KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de Staat van het Onderwijs 2025 met beleidsreactie (Kamerstuk 36600-VIII-171)

19 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 950e43029e1ba88b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2025Nr. 176 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 19 juni 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 16 april 2025 inzakede Staat van het Onderwijs 2025 met beleidsreactie (Kamerstuk 36 600VIII, nr. 171).De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij briefvan 19 juni 2025. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Easton kst-36600-VIII-176ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1761 1In welke mate is het gebruikelijk – en transparant – om vakantiegeld eneindejaarsuitkering op te tellen bij het bruto maandsalaris, wanneer menhet salarisniveau van een beroep presenteert?Om het inkomen tussen verschillende beroepen goed te kunnen verge-lijken, is het belangrijk om breder dan alleen naar het salaris te kijken. Ditgeeft een representatiever beeld van het daadwerkelijke bruto-inkomendan het salaris omdat vaste uitkeringen en toelagen structureel onderdeelvormen van het bruto inkomen. En in andere sectoren krijgt bijvoorbeeldniet iedereen een (vaste) eindejaarsuitkering. Verder wordt bijvoorbeeldbij het modale inkomen het salaris inclusief het vakantiegeld genoemd.De beloning, het salaris incl. vakantie-uitkering en toelagen, geeft eenvolledig en juist beeld van het daadwerkelijke bruto-inkomen. Degemiddelde jaarlijkse beloning (bruto-inkomen) bestaat uit alle maandsa-larissen in een jaar plus alle vaste toelagen die iedere leraar krijgt, hetvakantiegeld en de eindejaarsuitkering. Dit wordt vervolgens terugge-rekend naar maandbedragen.Op www.rijksoverheid.nl en www.werkeninhetonderwijs.nl staat trans-parant de beloning, inclusief de opbouw daarvan.2Hoe verenigt u de «bemoedigende uitwerking» van uw inzet op hetverbeteren van de kwaliteit van het funderend onderwijs, waarover uschrijft, met de constatering dat in de onderbouw van het voortgezetonderwijs de gemiddelde rekenvaardigheid in het schooljaar 2023–2024verder is afgenomen ten opzichte van 2022–2023 en dat gegevens uit hetleerlingvolgsysteem van Cito voor het voortgezet onderwijs aantonen datleesvaardigheid in elk geval sinds 2018 afneemt?1De woorden «bemoedigende uitwerking» hebben in de eerste plaatsbetrekking op de groep van 645 scholen die aan de slag zijn gegaan in2022 met de subsidie Verbetering basisvaardigheden en ondersteuningvan de onderwijscoördinatoren ontvangen. Veel van deze scholen – metnamen scholen in het po – zien zelfs na een betrekkelijke korte periode vannog geen twee jaar al positieve effecten op de prestaties van hunleerlingen bij taal en rekenen-wiskunde.2 Inmiddels wordt met de subsidie95 procent van de leerlingen in het funderend onderwijs bereikt. Deenquêtes onder subsidiescholen laten zien dat dit beeld ook bij de scholenuit de volgende subsidierondes positief is. In het najaar is ook hetkwantitatieve effectonderzoek dat het CPB uitvoert, afgerond en kunnenwe meer zeggen over het gemeten effect van de subsidie op de prestatiesvan leerlingen.3Hoe rijmt u het dat u enerzijds stelt dat het nodig blijft de basisvaardig-heden te verbeteren, maar dat u anderzijds via de Voorjaarsnota bekendmaakt geen loon- en prijsbijstelling toe te passen op het Masterplanbasisvaardigen?Alle scholen krijgen vanaf 1 januari 2027 minimaal € 182 gerichtebekostiging per leerling om te werken aan de basisvaardigheden. Deze lijnkomt dit kabinet na.3 Het niet uitkeren van de prijsbijstelling voor dit jaardoet daar geen afbreuk aan. De verlaging van het totaal beschikbare1Seton, B., Koops, J., Frissen, S., & Feskens, R. Leervertraging in het voortgezet onderwijs 2024.Monitoren van vaardigheden voor het Nationaal Programma Onderwijs en het MasterplanBasisvaardigheden. Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling, Arnhem.2Kamerstukken II, 2024–2025, 31 293, nr. 7753Kamerstukken II, 2023–2024, 31 293, nr. 732Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1762 budget voor basisvaardigheden bedraagt structureel € 0,7 miljoen. Ditkomt omdat er dit jaar ook middelen zijn toegevoegd: de loonbijstelling,middelen voor leesbevordering en een deel (onbestede) middelen voormonitoring vanuit de begroting. Voor de subsidie Verbetering basisvaar-digheden en de in dat kader verleende subsidies heeft een en ander geengevolgen. Scholen weten dus waar zij op kunnen rekenen en kunnendaarop anticiperen.4Hoe gaat u nu verder richting geven aan het Herstelplan kwaliteitfunderend onderwijs, gezien alle partijen uit het onderwijsveld zichhebben teruggetrokken?Op verzoek van uw Kamer heeft u hieromtrent op 10 juni jl. een schrifte-lijke reactie ontvangen, voorafgaande aan de behandeling van devoorjaarsnota.45Hoe denkt u de gedragen langetermijnvisie voor het onderwijs, dieblijkens de onderhavige beleidsreactie noodzakelijk is, wel te ontwikkelenin de huidige context?Op verzoek van uw Kamer heeft u een schriftelijke reactie ontvangen op10 juni jl., aangaande het terugtrekken van de sociale partners uit deverdere gesprekken over het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs ende consequenties daarvan.56Hoeveel bekostiging per jaar krijgen praktijkscholen gemiddeld vanuit hetmasterplan basisvaardigheden?Er zijn inmiddels vier tranches van de subsidie Verbetering basisvaardig-heden. De eerste subsidieronde van 2022 is vorige zomer afgerond, terwijlde laatste betaling van de subsidie aan de scholen die dit jaar starten in2026 wordt gedaan. Opgeteld over alle vier tranches hebben 115 scholenuit het praktijkonderwijs subsidie gekregen of krijgen deze nog. Het gaatdaarbij in totaal om € 19 miljoen aan subsidie. Per jaar verschillen deexacte bedragen, maar gemiddeld ontvangen scholen in het praktijkon-derwijs tussen 2022 en 2026 dus € 3,8 miljoen per jaar. Vanaf 1 januari2027 krijgen alle scholen minimaal € 182 gerichte bekostiging per leerlingper jaar voor de verbetering van de basisvaardigheden.7Hoeveel bekostiging per jaar krijgen vmbo-scholen gemiddeld vanuit hetmasterplan basisvaardigheden?In de onderbouw van het vo worden leerlingen niet geregistreerd alsbijvoorbeeld vmbo-leerling. De verhoudingen in leerjaar drie geven weleen indicatie: 51 procent van de leerlingen zit dan op het vmbo, 46procent op het havo/vwo en 3 procent op het praktijkonderwijs. Voor hetregulier voortgezet onderwijs (vmbo, havo en vwo) als geheel geldt hetvolgende: 1.237 scholen krijgen gezamenlijk ruim € 782,5 miljoensubsidie. Gemiddeld ontvangen scholen in het voortgezet onderwijstussen 2022 en 2026 bij elkaar € 156,5 miljoen per jaar. Vanaf 1 januari2027 krijgen alle scholen minimaal € 182 gerichte bekostiging per leerlingper jaar voor de verbetering van de basisvaardigheden.4Kamerstukken II, 2024–2025, 36 725 VIII, nr. 35Kamerstukken II, 2024–2025, 36 725 VIII, nr. 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1763 8Hoe verhoudt de bezuiniging op de Onderwijskansenregeling, die vooralvmbo-scholen raakt, zich tot uw zin: «Vooral onder vmbo-basis- envmbo-kaderleerlingen blijven de reken- en taalprestaties onder hetverwachte niveau»?Hoeveel middelen een school ontvangt, hangt af van de populatie van deschool. Wanneer er veel risico op onderwijsachterstanden is, ontvangt eenschool meer middelen. Deze middelen worden ingezet voor maatregelenom onderwijsachterstanden tegen te gaan, zoals extra ondersteuning,extra onderwijstijd en kleinere klassen. Met de bezuiniging zullen dezescholen die middelen niet meer ontvangen. Het kabinet blijft welinvesteren in de basisvaardigheden, ook van vmbo-leerlingen. Vanuit hetmasterplan basisvaardigheden wordt ingezet op het verbeteren van taal-en rekenprestaties, daarvoor ontvangen alle scholen vanaf 2027 een vastbedrag per leerling, dus ook per vmbo-leerling.9Als het gemiddelde bedrag per vmbo-school vanuit de Onderwijskansen-regeling wordt wegstreept tegen het gemiddelde bedrag per vmbo-schoolvanuit het Masterplan basisvaardigheden, hoeveel blijft er dan over?De vraag is niet precies te beantwoorden. Scholen in het voorgezetonderwijs (vo) zijn vaak gemengde scholengemeenschappen, niet beperkttot vmbo-scholen. Wel kan een indicatie gegeven worden aan de hand vanalle 470 vo-scholen die middelen ontvangen uit de onderwijskansenre-geling. Met de onderwijskansenregeling worden middelen verdeeld naarvo-scholen die relatief veel leerlingen hebben met risico’s op onderwijs-achterstanden. Dit zijn relatief vaak vmbo-leerlingen. In 2025 ontvangen470 scholen voor voortgezet onderwijs voor één of meer vestigingengemiddeld per school circa € 380 duizend aan aanvullende bekostigingvanuit de regeling onderwijskansen. Hoe zwaarder de risico’s opachterstanden binnen de populatie van een school, hoe hoger het bedragdat een school ontvangt. Dit kan oplopen tot meer dan 10% van de totalebekostiging die een school ontvangt. Voor het verbeteren van debasisvaardigheden zullen vanaf 2027 alle scholen middelen ontvangen viagerichte bekostiging. Dit is een vast bedrag van minimaal 182 euro perleerling, dus ook voor vmbo-leerlingen. Voor de groep van 470 vo-scholendie in aanmerking komen voor de regeling onderwijskansen gaat datgemiddeld om circa € 294 duizend euro.10Op welke manier werkt u, naast de inzet voor de kwaliteit van hetfunderend onderwijs, aan gelijkwaardige kansen voor elk kind om zichoptimaal te ontwikkelen, met inachtneming dat de Inspectie van hetOnderwijs constateert dat leerlingen die gelijk geschikt zijn niet altijdgelijke kansen krijgen op verschillende selectie- en schakelmomententijdens hun schoolloopbaan?Optimale ontwikkelkansen voor elk kind beginnen bij steengoed onderwijsin taal en rekenen gegeven door afdoende en gekwalificeerd onderwijs-personeel. Daar focust dit kabinet dus op. Daarnaast doen we meer. Zogaan we met structurele financiering door met de programma’s School &Omgeving, Schoolmaaltijden en Brugfunctionaris. Deze programma’sondersteunen de meest kwetsbare kinderen om zich zo optimaal mogelijkte ontwikkelen. Tot slot hebben we in het bijzonder aandacht voor deovergangsmomenten in het onderwijs, bijvoorbeeld met de subsidiere-geling Overgang van po naar vo. Deze regeling ondersteunt scholen om incoalities te werken aan het versoepelen van deze overgang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1764 11Wat voor maatregelen staan u voor ogen om het probleem van hogewerkdruk onder leraren en onvoldoende zeggenschap bij onderwijsprofes-sionals, zoals de Staat van het Onderwijs concludeert, aan te pakken, enhoe ziet u dit in relatie tot autonomie en zeggenschap van leraren?Het aanpakken van de werkdrukbronnen in het onderwijs en hetversterken van de zeggenschap van onderwijsprofessionals is essentieelvoor de aantrekkelijkheid van het beroep en de kwaliteit van hetonderwijs. Daarom is onderzoek gedaan. In juni wordt uw Kamergeïnformeerd over de resultaten. Daarnaast is conform de aankondigingin het debat met uw Kamer over de sturing van het onderwijs gestart metde voorbereiding van het wetsvoorstel Versterken Inspraak Leraren enSchoolleiders. Dit wetsvoorstel dient de inspraak van leraren en school-leiders stevig te borgen om zo de aantrekkelijkheid en kwaliteit voor deuitoefening van het vak, en daarmee de kwaliteit van het onderwijs, teversterken. Ook draagt dit bij aan de autonomie van leraren en school-leiders waarmee het werkplezier vergroot wordt. Voor het zomerrecesinformeren wij uw Kamer verder over de inzet op de beroepsgroep, delerarentoets en andere zaken die bijdragen aan het versterken vanzeggenschap en de autonomie van de onderwijsprofessional. Daarnaastzorg ik er met de actualisatie van het curriculum en concrete kerndoelenvoor dat de overladenheid word teruggedrongen en scholen eenduidelijke opdracht hebben.12Hoe verhoudt het gebrek aan vertrouwen van de gehele onderwijssectorin het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs zich tot de motie van deleden Van Zanten en Rooderkerk?6Het concept van het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs is tot standgekomen op basis van vele gesprekken met leraren, leerlingen, ouders,schoolleiders en andere betrokkenen. Het betrekken van leraren bij detotstandkoming van beleid is hierbij ook zeker aan de orde geweest, zowelvia de werkwijze met gesprekken over het conceptplan als ook als themaom stappen op te zetten in het kader van dit conceptplan. De opmerkingdat dit plan geen vertrouwen heeft laat ik dan ook bij de vragensteller.Op verzoek van uw Kamer heeft u op 10 juni jl. een schriftelijke reactieontvangen aangaande het terugtrekken van de sociale partners uit deverdere gesprekken over het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs.713Gaat u door met het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs zonder desteun van leraren, scholen en scholieren?Zie het antwoord op vraag 12.14Hoeveel scholen uit sociaaleconomisch minder sterke gebieden zijnbetrokken bij het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs en hoe wordtvoorkomen dat scholen met een relatief hoog aandeel leerlingen uit dezekwetsbare sociaaleconomische milieus achterblijven bij deze kwaliteitsver-betering?De afgelopen periode zijn veel gesprekken gevoerd met een breed scalaaan partijen, ook scholen met een relatief hoog aandeel leerlingen uitkwetsbare milieus horen daarbij.6Kamerstuk 27 923, nr. 503.7Kamerstukken II, 2024–2025, 36 725 VIII, nr. 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1765 15Wat is volgens u de reden dat leerlingen in het vmbo-basis en vmbo-kaderstructureel onder het niveau voor rekenen en taal scoren, en welkespecifieke ondersteuning wordt hen op dit moment geboden?We weten al langer dat met name voor veel vmbo-basisleerlingen hetmaatschappelijk niveau 2F, zoals dat nu geldt vanuit de referentiekaders,na vier jaar nog niet gehaald wordt.8 Sinds de coronaschoolsluitingen zienwe een verdere daling van prestaties in het hele voortgezet onderwijs. Eris daarom de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het onderwijs. Eerstmet het Nationaal Programma Onderwijs en daarna met het Masterplanbasisvaardigheden. De inspanningen zijn erop gericht om leerlingen in hethele funderend onderwijs beter te laten presteren, maar ook om hen goedop te vangen in het mbo. Daarbij is er specifiek aandacht voor het vmboen laten we onderzoek naar effectieve aanpakken voor dit onderwijstype.In het kader van de curriculumherziening worden ook de referentieniveausgeëvalueerd en de examenprogramma’s aangepast, zodat leerlingen dieslagen goed voorbereid beginnen aan het vervolgonderwijs en voorbereidzijn op de toekomst. In het mbo zorgen we voor een goede ondersteuningvan startende studenten die de basisvaardigheden nog onvoldoendebeheersen. Mbo-instellingen krijgen hiervoor in de studiejaren 2025/2026en 2026/2027 in totaal € 47,2 miljoen om taal- en rekenachterstandendoelgericht aan te pakken om onnodige studievertraging en uitval tevoorkomen.916In welke regio’s is de werkdruk onder leraren het hoogst, en hoeverhouden deze regio’s zich tot gebieden met sociaaleconomischeachterstanden?Ook dit thema heeft mijn aandacht. Uw Kamer wordt voor de zomergeïnformeerd over onderzoek dat hieraan raakt.17Hoeveel middelen worden binnen het Herstelplan kwaliteit funderendonderwijs vrijgemaakt voor het terugdringen van de werkdruk en hoeworden deze middelen verdeeld?Zie het antwoord op vraag 4.18Op welke termijn worden welke afrekenbare doelen zichtbaar van dederde Onderwijsagenda waarin de schoolbesturen, de Expertisecentravoor Onderwijszorg, de openbare lichamen van Bonaire, Saba enSint-Eustatius en het Ministerie van OCW doelen en prioriteiten hebbenbeschreven om gezamenlijk te werken aan een hogere kwaliteit van hetonderwijs in Caribisch Nederland?10In de derde Onderwijsagenda’s zijn concrete doelen vastgelegd voor deperiode 2023–2027. Deze doelen zijn bedoeld om de kwaliteit van hetonderwijs te verbeteren en vormen het uitgangspunt voor gezamenlijkeinspanningen van de scholen, de openbare lichamen en OCW. DeOnderwijsagenda’s van Bonaire en Saba zijn in juli 2023 vastgesteld, ende Onderwijsagenda van Sint Eustatius in januari 2024. De voortgang opde prioriteiten en mijlpalen worden regelmatig met alle partijenbesproken waarbij gezamenlijk wordt gekeken wat daar nog meer voor8Onna, M. van, Straat, H., & Alberts, R., Verslag ijkingsonderzoek centrale examens NederlandsVO 2014 aan de referentiesets en referentieniveaus taal (2014)9Kamerstukken II, 2024–2025, 31 524, nr. 657.10Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 133.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1766 nodig is. Niet alle doelen kunnen gelijktijdig worden behaald. Sommigeonderdelen zijn al afgerond. Zo zijn er coaches beschikbaar gesteld die hetonderwijspersoneel ondersteunen en zijn op Sint Eustatius de meerjarigeonderhoudsplannen opgeleverd. De meeste onderdelen hebben eenlangere doorlooptijd en vragen continue inzet van alle partijen. Wij blijvenons gezamenlijk inzetten om alle doelen uit de derde Onderwijsagendaeind 2027 te behalen.19Hoe zorgt u ervoor zorgen dat er zicht blijft op de leerachterstand vanleerlingen in het praktijkonderwijs op het gebied van taal en rekenen,aangezien er op dit moment geen uitspraken kunnen worden gedaanworden over deze leerachterstand?In overleg met de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) wordtgekeken hoe leerlingen uit het praktijkonderwijs kunnen deelnemen aande peilonderzoeken taal en rekenen, zodat er ook voor leerlingen in hetpraktijkonderwijs uitspraken gedaan kunnen worden over de beheersingvan deze vaardigheden.20Kunt u kwantificeren in welke mate u, met de Aanpak voortijdig schoolver-laten en de inzet van mbo-instellingen in de kwaliteitsagenda’s mbo, eenverdere daling verwacht van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters?Zoals uw Kamer heeft verzocht 11, streven wij ernaar om in 2026 hetaantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (hierna: vsv’ers) te laten dalen totjaarlijks maximaal 18.000 in 2026. In schooljaar 2023/2024 waren dit er29.263. Op basis van een doorrekening van de kwaliteitsplannen van dembo-instellingen is de verwachting dat hun gezamenlijke inzet zal leidentot 19.300 vsv’ers in het mbo in 2027.12 Dit aantal moet nog verderomlaag. Het landelijke actieplan vsv is een belangrijke om deze daling tebereiken. In de nieuwe regionale programma’s, die voortvloeien uit hetwetsvoorstel van school naar duurzaam werk, worden regio’s verplichtom een ambitieuzer doel op te nemen dan in de kwaliteitsagenda’s nu isopgenomen. Hiervoor is vanaf 2026 jaarlijks ruim € 90 miljoenbeschikbaar waarmee zij aanvullende maatregelen nemen gericht op dejongeren met de hoogste kans op uitval. Uw Kamer wordt over delandelijke vsv-cijfers en de nieuwe regionale programma’s in het voorjaarvan 2026 geïnformeerd.21Hoe beziet u de druk op passend onderwijs, die u in verband brengt metde inrichting van het stelsel, in het kader van andere factoren zoalsonderwijstijd en administratieve lasten?Er zijn nog te veel leerlingen die niet de ondersteuning krijgen die zijnodig hebben. Daarom werken we aan de verbetering van passendonderwijs. In de brief van 24 april 2025 is uw Kamer geïnformeerd over devoortgang op de verbeteraanpak passend onderwijs. In het kader van deverbeteraanpak werken we ook aan het terugdringen van de administra-tieve lasten. Bijvoorbeeld rondom de ontwikkelingsperspectieven en deprocedure voor de afgifte van een toelaatbaarheidsverklaring. Samen metbelanghebbenden is een «Verbetertraject ontwikkelingsperspectief entoelaatbaarheidsverklaring» gestart, met o.a. als doel te komen tot eenfunctioneel ontwikkelingsperspectief, dat zo beknopt mogelijk is, de11Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 609.12ResearchNed (2024). Monitor Werkagenda Mbo 2023–2027 en Stagepact 2023–2027: Prioriteit1 – Kansengelijkheid: Analyse kwaliteitsplannen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1767 wettelijke vereisten bevat en overbodige administratie voorkomt. Ook zijneen handreiking en trainingen voor onderwijsprofessionals onderdeel vandit traject. Rondom de toelaatbaarheidsverklaringen zetten we onderandere in op de afgifte van toelaatbaarheidsverklaringen voor langereduur en het verplicht maken van een landelijk format voor de aanvraagvan een toelaatbaarheidsverklaring. We zien geen directe relatie tussenonderwijstijd en de druk op passend onderwijs.22Hoe ziet u de toegenomen vraag naar plekken in het speciaal onderwijs inhet licht van de voortgang van de 25 maatregelen passend onderwijs?13Zoals aangegeven in de recente Kamerbrief over passend onderwijs is hetvooral belangrijk om te weten waar de stijging van het aantal leerlingen inhet gespecialiseerd onderwijs door komt.14 Daarom laten we onderzoekdoen naar de oorzaken van de stijging van het aantal leerlingen in hetgespecialiseerd onderwijs. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoekzullen we kijken of er aanvullende maatregelen nodig zijn.23Hoe beoordeelt u het gegeven dat de enige vo-school op Sint-Eustatiusook in 2024 wederom niet aan de basiskwaliteit voldoet?De inspectie de beoordeelt de onderwijskwaliteit van deze schoolwederom als onvoldoende. Het feit dat het de enige vo-school op heteiland betreft, maakt de situatie extra kwetsbaar. Daarom is het vanbelang dat de school zo spoedig mogelijk de onderwijskwaliteit op ordebrengt. De school ontvangt hiervoor ondersteuning vanuit de overheid.24Welke structurele maatregelen worden overwogen om de situatie op devo-school op Sint-Eustatius duurzaam te verbeteren?Het op orde brengen van de onderwijskwaliteit is de verantwoordelijkheidvan het schoolbestuur. De school staat onder voortdurende aandacht vande inspectie. Er zijn herstelopdrachten afgegeven en bijbehorendehersteltermijnen afgesproken. Zo moet het schoolbestuur het zicht op deontwikkeling en begeleiding van leerlingen verbeteren, en moet er vooralle leerlingen van het praktijkonderwijs een handelingsplan wordenopgesteld. Uit het vervolgtoezicht moet blijken of de school de onderwijs-kwaliteit weer op orde heeft gebracht. In het kader van de derde onder-wijsagenda hebben we middelen beschikbaar gesteld voor ondersteuningvan de scholen.25Uit de Staat van het Onderwijs 2025 komt naar voren dat de uitval onderstudenten sterk samenhangt met het inkomen van hun ouders, hoe duidtu deze cijfers?Het klopt dat studenten van ouders met lagere inkomens vaker uitvallen ofswitchen. Dit geldt ook voor eerstegeneratiestudenten, mannelijkestudenten en studenten met een migratieachtergrond. In het onderzoeknaar de doorstroom van eerstegeneratiestudenten en vergelijkbaregroepen, concludeert Dialogic dat verschillende achtergrondkenmerkentegelijk voorkomen bij een student.15 Deze zijn daarmee niet los van elkaar13Kamerstukken II, 2024–2025, 31 497, nr. 371.14Kamerstukken II, 2024–2025, 31 497, nr. 497.15Zie: Een serieuze zaak - De wereld van kansenongelijkheid voor eerstegeneratiestudentenachter het halen van een diploma | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1768 te zien en te destilleren tot één verklarend kenmerk als het gaat om hetrisico op uitval en switch. Wel is het aannemelijk dat financiële stress eeneffect heeft op het studiesucces (en welzijn) van studenten. Ook in hetmbo is in eerdere onderzoeken16 aangetoond dat financiële problemen dekans op voortijdig schoolverlaten vergroten.De financiële positie van studenten heeft daarom ook de bijzondereaandacht van dit kabinet. In de beleidsreactie op het onderzoek dat hetNibud heeft gedaan naar de financiële positie van studenten, is uiteen-gezet welke maatregelen dit kabinet neemt om studenten financieelweerbaar te maken.17 Het Nibud voert het Studentenonderzoek iederetwee jaar uit. Daarmee blijft de financiële situatie van studentenzorgvuldig gemonitord worden.26Hoeveel procent van de meldingen over sociale veiligheid is doorinstellingen afgehandeld conform de aanbevelingen van de Arbeidsin-spectie?In het rapport van de Arbeidsinspectie uit 2024 staat geen aanbeveling diespecifiek betrekking heeft op de afhandeling van klachten of eenpercentage daarvan. Wel wordt aanbevolen om te onderzoeken «hoe deinformele procedures om te melden beter kunnen aansluiten op debehoeften van medewerkers met klachten over werkdruk en ongewenstgedrag.»18 Momenteel wordt in opdracht van OCW een onderzoekuitgevoerd naar de klacht- en meldvoorzieningen op instellingen. Dit zalnaar verwachting voor de zomer met een beleidsreactie naar de TweedeKamer worden verzonden.27Hoeveel meldingen van stagediscriminatie, sociale onveiligheid ofstagemisbruik zijn de afgelopen drie jaar geregistreerd bij mbo- enho-instellingen, en hoe wordt deze informatie landelijk verzameld engedeeld?Er wordt niet landelijk geregistreerd hoe vaak studenten in het mbo, hboen wo melding maken over stagediscriminatie, sociale onveiligheid ofstagemisbruik. Studenten kunnen deze zaken melden bij een vertrouwens-persoon binnen hun instelling. Daarnaast kunnen studenten ook meldingmaken bij de Inspectie van het Onderwijs of de Arbeidsinspectie. Voormeldingen van discriminatie kunnen zij, naast hun eigen onderwijs-instelling, terecht bij het landelijk meldpunt Discriminatie.nl.In het kader van sociale veiligheid werken hogescholen en universiteitenmomenteel aan een op sectorniveau geaggregeerd overzicht vanmonitoringsresultaten. Zij zullen dit overzicht voor de zomer van 2025beschikbaar stellen aan de Minister van OCW. Daarnaast bestedeninstellingen, zoals omschreven in het bestuursakkoord Hoger onderwijsen Wetenschap, in hun jaarverslag expliciet en herkenbaar aandacht aanontwikkelingen op het gebied van sociale veiligheid en inclusie.Hogescholen die een centraal meldpunt hebben in het kader vanstagediscriminatie, geven aan dat er ongeveer 1 melding per maandbinnenkomt, zo’n 10 meldingen per jaar. Bij sommigen zijn dat er slechts 2of 3.16Algemene Rekenkamer (2024), Op weg naar gelijke kansen in het middelbare beroepson-derwijs en CBS (2021), Samenhang tussen problemen en de kans op voortijdig schoolverlaten.17Kamerbrief over onderzoek naar financiële positie studenten | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl18Arbeidsinspectie (2024) Arbo in bedrijf special: Onderzoeksrapport Psychosociale arbeidsbe-lasting universiteiten, Onderzoek naar de stand van zaken rond werkdruk en ongewenstgedrag en de aanpak hiervan op 14 Nederlandse publieke universiteiten, p. 60. [https://www.nlarbeidsinspectie.nl/publicaties 14 mei 2024]Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1769 Daarnaast meet de Nationale Studentenenquête (hierna: NSE) elk jaaronder andere het gevoel van sociale (on)veiligheid onder hbo- enwo-studenten door deze te vragen of ze zich veilig voelen om zichzelf tezijn op de instelling. In 2024 (en ook de jaren daarvoor) was hetpercentage studenten dat aangaf zich veilig te voelen om zichzelf te zijnop de instellingen zo’n 85%.Ook in het mbo is er geen totaaloverzicht van alle meldingen. Welrapporteert SBB, zoals in het Stagepact is afgesproken, sinds 2024 jaarlijksover de meldingen van stagediscriminatie die bij hen zijn binnengekomenin de landelijke rapportage Meldingen Stagediscriminatie. In derapportage is te lezen dat in 2023 bij bekostigde onderwijsinstellingen intotaal 56 meldingen van stagediscriminatie zijn geregistreerd. Via hetklachtenportaal van SBB zijn daarnaast nog 42 meldingen binnenge-komen. Over eerdere jaren zijn geen cijfers gepubliceerd.28In hoeverre is het voeren van gesprekken over pesten, discriminatie enpolarisatie momenteel verankerd in de opleiding en nascholing vanleraren in het po, vo en mbo, mede in het licht van de aanbeveling vanleraren uit de Staat van het Onderwijs 2025 om beter toegerust te wordenvoor het voeren van dergelijke gesprekken?Het bespreekbaar maken van complexe onderwerpen komt aan bod in delerarenopleiding en bij het pedagogisch-didactisch getuigschrift. Deaandacht voor dit thema wordt verder versterkt met de nu lopendeherijking van de kennisbases voor lerarenopleidingen. Het bespreekbaarmaken van complexe onderwerpen wordt ook aangeboden in nascho-lingstrajecten. Nascholing valt onder de verantwoordelijkheid van dewerkgevers, zij kunnen hierop inzetten als zij dat noodzakelijk of wenselijkachten.29Hoe duidt u de bevinding uit de Staat van het Onderwijs 2025 dat 20procent van de mbo-4-studenten en 32 procent van de entreestudentenaangeeft discriminatie te hebben meegemaakt tijdens hun opleiding?Deze cijfers zijn zorgelijk. Voor mbo-studenten én personeel is een veiligeleer- en werkomgeving van groot belang. Een veilige omgeving isessentieel om een sfeer te creëren waarin studenten zich kunnenontwikkelen. Daarom wordt er op dit moment gewerkt aan eenwetsvoorstel voor een zorgplicht voor de veiligheid voor mbo- enhbo-instellingen en universiteiten. Daarmee wordt de verantwoorde-lijkheid die instellingen dragen voor veiligheid wettelijk vastgelegd. Zoworden instellingen verplicht om veiligheidsbeleid te voeren en dialoog tebevorderen binnen hun instelling. Ook wordt het interne en externetoezicht versterkt. Zoals toegezegd, zal het wetsvoorstel in het najaar van2025 in internetconsultatie gaan. Het zal dan naar verwachting in 2026worden ingediend bij de Tweede Kamer.Waar het gaat over discriminatie bij de stage geldt dat in de erkennings-voorwaarden om leerbedrijf te worden is opgenomen dat er sprake moetzijn van een (sociaal) veilige leerplaats. Hier hoort bij dat er geen sprake isvan discriminatie. SBB neemt alle meldingen over stagediscriminatie ensociale onveiligheid in behandeling en gaat hierover in gesprek met hetbetreffende leerbedrijf. Dit kan leiden tot verbeterafspraken en, indiennodig, tot intrekking van de erkenning. In het Stagepact MBO is tevensafgesproken dat iedere school zorgt voor een laagdrempelig meldpunt,met ondersteuning en nazorg voor de student, indien de studentstagediscriminatie meemaakt. Vrijwel alle scholen hebben inmiddels zo’nmeldpunt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17610 30Hoe zorgt u ervoor dat de afspraken uit het Normenkader Informatiebevei-liging en Privacy voor het Funderend Onderwijs breed wordt nageleefd?Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de digitale veiligheid. HetNormenkader Informatiebeveiliging en Privacy Funderend Onderwijs datin april 2023 is gelanceerd helpt hen daarbij. Vanuit het programmaDigitaal Veilig Onderwijs is in de eerste fase vooral ingezet op deondersteuning van schoolbesturen bij de opgave de digitale veiligheid teverhogen en toe te werken naar het streefniveau van het normenkader.Daarmee wordt het onderwijs stap voor stap een stukje veiliger. In detweede fase van het programma richten we ook toezicht en handhavingin. Op dit moment lopen er gesprekken met o.a. de PO-Raad, VO-raad ende Inspectie van het Onderwijs over de manier waarop toezicht enhandhaving t.a.v. digitale veiligheid in het funderend onderwijs wordeningericht. Daarbij wordt zowel gekeken naar de rol van RvT’s in interntoezicht, als naar de rol van de Inspectie in extern toezicht. Hierover wordtuw Kamer in het najaar van 2025 nader geïnformeerd.31Heeft u indicaties dat het Normenkader Informatiebeveiliging en Privacyvoor het Funderend Onderwijs voldoende en breed wordt nageleefd in hetonderwijs, en kunt u dit uitdrukken in het aantal scholen dat de normenheeft geïmplementeerd?Uit een indicatieve nulmeting vanuit het programma Digitaal VeiligOnderwijs blijkt dat onder de 15 onderzochte schoolbesturen geen enkelbestuur op alle normen aan niveau 3 voldoet.19 Veel besturen zijn goed opweg en steeds bewuster met digitale veiligheid bezig, maar er is nog veelwerk te doen. Dat blijkt ook uit onderzoek van SIVON onder 14 schoolbe-sturen. Daar varieert het volwassenheidsniveau van besturen tussen de1,5 en 2,7 met een gemiddelde van 1,9 (op een schaal van 1 tot 5 enstreefniveau 3).20 Om de stand in de hele sector goed inzichtelijk te makenkomt er vanuit het programma een monitor waarmee vanaf 2026periodiek het niveau van de sector gemeten gaat worden.32Wat voor mechanisme voor het 24/7 bijhouden van (cyber)dreigingenbedoelt u en welke voorzieningen zijn hiervoor beschikbaar?Met een mechanisme om 24/7 dreigingen te monitoren wordt bedoeld datde instellingen in het vervolgonderwijs beschikken over een passendeSecurity Operations Center (SOC)-oplossing voor monitoring en passendeopvolging. Veelal zijn instellingen aangesloten op de SOC-oplossing vanSURF. In de brief21 die 24 april jl. naar de Kamer is verzonden over devoortgang op cyberweerbaarheid wordt hier verder in gegaan.33Wat is het gevolg van thuis-of-kluisbeleid voor smartphones op de socialeen digitale veiligheid op scholen?Uit de monitor van de landelijke afspraak mobiele telefoons in de klasblijkt dat scholen op eigen wijze invulling aan de afspraak geven,bijvoorbeeld door een «thuis-of-in-de-kluis»-beleid of door leerlingen hun19https://www.kennisnet.nl/onderzoek/nulmeting-normenkader-ibp-waar-staat-het-funderend-onderwijs-met-informatiebeveiliging/20https://sivon.nl/2024/04/publieksversie-deep-dive/#:~:text=*Deep%20Dive%20is%20een%20van,medewerkers%20digitaal%20veilig%20kunnen%20werken21Kamerstuk 31 288, nr. 1189Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17611 telefoon vóór aanvang van de les te laten inleveren.22 Uit de monitoringblijkt ook dat de afspraak werkt en dat de afspraak leidt tot meer socialeinteractie tussen leerlingen, een betere concentratie tijdens de les en eentoegenomen gevoel van sociale veiligheid bij zowel leerlingen alsdocenten. De effecten op digitale veiligheid zijn niet onderzocht.34Hoeveel scholen hebben inmiddels thuis-of-kluisbeleid voor smartphonesingevoerd en hoe kunt u dit aandeel vergroten?Uit de monitor blijkt dat ongeveer de helft van de scholen het «thuis of inde kluis» principe toepast. Op de andere helft van de scholen geldt eenverbod tijdens de lessen. De resultaten van de monitor en de signalen dieons bereiken, laten zien dat de afspraak de gewenste effecten heeft en datscholen er in de praktijk goed mee uit de voeten kunnen.35Wat is de status van de motie van het lid Kathmann en betrekt u deze bijhet uitwerken van plannen voor cyberweerbare scholen?23Met de verkenning door Dialogic naar de kansen en knelpunten vanalternatieven voor software van grote techbedrijven is invulling gegevenaan deze motie.24 Inmiddels is een vervolgonderzoek gestart naar devoorwaarden voor een mogelijke overstap naar een alternatief.Tegelijkertijd worden in het funderend onderwijs relevante stappengenomen. Het programma Edu-v werkt bijvoorbeeld aan een keurmerkvoor digitale producten. Daarnaast is SIVON, de ICT-inkooporganisatievoor het FO, dit jaar gestart met een pilot voor een Open Source ProgramOffice (OSPO). Het OSPO zal het doel hebben om overzicht aan te brengenin de bestaande open source toepassingen die relevant zijn voor hetonderwijs.Voor wat betreft cyberveiligheid, moeten schoolbesturen passendemaatregelen nemen om hun informatiebeveiliging en privacy op orde tehebben. Het programma Digitaal Veilig Onderwijs ondersteunt hen hierbij.Zo zijn er binnen DVO DPIA’s25 uitgevoerd op onderwijssoftware, is er eennormenkader voor informatiebeveiliging en privacy ontwikkeld en is hetschool-CERT26 ter ondersteuning bij hacks en digitale dreigingen gestart.36Hoeveel meldingen van sociale onveiligheid zijn sinds mei 2024 binnenge-komen bij hogescholen en universiteiten?Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 27 hebben onderwijs-instellingen vele voorzieningen ingericht voor hun medewerkers enstudenten om zich te melden als er zich iets heeft voorgedaan of als zijiets willen bespreken in het kader van sociale veiligheid. De meldingenworden echter niet centraal verzameld.37Wat is volgens u de reden achter het ontbreken van een duidelijkedefinitie van stagediscriminatie, sociale onveiligheid en stagemisbruik inhet vo?22Carrión Braakman et al., 2024, Monitoring landelijke afspraak mobiele telefoons en anderedevices in de klas – Tussenrapport nulmeting, Amsterdam: Kohnstamm Instituut, Utrecht:Oberon Onderzoek en Advies.23Kamerstuk 32 761, nr. 277.24Kamerbrief digitalisering en leermiddelen FO: Digitale leermiddelen | Tweede Kamer derStaten-Generaal25Data Protection Impact Assesments26Computer Emergency Response TeamTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17612 Omdat het bieden van een veilige werkplek een verantwoordelijkheid vande stagebedrijven is, en stages in het voortgezet onderwijs maar een heelbeperkt deel van het curriculum uitmaken in vergelijking met het mbo,worden er vanuit het voortgezet onderwijs hier geen definities voorgegeven of cijfers over bijgehouden. Het is natuurlijk onacceptabel als erbij stages sprake is van discriminatie, onveiligheid of misbruik. Het gaatom kinderen in een afhankelijke positie, dus die moeten vrij en veiligkunnen leren en werken. Werkgevers, namelijk de stagebedrijven van eenleerling, zijn verantwoordelijk voor de veiligheid op de werkplek. Zijmoeten er dus ook voor zorgen dat leerlingen uit het voortgezet onderwijsdie stage lopen dat veilig kunnen doen. Voor deze stageplekken geldenverschillende eisen. Denk bijvoorbeeld aan dat het stagebedrijf erkendmoet zijn door de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfs-leven (SBB), dat de stagebegeleider een opleiding gevolgd heeft, dat ereen door school, het stagebedrijf, ouders en leerling getekende stageover-eenkomst is.Scholen moeten daarnaast jaarlijks verplicht de veiligheidsbeleving vanleerlingen monitoren. De informatie die deze monitor oplevert kunnenscholen gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren. Dat kan dusook betrekking hebben op signalen over onveiligheid of discriminatietijdens stages.38Bent u voornemens om alsnog tot een heldere en uniforme definitie vanstagediscriminatie, sociale onveiligheid en stagemisbruik te komen, zodatonderwijsinstellingen, leerbedrijven en de Inspectie op basis van dezelfdebegrippen beleid kunnen voeren en toezicht kunnen houden? Zo ja,binnen welke termijn?Het is aan de door Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven(hierna: SBB) erkende stagebedrijven om voor een veilige werkomgevingte zorgen. Het kabinet vindt het belangrijk dat SBB en andere betrokkenpartijen werken aan de genoemde thema’s. Overigens kan een erkenningook nu al worden ingetrokken als niet aan de voorwaarden voor erkenningwordt voldaan.39Wat is volgens u de reden dat gevallen van stagediscriminatie in het voniet actief worden bijgehouden?Stage in het voortgezet onderwijs is, in tegenstelling tot het mbo, opslechts een aantal plekken verplicht onderdeel van het curriculum.Daarnaast is het bieden van een veilige werkplek de verantwoordelijkheidvan de door SBB erkende stagebedrijven. Scholen moeten jaarlijksverplicht de veiligheidsbeleving van leerlingen monitoren. De informatiedie deze monitor oplevert kunnen scholen gebruiken om hun veiligheids-beleid te verbeteren. Dat kan dus ook betrekking hebben op signalen overstagediscriminatie. Omdat veiligheid in dit geval een verantwoordelijkheidis van de stagebedrijven, is het niet aan ons ministerie om hier cijfers overbij te houden.40Bent u bereid om structurele registratie van dergelijke meldingen verplichtte stellen voor instellingen in het vo? Zo ja, binnen welke termijn?Nee.41In hoeverre zijn onderwijsinstellingen verplicht om stageplekken vooraf tescreenen op sociale veiligheid en het voorkomen van discriminatie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17613 Bij het vooraf screenen van stageplekken op sociale veiligheid bestaan erverschillen tussen het mbo en het hbo/wo. In het algemeen is het voorafscreenen van stageplekken op sociale veiligheid en voorkomen vandiscriminatie geen aparte verplichting voor onderwijsinstellingen. Het is inde eerste plaats aan stagebedrijven of -organisaties om ervoor te zorgendat discriminatie niet op de werkvloer plaatsvindt en te zorgen voor eensociaal veilige werkomgeving. Dit vloeit voort uit de zorgplicht voor hetvoorkomen van psychosociale arbeidsbelasting vanuit de Arbowet. Het isaan de arbeidsinspectie om hierop toe te zien en in te grijpen als signalenhier aanleiding toe geven.Tegelijkertijd hebben onderwijsinstellingen ook een verantwoordelijkheidrichting hun studenten, zeker als de stage een formeel onderdeel is vanhet curriculum, zoals in de meeste gevallen in het mbo. In het mbo kandaarom alleen stage gelopen worden bij een erkend leerbedrijf. In deerkenningsvoorwaarden is opgenomen dat leerbedrijven verplicht zijn omeen goede leerplaats te bieden in (sociaal) veilige omstandigheden. Dat ergeen sprake is van stagediscriminatie staat benoemd als uitwerking vaneen (sociaal) veilige leerplaats. SBB is verantwoordelijk voor de erkenningvan leerbedrijven en deze screening vindt in het mbo dus plaats doorSBB.Tot slot hebben onderwijsinstellingen in het hbo/wo hebben een directerelatie met het werkveld/ afnemend beroepenveld en vaak langjarig engoed contact, waar ze studenten aan koppelen voor hun stage. Studentenworden bij de stages begeleid vanuit de opleiding door een stagedocent,die tijdens de stage contact onderhoudt met de student. De meeste hbo-en wo-opleidingen hanteren daarnaast stageovereenkomsten, waarin zijeisen aan het werkveld stellen die een goede stage waarborgen. Dezeovereenkomsten zijn niet wettelijk verplicht, maar worden door onderwijs-bonden wel geadviseerd te gebruiken om bijvoorbeeld discriminatie tegente gaan.42Op welke manier wordt studenten met een kwetsbare positie, zoalsstudenten met een migratieachtergrond, beperking of lage sociaalecono-mische status, actief ondersteuning geboden bij het melden van onveiligeof discriminerende situaties tijdens stages?In het Stagepact mbo 2023–2027 is afgesproken dat meldpuntenlaagdrempelig en toegankelijk moeten zijn. Studenten worden tijdens devoorbereiding van de BPV geïnformeerd over hun rechten bij onveilige ofdiscriminerende situaties en krijgen hierbij begeleiding van stagebege-leiders op school. Leerbedrijven hebben ook de verantwoordelijkheid omgoede begeleiding en een sociaal veilige leeromgeving te bieden. Dezevereisten zijn vastgelegd in het erkenningsreglement van SBB.In het Manifest tegen stagediscriminatie in het hbo en wo (2022–2026)27 isafgesproken dat er vanuit de onderwijsinstellingen aan studenten eenadequate borging wordt geboden ten aanzien van het zoeken, vinden enbehouden van een stageplek in de context van gelijke kansen. Daarbij isafgesproken dat onderwijsinstellingen zorgen voor een laagdrempelige entoegankelijke procedure voor het melden en bespreekbaar maken vanstagediscriminatie. In het kader van professionalisering, leren stagedo-centen ook hoe ze voorafgaand en tijdens de stage kunnen zorgen datstudenten bij hen meldingen maken van racisme, discriminatie ofuitsluiting. Daarnaast worden er vanuit de meeste onderwijsinstellingeneisen gesteld aan stagebiedende organisaties wat betreft de inhoud vande stage en de begeleiding van studenten. Deze eisen worden door deopleidingen gemonitord.27Manifest tegen stagediscriminatie hoger onderwijs | Publicatie | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17614 43Hoe wordt geborgd dat opleidingen niet uitsluitend afhankelijk zijn vanstudentmeldingen om zicht te houden op sociale veiligheid, gezien deerkende hoge meldingsdrempel onder studenten?Er zijn verschillende manieren waarop instellingen zicht kunnen houdenop de sociale veiligheid. Instellingen kunnen in algemene zin de (ervaren)sociale veiligheid monitoren, via bijvoorbeeld de JOB monitor voor hetmbo, en voor hbo- en wo-instellingen via de Nationale StudentenEnquête. Waar nodig kan een instellingsbestuur hierop acteren vanuit deverantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een veilige leer- enwerkomgeving. Daarnaast werken hogescholen en universiteitenmomenteel aan een overzicht van monitoringsresultaten sociale veiligheidgeaggregeerd op sectorniveau op basis van verschillende bestaandemonitors en enquêtes. Zij zullen dit voor de zomer van 2025 beschikbaarstellen aan de Minister van OCW. Als onderdeel van de integrale aanpaksociale veiligheid werkt het kabinet aan het verbeteren van de voorzie-ningen voor klachten en meldingen door studenten en medewerkers. Inopdracht van OCW wordt momenteel een onderzoek uitgevoerd naar deklacht- en meldvoorzieningen. Dit zal waarschijnlijk voor de zomer meteen beleidsreactie naar de Tweede Kamer worden gezonden. Conform decao-universiteiten wordt tevens gewerkt aan een meldpunt socialeveiligheid per universiteit. Ook werk ik aan een wetsvoorstel voor eenzorgplicht sociale veiligheid voor het gehele vervolgonderwijs enonderzoek. Dit is gericht op onder meer de verplichting tot cyclisch beleid,inclusief monitoring en evaluatie, het bevorderen van de interne dialoogbinnen instellingen en versterking van het interne en externe toezicht.Naar verwachting gaat dit wetsvoorstel in het najaar van 2025 ininternetconsultatie.44Wordt overwogen om stagediscriminatie en sociale onveiligheid bij stagesexpliciet op te nemen in de kwaliteitscriteria voor leerbedrijven en in hettoezichtskader van de Inspectie?In het erkenningsreglement van SBB staat dat leerbedrijven verplicht zijnom een goede leerplaats te bieden in (sociaal) veilige omstandigheden.Dat er geen sprake is van stagediscriminatie staat benoemd als uitwerkingvan een (sociaal) veilige leerplaats. Daarmee is dit al een belangrijkonderdeel van de erkenning. SBB neemt alle meldingen over stagediscri-minatie en sociale onveiligheid in behandeling en gaat hierover in gesprekmet het betreffende leerbedrijf. Dit kan leiden tot verbeterafspraken en,indien nodig, tot intrekking van de erkenning.De inspectie gaat niet over de kwaliteitscriteria voor leerbedrijven, dieverantwoordelijkheid ligt bij SBB. De ontwikkeling van het kader is in eente pril stadium om uitspraken te doen of wordt overwogen om stagediscri-minatie en sociale onveiligheid bij stages expliciet op te nemen.45Bestaan er momenteel richtlijnen voor studievoorlichting aan aanko-mende studenten in het hbo en wo?Het is aan instellingen om studenten goed voor te lichten over de inhoudvan de opleiding, zodat aankomend studenten een goede keuze kunnenmaken. Hier zijn geen richtlijnen voor. Wel hebben studenten, wanneer zijzich uiterlijk voor 1 mei inschrijven voor hun studie, recht op eenstudiekeuzecheck. Hiermee kunnen studenten nagaan of de gekozenopleiding echt passend is of dat een andere studie wellicht beter past. HetLandelijk Centrum Studiekeuze (hierna: LCSK) is daarnaast vanuit hetMinisterie van OCW belast met de wettelijke taak om objectieve,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17615 betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en(kosteloos) te verspreiden. Dit doet het LCSK onder andere via de websitestudiekeuze123.nl, het verspreiden van voorlichtingsmateriaal onderdecanen op middelbare scholen en middels aparte campagnes.46Zijn er cijfers beschikbaar over het aantal studenten dat zich vóór1 februari uitschrijft vanwege een eventueel negatief bsa28?Het aantal studenten dat zich voor 1 februari uitschreef uit het hbo of wobetrof in het studiejaar 2023–2024 18.639 studenten. Welke studenten een(voorlopig) negatief bsa ontvangen wordt niet landelijk geregistreerd enkan daarom niet gekoppeld worden aan landelijke cijfers over uitval enswitch. Het is daarom niet bekend waarom deze studenten zich (in dezeperiode) uitschreven.Via de Startmonitor wordt wel steekproefsgewijs gevraagd aan eerste-jaarsstudenten of zij eerder zijn uitgevallen (ongeacht wanneer dit isgebeurd) en wat de reden hiervoor was. Hier wordt over gerapporteerdvia het Trendrapport.29 In het studiejaar 2022–2023 gaf 14 procent van destudenten in het wo die eerder uitvielen en wisselden van studie aan dateen negatief bsa hier aan ten grondslag lag. In het hbo betrof dit 3 procentvan de studenten die eerder uitvielen en wisselden van studie.3047Zijn er cijfers beschikbaar over het aantal studenten dat zich vanwege eeneventueel negatief bsa uitschrijft na 1 februari maar voor 1 maart?Het aantal studenten dat zich na 1 februari en voor 1 maart uitschreef uithet hbo of wo betrof in het studiejaar 2023–2024 1.859 studenten. Zoalsook in het vorige antwoord aangegeven is niet bekend waarom dezestudenten zich (in deze periode) uitschreven.48Zijn er cijfers beschikbaar over het aantal studenten dat zich vanwege eeneventueel negatief bsa uitschrijft na 1 maart?Het aantal studenten dat zich na 1 maart uitschreef uit het hbo en wobetrof in het studiejaar 2023–2024 24.193 studenten. Dit is exclusief destudenten die zich niet actief uitschrijven, maar zich niet opnieuwinschrijven voor het volgende collegejaar. Zij worden aan het einde vanhet collegejaar automatisch uitgeschreven. Het is niet bekend waaromdeze studenten zich uitschreven49Hoe groot is in Nederland de onderwijsvrijheid in termen van gelijkebekostiging voor en vrijheid om de religieuze denkbeelden over te dragenop de scholieren, in vergelijking met omliggende landen in de EuropeseUnie?De grootte van de onderwijsvrijheid in termen van gelijke bekostigingvoor en vrijheid om religieuze denkbeelden over te dragen op scholierenverschilt per land. In de meeste omliggende landen ondersteunt hetprincipe van onderwijsvrijheid de stichting van scholen die religieuzedenkbeelden overbrengen op scholieren.28Bsa: bindend studieadvies.29Trends in het ho - Publicaties - DUO30Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/23/monitor-beleidsmaatregelen-hoger-onderwijs-2022-2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17616 Bijvoorbeeld in België staat de vrijheid van onderwijs, net als inNederland, ook centraal. Volgens het oriëntatierecht mogen scholengesticht worden op basis van religie en deze privéscholen worden net alsopenbare scholen gesubsidieerd.31 In Duitsland wordt de oprichting van(religieuze) privéscholen beschermd door de Grondwet.32 De scholenontvangen subsidies vanuit de deelstaten voor operationele kosten mitsze door de overheid zijn erkend als gelijkwaardig aan het openbareonderwijs.33 Ook in Denemarken ontvangen scholen subsidie ongeacht deideologische, religieuze, politieke, of ethische beginselen die tengrondslag liggen aan de oprichting van de school.34 In Luxemburgontvangen (religieuze) privéscholen subsidie van de overheid, ongeacht ofze het nationale curriculum toepassen.Het Franse beleid wijkt af van het beleid in de bovengenoemde landen.Het Franse schoolsysteem is gebaseerd op het principe van secularisme.Uit respect voor de overtuigingen van leerlingen en hun ouders mag er inhet land geen godsdienstonderwijs in het lesprogramma wordengeboden. Gesubsidieerde onderwijsinstellingen mogen dus geen religieusonderwijs in het curriculum bieden.35 Daarnaast is bekeringsdrangverboden en mag personeel geen uiting geven aan eventuele eigengeloofsovertuigingen, ook niet in bijvoorbeeld sieraden of kleding.50Waarom denkt de Inspectie dat een optimistische toon helpt als 65procent van de vmbo-b/k leerlingen voor lezen en schrijven onder hetminimumniveau van de basisschool zit?De inspectie vraagt op meerdere plekken in het rapport nadrukkelijkaandacht voor de noodzaak om het lees- (en schrijf-)onderwijs teverbeteren. Specifiek besteedt de inspectie aandacht aan leerlingen dieonderwijs volgen op een vmbo-b/k afdeling, omdat hier het grootste risicobestaat voor latere laaggeletterdheid. De inspectie is in de Staat van hetOnderwijs helder over de feiten. Zij vindt het onveranderd belangrijk omproblemen in het onderwijs te benoemen en agenderen. In de Staat vanhet Onderwijs komt naast de controlerende ook de stimulerende rol vande inspectie tot uiting. De inspectie gaat ervan uit dat zij juist ook in haarstimulerende rol en bijvoorbeeld met het doen van aanbevelingen kanbijdragen aan beter onderwijs.51Hoe verklaart u dat bij de steekproefonderzoeken in het funderendonderwijs de meeste herstelopdrachten werden gegeven voor hetburgerschapsonderwijs, dat op veel scholen niet doelgericht, nietsamenhangend en niet herkenbaar is, maar dit burgerschapsonderwijsook niet altijd is afgestemd op de kenmerken van de leerlingenpopulatie?De inspectie heeft geen onderzoek naar de verklaring voor deze bevin-dingen gedaan. In het algemeen gesproken ziet de inspectie dat scholenaangeven dat ze het niet altijd gemakkelijk te vinden de relatief recentewettelijke burgerschapsopdracht (per augustus 2021) vorm te geven enook dat de expertise die daarvoor nodig is op plekken nog ontbreekt. Hetvraagt facilitering, prioritering en leiderschap van bestuur en school-leiding. De inspectie constateert dat scholen daarbij behoefte hebben aan31https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/eurypedia/belgium-flemish-community/organisation-private-education32https://www.gesetze-im-internet.de/englisch_gg/englisch_gg.html33https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/eurypedia/germany/early-childhood-and-school-education-funding34https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/eurypedia/denmark/organisation-private-education35https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/eurypedia/france/fundamental-principles-and-national-policiesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17617 ondersteuning. De nieuwe kerndoelen voor burgerschap geven een meerconcrete invulling van wat leerlingen op dat terrein moeten kennen enkunnen. Dit geeft houvast en focus. Waar verduidelijking van wettelijkeeisen zinvol is, zet ik daarop in met aanvullende communicatie enondersteuning van scholen, zoals door activiteiten van het ExpertisepuntBurgerschap.52Kunt u de herstelopdrachten voor het burgerschapsonderwijs uitsplitsennaar richting (openbaar, reformatorisch, islamitisch enz.)?Het beeld dat de inspectie rapporteert over de herstelopdrachten voorburgerschapsonderwijs is gebaseerd op inspectieonderzoek op steek-proeven van scholen. Deze steekproeven zijn erop gericht een landelijkbeeld te kunnen schetsen. Ze zijn niet zodanig opgezet dat betrouwbareuitspraken over deelgroepen, zoals scholen van een specifieke denomi-natie, mogelijk zijn.53Waar en wanneer is de beslissing gevallen om tekortkomingen in hetburgerschapsonderwijs niet in het eindoordeel van de Inspectie mee telaten tellen, maar slechts te laten leiden tot een herstelopdracht?Aanvankelijk was het thema burgerschap onderdeel van de standaardonderwijsaanbod (OP1). Op het moment dat de herziene wettelijkeopdracht van toepassing werd (2021), was in eerste instantie sprake vanstimulerend toezicht, vanwege de tijd die scholen doorgaans wordtgegeven voor implementatie van herziene of nieuwe wettelijke eisen. Peraugustus 2023 kreeg het onderzoekskader van de inspectie uitbreidingmet de (nieuwe) standaard OP0 (basisvaardigheden), waarvan ookburgerschap onderdeel is. Met deze standaard toetst de inspectie hetaanbod voor Nederlandse taal, rekenen-wiskunde en burgerschap in hetpo, vo en mbo. De nieuwe standaard wordt door de inspectie gefaseerdingevoerd, waarbij er in eerste instantie geen sprake is geweest vanoordelen op de standaard. Hiertoe is besloten om scholen extra tijd tegeven om op dit punt de nodige stappen te maken; de inspectie achtteoordelen op de standaard OP0 nog niet effectief. Uw Kamer is hierovergeïnformeerd in de brief van 28 juni 2024, waarbij de onderzoekskaders2024 werden aangeboden.36 In de voortgangsbrief toezicht van20 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd dat de inspectie vanaf1 augustus 2025 de standaard basisvaardigheden (OP0) zal meewegen inhet eindoordeel op school- of afdelingsniveau.3754Kunt u precies uiteenzetten hoe het zit met de representativiteit van degedane steekproeven door de Inspectie, gegeven eerdere stelligepersberichten van de Inspectie waar geen enkel woord gewijd is aan (hetgebrek aan) representativiteit?De steekproeven geven een goede dwarsdoorsnede van het scholenveld.Het voorbehoud dat de inspectie in de Staat van het Onderwijs maakt,gaat over een ander statistisch kenmerk, namelijk de zogeheten «betrouw-baarheid». Omdat de steekproeven pas volgend jaar (po) of over 3 jaar(overige deelsectoren) omvangrijk genoeg zijn om definitieve uitsprakente doen (dat wil zeggen: met een hoge mate van betrouwbaarheid)36Kamerstuk 31 293, nr. 73937Kamerstuk 31 293, nr. 780Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17618 benoemt de inspectie de uitkomsten in de Staat van het Onderwijs als«indicatief». Dit deed de inspectie ook al in de Staat van het Onderwijs2024.55Hoeveel herstelopdrachten zijn er gegeven voor onvoldoendeburgerschapsonderwijs?In onderstaande tabel staat het aantal herstelopdrachten voor burger-schap per sector (primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs envoortgezet onderwijs) in het schooljaar 2023–2024.po(v)soVoAantal onderzochte scholen/afdelingen26092306Aantal scholen dat 1 of meer herstelopdrachten kreeg14751190% scholen dat 1 of meer herstelopdrachten kreeg56,555,462,1 56Wat zijn de belangrijkste oorzaken van onvoldoende beoordelingenbinnen het mbo?De belangrijkste oorzaak van het oordeel onvoldoende in het mbo zijnonvoldoende onderwijsresultaten. De standaard Studiesucces in hetonderzoekskader van de inspectie is een zogenoemde kernstandaard. Alsde inspectie een kernstandaard als onvoldoende beoordeelt, betekent ditdat het eindoordeel voor de opleiding ook direct onvoldoende is. 45procent van de opleidingen waar de standaard Studiesucces beoordeeldkon worden, kreeg het oordeel onvoldoende op deze standaard. Voorbekostigd mbo niveau 2, 3 en 4 is de definitie en uitwerking van Studie-succes geregeld in het Uitvoeringsbesluit WEB en in de Regelingstudiesucces mbo.57Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat er in de Staat van hetOnderwijs 2025 wel sprake is van het eufemisme «ongediplomeerdeuitstroom», maar nergens van de term «voortijdig schoolverlaters»?Bij voortijdig schoolverlaten gaat het om onderwijsverlaters zonderstartkwalificatie die niet binnen een jaar ergens anders in het onderwijszijn ingeschreven. Bij ongediplomeerde uitstroom, het gegeven dat deinspectie betrekt in haar oordeel op de standaard Studiesucces, gaat hetom studenten die gestart zijn met een mbo-opleiding bij een instelling,maar die opleiding niet bij de instelling met een diploma hebbenafgerond. Het gaat dus om verschillende groepen. Van een eufemisme isbij «ongediplomeerde uitstroom» geen sprake.58Hoe verklaart u dat bij het reguliere onderzoek jarenlang slechts zo’n tweeprocent van de onderwijsinstellingen het oordeel onvoldoende of zeerzwak kreeg, maar bij een aselect steekproefonderzoek van de Inspectie inhet schooljaar 2023–2024 van de 260 scholen in het primair onderwijs 36scholen het oordeel onvoldoende en 7 het oordeel zeer zwak kregen (=17procent onvoldoende of zeer zwak)?De inspectie werkt risicogericht. Ze voert jaarlijks een risico- en prestatie-analyse uit bij alle scholen en besturen en doet vervolgens risicogerichtonderzoek bij de scholen waar dat het meest nodig is. Dit leidde tot hetpercentage van circa 2% van alle scholen die het oordeel Onvoldoende ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17619 Zeer zwak kregen. De inspectie heeft niet de capaciteit om alle scholenmet een verhoogd risico te onderzoeken. Wel legt de inspectie contact metde besturen van deze scholen, zodat deze besturen op het verhoogderisico kunnen acteren. Naast risicogericht onderzoek doet de inspectiesteekproefsgewijs kwaliteitsonderzoek bij scholen. Deze onderzoekendienen ertoe het aantal schoolbezoeken te verhogen, een landelijk beeldte creëren en de uitkomsten te benutten voor verdere verbetering van deprestatie- en risico monitor.59Wat betekent de constatering van de Inspectie dat de kwaliteit op tweevan de vijf scholen verbonden aan Justitiële Jeugdinrichtingen tekort-schiet voor de uitvoering van de motie van het lid Westerveld?38Deze constatering van de inspectie laat zien dat er verbeteringen nodigzijn bij deze scholen. De inspectie heeft herstelopdrachten gegeven aandeze twee scholen en doen op basis daarvan opnieuw onderzoek. Ook deOnderwijsraad roept met het advies «Onderwijs in Justitiële Jeugdinrich-tingen» op om het onderwijs in justitiële jeugdinrichtingen (hierna: JJI’s)beter tot zijn recht te laten komen. De beleidsreactie op dit advies vanuitOCW en JenV wordt nog voor de zomer naar uw Kamer verstuurd.60Hoeveel volwassenen worden bereikt met trajecten binnen devolwasseneneducatie en hoe verhoudt zich dit tot het geschatte aantallaaggeletterden?Uit PIAAC-onderzoek (2024) blijkt dat in Nederland 3 miljoen volwassenentussen de 16 en 75 jaar beperkte basisvaardigheden (taal-, reken- endigitale vaardigheden) hebben. De trajecten binnen de volwasseneducatiezijn gericht op het versterken van deze vaardigheden. Gemeenten hebbenhier een regierol in en daarmee ook beleids- en bestedingsvrijheid. Datmaakt dat de rijksoverheid de exacte hoeveelheid bereikte volwassenenniet bijhoudt. Daarnaast is het ingewikkeld door regionale verschillen ende ruimte voor laagdrempelig en flexibel cursusaanbod. Het CBSpubliceert jaarlijks het Landelijk Beeld Volwasseneneducatie om inzicht tegeven in de deelname aan cursussen. Vorig jaar zijn er ongeveer 65.000(non)-formele cursussen gevolgd. Deze aantallen geven geen compleetbeeld van de brede aanpak op basisvaardigheden, maar slechts detrajecten die met WEB-middelen bekostigd worden. Er zijn veel meerfinancieringsstromen die ook gebruikt kunnen worden om basisvaardig-heden te verbeteren, zoals gemeentelijke financiering van bibliotheken enmiddelen van provincies. Het daadwerkelijke aantal gevolgde cursussenen daarmee het bereik ligt dus naar verwachting hoger.61Hoeveel besturen voldoen niet aan de wettelijke eisen van kwaliteitszorgen wat waren de redenen dat deze niet voldeden aan de wettelijke eisenvan kwaliteitszorg?119 van de 460 onderzochte besturen in het funderend onderwijsvoldeden in de schooljaren 2021/2022–2022/2023–2023/2024 niet aan allewettelijke vereisten met betrekking tot de kwaliteitszorg. In het mbo warendat er 14 van de 80. Concrete (toetsbare) doelen ontbraken, plannenwerden niet (volledig) uitgevoerd, of beleid werd niet (aantoonbaar)geëvalueerd. Hierdoor kon het bestuur het stelsel van kwaliteitszorg niet(goed) uitvoeren, waardoor de wettelijke zorgplicht voor de kwaliteit vanhet onderwijs niet werd nageleefd.38Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 81.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17620 62Hoe kwantificeert u digitale weerbaarheid in het onderwijs: wanneer zijndocenten, scholen en leerlingen wat u betreft «weerbaar»?Het Normenkader Informatiebeveiliging en Privacy Funderend Onderwijsis de operationalisering van digitale veiligheid en weerbaarheid in hetfunderend onderwijs. Door toe te werken naar niveau 3 van alle normen inhet normenkader besteden scholen aandacht aan alle relevante aspectenvan digitale veiligheid, waaronder techniek, organisatie en kennis bijmedewerkers.63Welke activiteiten zijn bewezen effectief in het vergroten van de digitaleweerbaarheid en wat doet u om deze activiteiten te stimuleren?Digitale weerbaarheid vergt een brede aanpak met aandacht voor veiligesystemen, duidelijke verantwoordlijkheden binnen organisaties en hetgedrag van individuele medewerkers. Vanuit het programma DigitaalVeilig Onderwijs wordt een breed scala aan activiteiten uitgevoerdwaarmee deze verschillende aspecten van digitale veiligheid wordenbelicht. Het programma kijkt daarbij ook nadrukkelijk naar wat werkt inandere sectoren, bijvoorbeeld bij gemeentes en in de zorg.64Op hoeveel scholen worden leerlingen actief gewezen op veiligemeldmogelijkheden voor online misbruik, zoals de hulplijnen vanOfflimits?Elke school heeft een zorgplicht voor de sociale veiligheid en moet daarbeleid op maken. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs wordtnader inkleuring gegeven aan de zorgplicht voor een veilige schoolom-geving. Dit wetsvoorstel wordt voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.Het wetsvoorstel verplicht scholen onder andere tot het aanstellen vaneen interne én een externe vertrouwenspersoon. De vertrouwensper-sonen krijgen tot taak om leerlingen te begeleiden en waar nodig door teverwijzen naar een professionele hulpverlenende instantie. Wanneer hetbevoegd gezag de vertrouwenspersonen niet adequaat in staat stelt omhun taak uit te voeren, kan de inspectie daar toezicht op houden.Daarnaast is al geruime tijd de wegwijzerwebsite www.jouwveilige-school.nl in de lucht, waar leerlingen, ouders en onderwijspersoneelkunnen vinden waar ze terecht kunnen met hun vragen en ervaringen enwaar ze die kunnen melden65Op hoeveel scholen worden lessen over digitale weerbaarheid gegeven,bijvoorbeeld het lesprogramma van HackShield, en wat kunt u doen omhet aandeel van gegeven lessen te vergroten?OCW heeft geen inzicht in de manier waarop scholen invulling geven aandigitale weerbaarheid in het onderwijs. OCW stelt kerndoelen vast, dieaangeven wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Het is aan leraren-teams en de schoolleider om naar eigen inzicht lesmaterialen te kiezen ente gebruiken die passen bij de context van de school en hun leerlingen. Inde nieuwe conceptkerndoelen is digitale geletterdheid opgenomen. In dekerndoelen digitale geletterdheid wordt aandacht besteed aan digitaleweerbaarheid aan de hand van veiligheid, privacy, mediawijsheid en dedigitale samenleving.66Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17621 Wat zijn uw antwoorden op de volgende vragen die aan het onderwijsworden voorgelegd: «Welke kansen biedt [AI-]technologie en hoe kunnenwe zicht krijgen op risico’s en deze beperken?»Om de inzet en ontwikkeling van AI verantwoord te laten plaatsvindenbestaat het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI). In dit lab werken onder-zoekers, scholen en bedrijven samen om AI-toepassingen te maken die dekwaliteit van het onderwijs verbeteren. Deze toepassingen kunnen hetonderwijs motiverender maken en tijdswinst voor docenten opleveren. Zoworden onder meer een AI-tool ontwikkeld die leerlingen helpt bijtechnisch lezen en toepassingen die het automatisch nakijken van openvragen ondersteunt met AI.Maar er zijn ook risico’s. De kwaliteit van pedagogische relaties tussenleerling en leraar kan afnemen; leraren kunnen minder regie over hetleerproces ervaren. Daarom is er voor scholen ondersteuning beschikbaar,zoals de gratis AI-cursus voor leraren en de handreiking AI voor scholenvan Kennisnet.39 OCW verkent met de onderwijssector hoe de maatre-gelen uit de Europese AI-verordening vertaald kunnen worden naar hetonderwijs. En SIVON, de ICT-coöperatie van het funderend onderwijs,brengt in kaart welke AI-toepassingen een risico kunnen vormen bijgebruik in het onderwijs.67Doet het grootschalige gebruik van AI in de klas de strategische afhanke-lijkheid van slechts enkele (niet-Europese) techleveranciers toenemen?Het is aannemelijk dat het toenemende gebruik van AI in het onderwijs deafhankelijkheid van enkele (niet-Europese) techleveranciers doettoenemen omdat deze leveranciers de belangrijkste AI-platforms leveren.SURF, de ICT-coöperatie voor het onderwijs en de wetenschap, is bezigmet het ontwikkelen van een AI-fabriek, in samenwerking met deNederlandse overheid en de Europese Commissie. Ook werkt SURF aanGPT-NL, een AI-taalmodel gestoeld op de Nederlandse taal en cultuur.68Hoe groot is de invloed van digitale apparaten, zoals een laptop of eentelefoon, op de financiële stress van huishoudens met kinderen die naarschool gaan?De invloed van digitale apparaten op de financiële stress van huishoudensmet schoolgaande kinderen verschilt sterk en is onder meer afhankelijkvan factoren zoals inkomen, aantal kinderen, financiële vaardigheden ende (bekendheid met) beschikbare regelingen. We hebben geen inzicht inde omvang van deze invloed. Uit onderzoek naar bestaande regelingenvoor devices blijkt dat er mensen buiten deze regelingen kunnen vallen,zoals werkenden met geldzorgen of gezinnen met meerdere kinderen diefinancieel kwetsbaar zijn.40 In 2025 wordt gericht op deze groep eenmalig€ 5 miljoen beschikbaar gesteld via Leergeld Nederland. Daarmee wordenop korte termijn ongeveer 9.000 leerlingen geholpen. Een deel van demiddelen wordt daarnaast ingezet om de bestaande regelingen beteronder de aandacht te brengen bij de betreffende doelgroep.69Wat is de reden dat in alle sectoren, behalve het mbo, de kosten harderstegen dan de opbrengsten?39Te vinden op respectievelijk https://onderwijs.ai-cursus.nl/ en https://www.kennisnet.nl/artificial-intelligence/handreiking-ai-voor-scholen/40Kamerstukken II 32 034, nr. 54, bijlage 1171895.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17622 In 2023 zijn de uitgaven van onderwijsinstellingen harder gestegen dan deopbrengsten, behalve in het mbo. De hogere stijging van uitgaven kanmogelijk deels verklaard worden door de cao-afspraken met de verschil-lende onderwijssectoren voor 2023.Daarnaast zijn er verschillende mogelijke redenen dat voormbo-instellingen de opbrengsten harder zijn gestegen dan de kosten. Zokregen instellingen achteraf in december 2023 het resultaatafhankelijkonderdeel van in totaal € 217,6 miljoen uitgekeerd op basis van deRegeling kwaliteitsafspraken 2019–2022. Deze investeringen in het mbowaren al in 2022 geëffectueerd. In de mbo-sector lag de loonontwikkelingin het jaar 2023 lager dan in de andere onderwijssectoren, maar heeft in2024 een verdere stijging doorgemaakt. Over een breder tijdspannebezien (bijvoorbeeld 2022–2024), is dit verschil in contractloonontwik-keling tussen de verschillende onderwijssectoren er niet. Het verschilwordt dus verklaard het moment van afsluiten en de duur van deverschillende cao’s.70Waarom stegen de kosten in het mbo minder hard dan de anderesectoren?Zie het antwoord op vraag 69.71Wat is de reden dat er een forse stijging is van de huisvestingskosten inhet mbo en wo?Uit de verantwoording van instellingen blijkt dat de huisvestingslasten inhet mbo met 32% zijn gestegen. Hiervan wordt 74% verklaard door degestegen kosten voor gas, water en licht. In het wo zijn de huisvestings-lasten met 26% gestegen, waar 63% van de stijging wordt veroorzaaktdoor de gestegen kosten voor gas, water en licht. Voor het hbo geldt ookdat de kosten voor gas, water en licht zijn gestegen, namelijk met 40%,maar daar zijn de huurlasten en onderhoudskosten minder hard gestegenin vergelijking met het mbo en wo. De afgelopen jaren zijn de energie-prijzen flink gestegen, scholen en instellingen hebben verschillendesoorten contracten, vaak langer dan 1 jaar, waardoor stijging van deenergiekosten in sommige gevallen op een later moment pas in de lastente zien zijn.72Welke maatregelen worden genomen om de financiële reserves in hetonderwijs af te bouwen?De afbouw van de financiële reserves worden door het ministerie en deinspectie gevolgd. Schoolbesturen verantwoorden zich over hunfinanciële reserves in het jaarverslag. Bij bestuursonderzoeken spreekt deinspectie besturen erop aan als hun reserve de signaleringswaardeoverstijgt. Daarbij constateert de inspectie dat er aandacht voor reserve-vorming is en dat bijna alle besturen zich erover verantwoorden. Demogelijk bovenmatige reserves in het onderwijs zijn in 2023 gedaald.Schoolbesturen in het funderend onderwijs verwachten in de periode van2024 tot en met 2026 meer geld uit te geven. In het mbo en ho zijn errelatief weinig instellingen die mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen hebben, en is de verwachting dat het mogelijk bovenmatigepubliek eigen vermogen de komende jaren nog dalen door afnemendestudentenaantallen. Verwacht wordt ook dat de mogelijk bovenmatigereserves voor het funderend onderwijs voor het grootste deel zullenverdwijnen. Zoals in het regeerprogramma is aangekondigd wordt ernaargestreefd om in het funderend onderwijs met een norm te komen voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17623 geld dat moet landen in de klas en een norm voor maximale overhead.Daar gaat een sturende werking vanuit en het helpt bij het gesprek met demedezeggenschapsraad over de besteding van de bekostiging.73Kunt u uiteenzetten of de Inspectie heeft onderzocht of de wettelijkeburgerschapsopdracht met «de wettelijke eis dat sprake is van concreteleerdoelen en een samenhangend aanbod» voldoende concreet enwerkbaar is geformuleerd voor scholen, gelet op het feit dat scholenvolgens de Inspectie op dezelfde onderdelen (doelgerichtheid ensamenhangend aanbod) niet voldoen aan de wettelijke opdracht?Zie ook het antwoord op vraag 51. De inspectie heeft niet onderzocht watde oorzaak is van het relatief grote aantal herstelopdrachten voorburgerschapsonderwijs. Wel ziet de inspectie dat scholen aangeven datvoor hen niet altijd duidelijk is wat de wet vraagt. De inspectie wijst erechter ook op dat ontwikkeling van burgerschap voldoende facilitering enprioritering vraagt. Daarbij vraagt ook de ontwikkelkracht van scholenaandacht; zo laat het toezicht van de inspectie zien dat veel scholen er nogonvoldoende in slagen concrete leerdoelen te formuleren. Waar verduide-lijking van wettelijke eisen zinvol is, zet ik daarop in met aanvullendecommunicatie en ondersteuning van scholen, zoals door activiteiten vanhet Expertisepunt Burgerschap. Intussen slaagt een eveneens substantiëlegroep van de scholen er wel in concrete leerdoelen en een samenhangendaanbod te formuleren, wat aangeeft dat het voor een betrekkelijk grotegroep wel degelijk mogelijk is te voldoen aan de wettelijke opdracht. Deevaluatie van de wettelijke burgerschapsopdracht wordt eind 2025afgerond. Het is van belang dat de inspectie het toezicht continueert,zodat ook via die lijn wordt ingezet op het stimuleren van de onderwijs-ontwikkeling gericht op burgerschap.74Hoeveel scholen scoorden of scoren een voldoende (of beter) op debasisvaardigheden, maar krijgen alsnog een onvoldoende (of slechter) alseindresultaat?De inspectie geeft nog geen oordelen op de standaard basisvaardigheden,maar geeft waar nodig wel herstelopdrachten. Het komt beperkt voor dateen school, afdeling of opleiding geen herstelopdracht krijgt op een ofmeer basisvaardigheden en tegelijkertijd wel het eindoordeel Onvol-doende of Zeer zwak krijgt. Het gaat om 3 tot 4 procent van de gevallen inschooljaar 2023–2024.75Wat zijn de verschillen in reken- en taalprestaties tussen vmbo-basis/kaderen andere onderwijsniveaus?Voor leesvaardigheid leerjaar 2 staan de behaalde referentieniveaus in hetpeilingsonderzoek vo in figuur 2.2.2a (zie pagina 51). Het grootste deel vande leerlingen uit leerjaar 2 vmbo-basis/kader functioneert voor lezenonder 1F. Dat aandeel is bij vmbo-gt veel kleiner, en bij havo/vwo afwezig.In het schooljaar 2021–2022 behaalde voor rekenvaardigheid leerjaar 225% van de vmbo-b en vmbo-k leerlingen 1F rekenen. Van de vmbo-gtleerlingen behaalde 75% 1F rekenen.76Kunt u uiteenzetten in hoeverre het eindoordeel op de nieuwe standaardBasisvaardigheden OP0 vanaf 1 augustus 2025 een valide beeld zal gevenover de onderwijskwaliteit van de basisvaardigheden, gelet op het aantalherstelopdrachten dat nu enkel wordt gegeven voor burgerschap?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17624 Het oordeel op de nieuwe standaard Basisvaardigheden OP0 zoals datvoorzien is in de onderzoekskaders die per 1 augustus 2025 gaan gelden(formele besluitvorming hierover vindt nog plaats) zal op zichzelf geenvalide beeld geven over de onderwijskwaliteit wat de basisvaardighedenbetreft. Met de standaard OP0 toetst de inspectie het aanbod voorNederlandse taal, rekenen-wiskunde en burgerschap in het po, vo en mbo.Samen met de oordelen op een aantal andere standaarden ontstaat er eenvollediger beeld over de onderwijskwaliteit op de basisvaardigheden. Hetgaat daarbij om de OP2 (Zicht op ontwikkeling; te weten de ontwikkelingvan de leerlingen), OP3 (Pedagogisch-didactisch handelen; te weten vande leraren) en OR1 (Onderwijsresultaten; de resultaten die de school metde leerlingen behaalt). De wijze waarop de standaard OP0 – ook insamenhang met de andere standaarden – vanaf 1 augustus 2025 zalworden gewogen, voorkomt dat het oordeel over burgerschap oneven-redig doorwerkt in het oordeel van de inspectie. Het oordeel op destandaard OP0 zal per 1 augustus 2025 onvoldoende zijn als twee van dedrie basisvaardigheden binnen die standaard onvoldoende zijn. Verderleidt een onvoldoende op de standaard OP0 niet direct tot het eindoordeelonvoldoende op school- of afdelingsniveau.77Kunt u uiteenzetten in hoeverre scholen kunnen rekenen op een toerei-kende ondersteuningsstructuur die hen zal helpen in de gerichte ontwik-keling en verankering van bevordering van burgerschap in de dagelijkseschoolpraktijk, nu de Inspectie stelt dat de overheid hierbij kan helpen«door de infrastructuur voor ondersteuning van het burgerschapson-derwijs te versterken»?Sinds 2022 is er een ondersteuningsstructuur ingericht om scholen tehelpen bij het realiseren van hun wettelijke burgerschapsopdracht. Dezestructuur omvat onder meer de onderwijscoördinatoren van hetMasterplan Basisvaardigheden en het Expertisepunt Burgerschap. Zijbieden scholen ondersteuning bij het vormgeven, uitvoeren en evaluerenvan een samenhangende en doelgerichte aanpak van burgerschapson-derwijs. We zijn blijvend scherp op hoe we de ondersteuningsstructuurkunnen versterken, om zo scholen zo optimaal mogelijk te ondersteunen.78Hoe verklaart u dat ondanks de hoge percentages die in het schooljaar2023–2024 in het primair onderwijs zijn behaald (99 procent van deleerlingen die voor lezen minimaal niveau 1F haalt en 75 procent dieniveau 2F haalt) en de percentages die in voorgaande jaren van gelijkeomvang zijn, uit diverse onderzoeken blijkt dat het met de leesvaardigheidvan de Nederlandse scholieren slecht is gesteld?Een verklaring is dat internationale onderzoeken meer aandacht bestedenaan hogere orde vaardigheden, zoals interpreteren, kritisch analyseren enevalueren, dan de doorstroomtoetsen die gebruikt worden om eenuitspraak te doen over de referentieniveaus die in Nederland gehanteerdworden. Een andere verklaring is dat de doorstroomtoets eenzogenaamde high-stakestoets is: de score hiervan bepaalt mede hetbasisschooladvies en speelt via de standaard onderwijsresultaten een rolin het toezicht op scholen. De toetsen in internationale onderzoeken en depeilingsonderzoeken zijn low-stakestoetsen: er zijn geen belangrijkeconsequenties aan verbonden voor leerlingen en scholen. Een derdemogelijke verklaring is dat wat geleerd is in het basisonderwijs onder-houden moet worden in het voortgezet onderwijs. Op basis van Peilonderzoeken in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zien we datdit niet altijd lukt. Het meest waarschijnlijk is dat deze drie verklaringenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17625 samen het verschil in resultaten tussen de doorstroomtoets en overigeonderzoeken verklaren.79In hoeverre is de discrepantie tussen enerzijds de 99 procent die in hetschooljaar 2023–2024 minimaal niveau 1F behaalt en de 75 procent dieniveau 2F behaalt en anderzijds de onderzoeken waaruit blijkt dat het metde leesvaardigheid van de Nederlandse scholieren beroerd is gesteld teverklaren uit de mogelijkheid dat de begrijpend lezen toets de werkelijkeleesvaardigheid slecht toetst?Dit is niet specifiek onderzocht. Elke leesvaardigheidstoets hanteert eenbepaalde operationalisering van leesvaardigheid en kent zijn beperkingen.80Hoeveel scholen zouden het oordeel «onvoldoende» of «zeer zwak»moeten krijgen op basis van de standaard Basisvaardigheden OP0,uitgesplitst naar Nederlandse taal, rekenen-wiskunde en burgerschap?Op basis van (enkel) de standaard basisvaardigheden krijgt geen enkeleschool of opleiding het eindoordeel onvoldoende of zeer zwak. Deinspectie geeft momenteel geen oordeel op de standaard OP0 en neemtde standaard niet mee in het eindoordeel. De inspectie geeft welherstelopdrachten, als er niet voldaan wordt aan de wettelijke vereistenvan de standaard. Voorzien is dat de standaard OP0 per 1 augustus 2025wel beoordeeld gaat worden, maar een onvoldoende op deze standaardzal ook dan niet direct leiden tot een eindoordeel onvoldoende op school-of opleidingsniveau.81Klopt het dat de doorstroomtoets niet geschikt is om tegelijkertijd aan tetonen of een leerling referentieniveau 1F én 1S/2F beheerst?Nee, dat klopt niet. De doorstroomtoetsen zijn geschikt om de beheersingvan zowel 1F als 2F/1S te meten op de onderdelen begrijpend lezen,taalverzorging en rekenen. Hierbij is 2F voor taal en 1S voor rekenen. Alledoorstroomtoetsen bestaan voor ieder verplicht onderdeel (lezen, rekenenen taalverzorging) uit opgaven van referentieniveaus 1F en 1S/2F. Vanieder referentieniveau zijn ongeveer evenveel opgaven opgenomen. Bij desamenstelling wordt er rekening mee gehouden dat de opgaven eengoede afspiegeling zijn van de inhoud zoals beschreven in het referentie-kader.Voor ieder onderdeel worden de scores van alle opgaven gebruikt om tebepalen of een leerling 1F en/of 1S/2F beheerst. Als een leerling 1S/2Fbeheerst, betekent dit automatisch dat de leerling ook 1F beheerst82Wat maakt dat de Inspectie op basis van de doorstroomtoetsen hetvolgende concludeert: «Uit de doorstroomtoetsen blijkt dat 99% van debasisschoolleerlingen minstens het fundamentele niveau 1F voor lezenbeheerst aan het einde van de basisschool (figuur 2.2.1a). Driekwartbehaalt ook het streefniveau 2F. De meeste leerlingen (96%) beheersenaan het eind van de basisschool ook het fundamentele niveau 1F voortaalverzorging. Ruim de helft van de leerlingen behaalt streefniveau 2F bijtaalverzorging», en betekent dat dat de relativerende woorden over decentrale examens Nederlands hierop niet van toepassing zijn?De inspectie baseert haar conclusie over de doorstroomtoetsen op dejaarlijkse peiling Taal en Rekenen einde basisonderwijs. Zoals bekendbetreft het centraal examen de afsluiting van het voortgezet onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17626 Wij herkennen niet dat er sprake is van relativerende woorden metbetrekking tot de centrale examens Nederlands.83Klopt het dat de Inspectie de doorstroomtoets gebruikt om te meten ofleerlingen de referentieniveaus beheersen?De doorstroomtoets meet op stelsel- en schoolniveau of referentieniveausbeheerst worden op het fundamenteel niveau 1F en de streefniveaus 2Fvoor lezen en taalverzorging en 1S voor rekenen. Het is van belang datbepaalde niveaus worden behaald, ten behoeve van het vervolgonderwijs.De inspectie gebruikt deze gegevens als onderdeel van haar toezicht.84Vindt u het aannemelijk dat vmbo-b/k-scholieren in minder dan twee jaartijd een sprong maken van 65 procent die onder 1F-niveau presteert naareen situatie waarin vrijwel alle scholieren slagen voor Nederlands op2F-niveau?Het is van groot belang dat leerlingen op het vmbo het fundamenteleniveau aan basisvaardigheden aanleren. Dit is inderdaad een ingewik-kelde opgave, die ook de urgentie aantoont van wat we doen in het kadervan het Masterplan basisvaardigheden, en de specifieke aandacht diedaarbinnen wordt besteed aan het vmbo.85Wanneer heeft de Inspectie in het verleden gesignaleerd dat de leesvaar-digheid in primair en voortgezet onderwijs niet goed werd getoetst,aangezien er nog steeds kritiek klinkt van deskundigen op de manierwaarop leesvaardigheid wordt getoetst, waarbij deze deskundige menendat de begrijpend lezen-toets geen goede graadmeter vormt voor deleesvaardigheid van de leerlingen en daardoor zelfs goed leesonderwijs ineen verkeerde richting stuurt?De inspectie heeft niet gesteld dat de leesvaardigheid in primair envoortgezet onderwijs niet goed wordt getoetst en dat de manier vantoetsen het leesonderwijs in de verkeerde richting stuurt. In het recentePeil-onderzoek over leesvaardigheid heeft de inspectie wel suggestiesvoor verbetering van de toetsing van leesvaardigheid genoteerd.Daarnaast pleit de inspectie in de Staat van het Onderwijs 2025 voortaalbewust lesgeven, waarbij taaldomeinen geïntegreerd aangebodenworden.86Welke consequenties verbindt u aan de constatering: «Al met al kunnenwe in elk geval voor Nederlandse taal aan de hand van de resultaten opde centrale examens Nederlands niet goed vaststellen of leerlingen aanhet einde van het vo de beoogde referentieniveaus taal beheersen», medein het licht van de motie van het lid Jadnanansing41?Het eindexamen Nederlands is geijkt op de referentieniveaus. Het doelvan het examen is evenwel niet om het referentieniveau te meten. Heteindexamen, dat zowel het school- als het centraal examen omvat, meetde beheersing van het examenprogramma Nederlands. Hoewel dus geenrechtstreekse uitspraak kan worden gedaan over de beheersing van hetreferentieniveau, kan er wel een uitspraak worden gedaan over debeheersing van de eindtermen. Zowel de examenprogramma’s voorNederlands als het referentiekader worden momenteel herzien. Daarbij41Kamerstuk 33 905, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17627 wordt gestreefd naar een betere aansluiting tussen het referentiekader,het examenprogramma en het centraal examen, maar versmallen we hetexamenprogramma en centraal examen nadrukkelijk niet tot het Referen-tiekader Taal alleen. Belangrijke onderdelen als literatuur en argumenta-tieve vaardigheden horen bij het vak Nederlands en de ontwikkeling vanleerlingen.87Wat gaat u doen met de bevinding dat «de resultaten op de centraleexamens Nederlands niet goed vaststellen of leerlingen aan het einde vanhet vo de beoogde referentieniveaus taal beheersen»?Zie het antwoord op vraag 86.88Kunt u uiteenzetten hoe bij het gericht nastreven van heldere leerdoelenhet stimulerend toezicht op de (definitieve) kerndoelen van burgerschapzich verhoudt tot het handhavend toezicht op de nieuwe standaardBasisvaardigheden OP0 dat per 1 augustus 2025 zal gelden?De inspectie houdt (uitsluitend) toezicht op basis van wettelijke eisen. Denieuwe kerndoelen maken op dit moment nog geen deel uit van hetcurriculum. Tot dat het geval is, houdt de inspectie toezicht op basis vande nu geldende kerndoelen. Het toezicht op de eisen uit de wettelijkeburgerschapsopdracht zal overigens met de invoering van de nieuwekerndoelen niet veranderen. De beoordeling van standaard OP0 uit hetonderzoekskader gebeurt eveneens op basis van de geldende wettelijkeeisen ten aanzien van burgerschap.89Kunt u uiteenzetten of en hoe leraren en leraren in opleiding voldoendeworden toegerust in kennis en middelen om burgerschap doelgericht ensamenhangend te integreren in het curriculum, aangezien de Inspectieerop wijst dat leraren het lastig vinden om concrete leerdoelen teformuleren en vooral denken vanuit lesactiviteiten?Burgerschap is sinds 2017 opgenomen in de landelijke kennisbases voorde lerarenopleidingen. De aandacht voor dit thema wordt verder versterktmet de nu lopende herijking van de kennisbases voor de lerarenoplei-dingen. Hierin worden de leerdoelen voor startende leraren metbetrekking tot burgerschap verder uitgewerkt, aansluitend op de nieuwekerndoelen voor burgerschap. Bij deze herijking wordt expliciet aandachtbesteed aan het vakoverstijgende karakter van het kerndoel en aan deverwachtingen dat studenten op basis van (vak)didactiek goed burger-schapsonderwijs moeten kunnen geven vanuit een visie. De nieuwekennisbases worden nu ontwikkeld en zijn naar verwachting perseptember 2026 in alle lerarenopleidingen geïmplementeerd. Mochten ersignalen zijn dat dit thema onvoldoende aan bod komt, wordt ditgeagendeerd in het Opleidingsberaad. Om zo samen met werkgevers,lerarenorganisaties en -opleiders te bepalen wat er aanvullend mogelijken nodig is.Zittende leraren kunnen terecht bij het Expertisepunt Burgerschap voorondersteuning bij het versterken van hun burgerschapsonderwijs. Ditexpertisepunt ontwikkelt en deelt kennis, instrumenten en praktijkvoor-beelden, mede om leraren handvatten te bieden bij het formuleren vanleerdoelen en het doelgericht en samenhangend vormgeven vanburgerschapsonderwijs in het curriculum.90Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17628 Zijn er prestatiestandaarden waarmee u het niveau van digitale gelet-terdheid in het Nederlandse onderwijs kan afmeten tegen dat van anderelanden?ICILS bevat prestatiestandaarden waarmee het niveau van digitalegeletterdheid van Nederlandse leerlingen vergelijkbaar wordt gemaaktmet andere landen. Voor zowel computer- en informatiegeletterdheid (CIL)als computationeel denken (CT) zijn internationaal geharmoniseerdevaardigheidsniveaus vastgesteld.91Waaruit blijkt dat leerlingen met een wo-advies gemiddeld hoger digitaalgeletterd zijn dan leerlingen met een advies voor vmbo-k?Leerlingen met een vwo-advies (aangenomen dat vraagsteller dat bedoelt)zijn in algemene zin in staat tot leerprestaties op een hoger cognitiefniveau dan leerlingen met een vmbo-k-advies. Dat geldt niet alleen voordigitale vaardigheden, maar in algemene zin. Het ligt dus voor de handdat leerlingen met een vwo-advies (waarbij basisscholen de bredeontwikkeling van leerlingen meenemen, dus ook hun digitale gelet-terdheid) gemiddeld hoger digitaal geletterd zijn dan leerlingen met eenadvies voor vmbo-k, net zoals zij gemiddeld een hoger niveau van taal- enrekenvaardigheid zullen hebben. Het verschil tussen vmbo-k-niveau envwo-niveau is in de regel niet volledig te overbruggen.4292Hoe komt het dat leerlingen met een vwo-advies gemiddeld hoger digitaalgeletterd zijn dan leerlingen met een advies voor vmbo-k en hoe kan ditverschil worden overbrugd?Idem vraag 91.93Hoe verklaart u dat Nederland internationaal gezien laag scoort opcomputer- en informatiegeletterdheid van leerlingen?Uit ICILS 2023 blijkt dat Nederlandse leerlingen gemiddeld onder hetbasisniveau van CIL scoren.43 Tegelijkertijd liggen deze scores rond hetinternationale gemiddelde, omdat in andere landen ook veel leerlingenonder het basisniveau scoren. Dat de scores in Nederland onder hetbasisniveau liggen is te verklaren door een combinatie van factoren, zoalsdat kerndoelen voor digitale geletterdheid nog niet verankerd zijn in hetcurriculum, leraren relatief weinig professionaliseren op digitaal vlak, errelatief grote verschillen tussen leerlinggroepen bestaan en beperkteaandacht voor digitale vaardigheden in de dagelijkse lespraktijk is. Dat inandere landen ook veel leerlingen onder het basisniveau scoren laat ziendat Nederland hier niet uniek in is, maar deze uitdagingen breder spelen.Om internationaal te leren van best practices op het gebied van professio-nalisering op digitaal vlak, werk ik samen met de Vlaamse overheid en de42Uit het ICILS 2023 onderzoek blijkt dat leerlingen in het tweede leerjaar van het VWO hetbasisniveau behalen van digitale geletterdheid, maar dat geldt niet voor leerlingen in hettweede leerjaar van het VMBO. Daarnaast blijkt uit het Peil onderzoek digitale vaardigheden2021–2022 dat leerlingen met een VWO schooladvies hoger digitaal geletterd zijn danleerlingen met een advies voor de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo. Uit ditonderzoek blijk dat digitale geletterdheid het sterkst samenhangt (positief) met het voorlopigschooladvies van leerlingen.43Daarbij dient aangetekend te worden, dat gelet op beperkingen in de dataverzameling inNederland, de directe vergelijkbaarheid en conclusiekracht voor de internationale vergelijkingbeperkt zijn. Zie: Fraillon et al., 2025, ICILS 2023: Preparing for Life in a Digital World –International Report, Amsterdam: IEA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17629 Europese Commissie in het project Empowering educators in the digitaltransition.94Hoe verklaart u het succes van de ICILS44 landen die het hoogst scoren opcomputer- en informatiegeletterdheid?Landen die hoog scoren op computer- en informatiegeletterdheidonderscheiden zich onder meer door een duidelijke en explicieteverankering van CIL in het curriculum, systematische beoordeling enmonitoring op landelijk niveau en een hoge mate van professioneleontwikkeling van leraren (gericht op zowel pedagogisch en didactischeffectief gebruik van digitale middelen, als integratie in het lesontwerp).95Hoe verklaart u dat ondanks de grote betrokkenheid van onderwijzers bijdigitale geletterdheid het slechts de helft van scholen lukt om hun visieom te zetten in concrete activiteiten?Digitale geletterdheid, met name de meer complexe elementen daarvan(zoals AI, programmeren, security), is een relatief nieuw onderwerp voorveel scholen, en vraagt bovendien om specifieke expertise. Zeker in hetprimair onderwijs maakt dit dat scholen ermee worstelen om een visie omte zetten in concrete onderwijsactiviteiten.96Wat kunt u doen om scholen te helpen om hun visie op digitale gelet-terdheid om te zetten in actie?Met nieuwe, meer richtinggevende kerndoelen, uitwerking daarvan inleerlijnen en ondersteuning in leermiddelen, worden scholen en lerarenhiermee geholpen. Hier zal de komende jaren veel aandacht voor zijn. Ookis er een Expertisepunt Digitale Geletterdheid waar scholen met hunvragen terecht kunnen.97Waaruit blijkt dat Nederland in de aandacht voor digitale geletterdheidnegatief afwijkt van andere landen?Zie antwoorden bij vragen 90, 93 en 94. Om scholen meer duidelijkheid tegeven wat er van hen wordt verwacht, worden deze zomer de concept-kerndoelen van digitale geletterdheid opgeleverd en zal daarna gewerktworden aan wettelijke verankering en zorgvuldige implementatie. Ookbrengen we samen met de Vlaamse overheid en de Europese Commissiebest practices in kaart voor professionalisering van leraren, gericht opzowel digitale geletterdheid als een effectief gebruik van digitale middelenin de klas.98Hoe verklaart u dat de Nederlandse Staat de kwaliteit van nieuwkomers-onderwijs niet garandeert en het recht op onderwijs voor nieuwkomersniet waarborgt, zoals is geconcludeerd in de Staat van het Onderwijs2025, mede in het licht van het recht op onderwijs (artikel 28 van hetVerdrag inzake de rechten van het kind)?Het nieuwkomersonderwijs staat onder druk en er zijn in sommigegemeenten wachtlijsten. Met name het aantal verhuisbewegingen in deasielopvang en het verblijf van minderjarigen in tijdelijke opvanglocaties44ICILS: International Computer and Information Literacy StudyTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17630 stellen het onderwijs voor een uitdaging. Scholen, besturen engemeenten spannen zich veelal maximaal in om deze wachtlijsten zoveelmogelijk te voorkomen en alle kinderen zo snel mogelijk een plaats tebieden. We bieden gemeenten en schoolbesturen daarbij ondersteuningdoor lokaal en regionaal actief mee te denken, partijen samen te brengen,de regie te nemen en uitleg te geven over relevante wet- en regelgeving.Wanneer het aantoonbaar niet lukt om alle kinderen in een regioonderwijs te bieden, hebben gemeenten de mogelijkheid omtoestemming te vragen om een tijdelijke nieuwkomersvoorziening in terichten. In deze tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen (hierna: tnv’s) magonder voorwaarden worden afgeweken van bijvoorbeeld onderwijstijd,om de toegang tot het onderwijs voor kinderen ook in noodsituatiesmogelijk te maken. In praktijk zien we dat het op veruit de meeste locatieslukt om kinderen snel naar school te laten gaan. Daar waar tnv’s zijntoegestaan, zijn die voor beperkte tijd nodig.De inspectie geeft aan dat door de mogelijkheid om in deze tnv’s af tewijken, de kwaliteit van het onderwijs niet is gegarandeerd. Als hetalternatief echter is dat kinderen nog langer op een wachtlijst staan, kande tnv een gepaste noodoplossing zijn, In de tijdelijke wet tijdelijkenieuwkomersvoorzieningen is vastgelegd hoe de minimale basiskwaliteiter in de tnv uit moet zien. Er zijn waarborgen in de wet ingebouwd om ervoor te zorgen dat de tnv’s alleen in echte noodgevallen (wanneer hetalternatief helemaal geen onderwijs is) worden ingezet. De tijdelijke wetdie de tnv’s mogelijk maakt wordt geëvalueerd en, zoals eerder aan uwKamer is toegezegd, wordt gewerkt aan een toekomstverkenning om tekomen tot structurele verbeteringen in het stelsel voor onderwijs aannieuwkomers.99Gaat u komen met specifiek nader beleid dat zich richt op het vergrotenvan kansen, zoals de Inspectie suggereert, opdat dit het eraan bijdraagtdat leerlingen en studenten meer mogelijkheden hebben om hetonderwijs te verlaten met een diploma dat past bij hun leerpotentieel?Optimale ontwikkelkansen voor elk kind beginnen bij steengoed onderwijsin taal en rekenen van afdoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel.Daar focust dit kabinet dus op. In het po en vo gaan we met structurelefinanciering door met de programma’s School & Omgeving, Schoolmaal-tijden en Brugfunctionaris. Deze programma’s ondersteunen de meestkwetsbare kinderen om zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen.Daarnaast wordt met de doorstroomtoets voor een passend schooladviesgezorgd. Leerlingen die op de toets laten zien dat ze meer uitdagingaankunnen, krijgen door een bijstelling van het schooladvies de kans omvoortgezet onderwijs te volgen dat past bij hun capaciteiten.De komende studiejaren 2025/2026 en 2026/2027 wordt in totaal 47,2miljoen euro vrijgemaakt binnen de OCW-begroting voor het mbo.Mbo-instellingen kunnen deze middelen inzetten voor extra begeleidingdoor bijvoorbeeld extra onderwijspersoneel in te zetten. Het doel is omstudievertraging, uitval en ongelijke kansen door onvoldoende beheersingvan de basisvaardigheden, zoveel mogelijk te voorkomen. Het isbelangrijk dat we schoolkosten voor mbo-studenten binnen de perkenhouden, zodat financiën geen drempel vormen om onderwijs te volgen.Daarom evalueren we bestaande regelingen en afspraken voortdurend enzetten we in op de bekendheid hiervan onder scholen en studenten.Hbo- en wo-instellingen hebben de afgelopen jaren studievoorschotmid-delen gekregen voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit en debegeleiding van studenten. Deze middelen zijn per 2025 structureeltoegevoegd aan de lumpsum. Het betreft hier een bedrag van € 694miljoen per jaar. Daarnaast is in studiejaar 2023–2024 de basisbeurs in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17631 hbo en wo opnieuw ingevoerd, wat ook bijdraagt aan de financiëletoegankelijkheid van het vervolgonderwijs.100In hoeverre ziet u in de constateringen van de Inspectie dat ongelijkekansen en de verschillen tussen leerlingen hardnekkig zijn, redenen ommeer gerichte acties te ondernemen dan de activiteiten die u onderneemtin het kader van het Masterplan basisvaardigheden?Optimale ontwikkelkansen voor elke leerling beginnen bij goed onderwijsin taal en rekenen van afdoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel.Daar focust dit kabinet dus op. Daarnaast doen we meer. Zo gaan we metstructurele middelen door met de programma’s School & Omgeving,Schoolmaaltijden en Brugfunctionaris. Deze programma’s ondersteunende meest kwetsbare kinderen om zich zo optimaal mogelijk teontwikkelen.101Ziet u mogelijkheden om de niveaus van basisvaardigheden aan hetbegin, tijdens en aan het einde van de basisschoolperiode beter in beeldte brengen zonder dat dit de toetsdruk voor basisscholieren verderopvoert?Op dit moment is er al veel bekend over de prestaties van basisschoolleer-lingen en is er geen reden om daar meer toetsen aan toe te voegen. Het isvooral belangrijk om door te zetten wat er al gemonitord wordt, zodat wede ontwikkeling over de jaren steeds beter in beeld krijgen en ook meerzicht krijgen op de verschillen tussen groepen leerlingen. De Monitorbasisvaardigheden verschijnt sinds 2024 in het najaar en geeft vanuitverschillende bronnen een integraal beeld. In het po gaat het om devolgende onderzoeken: jaarlijkse analyse van data uit leerlingvolgsys-temen (alle po-scholen hebben verplicht een leerlingvolgsysteem), dataover de doorstroomtoets, peilingsonderzoeken van de inspectie eninternationale peilingsonderzoeken, zoals TIMMS, PIRLS en IELS102Hoeveel geld zijn huishoudens gemiddeld kwijt aan digitale apparaten ensoftwarepakketten voor een schoolgaand kind?OCW gaat uit van een bedrag van € 228,– per leerling per jaar in hetvoortgezet onderwijs voor de kosten van de aanschaf, het onderhoud enhet beheer van een device. Het gaat hierbij om de kosten van een devicedat doorgaans in het voortgezet onderwijs wordt gebruikt. In de praktijkkunnen er zowel goedkopere als duurdere opties zijn, afhankelijk van despecificaties die door scholen worden gesteld.103Wat klopt er van het beeld dat de recente daling in leerprestaties hetsterkst is onder leerlingen van wie de ouders geen startkwalificatiehebben en onder leerlingen uit gezinnen met een relatief laag inkomen45,en dat het, om tot kansrijk beleid te komen teneinde de leerprestaties inhet basisonderwijs te verbeteren en gelijke kansen te bevorderen, vanbelang is om een goed beeld te krijgen van de leerprestaties vanverschillende groepen leerlingen tijdens de basisschoolperiode?4645Wolf, I. de (2023). Kwaliteit basisonderwijs staat onder druk. https://esb.nu/kwaliteit-basisonderwijs-staat-onder-druk/46Claes, E. e.a. Ongelijkheid tussen leerlingen neemt toe tijdens basisschooltijd. https://esb.nu/ongelijkheid-tussen-leerlingen-neemt-toe-tijdens-basisschooltijd/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17632 Het is inderdaad van belang om de verschillen tussen groepen leerlingengoed in het oog te houden. In de lopende monitoring van de ontwikkelingvan de prestaties van leerlingen is er vanzelfsprekend ook aandacht voorde verschillen tussen groepen leerlingen. Daarbij wordt ook gekeken naarhet opleidingsniveau van ouders. De monitoring van de prestaties laat eeniets genuanceerder beeld zien, dat het artikel van De Wolf beschrijftwaarnaar in de vraag verwezen wordt. Dat is gebaseerd op data die gaantot en met de zomer van 2021. Het klopt dat in het eerste jaar na deuitbraak van corona de leergroei van leerlingen met laag opgeleideouders veel harder werd geraakt dan de leergroei van leerlingen met hoogopgeleide ouders. Dat komt overeen met het internationale beeld. Juistvoor deze groep leerlingen blijkt fysiek onderwijs van groot belang. Metde verschillen in vertragingen tussen groepen leerlingen is vervolgens bijhet verdelen van de middelen uit het NPO voor het inhalen van decoronavertragingen over scholen ook op ingespeeld. Scholen met eenhogere achterstandsscore kregen meer middelen.Op basis van de analyses van NCO-data tot en met voorjaar 2024 zien wehet beeld vervolgens ook kantelen. De leergroei van leerlingen metpraktisch opgeleide ouders bij spelling en begrijpend lezen was toen weerop het niveau van voor corona en in sommige leerjaren zelfs groter danvoor corona. Bij leerlingen met hoog opgeleide ouders zagen we op datmoment bij spelling en lezen juist de minst gunstige ontwikkeling van deleergroei in vergelijking met de periode voor corona. Alhoewel er geendirect causaal verband kan worden aangetoond suggereert dit mogelijkook dat ongelijk investeren loont.104Welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd nu de Inspectie signaleert dat hetleerlingenvervoer, waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn, steedsmeer in de knel komt vanwege personeelstekorten en aanbestedingspro-blemen?47Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het leerlingen-vervoer. De uitvoering gaat echter niet altijd goed en leerlingen, ouders enscholen hebben hier last van. De Vereniging van Nederlandse Gemeentenen gemeenten zijn hier vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap 6 november jl. op gewezen en verzocht om verantwoorde-lijkheid te nemen.Verbeteringen voor het leerlingenvervoer vallen binnen de verbeter-agenda doelgroepenvervoer, waarvan het Ministerie van VWS penvoerderis. Over de voortgang van de verbeteragenda is uw Kamer recent (20 meijl.) door de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorggeïnformeerd.48105In hoeverre verbindt u voor uw beleid consequenties aan de constateringvan de Inspectie dat juist op scholen waar veel leerlingen zitten met eenkans op onderwijsachterstanden (in de Randstad en vooral de grotesteden) het lerarentekort het grootst is?Dit beeld zien we terug in de jaarlijkse metingen van de personeelste-korten. Juist scholen met veel leerlingen met risico op onderwijsachter-standen worden geraakt door het lerarentekort. Daarom verbinden wehier concrete maatregelen aan. Zo stimuleren we regionale samenwerkingvia de onderwijsregio’s. Schoolbesturen, lerarenopleidingen en deberoepsgroep werken samen in onderwijsregio’s om vanuit solidariteit te47De Geus, W., Van den Hurk, A., Van Leeuwen, R., & Van Aarsen, E, (2023). Ouders overleerlingenvervoer. Ervaringen van ouders met leerlingenvervoer. Oberon.48Kamerbrief over Verbeteragenda Doelgroepenvervoer | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17633 zorgen voor voldoende (blijvend) goed opgeleid onderwijspersoneel.Onderwijsregio’s maken een analyse van de situatie in hun regio, enzetten vervolgens in op concrete activiteiten passend bij de uitdaging(en)in deze regio.In de G5 zijn de tekorten het hoogst. Daarom zijn er extra financiëlemiddelen beschikbaar voor een geïntensiveerde aanpak in het po in de G5(Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht Almere). Hier gaan we ook dekomende jaren mee door via de onderwijsregio’s. De G5 kan in het po ookgebruikmaken van de beleidsregel andere dag- en weekindeling G5 om dekwaliteit en continuïteit van het onderwijs te waarborgen op scholen meteen tekort.106Hoeveel leraren in het primair en in het voortgezet onderwijs zitten er ditmoment in de WW49 en wat is het aantal leraren in de WW door de jarenheen?In de tabel hieronder is opgenomen hoeveel werkenden in de onderwijs-sectoren een WW-uitkering hadden in de jaren 2015–2023.50Aantal WW-uitkeringen (ultimo)201620172018201920202021202220237.1876.2324.7043.4432.6551.7781.3511.0642.5672.4162.1842.0902.1011.4911.1711.264 Het aantal leraren met een WW-uitkering ultimo 2023Po: 484Vo: 766De onderwijs cao’s voorzien ook in bovenwettelijke werkloosheidsuitke-ringen aanvullend op- en na afloop van de WW. Vanaf 2023 is het ookmogelijk om onderscheid te maken naar functiecategorie, waaronderleraar. Het aantal onderwijsmedewerkers met een bovenwettelijkeaansluitende uitkering na de WW per ultimo 2023 bedraagt voor hetprimair onderwijs 3.251, waarvan 79% 60 jaar of ouder is (2.577personen).Voor het voortgezet onderwijs gaat het om 1.377 onderwijsmedewerkers,waarvan 75% 60 jaar of ouder is (1.032 personen).51107Kunt u per provincie, leeftijd en duur van de WW het aantal leraren(primair en voortgezet onderwijs) die een WW ontvangen inzichtelijkmaken?De uitsplitsingen provincie, leeftijd en WW-duur zijn niet beschikbaar. Ziehet vorige antwoord voor totaal aantallen werkenden en leraren met WWper sector.108In hoeverre worden WW-gerechtigden (financieel) gestimuleerd om aande slag te gaan in het onderwijs door bijvoorbeeld (gedurende de WW)een onderwijsbevoegdheid te halen?49WW: werkloosheidsuitkering50Bron: WW-uitkeringen - Onderwijs algemeen - DUO Open Onderwijsdata en Sociale zekerheid- Onderwijs algemeen - DUO Open Onderwijsdata51Bron: WWplus, 4e kwartaal 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17634 Het UWV ondersteunt WW-gerechtigden bij het vinden van nieuw werk.Dat doen zij onder andere door re-integratiebegeleiding. Dat is maatwerk.Beroepen in het onderwijs zijn door het UWV als «langdurig kansrijk»aangemerkt. UWV kan daarom scholing tijdens de WW toestaan en(gedeeltelijk) vergoeden als die de kans op werk vergroot. Wel moetworden opgemerkt dat het behalen van een onderwijsbevoegdheid tijd enmiddelen vragen die niet voor iedereen zijn weggelegd tijdens de duurvan de WW. Een zij-instroom in beroep (ZiB)-traject kan uitkomst bieden.Personen met een hbo- of wo-opleiding kunnen dan betaald in diensttreden bij een schoolbestuur terwijl ze in twee jaar hun bevoegdheidhalen. Het voortraject kan dan mogelijk binnen de WW doorlopen worden.Tot slot heeft het Participatiefonds de wettelijke taak om uitkeringsgerech-tigden die uit het primair onderwijs komen terug te begeleiden naar eenbaan, dat kunnen dus ook mensen zijn die al een onderwijsbevoegdheidhebben.109In hoeverre bent u bereid om de aanvullende maatregelen die de Staatvan het Onderwijs 2025 vermeldt, te faciliteren, zoals het extra stimulerenvan brede en langjarige brugklassen, het verder ontwikkelen van internedifferentiatie in de onderbouw van het vo en het ontwikkelen vanobjectieve en betrouwbare toetsing in voortgezet onderwijs?De aanbevelingen die in de SvhO 2025 zijn opgenomen zijn belangrijk: zevormen waardevolle input bij het beantwoorden van de vragen «Doen wede goede dingen?» en «Doen we de dingen goed?». Waar noodzakelijk enmogelijk – ook in het licht van de huidige budgettaire beperkingen – zullende aanbevelingen uiteraard betrokken worden bij het evalueren of herzienvan staand beleid, of bij het ontwikkelen van nieuw beleid.110Hoe beoordeelt u de conclusies en aanbevelingen van de Inspectie in hethoofdstuk «De inzet van tijdelijke versus structurele middelen»?In de SvhO wordt aangegeven dat subsidies tijdelijk zijn en het daardoorlastig is om is om langetermijnbeleid uit te zetten. Het is belangrijk datscholen kunnen werken aan duurzame kwaliteitsverbetering van hetonderwijs. Voor de subsidies voor Basisvaardigheden en School enOmgeving is daarom reeds aangekondigd dat deze worden omgezet naarstructurele bekostiging. Verdere stappen om te komen tot structurelebekostiging voor structurele taken worden momenteel bezien.Vanwege het samenspel tussen allerlei factoren is de doelmatigheid endoeltreffendheid van maatregelen op het gebied van kansengelijkheidlastig hard aan te tonen, zoals ook in de SvhO wordt aangegeven. Juistdaarom is de conclusie van Andersson Elfers Felix (2024) belangrijk dat demaatregelen rondom kansengelijkheid grotendeels aannemelijkdoeltreffend zijn. We blijven ook werken aan het verbeteren van dedoeltreffendheid door bijvoorbeeld de maatregelen rondom Schoolmaal-tijden en School en omgeving te monitoren en te werken aan evidence-informed met het programma Ontwikkelkracht.Tot slot is het voorstelbaar dat incidentele middelen vanuit diverseorganisaties en regio’s leiden tot verschillende procedures met eigentijdlijnen en voorwaarden voor scholen. Daarom wordt, zoals de motievan de Kamerleden Westerveld en De Hoop (GroenLinks-PvdA) vraagt,onderzocht welke financiële middelen er nodig zijn voor de transitie naarinclusief onderwijs, zodat er in de toekomst een passende manier vanfinanciering wordt vormgegeven die recht doet aan de praktijk (Kamerstuk36 100 VIII, nr. 12).111Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17635 Welke maatregelen overweegt u om de versnippering in het beleid rondkansengelijkheid in het onderwijs effectief tegen te gaan?Zoals aangekondigd in de Kamerbrief over de duurzame vormgeving vanSchool & Omgeving, wordt bij de structurele vormgeving van deprogramma’s Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School & Omgevingverkend of en waar de financieringsstromen kunnen worden gebundeld.52112Deelt u de opvatting van de Inspectie dat een fundamenteel probleem alskansenongelijkheid ook vraagt om een structurele beleidsaanpak?Ja, dat doet dit kabinet door te focussen op goed onderwijs in taal enrekenen van afdoende en gekwalificeerd onderwijspersoneel. Ook voor deleerlingen die dat het meest nodig hebben, door structureel in te zetten opextra programma’s zoals School & Omgeving, Schoolmaaltijden en deBrugfunctionaris. Tot slot zetten we in op het vergroten van de kennis-basis die kan dragen aan het ontwikkelen van het talent van iedereleerling in het onderwijsstelsel, bijvoorbeeld via leertrajecten met de NROover de overgang van het po naar het vo, en de doorstroom in het vo.113Hoe beoordeelt u de voorgenomen bezuiniging op de Onderwijskansenre-geling in het licht van de aanbeveling om structurele middelen in te zettenvoor kansengelijkheid, en bent u bereid deze bezuiniging te herover-wegen?Hiervoor verwijzen wij u verder naar de brief die op verzoek van uwKamer nog voor de behandeling van de Voorjaarsnota naar uw Kamer zalworden gestuurd.114Bent u voornemens om, conform de aanbevelingen van de Inspectie,meer structurele en directe financiering beschikbaar te stellen aanmaatschappelijke organisaties die actief bijdragen aan het vergroten vankansengelijkheid?Bij de structurele vormgeving van de programma’s Schoolmaaltijden,Brugfunctionaris en School & Omgeving willen we allereerst scholen in debeste positie brengen om de extra leer- en ontwikkeltijd en ondersteuningaan te laten sluiten bij de schoolcontext en het pedagogisch klimaat vande school. In de uitwerking zal vanzelfsprekend ook aandacht zijn voor deverbinding met maatschappelijke organisaties die bijdragen aan hetvergroten van kansengelijkheid.115Wordt de reden tot uitschrijving dan wel uitval door onderwijsinstellingengevraagd en geregistreerd?In het hbo en wo verschilt het per onderwijsinstelling of en hoe zeredenen voor uitschrijving of uitval uitvragen en registreren. Landelijkwordt dit gemonitord middels de Startmonitor (een jaarlijkse enquêteonder eerstejaarsstudenten). In deze enquête worden studenten die zijnuitgevallen of geswitcht gevraagd naar de redenen die hieraan tengrondslag lagen. Op basis van het besluit register onderwijsdeelnemers ishet voor mbo-instellingen verplicht de reden van uitschrijving te regis-treren en te delen met DUO.52Kamerbrief over duurzame vormgeving School en Omgeving | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17636 116In hoeverre monitoren onderwijsinstellingen sociale binding en hetwelbevinden van studenten?In het funderend onderwijs zijn scholen verplicht jaarlijks de socialeveiligheid van leerlingen in kaart te brengen.Mbo en ho hebben geen wettelijke verplichting om de sociale binding enhet welbevinden van studenten te monitoren. Veel mbo-instellingennemen de JOB-monitor af en/of laten hun studenten de vragenlijst vantestjeleeftstijl invullen. Beide instrumenten genereren rapporten opinstellingsniveau en bieden aanknopingspunten voor beleid. In 2024hebben 51 mbo-instellingen meegedaan aan de JOB-monitor. Een van dethema’s in de JOB-monitor is omgeving, sfeer en sociale veiligheid. 37mbo-instellingen hebben hun studenten een vragenlijst van testjeleefstijllaten invullen. Contact & Vriendschap en Agressie & Veiligheid zijnthema’s in deze vragenlijst.In het ho vullen veel studenten de Nationale Studenten Enquête (NSE) in.De uitkomsten hiervan helpen hogescholen en universiteiten om te zienop welke punten ze hun opleidingen opleiding nog kunnen verbeteren.Sommige instellingen voor hoger onderwijs werken met welzijns-apps.Studenten kunnen deze invullen en krijgen zo inzicht in waar de zorgenrondom welbevinden liggen. Dit kunnen ze vervolgens delen met deschool, zodat ze gericht hulp kunnen krijgen. Studenten kunnen zo zelf deregie nemen op hun welbevinden. De instellingen krijgen zo data overwelke problematieken spelen in de studentenpopulatie.117Hoeveel instellingen bieden hun studenten (buiten de introductieweek)structureel extracurriculaire activiteiten aan die gericht zijn op socialebinding, zoals excursies of interdisciplinaire projecten?Er is geen overzicht van hoeveel instellingen hun studenten structureelextracurriculaire activiteiten aanbieden die gericht zijn op sociale binding.In het mbo is in de Werkagenda mbo afgesproken om het welzijn vanstudenten te verbeteren. Mbo-instellingen kunnen hiervoor de kwaliteits-middelen inzetten. Deelname aan introductieweken wordt tevensgestimuleerd vanuit de Werkagenda, wat bij kan dragen aan socialebinding.In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap is afgesproken datonderwijsinstellingen een kader voor een integrale aanpak studenten-welzijn ontwikkelen en deze uitvoeren. Dit kader is in 2023 gepubliceerden heeft als een van de pijlers het werken aan sociale binding en sense ofbelonging (je thuis voelen). Onderwijsinstellingen besteden hier dusaandacht aan. Dit kunnen zij op een eigen, gepaste, manier invullen.Bijvoorbeeld door hier aandacht aan te besteden in het curriculum of doorextracurriculaire activiteiten te organiseren. Veel opleidingen kennenstudieverenigingen die activiteiten op dit vlak organiseren, veelal metfinanciering van de instelling. In 2025 wordt het Kader Studentenwelzijntussentijds geëvalueerd om geleerde lessen in kaart te brengen. Er zalonder meer worden gekeken hoe instellingen invulling geven aan hetvergroten van sociale binding. Begin 2026 wordt uw Kamer over deuitkomsten van de tussenevaluatie geïnformeerd.118Is er sprake van minder studieuitval- of studiewissel bij instellingen dieeen verplicht matchingproces voor eerstejaarsstudenten kennen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17637 Hierover hebben we landelijk geen gegevens. Zoals aangekondigd in debrief over toegankelijkheid en doorstroom53 is voornemen om in 2026 destudiekeuzecheck te evalueren. Er zal dan gekeken worden naar deeffectiviteit hiervan. Uw Kamer zal geïnformeerd worden over deuitkomsten van deze evaluatie.119Op welke manier is de studiekeuzecheck op dit moment vormgegevenvoor aankomende studenten in het hoger onderwijs?De inhoud van de studiekeuzecheck verschilt per opleiding. Studenten diezich vóór 1 mei aanmelden voor een opleiding hebben recht op eenstudiekeuzecheck en een bijbehorend (niet bindend) advies over destudiekeuze. Studenten die zich na 1 mei aanmelden, kunnen door deinstelling verplicht worden gesteld om een studiekeuzecheck te maken.Zoals aangekondigd in de brief over toegankelijkheid en doorstroom54 isvoornemen om in 2026 de studiekeuzecheck te evalueren. Er zal dangekeken worden naar de effectiviteit hiervan. Uw Kamer zal geïnformeerdworden over de uitkomsten van deze evaluatie.120Hoe beweegt u scholen richting bewezen effectieve programma’s tegenpesten?Het is natuurlijk van belang dat scholen zoveel mogelijk werken metbewezen effectieve interventies, daarom stimuleren we dat. Zo heeft hetNederlands Jeugdinstituut (NJi) een database met effectieve jeugdinter-venties. Daarbij wordt aangegeven in welke mate die effectief zijn. Nieuweinterventies kunnen zich bij het NJi aanmelden om beoordeeld te worden.Daarnaast helpt de Stichting School en Veiligheid scholen in hetfunderend onderwijs en mbo op weg, door aan te geven wat de werkzameelementen zijn van antipestprogramma’s en hoe je die in moet bedden ineen bredere aanpak. Wel blijft de keuze van een programma binnen onsonderwijssysteem aan de school zelf, conform artikel 23 van de Grondwet.Zij hebben de vrijheid om zelf een degelijk en effectief programma tekiezen dat past bij de aanpak en de problematiek van hun school.121Welke rol kan de STORM-aanpak hier spelen?55STORM is een aanpak om het mentaal welbevinden van leerlingen tevergroten. Scholen en instellingen kunnen deze aanpak inzetten als ze datwillen. Scholen en instellingen ontvangen bekostiging die ook bedoeld isvoor lesmethoden en -pakketten. Zij hebben de vrijheid om zelf eendegelijk en effectief programma te kiezen dat past bij de aanpak en deproblematiek van hun school, conform artikel 23 van de Grondwet.122Hoe voorkomt u de steeds ernstiger wordende vorm van fysieke geweld inpestgedrag?Het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, dat voor de zomer nog naar uwKamer wordt gestuurd, gaat strengere eisen stellen aan scholen. Wegeven daarbij een nadere inkleuring aan de wettelijke zorgplicht voor deveiligheid die scholen nu al hebben. Dat gaat ook om ernstig(er) fysiekgeweld. Zo komt er een registratieplicht voor incidenten en een meldplicht53Kamerstukken II 2024/25, 31 288, nr. 118854Kamerstukken II 2024/25, 31 288, nr. 118855Strong Teens and Resilient Minds (STORM), https://stormaanpak.nl/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17638 bij de inspectie voor ernstige incidenten en versterken we de monitoringvan de veiligheidsbeleving. Scholen moeten daarbij samenwerken metonder andere politie en gemeenten, want dit kunnen ze niet alleen. Samenmet JenV werken we in een aantal programma’s samen aan het terug-dringen van geweld op scholen, zoals het programma Wapens enJongeren en de aanpak Preventie met Gezag. We helpen om de samen-werking ook lokaal te versterken, bijvoorbeeld door helder te maken welkegegevens kunnen worden gedeeld tussen scholen en andere partijen. Weondersteunen scholen via Stichting School en Veiligheid (SSV) metprotocollen, handreikingen en concrete ondersteuning als een incidentzich voordoet. SSV heeft een advieslijn en een calamiteitenteam. Ook gaatSSV in 2025 en 2026 de ondersteuning voor scholen op het terrein vandeze zwaardere vormen van onveiligheid aanscherpen en uitbreiden. Totslot roepen we scholen op om aangifte bij de politie te doen indien zijstrafbare feiten vermoeden.123Wat gaat u doen om de handelingsverlegenheid aan te pakken?We ondersteunen scholen via Stichting School en Veiligheid, diehandreikingen en protocollen bieden, en ook een advieslijn hebben en eencalamiteitenteam. Zij hebben speciaal aandacht voor online pesten enharde geweldsincidenten. Samen met het Ministerie van Justitie enVeiligheid werken we in een aantal programma’s aan het ondersteunenvan scholen en de omliggende partijen zoals politie en jeugdwerk om dattegen te gaan. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs scherpen wede eisen aan scholen in het funderend onderwijs ook verder aan. Datwetsvoorstel komt voor de zomer nog naar uw Kamer. Bij de implemen-tatie gaan we scholen extra ondersteunen om dat goed te doen. Daarhebben we extra geld voor vrijgemaakt.124Hoeveel kinderen met extra ondersteuningsbehoefte dan wel hoogbe-gaafdheid staan op wachtlijsten of zitten thuis zonder onderwijs?Er is geen landelijk zicht op de reden waarom kinderen thuiszitten. Hetwetsvoorstel terugdringen schoolverzuim dat in uw Kamer ligt, zal meerinzicht bieden in het aantal kinderen dat thuis zit en het type verzuim.125Hoe ziet u de conclusie van de Inspectie en aanbeveling aan de overheidom meer te sturen op inclusief onderwijs in het licht van de huidigesituatie zoals beschreven in het rapport «Behoeften bij leraren endocenten aan ondersteuning en professionalisering bij passend en meerinclusief onderwijs» van augustus 2024?56We werken aan de randvoorwaarden om inclusief onderwijs überhauptmogelijk te maken. Daarbij zetten we eerst in op het ondersteunen vanscholen en samenwerkingsverbanden die (willen) werken richtinginclusief onderwijs en werken we samen met het onderwijs- en zorgveldaan de verdere beleidsontwikkeling voor inclusief onderwijs. We doen ditbijvoorbeeld door de inzet van de beleidsregel inclusieve leeromgeving,zodat reguliere scholen en scholen uit het gespecialiseerd onderwijs eenmultidisciplinair team kunnen vormen. Hiermee komen we ook tegemoetaan de behoefte van de leraren aan een betere ondersteuning zoalsbeschreven wordt in het rapport. Ook stimuleren en versterken we devoorlopers en brengen we hen samen in leernetwerken waarin zijervaringen uitwisselen en van en met elkaar leren. Via het Steunpunt56Kamerstuk 31 497, nr. 496.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17639 Passend Onderwijs bieden we informatievoorziening aan over wat erbinnen de huidige wetgeving al mogelijk is voor alle scholen en samen-werkingsverbanden. Daarnaast worden de doelstellingen van inclusiefonderwijs uitgewerkt en richten we een monitor in zodat we de komende10 jaar kunnen volgen in welke mate de gestelde doelen bereikt worden.126Hoeveel studenten maken gebruik van aanvullende studiebegeleiding ofvoorzieningen voor studenten met een ondersteuningsbehoefte?Er zijn veel verschillende voorzieningen voor studenten die dat nodighebben zoals financiële ondersteuning (bijv. de voorziening prestatiebeursof het studentenondersteuningsfonds) of onderwijsvoorzieningen gerichtop het toegankelijker maken van onderwijsdeelname (bijv. aangepastevormen van tentaminering). Er is geen totaaloverzicht hoeveel studentengebruik maken van aanvullende studiebegeleiding of voorzieningen voorstudenten met een ondersteuningsbehoefte. Voor de voorzieningprestatiebeurs geldt dat deze in 2024 aan circa 15.000 studenten istoegekend. In 2023 werd bijna 18.000 keer uit het studentenondersteu-ningsfonds een financiële tegemoetkoming uitgekeerd aan hbo- en wo-studenten. Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar de brederemaatwerkvoorzieningen in het hbo en wo voor studenten met eenondersteuningsvraag. Hierbij wordt tevens gekeken naar hoeveelstudenten deze voorzieningen aanvragen en hoeveel daarvan worden toe-en afgewezen. De Kamer wordt hierover voor de zomer van 2026geïnformeerd.127Wat is de gemiddelde wachttijd voor gespecialiseerde begeleiding (zoalsstudentenpsychologen) in het hbo en wo?Dat is niet bekend. We hebben geen informatie over wachttijden bijstudentpsychologen of andere hulp bij onderwijsinstellingen.128Hoe beoordeelt u de mogelijke rol van het maatschappelijk middenveld bijhet verlichten van de druk op het onderwijsveld, en op welke wijze zoudeze bijdrage vorm kunnen krijgen?Samenwerking tussen betrokkenen bij de vormgeving van goed onderwijsis belangrijk, zowel op lokaal, regionaal en landelijk niveau. Door zicht tehebben wat er speelt in de scholen en in wisselwerking met hetmaatschappelijk middenveld kunnen we er gezamenlijk voor zorgen datwe beleid en afspraken maken die nodig en passend zijn om goedonderwijs aan alle leerlingen te bieden en kan onnodige druk op hetonderwijsveld worden voorkomen.129Welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen om de samenwerkingtussen het onderwijsveld en het maatschappelijk middenveld te bevor-deren en te versterken?In de SvhO beveelt de inspectie aan de leraren en bonden aan om desamenwerking te intensiveren op landelijk niveau en binnen de schoolzodat de stem van de leraar wordt meegenomen in beleid en om dekwaliteit van het vak te bevorderen. Dit is in lijn met wat wij in de brievenaan uw Kamer schreven over de lerarenstrategie (Kamerstuk 27 923, nr.497) en in reactie op het Onderwijsraadadvies Een stevige stem(Kamerstuk 33 223, nr. 8). Daarin schrijven wij het van belang te vindendat leraren kunnen meepraten en meebeslissen over het beleid. Zij zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17640 immers de experts die dagelijks voor de klas staan. We ondersteunendaarom de vorming van een representatieve en onafhankelijke beroeps-groep. Voor de zomer informeren we uw Kamer over de stand van zaken.130Hoe beoordeelt u de mogelijke rol van het maatschappelijk middenveld bijhet verlichten van de druk op het onderwijsveld, en op welke wijze zoudeze bijdrage vorm kunnen krijgen?Zie het antwoord op vraag 128.131Welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen om de samenwerkingtussen het onderwijsveld en het maatschappelijk middenveld te bevor-deren en te versterken?Zie het antwoord op vraag 129.132Wat gaat u ondernemen tegen de veel hogere werkdruk voor leraren invergelijking met andere sectoren, nu 65 procent van de leraren in hetprimair onderwijs en 59 procent in het voortgezet onderwijs vindt dat zevaak heel veel werk moeten doen, terwijl dit in heel Nederland geldt voorslechts 40 procent van de werknemers?Zie het antwoord op vraag 11. Voor de zomer ontvangt de Kamer een briefwaarin de aanpak van werkdruk in het onderwijs wordt toegelicht.133Welke gegevens en berekeningen onderbouwen de bewering dat hetgemiddelde bruto maandsalaris van een voltijdsleraar in het po 6.100 eurobedraagt en dat van een voltijdsleraar in het vo 6.200 euro?In de gemiddelde beloning wordt rekening gehouden met de schalen entreden van alle leraren in loondienst (voltijd en deeltijd) in het basison-derwijs en het speciaal (basis en voorgezet) onderwijs. Deze gewogengemiddelde beloning geeft een representatief beeld van wat lerarenverdienen bij een voltijdsaanstelling. De gegevens zijn op basis van DUOen de cao’s. Op www.rijksoverheid.nl en www.werkeninhetonderwijs.nlstaat transparant de wijze waarop deze beloning wordt berekend. Degemiddelde jaarlijkse beloning (bruto inkomen) bestaat uit alle maandsa-larissen in een jaar plus alle vaste toelagen die iedere leraar krijgt, hetvakantiegeld en de eindejaarsuitkering.134Wat is het resultaat van de maatregelen die in landen als Ierland en Belgiëworden genomen om de werkdruklast in het onderwijs te verlagen?In de Staat van het Onderwijs noemt de inspectie Engeland, Wales enBelgië als landen die maatregelen hebben genomen om de werkdruk inhet onderwijs te verlagen. Er zijn nog geen data bekend over de resultatenvan de maatregelen die in deze landen worden genomen. De maatregelenzijn van recente datum (2023 of later).135Hoeveel scholen hebben op dit moment (nog) geen professioneel statuuten welke maatregelen neemt u om het aantal scholen met een professi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17641 oneel statuut, conform de motie van de leden Pijpelink en Soepboer, teverhogen?57Op dit moment fluctueert het percentage scholen dat een professioneelstatuut heeft. In het schooljaar 2019/2020 beschikte 45% van de basis-scholen over een statuut, terwijl dit in 2020/2021 was gedaald naar 35%.Recentere, betrouwbare gegevens zijn niet beschikbaar. Bovendien blijktuit steekproefsgewijs onderzoek (2021) dat op ongeveer een derde van descholen met een professioneel statuut dit document na het opstellen nietmeer actief wordt besproken binnen het onderwijsteam. Om het aantalscholen met een professioneel statuut te verhogen en beter te onder-steunen bij de implementatie ervan, wordt gesproken met de socialepartners. Hieruit bleek dat er breed draagvlak bestaat voor het ontwik-kelen van een toolkit. De precieze invulling van de toolkit wordt nogbezien. Daarnaast is er voor het funderend onderwijs het wetsvoorstel«versterking zeggenschap leraren en schoolleiders» aangekondigd. Ditwetsvoorstel wil vastleggen dat het professioneel statuut cyclischbesproken wordt en de rol van de medezeggenschap bij het vaststellenvan dit document versterken.136Hoe vaak heeft de Inspectie handhavend opgetreden bij scholen die nietvoldoen aan het hebben van een professioneel statuut?In haar risicogerichte toezicht kan de inspectie het ontbreken van eenprofessioneel statuut aan de orde stellen en herstelopdrachten geven. Erzijn geen data beschikbaar over hoe vaak deze herstelopdracht gegevenwordt. Zie ook het antwoord op vraag 135.137Wat voor conclusies trekt u over het aantal onbevoegd gegeven lessen uitde gevolgen die de Inspectie signaleert voor de onderwijskwaliteit opscholen met een lerarentekort?Uit cijfers van de inspectie blijkt dat bij scholen die in schooljaar2023–2024 als eindoordeel voor de kwaliteit een onvoldoende kregen hetlerarentekort gemiddeld 12% was. Op scholen met het eindoordeelvoldoende was dit iets minder dan 9%. Het onderzoek maakt niet duidelijkof tekorten leiden tot onvoldoende onderwijskwaliteit, of onvoldoendeonderwijskwaliteit op een school leidt tot het vertrek van sommigeleraren. Het is daarom van belang dat we dit blijven monitoren. Bevoegdgegeven lessen zijn de norm en daar blijven we op inzetten. Daarnaastzetten we onverminderd in op het aanpakken van het lerarentekort.138Hoe beoordeelt de Inspectie de kwaliteit van bekwaamheid van deafstudeerders van de educatieve minoren, nu blijkt dat vooral dekwantiteit centraal (aantal mensen dat start, doorstroomt etc.) staat?De inspectie heeft niet de taak om de kwaliteit van de opleidingen of debekwaamheid van de afstudeerders te beoordelen. De NVAO beoordeeltde kwaliteit van lerarenopleidingen, inclusief het programma van deeducatieve minor bij de accreditatie. De visitatiepanels hebben in delaatste visitatieronde niet alleen gekeken naar het programma, maar ooknaar het voldoen aan de bekwaamheidseisen en kwamen daarbij tot eenpositief oordeel.13957Kamerstuk 27 923, nr. 465.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17642 In hoeverre wilt u vervolg geven aan de uitkomsten van het onderzoeknaar het pdg58, nu de Inspectie signaleert dat taalvaardigheid voor pdg’erseen struikelblok is en dat vakdidactiek in het traject nog onvoldoende aanbod komen?Voor wat betreft de taalvaardigheid van pdg’ers wordt gewacht op hetadvies van de beroepsgroep voor het herijken van de bekwaam-heidseisen. Wanneer wij dit advies ontvangen zullen wij kritisch bekijkenof alle vakdidactische kennis en vaardigheden zijn opgenomen onder devakdidactische bekwaamheidseis en niet gedeeltelijk onder de vakinhou-delijke bekwaamheidseis, zoals nu het geval is. Aan de hand van hetadvies voor het herijken van de bekwaamheidseisen van de beroepsgroepzal bepaald worden of er aanvullende maatregelen nodig zijn om detaalvaardigheid van pdg’ers te verbeteren.140Hoe verklaart u dat de regelingen voor zijinstromers die aan de slag gaanals docent in het mbo ongunstiger zijn dan voor zijinstromers in het hbo?Aan docenten in het mbo worden andere eisen gesteld dan aan docentenin het hbo. Dit werkt ook door in de eisen die gesteld worden aan dezij-instromers. Om als docent te mogen werken in het mbo is eengetuigschrift van een eerste- of tweedegraads lerenopleiding of eenPDG-getuigschrift (Getuigschrift Pedagogisch Didactische scholing) éneen geschiktheidsverklaring van het bevoegd gezag van de mbo-instellingnoodzakelijk. Eisen aan docenten in het mbo sluiten meer aan bij eisenaan leraren in het funderend onderwijs. Voor het funderend onderwijs isook een getuigschrift van een eerste- of tweedegraads lerarenopleidingnodig. Voor het hbo zijn geen benoemingsvereisten vastgelegd in de Wetop het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het HBO heeft –op basis van zelfregulering – de Basisdidactische Bekwaamheid (BDB)voor docenten in het hbo ontwikkeld. Het is aan de hbo-instelling om ditte bepalen, mede op basis van landelijke afspraken. De eisen aanmbo-docenten zijn strenger mede doordat een gedeelte van dembo-studenten nog geen startkwalificatie heeft.Voor po-, vo- en mbo-instellingen is het mogelijk om subsidie aan tevragen voor zij-instromers in het po, vo en mbo via de Regeling subsidiezij-instroom.59141Hoeveel studenten ontvangen jaarlijks een negatief bindend studieadvies,uitgesplitst naar hbo en wo?In het studiejaar 2022–2023 gaf 14% van de studenten in het wo dieuitvielen of wisselden van studie aan dat een negatief bsa hieraan tengrondslag lag. In het hbo betrof dit 3% van de studenten die uitvielen ofwisselden van studie.60142Hoeveel studenten ontvangen jaarlijks een negatief bindend studieadviesen vallen uit?Zie ook het antwoord op vraag 141. In het studiejaar 2022–2023 gaf 14%van de studenten in het wo die uitvielen of wisselden van studie aan dat58Pdg: pedagogisch didactisch getuigschrift.59wetten.nl - Regeling - Regeling subsidie zij-instroom - BWBR003945960Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/23/monitor-beleidsmaatregelen-hoger-onderwijs-2022-2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17643 een negatief bsa hieraan ten grondslag lag. In het hbo betrof dit 3% vande studenten die uitvielen of wisselden van studie.61143Hoeveel studenten ontvangen jaarlijks een negatief bsa en switchenbinnen de instelling?Onderzoek uit 2021 toont aan dat, onder een steekproef van studenten,zo’n 40% van de studenten met een negatief bsa switchte naar eenopleiding binnen dezelfde sector. Zo’n 12% switchte naar dezelfde studiebij een andere instelling.62 Er zijn geen recentere gegevens bekend en erwordt niet centraal geregistreerd in welke mate studenten met eennegatief bsa naar een andere opleiding binnen dezelfde instellingswitchen.144Hoeveel studenten ontvangen jaarlijks een negatief bsa en switchen naareen andere instelling?Zie ook het antwoord op vraag 143. Onderzoek uit 2021 toont aan dat,onder een steekproef van studenten, zo’n 40% van de studenten met eennegatief bsa switchte naar een opleiding binnen dezelfde sector. Zo’n 12%switchte naar dezelfde studie bij een andere instelling.63 Er zijn geenrecentere gegevens bekend en er wordt niet centraal geregistreerd inwelke mate studenten met een negatief bsa naar een andere instellingswitchen.145Welke instellingen hebben het bsa (gedeeltelijk) afgeschaft, versoepeld ofvervangen door een niet-bindend studieadvies, en wat zijn de effectenhiervan op studierendement, uitval en switch?In antwoord op Kamervragen is onlangs aangegeven dat niet centraalwordt geregistreerd welke instellingen en opleidingen wel/niet een bsahanteren.64 Van een aantal hogescholen is bekend dat ze hun eigen normvoor het bsa hebben versoepeld, of van plan zijn dit te doen, zoalsFontys,65 Avans,66 Zuyd Hogeschool,67 Hogeschool Rotterdam68 en deHanzehogeschool.69146Wat zijn de financiële gevolgen bij een onderwijsinstelling van uitvalwegens een negatief bsa ten opzichte van een vertraagde studieduur?61Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/23/monitor-beleidsmaatregelen-hoger-onderwijs-2022-202362Cornelisz, I., Vermeulen, S., Van Klaveren, C. (2021). Naar een breder begrip van de gevolgenvan bindend studieadvies door koppeling van instellingsdata aan registerdata. Den Haag,NRO.63Cornelisz, I., Vermeulen, S., Van Klaveren, C. (2021). Naar een breder begrip van de gevolgenvan bindend studieadvies door koppeling van instellingsdata aan registerdata. Den Haag,NRO.64Kenmerk 2025Z0248065https://www.fontys.nl/nieuws/fontys-schaft-binnen-twee-jaar-het-bindend-studieadvies-af/66https://punt.avans.nl/2025/01/bindend-studieadvies-vervalt-met-te-weinig-studiepunten-in-jaar-1-hoef-je-avans-niet-mer-verplicht-te-verlaten/#:~:text=Avans%20stopt%20volgend%2067https://www.zuyd.nl/over-zuyd/nieuws/2021/02/bindend-studieadvies68https://www.hogeschoolrotterdam.nl/voorlichting/begeleiding-en-voorzieningen/hulp-bij-studie/mijn-studie/studie-advies/69https://www.oogtv.nl/2023/03/hanzehogeschool-stopt-met-bindend-studieadvies/#:~:text=De%20Hanzehogeschool%20stopt%20met%20het,gebruik%20maken%20van%20dit%20advies.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17644 Bij uitval van een student loopt een onderwijsinstelling graadbekostiging(bekostiging per afgeleverde graad) mis, ongeacht of een negatief bsa ofandere redenen ten grondslag lagen aan de uitval. Verder komt debekostiging tot stand op basis van het aantal nominaal studerendestudenten. Studenten die langer studeren, vallen dus buiten de verdelingvan de middelen aan de desbetreffende instelling.147Wat is de reden dat zij-instromers niet tevreden zijn over begeleiding opde werkplek?De mate van tevredenheid over de begeleiding vanuit de lerarenopleidinghangt nauw samen met het geboden maatwerk. Hoe meer maatwerk deopleiding biedt, hoe meer tevreden men is over de ondersteuning enbegeleiding vanuit de opleiding (Loopbaanmonitor Onderwijs 2024). Zoalsook de Inspectie van het Onderwijs in de Staat stelt is het merendeel vande zij-instromers in beroep tevreden over de begeleiding tijdens hetzij-instroomtraject (po: 70%, vo 63% en mbo 71%). In het po wordenzij-instromers in het begin vaak bovenformatief ingezet. In het vo en mbogebeurt dit veel minder vaak.148Hoe wordt begeleiding voor startende leraren op de werkplek in hetprimair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs georganiseerd en inhoeverre is deze begeleiding onafhankelijk?Scholen hebben veel autonomie in de inrichting van de begeleiding vanstartende leraren. Het Ministerie van OCW stelt hiervoor geen landelijkerichtlijnen op. Wel kunnen leraren terugvallen op afspraken in de cao’s,waarin kaders zijn vastgelegd over onder andere de tijd en middelen voorbegeleiding en professionalisering.De financiering voor begeleiding komt via de lumpsum bij scholenterecht. Daarnaast zijn er aanvullende middelen beschikbaar via ondermeer de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s, hetGroeifondsproject Nationale Aanpak Professionalisering Leraren, en –specifiek voor het mbo – de Werkagenda mbo, die ook inzet op loopbaan-perspectief en begeleiding van starters.Hoewel de begeleiding op schoolniveau wordt georganiseerd, bieden decao-afspraken en aanvullende regelingen duidelijke kaders enwaarborgen, ook wat betreft onafhankelijkheid en kwaliteit.149Krijgen scholen of de beroepsgroep financiering voor de begeleiding vanstarters in het onderwijs?Ja, scholen krijgen op verschillende manieren financiering voor debegeleiding van starters. Ten eerste kunnen scholen gebruik maken vande lumpsum voor de begeleiding van starters in het onderwijs. Tentweede is er geld beschikbaar via de Subsidieregeling Landelijk dekkendnetwerk onderwijsregio’s. Ten derde via het Groeifondsproject NationaleAanpak Professionalisering Leraren. En tot slot is er voor het mbo vanuitde Werkagenda mbo middelen beschikbaar voor carrièreperspectief,waaronder de begeleiding van startende leraren.150Wat is de uitstroom van startende leraren (zij-instromers en starters) uithet onderwijs, in absolute aantallen en percentages, en wat zijn deredenen voor deze uitstroom?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17645 Uit de Loopbaanmonitor Onderwijs blijkt dat de meeste pas afgestu-deerden van de lerarenopleiding in het onderwijs gaan werken.70 Van depabo-afgestudeerden is in het laatst bekend jaar 5% na één jaar uitge-vallen, van de afgestudeerden van de tweedegraads lerarenopleidingen6% en van de universitaire lerarenopleidingen 7%. In absolute aantallengaat dit respectievelijk om 165, 188 en 36 afgestudeerden. De ervaringleert dat een deel van deze uitgevallen starters later weer terugkeert in hetonderwijs.Op basis van de beschikbare data zijn er geen harde uitspraken te doenover waarom starters het onderwijs verlaten. Een mogelijke verklaring isde arbeidsmarkt in de regio. Hoe beter de arbeidsmarkt, hoe groter dekans dat men elders gaat werken. Daarnaast spelen wellicht ook zakenmee rond de inhoud van het werk of de werkzekerheid.151Welke consequenties verbindt u aan de constateringen dat naar schatting2,2 miljoen volwassenen in Nederland laaggeletterd of laaggecijferd zijn,maar de trajecten die er zijn om deze mensen, waaronder nieuwkomers,een betere positie op de arbeidsmarkt te geven, niet voldoende aansluitenop het beroepsonderwijs, waardoor de doorstroom naar beroepsoplei-dingen die leiden tot een startkwalificatie wordt beperkt en talent onbenutblijft?Basisvaardigheden zijn belangrijk om optimaal te kunnen participeren inde maatschappij en op de arbeidsmarkt. Daarom wordt jaarlijks ongeveer81 miljoen euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het aanbiedenvan cursussen basisvaardigheden. Doorstroom naar het beroepson-derwijs kan voor een deel van de doelgroep een juiste route zijn. Vooranderen zijn flexibelere vormen van leren en ontwikkelen passender bijhun situatie, zoals leren op de werkvloer, (deel)certificaten of kortdurendetrainingen. Om het leren van basis- én vakvaardigheden te stimuleren ishet project «LLO Collectief» gestart. Doel van dit project is om een LevenLang Ontwikkelen beter toegankelijk te maken voor deze doelgroep endaarmee hun positie op de arbeidsmarkt of doorstroom naar hetberoepsonderwijs te verbeteren. Hiervoor is in totaal 50,5 miljoen eurobeschikbaar gesteld vanuit het Nationaal Groeifonds.152Hoe waardeert u de constatering van de Inspectie dat een breed onder-wijsaanbod essentieel is, omdat de ontwikkeling van leerlingen enstudenten verder reikt dan uitsluitend een sterke kennisbasis?Deze constatering van de inspectie kunnen we alleen maar onder-schrijven. Vanuit het Masterplan worden scholen daarom ook aange-moedigd om, naast het grote belang van taal en rekenen, te werken aande basisvaardigheden burgerschap en digitale geletterdheid. Er is in hetnieuwe curriculum veel aandacht voor de samenhang tussen leerge-bieden en kennis als fundament voor leesvaardigheid. Dat neemt niet wegdat goed kunnen lezen, schrijven en rekenen het absolute fundament isvoor iedere leerling om mee te kunnen doen in het onderwijs, desamenleving en uiteindelijk op de arbeidsmarkt en daarom ook focusverdient.153Op welke wijze borgt u dat de nadruk op basisvaardigheden niet ten kostegaat van andere belangrijke competenties, zoals beroepsgerichte ensociaaleconomische vaardigheden?70Loopbaanmonitor Onderwijs 2024 | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17646 Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat de focus op basisvaardig-heden ten koste gaat van andere competenties. Basisvaardigheden zijnook geen zelfstandig vak of programmaonderdeel. Basisvaardighedenworden verweven door het gehele curriculum, zowel het theoretische alspraktische. Het is eerder andersom: het gesprek over de verbetering vanbasisvaardigheden zorgt er binnen scholen voor dat alle leraren binneneen school zich verantwoordelijk voelen om te werken aan de verbeteringvan de basisvaardigheden. We zien bijvoorbeeld dat teams in het vmbo ersamen over nadenken hoe zij de basisvaardigheden meer kunnenintegreren in de praktijkgerichte vakken. In het mbo worden de basisvaar-digheden veelal geïntegreerd in de beroepscontext aangeboden aanstudenten. Op deze manier worden theorie en praktijk aan elkaarverbonden. Dat is voor veel leerlingen en studenten motiverend.154Kunt u kwantificeren in welke mate de Inspectie de laatste jaren hettoezicht op scholen intensiveerde waardoor deze besturen minder vaakkon bezoeken, mede in vergelijking met de schoolbezoeken en bestuurs-bezoeken in de jaren die voorafgingen aan deze intensivering?De inspectie brengt op dit moment in kaart hoeveel scholen zij heeftbezocht in de periode van 2012 tot 2024. De Auditdienst Rijk kijkt inhoeverre deze analyse betrouwbaar, ordelijk en controleerbaar tot stand isgekomen. Deze informatie zal na het zomerreces met uw Kamer wordengedeeld, gelijktijdig met het onderzoek van de Auditdienst Rijk naar derapportage over de aantallen schoolbezoeken van de inspectie in deperiode 2012–2021.155Kunt u kwantificeren in welke mate de Inspectie de komende jaren binnende beschikbare capaciteit meer gaat inzetten op risicogericht bestuurstoe-zicht en kunt u daarbij toelichten wat dit gaat betekenen voor het toezichtop scholen?In de Kamerbrief van 25 april 2025is uw Kamer geïnformeerd over dewijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de motie Rooderkerk (D66)c.s.71, waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat alle scholenperiodiek, de vier jaar zo dicht mogelijk benaderend, fysiek bezochtworden door de Inspectie van het Onderwijs. De inspectie brengt in beeldwat maximaal mogelijk is, en wat dit betekent voor haar (wettelijke) taken,zoals het toezicht op besturen dat in de afgelopen periode met een sterkerrisicogerichte aanpak al fors is afgeschaald ten gunste van het toezicht opscholen. Hiermee wordt uitvoering aan de motie-Rooderkerk gegeven.72De resultaten van de uitvoeringstoets en de wijze waarop de motie wordtuitgevoerd, ontvangt uw Kamer uiterlijk voor de begrotingsbehandeling.156Welke onderzoeken tonen aan dat bestuursgericht onderwijstoezicht leidttot structureel beter onderwijs in de leslokalen?Kort na de start van het bestuursgerichte toezicht heeft de RadboudUniversiteit Nijmegen op verzoek van de inspectie onderzoek gedaan naareffecten van het vernieuwde toezicht op de onderwijskwaliteit. Deonderzoekers concludeerden op dat moment dat de effecten op deonderwijskwaliteit (nog) niet vast te stellen waren en dat het toezicht maarvoor een deel invloed had op de processen die de onderwijskwaliteitbeïnvloeden. Het was mogelijk te vroeg om effecten te kunnen vaststellen.71Kamerstuk 31 293, nr. 79772Kamerstuk 31 293, nr. 797Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17647 Daarom voert een consortium onder leiding van Oberon in opdracht vande inspectie momenteel opnieuw onderzoek uit naar effecten van hettoezicht van de inspectie op besturen. De hoofdvraag van het onderzoek ishoe het bestuurstoezicht bijdraagt aan de kwaliteit van de besturing doorbesturen en de sturing op school- en opleidingsniveau.Los van onderzoek zijn de besturen verantwoordelijk voor de kwaliteit vanhun scholen of opleidingen en voor deugdelijk financieel beheer en waarnodig voor herstel. Besturen zijn in de positie om continu de vinger aande pols te houden bij hun scholen of opleidingen en kunnen indien nodigook direct ingrijpen. Daarom is de inspectie zich vanaf 2017 sterker opbesturen gaan richten, als onderdeel van de toezichtmix waarmee deinspectie zich richt op scholen, besturen en het onderwijsstelsel. Voor hetfinancieel toezicht dat zich richt op de tientallen miljarden overheidsbe-kostiging geldt dat het op bestuursniveau uitgeoefend moet worden enniet op school- of opleidingsniveau uitgeoefend kan worden.157Welk deel van de schoolbesturen in respectievelijk primair en voortgezetonderwijs werd de afgelopen vier jaren bezocht?In de afgelopen vier jaar (2021 tot en met 2024) bezocht de inspectie zowelin het po als het vo iets minder dan de helft van de besturen. Deze vormvan toezicht is door de inspectie fors afgeschaald, zodat zij meer enintensiever toezicht op scholen kan houden. In de jaarverslagen van deinspectie van de afgelopen vier jaar staan de in de tabel genoemdegetallen van bestuursbezoeken.20211202220232024PO5215513565VO15694371 coronajaar 158Hoe reageert u op de zin «Daarom zetten wij als inspectie binnen debeschikbare capaciteit de komende jaren meer in op risicogerichtbestuurstoezicht» in het licht van eerdere Kamerdebatten waar de Kamerjuist vroeg om meer schoolgericht toezicht?Om tegemoet te komen aan de politiek breed aanwezige wens om meerscholen te bezoeken, heeft de inspectie het bestuurstoezicht de afgelopenanderhalf jaar afgeschaald; zij zet nu meer in op risicogericht toezicht bijbesturen. De daardoor vrijgekomen capaciteit kan benut worden voorschoolbezoeken.Uw Kamer is met de brief van 25 april jl. geïnformeerd over de wijzewaarop uitvoering wordt gegeven aan de motie Rooderkerk die deregering verzoekt ervoor te zorgen dat alle scholen periodiek, de vier jaarzo dicht mogelijk benaderend, fysiek bezocht worden door de inspectie.73De inspectie brengt in beeld wat maximaal mogelijk is en wat dit betekentvoor haar (wettelijke) taken, zoals ook het toezicht op besturen. Deresultaten van de uitvoeringstoets en de wijze waarop de motie wordtuitgevoerd, ontvangt uw Kamer voorafgaand aan de begrotingsbehan-deling.15973Kamerstuk 31 293, nr. 797Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17648 Hoeveel individuele, unieke scholen werden er jaarlijks bezocht in de jarenvan 2016 tot nu en hoeveel scholen gaan er naar verwachting vanaf nuper jaar worden bezocht?De inspectie brengt op dit moment in kaart hoeveel scholen zij heeftbezocht in de periode van 2012 tot 2024. De Auditdienst Rijk kijkt inhoeverre deze analyse betrouwbaar, ordelijk en controleerbaar tot stand isgekomen. Deze informatie zal na het zomerreces met uw Kamer wordengedeeld, gelijktijdig met het onderzoek van de Auditdienst Rijk naar derapportage over de aantallen schoolbezoeken van de inspectie in deperiode 2012–2021. Daarnaast voert de inspectie momenteel eenuitvoeringstoets uit hoe alle (unieke) scholen periodiek, de vier jaar zodicht mogelijk benaderend, fysiek bezocht kunnen worden. De resultatenvan de uitvoeringstoets en de wijze waarop de motie-Rooderkerk dieaanleiding was voor deze uitvoeringstoets wordt uitgevoerd, ontvangt uwKamer uiterlijk voor de begrotingsbehandeling.7474Kamerstuk 31 293, nr. 797Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 17649

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e9802a74237c640a

14 okt 2026 · a951692e3b95df14

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.