Periodieke rapportage Wet SUWI 2020-2025
Brontekst
Versie 18e320bcc852f3d2 · officiële bronMet deze brief wordt u geïnformeerd over de periodieke rapportage van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Wet SUWI) over de periode 2020-2025. De Wet SUWI regelt sinds 2002 de structuur voor de uitvoering van taken rond arbeidsmarkttoeleiding en sociale verzekeringswetten met als doel bij te dragen aan bestaanszekerheid en meer arbeidsdeelname. De wet legt de taken vast van Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), Sociale Verzekeringsbank (SVB), Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN), de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Landelijke Cliëntenraad (LCR) binnen het stelsel voor Werk en Inkomen. Algemeen Het kabinet ziet deze periodieke rapportage als belangrijke kans om te leren en wil gebruik maken van de relevante inzichten die het eindrapport biedt om het functioneren van het SUWI-stelsel verder te verbeteren. Het kabinet herkent het beeld dat de onderzoekers in het rapport schetsen over de achterliggende periode 2020-2025. De uitvoerders in het SUWI-stelsel leveren over het algemeen goede prestaties. Tegelijkertijd ziet het kabinet belangrijke uitdagingen, dilemma’s en knelpunten die raken aan de uitvoeringspraktijk. Bijvoorbeeld lopende herstelacties bij UWV, zoals onder meer bij de WIA, vragen veel capaciteit en maken zichtbaar dat de kwaliteit van de dienstverlening op onderdelen verbetering behoeft. Van UWV mag worden verwacht dat de wettelijke taken rechtmatig, tijdig en zorgvuldig worden uitgevoerd en dat de dienstverlening aansluit bij de behoeften en het doenvermogen van mensen. Taaie problemen in de uitvoering en de wet zoals achterstanden, tijdigheid, werkdruk en toenemende complexiteit vragen om fundamentele aanpassingen. Moderniseringspogingen die worden genoemd in het rapport, zoals vereenvoudiging, samenwerking beleid en uitvoering op basis van gelijkwaardigheid en vertrouwen, menselijke maat en cliëntenparticipatie zijn veelbelovend, maar volgens de onderzoekers nog niet voldoende effectief. Samen met de publieke dienstverleners staat het kabinet voor een grote opgave, die erop is gericht de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en te borgen naar de toekomst. Het kabinet hecht eraan dat noodzakelijke verbeteringen die zijn ingezet de komende jaren worden gecontinueerd. Hiermee wordt de uitvoering stap voor stap robuuster, beter bestuurbaar en beter uitlegbaar en is van vitaal belang om bestaanszekerheid te blijven bieden aan de samenleving. Het onderzoek is uitgevoerd door de Beleidsonderzoekers en grotendeels gebaseerd op bestaande bronnen (synthesestudie) aangevuld met interviews met relevante betrokkenen binnen het SUWI-domein. Bij de uitvoering van de periodieke rapportage zijn twee onafhankelijk deskundigen betrokken.[voetnoot 1] Uw Kamer is vooraf schriftelijk geïnformeerd over de onderzoeksopzet van de periodieke rapportage.[voetnoot 2] In deze brief wordt eerst ingegaan op de kernbevindingen en daarna op de aanbevelingen inclusief kabinetsreactie. 2. Kernbevindingen 2.1 Het SUWI-stelsel in een overgangsfase Een belangrijke rode draad die de onderzoekers in deze beleidsdoorlichting waarnemen, is dat het SUWI-stelsel in een overgangsfase terecht lijkt te zijn gekomen: er zijn incidenten, samenhangend met complexiteit en tegelijkertijd worden er pogingen ondernomen om het stelsel toekomstbestendig te maken. 2.2 Belangrijke ontwikkelingen in de periode 2020-2025 Hieronder staan de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren die de onderzoekers signaleren. Daarbij merken zij op dat deze ontwikkelingen nog doorlopen na de onderzoeksperiode. Het stelsel bevindt zich in een overgangsfase, waarbij aan de waarden die de afgelopen decennia dominant zijn geweest in het stelsel (rechtmatigheid en efficiency) andere waarden worden toegevoegd (bijvoorbeeld vertrouwen en maatwerk). Meer aandacht (en geld) voor de publieke dienstverlening In onderzoeksperiode werd meer geïnvesteerd in de publieke dienstverlening. Het programma Werk aan Uitvoering (WaU) en de nasleep van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK-KOT) droegen hieraan bij. Dit betekende dat UWV en de SVB tussen 2020-2025 meer middelen kregen om de dienstverlening te verbeteren. Van sturing naar samenwerking Bij de invoering van het SUWI-stelsel in 2002 was het gedachtegoed van het new public managementmodel leidend: er moest een zakelijke relatie zijn tussen de minister en de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). De afgelopen jaren werd steeds duidelijker dat deze wijze van aansturing beperkingen kent, waarover hieronder bij de beschrijving van knelpunten meer. Gedurende de onderzoeksperiode zien de onderzoekers een omslag van sturen naar samenwerken op basis van vertrouwen en gelijkwaardigheid (stewardshipmodel). Publieke waarden als richtpunt Het begrip “Publieke waarden” krijgt in de onderzoeksperiode steeds meer aandacht in het overleg tussen het ministerie en de zbo’s. De onderzoekers zien dat het begrip bijvoorbeeld gebruikt wordt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening en in de laatste jaarplannen van UWV, SVB en BKWI. De menselijke maat: het burgerperspectief centraal De afgelopen jaren stond het bieden van de menselijke maat in de uitvoering van overheidsdiensten hoog op de politieke agenda. Partijen binnen het SUWI-stelsel vinden het belangrijk om dienstverlening te leveren die voldoet aan de menselijke maat. Dit begrip kan volgens het onderzoeksrapport betekenis krijgen door in beleid zorgvuldig rekening te houden met de uitvoerbaarheid en de betekenis van regels in de praktijk voor mensen. Daarnaast moet in de uitvoering zorgvuldig rekening worden gehouden met de effecten van wet- en regelgeving, waarbij ook wordt nagegaan of die in lijn met de bedoeling van de wet zijn. Complexiteit als belangrijk probleem De onderzoekers constateren dat de afgelopen jaren steeds duidelijker is geworden dat de complexiteit van wet- en regelgeving één van de belangrijkste problemen is in het stelsel en dat fundamentele vereenvoudiging nodig is. Verschillende rapporten die hierop wijzen hebben in de afgelopen periode nog niet tot fundamentele wijzigingen geleid. Dit vergt een politieke afweging tussen nauwkeurigheid of eenvoud in wet- en regelgeving. In paragraaf 3 van deze brief wordt hier door het kabinet dieper op ingegaan. 2.3 Knelpunten Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste knelpunten die in het eindrapport staan. De onderzoekers constateren dat de afgelopen jaren veel is ondernomen om die te verhelpen, maar nog niet voldoende om het SUWI-stelsel bij de tijd te brengen en toekomstbestendig te maken. Uitvoeringsorganisaties onder druk De onderzoekers constateren dat het de zbo’s de afgelopen jaren niet is gelukt om enkele taaie problemen op te lossen, ondanks de ruime aandacht ervoor. Denk hierbij aan achterstanden bij sociaal-medische beoordelingen door UWV en achterblijvende tijdigheid van beschikkingen bij de SVB, met name bij dossiers met een internationale component. Daarnaast kost het UWV veel moeite om het personeelsbestand op peil te houden en is er sprake van een hoog en stijgend ziekteverzuim bij de SVB. Tot slot wijzen de onderzoekers op de verouderde, maar cruciale ICT-systemen, waar al jaren aan wordt gewerkt om deze te moderniseren. De organisaties presteren vooralsnog redelijk op niveau, maar bovengenoemde zaken kunnen dit in de toekomst gaan belemmeren. Moeilijk hanteerbare complexiteit en toenemende internationalisering De onderzoekers benoemen dat de zbo’s al jaren consequent de aandacht vragen voor de moeilijk hanteerbare complexiteit en toenemende internationalisering. Dit maakt dat de regels lastig uitvoerbaar zijn en moeilijk te begrijpen voor burgers. Bovendien vermindert complexiteit de effectiviteit van de regels en wordt de uitvoering minder wendbaar. Sturingsmodel van new public management volstaat niet meer De onderzoekers merken op dat het sturingsmodel van new public management niet meer lijkt te volstaan. Daarmee wordt gedoeld op een zakelijke aansturing van zbo’s en een verantwoording op basis van kritische prestatie-indicatoren (KPI’s). Het model is gericht op zakelijke sturing, op afstand en op resultaat. De onderzoekers signaleren dat in de praktijk onbedoeld juist sturing op detailniveau ontstaat. Incidenten met grote impact bij UWV De onderzoekers staan in het rapport stil bij de incidenten met grote impact die zich bij UWV hebben voorgedaan, zoals de fouten bij de uitvoering van de WIA. Incidenten domineren veelal het overleg tussen SZW en zbo’s, waardoor andere fundamentele vragen zoals de uitvoering van de wettelijke taken, de gezamenlijke ambities en wat daarvoor nodig is, minder aandacht krijgen. Onvoldoende tegenmacht vanuit het publiek De onderzoekers constateren dat de huidige vorm van cliëntenparticipatie niet volledig tot zijn recht komt binnen het stelsel. Dit omdat het doel, organisatie en het mandaat van de landelijke cliëntenraad onvoldoende duidelijk en toereikend is om te spreken van een serieuze tegenmacht. 2.4 De doeltreffendheid De doeltreffendheid van het SUWI-stelsel wordt afgemeten aan de bijdrage aan twee hoofddoelen: bestaanszekerheid en arbeidsparticipatie. Bijdrage aan bestaanszekerheid UWV en SVB dragen bij aan bestaanszekerheid door uitkeringen over het algemeen tijdig en correct te verstrekken. Zij hebben de afgelopen jaren hard gewerkt om inkomensondersteuning op niveau te houden, en zijn daar volgens de onderzoekers grotendeels in geslaagd. Waarderingen door mensen die geholpen worden door de SVB en UWV zijn over het algemeen stabiel en redelijk hoog. Tegelijkertijd blijven er hardnekkige knelpunten bestaan door complexe regelgeving, toenemende internationalisering, hoge werkdruk, achterstanden, ziekteverzuim en verouderde ICT-systemen. Bijdrage aan arbeidsparticipatie Het bevorderen van arbeidsparticipatie is een taak van UWV. Enerzijds door inspanningen gericht op preventie van uitkeringsinstroom, anderzijds door het ondersteunen van uitkeringsgerechtigden met het vinden en behouden van werk. Onderzoekers concluderen ten eerste dat de afgelopen periode meer aandacht is gekomen voor preventie van werkloosheid. Verreweg de belangrijkste bijdrage hieraan werd geleverd ten tijde van de coronacrisis, waarmee ervoor werd gezorgd dat de verwachte sterke groei van WW-instroom in de jaren 2021-2022 uitbleef. Ten tweede geven zij aan dat de dienstverlening die UWV inzet voor re-integratie en het vinden en behouden van werk over het algemeen passend is. 2.5 Doelmatigheid De uitvoeringskosten van UWV, SVB, BKWI en BIDN zijn de afgelopen jaren gestegen. Uit eerder onderzoek van KPMG,[voetnoot 3] dat de onderzoekers hebben benut voor deze beleidsdoorlichting, blijkt dat de doelmatigheid bij UWV en SVB over het algemeen afneemt in de jaren 2020-2024 (uitzonderingen zijn de jaren 2020, 2023 en 2024 voor UWV). Bepalend voor de doelmatigheid zijn de ontwikkelingen die van invloed zijn op de productie en kosten van UWV en de SVB. Hierbij gaat het onder meer over fluctuaties in de uitkeringsaanvragen, de samenstelling van het cliëntenbestand en de extra middelen uit de programma’s WaU en POK. De berekening kent beperkingen omdat investeringen in maatwerk, bereikbaarheid en ICT niet direct bijdragen aan doelmatigheid, maar wel essentieel zijn voor toekomstige doeltreffendheid en vertrouwen in de overheid. 2.6 Beleidsvarianten Een vast onderdeel van de periodieke rapportage is het presenteren van beleidsvarianten. Dit zijn maatregelen waarmee de doelmatigheid en doeltreffendheid van de ingezette instrumenten op het beleidsterrein kunnen worden vergroot. De Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) 2022 schrijft voor dat hier ook een besparingsvariant bij zit, waarmee 20% van de kosten kan worden bespaard.[voetnoot 4] De onderzoekers noemen besparingsopties langs drie lijnen: Versobering van de dienstverlening, bijvoorbeeld het afschaffen van dienstverlening aan werkzoekenden. Efficiencymaatregelen, bijvoorbeeld het verder automatiseren van de dienstverlening. Vereenvoudiging van wet- en regelgeving, bijvoorbeeld het afschaffen van leefvormen in de AOW en het afschaffen van overgangsregelingen. 3. Aanbevelingen inclusief kabinetsreactie In het rapport worden door de onderzoekers een zevental aanbevelingen gedaan die het kabinet waardeert. Hierna wordt in reactie op de aanbevelingen aangegeven welke maatregelen het kabinet treft om het functioneren van het SUWI-stelsel verder te verbeteren. Aanbeveling 1: Vereenvoudig fundamenteel, en wees bereid daarbij verlies van nauwkeurigheid te accepteren Het kabinet herkent dat de materiewetgeving in de sociale zekerheid te complex is geworden. Het huidige stelsel is op veel punten te gedetailleerd en daardoor moeilijk uitvoerbaar, lastig uit te leggen en daardoor voor mensen niet altijd goed te begrijpen. Dit leidt tot fouten in de uitvoering, onzekerheid bij burgers en werkgevers en druk op de publieke dienstverlening. Vereenvoudiging is daarom noodzakelijk om het stelsel houdbaar, begrijpelijk en toekomstbestendig te maken. Het kabinet wil regels beter laten aansluiten op de praktijk en het doenvermogen van burgers en werkgevers. Waar mogelijk kiest het kabinet voor eenvoudiger beleid, zonder steeds voor elke uitzondering aparte regels te maken. Dat vraagt om politieke keuzes, omdat vereenvoudiging kan leiden tot minder gerichte regelingen, inkomens- en budgettaire effecten en gevolgen voor burgers, bedrijven en de uitvoering. Deze afwegingen wil het kabinet per traject expliciet maken, steeds vanuit het perspectief van burgers, werkgevers, sociale partners, UWV, SVB, gemeenten en andere ketenpartners. Om richting te geven aan deze opgave is in 2025 de Hervormingsagenda inkomensondersteuning[voetnoot 5] gestart, met een routekaart inclusief tijdpad en meerdere sporen voor de sociale zekerheid. In juni 2026 heeft het kabinet uw Kamer hierover een voortgangsbrief aangeboden. Voorstellen worden jaarlijks stapsgewijs uitgewerkt en betrokken bij de budgettaire besluitvorming, zodat kabinet en Kamer de inhoudelijke dilemma’s, inkomens- en budgettaire effecten en de praktische gevolgen kunnen wegen Ook in het coalitieakkoord zijn forse vereenvoudigingsambities opgenomen, waaronder voor de WIA, de kindregelingen, de Participatiewet, leefvormen in de AOW en harmonisatie van begrippen en betaalmomenten. Daarnaast is in juli 2026 het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid in uw Kamer aangenomen en zal het wetsvoorstel proactieve dienstverlening naar verwachting in het najaar van 2026 in uw Kamer worden behandeld. Beide wetsvoorstellen dragen bij aan een meer op burgers afgestemde uitvoering, met meer ruimte om mensen proactief te informeren en passend te reageren bij fouten en overtredingen. Tot slot draagt het kabinet bij aan de jaarlijkse Vereenvoudigingswet om ingewikkelde wet- en regelgeving voor burgers, bedrijven en de uitvoering te bundelen, simpeler te maken en continu te verbeteren. Het kabinet heeft uw Kamer rond de zomer van 2026 geïnformeerd over de voorstellen die meelopen in de eerste en tweede tranche van deze wet. Vereenvoudiging vraagt een lange adem. Soms kan een beperkt negatief inkomenseffect voor een beperkte groep nodig zijn om regelingen voor grotere groepen begrijpelijker en doenbaarder te maken en om te voorkomen dat de uitvoering vastloopt. Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat vereenvoudiging vooral vanuit overheidsperspectief wordt vormgegeven. Bij ieder voorstel wordt daarom bezien voor wie het eenvoudiger wordt en waar het mogelijk juist ingewikkelder wordt. Het kabinet hecht eraan samen met uw Kamer de aangekondigde voorstellen tot vereenvoudiging te realiseren. Aanbeveling 2: Blijf koersvast in het proces van emancipatie van de uitvoering, ook bij incidenten In 2022 hebben SVB, UWV en SZW gezamenlijk een samenwerkingsvisie ontwikkeld met als uitgangspunt dat SZW en de zbo’s als gelijkwaardige partners samenwerken bij het realiseren van de gezamenlijke maatschappelijke doelen. Het kabinet wil de ingezette koers voortzetten met een aantal aanscherpingen. De afgelopen jaren is zichtbaar geworden dat de zbo’s zich steeds zelfstandiger opstellen ten opzichte van SZW en ook richting de Tweede Kamer een eigen stem hebben. Deze ontwikkeling past bij het toewerken naar een gelijkwaardige samenwerking op basis van vertrouwen. Het kabinet ziet de ontwikkeling naar een gelijkwaardige samenwerking als positief en wil deze versterken, ook als incidenten het vertrouwen onder druk zetten. Hiervoor zijn diepgaande en scherpe gesprekken essentieel: niet alleen om incidenten aan te pakken, maar ook om structureel te leren en waar nodig snel bij te sturen. Een goede dialoog vereist indicatoren die niet alleen cijfers meten, maar ook de inhoud en betekenis achter die cijfers blootleggen. Dit sluit aan bij de sturing op en verantwoording over publieke waarden zoals betrouwbaarheid, toegankelijkheid en responsiviteit, zoals verankerd in de Wet proactieve dienstverlening. In lijn met de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer[voetnoot 6] is het van belang dat informatie over de kwaliteit van de dienstverlening, de staat van de organisatie en mogelijke uitvoeringsrisico’s tijdig bekend wordt en SZW bereikt. Zo kunnen UWV en SZW hierover het gesprek voeren, tijdig bijsturen en afspraken opvolgen. Dit voorjaar is een traject gestart waarin SVB, UWV en SZW eerst bezien of de huidige samenwerkingsvisie, rolverdeling en bestaande kaders nog aansluiten bij de dagelijkse praktijk en de actuele maatschappelijke en politieke context. Waar nodig worden deze aangepast. Daarnaast wordt de huidige set van publieke waarden, doelen en prestatie-indicatoren waarop wordt gestuurd geactualiseerd, inclusief de daarbij passende informatievoorziening. Deze herijking en concretisering zijn op dit moment in uitvoering. Vanaf 2027 richten SVB, UWV en SZW zich op de borging: het werkend maken van de gemaakte afspraken en ervoor zorgen dat deze blijvend doorwerken in houding en gedrag. Aanbeveling 3: Versterk de stem van burgers in het stelsel Cliëntenparticipatie is waardevol op zichzelf en heeft ook een onmiskenbare meerwaarde in beleidsvorming en dienstverlening in de huidige praktijk: het zorgt voor verbinding met de leefwereld van mensen en geeft inzicht in knelpunten. Het kabinet deelt tegelijkertijd de conclusie van onderzoekers dat cliëntenparticipatie nog niet volledig tot zijn recht komt en beter kan. Sinds de vorige SUWI-evaluatie is daarom ook nader onderzoek uitgevoerd naar de stand van cliëntparticipatie binnen het werk en inkomen domein als ook het functioneren van de LCR en hoe SZW zorgt voor de randvoorwaarden en mogelijke verbeteringen hierin. Uit deze onderzoeken bleek dat meer richting nodig is hoe verschillende cliëntenraden en maatschappelijke organisaties, lokaal en nationaal, beter samen kunnen werken en wat de rol daarin is voor de LCR. Maar ook dat er een duidelijke rol bij de overheid ligt om ervoor te zorgen dat cliëntparticipatie impact heeft. Dit heeft het belang onderstreept om gezamenlijk met diverse betrokkenen - lokaal, regionaal en nationaal - te werken aan een duidelijke toekomstbestendige visie. Met deze visie wordt ook invulling gegeven aan de motie Patijn die oproept tot versterking van de positie en betrokkenheid van de LCR.[voetnoot 7] Op de belangrijkste hoofdlijnen, hieronder toegelicht, bestaat brede consensus. Samengevat bestaat de belangrijkste voorgenomen aanscherping in relatie tot cliëntparticipatie eruit dat de rol en taken van de LCR scherper in de wet worden vastgelegd en dat in de regelgeving ook duidelijke verplichtingen worden beschreven voor SZW, waaronder in het bijzonder de verplichting om inhoudelijk te reageren op adviezen vanuit de LCR en deze aan de Kamer aan te bieden en de zorg voor goede informatievoorziening over voorgenomen (aanpassingen) van beleid en regelgeving. Cliëntenparticipatie gaat om de vertolking van het cliëntperspectief Door vertegenwoordigers van cliënten te betrekken bij het beleidsproces, als onderdeel van een breder gesprek, kunnen wensen en zorgen van cliënten een plek krijgen. Die betrokkenheid gaat van verkenning tot uitvoering en evaluatie binnen de driehoek van beleid, uitvoering en politiek waarbij de mate van participatie kan variëren van consulteren en raadplegen (advisering) tot meedenken en meebeslissen (co-creatie). Het doel van cliëntparticipatie kan, afhankelijk van de specifieke vorm variëren van weten en leren van wat er bij elkaar speelt tot aan het verbeteren van de kwaliteit van beleid en uitvoering (uitvoerbaarheid en begrijpelijkheid). Naast de verschillende cliëntenorganisaties overlegt SZW geregeld met de sociale partners, die namens burgers en bedrijven advies uitbrengen over beleidsvoornemens. Met de sociale partners is afgesproken dat zij actief worden betrokken bij de opvolging van de aanbevelingen in deze kabinetsreactie. Ook worden sociale partners betrokken bij de aangekondigde visie voor cliëntparticipatie. Verbinden met de praktijk Praktijkgericht werken wordt nu bij specifieke beleidstrajecten op veel verschillende manieren ingevuld: van de inzet van burgerpanels, en mensen met ervaringskennis tot klantreizen, proeftuinen en digitale consultaties. Deze inzet heeft de afgelopen tijd ook een vlucht genomen als gevolg van de ambities binnen de Rijksoverheid om burgers, bedrijven en uitvoering meer centraal te stellen. Ook is het voor een brede blik belangrijk om praktijkervaringen van burgers op te halen die sociale partners signaleren en kennis te nemen van relevant sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Het doel hiervan is niet alleen inbreng op te halen voor beleidsontwikkeling, maar ook om in de uitvoeringsfase van beleid te toetsen of het werkt zoals beoogd en waar nodig bij te stellen op basis van praktijkervaringen. Deze ontwikkeling is nog niet klaar en het is van belang dat hier onverminderd op wordt ingezet. Voor een effectieve inzet van cliëntenparticipatie is het van belang om vormen van informele en formele cliëntenparticipatie te benutten en goed te verbinden (en hierin speelt de LCR een sleutelrol) De inzet van informele vormen van cliëntparticipatie heeft ook inherente beperkingen: het is vaak ad hoc, kent een noodzakelijk beperkte blik op bredere knelpunten binnen het grotere stelsel en er is niks bepaald over wat er met inbreng gebeurt. Mede daardoor ontbreekt de basis voor een duidelijke agenderende stem die tegenkracht kan bieden. En hier zit dan ook het specifieke belang van formeel ingerichte cliëntparticipatie. Deze biedt (in potentie) de noodzakelijke verankering, gestructureerdheid en continuïteit die het een platform maakt om de stem van burgers gehoord te laten worden en een plek te geven binnen het stelsel. Beide vormen staan niet los van elkaar en kunnen elkaar versterken en daarin ligt een rol voor de LCR. De LCR zorgt voor de stem van uitkeringsgerechtigden Onafhankelijk van, maar met toegang tot, politiek en overheid, wordt de rol en taakbeschrijving van de LCR scherper in de wet geformuleerd. De LCR krijgt de wettelijke taak om de stem te laten horen van mensen die een uitkering hebben, geen werk (meer) hebben en hierbij afhankelijk zijn van de overheid. De LCR doet dit door de ervaringen van de doelgroep(en) met de uitvoering van wet- en regelgeving op het gebied van werk en inkomen, onder meer via haar netwerk te inventariseren en mogelijkheden ter verbetering aan te dragen. De LCR heeft hiernaast de wettelijke taak om cliëntparticipatie binnen het stelsel mede vorm te geven. Dit betekent dat burgers en organisaties uit het netwerk van de LCR worden betrokken bij beleidsaangelegenheden op het gebied van werk en inkomen. Insteek clientparticipatie is tweezijdig, praktijkgericht en met impact Het kabinet streeft zo veel mogelijk naar een tweezijdig proces. Dat betekent bijvoorbeeld in de praktijk dat vanuit de overheid niet eenzijdig de agenda wordt bepaald van overleggen en dat we ruimhartig informatie delen. Daarnaast is het bij cliëntenparticipatie belangrijk dat altijd wordt teruggekoppeld wat gedaan met signalen en adviezen. Dat versterkt het lerend vermogen en het vertrouwen in de overheid. Impact van cliëntenparticipatie vraagt ook om sterkere betrokkenheid vanuit SZW Naast meer inzet op verbinding en een scherper afgebakende rol voor de LCR, zit de versterking van cliëntparticipatie ook in de betrokkenheid vanuit SZW. Daarbij gaat het vooral eerst om dat er vanuit SZW een inhoudelijke reactie wordt gegeven op adviezen en/of signalen vanuit de LCR, die ook gedeeld wordt met de Tweede Kamer. Hiernaast worden belangrijke randvoorwaarden voor het goed functioneren van de LCR, zoals het informatierecht uitgewerkt. Tot slot zal vastgelegd worden dat de LCR, zoals nu ook al sinds enkele jaren gebruikelijk, jaarlijks een knelpuntenbrief opstelt die de minister met een reactie aan de Kamer verstuurd. Hierbij wordt nadrukkelijk gevraagd dat deze knelpunten zich richten op zowel beleid als de uitvoering binnen het domein werk en inkomen. Zo wordt ook de positie van de LCR ten opzichte van de uitvoering versterkt in lijn met de motie van Patijn. De bevoegdheid om gevraagd en ongevraagd advies te geven blijft daarnaast uiteraard overeind. De SVB en UWV hebben nu al nadrukkelijk in hun regelingen opgenomen wanneer hun cliëntenraden betrokken worden en/of om advies worden gevraagd en dat de Raad van Bestuur inhoudelijk reageert op adviezen vanuit de cliëntenraad. Deze visie moet in de praktijk resulteren in een sterkere stem voor uitkeringsgerechtigden. Daarom is het van belang dat alle betrokken organisaties hier dagelijks aan blijven werken en regelmatig samen reflecteren. Over de voortgang zal uw Kamer regelmatig op de hoogte worden gehouden in de Stand van de uitvoering. Aanbeveling 4: Maak een scherpe keuze ten aanzien van organisatiegericht toezicht Het kabinet onderschrijft de aanbeveling om een scherpe keuze te maken ten aanzien van het organisatiegerichte toezicht. Mede naar aanleiding van eerdere aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, de Audit Dienst Rijk en uit de evaluatie Sturing, samenwerking en toezicht (Berenschot[voetnoot 8]) is ervoor gekozen al het toezicht van de minister op grond van de Wet SUWI en de Kaderwet zbo’s integraal te beleggen bij de eigenaar en de ondersteuning van deze rol te versterken. Bij SZW zijn de SG en de pSG als eigenaar verantwoordelijk voor toezicht op de continuïteit van de uitvoering. De versterking van deze rol is beschreven in de kabinetsreactie op het onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar aanleiding van fouten bij de WIA[voetnoot 9]. Binnen SZW wordt onder meer de expertise op het gebied van ICT, financieel, organisatie, dienstverlening gebundeld, zodat het toezicht minder versnipperd is. Als gevolg van deze ontwikkeling is er geen afzonderlijk organisatietoezicht meer, maar is het geïntegreerd binnen de eenheid eigenaarsadvisering van het departement. In het debat van 1 juli jl. over de Uitvoeringsproblematiek UWV met de vaste commissie voor SZW is uw Kamer kort na de zomer een brief toegezegd met de opties voor aanvullend toezicht op UWV, inclusief een tijdlijn, en wat hierbij de beste optie is. In de brief wordt uw Kamer tevens geïnformeerd over hoe invulling wordt gegeven aan de gewijzigde motie Patijn en Ceder[voetnoot 10] met betrekking tot een regeringscommissaris UWV. Aanbeveling 5: Wissel meer uit over de operationele staat van de uitvoering Het is van belang dat de ministeriële verantwoordelijkheid beter kan worden ingevuld voor wat betreft het functioneren van de uitvoeringsorganisaties en de gezamenlijke prioritering van operationele aspecten zoals personeelsbestand, ICT en financiën. Het doel hierbij is de verbetering van de uitvoering en dienstverlening en daarmee het herwinnen van vertrouwen van de burger in de overheid. SZW hecht aan een duidelijk beeld van de uitvoering op basis waarvan de ambtelijke en politieke leiding en uw Kamer kan worden geïnformeerd. Bij de opvolging van deze aanbeveling wordt aangesloten bij de relevante voorstellen in de Kamerbrieven van 19 december 2025 en 18 juni 2026 inzake follow-up onderzoek Algemene Rekenkamer naar fouten bij WIA-uitkeringen. Voor een ander deel betreft het ook aanvullende voorstellen gericht op verbetering van het gezamenlijke inzicht in de operationele staat. Zowel UWV als SVB bevinden zich midden in een proces met SZW ter versterking hiervan. In het kader van de opvolging van deze aanbeveling wordt er bij de uitwerking een onderscheid gemaakt tussen de volgende onderdelen: Versterking inhoudelijk inzicht, expertise en verdieping in de bedrijfsvoering van de SUWI-organisaties In dit kader wordt er bezien of er voldoende kennis en diepgang in het toezicht is binnen SZW. Op dit moment is de inzet om de aanwezige expertise binnen verschillende onderdelen van SZW meer bijeen te brengen en zo beter in samenhang te benutten. Inzicht in financiële risico’s op onjuiste uitkering In het kader van de WIA hebben UWV en SZW gezamenlijk gekeken naar een meer betekenisvolle verantwoording over financiële rechtmatigheid. UWV en SZW gaan hiermee aan de slag langs twee lijnen: (1) verrijken verantwoordingsinformatie rechtmatigheid en (2) verkennen aanpassing rechtmatigheidsdefinitie. In bovengenoemde brief van 18 juni jl. aan uw Kamer is hier nader op ingegaan. Verbetering van de informatievoorziening en de kwaliteit van verantwoording Er wordt samen met de SUWI-organisaties gewerkt aan hernieuwde afspraken over kwaliteitsdefinities, -normen en periodieke verantwoordingsinformatie over kwaliteit, waaronder de juistheid van uitkeringen en de controleerbaarheid. Bij de verantwoordingsinformatie en specifiek de prestatie-indicatoren zal ook de aansluiting worden gemaakt met de publieke waarden. Ook is een goede aansluiting tussen de interne rapportagecycli/verantwoording van de SUWI-organisaties en de informatiebehoefte van SZW van belang. Het doel is dat de informatie en verantwoording een goed beeld geeft over aspecten zoals de kwaliteit van de dienstverlening, rechtmatigheid, rand voorwaardelijke ICT, Privacy en gegevensverwerking. Om het gesprek over de verwachtingen inzake kwaliteit en het niveau van de dienstverlening aan de voorkant zo goed mogelijk te borgen, wordt voorgesteld om bij de opgavebrief aan de zbo’s ook een bijlage met prestatie-indicatoren en normen op te nemen. Specifiek voor de SVB kan er worden gekeken naar een meer betekenisvolle verantwoording over de impact van oplopende werkvoorraden op de kwantitatieve indicator inzake tijdigheid van beschikkingen. Aandacht voor kwaliteit Onderdeel hiervan is de verkenning inzake verbetering meerwaarde rechtmatigheidsdefinitie. Tevens wordt ingezet op een intensievere samenwerking vanuit SZW met de Auditdiensten van de SUWI-organisaties. Het betreft hier het betere benutten van de verschillende onderzoeken van de interne auditdiensten, het aandragen/ bespreken van onderzoeksonderwerpen en periodiek overleg tussen SZW met de directeuren van de Auditdiensten en de voorzitters van de Audit advies Commissies van de SUWI-organisaties. Inzet op Risicomanagement en het voeren van een gezamenlijke Risicodialoog SZW wil vanuit haar rol gezamenlijk het gesprek voeren over de dilemma’s en risico’s bij de uitvoering van de dienstverlening en de (beheers)maatregelen om deze risico’s te verminderen. Aanbeveling 6: Publiceer aanvullende informatie over veilige gegevensuitwisseling en overweeg ontwikkeling naar één gegevensknooppunt Veilige gegevensuitwisseling Het kabinet onderschrijft het belang van het structureel borgen van privacy en informatiebeveiliging bij BKWI en BIDN. Beide organisaties rapporteren in hun jaarverslagen en tussentijdse verslagen over KPI’s op het gebied van privacy en informatiebeveiliging, zoals ook de onderzoekers aanbevelen. Zo rapporteren zij onder meer over het aantal informatiebeveiligings- en privacy-incidenten en de gemelde datalekken. Daarnaast toetsen BIDN en BKWI jaarlijks via een IT-auditor of zij voldoen aan de BIO-2 normen. Dit zijn door de overheid vastgestelde normen voor informatiebeveiliging binnen alle overheidslagen (Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen). Op het gebied van privacy beoordeelt bij BIDN en BKWI een externe accountant jaarlijks of de interne procedures en privacy maatregelen in de praktijk naar behoren functioneren. Over de uitkomsten van deze accountantsverklaringen vindt jaarlijks een gesprek plaats met beide organisaties en de CISO van SZW, waarin wordt besproken hoe de informatiebeveiliging en privacy verder kunnen worden versterkt. Ontwikkeling naar één gegevensknooppunt SZW wil meer grip krijgen op het geheel van gegevensverwerking binnen het SUWI-stelsel. Op korte termijn gebeurt dit door de samenwerking en rolverdeling binnen het bestaande stelsel te versterken, in lijn met het AEF-rapport Grip op gegevensuitwisseling uit 2023. Daarom is in 2024 het besturingsmodel herijkt, zodat beter kan worden gestuurd op het geheel van gegevensuitwisseling en op het juiste niveau binnen het stelsel. Een belangrijk onderdeel hiervan is de samenwerking tussen BKWI en BIDN. De diensten van beide organisaties voorzien in complementaire rollen en diensten. Door de samenwerking verder te versterken kunnen zij nog efficiënter werken en meer waarde leveren voor gemeenten, uitvoeringsorganisaties en burgers. SZW onderzoekt samen met BKWI en BIDN hoe de rol en dienstverlening kan worden verduidelijkt en hoe de onderlinge samenwerking kan worden versterkt, zodat op korte termijn concrete verbeteringen mogelijk worden. Voor de middellange termijn werkt SZW aan een gedragen toekomstvisie voor het stelsel van gegevensuitwisseling. Het huidige stelsel is gedetailleerd beschreven, maar daardoor niet altijd wendbaar genoeg om nieuwe beleidsopgaven goed en duurzaam te ondersteunen. De centrale vraag is daarom hoe de dienstverlening aan burgers kan worden verbeterd en welke gegevensuitwisseling daarvoor nodig is. SZW bevindt zich nu in de eerste fase van dit proces. De ontwikkeling richting één gegevensknooppunt is geen doel op zichzelf en begint niet met een organisatorische keuze. Eerst moet duidelijk zijn welke dienstverlening burgers en professionals nodig hebben, welke gegevens daarvoor nodig zijn en welke begrippen en gegevensdefinities moeten worden geharmoniseerd. Hiervoor worden beelden opgehaald bij stakeholders, met als doel om samen tot een gedeeld toekomstbeeld te komen. Dat toekomstbeeld moet richting geven aan de ontwikkeling van het stelsel in de komende jaren. Daarbij wordt ook gekeken naar de rol van iedere ketenpartner, waaronder BKWI en BIDN. Het streven is om de visie begin 2027 gevormd te hebben. Aanbeveling 7: Houdt de doelen van het evaluatiekader opnieuw tegen het licht Tot slot staat in het rapport een aanbeveling voor toekomstige evaluaties van het SUWI-stelsel. Er wordt onder meer geadviseerd om materiewetten en de uitvoering in onderlinge samenhang te evalueren, een aparte evaluatie van UWV en naar de SVB uit te voeren en de doelen van het stelsel en het evaluatiekader opnieuw tegen het licht te houden. De volgende evaluatie van het SUWI-stelsel vindt naar verwachting medio 2030 plaats. In aanloop hiernaartoe zal het kabinet nagaan op welke wijze invulling gegeven kan worden aan de aanbevelingen. Via de strategische evaluatie-agenda (SEA), die onderdeel uitmaakt van de SZW-begroting, wordt u op de hoogte gehouden van de plannen die daarvoor gemaakt worden. Het kabinet ziet in het SUWI-onderzoeksrapport een aanleiding om in samenspraak met alle betrokken partijen in het stelsel te werken aan verbeteringen die in het belang zijn van burgers en de druk op de uitvoerders doen verminderen. Het kabinet rekent hierbij op de steun vanuit uw Kamer. De Minister van Sociale Zaken De Minister van Werk en Werkgelegenheid, en Participatie, J.A. Vijlbrief A.A. Aartsen Dit zijn prof. dr. Gijs Vonk, Rijksuniversiteit Groningen en dr. Rosanne Oomkens, Hogeschool Utrecht. Kamerstukken II, 2023/24, 26 448, nr. 765. Het KPMG-onderzoek inzake doelmatigheid is als bijlage bij deze brief gevoegd. Artikel 4 lid 5, Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022. Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849 Kamerstukken II, 2025/26, 26448, nr. 895 Kamerstukken II, 2025/26, 26448, nr. 884 De evaluatie inzake ‘Samenwerking, sturing en toezicht’ Kamerstukken II, 2025/26, 26448, nr. 862 & nr. 895 Kamerstukken II, 2025/26, 26448, nr. 876 Datum 12 oktober 2026 Onze referentie 2026-0000392001 Datum 12 oktober 2026 Onze referentie 2026-0000392001 Pagina 1 van 1 Pagina 1 van 1 Postbus 90801 2509 LV Den Haag T 070 333 44 44 Onze referentie 2026-0000392001 Bijlagen 3 Postbus 90801 2509 LV Den Haag T 070 333 44 44 Onze referentie 2026-0000392001 Bijlagen 3 > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 2500 EA De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 2500 EA Datum 12 oktober 2026 Betreft Periodieke rapportage Wet SUWI 2020-2025 Datum 12 oktober 2026 Betreft Periodieke rapportage Wet SUWI 2020-2025 Pagina 1 van 1 Pagina 1 van 1
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.