Inzet voor mensen met postinfectieuze aandoeningen
Brontekst
Versie a0612e200ccc4627 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 295InfectieziektenbestrijdingNr. 2286 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 juni2026De recente start van de openbare verhoren in de parlementaire enquêteover de aanpak van de coronacrisis brengen herinneringen aan depandemie weer naar boven. Hoewel de pandemie voor velen voelt als eenver verleden, is het leven met de gevolgen van een infectieziekte voor veelpatiënten met post-COVID of andere post-acute infectieuze syndromen(PAIS) nog altijd een dagelijkse realiteit. De klachten van een PAIS zijnvoor veel patiënten zo ingrijpend, dat de gevolgen voor hun gezondheid,welzijn, werk en sociale leven enorm zijn.De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet. Dag in dag uit zettenartsen, onderzoekers, nazorgadviseurs, patiëntvertegenwoordigers envele anderen zich in om PAIS-patiënten zo goed mogelijk op te vangen,behandelen en ondersteunen. Tegelijkertijd is de realiteit dat er geensluitende diagnose of genezende behandeling is. Ook op het gebied vanherkenning en erkenning van deze aandoeningen zijn er nog stappen tezetten.Recent heb ik gesproken met een aantal PAIS-patiënten. De persoonlijkeverhalen en de impact van hun ziekte maken diepe indruk. Moeders,vaders en ondernemers, en soms ook kinderen en jongeren, van wie hetleven plotseling stil is komen te staan, zonder enige zekerheid op herstelof verbetering van hun situatie. Het moeten vechten voor erkenning enondersteuning maakt deze mensen enkel zieker. Hiermee moeten levenvraagt veel van patiënten en hun naasten.Door de inzet die de afgelopen jaren is geleverd, ligt er momenteel eenbasis om te komen tot een meer duurzame inbedding van zorg enondersteuning van PAIS patiënten. Zo leveren verschillende onderzoeken,onder andere vanuit ZonMw, de post-COVID expertisecentra, hetNederlands Lyme Expertisecentrum en het Post-COVID NetwerkNederland (PCNN), steeds meer kennis op over PAIS. Daarnaast is er veelgeïnvesteerd in kennisdeling, onder meer door de stichtingen Q- en kst-25295-2286ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22861 C-support en is een Q-koortsambassadeur aangesteld, die een belangrijkeverbindende rol vervult tussen patiënten, zorgverleners en gemeenten.In deze brief licht het kabinet toe wat momenteel de stand van zaken isvan de verschillende initiatieven ten aanzien van PAIS.In deze brief gaat het kabinet in op de volgende onderwerpen:•Het advies van de Gezondheidsraad over post-COVID,•De stand van zaken rondom stichting Q- en C-support,•De voortgang van de post-COVID expertisecentra,•De voortgang van wetenschappelijke onderzoeken en netwerken,•Kennisverspreiding.Na de zomer zal het kabinet zijn visie uiteenzetten hoe te komen totstructurele inbedding in het reguliere zorg- en welzijnsdomein, in dewetenschap dat deze structurele oplossing niet alleen nu vereist is om tevoorzien in de zorg en ondersteuning voor de huidige patiënten met eenPAIS, maar ook zodat adequaat gereageerd kan worden op nieuwe postacute-infectieziekten. Hiermee draagt het kabinet bij aan een meerweerbare zorg en ondersteuning, nu en in de toekomst.Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over de stand van zakenvan volgende amendementen, moties en toezeggingen:•De motie van het lid Bushoff over de financiering voor longcovidklinie-ken zo lang als nodig continueren (Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 28);•De motie van het lid Bushoff over het voortbestaan van postcovid-expertisecentra garanderen (Kamerstuk 25 295, nr. 2242);•De motie van het lid Bushoff over een brede meerjarige aanpak vanpostacute infectiesyndromen (Kamerstuk 25 295, nr. 2243);•De motie van het lid Bushoff over zorgen dat het sociale vangnet ooktoegankelijk is voor PAIS-patiënten (Kamerstuk 25 295, nr. 2244);•De motie van het lid Bikker over in gesprek gaan over het Duitseinitiatief om long covid en PAIS aan te pakken (Kamerstuk 25 295,nr. 2247);•De motie van het lid Bikker over kinderen en jongeren met postcoviden andere PAIS niet vergeten (Kamerstuk 25 295, nr. 2260);•De motie van het lid Bikker over kennis en kunde uit de post-covid-expertisecentra zo snel mogelijk toelaten en laten vergoeden (Kamer-stuk 25 295, nr. 2249);•De motie van de leden Van Brenk en Bikker over aandacht in hetPAIS-beleid voor de gevolgen voor de inzetbaarheid op de arbeids-markt en voor de kennispositie van artsen en keuringsartsen (Kamer-stuk 25 295, nr. 2257);•De motie van het lid Maeijer over voorzien in de behoefte aaninformatie over postcovid bij kinderen (Kamerstuk 25 295, nr. 2258);•De motie van het lid Kostic over inzichtelijk maken hoe wordtgeïnvesteerd in PAIS-beleid om patiënten zo goed mogelijk toegang totzorg en ondersteuning te bieden (Kamerstuk 25 295, nr. 2261);•De motie van de leden Ceder en Westerveld om, in samenspraak metouders, leerlingen, deskundigen en het onderwijsveld, landelijkerichtlijnen op te stellen voor scholen over PAIS/post-COVID (Kamerstuk36 530, nr. 22);•Amendement van het lid Bushoff over middelen voor ZonMw voor eenmeerjarig onderzoeksvoorstel over Post Acute Infectieuze Syndromen(Kamerstuk 36 800-XVI-31);•De toezegging door de voormalige Staatssecretaris Jeugd, Preventieen Sport om met de post-COVID expertisecentra te overleggen of zijeen rol zouden kunnen spelen in de Werkagenda Vrouwengezondheid(TZ202602-058);•De toezegging door de Minister van VWS om de Kamer een brief overde laatste ontwikkelingen rondom C-support te sturen (TZ202604-010);•Amendement van het lid Bushoff over middelen voor de behandelingvan postinfectieuze aandoeningen (Kamerstuk 36 915-XVI, nr. 38).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22862 Advies Gezondheidsraad Post-COVIDIn maart 2024 heeft de toenmalige Minister voor Medische Zorg aan deGezondheidsraad (GR) gevraagd in kaart te brengen wat er bekend is overde definitie, omvang, diagnostiek en behandeling van post-COVID. Ook isgevraagd hoe post-COVID zich verhoudt tot andere PAIS, en om aanbeve-lingen te doen voor de inrichting van zorg. Patiëntenorganisaties zijn inhet adviesproces betrokken middels een raadpleging en een consultatie-ronde. Op 13 mei jl. heeft het kabinet het advies over post-COVID aan deKamer aangeboden.1 In deze brief gaat het kabinet in op de belangrijkstebevindingen en aanbevelingen van dit GR-advies2 en geeft het kabineteen reactie.Samenvatting van het advies van de GezondheidsraadDe GR wijst op de grote impact die post-COVID kan hebben op hetwelbevinden en functioneren van mensen. Het brede scala aan klachtenkan per persoon verschillen, zoals vermoeidheid, kortademigheid,concentratieproblemen, hartkloppingen of duizeligheid bij het (gaan)staan of zitten en/of klachten na inspanning. Wat betreft de definitie heeftde GR de voorkeur uitgesproken om de WHO-definitie van post-COVID alsuitgangspunt te hanteren, omdat daarin de impact op het functioneren isopgenomen en recht wordt gedaan aan de heterogeniteit van hetklachtenbeeld. De beschikbare schattingen over het aantal mensen metpost-COVID lopen uiteen en kennen elk hun beperkingen. De GR geeftdaarom aan dat de precieze omvang van mensen met post-COVID nogonduidelijk is, maar dat het om een omvangrijke groep lijkt te gaan.Post-COVID ontstaat na een infectie met SARS CoV-2. Wat er vervolgensgebeurt en hoe post-COVID voortduurt is nog onvoldoende duidelijkvolgens de GR. Er worden wel verschillende mogelijke werkingsmecha-nismen in wetenschappelijke literatuur beschreven die nog verderonderbouwd moeten worden, zoals veranderingen in het immuun-systeem. De onderliggende werkingsmechanismen verschillenwaarschijnlijk tussen individuen. Het is mogelijk dat binnen een individumeerdere werkingsmechanismen naast elkaar bestaan die elkaaronderling kunnen beïnvloeden.De diagnose post-COVID wordt gesteld op basis van het klinisch beeld vande patiënt. De GR wijst erop dat het voor zorgverleners moeilijk kan zijnom de diagnose post-COVID te stellen vanwege het brede scala aanmogelijke klachten, het gebrek aan een valide diagnostische test endoordat diverse klachten van post-COVID ook bij andere gezondheidspro-blemen voorkomen.Begeleiding en behandeling van patiënten richt zich op symptoomver-lichting, verbetering van het functioneren en/of de kwaliteit van leven. Eris geen bewezen, genezende behandeling voor post-COVID. De GR geeftaan dat overtuigend wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit vangeneesmiddelen voor post-COVID op dit moment nog ontbreekt. De GRwijst op de grote heterogeniteit van de onderzoeken naarniet-medicamenteuze behandelingen wat betreft interventies, patiënten-populaties en uitkomstmaten en doet daarom geen uitspraken over deeffectiviteit.Tot slot benadrukt de GR de overeenkomsten met andere post-acuteinfectiesyndromen (PAIS), zoals de aanzienlijke overlap in symptomen enmogelijke werkingsmechanismen. Zowel voor post-COVID als andere PAIS1Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2273.2Advies Post-COVID | GezondheidsraadTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22863 ontbreken betrouwbare diagnostische tests en genezende behandelingen.Ook de impact die de aandoeningen kunnen hebben op het dagelijksfunctioneren van patiënten is een overeenkomst. Een deel van de mensenmet PAIS ervaart vanuit de omgeving een gebrek aan (h)erkenning enscepsis of ongeloof over de legitimiteit van de klachten.Aanbevelingen van de GezondheidsraadIn het GR-advies staan aanbevelingen voor de vormgeving, evaluatie eninrichting van zorg, verder wetenschappelijk onderzoek en het delen vankennis. De aanbevelingen zijn zowel gericht aan het Ministerie van VWS,als aan andere partijen, zoals de beroepsgroepen en wetenschappelijkeverenigingen. Het betrekken van en rekening houden met het patiëntper-spectief benoemt de GR als een belangrijk uitgangspunt bij het uitwerkenen uitvoeren van de aanbevelingen.De aanbevelingen uit het GR-advies:•Erken post-COVID als belangrijk gezondheidsprobleem;•Bied zorg op maat en evalueer geboden zorg;•Organiseer zorg in regionale netwerken;•Zet in op een langlopend onderzoeksprogramma naar PAIS en goedekennisuitwisseling.KabinetsreactieHet kabinet is de GR en de partijen die hieraan hebben bijgedragendankbaar voor het geboden advies. Het advies draagt bij aan de verderevormgeving van het PAIS-beleid. Hieronder gaat het kabinet in op deaanbevelingen.Erken post-COVID als belangrijk gezondheidsprobleemHet kabinet ziet net als de GR dat post-COVID en andere PAIS een groteimpact kunnen hebben op de gezondheid en daarmee het leven vanPAIS-patiënten. Het is onwenselijk dat patiënten nog steeds ervaren dathun klachten niet altijd serieus worden genomen en niet worden erkend.Daarom zijn de initiatieven van het kabinet erop gericht om de erkenningen herkenning van PAIS te vergroten, onder andere door meer kennisont-wikkeling over PAIS te financieren en deze kennis onder professionals teverspreiden. Verderop in deze brief wordt hier nader op ingegaan.Het verbeteren van de zorg voor, en ondersteuning van, mensen met eenPAIS is een gezamenlijke opgave. Dat is in lijn met het GR-advies datbenadrukt dat bij de uitvoering van de aanbevelingen ook de inzet vanandere partijen van belang is, zoals de beroepsgroepen en wetenschappe-lijke verenigingen. Daarbij is het kabinet het met de GR eens dat hetinderdaad van groot belang is om het patiëntperspectief mee te nemen.Verschillende partijen, zoals het post-COVID Netwerk Nederland (PCCN)en de post-COVID expertisecentra werken al hard aan deze opgave, samenmet patiënten.Bied zorg op maat en evalueer geboden zorgDe GR wijst op de meerwaarde van een integrale benadering in de zorgvoor post-COVID patiënten, waarbij begeleiding en behandeling isafgestemd op de persoon in de context van diens omgeving, met oogvoor de gevolgen van post-COVID op het lichamelijke, mentale en socialevlak.Het kabinet onderschrijft het belang van zorg op maat met hetuitgangspunt dat een ieder passende zorg, waar mogelijk dicht bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22864 patiënt georganiseerd, moet krijgen. Ook onderschrijft het kabinet hetbelang van zorgevaluatie voor post-COVID en andere PAIS. Wel hecht hetkabinet er waarde aan dat, waar het specifiek gaat over het gebruik vanoff-label medicatie dit plaatsvindt volgens het stappenplan en dezorgvuldigheidseisen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).3Deze zijn opgesteld om te waarborgen dat een zorgverlener binnen degrenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening blijft, rekeninghoudend met de stand van de wetenschap en met hetgeen in de beroeps-groep ter zake als norm of standaard is aanvaard. Op deze manier kan eenzorgvuldige afweging worden gemaakt van werkzaamheid en veiligheid.Echter snapt het kabinet de voorkeur van de GR om off-label medicatie instudieverband toe te dienen, omdat – indien de effectiviteit daarbij wordtonderzocht met een methodologisch verantwoorde onderzoeksopzet – deeventuele inzichten die deze toepassing oplevert, kunnen worden gebruiktvoor toekomstige patiënten.Het kabinet stimuleert het effectiever, veiliger en doelmatiger inzetten vanbestaande geneesmiddelen via het GGG-programma (Goed GebruikGeneesmiddelen) van ZonMw.4 Het gaat daarbij om onafhankelijkonderzoek naar bestaande, geregistreerde medicijnen. Een belangrijkonderdeel hiervan richt zich op off-label gebruik. Onderzoek naar off-labelmedicatie bij de behandeling van post-COVID kan daar onderdeel van zijn,mits passend bij de voorwaarden van de subsidieronde.Organiseer zorg in regionale netwerkenDe GR vindt het essentieel dat de zorgverlening voor mensen metpost-COVID en andere PAIS op een adequate wijze wordt ingebed in dereguliere zorg. Het kabinet onderschrijft dit volledig, zoals ook aange-geven in de inleiding van deze brief.Ten aanzien van de inrichting van zorg adviseert de GR om vooralsnogaan te sluiten bij huidige ontwikkelingen in het zorgveld. Ook vindt de GRde vorming van regionale netwerken van eerste-, tweede- en derdelijns-zorgverleners van belang, in lijn met het Integraal Zorgakkoord en hetAanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Op die manier kan volgens de GRsamenwerking van zorgverleners binnen en tussen de verschillende lijnenvan het zorgsysteem worden gefaciliteerd en versterkt, expertise verderworden opgebouwd en optimaal benut worden.Het kabinet onderschrijft dat de beweging van onder meer het AZWA naarhet organiseren van zorg in domeinoverstijgende regionale netwerken,die met de verschillende zorgakkoorden in gang is gezet, ervoor zorgt dattoekomstige zorg beter aansluit bij de specifieke behoeften van patiëntenen inwoners en daarmee ook voor PAIS-patiënten. Het kabinet heeft in hetIZA en AZWA onder andere afgesproken om regiobeelden en -plannen opte laten stellen door elke IZA regio. Daarnaast gaat het kabinet, zoalsaangekondigd in de beleidsbrief VWS5, erop sturen dat passende zorgaltijd en overal de norm is.Om beter inzicht te kunnen krijgen in de aantallen mensen metpost-COVID en de andere PAIS in Nederland, pleit de GR voor een betereregistratie van PAIS in de klinische praktijk. In lijn met deze aanbevelingvan de GR moedigt het kabinet huisartsen aan om de bestaande registra-tiecode te gebruiken, zodat beter zicht komt op de omvang van de groeppost-COVID patiënten. Vanwege de barrières voor het diagnosticeren vanpost-COVID, zoals beschreven in het rapport van het NIVEL6 acht ik de3www.igj.nl/documenten/2026/02/03/standpunt-igj-off-label-voorschrijven4www.zonmw.nl/nl/programma/goed-gebruik-geneesmiddelen5Kamerstukken II 2025/26, 36 800-XVI, nr. 191.6www.nivel.nl/nl/publicatie/post-covid-syndroom-diagnose-en-registratie-de-huisartsenpraktijk-mogelijkheden-enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22865 aanbeveling van de GR waarin zij pleit voor goed onderwijs en bij- ennascholing voor zorgverleners hierbij extra van belang. Vanuit deMinisteries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksge-zondheid, Welzijn en Sport (VWS) kan de inhoud van de opleidingen nietlandelijk worden bepaald. Door de huidige investeringen van het kabinetop verschillende PAIS wordt er wel nieuwe kennis gegenereerd. Het is aande opleidingsinstellingen om deze kennis te laten landen in de oplei-dingen. In het veld worden hierover gesprekken gevoerd met de NHG.Over het advies voor een betere registratie van PAIS in de klinischepraktijk wordt de Kamer in een volgende brief geïnformeerd.Inzet op een langlopend onderzoeksprogramma naar PAIS en goedekennisuitwisselingDe GR stelt dat verder wetenschappelijk onderzoek nodig is naar in elkgeval de werkingsmechanismen en de diagnostiek en behandeling vanpost-COVID en andere PAIS en adviseert om in te zetten op eenlanglopend onderzoeksprogramma gericht op PAIS. Het kabinet verwachtdat de komende periode steeds meer kennis beschikbaar komt enverspreid wordt naar professionals in zorg en welzijn om PAIS-patiëntente kunnen helpen. Het kabinet beseft echter dat ook in de opbouw vankennis nog stappen kunnen worden gezet. Hier gaat het kabinet nader opin onder de paragrafen Voortgang wetenschappelijke onderzoeken ennetwerken en Kennisverspreiding.Ten slotte zou volgens de GR het bestaan van een goede (kennis)infra-structuur, zoals de genoemde regionale netwerken, helpend kunnen zijnom bij een eventuele volgende pandemie of grote uitbraak van eeninfectieziekte in beleid, de zorg en het onderzoek in te kunnen spelen opde grote waarschijnlijkheid dat een deel van de mensen langdurigeklachten zal ontwikkelen of houden. Anticiperen op PAIS bij een nieuweepidemie is inderdaad van belang. Bestaande, goed opgebouwde(kennis)infrastructuur is daarbij essentieel. Er is vanuit het kabinet ookmeer aandacht voor de gevolgen van toekomstige epidemieën. Zo is in deop 27 maart jl. met de Kamer gedeelde brief over het infectieziektebeleidtoegelicht dat bij de Voorjaarsnota middelen zijn vrijgemaakt terversterking van de pandemische paraatheid.7 In de brief over hetinfectieziektebeleid die in het najaar naar de Kamer gaat, zal het kabinetdit beleid nader toelichten.Stichting Q- en C-supportIn de Kamerbrief van 28 november 20258 heeft het toenmalig kabinet deKamer geïnformeerd over de ombouw van Stichting Q- en C-support.Deze ombouw hield in dat stichting Q- en C-support de intensieveindividuele nazorgactiviteiten moest gaan stoppen vanaf 2027 en primairgericht moest zijn op het scholen en informeren van de zorg- en welzijns-professionals en het informeren van patiënten in de vorm van eenkennisinstelling. In beantwoording op de Kamervragen van het lidBushoff9 heeft het kabinet vervolgens het dilemma geschetst dat tengrondslag ligt aan de keuze om de subsidie aan Q- en C-support af tebouwen. De beleidsmatige afweging is namelijk dat, ondanks hun groteinzet, de mogelijkheden van Q- en C-support om ervoor te zorgen datpatiënten met Q-koorts en post-COVID terecht kunnen bij reguliere zorg-en welzijnsinstanties beperkt zijn.Dat neemt niet weg dat de stichting in de afgelopen jaren een belangrijkerol heeft gespeeld in het bieden van een luisterend oor en het geven van7Kamerstukken II, 2025–2026, 25 295, nr. 22658Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2238.9Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel Handelingen II, 2025/26, nr. 1705.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22866 advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Daarnaast heeft destichting waardevolle kennis opgebouwd, waarvan het van belang is datdie blijft behouden en landt bij de professionals in het zorg- en welzijns-domein. Maar deze nazorg is geen gebruikelijke vorm van zorg inNederland. Patiënten ontvangen normaal gesproken de benodigde zorgen ondersteuning binnen de reguliere structuren van zorg en welzijn.Tegelijkertijd heeft het kabinet begrip voor de zorgen van patiënten en deKamer over de afbouw van de intensieve vorm van individuele nazorg,zolang zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectievebehandeling. Daarom vindt het kabinet het van belang dat Q- enC-support hun kennis blijven delen met de professionals binnen dereguliere structuren van zorg en welzijn. Voor deze activiteiten heeft hetMinisterie van VWS aangegeven subsidie beschikbaar te stellen aan Q- enC-support vanaf 2027.Naar aanleiding van het amendement Bushoff10 is voor Q- en C-supportde mogelijkheid gecreëerd om een deel van haar activiteiten voorpatiënten in 2027 voort te zetten. Desondanks heeft Q- en C-support hetministerie op 25 juni jl. laten weten dat deze middelen onvoldoende zijnom hun dienstverlening aan patiënten op verantwoorde wijze voort tezetten. Q- en C-support heeft diezelfde dag ook haar medewerkers en depatiënten die zij ondersteunt laten weten dat de organisatie en dienstver-lening de komende periode afgebouwd en per 31 december 2026beëindigd worden.Hoewel al langere tijd bekend was dat de individuele patiëntonder-steuning van Q- en C-support na 2026 zou eindigen, kan het kabinet zichvoorstellen dat zowel Q- en C-support als patiënten hoop hadden opvoortzetting van een deel van de dienstverlening in 2027. Het recentaangenomen amendement Bushoff11 beoogt hier ook in te voorzien.Desondanks heeft het bestuur van Q- en C-support moeten constaterendat de beschikbaar gestelde middelen in combinatie met de taakopdrachtte beperkt zijn om de dienstverlening op een goede manier voort tekunnen zetten. Het kabinet beseft dat Q- en C-support dit besluit nietlichtzinnig heeft genomen en heeft begrip voor de worsteling die hieraanvooraf is gegaan. Q- en C-support heeft zich de afgelopen jaren immerssteeds ingespannen om patiënten van zo goed mogelijke ondersteuningte voorzien. De komende maanden wordt ingezet op het goed overdragenvan de opgebouwde kennis naar het reguliere zorg en welzijnsdomein enactiviteiten die horen bij beëindiging van een organisatie. Het kabinet zaldaarbij bezien, in samenwerking met de Q- en C-support, patiëntenvereni-gingen en het veld, waaronder de huisartsen, op welke wijze invulling kanworden gegeven aan de met het amendement Bushoff beschikbaargestelde middelen, waarbij het belang van PAIS-patiënten voorop staat.Daarbij zal het kabinet ook bezien op welke wijze de kennisfunctie vanQ-en C-support zoveel mogelijk duurzaam kan worden geborgd eningebed, zodat dit aansluit bij het reguliere zorg- en welzijnsdomein. Hetkabinet zal de Kamer na de zomer hierover informeren.Met deze toelichting beschouwt het kabinet de toezegging gedaan tijdenshet eerstelijnszorg debat om een brief over de laatste ontwikkelingenrondom C-support te sturen12 als afgedaan.Voortgang post-COVID expertisecentraDe post-COVID expertisecentra bestaan inmiddels ruim anderhalf jaar.Door artsen en onderzoekers in de expertisecentra wordt hard gewerkt omkennis en ervaring op te doen over diagnose- en behandelmogelijkhedenvoor post-COVID en in totaal zijn eind mei ongeveer 1550 volwassenen en10Kamerstukken II 2025/26, 36 915-XVI, nr. 38.11Kamerstukken II 2025/26, 36 915-XVI, nr. 38.12TZ202604-010Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22867 350 kinderen met post-COVID in de expertisecentra gezien. De capaciteitvan de centra is in de tijd getrapt opgevoerd.Het merendeel van de patiënten die gezien zijn in de expertisecentra, isvrouw. De voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heefttijdens het commissiedebat over Vrouwengezondheid van 10 februari jl.aan de Kamer toegezegd, dat de Werkagenda Vrouwengezondheid aan depost-COVID expertisecentra zou worden overlegd. Er is gesproken met deartsen in deze centra. Zij bevestigen de relevantie van het onderwerp enondersteunen de ambitie om te komen tot een betere gezondheid en zorgvoor alle vrouwen en meisjes in Nederland. Omdat vrouwen in depatiëntenpopulatie post-COVID zijn oververtegenwoordigd, heeftvrouwengezondheid de speciale aandacht van de expertisecentra.Doordat er namelijk meer vrouwen dan mannen zijn in de dataverza-meling, bestaat in de evaluatie van zorg in de expertisecentra in feite eenpositieve bias. Dat betekent dat de zorg, die in de expertisecentra wordtontwikkeld, in belangrijke mate uitgaat van vrouwelijke post-COVIDpatiënten. Daarmee dragen de expertisecentra bij aan de drie actielijnenuit de werkagenda; het herkennen en erkennen van klachten, beterekennisontwikkeling, implementatie en innovatie, en betere infrastructuuren informatie-uitwisseling.De motie van het lid Bikker c.s. verzoekt de regering zich er samen met dezorgverzekeraars, medisch-specialisten en huisartsen voor in te zetten omde opgedane kennis en kunde uit de expertisecentra op een verantwoordewijze zo snel mogelijk toe te laten en te laten vergoeden.13 Het kabinetdeelt de wens om de zorg voor post-COVID patiënten zo optimaalmogelijk te organiseren. Met de inzet van het kabinet om de expertise-centra tot stand te brengen en alle investeringen in onderzoek via ZonMw,zoals verderop in deze brief nader toegelicht, heeft het kabinet hieraanbijgedragen.De post-COVID expertisecentra vormden een unieke casus waarbij hetMinisterie van VWS in uitvoering van het amendement Bushoff c.s.14regie nam over de inrichting en organisatie van zorg voor post-COVIDpatiënten, omdat deze zorg zonder inmenging van het Ministerie van VWSniet tot stand zou zijn gekomen.Zoals ook is toegelicht in de Kamerbrief die het voormalig kabinet schreefin november 202415 heeft het kabinet de regie daarna weer teruggelegdwaar deze hoort; bij het zorgveld zelf.Om ervoor te zorgen dat effectieve behandelmogelijkheden onderdeelkunnen worden van het basispakket, is het noodzakelijk dat het onderzoekin de post-COVID expertisecentra goed is opgezet. Dat wil zeggen dat deeffectiviteit van deze zorg wetenschappelijk kan worden aangetoond. Devoormalig Minister van VWS heeft onder meer in het debat op 29 januarijl. toegelicht dat de adviescommissie veelbelovende zorg van hetZorginstituut (Advezo) heeft meegekeken op de onderzoeksopzet. Zijkwamen tot de conclusie dat het onderzoek dat door de expertisecentra isopgezet voor de experimentele zorg, onvoldoende solide is om uitsprakente kunnen doen over de effectiviteit van deze zorg. Op basis van hethuidige onderzoek kan dus niet worden vastgesteld of de onderzochtemedicijnen werken. Dat betekent dat deze eind 2026 geen onderdeelkunnen worden van het basispakket. De expertisecentra bekijken samenmet onder meer PCNN en het Zorginstituut of zij op specifieke onderdelenvan het zorgpad kunnen aansluiten bij andere lopende onderzoeken of datde lessen in de expertisecentra aan andere onderzoeken kunnenbijdragen. Hoewel het kabinet het ongeduld bij patiënten en hun naastenzeer begrijpt, hecht zij sterk aan het doorlopen van deze proceduresomdat deze een zorgvuldig proces en eenduidigheid in het basispakket13Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2249.14Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 130.15Kamerstukken II 2024/25, 25 295, nr. 2211.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22868 borgen. De hierboven genoemde motie van het lid Bikker c.s. beschouwthet kabinet daarmee dan ook als uitgevoerd.Door de betrokken partijen van de expertisecentra is de afgelopen tijdgeëvalueerd of en in welke vorm de expertisecentra na 2026 doorgangmoeten krijgen. Dat sluit aan bij de aanbeveling van de Gezondheidsraad,die in haar advies ten aanzien van de expertisecentra stelt, dat dezezorgvuldig geëvalueerd dienen te worden alvorens aanbevelingen tekunnen doen over een eventueel vervolg. Betrokken partijen onder-schrijven allen de noodzaak dat de expertisecentra verlengd dienenworden. De financiële ruimte voor verlenging op de korte termijn hebbenpartijen gevonden in de middelen die hiervoor reeds gealloceerd waren,maar de afgelopen twee jaar nog niet zijn uitgeput. De komende tijd wordtdoor partijen gekeken hoe deze middelen precies hun weg kunnen vindennaar de expertisecentra. Daarmee is voor 2027 het voortbestaan van decentra geborgd.Partijen benadrukken bovendien de bijzondere verantwoordelijkheid diezij dragen om tot een toekomstbestendige infrastructuur te komen voor debehandeling en begeleiding van post-COVID patiënten. Om de zorg voorpatiënten met post-COVID, en breder met een PAIS ook op de langetermijn goed te borgen, zal het kabinet een bestuurlijke opdracht aanbetrokken partijen geven om het komende jaar voorstel uit te werken voorde duurzame inbedding van de opbouwde expertise en zorg voor dezegroep patiënten. Ook met de wetenschap dat onze samenleving ookweerbaar moet zijn voor nieuwe uitbraken van infectieziekten en delangdurige gevolgen daarvan.Met deze uitkomst beschouwd het kabinet de beide moties van het lidBushoff over het continueren van de expertisecentra dan ook alsafgedaan16.Voortgang wetenschappelijke onderzoeken en netwerkenOp het gebied van PAIS lopen twee onderzoeksprogramma’s bij ZonMw;een tienjarig onderzoeksprogramma naar ME/CVS (2021–2031) met eenbudget van 32,9 miljoen euro en een vijfjarig onderzoeksprogramma naarpost-COVID (2023–2028) met een budget van 40,67 miljoen euro.Hieronder wordt o.a. ingegaan op de laatste ontwikkelingen binnen dieprogramma’s en op internationaal onderzoek naar PAIS.Post-COVID onderzoekprogramma en netwerkIn 2024 is het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN) opgericht via eensubsidie van ZonMw. PCNN richt zich voornamelijk op het systematischeruitvoeren en harmoniseren van post-COVID onderzoek, zodat de resul-taten sneller en gerichter benut kunnen worden in de zorg voor mensenmet post-COVID. Onlangs is via een subsidieoproep van ZonMw2,3 miljoen euro toegekend om deze kennis- en onderzoeksinfrastructuurte continueren tot halverwege 2028 en toekomstbestendig te maken. Datbetekent dat zij na deze periode zelf voor financiering moeten zorgen.Door binnen het huidige ZonMw Post-COVID programma te investeren ineen onderzoeksinfrastructuur als PCNN wordt gewerkt aan meeruniformiteit in definities, terminologie en uitkomstmaten binnen hetonderzoek naar post-COVID om bevindingen uit onderzoek beter metelkaar te kunnen vergelijken, hetgeen door de GR wenselijk wordt geacht.Daarnaast heeft ZonMw op basis van de vernieuwde kennisagendapost-COVID in het najaar van 2025 een subsidie opengesteld gericht oppost-COVID bij wetenschappelijk ondervertegenwoordigde groepenmensen. Hiervoor was 1,6 miljoen euro beschikbaar. Vier van de veertieningediende projecten zijn toegekend en kunnen binnenkort starten.16Kamerstukken II 2024/25, 36 725-XVI, nr. 28 en 25 295, nr. 2242.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 22869 Hierdoor is meer onderzoek naar post-COVID onder bedgebondenpatiënten, mensen met een migratieachtergrond, en mensen met eenverstandelijke beperking mogelijk gemaakt. Momenteel zijn er in totaal 35projecten binnen het Post-COVID programma gehonoreerd.Bovenstaande subsidieoproep sluit aan bij de door de GR geformuleerdeaanbevelingen in hun recente advies waarin zij pleiten voor een beterevertegenwoordiging van bepaalde groepen mensen in wetenschappelijkonderzoek, zoals kinderen, mensen met een migratieachtergrond enmensen met een lage sociaaleconomische positie.In de paragraaf over Kinderen en jongeren met PAIS wordt naderingegaan op onderzoek onder kinderen.ME/CVS onderzoeksprogrammaBinnen het onderzoeksprogramma naar ME/CVS richten 2 consortia en 17deelprojecten zich op biomedisch onderzoek naar de oorzaken, diagnoseen behandeling van ME/CVS. Met de projecten wordt een fundamentgelegd voor een stevige en duurzame onderzoeksinfrastructuur voorME/CVS in Nederland.In de vorige brief is de Kamer geïnformeerd over een eenmaligeaanvulling op het onderzoeksprogramma ME/CVS.17 Met die extramiddelen is een verkenning gedaan naar potentieel veelbelovendegeneesmiddelen, op basis waarvan in december 2025 een subsidierondeis geopend gericht op klinisch onderzoek naar de effectiviteit van eenbestaand geneesmiddel bij patiënten met ME/CVS in Nederland (drugrepurposing). De grote betrokkenheid van patiënten, hun naasten enandere betrokkenen bij deze ronde benadrukken de urgentie en de sterkebehoefte aan perspectief en effectieve behandelingen. Inmiddels isgebleken dat er geen subsidieaanvragen zijn ingediend binnen dezeronde. Momenteel wordt onderzocht wat de oorzaken zijn en hoe hetbeschikbare budget op een effectieve manier kan worden ingezet. Met alsdoel onderzoek te stimuleren dat de grootste kans biedt op werkzame enbeschikbare behandelopties voor ME/CVS-patiënten. De ervaringen metde recente subsidieronde worden actief gebruikt om het vervolg van hetonderzoeksprogramma in te richten. Daarbij wordt in afstemming met hetveld gekeken naar de organisatie van toekomstige subsidierondes en decriteria waarmee «kansrijke» onderzoeksrichtingen worden bepaald.ZonMw verkenning PAIS-breed onderzoekDe GR adviseert een langlopend onderzoeksprogramma gericht op PAISop te zetten. In lijn met het amendement van het lid Bushoff18 acht hetkabinet het verstandig om als eerste stap een verkenning uit te latenvoeren. Deze verkenning richt zich op het verkrijgen van een overzicht vanbestaande kennis, het identificeren van kennishiaten en het in kaartbrengen en betrekken van het stakeholders- en onderzoeksveld bij PAIS.Alvorens te besluiten over een langlopend, PAIS-breed onderzoek. ZonMwis gevraagd om deze verkenning op te zetten, waarbij de verwachting isdat deze eind 2027 gereed zal zijn. In deze opdracht wordt ZonMw, naastde adviezen die de GR geeft, ook gevraagd om te kijken naar de opzet vanhet Duitse onderzoeksprogramma over PAIS. Hiermee voert het kabinethet amendement Bushoff19 en de motie van het lid Bikker20 uit.17Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2238.18Kamerstukken II 2025/26, 36 800-XVI, nr. 31.19Kamerstukken II 2025/26, 36 800-XVI, nr. 31.20Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2247.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228610 TNO rapportOp 13 mei jl. is de eindrapportage TNO (post) COVID-19 programma naarde Kamer toegestuurd21 conform de toezegging van de voormaligStaatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport. TNO heeft VWS geïnformeerddat er in die rapportage één onjuistheid en twee onduidelijkhedenvoorkomen ten opzichte van één van de onderliggende rapporten: Deinvloed van leefstijl op vatbaarheid, beloop en herstel van Post COVID-19.22 Daarom heeft TNO de programmarapportage aangepast en eenrectificatie opgenomen.23 Volledigheidshalve stuurt het kabinet u deaangepaste programmarapportage toe als bijlage bij deze brief.InternationaalOok internationaal wordt gewerkt aan kennisontwikkeling voor PAIS. Inhet rapport van de OESO staat een overzicht van de beleidsinzet vanverschillende landen.24 Ook Nederland is hierin genoemd. Naast de veleuitdagingen die ook voor Nederland gelden, wordt als positief gezien datin Nederland veel coördinatie plaatsvindt, bijvoorbeeld door de inzet omalle betrokken partijen rond post-COVID in één nationaal netwerk teverbinden, zodat kennis en expertise sneller wordt gedeeld en toegepast.Zoals ook in de motie Bikker25 is aangegeven, vindt in Duitsland het«nationale decennium tegen post-infectieziekten» plaats. In dit initiatief,dat startte op 30 januari jl., wordt de komende 10 jaar (2026–2035) 50miljoen euro per jaar aan onderzoek naar post-infectieziekten besteed.Door de partners -onderzoeksverenigingen, relevante instellingen (bijv.Duitse centra voor gezondheidsonderzoek), het federaal Ministerie vanVolksgezondheid en farmaceutische verenigingen – is een gezamenlijkeverklaring opgesteld. Op 2 april jl. is op ambtelijk niveau gesproken metde Duitse collega die uitvoering geeft aan dit programma. Daarbij slotenvertegenwoordigers van ZonMw en PCNN aan om op wetenschappelijkniveau verbinding te leggen met het programma. Zowel het Nederlandsepost-COVID programma, als de Duitse aanpak is besproken en ervaringenzijn uitgewisseld. Verdere kennisuitwisseling vindt plaats binnen hetNetwork of Expertise on Long COVID26 waar zowel Duitsland als Neder-landse experts zijn aangesloten. Daarnaast zijn er korte lijntjes tussen deDuitse en Nederlandse wetenschappers. Zo is een Duitse topweten-schapper spreker op de ISLC-PAIS Conferentie die van 26 tot en met28 augustus in Amsterdam wordt georganiseerd.27Daarnaast ziet ook de Europese Commissie dat de aandoeningen dievallen onder PAIS onvoldoende zijn begrepen, dat de diagnose lastig is endat er nog geen effectieve behandelingen beschikbaar zijn. De Commissiegeeft aan dat het bevorderen van onderzoek naar preventie, behandelingen management essentieel is om de uitkomsten voor patiënten teverbeteren, de lasten voor de gezondheidszorg te verminderen en deproductiviteit van de beroepsbevolking te versterken. Daarom stondbinnen het Horizon Europe programma begin dit jaar een subsidieoproepopen voor projectvoorstellen gericht op het ontwikkelen van innovatieve21Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2272.22TNO 2024 R1033623Rectificatie passages TNO-programmarapportage Post-COVID, https://www.tno.nl/nl/newsroom/2026/06/rectificatie-passages-tno/, laatst geraadpleegd 12 juni 202624www.oecd.org/en/publications/addressing-the-costs-and-care-for-long-covid_87a0c171-en/full-report/effective-long-covid-response-requires-a-co-ordinated-approach-encompassing-prevention-harmonisation-of-practice-and-people-centred-models-of-care_8dc7febb.html#chapter-d1e8917-8ef16b6711, laatst geraadpleegd 12 juni 202625Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2247.26https://health.ec.europa.eu/non-communicable-diseases/expert-group-public-health/network-expertise-long-covid_en27https://islc-pais.org/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228611 benaderingen voor de preventie, diagnose en het beheer van PAIS.28Hiermee is een bedrag gemoeid van 39,3 miljoen euro. Ook Nederlandseonderzoekers zijn hierop geattendeerd via de Rijksdienst voor Onder-nemend Nederland.De resultaten die voortkomen uit investeringen uit onderzoek wereldwijdgaan over landsgrenzen heen, dus ook voor de NederlandsePAIS-patiënten biedt deze subsidieoproep hoop op meer kennis over PAISen daarmee een beter toekomstperspectief.KennisverspreidingDe afgelopen periode heeft de opbouw van kennis van PAIS centraalgestaan in de beleidsaanpak. Het kabinet heeft hierin de afgelopenperiode veel geïnvesteerd via ZonMw-onderzoeken, PCNN en depost-COVID expertisecentra. Nu komen vanuit die verschillende onder-zoekstrajecten de eerste voorzichtige resultaten naar buiten. Daarnaastheeft een kleine groep professionals vanuit Q- en C-support veelervaringskennis opgedaan over het adviseren, begeleiden en onder-steunen van patiënten met Q-koorts en post-COVID. Ook de GR benadruktdat het van belang is dat deze kennis wordt verspreid en duurzaam wordtingebed in de reguliere structuren van het zorg- en welzijnsdomein, zodatpatiënten daar goed geholpen kunnen worden. Dit begint met een bredeherkenning en erkenning van het ziektebeeld binnen het veld.Daarom ondersteunt het kabinet de ontwikkeling van richtlijnen via deNederlandse vereniging voor Internisten (NIV) voor ME/CVS, hetKennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en hetNederlands Huisartsen Genootschap (NHG) voor post-COVID. De behoefteaan actuele, duidelijke richtlijnen is groot, omdat deze een belangrijkebijdrage kunnen leveren aan het bevorderen van kwalitatief goede,doelmatige en persoonsgerichte zorg voor mensen met PAIS. Tegelij-kertijd is van belang dat de ontwikkeling ervan zo zorgvuldig mogelijkgebeurt en dat kost tijd. Zeker omdat er nog zo weinig wetenschappelijkbewijs is voor behandelingen is het nodig dat voor de richtlijnen eenbreed draagvlak bestaat onder zorgverleners en patiënten. Decomplexiteit van de onderwerpen, de breedte van de richtlijnen en hetbelang van zorgvuldige consensusvorming maken het proces daarmeeintensief.De intensiteit van het proces is ook tot uiting gekomen in de ontwikkelingvan de ME/CVS richtlijn. Deze was voorzien in mei van dit jaar, maarvanwege het grote aantal van deelnemende partijen en het borgen van depatiëntparticipatie heeft de NIV moeten concluderen dat het niet lukt omde richtlijn op de beoogde datum op te leveren. Daarom is besloten toteen verlenging en heeft het Ministerie van VWS extra financiële middelenverleend om tot een succesvolle afronding te komen. De oplevering vande richtlijn is nu uiterlijk op 1 april 2028 voorzien.Terwijl de richtlijnontwikkeling voor verschillende aandoeningen gestaagvordert, is het feit ook dat op dit moment nog weinig wetenschappelijkonderbouwde kennis beschikbaar is, wat het werk van de professionalsniet makkelijker maakt. Dit laat onverlet dat de kennis die al welvoorhanden is bijdraagt aan de herkenning en erkenning vanPAIS-patiënten, niet alleen op medisch, maar ook op sociaal vlak ofbinnen het onderwijs. Deze kennis is bijvoorbeeld beschikbaar viahandreikingen en scholingsaanbod van stichting Q- en C-support voorzowel de zorgsector als voor het sociale domein. PCNN heeft ook begin ditjaar een integrale handreiking opgesteld over post-COVID. De28EU Funding & Tenders Portal www.ec.europa.eu/info/funding-tenders/opportunities/portal/screen/opportunities/topic-details/HORIZON-HLTH-2026-01-DISEASE-03, laatst geraadpleegd12 juni 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228612 Q-koortsambassadeur zet zich verder in voor het vergroten van kennisover Q-koorts bij gemeenten in Noord-Brabant en de rest van Nederland.De handreikingen en richtlijnen die worden ontwikkeld dragen bij aan hetleveren van meer uniformiteit in de zorg aan patiënten en in hoeondersteuningsaanvragen bij gemeenten worden behandeld.Kinderen en jongeren met PAISHelaas worden ook kinderen getroffen door post-COVID, Q-koorts enandere PAIS. Dit heeft een grote impact op hun leven doordat zij vaak nietnaar school kunnen door hun ziekte en een achterstand ontwikkelen opleeftijdsgenoten. Scholen hebben ook voor deze doelgroep zorgplicht.Vanuit het onderwijs is de school het centrale aanspreekpunt voorleerlingen en ouders. Scholen met een leerling met post-COVID kunnennu al ondersteuning krijgen van een consulent Onderwijs aan ziekeleerlingen (olz) in hun eigen regio. Zij geven advies en ondersteuning,bijvoorbeeld bij het maken van een onderwijsprogramma op maat.Ziezon29 heeft over leerlingen met post-COVID (voorheen long covid) ookeen brochure ontwikkeld voor scholen en leraren.30 De meeste leerlingenmet post-COVID zijn langdurig ziek. In lijn met het Coalitieakkoord zet deStaatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie in op meer flexibiliteit in(onderwijs)oplossingen om kinderen aangehaakt te houden, zoals hetActieprogramma Digitaal Afstandsonderwijs en het wetsvoorstel MeerRuimte in Maatwerk dat komende maand in internetconsultatie gaat. Ookde uitvoering van de motie van de leden Ceder en Westerveld31 om, insamenspraak met ouders, leerlingen, deskundigen en het onderwijsveld,landelijke richtlijnen op te stellen voor scholen over PAIS/post-COVIDdraagt verder bij aan het versterken van de aanpak om kinderen enjongeren bij het onderwijs betrokken te houden. De Kamer wordt voor heteinde van dit jaar geïnformeerd over de verdere uitvoering van dezemotie.Daarnaast zijn twee post-COVID-expertisecentra specifiek gericht opkinderen, in Amsterdam en Utrecht. Ook zijn in het Post-COVID-programma van ZonMw twee onderzoeken gestart die specifiekbetrekking hebben op kinderen. De laatste subsidieronde binnen hetPost-COVID programma heeft als doel de zorg voor kinderen metpost-COVID te verbeteren door passende behandelmogelijkheden voorkinderen te onderzoeken en tevens meer inzicht te geven in de ziekteme-chanismen van post-COVID bij kinderen. Oorspronkelijk was voor dezesubsidieronde 1,5 miljoen euro beschikbaar. Om 3 onderzoeken te kunnenfinancieren is aanvullend budget beschikbaar gesteld, afkomstig uitresterend budget binnen het Post-COVID programma. Het totaal toege-kende budget binnen deze subsidieronde komt daarmee op ruim 1,6 mln.euro. Binnen het ME/CVS onderzoeksprogramma wordt onderzoekgedaan naar de complexe interacties tussen afweer, stofwisseling enzenuwen. Speciale aandacht gaat uit naar kinderen met ME/CVS. Hunafweersysteem en zenuwstelsel zijn nog in ontwikkeling. Dus het isbelangrijk te weten of biologische veranderingen, zoals veranderingen opcelniveau, ook aanwezig zijn bij kinderen. Zoals eerder in deze briefvermeld is het aan de opleidingsinstellingen om deze kennis te latenlanden in de opleidingen. Hiermee beschouw ik de motie van het lidBikker om kinderen en jongeren met postcovid en andere PAIS niet tevergeten32, als uitgevoerd.29Het netwerk van consulenten ozl.30Post-Covid syndroom – Ziezon, https://ziezon.nl/post-covid-syndroom/, laatst geraadpleegd12 juni 202631Kamerstukken II 2025/26, 36 530, nr. 22.32Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2260.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228613 De motie van het lid Maeijer verzoekt de regering om in overleg met hetveld te bezien hoe kan worden voorzien in de behoefte van ouders ommeer communicatie en informatie over het ziektebeeld vanuit de GGD, hetconsultatiebureau en op scholen.33 Het Nederlands Centrum Jeugdge-zondheid (NCJ) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hebbengeen recente signalen ontvangen dat het binnen de Jeugd Gezond-heidszorg (JGZ) ontbreekt aan informatie en communicatie, die specifiekgericht is op post-COVID voor kinderen. Tegelijkertijd is binnen de JGZveel aandacht voor de belastbaarheid van ziekgemelde jeugdigen in hetalgemeen. In 2025 heeft NCJ samen met de AJN Jeugdartsen eenadviesdocument opgesteld om de belastbaarheid van ziekgemeldejongeren om naar school te kunnen gaan goed te kunnen inschatten.34 DeJGZ kan dan samen met de jeugdige en ouders een adviesplan makenwaarin rekening wordt gehouden met de specifieke context en hetperspectief van de jeugdige zelf. Desalniettemin acht het kabinet hetraadzaam om dit goed te blijven monitoren. Het kabinet zal het NCJvragen de beschikbare kennis over post-COVID bij kinderen onder deaandacht van de JGZ-organisaties te brengen. Hiermee beschouwt hetkabinet de motie van het lid Maeijer als uitgevoerd.Sociale zekerheidHet sociaal vangnet is belangrijk voor mensen met post-COVID en anderePAIS die niet meer (volledig) kunnen werken. Mensen die uitvallenmoeten ondersteuning krijgen om binnen hun mogelijkheden weer aanhet werk te gaan of te blijven. Als werken niet mogelijk blijkt, moeten zijfinanciële compensatie kunnen krijgen via een uitkering.Post-COVID en PAIS vormen een uitdaging voor geneeskundig specia-listen, waaronder verzekeringsartsen. Zoals ook hiervoor uiteen is gezet ishet beschikbare wetenschappelijk bewijs over behandeling, beoordelingen begeleiding beperkt omdat er nog weinig onderzoek is gedaan.Verzekeringsartsen beschikken daardoor over weinig handvatten om debelastbaarheid te beoordelen, de prognose in te schatten en te adviserenover re-integratie. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende bekend welke factorenhet herstel kunnen bevorderen of belemmeren en welke effectieveinterventies kunnen worden ingezet ter ondersteuning van werkher-vatting.Zoals ook in het PAIS-debat van afgelopen januari en het commissiedebatWerknemersverzekeringen van afgelopen april is aangegeven door deMinister van SZW, is de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsge-neeskunde (NVVG) van plan een multidisciplinaire richtlijn post-COVID teontwikkelen waarvoor systematisch literatuuronderzoek zal wordenverricht. De ontwikkeling van zo’n richtlijn kost veel tijd. Omdat verzeke-ringsartsen in de praktijk beoordelingen moeten doen, heeft de NVVG inafwachting van de richtlijn een handreiking post-COVID syndroom (PCS)gepubliceerd.35 Deze handreiking informeert verzekeringsartsen (zowel inde publieke als in de private sector) alvast beter over post-COVID. In dezehandreiking heeft de NVVG de meest recente inzichten over post-COVIDsamengebracht, zowel in algemene zin als met betrekking tot belast-baarheid en re-integratie. UWV heeft ter ondersteuning van de verzeke-ringsartsen een memo opgesteld over de beoordeling van duurzaamheidbij post-COVID. Nu de handreiking van de NVVG er is, is deze leidend voorde beoordeling van de belastbaarheid, de prognose en de begeleiding.Verder werkt de NVVG aan de actualisatie van de standaard onderzoeks-methoden, waarvoor de NVVG een subsidie heeft gekregen van hetMinisterie van SZW. Dit betreft een generieke standaard die gebruikt33Kamerstukken II 2025/25, 25 295, nr. 2258.34NCJ_AJN_belastbaarheid_DEF-1.pdf35NVVG presenteert handreiking post-COVID syndroom | | NVVG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228614 wordt bij de beoordeling van alle ziektebeelden, waaronder PAIS.Hiernaast is UWV bezig met schrijven van een addendum bij de standaard«Duurbelastbaarheid in arbeid». Deze standaard wordt alleen gebruiktdoor verzekeringsartsen in dienst van UWV. De NVVG is hier dan ook nietbij betrokken. Ook deze standaard is ziekte-overstijgend en daarmeetoepasbaar op de beoordeling van mensen met PAIS door UWV.Via de handreiking PCS van de NVVG, de nog te ontwikkelen multidiscipli-naire richtlijn en de actualisatie van de standaard onderzoeksmethoden ende standaard «Duurbelastbaarheid in arbeid» worden verzekeringsartsenvoorzien van handvatten voor de beoordeling en begeleiding van mensenmet post-COVID en PAIS. Dit versterkt de kwaliteit en uniformiteit van debeoordeling en begeleiding, met aandacht voor de gevolgen voor debelastbaarheid, prognose, inzetbaarheid op de arbeidsmarkt enre-integratie. Het sociaal vangnet is en blijft dus toegankelijk voor mensenmet PAIS. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de moties van de ledenBushoff c.s.36 en Van Brenk en Bikker.37De motie van het lid Kostiç verzoekt de regering om inzichtelijk te makenhoe wordt geïnvesteerd in PAIS-beleid en om daarbij expliciet mee tewegen de maatschappelijke kosten van PAIS, mogelijke besparingen opdie kosten en dat de huidige PAIS-patiënten vaak niet-passende ofonnodige (en daardoor dure) zorg krijgen en dat veel van hen tot depotentiële beroepsbevolking behoren. Uit bovenstaande blijkt dat er opverschillende manieren wordt geïnvesteerd in PAIS. Niet alleen binnenNederland maar ook in het buitenland. We weten dat de maatschappelijkekosten hiervan hoog zijn. Ook de OESO wijst op een grote economischelast van post-COVID ten aanzien van verminderde arbeidsparticipatie enproductiviteit.38 Het kabinet is met de Kamer eens, dat dit onwenselijk is,dat alle patiënten passende zorg zouden moeten ontvangen en zomogelijk in de toekomst weer deel kunnen nemen aan het normale,werkende leven. Tegelijkertijd weten we dat het tijd kost om meer inzichtte krijgen in de oorzaken en behandeling van PAIS. Met deze toelichtingop de overwegingen achter het PAIS-beleid beschouwt het kabinet demotie van het lid Kostiç als afgedaan.39Tot slotIn deze brief heeft het kabinet uiteengezet wat de stand van zaken is metbetrekking tot verschillende initiatieven op het gebied vanpost-infectieziekten. Dit beleid wordt ontwikkeld in nauwe samenwerkingmet partijen in het veld en, bovenal, met PAIS-patiënten zelf.Wat inmiddels onmiskenbaar duidelijk is geworden, is dat postinfectieuzeaandoeningen ernstige en invaliderende aandoeningen kunnen zijn, metingrijpende gevolgen voor het dagelijks functioneren, de maatschappe-lijke participatie en de kwaliteit van leven van patiënten, en voor hetwelzijn van hun naasten. De ervaringen van patiënten en de wetenschap-pelijke inzichten die de afgelopen jaren zijn opgedaan laten geen ruimtevoor twijfel over de ernst van deze aandoeningen. PAIS is geen kwestievan onwil, gebrek aan inzet of een probleem dat zich uitsluitend tussen deoren afspeelt, maar een reële gezondheidsaandoening die vraagt omerkenning, begrip, passende zorg en ondersteuning.Het kabinet erkent die realiteit en ziet het als een gezamenlijke verant-woordelijkheid om te blijven werken aan betere kennis, passende zorg enadequate ondersteuning voor mensen die met PAIS leven. In de brief die36Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2244.37Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2257.38Effective long COVID response requires a co-ordinated approach encompassing prevention,harmonisation of practice and people-centred models of care: Addressing the Costs and Carefor Long COVID | OECD39Kamerstukken II 2025/26, 25 295, nr. 2261.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228615 het kabinet de kamer na de zomer stuurt, zal nader ingegaan worden opde toekomstvisie van het kabinet, en hoe het wil komen tot duurzameoplossingen waaronder structurele zorg en ondersteuning voor mensendie getroffen zijn door een post-infectieziekte.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,S.T.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 295, nr. 228616
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris zegt toe met de minister te overleggen over PAIS en hierop terug te komen in de werkagenda.
De staatssecretaris zegt toe met de minister te overleggen over PAIS en hierop terug te komen in de werkagenda.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.