KamerkringInloggen
← Verkenner

Kamerstuk · 1 okt 2026 · Tweede Kamer

Verslag

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal  2      Vergaderjaar 2026-2027       37 025   Wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de internationaal overeengekomen veiligehavenregels in het Side-by-Side-pakket en een aantal overige technische wijzigingen (Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024) Nr. 5 VERSLAG  Vastgesteld 1 oktober 2026     De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.    Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.      De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,  Jansen    Adjunct-griffier van de commissie,  Lips        I. Algemeen  1. Inleiding De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet minimumbelasting 2024. Deze leden onderschrijven het belang van internationale samenwerking om winstverschuiving, grondslaguitholling en schadelijke belastingconcurrentie tegen te gaan. Deze leden steunen daarom het uitgangspunt dat internationaal overeengekomen regels tijdig en zoveel mogelijk uniform in de Nederlandse wetgeving worden opgenomen. De leden van de D66-fractie vragen de regering om nader toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat de nieuwe veiligehavenregels niet leiden tot een verzwakking van het uitgangspunt dat grote multinationale en binnenlandse groepen effectief ten minste 15 procent belasting over hun winsten betalen. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024. Deze leden hechten aan een stabiel internationaal belastingstelsel en zien de waarde van vereenvoudiging van de uiterst complexe Pijler 2-regels. Deze leden hebben eerder hun zorgen geuit over het gelijke speelveld voor Europese en in het bijzonder Nederlandse bedrijven, onder meer met de motie-Van Eijk c.s. (Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 79). Met het voorliggende wetsvoorstel worden, met terugwerkende kracht, de inkomen-inclusiebijheffing en de onderbelastewinstbijheffing ‘uitgeschakeld’ voor laagbelaste winsten van groepen met een uiteindelijkemoederentiteit in de Verenigde Staten, terwijl groepen met een Nederlandse of andere Europese moedermaatschappij die bijheffing onverkort blijven betalen. Omdat de wezenlijke keuzes in het Inclusive Framework (IF) zijn gemaakt en de Kamer nu vooral wordt gevraagd die te bekrachtigen, vinden deze leden een zorgvuldige parlementaire behandeling extra belangrijk. Deze leden hebben vragen over het gelijke speelveld, de juridische houdbaarheid van de gekozen EU-rechtelijke route, de terugwerkende kracht, de democratische controle op toekomstige kwalificaties en de vraag of de beloofde vereenvoudiging in de praktijk wordt waargemaakt. De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van de op verzoek van de vaste commissie voor Financiën opgestelde wetenschappelijke factsheets van dr. M.J. van Hulten en dr. S. Kohlhase . Van Hulten concludeert dat het waarom, hoe en wat van het Side-by-Side-pakket (SbS-pakket) op punten wringt met fundamentele rechtswaarden, dat het proces vanuit het perspectief van een verantwoordelijke overheid zorgwekkend is en dat implementatie op dit moment moeilijk aan te bevelen lijkt. Kohlhase concludeert dat het potentieel meest nadelige gevolg het waarschijnlijke concurrentievoordeel is voor groepen met een Amerikaanse moedermaatschappij ten opzichte van groepen met een Europese moedermaatschappij. Deze leden vragen de regering op beide factsheets afzonderlijk te reageren en per conclusie aan te geven of de regering die deelt en zo nee, waarom niet. De leden van de VVD-fractie vragen de regering voorts wat de juridische, budgettaire en (handels)politieke gevolgen zouden zijn als Nederland dit wetsvoorstel niet, of niet volledig, tot wet zou verheffen. Is het, gelet op artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 (hierna: de richtlijn), mogelijk om onderdelen van het pakket, bijvoorbeeld de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel en de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel, wel en andere onderdelen niet of later te implementeren? Van Hulten wijst op mogelijke alternatieven, die beter scoren dan (delen van) het pakket, zoals een veilige haven die per groep een minimumheffing vereist. Welke alternatieven heeft Nederland in de onderhandelingen ingebracht of overwogen en waarom zijn die niet haalbaar gebleken? De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn niet blij met het afzwakken van de wereldwijde minimumbelasting en hebben daarover een aantal vragen. De leden van de PRO-fractie waren en zijn blij met de introductie van een wereldwijde minimumbelasting. Tegelijkertijd zijn deze leden van mening dat de minimumbelasting best strenger had gemogen, bijvoorbeeld met een hoger tarief, een lagere omzetdrempel of minder uitzonderingen. Verdere afzwakking is wat hen betreft in het algemeen dan ook niet gewenst. Deze leden vragen hoe de regering hiernaar kijkt. Kan de regering aangeven hoe de regering – los van de wensen van andere landen – kijkt naar de vormgeving en parameters van de minimumbelasting en wat volgens de regering beter zou kunnen? Hoe zou de ideale minimumbelasting er uitzien? De leden van de PRO-fractie vragen in het kader hiervan ook naar de opvatting van de regering over het voorliggende wetsvoorstel. Ziet de regering de noodzaak hiervan ook los van de geopolitieke context of is het wetsvoorstel wat de regering betreft vooral wenselijk om te voorkomen dat de minimumbelasting überhaupt niet meer effectief is door wegvallende steun van andere landen? Voorts zijn de leden van de PRO-fractie benieuwd of de regering zich in internationaal verband wil blijven inzetten voor aanscherping van de wereldwijde minimumbelasting, in plaats van afzwakking. Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de regering aangeven hoe de regering van plan is om dat te doen? De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierbij enkele vragen. Hoeveel verwacht de regering dat de minimumbelasting de Nederlandse schatkist oplevert? Hoe verhoudt dit zich tot de verwachte structurele derving van 107 miljoen euro? In de technische briefing over het wetsvoorstel werd gezegd dat het akkoord geen beleidsruimte bevat. Kan de regering dit nader toelichten? Wat zijn de gevolgen van “geen beleidsruimte” voor het onderhavige wetsvoorstel? Wat is de juridische status van de afspraken in het IF en de implementatie van de side-by-side letter? De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling het wetsvoorstel veilige havenregels Wet minimumbelasting 2024 gelezen en hebben hierover op dit moment geen vragen. Achtergrond wereldwijde minimumbelasting: BEPS en verder  Het kabinet stelt dat de minimumbelasting alleen effect sorteert als de regels als samenhangend geheel worden beschouwd en consistent worden toegepast, zo lezen de leden van de VVD-fractie. De leden van de VVD-fractie merken op dat het SbS-pakket die samenhang doorbreekt: of bijheffing plaatsvindt, gaat voortaan mede afhangen van de vestigingsstaat van de uiteindelijkemoederentiteit. Hoe verhoudt dit zich tot het doel om een gelijker speelveld te creëren voor internationaal opererende bedrijven? Inmiddels zijn de eerste bijheffing-informatieaangiften ingediend. Kan de regering op basis daarvan inzicht geven in de opbrengst van de Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024) tot nu toe, uitgesplitst naar binnenlandse bijheffing, inkomen-inclusiebijheffing en onderbelastewinstbijheffing, en naar groepen met een Nederlandse, een andere Europese, een Amerikaanse en een overige uiteindelijkemoederentiteit? Herkent de regering het in de factsheet van Van Hulten aangehaalde bedrag van circa 590 miljoen euro aan Nederlandse bijheffing over 2024 en 2025? Welk deel van de inkomen-inclusiebijheffing wordt gedragen door groepen met een Nederlandse moedermaatschappij en hoe verhoudt die opbrengst zich tot de nalevingskosten? Kohlhase verwijst naar schattingen van circa 1,2 miljard euro aan eenmalige en 517 miljoen euro aan jaarlijkse nalevingskosten voor in de Europese Unie gevestigde groepen. De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de achtergrond van de belasting. Hebben andere grote economieën zoals China en India inmiddels daadwerkelijk wetgeving ingevoerd om de minimumbelasting uit toe te passen? Zo nee, wat is het nut van een dergelijke mondiale minimumbelasting als andere grote economieën er geen onderdeel van uitmaken? Hoe verhoudt dit zich tot de voorgestelde aanpassingen uit de side-by-side letter? Het Side-by-Side-pakket Het SbS-pakket is voortgekomen uit de G7-verklaring van 28 juni 2025, die tot stand kwam tegen de achtergrond van dreigende Amerikaanse vergeldingsmaatregelen, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Het Amerikaanse ministerie van Financiën presenteerde het akkoord op 5 januari 2026 als een uitzondering voor Amerikaanse bedrijven die bovendien ‘the value of the U.S. R&D credit’ beschermt. De regering presenteert het pakket als algemeen gericht en aansluitend bij de systematiek van Pijler 2. Van Hulten wijst op het risico dat daardoor een verschil ontstaat tussen wat het pakket in werkelijkheid is en hoe het wordt gepresenteerd. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om te bevestigen dat de kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel (hierna: Side-by-Side-veiligehavenregel) op dit moment uitsluitend groepen met een Amerikaanse moedermaatschappij ten goede komt en dat de criteria in belangrijke mate zijn afgestemd op het Amerikaanse stelsel. Welke waarborgen heeft Nederland dat de Verenigde Staten niet opnieuw met vergeldingsmaatregelen dreigen, bijvoorbeeld wanneer de binnenlandse bijheffing in andere staten Amerikaanse groepen gaat raken? Is de kwalificatie van het Amerikaanse stelsel aan voorwaarden of een termijn verbonden? Wat gebeurt er als de Verenigde Staten het NCTI-regime, de Corporate Alternative Minimum Tax of de verrekening van buitenlandse bijheffing versoberen? Vervalt de kwalificatie dan, wie stelt dat vast en met ingang van welk moment? Voorziet het pakket in een procedure om een verleende kwalificatie in te trekken en kan Nederland die procedure zelf in gang zetten? Van Hulten wijst erop dat Brazilië een verzoek zou hebben ingediend om als kwalificerend te worden aangemerkt en dat India die mogelijkheid onderzoekt, terwijl Braziliaanse groepen volgens de analyse van het FD aanzienlijk bijdroegen aan de Nederlandse bijheffing over 2024 en 2025. Welke jurisdicties hebben inmiddels een verzoek ingediend voor de Side-by-Side-veiligehavenregel of de uiteindelijkemoederentiteit-veiligehavenregel (hierna: UPE-veiligehavenregel)? Wat is het budgettaire effect voor Nederland als bijvoorbeeld Brazilië, India of China worden aangemerkt? Deelt de regering de zorg van Van Hulten dat hiermee een fragmentatiebeweging in gang wordt gezet, die op termijn tot uitholling van Pijler 2 kan leiden, met een steeds groter deel van de last bij Europese groepen? Het kabinet heeft eerder aangegeven dat besluitvorming in het IF plaatsvindt op basis van consensus. Nederland heeft bij de kwalificatie van nieuwe jurisdicties daarmee in feite een veto. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om toe te zeggen dat het de Kamer tijdig vooraf informeert en in de gelegenheid stelt haar wensen en bedenkingen kenbaar te maken, voordat Nederland in het IF instemt met de kwalificatie van een nieuwe jurisdictie of met een wijziging van de criteria. Welke toetsingscriteria hanteert de regering daarbij en welk gewicht krijgen het gelijke speelveld en de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven? Kan Nederland zijn instemming met het pakket, of met een individuele kwalificatie, later intrekken? Zo ja, wat zijn daarvan de gevolgen voor de status van het pakket als kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens in de zin van artikel 32 van de richtlijn, voor Nederland en voor de andere lidstaten? 1.3 Gevolgen voor Nederland  De leden van de D66-fractie merken op dat het side-by-sidepakket een internationaal akkoord is, dat naar de mening van deze leden met name onder druk van de Verenigde Staten tot stand is gekomen. Deze leden lezen dat de regering ervoor kiest het Side-by-Side-pakket integraal te implementeren. Deze leden vragen welke onderdelen Nederland vooral implementeert vanwege internationale afspraken en welke onderdelen volgens de regering zelfstandig bezien een duidelijke meerwaarde hebben voor Nederland. Ook vragen deze leden of er überhaupt mogelijkheden zijn om het side-by-sidepakket niet integraal te implementeren. Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat de regering geen reden ziet om het Nederlandse stelsel te laten kwalificeren als een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel. Welke voordelen laat Nederland hiermee bewust liggen en waarom wegen deze volgens de regering niet op tegen de benodigde aanpassingen? De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering, in lijn met de motie-Van Eijk c.s., heeft ingezet op behoud van het gelijke speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven (Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 359). De leden van de VVD-fractie vragen de regering om concreet te maken in hoeverre die inzet is geslaagd. Beide factsheets concluderen dat geen gelijk speelveld ontstaat tussen groepen met een Amerikaanse en groepen met een Europese moedermaatschappij. Deelt de regering die conclusie? Kan de regering aan de hand van een rekenvoorbeeld laten zien hoe een Nederlandse groep en een vergelijkbare Amerikaanse groep, beide met een laagbelaste dochtervennootschap in een staat zonder binnenlandse bijheffing, na inwerkingtreding worden belast, rekening houdend met het mengen van hoog- en laagbelaste buitenlandse winsten in het Amerikaanse stelsel en het effectieve NCTI-tarief, dat volgens de factsheets tussen circa 12,6 procent en 14 procent ligt? In antwoord op eerdere vragen van deze leden gaf het kabinet aan geen risico te zien op vertrek van hoofdkantoren naar de Verenigde Staten en toe te zullen zien op signalen van concurrentieverstoring vanuit het bedrijfsleven (Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 361). Welke signalen heeft de regering sinds maart 2026 ontvangen? Is de regering bereid om in de Monitor Ondernemingsklimaat expliciet aandacht te besteden aan de gevolgen van het SbS-pakket voor (het behoud van) hoofdkantoren en aan herstructureringen of inversions, die Kohlhase als risico benoemt? De regering ziet geen reden om kwalificatie van het Nederlandse stelsel aan te vragen. De leden van de VVD-fractie begrijpen dat kwalificatie voor de Side-by-Side-veiligehavenregel zou vergen dat actief buitenlands inkomen wordt belast, wat botst met de deelnemingsvrijstelling. Voor de UPE-veiligehavenregel lijkt Nederland op het eerste gezicht wel aan de criteria te kunnen voldoen: een statutair tarief boven 20 procent en een binnenlandse bijheffing op basis van de jaarrekeningwinst die al vóór 1 januari 2026 van kracht was. Welk concreet nadeel heeft een verzoek voor de UPE-veiligehavenregel? Biedt erkenning Nederlandse groepen niet extra zekerheid, bijvoorbeeld als de status van de Nederlandse binnenlandse bijheffing ooit ter discussie zou komen te staan? Is de regering bereid om zich in EU-verband in te zetten voor maatregelen, die het concurrentienadeel van groepen met een Europese moedermaatschappij verkleinen, bijvoorbeeld door vereenvoudiging of beperking van de inkomen-inclusiebijheffing en de onderbelastewinstbijheffing in situaties waarin al een kwalificerende binnenlandse bijheffing wordt geheven? Welke lidstaten delen die inzet? Het wetsvoorstel treedt in werking op 1 januari 2027 en werkt terug tot en met 31 december 2025 (de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel) respectievelijk 1 januari 2026 (de overige veiligehavenregels), zo constateren de leden van de VVD-fractie. Bij de eerdere wijzigingen van de WMB 2024 heeft de regering terugwerkende kracht uitdrukkelijk beperkt tot wijzigingen die niet bezwaarlijk zijn voor belastingplichtigen, de bezwarende maatregelen per onderdeel benoemd en die niet met terugwerkende kracht ingevoerd. Dat sluit aan bij aanwijzing 5.62 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en de beleidslijn over terugwerkende kracht van fiscale wetgeving. De memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel bevat een dergelijke toets niet; zij volstaat met de opmerking dat terugwerkende kracht zekerheid en duidelijkheid verschaft. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om per onderdeel van artikel I aan te geven of de terugwerkende kracht voor enige belastingplichtige nadelig kan uitpakken en zo ja, waarom terugwerkende kracht dan toch gerechtvaardigd is. Kan de regering bevestigen dat de regering vasthoudt aan de lijn dat voor belastingplichtigen bezwarende onderdelen niet terugwerken? In de Kamerbrief van 5 januari 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 359) kondigde het kabinet aan dat het wetsvoorstel naar verwachting vóór de zomer van 2026 zou worden ingediend en dat de uitvoeringstoets rekening zou houden met de terugwerkende kracht. Het wetsvoorstel is op Prinsjesdag ingediend, zodat de terugwerkende kracht inmiddels vrijwel een volledig verslagjaar beslaat. Waarom is die planning niet gehaald? Hoe konden groepen in 2026 rekening houden met de nieuwe regels, bijvoorbeeld bij de verwerking van verwachte bijheffing in hun (half)jaarcijfers, terwijl de definitieve tekst pas in september 2026 bekend werd en de voorwaarden van artikel 8.11, negende lid, pas na de internetconsultatie zijn toegevoegd? De artikelen 8.15 tot en met 8.17 werken terug tot 1 januari 2026, terwijl de WMB 2024 systematisch aansluit bij verslagjaren die aanvangen op of na 31 december van een jaar (vergelijk Kamerstukken II 2025/26, 36 817, nr. 3). Klopt het dat groepen met een verslagjaar dat op 31 december 2025 aanvangt, zoals sommige groepen met een 52/53-wekenboekjaar, voor dat verslagjaar geen gebruik kunnen maken van deze veiligehavenregels, terwijl zij de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel wel kunnen toepassen? Is dat beoogd en in lijn met het SbS-pakket? Ten slotte wijzen de leden van de VVD-fractie op het volgende: terugwerkende kracht biedt belastingplichtigen alleen zekerheid als de regeling rechtens overeind blijft. Wat zijn de gevolgen voor groepen die met terugwerkende kracht een beroep doen op de Side-by-Side-veiligehavenregel, als het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) de toepassing van het pakket via artikel 32 van de richtlijn onverenigbaar zou achten met het Unierecht of als sprake blijkt te zijn van staatssteun, die moet worden teruggevorderd? De leden van de VVD-fractie lezen dat de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) constateert dat de nieuwe vereenvoudigde veiligehavenregel verduidelijking biedt op situaties waarin de reguliere effectievebelastingtariefberekening nog interpretatievragen oproept. Kan de regering bevestigen dat de interpretatie van de vereenvoudigde effectievebelastingtarief-veiligehavenregel richtinggevend kan zijn bij vergelijkbare interpretatievraagstukken binnen de reguliere effectievebelastingtariefberekening, zodat rechtszekerheid ontstaat voor belastingplichtigen?  2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel   2.1 Vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel  De leden van de D66-fractie steunen vereenvoudiging, maar lezen dat de vereenvoudigde berekening ertoe kan leiden dat een groep op basis van de veiligehaven boven de 15%-grens uitkomt, terwijl dat onder de reguliere berekening niet het geval zou zijn. Waarom acht de regering dit risico acceptabel en hoe wordt gemonitord of hierdoor belastingopbrengsten verloren gaan? Voorts vragen deze leden waarom de vier integriteitsbeginselen niet in wet- of regelgeving zijn vastgelegd. Leidt een uitsluitend principle-based benadering niet tot meer interpretatieverschillen en onzekerheid voor belastingplichtigen en de Belastingdienst? De leden van de VVD-fractie verwelkomen iedere daadwerkelijke vereenvoudiging. De NOB betwijfelt echter of deze veiligehavenregel een echte vereenvoudiging oplevert: de regel vergt nog altijd veel correcties, introduceert nieuwe integriteitsregels en wie onder de 15 procent uitkomt, moet alsnog de volledige berekening maken. De regering erkent zelf dat de regels op onderdelen tot meer complexiteit en administratieve lasten kunnen leiden. De regeling bestaat uit een nieuw artikel 8.11 en tien nieuwe artikelen en alleen al in artikel 13.2 worden zeventien nieuwe keuzes opgenomen. Kan de regering kwantificeren hoeveel groepen naar verwachting voor welke jurisdicties van deze veiligehavenregel gebruik zullen maken en welke lastenverlichting dat per groep oplevert ten opzichte van de volledige berekening? Voor welk deel van de groepen leidt de vereenvoudigde berekening per saldo juist tot extra werk? Het kabinet stelt dat de vier integriteitsbeginselen (het matching principle, het full allocation principle, het single expense and loss principle en het single tax principle) zich niet lenen voor codificatie, maar bij de toepassing van de regeling wel in acht dienen te worden genomen. Op grond van welke wettelijke bepaling kan de inspecteur een belastingplichtige tegenwerpen dat een berekening in strijd is met een niet in de wet opgenomen beginsel? Hoe verhoudt dit zich tot het legaliteitsbeginsel van artikel 104 van de Grondwet? Kan de inspecteur op grond van artikel 8.12 van de WMB 2024 de toepassing van de veiligehavenregel weigeren wegens strijd met een integriteitsbeginsel? Hoe wordt voorkomen dat Nederland de beginselen strenger of juist ruimer uitlegt dan andere staten? Tijdens de belangstellendenbijeenkomst is gewezen op het ontbreken van uniformiteit bij de implementatie van de veiligehavenregels, constateren de leden van de VVD-fractie. Welke keuzes maken andere lidstaten, in het bijzonder Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Ierland, ten aanzien van de vervroegde toepassing en de overige optionele elementen? Waar wijkt Nederland af? Heeft Nederland, waar het keuzeruimte had, steeds gekozen voor de voor het bedrijfsleven eenvoudigste variant? Zo nee, waar niet en waarom niet? Naar aanleiding van de consultatie is in artikel 8.11, zesde lid, van het wetsvoorstel verduidelijkt dat de keuze voor de verslaggevingsstandaard van de uiteindelijkemoederentiteit moet worden gemaakt voor alle jurisdicties waar dat is toegestaan en voor alle verslagjaren, zo stellen de leden van de VVD-fractie vast. Is die keuze herroepbaar en zo ja, onder welke voorwaarden? Is de regering bereid, zoals de NOB heeft gevraagd, de werking van deze bepaling voor het geval Nederland de getoetste staat is met enkele voorbeelden toe te lichten? 2.2 Kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel De leden van de D66-fractie constateren dat deze veiligehavenregel structureel 73 miljoen euro kost. Kan de regering toelichten waarom deze budgettaire derving gerechtvaardigd is en welke concrete voordelen daar tegenover staan? Deze leden lezen dat bij de beoordeling van een kwalificerend stelsel wordt gekeken "op geaggregeerd niveau ... en niet afzonderlijk voor elke multinationale groep". Klopt het dat een afzonderlijke groep met een moeder in een kwalificerende jurisdictie daardoor effectief onder de 15 procent kan blijven, zonder dat Nederland kan bijheffen, behalve via de binnenlandse bijheffing? Deze leden vragen daarnaast hoe robuust de beoordeling door het Inclusive Framework (IF) is. Welke mogelijkheden bestaan er wanneer Nederland van oordeel is dat een jurisdictie ten onrechte als kwalificerend wordt aangemerkt, ondanks ruime belastingfaciliteiten of belastingkredieten? De leden van de VVD-fractie vragen wie bepaalt of sprake is van een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel. Volgens de memorie van toelichting toetst het IF dat en wordt het resultaat vermeld in het Central Record. De tekst van artikel 8.15 bevat echter zelfstandige, open criteria (voldoende maatregelen, niet in overwegende mate het risico) en verwijst nergens naar het oordeel van het IF of naar het Central Record. De NOB leidt daaruit af dat opname in het Central Record niet nodig is. Zijn de inspecteur en de Nederlandse belastingrechter gebonden aan het oordeel van het IF? Zo ja, op welke wettelijke grondslag, gelet op artikel 104 Grondwet en op artikel 92 Grondwet, dat overdracht van bevoegdheden aan volkenrechtelijke organisaties slechts bij of krachtens verdrag toelaat? Zo nee, kan de Nederlandse rechter tot het oordeel komen dat de Verenigde Staten niet aan de criteria voldoen of een andere staat juist wel, en wat betekent dat voor de rechtszekerheid en voor een gelijke toepassing binnen de Europese Unie? Is de regering bereid de kwalificerende staten bij ministeriële regeling met een voorhangprocedure aan te wijzen, zodat de Kamer daarbij betrokken is en de rechter over een kenbaar kader beschikt? Artikel 8.15, derde lid, onderdeel c, van het wetsvoorstel vereist dat buitenlandse winstbelasting, waaronder de binnenlandse bijheffing, voor verrekening in aanmerking komt, constateren de leden van de VVD-fractie. Is vastgesteld dat de Verenigde Staten de Nederlandse binnenlandse bijheffing daadwerkelijk als verrekenbare buitenlandse belasting aanmerken, en op welke Amerikaanse regelgeving berust dat? Wat gebeurt er als de Verenigde Staten die verrekening beperken? 2.2.1 Kwalificerend binnenlands belastingstelsel  Het criterium dat het stelsel niet in overwegende mate het risico meebrengt van een effectief tarief van minder dan 15 procent moet volgens de memorie van toelichting worden beoordeeld in zijn geheel, over een langere periode en op geaggregeerd niveau en op basis van een pragmatische inschatting, lezen de leden van de VVD-fractie. Van Hulten wijst op onduidelijkheid over wat de analyse van het IF precies is geweest. Op welke gegevens heeft het IF zijn oordeel over de Verenigde Staten gebaseerd en hoe zijn bijvoorbeeld de Amerikaanse aftrek voor buitenlandse afzet en de Amerikaanse R&D-credit daarin gewogen? Is de regering bereid om die beoordeling, zo nodig vertrouwelijk, met de Kamer te delen? Welke Nederlandse inbreng is in die beoordeling geleverd? 2.2.2 Kwalificerend wereldwijd belastingstelsel De leden van de VVD-fractie hebben gelezen dat Van Hulten en Kohlhase erop wijzen dat de Side-by-Side-veiligehavenregel op stelselniveau werkt, los van de daadwerkelijke heffing in een concreet geval en dat het Amerikaanse stelsel hoog- en laagbelaste buitenlandse winsten mag mengen, terwijl Pijler 2 per staat toetst. Een Amerikaanse groep kan daardoor per saldo effectief minder dan 15 procent betalen over laagbelaste winsten zonder dat enige bijheffing volgt. Deelt de regering die analyse? Waarom is niet gekozen voor een aanvullende toets op groepsniveau? Hoe verhoudt het mengen van buitenlandse winsten zich tot het criterium dat het stelsel over voldoende maatregelen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving moet beschikken? 2.3 Uiteindelijkemoederidentiteit-veiligehavenregel  De leden van de D66-fractie vragen of deze veiligehavenregel het voor landen aantrekkelijker maakt om af te zien van volledige invoering van de OESO-modelregels. Hoe beoordeelt de regering dit risico? 2.4 Kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel  De leden van de D66-fractie begrijpen de wens om investeringen in de reële economie te ondersteunen. Tegelijkertijd leidt deze regeling in hun ogen tot een structurele budgettaire derving. Welke aanvullende investeringen verwacht de regering als gevolg van deze regeling en hoe wordt vastgesteld of deze derving daadwerkelijk leidt tot extra economische activiteit? De leden van de D66-fractie lezen dat de minimumbelasting een ondergrens moet stellen aan belastingconcurrentie en een race naar de bodem moet voorkomen. Met de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel kunnen staten regelingen aanbieden die tot een maximum niet tot bijheffing leiden. Hoe beoordeelt de regering het risico dat staten hun stimuleringsregelingen hierop gaan inrichten? Is de regering voornemens Nederlandse regelingen hierop aan te passen? Deze leden lezen dat de innovatiebox niet kwalificeert voor deze veiligehavenregel, terwijl onder meer de EIA, MIA en KIA dat wel doen. Acht de regering het wenselijk dat juist de innovatiebox buiten deze regeling valt en welke gevolgen heeft dit voor het Nederlandse innovatie- en vestigingsklimaat? De leden van de VVD-fractie hechten aan een aantrekkelijk innovatieklimaat. De regering stelt dat de energie-investeringsaftrek, de milieu-investeringsaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek kwalificeren, maar de innovatiebox niet. De NOB vraagt of is stilgestaan bij het beeld van Nederland als innovatieland als de Nederlandse regelingen slechts zeer beperkt kwalificeren. Hoeveel groepen, die onder de WMB 2024 vallen, passen de innovatiebox toe, en welk deel van het innovatieboxvoordeel wordt naar verwachting via bijheffing ongedaan gemaakt? Is de regering bereid om te onderzoeken hoe de Nederlandse innovatieregelingen zo kunnen worden vormgegeven dat zij voor deze groepen wel kwalificeren, bijvoorbeeld via een uitgavengerelateerde component? 3. Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie  Het wetsvoorstel bevat geen eigen evaluatie, constateren de leden van de VVD-fractie: de regering verwijst naar de stocktake die het IF in 2029 moet afronden en naar de monitoringsbrief over belastingontwijking. Van Hulten verwacht dat de door het pakket ingezette ontwikkelingen in 2029 zeer moeilijk te stoppen, laat staan terug te draaien zijn en wijst erop dat eventuele vervolgacties afhangen van de prioriteiten van het IF. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of de regering bereid is om uiterlijk in 2028 een eigen evaluatie uit te voeren, met aandacht voor de concurrentiepositie van Nederlandse groepen, gedragseffecten, nalevingskosten en opbrengsten en de Kamer daarover te rapporteren. Welke criteria zal Nederland inbrengen in de stocktake? Is de regering bereid om de door Kohlhase voorgestelde criteria in te brengen, te weten: de effectieve belastingtarieven van groepen met een Amerikaanse en met een Europese moedermaatschappij, vooral in laagbelastende staten, de dekking van binnenlandse bijheffingen, herstructureringen en inversions, nalevingskosten in verhouding tot de opbrengst, de opbrengst per bijheffingsmaatregel, effecten op investeringen en werkgelegenheid, de vergelijkbaarheid van gekwalificeerde stelsels, en de staatssteunrechtelijke toets van fiscale stimuleringsregelingen? Wat is de Nederlandse inzet als de stocktake substantiële risico's voor het gelijke speelveld laat zien: welke gerichte oplossingen acht de regering denkbaar en behoort beëindiging of aanscherping van de Side-by-Side-veiligehavenregel daartoe? 4. Budgettaire aspecten De leden van de D66-fractie lezen dat de minimumbelasting zonder het Side-by-Side-pakket ongeveer 700 miljoen euro per jaar zou opleveren. Bij de Voorjaarsnota werd de derving geraamd op 122 miljoen euro per jaar, waarvan ongeveer 90 miljoen euro door de kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel. In de memorie van toelichting is de derving 108 miljoen euro, waarvan 73 miljoen euro door deze veiligehavenregel. Waardoor is de raming veranderd? Wat is de actuele raming van de totale opbrengst van de minimumbelasting? De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel leidt tot een structurele budgettaire derving van 108 miljoen euro. Welke concrete voordelen staan volgens de regering tegenover deze derving en waarom wegen deze op tegen de lagere belastingopbrengst? De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat in de Kamerbrief van 5 januari 2026 de derving voorlopig werd geraamd op circa 120 miljoen euro per jaar. Het wetsvoorstel gaat uit van 106 miljoen euro, oplopend tot 108 miljoen euro structureel. Wat verklaart dat verschil? Het Centraal Planbureau (CPB) merkt op dat de raming van Pijler 2 in het basispad is herzien en hoger uitvalt dan eerder gecertificeerd, en dat die herziening buiten de certificering valt. Wat is de huidige geraamde structurele opbrengst van Pijler 2 in het basispad, uitgesplitst naar binnenlandse bijheffing, inkomen-inclusiebijheffing, onderbelastewinstbijheffing en gedragseffecten? Van de oorspronkelijke structurele opbrengst van 466 miljoen euro kwam 402 miljoen euro voort uit de verwachting dat bedrijven winsten naar Nederland zouden verplaatsen. Deze leden constateren dat de derving van de Side-by-Side-veiligehavenregel volgens de ramingstoelichting vooral voortkomt uit het vervallen van die verwachting. Erkent de regering dat de derving daarmee in wezen een raming is van economische activiteit en winst die, als gevolg van de Amerikaanse vrijstelling, niet naar Nederland komt? Wat zegt dat over het gelijke speelveld? Het CPB acht de raming redelijk en neutraal, maar met een hoge mate van onzekerheid, vooral over welke staten een binnenlandse bijheffing zullen invoeren of afschaffen. Kan de regering in scenario's aangeven wat de budgettaire gevolgen zijn als meer staten voor de Side-by-Side-veiligehavenregel kwalificeren of als staten hun binnenlandse bijheffing afschaffen? De leden van de PRO-fractie lazen eerder dat alleen het Amerikaanse belastingstelsel tot nu toe gekwalificeerd wordt als equivalent stelsel onder de veiligehavenregels en dat ook niet verwacht wordt dat stelsels in andere landen snel zullen volgen. Klopt het dat de budgettaire derving van totaal 108 miljoen euro structureel dus verklaard kan worden door een lagere belastingafdracht van Amerikaanse bedrijven? Kan de regering daarmee bevestigen dat het voorliggende wetsvoorstel de facto een belastingcadeau van meer dan 100 miljoen euro per jaar bevat voor Amerikaanse multinationals? Kan de regering ingaan op de evenwichtigheid en wenselijkheid van deze uitkomst? In het kader hiervan vragen de leden van de PRO-fractie ook naar het artikel in Follow the Money van 5 augustus 2026 over het Amerikaanse bedrijf Palantir, dat in Nederland actief is, maar hier amper belasting betaalt. Klopt het dat Amerikaanse bedrijven via ‘agressieve’ strategieën gebruik kunnen maken van het side-by-side-pakket om zo min mogelijk belasting te betalen? Wat vindt de regering daarvan? Ziet de regering mogelijkheden om deze wijze van belastingontwijking te voorkomen? Deze leden vragen ook of het risico bestaat dat multinationals zich naar de Verenigde Staten zullen verplaatsen vanwege de uitwerking van het side-by-side-pakket. Zijn dit soort gedragseffecten ook meegenomen in de raming van de budgettaire derving? Neemt de derving nog toe als blijkt dat er toch meer landen zullen kwalificeren onder de veiligehavenregels? Wat is de verwachting van de regering op dit gebied? Voorts vragen de leden van de PRO-fractie naar de in de ramingstoelichting genoemde derving van 90 miljoen euro. Hoe verhoudt deze zich tot de in budgettaire tabel opgenomen 73 miljoen euro? Ook vragen deze leden of de regering inzicht heeft in de daadwerkelijke opbrengsten van de Wet minimumbelasting 2024 tot nu toe en of de regering deze cijfers kan delen. 5. EU-aspecten De leden van de VVD-fractie constateren dat de memorie van toelichting één alinea besteedt aan de EU-rechtelijke aspecten en daarbij volledig steunt op de mededeling van de Europese Commissie van 12 januari 2026 (C/2026/253). In het schriftelijk overleg over het SbS-pakket hebben de leden van de VVD-fractie gevraagd naar de houdbaarheid van de dynamische verwijzing naar OESO-soft law via artikel 32 van de richtlijn. Het kabinet antwoordde dat de Europese Commissie daarmee de vraag heeft beantwoord, dat het Meroni-arrest in een geheel andere context is gewezen en dat van delegatie geen sprake is, omdat alle lidstaten met het pakket moeten instemmen. Deze leden zijn door dat antwoord niet overtuigd. Een mededeling van de Europese Commissie is niet bindend en de uitleg van de richtlijn is voorbehouden aan het Europese Hof. Heeft de regering een eigen juridische analyse (laten) maken, bijvoorbeeld door de Landsadvocaat en heeft de Juridische Dienst van de Raad zich over deze route uitgesproken? Is de regering bereid om in dat geval die analyses met de Kamer te delen? De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat artikel 32 van de richtlijn is geschreven als een veilige haven, die aanknoopt bij het effectieve belastingtarief van de groepsentiteiten in een jurisdictie en in de literatuur wordt getypeerd als een instrument voor administratieve vereenvoudiging. De Side-by-Side-veiligehavenregel kijkt echter niet naar de belastingdruk in de jurisdictie van de laagbelaste groepsentiteit, maar naar het belastingstelsel van de staat van de uiteindelijkemoederentiteit, en zet daarmee de inkomen-inclusiebijheffing en de onderbelastewinstbijheffing voor een hele categorie groepen buiten werking. Hoe past dat binnen de tekst en het doel van artikel 32? Waarom is niet gekozen voor een wijziging van de richtlijn op grond van artikel 115 VWEU? Is de regering bereid zich in de Raad in te zetten voor een aanpassing van artikel 32 met waarborgen, zoals objectieve criteria, besluitvorming over kwalificaties binnen de Unie en rechterlijke toetsing? Zoals hiervoor aangegeven, stelt het kabinet dat het Meroni-arrest in een geheel andere context is gewezen. Het Hof heeft de Meroni-beginselen echter ook toegepast op delegatie in Uniewetgeving, zo stellen de leden van de VVD-fractie vast. In de literatuur wordt betoogd dat de gekozen route discretionaire economische beleidskeuzes feitelijk bij het IF legt, zonder de waarborgen die het Unierecht aan delegatie stelt. Van Hulten wijst op de druk op het institutionele evenwicht en op het legaliteitsbeginsel en het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om inhoudelijk op deze bijdragen in te gaan. Het argument van de regering dat de instemming van alle lidstaten delegatie uitsluit, ziet in de ogen van deze leden op het pakket zoals dat op 5 januari 2026 is overeengekomen. De kern van de discretionaire beslissing, namelijk of een jurisdictie kwalificeert, wordt echter door het IF genomen en dat geldt ook voor toekomstige kwalificaties. Geldt iedere nieuwe kwalificatie door het IF als een nieuwe kwalificerende internationale overeenkomst waarvoor opnieuw uitdrukkelijke instemming van alle lidstaten nodig is? Zo ja, in welke vorm en door wie geeft Nederland die instemming en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de stelling van de regering dat het IF niet zelfstandig bepalen kan dat sprake is van een veilige haven? Hoe is de instemming van de lidstaten met het pakket formeel tot stand gekomen? Is sprake geweest van een besluit van de Raad of volstonden verklaringen van individuele regeringen? Op welk moment heeft Nederland ingestemd en is de Kamer vóór die instemming geïnformeerd of geconsulteerd? De Kamerbrief over het akkoord dateert van 5 januari 2026, de dag waarop het pakket werd gepubliceerd. Van Hulten spreekt van de perceptie van een parlementair voldongen feit. Hoe wil de regering voorkomen dat die perceptie zich bij toekomstige IF-besluiten herhaalt? Op de vraag van deze leden naar staatssteunrisico's antwoordde het kabinet dat de toets aan de staatssteunregels onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie valt. Van Hulten stelt dat de bevoordeling voor staatssteundoeleinden aan de lidstaten lijkt te kunnen worden toegerekend, omdat er EU-rechtelijk geen verplichting bestaat het pakket te implementeren. Van der Vlugt en De Wilde beschrijven een ‘Catch-22’: kwalificeren de veiligehavenregels als Uniemaatregel, dan rijst het delegatieprobleem; kwalificeren zij als maatregel van de lidstaat, dan zijn de staatssteunregels onverkort van toepassing. Deze leden vragen de regering om hierin een standpunt in te nemen. Is Nederland op grond van artikel 32 van de richtlijn verplicht de veiligehavenregels uit het pakket toe te passen of gaat het om een eigen keuze van Nederland? In het eerste geval: waarom is dan volstaan met een mededeling van de Europese Commissie in plaats van een formeel Uniebesluit en hoe verhoudt zich dat tot het delegatievraagstuk? In het tweede geval: waarom heeft de regering geen eigen staatssteuntoets verricht en overweegt de regering aanmelding bij de Europese Commissie op grond van artikel 108, derde lid, VWEU? Wat zouden de gevolgen van een terugvordering zijn voor de betrokken groepen en voor de rechtszekerheid die de regering met de terugwerkende kracht zegt te willen bieden? Bij het Europese Hof is een prejudiciële vraag van het Belgische Grondwettelijk Hof aanhangig over de geldigheid van de onderbelastewinstbijheffing in de richtlijn. Wat betekent die zaak voor het voorliggende wetsvoorstel? Kan een Nederlandse groep, die inkomen-inclusiebijheffing moet betalen, terwijl een vergelijkbare Amerikaanse groep daarvan is vrijgesteld, zich met succes beroepen op het gelijkheidsbeginsel van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of op andere non-discriminatiebepalingen? Welke doeltreffende voorziening in rechte, als bedoeld in artikel 47 van het Handvest, staat open tegen een kwalificatiebeslissing van het IF? Heeft de regering de juridische en budgettaire risico's van deze procedures in kaart gebracht? De leden van de VVD-fractie lezen dat de NOB constateert dat de zogenoemde M&A Simplification internationaal als keuze lijkt te zijn vormgegeven, terwijl de Nederlandse wetsbepaling verplicht is geformuleerd. Waarom is de M&A Simplification in het wetsvoorstel dwingend vormgegeven, terwijl deze volgens het internationale Side-by-Side-pakket als keuze voor multinationale groepen lijkt te gelden? Is de regering bereid om dit te harmoniseren? 7. Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven     De leden van de D66-fractie lezen dat meerdere partijen tijdens de consultatie twijfelden of de nieuwe veiligehavenregels daadwerkelijk leiden tot vereenvoudiging. Kan het kabinet concreet kwantificeren hoeveel administratieve lasten met dit wetsvoorstel worden bespaard? Als dat niet mogelijk is, waarop is dan de verwachting gebaseerd dat sprake is van een betekenisvolle vereenvoudiging? 9.5 |Overige aspecten  De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering een aantal punten uit de consultatie terzijde heeft gelegd, omdat zij niet op de inhoud van het wetsvoorstel zien, waaronder onduidelijkheden bij de toepassing op de (offshore) zeescheepvaart. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om alsnog inhoudelijk op deze punten in te gaan, in het bijzonder op de positie van de maritieme sector, gelet op het belang daarvan voor Nederland. Is de regering bereid zich in het IF in te zetten voor een openbare lijst van kwalificerende fiscale stimuleringsregelingen per jurisdictie, zoals respondenten hebben gevraagd?

Versie c351b1d1-963d-459b-a11a-fa493b4d8f02 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 03f4d9f75fb7dc1b

13 okt 2026 · cb79779dba202ab0

Gegevens

Officiële bron
Tweede Kamer ↗

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.