Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie b3d434c2d26dce01 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 531Uitvoering van verordening (EU) 2022/2065 vanhet Europees Parlement en de Raad van19 oktober 2022 betreffende een eengemaaktemarkt voor digitale diensten en tot wijziging vanRichtlijn 2000/31/EG (Uitvoeringswetdigitaledienstenverordening)Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN VERSLAGOntvangen25 juni 2024 Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingenvan de leden van de fracties van de PVV, GroenLinks-PvdA, VVD, NSC,D66 en CDA. Graag beantwoord ik, mede namens de Staatssecretaris vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de vragen die door deverschillende fracties zijn gesteld. In deze nota zijn de vragen en opmer-kingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en debeantwoording daarvan in niet-cursieve tekst. De vragen zijn genummerd,waarnaar in voorkomende gevallen naar andere antwoorden is verwezen.Gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen zijn gezamenlijkbeantwoord.1. Inleiding 1) De leden van de CDA-fractie merken op dat Nederland vijftien maandende tijd had om de wet aan te passen aan de Europese regels die volgen uitde verordening, maar dat deze termijn niet is gehaald. Hierdoor kan detoezichthouder, de Autoriteit Consument en Markt (ACM), op dit momentniet handhaven wanneer meldingen binnenkomen. Deze leden vragen aande regering wat de reden is dat de termijn is overschreden en of er sindsde inwerkingtreding van de DSA al veel meldingen binnen zijn gekomenbij de ACM die dus geen opvolging hebben kunnen krijgen en zo ja,hoeveel.AntwoordIn de beantwoording van de recente vragen van de leden Kathmann enKoekoek is toegelicht waarom de uitvoeringstermijn van 15 maanden isoverschreden.1 Het zorgvuldig opstellen van het wetsvoorstel enbijbehorende memorie van toelichting in afstemming met alle betrokkenpartijen en het doorlopen van alle stappen van het wetgevingsproces,waaronder verplichte raadplegingen en toetsen, hebben ervoor gezorgddat het niet mogelijk was om de uitvoeringswetgeving binnen de termijn1Aanhangsel II 2023/24, nr. 1241. kst-36531-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 71 die de DSA voorschrijft (15 maanden) tot stand te doen komen.2 In ditverband zij opgemerkt dat een uitvoeringstermijn van 15 maanden ergkort is als de uitvoering op het niveau van een formele wet dient plaats tevinden, zoals bij de DSA het geval is. Om die reden heeft de Nederlandseregering tijdens de onderhandelingen gepleit voor een langere uitvoe-ringstermijn van ten minste 18, maar liever 24 maanden.Nederland is overigens niet de enige lidstaat die de uitvoeringstermijnheeft overschreden. De Europese Commissie houdt een website bij metdaarop een overzicht van de aangewezen digitaledienstencoördinatoren.Uit dit overzicht blijkt bijvoorbeeld dat België, Estland, Frankrijk,Duitsland, Letland, Litouwen, Polen en Slowakije, anders dan Nederland,nog geen digitaledienstencoördinator hebben aangewezen.3Een goede uitvoering van een verordening zoals de DSA vraagt omdiverse werkzaamheden naast het tot stand brengen van de uitvoe-ringswet. Zo wordt er sinds het aannemen van de DSA met onder meer deACM en AP als beoogd toezichthouders samengewerkt, bijvoorbeeld ominformatie over de DSA onder de aandacht te brengen van de bedrijvendie er straks aan moeten voldoen en van de gebruikers en belangheb-benden die door de DSA nieuwe rechten krijgen. De ACM is bijvoorbeeldin contact gebracht met partijen die geïnteresseerd zijn in het verwervenvan de status van «betrouwbare flagger» of «erkend onderzoeker». Verderheeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat in 2023 reedsmiddelen voor beide toezichthouders beschikbaar gesteld zodat zij zich opdat moment al konden voorbereiden op de uitvoering van de DSA. Ookvoor 2024 en verder zijn er inmiddels (structurele) middelen beschikbaargesteld aan de toezichthouders. Verder heeft de Minister van Econo-mische Zaken en Klimaat, vooruitlopend op de uitvoeringswet, het Besluitvoorlopige aanwijzing ACM als bevoegde autoriteit en digitaledienstenco-ördinator digitaledienstenverordening genomen.4 Het belang van dezevoorlopige aanwijzing is dat de ACM, vooruitlopend op de totstand-koming van de uitvoeringswet, kan starten met een deel van de uitvoeringvan de verordening en dat zij op Europees niveau Nederland kanvertegenwoordigen in de digitaledienstenraad.Sinds de inwerkingtreding van de DSA zijn er bij de ACM 80 meldingenbinnengekomen die mogelijk verband houden met een overtreding van deDSA (stand per 2 mei 2024). Van deze meldingen zijn er 59 reeds volledigbeoordeeld. 30 meldingen zijn bestemd voor digitaledienstencoördina-toren in andere lidstaten. Een deel daarvan is reeds doorgestuurd via hetEuropees Informatie-uitwisselingssysteem, AGORA (artikel 85 van deverordening). AGORA is nog volop in ontwikkeling en niet alle functionali-teiten zijn al beschikbaar of volledig operationeel. De overige meldingenworden op termijn doorgestuurd zodra het Europese systeem dit toelaat.De andere reeds beoordeelde 29 meldingen zullen onder het toezicht vande ACM gaan vallen en worden bewaard totdat de ACM bevoegd is en zijde meldingen kan betrekken bij haar toezicht op de naleving van deverordening. Per 2 mei 2024 wachten nog 21 meldingen op nadereinformatie, advisering of beoordeling.2In dit geval moesten de volgende toetsen/adviezen worden verricht: uitvoerbaarheids- enhandhaafbaarheidstoetsen van de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit persoonsge-gevens als beoogd toezichthouders, raadpleging van het Adviescollege toetsing regeldruk,wetgevingstoets door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, advies van de Raad voor deRechtspraak, een wetgevingstoets door de Autoriteit persoonsgegevens, een advies van hetOpenbaar Ministerie, en het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State.3https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/dsa-dscs.4Stcrt. 2024, 3993.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 72 2) Zij vragen welke activiteiten de ACM tot nu toe heeft ondernomen opbasis van het Besluit voorlopige aanwijzing ACM als bevoegde autoriteiten digitaledienstencoördinator digitaledienstenverordening. De leden vande CDA-fractie steunen een spoedige behandeling van het wetsvoorstel inde Eerste en de Tweede Kamer.AntwoordDe ACM neemt als digitaledienstencoördinator deel aan de digitaledien-stenraad. Dit is het samenwerkingsverband van alle digitaledienstencoör-dinatoren onder de verordening en wordt voorgezeten door de EuropeseCommissie. De digitaledienstenraad komt momenteel maandelijkswisselend fysiek of online bij elkaar. Ook heeft de ACM contact metandere digitaledienstencoördinatoren om te zorgen voor een consistentewijze waarop de taken van de digitaledienstencoördinatoren wordtuitgevoerd in de EU. Daarnaast neemt de ACM deel aan de (nu nog) enigewerkgroep van de digitaledienstenraad over verkiezingen. In de toekomstkan de ACM deelnemen aan meerdere werkgroepen over verschillendeonderwerpen, wanneer deze worden opgestart.De ACM neemt momenteel meldingen over vermeende inbreuken op deDSA in ontvangst en stuurt deze, waar nodig en voor zover dit kan, doornaar de bevoegde digitaledienstencoördinator in een andere lidstaat. Ziehierover ook de beantwoording van vraag 1.Als beoogd toezichthouder vindt de ACM het belangrijk dat partijen dieonder de DSA vallen zich goed voor kunnen bereiden op de nieuweEuropese regels. Daarom heeft de ACM begin dit jaar een conceptleidraadopgesteld en geconsulteerd, die partijen helpt bij deze voorbereiding.5 Opbasis van de ontvangen input tijdens de consultatie, zal de ACM in de loopvan dit jaar een volgende versie van de leidraad publiceren. Daarnaastgeeft de ACM op haar website aandacht aan de DSA.6Gegeven het brede bereik van de DSA en de coördinerende rol van dedigitaledienstencoördinator heeft het Samenwerkingsplatform DigitaleToezichthouders (SDT) een DSA-kamer opgericht.7 Bij deze kamer zijn ookandere toezichthouders betrokken dan de leden van het SDT, dat inoktober 2021 werd opgericht door de Autoriteit Consument & Markt(ACM), de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de Autoriteit Persoonsge-gevens (AP) en het Commissariaat voor de Media (CvdM). Het doel is omeen goede samenwerking te waarborgen en kennis en ervaringen uit tewisselen.De ACM werkt met andere toezichthouders en overheidsorganisaties aanafspraken over het doorsturen van bevelen in de zin van artikel 9 en 10van de verordening aan de ACM. Om een goed beeld te krijgen van wat erspeelt en waar partijen tegenaan lopen, voert de ACM gesprekken meteen brede groep belanghebbenden. Zoals onder meer aanbieders vanonline tussenhandeldiensten, beoogde betrouwbare flaggers, onder-zoekers en maatschappelijke organisaties en relevante overheidsorgani-saties.5https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-consulteert-leidraad-dsa-voor-aanbieders-online-diensten.6https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-roept-online-bedrijven-op-goed-te-controleren-aan-welke-nieuwe-dsa-regels-zij-moeten-voldoen.7https://www.acm.nl/nl/publicaties/toezichthouders-van-sdt-breiden-samenwerking-digitaal-toezicht-uit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 73 2. Doel, reikwijdte en belangrijkste begrippen 2.1 Doel en achtergrond van de verordening 3) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de memorievan toelichting. De onderbouwing over wat wél en niet classificeert als«dienst van de informatiemaatschappij» zorgt nog voor enige verwarring.Klopt het dat een platform zoals Airbnb níet classificeert als zodanig, maarUber bijvoorbeeld wél, zo vragen deze leden.AntwoordDe digitaledienstenverordening heeft betrekking op tussenhandel-diensten. Tussenhandeldiensten zijn diensten van de informatiemaat-schappij, zo volgt uit artikel 3, onderdeel g, van de verordening. Het Hofvan Justitie van de Europese Unie heeft zich in verschillende arrestenuitgesproken over de vraag of een online dienst, zoals een onlineplatform, dat bemiddelt tussen aanbieders en gebruikers van offlinediensten, wel of niet moet worden beschouwd als «dienst van deinformatiemaatschappij». In het Uber-arrest8 betrof dat taxivervoers-diensten en in het Airbnb-arrest9 de verhuur van toeristische woonruimte.Het HvJEU heeft in beide zaken op grond van de feiten in de zaakbeoordeeld of de online bemiddelingsdienst in kwestie los gezien kanworden van de offlinedienst waarin wordt bemiddeld, of dat zij onlosma-kelijk verbonden zijn. In het Uber-arrest oordeelde het HvJEU dat detaxivervoersdienst onlosmakelijk verbonden is met de bemiddelingsdiensten dat het geheel van die diensten moet worden beschouwd als taxiver-voersdienst en niet als een «dienst van de informatiemaatschappij». In hetAirbnb-arrest oordeelde het HvJEU dat de verhuur van toeristischewoonruimte los gezien kan worden van de online bemiddelingsdienst endat die online bemiddelingsdienst daarom moet worden beschouwd als«dienst van de informatiemaatschappij».4) De leden van de D66-fractie constateren dat er geen definitie vandesinformatie wordt gegeven in de verordening, maar wel in de memorievan toelichting van het kabinet. Wat zijn de gevolgen hiervan voor deuitwerking van de verordening?AntwoordDe verordening heeft mede tot doel de maatschappelijke risico’s van deverspreiding van schadelijke inhoud aan te pakken, waaronder ook inhouddie valt onder de definitie van «desinformatie» zoals die wordt gebruikt inbeleidsdocumenten van de Europese Commissie en het kabinet. Hetbegrip «desinformatie» als zodanig wordt echter niet gebruikt in deverordening zelf en daarom ook niet gedefinieerd. In paragraaf 2.4.2 vande memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is ter verduidelijkingtoegelicht welke invulling het kabinet en de Europese Commissie in hunbeleid geven aan het begrip «desinformatie» en hoe dat zich verhoudt totde verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen uit de verordening. Debelangrijkste zorgvuldigheidsverplichtingen ten aanzien van hettegengaan van schadelijke inhoud zijn gericht aan de zeer grote onlineplatforms en zoekmachines en de Europese Commissie is exclusiefbevoegd voor toezicht en handhaving van die verplichtingen. Het is dusaan de Europese Commissie om in de praktijk deze onderdelen nader uitte werken in hun toezichtsbeleid.8HvJ EU 20 december 2017, zaak C-434/15, ECLI:EU:C:2017:981 (Elite Taxi/Uber Spain) en HvJ EU10 april 2018, zaak C-320/16, ECLI:EU:C:2018:221 (Uber France).9HvJ EU 19 december 2019, zaak C-390/18, ECLI:EU:C:2019:1112 (Airbnb Ireland).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 74 5 en 6) Verder worden voorbeelden aangehaald waar in beginsel geensprake is van illegale inhoud, zoals complottheorieën en foutievemedische informatie. In hoeverre klopt de veronderstelling van deze ledendat deze verordening deze uitingen dus niet kan aanpakken? Welkemogelijkheden zijn er om op nationale schaal hier maatregelen tegen tenemen?AntwoordDe verspreiding van schadelijke inhoud kan leiden tot maatschappelijkeproblemen. Desinformatie kan zowel de vorm aannemen van illegaleinhoud als schadelijke inhoud. De regels onder de verordening voorschadelijke inhoud zijn echter wezenlijk anders dan die voor illegaleinhoud, hetgeen van belang is voor de mogelijke aanpak daarvan.Een aantal bepalingen uit de verordening heeft immers enkel betrekkingop «illegale inhoud», en niet op desinformatie of andere schadelijkeinhoud die niet tevens kwalificeert als illegale inhoud, zoals dekennisgevings- en actiemechanismen en de bepalingen over bevelen omop te treden tegen illegale inhoud. De aanpak van schadelijke, maarniet-illegale, desinformatie door de verordening gebeurt op anderemanieren. Zo bevat de verordening verschillende bepalingen overinhoudsmoderatie door aanbieders van tussenhandeldiensten. Volgens dedefinitie van het begrip «inhoudsmoderatie» (artikel 3, onderdeel t, van deverordening) gaat het dan om zowel illegale inhoud als om informatie diein strijd is met de algemene voorwaarden die de aanbieder toepast,bijvoorbeeld omdat hij deze onwenselijk of schadelijk acht. Desinformatieen andere schadelijke inhoud kunnen onder contractuele beperkingenvallen die in de algemene voorwaarden opgenomen zijn. Op grond vanartikel 14 van de verordening zijn aanbieders van tussenhandeldienstenverplicht om in hun voorwaarden duidelijk en gebruiksvriendelijk hunbeleid ten aanzien van inhoudsmoderatie op te nemen en bij hetformuleren en toepassen van die voorwaarden gepaste aandacht hebbenvoor de legitieme belangen en fundamentele rechten van alle betrok-kenen.Daarnaast kan de verspreiding van schadelijke inhoud en met namedesinformatie, ook een zogenaamd «systeemrisico» vormen. Artikel 34van de verordening beschrijft een aantal typen schadelijke inhoud die eenzogenaamd «systeemrisico» kunnen vormen, zoals inhoud die eennegatief effect heeft of kan hebben op de burgerdialoog, de verkiezings-processen, de bescherming van minderjarigen of de volksgezondheid.Hieronder valt ook informatie die niet illegaal is, maar wel bijdraagt tot dein deze verordening genoemde systeemrisico’s. Aanbieders van zeer groteonline platforms en zeer grote online zoekmachines moeten daarom, bijde beoordeling van systeemrisico’s, bijzondere aandacht besteden aan demanier waarop hun diensten (kunnen) worden gebruikt om misleidendeof bedrieglijke inhoud, met inbegrip van desinformatie en gecoördineerdedesinformatiecampagnes, te verspreiden of versterken. Daarbij moeten zemet name rekening houden met de vraag of en hoe het ontwerp van hunaanbevelingssystemen en andere relevante algoritmische systemen, huninhoudsmoderatiesystemen, de toepasselijke algemene voorwaarden ende handhaving ervan, systemen voor de selectie en weergave vanreclame en data-gerelateerde praktijken van de aanbieder van invloed zijnop deze systeemrisico’s.Indien dergelijke systeemrisico’s aanwezig zijn, moeten aanbieders vanzeer grote online platforms en zeer grote online zoekmachines maatre-gelen treffen om deze te beperken. Dergelijke maatregelen kunnen deaanpassing van hun diensten, online-interfaces, algemene voorwaardeninhoudsmoderatieprocedures, algoritmische systemen of aanbevelings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 75 systemen omvatten. Ook kunnen de aanbieders bewustmakingsmaatre-gelen nemen om de gebruikers van de dienst meer informatie teverschaffen. Ook wordt de maatregel genoemd om gegenereerd ofgemanipuleerd beeld-, audio- of videomateriaal dat een merkbaregelijkenis vertoont met bestaande personen, voorwerpen, plaatsen ofandere entiteiten of gebeurtenissen, en door een persoon ten onrechtevoor authentiek of waarheidsgetrouw wordt aangezien, opvallend temarkeren.Niet-illegale, maar wel schadelijke desinformatie valt dus onder het bereikvan de regels gericht op het voorkomen van systeemrisico’s door zeergrote online platforms en zeer grote online zoekmachines. De Commissieis exclusief bevoegd voor het toezicht op en de handhaving van dezeverplichtingen. De Commissie is recent twee formele procedures gestartom te onderzoeken of Meta en X deze verplichtingen om burgers tebeschermen tegen de verspreiding van desinformatie hebbenovertreden.10 De lidstaten – en dus de op nationaal niveau aangewezenbevoegde autoriteiten – hebben geen bevoegdheid tot toezicht enhandhaving ten aanzien van deze verplichtingen.De verordening voorziet in volledige harmonisatie van de zorgvuldig-heidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten. Dat betekent dat deverordening het niet toestaat om in het nationale recht aanvullendezorgvuldigheidsverplichtingen op te nemen voor aanbieders vantussenhandeldiensten die dezelfde doelstelling hebben als de veror-dening. De verordening laat wel ruimte om zorgvuldigheidsverplichtingenop te leggen die een ander doel dienen dan de verordening, uiteraard metinachtneming van de regels inzake het vrije verkeer van diensten van deinformatiemaatschappij (artikelen 3 en 4 van de richtlijn elektronischehandel). De verordening laat het verder mede aan ander Unierecht en hetnationale recht van de lidstaten om te bepalen wat illegale inhoud is.Wat betreft schadelijke online content ziet het kabinet verder een rol voorde overheid om de weerbaarheid van burgers tegen deze content teversterken. Daarom werkt het kabinet aan verschillende acties in het kadervan de rijksbrede strategie desinformatie, waaronder acties om deweerbaarheid van burgers te versterken.11 Op 17 juni is uw Kamer over devoortgang hiervan geïnformeerd, waarbij ook nieuwe maatregelen zijnaangekondigd om de aanpak van desinformatie te verstevigen.127) De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering hetprobleem van illegale online-inhoud en illegale online-activiteiten nietuitsluitend kan worden aangepakt door te richten op de aanbieders, maarjuist ook moeten worden bestreden bij de bron. Deze leden vragen hoe deregering dit wil bewerkstelligen, nu veel mensen zich anoniem op hetinternet bewegen en vaak niet achterhaald kan worden wie achter eenanoniem account zit. Is de regering het met deze leden eens dat heteffectiever zou zijn als het niet meer mogelijk wordt gemaakt om eenanoniem account aan te maken op sociale media? Zo nee, waarom niet?AntwoordAnonimiteit, ook op sociale media, heeft niet enkel nadelen maar ookbelangrijke voordelen: het beschermt tegen lastigvallen en intimidatie,tegen politieke vervolging, en beschermt de privésfeer van mensen diemisschien thuis of in hun land zichzelf niet kunnen zijn. Het biedt mensen10https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_24_2373, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_23_6709.11Kamerstukken II 2022/23, 30 821, nr. 173.12Kamerstukken II 2023/24, 30 821, nr. 230.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 76 de mogelijkheid om informatie op te zoeken waar niet iedereen in hunomgeving achter staat. Of het nu gaat om informatie over soa’s ofinformatie over politiek afwijkende standpunten. Ook klokkenluiderskunnen anonimiteit nodig hebben om zichzelf tegen vervolging tebeschermen. Anonimiteit is dus een belangrijk middel om de vrijheid vanmeningsuiting en de toegang tot informatie te beschermen, en het is eenbelangrijk onderdeel van de bescherming van privacy. Dit wordt onder-steund door het eindrapport van de Adviescommissie VersterkenWeerbaarheid Democratische Rechtsorde dat in november 2023 uitkwam.Overigens staat het partijen vrij om binnen de grenzen van de wet en metinachtneming van het grondrecht op privacy zelf keuzes te maken over demate van anonimiteit die mogelijk is op een platformen of dienst.Voor de mogelijkheden om strafbaar gedrag online te vervolgen is hetafschaffen van anonimiteit niet nodig. Gebruikers van online dienstengenieten over het algemeen slechts een beperkte vorm van anonimiteit.De aanbieders van online diensten beschikken veelal over gebruikersge-gevens zoals IP-adressen en e-mailadressen. Een opsporingsambtenaarheeft in het geval van een misdrijf de mogelijkheid om die gegevens tevorderen en daarmee gebruikers te identificeren (artikel 126na Wetboekvan Strafvordering). Voor civielrechtelijke zaken zijn de mogelijkheden ominformatie over gebruikers te verkrijgen beschreven in paragraaf 4.2.2 vande memorie van toelichting.In 2023 heeft de Tweede Kamer een motie van het voormalige KamerlidGündogan aangenomen.13 Daarin is de regering verzocht om onderzoekte verrichten naar de aspecten van sociale media die bijdragen aan risico’svoor onze democratie, en de rol van anonimiteit daarbij te betrekken. Demotie verzoekt ook om te onderzoeken welke technische mogelijkhedeneen oplossing zouden kunnen bieden met behoud van publieke waardenals privacy en recht op zelfbeschikking. Het Ministerie van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties werkt momenteel aan de uitvoering van dezemotie.8) De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of het dankzijonderhavige Uitvoeringswet en de DSA makkelijker wordt om bijvoor-beeld makers en verspreiders van deepfake-pornobeelden te achterhalenen op te sporen, en zo ja, op welke manier dit wordt verbeterd en of hierdaadwerkelijk actief op wordt gehandhaafd.AntwoordDe verordening beoogt onder meer om de verspreiding van illegaleinhoud aan te pakken. Dat moet ook bijdragen aan een betere bestrijdingvan deepfake-pornobeelden, omdat die veelal illegaal zijn.14 Zo verduide-lijkt de verordening bijvoorbeeld in artikel 16, derde lid, dat een meldingvan illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt totzogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegaleinhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval ismoeten zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of detoegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet dan kunnen zegeen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 vande verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor dieillegale inhoud.13Kamerstukken II 2022/23, 30 821, nr. 192.14Zie de brief van de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Justitie en Veiligheidover de regulering van deepfakes en immersieve technologieën (Kamerstukken II, 2022/23,26 643, nr. 1041).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 77 De verordening bevat geen bepalingen die specifiek zien op het achter-halen of opsporen van de makers van dit materiaal. De civielrechtelijkemogelijkheden daartoe zijn beschreven in paragraaf 4.2.2 van de memorievan toelichting. In het kader van een strafrechtelijke procedure kaninformatie worden gevorderd over de makers of verspreiders vanstrafbare deepfake-pornobeelden bij een communicatiedienst. Als hetnoodzakelijk is ter beëindiging van het strafbare feit kan de officier vanjustitie – ook voordat een verdachte voor het strafbare feit is veroordeeld –in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67,eerste lid, Wetboek van Strafvordering, met een machtiging van derechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienstbevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv).2.2 Volledige harmonisatie en ruimte voor aanvullende nationale regels 9) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen volledig degedachte achter de behoefte voor volledige harmonisatie die de DSAbeoogt en bereikt. Ook zien deze leden in dat de lidstaten geen aanvul-lende nationale eisen mogen stellen of in stand houden die binnen hettoepassingsgebied van de verordening vallen. Dientengevolge vragen zijof er aanvullende eisen zijn die de regering graag in de verordening hadgezien, die er nu niet in zijn opgenomen. Kan de regering aangeven welkeeisen dat zijn?AntwoordHet kabinet heeft gedurende de onderhandelingen gepleit voor eensterkere regeling voor het tegengaan van misbruik van diensten vanonline tussenpersonen voor criminaliteit. In het bijzonder bad hosting. Hetkabinet heeft in het kader daarvan gepleit voor een (beperkte) zorgplichtof een samenstel van maatregelen dat eenzelfde effect heeft. Het kabinetzag daarin een goede aanvulling om aanbieders van hostingdiensten enonline platformen te stimuleren om hun inspanningen te blijven verbe-teren naar gelang technologische middelen en industriepraktijken zich inde loop van de tijd gaan ontwikkelen.15 Hier was binnen de Raad echteronvoldoende draagvlak voor.Daarnaast had het kabinet graag een meer realistische uitvoeringstermijngezien. Waar het oorspronkelijke voorstel een termijn van 3 maandenvoorschreef, heeft het kabinet gepleit voor een termijn van tenminste 18maar bij voorkeur 24 maanden. Zoals nader toegelicht in de beant-woording van de Kamervragen van Kathmann en Koekoek, en vraag 1 indit verslag, is de uiteindelijk in de verordening opgenomen termijn van 15maanden voor Nederland te kort. Dit geldt voor meer lidstaten.16Sinds de onderhandelingen heeft het kabinet zich op Europees niveauingespannen om de bescherming van minderjarigen online te versterken,zoals het aanpakken van verslavend ontwerp van online diensten enapplicaties. De verordening draagt bij aan het aanpakken van dezeproblematiek. Bijvoorbeeld door middel van het verbod op het gebruikvan manipulatieve online interfaces van online platforms en deverplichting voor aanbieders van online platforms om maatregelen tenemen om minderjarigen te beschermen (de artikelen 25 en 28 van deverordening). De verordening heeft echter alleen betrekking op tussen-handeldiensten, terwijl de problematiek van bijvoorbeeld verslavendontwerp ook speelt bij online diensten en applicaties die niet zijn aan temerken als tussenhandeldienst. Er wordt daarom aanvullend naar deze15Kamerstukken II, 2021/22, 21 501-30, nr. 533, p. 3, 13–15, Kamerstukken II, 2021/22, 21 501-30,nr. 542, p.3, en Kamerstukken II, 2023/34, 29 574, nr. 708.16Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 1241.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 78 problematiek gekeken in het kader van de lopende «fitness check ondigital fairness» van het consumentrecht. De inzet van het kabinet is omaan de Commissie te vragen om de reikwijdte en de definities van dehuidige wetgeving te verduidelijken. Als dit onvoldoende blijkt omproblemen aan te pakken, dan is het aan de Europese Commissie om meteen voorstel te komen voor aanvullende wetgeving of andere beleids-maatregelen.10) Kan de regering aangeven of zij bij de Europese Commissie gaataandringen op een evaluatie van de DSA om eventueel deze eisen in eenlater stadium alsnog op te nemen in de DSA? Met welke andere lidstatentrekt de regering hierin gezamenlijk op?AntwoordDe verordening voorziet in artikel 91 reeds in een tweetal evaluaties; per17 november 2025 en 17 november 2027. Er is zodoende geen noodzaakom aan te dringen op een extra of eerdere evaluatie. In de aanloop naarde evaluatie die de Europese Commissie op uiterlijk 17 november 2027moet hebben verricht kan een volgend kabinet zich beraden op de vraagof het nodig en wenselijk is om opnieuw te pleiten voor een (beperkte)zorgplicht of een samenstel van maatregelen dat eenzelfde effect heeftvoor het tegengaan van misbruik van diensten van online tussenpersonenvoor criminaliteit en bad hosting in het bijzonder.Dat wil niet zeggen dat het kabinet zal wachten tot de evaluatie voordathet stappen onderneemt. Om het leveren van hostingdiensten voorcriminele doeleinden tegen te gaan zijn al enkele initiatieven gestart. Vorigjaar is de Kamer geïnformeerd over de resultaten van de zogenaamdereseller actie van de politie.17 Hierbij is een door de politie verzamelde lijstvan verdachte hostingdiensten verstrekt aan de branchevereniging DutchCloud Community zodat zij hun netwerk op de hoogte konden stellen vanpotentieel criminele activiteiten die via hun diensten verlopen. Er zijnmeer activiteiten die de sector ondersteunen met informatie overcriminele handelingen zodat deze beter kunnen worden tegengegaan. DeStichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers werkt, onder-steund door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en Europesefinanciering, aan het project Cleannetworks. Dit project beoogt hetopzetten van een systeem om hostingproviders structureel te informerenover actuele criminele handelingen en kwetsbaarheden. Daarnaast wordtgestimuleerd dat hostingdiensten de Gedragscode Abusebestrijdingonderschrijven. Doel van deze gedragscode is dat partijen zich inspannenom het gebruik van hun faciliteiten voor onrechtmatige activiteiten tegente gaan.11 en 12) De leden van de VVD-fractie lezen dat lidstaten geen aanvul-lende nationale eisen mogen stellen of in stand houden die binnen hettoepassingsgebied van de verordening vallen, tenzij daarin uitdrukkelijk isvoorzien in de verordening. Hoewel de leden van de VVD-fractie begrijpendat harmonisatie van groot belang is en dat er voldoende ruimtegecreëerd wordt voor nationale regels, vragen deze leden hoe de huidigenationale aanvullende regels zich verhouden tot de verordening. Wordt ervoldoende rekening gehouden met de Europese regels? Wordt het mkbhierin voldoende ondersteund?AntwoordDe verhouding tussen nationale regels en de verordening is onderzocht.Waar nodig stelt het wetsvoorstel in hoofdstuk 5 aanpassingen van hetnationale recht voor.17Kamerstukken II, 2022/23, 29 911, nr. 392.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 79 De verordening voorziet in uitzonderingen voor het micro- en kleinbedrijf.Dat zijn ondernemingen waar minder dan 50 personen werkzaam zijn enwaarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR nietoverschrijdt.18 Deze ondernemingen hoeven niet te voldoen aan deaanvullende verplichtingen die gelden voor aanbieders van onlineplat-forms (hoofdstuk III, afdeling 3, van de verordening) en die gelden vooraanbieders van onlinemarktplaatsen (hoofdstuk III, afdeling 4), van deverordening)Ter ondersteuning van onder meer het MKB is er informatie over deverordening beschikbaar gemaakt op Ondernemersplein en werkt de ACMaan een leidraad waarin zij aanbieders handvatten geeft over de DSA. DeACM heeft die leidraad gepubliceerd op haar website. In 2024 zal eenvolgende doorontwikkelde versie worden gepubliceerd, op basis vanontvangen input en ervaringen.192.3. Het begrip «tussenhandeldienst» 13) De leden van de VVD-fractie lezen dat de verordening niet vantoepassing is op diensten die worden verleend via tussenhandeldiensten,als die diensten op zichzelf niet voldoen aan de definitie van tussenhan-deldienst. Hoe wordt hier in praktijk onderscheid tussen gemaakt? Hoekomen platformen te weten of zij worden beschouwd als een tussenhan-deldienst of niet?AntwoordDe digitaledienstenverordening heeft betrekking op tussenhandel-diensten. Blijkens artikel 2, tweede lid, van de verordening is de veror-dening niet van toepassing op diensten die worden verleend via tussen-handeldiensten, als die diensten op zichzelf niet voldoen aan de definitievan tussenhandeldienst. In de memorie van toelichting bij hetwetsvoorstel wordt in dit verband het voorbeeld genoemd van een offlinedienst, een schoonmaakdienst, die wordt aangeboden via een onlineplatform. Als dat online platform kwalificeert als «tussenhandeldienst»,dan betekent dat niet automatisch dat de diensten die via dat onlineplatform worden aangeboden ook kwalificeren als «tussenhandeldienst»en dat aanbieders van die dienst zich uit dien hoofde aan de verplich-tingen van de verordening moeten houden. De desbetreffende dienstmoet op zichzelf beoordeeld worden aan de hand van de criteria dievolgen uit de definitie van «tussenhandeldienst». Het aanbieden van eenoffline dienst als een schoonmaakdienst voldoet daar niet aan.Het kan echter ook zijn dat tussenhandeldiensten worden gebruikt voorhet aanbieden van online diensten, zoals in het geval dat een onlineplatform voor zijn website gebruik maakt van een hostingdienst van eenhostingprovider. Ook in dat geval moet de online platform-dienstafzonderlijk beoordeeld worden voor de vraag of de dienst kwalificeert alstussenhandeldienst. Het is in eerste instantie aan de aanbieders vandergelijke diensten zelf om die beoordeling te maken. Op nationaal niveaukan de ACM, in haar rol als digitaledienstencoördinator, daarbij helpen inde vorm van voorlichting. In dat kader kan bijvoorbeeld gewezen wordenop de in het antwoord op vraag 12 genoemde leidraad die de ACM heeftopgesteld en geconsulteerd. Op Europees niveau hebben de EuropeseCommissie en de digitaledienstenraad ook een rol in het geven vanvoorlichting over de verordening. Uiteindelijk is het aan de rechter om,18Zie artikel 2, tweede en derde lid, van Aanbeveling 2003/361/EG.19https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-consulteert-leidraad-over-digital-services-act-dsa-voor-aanbieder-van-online-diensten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 710 indien er in een individueel geval een geschil over bestaat, tot een oordeelte komen.2.4. Het begrip «desinformatie of andere inhoud» 14) De leden van de PVV-fractie lezen in de memorie van toelichting datdesinformatie beschouwd dient te worden als het (onafhankelijk van hetonderwerp, de producent/verspreider of wijze van verspreiding)doelbewust, veelal heimelijk, verspreiden van misleidende informatie, methet doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratischeprocessen, de openkenniseconomie of de volksgezondheid. Tevens lezendeze leden dat de Commissie desinformatie definieert als «onjuiste ofmisleidende inhoud die wordt verspreid met de bedoeling te bedriegen ofeconomisch of politiek gewin te verkrijgen en die publieke schade kanberokkenen».De leden van de PVV-fractie merken op dat dergelijke indicaties vrijelijkinterpretabel zijn. In hoeverre wordt er gekeken naar de «bron» of «dezender» die de informatie gepost heeft?AntwoordZoals in paragraaf 2.4.2 van de memorie van toelichting is aangegeven, isde kwalificatie van desinformatie onafhankelijk van de producent ofverspreider. De identiteit van de bron of afzender en diens (politieke)opvattingen zijn dus bijvoorbeeld niet relevant voor de kwalificatie vaninformatie als desinformatie. Bepalend is of er sprake is van hetdoelbewust, veelal heimelijk, verspreiden van misleidende informatie, methet doel om schade toe te brengen aan het publieke debat, democratischeprocessen, de openkenniseconomie of de volksgezondheid.De identiteit van de bron of afzender van desinformatie speelt dus geenrol om te bepalen of er sprake is van desinformatie. Het kan wel relevantzijn voor het duiden van het soort desinformatie en het bepalen van eenreactie. Zoals bijvoorbeeld in het geval dat de desinformatie afkomstig isvan een statelijke actor. In dat geval is er sprake van Foreign InformationManipulation and Interference («FIMI»). Dat rechtvaardigt een ander soortinzet of reactie dan wanneer de desinformatie afkomstig is van bijvoor-beeld één of meerdere individuen, zoals ook beschreven in eerderekamerbrieven van het kabinet over de Rijksbrede strategie voor deeffectieve aanpak van desinformatie.2015) Welke indicatoren worden in relatie tot de bron gehanteerd om tebepalen of de toegelichte interpretatie van toepassing is?AntwoordZoals in het antwoord op de voorgaande vraag is beschreven is deidentiteit van de bron of afzender niet relevant voor de kwalificatie vaninformatie als desinformatie.16) Hoe wordt geborgd dat een individuele al dan niet ongelukkiggeformuleerde mening niet als desinformatie geclassificeerd wordt?AntwoordDergelijke ongelukkig geformuleerde meningen vallen niet onder dedefinitie van desinformatie die het kabinet hanteert. Er is namelijk passprake van desinformatie wanneer misleidende informatie doelbewust enveelal heimelijk wordt verspreid met het doel om schade toe te brengen20Zie onder meer Kamerstukken II 2022/23, 30 821, nr. 173.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 711 aan het publieke debat, democratische processen, de open kenniseco-nomie of de volksgezondheid. Als die intenties ontbreken dan is er geensprake van desinformatie. De DSA geeft burgers daarbovenop het rechtom klachten over content-moderatiebesluiten van platformen in te dienenbij een gratis te gebruiken intern klachtenafhandelingssysteem van hetdesbetreffende platform.17, 18 en 19) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verheugd telezen dat de verordening ook poogt om minderjarigen te beschermen. Inhet kader van de harmonisatie die de verordening poogt te bewerkstel-ligen zijn de leden benieuwd wat er onder minderjarig wordt verstaan. Isdit voor het gehele Uniegebied hetzelfde, e.g. onder de 18 jaar? Of zijn erverschillen tussen verschillende landen? Indien er verschillen zijn, hoepakken die verschillen uit ten aanzien van het toezicht dat de digitaledien-stencoördinator moet uitvoeren? Voorziet de regering hier problemen enzo ja, hoe kunnen die problemen aangepakt worden?Antwoord«Minderjarige» in de zin van de verordening is een autonoom Unierech-telijk begrip en dus niet afhankelijk van het recht van de lidstaten. DeEuropese Commissie heeft verduidelijkt dat minderjaren personen jongerdan 18 jaar zijn.2120) Het stemt de leden van de VVD-fractie tevreden dat niet-illegale, maarwel schadelijke inhoud, waaronder desinformatie, wel onder het bereikvan de regels gericht op het voorkomen van systeemrisico’s door zeergrote online platforms en zeer grote online zoekmachines valt. Deze ledenvragen hoe hierop toezicht gehouden zal worden, aangezien de opnationaal niveau aangewezen bevoegde autoriteiten hier geenbevoegdheid tot hebben en de Commissie exclusief hiervoor verantwoor-delijk is.AntwoordZoals de vragenstellers correct vaststellen is de Europese Commissie opgrond van artikel 56, tweede lid, van de verordening, exclusief bevoegdom toezicht te houden op de verplichtingen voor zeer grote platformen enzoekmachines zoals neergelegd in afdeling 5 van hoofdstuk III van deverordening. Daaronder vallen ook de verplichtingen met betrekking totde bestrijding van systeemrisico’s. Daarbij zijn haar bevoegdheden enmogelijkheden ingekaderd door de verordening, met name in afdeling 4van hoofdstuk 4 van de verordening. Zo kan de Europese Commissiebijvoorbeeld samen met de digitaledienstencoördinatoren kennisopbouwen en nationale experts detacheren (artikel 64 van de veror-dening), al dan niet in samenwerking met de digitaledienstencoördina-toren van de lidstaten inspecties uitvoeren (artikel 69 van de verordening)en een boete of last onder dwangsom opleggen (de artikelen 74 en 76 vande verordening). Ten behoeve van de rechtsbescherming moet deEuropese Commissie voorafgaand aan een niet-nalevingsbesluit zeergrote platformen en zoekmachines in de gelegenheid stellen om teworden gehoord (artikel 79 van de verordening). De Commissie is recenttwee formele procedures gestart om te onderzoeken of Meta en X dezeverplichtingen om burgers te beschermen tegen de verspreiding van21Zie ook in dit document van de Europese Commissie waarin specifiek wordt ingegaan op debescherming van minderjarigen onder de DSA: https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/f3556a65–88ea-11ee-99ba-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-296978213.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 712 desinformatie hebben overtreden.22 Hoe de Europese Commissie dattoezicht in de praktijk vorm zal geven, moet de komende tijd verderblijken.21) Deze leden vragen verder hoe gecontroleerd wordt of aanbieders vanonline platforms hun online interfaces, waarmee zij informatie van hunafnemers verspreiden, op een misleidende of manipulerende manierontwerpen, organiseren of beheren (artikel 25 van de verordening).Worden algoritmen die extreme content voorrang geven hierin ookmeegenomen? Dit ook met het oog op de motie van de leden Rajkowskien Dekker-Abdulaziz (Kamerstuk 30 821-19323).AntwoordHet begrip «online-interface» wordt in artikel 3, onder m, van de veror-dening, gedefinieerd als «alle software, met inbegrip van een website ofonderdeel ervan, en apps, met inbegrip van mobiele apps». Aanbevelings-systemen worden in artikel 3, onderdeel s, van de verordening gedefi-nieerd als «een volledig of gedeeltelijk geautomatiseerd systeem dat dooreen onlineplatform wordt gebruikt om in zijn online-interface aanafnemers van de dienst specifieke informatie voor te stellen of prioritairweer te geven, onder meer als gevolg van een door de afnemer van dedienst geïnitieerde zoekopdracht, of dat anderszins de relatieve volgordeof het belang van de weergegeven informatie bepaalt». In de (overwe-gingen van de) verordening wordt verder veelal gesproken over «({) op deonline-interface». Hieruit blijkt dat de online-interface de vormgeving ofhet ontwerp van een dienst betreft, en niet de onderliggende systemenzoals aanbevelingssystemen, APIs of cookies. Algoritmen die extremecontent voorrang geven vallen dus niet onder het bereik van artikel 25 vande verordening. Voor dergelijke algoritmes of aanbevelingssystemen kentde verordening andere zelfstandige verplichtingen, zoals over transpa-rantie van aanbevelingssystemen (artikel 27), de aanpassing vanalgoritimische en aanbevelingssystemen van zeer grote online platformsom systeemrisico’s aan te pakken (artikelen 34 en 35) en de mogelijkheidom bij het gebruik van een zeer groot online platform te kiezen voor eenaanbevelingssysteem dat niet gebaseerd is op profilering (artikel 38).22) De leden van de VVD-fractie vragen hoe het verwijderen van illegalecontent er precies uit gaat zien. Kan de regering het proces schetsen vanplaatsen van illegale content tot verwijdering en eventuele opsporing envervolging?AntwoordHet proces van het verwijderen van door een gebruiker geplaatste illegaleinhoud kan op twee manieren plaatsvinden: 1) op bevel van de overheid,zoals door de rechter in een civiele procedure, door een officier vanjustitie ter beëindiging van een strafbaar feit of door een bestuursorgaan;of 2) op basis van de algemene voorwaarden van een aanbieder, na eigenonderzoek van de aanbieder of een melding van een derde. De digitale-dienstenverordening bevat bepalingen die bedoeld zijn om beideprocessen duidelijker, effectiever en gebruiksvriendelijker te maken. Watbetreft de bevelen van de overheid tot het verwijderen van illegaleinhoud, bevat de verordening enkele aanvullende minimumeisen waardeze bevelen aan moeten voldoen en hoe aanbieders daarop moetenreageren. Wat betreft het verwijderen van illegale inhoud op basis van dealgemene voorwaarden van aanbieders bevat de verordening een reeks22https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_24_2373, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_23_6709.23Motie van de leden Rajkowski en Dekker-Abdulaziz over zich op Europees niveau committerenaan het verbieden van ontwrichtende aanbevelingsalgoritmes.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 713 aan zorgvuldigheidsverplichtingen, zoals de verplichting om de algemenevoorwaarden zorgvuldig te formuleren en toe te passen (artikel 14), eengemakkelijk toegankelijk en gebruiksvriendelijk kennisgevings- enactiemechanisme in te richten (artikel 16), besluiten tot het verwijderenvan informatie goed te motiveren (artikel 17), een klachtensysteem in terichten (artikel 20) en buitengerechtelijke geschillenbeslechting mogelijkte maken (artikel 21). Deze bepalingen bieden waarborgen voor zowelgebruikers wier inhoud wordt verwijderd als derden wier rechten door dieinhoud worden geschonden.3. Aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten 23) De leden van de D66-fractie constateren dat hosting partijen maatre-gelen moeten nemen om te voorkomen dat er illegale content wordtgehost. Kan de regering nogmaals verduidelijken hoe een actieve rol indeze precies wordt gedefinieerd en welke maatregelen daaronder vallen?AntwoordHet begrip «actieve rol» speelt een rol bij de beoordeling of een aanbiedervan een hostingdienst een beroep kan doen op de aansprakelijkheidsvrij-stelling voor de informatie van gebruikers die hij opslaat en doorgeeft. HetHvJEU heeft in zijn jurisprudentie namelijk bepaald dat aanbieders alleeneen beroep kunnen doen op de vrijstelling als zij geen «actieve rol»hebben ten aanzien van die informatie. Dat is het geval als de aanbiederkennis van of controle heeft over de gegevens in plaats van zich tebeperken tot een neutrale levering van die dienst met behulp van eenlouter technische en automatische verwerking van de gegevens die hemdoor zijn klanten zijn verstrekt.24 Als voorbeelden van- mogelijk – actievebemoeienis noemt het HvJ EU in zijn rechtspraak het verlenen van hulpdoor de tussenpersoon bij het schrijven van advertenties of bij hetvaststellen of selecteren van trefwoorden.25 Hetzelfde geldt voor hetpromoten van specifieke verkoopaanbiedingen of de aanbiedingen vaneen specifieke verkoper door de tussenpersoon.26 Dit zijn immershandelingen die kunnen leiden tot kennis van en/of controle overspecifieke inhoud die de tussenpersoon op verzoek van zijn gebruikersopslaat.Het niet vervullen van een «actieve rol» van een aanbieder ten aanzienvan de door hem opgeslagen en doorgegeven inhoud van zijn gebruikers,is een voorwaarde om een beroep te kunnen doen op de aansprakelijk-heidsvrijstelling die voor deze aanbieders geldt. Hieruit volgt dus, andersdan in de vraag wordt gesteld, geen verplichting om maatregelen tenemen om te voorkomen dat er illegale content wordt gehost. Hetopleggen van een dergelijke verplichting wordt beperkt door het verbodop een algemene verplichting tot monitoring of actief feitenonderzoek(artikel 8 van de verordening). Het HvJ EU heeft echter bevestigd dat hetverbod op algemeen toezicht niet geldt voor toezichtverplichtingen in«speciale gevallen». Een dergelijk speciaal geval kan zijn informatie diedoor een hostingprovider is opgeslagen op verzoek van een bepaaldegebruiker en waarvan de inhoud is onderzocht en beoordeeld door eenbevoegde rechterlijke instantie, die deze informatie onwettig heeftverklaard. In zo’n situatie kan aan de hostingprovider een bevel wordenopgelegd om opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan24Zie onder meer HvJ EU 23 maart 2010, zaak C-236/08, ECLI:EU:C:2010:159 (Google France), r.o.120.25HvJ EU 23 maart 2010, zaak C-236/08, ECLI:EU:C:2010:159 (Google France), r.o. 117–118.26HvJ EU 12 juli 2011, zaak C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), r.o. 116.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 714 informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen om tevoorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.2724) De verordening stelt regels over het geven van bevelen die nationalegerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteiten aan aanbieders vantussenhandeldiensten kunnen richten ten aanzien van het bestrijden vanillegale inhoud, maar creëert echter geen wettelijke grondslag voor hetgeven van deze bevelen. Hoe kijkt de regering naar het ontbreken vandeze grondslagen, zo vragen de leden van de D66-fractie.AntwoordHet begrip «illegale inhoud» is zeer breed en omvat ingevolge artikel 3,onderdeel h, van de verordening alle informatie die op zichzelf of inverband met een activiteit, waaronder de verkoop van producten of hetaanbieden van diensten, indruist tegen het Unierecht of het recht van eenlidstaat. De verordening harmoniseert dus niet welke inhoud illegaal is. Devraag of informatie illegaal is, valt daarmee buiten de reikwijdte van deverordening. De beoordeling van die vraag dient te geschieden op basisvan het toepasselijke Unierecht of het toepasselijke recht van de lidstaten.Dat toepasselijke Unierecht of lidstatelijk recht dient ook te voorzien inpassende mogelijkheden voor toezicht en handhaving, waaronder debevoegdheid voor een gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit ombevelen te geven om illegale online inhoud te bestrijden.Het kabinet vindt het in het licht van deze brede definitie van «illegaleinhoud» logisch dat de verordening niet voorziet in een grondslag voor detoezichthouder op de naleving van de verordening om bevelen te gevenom illegale inhoud te bestrijden. Het is volgens het kabinet wenselijk dateen dergelijke bevelbevoegdheid zijn grondslag vindt in de wetgeving dieook de materiële normen bevat op grond waarvan de online informatieillegaal is. Het is aan de wetgever in kwestie om te bepalen welkegerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit die bevoegdheid het bestekan uitoefenen en welke voorwaarden voor de uitoefening van diebevoegdheid moeten gelden.25) De leden van de D66-fractie constateren dat het Europese Hof vanJustitie heeft geoordeeld dat van een verlener van de online dienst nietkan worden verlangd het actief surveilleren van alle gegevens van al zijnklanten om elke toekomstige inbreuk op intellectuele-eigendomsrechtente voorkomen. Geldt er daardoor een recht op encryptie, zo vragen dezeleden?AntwoordHet verbod om algemene monitoringsverplichtingen op te leggen aanaanbieders (artikel 8 van de verordening) is gericht aan de Europese ennationale overheid. Het vormt een beperking op de mogelijkheden die zijhebben om tussenhandeldiensten te verplichten tot monitoring vaninformatie, en de bevoegdheid die nationale rechters hebben om teverplichten tot monitoring. Uit artikel 4, derde lid, artikel 5, tweede lid, enartikel 6, vierde lid van de verordening volgt namelijk dat nationalerechters wel een bevoegdheid hebben om de beëindiging van een inbreukte beëindigen of voorkomen. Het (opnieuw) voorkomen van een inbreukkan monitoring noodzakelijk maken. De jurisprudentie van het HvJEUwaar de vragenstellers naar verwijzen, verduidelijkt dat nationale rechtersniet de bevoegdheid hebben om te verplichten tot het soort algemenemonitoring dat in die zaken werd verzocht. Uit het verbod om algemenemonitoringsverplichtingen op te leggen aan aanbieders en de jurispru-dentie van het HvJEU daarover kan echter niet worden afgeleid dat27HvJ EU 3 oktober 2019, zaak C-18/18, ECLI:EU:C:2019:821 (Glawischnig-Piesczek).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 715 klanten of gebruikers van tussenhandeldiensten een recht op encryptiehebben.3.1. Het kader voor aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten voor doorafnemers verstrekte informatie 26 en 27) De leden van de VVD-fractie lezen dat er verschillendeaansprakelijkheidsvrijstellingen zijn waar tussenhandeldiensten eenberoep op kunnen doen. Deze leden vragen hierbij of het voldoendeafgebakend is wanneer een dienst hier recht op heeft. Tegelijkertijd zijndeze leden benieuwd naar de mogelijkheid om misbruik te maken vandeze regelingen. Hoe wordt er gezorgd dat alleen zij die recht hebben opvrijstelling, hier ook gebruik van kunnen maken?AntwoordDe voorwaardelijke aansprakelijkheidsvrijstellingen voor aanbieders vantussenhandeldiensten in de digitaledienstenverordening zijn eenvoortzetting van de vrijstellingen die voorheen golden op grond van derichtlijn elektronische handel. Er is veel jurisprudentie van het HvJEU envan de nationale rechter die nadere invulling geven van de voorwaardendie gelden voor de aansprakelijkheidsvrijstellingen. Uit de overwegingenbij de verordening volgt dat aanbieders, die opzettelijk samenwerken meteen afnemer om illegale activiteiten te ontplooien, geen beroep kunnendoen op de aansprakelijkheidsvrijstellingen. Deze beperking is relevantvoor de Nederlandse handhavingspraktijk. Zo blijkt uit onderzoeken dat deNederlandse hostingsector veelvuldig wordt gebruikt door criminelenvoor het plegen van strafbare feiten. Criminaliteit wordt bewust gefacili-teerd door malafide hostingbedrijven (bullet proof hosting) dan welonwetende hostingbedrijven die zeer weinig maatregelen nemen (badhosting).28 Van malafide hostingbedrijven is duidelijk dat zij opzettelijksamenwerken met een afnemer om illegale activiteiten te ontplooien enuit dien hoofde geen beroep kunnen doen op de vrijstelling van aanspra-kelijkheid. Bij de groep onwetende hostingbedrijven die zeer weinigmaatregelen nemen hangt het van de omstandigheden van het geval af ofgesteld kan worden dat zij opzettelijk samenwerken met een afnemer omillegale activiteiten te ontplooien en uit dien hoofde geen beroep kunnendoen op de vrijstelling van aansprakelijkheid. Het uiteindelijke oordeeldaarover is aan de rechter.3.2. Eisen aan bevelen om op te treden tegen illegale inhoud of ominformatie te verstrekken 28) De leden van de VVD-fractie vragen, gezien er verschillende eisen zijndie gelden als het gaat om het optreden tegen illegale inhoud of ominformatie te verstrekken, in welk tijdsbestek er opgetreden kan wordentegen illegale inhoud. In de digitale wereld is elke seconde dat er illegaleinhoud online staat, één seconde teveel. Daarom denken de leden dat hetnoodzakelijk is om snel te handelen in deze situaties. In hoeverre laat deverordening dit toe?AntwoordZoals is uiteengezet in het antwoord op vraag 22, geschiedt het optredentegen door een gebruiker geplaatste illegale inhoud op twee manieren: 1)op bevel van de overheid, zoals door de rechter in een civiele procedure,door een officier van justitie ter beëindiging van een strafbaar feit of dooreen bestuursorgaan; of 2) op basis van de algemene voorwaarden vaneen aanbieder, na eigen onderzoek van de aanbieder of een melding vaneen derde.28Zie onder meer Kamerstukken II, 2019/20, 26 643, nr. 696, blz. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 716 Als er sprake is van een bevel van de overheid, dan laat de verordeninghet aan het toepasselijke nationale of EU-recht om te bepalen binnenwelke termijn de aanbieder actie moet ondernemen. Bij wijze vanvoorbeeld kan worden gewezen op de verordening terroristischeonline-inhoud, waarin is bepaald dat een verwijderbevel met betrekkingtot terroristische inhoud binnen één uur moet worden uitgevoerd (artikel3, derde lid). De DSA regelt wel dat de aanbieder het betreffendeoverheidsorgaan onverwijld op de hoogte moet stellen van welke actie hijnaar aanleiding van het bevel heeft ondernomen (artikel 9, eerste lid).Als sprake is van meldingen van gebruikers of van derden, dan schrijft deverordening voor dat er «tijdig» moet worden besloten over meldingenvan illegale inhoud (artikel 16, zesde lid). Wat tijdig betekent, hangtblijkens overweging 52 bij de verordening af van het type illegale inhouden de urgentie om actie te ondernemen. Als algemeen horizontaal kader isde verordening immers van toepassing op alle soorten illegale inhoud. Zodienen aanbieders van hostingdiensten onverwijld te handelen als hetstrafbare feiten betreft die een bedreiging vormt voor het leven of deveiligheid van personen. Voor dat soort strafbare feiten geldt er ook eenplicht om die te melden bij de bevoegde rechtshandhavingsinstanties, inNederland is dat de politie (artikel 18 van de verordening).Meldingen die afkomstig zijn van een betrouwbare flagger moeten tot slot«prioritair en onverwijld» worden verwerkt en afgehandeld (artikel 22). Ditbetekent dat hun meldingen in de praktijk (veelal) voorrang krijgen opandere meldingen, hetgeen de prioritering bij het afhandelen vanmeldingen beïnvloedt. Om goed uitvoering te kunnen geven aan deverplichting om tijdig een beslissing te nemen moet het mogelijk zijn vooraanbieders van hostingdiensten en online platformen, waaronder zeergrote online platformen en zoekmachines, om te prioriteren bij deafhandelingen van meldingen.29De verordening voorziet aldus in een gebalanceerd kader dat rekeninghoudt met het feit dat het van toepassing is op verschillende soorten vanillegale inhoud en de beperking qua automatische middelen en menselijkebeoordeling en dat oververwijdering van informatie beoogt te voorkomen.De verordening laat bovendien ruimte voor het stellen van naderetermijnen voor specifieke vormen van illegale inhoud indien de nationaleof EU-wetgever dat nodig acht.4. Zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhan-deldiensten 29 en 30) In hoeverre hebben overheidsorganisaties nu de status van«betrouwbare flaggers» toegediend gekregen en in hoeverre behouden zijdeze status? In hoeverre is dit wenselijk volgens de regering, zo vragen deleden van de D66-fractie?29In dit kader wordt gewezen op de DSA Transparancy Database die de Europese Commissieheeft ingericht ter uitvoering van artikel 24, vijfde lid, van de verordening (https://transparency.dsa.ec.europa.eu/). In die openbaar toegankelijke database worden besluitenover meldingen van illegale inhoud bij aanbieders van online platformen opgenomen.Aanbieders van zeer grote online platformen en zoekmachines zijn daar sinds 25 augustus2023 op aangesloten, en andere online platformen zijn daar sinds 17 februari 2023 meebegonnen. Uit de database blijkt dat er sinds 25 augustus 2023 meer dan 17 miljard besluitenover meldingen van illegale inhoud zijn genomen, waarvan 69% volledig geautomatiseerd. Deenorme omvang van het aantal besluiten dat aanbieders van online platformen moetennemen illustreert de druk die de beoordeling van meldingen oplevert voor de organisatie enmiddelen van die aanbieders en dientengevolge de noodzaak om enige flexibiliteit te hebbenbij de beoordeling daarvan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 717 AntwoordHet is positief dat er verschillende aanbieders van hostingdiensten enonline platformen zijn die op dit moment op basis van vrijwilligheid goedsamenwerken met overheidsorganisaties die illegale inhoud tegengaan,zoals de NVWA of het openbaar ministerie.30 De verordening verzet zichniet tegen deze vrijwillige samenwerking. Uiteraard is het daarbij vanbelang dat voor de geadresseerden helder is welk juridisch kader vantoepassing is als een overheidsorganisatie contact opneemt: gaat het omeen melding in de hoedanigheid van «trusted flagger» onder de veror-dening of in het kader van de Gedragscode Notice and Takedown (NTD) ofgaat het om een formeel bevel van een officier van justitie op grond vanhet Wetboek van Strafvordering of van een bestuursorgaan.Voor de goede orde wordt opgemerkt dat er in Nederland nog geenorganisaties zijn, en dus ook geen overheidsorganisaties, die over destatus van «betrouwbare flagger» in de zin van de verordeningbeschikken. Die status moet op grond van de verordening toegekendworden door de digitaledienstencoördinatoren in de lidstaten (artikel 22).Hoewel de ACM voorlopig is aangewezen31 als digitaledienstencoördi-nator voor Nederland, heeft zij die bevoegdheid tot het toekennen vandeze status pas zodra onderhavige uitvoeringswet in werking is getreden.Op grond van artikel 22 van de verordening kunnen «entiteiten», die aaneen aantal criteria voldoen, de status van «betrouwbare flagger» krijgen.Het begrip «entiteit» is een breed begrip, dat zowel publieke als privateorganisaties omvat. Wel beschouwt het kabinet de status van«betrouwbare flagger» als iets dat met name geschikt is voor privatehandhaving door private organisaties. Het aanvragen van de status vanbetrouwbare flagger onder de verordening door overheidsorganisaties entoezichthouders lijkt weinig toegevoegde waarde te hebben. De praktijklaat immers zien dat overheidsorganisaties en toezichthouders veelalvrijwillige afspraken hebben of maken met online platforms en tussenhan-deldiensten op basis waarvan illegale inhoud gemeld en verwijderd kanworden. Bovendien beschikken overheidsorganisaties en toezichthoudersvaak over wettelijke bevoegdheden om bevelen uit te vaardigen teneindeillegale inhoud onverwijld verwijderd te krijgen. Gelet op deze praktijk,lijkt het niet veel toe te voegen als overheidsorganisaties en toezicht-houders een formele status als «betrouwbare flagger» bij de digitaledien-stencoördinator zouden aanvragen. Op die manier wordt ook bijgedragenaan het in overweging 61 genoemde streven tot het beperkt houden vanhet aantal personen en organisaties aan wie de status van «betrouwbareflagger» wordt toegekend, hetgeen de werkbaarheid van het systeem vanartikel 22 van de verordening ten goede komt.31) De leden van de D66-fractie zien bij de maatregelen voor minderja-rigen nog weinig terug over het versterken van de leeftijdsverificatie voorplatforms met leeftijdsvereisten. In hoeverre zijn er verplichtingen dievoortvloeien vanuit de verordening op dit gebied, zo vragen deze leden?AntwoordDe verordening verplicht niet tot het gebruik van leeftijdsverificatie. Welbevat de verordening een aantal verplichtingen die de bescherming vanminderjarigen moet verbeteren, zoals de verplichting om passende enevenredige beschermingsmaatregelen te nemen (artikel 28). Ook is debescherming van minderjarigen aangewezen als systeemrisico, die door30Zie ook de memorie van toelichting bij de Wet Computercriminaliteit III (Kamerstukken II2015/16, 34 372, nr. 3).31Besluit voorlopige aanwijzing ACM als bevoegde autoriteit en digitaledienstencoördinatordigitaledienstenverordening (Stcrt. 2024, nr. 3993).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 718 zeer grote online platforms moet worden geïdentificeerd en aangepakt(artikel 34, eerste lid, onder b en d en artikel 35, eerste lid, onder j), van deverordening. Leeftijdsverificatie is een van de maatregelen die aanbiedersvan onlinediensten kunnen treffen om de bescherming van minderjarigenbinnen hun dienst te verbeteren. De verplichtingen voor online diensten-aanbieders om maatregelen te nemen om minderjarigen te beschermenuit zowel de DSA als de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2018/1808/EU) kunnen online platformen stimuleren om de leeftijd vangebruikers te gaan verifiëren. De Europese Commissie heeft mede tenbehoeve daarvan een aantal maanden geleden een «Task Force on AgeVerification» ingesteld.32 Daar worden de initiatieven die inmiddels indiverse lidstaten zijn gestart bij elkaar gebracht om zo effectief invulling tekunnen geven aan de verplichtingen uit de DSA en de AudiovisueleMediadienstenrichtlijn. De ambitie van de Europese Commissie is omuiteindelijk tot een geharmoniseerd kader te komen van standaarden waarleeftijdsverificatiesystemen aan moeten voldoen. Dat kan vervolgens alsleidraad dienen voor de (door-)ontwikkeling van technische middelen voorleeftijdsverificatie. Het kabinet draagt daar actief aan bij. Op 9 april jl. heeftde Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eenafwegingskader leeftijdsverificatie met uw Kamer gedeeld. Het afwegings-kader heeft als doel om ontwikkelaars te helpen om een passende vormvan leeftijdsverificatie voor hun online product of dienst te ontwikkelen enbiedt een routekaart voor de afweging van de verschillende belangen diedaarbij zijn gemoeid.33 Dat kader is inmiddels ook met de EuropeseCommissie gedeeld.4.1. Verplichtingen die gelden voor alle aanbieders vantussenhandeldiensten 32) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat uit overweging 51bij de verordening volgt dat elke inhoudsmoderatie strikt gericht moet zijnop de specifieke onderdelen die als illegale inhoud of in strijd met dealgemene voorwaarden worden beschouwd, zonder de vrijheid vanmeningsuiting en van informatie van afnemers van de dienst onnodig aante tasten. De leden vragen of de regering kan reflecteren op de situatiewanneer de algemene voorwaarden verder gaan dan de maatschappelijkemoraal, zowel wanneer het hostingdiensten als zeer grote onlineplatforms betreft. Het specifieke voorbeeld waar de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie op doelen betreft het tonen van mannelijke envrouwelijke tepels. Sommige hostingdiensten en zeer grote onlineplatforms verbieden het tonen van vrouwelijke, maar niet het tonen vanmannelijke tepels, vanuit een maatschappelijk puriteins moraal uit hetland van oorsprong dat anders ligt dan de Nederlandse en/of Europesemoraal. En er zijn meer voorbeelden te bedenken waarin de moraal vanhet hostingdienst of zeer grote online platform verschilt van demaatschappelijke moraal in Nederland. Kan de regering hierop reflec-teren?AntwoordAanbieders van tussenhandeldiensten hebben een contractueleverhouding met de afnemers van hun diensten. De inhoud daarvan ligtvast in de algemene voorwaarden die de aanbieders hanteren. In dezealgemene voorwaarden hebben aanbieders van tussenhandeldienstenvaak opgenomen dat het hun gebruikers niet is toegestaan om bepaaldeinhoud te plaatsen, als die informatie illegaal is of omdat de aanbieder dieinformatie anderszins onwenselijk vindt. Ook staat in de algemenevoorwaarden vermeld wat de gevolgen zijn als er wel illegale inhoud32https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/news/digital-services-act-task-force-age-verification-0.33Kamerstukken II 2023/24, 26 643, nr. 1149.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 719 wordt geplaatst, zoals verwijdering van de informatie. Dit wordt ook welinhoudsmoderatie genoemd.Voor dergelijke contractuele verhoudingen geldt het beginsel vancontractvrijheid: het staat partijen binnen de grenzen van het recht vrij omcontracten te sluiten en de inhoud en vorm van het contract te bepalen.Dit raakt ook aan de vrijheid van ondernemerschap van de aanbieder.Hieruit volgt dat het in beginsel aan de aanbieder van de tussenhandel-dienst is om te bepalen welke inhoud hij wel of niet wenselijk vindt op zijndienst, ook als dat verder gaat dan er wordt voorgeschreven door wet- ofregelgeving. Dat zal onvermijdelijk soms botsen met de moraal vansommige mensen en overeenkomen met de moraal van anderen, zekerals de aanbieder in veel verschillende landen actief is. Het is vervolgensaan de gebruiker of hij wel of niet gebruik wenst te maken van de dienst,of om een geschil over een concreet inhoudsmoderatiebesluit aan derechter voor te leggen als hij het oneens is met het besluit, bijvoorbeeldomdat zijn recht op vrijheid van meningsuiting wordt geschonden. Het isbelangrijk dat de overheid zich hier terughoudend opstelt en ruimte aanburgers en bedrijven laat om zelf keuzes te maken.De contractvrijheid kan om redenen van algemeen belang wordeningeperkt. De digitaledienstenverordening bevat daarom regels over dealgemene voorwaarden inzake inhoudsmoderatie van deze aanbieders, inhet belang van de transparantie, de bescherming van afnemers en hetvoorkomen van oneerlijke of willekeurige resultaten. Het is kort gezegdverplicht voor aanbieders om in hun algemene voorwaarden duidelijk enbegrijpelijk te formuleren wat hun beleid is ten aanzien van inhoudsmode-ratie. Verder moeten aanbieders bij het ontwerpen, toepassen enhandhaven van dat beleid op een niet-willekeurige enniet-discriminerende wijze te werk gaan. Ook moeten zij gepaste aandachthebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen,waaronder de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van informatie en depluriformiteit van de media. Deze grondrechten zijn op Europees niveauvastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie enhet Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook vergemakkelijktde verordening het voor gebruikers om op te komen tegen inhoudsmode-ratiebesluiten van aanbieders, bijvoorbeeld door de verplichting omdergelijke besluiten duidelijk en nauwkeurig te motiveren en deverplichting voor aanbieders van onlineplatforms om een intern klachten-afhandelingssysteem in te richten en door buitengerechtelijke geschilbe-slechting mogelijk te maken.33) Acht de regering het wenselijk dat private bedrijven een moraal dieanders is dan onze waarden op kunnen dringen? Kan de regering hierineen onderscheid maken tussen hostingdiensten en zeer grote onlineplatforms?AntwoordHet is belangrijk dat burgers en bedrijven de keuze hebben uit verschil-lende hostingdiensten en online platforms, zodat ze zich niet gedwongenvoelen om te handelen naar de regels en de daarin besloten moraal vaneen specifieke aanbieder. Daarom is het belangrijk dat er voldoendeconcurrentie is, en dat toetredingsdrempels laag worden gehouden zodatbestaande ondernemingen uitgedaagd kunnen worden. Dit wordt ondermeer bereikt door de ruime uitzonderingen in de verordening voor hetmicro- en kleinbedrijf.Voor zover een onderscheid tussen hostingdiensten en zeer grote onlineplatforms relevant is, is dat gelegen in de mogelijkheden die zij hebbenom inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Een pure hosting-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 720 dienst kan veelal niet ingrijpen op het niveau van specifieke inhoud, maarwel op het niveau van een hele website. Bijvoorbeeld door die ontoegan-kelijk te maken. Als de betreffende website ook legale informatie bevatdan leidt dit tot oververwijdering en mogelijk een disproportionelebeperking van de vrijheid van meningsuiting. Online platforms hebbenveelal wel de mogelijkheid om specifieke inhoud te verwijderen. Daarmeeheeft optreden door online platforms over het algemeen een minderverstrekkende invloed dan door hostingbedrijven.34) Welke mogelijkheden biedt de DSA om op te treden tegen dit soortonwenselijke algemene voorwaarden?AntwoordZoals in het antwoord op vraag 32 is uiteengezet, volgt uit de verordeningdat aanbieders van tussenhandeldiensten in hun algemene voorwaardenop duidelijke en begrijpelijke wijze hun inhoudsmoderatiebesluit moetenformuleren. Bij het formuleren van dat beleid moeten zij op eenniet-willekeurige en niet-discriminerende wijze te werk gaan, met gepasteaandacht voor de legitieme belangen en fundamentele rechten van allebetrokkenen. Hiermee bevestigt de verordening dat grondrechten(indirecte) horizontale werking hebben in dit soort private verhoudingen.Hoewel de contractvrijheid van de aanbieder van een tussenhandeldiensthet uitgangspunt is en blijft, is deze vrijheid dus niet onbegrensd. Hiermeewordt bijgedragen aan de doeltreffende bescherming van de in hetHandvest van de grondrechten van de Europese Unie en het EuropeesVerdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde grondrechten.Bij de inhoudsmoderatie door aanbieders van tussenhandeldiensten zijnverschillende grondrechten in het geding. Er is geen rangorde tussen dezeverschillende grondrechten. De grondrechten zijn gelijkwaardig aanelkaar. Wanneer meerdere grondrechten in een bepaalde situatie botsen,moet een juist evenwicht worden verzekerd tussen de botsende rechtendoor deze tegen elkaar af te wegen. De rechtspraak van het HvJ EU maaktduidelijk dat van een «juist evenwicht» geen sprake is als één of meergrondrechten in de «kern» worden geraakt.34 Dit sluit aan bij de beper-kingsclausule neergelegd in artikel 52, eerste lid, van het Handvest, dievoorschrijft dat beperkingen op de uitoefening van de in het Handvesterkende rechten en vrijheden onder meer de «wezenlijke inhoud» van dierechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Een maatregel die leidt tot eenernstige aantasting van een in het Handvest beschermd recht voldoet nietaan het vereiste dat een juist evenwicht wordt verzekerd tussen de metelkaar in overeenstemming te brengen grondrechten.Gebruikers of derden kunnen, in het kader van de interne klachtenproce-dures, buitengerechtelijke geschillenbeslechting of bij de civiele rechter,opkomen tegen inhoudsmoderatiebesluiten van aanbieders. Dit kanbijvoorbeeld ook als de algemene voorwaarden zelf aan de eisen van deverordening voldoen, maar in de praktijk door de aanbieder op onzorg-vuldige wijze worden toegepast. De genoemde instanties kunnen ookdoeltreffende remedies opleggen, zoals bevelen dat de inhoud wordtverwijderd of juist wordt teruggeplaatst, of in het geval van de civielerechter, het vaststellen van een schadevergoeding.Gebruikers en derden kunnen voorts op grond van artikel 53 van deverordening een klacht indienen bij de digitaledienstencoördinator, inNederland de ACM, als zij menen dat een aanbieder een inbreuk op deze34Zie onder meer HvJ EU 24 november 2011, zaak C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet/SABAM),r.o. 48 en 49, HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (SABAM/Netlog), r.o.46 en 47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 721 onderdelen van de verordening heeft begaan. Het toezicht op dezebepaling zal zich primair richten op de vraag of een aanbieder daadwer-kelijk in zijn algemene voorwaarden een duidelijk en begrijpelijk inhouds-moderatiebeleid heeft opgenomen. Het is primair aan de aanbieder zelfom dat beleid in te vullen en daarbij de aan de orde zijnde belangen enrechten af te wegen. Dit volgt uit de in het antwoord op vraag 32genoemde contractvrijheid en de vrijheid van ondernemerschap. Welvolgt uit de verordening dat het beleid niet-willekeurig enniet-discriminerend moet zijn en dat er gepaste aandacht moet zijn voorde legitieme belangen en fundamentele rechten van alle betrokkenen. Hetis aan de ACM om daar in een concreet geval een oordeel over te vormenen eventueel tot handhaving over te gaan.35) Wordt optreden tegen dit soort onwenselijke algemene voorwaardenbemoeilijkt wanneer het hoofdkantoor of de wettelijk vertegenwoordigervan een hostingdienst of zeer groot online platform zich in een Unielandbevindt waarin de moraal eveneens verschilt van de Nederlandse? Dezeleden zijn zeer benieuwd naar een uitgebreide reflectie van de regering.AntwoordZoals is uiteengezet in het antwoord op vraag 34, zijn aanbieders vantussenhandeldiensten op grond van de verordening gehouden om bij hetvormgeven en toepassen van hun inhoudsmoderatiebesluit een juistevenwicht te verzekeren tussen door de Unie beschermde grondrechtenen niet om rekening te houden met de moraal van de lidstaat waar zijgevestigd zijn of waar zij hun diensten aanbieden. De toezichthouders opde naleving van deze bepalingen van de verordening en de bevoegderechters in de lidstaten maken dus gebruik van hetzelfde normenkader bijhet beoordelen van dit beleid, namelijk het Handvest van de grondrechtenvan de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van deMens. De samenwerking van de digitaledienstencoördinatoren met elkaaren met de Europese Commissie draagt verder bij aan een uniforme uitlegen toepassing van deze regels. Een uniforme uitleg is tevens geborgdomdat het HvJEU in laatste instantie bevoegd is om uitleg te geven aandeze regels.4.2. Aanvullende verplichtingen voor online platforms 36) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij te lezen dat deschorsing van gebruikers dankzij de verordening aan regels wordtgebonden. De aanbieder zal pas tot schorsing kunnen overgaan, als hij inmeerdere afzonderlijke gevallen heeft vastgesteld dat door een gebruikerverstrekte informatie illegaal is of een door een klager ingediende klachtongegrond is. Wat betreft de mogelijkheid van bevelen van een adminis-tratieve of gerechtelijke autoriteit: artikel 23 van de verordening komt pasin beeld als bepaalde misbruik zich frequent heeft voorgedaan. Kan deregering aangeven wat het verstaat onder «frequent» misbruik? Is het aande ACM om hier zelf richtlijnen voor op te stellen?AntwoordHet begrip «frequent» zoals gebruikt in artikel 23, eerste lid, van deverordening is een autonoom Unierechtelijk begrip en de verordeninggeeft geen definitie of nadere invulling daarvan. Van het frequentverstrekken van illegale inhoud of het frequent doen van ongegrondemeldingen of klachten is bijvoorbeeld sprake als een gebruiker, persoon ofentiteit meerdere keren dezelfde illegale inhoud verstrekt of dezelfdeongegronde melding of klacht doet, ook nadat is vastgesteld dat debetreffende inhoud illegaal is of de melding of klacht ongegrond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 722 Artikel 23 van de verordening biedt de ruimte aan aanbieders van onlineplatforms om zelf hun beleid ten aanzien van dit soort misbruik tebepalen. Zij zijn op grond van het vierde lid wel verplicht om dat beleidduidelijk en gedetailleerd in hun algemene voorwaarden op te nemen endaarbij voorbeelden te geven van de feiten en omstandigheden waar zijrekening mee houden bij het vaststellen van misbruik en bij het bepalenvan een redelijke schorsingstermijn. Aanbieders moeten bij besluiten overschorsingen rekening houden met alle relevante feiten en omstandig-heden van het geval, waaronder het aantal keer dat een afnemer de foutin is gegaan, de ernst en de gevolgen daarvan en de intenties van deafnemer, melder of klager (artikel 23, derde lid, van de verordening).De ACM is op grond het wetsvoorstel belast met het toezicht op denaleving van deze bepaling en zal daarbij tot een eigen interpretatie vanhet begrip «frequent» dienen te komen Ook de digitaledienstenraad kannadere uitleg geven en zo uitvoering geven aan haar opdracht om bij tedragen aan de consistente toepassing van de verordening (artikel 61,tweede lid, onder a, van de verordening), bijvoorbeeld door hetuitbrengen van een aanbeveling (artikel 63, eerste lid, onder b, van deverordening). De uitleg van de verordening is tot slot uiteindelijk aan hetHof van Justitie van de Europese Unie.37) Kan de regering reflecteren op mogelijke verschillen tussen dezienswijze van de ACM en de algemene voorwaarden van aanbieders vanonline platforms ten aanzien van frequent misbruik? Is de visie van deACM of zijn de algemene voorwaarden leidend?AntwoordHet begrip «frequent» in artikel 23 van de verordening is een autonoomUnierechtelijk begrip. De uitleg daarvan is uiteindelijk aan het Hof vanJustitie, en niet de uitleg van de bevoegde autoriteiten, of die van eentussenhandeldienst zoals een online platform. In de tussentijd is het inNederland aan de ACM om te beoordelen wat «frequent» in de praktijkinhoudt en daar desnoods op te handhaven. Daarbij moet wel wordenopgemerkt dat de algemene voorwaarden onderdeel van een privaatrech-telijke overeenkomst zijn waar in principe contractvrijheid voor bestaat enniet alle online platformen en soorten illegale inhoud eenzelfde behan-deling vragen. Het is dan ook mogelijk dat het wenselijk en nodig is omenige flexibiliteit te behouden bij het uitleggen van «frequent» in de zinvan artikel 23 van de verordening.38 en 39) Ook lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie datzogenoemde «dark patterns» verboden worden. Ten aanzien van zaken alscookieconsent pop-ups zijn deze op basis van de AVG reeds verboden.Toch zien deze leden dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van darkpatterns in de vormgeving van deze cookieconsent pop-ups. Kan deregering aangeven of zij denkt dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) enACM genoeg capaciteit hebben om hier goed en gericht toezicht op tehouden? Denkt de regering dat de DSA tot een wezenlijke verandering enverbetering voor afnemers gaat leiden als de toezichtcapaciteit tekort-schiet en zo ja, waarom denkt de regering dat dat het geval is als het naaraanleiding van de AVG nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid tenaanzien van cookieconsent pop-ups?AntwoordDe door de vragenstellers beschreven regels inzake «dark patterns» zijnvastgelegd in artikel 25 van de verordening. Artikel 25 van de verordeningstelt regels aan de «online-interface» van online platforms. Daaronderwordt «alle software, met inbegrip van een website of onderdeel ervan, enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 723 apps, met inbegrip van mobiele apps» verstaan (artikel 3, onderdeel m,van de verordening). Cookie-consent pop-ups kunnen dus een onderdeelvan de online-interface zijn.Uit het tweede lid van artikel 25 van de verordening volgt dat het verbodop «dark patterns» niet geldt voor praktijken die vallen onder de reikwijdtevan de richtlijn oneerlijke handelspraktijken35 en de algemene veror-dening gegevensbescherming.36 Die richtlijn en verordening bieden voordie praktijken voldoende bescherming tegen misleidende of manipule-rende technieken.Op het gebruik van cookieconsent pop-ups is artikel 11.7a van deTelecommunicatiewet van toepassing, ter implementatie van artikel 5,derde lid, van de richtlijn privacy en elektronische communicatie.37 Als bijhet toepassen van cookies persoonsgegevens worden verwerkt, dan isook de algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Inartikel 11.7a, vierde lid, van de Telecommunicatiewet is aanvullendbepaald dat het gebruik van zogenoemde tracking cookies wordt vermoedeen verwerking van persoonsgegevens te zijn.Uit het voorgaande volgt dat als het gebruik van cookies de verwerkingvan persoonsgegevens inhoudt, dat dan de algemene verordeninggegevensbescherming van toepassing is en niet artikel 25 van dedigitaledienstenverordening. Als het gebruik van cookies geen verwerkingvan persoonsgegevens inhoudt, dan is artikel 25 van de digitalediensten-verordening wel van toepassing.Over welke toezichthouder in een concreet geval bevoegd is, de AP in hetkader van de algemene verordening gegevensbescherming of de ACM inhet kader van de digitaledienstenverordening, zal in de praktijkafstemming moeten plaatsvinden tussen beide toezichthouders. Hetuitvoeringswetsvoorstel bevat regels over deze samenwerking en in depraktijk kan er worden aangesloten bij de samenwerking die over ditonderwerp al plaatsvindt tussen AP en ACM waar het gaat om deafstemming van het toezicht op artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet,waar de ACM toezichthouder op is, en de algemene verordeninggegevensbescherming, waar zoals gezegd AP toezichthouder op is. Hetkabinet denkt dat met deze samenwerking en de middelen die aan deACM zijn toegekend voor de uitvoering van haar taken, er effectief toezichtkan worden gehouden op artikel 25 van de digitaledienstenverordening.Bovendien heeft, voor wat betreft het toezicht op (tracking)cookies, deregering extra budget toegekend aan AP. Verwezen zij in dit verband naarde brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkre-laties van 28 september 202338 waarin is aangegeven dat AP voor hettoezicht op cookies in de jaren 2024 tot en met 2026 € 500.000 per jaar envanaf 2027 structureel € 350.000 per jaar heeft gekregen.35Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffendeoneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt entot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PbEU 2005, L149).36Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking vanpersoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking vanRichtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119).37Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende deverwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in desector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communi-catie) (PbEG 2002, L 201).38Kamerstukken II, 2023/24, 26 643, nr. 1071.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 724 40) Is de regering bereid om druk te blijven uitoefenen op verdereregulering van dark patterns en het initiatiefrapport over dit onderwerpvan het Europees Parlement39 volledig te omarmen?AntwoordHet initiatiefrapport van het Europees Parlement gaat over het verslavendontwerp van digitale diensten, zoals sociale media. Het kabinet isvoorstander van een verdere Europese aanpak van verslavend ontwerp enzet zich hier in Europees verband ook actief voor in. Het is echter aan deEuropese Commissie om met een formele reactie te komen op hetinitiatiefrapport.In het kader van de «fitness check»40 waarin de Europese Commissieonderzoekt of de huidige regels consumenten ook online voldoendebeschermen is aandacht gevraagd voor de aanpak van dark patterns. Darkpatterns zijn manipulatieve of misleidende technieken die consumentenertoe aan kunnen zetten om keuzes te maken die niet in hun belang zijn.Dark patterns kunnen op grond van de Richtlijn Oneerlijke Handelsprak-tijken41 nu al worden aangepakt. Bij een overtreding van de RichtlijnOneerlijke Handelspraktijken kan de ACM handhavend optreden. Deverwachting is dat de Europese Commissie haar uitkomsten van de fitnesscheck in het tweede kwartaal van 2024 publiceert.41 en 42) Ten slotte zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blij telezen dat de DSA extra aandacht heeft voor de bescherming van minderja-rigen. Deze leden zijn het ermee eens dat minderjarigen een hoog niveauvan privacy, veiligheid en bescherming verdienen. Zij zijn voorts vanmening dat óók volwassenen een hoog niveau van privacy, veiligheid enbescherming verdienen. Is de regering het daarmee eens? Zo ja, gaat deregering pogingen ondernemen om bij de Europese Commissie aan tedringen op hogere standaarden voor volwassenen?AntwoordVolwassenen verdienen het ook dat hun privacy en veiligheid online opeen hoog niveau worden beschermd. Deze en andere verordeningen zoalsde algemene verordening gegevensbescherming voorzien daarin.Daarnaast is de in het antwoord op vraag 40 genoemde fitness check vande Europese Commissie gericht op de online veiligheid van alle consu-menten. De bescherming van minderjarigen verdient echter bijzondereaandacht omdat zij kwetsbaarder zijn dan volwassenen.4.3. Aanvullende verplichtingen voor zeer grote online platforms en zeergrote online zoekmachines 43) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de verordeningzich niet alleen richt op het bestrijden van illegale inhoud, maar ook opinformatie die weliswaar legaal is, maar niettemin negatieve effecten kanhebben, zoals desinformatie. Tegelijk is al jaren bekend dat de algoritmesvan zeer grote online platforms met name content bevoordelen die veelinteractie oplevert, en dat content die veel interactie oplevert vaak«ophef» content is. Deze leden zijn ervan op de hoogte dat de verordeningvan zeer grote online platforms vereist dat zij een niet-algoritmisch39Europarl, New EU rules needed to address digital addiction, 12-12-2023.40https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/13413-Digital-fairness-fitness-check-on-EU-consumer-law_en41Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffendeoneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt entot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004van het Europees Parlement en de Raad (PbEY 2005, L 149).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 725 alternatief moeten bieden, zoals een chronologische of alfabetischetijdlijn. De algoritmische tijdlijn blijft echter ook een mogelijkheid enwordt niet verboden. Kan de regering aangeven of het naar haar meningwenselijk en/of mogelijk is dat toezichthouders zeer grote online platformskunnen dwingen om hun algoritmes aan te passen, om zodoende minderdesinformatie te verspreiden? Wat zijn mogelijke drempels en bezwaren?AntwoordOp grond van artikel 34 van de verordening moeten zeer grote onlineplatforms jaarlijks onderzoeken of hun dienst vatbaar is voor bepaaldesysteemrisico’s. De verspreiding van sommige vormen van desinformatiekan zo’n systeemrisico zijn. Bijvoorbeeld desinformatie die een negatiefeffect heeft op verkiezingsprocessen (zie ook het antwoord op vraag 5 en6). Indien er dergelijke systeemrisico’s zijn dan moeten zeer grote onlineplatformen maatregelen nemen om ze te mitigeren. In artikel 35 van deverordening worden voorbeelden gegeven van mogelijke maatregelen.Waaronder het aanpassen van algoritmische systemen en aanbevelings-systemen.Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen ligt op grond vanartikel 56, tweede lid, van de verordening exclusief bij de EuropeseCommissie. In geval van een overtreding kan zij een niet-nalevingsbesluitvaststellen (artikel 73 van de verordening). Daarin moet de EuropeseCommissie haar bevindingen over de gestelde niet-naleving beschrijvenen toelichten welke maatregelen een zeer groot online platform volgenshaar moet nemen om dat te remediëren. Het is vervolgens aan hetbetreffende zeer grote online platform om daarop te reageren door eenactieplan op te stellen, een onafhankelijke controle te laten verrichten, ende noodzakelijke maatregelen te treffen (artikel 75, tweede lid, van deverordening). Daarbij is het zeer grote online platform niet verplicht om desuggesties van de Europese Commissie op te volgen. Als het zeer groteonline platform andere mogelijkheden ziet om de gestelde niet-nalevingop te lossen dan is dat ook toegestaan.De Europese Commissie heeft dus de mogelijkheid om de rol en invloedvan aanbevelingssystemen te betrekken bij haar toezicht en handhavingen aanpassingen aan die aanbevelingssystemen voor te stellen.44) Ook lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat als aanbiedersvan zeer grote online platforms en zeer grote online zoekmachinesvaststellen dat hun diensten systeemrisico’s in zich hebben, dat ze dan opgrond van artikel 35 van de verordening redelijke, evenredige endoeltreffende risicobeperkende maatregelen moeten treffen om degeïdentificeerde systeemrisico’s te adresseren. Deze leden zijn hiertevreden mee. Wel vragen zij waarom de verantwoordelijkheid bij hetidentificeren van dergelijke systeemrisico’s bij de aanbieders zelf ligt. Kande regering aangeven of toezichthouders of de Europese Commissie hierook een rol in (kunnen) spelen?AntwoordDe verantwoordelijkheid voor een analyse van systeemrisico’s ligt in deeerste plaats inderdaad bij de aanbieders zelf. Daarnaast zijn zij op grondvan artikel 37 van de verordening verplicht om ten minste één keer perjaar een onafhankelijke controle te laten verrichten om de naleving vanonder meer de verplichting omtrent systeemrisico’s te laten beoordelen.Indien uit die onafhankelijke controle blijkt dat er niet of onvoldoende isvoldaan dan kunnen de auditors die de controle hebben verricht aanbeve-lingen doen om alsnog naleving te bereiken. In dat geval moeten zeergrote onlineplatforms en zoekmachines de nodige maatregelen treffen omde aanbevelingen uit te voeren. Doen zij dat niet dan zijn ze verplicht omTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 726 dat te motiveren en een overzicht te geven van eventueel alternatievemaatregelen die zij hebben genomen. Het eigen rapport en dat van deonafhankelijke controle dient (grotendeels) openbaar te worden (artikel42, vierde lid, van de verordening). Zo kunnen bijvoorbeeld toezicht-houders, media, het maatschappelijk middenveld, burgers, politici enoverheden er kennis van nemen en het gebruiken in het kader van huntoezicht, verslaggeving, of toekomstige beleidsvorming.De verordening maakt het verder mogelijk voor erkende onderzoekers omtoegang te krijgen tot data van zeer grote online platforms en zoekma-chines voor onderzoek dat bijdraagt aan het opsporen, vaststellen enbegrijpen van systeemrisico’s (artikel 40, vierde lid, van de verordening).Hoewel dergelijk onderzoek niet tot doel heeft om de naleving van deverordening te controleren draagt het wel bij aan het begrip van systeem-risico’s, de oorzaken daarvan, en mogelijke mitigerende maatregelen.De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van zowel deverplichtingen omtrent systeemrisico’s als de onafhankelijk controle. Debevoegdheden die zij daarvoor heeft zijn beschreven in afdeling 4 vanhoofdstuk 4 van de verordening, zoals ook toegelicht in het antwoord opvraag 20.45 en 46) De leden van de CDA-fractie lezen dat de verordening in artikel40, lid 1 tot en met 3, aanbieders van zeer grote online platforms verplichtom de digitaledienstencoördinator en de Commissie toegang te geven totde gegevens die nodig zijn om de naleving van de verordening temonitoren en te beoordelen. Deze leden vragen aan de regering hoewordt gehandeld wanneer een online platform niet voldoet aan dezeeisen, door bijvoorbeeld niet te reageren op verzoeken tot inzage inbepaalde gegevens. Op welke manier kunnen deze grote bedrijven alsnogtot verantwoording geroepen worden, ook wanneer een groot onlineplatform niet ingaat op verzoeken vanuit het Openbaar Ministerie (OM)?AntwoordArtikel 40, eerste tot en met derde lid, van de verordening verplichten deaanbieders van zeer grote onlineplatforms of zeer grote onlinezoekma-chines om toegang te geven tot gegevens aan de digitaledienstencoördi-nator of de Europese Commissie. Deze gegevens dienen te wordengebruikt in het kader van het toezicht op de naleving van de verordening.Vorderingen om inzage in gegevens door het openbaar ministerie (hierna:OM) vallen dus niet binnen de reikwijdte van deze bepaling. Het OM heeftin het kader van het strafrecht eigen bevoegdheden waar het gaat omstrafvorderlijke onderzoeken waar dit soort aanbieders bij betrokken is.Op grond van de verordening kan de Europese Commissie tot handhavingovergaan als deze aanbieders een verzoek als bedoeld in artikel 40 van deverordening weigeren. In het nationale recht is het op grond van artikel5:20 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht om medewerking teverlenen aan toezichthouder bij de uitoefening van diens bevoegdheden,waaronder een vordering tot inzage van zakelijke gegevens enbescheiden. Overtreding van deze medewerkingsplicht kan zowelstrafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd, bijvoorbeelddoor het opleggen van een bestuurlijke boete.5. Uitvoering, samenwerking, toezicht en handhaving 47) In de uitvoeringswet van de verordening staat opgenomen dat detoezichthouder, de ACM, tijdig moeten handelen bij klachten die doorindividuele derden zijn geuit. Waarom wordt ervoor gekozen hier geenmaximale termijn aan te verbinden, zo vragen de leden van de D66-fractie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 727 AntwoordOp grond van artikel 53 van de verordening hebben afnemers van eentussenhandeldienst of hun gemachtigden het recht om een klacht in tedienen wegens vermeende inbreuk op de verordening door de dienstaan-bieder bij de digitaledienstencoördinator van de lidstaat waar de afnemervan de dienst zich bevindt of gevestigd is. De digitaledienstencoördinatorbeoordeelt de klacht en stuurt deze, waar passend, door naar de digitale-dienstencoördinator van de plaats van vestiging of naar een anderebevoegde autoriteit uit de eigen lidstaat.Uit artikel 53 van de verordening zelf volgt niet dat de digitaledienstenco-ördinator tijdig moet handelen bij de beoordeling van een klacht. Wel is inde verordening bepaald dat de bevoegde autoriteiten voor de uitvoeringen de handhaving van de verordening, waaronder de digitaledienstenco-ördinator, hun taken op een onpartijdige, transparante en tijdige wijzeuitvoeren. Wat een tijdige uitvoering is, verschilt per taak en hangt af vande omstandigheden van het geval. In onderhavig wetsvoorstel teruitvoering van de verordening is dan ook niet voorgeschreven dat deACM tijdig moeten handelen bij klachten die door individuele derden zijngeuit. Dat is ook niet nodig gezien de rechtstreeks werkende bepalingenvan de verordening.Het recht om een klacht over de naleving van de verordening in te dienenbij de digitaledienstencoördinator (artikel 53 van de verordening) moetoverigens onderscheiden worden van het recht voor gebruikers en derdenom een klacht over een inhoudsmoderatiebesluit in te dienen bij hetinterne klachtenafhandelingssysteem van de aanbieder van een online-platform (artikel 20 van de verordening). Ten aanzien van dat laatste typeklacht bepaalt de verordening wel expliciet dat klachten tijdig, opniet-discriminerende, zorgvuldige en niet-willekeurige wijze wordenafgehandeld. Wat tijdig in dit verband betekent zal in eerste instantie doorde aanbieder zelf moeten worden bepaald. De ACM houdt toezicht op denaleving van deze bepaling. Uiteindelijk is het aan de rechter om zich uitte spreken over wat tijdig in dit verband betekent.48) Kan de regering verduidelijken wat het in de praktijk betekent dat erniet wordt voldaan aan het verzoek van de ACM om de BoetebeleidsregelACM 2014 aan te passen naar aanleiding van dit voorstel, zo vragen deleden van de D66-fractie.AntwoordDe bevoegde autoriteiten voor de uitvoering en de handhaving van deverordening moeten op grond van de verordening volledig onafhankelijkkunnen handelen. Dit vereiste beperkt de mogelijkheden om overheids-toezicht te houden op deze autoriteiten, zo volgt uit de jurisprudentie vanhet HvJ EU. Beleidsregels betreffen regels over hoe de toezichthoudendeautoriteit bij het gebruik van een bevoegdheid belangen dient af te wegen,feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt. De verantwoordelijkeMinister zou op deze wijze, direct of indirect, invloed kunnen hebben opde beslissingen van de toezichthouder, hetgeen niet in lijn zou zijn met deuitleg van het HvJ EU van het vereiste van «volledige onafhankelijkheid».Om die reden is in artikel 2.1, derde lid, van het wetsvoorstel bepaald datdeze bevoegdheid om beleidsregels op te stellen op grond van deKaderwet ZBO’s niet geldt voor de uitvoering van de digitaledienstenver-ordening.Het gevolg daarvan is dat de Boetebeleidsregel ACM 2014, vastgestelddoor de Minister van EZK, niet van toepassing kan worden verklaard opde uitvoering van deze uitvoeringswet. De gevolgen daarvan zijn beperkt,omdat de ACM de bevoegdheid behoudt om zelf beleidsregels over ditTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 728 onderwerp vast te stellen. Het is aan de beoordeling van de ACM of zedaarbij inhoudelijk wenst aan te sluiten bij de keuzes die in de Boetebe-leidsregel ACM 2014 zijn gemaakt.5.1. Uitvoering in Nederland 49 en 50) De leden van de VVD-fractie lezen dat de ACM en de APaangewezen zijn als toezichthouder. Hoe wordt ervoor gezorgd dat dezetoezichthouders voldoende uitgerust zijn voor deze rol, dit ook met oog opde andere gebieden waar deze partijen toezicht op houden. Kunnen detoezichthouders direct van start zodra deze wet is aangenomen?AntwoordOm de beide toezichthouders in staat te stellen om zich voor te bereidenop hun toezichtstaken heeft de regering reeds in 2023 incidentelemiddelen beschikbaar gesteld. Daarna zijn er ook structureel middelenbeschikbaar gemaakt vanaf 2024. De ACM heeft een structureel budgetvan € 6,5 miljoen gekregen. Daarmee kan ze 49 fte bekostigen. Voor de APis er reeds € 517.000,- structureel beschikbaar gemaakt voor de finan-ciering van 3,2 fte.De doelstellingen van de verordening en de aard van de daarin neerge-legde verplichtingen sluiten aan bij de bestaande taken en specifiekedeskundigheid van de ACM. De aanbieders van tussenhandeldiensten, denormadressaten van de verordening, zijn ondernemingen die al onder-worpen zijn aan toezicht van de ACM op grond van andere wetgeving.Bijvoorbeeld op grond van de Mededingingswet, het consumentenrecht,de bepalingen in het BW ter implementatie van de richtlijn elektronischehandel, en, indien het wetsvoorstel42 daartoe wordt aangenomen, deP2B-verordening. De keuze voor de Autoriteit Persoonsgegevens alstoezichthouder op artikel 26, derde lid, en artikel 28, tweede lid, van deverordening, is mede ingegeven door het feit dat het normen zijn die eenverbijzondering van de AVG vormen. Daarmee is bij uitstek geborgd dathaar toezichthoudende taken aansluiten op het toezicht op de AVG waarzij reeds mee belast is.4351) De leden van de NSC-fractie lezen dat de Raad van State waarschuwtdat de ministeriële verantwoordelijkheid in het wetsvoorstel beperktwordt door op enkele punten af te wijken van de Kaderwet zelfstandigbestuursorganen. Deze leden vragen daarom aan de regering of zijmeerdere concrete situaties kan schetsen waarbij het wenselijk is dat deministeriële verantwoordelijkheid wordt beperkt.AntwoordDe ACM en de AP worden in het wetsvoorstel aangewezen als bevoegdeautoriteiten. Zowel de ACM als de AP zijn zelfstandige bestuursorganen,hetgeen de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van deuitvoering van hun taken inperkt. In de artikelen 2.1, derde en vierde lid,en 3.1, tweede en derde lid, van het wetsvoorstel is bepaald dat enkelebevoegdheden uit de Kaderwet zbo’s niet van toepassing zijn op deuitvoering van taken door de ACM en de AP op grond van ditwetsvoorstel. Dit zijn de bevoegdheid van de Minister van EZK ombesluiten van de ACM en de AP te vernietigen, om beleidsregels te stellenover de uitoefening van bevoegdheden door de ACM en de AP en om inte grijpen bij taakverwaarlozing van inhoudelijke aard door de ACM en deAP. De Afdeling advisering van de Raad van State merkt in haar advies op42Kamerstukken II, 2022/23, 36 285, nr. 2.43Zie voor een meer uitgebreide toelichting de paragrafen 5.2.2.2 en 5.2.2.3 van de memorie vantoelichting bij het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 729 dat met deze afwijking van de Kaderwet zbo’s de ministeriële verantwoor-delijkheid van de Minister van EZK verder wordt beperkt. Aan het adviesvan de Afdeling om in de memorie van toelichting een dragendemotivering voor deze afwijking op te nemen, is gehoor gegeven.De afwijkingen van de Kaderwet zbo’s zijn ingegeven door de eis uit deverordening dat de ACM en de AP volledig onafhankelijk moeten kunnenhandelen en dat zij geen instructies van enige andere overheidsinstantiemogen vragen of aanvaarden. De Algemene verordening gegevensbe-scherming bevat een gelijkluidende eis en in de Uitvoeringswet AVG isdezelfde keuze gemaakt ten aanzien van het uitsluiten van deze bevoegd-heden uit de Kaderwet ZBO’s. In dit verband is van belang wat het HvJEUin zijn jurisprudentie heeft bepaald over de waarborg van volledigeonafhankelijkheid van de nationale toezichthoudende autoriteiten.Volgens het HvJEU heeft deze waarborg tot doel een grotere beschermingte bieden aan de personen en organen die door hun beslissingen wordengetroffen. Bij de uitoefening van hun taken moeten deze toezichthou-dende autoriteiten objectief en onpartijdig handelen. Daartoe moeten zijvrij zijn van beïnvloeding van buitenaf, daaronder begrepen de –rechtstreekse of indirecte – beïnvloeding door de staat. Volgens hetHvJEU is het niet van doorslaggevende betekenis wat het doel van heteventuele overheidstoezicht is. Wel van doorslaggevende betekenis is datde staat een belang kan hebben bij de toezichtsbesluiten van de autori-teiten en dat de instanties die belast zijn met het overheidstoezicht, eenpolitieke invloed kunnen uitoefenen op de beslissingen van de toezicht-houdende autoriteiten en zo de onafhankelijke vervulling van de taken vandeze autoriteiten kunnen hinderen. Het HvJ EU noemt dit «geanticipeerdegehoorzaamheid».Uit het voorgaande volgt dat het niet zo zeer gaat om de wenselijkheid omde genoemde bevoegdheden uit de Kaderwet ZBO’s in bepaalde situatieswel of niet te kunnen inzetten. Het HvJEU erkent dat het doel van hetoverheidstoezicht legitiem kan zijn, bijvoorbeeld om te waarborgen datonafhankelijke toezichthouders voldoen aan het toepasselijke nationale enEuropese recht. Desondanks moet voorkomen worden dat er een politiekeinvloed uitgeoefend zou kunnen worden op de beslissingen van detoezichthoudende autoriteiten. In het kader van de digitaledienstenveror-dening zou het dan bijvoorbeeld kunnen gaan om via dit overheidstoe-zicht invloed uit te oefenen op het al dan niet actie ondernemen dooraanbieders van tussenhandeldiensten tegen bepaalde vormen van illegaleof anderszins onwenselijke online inhoud. De enkele mogelijkheid dat viahet overheidstoezicht op de toezichthouders een dergelijke invloed zoukunnen worden uitgeoefend op het toezichtbeleid van de toezichthoudersis onwenselijk en zou kunnen leiden tot wat het HvJEU «geanticipeerdegehoorzaamheid» noemt.5.2. Toezicht en handhaving 52) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben begrip voor demanier waarop de afbakening met andere lidstaten en de Commissie isingericht. Wel hebben deze leden vragen over verzoeken die de ACM kandoen aan toezichthouders van andere lidstaten en andersom. Kan deregering reflecteren op mogelijke gebreken aan capaciteit, budget ofbereidwilligheid van toezichthouders van andere lidstaten ten aanzien vande verzoeken die de ACM bij hen doet, en mogelijke gebreken aancapaciteit, budget of bereidwilligheid van de ACM ten aanzien vanverzoeken die het ontvangt van andere toezichthouders?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 730 De ACM heeft een structureel extra budget van € 6,5 miljoen gekregen.Daarmee kan ze 49 fte extra bekostigen. Daarmee krijgt de ACM meermiddelen dan bijvoorbeeld de digitaledienstencoördinatoren inDenemarken (4,6 fte) en Finland (6,5 fte) en in verhouding met watDuitsland beschikbaar stelt (70,6 fte). Daarbij moet worden opgemerkt datonbekend is in hoeverre die digitaledienstencoördinatoren hun bestaandecapaciteit in kunnen zetten voor DSA-taken. Het kabinet verwacht dat deACM met de extra toegekende middelen voldoende middelen heeft omhaar toezichthoudende taken en de samenwerking met andere digitale-dienstencoördinatoren en de Europese Commissie uit te voeren.Artikel 50, eerste lid, van de verordening, verplicht de lidstaten om dedigitaledienstencoördinatoren van «alle nodige middelen» te voorzien diezij nodig hebben om hun taken uit te voeren. Zoals technische, financiëleen personele middelen. Hoewel er verschillen zijn in de extra middelen dielidstaten tot nog toe beschikbaar hebben gesteld, moet er van wordenuitgegaan dat het voldoende is om te voldoen aan de deze verplichting.Verschillen in de beschikbaar gestelde middelen kunnen overigensworden verklaard door verschillen in de omvang van lidstaten, de matewaarin hun digitale economie is ontwikkeld, in hoeverre digitalediensten-coördinatoren hun reeds bestaande capaciteit in kunnen zetten voorDSA-taken en het aantal zeer grote online platformen en zoekmachinesdat er in een lidstaat is gevestigd. Hoewel het toezicht op die dienstenprimair bij de Europese Commissie ligt is er een gedeelde verantwoorde-lijkheid met de digitaledienstencoördinator uit de lidstaat van vestiging. Inhet kader van haar toezicht zal de Europese Commissie soms hulpbehoeven en daarbij een beroep doen op die digitaledienstencoördinator(artikel 57 van de verordening). Na Ierland is Nederland de lidstaat waarmomenteel de meeste zeer grote online platformen en zoekmachines zijngevestigd of een wettelijk vertegenwoordiger aangesteld hebben.Namelijk AliExpress, Booking.com en Snap.44Vooralsnog is er geen reden om aan te nemen dat de digitaledienstenco-ördinatoren onvoldoende middelen hebben gekregen om hun taken tekunnen verrichten. De verordening voorziet verder in mogelijkheden voorde digitaledienstencoördinatoren en de Europese Commissie om samente werken en zo optimaal gebruik te maken van de beschikbare middelen.53) Voorziet de regering mogelijke problemen wanneer andere toezicht-houders niet bij machte zijn om handhavend op te treden wanneer deACM overtredingen in Nederland constateert maar de wettelijke vertegen-woordiger van de overtreder zich in een ander Europese Unielandbevindt?AntwoordNee. De verordening voorziet in de artikelen 50 tot en met 52 in deonafhankelijkheid van de digitaledienstencoördinatoren en anderebevoegde autoriteiten en de verplichting om hen van de bevoegdhedenen middelen te voorzien die ze in staat stellen om de verordening effectiefte handhaven. Het is daardoor niet voorstelbaar dat toezichthouders nietbij machte zijn om op te treden tegen overtredingen van de verordening.Indien er andersoortige belemmeringen zijn waardoor een toezichthouderin een andere lidstaat niet bereid is om te handhaven wanneer de ACMeen overtreding door een in die lidstaat gevestigde aanbieder inNederland heeft vastgesteld, dan voorzien de artikelen 58 en 59 van deverordening in een procedure. Daarmee kan de toezichthouder in de44https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/list-designated-vlops-and-vloses.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 731 lidstaat van vestiging door de digitaledienstenraad worden aangezet omonderzoek te doen naar een vermeende inbreuk, daarover te besluiten, enverantwoording af te leggen aan de digitaledienstenraad en de digitale-dienstencoördinator die de inzet van deze procedure is gestart. Als dedigitaledienstenraad het niet eens is met de beoordeling van de digitale-dienstencoördinator in de lidstaat van vestiging dan kan zij de zaak naarde Europese Commissie verwijzen. Die moet de zaak vervolgens beoor-delen. Afhankelijk van haar bevindingen kan ze de digitaledienstencoördi-nator in de lidstaat van vestiging opdracht geven om de zaak te herzien.Die digitaledienstencoördinator moet dan de nodige maatregelen nemenom naleving van de verordening te waarborgen. Daarbij moet rekeningworden gehouden met het standpunt van de Europese Commissie.De procedure van artikel 58 en 59 van de verordening zorgt er voor datdigitaledienstencoördinatoren een optie hebben wanneer ze eenovertreding van de verordening vaststellen door een aanbieder van eentussenhandeldienst die in een andere lidstaat is gevestigd. De regeringheeft zich tijdens de onderhandelingen hard gemaakt voor het opnemenvan een dergelijke procedure in de verordening om «regulator shopping»te bestrijden.54) Voorziet de regering mogelijke overvraging van de ACM door anderetoezichthouders en is er een systeem bedacht dat deze overvraging opkan lossen, door bijvoorbeeld automatisch meer budget beschikbaar testellen voor de ACM?AntwoordZoals in het antwoord op vraag 52 is aangegeven heeft de regering deACM een omvangrijk structureel budget toegekend, ook om overvragingte voorkomen.Er is niet voorzien in een systeem om het budget voor de ACM automa-tisch te verhogen. In haar uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoetsheeft de ACM voorgesteld om «de omvang van de financiering na driejaar te evalueren». Van dat aanbod wordt gebruik gemaakt. In de komendejaren zal de ACM bovendien in haar jaarverslag ook aandacht bestedenaan haar toezicht op de DSA. Mocht dat al eerder signalen opleveren dater sprake is van overvraging of een tekort aan middelen dan kan naaraanleiding daarvan in overleg worden getreden.55) Ook realiseren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat naaraanleiding van het land-van-oorsprongsbeginsel afnemers zich moetenmelden bij de toezichthouders van het land waarin de wettelijke vertegen-woordiger van de tussenhandeldienst zich bevindt. Het land-van-oorsprongsbeginsel is vanuit de gedachte van toezicht een logische, maarmaakt het melden van klachten niet eenvoudiger. Kan de regeringaangeven of het wenselijk is dat Nederlandse afnemers zich te allen tijdebij de ACM en/of AP kunnen melden, die meldingen indien nodig (al danniet automatisch) door kunnen sturen naar de juiste buitenlandsetoezichthouder? Waarom zou dit wel of niet wenselijk kunnen zijn?AntwoordDe regering acht het wenselijk dat Nederlandse afnemers zich te allentijde bij de ACM of de AP (wanneer de klacht ziet op een onderdeel van deDSA waar de AP is aangewezen als toezichthouder) kunnen melden metklachten over een vermeende inbreuk van de verordening dooraanbieders van tussenhandeldiensten. Ook als een aanbieder in eenandere lidstaat is gevestigd of daar zijn wettelijk vertegenwoordiger heeftaangewezen. De verordening maakt dat in artikel 53 ook mogelijk. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 732 ACM kan dergelijke klachten doorsturen en daar eventueel ook een adviesbij voegen.56) De leden van de NSC-fractie lezen dat, indien de tussenhandeldienstgevestigd is in een andere lidstaat of daar een wettelijke vertegenwoor-diger heeft aangewezen, de ACM en de AP niet bevoegd zijn daar toezichtop te houden. Deze leden vragen daarbij hoe de regering beoogt deNederlandse consument te beschermen tegen tussenhandeldiensten diegevestigd zijn in andere lidstaten. Hoe kan er toch voor gezorgd wordendat een onderzoek wordt gestart naar dergelijke tussenhandeldiensten?AntwoordZoals in het antwoord op vraag 52 is beschreven kent de verordeningdiverse instrumenten op basis waarvan de digitaledienstencoördinatorenen de Europese Commissie kunnen samenwerken om effectief toezicht opde verordening te houden. Zo is er voorzien in een mogelijkheid voorgezamenlijk onderzoek (artikel 60 van de verordening). Verder is er eenverplichting tot wederzijdse onderlinge bijstand tussen digitaledienstenco-ördinatoren en de Europese Commissie (artikel 57 van de verordening).En digitaledienstencoördinatoren kunnen de digitaledienstenraad, en inuiterste gevallen de Europese Commissie, verzoeken om de digitaledien-stencoördinator in een lidstaat van vestiging aan te zetten tot onderzoeknaar naleving, en zo nodig handhaving van de verordening (artikelen 58en 59 van de verordening). Ook hebben alle gebruikers in de Unie hetrecht om een klacht in te dienen bij de digitaledienstencoördinator in delidstaat waar zij zijn gevestigd of zich bevinden over een vermeendeinbreuk door een tussenhandeldienst (artikel 53 van de verordening). Aldeze maatregelen tezamen bieden aan goede basis voor effectief toezichtop de naleving door alle tussenhandeldiensten, ongeacht waar zijgevestigd zijn.57) Daarbij vragen deze leden eveneens wat er zou gebeuren indienNederland het nodig acht dat een dergelijk onderzoek wordt gestart,terwijl de lidstaat waarin de tussenhandeldienst is gevestigd dit niet wil.AntwoordVooropgesteld is het toezicht op de verordening de exclusieve compe-tentie van onafhankelijk toezichthouders, en niet van de lidstaten. Indiende ACM het nodig acht dat een onderzoek naar een tussenhandeldienst ineen andere lidstaat wordt gestart dan kan zij gebruik maken van deprocedure uit artikel 58 en 59 van de verordening, die nader is beschrevenin de antwoorden op vraag 52 en 53.58) De leden van de CDA-fractie constateren dat ook online tussenhan-delsdiensten die niet kwalificeren als VLOP grote platformen kunnen zijndie internationaal actief zijn. Deze leden vragen hoe in dit geval samen-werking tussen nationale toezichthouders vorm krijgt, welke rol daar voorde Europese Commissie ligt en hoe de regering effectieve samenwerkingbevordert.AntwoordZoals in de antwoorden op de vragen 52, 53 en 56 is beschreven bevat deverordening een aantal instrumenten voor samenwerking tussen denationale toezichthouders en de Europese Commissie. De verplichting totwederzijdse bijstand (artikel 57 van de verordening), gezamenlijkeonderzoeken (artikel 60 van de verordening), en de procedure van artikel58 en 59, zijn ook van toepassing voor tussenhandeldiensten die geenzeer groot online platform zijn. Tot op heden heeft de regering indirectbijgedragen aan samenwerking tussen de toezichthouders door de ACMen AP reeds in 2023 van incidentele financiering te voorzien, en sindsdienTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 733 van structurele financiering. Daarmee zijn beide toezichthouders in staatgesteld om alvast samen te werken met hun collega-toezichthouders aande voorbereidingen op het toezicht van de verordening.5.3. Toezicht en handhaving door de Commissie 59) Het stemt de leden van de VVD-fractie tevreden dat de ACM alsdigitaledienstencoördinator genoeg bevoegdheden lijkt te hebben omonderzoeken in te stellen en de verordening te handhaven. De verzoekenvoor onderzoek worden door de ACM ontvangen, waarna het verzondenwordt naar de AP. De leden vragen hierbij wat er gebeurt wanneer deACM tot andere conclusies komt dan de AP. Op welke manier wordendergelijke situaties opgelost en hoe wordt ervoor gezorgd dat het procesniet te lang duurt.AntwoordOp grond van het onderhavige wetsvoorstel worden zowel de ACM als deAP aangewezen als bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van hettoezicht en de handhaving ten aanzien van de digitaledienstenveror-dening. Zoals ook voorgeschreven door de verordening, zijn hun taken inhet uitvoeringswetsvoorstel duidelijk gedefinieerd en afgebakend: de APhoudt toezicht op twee bepalingen van de verordening die zien op eenverbod op profilering met gebruikmaking van persoonsgegevens en deACM op de overige bepalingen. De bevoegdheden van de ACM en de APoverlappen dus niet en dus kan er ook geen sprake zijn van andereconclusies van de ACM en de AP over de vraag of een bepaling van deverordening is overtreden. Dit geldt ook als sprake is van een verzoek totonderzoek, afkomstig van de Europese Commissie of de digitalediensten-coördinator van een andere lidstaat.Om een uniforme uitleg van de begrippen uit de verordening te verze-keren, is bepaald dat de AP de algemene begrippen uit de verordeninguitlegt in overeenstemming met de ACM. Tot slot schrijft de verordeningvoor dat de bevoegde autoriteiten nauw en doeltreffend samenwerken.Dit is in het uitvoeringswetsvoorstel uitgewerkt in een grondslag voor hetuitwisselen van gegevens tussen de ACM en de AP en in de verplichtingdat zij afspraken maken over hun samenwerking, in de vorm van eensamenwerkingsprotocol. Hierin kunnen afspraken worden neergelegdover hoe de afstemming tussen beide autoriteiten effectief en tijdigplaatsvindt.Er bestaat al een samenwerkingsprotocol tussen de ACM en de AP, en ditprotocol wordt vernieuwd mede naar aanleiding van de DSA en onder-havig uitvoeringswetsvoorstel. Dit proces is al in werking gezet, en zalvermoedelijk dit jaar worden afgerond. Dit hangt mede af van de datumvan inwerkingtreding van de uitvoeringswet.Bij het vernieuwen van het samenwerkingsprotocol nemen beidetoezichthouders de bestaande en nieuwe wettelijke bevoegdheden vanbeide partijen in ogenschouw en bezien zij over welke onderwerpen(nadere) afspraken moeten worden gemaakt. Dit wordt verder uitgewerktin onderlinge werkafspraken. Van het (aangepaste) protocol wordtmededeling gedaan in de Staatscourant (zie artikel 4.4, derde lid, van hetwetsvoorstel) en op de websites van beide autoriteiten geplaatst.60) Ook vragen deze leden in geval het een situatie betreft waar geenpersoonsgegevens in het geding zijn, hoe de rol van de AP er dan uitziet.AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 734 De AP zal op grond van het uitvoeringswetsvoorstel toezicht houden optwee bepalingen van de verordening die zien op een verbod op profileringmet gebruikmaking van persoonsgegevens. De AP heeft dus geen rolwaar het een situatie betreft waar geen persoonsgegevens in het gedingzijn. In dat geval is het altijd aan de ACM om te reageren op een verzoektot onderzoek, afkomstig van de Europese Commissie of de digitaledien-stencoördinator van een andere lidstaat.5.4. Certificering en toekenning formele statussen 61 en 62) De leden van de NSC-fractie lezen dat de AP advies uitbrengtaan de ACM over of de aanvrager van een onderzoek of inspectie in staatis om persoonsgegevens te beschermen. Daarbij vragen deze leden wat erzou gebeuren in het scenario dat de AP een negatief oordeel hierover velt,terwijl de ACM of de Europese Commissie het onderzoek desondanksalsnog wil uitvoeren. Daarbij vragen deze leden ook waarom hier niet isgekozen voor een bindend advies vanuit de AP. Het is immers zeeronverantwoord om gevoelige gegevens alsnog te delen terwijl de anderepartij deze niet kan beschermen.AntwoordArtikel 40, vierde tot en met twaalfde lid, van de verordening biedt demogelijkheid voor onderzoekers om de status van «erkend onderzoeker»aan te vragen en aan de digitaledienstencoördinator te verzoeken om hentoegang te verlenen tot gegevens van zeer grote onlineplatforms en zeergrote onlinezoekmachines. Een voorwaarde die geldt voor het verkrijgenvan de status van «erkend onderzoeker» en de toegang tot deze gegevens,is dat de onderzoeker in staat is om persoonsgegevens te beschermen.Deze procedure is enkel van toepassing op toegang tot gegevens voorerkende onderzoekers en niet op toegang tot gegevens door de digitale-dienstencoördinator of de Europese Commissie. Dat laatste wordtgeregeld in artikel 40, eerste tot en met derde lid, van de verordening.De ACM is, als aangewezen digitaledienstencoördinator op grond van ditwetsvoorstel, bevoegd om te besluiten over aanvragen tot toekenning vande status van «erkende onderzoeker». Vanwege de positie van de AP alstoezichthoudende autoriteit onder de AVG en hun expertise metbetrekking tot de bescherming van persoonsgegevens, is in hetwetsvoorstel voorzien in een verplicht advies van AP over dit aspect vande aanvraag tot toekenning van de status van «erkende onderzoeker».Gezien het belang van de bescherming van persoonsgegevens en de rolen expertise van AP als toezichthoudende autoriteit op grond van de AVG,ligt het in de rede dat de ACM het advies van AP ter zake in de praktijkaltijd volgt. In het hypothetische geval dat de ACM zou besluiten af tewijken van een dergelijk advies, dan moeten het advies en de dragendemotivering voor afwijking in het (ontwerp)besluit worden opgenomen,zodat de betrokkenen, waaronder de aanbieder van het zeer groteonlineplatform of de zeer grote onlinezoekmachine in kwestie, op dat punthun zienswijze kunnen geven of bezwaar en beroep kunnen instellen. DeAP blijft voorts verder te allen tijde bevoegd om toezicht te houden opnaleving van de Algemene verordening persoonsgegevens bij deuitvoering van het betreffende onderzoek en om tot handhaving over tegaan als zij daarbij overtredingen constateert.Er is tot slot niet gekozen voor een bindend advies, omdat de verordeningvoorschrijft dat het besluit over een aanvraag tot toekenning van de statusvan «erkende onderzoeker» en over de toegang tot gegevens wordtgenomen door de digitaledienstencoördinator, op grond van hetwetsvoorstel de ACM. Ook voor de goede uitvoering van deze taak is hetvolgens het kabinet niet nodig om het advies een bindend karakter teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 735 geven. Tot slot kan worden genoemd dat de Europese Commissie geen rolheeft in deze procedure en zij dus ook kan niet besluiten dat eenonderzoek wel of geen doorgang moet vinden.6. Gegevensuitwisseling 6.1. Samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en met andereautoriteiten 63) Wanneer zal het benoemde samenwerkingsprotocol opgesteldworden en hoe wordt ervoor gezorgd dat er geen overlap is op sommigefronten of juist dat er belangrijke informatie wordt gemist, zo vragen deleden van de VVD-fractie.AntwoordZoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 59, bestaat er al eensamenwerkingsprotocol tussen de ACM en de AP. Dat protocol wordtmede in het kader van de DSA dit jaar nog vernieuwd.64) Hoe wordt ervoor gezorgd dat de samenwerking zorgt voor eenverdeling van de verantwoordelijkheid en niet een dubbele verantwoorde-lijkheid bij beide partijen?AntwoordOp grond van het onderhavige wetsvoorstel worden zowel de ACM als deAP aangewezen als bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van hettoezicht en de handhaving ten aanzien van de digitaledienstenveror-dening. Zoals ook voorgeschreven door de verordening, zijn hun taken inhet uitvoeringswetsvoorstel duidelijk gedefinieerd en afgebakend: de APhoudt toezicht op twee bepalingen van de verordening die zien op eenverbod op profilering met gebruikmaking van persoonsgegevens en deACM op de overige bepalingen. De bevoegdheden van de ACM en de APoverlappen dus niet en er is geen sprake van een dubbele verantwoorde-lijkheid. De verordening schrijft voorts voor dat de bevoegde autoriteitennauw en doeltreffend samenwerken. Dit is in het uitvoeringswetsvoorsteluitgewerkt in een grondslag voor het uitwisselen van gegevens tussen deACM en de AP en in de verplichting dat zij afspraken maken over hunsamenwerking, in de vorm van een samenwerkingsprotocol.6.2 Gegevensuitwisseling 65 en 66) De leden van de VVD-fractie vragen hoe ervoor wordt gezorgddat er voldoende maatregelen zijn genomen om veilig gegevens uit tewisselen tussen beide autoriteiten, doch dat dit ook op een snelle enefficiënte manier gebeurt. Hoe wordt het onderscheid gemaakt tussenwelke informatie wel gedeeld moet worden en welke niet? Op welkemanier komt er een afbakening die duidelijk maakt wanneer bepaaldeprocessen gestart moeten worden? Kan de ACM ook zonder de APbepaalde beslissingen nemen en andersom?AntwoordIn het kader van uitwisselen van meldingen over de DSA dienen de ACMen de AP in eerste instantie gebruik te maken van het Europeesinformatie-uitwisselingssysteem, AGORA. Dit systeem is nog in ontwik-keling en daarom zijn de AP en de ACM in gesprek om hierover tijdelijkewerkafspraken te maken om meldingen op een veilige manier naar elkaarte kunnen doorsturen. Beide autoriteiten beschikken over encryptedsoftware om veilig gegevens met elkaar te kunnen uitwisselen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 736 Ook de overige processen worden neergelegd in praktische werkaf-spraken. Bij deze afspraken wordt zoveel mogelijk rekening gehouden metverschillende situaties om te bepalen welk proces daar het meest passendvoor is. Zo ook voor situaties waarin beide toezichthouders bevoegdkunnen zijn. Bij het certificeren van erkende onderzoekers is bijvoorbeeldsprake van een situatie waar de ACM telkens het besluit over hetcertificeren neemt, terwijl voor de AP een adviesrol is weggelegd.Hierover worden daarom specifieke afspraken gemaakt in het samenwer-kingsprotocol.Daarnaast voorziet het huidige samenwerkingsprotocol, dat ook inantwoord op vraag 63 is benoemd, al in een regeling omtrent hetdoorsturen van relevante informatie betreffende de toezichtsgebieden vande ACM en de AP.6.3. Gegevensuitwisseling tussen de ACM, de politie en het OM 67) De leden van de CDA-fractie lezen dat de verstrekking van politiege-gevens door de politie aan de ACM geschiedt op grond van de Wetpolitiegegevens. De verstrekking van justitiële en strafvorderlijkegegevens door het Openbaar Ministerie zal geschieden op grond van art.39f, lid 1 onder c Wjsg. Deze leden lezen in dat artikel dat op grond vaneen zwaarwegend algemeen belang strafvorderlijke gegevens verstrektkunnen worden met als doeleinde het uitoefenen van toezicht op hetnaleven van regelgeving. Wanneer is in het licht van de DSA sprake vaneen zogenoemd zwaarwegend belang? Deze leden vragen hoe zwaar ditcriterium wordt geacht te zijn.AntwoordHet criterium van een zwaarwegend algemeen belang in de Wet justitiëleen strafvorderlijke gegevens is ontleend op de rechtspraak van hetEuropees Hof voor de Rechten van de Mens. Aan dit criterium is voldaanindien de verstrekking een legitiem doel dient en de verstrekkingnoodzakelijk is in een democratische samenleving. In de context van dedigitaledienstenverordening bestaat het legitiem belang uit het toezicht opde naleving van die verordening. Het vereiste van noodzakelijkheid in eendemocratische samenleving strekt tot een evenredigheidsbeoordeling vande verwerkingsverantwoordelijke. Vanwege het College van procureurs-generaal, als verwerkingsverantwoordelijke van het openbaar ministerie,zal per geval worden beoordeeld of de verstrekking niet verder gaat dangeschikt en noodzakelijk is voor het toezicht op de naleving, en deverstrekking in verhouding staat tot dat doel.68) De leden van de CDA-fractie lezen dat voor het verstrekken vanpolitiegegevens in het kader van onderhavig wetsvoorstel een grondslagwordt opgenomen in het Besluit politiegegevens. Deze leden vragenwanneer deze grondslag zal worden geïmplementeerd en op welkemanier dit wordt vormgegeven.AntwoordIn het Besluit politiegegevens zijn de grondslagen neergelegd voor hetverstrekken van politiegegevens aan derden. Zo is in artikel 4:3, eerste lid,onderdeel s, van het Besluit politiegegevens neergelegd dat politiege-gevens kunnen worden verstrekt aan de ACM voor bepaalde aan haaropgedragen toezichthoudende taken. Het voornemen bestaat de digitale-dienstenverordening toe te voegen aan deze bepaling. Aan dit voornemenwordt gevolg gegeven bij de eerstvolgende gelegenheid. Totdat in eenstructurele verstrekkingsgrondslag is voorzien, kunnen politiegegevens opde voet van artikel 19, onderdeel d, van de Wet politiegegevens aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 737 ACM worden verstrekt voor het toezicht op de naleving van dedigitaledienstenverordening.7. Gevolgen 7.1 Regeldruk en nalevingslasten van de Uitvoeringswet 69) In de verordening wordt genoemd dat deze eventuele regeldruk enkosten op kan leveren voor het bedrijfsleven en tussenhandeldiensten. Deleden van de VVD-fractie begrijpen dat het toezicht van de ACM en de APbelangrijk is en inderdaad druk en kosten op kan leveren. Echter zijn dezeleden benieuwd voor welke partijen deze lasten het zwaarst zullen zijn. Erwordt genoemd dat er geen directe gevolgen zijn voor bedrijfsleven enburgers, maar de leden zijn benieuwd naar hoe deze afweging is gemaakt.Zij verwachten namelijk dat de gevolgen voor ondergenoemde partijenindirect doorspelen naar de burgers. Is de regering het met deze ledeneens dat zij het bedrijfsleven (het mkb in het bijzonder) en burgers moetondersteunen in het beter begrijpen van, en in het voldoen aan, dezeverordening? Waar blijkt dit uit?AntwoordIndien de leden van de VVD-fractie bedoelen te stellen dat de regeldrukef-fecten van de verordening indirect kunnen leiden tot een hogere regeldrukof kosten voor gebruikers van tussenhandeldiensten (burgers enbedrijven) dan is dat inderdaad voorstelbaar. Om naleving te verzekerenmoeten tussenhandeldiensten mogelijk kosten maken of proceduresinrichten. Het kan voorkomen dat die worden doorbelast aan gebruikers ofdat gebruikers aanvullende informatie moeten aanleveren. Zoals alsgevolg van de verplichtingen uit artikel 30 van de verordening, op grondwaarvan aanbieders van onlinemarktplaatsen gehouden zijn om infor-matie van hun zakelijke gebruikers te registreren, waaronder hun contact-en betaalgegevens, identificatiedocumenten en informatie over huneventuele inschrijving in het handelsregister.De regering is het eens met de leden dat het belangrijk is om bedrijven enburgers te ondersteunen in het begrijpen van en het voldoen aan deverordening. Daarbij wordt samengewerkt met de Europese Commissieen de ACM. Zo heeft het kabinet sinds de publicatie van de verordeningop verschillende momenten nieuwsberichten uitgebracht waarbij dekomst en de doelstellingen van de verordening centraal stonden.45 OpOndernemersplein.nl is meer informatie over de verordening geplaatst.46De Europese Commissie heeft uitgebreide informatie op haar websitegeplaatst en via bijvoorbeeld Instagram informatie over de DSAverspreid.47 De ACM heeft diverse nieuwsberichten over de verordeninguitgebracht en werkt aan een leidraad met meer tekst en uitleg over deverordening. Die leidraad is gepubliceerd op haar website. In 2024 wordteen nieuwe versie gepubliceerd, op basis van ontvangen input enervaringen. De ACM heeft ook recent een rondetafelbijeenkomst georgani-seerd over het onderwerp «betrouwbare flaggers», in aanwezigheid van45Zie onder meer https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/02/16/dsa-extra-verantwoordelijkheden-gelden-nu-voor-alle-digitale-diensten, https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/08/25/dsa-verplichtingen-voor-en-toezicht-op-allergrootste-online-platforms-ingegaan, https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/02/17/eu-regelgeving-van-start-extra-verantwoordelijkheden-digitale-diensten, en https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/07/05/gebruiker-profiteert-van-nieuwe-regels-voor-digitale-platforms.46https://ondernemersplein.kvk.nl/wet-dsa-online-diensten/ en https://ondernemersplein.kvk.nl/digital-services-act-dsa-komt-met-nieuwe-regels-voor-digitale-dienstverleners/.47Zie https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/priorities-2019–2024/europe-fit-digital-age/digital-services-act_nl en onder meer https://www.instagram.com/digitaleu/reels/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 738 vertegenwoordigers van diverse online platformen en partijen dieinteresse hebben om trusted flagger te worden.Het is van belang dat bij de publiekscommunicatie over de verordening debetrokken overheden samenwerken en bewust zijn van de rol die zijvervullen. Het kabinet steunt de ACM hierin door samenwerking metandere toezichthouders te faciliteren en waar nodig informatie te gevenover de DSA.48 Nu de verordening in de uitvoeringsfase is gekomen ligthet primaat om tekst en uitleg te geven over de rechten en verplichtingenvan de verordening bij de toezichthouders. Het kabinet wil voorkomen datzij bij het verspreiden van informatie over de verordening de toezicht-houders bij de uitvoering van hun taken onbedoeld in de weg zit.7.2 Uitvoeringslasten direct voortvloeiend uit de verordening 70) Het stemt de leden van de VVD-fractie positief te lezen dat de directekosten voor aanbieders van tussenhandeldiensten volgens de impact-analyse verder in verhouding staan tot de omvang en het bereik van detussenhandeldienst, evenals de notie dat de uitzonderingen voor het mkbverder voorkomen dat de verordening hoge toetredingsdrempels creëertwaardoor de bestaande marktpartijen indirect beschermd zouden wordentegen nieuwe concurrenten. Echter vragen deze leden in hoeverre deregering hierin in acht heeft genomen dat veel mkb’ers vaak intensiefsamen werken met grotere partijen die lasten en kosten zullen onder-vinden van deze verordening. Zal de verordening en de gevolgen hiervanniet indirect ook grote gevolgen hebben voor de uitgesloten partijen zoalshet mkb? Waar blijkt dit uit?AntwoordDe naleving van de verordening kan lasten en kosten veroorzaken voor deaanbieders die er onder vallen. Dat kan onder meer bestaan in deinrichting van procedures zoals een meldingsmechanisme (artikel 16 vande verordening) of het opvragen van informatie van handelaren op onlinemarktplaatsen (artikel 30 van de verordening). Daaraan meewerken of eruitvoering aan geven kan indirect gevolgen hebben voor het mkb datactief is op online platforms. Daar staat wel tegenover dat mkb-ers diesamenwerken met online platforms, bijvoorbeeld door er actief te zijn alshandelaar of maker, over het algemeen ook een «afnemer van de dienst»zijn in de zin van artikel 3, onder b, van de verordening, en daardoorprofiteren van de rechten die de verordening creëert voor bijvoorbeeldconsumenten.8. Adviezen en consultatie 8.1 UHT AP 71) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verrast te lezen dat deAP een verkeerde inschatting heeft gemaakt ten aanzien van het budgetdat zij verwacht nodig te hebben voor de uitvoering van haar taken dievolgen naar aanleiding van deze wet. Kan de regering aangeven wat degevolgen zijn van het te lage budget dat structureel beschikbaar isgemaakt voor de AP? Betekent dit dat de AP niet in staat is om (internati-onaal) onderzoek te doen? Kan de AP in dat geval nog wel effectief engoed toezicht houden?Antwoord48Deze werkzaamheden zien ook op andere nieuwe EU-regelgeving, zoals de Data GovernanceAct en de Data Act.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 739 De AP heeft aangegeven dat ze met de vooralsnog beschikbaar gesteldemiddelen inderdaad niet in staat is om (internationaal) onderzoek teverrichten. Daarvoor stelt zij 2 fte meer nodig te hebben. Dit heeftgevolgen voor het toezicht van de AP. De AP geeft aan dat zij hierdoor zalmoeten prioriteren in de taken die zij onder de DSA zal kunnen uitvoeren.Omdat het doen van onderzoek arbeidsintensief is, zal er naarverwachting minder onderzoek plaats kunnen vinden dan de AP nodigacht. De AP gaat hier in haar ambtsbericht naar aanleiding van deze notanader op in. Er is met de AP afgesproken dat er gedurende 2024 regel-matig wordt gesproken om een zo goed mogelijk beeld te ontwikkelen vande last die het toezicht de AP oplevert en zo te kunnen beoordelen ofaanvullende middelen nodig zijn. Indien nodig en mogelijk kan bijVoorjaarsnota 2025 worden besloten om de AP aanvullende middelen teverstrekken vanaf 2025.72) Kan de regering aangeven of het verwacht dat het budget van de APverhoogd kan worden naar het niveau waarvan de AP aangeeft het nodigte hebben om effectief en goed toezicht te kunnen houden en te kunnenhandhaven?AntwoordDe regering heeft nog geen besluit genomen over het eventueeluitbreiden van de structurele financiering van de AP. Indien nodig enmogelijk kan bij Voorjaarsnota 2025 worden besloten om de AP aanvul-lende middelen te verstrekken vanaf 2025.73) De leden van de D66-fractie constateren dat de AP verwacht 6,6 FTEnodig te hebben, wat resulteert in € 977,000 aan extra lasten. Er wordtechter slechts € 517,000 structureel beschikbaar gesteld. Kan de regeringingaan op het verhogen van de structurele financiering van de AP voorhet houden van toezicht op deze verordening?AntwoordDe AP heeft 6,6 fte structureel aangevraagd vanaf 2025, maar 3,2 fte (lees:517.000 euro) toegezegd gekregen door EZK. Zoals in de antwoorden opvraag 72 en 73 is beschreven is er een afspraak gemaakt met de AP zodater, indien nodig en mogelijk, bij Voorjaarsnota 2025 kan worden beslotenom de AP aanvullende middelen te verstrekken vanaf 2025.8.2 Advies OM 74) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij te lezen dat ook deCommissie inziet dat een nadere duiding van het begrip «strafbaar feitwaarbij het leven of de veiligheid van personen in het geding is» wenselijkis en dat zij heeft aangegeven nadere handvatten te willen bieden. Kan deregering aangeven op welke termijn zij verwacht dat de Commissie dezehandvatten kan bieden?AntwoordOp 2 mei jl. heeft de Europese Commissie de lidstaten verzocht ominformatie te leveren die de eerste stap vormt in de uitvoering van artikel18 van de verordening. De Europese Commissie vraagt de lidstaten daarinonder meer om contactgegevens te verstrekken van de autoriteit(en) waardeze meldingen gedaan moeten worden met het oog om het doen vanmeldingen door aanbieders van hostingdiensten en online platforms tefaciliteren. De Europese Commissie stelt daarin ook voor om de relevanteautoriteiten bij elkaar te brengen om dit vraagstuk verder uit te werken. Eris niet bekend op welke termijn dit tot resultaten moet leiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 740 75) Kan de regering tevens aangeven wat haar eigen visie is op dit punten of zij van plan is om bij de Commissie deze zienswijze kenbaar temaken, zodat de Commissie dit ter overweging kan meenemen? Zo nee,waarom niet?AntwoordHet begrip «strafbaar feit waarbij het leven of veiligheid van een persoonof personen wordt bedreigd» is een autonoom Unierechtelijk begrip. Hetis uiteindelijk aan het Hof van Justitie om daar uitleg aan te geven. Deregering wil hier geen verdere uitspraken over doen om te voorkomen datzij een uitleg aan het begrip geeft die mogelijk niet blijkt te stroken met denadere uitleg waar de Europese Commissie aan werkt. Overweging 56 bijde verordening maakt in ieder geval duidelijk dat het gaat om zeerernstige strafbare feiten. De overweging noemt als voorbeelden vandergelijke strafbare feiten mensenhandel, seksueel misbruik, seksueleuitbuiting van kinderen, kinderpornografie en terrorisme.76) In hoeverre is er nu een uniforme duiding over wat een «strafbaar feitwaarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd», zovragen de leden van de D66-fractie naar aanleiding van de bijdrage vanhet Openbaar Ministerie (OM).AntwoordBuiten de voorbeelden die in overweging 56 van de verordening zijngegeven is er nog geen verdere uniforme duiding over hetgeen eenstrafbaar feit is waarbij het leven of veiligheid van een persoon ofpersonen wordt bedreigd in de zin van artikel 18 van de verordening.8.3. Toezicht en grensoverschrijdende bevoegdheid 77) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voorzien problemen doorhet feit dat de AP niet bij andere digitaledienstencoördinatoren verzoekenvoor informatie of verzoeken om hun onderzoeksbevoegdheden uit teoefenen kan doen. Kan de regering aangeven of de ACM deze verzoekennamens de AP kan doen bij andere digitaledienstencoördinatoren?Voorziet de regering hier problemen in en wat zijn mogelijke oplossingen?AntwoordDe bevoegdheid om een verzoek om informatie te doen of een verzoekom de nodige onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen komtinderdaad toe aan de digitaledienstencoördinatoren. Dit sluit aan bij hunverantwoordelijkheid voor de coördinatie op nationaal niveau in verbandmet kwesties rond het toezicht op de naleving en de handhaving van deverordening en hun samenwerking op Europees niveau. Deze verantwoor-delijkheid sluit niet uit dat andere bevoegde nationale autoriteiten, zoals inNederland de AP, in deze procedures een rol kunnen spelen. Vooronderzoeken in het kader van eventuele inbreuken op de onderdelen vande verordening ten aanzien waarvan de AP toezichthouder is, ligt het in derede dat de ACM verzoeken om informatie of het nemen van de nodigeonderzoeks- en handhavingsmaatregelen aan digitaledienstencoördina-toren doet op verzoek van de AP. De ACM en de AP kunnen hieroverafspraken maken in het door het wetsvoorstel voorgeschreven samenwer-kingsprotocol. Het kabinet voorziet op dit punt geen problemen.78) Betekent dit tevens dat de ACM geen verzoeken kan indienen bij –bijvoorbeeld – de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit indien deBelgische regering heeft besloten om (net als Nederland) een deel van detaken van de digitaledienstencoördinator (bijvoorbeeld de BelgischeMededingingsautoriteit) te delegeren naar de Belgische Gegevensbe-schermingsautoriteit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 741 AntwoordDe bevoegdheid om een verzoek om informatie te doen of een verzoekom de nodige onderzoeks- en handhavingsmaatregelen te nemen komtinderdaad toe aan de digitaledienstencoördinatoren. Dit sluit aan bij hunverantwoordelijkheid voor de coördinatie op nationaal niveau in verbandmet kwesties rond het toezicht op de naleving en de handhaving van deverordening en hun samenwerking op Europees niveau. Deze verantwoor-delijkheid sluit niet uit dat andere bevoegde nationale autoriteiten, zoals inNederland de AP, in deze procedures een rol kunnen spelen. Vooronderzoeken in het kader van eventuele inbreuken op de onderdelen vande verordening ten aanzien waarvan de AP toezichthouder is, ligt het in derede dat de ACM verzoeken om informatie of het nemen van de nodigeonderzoeks- en handhavingsmaatregelen aan digitaledienstencoördina-toren doet op verzoek van de AP. De ACM en de AP kunnen hieroverafspraken maken in het door het wetsvoorstel voorgeschreven samenwer-kingsprotocol. Het kabinet voorziet op dit punt geen problemen.OVERIG 79) De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering expliciet in te gaanop de term «opruiing».AntwoordDe term «opruiing» wordt niet gebruikt in de digitaledienstenverordeningof in het uitvoeringswetsvoorstel. Ook wordt de term niet genoemd in dememorie van toelichting bij het wetsvoorstel. «Opruiing» wordt als termgebruikt in het strafrecht, waarbij het gaat om het in het openbaar,mondeling of bij geschrift of afbeelding, opruien tot een strafbaar feit oftot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (artikel 131 van hetWetboek van Strafrecht). Naar Nederlands recht vormt opruiing in dezezin dus een strafbaar feit. Tegen online informatie die valt binnen dewerkingssfeer van het Nederlandse strafrecht en die voldoet aan deelementen van de strafrechtelijke definitie van «opruiing», kan dusstrafvorderlijk worden opgetreden. Ter illustratie kan er verder opgewezen worden dat online materiaal, dat aanzet tot het plegen van eenterroristisch misdrijf onder de verordening terroristische inhoud, onderdie verordening wordt beschouwd als «terroristische inhoud» waartegenop grond van die verordening kan worden opgetreden. In Nederlandgebeurt dat in het kader van de Uitvoeringswet verordening terroristischeinhoud. De betreffende online informatie is in deze gevallen ook tebeschouwen als «illegale inhoud» in het kader van de digitaledienstenver-ordening. Aanbieders van tussenhandeldiensten moeten aan de verplich-tingen van de verordening voldoen met betrekking tot dit soort illegaleinhoud, zoals het instellen van een gemakkelijk toegankelijk en gebruiks-vriendelijk kennisgevings- en actiemechanisme.80) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering om tereflecteren op de invloed van de DSA op twee specifieke casussen. Deeerste casus betreft een website die specifiek gericht is op deepfakeporno-grafie. Hierop bevinden zich dan ook talloze pornografische filmpjes,gemaakt met deepfaketechnologie, van bekende Nederlanders en politici.Deze website wordt niet gehost door een bedrijf dat zich bevindt binnende Europese Unie, heeft geen wettelijk vertegenwoordiger in de EU enreageert niet op e-mailcommunicatie. Welke mogelijkheden biedt de DSAde digitaledienstencoördinator, in dit geval de ACM, om op te tredentegen een dergelijke website die overduidelijk illegale content plaatst engebruikers aanmoedigt om zo veel mogelijk van dergelijke content teplaatsen? Kan de regering aangeven wat de escalatieladder is van de ACMen of de DSA uiteindelijk mogelijkheden biedt om dit soort websites teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 742 laten blokkeren? Welke mogelijkheden en verantwoordelijkheden hebbenslachtoffers zelf?AntwoordAls een aanbieder van een tussenhandeldienst buiten de Europese Unie isgevestigd en geen wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen, danbeschikken alle lidstaten en, indien de aanbieder een zeer groot onlineplatform of zeer grote online zoekmachine is, de Europese Commissie,over de bevoegdheid tot toezicht en handhaving van de digitalediensten-verordening. Dat betekent dat de ACM, indien geen sprake is van eensituatie waarin de Europese Commissie exclusief bevoegd is, ook overdeze bevoegdheid beschikt.Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het hierbij gaat om de nalevingvan de verplichtingen uit de digitaledienstenverordening, zoals hetzorgvuldig nemen van besluiten over inhoudsmoderatie en het hebbenvan een effectief kennisgevings- en actiemechanisme. De verordeningbiedt dus geen grondslag voor de ACM om op te treden tegen de feitenzoals genoemd in de vraag of om de aanbieder van de onlinedienst inkwestie te sanctioneren voor het opslaan of verspreiden van dergelijkmateriaal. In het antwoord op vraag 8 is ingegaan op de mogelijkhedendie buiten de digitaledienstenverordening bestaan om op treden tegen deverspreiding van dit type illegale inhoud.De verplichtingen uit de verordening bieden echter wel aanvullendemogelijkheden om op te treden tegen een website die, zoals in de vraagwordt gesteld, overduidelijk illegale content plaatst en gebruikersaanmoedigt om zo veel mogelijk van dergelijke content te plaatsen.Indien de ACM constateert dat de aanbieder in kwestie inbreuk maakt opde verplichtingen van de DSA, dan dient zij eerst gebruik te maken van dein artikel 51, eerste en tweede lid, van de verordening genoemdeonderzoeks- en handhavingsbevoegdheden, waaronder de bevoegdheidom remedies, dwangsommen en boetes aan aanbieders op te leggen. Alseen aanbieder niet in de Unie is gevestigd, geen wettelijke vertegenwoor-diger heeft aangewezen en ook niet reageert op communicatie van deACM, dan kan worden aangenomen dat de inzet van deze bevoegdhedenniet voldoende zal zijn om de inbreuken te beëindigen. In dat geval biedtartikel 53, derde lid, van de verordening aanvullende bevoegdheden voorde ACM. Voorwaarde is wel dat er sprake is van «ernstige schade», dienaast uitoefening van de bovengenoemde bevoegdheden, ook niet kanworden vermeden door de uitoefening van bevoegdheden buiten hetkader van de digitaledienstenverordening. Daarbij kan bijvoorbeeldgedacht worden aan bevoegdheden in het kader van het strafrecht, tegende gebruikers die de illegale inhoud plaatsen of tegen de aanbieder vande onlinedienst.49 Is dat naar oordeel van de ACM het geval, dan kan zijeerst eisen dat het leidinggevend personeel van de aanbieder onverwijldeen actieplan opstelt om de inbreuk te beëindigen.Als de inbreuk dan alsnog blijft bestaan en de inbreuk bovendienneerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid vanpersonen wordt bedreigd, dan kan de ACM, na het verkrijgen van eenmachtiging van de rechter-commissaris, besluiten dat de toegang tot dewebsite in kwestie tijdelijk wordt beperkt (zie de artikelen 2.5, eerste lid,onderdeel c, en 2.6 van het wetsvoorstel). Deze maatregel houdt in dat detoegang tijdelijk wordt beperkt van afnemers tot de gehele dienst die bij49Zie ook de brief van de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Justitie enVeiligheid over de regulering van deepfakes en immersieve technologieën (Kamerstukken II,2022/23, 26 643, nr. 1041).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 743 de inbreuk is betrokken, of tot de online-interface daarvan. Bij dit laatstekan worden gedacht aan het laten blokkeren van de website die toegangbiedt tot de betreffende tussenhandeldienst. De maatregel kan niet alleenworden opgelegd aan de aanbieder van de tussenhandeldienst die deverordening overtreedt, maar ook aan een derde die technisch in staat isom de maatregelen uit te voeren. Dat kan een internetprovider, eenaanbieder van een hostingdienst, een aanbieder van een online platformzoals een app-store, of andere dienstaanbieder in de keten zijn.Zoals is opgemerkt in het antwoord op vraag 74 van de leden van uwfractie, bestaat er op dit moment nog geen duidelijkheid over dereikwijdte van het begrip «strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheidvan personen wordt bedreigd». De Europese Commissie zal daarover nognadere duidelijkheid gaan verschaffen. Op dit moment is dan ook niet aante geven of het online verspreiden van deepfakepornografie binnen dereikwijdte van dat begrip valt en of de bevoegdheid tot het tijdelijkblokkeren van websites toegepast kan worden ten aanzien van inbreukenop de verordening die met dat type illegale inhoud samenhangen.Slachtoffers van dit type illegale inhoud hebben op grond van deverordening de mogelijkheid om bij de ACM een klacht in te dienen tegende desbetreffende aanbieder wegens vermeende inbreuk op de verplich-tingen van de verordening. Daarnaast kan een slachtoffer bij de civielerechter een procedure starten tegen deze aanbieder, omdat dezeonrechtmatig handelt jegens hem of haar door de verplichtingen van deverordening te overtreden. Voor een beschrijving van de overigemogelijkheden buiten de digitaledienstenverordening voor het slachtofferom op te treden tegen dit type illegale inhoud zij verwezen naar de briefvan de Minister voor Rechtsbescherming en de Minister van Justitie enVeiligheid over de regulering van deepfakes en immersieve technolo-gieën.5081) De tweede casus betreft «exposegroepen» en groepen waarin drugswordt verkocht op Telegram. Soms betreft dit openbare groepen, somsbetreft dit besloten groepen. Telegram heeft inmiddels een wettelijkevertegenwoordiger in België. Kan de regering aangeven welke middelende DSA biedt om op te treden tegen dergelijke exposegroepen en groepenwaarin drugs wordt verkocht op Telegram? Kan de regering aangeven watde mogelijkheden zijn indien Telegram niet meewerkt met opgelegdemaatregelen?AntwoordDe vraag maakt terecht een onderscheid tussen openbare en beslotengroepen op Telegram. De applicatie Telegram bestaat namelijk uitverschillende diensten die anders gekwalificeerd moeten worden onderde verordening. De bepalingen van de verordening zijn alleen vantoepassing op de diensten van een aanbieder die kwalificeren alstussenhandeldienst en niet op andere diensten van de aanbieder die geentussenhandeldiensten zijn (overweging 15 bij de verordening). In hetgeval dat een aanbieder verschillende soorten tussenhandeldienstenaanbiedt, zijn op elke specifieke tussenhandeldienst van die aanbiederalleen die bepalingen van toepassing die gelden voor dat type tussenhan-deldienst.De applicatie Telegram maakt besloten communicatie tussen één ofmeerdere gebruikers mogelijk, maar ook openbare communicatie waarbijinformatie in een openbare groep beschikbaar wordt gemaakt voor eenmogelijk onbeperkt aantal derden. De besloten communicatie moet50Kamerstukken II, 2022/23, 26 643, nr. 1041, blz. 3–4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 744 worden beschouwd als interpersoonlijke communicatiedienst in de zinvan artikel 2, onder 5, van richtlijn 2018/1972/EU. Net zoals bijvoorbeeldde diensten van WhatsApp, Skype en Signal. Uit overweging 14 van deverordening blijkt dat interpersoonlijke communicatiediensten niet onderde definitie van een online platform vallen. Openbare groepen kwalifi-ceren mogelijk wel als online platform in de zin van artikel 3, onderdeel i,van de verordening). De informatie in die groepen wordt op verzoek vangebruikers opgeslagen en verspreid bij het publiek. Verspreiding bij hetpubliek wordt in artikel 3, onderdeel k, van de verordening namelijkgedefinieerd als «het op verzoek van de informatieverstrekkende afnemervan de dienst beschikbaar stellen van informatie aan een mogelijkonbeperkt aantal derden». Dat lijkt voor openbare groepen op Telegramhet geval.Indien in de toezichtspraktijk en de rechtspraak dezelfde kwalificatie aande verschillende diensten van de applicatie Telegram gegeven wordt, danzijn de verplichtingen voor online platforms uit de verordening vantoepassing op de openbare groepen van Telegram. Dit betekent ondermeer dat Telegram een contactpersoon moet hebben voor lidstatelijkeautoriteiten, de digitaledienstenraad, en de Europese Commissie (artikel11 van de verordening). Er moet verder een mechanisme zijn waarmeeillegale inhoud bij Telegram kan worden gemeld (artikel 16 van deverordening) waarbij meldingen van «betrouwbare flaggers» prioritair enonverwijld moeten worden verwerkt en afgehandeld (artikel 22 van deverordening). Er moet tevens beleid worden ontwikkeld om misbruik tebestrijden en gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreidenmoeten voor een redelijke periode worden geschorst (artikel 23 van deverordening). Mocht het gebruik van openbare groepen ooit de grens van45 miljoen maandelijks actieve gebruikers in de EU overschrijden dan kande Europese Commissie deze dienst van Telegram aanwijzen als «zeergroot online platform» waardoor ook de verplichtingen voor die dienstenvan toepassing worden.De Belgische digitaledienstencoördinator is de bevoegd toezichthoudervoor de online platformdienst van Telegram en moet toezien op nalevingvan de verordening. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de(samenwerkings)mechanismen die in het antwoord op vraag 53 zijnbeschreven. Indien een digitaledienstencoördinator constateert dat eenaanbieder inbreuk maakt op de verplichtingen van de DSA, dan dient zijeerst gebruik te maken van de in artikel 51, eerste en tweede lid, van deverordening genoemde onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden,waaronder de bevoegdheid om remedies, dwangsommen en boetes aanaanbieders op te leggen. In het geval de inzet van deze bevoegdhedenniet voldoende is om de inbreuken te beëindigen, biedt artikel 53, derdelid, van de verordening aanvullende bevoegdheden voor de digitaledien-stencooördinator. Voorwaarde is wel dat er sprake is van «ernstigeschade», die naast uitoefening van de bovengenoemde bevoegdheden,ook niet kan worden vermeden door de uitoefening van bevoegdhedenbuiten het kader van de digitaledienstenverordening. Daarbij kanbijvoorbeeld gedacht worden aan bevoegdheden in het kader van hetstrafrecht, tegen de gebruikers die de illegale inhoud plaatsen of tegen deaanbieder van de onlinedienst. Is dat het geval, dan kan de digitaledien-stencoördinator eerst eisen dat het leidinggevend personeel van deaanbieder onverwijld een actieplan opstelt om de inbreuk te beëindigen.Als de inbreuk dan alsnog blijft bestaan en de inbreuk bovendienneerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid vanpersonen wordt bedreigd, dan kan de digitaledienstencoördinator, naTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 745 tussenkomst van de bevoegde gerechtelijke autoriteit, de toegang tot dewebsite in kwestie tijdelijk beperken. Zie hiervoor nader het antwoord opvraag 80.De Minister van Economische Zaken en Klimaat,M.A.M. AdriaansensTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 531, nr. 746
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.