Voorhang ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij
Brontekst
Versie ea40977bf2f6491f · officiële bron28 286 Dierenwelzijn 28 973 Toekomst veehouderij Nr. 1481 Brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 11 september 2026 Hierbij bied ik u de ontwerp-AMvB Dierwaardige veehouderij aan. Dit ontwerpbesluit stelt een wijziging voor van het Besluit houders van dieren, het Besluit diergeneeskundigen en enkele andere besluiten. Het doel is het aanwijzen van gedragsbehoeften van in de veehouderij gehouden varkens, runderen, kalveren en pluimvee en schrijft de daarmee samenhangende houdvoorschriften en het verbieden van enkele lichamelijke ingrepen voor (Besluit dierwaardige veehouderij) (bijlagen 1 en 2). De voorlegging geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure van artikel 10.10, eerste en derde lid, van de Wet dieren en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat het aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd en vervolgens zal worden vastgesteld. Op grond van de aangehaalde bepalingen geschiedt de voordracht aan de Koning ter verkrijging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Inhoud brief De afgelopen maanden is er in overleg met agrarische en maatschappelijke partijen hard gewerkt aan de afronding van de ontwerp algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij. De ontwerp-AMvB bevat: de aanwijzing van gedragsbehoeften voor pluimvee, kalveren, runderen en varkens die in de veehouderij worden gehouden; maatregelen die nodig zijn om aan die gedragsbehoeften te voldoen; regels over lichamelijke ingrepen bij die diersoorten; en een maatregel over het vervoer van kalveren.[voetnoot 1] Deze regels dragen bij aan de stapsgewijze realisatie van een dierwaardige veehouderij in 2040, zoals voorgeschreven in artikel 2.3a van de Wet dieren. Met het aanbieden van deze ontwerp-AMvB wordt ook invulling gegeven aan de afspraak uit het regeerprogramma om de ontwerpregeling rond de zomer aan uw Kamer voor te leggen. Naast de ontwerp-AMvB met nota van toelichting, bied ik uw Kamer ook de volgende begeleidende stukken aan: Handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoetsen van de NVWA (bijlages 3 en 4) Regeldruktoetsen van Adviescollege toetsing regeldruk (bijlages 5, 6 en 7) Wetenschappelijke toets (bijlage 8) Economische impactanalyse en de aanvullende berekeningen economische impact van WSER/CAF inclusief vleesvee (bijlages 9, 10 en 11) Verslag internetconsultatie concept-AMvB pluimvee, melkvee, kalveren en varkens (bijlage 12) Verslag internetconsultatie concept-AMvB vleesvee (bijlage 13) SWOT-analyse van kansen en belemmeringen voor behoud en stimuleringen van weidegang (bijlage 14) Daarnaast worden in deze brief en met de ontwerp-AMvB de volgende moties en toezeggingen afgedaan: Motie van leden Van Campen c.s. (VVD) die verzoekt de regering 1. om conform de Wet dieren voortvarend keuzes te maken over de invulling van AMvB's gericht op het bewerkstelligen van een dierwaardige veehouderij, en 2. deze AMvB’s wetenschappelijk te laten toetsen en de Kamer regelmatig te informeren over de voortgang (Kamerstuk 28 286, nr. 1341). Motie van leden Vestering en Boswijk (PvdD en CDA) die verzoekt de regering om niet langer toe te staan dat dieren geen permanente toegang hebben tot drinkwater (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 52). Motie van lid Tjeerd de Groot (D66) die verzoekt de regering om in het kader van de genoemde wetswijziging heldere en ambitieuze tussendoelen uit te werken met jaartallen op basis van wetenschappelijke inzichten (Kamerstuk 28 286, nr. 1306). Motie van leden Akerboom en Tjeerd de Groot (PvdD en D66) die verzoekt de regering niet langer toe te staan dat vleeskuikens worden gehouden in de hoogste bezettingscategorie (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1589). Motie van lid Moorlag (PvdA) die verzoekt de regering het houden van kippen in kooien zo snel mogelijk uit te faseren (Kamerstuk 28 286, nr. 1160). Motie van leden Vestering, Graus, Bromet, Thijssen en Koekkoek (PvdD, PVV, GroenLinks, PvdA en Volt) die verzoekt de regering, conform de aangenomen motie, niet akkoord te gaan met het sectorplan over watervoorziening (Kamerstuk 28 286, nr. 1275). Motie van lid Van Dekken (PvdA) die verzoekt de regering om, met de partijen die de Verklaring van Dalfsen hebben ondertekend, afspraken te maken over een einddatum waarop er met het couperen van varkensstaarten zal worden gestopt (Kamerstuk 28 286, nr. 666). Motie van lid Thieme (PvdD) die verzoekt de regering een einddatum vast te stellen waarop het couperen van biggenstaartjes in Nederland beëindigd moet zijn (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 84). Motie van leden Visseren-Hamakers c.s. (PvdD, D66, OPNL) die verzoekt de regering binnen zes maanden met een voorstel te komen waarin de Europese richtlijn (varkens) zodanig geïmplementeerd zal worden dat deze handhaafbaar is (Kamerstuk 35746, G). Toezegging aan lid Visseren-Hamakers (PvdD) van plan te zijn het verbod op het couperen van varkensstaartjes op te nemen in de AMvB (T3985). Met deze brief informeer ik u ook over de toetreding van de kalversector tot het convenant dierwaardige veehouderij. Medio juni 2026 hebben de kalversector en de Dierenbescherming een gezamenlijk plan[voetnoot 2] opgesteld om stappen te zetten naar een dierwaardige kalverhouderij. Zij hebben hard gewerkt aan een ambitieus en realistisch plan, met daarin meer ruimte voor alle kalveren, verdere reductie van antibiotica en het stoppen met de import van kalveren uit Ierland. Met deze afspraak sluit de kalversector zich aan bij het convenant 'Stappen naar een Dierwaardige Veehouderij' en daar ben ik blij mee. Inleiding Dieren in de veehouderij verdienen goede zorg en de mogelijkheid om hun natuurlijke gedrag zoveel mogelijk te vertonen. Hoe we omgaan met dierenwelzijn is een teken van beschaving, iets waarop ons deel van de wereld vooroploopt. Ik ben ervan overtuigd dat de overgrote meerderheid van onze veehouders iedere dag met vakmanschap en toewijding voor hun dieren zorgt. Tegelijkertijd kunnen zij alleen toewerken naar een dierwaardige veehouderij, als duidelijk is wat er van ze wordt verwacht én als de doelen realistisch, uitvoerbaar en financieel haalbaar zijn. Alleen zo kunnen dierenwelzijn en een sterke, toekomstbestendige agrarische sector hand in hand gaan. Daarom heb ik met de convenantspartijen[voetnoot 3] afgesproken dat we gezamenlijk werken aan een dierwaardige veehouderij in 2040. Dat is een ambitieuze opgave, juist omdat de Nederlandse veehouderij de afgelopen jaren al belangrijke stappen heeft gezet om het dierenwelzijn te verhogen. Tegelijkertijd vraagt de samenleving, en ook de verantwoordelijkheid die hoort bij het houden van dieren, om verdere verbetering. Deze volgende stap kan een veehouder echter niet alleen zetten. Een dierwaardige veehouderij vraagt om inzet van de hele keten: van overheid en financiers tot leveranciers, verwerkers, retail en consumenten. Alleen wanneer investeringen kunnen worden terugverdiend en de markt deze inspanningen waardeert, ontstaat een duurzaam verdienmodel voor de veehouder. Ik zie deze ontwerp-AMvB dan ook in samenhang met de afspraak met convenantpartijen. Het realiseren van deze ambitie is een gezamenlijke inspanning, waarbij iedere partij vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid bijdraagt aan een dierwaardige veehouderij. De convenantpartijen realiseren zich dat zeer goed en geven daar zowel individueel als gezamenlijk invulling aan. De sectorpartijen en Dierenbescherming doen dat via het nader uitwerken van de door hen gezamenlijk opgestelde plannen van aanpak en de markt- en ketenpartijen vanuit hun overkoepelende markt- en ketenaanpak. Daarnaast werken de convenantpartijen aan de oprichting van de Autoriteit dierwaardige veehouderij om de voortgang te bewaken. Daarbij zijn de juiste randvoorwaarden essentieel. Met de verdere uitwerking van de maatregelen in het stikstofpakket is de verwachting dat op afzienbare termijn de vergunningverlening weer los kan komen. Dat is noodzakelijk, omdat veel van de benodigde stalaanpassingen alleen met een vergunning kunnen worden gerealiseerd. De ontwerp-AMvB bevat een omvangrijk pakket aan maatregelen voor de varkens-, rundvee- (melkvee, vleesvee en kalveren) en pluimveesector dat stapsgewijs wordt ingevoerd. Uitgangspunt daarbij is dat niet het dier wordt aangepast aan het houderijsysteem, maar het houderijsysteem zoveel mogelijk aan het dier. De gedragsbehoeften van dieren zijn daarbij leidend voor de houdvoorschriften en zijn vastgesteld op basis van beschikbare wetenschappelijke kennis.In de AMvB worden deze gedragsbehoeften van de dieren aangewezen en gekoppeld aan maatregelen. Omdat het verhogen van de dierenwelzijnsstandaarden vraagt om aanpassingen van veehouders in de praktijk, is het van belang dat we niet het onmogelijke vragen van veehouders en hen in de gelegenheid stellen dit te kunnen uitvoeren. Er is goed gekeken naar de uitvoerbaarheid in de praktijk en de economische gevolgen voor veehouders en de mogelijkheid tot vergunningverlening. Daarom sluiten de maatregelen in de ontwerp-AMvB zo dicht mogelijk aan bij de plannen die de veehouderijsectoren met de Dierenbescherming hebben opgesteld en die als bijlage bij het Convenant zijn opgenomen. De Wet dieren biedt daarvoor ook ruimte. Artikel 2.3a, vierde lid, maakt het mogelijk om voor bepaalde maatregelen een langere implementatietermijn dan 2040 te hanteren, zodat noodzakelijke investeringen kunnen worden terugverdiend. Bij de uitwerking van deze ontwerp-AMvB is daarom steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de verschillende betrokken belangen. Dat betekent dat niet alle maatregelen direct of in hun meest vergaande vorm zijn opgenomen. In sommige gevallen is gekozen voor een minder vergaande norm dan op basis van de wetenschappelijke inzichten vanuit dierenwelzijn wenselijk zou zijn. In andere gevallen is gekozen voor een latere inwerkingtreding of om een maatregel vooralsnog niet op te nemen. Die afweging brengt een dilemma met zich mee. Enerzijds is het mijn ambitie om de gedragsbehoeften van dieren zo goed mogelijk te borgen. Anderzijds vind ik het van groot belang dat de maatregelen realistisch, uitvoerbaar en betaalbaar blijven. Alleen dan kunnen ondernemers de noodzakelijke investeringen doen en kan de transitie naar een dierwaardige veehouderij daadwerkelijk slagen. Daarom kent deze ontwerp-AMvB ook een inwerkingtredingsstrategie die daarop aansluit, door voor de meest impactvolle maatregelen voorafgaand aan de inwerkingtreding te evalueren of de maatregel redelijkerwijs in werking kan treden. Deze ontwerp-AMvB is dan ook opgesteld vanuit de overtuiging dat een hoog niveau van dierenwelzijn en een sterke agrarische sector hand in hand moeten gaan. Alleen als veehouders kunnen blijven ondernemen en investeren, kan de volgende stap naar een dierwaardige veehouderij slagen. Een verschuiving van de productie naar het buitenland, waar vaak lagere dierenwelzijnsstandaarden gelden, is niet in het belang van dieren, veehouders of de samenleving. Het is evenmin de bedoeling dat producten die geproduceerd worden tegen lagere dierenwelzijnsstandaarden dan in de EU gelden de Nederlandse afzetkanalen gaan domineren. Ik zet daarom samen met de convenantspartijen niet alleen in op aanpassingen in het primair bedrijf maar ook voor een stevige inzet in de markt en keten. Tegelijkertijd moeten we het ambitieniveau van deze ontwerp-AMvB en de impact van de voorgestelde maatregelen voor zowel dieren als veehouders niet onderschatten. De komende jaren worden belangrijke stappen gezet om het dierenwelzijn verder te verbeteren. Dieren krijgen meer ruimte en meer mogelijkheden om hun natuurlijke gedrag te vertonen. Dat vraagt ook wat van veehouders. Integraal duurzame stallen zullen rekening gaan houden met eisen aan dierwaardigheid en ook bestaande bedrijfsvoering zal zich op onderdelen moeten aanpassen. Een succesvolle invoering vraagt daarom niet alleen om duidelijke normen, maar ook om kennis, innovatie en praktijkervaring. De afspraken uit het convenant en een slimme koppeling van opgaven zoals benoemd in de aanpak landbouw, natuur en stikstof dragen hieraan bij. De komende jaren wordt ingezet op kennisontwikkeling, praktijkonderzoek en pilots om ervaring op te doen met de toepassing van maatregelen in de praktijk. Daarbij werk ik nauw samen met kennisinstellingen, experimenteerlocaties en de convenantpartijen. Deze activiteiten dragen bij aan een verdere onderbouwing van de maatregelen en ondersteunen een zorgvuldige en haalbare implementatie in de praktijk. Grootste wijzigingen ten opzichte van de consultatieversie Zoals ik heb beschreven in mijn recente brief van 26 juni jl.[voetnoot 4] hebben de internetconsultatie en de uitgevoerde toetsen veel waardevolle inbreng opgeleverd. Dit heeft geleid tot verschillende wijzigingen ten opzichte van de consultatieversie van vorige zomer. In deze brief richt ik mij op de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de consultatieversie, voor zowel de opbouw en structuur van de ontwerp-AMvB als de inhoudelijke wijzigingen ten aanzien van maatregelen voor de diersoorten. Integraliteit met aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof Op 26 juni jl. heeft dit kabinet de stikstofplannen gepresenteerd.[voetnoot 5] De inzet gericht op stikstofreductie en natuurherstel hangt nauw samen met de andere opgaven in het landelijk gebied, namelijk klimaat, water, gewasbeschermingsmiddelen en dierwaardigheid. Om rekening te houden met de verschillende opgaven die de komende jaren op het boerenerf terecht komen, en de integraliteit te waarborgen, maak ik in de ontwerp-AMvB onderscheid tussen de inwerkingtreding van maatregelen voor bestaande stallen en voor nieuw te bouwen stallen. Maatregelen die stalaanpassingen vereisen zullen, waar mogelijk, uiterlijk in 2030 in werking treden voor nieuw- of verbouw van stallen. Voor bestaande stallen geldt in die gevallen een overgangsperiode die aansluit op de bedrijfsspecifieke emissienormen per 2035. Dat betekent dat een veehouder die de komende jaren stalaanpassingen moet doen om aan de bedrijfsspecifieke emissienormen te voldoen, zoals het toepassen van emissiearme stalsystemen en technieken, ook meteen de stalaanpassingen voor dierwaardig kan meenemen en zo direct een integrale, toekomstbestendige stal kan bouwen. Zo beperken we het risico op lock-in effecten en voorkomen we dat maatregelen die worden getroffen in het kader van de ene opgave, worden afgewenteld op een andere opgave. Ik wil er voor waken dat de uitwerking van beleid leidt tot een onmogelijke stapeling van eisen en normen voor de veehouder. Juist daarom zet ik de stappen naar een dierwaardige veehouderij steeds in afstemming met alle andere opgaven die op het boerenerf terecht zullen komen. Zo weten boeren waar ze aan toe zijn en kunnen zij verantwoorde investeringsbeslissingen nemen voor integraal duurzame stallen. Uiteraard heeft het kabinet daarbij oog voor de weerbarstige praktijk waarmee veehouders te maken krijgen als het gaat om vergunningverlening en financiering. Het zijn langdurige processen waar veehouders mee te maken krijgen als zij hun aanvraag doen. Zij hebben echter geen invloed op het verloop en kunnen veelal tussentijds geen aanpassingen meer doen als een traject eenmaal is gestart. Daarom wil ik ook in gesprek met sectorpartijen over deze problematiek, waarbij veehouders op dit moment al een vergunningaanvraag hebben lopen voor het (ver)bouwen van een stal en die straks bij de inwerkingtreding van maatregelen in 2030 niet voldoet aan de dan geldende eisen. Ik wil met hen bekijken wat daarvoor de handelingsperspectieven zijn. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit jaar informeren over de bevindingen. Het is daarom dan ook van groot belang om zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden aan veehouders over de (technische/inhoudelijke) eisen die zullen worden gesteld aan integraal duurzame stallen. Daar zet ik mij voor in. In de consultatieversie waren de momenten van inwerkingtreding voor veel maatregelen gelijk voor nieuw te bouwen stallen en voor bestaande stallen. In de ontwerp-AMvB staat voor meer maatregelen een eerder moment voor nieuw te bouwen stallen. Voor bestaande stallen wordt in die gevallen in overgangsrecht voorzien. Opbouw en structuur Deze ontwerp-AMvB bevat maatregelen die zien op een langere periode, namelijk tot 2040. Het is daarom noodzakelijk dat voor verschillende maatregelen voorafgaande aan de inwerkingtreding een evaluatie wordt gedaan om de dan beschikbare kennis te kunnen betrekken. Door voorafgaand aan de inwerkingtreding van maatregelen onder andere te toetsen aan de randvoorwaarden impact op het verdienmodel en emissies, en de mogelijkheid tot vergunningverlening, wordt gewaarborgd dat veehouders redelijkerwijs aan de maatregel kunnen voldoen. Ook zorgt dit ervoor dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de kaders voor natuur, water, milieu, luchtkwaliteit en klimaat. In de consultatieversie was deze evaluatiebepaling aan alle maatregelen gekoppeld, ook aan relatief beperkt impactvolle maatregelen. Bij nader inzien is die evaluatie voor minder maatregelen nodig en heb ik ervoor gekozen de evaluatie alleen aan die maatregelen te koppelen waarbij op het moment van het opstellen van de regels is ingeschat dat hierover onvoldoende informatie of duidelijkheid bestaat. Bij deze evaluaties zal ook de advisering van de nog op te richten Autoriteit dierwaardige veehouderij worden betrokken, zoals de motie van lid Wiersma (BBB) verzoekt.[voetnoot 6] Voor de maatregelen waar de evaluatie voor is vervallen geldt dat de weging van de randvoorwaarden bij het opstellen van de ontwerp-AMvB al heeft plaatsgevonden. Voor de maatregelen waarvoor de evaluatie nog wel is opgenomen geldt dat deze verder in de tijd zijn gezet vanwege de grote (economische en emissie) impact en waar relevant benodigde vergunningverlening. Ik vind het van belang te zorgen voor zo duidelijk mogelijke kaders en heldere tijdpaden zodat veehouders weten waar ze aan toe zijn en daar naartoe kunnen werken. De evaluatie toetst naast de impact op het verdienmodel ook op de impact op emissies en of vergunningverlening redelijkerwijs al mogelijk is. Door de wijziging aan de evaluatiebepaling wordt enerzijds duidelijker op welk moment een veehouder aan een maatregel moet voldoen en anderzijds waarborgt dit dat de veehouder niet aan het onmogelijke gehouden kan worden. Varkens Naar aanleiding van de internetconsultatie en aanvullend onderzoek zijn voor varkens op een aantal onderdelen wijzigingen aangebracht. Zo zijn de bepalingen over daglicht verduidelijkt door concrete minimumnormen op te nemen voor de toetreding van daglicht, is de bepalingen over ammoniak nader uitgewerkt en onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuw te bouwen stallen en is voor de inrichting van functiegebieden bij nieuwbouw stallen een evaluatiemoment in 2028 opgenomen. Indien uit de evaluatie blijkt dat aanvullende kennis nodig is, kan alsnog worden bezien of aanpassing van het tijdpad voor inwerkingtreding voorzien in 2030 noodzakelijk is. Hiermee wordt geborgd dat de verplichting uitvoerbaar zal zijn in de praktijk. Verder is in de ontwerp-AMvB verduidelijkt dat voor drachtige gelten en zeugen ruwvoer permanent beschikbaar moet zijn. Daarnaast zijn de eisen voor waterverstrekking aan biggen aangepast naar permanente beschikbaarheid vanaf zeven dagen leeftijd. Tot slot zijn de eisen voor gespeende varkens met een volledig roostervloer aangepast. Als tussenstap wordt vanaf 2028 verplicht dat een deel van de roostervloer wordt afgedekt, zodat een aaneengesloten dicht vloergedeelte ontstaat. Hiermee wordt vooruitgelopen op de uiteindelijke verplichting tot gedeeltelijk dichte vloeren waardoor gespeende varkens al eerder kunnen beschikken over een geschikte lig- en verrijkingsplek. Pluimvee Voor pluimvee is in de ontwerp-AMvB de evaluatiebepaling voor het verbod op koloniekooihuisvesting per 2035 vervallen en komt er een verbod op de nieuwbouw van koloniekooien per 2028. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van lid Moorlag (PvdA) die verzoekt de regering het houden van kippen in kooien zo snel mogelijk uit te faseren. In de ontwerp-AMvB is ook de evaluatiebepaling vervallen voor de bezettingsdichtheden die in 2030 van kracht worden. Bij de vaststelling van deze bezetting is namelijk al rekening gehouden met de impact. Specifiek voor de bezetting vleeskuikens betreft het de uitvoering van de motie van leden Akerboom (PvdD) en De Groot (D66) die verzoekt de regering niet langer toe te staan dat vleeskuikens worden gehouden in de hoogste bezettingscategorie.[voetnoot 7] Door per 2028 de nieuwbouw van koloniekooien en systemen waarin niet voorzien kan worden in de gedragsbehoeften te verbieden wordt voorkomen dat houders investeringen doen in stallen die per 2035 verboden zijn. Daarnaast wordt met het vervallen van de evaluatiebepaling voor zowel de kooihuisvesting als de bezettingsdichtheid in 2030 duidelijkheid gecreëerd voor houders. In de consultatieversie is er voor vleeskuikens een verplichting opgenomen voor robuuste rassen per 2040, omdat vleeskuikens zo gefokt worden dat ze zoveel mogelijk willen eten en dit tot dusdanige pootproblemen leidt waardoor veel vleeskuikens niet meer goed kunnen lopen. In de consultatieversie was de invoering van deze maatregel gekoppeld aan een evaluatie. In de voorliggende versie van de ontwerp-AMvB is de evaluatiebepaling vervallen, zodat komende jaren de overgang naar het houden van andere rassen in gang gezet kan worden. Ik heb daarnaast ook bezien of er op dit moment een verbod op reguliere vleeskuikenouderdieren opgenomen kan worden. Hoewel ik van mening ben, dat het houden van reguliere vleeskuikenouderdieren, die als gevolg van de toegepaste voerbeperking een langdurig hongergevoel ervaren, niet past in een dierwaardige veehouderij, heb ik ervoor gekozen hiervoor geen maatregel op te nemen. De reden hiervoor is het grote internationale karakter van deze sector. Met name in derde landen zal de vraag naar kuikens met een hoger groeiniveau voorlopig blijven bestaan. Een verbod op reguliere vleeskuikenouderdieren in Nederland zal deze vraag niet veranderen. Een verbod op het houden van vleeskuikenouderdieren in Nederland vind ik niet behulpzaam, vanwege het risico op verplaatsing naar het buitenland van deze bedrijven. Daarnaast zal door het verbod voor vleeskuikens, een deel van de vleeskuikenouderdieren voor Nederland al robuust worden. Dat neemt niet weg dat in de toekomst vleeskuikenouderdieren niet robuust zouden moeten worden. Ik zal mij daarom op Europees niveau inzetten voor houderijvoorschriften en het verplicht gebruik van robuuste rassen. Verder heb ik in de ontwerp-AMvB twee nieuwe maatregelen opgenomen, namelijk de verplichting tot toetreding van daglicht en een verplichte donkerperiode. Tot slot heb ik de maatregel voor de zitstok voor leghennen aangescherpt en voor opfokleghennen geconcretiseerd. Rundvee Zoals reeds gemeld in mijn brief van 26 juni jl.[voetnoot 8] is de ontwerp-AMvB uitgebreid met regels over vleesvee zodat alle kalveren en runderen die worden gehouden voor de productie van melk, rund- en/of kalfsvlees onder de werking van de AMvB vallen. Vanwege het toevoegen van de vleesveesector en het feit dat de impact van een verbod op aanbindstallen voor de vleesveesector en houders aanzienlijk groter is heb ik het verbod op aanbindstallen verplaatst van 2035 naar 2040. De evaluatiebepaling hierbij is vervallen. Specifiek voor melkgevende en droogstaande koeien is een aanvullende eis opgenomen voor nieuwbouw. Per 2030 dienen deze dieren 11 m2 ruimte te hebben in de stal. De eis ten aanzien van de eetplaatsen is gewijzigd in voldoende. Dit in combinatie met de maatregel dat er permanent ruwvoer ter beschikking moet zijn, sluit beter aan bij de praktijk. Ten aanzien van de beperkte mogelijkheid tot individuele huisvesting heb ik een uitzondering toegevoegd voor individuele huisvesting van een stier. Dit om zowel de veiligheid van het dier/koppelgenoten als de houder te dienen. Daarnaast is tijdelijke (twee dagen) individuele huisvesting van kalveren bij aankomst op het vleeskalverbedrijf toegestaan zodat houders de kalveren beter kunnen monitoren. Ook heb ik de oppervlakte eis voor kalveren in de groep tot 3 maanden leeftijd aangepast van 2 m2 naar 1,65 m2. De oppervlakte eis voor individuele huisvesting voor kalveren blijft 2 m2. Dit kan een motivatie zijn kalveren eerder dan 14 dagen leeftijd niet individueel te houden. De eis dat kalveren minimaal zes weken melk via de speen moeten krijgen is blijven staan maar de zoogpositie is vervallen. Wel wordt ingezet op onderzoek naar zowel de duur als de positie van melkverstrekking via de speen. Als laatste is in de ontwerp-AMvB het vereiste opgenomen dat het hemoglobinegehalte (Hb) van kalveren ten minste 5.3 mmol/L dient te zijn, waarbij rekening wordt gehouden voor individuele uitschieters. De verhoging van het Hb-gehalte en een individuele minimumondergrens van 5.3 mmol/L zijn noodzakelijk om goede gezondheid van kalveren te waarborgen. Hb-gehaltes onder 4,5 mmol/L worden geassocieerd met verminderde immuniteit, een hogere prevalentie van diarree en luchtwegaandoeningen en een lagere gewichtstoename. Ik wil voorkomen dat het onbedoelde effect zou zijn dat bedrijven hun kalveren om deze reden naar het buitenland verplaatsen hetgeen zou kunnen leiden tot meer en langer vervoer. Om dit risico weg te nemen sta ik open voor een alternatieve, wettelijke norm, mits deze ten minste aantoonbaar hetzelfde effect heeft voor een goede gezondheid van de kalveren in Nederland en goed handhaafbaar is. Tijdens de internetconsultatie zijn er veel reacties gekomen op het ontbreken van de graasbehoefte en een maatregel weidegang voor runderen. Ik neem deze reacties serieus, want ik deel het punt dat grazen één van de gedragsbehoeften van runderen is en dat in deze behoefte alleen buiten kan worden voorzien met weidegang. Ik zie ook dat weidegang al vele jaren op de meeste zoogkoe- en melkveebedrijven wordt toegepast, maar er tegelijkertijd ook een daling is in het aantal bedrijven met weidegang. Los van de andere grote opgaven die op de veehouders afkomen, is het per bedrijf verschillend welke vorm van weidegang het beste past. Er spelen voor iedere veehouder andere redenen mee om hier wel of niet op over te stappen. Dit vraagt om maatwerk en extra inzet op stimulering. Wettelijke regulering op weidegang kan het maatwerk, de stimulering, innovatie en de beloning voor weidegang tenietdoen. Daarom heb ik ervoor gekozen de gedragsbehoefte grazen niet apart aan te wijzen in de AMvB en daar dus ook geen maatregel aan te koppelen. Wel zet ik, net als ZuivelNL en Dierenbescherming (routekaart) en andere partijen van het Convenant Weidegang, in op het verder stimuleren van weidegang. Onlangs is een SWOT-analyse uitgevoerd, om de kansen en belemmeringen voor het behoud en de stimulering van weidegang binnen de Nederlandse melkveehouderij in kaart te brengen. Deze analyse is een bevestiging van de gekozen route. Het rapport heb ik als bijlage (14) bij deze brief gevoegd. In reactie op vragen die door lid Ouwehand zijn gesteld in het debat over stikstof op 1 juli jl ga ik in deze alinea ook in op mestvergisting. In principe hoeft ten behoeve van de doelstellingen voor groen gas-productie niet alle beschikbare mest in Nederland vergist te worden. Voor rendabele mestvergisting is er voldoende mest nodig. De mest van de koeien die in de wei staan komt niet in de vergister terecht. Echter staan koeien die ook op de wei staan ook een deel van de dag op stal en kan er nog steeds mest opgevangen worden ten behoeve van vergisting. Er zijn andere (financiële) prikkels, zoals weidegangpremies vanuit de markt en de eco-regeling van het GLB, die weidegang juist stimuleren, ook bij mestvergisting. Het is van de specifieke situatie afhankelijk of er, in geval van weidegang, sprake is van voldoende mest voor rendabele vergisting. Dat is niet alleen van de factor weidegang afhankelijk. Zo kan er bijvoorbeeld ook sprake zijn van een mestvergister in collectief beheer van een aantal veehouders. Markt en keten dierwaardige veehouderij De stappen naar dierwaardige veehouderij vragen inspanningen van het hele voedselsysteem, waar veehouders, ketenpartijen, overheden, maatschappelijke organisaties en consumenten onderdeel van uitmaken. In het convenant zijn daarom niet alleen afspraken gemaakt met de veehouderijsectoren en NGO's, maar juist ook met enkele markt- en ketenpartijen. In het convenant wordt gezamenlijk gewerkt aan het verbreden van afzetkanalen voor dierwaardige producten, met speciale aandacht voor de groeiende foodservicesector, zoals klassieke horeca, to go -of gemaksformules. In de uitwerking van het convenant zullen de inspanningen moeten leiden tot een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het vergroten van de vraag naar dierwaardige producten, stimulering van de productie, ketenontwikkeling en een beter verdienmodel. Nederland kan op die manier ook internationaal onderscheidend zijn en zorgen voor een goede verwaarding door met een hoog niveau van dierwaardigheid aan te sluiten bij de toenemende vraag bij o.a. jonge generaties naar producten met een hoog niveau van dierenwelzijn. Daarbij zal worden aangesloten bij de in de verdiepingsbijlage 2 beschreven versnelling van het actieplan ‘groei biologische productie en consumptie’ van de samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof[voetnoot 9], waarin naast de inzet voor de biologische landbouw ook inzet zal worden gepleegd om te komen tot groei van de dierwaardige productie en consumptie en verbetering van het verdienmodel. In die brief heb ik aangegeven dat ik voor april 2027 afspraken met de keten wil maken. Om de totstandkoming van nieuwe samenwerkingsverbanden te faciliteren – waarbij partijen gezamenlijk stappen zetten richting een dierwaardige veehouderij – heb ik 6 miljoen beschikbaar gesteld voor de EIP-module "Dierwaardige ketendeals”. De nieuwe regeling onder het GLB-EIP is de eerste regeling in een reeks die aan een goede samenwerking voor vermarkting bijdraagt. Het aantal aanvragen laat zien dat de regeling aantrekkelijk is voor partijen. Daarnaast wil ik mij inzetten voor de herkenbaarheid van dierwaardige producten. Ik wil deze activiteiten goed laten aansluiten bij de al langer lopende trajecten passend in de gehele ketenaanpak. Europees speelveld De Europese Commissie heeft op 7 juli jl. een Mededeling uitgebracht met een EU-strategie voor de veehouderij. Deze strategie heeft ook raakvlakken met dierwaardige veehouderij en richt zich mede op verbetering van dierenwelzijn. De EU-strategie voor de veehouderij – met de pijlers veerkracht, concurrentievermogen, duurzaamheid, territoriale diversiteit en excellentie – sluit grotendeels aan op het Nederlandse beleid dat zich richt op een robuuste, innovatieve en evenwichtige veehouderijsector die inspeelt op zowel mondiale uitdagingen als regionale kansen. De Commissie vindt het belangrijk om een gelijk speelveld te creëren, waarbij ingevoerde producten (uit derde landen) voldoen aan dezelfde eisen die ten aanzien van (o.a.) dierenwelzijn aan Europese producenten worden gesteld. Over betreffende mededeling wordt (separaat) een BNC-fiche naar uw Kamer gestuurd. Duidelijk is dat de Europese Commissie in ieder geval voor legkippen, vleeskuikens en varkens op korte termijn met voorstellen voor herziene dierenwelzijnsregels zal komen. Zodra die voorstellen er zijn, zal bezien worden hoe die zich verhouden tot wat in de ontwerp-AMvB staat. In de nota van toelichting wordt op mogelijke gevolgen daarvan ingegaan. Wanneer de Europese Commissie met deze voorstellen komt, ontvangt u daarover te zijner tijd ook een BNC-fiche. Ondersteuning bij dierwaardige investeringen De volgende stap naar een dierwaardige veehouderij vraagt om de nodige investeringen op boerenbedrijven. In het convenant is daarom afgesproken om binnen budgettaire kaders in te spannen voor (subsidie)regelingen voor de doorontwikkeling en uitrol van bewezen en praktijkrijpe dierwaardige systemen. In dit kader informeer ik u over de nieuwe subsidieregeling ‘productieve investeringen dierwaardig omgevingsklimaat’ uit het nationaal strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB-NSP 2023-2027). De regeling stimuleert veehouders om investeringen te doen in een dierwaardig omgevingsklimaat door middel van een bijdrage in de kosten. De investeringen dragen bij aan de gedragsbehoefte thermoregulatie, waarmee dieren hun lichaamstemperatuur binnen gezonde grenzen houden. Als onderdeel van de ontwerp-AMvB moeten bedrijven met het oog op deze gedragsbehoefte een thermoregulatieplan hebben met bedrijfsspecifieke maatregelen. Dit is aanvullend op de reeds geldende regelgeving in het kader van thermoregulatie. De regeling is opengesteld voor aanvragen van subsidie van 24 november 2026 tot en met 19 januari 2027 en heeft een subsidieplafond van € 5,44 miljoen. Aanvullend daarop worden voor de ondersteuning bij investeringen in integraal duurzame stallen verschillende instrumenten verkend, zoals aangekondigd in de kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV, nr. 87). Zoals in die brief is aangegeven is er indicatief € 1,2 miljard uit het stikstoffonds voor stalmaatregelen gereserveerd in de periode van 2026 – 2035. Die middelen zijn voor ondersteuning bij investeringen in integraal duurzame stallen. Daarbij wordt, zoals in de brief van 26 juni ook is aangegeven, een slimme koppeling gemaakt tussen stikstof, natuur, water en andere opgaven, waar dierwaardige veehouderij een nadrukkelijk onderdeel van is. Vervolg regelgeving Met het toesturen ter voorhang is de ontwerp-AMvB nog niet afgerond. Na afronding van deze voorhangprocedure in het parlement, zal de ontwerp-AMvB genotificeerd worden bij de Europese Commissie. Ik hoop dit voor het einde van dit jaar nog te kunnen doen. Deze notificatie duurt ten minste drie maanden. Ook wordt de ontwerp-AMvB ter advisering naar de Afdeling advisering van de Raad van State gestuurd. Daarnaast zal er een wijzigingsregeling (Regeling dierwaardige veehouderij) worden voorbereid om een, beperkt, aantal wijzigingen in de relevante ministeriële regelingen door te voeren vanwege de wijzigingen in de ontwerp-AMvB. Zoals ik in mijn brief over de stand van zaken[voetnoot 10] heb aangegeven, vraagt de opdracht in de Wet dieren om een dierwaardige veehouderij voor de gehele Nederlandse veehouderij. In de toelichting op het amendement De Groot/Van Campen zijn de vier grote veehouderijsectoren aangewezen om als eerste regelgeving voor te ontwikkelen. Daarna worden deze gevolgd door een viertal andere sectoren, namelijk geiten, konijnen, eenden en kalkoenen. Zodra de voorhang in het parlement van de ontwerp-AMvB voor de eerstgenoemde diersectoren is afgerond heb ik het voornemen te starten met de ontwerp-AMvB voor de andere diersectoren. Ik zal in een brief dit najaar ingaan op mijn plannen en planning hieromtrent. Tot slot Met deze ontwerp-AMvB zetten we een belangrijke stap richting een dierwaardige veehouderij in 2040. Deze stap vraagt ambitie, maar ook realisme. De voorgestelde maatregelen geven invulling aan de maatschappelijke wens om het welzijn van dieren verder te verbeteren, maar vragen tegelijkertijd veel van veehouders en de gehele keten. Daarom is het van belang dat veehouders de ruimte krijgen om te ondernemen, te investeren en te innoveren. Alleen door samen te werken aan kennis, innovatie en een zorgvuldige uitvoering kunnen we komen tot een veehouderij waarin dierenwelzijn en een sterke, toekomstbestendige agrarische sector hand in hand gaan. Samen met de convenantpartijen blijf ik mij inzetten voor een aanpak waarin ambitie en uitvoerbaarheid met elkaar in balans zijn. Een gelijkluidende brief heb ik gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens Ontvangen ter Griffie op 11 september 2026. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur is aan de Kamer overgelegd tot en met 9 oktober 2026. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan op 10 oktober 2026. De maatregel betreft het verhogen van de minimumtransportleeftijd voor kalveren zoals voormalig Minister Wiersma in februari 2025 heeft aangegeven te betrekken in de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij (Kamerstuk 28 286, nr. 1380). https://www.dierenbescherming.nl/actueel/kalversector-zet-stap-richting-dierwaardige-veehouderij. Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren en Eiproductfabrikanten (ANEVEI), Caring Farmers, Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV), Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), Centrale Organisatie Broedeieren Kuikens (COBK), Dierenbescherming, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), LTO – vakgroep Pluimvee, Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV), Stichting Brancheorganisatie Kalversector en ZuivelNL. Kamerstuk 28 286, nr. 1478. Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87. Kamerstuk 28 286 nr. 1446. Kamerstuk 21 501-32, nr. 1589. Kamerstuk 28 286, nr. 1478. Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 80. Kamerstuk 28 286, nr. 1478.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.