoorbeeld ‘ik word gepest vanwege mijn seksuele gerichtheid’) kan dat voor het landelijke beleid voldoende aanknopingspunten opleveren. F. Verhouding tot toezicht De leden van de CDA-fractie vragen naar de samenhang tussen Landelijke veiligheidsmonitor en de leerlingmonitor in het licht van het toezicht van de inspectie. De inspectie houdt toezicht op de leerlingmonitor en heeft enkele zorgen geuit over de overlap in systematiek [met de leerlingmonitor]. Kan de regering hierover meer duidelijkheid geven, zo vragen deze leden. Of vragen deze leden of dit instrument hetzelfde meet als de Landelijke veiligheidsmonitor en of deze instrumenten op elkaar worden afgestemd. Zoals de inspectie en de leden van de CDA-fractie terecht aangeven bestaat er een juridische samenhang tussen de Landelijke veiligheidsmonitor en de leerlingmonitoringsverplichting. Naar aanleiding van de zorgen van de inspectie over de overlap tussen beide instrumenten is de toelichting verduidelijkt. Wat betreft de systematiek voor het monitoren van de veiligheid van leerlingen en het doorsturen van de resultaten naar de inspectie, zet de regering in het wetsvoorstel nadrukkelijk in op een aansluiting bij de systematiek van de leerlingmonitor. In beginsel wordt de Landelijke veiligheidsmonitor namelijk afgenomen in samenwerking met scholen. Het bevoegd gezag van die school heeft in het kader van de wettelijke zorgplicht veiligheid op school reeds een eigenstandige verplichting om jaarlijks de veiligheid van zijn leerlingen te monitoren en de resultaten aan de inspectie te sturen.[voetnoot 48] Met het oog op deze verplichtingen is in onderhavig wetsvoorstel geregeld dat de minister (in de praktijk: het opdrachtnemende onderzoeksbureau) een schoolrapportage verstrekt aan het bevoegd gezag van de school waarmee de Landelijke veiligheidsmonitor in samenwerking wordt afgenomen.[voetnoot 49] Deze rapportage bevat de gegevens waarmee het bevoegd gezag van de school aan diens wettelijke monitorings- en verzendverplichtingen kan voldoen. Het toezicht van de inspectie op het naleven van de wettelijke plichten is op alle scholen hetzelfde. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen scholen die wel of niet deelnemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor. De Landelijke veiligheidsmonitor meet meer dan vereist is onder de monitorings- en verzendverplichting op schoolniveau. Zo biedt de Landelijke veiligheidsmonitor ook op landelijk niveau inzicht in de veiligheid van specifieke groepen. Dit is niet verplicht onder de wettelijke plichten voor scholen en geeft ook op schoolniveau een hoog risico op herleidbaarheid. Om deze reden wordt op het niveau van ministeriële regeling vastgelegd dat de uitkomsten in de schoolrapportage niet uitgesplitst worden naar groepsgerelateerde kenmerken. G. Overig De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of, na de internetconsultatie, er nieuw contact met de sectorraden is geweest. Zij vragen hoe de sectorraden nu kijken naar het wetsvoorstel en of hun zorgen naar wens zijn weggenomen. In reactie op de consultatie van onderhavig wetsvoorstel hebben de sectorraden hun zorgen geuit over het gebrek aan dialoog met het onderwijsveld, onduidelijke waarborgen voor privacybescherming, en het risico dat scholen verantwoordelijk worden voor de gegevensverwerking in het kader van de Landelijke veiligheidsmonitor. De regering neemt de zorgen van de sectorraden serieus en heeft na de internetconsultatie meermaals contact gehad met de sectorraden. Dit contact is constructief verlopen en het signaal van de sectorraden om het onderwijsveld te betrekken bij de totstandkoming van de Landelijke veiligheidsmonitor wordt serieus genomen. De sectorraden worden nauw betrokken bij de uitwerking van de ministeriële regeling. Het ministerie van OCW houdt hen op de hoogte van ontwikkelingen en waar nodig is er nader contact. Ook wordt in de conceptregeling Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs, die van 17 juli 2026 tot 30 september 2026 in internetconsultatie is, geregeld dat de Minister van OCW in het kader van de uitvoering overlegt met vertegenwoordigers van leerlingen, ouders van leerlingen, onderwijspersoneel en onderwijsinstellingen over de landelijke veiligheidsmonitor, waaronder de inhoud van de vragenlijsten, de inhoud van de landelijke rapportage en de risico-mitigerende maatregelen voor de gegevensverwerkingen. De aanvullende waarborgen voor de privacy zijn nu vastgelegd op wetsniveau, waarmee duidelijkheid is gegeven over de (privacyrechtelijke) rol- en verantwoordelijkheidsverdeling en geborgd wordt dat leerlingen en ouders actief worden geïnformeerd over de afname van de Landelijke veiligheidsmonitor, en dat deelname niet verplicht is. Aangezien op het niveau van ministeriële regeling nader wordt uitgewerkt welke onderwerpen en achtergrondkenmerken onder de aandachtsgebieden worden uitgevraagd en welke gegevens in de landelijke en schoolrapportages moeten landen, is afgesproken om actief input op te halen bij het onderwijsveld, waaronder de sectorraden, en de inhoud van de regeling met hen af te stemmen. De conceptregeling is van 17 juli 2026 tot 30 september 2026 in internetconsultatie. Voorafgaand aan deze consultatie heeft reeds een eerste afstemmingsronde plaatsgevonden met vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, waaronder de sectorraden. De leden van de PVV-fractie constateren dat wordt gesteld dat de monitor gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar is en inzicht geeft in een select aantal aandachtsgebieden. Deze leden vragen de regering deze aandachtsgebieden uiteen te zetten. De Landelijke veiligheidsmonitor geeft inzicht in vier aandachtsgebieden: de feitelijke veiligheid, de ervaren veiligheid, het welbevinden en het veiligheidsbeleid op school.[voetnoot 50] De aandachtsgebieden hebben betrekking op verschillende elementen van de genoemde veiligheidsdefinitie. ‘Feitelijke veiligheid’ heeft betrekking op verschillende uitingsvormen van onveilig gedrag en gaat over objectieve veiligheid. Het aandachtsgebied ‘ervaren veiligheid’ gaat over de subjectieve veiligheid en heeft betrekking op hoe de deelnemers de veiligheid op school beleven en hoe veilig zij zich (in het algemeen) voelen op school. Het gaat ook over de mate waarin zij zich vrij voelen om zichzelf te zijn en bijvoorbeeld over bepaalde spanningen (bijvoorbeeld tussen groepen leerlingen) die zij ervaren en die een onveilig gevoel geven. ‘Het welbevinden’ betreft de mate waarin de deelnemers zich prettig voelen op school, waaronder de weerslag van onveiligheid op de mentale toestand van deelnemers. Gegevens over bepaalde aspecten van het (mentaal) welbevinden fungeren als indicatie van de kwaliteit van het veiligheidsklimaat. Tot slot, het aandachtsgebied ‘veiligheidsbeleid van scholen’ betreft verschillende aspecten van het veiligheidsbeleid op schoolniveau. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er een hoge drempel is voor leerlingen om op school een melding te maken van discriminatie. Deze leden vragen de regering of zij aanneemt dat leerlingen dit soort ervaringen wél bij de Landelijke veiligheidsmonitor kenbaar maken. De regering erkent dat leerlingen niet altijd discriminatie durven te melden. Dit vraagt ook een actieve handeling van de leerling. Door juist alle leerlingen die dat willen en kunnen actief uit te nodigen om deel te nemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor, zet de regering erop in de lat zo laag mogelijk te leggen voor leerlingen. Eerdere edities van de Landelijke veiligheidsmonitorlaten ook zien dat leerlingen en personeel aangaven discriminatie te ervaren.[voetnoot 51] Daarbij zijn er binnen dit wetsvoorstel verschillende maatregelen genomen om de privacy van de leerlingen zo goed mogelijk te borgen, zodat zij zich ook veilig kunnen voelen om de vragenlijst in te vullen. Uiteindelijk is deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor niet verplicht en is het ook aan de leerling en hun ouders zelf om te bepalen of zij willen deelnemen en welke ervaringen zij willen delen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om uit te leggen hoe bij het uitnodigen van leerlingen en onderwijspersoneel voor de Landelijke veiligheidsmonitor identificerende gegevens gebruikt zullen worden. Is het bijvoorbeeld zo dat leerlingen die onderdeel zijn van de Gay Straight Alliance (GSA) groep op hun school gericht gevraagd zouden worden voor deelname aan de Landelijke veiligheidsmonitor? Ten aanzien van het uitnodigen van deelnemers benadrukt de regering dat er twee scenario’s zijn voor de uitvoering van de Landelijke veiligheidsmonitor: het voorkeursscenario waarbij de Landelijke veiligheidsmonitor klassikaal wordt afgenomen met medewerking van scholen en een terugvaloptie van thuisafname zonder medewerking van scholen. Bij klassikale afname zal geen sprake zijn van het verwerken van direct identificerende gegevens. Dit was reeds de werkwijze bij eerdere afnames van de Landelijke veiligheidsmonitor. De regering is voornemens om de Landelijke veiligheidsmonitor in de toekomst ook op deze wijze te organiseren. Leerlingen die bijvoorbeeld onderdeel zijn van een GSA op hun school worden dus niet gericht gevraagd deel te nemen. Het uitgangspunt is dat alle leerlingen die dat willen en kunnen vanaf groep 6 in het primair onderwijs in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan de Landelijke veiligheidsmonitor.[voetnoot 52] Bij afname zonder medewerking van scholen, bijvoorbeeld door de vragenlijsten in een thuissetting te laten invullen, zullen de betrokken deelnemers op een andere manier worden geworven, bijvoorbeeld door leerlingen een uitnodigingsbrief te versturen. In dat geval is het verwerken van direct identificerende persoonsgegevens noodzakelijk. In dat kader is in het wetsvoorstel vastgelegd dat direct identificerende gegevens uitsluitend verwerkt mogen worden indien dat noodzakelijk is voor de uitnodiging tot deelname. Uitnodigen van individuele leerlingen en personeelsleden zal alleen noodzakelijk zijn indien schoolafname van de Landelijke veiligheidsmonitor– mét medewerking van scholen – niet mogelijk is of niet toereikend is om de betrouwbaarheid van de resultaten te waarborgen. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van het register onderwijsdeelnemers. Er zal dus geen sprake zijn van een gerichte uitvraag bij specifieke groepen leerlingen of personeel. De leden van de CDA-fractie vragen of het gebruik door scholen van andere veiligheidsmonitors ook bruikbare informatie oplevert om landelijke trends te zien en/of beleid aan te passen. Het doel van de leerlingmonitor verschilt met die van de Landelijke veiligheidsmonitor. De gegevens van de schoolmonitor worden alleen verzameld met het doel om de school kennis te geven over de veiligheid en hun beleid aan te passen, niet om landelijke trends te zien. Er zijn verschillende monitoringsinstrumenten die scholen gebruiken om te voldoen aan de jaarlijkse leerlingmonitoringsverplichting. De wijze waarop deze instrumenten de feitelijke veiligheid, ervaren veiligheid en het welbevinden bevragen en inzicht geven in de resultaten verschilt. Daarmee is het niet mogelijk deze instrumenten te vergelijken en op landelijk niveau conclusies te trekken over de veiligheid in het onderwijs. 3. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden A. Nut en noodzaak De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de regering vindt dat de gegevenslevering aan de sectorraden van groot maatschappelijk belang is en welke informatie vervolgens relevant is. Daarnaast vragen zij zich ook af of deze gegevens alleen voor de benchmarks zijn of ook bijdraagt aan de veiligheid van het personeel op school. Tot slot vragen zij zich af of benchmarking een verantwoordelijkheid van schoolbesturen zou moeten zijn en welke andere mogelijkheden zijn onderzocht. De datalevering is van maatschappelijk belang omdat met deze benchmarks medezeggenschapsraden en raden van toezicht het inzicht krijgen dat zij nodig hebben om hun rol en verantwoordelijkheid goed in te vullen. Daarnaast kunnen scholen zich met de benchmarks onderling vergelijken. Dat is belangrijk voor de ontwikkeling naar wat de Onderwijsraad benchlearning noemt: het trekken van lessen over wat werkt en wat niet. Tevens valt de verantwoording over het personeel van onderwijsinstellingen onder het informatierecht van de MR[voetnoot 53] en is het relevant voor de uitoefening van het schoolkeuzerecht van ouders.[voetnoot 54] De regering hecht belang aan het leveren van personeelsgegevens aan de PO-Raad en VO-raad, omdat deze sectorraden schoolbesturen ondersteunen bij hun beleidsvorming, planning en het waarborgen van kwalitatief goed onderwijs. Voor dit doel is met name geaggregeerde, niet herleidbare informatie relevant, zoals aantallen personeelsleden per functiecategorie, financiële kengetallen en gemiddelde dienstverbanden. Persoonsgebonden gegevens die niet noodzakelijk zijn voor deze analyses, zoals privécontactgegevens of individuele beoordelingen, worden niet gedeeld. Het aanleveren van gegevens aan de sectorraden heeft primair een functie in het ontwikkelen van benchmarks en kwaliteitsverbetering. Het draagt niet direct bij aan de fysieke of sociale veiligheid van het personeel op school. Veiligheidsbeleid blijft een verantwoordelijkheid van schoolbesturen voor iedere school. Benchmarks bieden een overzichtelijke en vergelijkbare manier om prestaties en het gebruik van financiële middelen van verschillende schoolbesturen naast elkaar te zetten, zonder direct in te grijpen in de autonomie van schoolbesturen. Andere mogelijkheden, zoals inspectieonderzoeken of verplichte rapportages, zouden meer administratieve lasten met zich meebrengen en minder gericht zijn op het stimuleren van leren en vergelijken tussen scholen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de verstrekking van personeelsgegevens naar tevredenheid verloopt en welk probleem deze maatregel uit het wetsvoorstel oplost. Schoolbesturen kunnen op de informatieproducten van de sectorraden zelf diverse informatie over hun eigen bestuur en instellingen toevoegen. De gegevens over onderwijspersoneel kregen de sectorraden in het verleden al van DUO en niet van de schoolbesturen, maar door de invoering van statistische beveiliging door DUO was voor het ontvangen van bepaalde geaggregeerde gegevens een wettelijke grondslag nodig. Deze maatregel uit het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor de levering van deze gegevens. B. Bescherming persoonsgegevens De leden van de fractie van D66 vragen naar het aggregatieniveau van de categorieën personeelsgegevens die zullen worden verstrekt en hoe dit wordt bepaald. Tevens vragen zij hoe het risico op (indirecte) herleidbaarheid voldoende wordt beperkt. In de memorie van toelichting is toegelicht[voetnoot 55] dat in de meeste gevallen de verwachting is dat het leveren van de gegevens op schoolniveau, dan wel instellingsniveau voldoende zal zijn voor de sectorraden om het schoolbestuur te ondersteunen. Ten aanzien van enkele specifieke gegevens geldt dat deze nader kunnen worden uitgesplitst. Het gaat daarbij om de gegevens over het geslacht en de betrekkingsomvang. Voor het gegeven ‘geslacht’ is bepaald dat het geleverd mag worden op het niveau van functiegroep en voor het gegeven ‘betrekkingsomvang’ is dit het niveau van functiecategorie. Gegevens worden enkel geleverd op basis van een besluit van de Minister van OCW. In dat besluit wordt bepaald welke gegevens worden verstrekt. Het uitgangspunt daarbij is dat gegevens op een zo hoog mogelijk aggregatieniveau worden verstrekt. Een lager aggregatieniveau is alleen mogelijk als dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van de sectorraden. Verder is in het wetsvoorstel opgenomen dat de gegevens enkel indien nodig op functiegroep/categorie op instellingsniveau geleverd mogen worden. Daarmee vindt een aggregatieslag plaats, waardoor herkenning alleen mogelijk is bij unieke combinaties en/of kleine aantallen. In functiegroepen en -categorieën waar relatief weinig personeel werkzaam is bestaat er een risico op indirecte herleidbaarheid. Door de gegevens te scheiden in verschillende datasets met verschillende aggregatieniveaus wordt dit risico zoveel mogelijk gemitigeerd. Daarnaast stellen leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen naar de afweging die de minister moet maken inzake passende doeleinden en de bewaartermijnen. Verder stellen deze leden vragen naar de aanname waarom DUO minder fouten zou maken dan individuele schoolbesturen bij de verstrekking van gegevens en een mogelijk extra risico dat er ontstaat door gegevens via DUO te laten verlopen. De doeleinden waarvoor deze gegevens gebruikt mogen worden zijn vastgelegd in het wetsvoorstel, namelijk voor zover dit noodzakelijk is voor de ondersteuning van schoolbesturen of samenwerkingsverbanden voor verantwoording en onderlinge vergelijking betreffende de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. Dit zal worden getoetst tijdens een aanvraagprocedure die de sectorraden moeten doorlopen om de gegevens te verkrijgen. Deze methodiek is ook van toepassing op de gegevens over onderwijsdeelnemers die zij momenteel ontvangen in het kader van artikel 23 van de WRO. Het vaststellen van bewaartermijnen gebeurt met inachtneming van de AVG: gegevens mogen niet langer worden bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld door de sectorraden. De minister beoordeelt dit op basis van de door de sectorraden aangeleverde informatie. De gegevens die DUO verstrekt aan de sectorraden zijn afkomstig van de individuele schoolbesturen. Wanneer er gekozen was voor het leveren van gegevens door ieder individueel schoolbestuur aan de sectorraden, in plaats van één geconsolideerd bestand bestaat er, naast de hoge administratieve lasten die dat met zich meebrengt voor de schoolbesturen, een kans dat ieder schoolbestuur geaggregeerde gegevens maakt op eigen wijze. Het gaat er dus niet om dat DUO minder inhoudelijke fouten maakt in de verstrekking, maar dat de gegevens op uniforme wijze worden verstrekt. Momenteel ontvangen de sectorraden al deze eerdergenoemde gegevens over het onderwijspersoneel van DUO. Het is dus niet zo dat er nieuwe grote hoeveelheden gegevens van DUO naar de sectorraden verstuurd zullen worden. C. Salarisgegeven De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom het gegeven salaris niet is opgenomen in dit wetsvoorstel en of leerkrachten gebaat kunnen zijn bij meer transparantie over salarissen op verschillende scholen ook in het licht van hun onderhandelingspositie. Het salaris is een gevoelig persoonsgegeven en is niet opgenomen in het wetsvoorstel, ter bescherming van de privacy van onderwijspersoneel. Bij aggregatie op niveau van functiecategorie speelt een (groter) risico op indirecte identificatie van personen door de ontvanger. Binnen een aantal functiecategorieën, waarvan er achttien zijn, zal er relatief vaak maar één persoon werkzaam zijn bij een instelling. Bijvoorbeeld binnen de functiecategorie van directeur. Ondanks het feit dat er geen naam of andere direct identificerende gegevens zouden worden verstrekt, bestaat dan de kans dat die persoon te identificeren is door de ontvanger. De verstrekking van salarisgegevens betreft een verdere verwerking van reeds verzamelde persoonsgegevens. De verstrekking moet in dat geval een noodzakelijke en evenredige maatregel zijn in een democratische samenleving, ter waarborging van de in artikel 23, eerste lid, van de AVG bedoelde doelstellingen. De verstrekking van salarisgegevens is, gelet op de hiervoor beschreven risico’s, wat betreft de regering geen noodzakelijke en evenredige maatregel. Ook wanneer dit vanuit het perspectief van leerkrachten wordt beredeneerd, blijft het salarisgegeven een gevoelig persoonsgegeven. Het leveren van dit gegeven aan de sectorraden betekent een inbreuk op de privacy van onderwijspersoneel. Dit kan alleen als dit noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de in artikel 23 van de AVG genoemde doelstellingen. De regering acht dit niet het geval. D. Overige gegevens De leden van de fractie van het CDA vragen welke gegevens er verder nog beschikbaar zijn op landelijk niveau om de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs te meten. Naast gegevens over onderwijspersoneel ontvangen de sectorraden ook gegevens over onderwijsdeelnemers in het kader van artikel 23, derde lid, van de WRO. Dit betreft basisgegevens die kunnen worden gebruikt voor de ondersteuning van onderwijsinstellingen en samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording omtrent de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. Daarnaast maken de informatieproducten van de sectorraden tevens gebruik van de informatie uit jaarrekeningen die DUO ontvangt van schoolbesturen.[voetnoot 56] 4. Verstrekking gegevens Register Onderwijsdeelnemers aan NWO A. Bescherming persoonsgegevens De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe gegevens in de data-uitwisseling tussen uitvoeringsorganisatie DUO en NWO worden gepseudonimiseerd. Deze leden dringen erop aan om gegevens zo veel als mogelijk volledig te anonimiseren om een hoger niveau van gegevensbescherming te verzorgen. De regering onderschrijft het belang van het verzorgen van een zo hoog mogelijk niveau van gegevensbescherming. Hoe gegevens worden gepseudonimiseerd hangt af van de specifieke aanvraag en verstrekking vanuit de Minister van OCW. In het geval van de levering in het kader van het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO) van DUO aan de NWO (ten behoeve van haar organisatieonderdeel Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO)) worden de gegevens gepseudonimiseerd door het burgerservicenummer (BSN) en/of persoonsgebonden nummer (PGN) te vervangen door een uniek, niet direct herleidbaar identificatienummer. Daarbij wordt geborgd dat de sleutel voor herleiding strikt gescheiden en beveiligd wordt bewaard (en bij DUO blijft), zodat het risico op identificatie wordt beperkt. Gegevens worden bovendien enkel geleverd op basis van een besluit van de minister, op grond van artikel 23 van de WRO. In dat besluit wordt na het doorlopen van een beoordelingsproces bepaald welke gegevens worden verstrekt. In dat beoordelingsproces is ook een aantal waarborgen voorzien die moeten worden getroffen om de belangen van betrokkenen te beschermen als onderdeel van aanvragen in het kader van de WRO.[voetnoot 57] Deze waarborgen zorgen er onder andere voor dat het doel en de noodzaak waarvoor persoonsgegevens mogen worden verwerkt, moeten zijn onderbouwd. Het kan dus zijn dat bepaalde gegevens niet op persoonsniveau worden verstrekt en wel op een hoger aggregatieniveau. Verder is voorzien dat de aanvragende organisatie moet voorzien in een DPIA op de specifieke verwerking. In aanvulling op deze waarborgen wordt er op het niveau van informatiebeveiliging bij de aanvragen getoetst op basis van actuele wet- en regelgeving. B. Uitvoerbaarheid DUO De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben vragen over de zorgen van DUO over de grotere hoeveelheid werk voor DUO vanwege het feit dat nu ook de NWO aanvragen kan doen voor gegevensverstrekking op basis van artikel 23 van de WRO. Zij vragen verder of de regering het met DUO eens is dat het wetsvoorstel enkel uitvoerbaar is als de aanvraag in de praktijk beperkt blijft tot eenmaal per jaar. De regering onderschrijft het belang van de uitvoerbaarheid van de aanvragen op basis van artikel 23 van de WRO voor DUO. De regering houdt bij de aanvragen en bij bestuurlijke overleggen met NWO rekening met de capaciteit van DUO in de uitvoering.[voetnoot 58] Met DUO vindt doorlopend overleg plaats over de uitvoerbaarheid van verzoeken tot gegevensverstrekking, zowel in de reikwijdte van aanvragen op grond van artikel 23 van de WRO als op andere terreinen. Mochten er in de toekomst door NWO, naast aanvragen ten behoeve van het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO), voor andere onderzoeken aanvragen worden ingediend dan zal er goede afstemming plaatsvinden over de mogelijke gevolgen voor de uitvoerbaarheid door DUO. Hierbij kan aangetekend worden dat onderzoekers die onderzoek verrichten in het kader van NWO-calls, via microdata-services van het CBS al toegang kunnen krijgen tot de bestanden uit het register onderwijsdeelnemers van DUO. Hiervoor zijn geen aanvragen van NWO aan DUO nodig in het kader van de grondslag die binnen dit wetsvoorstel wordt voorzien. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133. ResearchNed (2023). Landelijke veiligheidsmonitor 2021–2022, Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29 240, nr. 133, p. 17. Onderwijsraad (2018). Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden. Den Haag: Onderwijsraad. Centraal Planbureau (2009). Wat is bekend over de effecten van kenmerken van onderwijsstelsels? Een literatuurstudie. CPB-document 187. Den Haag: CPB. Zie https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK026126/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1. De artikelen waarin de Landelijke veiligheidsmonitor wordt vastgelegd betreffen: artikel 4e van de WPO, artikel 5d van de WEC en artikel 3.41a van de WVO 2020. Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133. MOOZ & Ecorys (2021). Evaluatie wet veiligheid op school: eindrapportage, bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 29 240, nr. 122, p. 97. Zie de nota van wijziging die gelijktijdig aan Uw Kamer is gestuurd. Artikel 4c WPO, artikel 5a WEC en artikel 3.40 WVO 2020. Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021-2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133, p. 40. Zie §7.1.2 van de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2025-26, 36 903, nr. 2, p. 49-53. Verordening (EU) 2016/679 Van het Europese Parlement en de Raad van 27 april 2016, PbL119/1. Artikel 24 van de Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 35 van de Algemene verordening gegevensbescherming. DUO komt alleen in beeld wanneer het noodzakelijk blijkt om de Landelijke veiligheidsmonitor uit te voeren deels of geheel zonder de medewerking van scholen. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat er niet genoeg schoolbesturen zijn die besluiten om de Landelijke veiligheidsmonitor als leerlingmonitoringsinstrument in te zetten. Door leerlingen direct te werven kan dan alsnog voldoende respons bewerkstelligd worden. De BIO is het normenkader voor informatiebeveiliging binnen alle overheidsentiteiten en biedt richtlijnen, algemene principes en verplichte maatregelen voor het initiëren, implementeren, onderhouden en verbeteren van informatiebeveiliging binnen de overheid en haar ketens. Zie bijlage A.4 – Basisafspraken beveiliging bij ROK BGOO 2026 op TenderNed: https://www.tenderned.nl/aankondigingen/overzicht/405539. Zie artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Een datalek is volgens artikel 4, onderdeel 12, van de AVG “een inbreuk op de beveiliging die per ongeluk of op onrechtmatige wijze leidt tot de vernietiging, het verlies, de wijziging of de ongeoorloofde verstrekking van of de ongeoorloofde toegang tot doorgezonden, opgeslagen of anderszins verwerkte gegevens”. Artikel 33 en artikel 34 van de AVG. Artikel 34, derde lid, onderdeel 3, van de AVG. Aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. In de ministeriële regeling wordt vastgelegd welke onderwerpen onder een aandachtsgebied bevraagd worden. Scholen werden gesloten en het onderwijs moest voor langere periodes digitaal worden aangeboden. De Landelijke veiligheidsmonitor kon daardoor niet plaatsvinden en werd met één jaar uitgesteld. Artikel 10 van de AVG. Artikel 4e, vierde lid, sub c, van de WPO en dezelfde bepaling in de WEC en WVO 2020. Artikel 6, vierde lid, van de AVG. Het opstellen van een DPIA gebeurt op grond van regeringsbeleid, zie Kamerstukken II 2017/18, 26643 nr. 490. De advisering door de AP vindt plaats op grond van artikel 36, vierde lid van de AVG. Wetgevings-DPIA Wetsvoorstel wettelijke grondslag Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs, p. 33 – 40. De wetgevings-DPIA is te raadplegen op: https://wetgevingskalender.overheid.nl/regeling/WGK026126/documenten/Tweede%20Kamer/Voorbereidende%20documenten%20gepubliceerd/1. Overweging 38 van de AVG. Beslisnota bij Nader rapport wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2025/26, 36903, nr. 4. Zie paragraaf 5.2.6 van de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2025/26, 36 903, nr. 3, p. 39-41. Artikel 6, eerste lid, sub a en artikel 9, tweede lid, sub a, van de AVG. Aanwijzing 7.4 van de Aanwijzingen van de regelgeving. ResearchNed (2022). Veilig op school: landelijke veiligheidsmonitor 2020-2021, bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 31293, nr. 611, p. 182. ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021-2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133, p. 6. ResearchNed (2022). Veilig op school: landelijke veiligheidsmonitor 2020-2021, bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 31293, nr. 611, p. 17. ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke Veiligheidsmonitor 2021-2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133, p. 39. ResearchNed (2022). Veilig op school: landelijke veiligheidsmonitor 2020-2021, bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 31293, nr. 611, p. 16-20. https://open.overheid.nl/details/37e41945-52c0-428f-bc5a-7ae528419ae3. Artikel 4e, zesde lid, van de WPO en dezelfde bepaling in de WEC en WVO 2020 in het wetsvoorstel. Artikel 4e, derde lid, sub a, van de WPO en dezelfde bepaling in de WEC en WVO 2020 in het wetsvoorstel beperken de mogelijkheid voor de Minister van OCW om direct identificerende gegevens te verwerken tot zover dit noodzakelijk is om leerlingen en personeel uit te nodigen voor deelname aan de landelijke veiligheidsmonitor. Paragraaf 5.2.2 van de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2025/26, 36 903, nr. 3, p. 33-36. Attawell, K. (2019). Behind the numbers: Ending school violence and bullying. United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization; OECD (2026). Education Working Papers No. 341. Bullying in education: prevalence, impact and responses across countries. Sociaal en Cultureel Planbureau (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II. Om te bepalen of een leerling in de wel of niet lhbtiq+ groep valt wordt gekeken naar de groepsgerelateerde achtergrondkenmerken “seksuele gerichtheid” en “genderidentiteit”. Kamerstukken II 2024/25, 36777, nr. 2 (artikel 4c, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, WPO; artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, WEC; en artikel 3.40, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, WVO 2020). Zie par. 2.4.4 voor de toelichting van de overlap tussen de Landelijke veiligheidsmonitor en de genoemde leerlingmonitoringsverplichting. Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs, stb. 2026, PM, artikel I, onderdeel B, zesde lid, artikel II, onderdeel B, zesde lid en artikel III, onderdeel B, zesde lid. Met aandachtsgebieden feitelijke veiligheid, ervaren veiligheid en welbevinden wordt aangesloten bij de bestaande aandachtsgebieden van de leerlingmonitoringsverplichting. ResearchNed (2023). Veilig op school. Landelijke veiligheidsmonitorLandelijke veiligheidsmonitor 2021-2022: veiligheidsbeleid en veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 29240, nr. 133, p. 27. Daarmee wordt aangesloten bij de leerlingmonitorsystematiek. Artikel 8 van de Wet medezeggenschap op scholen. Zie onder andere artikel 2 Eerste Protocol EVRM. Paragraaf 3.4.2 van de MvT. Zie daarvoor: https://achtergrondinformatie.vensters.nl/p/benchmark/6192449487634734. Voor een specificatie van genoemde waarborgen, zie paragraaf 4.2 van de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel. Zie paragraaf 8.3 van de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel.

Versie 489dd3f87a1df74db883606b3ed3fa5fdf933e3b761d9a3e8ca933c030e0afe8 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · aa7f26f214acd3b4

13 okt 2026 · df7bfbeab7fb6f80

Gegevens

Soort document
Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag
Datum
22 september 2026
Vergaderjaar
2026-2027
Citeertitel
Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs
Officiële bron
Tweede Kamer ↗

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.