KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk over Voorhang ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages (Kamerstuk 33037-609)

30 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 3a35f30fe8fd379c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 037MestbeleidNr. 614 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 30 september 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de voorhangontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de wijziging van de hoogte van het afromingspercentages (Kamerstuk33 037, nr. 609).De vragen en opmerkingen zijn op 26 september 2025 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van30 september 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,AardemaDe (waarnemend) griffier van de commissie,Van den Brule-Holtjer kst-33037-614ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6141 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA -fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie7IIAntwoord / Reactie van de Minister7 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat afroming vanproductierechten ten eerste een maatregel is om de mest- en fosfaatpro-ductie te verlagen en zo te borgen dat de sectorale mestproductiepla-fonds, en daardoor ook het nationale plafond, niet worden overschreden.Deze leden constateren dat de Minister zelf aangeeft dat het stopzettenvan afroming in de pluimveehouderij niet bijdraagt aan het terugdringenvan de overschrijding van de nationale mestproductieplafonds, maarvooral wordt ingevoerd om de sector niet verder te beperken dan nodig is.Deze leden vragen de Minister hoe dit zich verhoudt tot de derogatievoor-waarden en de verplichtingen onder de Nitraatrichtlijn. Acht de Ministerhet niet risicovol om, in een periode waarin Nederland reeds moeite heeftde plafonds te respecteren, een instrument als afroming vroegtijdig los telaten?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het besluit isgebaseerd op de prognose dat de pluimveesector waarschijnlijk al in 2025onder het sectorale plafond zal uitkomen. Deze leden vragen de Ministerte onderbouwen hoe robuust deze prognoses zijn, gezien de aanzienlijkeonzekerheidsmarges en afhankelijkheid van aannames over veestapel envoersamenstelling. Welke risico’s worden genomen indien dezeprognoses in de praktijk niet uitkomen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de pluimveesectorrelatief dichtbij het sectorplafond zit, maar constateren ook dat door debeëindiging van afroming in de sector het nationale plafond verder uitzicht raakt. Daarmee wordt de toch al aanzienlijke opgave voor demelkveesector groter. Hoe heeft de Minister deze afweging gemaakt?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen dat hetstopzetten van afroming leidt tot een langere periode waarinoverschrijding van de nationale plafonds voortduurt. Kan de Ministeraangeven welke gevolgen dit heeft voor de waterkwaliteit en de nalevingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6142 van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Nitraatrichtlijn? Hoe wordt ditafgewogen tegen de financiële lastenverlichting voor pluimveehouders?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met devaststelling van de hoogte van de afromingspercentages (Kamerstuk33 037, nr. 609), waarmee het afromingspercentage bij pluimveerechtenop 0 procent wordt gezet. Deze leden willen daar een aantal vragen overstellen, maar stellen die vragen in het andere, gelijktijdige schriftelijkoverleg over het ontwerpbesluit waarmee het afromingspercentage bijvarkensrechten op 0 procent wordt gezet.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages in depluimveesector. Deze leden staan positief tegenover het beëindigen vanafroming in de pluimveesector. Deze leden constateren dat de pluim-veesector de afgelopen jaren belangrijke stappen heeft gezet op hetgebied van dierenwelzijn en verduurzaming. Bovendien draagt pluim-veemest in de praktijk nauwelijks bij aan het fysieke mestoverschot,omdat deze grotendeels wordt verwerkt (bijvoorbeeld in Moerdijk) ofgeëxporteerd. Kan de Minister dit beeld bevestigen?De leden van de NSC-fractie vragen tegelijkertijd hoe robuust deramingen zijn die laten zien dat het nationale mestproductieplafond in2025 niet wordt overschreden. Hoe wordt voorkomen dat het beëindigenvan afroming in de pluimveesector toch bijdraagt aan overschrijding vanhet plafond en uiteindelijk tot een generieke korting leidt?De leden van de NSC-fractie vragen daarnaast hoe de Minister richting deEuropese Commissie (EC) uitlegt dat dit besluit in lijn is met dedoelstelling om de waterkwaliteit te verbeteren en derogatie in detoekomst mogelijk terug te winnen. Hoe wordt voorkomen dat dit besluitdoor Brussel wordt gezien als een signaal dat Nederland de mestopgaveniet serieus neemt?De leden van de NSC-fractie vragen tot slot of dit besluit geen precedentschept voor andere sectoren. Hoe wordt geborgd dat het schrappen vanafroming bij pluimvee niet leidt tot een roep om vergelijkbare verlichtingbij andere sectoren, zoals de varkenshouderij?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met verbazing de «Voorhangontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages» gelezen.Deze leden vragen de Minister ten eerste te reflecteren op haar besluit omtegen de wens van de Kamer in toch over te gaan op stappen die nietmakkelijk omkeerbaar zijn. Deze leden verzoeken de Minister daarbijnadrukkelijk te reflecteren op haar keuze om tegen de wens van de Kamerin te gaan en niet te reflecteren op de inhoudelijke redenen die zijbelangrijk acht. Deze leden benadrukken dat de inhoudelijke motivatie vande Minister geen reden kan zijn om tegen de wens van de Kamer in eenbesluit te nemen, mits de wens van de Kamer uitvoeringstechnischmogelijk en grondwettelijk is, wat in dit geval zo was.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6143 De leden van de D66-fractie vragen de Minister tevens te reflecteren hoehet afschaffen van de afroming in de pluimveesector zich verhoudt tot deblijvende overschrijding van het nationale mestplafond die het kabinet zelfvoor 2025 verwacht. Deze leden maken zich ernstige zorgen dat hetloslaten van de afroming het risico op plafondoverschrijding vergroot endus negatieve consequenties heeft voor de veehouderij. Kan de Ministergaranderen dat het loslaten van afroming in de pluimveesector geen extrarisico oplevert voor de derogatie en dus voor de gehele landbouwsector?Kan de Minister garanderen dat dit besluit niet zal leiden tot een generiekekorting of ijskoude sanering in de sector?De leden van de D66-fractie lezen in de Nota van toelichting dat onder detabel «Momentopname van de verwachte fosfaat- en stikstofexcretie vande Nederlandse veestapel over 2025 (in miljoen kilogram)» (Kamerstuk2025D39029) de Minister aangeeft dat «Uit deze tabel blijkt dat het CBSverwacht dat mestproductie van de pluimveehouderij voor wat betreftstikstof onder het sectorale plafond uitkomt en voor wat betreft fosfaatnagenoeg gelijk zal zijn aan het plafond». Deze leden constateren dat detabel gaat over de eerste twee kwartalen van 2025 en vragen hoe hier kanworden gesproken van een prognose als het gaat om cijfers uit hetverleden. Tevens vragen deze leden hoe de Minister de onzekerheids-marges in de Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-prognosesbeoordeelt. Hoe kan de Minister uitleggen dat deze onzekerheidsmargeser mede toe leiden «dat het kabinet verwacht dat de dalende trenddoorzet», aangezien onzekerheidsmarges over het algemeen twee kantenop onzeker zijn?De leden van de D66-fractie vragen verder hoe de Minister weegt datvolgens de CBS-ramingen de fosfaatproductie van pluimvee in 2025nagenoeg gelijk is aan het plafond, terwijl de stikstofproductie slechtsbeperkt onder het plafond blijft. Waarom wordt er nu al besloten om deafroming volledig te schrappen, terwijl de effecten van de Landelijkebeëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) pas na2025 merkbaar worden? Deze leden vragen tevens hoe dit besluit rijmtmet de toezegging dat er «niet meer afgeroomd zou worden dan striktnoodzakelijk» (Kamerstuk 2025D39029)? Waarom wordt hier niet gekozenvoor een geleidelijke afbouw of een lager percentage in plaats van directnul?De leden van de D66-fractie vragen verder of de Minister kan garanderendat door dit besluit de druk op de waterkwaliteit niet verder toeneemt,zeker in gebieden waar Nederland al in gebreke blijft richting Brussel?Tenslotte vragen deze leden hoe de Minister de Kamer tijdig en tijdigerdan deze keer zal informeren over de effecten van dit besluit op mestpro-ductie, derogatie en waterkwaliteit. Is de Minister bereid tussentijds bij testuren indien de ramingen tegenvallen?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben geen vragen voor de Minister inzakehet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages.Deze leden vinden dat de Minister perfect heeft onderbouwd waarom deafroming omlaag kan. Zij steunen dan ook het voornemen van deMinister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6144 Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over hetOntwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages(Kamerstuk 33 037, nr. 609).De leden van de CDA-fractie merken op dat zij er bij de behandeling vande Wijziging van de Meststoffenwet in oktober 2024 al op hebbengewezen dat elk sectorplafond gelijk verlagen en daarna afromen logischklinkt, maar dat het dat niet is. Sommige sectoren hebben namelijk hunplafond overschreden en anderen niet. Wie het plafond overschrijdt, moetmeer inleveren; dat is proportioneel en juridisch noodzakelijk. De juistemethode is volgens deze leden om eerst plafonds proportioneel teverlagen, dan uitkoop af te trekken en vervolgens af te romen. De Ministerkoos er echter voor om eerst uitkoop af te trekken en daarna plafonds vastte stellen. Hiermee werden sectoren die overschreden bevoordeeld enandere sectoren met veel vrijwillige stoppers benadeeld. Dit is en wasvolgens deze leden onrechtvaardig en werd bovendien niet door de Raadvan State gevraagd toen zij kritiek uitte op de wijze waarop sectorplafondsen afromingspercentage werden vastgesteld.De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de methode die de Ministerdestijds heeft gekozen met name negatieve effecten met zich meebrachtvoor het toekomstperspectief voor jonge boeren. Daarom hebben deleden Vedder (CDA) en Grinwis (CU) een amendement ingediend omjonge boeren uit te zonderen van afroming bij koop of lease van rechten(Kamerstuk 36 618, nr. 10). Helaas is dit amendement door de Ministerniet op waarde geschat. Deze leden vragen de Minister hoe zij hier opterugkijkt. Is het achteraf gezien toch niet onverstandig geweest om desectorplafonds en afromingspercentages op een dergelijke wijze vast testellen? Deze leden vragen de Minister hierop te reflecteren.De leden van de CDA-fractie lezen in de huidige voorstellen dat hetkabinet heeft besloten het afromingspercentage voor de varkenshouderij,net als voor pluimvee, zo snel mogelijk op nul te zetten, omdat wordtverwacht dat de sector op termijn onder het plafond blijft door deelnameaan de Lbv en de Lbv-plus. In 2025 wordt echter nog wel eenoverschrijding verwacht. Deze leden vragen de Minister waarom erdesondanks toch bewust voor wordt gekozen om het afromingsper-centage op nul te zetten en dat besluit te baseren op een prognose vantoekomstige mestproductie in plaats van op de feitelijke mestproductievan voorgaande jaren, zoals normaal gebruikelijk is. Hoe verantwoordt zijdeze afwijking van de gangbare methodiek, gezien het risico dat op basisvan onzekerheden in die prognoses het mestplafond niet betrouwbaarwordt geborgd?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorgenomenbesluit om de afroming bij pluimveerechten op 0 procent te zetten. Dezeleden zien dit als een onwenselijke stap die op een dubieuze onder-bouwing berust en die niet in lijn is met de grotere doelstelling om tekomen tot stikstofreductie.De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister zich beroept op hetgegeven dat de uitstoot in de pluimveesector volgend jaar naarverwachting «onder» of «nagenoeg gelijk aan» het plafond zal vallen. Deredenering dat moet worden voorkomen dat meer wordt afgeroomd dannoodzakelijk en dat de Minister in geval van twijfel een voorkeur lijkt teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6145 hebben voor eventueel teveel uitstoot in plaats van te weinig, is eenkwalijke. Zeker gezien het voor de doelstellingen van dit kabinet nietvolstaat om de uitstoot van specifieke sectoren op zichzelf te beschouwen,los van het grotere geheel. Daarbij merken deze leden op dat deonzekerheid voor de prognoses relatief groot is. Voldoende reductie vande landbouw als geheel in de komende jaren zal afhangen van het succesvan de Lbv en Lbv-plus regelingen, waarop de prognoses ook leunen diede Minister aanhaalt. Dit terwijl onlangs juist bekend werd dat eenaanzienlijk deel van de bedrijven die zich aangemeld hebben voorbeëindigingsregelingen dit niet doorzetten (FD, 4 september 2025, «Eenop de vijf boeren bedankt alsnog voor de uitkoopregeling» (https://fd.nl/politiek/1568462/een-op-vijf-boeren-bedankt-alsnog-voor-uitkoopregeling).Kan de Minister toelichten in hoeverre met dit laatste gegeven rekening isgehouden in deze besluitvorming? Deze leden vinden het schrijnend dat,terwijl de staat van de natuur op de meeste plekken nog steeds achter-uitgaat en er te weinig emissiereductie wordt bewerkstelligd om deProgramma Aanpak Stikstof (PAS)-melders te kunnen legaliseren, ditkabinet een maatregel wil nemen waarvan het zich bewust is dat het «erniet aan bijdraagt om de mate van overschrijding van het nationaleplafond te beperken».Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie vinden het onacceptabel dat de Ministerweigert om gehoor te geven aan het verzoek van de Kamer om geenonomkeerbare stappen te zetten in de behandeling van dit ontwerpbesluit.Daarmee zet ze de Kamer onder druk en dwingt ze de Kamer om ditbesluit in zeer korte tijd te behandelen, wat een zorgvuldig traject in deweg zit. Niet voor niets heeft de Kamer aangegeven hier meer tijd voor tewillen nemen, maar de Minister maakt dit onmogelijk. Deze leden wijzenerop dat de Kamer, en niet de Minister, het hoogste orgaan is en consta-teren dat deze Minister zich daar niks van aantrekt. Dit is een schofferingvan het parlement.De leden van de PvdD-fractie vinden het daarnaast onvoorstelbaar datdeze Minister voornemens is om de afromingspercentages van varkens-en pluimveerechten op 0 procent te zetten, terwijl alles erop wijst dat hetnationale mestplafond zal worden overschreden. Deze leden wijzen er danook op dat de volle verantwoordelijkheid rust bij deze Minister en hetkabinet, alsmede de partijen die akkoord gaan met dit besluit, als er strakseen generieke korting komt en boeren noodgedwongen hun dieren naarde slacht zullen moeten brengen. Dat had kunnen worden voorkomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende ontwerpbesluit. Deze leden hadden liever gezien datdit afromingspercentage helemaal niet was ingevoerd en steunen in iedergeval het voorliggende voorstel. Deze leden hebben al eerder gewezen opde grote gevolgen van deze afroming op met name bedrijven dieafhankelijk zijn van lease van productierechten. Deze leden constaterendat op basis van de cijfers in de tweede kwartaalrapportage 2025 van hetCBS de pluimveehouderij al zo ongeveer op het sectorplafond voor 2025zit, terwijl het effect van de Lbv en Lbv-plus nog moet komen. Deze ledenzijn van mening dat ook de afromingspercentages voor de varkenshou-derij naar nul moeten worden bijgesteld, zoals in het aanvullendeontwerpbesluit is voorgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6146 De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een inschatting van degevolgen voor pluimveebedrijven die afhankelijk zijn van lease als deafroming van productierechten voor deze sector doorgezet zou worden.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fratie hebben met belangstelling kennisgenomen vanhet ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage.Deze leden hebben daarover op dit moment geen verdere vragen.II Antwoord / Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetontwerpbesluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages.1. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat afroming vanproductierechten ten eerste een maatregel is om de mest- en fosfaatpro-ductie te verlagen en zo te borgen dat de sectorale mestproductiepla-fonds, en daardoor ook het nationale plafond, niet worden overschreden.Deze leden constateren dat de Minister zelf aangeeft dat het stopzettenvan afroming in de pluimveehouderij niet bijdraagt aan het terugdringenvan de overschrijding van de nationale mestproductieplafonds, maarvooral wordt ingevoerd om de sector niet verder te beperken dan nodig is.Deze leden vragen de Minister hoe dit zich verhoudt tot de derogatievoor-waarden en de verplichtingen onder de Nitraatrichtlijn. Acht de Ministerhet niet risicovol om, in een periode waarin Nederland reeds moeite heeftde plafonds te respecteren, een instrument als afroming vroegtijdig los telaten?Voor pluimvee wordt verwacht dat de mestproductie al in 2025 onder hetsectorale mestproductieplafond komt, waarmee het doorgaan metafroming voor pluimvee die mestproductie zelfs verder onder het plafondkan brengen dan nodig. Daarom is de uitkomst van het weegmoment dathet sectorale plafond voor pluimvee naar de mening van het kabinetvoldoende geborgd om verantwoord met afromen te stoppen. Hierbijheeft het kabinet de grote impact van de maatregel op de sectorbetrokken.Naar verwachting zal het nationale mestproductieplafond in 2025 wordenoverschreden, waarmee de betreffende voorwaarde van de derogatiebe-schikking die verleend is op basis van de Nitraatrichtlijn, overtredenwordt. Het effect van het stoppen van afromen in de varkens- en pluim-veehouderij op de mestproductie zal echter waarschijnlijk slechts ingeringe mate aan deze overschrijding bijdragen. Bovendien zou instand-houding van de afroming betekenen dat het aantal rechten in dezesectoren verder wordt beperkt dan noodzakelijk om te voldoen aan desectorplafonds.Daarnaast vragen de leden van de fractie GL-PvdA hoe het stopzetten vanafroming in de pluimveehouderij zich verhoudt tot de verplichtingenonder de Nitraatrichtlijn. De Nitraatrichtlijn is gericht op het voorkomen enverminderen van verontreiniging van water door stikstof en fosfaat uitagrarische bronnen. De mestproductieplafonds zijn gericht op hetreguleren van de omvang van de maximale mestproductie in Nederland.Voor de verhouding met de derogatievoorwaarden en de NitraatrichtlijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6147 verwijs ik u verder naar de nota naar aanleiding van het verslag1. Daarbijwil ik benadrukken dat er geen directe relatie is tussen de omvang van demestproductie en de waterkwaliteit.De regering werkt via actieprogramma’s onder de Nitraatrichtlijnvoortdurend aan doelbereik Nitraatrichtlijn en draagt hiermee ook bij aande doelen van de Kaderrichtlijn water, voor wat betreft nutriëntenafkomstig uit de landbouw. De voorbereidingen voor het 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn zijn in volle gang. Op 14 juli jl. is uw Kamergeïnformeerd over het concept 8e actieprogramma dat toen voorlag voorinternetconsultatie.2 Ook de Commissie voor de Milieueffectrapportagezal nog adviseren over het concept 8e actieprogramma. Vervolgens zal het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn verder worden vervolmaakt, zodat hetop 1 januari 2026 kan gaan gelden.2. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het besluit isgebaseerd op de prognose dat de pluimveesector waarschijnlijk al in 2025onder het sectorale plafond zal uitkomen. Deze leden vragen de Ministerte onderbouwen hoe robuust deze prognoses zijn, gezien de aanzienlijkeonzekerheidsmarges en afhankelijkheid van aannames over veestapel envoersamenstelling. Welke risico’s worden genomen indien dezeprognoses in de praktijk niet uitkomen?Mijn prognose is gebaseerd op de verwachting van het CBS zoalsweergegeven in de tweede kwartaalrapportage 20253, die gebaseerd is opde gegevens, zoals die bekend waren aan het einde van het tweedekwartaal 2025. Dat betrof voor melkvee de I&R-gegevens van 1 juli 2025en voor andere dieren de gegevens over het aantal dieren in delandbouwtelling 2025 met uitzondering van het aantal stuks pluimvee,omdat deze nog niet beschikbaar waren. Het CBS heeft zich voor hetaantal stuks pluimvee moeten baseren op de gegevens van de telling vanbegin december 2024. Mijn verwachting is dat in de volgende CBSkwartaalrapportage de pluimveestapel zal zijn afgenomen en de dalendetrend in de mestproductie, die in de tweede kwartaalrapportage alzichtbaar was, zich verder door zal zetten.3. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de pluimveesectorrelatief dichtbij het sectorplafond zit, maar constateren ook dat door debeëindiging van afroming in de sector het nationale plafond verder uitzicht raakt. Daarmee wordt de toch al aanzienlijke opgave voor demelkveesector groter. Hoe heeft de Minister deze afweging gemaakt?De opgave van de melkveehouderij is gelegen in het voldoen aan heteigen sectorplafond. Afroming van varkens- en pluimveerechten draagtniet bij aan een daling van de mestproductie in de melkveehouderij en hetbehalen van dat sectorale plafond. De opgave voor de melkveesectorwordt dan ook niet groter door het stoppen met afromen in de varkens- enpluimveehouderij. Dit heeft dan ook geen rol gespeeld in de door mijgemaakte afweging.4. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen dat hetstopzetten van afroming leidt tot een langere periode waarinoverschrijding van de nationale plafonds voortduurt. Kan de Ministeraangeven welke gevolgen dit heeft voor de waterkwaliteit en de nalevingvan de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Nitraatrichtlijn? Hoe wordt ditafgewogen tegen de financiële lastenverlichting voor pluimveehouders?1Kamerstukken I, 2024/25, 36 618, D, vraag 26 en 1412Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 6053Kamerstukken II, 2024/25, 33 037, nr. 608Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6148 Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 1, draagt het stoppen metafromen in de varkens- en pluimveenhouderij naar verwachting slechts ingeringe mate bij aan de overschrijding van het nationale plafond.Daarmee is naar verwachting ook het effect op de duur van deoverschrijding van het nationale plafond gering. Indien na vaststelling vande definitieve mestproductie in 2025 blijkt dat het nationale mestproduc-tieplafond is overschreden, dan is er sprake van overtreding van dedaarop betrekking hebbende voorwaarde uit de huidige derogatiebe-schikking die ongedaan gemaakt moet worden.In het antwoord op vraag 1 is de relatie tussen het stopzetten van deafroming in de pluimveehouderij, de derogatiebeschikking en deNitraatrichtlijn toegelicht. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven,is er geen directe relatie tussen de omvang van de mestproductie en dewaterkwaliteit.Ten aanzien van de lastenverlichting voor pluimveehouders is toegelichtdat bij de afweging om door te gaan of te stoppen met afromen wordtmeegewogen dat de mestproductie niet verder hoeft te worden verlaagddan de geldende sectorplafonds, waarbij ook de impact van de maatregelop individuele bedrijven in de sector is meegewogen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbe-sluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met devaststelling van de hoogte van de afromingspercentages (Kamerstuk33 037, nr. 609), waarmee het afromingspercentage bij pluimveerechtenop 0 procent wordt gezet. Deze leden willen daar een aantal vragen overstellen, maar stellen die vragen in het andere, gelijktijdige schriftelijkoverleg over het ontwerpbesluit waarmee het afromingspercentage bijvarkensrechten op 0 procent wordt gezet.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie5. De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerp-besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages in depluimveesector. Deze leden staan positief tegenover het beëindigen vanafroming in de pluimveesector. Deze leden constateren dat de pluim-veesector de afgelopen jaren belangrijke stappen heeft gezet op hetgebied van dierenwelzijn en verduurzaming. Bovendien draagt pluim-veemest in de praktijk nauwelijks bij aan het fysieke mestoverschot,omdat deze grotendeels wordt verwerkt (bijvoorbeeld in Moerdijk) ofgeëxporteerd. Kan de Minister dit beeld bevestigen?Ik kan het beeld bevestigen dat pluimveemest nauwelijks bijdraagt aan dedruk op de Nederlandse mestmarkt, omdat de praktijk in de pluim-veesector is dat pluimveemest wordt verwerkt en geëxporteerd. Verderzijn ontwikkelingen in de pluimveesector ten aanzien van onder anderedierenwelzijn en verduurzaming geschetst in de rapportage «Staat vanLandbouw, Visserij, Voedsel en Natuur 2024»4.6. De leden van de NSC-fractie vragen tegelijkertijd hoe robuust deramingen zijn die laten zien dat het nationale mestproductieplafond in2025 niet wordt overschreden. Hoe wordt voorkomen dat het beëindigenvan afroming in de pluimveesector toch bijdraagt aan overschrijding vanhet plafond en uiteindelijk tot een generieke korting leidt?4Bijlage bij Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 76Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6149 De verwachting van het CBS is dat de mestproductie in Nederland in 2025waarschijnlijk zal uitkomen boven het nationale mestproductieplafond.Het CBS baseert zich daarbij op de gegevens zoals die bekend waren aanhet einde van het tweede kwartaal 2025, maar geeft ook aan dat er sprakeis van een grote mate van onzekerheid. Of de nationale mestproductie in2025 inderdaad hoger zal zijn dan het nationale plafond zal in juni 2026duidelijk worden als de definitieve mestproductiecijfers 2025 van het CBSbekend worden. Het kabinet is zich ervan bewust dat het op nul procentvaststellen van het afromingspercentage in de pluimveehouderij nietbijdraagt aan het beperken van de mate van overschrijding. Tegelijkertijdis het effect van afroming in de pluimveehouderij op de vermindering vande totale mestproductie gering, zeker in verhouding tot het effect vanbestaande beëindigingsregelingen en de nog in ontwikkeling zijndenieuwe vrijwillige beëindigingsregeling.7. De leden van de NSC-fractie vragen daarnaast hoe de Minister richtingde Europese Commissie (EC) uitlegt dat dit besluit in lijn is met dedoelstelling om de waterkwaliteit te verbeteren en derogatie in detoekomst mogelijk terug te winnen. Hoe wordt voorkomen dat dit besluitdoor Brussel wordt gezien als een signaal dat Nederland de mestopgaveniet serieus neemt?Het kabinet is zich ervan bewust dat het op nul procent vaststellen van hetafromingspercentage in de pluimveehouderij niet bijdraagt aan hetbeperken van de mate van overschrijding van het nationale mestproduc-tieplafond 2025. Tegelijkertijd is het effect van afroming in de pluimvee-houderij op vermindering van de totale mestproductie gering. Nu deverwachting is dat de mestproductie van pluimvee in 2025 onder hetsectorale mestproductieplafond komt, kan het doorgaan met afromingvoor pluimvee die mestproductie zelfs verder onder het plafond brengendan nodig. Daarom is het sectorale plafond voor pluimvee voldoendegeborgd en is het verantwoord om met afromen in deze sector te stoppen.De relatie tussen het stopzetten van de afroming in de pluimveehouderij,de derogatiebeschikking, de Nitraatrichtlijn en de verbetering van dewaterkwaliteit, is toegelicht in de antwoorden op vraag 1 en vraag 4.8. De leden van de NSC-fractie vragen tot slot of dit besluit geenprecedent schept voor andere sectoren. Hoe wordt geborgd dat hetschrappen van afroming bij pluimvee niet leidt tot een roep om verge-lijkbare verlichting bij andere sectoren, zoals de varkenshouderij?Mijn voornemen om het afromingspercentage in de pluimveehouderij opnul procent vast te stellen vloeit voort uit de verwachting dat de mestpro-ductie in deze sector in 2025 lager zal zijn dan het sectorale mestproduc-tieplafond. Zoals ik in mijn brief van 18 september jl. heb toegelicht, ben ikdaarnaast voornemens om de afroming voor de varkenshouderij testoppen. De redenering heb ik toegelicht in voornoemde brief, en in hetook bij uw Kamer voorgehangen ontwerpbesluit tot wijziging van hetUitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verband met de wijziging van dehoogte van het afromingspercentage bij varkensrechten.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie9. De leden van de D66-fractie hebben met verbazing de «Voorhangontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet in verbandmet de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages» gelezen.Deze leden vragen de Minister ten eerste te reflecteren op haar besluit omtegen de wens van de Kamer in toch over te gaan op stappen die nietmakkelijk omkeerbaar zijn. Deze leden verzoeken de Minister daarbijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61410 nadrukkelijk te reflecteren op haar keuze om tegen de wens van de Kamerin te gaan en niet te reflecteren op de inhoudelijke redenen die zijbelangrijk acht. Deze leden benadrukken dat de inhoudelijke motivatie vande Minister geen reden kan zijn om tegen de wens van de Kamer in eenbesluit te nemen, mits de wens van de Kamer uitvoeringstechnischmogelijk en grondwettelijk is, wat in dit geval zo was.Zoals aangegeven in mijn brief van 24 september jl.5 acht ik het noodza-kelijk dat het besluit nog dit jaar in werking zal treden. Daarmee wil ik degevolgen voor individuele ondernemers, en met name ondernemers dievoor een groot deel afhankelijk zijn van de lease van rechten, beperken. Zijhebben naar verwachting hierdoor de mogelijkheid om in december nogzonder afroming voldoende rechten te verwerven voor het aantal dierendat zij in dit jaar op hun bedrijf houden. Indien gewacht zou worden ophet afronden van een behandeling in uw Kamer na het reces zou dit, geletop de vervolgprocedure, niet meer haalbaar zijn. Ik volg de procedure vande (zware) voorhang en de daarvoor geldende termijn van vier weken,waar uw Kamer in heeft voorzien middels een amendement bij debehandeling van het Wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet inverband met de maximale mestproductie. Ik bied daarom uw Kamer juistde gelegenheid om zich uit te spreken over het besluit.10. De leden van de D66-fractie vragen de Minister tevens te reflecterenhoe het afschaffen van de afroming in de pluimveesector zich verhoudt totde blijvende overschrijding van het nationale mestplafond die het kabinetzelf voor 2025 verwacht. Deze leden maken zich ernstige zorgen dat hetloslaten van de afroming het risico op plafondoverschrijding vergroot endus negatieve consequenties heeft voor de veehouderij. Kan de Ministergaranderen dat het loslaten van afroming in de pluimveesector geen extrarisico oplevert voor de derogatie en dus voor de gehele landbouwsector?Kan de Minister garanderen dat dit besluit niet zal leiden tot een generiekekorting of ijskoude sanering in de sector?Mocht in juni 2026, na vaststelling van de mestproductie in 2025, blijkendat het nationale mestproductieplafond in 2025 is overschreden, dan iseen mogelijkheid dat de Europese Commissie hierover vragen stelt of opandere wijze actie onderneemt. Hierover heb ik u ook in de nota naaraanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 2024/25, 33 618, D) geïnfor-meerd.Gelet op de artikelen 33Ab en 33Ac van de Meststoffenwet zal bijoverschrijding van een sectoraal mestproductieplafond in samenhang metde totale omvang van de productie van dierlijke meststoffen in relatie tothet nationale mestproductieplafond afgewogen moeten worden of denoodzakelijke verlaging op een minder ingrijpende manier mogelijk is danvia een generieke korting. Indien een vermindering niet op een anderemanier mogelijk is, kan een kabinet besluiten tot een generieke korting. Devermindering door middel van een generieke korting mag echter nietgroter zijn dan de overschrijding van het sectorale plafond. Op ditmoment valt nog niet te zeggen of een korting aan de orde is en hoe,indien noodzakelijk, een dergelijke korting zal worden ingevuld.Het effect van het stoppen van afromen in de pluimvee op de mestpro-ductie zal naar verwachting maar in geringe mate aan de overschrijdingvan het mestproductieplafond bijdragen. Nu het de verwachting is dat demestproductie van pluimvee in 2025 onder het sectorplafond komt endoorgaan met afroming die productie verder onder het plafond kanbrengen dan noodzakelijk, acht ik het sectorale plafond voor pluimvee5Kamerstukken II, 2024–2025, 33 037, nr. 612Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61411 voldoende geborgd en het verantwoord om voor die sector met afromente stoppen.11. De leden van de D66-fractie lezen in de Nota van toelichting dat onderde tabel «Momentopname van de verwachte fosfaat- en stikstofexcretievan de Nederlandse veestapel over 2025 (in miljoen kilogram)»(Kamerstuk 2025D39029) de Minister aangeeft dat «Uit deze tabel blijkt dathet CBS verwacht dat mestproductie van de pluimveehouderij voor watbetreft stikstof onder het sectorale plafond uitkomt en voor wat betreftfosfaat nagenoeg gelijk zal zijn aan het plafond». Deze leden constaterendat de tabel gaat over de eerste twee kwartalen van 2025 en vragen hoehier kan worden gesproken van een prognose als het gaat om cijfers uithet verleden. Tevens vragen deze leden hoe de Minister de onzekerheids-marges in de Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-prognosesbeoordeelt. Hoe kan de Minister uitleggen dat deze onzekerheidsmargeser mede toe leiden «dat het kabinet verwacht dat de dalende trenddoorzet», aangezien onzekerheidsmarges over het algemeen twee kantenop onzeker zijn?Op mijn verzoek stelt het CBS aan het einde van ieder kwartaal eenprognose op van de verwachte mestproductie in het lopende jaar. Detabel waar de leden van de D66-fractie naar verwijzen, laat de uitkomstvan die prognose zien. Dit betreft de verwachte mestproductie in 2025, opbasis van de gegevens aan het einde van het eerste kwartaal en deverwachte mestproductie in 2025, als wordt uitgegaan van de gegevensbeschikbaar aan het einde van het tweede kwartaal. Aan het einde van hettweede kwartaal 2025 waren er nog geen gegevens uit de landbouwtelling2025 bekend over de omvang van de pluimveestapel. Het CBS heeftgebruik moeten maken van gegevens uit de telling begin december 2024.In deze gegevens is het effect van de Lbv en Lbv-plus op de omvang vande pluimveestapel nog niet of slechts beperkt tot uiting gekomen.Desondanks is er al wel sprake van een afname in de verwachte mestpro-ductie in de pluimveehouderij. Ik verwacht dat uit de volgende kwartaal-rapportage van de verwachte mestproductie in 2025, als de gegevens uitde landbouwtelling over de omvang van de pluimveestapel op 1 april2025 beschikbaar zijn, zal blijken dat de mestproductie in de pluimveehou-derij weer lager zal zijn, dan aan het einde van de twee voorgaandekwartalen.12. De leden van de D66-fractie vragen verder hoe de Minister weegt datvolgens de CBS-ramingen de fosfaatproductie van pluimvee in 2025nagenoeg gelijk is aan het plafond, terwijl de stikstofproductie slechtsbeperkt onder het plafond blijft. Waarom wordt er nu al besloten om deafroming volledig te schrappen, terwijl de effecten van de Landelijkebeëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) pas na2025 merkbaar worden? Deze leden vragen tevens hoe dit besluit rijmtmet de toezegging dat er «niet meer afgeroomd zou worden dan striktnoodzakelijk» (Kamerstuk 2025D39029)? Waarom wordt hier niet gekozenvoor een geleidelijke afbouw of een lager percentage in plaats van directnul?Voor het antwoord op het eerste deel van de vraag van de leden van deD66-fractie verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 11. Mijn voornemenom het afromingspercentage in de pluimveehouderij nog dit jaar op nulprocent vast te stellen, vloeit voort uit de verwachting dat de mestpro-ductie in die sector nog dit jaar onder het sectorale mestproductieplafondkomt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61412 Instandhouding van de afroming zou in dat geval betekenen dat het aantalrechten in deze sector verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoenaan het sectorplafond. Het kabinet vindt het van belang om het aantalpluimveerechten in deze sector niet verder te beperken dan nodig is, enheeft daarbij ook meegewogen dat de gevolgen voor deze sectoraanzienlijk zijn als de afroming nog in heel 2025 in stand blijft.13. De leden van de D66-fractie vragen verder of de Minister kan garan-deren dat door dit besluit de druk op de waterkwaliteit niet verdertoeneemt, zeker in gebieden waar Nederland al in gebreke blijft richtingBrussel?Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord opvraag 4.14. Tenslotte vragen deze leden hoe de Minister de Kamer tijdig en tijdigerdan deze keer zal informeren over de effecten van dit besluit op mestpro-ductie, derogatie en waterkwaliteit. Is de Minister bereid tussentijds bij testuren indien de ramingen tegenvallen?Voor mij is het van belang naast een tijdige afweging, ook een goedoverwogen afweging te kunnen maken. Daarbij betrek ik alle (maatschap-pelijke) aspecten die daarin een rol spelen, wat soms wat meer tijd vraagt.Tijdens de behandeling van de Wet wijziging Meststoffenwet in verbandmet de maximale mestproductie heb ik toegezegd regelmatig te zullenwegen of de maatregelen toereikend zijn om de mestproductie niet hogerte laten zijn dan het nationale mestproductieplafond. Dit zal ik blijvendoen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben geen vragen voor de Minister inzakehet Ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages.Deze leden vinden dat de Minister perfect heeft onderbouwd waarom deafroming omlaag kan. Zij steunen dan ook het voornemen van deMinister.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over hetOntwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de vaststelling van de hoogte van de afromingspercentages(Kamerstuk 33 037, nr. 609).De leden van de CDA-fractie merken op dat zij er bij de behandeling vande Wijziging van de Meststoffenwet in oktober 2024 al op hebbengewezen dat elk sectorplafond gelijk verlagen en daarna afromen logischklinkt, maar dat het dat niet is. Sommige sectoren hebben namelijk hunplafond overschreden en anderen niet. Wie het plafond overschrijdt, moetmeer inleveren; dat is proportioneel en juridisch noodzakelijk. De juistemethode is volgens deze leden om eerst plafonds proportioneel teverlagen, dan uitkoop af te trekken en vervolgens af te romen. De Ministerkoos er echter voor om eerst uitkoop af te trekken en daarna plafonds vastte stellen. Hiermee werden sectoren die overschreden bevoordeeld enandere sectoren met veel vrijwillige stoppers benadeeld. Dit is en wasvolgens deze leden onrechtvaardig en werd bovendien niet door de Raadvan State gevraagd toen zij kritiek uitte op de wijze waarop sectorplafondsen afromingspercentage werden vastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61413 15. De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de methode die deMinister destijds heeft gekozen met name negatieve effecten met zichmeebracht voor het toekomstperspectief voor jonge boeren. Daaromhebben de leden Vedder (CDA) en Grinwis (CU) een amendementingediend om jonge boeren uit te zonderen van afroming bij koop of leasevan rechten (Kamerstuk 36 618, nr. 10). Helaas is dit amendement door deMinister niet op waarde geschat. Deze leden vragen de Minister hoe zijhier op terugkijkt. Is het achteraf gezien toch niet onverstandig geweestom de sectorplafonds en afromingspercentages op een dergelijke wijzevast te stellen? Deze leden vragen de Minister hierop te reflecteren.Bij het vaststellen van de sectorale mestproductieplafonds en deafromingsmaatregelen met de Wet wijziging Meststoffenwet in verbandmet de maximale mestproductie, heeft de regering ervoor gekozen omelke sector naar rato van het aandeel in de verwachte mestproductie 2025bij te laten dragen aan de resterende reductieopgave. Daarbij heb ikervoor gekozen het potentiële effect van de beëindigingsregelingen inmindering te brengen op de nationale mestproductie alvorens desectorale mestproductieplafonds vast te stellen. Ik sta nog steeds achterdeze verdeling. Wat betreft de jonge landbouwers merk ik hierbij op, dater niet voor is gekozen deze groep, of een andere groep, vrij te stellen vanafroming. Wel is ervoor gekozen een uitzondering op te nemen voor deovergang van productierechten in familieverband, zowel bij de overgangvan losse rechten, als bij overgang van rechten in het kader van eenbedrijfsoverdracht binnen familieverband. Wel is er sprake van afromingals een landbouwer ervoor kiest, het bedrijf na overname te laten groeienen daarvoor rechten wil kopen of leasen van een landbouwer buiten defamilie. Daarbij gelden echter ook verschillende uitzonderingssituaties.16. De leden van de CDA-fractie lezen in de huidige voorstellen dat hetkabinet heeft besloten het afromingspercentage voor de varkenshouderij,net als voor pluimvee, zo snel mogelijk op nul te zetten, omdat wordtverwacht dat de sector op termijn onder het plafond blijft door deelnameaan de Lbv en de Lbv-plus. In 2025 wordt echter nog wel eenoverschrijding verwacht. Deze leden vragen de Minister waarom erdesondanks toch bewust voor wordt gekozen om het afromingsper-centage op nul te zetten en dat besluit te baseren op een prognose vantoekomstige mestproductie in plaats van op de feitelijke mestproductievan voorgaande jaren, zoals normaal gebruikelijk is. Hoe verantwoordt zijdeze afwijking van de gangbare methodiek, gezien het risico dat op basisvan onzekerheden in die prognoses het mestplafond niet betrouwbaarwordt geborgd?Laat ik voorop stellen dat er geen sprake is van een gangbare methodiekwaar ik van zou afwijken. Het CBS verwacht op basis van de beschikbaregegevens dat de mestproductie in de varkenshouderij aan het einde vanhet tweede kwartaal van 2025 uitkomt boven het sectorplafond. Het CBSgeeft echter ook aan dat de onzekerheid groot is en het effect vandeelname aan Lbv en Lbv-plus slechts beperkt tot uiting komt in de op detweede kwartaalcijfers 2025 gebaseerde prognose van het CBS. Het ismijn inschatting dat de mestproductie in de varkenshouderij als gevolgvan deelname vanuit de varkenshouderij aan de Lbv en Lbv-plus, optermijn op jaarbasis lager zal zijn dan het sectorplafond. Instandhoudingvan de afroming zou in dat gevalbetekenen dat het aantal rechten in dezesector verder wordt beperkt dan nodig voor het voldoen aan het sector-plafond. Het kabinet vindt het van belang om het aantal varkensrechten indeze sector niet verder te beperken dan nodig is, en heeft daarbij ookmeegewogen dat de gevolgen voor deze sector aanzienlijk zijn, als deafroming nog in heel 2025 in stand blijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61414 Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorgenomenbesluit om de afroming bij pluimveerechten op 0 procent te zetten. Dezeleden zien dit als een onwenselijke stap die op een dubieuze onder-bouwing berust en die niet in lijn is met de grotere doelstelling om tekomen tot stikstofreductie.17. De leden van de SP-fractie constateren dat de Minister zich beroept ophet gegeven dat de uitstoot in de pluimveesector volgend jaar naarverwachting «onder» of «nagenoeg gelijk aan» het plafond zal vallen. Deredenering dat moet worden voorkomen dat meer wordt afgeroomd dannoodzakelijk en dat de Minister in geval van twijfel een voorkeur lijkt tehebben voor eventueel teveel uitstoot in plaats van te weinig, is eenkwalijke. Zeker gezien het voor de doelstellingen van dit kabinet nietvolstaat om de uitstoot van specifieke sectoren op zichzelf te beschouwen,los van het grotere geheel. Daarbij merken deze leden op dat deonzekerheid voor de prognoses relatief groot is. Voldoende reductie vande landbouw als geheel in de komende jaren zal afhangen van het succesvan de Lbv en Lbv-plus regelingen, waarop de prognoses ook leunen diede Minister aanhaalt. Dit terwijl onlangs juist bekend werd dat eenaanzienlijk deel van de bedrijven die zich aangemeld hebben voorbeëindigingsregelingen dit niet doorzetten (FD, 4 september 2025, «Eenop de vijf boeren bedankt alsnog voor de uitkoopregeling» (https://fd.nl/politiek/1568462/een-op-vijf-boeren-bedankt-alsnog-voor-uitkoopregeling).Kan de Minister toelichten in hoeverre met dit laatste gegeven rekening isgehouden in deze besluitvorming? Deze leden vinden het schrijnend dat,terwijl de staat van de natuur op de meeste plekken nog steeds achter-uitgaat en er te weinig emissiereductie wordt bewerkstelligd om deProgramma Aanpak Stikstof (PAS)-melders te kunnen legaliseren, ditkabinet een maatregel wil nemen waarvan het zich bewust is dat het «erniet aan bijdraagt om de mate van overschrijding van het nationaleplafond te beperken».Uit de gegevens van RVO blijkt dat van de bedrijven die op 15 juni 2025een verleningsbeschikking in het kader van de Lbv en Lbv-plus geregis-treerd hadden staan, 89% heeft voldaan aan het eerste vereiste, namelijkhet ondertekenen en terugsturen van de overeenkomst. Deze bedrijvenhebben daarop ook een eerste voorschot ontvangen. De resultaten vaneerdere beëindigingsregelingen laten zien dat na het zetten van dehandtekening onder de overeenkomst en ontvangst van het eerstevoorschot, er maar weinig bedrijven zijn die besluiten om toch niet over tegaan tot bedrijfsbeëindiging. Dit gegeven maakt dat ik een deelnameper-centage van 80% realistisch en robuust acht.In tegenstelling tot wat de leden van de SP-fractie schrijven heb ik mijnbesluit om het afromingspercentage in de pluimveehouderij op nulprocent vast te stellen gebaseerd op de verwachting van het CBS2 dat nogdit jaar de mestproductie in de pluimveehouderij lager zal zijn dan hetsectorale plafond. Het CBS heeft zich daarbij moeten baseren opgegevens over de omvang van de pluimveestapel begin december 2024,waarin het effect van Lbv en Lbv-plus nog niet is meegenomen. Dus ookal trekt een deel van de bedrijven zich terug van deelname aan Lbv enLbv-plus, dan nog is de verwachting dat de mestproductie in de pluimvee-houderij in 2025 lager zal zijn dan het sectorale plafond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61415 Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie18. De leden van de PvdD-fractie vinden het onacceptabel dat de Ministerweigert om gehoor te geven aan het verzoek van de Kamer om geenonomkeerbare stappen te zetten in de behandeling van dit ontwerpbesluit.Daarmee zet ze de Kamer onder druk en dwingt ze de Kamer om ditbesluit in zeer korte tijd te behandelen, wat een zorgvuldig traject in deweg zit. Niet voor niets heeft de Kamer aangegeven hier meer tijd voor tewillen nemen, maar de Minister maakt dit onmogelijk. Deze leden wijzenerop dat de Kamer, en niet de Minister, het hoogste orgaan is en consta-teren dat deze Minister zich daar niks van aantrekt. Dit is een schofferingvan het parlement.Ik volg de procedure van de (zware) voorhang, waar uw Kamer in heeftvoorzien middels een amendement bij de behandeling van hetWetsvoorstel tot Wijziging van de Meststoffenwet in verband met demaximale mestproductie, inclusief de voor die voorhang geldendetermijn. Ik bied uw Kamer dus juist de gelegenheid om zich uit te sprekenover het besluit. Indien gewacht zou worden op het afronden van eenbehandeling in uw Kamer na het reces zou nog dit jaar stoppen metafroming, gelet op de vervolgprocedure, niet meer haalbaar zijn.Zoals ik in mijn brieven van 18 en 24 september jl.6 heb aangegeven, achtik het noodzakelijk dat het besluit nog dit jaar in werking zal treden.Daarmee wil ik de gevolgen voor individuele ondernemers, en met nameondernemers die voor een groot deel afhankelijk zijn van de lease vanrechten beperken.19. De leden van de PvdD-fractie vinden het daarnaast onvoorstelbaar datdeze Minister voornemens is om de afromingspercentages van varkens-en pluimveerechten op 0 procent te zetten, terwijl alles erop wijst dat hetnationale mestplafond zal worden overschreden. Deze leden wijzen er danook op dat de volle verantwoordelijkheid rust bij deze Minister en hetkabinet, alsmede de partijen die akkoord gaan met dit besluit, als er strakseen generieke korting komt en boeren noodgedwongen hun dieren naarde slacht zullen moeten brengen. Dat had kunnen worden voorkomen.Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de PvdD-fractieverwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de leden van de D66-fractie.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende ontwerpbesluit. Deze leden hadden liever gezien datdit afromingspercentage helemaal niet was ingevoerd en steunen in iedergeval het voorliggende voorstel. Deze leden hebben al eerder gewezen opde grote gevolgen van deze afroming op met name bedrijven dieafhankelijk zijn van lease van productierechten. Deze leden constaterendat op basis van de cijfers in de tweede kwartaalrapportage 2025 van hetCBS de pluimveehouderij al zo ongeveer op het sectorplafond voor 2025zit, terwijl het effect van de Lbv en Lbv-plus nog moet komen. Deze ledenzijn van mening dat ook de afromingspercentages voor de varkenshou-derij naar nul moeten worden bijgesteld, zoals in het aanvullendeontwerpbesluit is voorgesteld.20. De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een inschatting van degevolgen voor pluimveebedrijven die afhankelijk zijn van lease als deafroming van productierechten voor deze sector doorgezet zou worden.6Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nrs. 611, 612 en 613Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61416 Het is niet eenvoudig om een inschatting te geven van de gevolgen vanvoortzetting van afroming voor pluimveebedrijven die afhankelijk zijn vanlease, onder meer omdat hier sprake is van marktmechanisme. Mijnverwachting is dat de leaseprijs aanmerkelijk hoger zal zijn dan in eensituatie zonder afroming. Mede om die reden zal het voor individuelepluimveehouders moeilijker zijn om aan het einde van het jaar voldoendedierrechten te hebben. Hierbij speelt ook de ervaring mee dat deleasemarkt dit jaar tot nu toe nagenoeg stilligt. In het geval een pluimvee-houder minder dierrechten heeft dan het aantal dieren dat hij in een jaardaadwerkelijk in zijn stallen heeft gehad, is hij in overtreding met deMeststoffenwet7.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fratie hebben met belangstelling kennisgenomen vanhet ontwerpbesluit tot wijziging Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet inverband met de wijziging van de hoogte van het afromingspercentage.Deze leden hebben daarover op dit moment geen verdere vragen.7Indien een dergelijke overtreding geconstateerd wordt, kan op basis van de Wet EconomischeDelicten (WED) een hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of een geldboete van devierde categorie (maximaal € 25.750) worden opgelegd. Daarnaast kan in een aparte uitspraakhet wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. Als er sprake is van een misdrijf(opzettelijke overtreding) dan kan op basis van de WED een hechtenis van ten hoogste zesjaren, taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie (maximaal € 105.000) wordenopgelegd. Daarnaast kan in een aparte uitspraak het wederrechtelijk verkregen voordeelworden ontnomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 61417

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8a4883cab6090dbb

14 okt 2026 · 748786183eb48dbb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.