KamerkringInloggen
← Verkenner

Kamerstuk · 9 sep 2026 · Tweede Kamer

Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda Raad Algemene Zaken van 22 september 2026 (Kamerstuk 21501-02-3469)

Rachel van Meetelen · PVV griffier (naam nog niet beschikbaar)

Brontekst

21501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken Nr. 3473 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 9 september 2026 De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 4 september 2026 over de geannoteerde agenda inzake de Raad Algemene Zaken d.d. 22 september 2026 (Kamerstuk 21501-02, nr. 3469) en de brief van minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 juli 2026 inzake het Jaarbericht over de inbreng van de Nederlandse regering in zaken waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie in 2025 uitspraak heeft gedaan (Kamerstuk 36800-V, nr. 106). De vragen en opmerkingen zijn op 7 september 2026 aan de minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 9 september 2026 zijn de vragen beantwoord. De voorzitter van de commissie, Van Meetelen De griffier van de commissie, Blom Inhoudsopgave I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie II Reactie van de minister van Buitenlandse Zaken I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026. Hierover hebben zij nog enkele vragen.  In de media lezen de leden van de D66-fractie dat de steun voor nieuwe eigen middelen zou toenemen. Herkent het kabinet dat beeld? Welke mogelijkheden voor eigen middelen hebben er allemaal op tafel gelegen? Welke eigen middelen heeft Nederland zelf voorgesteld?  De leden van de D66-fractie zijn positief over de stap van het kabinet om samen met andere landen op te roepen tot het afschaffen van de veto’s in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Welke concrete vervolgstappen zal deze oproep krijgen? Zal deze coalitie, en dus ook Nederland, dit ook concreet inbrengen tijdens de Europese Raad en/of de Raad Algemene Zaken?  De leden van de D66-fractie hebben in de afgelopen maanden meerdere moties ingediend die raken aan de onderwerpen op de agenda van de Raad Algemene Zaken en de Europese Raad. Kan de minister voor de volgende moties aangeven welke concrete opvolging hieraan is gegeven en welke opvolging hieraan nog zal worden gegeven?  Motie van de leden Van der Werf en Klos over zich ervoor inzetten dat wordt begonnen met de voorbereiding en opstelling van een toekomstig EU-toetredingsverdrag met Oekraïne (Kamerstuk 36045, nr. 298);  Motie van de leden Klos en Becker over een coalitie voor de ontwikkeling van een Europese variant van de Five Eyes-samenwerking (Kamerstuk 21501-20, nr. 2406) Motie van het lid Klos over instemmen met de zes onderhandelingsclusters voor de EU-toetreding van Oekraïne (Kamerstuk 23987, nr. 408) Motie van het lid Becker c.s. over met gelijkgestemde landen bij de Europese Commissie pleiten voor versterking van het toetredingsproces (Kamerstuk 23987, nr. 399);  Motie van het lid Klos c.s. over draagvlak zoeken voor een Europese veiligheidsraad (Kamerstuk 36800-V, nr. 48).  De leden van de D66-fractie kijken met zorgen naar de verkiezingswinst van de Alternative für Deutschland (AfD) in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt. Deelt het kabinet deze zorgen?  Welke inzet gaan we van dit kabinet concreet zien om nog voor de winter tot extra steun voor Oekraïne te komen? Welke mogelijkheden ziet het kabinet daartoe? Hoe werkt het kabinet concreet aan meer luchtafweer en meer langeafstandsraketten voor Oekraïne?  Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026 in Brussel. Ze hebben aanleiding gezien tot het maken van een aantal opmerkingen en het stellen van nadere vragen. Meerjarig Financieel Kader (MFK) De leden van de VVD-fractie vragen wat de verwachting is van het kabinet van de volgende versie van het MFK-onderhandelingsdocument dat het Ierse Voorzitterschap nog moet presenteren. Deze leden moedigen het kabinet aan vast te houden aan de inzet voor het MFK zoals ook afgesproken in het coalitieakkoord: de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie (EU)-begroting verbeteren door de voorgestelde omvang van het MFK te verlagen, de korting die Nederland ontvangt op de bruto nationaal inkomen (bni)-afdracht behouden en de perceptiekostenvergoeding op 25 procent houden en tevens de begroting moderniseren door middelen meer in te zetten voor de strategische doelen van Europa. Zij zijn het ermee eens dat de Europese begroting meer gericht moet worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Dat betekent dus ook gericht kijken waar het minder kan. In hoeverre verwacht de minister dat landbouw en cohesie uiteindelijk substantieel moeten inleveren om ruimte te maken voor defensie, veiligheid en concurrentiekracht? Of is denkbaar dat een lagere EU-begroting behaald wordt door juist in te leveren op de moderniseringsprioriteiten? Dit laatste is iets wat de leden van de VVD-fractie uiteraard geen goed idee zouden vinden. De leden van de VVD-fractie constateren dat voorzitter van de Europese Raad Costa op zijn rondreis eerst vijf ‘Friends of cohesion’ heeft bezocht en een land als Zweden tijdens zijn rondreis overslaat met als reden de komende verkiezingen. Wat vindt het kabinet van het programma van Costa? Stelt de voorzitter alle lidstaten die een slanker MFK willen voldoende in staat deze boodschap over te brengen? Is ook de verwachting van het kabinet dat Zweden zich op lijkt te maken voor een nog hardere lijn in de onderhandelingen over de EU-begroting 2028-2034 als de sociaaldemocraten, die de begroting verder willen verkleinen en de korting willen behouden, aan de macht gaan komen? Is Nederland bereid met Duitsland, Zweden en andere landen die een slimmer en slanker MFK willen te blijven optrekken? De leden van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet het tijdspad voor de onderhandelingen ziet en de deadline van voorzitter Costa, dat een en ander voor het eind van het jaar besloten zou moeten zijn, vanwege verkiezingen in onder andere Frankrijk. Klopt het dat ook Frankrijk nu achter die deadline staat? Welke landen zijn voor- en tegenstander van deze deadline? Is het kabinet het eens dat we ons niet in deadlines moeten laten dwingen maar dat een goed resultaat belangrijker is? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet eind november een extra top verwacht om een akkoord voor te bereiden, waarna in december de beslissende onderhandelingen plaatsvinden in de Europese Raad. Of is ook een schema denkbaar waarbij de onderhandelingen het nieuwe jaar in gaan? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet kan toezeggen geen ander standpunt in te nemen ten aanzien van het MFK en geen concessies daaraan te doen zonder van tevoren eerst de Tweede Kamer in staat te stellen daarover een uitspraak te doen. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre de toekomstige financiering van Oekraïne volgens de minister gevolgen heeft voor de onderhandelingen over de nieuwe EU-begroting. De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd wat het kabinet vindt van de discussie die diverse landen gestart zijn over het belang van cohesiemiddelen voor het concurrentievermogen van regio’s, waarmee het onderwerp concurrentievermogen rechtstreeks gelinkt wordt aan de cohesiefondsen. Is het kabinet bereid in de discussies over de cohesiefondsen ook steeds te vragen naar de objectief aangetoonde effectiviteit ervan en ook gericht voorstellen te doen waar het minder kan? Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen de discussie over middelen die gepaard gaan met eventuele EU-uitbreiding en de discussie over het toekomstig MFK. Hoe speelt mogelijke uitbreiding überhaupt een rol in de MFK discussie? Is het kabinet het eens dat indien extra middelen nodig zouden zijn voor eventuele uitbreiding, deze binnen hetzelfde budget van het MFK moeten worden gevonden én dat kritisch moet worden gekeken naar uitgaven die minder direct bijdragen aan de Europese strategische belangen? Met name de omvang van de externe ambities van de EU onder Global Europe verdient daarbij aandacht wat deze leden betreft. Hoe kijkt het kabinet hier naar? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet het ermee eens is dat Nederland moet blijven inzetten op een geloofwaardige en resultaatgerichte koppeling tussen EU-middelen en conditionaliteit, waarbij uitgangspunt moet zijn dat Europese middelen niet los kunnen worden gezien van de hervormingen en resultaten die nodig zijn om de economische weerbaarheid, concurrentiekracht en houdbaarheid van de overheidsfinanciën in de lidstaten te versterken. Zo ja: hoe zet het kabinet hier op in? Zo nee, waarom niet? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet van mening is dat ervaringen met de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit laten zien dat een koppeling tussen middelen, concrete hervormingen, mijlpalen en aantoonbare resultaten effectief kan bijdragen aan de uitvoering van een hervormingsagenda. Waar is dat niet het geval en zitten nog hiaten? De leden van de VVD-fractie stellen dat Nederland in de onderhandelingen over het MFK niet enkel moet inzetten op conditionaliteit richting lidstaten alleen, maar dat ook de besteding van Europese middelen zelf sterker moet worden getoetst op aantoonbare Europese meerwaarde en hun bijdrage aan gezamenlijke strategische doelstellingen. Is het kabinet het daarmee eens? Is het kabinet bereid dit in de EU op de agenda te blijven zetten en daarbij in te zetten op programma’s waarvan de Europese toegevoegde waarde en het economische rendement overtuigend kunnen worden aangetoond? De leden van de VVD-fractie menen dat een dergelijke aanpak een robuuste governance vereist. Hoe gaat het kabinet hier voorstellen voor doen? Voor programma’s, investeringen en hervormingsafspraken moeten vooraf heldere doelstellingen en meetbare indicatoren worden vastgesteld, met onafhankelijke monitoring (primair door de Europese Rekenkamer) en periodieke evaluatie. Review- en sunsetclausules zouden daarbij een standaardonderdeel moeten zijn van nieuwe programma’s. Is het kabinet het daarmee eens? Is het kabinet het ook eens met het standpunt dat wanneer resultaten of Europese meerwaarde uitblijven, middelen moeten kunnen worden heroverwogen, afgeschaald of beëindigd? Zo ja, hoe wordt deze realiteit dichterbij gebracht? Wetgevingsprogramma  De leden van de VVD-fractie delen de mening van het kabinet dat in een tijd van geopolitieke instabiliteit de EU slagvaardig, welvarend en veilig moet blijven. Nederland ziet daarbij prioriteiten zoals het versterken van de concurrentiekracht; een modern, betaalbaar en eerlijk MFK; investeringen in defensie en veiligheid; het verminderen van migratiedruk en stimulatie van terugkeer. Is het kabinet bereid in algemene zin op de agenda te zetten dat Europese wetgeving niet alleen vastgesteld moet worden maar ook bijgestuurd moet kunnen worden als de impact niet is zoals beoogd? Is het kabinet in dat kader bereid om binnen de EU op korte termijn te bespreken tegen welke uitvoeringsproblemen men momenteel aanloopt rond het Europees Migratiepact, zoals het niet mogen terugsturen van Dublinclaimanten door een land als Nederland naar Italië vanwege de opvangomstandigheden daar? Kan het kabinet ook aangeven hoe de toezegging van de minister-president richting de leden van de VVD-fractie in het laatste plenair debat over de Europese Raad is uitgevoerd: namelijk als Nederland het onderwerp externalisering van migratie op de agenda zetten, eventueel aan de hand van het laatste Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)-rapport daarover? Rechtsstaatdiscussie over kandidaat-lidstaten   De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet om in de Raad te onderstrepen dat de kandidaat-lidstaten blijvend aandacht moeten besteden aan hervormingen. Voor Montenegro is het bij uitstek van belang dat de rechtsstaat, de binnenlandse veiligheid en de grensbewaking en capaciteit vóór toetreding daadwerkelijk op orde is. Dit is niet alleen relevant voor het land zelf, maar ook voor de bescherming van de buitengrenzen van de Unie. Deelt het kabinet deze mening? Wil het kabinet daarbij ook aan de orde stellen hoe we ter plaatse controleren of wat op papier is afgesproken en is gerealiseerd in de praktijk ook aan alle voorwaarden voldoet? De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet het ermee eens is dat pre-accessiesteun maximaal moet worden benut om hervormingen vóór toetreding af te dwingen, waar het gaat over de rechtsstaat, de rechterlijke macht, corruptiebestrijding, binnenlandse veiligheid en grensbewaking. De EU verliest na toetreding een deel van haar financiële en politieke hefboom om dergelijke hervormingen af te dwingen. Hoe staat het met het ontwikkelen van een nieuwe generatie toetredingsverdragen waarin ruimte is om in te grijpen als sprake is van backsliding op onder andere rechtsstaatelementen? Wat de leden van de VVD-fractie betreft kan geen sprake zijn van vrijblijvende toetreding, maar dienen hervormingen vooraf en aantoonbare te hebben plaatsgevonden als voorwaarde voor verdere financiële steun. Diversenpunt: Omnibus versimpeling De leden van de VVD-fractie sluiten zich aan bij het kabinetsstandpunt dat regeldrukvermindering een prioriteit moet zijn. Hoe draagt het kabinet er aan bij dat dit wel met solide wetsvoorstellen gebeurt die ook op hun beurt wel getoetst zijn op impact?   Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026 en hebben hierover de volgende vragen. De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet de omvang van het nieuwe MFK verder wil verlagen. Deze leden verzoeken het kabinet concreet aan te geven hoeveel miljard euro er minimaal van het huidige voorstel af moet voordat Nederland van een aanvaardbare begroting kan spreken, en wat dit zou betekenen voor de jaarlijkse afdrachten.   De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoeveel de voorgestelde omvang sinds de start van de onderhandelingen inmiddels daadwerkelijk is gedaald en in hoeverre het kabinet van mening is dat de inzet om de begroting fors naar beneden te krijgen tot nu toe resultaat heeft gehad. De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet positief staat tegenover resultaatgerichte financiering, terwijl de Europese Rekenkamer (ERK) nog tekortkomingen ziet bij onder andere: controle, fraude en betrouwbaarheid. Deze leden vragen welke aanbevelingen van de ERK voor het kabinet daadwerkelijk een voorwaarde zijn voor instemming met het nieuwe MFK. De leden van de PVV-fractie constateren daarnaast dat in het voorgestelde resultaatgerichte financieringsmodel betalingen uit EU-begroting worden gekoppeld aan het behalen van mijlpalen en doelstellingen, waarbij de ERK waarschuwt voor tekortkomingen in de betrouwbaarheid. Deze leden vragen wie financieel verantwoordelijk is wanneer achteraf blijkt dat de EU-middelen zijn uitbetaald op basis van onjuiste of onvoldoende betrouwbare gegevens: de betrokken lidstaat, de Europese Commissie of uiteindelijk de gezamenlijke EU-begroting. De leden van de PVV-fractie constateren dat het Nationaal en Regionaal Partnerschapsplan (NRPP)-voorstel geen uniforme minimumvereisten bevat voor fraudebestrijding en dat lidstaten ruimte krijgen om het vereiste niveau van controles zelf te beoordelen. Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat hierdoor verschillen ontstaan in de strengheid en kwaliteit van controles tussen lidstaten. De leden van de PVV-fractie constateren dat er druk bestaat om nog dit jaar overeenstemming te bereiken over het MFK. Deze leden vragen welk Nederlands belang ermee is gediend om de onderhandelingen te versnellen en snel af te ronden. Zij vragen of het kabinet kan bevestigen dat een kalenderdeadline nooit reden zal zijn om akkoord te gaan met een begroting die voor Nederland financieel of inhoudelijk onvoldoende is. De leden van de PVV-fractie constateren dat Oekraïne naar verwachting opnieuw op de agenda van de Europese Raad staat. Deze leden verzoeken het kabinet een actueel overzicht te geven van de bilaterale militaire, financiële en humanitaire steun aan Oekraïne per EU-lidstaat, zowel in absolute bedragen als per hoofd van de bevolking. De leden van de PVV-fractie vragen tot slot welk concreet resultaat de herhaalde Nederlandse inzet om andere Europese landen een groter aandeel van de steun aan Oekraïne te laten dragen inmiddels heeft opgeleverd. Deze leden vragen welke lidstaten hun bilaterale bijdrage sinds de laatste Nederlandse oproepen aantoonbaar hebben verhoogd en bij welke landen de bijdrage achterblijft. Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van geannoteerde agenda informele Raad Algemene Zaken van 22 september 2026. Zij hebben enkele vragen over de voorbereiding van de Europese Raad. De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet bereid is zich er in de Raad Algemene Zaken voor in te zetten dat de gebeurtenissen rond de massale toestroom van migranten naar de Spaanse exclave Ceuta worden besproken onder het onderwerp ‘migratie’ en worden toegevoegd aan de agenda van de Europese Raad van 15 en 16 oktober, met daarbij speciale aandacht voor de verantwoordelijkheden van de Spaanse autoriteiten, Frontex en de Marokkaanse overheid, alsmede voor de door premier Sánchez geuite beschuldiging aan het adres van Israël. Is het kabinet daarnaast bereid zich in te spannen voor openbaarmaking van het onderzoek van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS) waar premier Sánchez naar verwijst? II Reactie van de minister van Buitenlandse Zaken Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026. Hierover hebben zij nog enkele vragen.  In de media lezen de leden van de D66-fractie dat de steun voor nieuwe eigen middelen zou toenemen. Herkent het kabinet dat beeld? Welke mogelijkheden voor eigen middelen hebben er allemaal op tafel gelegen? Welke eigen middelen heeft Nederland zelf voorgesteld?  Antwoord van het kabinet Nederland heeft geen voorstel gedaan voor nieuwe eigen middelen. De Europese Commissie heeft op 16 juli 2025 vijf nieuwe eigen middelen voorgesteld boven op de bestaande eigen middelen. Sindsdien is het voorgestelde pakket aan nieuwe eigen middelen ongewijzigd. Binnen de Raad is op dit moment geen overeenstemming over het huidige voorstel, dat unanimiteit vereist. De posities van de lidstaten liggen momenteel nog uiteen; alle voorgestelde nieuwe eigen middelen kennen voor- en tegenstanders. Een uitgebreide appreciatie van de door de Commissie voorgestelde nieuwe eigen middelen kunt u vinden in de brief met de update op de kabinetspositie van het MFK van 22 mei jl.[voetnoot 1] Het Europees Parlement is voorstander van nieuwe inkomstenbronnen voor de EU-begroting en heeft in zijn standpunt over het volgende MFK/EMB nieuwe eigen middelen geopperd, waaronder op basis van (1) digitale diensten, (2) online gokken en (3) crypto-activa. Naar aanleiding van een oproep van het Europees Parlement heeft de Commissie wel een technische verkenning uitgevoerd naar deze opties. Uit deze verkenning kwamen verschillende belangrijke aandachtspunten naar voren met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de juridische haalbaarheid. De lidstaten nemen binnen de Raad uiteenlopende posities in ten aanzien van deze nieuwe voorstellen. Mochten de ideeën worden omgezet in daadwerkelijke Commissievoorstellen, dan zal het kabinet deze op de gebruikelijke wijze beoordelen. De leden van de D66-fractie zijn positief over de stap van het kabinet om samen met andere landen op te roepen tot het afschaffen van de veto’s in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Welke concrete vervolgstappen zal deze oproep krijgen? Zal deze coalitie, en dus ook Nederland, dit ook concreet inbrengen tijdens de Europese Raad en/of de Raad Algemene Zaken? Antwoord van het kabinet Het kabinet zet onverminderd in op een overstap van unanimiteit naar gekwalificeerde meerderheid voor besluiten op bepaalde terreinen van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). Tegelijkertijd hecht een groot aantal lidstaten sterk aan besluitvorming op basis van unanimiteit. Nederland is actief lid van de Group of Friends voor een effectief EU Buitenlandbeleid. In die groep worden opties verkend om o.a. Qualified Majority Voting (QMV) te gebruiken op deelterreinen van het GBVB waar de verdragen dit nu al voorschrijven (bijvoorbeeld bij het verlengen van sancties), en het instellen van een noodremprocedure om de vitale belangen van lidstaten te waarborgen. De leden van de D66-fractie hebben in de afgelopen maanden meerdere moties ingediend die raken aan de onderwerpen op de agenda van de Raad Algemene Zaken en de Europese Raad. Kan de minister voor de volgende moties aangeven welke concrete opvolging hieraan is gegeven en welke opvolging hieraan nog zal worden gegeven? Motie van de leden Van der Werf en Klos over zich ervoor inzetten dat wordt begonnen met de voorbereiding en opstelling van een toekomstig EU-toetredingsverdrag met Oekraïne (Kamerstuk 36045, nr. 298); Motie van het lid Klos over instemmen met de zes onderhandelingsclusters voor de EU-toetreding van Oekraïne (Kamerstuk 23987, nr. 408) Motie van het lid Becker c.s. over met gelijkgestemde landen bij de Europese Commissie pleiten voor versterking van het toetredingsproces (Kamerstuk 23987, nr. 399); Antwoord van het kabinet Het kabinet is het met de leden Van der Werf en Klos eens dat de toekomst van Oekraïne onomkeerbaar in de EU ligt. De geopolitieke realiteit vraagt hierbij om voortvarendheid, maar óók om realistisch perspectief. Voortgang in het toetredingsproces blijft afhankelijk van het voldoen aan de toetredingscriteria en dus van het hervormingstempo. Voor Oekraïne ligt de focus van het kabinet in dit proces daarom bij het aanmoedigen en steunen van de Oekraïense hervormingsagenda. Het kabinet is blij dat in de afgelopen maanden Clusters één en zes en 6 voor Oekraïne zijn geopend. Zoals met uw Kamer gedeeld via de Geannoteerde Agenda bij de Raad Algemene Zaken van 17 maart jl. oordeelde de Commissie destijds reeds dat Oekraïne en Moldavië ook voldoen aan de vereisten voor het openen van de overige Clusters twee tot en met vijf en adviseerde de Raad om ook voor deze Clusters de formele besluitvorming te doorlopen. Het kabinet heeft destijds richting uw Kamer aangegeven de bevindingen van de Commissie te onderschrijven. Inmiddels is ook het formele besluitvormingsproces voor het openen van Clusters 2 en 3 gestart in de Raad en het kabinet heeft dan ook – in lijn met de motie Klos – aangegeven de opening van deze Clusters te kunnen steunen. Het toetredingsproces van Oekraïne bevindt zich nog niet in de fase van het opstellen van een toetredingsverdrag. Wel is het kabinet, in lijn met de motie Van der Werf en Klos, bereid om op het moment dat onderhandelingshoofdstukken onder voorbehoud gesloten zijn in te zetten op tijdige opstelling van een toetredingsverdrag, zoals momenteel met Montenegro gebeurt. Bovendien speelt Nederland een actieve rol in de discussie die momenteel gevoerd wordt over waarborgen en overgangsmaatregelen in de nieuwe generatie toetredingsverdragen. Dit zal er naar verwachting toe leiden dat een deel van het voorbereidend werk straks reeds gedaan is. Dit doet het kabinet niet in isolement, maar ook door met gelijkgezinde landen op te trekken. Zo publiceerde het kabinet op 9 juni jl. een non-paper hierover met enkele gelijkgezinde lidstaten. [voetnoot 2] Dit is een van de initiatieven waarmee het kabinet zich inzet voor versterking van het toetredingsproces conform de motie van het lid Becker. De kamerbrief EU-uitbreiding van 9 juni jl. gaat nader in op het kabinetsbeleid ten aanzien van EU-uitbreiding. Motie van de leden Klos en Becker over een coalitie voor de ontwikkeling van een Europese variant van de Five Eyes-samenwerking (Kamerstuk 21501-20, nr. 2406) Antwoord van het kabinet Het kabinet zet in op inlichtingensamenwerking op Europees niveau. De uitwerking hiervan ligt in het domein van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is aan inlichtingen- en veiligheidsdiensten zelf om vorm te geven aan internationale samenwerking in het inlichtingendomein, en af te wegen in hoeverre daar in het openbaar over gecommuniceerd kan worden. BZ steunt, zowel vanuit het departement als relevante Europese posten, deze intensivering van de diensten op inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Motie van het lid Klos c.s. over draagvlak zoeken voor een Europese veiligheidsraad (Kamerstuk 36800-V, nr. 48). Antwoord van het kabinet Het kabinet monitort binnen de EU doorlopend het draagvlak voor een Europese veiligheidsraad. Het draagvlak onder lidstaten blijkt vooralsnog echter beperkt. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld heeft het kabinet twijfels over de toegevoegde waarde van een Europese veiligheidsraad. De Europese Raad fungeert de facto al als een Europese veiligheidsraad. Daarnaast kunnen EU-lidstaten via het IPCR-mechanisme (Integrated Political Crisis Response) lidstaten, de EU-instellingen en partnerlanden of -organisaties bijeenroepen om een acute crisis te bespreken en coördineren. De leden van de D66-fractie kijken met zorgen naar de verkiezingswinst van de Alternative für Deutschland (AfD) in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt. Deelt het kabinet deze zorgen?  Antwoord van het kabinet Duitsland is een democratie en de Duitse kiezer in Saksen-Anhalt heeft gesproken. Uiteraard respecteert het kabinet de uitslag van democratische verkiezingen. Tegelijkertijd is het zorgwekkend dat een partij met extreme standpunten, waar ook pro-Russische sentimenten in zitten, het zo goed heeft gedaan. Welke inzet gaan we van dit kabinet concreet zien om nog voor de winter tot extra steun voor Oekraïne te komen? Welke mogelijkheden ziet het kabinet daartoe? Hoe werkt het kabinet concreet aan meer luchtafweer en meer langeafstandsraketten voor Oekraïne? Antwoord van het kabinet Het kabinet blijft ook de komende jaren Oekraïne onverminderd steunen op militair en niet-militair vlak. Nederland heeft sinds het begin van de oorlog in Oekraïne zo veel als mogelijk verantwoord en doelmatig bijgedragen aan de Oekraïense luchtverdediging. Nederland neemt hierin zowel binnen de NAVO als de EU een voortrekkersrol en roept andere landen continu op om ook luchtverdedigingsmiddelen te (blijven) leveren. Daarnaast neemt het kabinet een actieve rol in binnen de Anti-Ballistic Missile Coalition (ABMC) die afgelopen juli is opgericht. De ABMC zet zich in voor de ontwikkeling van een Europees antiballistisch luchtverdedigingssysteem, ter versterking van de Oekraïense luchtverdediging en als aanvulling op de huidige NAVO-luchtverdedigingssystemen. Tevens roept het kabinet partners op om Oekraïne langeafstandscapaciteiten te leveren en daarbij geen geografische restricties op te leggen ten aanzien van de inzet van deze capaciteiten. Hierdoor kan Oekraïne zich effectiever verdedigen tegen aanvallen met Russische raketten en drones. Dit is ook van belang voor onze veiligheid aangezien het tegengaan van de agressie ook bepalend is voor de toekomst van Nederland en Europa. Daarnaast heeft het kabinet heeft dit jaar reeds EUR 178 miljoen extra vrijgemaakt voor niet-militaire steun, waarmee het kabinet extra inzet op de voorbereidingen die nodig zijn voor de winter en op het verlichten van urgente noden. Prioritaire inzet is op het gebied van energie, waarbij bovenop de voor 2026 gecommitteerde steun van EUR 133 miljoen nog eens EUR 60 miljoen is vrijgemaakt. Nederland is daarmee één van de grootste donoren als het gaat om energiesteun aan Oekraïne, met een bedrag van EUR 550 miljoen sinds de start van de Russische inval. Ook zet Nederland via de extra beschikbare middelen extra in op energie en (herstel van) infrastructuur via de Internationale Financiële instellingen (EUR 110 miljoen extra) en op het verlichten van humanitaire en sociale noden en (mentale) gezondheid (EUR 30 miljoen extra). Het kabinet brengt momenteel in kaart welke extra stappen op militair en niet-militair vlak nog kunnen worden gezet en roept tegelijkertijd internationaal op tot een eerlijkere lastenverdeling. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026 in Brussel. Ze hebben aanleiding gezien tot het maken van een aantal opmerkingen en het stellen van nadere vragen. Meerjarig Financieel Kader (MFK) De leden van de VVD-fractie vragen wat de verwachting is van het kabinet van de volgende versie van het MFK-onderhandelingsdocument dat het Ierse Voorzitterschap nog moet presenteren. Deze leden moedigen het kabinet aan vast te houden aan de inzet voor het MFK zoals ook afgesproken in het coalitieakkoord: de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie (EU)-begroting verbeteren door de voorgestelde omvang van het MFK te verlagen, de korting die Nederland ontvangt op de bruto nationaal inkomen (bni)-afdracht behouden en de perceptiekostenvergoeding op 25 procent houden en tevens de begroting moderniseren door middelen meer in te zetten voor de strategische doelen van Europa. Zij zijn het ermee eens dat de Europese begroting meer gericht moet worden op het versterken van het Europees concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, een stevig migratie- en asielbeleid, veiligheid en defensie. Dat betekent dus ook gericht kijken waar het minder kan. In hoeverre verwacht de minister dat landbouw en cohesie uiteindelijk substantieel moeten inleveren om ruimte te maken voor defensie, veiligheid en concurrentiekracht? Of is denkbaar dat een lagere EU-begroting behaald wordt door juist in te leveren op de moderniseringsprioriteiten? Dit laatste is iets wat de leden van de VVD-fractie uiteraard geen goed idee zouden vinden. Antwoord van het kabinet Voor het kabinet staat voorop dat de omvang van het volgende MFK substantieel omlaag moet ten opzichte van het Commissievoorstel, terwijl tegelijkertijd de noodzakelijke modernisering wordt voortgezet. Middelen vanuit de EU-begroting moeten ingezet worden waar de meeste EU-toegevoegde waarde en impact gemaakt kan worden. Besparingen moeten daarom zo veel mogelijk gevonden worden in pijler 1[voetnoot 3] en 4[voetnoot 4] (met uitzondering van de migratie- en interne veiligheidsfondsen en verplichte rente- en terugbetalingen van NGEU) en zo min mogelijk ten koste moeten gaan van pijler 2[voetnoot 5] en 3[voetnoot 6]. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de uitkomst van de onderhandelingen over de verdeling van middelen tussen de verschillende beleidsterreinen. De leden van de VVD-fractie constateren dat voorzitter van de Europese Raad Costa op zijn rondreis eerst vijf ‘Friends of cohesion’ heeft bezocht en een land als Zweden tijdens zijn rondreis overslaat met als reden de komende verkiezingen. Wat vindt het kabinet van het programma van Costa? Stelt de voorzitter alle lidstaten die een slanker MFK willen voldoende in staat deze boodschap over te brengen? Is ook de verwachting van het kabinet dat Zweden zich op lijkt te maken voor een nog hardere lijn in de onderhandelingen over de EU-begroting 2028-2034 als de sociaaldemocraten, die de begroting verder willen verkleinen en de korting willen behouden, aan de macht gaan komen? Is Nederland bereid met Duitsland, Zweden en andere landen die een slimmer en slanker MFK willen te blijven optrekken? Antwoord van het kabinet Het is aan de voorzitter van de Europese Raad om zijn contacten met de lidstaten in aanloop naar de verdere bespreking van het MFK vorm te geven. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat daarbij recht wordt gedaan aan de verschillende posities van lidstaten. Nederland benut daarnaast zowel bilaterale contacten als de reguliere Europese overleggen om de Nederlandse inzet voor een modern en financieel houdbaar MFK actief uit te dragen. Het kabinet kan niet vooruitlopen op de uitkomst van de Zweedse verkiezingen. Nederland onderhoudt nauw contact met Zweden en zal ook de komende periode actief blijven optrekken met Duitsland, Zweden en de andere gelijkgezinde lidstaten die zich inzetten voor een modern en financieel houdbaar MFK. De leden van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet het tijdspad voor de onderhandelingen ziet en de deadline van voorzitter Costa, dat een en ander voor het eind van het jaar besloten zou moeten zijn, vanwege verkiezingen in onder andere Frankrijk. Klopt het dat ook Frankrijk nu achter die deadline staat? Welke landen zijn voor- en tegenstander van deze deadline? Is het kabinet het eens dat we ons niet in deadlines moeten laten dwingen maar dat een goed resultaat belangrijker is?  Antwoord van het kabinet De lidstaten van de Europese Raad, inclusief Frankrijk, hebben tijdens de Europese Raad van 18 en 19 juni jl.[voetnoot 7] gezamenlijk geconcludeerd de ambitie te delen om voor 2027 tot een akkoord te komen. Dit is een streven, geen harde deadline. Het kabinet vindt een goede deal belangrijker dan een snelle deal. Het kabinet blijft zich constructief inzetten voor een tijdig resultaat dat recht doet aan de Nederlandse prioriteiten. De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet eind november een extra top verwacht om een akkoord voor te bereiden, waarna in december de beslissende onderhandelingen plaatsvinden in de Europese Raad. Of is ook een schema denkbaar waarbij de onderhandelingen het nieuwe jaar in gaan?  Antwoord van het kabinet In het najaar van 2026 staan drie Europese Raden geagendeerd. In oktober en december wordt het MFK besproken als onderdeel van een bredere agenda. In november staat een tweedaagse speciale Europese Raad op de agenda waar het MFK als enige onderwerp zal worden besproken. De voorzitter van de Europese Raad Costa heeft de ambitie uitgesproken om voor 2027 een akkoord op het nieuwe MFK en EMB te bereiken. Het kabinet sluit geen enkel scenario uit. De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet kan toezeggen geen ander standpunt in te nemen ten aanzien van het MFK en geen concessies daaraan te doen zonder van tevoren eerst de Tweede Kamer in staat te stellen daarover een uitspraak te doen. Antwoord van het kabinet Het kabinet hecht aan de betrokkenheid van de Kamer en zal zoals gebruikelijk de Kamer voorafgaand aan de relevante raden informeren over de Nederlandse inzet, conform de gebruikelijke EU-informatievoorzieningsafspraken.   Voorts vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre de toekomstige financiering van Oekraïne volgens de minister gevolgen heeft voor de onderhandelingen over de nieuwe EU-begroting. Antwoord van het kabinet De toekomstige financiering van Oekraïne vanaf 2028 is onderdeel van de onderhandelingen over het nieuwe MFK. De omvang en vormgeving van deze financiering heeft gevolgen voor het MFK. Zoals onder andere aangegeven in de MFK-Kamerbrief van 22 mei jl., voorziet het Commissievoorstel in een Oekraïne-reserve van EUR 100 miljard voor de periode 2028–2034.[voetnoot 8] De precieze budgettaire gevolgen hiervan hangen onder meer af van de vormgeving van deze financiering, waaronder de verhouding tussen leningen en giften. Het vaststellen van deze verhouding is onderdeel is van de lopende MFK-onderhandelingen. De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd wat het kabinet vindt van de discussie die diverse landen gestart zijn over het belang van cohesiemiddelen voor het concurrentievermogen van regio’s, waarmee het onderwerp concurrentievermogen rechtstreeks gelinkt wordt aan de cohesiefondsen. Is het kabinet bereid in de discussies over de cohesiefondsen ook steeds te vragen naar de objectief aangetoonde effectiviteit ervan en ook gericht voorstellen te doen waar het minder kan? Antwoord van het kabinet Het cohesiebeleid is in de eerste plaats gericht op het verkleinen van economische en sociale verschillen tussen regio’s binnen de EU. Het kabinet wil dat regio’s dit doen door met het cohesiebeleid te investeren in hun regionale concurrentiekracht[voetnoot 9], zodat de cohesiebijdrage op termijn kan worden afgebouwd. Het kabinet hecht aan een doelmatige en effectieve inzet van EU-middelen, met duidelijke Europese toegevoegde waarde en kijkt dan ook kritisch de effectiviteit van het cohesiebeleid. De voorgestelde toepassing van resultaatgerichte financiering binnen de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen kan hieraan ook bijdragen, doordat financiering nadrukkelijker wordt gekoppeld aan vooraf overeengekomen resultaten. Tegelijkertijd zet het kabinet in op een substantiële verlaging van de voorgestelde omvang van de EU-begroting. Dit vraagt om scherpe keuzes binnen de gehele begroting, ook ten aanzien van cohesiebeleid. Het kabinet blijft zich daarom in de onderhandelingen inzetten voor een voor een moderne en toekomstbestendige begroting.   Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen de discussie over middelen die gepaard gaan met eventuele EU-uitbreiding en de discussie over het toekomstig MFK. Hoe speelt mogelijke uitbreiding überhaupt een rol in de MFK discussie? Is het kabinet het eens dat indien extra middelen nodig zouden zijn voor eventuele uitbreiding, deze binnen hetzelfde budget van het MFK moeten worden gevonden én dat kritisch moet worden gekeken naar uitgaven die minder direct bijdragen aan de Europese strategische belangen? Met name de omvang van de externe ambities van de EU onder Global Europe verdient daarbij aandacht wat deze leden betreft. Hoe kijkt het kabinet hier naar? Antwoord van het kabinet De mogelijke uitbreiding van de EU is één van de factoren die een rol speelt in de onderhandelingen over het Global Europe instrument in het volgende MFK. In het geval van uitbreiding dient het MFK, conform het voorstel voor de MFK-verordening, te worden aangepast op het moment van toetreding. Het openbreken van het MFK dient om de benodigde aanpassingen mogelijk te maken die nodig zijn bij toetreding van een nieuwe lidstaat. Eventuele financiële gevolgen van uitbreiding zijn afhankelijk van diverse factoren, zoals afspraken over ingroeipaden en het moment van toetreding van desbetreffende kandidaat-lidstaat. Het kabinet vindt het van belang dat de financiële gevolgen van eventuele uitbreiding integraal worden meegewogen en dat niet vooruit wordt gelopen op de MFK-onderhandelingen. Specifiek voor Montenegro heeft de Europese Commissie recent een mededeling gepresenteerd met daarin voorstellen voor financiële en budgettaire aspecten voor toekomstige EU-toetreding van Montenegro onder het volgend MFK. Uw Kamer ontving 4 september jl. een BNC-fiche over deze mededeling.[voetnoot 10] Deze casus illustreert hoe de financiële gevolgen van uitbreiding kunnen doorwerken in het toekomstige MFK. Het kabinet zal deze gevolgen beoordelen in samenhang met de bredere MFK-onderhandelingen. Het Global Europe instrument omvat een reeks aan externe prioriteiten, waaronder onder meer ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp, en andere vormen van extern optreden. Het kabinet acht het van belang dat de omvang en inrichting van Global Europe aansluiten bij de strategische prioriteiten van de EU. De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet het ermee eens is dat Nederland moet blijven inzetten op een geloofwaardige en resultaatgerichte koppeling tussen EU-middelen en conditionaliteit, waarbij uitgangspunt moet zijn dat Europese middelen niet los kunnen worden gezien van de hervormingen en resultaten die nodig zijn om de economische weerbaarheid, concurrentiekracht en houdbaarheid van de overheidsfinanciën in de lidstaten te versterken. Zo ja: hoe zet het kabinet hier op in? Zo nee, waarom niet? Antwoord van het kabinet Het kabinet zal blijven inzetten op het conditioneel maken van de uitkering van EU-middelen aan het doen van noodzakelijke hervormingen, met daarbij de nadruk op de landenspecifieke aanbevelingen die voortvloeien uit het Europese Semester. Dit doet het kabinet door vast te houden aan de relevante teksten in het voorstel voor de NRPP-verordening en in het onderhandelingsdocument, zodat de koppeling met het Semester gewaarborgd blijft. Het kabinet ziet hierbij graag een proportionele verhouding tussen het ambitieniveau van beoogde hervormingen en ontvangsten door lidstaten. De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet van mening is dat ervaringen met de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit laten zien dat een koppeling tussen middelen, concrete hervormingen, mijlpalen en aantoonbare resultaten effectief kan bijdragen aan de uitvoering van een hervormingsagenda. Waar is dat niet het geval en zitten nog hiaten? Antwoord van het kabinet Het kabinet is inderdaad van mening dat de koppeling tussen middelen en hervormingen kan bijdragen aan het aanjagen van hervormingen. Het kabinet is daarom voorstander van de koppeling tussen hervormingen en middelen in het Nationale en Regionale Partnerschapsplan (NRPP). Het kabinet ziet hierin geen hiaten: de systematiek wordt toegepast op alle onderdelen van het MFK waar dat redelijkerwijs mogelijk is. Het ligt niet voor de hand om een dergelijke systematiek ook toe te passen in andere delen van het MFK omdat daar geen sprake is van uitkeringen aan lidstaten waar de nationale overheden van die lidstaten directe zeggenschap over hebben. De leden van de VVD-fractie stellen dat Nederland in de onderhandelingen over het MFK niet enkel moet inzetten op conditionaliteit richting lidstaten alleen, maar dat ook de besteding van Europese middelen zelf sterker moet worden getoetst op aantoonbare Europese meerwaarde en hun bijdrage aan gezamenlijke strategische doelstellingen. Is het kabinet het daarmee eens? Is het kabinet bereid dit in de EU op de agenda te blijven zetten en daarbij in te zetten op programma’s waarvan de Europese toegevoegde waarde en het economische rendement overtuigend kunnen worden aangetoond? Antwoord van het kabinet Het kabinet blijft inzetten op een modernisering van het MFK waarbij er middelen worden geschoven naar die onderdelen van de begroting die de meeste Europese meerwaarde hebben en die van groot belang zijn voor de toekomstige economische groei en weerbaarheid van de Europese economie. De leden van de VVD-fractie menen dat een dergelijke aanpak een robuuste governance vereist. Hoe gaat het kabinet hier voorstellen voor doen? Antwoord van het kabinet Het kabinet onderschrijft het belang van een robuuste governance van de EU-begroting, waarbij de inzet van Europese middelen wordt gekoppeld aan duidelijke doelstellingen, resultaten en Europese toegevoegde waarde. Het kabinet zet zich daarom in voor een sterk prestatiekader, met adequate monitoring en evaluatie van de resultaten van programma’s. Daarnaast vindt het kabinet het van belang dat flexibiliteit in de uitvoering van het MFK gepaard gaat met voldoende strategische sturing en betrokkenheid van de lidstaten. Het kabinet zal deze inzet in de verdere MFK-onderhandelingen blijven uitdragen. Voor programma’s, investeringen en hervormingsafspraken moeten vooraf heldere doelstellingen en meetbare indicatoren worden vastgesteld, met onafhankelijke monitoring (primair door de Europese Rekenkamer) en periodieke evaluatie. Review- en sunsetclausules zouden daarbij een standaardonderdeel moeten zijn van nieuwe programma’s. Is het kabinet het daarmee eens? Is het kabinet het ook eens met het standpunt dat wanneer resultaten of Europese meerwaarde uitblijven, middelen moeten kunnen worden heroverwogen, afgeschaald of beëindigd? Zo ja, hoe wordt deze realiteit dichterbij gebracht? Antwoord van het kabinet Het kabinet erkent het belang van heldere doelstellingen en meetbare indicatoren met onafhankelijke monitoring en periodieke evaluatie. Elke zeven jaar onderhandelen lidstaten opnieuw over de verordeningen in het kader van de MFK-onderhandelingen. Daarmee wordt voorkomen dat programma’s lange tijd ongewijzigd voortgezet worden zonder herziening en is periodieke evaluatie inherent aan de begrotingscyclus. Daarnaast zet het kabinet ook al vanaf het begin van de onderhandelingen over het volgend MFK in op modernisering van de begroting en vergroting van de Europese meerwaarde door onder andere prestatiegericht begroten om prestaties onder het MFK effectief en transparant te kunnen beoordelen. Onderdeel daarvan is een vooraf vastgesteld prestatiekader waarmee uitgaven en prestaties van de begroting worden gemonitord middels een geharmoniseerde lijst van interventiegebieden. Daarin zijn voor lidstaten verplichtingen opgenomen tot evaluaties met betrekking tot de criteria: doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie en samenhang, met als doel de kwaliteit van de opzet en uitvoering van de maatregelen te verbeteren en knelpunten bij de uitvoering ervan in kaart te brengen. Het kabinet heeft in eerdere onderhandelingen gepleit voor het inbouwen van deze evaluatiemomenten en zal zich hiervoor blijven inzetten. Wetgevingsprogramma  De leden van de VVD-fractie delen de mening van het kabinet dat in een tijd van geopolitieke instabiliteit de EU slagvaardig, welvarend en veilig moet blijven. Nederland ziet daarbij prioriteiten zoals het versterken van de concurrentiekracht; een modern, betaalbaar en eerlijk MFK; investeringen in defensie en veiligheid; het verminderen van migratiedruk en stimulatie van terugkeer. Is het kabinet bereid in algemene zin op de agenda te zetten dat Europese wetgeving niet alleen vastgesteld moet worden maar ook bijgestuurd moet kunnen worden als de impact niet is zoals beoogd? Antwoord van het kabinet Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving waar nodig aan te passen, zo ook Europese wetgeving. Een van de manieren waarop dit in EU-verband wordt geagendeerd is via het proces van simplificatie van bestaande wetgeving (de zogenaamde Omnibuspakketten). Tegelijkertijd is het belangrijk om goed te beoordelen of dergelijke voorstellen daadwerkelijk leiden tot vereenvoudiging en lastenverlichting. Dit kan op basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en voor de beleidsdoelstellingen die met regelgeving worden gediend. Is het kabinet in dat kader bereid om binnen de EU op korte termijn te bespreken tegen welke uitvoeringsproblemen men momenteel aanloopt rond het Europees Migratiepact, zoals het niet mogen terugsturen van Dublinclaimanten door een land als Nederland naar Italië vanwege de opvangomstandigheden daar? Antwoord van het kabinet De implementatie en uitvoering van het Asiel- en Migratiepact (het Pact) is doorlopend onderdeel van gesprek tussen EU-lidstaten en de Europese Commissie. De Europese Commissie publiceert de tweede helft van oktober een voortgangsrapportage ten aanzien van de implementatie van het Pact, en rapporteert daarin ook over de implementatie van de overdrachten van asielzoekers onder de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV (voorheen Dublin)). Indien de Commissie dan met betrekking tot AMbV overdrachten systemische tekortkomingen vaststelt bij één van de lidstaten, zijn lidstaten niet meer verplicht om solidariteit aan deze lidstaat te geven. Verder zet het kabinet alles op alles om de overdrachten op grond van de AMbV naar Italië volledig te hervatten. Dit doet het kabinet bilateraal, in samenwerking met gelijkgezinden lidstaten en richting de Europese Commissie. Het is voor het kabinet van belang dat de Europese Commissie, als hoeder van de verdragen, toeziet dat alle EU-lidstaten het Pact volledig implementeren en er consequenties aan verbindt als EU-lidstaten dit niet of onvoldoende doen. Nederland zal er ook voor pleiten dat de voortgangsrapportage op politiek niveau tijdens een JBZ-Raad besproken wordt. Kan het kabinet ook aangeven hoe de toezegging van de minister-president richting de leden van de VVD-fractie in het laatste plenair debat over de Europese Raad is uitgevoerd: namelijk als Nederland het onderwerp externalisering van migratie op de agenda zetten, eventueel aan de hand van het laatste Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)-rapport daarover? Antwoord van het kabinet Zoals reeds met uw Kamer gecommuniceerd in het verslag van de ER in juni, brengt Nederland conform de toezegging gedaan aan het lid Becker (VVD) tijdens het debat over de Staat van de Unie op 11 juni jl., de bevindingen van het Clingendael rapport ‘Grenzen Verleggen: Externalisering van asiel en een breed gedragen hervormingsinitiatief’ regelmatig op in besprekingen met gelijkgezinde lidstaten in kopgroepen. Tijdens het migratieontbijt voorafgaand aan de ER van juni bracht Nederland de mogelijkheid van uitbreiding van het veilige derde land concept op en benoemde ook de bevindingen van het Clingendael rapport. Nederland vraagt regelmatig aandacht voor de bevindingen van Clingendael rapport in de besprekingen van de kopgroep terugkeerhubs waar de Minister van Asiel en Migratie en marge van de JBZ-raad aan deelneemt. Het rapport creëert een gedegen basis voor de verdere ontwikkeling van innovatieve oplossingen, waar het kabinet zich onverminderd voor inzet. De bevindingen zijn bekend in de kopgroep en worden al actief meegenomen bij de operationalisering hiervan.   Rechtsstaatdiscussie over kandidaat-lidstaten   De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet om in de Raad te onderstrepen dat de kandidaat-lidstaten blijvend aandacht moeten besteden aan hervormingen. Voor Montenegro is het bij uitstek van belang dat de rechtsstaat, de binnenlandse veiligheid en de grensbewaking en capaciteit vóór toetreding daadwerkelijk op orde is. Dit is niet alleen relevant voor het land zelf, maar ook voor de bescherming van de buitengrenzen van de Unie. Deelt het kabinet deze mening? Wil het kabinet daarbij ook aan de orde stellen hoe we ter plaatse controleren of wat op papier is afgesproken en is gerealiseerd in de praktijk ook aan alle voorwaarden voldoet? Antwoord van het kabinet Het kabinet deelt deze zienswijze. Bij de beoordeling of een onderhandelingshoofdstuk onder voorbehoud kan worden gesloten, wordt onder andere gekeken of de kandidaat-lidstaat in kwestie adequate administratieve en personele capaciteit heeft, en plannen om deze verder te versterken. Bovendien kan naast de beoordeling van de technische vereisten ook de bredere weging van de rechtsstaatsituatie worden meegenomen in besluitvorming. Ook na het onder voorbehoud sluiten van een hoofdstuk blijft de Commissie de voortgang op alle hoofdstukken in het toetredingsproces monitoren en rapporteert hierover periodiek richting de Raad. In geval van terugval op relevante vereisten kan een hoofdstuk opnieuw geopend worden. Bij ernstige terugval op de rechtsstaat kan het toetredingsproces stil komen te staan. Daarnaast zet het kabinet zich met een kopgroep van EU-lidstaten in voor aanvullende waarborgen in een nieuwe generatie toetredingsverdragen ter bescherming van de waarden van de EU. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief van 9 juni jl.[voetnoot 11] Voorgaande toetredingsverdragen bevatten ook een waarborg voor het JBZ-domein, die het kabinet ook in toekomstige toetredingsverdragen graag terug ziet komen. Tot slot is voortzetting van EU steun vanaf het moment van toetreding ook van belang. Zo staat het kabinet positief tegenover het voorstel van de Commissie om bij toekomstige EU-toetreding van Montenegro HOME-fondsen meteen ter beschikking te stellen aan Montenegro, gezien het belang van effectief grensbeheer en de interne veiligheid van de EU.[voetnoot 12] De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet het ermee eens is dat pre-accessiesteun maximaal moet worden benut om hervormingen vóór toetreding af te dwingen, waar het gaat over de rechtsstaat, de rechterlijke macht, corruptiebestrijding, binnenlandse veiligheid en grensbewaking. De EU verliest na toetreding een deel van haar financiële en politieke hefboom om dergelijke hervormingen af te dwingen. Hoe staat het met het ontwikkelen van een nieuwe generatie toetredingsverdragen waarin ruimte is om in te grijpen als sprake is van backsliding op onder andere rechtsstaatelementen? Antwoord van het kabinet Het kabinet is voorstander van pre-accessiesteun ter bevordering van hervormingen in (potentiële) kandidaat-lidstaten, en verwelkomt de versterkte inzet op conditionaliteit middels prestatie gedreven steun aan kandidaat-lidstaten onder een volgend Meerjarig Financieel Kader. Tijdens de informele Raad Algemene Zaken van 3 en 4 september jl. vond een gedachtewisseling plaats over de waarborgen en overgangsmaatregelen die in een nieuwe generatie toetredingsverdragen nodig zijn om onder meer de waarden van de EU te helpen beschermen. Nederland zet zich actief in voor deze discussie en trekt daarbij op met gelijkgezinde lidstaten. Het kabinet publiceerde op 9 juni jl. een non-paper met verschillende denkrichtingen om achteruitgang van lidstaten in eerbiediging van de waarden aan te pakken en te helpen voorkomen.[voetnoot 13] Ook de Commissie ziet de noodzaak voor sterke waarborgen en zal naar verwachting op 30 september a.s. een mededeling publiceren met daarin ideeën voor waarborgen. Uw Kamer zal hierover langs reguliere weg worden geïnformeerd. Wat de leden van de VVD-fractie betreft kan geen sprake zijn van vrijblijvende toetreding, maar dienen hervormingen vooraf en aantoonbare te hebben plaatsgevonden als voorwaarde voor verdere financiële steun. Diversenpunt: Omnibus versimpeling  De leden van de VVD-fractie sluiten zich aan bij het kabinetsstandpunt dat regeldrukvermindering een prioriteit moet zijn. Hoe draagt het kabinet er aan bij dat dit wel met solide wetsvoorstellen gebeurt die ook op hun beurt wel getoetst zijn op impact? Antwoord van het kabinet Regeldrukvermindering is een prioriteit van het kabinet; vereenvoudiging moet zorgvuldig plaatsvinden en goed worden onderbouwd. Het kabinet zal er daarom op blijven aandringen dat de Europese Commissie bij vereenvoudigings- en omnibusvoorstellen met significante gevolgen een effectbeoordeling opstelt, of in uitzonderlijke gevallen overtuigend motiveert wanneer daarvan wordt afgezien. In de mededeling Betere Regelgeving, waarover uw Kamer op 5 juni jl. is geïnformeerd,[voetnoot 14] kondigt de Commissie onder meer aan vaker effectbeoordelingen uit te voeren. Het kabinet vindt het positief dat de Commissie bij de recente voorstellen over Belastingen[voetnoot 15] en Energieproducten[voetnoot 16] wel effectbeoordelingen heeft opgesteld. Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 22 september 2026 en hebben hierover de volgende vragen. De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet de omvang van het nieuwe MFK verder wil verlagen. Deze leden verzoeken het kabinet concreet aan te geven hoeveel miljard euro er minimaal van het huidige voorstel af moet voordat Nederland van een aanvaardbare begroting kan spreken, en wat dit zou betekenen voor de jaarlijkse afdrachten. Antwoord van het kabinet De budgettaire inzet van het kabinet richt zich in de eerste plaats op de hoogte van de Nederlandse afdrachten. De hoogte van de jaarlijkse afdrachten is niet alleen afhankelijk van de omvang van het MFK, maar ook van andere factoren waarvan de belangrijkste zijn het voortzetten van de bni-korting, de mogelijke effecten van nieuwe eigen middelen en de hoogte van de perceptiekostenvergoeding voor het innen van de traditionele eigen middelen. Het kabinet kan daarom geen concreet bedrag noemen. Onderdeel van de Nederlandse inzet is evenwel dat er stevig moet worden geprioriteerd teneinde de omvang van de begroting te verlagen. De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoeveel de voorgestelde omvang sinds de start van de onderhandelingen inmiddels daadwerkelijk is gedaald en in hoeverre het kabinet van mening is dat de inzet om de begroting fors naar beneden te krijgen tot nu toe resultaat heeft gehad. Antwoord van het kabinet Cyprus heeft in juni jl., als voorzitter van de Raad in de eerste helft van 2026, voor het eerst sinds de presentatie van het Commissievoorstel in juli 2025 een onderhandelingsdocument (‘negobox’) opgesteld met daarin cijfers. De omvang van het MFK (in lopende prijzen, exclusief speciale instrumenten) is in dat document verlaagd met 31 miljard euro ten opzichte van het Commissievoorstel. De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet positief staat tegenover resultaatgerichte financiering, terwijl de Europese Rekenkamer (ERK) nog tekortkomingen ziet bij onder andere: controle, fraude en betrouwbaarheid. Deze leden vragen welke aanbevelingen van de ERK voor het kabinet daadwerkelijk een voorwaarde zijn voor instemming met het nieuwe MFK. Antwoord van het kabinet Het kabinet hecht waarde aan de bevindingen en aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (ERK) en erkent de zorgen van de ERK of de administratieve lasten met het Commissievoorstel ook daadwerkelijk verlaagd worden. Het kabinet erkent ook dat de resultaatindicatoren van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit onvoldoende aansloten bij (politiek) vastgestelde doelstellingen van de EU. Het kabinet heeft bovengenoemde aandachtspunten meegenomen in de onderhandelingen en zal dit blijven uitdragen. De leden van de PVV-fractie constateren daarnaast dat in het voorgestelde resultaatgerichte financieringsmodel betalingen uit EU-begroting worden gekoppeld aan het behalen van mijlpalen en doelstellingen, waarbij de ERK waarschuwt voor tekortkomingen in de betrouwbaarheid. Deze leden vragen wie financieel verantwoordelijk is wanneer achteraf blijkt dat de EU-middelen zijn uitbetaald op basis van onjuiste of onvoldoende betrouwbare gegevens: de betrokken lidstaat, de Europese Commissie of uiteindelijk de gezamenlijke EU-begroting. Antwoord van het kabinet De financiële verantwoordelijkheid in het Commissievoorstel voor het NRPP ligt bij de lidstaat. De Commissie houdt in de voorstellen het recht om middelen terug te vorderen van lidstaten indien onrechtmatigheden worden geconstateerd die daartoe aanleiding geven en het recht om uitbetaling van middelen te schorsen indien de Commissie een redelijk vermoeden heeft dat een lidstaat niet voldoet aan de afspraken uit het NRPP. De leden van de PVV-fractie constateren dat het Nationaal en Regionaal Partnerschapsplan (NRPP)-voorstel geen uniforme minimumvereisten bevat voor fraudebestrijding en dat lidstaten ruimte krijgen om het vereiste niveau van controles zelf te beoordelen. Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat hierdoor verschillen ontstaan in de strengheid en kwaliteit van controles tussen lidstaten. Antwoord van het kabinet Het voorliggende NRPP-voorstel bevat, naar de mening van het kabinet, voldoende waarborgen voor effectieve en uniforme fraudebestrijding door de Europese Commissie. Ten eerste door daarvoor voorwaarden vast te leggen in Annex IV, waarbij naast de voorwaarden in tabel 1, tabel 2 ook een classificatiesysteem vastlegt voor de kwaliteit van deze beheers- en controlesystemen. In art 4. van het NRPP-voorstel is vastgelegd dat wanneer een controlesysteem niet voldoet dit leidt tot een situatie van ‘serious non-compliance’. Indien een lidstaat deze situatie niet verbetert, kunnen daar financiële correcties op volgen. In art. 60 van het NRPP-voorstel is opgenomen dat de Commissie moet controleren of lidstaten een beheers- en controlesysteem hebben opgezet dat voldoet aan de voorwaarden van de NRPP-verordening. Naar de mening van het kabinet geeft dit voldoende waarborgen, dat de Commissie een oordeel kan vellen over de kwaliteit van beheers- en controlesystemen en daar consequenties aan kan verbinden. De leden van de PVV-fractie constateren dat er druk bestaat om nog dit jaar overeenstemming te bereiken over het MFK. Deze leden vragen welk Nederlands belang ermee is gediend om de onderhandelingen te versnellen en snel af te ronden. Zij vragen of het kabinet kan bevestigen dat een kalenderdeadline nooit reden zal zijn om akkoord te gaan met een begroting die voor Nederland financieel of inhoudelijk onvoldoende is. Antwoord van het kabinet Het kabinet zet zich actief in voor voortgang in de MFK-onderhandelingen maar vindt een goede deal belangrijker dan een snelle deal. Het kabinet blijft zich constructief inzetten voor een tijdig resultaat dat recht doet aan de Nederlandse prioriteiten. De leden van de PVV-fractie constateren dat Oekraïne naar verwachting opnieuw op de agenda van de Europese Raad staat. Deze leden verzoeken het kabinet een actueel overzicht te geven van de bilaterale militaire, financiële en humanitaire steun aan Oekraïne per EU-lidstaat, zowel in absolute bedragen als per hoofd van de bevolking. Antwoord van het kabinet Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke steuninzet van internationale partners. Nederland zal zich actief blijven inzetten voor een verbeterde lastenverdeling van de steun aan Oekraïne, waaronder in bilaterale gesprekken en in EU-verband. De leden van de PVV-fractie vragen tot slot welk concreet resultaat de herhaalde Nederlandse inzet om andere Europese landen een groter aandeel van de steun aan Oekraïne te laten dragen inmiddels heeft opgeleverd. Deze leden vragen welke lidstaten hun bilaterale bijdrage sinds de laatste Nederlandse oproepen aantoonbaar hebben verhoogd en bij welke landen de bijdrage achterblijft. Antwoord van het kabinet Zie het antwoord op vraag 33. Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van geannoteerde agenda informele Raad Algemene Zaken van 22 september 2026. Zij hebben enkele vragen over de voorbereiding van de Europese Raad. De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet bereid is zich er in de Raad Algemene Zaken voor in te zetten dat de gebeurtenissen rond de massale toestroom van migranten naar de Spaanse exclave Ceuta worden besproken onder het onderwerp ‘migratie’ en worden toegevoegd aan de agenda van de Europese Raad van 15 en 16 oktober, met daarbij speciale aandacht voor de verantwoordelijkheden van de Spaanse autoriteiten, Frontex en de Marokkaanse overheid, alsmede voor de door premier Sánchez geuite beschuldiging aan het adres van Israël. Antwoord van het kabinet De gebeurtenissen in Ceuta zijn zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de EU. Om de weerbaarheid van de EU tegen dergelijke crisissituaties te vergroten en adequaat te kunnen reageren, spoort het kabinet de Europese Commissie aan om concrete voorstellen te doen om het EU asiel-, migratie- en grenssysteem verder te versterken, en om crisisinstrumenten te benutten en versterken. Om een vergelijkbare plotselinge toestroom van irreguliere migranten in de toekomst te kunnen voorkomen, acht het kabinet het van belang om beter in beeld te brengen hoe deze situatie bij Ceuta heeft kunnen ontstaan. Het kabinet heeft de Europese Commissie en de relevante EU-agentschappen, waaronder Frontex, verzocht dit samen met Spanje te onderzoeken. Het is van belang dat de opvolging van de crisis en het versterken van EU asiel-, migratie en grenssysteem op politiek niveau wordt besproken. Daarbij dient ook aandacht te zijn voor de verantwoordelijkheid die Spanje draagt voor de bescherming van de buitengrens van de EU en het belang dat de Commissie en Frontex de juiste toegang krijgen om onafhankelijk informatie te verifiëren. De opvolging van Ceuta is reeds besproken tijdens de informele JBZ-raad op 4 augustus jl., en dit zal weer gebeuren tijdens de JBZ-raad van 1-2 oktober, waaraan de Minister van Asiel en Migratie namens het kabinet deelneemt. Het kabinet zet zich in voor een heldere en EU gecoördineerde weg voorwaarts op deze punten, en zal hier aandacht voor blijven vragen. Is het kabinet daarnaast bereid zich in te spannen voor openbaarmaking van het onderzoek van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS) waar premier Sánchez naar verwijst? Antwoord van het kabinet Het door premier Sánchez aangehaalde rapport van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) betreft een document dat niet openbaar is. De EDEO brengt ieder jaar wel een openbaar jaarverslag uit over buitenlandse informatiemanipulatie en -inmenging (FIMI). In deze rapporten beschrijft de dienst verschillende FIMI-campagnes die dat jaar in de EU hebben plaatsgevonden. Het kabinet is bereid om bij EDEO te bepleiten om in het aankomende FIMI-jaarverslag aandacht te besteden aan FIMI rond de gebeurtenissen in Ceuta. Kamerstuk 22 112, nr. 4357 Kamerstuk 23 987, nr. 412 Economic, social and territorial cohesion, agriculture, rural and maritime prosperity and security European Public Administration Competitiveness, prosperity and security Global Europe, inclusief Oekraïne Conclusies Europese Raad 18 en 19 juni 2026: nl-20260619-european-council-conclusions.pdf Kamerstuk 22 112, nr. 4357. Cohesiebeleid na 2027: Gezamenlijke visie van de Nederlandse centrale, regionale en lokale overheid Kamerstuk 2026Z18042 Kamerstuk 23 987, nr. 412 Kamerstuk 2026Z18042 Kamerstuk 23 987, nr. 412 Kamerstuk 22 112, nr. 4364 https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_1439 https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_1388

Versie 8b67821c496d15c371bca8c4541cae02ebb4fd42f5781199beeb41c8a3bc2593 · Officiële bron.

Gegevens

Soort document
Verslag van een schriftelijk overleg
Datum
9 september 2026
Vergaderjaar
2025-2026
Officiële bron
Tweede Kamer ↗

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.