KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de Voorhang ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten (Kamerstuk 33037-612)

30 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 218ff52004290ba9 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 037MestbeleidNr. 615 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 30 september 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van18 september 2025 over de Voorhang ontwerpbesluit tot wijzigingUitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van dehoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten (Kamerstuk33 037, nr. 612).De vragen en opmerkingen zijn op 26 september 2025 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van30 september 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,AardemaDe waarnemend griffier van de commissie,Van den Brule-Holtjer kst-33037-615ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6151 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA -fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie9IIReactie van de bewindspersoon10 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentagesin de varkenshouderij.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat afroming vanproductierechten ten eerste een maatregel is om de mest- en fosfaatpro-ductie te verlagen en zo te borgen dat de sectorale mestproductieplafondsen daardoor ook het nationale plafond niet worden overschreden. Dezeleden constateren dat de Minister zelf aangeeft dat het stopzetten vanafroming in de varkenshouderij niet bijdraagt aan het terugdringen van deoverschrijding van de nationale mestproductieplafonds, maar vooralwordt ingevoerd om de sector niet verder te beperken dan nodig is. Dezeleden vragen de Minister hoe dit zich verhoudt tot de derogatievoor-waarden en de verplichtingen onder de Nitraatrichtlijn. Acht de Ministerhet niet risicovol om in een periode waarin Nederland reeds moeite heeftde plafonds te respecteren, een instrument als afroming vroegtijdig los telaten?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de huidigewijziging van afromingspercentages is gebaseerd op verwachtingenzonder borging. Deze leden constateren een groot vertrouwen bij hetkabinet in het effect van de beëindigingsregelingen Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beëindigingsre-geling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus), en dat deze ertoeleiden dat de varkenshouderij op termijn onder het sectorplafond zalkomen. Deze leden vragen de Minister nader toe te lichten hoe robuustdeze inschatting is, zeker gezien het feit dat deelname niet verplicht is enhet uiteindelijke effect afhangt van daadwerkelijk doorgang vinden vanbeëindigingen. Hoe wordt voorkomen dat bij een lagere deelname dan deveronderstelde 80 procent alsnog structurele overschrijdingen ontstaan?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen dat het perdirect stopzetten van afroming ertoe leidt dat de periode waarin de sectorboven het plafond produceert, wordt verlengd. Kan de Minister inzichtelijkmaken welk effect dit naar verwachting heeft op de waterkwaliteit en opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6152 de naleving van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Nitraatrichtlijn? Hoeweegt de Minister dit risico af tegen de financiële voordelen voorindividuele bedrijven?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten eraan dat hetmestbeleid in lijn blijft met de ambities (en juridische verplichting) om denatuur- en waterkwaliteit te herstellen. Deze leden vragen de Ministerdaarom om een heldere onderbouwing dat het loslaten van afroming inde varkenshouderij niet leidt tot extra belasting van de waterkwaliteit.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met devaststelling van de hoogte van de afromingspercentages (Kamerstuk33 037, nr. 612), waarmee het afromingspercentage bij varkensrechten op0 procent wordt gezet. In een ander ontwerpbesluit wordt eveneens hetpercentage bij pluimveerechten op 0 procent gezet (Kamerstuk 33 037, nr.609). Deze leden willen daar een aantal vragen over stellen.De leden van de VVD-fractie willen allereerst opmerken dat de afromings-percentages onderdeel vormen van een breder maatregelenpakket omeen generieke korting te voorkomen en om de druk op de mestmarkt teverlichten. Dit was nodig vanwege het verlies van derogatie op deNitraatrichtlijn per 31 december 2025, waardoor het nationale mestpro-ductieplafond wordt verlaagd en de mestplaatsingsruimte wordtverkleind.De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de afspraken uit dederogatiebeschikking zijn gericht op het voorkomen van nitraatuitspoelingen het verbeteren van de waterkwaliteit. Deze leden zijn van mening dat ereen uitdaging ligt om uiteindelijk af te stappen van de generieke EuropeseUnie (EU)-brede mestnorm en in te zetten op een nieuwe vorm vanbemestingsbeleid gericht op doelen als bodemvruchtbaarheid enwaterkwaliteit. Voorts vragen deze leden aan de Minister wanneer zij meerduidelijkheid krijgen over de beleidskeuzes van de Minister ten aanzienvan een grondgebonden melkveehouderij, wat immers onderdeel is vande afspraken uit de derogatiebeschikking.De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister in juli 2025 aande Kamer heeft laten weten een aanvraag bij de Europese Commissie (EC)te hebben gedaan voor een nieuwe derogatie. Deze leden willen wetenwat de status is van deze aanvraag. Wat verwacht de Minister van deuitkomst? Heeft zij al iets gehoord uit Brussel? Acht zij het aannemelijk dathaar besluit om de afromingspercentages bij varkens- en pluimveerechtenongedaan te maken impact heeft op de lopende aanvraag? Bovenal,wanneer verwacht de Minister definitieve duidelijkheid te kunnen gevenaan Nederlandse boeren? Is het volgens de Minister onwenselijk om dehoop op een nieuwe derogatie lange tijd in de lucht te laten hangen en zoja, overweegt zij een uiterlijke datum om hierover uitsluitsel te geven aanboeren?De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de pluimveehouderij dit jaarnaar verwachting voor wat betreft stikstof onder het sectorale plafonduitkomt en voor wat betreft fosfaat nagenoeg gelijk zal zijn aan hetplafond. Wat dat betreft begrijpen deze leden het voorstel van de Ministerom te stoppen met afroming, zeker met het oog op bedrijven dieafhankelijk zijn van lease. Verder lezen deze leden dat de varkenshouderijdit jaar naar verwachting het mestproductieplafond zal overschrijden,waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebeschikking wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6153 overtreden. Kan die overtreding consequenties hebben voor de Neder-landse landbouw, zo vragen zij aan de Minister. Zo ja, op welke manier?Deze leden lezen ook dat het kabinet op basis van de nieuwe inzichtenover de effecten van de Lbv en Lbv-plus regelingen stelt dat het aanne-melijk is dat op termijn het mestproductieplafond in de varkenssector nietzal worden overschreden. Net als bij de pluimveehouderij begrijpen dezeleden de wens van de Minister om het afromingspercentage bij varkens-rechten ongedaan te maken vanwege de impact op individuele onder-nemers, zeker voor diegenen die voor een deel afhankelijk zijn van lease.Echter, is er een scenario denkbaar waarbij de opbrengst van deregelingen tegen zou kunnen vallen en zo ja, welke aanvullende keuzeszou de Minister in dat geval maken om alsnog onder het sectoraleproductieplafond te komen? Heeft het kabinet overwogen om minderscherp aan de wind te zeilen en het afromingspercentage voor devarkenshouderij voor nu slechts te verlagen in plaats van volledig testoppen? Tot slot, kan de Minister bevestigen dat verhandeling vanrechten voor een groot deel plaatsvindt aan het einde van het jaar en zoja, in hoeverre is er dan sprake geweest van een effectieve beleidsmaat-regel om een generieke korting te voorkomen en om de druk op demestmarkt te verlichten?De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister via het Hoofdlij-nenakkoord («de mestcrisis krijgt urgente aandacht, opdat geen sprake isvan een generieke korting») en een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk30 252, nr. 142) de politieke opdracht heeft om een generieke korting tevoorkomen. Deelt de Minister de mening dat het ons er nog steeds allesaan moet zijn gelegen om een generieke korting, ofwel een koudesanering met grote impact op de veehouderij, te voorkomen? Zo ja, kande Minister bevestigen dat haar mestbeleid hier nog steeds primair op isgericht? Kan zij hier dan andermaal en heel precies uiteenzetten welkemaatregelen zij treft om een generieke korting te voorkomen en watdaarvan de voortgang is? Klopt het dat de EC in het kader van dederogatiebeschikking geen rekening houdt met sectorale productiepla-fonds, maar enkel kijkt naar (een overschrijding van) het nationalemestproductieplafond? Kan de Minister toezeggen dat de mestmaatre-gelen naar verwachting voldoende gaan zijn, óók als Nederland onver-hoopt geen nieuwe derogatie krijgt? Zo nee, hoe onderbouwt zij dan hetverlagen van de afromingspercentages op varkens- en pluimveerechten?Zo nee, voorziet zij aanvullende beleidsmaatregelen? Zou een eventueleaanvullende beleidsmaatregel, in theorie, ook een verhoging van deafromingspercentages kunnen zijn? Deze leden vragen de Minister ombovenstaande vragen één voor één te beantwoorden.De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister het ontwerpbesluit,nadat de Kamer zich hierover heeft uitgesproken, voor gaat leggen aan deAfdeling advisering van de Raad van State. Kan zij het verdere procesnader toelichten? Stel dat het advies van de Raad van State negatief is, isde Minister dan voornemens om het ontwerpbesluit aan te passen? Is erdan een mogelijkheid voor de Kamer om zich er opnieuw over uit tespreken?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, waarin hetafromingspercentage voor varkensrechten wordt aangepast. Zij hebbenhierover ernstige zorgen en enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6154 De leden van de NSC-fractie benadrukken dat alles op alles moet wordengezet om overschrijding van het nationale mestplafond te voorkomen endaarmee een generieke korting voor de hele veehouderij te vermijden.Solidariteit tussen sectoren is daarbij cruciaal. Zowel de melkveesector alsde varkenssector dragen bij aan het fysieke mestoverschot. Varkensmestgaat bovendien nog grotendeels rechtstreeks het land op. Kan de Ministertoelichten waarom juist de varkenssector zou moeten worden ontzien?De leden van de NSC-fractie vragen de Minister hoe zeker zij is dat devarkensmestproductie in 2025 niet boven het sectorale plafond zaluitkomen. De Minister stelt dat dit niet het geval zal zijn, maar de cijferszijn onzeker en afhankelijk van vele variabelen. Hoe verantwoordt deMinister dat risico? Welke gevolgen verbindt zij eraan als blijkt dat hetplafond toch wordt overschreden en Nederland daardoor opnieuwrichting een generieke korting wordt gedwongen?De leden van de NSC-fractie merken verder op dat in de praktijk de marktvoor lease en verkoop van rechten momenteel stil ligt. Dit komt mededoordat de Minister herhaaldelijk heeft aangegeven dat zij de afroming zosnel mogelijk wil terugdraaien. Daardoor wachten sectoren af en werkt deafromingsregeling op dit moment nauwelijks. De leden van de NSC-fractievinden dat dit geen argument mag zijn om afroming te beëindigen. Hoebeoordeelt de Minister dit?Ook vragen de leden van de NSC-fractie de Minister waarom zij de Kamerpas op het laatste moment betrekt. Slechts negen maanden na hetwetgevingsoverleg over de Meststoffenwet komt de Minister nu met eeningrijpend besluit. Is dit een zorgvuldige omgang met het parlement? Hoekan het bovendien dat de kabinetsbrief hierover al in de sector en inappgroepen rondging voordat de Kamer officieel werd geïnformeerd?De leden van de NSC-fractie vragen tot slot of de Minister erkent dat zij deverantwoordelijkheid draagt wanneer door het terugdraaien van afromingbij varkensrechten de plafonds toch worden overschreden en er eengenerieke korting voor de hele sector volgt.Deze leden merken daarnaast op dat het weinig respectvol is richting hetparlement om een ingrijpend besluit als dit vlak voor het Verkiezingsreces2025 aan de Kamer voor te leggen. Dit maakt een normale en zorgvuldigebehandeling vrijwel onmogelijk. Deelt de Minister deze analyse? Waaromkiest zij voor deze gang van zaken?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met verbazing de «Voorhangontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages bijvarkensrechten» gelezen. Deze leden vragen de Minister ten eerste tereflecteren op haar besluit om tegen de wens van de Kamer in toch overte gaan op stappen die niet makkelijk omkeerbaar zijn. Deze ledenverzoeken de Minister daarbij nadrukkelijk te reflecteren op haar keuze omtegen de wens van de Kamer in te gaan en niet te reflecteren op deinhoudelijke redenen die zij belangrijk acht. Zij benadrukken dat deinhoudelijke motivatie van de Minister geen reden kan zijn om tegen dewens van de Kamer in een besluit te nemen, mits de wens van de Kameruitvoeringstechnisch mogelijk en grondwettelijk is, wat in dit geval zowas.De leden van de D66-fractie vragen de Minister tevens te reflecteren hoehet afschaffen van de afroming in de varkenssector zich verhoudt tot deblijvende overschrijding van het nationale mestplafond die het kabinet zelfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6155 voor 2025 verwacht. Deze leden maken zich ernstige zorgen dat hetloslaten van de afroming het risico op plafondoverschrijding vergroot endus negatieve consequenties heeft voor de veehouderij. Kan de Ministergaranderen dat het loslaten van afroming in de varkenssector geen extrarisico oplevert voor de derogatie en dus voor de gehele landbouwsector?Kan zij garanderen dat dit besluit niet zal leiden tot een generieke kortingof ijskoude sanering in de sector?De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister in de Nota vantoelichting amvb afromingspercentages pluimvee onder de tabel«Momentopname van de verwachte fosfaat- en stikstofexcretie van deNederlandse veestapel over 2025 (in miljoen kilogram)» (Bijlage bijKamerstuk 33 037, nr. 609) aangeeft dat «Uit deze tabel blijkt dat het CBSverwacht dat mestproductie van de varkenssector voor wat betreft stikstofonder het sectorale plafond uitkomt en voor wat betreft fosfaat nagenoeggelijk zal zijn aan het plafond». Deze leden constateren dat de tabel gaatover de eerste twee kwartalen van 2025 en vragen hoe hier kan wordengesproken van een prognose, als het gaat om cijfers uit het verleden.Tevens vragen deze leden hoe de Minister de onzekerheidsmarges in deCentaal Bureau voor de Statistiek (CBS)-prognoses beoordeelt en hoe zijkan uitleggen dat deze onzekerheidsmarges er mede toe leiden «dat hetkabinet verwacht dat de dalende trend doorzet» aangezien onzekerheids-marges over het algemeen twee kanten op onzeker zijn.De leden van de D66 fractie vragen hoe de Minister weegt dat volgens deCBS-ramingen de fosfaatproductie van varkenssector in 2025 nagenoeggelijk is aan het plafond, terwijl de stikstofproductie slechts beperkt onderhet plafond blijft? Waarom wordt er nu al besloten om de afromingvolledig te schrappen, terwijl de effecten van de Lbv en Lbv-plus pas na2025 merkbaar worden en, zo vragen deze leden, hoe rijmt dit besluit metde toezegging dat er «niet meer afgeroomd zou worden dan striktnoodzakelijk»? Waarom wordt hier niet gekozen voor een geleidelijkeafbouw of een lager percentage in plaats van direct nul?De leden van de D66-fractie vragen verderof de Minister kan garanderendat door dit besluit de druk op de waterkwaliteit niet verder toeneemt,zeker in gebieden waar Nederland al in gebreke blijft richting Brussel?Tenslotte vragen deze leden hoe de Minister de Kamer tijdig en tijdigerdan deze keer zal informeren over de effecten van dit besluit op mestpro-ductie, derogatie en waterkwaliteit, en is zij bereid tussentijds bij te sturenindien de ramingen tegenvallen?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben geen vragen voor de Minister inzakehet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentagesbij varkensrechten. Deze leden vinden dat de Minister perfect heeftonderbouwd waarom de afroming omlaag kan. Zijsteunen dan ook hetvoornemen van de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overhet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages(Kamerstuk 33 037, nr. 609) en het Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoe-ringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogtevan het afromingspercentage bij varkensrechten en hebben daaroverenkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6156 De leden van de CDA-fractie merken op dat zij er bij de behandeling vande Wijziging van de Meststoffenwet in oktober 2024 al op hebbengewezen dat elk sectorplafond gelijk verlagen en daarna afromen logischklinkt, maar dat niet is. Sommige sectoren hebben namelijk hun plafondoverschreden en anderen niet. Wie het plafond overschrijdt, moet meerinleveren; dat is proportioneel en juridisch noodzakelijk. De juistemethode is volgens deze leden om eerst plafonds proportioneel teverlagen, dan uitkoop af te trekken en vervolgens af te romen.De Ministerkoos er echter voor om eerst uitkoop af te trekken en daarna plafonds vastte stellen. Hiermee werden sectoren die overschreden bevoordeeld enandere sectoren met veel vrijwillige stoppers benadeeld. Dit is en wasvolgens deze leden onrechtvaardig en werd bovendien niet door de Raadvan State gevraagd toen zij kritiek uitte op de wijze waarop sectorplafondsen afromingspercentage werden vastgesteld.De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de methode die de Ministerdestijds heeft gekozen met name negatieve effecten met zich meebrachtvoor het toekomstperspectief voor jonge boeren. Daarom hebben deleden Vedder (CDA) en Grinwis (CU) een amendement ingediend omjonge boeren uit te zonderen van afroming bij koop of lease van rechten(Kamerstuk 36 618, nr. 10). Helaas is dit amendement door de Ministerniet op waarde geschat. Deze leden vragen de Minister hoe zij hier opterugkijkt. Is het achteraf gezien toch niet onverstandig geweest om desectorplafonds en afromingspercentages op een dergelijke wijze vast testellen? Deze leden vragen de Minister hierop te reflecteren.De leden van de CDA-fractie lezen in de huidige voorstellen dat hetkabinet heeft besloten het afromingspercentage voor de varkenshouderij,net als voor pluimvee, zo snel mogelijk op nul te zetten, omdat wordtverwacht dat de sector op termijn onder het plafond blijft door deelnameaan de Lbv en Lbv-plus. In 2025 wordt echter nog wel een overschrijdingverwacht.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister waarom er desondankstoch bewust voor wordt gekozen om het afromingspercentage op nul tezetten en dat besluit te baseren op een prognose van toekomstigemestproductie in plaats van op de feitelijke mestproductie vanvoorgaande jaren, zoals normaal gebruikelijk is. Hoe verantwoordt zij dezeafwijking van de gangbare methodiek, gezien het risico dat op basis vanonzekerheden in die prognoses het mestplafond niet betrouwbaar wordtgeborgd?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorgenomenbesluit om de afroming bij varkensrechten op 0 procent te zetten.De leden van de SP-fracite constateren dat het besluit tot de wijziging vanhet afromen in de pluimveehouderij berust op een onzekere prognoseover het in de toekomst halen van het mestproductieplafond en dat ditvoor de varkenshouderij in grotere mate geldt. Daarbij is het ook hiermerkwaardig dat de Minister vooral stuurt op het voorkomen dat deuitstoot teveel onder het sectorplafond komt, in plaats van oog te hebbenvoor de uitstoot en de gevolgen daarvan als geheel. Het plafond lijkt nietals een maximum, maar als een streefdoel te worden gehanteerd, wat nietin lijn is met het doel ervan. Kan de Minister toelichten op welke manierhet voorgenomen besluit bijdraagt aan de algehele doelen rondomstikstofreductie of waarom daar geen rekening mee wordt gehouden,indien ze daar niet aan bijdragen zoals klaarblijkelijk het geval is? Is deMinister van plan dit te compenseren met een reductie in andere sectorenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6157 dan de pluimveehouderij en varkenshouderij, Aangezien het voorgesteldebesluit tot een toename in emissies zal leiden?De leden van de SP-fractie stellen dat het daarnaast kwalijk is dat deMinister deze onverwachte maatregel kort voor de recesperiode neemt.Uit de timing hiervan blijkt niet dat beide Kamers «op een zo goedmogelijke manier» worden betrokken. Bovendien is onduidelijk wanneerdeze maatregel precies genomen is, gezien dit niet is gebeurd in deministerraad van 12 september 2025 waar het kabinet besloten heeft testoppen met het afromen in de pluimveehouderij. Kan de Minister eentijdlijn geven van de totstandkoming van het voorgenomen besluit overhet afromen bij varkensrechten? Op welke manier speelde protest van devarkenshouderij na het bekendmaken van het voorgenomen besluit overhet afromen in de pluimveehouderij hierin een rol?De leden van de SP-fractie vragen tot slot of de Minister een reflectie kangeven op de verwachte reactie van de EC op deze besluiten, specifiek methet oog op de benodigde instemming van de EC voor de brede beëindi-gingsregeling? Welke gevolgen zal het hebben als deze instemming doorde voorliggende besluiten uitblijft en welke stappen zal dit kabinet naaraanleiding daarvan ondernemen?Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie vinden het onacceptabel dat de Ministerweigert om gehoor te geven aan het verzoek van de Kamer om geenonomkeerbare stappen te zetten in de behandeling van dit ontwerpbesluit.Daarmee zet ze de Kamer onder druk en dwingt ze de Kamer om ditbesluit in zeer korte tijd te behandelen, wat een zorgvuldig traject in deweg zit. Niet voor niets heeft de Kamer aangegeven hier meer tijd voor tewillen nemen, maar de Minister maakt dit onmogelijk. Deze leden wijzenerop dat de Kamer en niet de Minister het hoogste orgaan is en consta-teren dat deze Minister zich daar niks van aantrekt. Dit is een schofferingvan het parlement.De leden van de PvdD-fractie vinden het daarnaast onvoorstelbaar datdeze Minister voornemens is om de afromingspercentages van varkens-en pluimveerechten op 0 procent te zetten, terwijl alles erop wijst dat hetnationale mestplafond zal worden overschreden. Deze leden wijzen er danook op dat de volle verantwoordelijkheid rust bij deze Minister en hetkabinet, alsmede de partijen die akkoord gaan met dit besluit, als er strakseen generieke korting komt en boeren noodgedwongen hun dieren naarde slacht zullen moeten brengen. Dat had kunnen worden voorkomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende ontwerpbesluit. Deze leden hadden liever gezien datdit afromingspercentage helemaal niet was ingevoerd en steunen in iedergeval het voorliggende voorstel. Zij hebben al eerder gewezen op de grotegevolgen van deze afroming op met name bedrijven met jonge onder-nemers die afhankelijk zijn van lease.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister de verwachtingdeelt dat met 80 procent deelname aan de Lbv, de Lbv-plus, de komendebrede beëindigingsregeling en het doorzetten van de afroming vanproductierechten in de melkveehouderij ook het nationale fosfaatplafondbinnen afzienbare termijn wordt gehaald. Kan de Minister daarbij eeninschatting geven van de verwachte daling van de mestproductieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6158 behorend bij respectievelijk de brede beëindigingsregeling en de jaarlijkseafroming van fosfaatrechten in de melkveehouderij?De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat het doorzetten van deafroming grote gevolgen zou hebben, met name voor bedrijven met jongeondernemers die afhankelijk zijn van lease. Kan de Minister eeninschatting geven van deze gevolgen? Is de veronderstelling juist datvooral bedrijven die minder dieren houden in verband met deelname aaneen dierenwelzijnsconcept overgebleven rechten verleasen, maar dat zijhier bij afroming heel terughoudend mee zijn omdat het hen dan geld kostin plaats van oplevert? Is de veronderstelling juist dat deze terughou-dendheid er toe zou leiden dat afroming minder oplevert dat voorafingeschat? Deelt de Minister de verwachting dat niet de afroming vanproductierechten in de varkens- en pluimveehouderij bepalend zou zijnvoor het halen van de nationale plafonds, maar de opkoopregelingen ende gang van zaken in de melkveehouderij.De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een inschatting van de matewaarin in het afgelopen jaar fosfaatrechten in de melkveehouderij zijnafgeroomd.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met dewijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten.Zij hebben daarbij nog enkele vragen.De leden van de CU-fractie vragen de Minister nader uiteen te zettenwaarom zij een deelnemerspercentage van 80 procent realistisch acht.Deze leden vragen de Minister te onderbouwen dat dit geen al te positieveinschatting is. Zij vragen de Minister naar de gevolgen als blijkt dat hetuiteindelijke deelnemerspercentage beneden de 80 procdnt eindigt.De leden van de CU-fractie vragen de Minister te berekenen wat het effectop de fosfaatproductie van de varkenshouderij is bij 70 procent en 90procent deelname aan de Lbv en Lbv-plus.De leden van de CU-fractie constateren dat de Minister voornemens is hetafromingspercentage voor varkensrechten op 0 procent te zetten. Dezeleden vragen waarom de Minister voor dit percentage heeft gekozen enniet voor een percentage dat tussen de huidige 22 procent en de 0 procentligt. Zij vragen of er juridische belemmeringen zijn om dit percentageanders te stellen. Deze leden vragen of de Minister dit heeft overwogen enzo ja, waarom hier niet voor is gekozen?De leden van de CU-fractie constateren dat de Minister er ook voor hadkunnen kiezen om het afromingspercentage voor de pluimvee- envarkenshouderij te laten bestaan, teneinde het risico op een generiekekorting in de melkveehouderij te verkleinen. Deze leden pleiten daar nietvoor, maar zij vragen de Minister wel of zij dit heeft overwogen en zo ja,waarom hier niet voor is gekozen. Deze leden vragen de Minister degevolgen van het afschaffen van de afroming van fosfaatrechten voor depluimvee- en varkenshouderij voor de melkveehouderij te schetsen. Zijvragen ten slotte hoe groot de Minister het risico inschat op het uitein-delijk doorvoeren van een generieke korting in de melkveehouderij geletop het vooralsnog overschrijden van het fosfaatplafond en of er aanvul-lende maatregelen nodig zijn om een generieke korting te voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6159 II Reactie van de bewindspersoon InleidingIk heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingenvan de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, BBB,CDA, SP, PvdD, SGP en CU inzake de voorhang van het ontwerpbesluit totwijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijzigingvan de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten1. Bij devolgorde van de beantwoording is de volgorde van de inbreng van hetschriftelijk overleg aangehouden, waarbij indien gepast vragengezamenlijk zijn beantwoord.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentagesin de varkenshouderij.1. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat afroming vanproductierechten ten eerste een maatregel is om de mest- en fosfaatpro-ductie te verlagen en zo te borgen dat de sectorale mestproductieplafondsen daardoor ook het nationale plafond niet worden overschreden. Dezeleden constateren dat de Minister zelf aangeeft dat het stopzetten vanafroming in de varkenshouderij niet bijdraagt aan het terugdringen van deoverschrijding van de nationale mestproductieplafonds, maar vooralwordt ingevoerd om de sector niet verder te beperken dan nodig is. Dezeleden vragen de Minister hoe dit zich verhoudt tot de derogatievoor-waarden en de verplichtingen onder de Nitraatrichtlijn. Acht de Ministerhet niet risicovol om in een periode waarin Nederland reeds moeite heeftde plafonds te respecteren, een instrument als afroming vroegtijdig los telaten?Voor varkens wordt verwacht dat de mestproductie, gezien het verwachteeffect van Lbv en Lbv-plus, op termijn, onder het sectorale mestproductie-plafond komt, waarmee het doorgaan met afroming voor varkens diemestproductie zelfs verder onder het plafond kan brengen dan nodig.Daarom is de uitkomst van het weegmoment dat het sectorale plafondvoor varkens naar de mening van het kabinet voldoende geborgd is omverantwoord met afromen te stoppen. Hierbij heeft het kabinet de groteimpact van de maatregel op de sector betrokken.Naar verwachting zal het nationale mestproductieplafond in 2025 wordenoverschreden, waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebe-schikking die verleend is op basis van de Nitraatrichtlijn, overtredenwordt. Het effect van het stoppen van afromen in de varkens- en pluim-veehouderij op de mestproductie zal echter waarschijnlijk slechts ingeringe mate aan deze overschrijding bijdragen. Bovendien zou instand-houding van de afroming betekenen dat het aantal rechten in dezesectoren verder wordt beperkt dan noodzakelijk om te voldoen aan desectorplafonds.Daarnaast vragen de leden van de fractie GL-PvdA hoe het stopzetten vanafroming in de pluimveehouderij zich verhoudt tot de verplichtingenonder de Nitraatrichtlijn. De Nitraatrichtlijn is gericht op het voorkomen enverminderen van verontreiniging van water door stikstof en fosfaat uit1Kamerstuk 33 037, nr. 612Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61510 agrarische bronnen. Mestproductieplafonds zijn gericht op het regulerenvan de omvang van de maximale mestproductie in Nederland. Voor deverhouding met de derogatievoorwaarden en de Nitraatrichtlijn verwijs iku verder naar de nota naar aanleiding van het verslag2 (Kamerstuk 36 618,D). Daarbij wil ik benadrukken dat er geen directe relatie is tussen deomvang van de mestproductie en de waterkwaliteit.De regering werkt via actieprogramma’s onder de Nitraatrichtlijnvoortdurend aan doelbereik Nitraatrichtlijn en draagt hiermee ook bij aande doelen van de Kaderrichtlijn water, voor wat betreft nutriëntenafkomstig uit de landbouw. De voorbereidingen voor het 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn zijn in volle gang. Op 14 juli jl. is uw Kamergeïnformeerd over het concept 8e actieprogramma dat toen voorlag voorinternetconsultatie.3 Ook de Commissie voor de Milieueffectrapportagezal nog adviseren over het concept 8e actieprogramma. Vervolgens zal het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn verder worden vervolmaakt, zodat hetop 1 januari 2026 kan gaan gelden.2. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de huidigewijziging van afromingspercentages is gebaseerd op verwachtingenzonder borging. Deze leden constateren een groot vertrouwen bij hetkabinet in het effect van de beëindigingsregelingen Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beëindigingsre-geling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus), en dat deze ertoeleiden dat de varkenshouderij op termijn onder het sectorplafond zalkomen. Deze leden vragen de Minister nader toe te lichten hoe robuustdeze inschatting is, zeker gezien het feit dat deelname niet verplicht is enhet uiteindelijke effect afhangt van daadwerkelijk doorgang vinden vanbeëindigingen. Hoe wordt voorkomen dat bij een lagere deelname dan deveronderstelde 80 procent alsnog structurele overschrijdingen ontstaan?Uit de gegevens van RVO blijkt dat van de bedrijven die op 15 juni 2025een verleningsbeschikking in het kader van de Lbv en Lbv-plus geregis-treerd hadden staan, 89% heeft voldaan aan het eerste vereiste, namelijkhet ondertekenen en terugsturen van de overeenkomst. Deze bedrijvenhebben daarop ook een eerste voorschot ontvangen. De resultaten vaneerdere beëindigingsregelingen laten zien dat na het zetten van dehandtekening onder de overeenkomst en ontvangst van het eerstevoorschot, er maar weinig bedrijven zijn die besluiten om toch niet over tegaan tot bedrijfsbeëindiging. Dit gegeven maakt dat ik een deelnameper-centage van 80% realistisch en robuust acht.3. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen dat het perdirect stopzetten van afroming ertoe leidt dat de periode waarin de sectorboven het plafond produceert, wordt verlengd. Kan de Minister inzichtelijkmaken welk effect dit naar verwachting heeft op de waterkwaliteit en opde naleving van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Nitraatrichtlijn? Hoeweegt de Minister dit risico af tegen de financiële voordelen voorindividuele bedrijven?Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 1, draagt het stoppen metafromen in de varkens- en pluimveehouderij naar verwachting slechts ingeringe mate bij aan de overschrijding van het nationale plafond.Daarmee is naar verwachting ook het effect op de duur van deoverschrijding van het nationale plafond gering. Indien na vaststelling vande definitieve mestproductie in 2025 blijkt dat het nationale mestproduc-tieplafond is overschreden, dan is sprake van overtreding van de daarop2Kamerstuk 36 618, D, vraag 26 en 141.3Kamerstuk 33 037, nr. 605.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61511 betrekking hebbende voorwaarde uit de huidige derogatiebeschikking, dieongedaan gemaakt moet worden.In het antwoord op vraag 1 is de relatie tussen het stopzetten van deafroming in de varkenshouderij, de derogatiebeschikking en de Nitraat-richtlijn toegelicht. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, is ergeen directe relatie tussen de omvang van de mestproductie en dewaterkwaliteit.Ten aanzien van de lastenverlichting voor varkenshouders is toegelicht datbij de afweging om door te gaan of te stoppen met afromen wordtmeegewogen dat de mestproductie niet verder hoeft te worden verlaagddan de geldende sectorplafonds, waarbij ook de impact van de maatregelop individuele bedrijven in de sector is meegewogen.4. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten eraan dat hetmestbeleid in lijn blijft met de ambities (en juridische verplichting) om denatuur- en waterkwaliteit te herstellen. Deze leden vragen de Ministerdaarom om een heldere onderbouwing dat het loslaten van afroming inde varkenshouderij niet leidt tot extra belasting van de waterkwaliteit.De relatie tussen het stopzetten van de afroming in de varkenshouderij, dederogatiebeschikking, de Nitraatrichtlijn en de verbetering van dewaterkwaliteit, is toegelicht in het antwoord op vraag 1.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met devaststelling van de hoogte van de afromingspercentages (Kamerstuk 33037, nr. 612), waarmee het afromingspercentage bij varkensrechten op 0procent wordt gezet. In een ander ontwerpbesluit wordt eveneens hetpercentage bij pluimveerechten op 0 procent gezet (Kamerstuk 33 037, nr.609). Deze leden willen daar een aantal vragen over stellen.De leden van de VVD-fractie willen allereerst opmerken dat de afromings-percentages onderdeel vormen van een breder maatregelenpakket omeen generieke korting te voorkomen en om de druk op de mestmarkt teverlichten. Dit was nodig vanwege het verlies van derogatie op deNitraatrichtlijn per 31 december 2025, waardoor het nationale mestpro-ductieplafond wordt verlaagd en de mestplaatsingsruimte wordtverkleind.5. De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de afspraken uit dederogatiebeschikking zijn gericht op het voorkomen van nitraatuitspoelingen het verbeteren van de waterkwaliteit. Deze leden zijn van mening dat ereen uitdaging ligt om uiteindelijk af te stappen van de generieke EuropeseUnie (EU)-brede mestnorm en in te zetten op een nieuwe vorm vanbemestingsbeleid gericht op doelen als bodemvruchtbaarheid enwaterkwaliteit. Voorts vragen deze leden aan de Minister wanneer zij meerduidelijkheid krijgen over de beleidskeuzes van de Minister ten aanzienvan een grondgebonden melkveehouderij, wat immers onderdeel is vande afspraken uit de derogatiebeschikking.In mijn brief van 18 september jl.4 heb ik u zoals aangegeven in mijnroutekaart5, u de vervolgonderzoeken toegezonden. Het betreft eenquickscan naar de bijeffecten van een graslandnorm uitgevoerd door het4Kamerstuk 35 334, nr. 415.5Kamerstuk 30 252, nr. 190.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61512 Louis Bolk Instituut en een quickscan naar de economische keteneffectenvan een graslandnorm uitgevoerd door Wageningen Social & EconomicResearch. Hiermee is stap drie uit mijn routekaart afgerond. Ik beraad meop dit moment over mijn vervolgstappen, zoals in het plenaire debat van24 september jl. aan uw Kamer toegelicht.6 .De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister in juli 2025 aande Kamer heeft laten weten een aanvraag bij de Europese Commissie (EC)te hebben gedaan voor een nieuwe derogatie. Deze leden willen wetenwat de status is van deze aanvraag. Wat verwacht de Minister van deuitkomst? Heeft zij al iets gehoord uit Brussel?Op mijn aanvraag voor een nieuwe derogatie bij de EC heb ik eenontvangstbevestiging ontvangen. Er is nog geen uitkomst van de EC opmijn verzoek voor een nieuwe derogatie. De EC heeft aangegeven, om hetderogatieverzoek te kunnen beoordelen, te kijken naar de technischedetails en naar de gegevens over de waterkwaliteit in Nederland. Hiervoorzijn de gesprekken (op technische niveau) gestart. Deze gesprekken zijnvertrouwelijk.7. Acht zij het aannemelijk dat haar besluit om de afromingspercentagesbij varkens- en pluimveerechten ongedaan te maken impact heeft op delopende aanvraag?De EC zal voor een nieuwe derogatie eraan hechten dat aan devoorwaarden van de huidige derogatiebeschikking is voldaan. Deverwachting is dat het nationale mestproductieplafond in 2025 zal wordenoverschreden, waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebe-schikking wordt overschreden. Het kabinet is zich ervan bewust dat het opnul procent vaststellen van het afromingspercentage in de varkenshou-derij niet bijdraagt aan het beperken van de mate van overschrijding opnationaal niveau. Tegelijkertijd is het effect van afroming in de varkens-houderij op vermindering van de totale mestproductie gering. Omdat dezesector naar verwachting op termijn op jaarbasis wel onder het sector-plafond komt en het doorgaan met afroming het aantal varkensrechten indeze sector verder kan beperken dan nodig is, vind ik het sectoraleplafond voldoende geborgd en vind ik het verantwoord om te stoppenmet afroming. Het kabinet heeft hierbij de impact van afroming voorindividuele bedrijven in de sector meegewogen.8. Bovenal, wanneer verwacht de Minister definitieve duidelijkheid tekunnen geven aan Nederlandse boeren? Is het volgens de Ministeronwenselijk om de hoop op een nieuwe derogatie lange tijd in de lucht telaten hangen en zo ja, overweegt zij een uiterlijke datum om hieroveruitsluitsel te geven aan boeren?In mijn antwoord op vraag 6 heb ik het lopende proces omtrent dederogatie-aanvraag geschetst. Ik begrijp dat helderheid van belang is voorde sector, maar ik kan u op dit moment geen uitsluitsel geven over eenuiterlijke datum waarop ik duidelijkheid kan geven over een mogelijkenieuwe derogatie.9. De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de pluimveehouderij dit jaarnaar verwachting voor wat betreft stikstof onder het sectorale plafonduitkomt en voor wat betreft fosfaat nagenoeg gelijk zal zijn aan hetplafond. Wat dat betreft begrijpen deze leden het voorstel van de Ministerom te stoppen met afroming, zeker met het oog op bedrijven dieafhankelijk zijn van lease. Verder lezen deze leden dat de varkenshouderijdit jaar naar verwachting het mestproductieplafond zal overschrijden,waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebeschikking wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61513 overtreden. Kan die overtreding consequenties hebben voor de Neder-landse landbouw, zo vragen zij aan de Minister. Zo ja, op welke manier?Mocht in juni 2026, na vaststelling van de mestproductie in 2025, blijkendat het nationale mestproductieplafond in 2025 is overschreden, dan iseen mogelijkheid dat de Europese Commissie hierover vragen stelt of opandere wijze actie onderneemt. Hierover heb ik u ook in de nota naaraanleiding van het verslag (Kamerstuk 33 618, D) geïnformeerd.Overigens is de verwachting dat voor de varkenssector wordt verwachtdat de mestproductie op termijn op jaarbasis onder het sectoralemestproductieplafond komt en het doorgaan met afroming het aantalvarkensrechten in deze sector verder kan beperken dan nodig is. Daaromis de uitkomst van het weegmoment dat het sectorale plafond voorvarkens naar de mening van het kabinet voldoende geborgd is omverantwoord met afromen te stoppen.10. Deze leden lezen ook dat het kabinet op basis van de nieuwe inzichtenover de effecten van de Lbv en Lbv-plus regelingen stelt dat het aanne-melijk is dat op termijn het mestproductieplafond in de varkenssector nietzal worden overschreden. Net als bij de pluimveehouderij begrijpen dezeleden de wens van de Minister om het afromingspercentage bij varkens-rechten ongedaan te maken vanwege de impact op individuele onder-nemers, zeker voor diegenen die voor een deel afhankelijk zijn van lease.Echter, is er een scenario denkbaar waarbij de opbrengst van deregelingen tegen zou kunnen vallen en zo ja, welke aanvullende keuzeszou de Minister in dat geval maken om alsnog onder het sectoraleproductieplafond te komen?Uit de gegevens van RVO per 15 juni 2025 blijkt dat 89% van de bedrijvendie in het kader van de Lbv en Lbv-plus een verleningsbeschikking hebbenontvangen, hebben voldaan aan de eerste vereiste, namelijk het onderte-kenen en terugsturen van de overeenkomst. Deze bedrijven hebbendaarop ook een eerste voorschot ontvangen. De resultaten van eerderebeëindigingsregelingen laten zien dat na het zetten van de handtekeningonder de overeenkomst en ontvangst van het eerste voorschot, er maarweinig bedrijven zijn die besluiten om toch niet over te gaan tot bedrijfs-beëindiging, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2. Daarmeeacht ik de kans groot dat de mestproductie op termijn op jaarbasis onderhet plafond zal komen.11. Heeft het kabinet overwogen om minder scherp aan de wind te zeilenen het afromingspercentage voor de varkenshouderij voor nu slechts teverlagen in plaats van volledig te stoppen?Het is mijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij optermijn lager zal zijn dan het sectorale mestproductieplafond, als gevolgvan deelname aan Lbv en Lbv-plus. Gelet hierop en op de impact dieafroming voor individuele bedrijven in de sector heeft, heb ik geenonderbouwing gezien om een ander afromingspercentage dan nulprocent te overwegen.12. Tot slot, kan de Minister bevestigen dat verhandeling van rechten vooreen groot deel plaatsvindt aan het einde van het jaar en zo ja, in hoeverreis er dan sprake geweest van een effectieve beleidsmaatregel om eengenerieke korting te voorkomen en om de druk op de mestmarkt teverlichten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61514 Uit gegevens van voorgaande jaren blijkt inderdaad dat verhandeling vanrechten met name aan het einde van het jaar plaatsvindt. Desalnietteminvond er voorheen ook in de rest van het jaar handel plaats. Dat is dit jaarniet of nauwelijks het geval. Zo lijkt de leasemarkt dit jaar vanwegeafroming stil te zijn gevallen in vergelijking met voorgaande jaren. Deleasemarkt lijkt dit jaar vanwege afroming stil te zijn gevallen in verge-lijking met voorgaande jaren. Bij de behandeling van het Wetsvoorstel totWijziging van de Meststoffenwet in verband met de maximale mestpro-ductie heb ik toegezegd dat dit een factor is die ik zou betrekken bij hetweegmoment. Door nog voor het einde van het jaar het afromingsper-centage in de varkens- en pluimveehouderij op nul procent vast te stellenis de mate waarin de afroming heeft bijgedragen aan het verlagen van demestproductie in deze sectoren gering.13. De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister via hetHoofdlijnenakkoord («de mestcrisis krijgt urgente aandacht, opdat geensprake is van een generieke korting») en een aangenomen Kamermotie(Kamerstuk 30 252, nr. 142) de politieke opdracht heeft om een generiekekorting te voorkomen. Deelt de Minister de mening dat het ons er nogsteeds alles aan moet zijn gelegen om een generieke korting, ofwel eenkoude sanering met grote impact op de veehouderij, te voorkomen?Vanuit het hoofdlijnenakkoord was en is nog steeds mijn opdracht om eralles aan te doen om een generieke korting te voorkomen.14. Zo ja, kan de Minister bevestigen dat haar mestbeleid hier nog steedsprimair op is gericht?Ja. Zie het antwoord op vraag 13.15. Kan zij hier dan andermaal en heel precies uiteenzetten welkemaatregelen zij treft om een generieke korting te voorkomen en watdaarvan de voortgang is?Allereerst merk ik hierbij op dat Nederland ervoor heeft gekozen dat deproductierechtenstelsels er elk voor hun sector op zijn gericht te borgendat de sectorale mestproductie onder de sectorale mestproductieplafondsblijft. Elke sector heeft dus een eigen sectorplafond. Afroming van rechtenin één sector draagt niet bij aan een daling van de mestproductie in eenandere sector en dus evenmin aan het behalen van dat betreffendesectorale productieplafond. Afroming van varkens- en pluimveerechtendraagt dus niet bij aan een daling van de mestproductie in de melkvee-houderij en dus evenmin aan het behalen van het melkveeproductie-plafond. De belangrijkste maatregelen die bijdragen aan vermindering vande mestproductie zijn de bestaande beëindigingsregelingen en hetvoerspoor. Over de voortgang van het voerspoor heb ik de Kamer berichtin mijn brief van 20 augustus 20256. Voor de stand van zaken metbetrekking tot de Lbv en Lbv-plus wil ik de leden van de VVD-fractieverwijzen naar wat hierover is opgenomen in de nota van toelichting bijde ontwerpbesluiten. Naast deze maatregelen zullen ook de nog invoorbereiding zijnde subsidieregeling extensivering melkveehouderij ende vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties, waarover ik uwKamer op 19 september 20257 geïnformeerd heb, bijdragen aan hetvoorkomen van een generieke korting. Tot slot handhaaf ik het afromings-percentage van 30% in de melkveehouderij, omdat het sectorale plafondvoor melkvee, ook bij 100% deelname aan de beëindigingsregeling, naarverwachting nog wordt overschreden.6Kamerstuk 33 037, nr. 608.7Kamerstuk 28 973, nr. 282.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61515 16. Klopt het dat de EC in het kader van de derogatiebeschikking geenrekening houdt met sectorale productieplafonds, maar enkel kijkt naar(een overschrijding van) het nationale mestproductieplafond?Het is juist dat het voldoen aan het nationale mestproductieplafond eenEuropese verplichting is op grond van de derogatiebeschikking2022–2025. De sectorale plafonds zijn niet opgenomen in de derogatiebe-schikking. Het afromen van varkens- en pluimveerechten betreft desectorale plafonds en niet het nationale mestproductieplafond. Wel zijnzowel het nationale als de sectorale plafonds vanwege het 6e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn in de nationale regelgeving verankerd waaraanNederland gelet op de Nitraatrichtlijn gehouden is te voldoen.17. Kan de Minister toezeggen dat de mestmaatregelen naar verwachtingvoldoende gaan zijn, óók als Nederland onverhoopt geen nieuwederogatie krijgt?In mijn brief over de aanpak van de mestmarkt van 13 september 20248,heb ik aangegeven dat bij verlies van derogatie, en door de verlaging vande mestproductieplafonds met circa 10% per 1 januari 2025, er vanaf 2026nog een gat aan plaatsingsruimte overblijft van circa 53 miljoen kg stikstofuit dierlijke mest. De aanpak van de mestmarkt bevat meerdere maatre-gelen, zoals beëindigingsregelingen, voerspoor en mestverwerking. Zoalsin de brief uiteengezet, zal de aanpak er niet toe leiden dat het volledigeverlies aan plaatsingsruimte vanwege de afbouw van de derogatie wordtgecompenseerd, maar is er wel op gericht de druk op de mestmarktzodanig te verlichten dat er een stabiel evenwicht ontstaat, waarbij demest weer afgevoerd kan worden tegen te dragen mestafzetkosten. Zoalsop 19 september jl.9 aan uw Kamer medegedeeld, is de toelating vanRENURE, met de positieve stemming in het Nitraatcomité over detoelating, een grote stap dichterbij gekomen. Dit helpt waardevollenutriënten uit mest beter te benutten, mestoverschotten te verminderenen de druk op de mestmarkt te verlichten.18. Zo nee, hoe onderbouwt zij dan het verlagen van de afromingspercen-tages op varkens- en pluimveerechten?Het invoeren van afroming in de pluimvee- en varkenssector is één van demaatregelen om de mestproductie te verlagen.10 Het effect van hetstoppen van afromen in de varkens- en pluimveehouderij op de mestpro-ductie zal naar verwachting slechts in geringe mate bijdragen aan detotale mestproductie. Zoals in antwoord op vraag 15 aangegeven, zet ikook in op andere maatregelen, zoals het voerspoor en de beëindigingsre-gelingen en handhaaf ik de afroming in de melkveehouderij.19. Zo nee, voorziet zij aanvullende beleidsmaatregelen? Zou eeneventuele aanvullende beleidsmaatregel, in theorie, ook een verhogingvan de afromingspercentages kunnen zijn?Of het nationale mestproductieplafond in 2025 overschreden is, zalduidelijk worden als het CBS in juni 2026 de definitieve gegevens over demestproductie in Nederland in 2025 publiceert. Mochten de eerder in mijnantwoord op vraag 15 van de leden van de VVD-fractie genoemdemaatregelen niet voldoende soelaas bieden, dan kan verhoging van deafromingspercentages aan de orde zijn, gerelateerd aan het sectoralemestproductieplafond. Als de mestproductie van een bepaalde sector8Kamerstuk 33 037, nr. 559.9Kamerstuk 22 112, nr. 4167.10Kamerstuk 33 037, nr. 559.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61516 lager is dan het sectorale plafond, dan is er geen grond voor afroming indie sector.Deze leden vragen de Minister om bovenstaande vragen één voor één tebeantwoorden.20. De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister het ontwerpbesluit,nadat de Kamer zich hierover heeft uitgesproken, voor gaat leggen aan deAfdeling advisering van de Raad van State. Kan zij het verdere procesnader toelichten?Direct na afloop van de voorhangperiode zal ik het ontwerpbesluit, tenzijeen der Kamers der Staten-Generaal heeft besloten niet in te stemmenmet het ontwerpbesluit, voor spoedadvies voorleggen aan de Afdelingadvisering van de Raad van State. Na ontvangst van het advies, zal ik ditadvies bestuderen en een nader rapport opstellen en dat samen met hetbesluit inbrengen in de ministerraad ter aanvaarding van nader rapport enbesluit. Vervolgens gaan nader rapport en besluit naar de Koning. Navaststelling van het besluit door de Koning en contrasignering kan hetbesluit in het Staatsblad worden bekendgemaakt.21. Stel dat het advies van de Raad van State negatief is, is de Ministerdan voornemens om het ontwerpbesluit aan te passen?Ik kan niet vooruitlopen op het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State.22. Is er dan een mogelijkheid voor de Kamer om zich er opnieuw over uitte spreken?Ik volg het proces van de (zware) voorhang zoals de Kamer dat bijamendement heeft vastgesteld. Dat houdt in dat nu het moment is voorde Kamer om zich uit te spreken over voorliggend ontwerpbesluit.Daarnaast acht ik het noodzakelijk, zoals in mijn brieven van 18 en24 september 11 aangegeven, dat het besluit nog dit jaar in werking zaltreden.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, waarin hetafromingspercentage voor varkensrechten wordt aangepast. Zij hebbenhierover ernstige zorgen en enkele vragen.23. De leden van de NSC-fractie benadrukken dat alles op alles moetworden gezet om overschrijding van het nationale mestplafond tevoorkomen en daarmee een generieke korting voor de hele veehouderij tevermijden. Solidariteit tussen sectoren is daarbij cruciaal. Zowel demelkveesector als de varkenssector dragen bij aan het fysieke mestover-schot. Varkensmest gaat bovendien nog grotendeels rechtstreeks het landop. Kan de Minister toelichten waarom juist de varkenssector zou moetenworden ontzien?Het is mijn inschatting dat op termijn de mestproductie in de varkenshou-derij lager zal zijn dan het sectorale mestproductieplafond, dit als gevolgvan het effect van deelname aan de Lbv en Lbv-plus. Instandhouding vande afroming zou in dat geval betekenen dat het aantal rechten in dezesector verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoen aan het sector-11Kamerstuk 33 037, nrs. 611, 612 en 613.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61517 plafond. Het kabinet vindt het van belang om het aantal varkensrechten indeze sector niet verder te beperken dan nodig is, en heeft daarbij ookmeegewogen dat de gevolgen voor deze sector aanzienlijk zijn, als deafroming nog in heel 2025 in stand blijft.24. De leden van de NSC-fractie vragen de Minister hoe zeker zij is dat devarkensmestproductie in 2025 niet boven het sectorale plafond zaluitkomen. De Minister stelt dat dit niet het geval zal zijn, maar de cijferszijn onzeker en afhankelijk van vele variabelen. Hoe verantwoordt deMinister dat risico? Welke gevolgen verbindt zij eraan als blijkt dat hetplafond toch wordt overschreden en Nederland daardoor opnieuwrichting een generieke korting wordt gedwongen?Mijn inschatting is dat de mestproductie in de varkenshouderij onder hetsectorale plafond komt op het moment dat het effect van deelname aande Lbv en Lbv-plus volledig tot uiting komt. Dat zal in 2025 nog niet hetgeval zijn en te verwachten is dat de mestproductie in de varkenshouderijin 2025 nog boven het sectorplafond uitkomt. Zie het antwoord op devragen 9 en 29 over de gevolgen van een overschrijding van het(nationale) mestproductieplafond in 2025.25. De leden van de NSC-fractie merken verder op dat in de praktijk demarkt voor lease en verkoop van rechten momenteel stil ligt. Dit komtmede doordat de Minister herhaaldelijk heeft aangegeven dat zij deafroming zo snel mogelijk wil terugdraaien. Daardoor wachten sectoren afen werkt de afromingsregeling op dit moment nauwelijks. De leden vande NSC-fractie vinden dat dit geen argument mag zijn om afroming tebeëindigen. Hoe beoordeelt de Minister dit?De onderbouwing van mijn voorgenomen besluit is gelegen in deverwachting dat de mestproductie in de varkenshouderij op termijn onderhet sectorplafond komt en ik het belangrijk vind dat het aantal rechten indeze sector niet verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoen aan hetsectorplafond. Dit is in lijn met mijn toezegging aan uw Kamer vorig jaartijdens de behandeling van het Wetsvoorstel tot Wijziging van deMeststoffenwet om niet langer af te romen dan strikt noodzakelijk.26. Ook vragen de leden van de NSC-fractie de Minister waarom zij deKamer pas op het laatste moment betrekt. Slechts negen maanden na hetwetgevingsoverleg over de Meststoffenwet komt de Minister nu met eeningrijpend besluit. Is dit een zorgvuldige omgang met het parlement? Hoekan het bovendien dat de kabinetsbrief hierover al in de sector en inappgroepen rondging voordat de Kamer officieel werd geïnformeerd?Met het voorhangen van dit besluit bij uw Kamer volg ik de voorhangpro-cedure en de voor die voorhang geldende termijn zoals vorig jaar opverzoek van uw Kamer zijn vastgelegd in de wet. Mij is niet bekend dateen conceptversie van een Kamerbrief heeft gecirculeerd. In de openbarebesluitenlijst van de ministerraad van 5 september jl.12, is vermeld is dathet onderwerp was geagendeerd voor de MCEN-vergadering van dieweek en dat het onderwerp was aangehouden. Ik heb begrepen dat vandie openbare besluitenlijst wel een fragment gecirculeerd heeft.27. De leden van de NSC-fractie vragen tot slot of de Minister erkent dat zijde verantwoordelijkheid draagt wanneer door het terugdraaien vanafroming bij varkensrechten de plafonds toch worden overschreden en ereen generieke korting voor de hele sector volgt. Deze leden merken12Besluitenlijst ministerraad 5 september 2025, https://open.overheid.nl/documenten/93927d2e-6d19-410d-acff-e73bbf18fc8c/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61518 daarnaast op dat het weinig respectvol is richting het parlement om eeningrijpend besluit als dit vlak voor het Verkiezingsreces 2025 aan deKamer voor te leggen. Dit maakt een normale en zorgvuldige behandelingvrijwel onmogelijk. Deelt de Minister deze analyse? Waarom kiest zij voordeze gang van zaken?Zoals ik in mijn brieven van 18 en 24 september jl.13 heb aangegeven, kanik het besluit onderbouwen en acht ik het noodzakelijk dat het besluit nogdit jaar in werking zal treden. Daarmee wil ik de gevolgen voor individueleondernemers, en met name ondernemers die voor een groot deelafhankelijk zijn van de lease van rechten, beperken.Ik volg de procedure van de (zware) voorhang en de daarvoor geldendetermijn van vier weken, waar uw Kamer in heeft voorzien middels eenamendement bij de behandeling van het Wetsvoorstel tot Wijziging vande Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie. Ik bieddaarom uw Kamer juist de gelegenheid om zich uit te spreken over hetbesluit.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie28. De leden van de D66-fractie hebben met verbazing de «Voorhangontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages bijvarkensrechten» gelezen. Deze leden vragen de Minister ten eerste tereflecteren op haar besluit om tegen de wens van de Kamer in toch overte gaan op stappen die niet makkelijk omkeerbaar zijn. Deze ledenverzoeken de Minister daarbij nadrukkelijk te reflecteren op haar keuze omtegen de wens van de Kamer in te gaan en niet te reflecteren op deinhoudelijke redenen die zij belangrijk acht. Zij benadrukken dat deinhoudelijke motivatie van de Minister geen reden kan zijn om tegen dewens van de Kamer in een besluit te nemen, mits de wens van de Kameruitvoeringstechnisch mogelijk en grondwettelijk is, wat in dit geval zowas.Zoals aangegeven in mijn brief van 24 september jl.14 acht ik hetnoodzakelijk dat het besluit nog dit jaar in werking zal treden. Daarmee wilik de gevolgen voor individuele ondernemers, en met name ondernemersdie voor een groot deel afhankelijk zijn van de lease van rechten,beperken. Zij hebben naar verwachting hierdoor de mogelijkheid om indecember nog zonder afroming voldoende rechten te verwerven voor hetaantal dieren dat zij in dit jaar op hun bedrijf houden. Ik volg de procedurevan de (zware) voorhang en de daarvoor geldende termijn van vier weken,waar uw Kamer in heeft voorzien middels een amendement bij debehandeling van het Wetsvoorstel tot Wijziging van de Meststoffenwet inverband met de maximale mestproductie. Indien gewacht zou worden ophet afronden van een behandeling in uw Kamer na het reces zou dit, geletop de vervolgprocedure, niet meer haalbaar zijn. Ik bied daarom uwKamer juist de gelegenheid om zich uit te spreken over het besluit.29. De leden van de D66-fractie vragen de Minister tevens te reflecterenhoe het afschaffen van de afroming in de varkenssector zich verhoudt totde blijvende overschrijding van het nationale mestplafond die het kabinetzelf voor 2025 verwacht. Deze leden maken zich ernstige zorgen dat hetloslaten van de afroming het risico op plafondoverschrijding vergroot endus negatieve consequenties heeft voor de veehouderij. Kan de Ministergaranderen dat het loslaten van afroming in de varkenssector geen extra13Kamerstuk 33 037, nrs. 611, 612 en 613.14Kamerstuk 33 037, nr. 613.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61519 risico oplevert voor de derogatie en dus voor de gehele landbouwsector?Kan zij garanderen dat dit besluit niet zal leiden tot een generieke kortingof ijskoude sanering in de sector?Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 is er een mogelijkheid,mocht na vaststelling van de mestproductie in 2025 blijken dat hetnationale mestproductieplafond in 2025 is overschreden, dat de EuropeseCommissie hierover vragen stelt of op andere wijze actie onderneemt15.Gelet op de artikelen 33Ab en 33Ac van de Meststoffenwet zal bijoverschrijding van een sectoraal mestproductieplafond in samenhang metde totale omvang van de productie van dierlijke meststoffen in relatie tothet nationale mestproductieplafond afgewogen moeten worden of denoodzakelijke verlaging op een minder ingrijpende manier mogelijk is danvia een generieke korting. Indien een vermindering niet op een anderemanier mogelijk is, kan een kabinet besluiten tot een generieke korting. Devermindering door middel van een generieke korting mag echter nietgroter zijn dan de overschrijding van het sectorale plafond. Dit laatste isook een van mijn argumenten om nu te stoppen met afroming. Op ditmoment valt nog niet te zeggen of een korting aan de orde is en hoe,indien noodzakelijk, een dergelijke korting zal worden ingevuld.Het effect van het stoppen van afromen in de varkenshouderij op demestproductie zal echter naar verwachting maar in geringe mate aan dieoverschrijding bijdragen. Nu het de verwachting is dat de mestproductievan varkens op termijn onder het sectorale mestproductieplafond komt endoorgaan met afroming die productie verder onder het plafond kanbrengen dan nodig, acht ik het sectorale plafond voor varkens voldoendegeborgd en het verantwoord om voor die sector met afromen te stoppen.30. De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister in de Nota vantoelichting amvb afromingspercentages pluimvee onder de tabel«Momentopname van de verwachte fosfaat- en stikstofexcretie van deNederlandse veestapel over 2025 (in miljoen kilogram)» (Bijlage bijKamerstuk 33 037, nr. 609) aangeeft dat «Uit deze tabel blijkt dat het CBSverwacht dat mestproductie van de varkenssector voor wat betreft stikstofonder het sectorale plafond uitkomt en voor wat betreft fosfaat nagenoeggelijk zal zijn aan het plafond». Deze leden constateren dat de tabel gaatover de eerste twee kwartalen van 2025 en vragen hoe hier kan wordengesproken van een prognose, als het gaat om cijfers uit het verleden.Tevens vragen deze leden hoe de Minister de onzekerheidsmarges in deCentaal Bureau voor de Statistiek (CBS)-prognoses beoordeelt en hoe zijkan uitleggen dat deze onzekerheidsmarges er mede toe leiden «dat hetkabinet verwacht dat de dalende trend doorzet» aangezien onzekerheids-marges over het algemeen twee kanten op onzeker zijn.Op mijn verzoek stelt het CBS aan het einde van ieder kwartaal eenprognose op van de verwachte mestproductie in het lopende jaar. Detabel waar de leden van de D66-fractie naar verwijzen, laat de uitkomstvan die prognose zien. Dit betreft de verwachte mestproductie in 2025, opbasis van de gegevens aan het einde van het eerste kwartaal en deverwachte mestproductie in 2025, als wordt uitgegaan van de gegevensbeschikbaar aan het einde van het tweede kwartaal. Aan het einde van hettweede kwartaal 2025 waren er nog geen gegevens uit de landbouwtelling2025 bekend over de omvang van de stapel. Het CBS heeft gebruikmoeten maken van gegevens uit de telling begin december 2024. In dezegegevens is het effect van de Lbv en Lbv-plus op de omvang van devarkensstapel nog niet of slechts beperkt tot uiting gekomen. Desondanks15Kamerstuk 36 618, D.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61520 is er al wel sprake van een afname in de verwachte mestproductie in devarkenshouderij. Ik ben ervan overtuigd dat uit de volgende kwartaalrap-portage van de verwachte mestproductie in 2025, als de gegevens uit delandbouwtelling over de omvang van de varkensstapel op 1 april 2025beschikbaar zijn, zal blijken dat de mestproductie in de varkensstapel weerlager zal zijn, dan aan het einde van de twee voorgaande kwartalen.31. De leden van de D66 fractie vragen hoe de Minister weegt dat volgensde CBS-ramingen de fosfaatproductie van varkenssector in 2025nagenoeg gelijk is aan het plafond, terwijl de stikstofproductie slechtsbeperkt onder het plafond blijft?Het CBS verwacht dat op basis van de aan het einde van het tweedekwartaal van 2025 beschikbare gegevens dat de mestproductie in devarkenshouderij in 2025 uitkomt boven het sectorplafond. Het CBS geeftechter ook aan dat de onzekerheid groot is, wat mede komt doordat heteffect van deelname aan Lbv en Lbv-plus slechts beperkt tot uiting komt inde verwachting van het CBS. Het is mijn inschatting dat de mestproductiein de varkenshouderij als gevolg van deelname vanuit de varkenshouderijaan de Lbv en Lbv-plus, op termijn op jaarbasis lager zal zijn dan hetsectorplafond. Instandhouding van de afroming zou in dat gevalbetekenen dat het aantal rechten in deze sector verder wordt beperkt dannodig voor het voldoen aan het sectorplafond. Het kabinet vindt het vanbelang om het aantal varkensrechten in deze sector niet verder tebeperken dan nodig is, en heeft daarbij ook meegewogen dat de gevolgenvoor deze sector aanzienlijk zijn als de afroming nog in heel 2025 in standblijft.32. Waarom wordt er nu al besloten om de afroming volledig teschrappen, terwijl de effecten van de Lbv en Lbv-plus pas na 2025merkbaar worden en, zo vragen deze leden, hoe rijmt dit besluit met detoezegging dat er «niet meer afgeroomd zou worden dan strikt noodza-kelijk»? Waarom wordt hier niet gekozen voor een geleidelijke afbouw ofeen lager percentage in plaats van direct nul?Juist mijn toezegging om niet meer dierrechten uit de sector te nemendan strikt noodzakelijk om onder het sectorale mestproductieplafond tekomen, heeft geleid tot mijn besluit om het afromingspercentage in devarkenshouderij op nul procent vast te stellen. Ik schat namelijk in datdoor deelname aan de Lbv en Lbv-plus op termijn de mestproductie in devarkenshouderij op jaarbasis lager zal zijn dan het sectorale plafond.Instandhouding van de afroming zou in dat geval betekenen dat het aantalrechten in deze sector verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoenaan het sectorplafond. Ik vind het van belang om het aantal varkens-rechten in deze sector niet verder te beperken dan nodig is, en heb daarbijook meegewogen dat de gevolgen voor deze sector aanzienlijk zijn als deafroming nog in heel 2025 in stand blijft.33. De leden van de D66-fractie vragen verder of de Minister kan garan-deren dat door dit besluit de druk op de waterkwaliteit niet verdertoeneemt, zeker in gebieden waar Nederland al in gebreke blijft richtingBrussel?Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord opvraag 3.34. Tenslotte vragen deze leden hoe de Minister de Kamer tijdig en tijdigerdan deze keer zal informeren over de effecten van dit besluit op mestpro-ductie, derogatie en waterkwaliteit, en is zij bereid tussentijds bij te sturenindien de ramingen tegenvallen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61521 Voor mij is het van belang naast een tijdige afweging, ook een goedoverwogen afweging te kunnen maken. Daarbij betrek ik allerlei(maatschappelijke) aspecten die daarin een rol spelen, wat soms wat meertijd vraagt. Tijdens de behandeling van de Wet wijziging Meststoffenwet inverband met de maximale mestproductie heb ik toegezegd regelmatig tezullen wegen of de maatregelen toereikend zijn om de mestproductie niethoger te laten zijn dan het nationale mestproductieplafond. Dit zal ikblijven doen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben geen vragen voor de Minister inzakehet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentagesbij varkensrechten. Deze leden vinden dat de Minister perfect heeftonderbouwd waarom de afroming omlaag kan. Zijsteunen dan ook hetvoornemen van de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overhet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages(Kamerstuk 33 037, nr. 609) en het Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoe-ringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van de hoogtevan het afromingspercentage bij varkensrechten en hebben daaroverenkele vragen.De leden van de CDA-fractie merken op dat zij er bij de behandeling vande Wijziging van de Meststoffenwet in oktober 2024 al op hebbengewezen dat elk sectorplafond gelijk verlagen en daarna afromen logischklinkt, maar dat niet is. Sommige sectoren hebben namelijk hun plafondoverschreden en anderen niet. Wie het plafond overschrijdt, moet meerinleveren; dat is proportioneel en juridisch noodzakelijk. De juistemethode is volgens deze leden om eerst plafonds proportioneel teverlagen, dan uitkoop af te trekken en vervolgens af te romen.De Ministerkoos er echter voor om eerst uitkoop af te trekken en daarna plafonds vastte stellen. Hiermee werden sectoren die overschreden bevoordeeld enandere sectoren met veel vrijwillige stoppers benadeeld. Dit is en wasvolgens deze leden onrechtvaardig en werd bovendien niet door de Raadvan State gevraagd toen zij kritiek uitte op de wijze waarop sectorplafondsen afromingspercentage werden vastgesteld.35. De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de methode die deMinister destijds heeft gekozen met name negatieve effecten met zichmeebracht voor het toekomstperspectief voor jonge boeren. Daaromhebben de leden Vedder (CDA) en Grinwis (CU) een amendementingediend om jonge boeren uit te zonderen van afroming bij koop of leasevan rechten (Kamerstuk 36 618, nr. 10). Helaas is dit amendement door deMinister niet op waarde geschat. Deze leden vragen de Minister hoe zijhier op terugkijkt. Is het achteraf gezien toch niet onverstandig geweestom de sectorplafonds en afromingspercentages op een dergelijke wijzevast te stellen? Deze leden vragen de Minister hierop te reflecteren.Bij het vaststellen van de sectorale mestproductieplafonds en deafromingsmaatregelen met de Wet wijziging Meststoffenwet in verbandmet de maximale mestproductie, heeft de regering ervoor gekozen omelke sector naar rato van het aandeel in de verwachte mestproductie 2025bij te laten dragen aan de resterende reductieopgave. Daarbij heb ikervoor gekozen het potentiële effect van de beëindigingsregelingen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61522 mindering te brengen op de nationale mestproductie alvorens desectorale mestproductieplafonds vast te stellen. Ik sta nog steeds achterdeze verdeling.Wat betreft de jonge landbouwers merk ik op, dat er niet voor is gekozendeze groep, of een andere groep, vrij te stellen van afroming. Wel iservoor gekozen een uitzondering op te nemen voor de overgang vanproductierechten in familieverband, zowel bij de overgang van losserechten, als bij overgang van rechten in het kader van een bedrijfsover-dracht binnen familieverband. Wel is er sprake van afroming als eenlandbouwer ervoor kiest, het bedrijf na overname te laten groeien endaarvoor rechten wil kopen of leasen van een landbouwer buiten defamilie. Daarbij gelden echter ook verschillende uitzonderingssituaties.De leden van de CDA-fractie lezen in de huidige voorstellen dat hetkabinet heeft besloten het afromingspercentage voor de varkenshouderij,net als voor pluimvee, zo snel mogelijk op nul te zetten, omdat wordtverwacht dat de sector op termijn onder het plafond blijft door deelnameaan de Lbv en Lbv-plus. In 2025 wordt echter nog wel een overschrijdingverwacht.36. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister waarom er deson-danks toch bewust voor wordt gekozen om het afromingspercentage opnul te zetten en dat besluit te baseren op een prognose van toekomstigemestproductie in plaats van op de feitelijke mestproductie vanvoorgaande jaren, zoals normaal gebruikelijk is. Hoe verantwoordt zij dezeafwijking van de gangbare methodiek, gezien het risico dat op basis vanonzekerheden in die prognoses het mestplafond niet betrouwbaar wordtgeborgd?Laat ik voorop stellen dat er geen sprake is van een gangbare methodiekwaar ik van zou afwijken. Het CBS verwacht op basis van de beschikbaregegevens dat de mestproductie in de varkenshouderij aan het einde vanhet tweede kwartaal van 2025 uitkomt boven het sectorplafond. Het CBSgeeft echter ook aan dat de onzekerheid groot is en het effect vandeelname aan Lbv en Lbv-plus slechts beperkt tot uiting komt in de op detweede kwartaalcijfers 2025 gebaseerde prognose van het CBS. Het ismijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij als gevolgvan deelname vanuit de varkenshouderij aan de Lbv en Lbv-plus, optermijn op jaarbasis lager zal zijn dan het sectorplafond. Instandhoudingvan de afroming zou in dat geval betekenen dat het aantal rechten in dezesector verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoen aan het sector-plafond. Het kabinet vindt het van belang om het aantal varkensrechten indeze sector niet verder te beperken dan nodig is, en heeft daarbij ookmeegewogen dat de gevolgen voor deze sector aanzienlijk zijn, als deafroming nog in heel 2025 in stand blijft.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorgenomenbesluit om de afroming bij varkensrechten op 0 procent te zetten.De leden van de SP-fracite constateren dat het besluit tot de wijziging vanhet afromen in de pluimveehouderij berust op een onzekere prognoseover het in de toekomst halen van het mestproductieplafond en dat ditvoor de varkenshouderij in grotere mate geldt. Daarbij is het ook hiermerkwaardig dat de Minister vooral stuurt op het voorkomen dat deuitstoot teveel onder het sectorplafond komt, in plaats van oog te hebbenvoor de uitstoot en de gevolgen daarvan als geheel. Het plafond lijkt nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61523 als een maximum, maar als een streefdoel te worden gehanteerd, wat nietin lijn is met het doel ervan.37. Kan de Minister toelichten op welke manier het voorgenomen besluitbijdraagt aan de algehele doelen rondom stikstofreductie of waarom daargeen rekening mee wordt gehouden, indien ze daar niet aan bijdragenzoals klaarblijkelijk het geval is? Is de Minister van plan dit te compen-seren met een reductie in andere sectoren dan de pluimveehouderij envarkenshouderij, Aangezien het voorgestelde besluit tot een toename inemissies zal leiden?De mestproductieplafonds zoals vastgelegd in de Meststoffenwet hebbentot doel de productie van mest te beperken, zowel op nationaal niveau alsin de drie afzonderlijke sectoren. De productierechtenstelsels zijn er, elkvoor hun sector, op gericht te borgen dat de sectorale mestproductieonder de sectorale mestproductieplafonds blijft. Afroming is eenmaatregel om te borgen dat deze plafonds niet worden overschreden.Voor afroming bij dierrechten is, ook als daar een ander doel mee gediendzou zijn, geen grond als een sector aan de sectorale plafonds voldoet. Ditontwerpbesluit is dus gericht op wat nodig is ter borging van de sectoralemestproductieplafonds. Met de maatregelen geformuleerd binnen deMCEN werk ik aan de stikstofopgave. Deze maatregelen, zoals doelsturing,hebben onder andere betrekking op de pluimvee- en varkenssector. Het isdus niet noodzakelijkerwijs zo dat de effecten van dit besluit gecompen-seerd zullen worden in andere sectoren.De leden van de SP-fractie stellen dat het daarnaast kwalijk is dat deMinister deze onverwachte maatregel kort voor de recesperiode neemt.Uit de timing hiervan blijkt niet dat beide Kamers «op een zo goedmogelijke manier» worden betrokken. Bovendien is onduidelijk wanneerdeze maatregel precies genomen is, gezien dit niet is gebeurd in deministerraad van 12 september 2025 waar het kabinet besloten heeft testoppen met het afromen in de pluimveehouderij.38. Kan de Minister een tijdlijn geven van de totstandkoming van hetvoorgenomen besluit over het afromen bij varkensrechten?Tijdens de behandeling van de Wet wijziging Meststoffenwet in verbandmet de maximale mestproductie is toegezegd regelmatig te zullen wegenof de maatregelen toereikend zijn om de mestproductie niet hoger te latenzijn dan het nationale mestproductieplafond. In maart van dit jaar heefteen eerste interne gedachtenvorming plaatsgehad ten behoeve van heteerste weegmoment. Daarbij bleek dat zo kort na inwerkingtreding van dewetswijziging, alleen het (potentiële) effect van deelname aan de Lbv enLbv-plus op de verwachte mestproductie meegenomen kon worden in deweging. Het was niet mogelijk andere elementen, zoals het potentieeleffect van de afromingsmaatregel, de ontwikkeling van de leasemarkt vanvarkens- en pluimveerechten en de positie van jonge landbouwers, toenin de afweging mee te nemen, omdat er nog te weinig data (leasemarkt)of nog geen data (jonge landbouwers) beschikbaar waren. Om die redenheb ik het eerste weegmoment uitgesteld en op basis van recenteregegevens van het potentiële effect van de Lbv en Lbv-plus regelingen(gegevens van RVO van 15 juni 2025) een actueler beeld opgesteld omeen zorgvuldigere afweging te kunnen maken. Vervolgens heeft, op basisvan deze actuelere gegevens, voor de zomer in onderraden een eerstepolitieke weging plaatsgevonden. Na de zomer is dit besluitvormings-proces verder opgepakt, waarbij lopende dit proces het CBS de MonitorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61524 fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest tweede kwartaal 202516gepubliceerd heeft met daarin een prognose van de verwachte mestpro-ductie in 2025 voor de verschillende sectoren. Het was op dat momentopportuun om ook deze recentere CBS gegevens te betrekken bij hetweegmoment en de te maken keuzes over voortzetting van de afromings-maatregelen. Het kabinet heeft hierna op basis van alle op dat momentbeschikbare gegevens besloten, waaronder het feit dat de leasemarkt lijktstil gevallen te zijn dit jaar vergeleken met voorgaande jaren, de afromingvan pluimvee- en varkensrechten nog dit jaar op nul procent te willenzetten. Op 16 september jl. heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.17 Op18 september jl.18 heb ik uw Kamer in een begeleidende brief uitgebreidergeïnformeerd over de gemaakte afwegingen en de uitkomst van hetweegmoment. Op respectievelijk 1219 en 18 september jl.20 heb ik deontwerpbesluiten om het afromen bij pluimvee en varkens op nul tezetten bij beide Kamers voorgehangen.39. Op welke manier speelde protest van de varkenshouderij na hetbekendmaken van het voorgenomen besluit over het afromen in depluimveehouderij hierin een rol?De zorgen van zowel de pluimveehouderij als de varkenshouderij over deimpact van afroming op de bedrijven waren gedurende het gehele jaarreeds bij mij bekend. Bij de besluitvorming is een brede weging gemaakt,waarbij uiteraard ook de zorgen uit de sector zijn meegewogen.40. De leden van de SP-fractie vragen tot slot of de Minister een reflectiekan geven op de verwachte reactie van de EC op deze besluiten, specifiekmet het oog op de benodigde instemming van de EC voor de bredebeëindigingsregeling? Welke gevolgen zal het hebben als dezeinstemming door de voorliggende besluiten uitblijft en welke stappen zaldit kabinet naar aanleiding daarvan ondernemen?De leden van de SP-fractie vragen naar de reactie van de EC op debesluiten en eventuele gevolgen daarvan voor de brede beëindigingsre-geling. Het gaat hier om de vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlo-caties, wat een op zichzelf staande regeling is die nog in voorbereiding isen nog niet aan de EC is toegezonden in het kader van de staatssteunnoti-ficatie. Op de reactie van de EC daarop wil ik op dit moment niet vooruit-lopen. Wat betreft het voorliggende besluit is het van belang dat het deverwachting is dat het stoppen met afromen in de varkenshouderij nietbijdraagt aan het beperken van de mate van overschrijding op nationaalniveau, maar dat het effect van afroming in de varkenshouderij opvermindering van de mestproductie tegelijkertijd gering is. Omdat demestproductie in deze sector naar verwachting op termijn op jaarbasiswel onder het sectorplafond komt en het doorgaan met afroming hetaantal varkensrechten in deze sector verder kan beperken dan nodig is,vind ik het sectorale plafond voldoende geborgd, en is het verantwoordom te stoppen met afroming.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie41. De leden van de PvdD-fractie vinden het onacceptabel dat de Ministerweigert om gehoor te geven aan het verzoek van de Kamer om geenonomkeerbare stappen te zetten in de behandeling van dit ontwerpbesluit.16Kamerstuk 33 037, nr. 608.17Kamerstuk 33 037, nr. 610.18Kamerstuk 33 037, nr. 611.19Kamerstuk 33 037, nr. 609.20Kamerstuk 33 037, nr. 612.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61525 Daarmee zet ze de Kamer onder druk en dwingt ze de Kamer om ditbesluit in zeer korte tijd te behandelen, wat een zorgvuldig traject in deweg zit. Niet voor niets heeft de Kamer aangegeven hier meer tijd voor tewillen nemen, maar de Minister maakt dit onmogelijk. Deze leden wijzenerop dat de Kamer en niet de Minister het hoogste orgaan is en consta-teren dat deze Minister zich daar niks van aantrekt. Dit is een schofferingvan het parlement.Ik volg de procedure van de (zware) voorhang, waar uw Kamer in heeftvoorzien middels een amendement bij de behandeling van hetWetsvoorstel tot Wijziging van de Meststoffenwet in verband met demaximale mestproductie, inclusief de voor die voorhang geldendetermijn. Ik bied uw Kamer dus juist de gelegenheid om zich uit te sprekenover het besluit. Indien gewacht zou worden op het afronden van eenbehandeling in uw Kamer na het reces zou nog dit jaar stoppen metafroming, gelet op de vervolgprocedure, niet meer haalbaar zijn.Zoals ik in mijn brieven van 18 en 24 september jl.21 heb aangegeven, achtik het noodzakelijk dat het besluit nog dit jaar in werking zal treden.Daarmee wil ik de gevolgen voor individuele ondernemers, en met nameondernemers die voor een groot deel afhankelijk zijn van de lease vanrechten, beperken.42. De leden van de PvdD-fractie vinden het daarnaast onvoorstelbaar datdeze Minister voornemens is om de afromingspercentages van varkens-en pluimveerechten op 0 procent te zetten, terwijl alles erop wijst dat hetnationale mestplafond zal worden overschreden. Deze leden wijzen er danook op dat de volle verantwoordelijkheid rust bij deze Minister en hetkabinet, alsmede de partijen die akkoord gaan met dit besluit, als er strakseen generieke korting komt en boeren noodgedwongen hun dieren naarde slacht zullen moeten brengen. Dat had kunnen worden voorkomen.Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de PvdD-fractieverwijs ik naar het antwoord op vraag 29 van de leden van de D66-fractie.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende ontwerpbesluit. Deze leden hadden liever gezien datdit afromingspercentage helemaal niet was ingevoerd en steunen in iedergeval het voorliggende voorstel. Zij hebben al eerder gewezen op de grotegevolgen van deze afroming op met name bedrijven met jonge onder-nemers die afhankelijk zijn van lease.43. De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister deverwachting deelt dat met 80 procent deelname aan de Lbv, de Lbv-plus,de komende brede beëindigingsregeling en het doorzetten van deafroming van productierechten in de melkveehouderij ook het nationalefosfaatplafond binnen afzienbare termijn wordt gehaald. Kan de Ministerdaarbij een inschatting geven van de verwachte daling van de mestpro-ductie behorend bij respectievelijk de brede beëindigingsregeling en dejaarlijkse afroming van fosfaatrechten in de melkveehouderij?De Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr), die invoorbereiding is en waarover ik uw Kamer recent per brief de stand vanzaken heb geschetst22, heeft tot doel de ammoniakemissie te verminderenen natuurherstel te bevorderen. Dit wordt bereikt door, net als bij de21Kamerstuk 33 037, nrs. 611, 612 en 613.22Kamerstuk 28 973, nr. 282.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61526 lopende Lbv en Lbv-plus, subsidie te verstrekken aan veehouders diebesluiten hun veehouderijbedrijf of locatie van hun veehouderijbedrijfdefinitief en onherroepelijk te beëindigen. De Vbr draagt daarmee bij aanreductie van van de nationale mestproductie (fosfaat en stikstof). De Vbr iseen vrijwillige subsidieregeling en zal openstaan voor veehouders metmelkvee, varkens, pluimvee, vleeskalveren, overig rundvee, geiten,konijnen en vleeseenden. In welke mate de Vbr bij kan dragen aan hetreduceren van de fosfaatproductie in de melkveehouderij valt op ditmoment niet te voorspellen. Dit zal afhangen van het aantal subsidieaan-vragen van melkveehouders en het aantal van deze aanvragen dat binnenhet beschikbare budget gehonoreerd kan worden.44. De leden van de SGP-fractie willen erop wijzen dat het doorzetten vande afroming grote gevolgen zou hebben, met name voor bedrijven metjonge ondernemers die afhankelijk zijn van lease. Kan de Minister eeninschatting geven van deze gevolgen? Is de veronderstelling juist datvooral bedrijven die minder dieren houden in verband met deelname aaneen dierenwelzijnsconcept overgebleven rechten verleasen, maar dat zijhier bij afroming heel terughoudend mee zijn omdat het hen dan geld kostin plaats van oplevert? Is de veronderstelling juist dat deze terughou-dendheid er toe zou leiden dat afroming minder oplevert dat voorafingeschat? Deelt de Minister de verwachting dat niet de afroming vanproductierechten in de varkens- en pluimveehouderij bepalend zou zijnvoor het halen van de nationale plafonds, maar de opkoopregelingen ende gang van zaken in de melkveehouderij.Het is voor mij niet mogelijk om op deze korte termijn een preciezeinschatting te geven van de gevolgen voor een (jonge) ondernemer in devarkenshouderij als afroming in stand blijft. Of de veronderstelling van deleden van de SGP-fractie dat bedrijven die deelnemen aan een dierenwel-zijnsconcept terughoudend zijn in het verleasen van overgebleven rechtenjuist is, kan ik niet bevestigen. Het klopt dat op dit moment de leasemarktin de varkenshouderij nagenoeg volledig is stilgevallen. Doordat debijdrage van afroming in de varkens- en pluimveehouderij aan devermindering van de mestproductie gering is, deel ik de verwachting vande leden van de SGP-fractie dat het behalen van het nationale mestpro-ductieplafond in sterke mate afhangt van het effect van huidige entoekomstige beëindigingsregelingen en (autonome) ontwikkelingen in demelkveehouderij en dus niet van het wel of niet afschaffen van afromingin de varkens- en pluimveehouderij.45. De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een inschatting van demate waarin in het afgelopen jaar fosfaatrechten in de melkveehouderijzijn afgeroomd.Uit gegevens van RVO blijkt dat er in 2025 circa 173.000 fosfaatrechten zijnafgeroomd. Hierbij is uitgegaan van het aantal transacties dat in deperiode van 1 januari tot en met 31 augustus bij RVO zijn gemeld.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met dewijziging van de hoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten.Zij hebben daarbij nog enkele vragen.46. De leden van de CU-fractie vragen de Minister nader uiteen te zettenwaarom zij een deelnemerspercentage van 80 procent realistisch acht.Deze leden vragen de Minister te onderbouwen dat dit geen al te positieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61527 inschatting is. Zij vragen de Minister naar de gevolgen als blijkt dat hetuiteindelijke deelnemerspercentage beneden de 80 procent eindigt.Uit gegevens van RVO blijkt dat van de bedrijven die op 15 juni 2025 eenverleningsbeschikking in het kader van de Lbv en Lbv-plus geregistreerdhadden staan, 89% heeft voldaan aan het eerste vereiste waarmeeaanspraak kan worden gemaakt op uitbetaling van een subsidievoorschot,namelijk het ondertekenen en terugsturen van de overeenkomst. Dezebedrijven hebben daarop ook een eerste voorschot ontvangen. Deresultaten van eerdere beëindigingsregelingen laten zien dat er, na hetzetten van de handtekening onder de overeenkomst en de ontvangst vanhet eerste voorschot, maar weinig bedrijven zijn die besluiten om tochniet over te gaan tot bedrijfsbeëindiging. Dit gegeven maakt dat ik eendeelnamepercentage van 80% realistisch acht. Tijdens de behandeling vande Wet wijziging Meststoffenwet in verband met de maximale mestpro-ductie heb ik toegezegd regelmatig te zullen wegen of de maatregelentoereikend zijn om de mestproductie niet hoger te laten zijn dan hetnationale mestproductieplafond. Zoals toegezegd, blijf ik dit doen.47. De leden van de CU-fractie vragen de Minister te berekenen wat heteffect op de fosfaatproductie van de varkenshouderij is bij 70 procent en90 procent deelname aan de Lbv en Lbv-plus.In onderstaande tabel is de inschatting van de mestproductie op termijnop basis van de gerealiseerde mestproductie 2024 en het potentiële effectvan deelname aan Lbv en Lbv plus bij 70% en 90% deelname (in miljoenkg).VarkensfosfaatstikstofProductie32,380,1Effect bij 90%5,013,8Inschatting bij 90%27,366,3Effect bij 70%3,910,7Inschatting bij 70%28,469,4Plafond27,870,3Overschrijding4 bij 90%– 0,5– 4,0Overschrijding4 bij 70%0,6– 0,9 48. De leden van de CU-fractie constateren dat de Minister voornemens ishet afromingspercentage voor varkensrechten op 0 procent te zetten. Dezeleden vragen waarom de Minister voor dit percentage heeft gekozen enniet voor een percentage dat tussen de huidige 22 procent en de 0 procentligt. Zij vragen of er juridische belemmeringen zijn om dit percentageanders te stellen. Deze leden vragen of de Minister dit heeft overwogen enzo ja, waarom hier niet voor is gekozen?Op grond van – het nog in werking te treden – artikel 32, eerste lid, van deMeststoffenwet kan het afromingspercentage bij algemene maatregel vanbestuur worden vastgesteld, maar bedraagt dit maximaal 30%. Er is danook in beginsel geen juridische belemmering om het afromingsper-centage op een ander percentage vast te stellen, zolang het afromingsper-centage niet hoger is dan dit maximum van 30%. Er is echter niet gekozenvoor een percentage tussen de huidige 22 procent en de voorgestelde 0procent, omdat het de verwachting is dat de mestproductie op termijnonder het sectorale mestproductieplafond komt en er geen gefundeerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61528 onderbouwing te geven is voor elk ander percentage. Het in stand houdenvan afroming zou er dan toe leiden dat de varkenssector op termijn verderdan nodig onder het sectorplafond komt terwijl ik het van belang acht hetaantal varkensrechten niet verder te beperken dan nodig is.49. De leden van de CU-fractie constateren dat de Minister er ook voorhad kunnen kiezen om het afromingspercentage voor de pluimvee- envarkenshouderij te laten bestaan, teneinde het risico op een generiekekorting in de melkveehouderij te verkleinen. Deze leden pleiten daar nietvoor, maar zij vragen de Minister wel of zij dit heeft overwogen en zo ja,waarom hier niet voor is gekozen.De productierechtenstelsels zijn er elk voor hun sector op gericht teborgen dat de sectorale mestproductie onder de sectorale mestproductie-plafonds blijft. De melkveehouderij heeft een eigen sectorplafond.Afroming van varkens- en pluimveerechten draagt niet bij aan een dalingvan de mestproductie in de melkveehouderij en dus evenmin aan hetbehalen van het melkveeproductieplafond. In de melkveehouderij blijft hetafromen op 30% gehandhaafd.50. Deze leden vragen de Minister de gevolgen van het afschaffen van deafroming van fosfaatrechten voor de pluimvee- en varkenshouderij voorde melkveehouderij te schetsen.Het stoppen met afromen van dierrechten in de varkens- en pluimveehou-derij draagt niet bij aan een daling van de mestproductie in de melkvee-houderij. Omdat het sectorale plafond voor melkvee, ook bij 100%deelname, naar verwachting nog wel wordt overschreden, handhaaf ik hethuidige percentage van afromen van fosfaatrechten met 30%.51. Zij vragen ten slotte hoe groot de Minister het risico inschat op hetuiteindelijk doorvoeren van een generieke korting in de melkveehouderijgelet op het vooralsnog overschrijden van het fosfaatplafond en of eraanvullende maatregelen nodig zijn om een generieke korting tevoorkomen.Op basis van de tweede kwartaalrapportage 2025 verwacht het CBS dat demestproductie in de melkveesector in 2025 boven het sectorale melkvee-plafond uitkomt. Daarom handhaaf ik het huidige afromingspercentagevan 30%, wordt momenteel gewerkt aan de extensiveringsregeling voorde melkveehouderij en wordt een nieuwe vrijwillige beëindigingsregelingvoorbereid. Of het melkveeplafond in 2025 ook daadwerkelijk wordtoverschreden, zal medio 2026 duidelijk worden, nadat de definitievecijfers van het CBS over de mestproductie 2025 zijn ontvangen. Zie hetantwoord op de vragen 9 en 29 over de gevolgen van een overschrijdingvan het (nationale) mestproductieplafond in 2025 in relatie tot eengenerieke korting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61529

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 10781da5f7ed80c5

14 okt 2026 · da6a3d78b226932b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.