Meten en rapporteren borstdensiteit in het bevolkingsonderzoek borstkanker
Brontekst
Versie cd512f6ae1832d6d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 765Kwaliteit van zorg32 793Preventief gezondheidsbeleidNr. 979 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 mei 2026Het bevolkingsonderzoek borstkanker is belangrijk voor het vroegontdekken van borstkanker. Jaarlijks worden ruim 6.000 tumorenvroegtijdig opgespoord, waardoor de behandeling eerder kan starten.Naar schatting worden jaarlijks 1.300 sterfgevallen voorkomen met hetbevolkingsonderzoek borstkanker. Tegelijkertijd weten we dat hetbevolkingsonderzoek borstkanker minder goed werkt voor vrouwen metzeer dicht borstweefsel. De afgelopen jaren is meermaals met de Kamergesproken over de inrichting van het bevolkingsonderzoek borstkanker,specifiek voor deze groep vrouwen. In deze Kamerbrief wordt beschrevenhoe het kabinet aan de slag gaat met de breed aangenomen motie van hetlid Paulusma c.s. van 3 maart 20261, die gaat over het meten en rappor-teren van borstdensiteit in het bevolkingsonderzoek borstkanker. Daarbijwordt ingegaan op de verwachte planning en de uitvoeringsconse-quenties.AchtergrondOngeveer 5–8% van de doelgroep van het bevolkingsonderzoek heeft zeerdicht borstweefsel. Bij deze vrouwen werkt een mammogram mindergoed, omdat tumoren minder goed zichtbaar worden dan bij anderen.2Hoewel het huidige bevolkingsonderzoek ook voor vrouwen met zeerdicht borstweefsel van meerwaarde is, zal een aanvullend MRI-onderzoekhet bevolkingsonderzoek voor hen verder verbeteren.3 Op 13 november2025 heeft de voormalig Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sportde Kamer geïnformeerd over het besluit om dit aanvullend MRI-aanbodvoor vrouwen met zeer dicht borstweefsel te gaan realiseren en hoe het1Kamerstukken II 2025/26, 31 765, nr. 970.2Bij vrouwen met zeer dicht borstweefsel wordt circa 60% van de tumoren gevonden met demammografie terwijl dit bij vrouwen zonder zeer dicht borstweefsel 70–85% is.3Bakker MF, et al. Supplemental MRI Screening for Women with Extremely Dense Breast Tissue.N Engl J Med. 2019;381(22):2091–2102. kst-31765-979ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9791 eruit komt te zien.4 In die brief is ook beschreven welke stappen noodza-kelijk zijn om dit MRI-aanbod te realiseren, waarbij de verwachting is datde eerste MRI’s in 2030 zullen worden aangeboden. Dit is gebaseerd op deuitvoeringstoets van het RIVM van 1 oktober 2025.5 Dit kabinet zal alles opalles zetten om zo snel als mogelijk dit aanvullende MRI-aanbod voorvrouwen met zeer dicht borstweefsel te realiseren.Meten en rapporteren borstdensiteitEén van de noodzakelijke stappen voor het MRI-aanbod is het vanaf 2030meten en terugkoppelen aan vrouwen of zij zeer dicht borstweefselhebben, zodat de vrouwen met zeer dicht borstweefsel uitgenodigdkunnen worden voor een aanvullende MRI. Op dit moment wordtborstdensiteit namelijk niet gemeten en is er dus geen gestructureerdeinformatie over borstdensiteit beschikbaar in het bevolkingsonderzoek. DeKamer heeft met de motie van het lid Paulusma c.s. van 3 maart 2026duidelijk uitgesproken dat vrouwen binnen het huidige bevolkingson-derzoek borstkanker, waar dit met bestaande onderzoeken en apparatuurmogelijk is, al actief moeten worden geïnformeerd of bij hen sprake is vanzeer dicht borstweefsel, waarbij helder gecommuniceerd moet wordenwat dit betekent voor de betrouwbaarheid van de mammografie en welkevervolgstappen in de toekomst beschikbaar kunnen komen. In de motiewordt tot slot verzocht de Kamer over de uitwerking en implementatiehiervan te informeren.Tijdens het Tweeminutendebat Vrouwengezondheid van 3 maart 2026heeft het kabinet aangegeven in de motie een duidelijke uitspraak te lezenom borstdensiteit te gaan meten en rapporteren vooruitlopend op hetMRI-aanbod vanaf 2030, en het verzoek om snel tot een aanpak te komenhoe dit kan worden ingevoerd. Het kabinet is direct aan de slag gegaanmet het uitwerken van deze aanpak en het voorbereiden van debenodigde stappen.Voor het kabinet ingaat op de aanpak, wil het kabinet graag kort hetdilemma schetsen rond het meten en terugkoppelen van borstdensiteitvooruitlopend op het MRI-aanbod in 2030, zoals ook gedaan in hetTweeminutendebat Vrouwengezondheid. Het kabinet vindt de oproep uitde motie belangrijk en het kabinet begrijpt ook dat vrouwen willen wetenof zij zeer dicht borstweefsel hebben of niet. Het kabinet vindt hetonwenselijk als vrouwen de indruk hebben dat er informatie over heteigen lichaam wordt onthouden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.Tegelijkertijd is er op dit moment geen gestructureerde informatie overborstdensiteit beschikbaar en is er bij het eerder meten en terugkoppelenvan borstdensiteit geen breed beschikbaar vervolgaanbod voor vrouwenmet zeer dicht borstweefsel. Zeer dicht borstweefsel is namelijk geenmedische indicatie voor vervolgzorg en binnen het bevolkingsonderzoekis het niet mogelijk om voor 2030 een aanvullende MRI beschikbaar testellen. Dit staat op gespannen voet met het belangrijke uitgangspunt dater met het bevolkingsonderzoek alleen gescreend wordt op bevindingenwaar de deelnemers actie op kunnen ondernemen en die kunnen leidentot gezondheidswinst. Dat is tot 2030 nog niet het geval. Daarnaastwaarschuwen zorgprofessionals dat medische informatie delen zondervervolgaanbod, kan leiden tot een toenemende zorgvraag. Tot slot leeft dezorg dat gezondheidsverschillen in de hand worden gewerkt, omdatsommige vrouwen zelfstandig een MRI op eigen kosten gaan laten doenwaar geen centrale kwaliteitsborging op plaatsvindt. Dit is niet vooriedereen een mogelijkheid.4Kamerstukken II, 2025/26, 31 765, nr. 951.5Bijlage bij Kamerstukken II, 2025/2026, 31 765, nr. 947.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9792 Ondanks dit dilemma is het kabinet direct aan de slag gegaan met eenplan van aanpak, dat hieronder wordt toegelicht. Eerst worden deuitgangspunten geschetst en vervolgens wordt toegelicht welke stappener nodig zouden zijn voor de implementatie. Tot slot geef het kabinet aanwat de verwachte planning is en welke gevolgen deze heeft voor deimplementatie van MRI’s in 2030.UitgangspuntenBij het meten van borstdensiteit en het terugkoppelen aan vrouwen of erbij hen sprake is van zeer dicht borstweefsel, hanteert het kabinet devolgende uitgangspunten:1.In lijn met de motie, is het uitgangspunt dat het meten van borstden-siteit plaatsvindt binnen de mogelijkheden van de huidige mammo-grafieapparatuur.2.De wijze van informeren van de doelgroep en het terugkoppelen vanborstdensiteit zou zo dicht mogelijk moeten aansluiten bij dewerkwijze die is voorzien vanaf 2030, zodra het MRI-aanbod isgerealiseerd. Het doel hiervan is dat er zo min mogelijk werkzaamhe-den dubbel worden gedaan. Dat betekent dat in de uitnodigingsfolderinformatie over borstdensiteit zal moeten worden gegeven en datvrouwen in de uitslagbrieven te horen zouden krijgen of zij wel of nietzeer dicht borstweefsel hebben. Er zal niet gerapporteerd worden inwelke specifieke categorie densiteit zij vallen. Dit gebeurt ook nietmet het MRI-aanbod na 2030 en is in lijn met hetgeen staat beschre-ven in de Kamerbrief van 13 november 2025. Ook bij eventueleandere te maken keuzes in de uitvoering, wordt zo dicht mogelijkaangesloten bij de werkwijze die is voorzien vanaf 2030.3.Het kabinet vindt het belangrijk dat vrouwen ook de mogelijkheidkrijgen om ervoor te kiezen de informatie over hun borstdensiteit niette ontvangen, juist omdat het gaat om medische informatie waar noggeen vervolgaanbod voor beschikbaar is. Om die reden zal er meteen opt-in gewerkt gaan worden. Dit betekent dat vrouwen actiefaangeven dat zij de terugkoppeling over de dichtheid van hunborstweefsel willen ontvangen.Deze uitgangspunten zijn van belang om de betrokken organisatiesduidelijk richting te geven in hoe het meten en terugkoppelen vanborstdensiteit eruit zou kunnen komen te zien. Deze uitgangspuntenbetekenen dat vrouwen vanaf de implementatie bij hun uitnodiging voorhet bevolkingsonderzoek worden geïnformeerd over borstdensiteit, derisico’s en de gevolgen. Daarbij hoort ook de uitleg dat vanaf 2030 eenaanvullend MRI-onderzoek deel uit zal gaan maken van het bevolkingson-derzoek borstkanker en dat er tot die tijd geen vervolgaanbod is. Op basisvan deze informatie, zouden vrouwen bij deelname aan het bevolkingson-derzoek actief aan moeten geven terugkoppeling te willen ontvangen of zijzeer dicht borstweefsel hebben of niet. Bij deze terugkoppeling in deuitslagbrief zou dan worden verwezen naar aanvullende informatie overborstdensiteit, bijvoorbeeld op een website van het RIVM. Als altijd, zalworden aangegeven dat vrouwen bij klachten aan de borsten contactmoeten opnemen met de huisarts.Implementatieproces en planningZoals in het Tweeminutendebat Vrouwengezondheid van 3 maart 2026 isaangegeven, is het meten en rapporteren van borstdensiteit niet vanvandaag op morgen geregeld. De implementatie vergt verschillendestappen. Een belangrijke stap is de wijziging van de vergunning op grondvan de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) voor de uitvoering van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9793 bevolkingsonderzoek. Daarnaast zullen het RIVM en uitvoeringsorgani-satie Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) verschillende implemen-tatiestappen moeten doorlopen, waarbij geldt dat een aantal stappen dievoor de implementatie van 2030 waren voorzien, naar voren moetenworden gehaald. De verschillende stappen staan hieronder beschreven.Wijziging van de WBO-vergunningMet het meten en terugkoppelen van borstdensiteit zou er in het bevol-kingsonderzoek borstkanker niet langer alleen borstkanker wordenopgespoord, maar ook een risicofactor van borstkanker. Feitelijk betekentdit een uitbreiding van de screening, waardoor de vergunning op grondvan de WBO moet worden aangepast. BVO NL moet hiervoor een nieuwevergunningaanvraag schrijven en indienen bij het Ministerie van VWS.Volgens de WBO is de Minister van VWS wettelijk verplicht om, voordateen besluit wordt genomen over een WBO-vergunningverlening, advies inte winnen van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad toetst devergunningsaanvraag aan de wettelijke criteria uit de WBO6.Aan de hand van de hierboven beschreven uitgangspunten zullen BVO NLen het RIVM de WBO-vergunningaanvraag opstellen. Dit loopt dan parallelaan de WBO-vergunningaanvraag voor het aanvullende MRI-aanbodvanaf 2030, waar BVO NL en het RIVM op dit moment al aan werken. Deverwachting is dat de vergunningaanvraag voor het meten en rapporterenvan borstdensiteit na de zomer ingediend kan worden. Het adviestrajectvan de Gezondheidsraad over een WBO-vergunningaanvraag duurtdoorgaans een halfjaar, wat betekent dat het advies wordt verwacht in heteerste kwartaal van 2027. Op basis van het advies van de Gezond-heidsraad zal het kabinet een besluit nemen over de verlening van deWBO-vergunning, waarna de verdere invoering al dan niet kan wordenuitgevoerd. Het advies van de Gezondheidsraad vormt dus een belangrijkvolgend besluitvormingsmoment.Overige implementatiewerkzaamhedenOm het meten en terugkoppelen van borstdensiteit mogelijk te maken,moeten er aanpassingen worden doorgevoerd in het bevolkingson-derzoek. Zo is er software nodig voor het meten van borstdensiteit. Dezesoftware is beschikbaar voor de huidige mammografieapparatuur, maarmoet nog wel worden toegepast in het bevolkingsonderzoek. Uitvoerings-organisatie BVO NL zal hier de juiste voorbereidingen voor moetentreffen. Daarnaast zijn er aanpassingen nodig in het IT-systeem zodat dedensiteitsmeting geregistreerd kan worden en de uitslag aan de juistepersoon kan worden gekoppeld.Naast de densiteitsmeting moet al het communicatiemateriaal van hetbevolkingsonderzoek borstkanker aangepast worden. Dit gaat om deinformatiefolders, de websites van BVO NL en het RIVM en er moetenverschillende varianten van de uitslagbrieven opgesteld worden. Voor hetopstellen van de nieuwe uitslagbrieven moet een duidelijke boodschapworden geformuleerd voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel. Goedeen heldere informatie is heel belangrijk voor de bevolkingsonderzoeken,zeker hier omdat het vervolgaanbod nog enkele jaren op zich laatwachten. Ook de hierboven genoemde opt-in moet ingeregeld worden.Tot slot zullen we na de implementatie scherp moeten blijven opmogelijke signalen dat het meten en terugkoppelen van borstdensiteit6Wet op het bevolkingsonderzoek, artikel 7, lid 1. https://wetten.overheid.nl/BWBR0005699/2021-07-01Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9794 zonder vervolgaanbod leidt tot verdringing in de reguliere zorg. Tijdens deverschillende stakeholderbijeenkomsten over het besluit om MRI’s te gaanaanbieden, zoals beschreven in de brief van 13 november 2025, zijn erdoor vrijwel alle partijen zorgen geuit over de toenemende vraag in dezorg als gevolg van het meten en rapporteren van borstdensiteit zondervervolgaanbod. Zoals gezegd is zeer dicht borstweefsel conform demedische beroepsrichtlijnen geen medische indicatie, desalnietteminwordt nu al gezien dat er sprake is van een toenemende zorgvraag.Bijvoorbeeld doordat vrouwen met zeer dicht borstweefsel toch wordendoorverwezen naar de zorg, of doordat zij zelfstandig een MRI latenmaken op eigen kosten, zonder centrale kwaliteitsborging. Op dezemanier komen veel vrouwen in de vervolgzorg terecht zonder dat ersprake is van borstkanker. Dat deze toenemende zorgvraag kan leiden totverdringing van andere patiëntgroepen, zoals vrouwen met een erfelijkeaanleg voor borstkanker, was een belangrijk onderwerp van gesprek in deverschillende stakeholderbijeenkomsten. Ook is daar de zorg geuit datlang niet iedereen een MRI kan betalen en dat daarmee de gezondheids-verschillen groter zullen worden. Het kabinet voelt de plicht om dezesignalen serieus te nemen en dit in de gaten te houden.PlanningDe verwachting is dat het implementeren van het meten en terugkoppelenvan borstdensiteit anderhalf jaar in beslag zal nemen, inclusief hetadviestraject van de Gezondheidsraad. De verwachting is dat het begin2028 geïmplementeerd zou kunnen zijn. Zoals gezegd, wordt in het eerstekwartaal van 2027 het advies van de Gezondheidsraad verwacht over deWBO-vergunningaanvraag. Aan de hand van dit advies volgt een volgendbesluitvormingsmoment.Effect op implementatie aanvullende MRI’sHet naar voren halen van de hierboven beschreven implementatiewerk-zaamheden voor het meten en terugkoppelen van borstdensiteit, en hetschrijven en behandelen van een aparte WBO-vergunningaanvraag, heeftinvloed op het implementatietraject voor het aanbieden van aanvullendeMRI’s in het bevolkingsonderzoek in 2030. BVO NL en het RIVM zullennamelijk eerst alles op alles moeten zetten om de meting en terugkop-peling van borstdensiteit te implementeren. Dit heeft effect op deplanning voor de implementatie van de MRI’s vanaf 2030. We verwachtenop dit moment dat het aanbieden van MRI’s in 2030 helaas in ieder gevaleen halfjaar vertraging op zal lopen.Tot slotMet deze brief wordt duidelijk welke stappen nodig zijn om het meten enrapporteren van borstdensiteit te realiseren. Het kabinet heeft realistischbeschreven welke gevolgen er zijn voor het realiseren van hetMRI-aanbod vanaf 2030. Tegelijkertijd snapt het kabinet de oproep uit demotie heel goed. De Kamer kan er daarom van op aan dat alles op alleswordt gezet om de werkzaamheden zo te prioriteren dat het voorbereidenvan het meten en rapporteren van borstdensiteit zo snel mogelijk verloopten dat de vertraging voor het MRI-aanbod vanaf 2030 zoveel mogelijk toteen minimum wordt beperkt. Zodra de Gezondheidsraad over degewijzigde WBO-vergunningaanvraag heeft geadviseerd, zal het kabinetde Kamer vanzelfsprekend opnieuw informeren.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,S.T.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9795
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.