Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 588Wijziging van de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies in verband met actualisering vanenkele bepalingen ten behoeve van een betereaansluiting op de gewenste en gangbarepraktijk, alsook enkele wijzigingen vanondergeschikte aard en herstel vanwetstechnische gebreken in andere wetten ophet terrein van het Ministerie van EconomischeZaken en Klimaat (Wijziging van de KaderwetEZK- en LNV-subsidies en enkele andere wettenop het terrein van EZK 20..)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I. ALGEMEEN 1. Aanleiding, doel en inhoud Met dit wetsvoorstel wordt een aantal aanpassingen doorgevoerd in deAanbestedingswet 2012, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb),de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (hierna: InstellingswetACM), de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, de Mededingingswet deTelecommunicatiewet, de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek ende Wet marktordening gezondheidszorg. Hierbij kan een onderscheidgemaakt worden tussen enerzijds inhoudelijke aanpassingen en ander-zijds corrigerende, verduidelijkende en actualiserende aanpassingen.Allereest wordt met dit wetsvoorstel beoogd om enkele verduidelijkendeen inhoudelijke aanpassingen door te voren in de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies. Er wordt voorgesteld om de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies te actualiseren in verband met de portefeuilleverdelingtussen de betrokken Ministers, alsook ontwikkelingen op het gebied vanhet elektronisch verstrekken van gegevens in het kader van het subsi-dieproces en het registreren van gegevens ten behoeve van hetvoorkomen van misbruik van subsidies.Ten tweede wordt in de Awb een inhoudelijke aanpassing doorgevoerd.Het betreft harmonisatie van de instantie waar beroep kan wordeningesteld tegen twee verschillende typen besluiten van de AutoriteitConsument en Markt (hierna: ACM). Het eerste type besluit betreft hetzogenaamde inhoudelijke besluit waarbij de ACM bijvoorbeeldhandhavend optreedt door het opleggen van een boete aan een onder-neming wegens overtreding van bepaalde regels. In aanvulling daaropkan de ACM zogenaamde openbaarmakingsbesluiten nemen waarin kst-36588-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 31 bepaald wordt wanneer en op welke wijze het voorgaande inhoudelijkebesluit openbaar wordt gemaakt. Tegen beide typen besluiten staat vooreen onderneming beroep open bij verschillende bestuursrechters.Voorgesteld wordt om de Awb aan te passen, zodat in het vervolg voorbeide typen besluiten bij dezelfde bestuursrechter beroep of hoger beroepkan worden ingesteld.Tot slot wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Aanbeste-dingswet 2012 in overeenstemming te brengen met de gangbare praktijkbij het weigeren van een Gedragsverklaring Aanbesteden (hierna: GVA) enenkele omissies te corrigeren in de Instellingswet ACM, de Wet marktor-dening gezondheidszorg en Telecommunicatiewet, alsook de Mededin-gingswet en de Telecommunicatiewet te harmoniseren met Europeseregelgeving. Ook worden in de Wet op het Centraal bureau voor destatistiek de termijnen aangepast waarbinnen de indiening engoedkeuring van het werkprogramma van het Centraal bureau voor destatistiek (hierna: CBS) moeten plaatsvinden. Tot slot wordt in de Wetveiligheidstoets investeringen, fusies en overnames een verduidelijkendeverbetering opgenomen in artikel 6 van die wet.Voor zover de voorgaande aanpassingen een beleidsterrein van eenandere Minister dan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK)raken, zijn de voorgestelde wijzigingen met desbetreffende betrokkenMinisters afgestemd.2. Gevolgen van dit wetsvoorstel 2.1 Gevolgen voor de rechtelijke macht en ondernemingen Als gevolg van de aanpassing van bijlage 2 van de Awb geldt in hetvervolg voor inhoudelijke besluiten en bijbehorende openbaarmakingsbe-sluiten dezelfde rechtsgang. Met deze aanpassing wordt voorkomen datprocedures over de inhoudelijke besluiten bij het College van Beroep voorhet bedrijfsleven (CBb) worden opgehouden door nog lopende proce-dures over openbaarmakingsbesluiten bij de rechtbank Rotterdam. Ookwordt een verschil in uitkomsten tussen de beroepsprocedures bijverschillende rechters zoveel mogelijk voorkomen. Voor de verdereachtergrond bij deze harmonisatie van de voormelde beroepsproceduresen de gevolgen wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting opartikel II.2.2 Gevolgen voor aanbieders en gebruikers van telecommunicatienet-werken of diensten Artikel 11.2a van de Telecommunicatiewet wordt van toepassing op alleelektronische communicatienetwerken en diensten en wordt geharmoni-seerd met een Europese richtlijn, zodat het communicatiegeheim – hetverbod om communicatie via een elektronisch communicatienetwerk ofvia een elektronische communicatiedienst af te tappen, af te luisteren ofanderszins te onderscheppen of te controleren – in het vervolg vantoepassing is op een ieder, in plaats van uitsluitend op een aanbieder vanhet elektronische communicatienetwerk of de dienst. Daarnaast moet inhet vervolg het communicatiegeheim van een bredere groep gewaar-borgd worden, namelijk de gebruiker (degene die daadwerkelijk betrokkenis bij de communicatie) in plaats van de abonnee (degene die een contractmet de aanbieder heeft). De verwachting is dat voormelde aanpassingenzullen leiden tot een betere bescherming van de communicatie, en dus deprivacy van de gebruikers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 32 2.3 Gevolgen voor de regeldruk De in dit wetsvoorstel opgenomen harmonisatie van de beroepsproce-dures tegen inhoudelijke en openbaarmakingsbesluiten van de ACM inbijlage 2 van de Awb leidt niet tot een toe- of afname van de administra-tieve lasten voor ondernemingen in de primaire besluitvormingsfase.Daarnaast leiden de voormelde aanpassingen van de overige wetten niettot een toe- of afname van de administratieve lasten van de (potentiële)adressanten of gebruikers van deze wetten:•De wijziging van de Aanbestedingswet 2012 betreft het in overeen-stemming brengen van deze wet met de gangbare praktijk bij hetweigeren van een GVA.•De wijziging van de Instellingswet ACM en de Wet marktordeninggezondheidszorg betreft het herstel van onjuiste verwijzingen.•De aanpassing van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies is grotendeelstechnisch van aard en bevat geringe inhoudelijke wijzigingen, dievooral voor de uitvoering van de wet- en regelgeving door deambtenaren binnen het desbetreffende Ministerie van belang is. Ookzal er meer specifiek geen toe- of afname van de administratieve lastenplaatsvinden voor subsidieaanvragers die subsidieaanvragen kunnenindienen op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, inclusiefdaaronder liggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriëleregelingen. Daarnaast is de verwachting dat het aantal ingediende engehonoreerde subsidieaanvragen niet zullen toenemen als gevolg vanvoormelde aanpassingen, die de reeds gangbare praktijk voortzetten.•De wijziging van de Mededingingswet betreft de harmonisatie metEuropese regelgeving, zodat het verbod op misbruik van een economi-sche machtspositie hiermee weer in lijn zal zijn.•De wijziging van de Telecommunicatiewet betreft het herstel van eenfoutieve verwijzing, actualisatie van verwijzingen en de harmonisatiemet de Europese regelgeving (met name e-privacyrichtlijn) en zorgtvoor een betere bescherming van de gebruikers van telecommunica-tiemiddelen.•De wijziging van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiekbetreft de aanpassing van de termijnen waarbinnen de indiening engoedkeuring van het werkprogramma van het CBS moet plaatsvinden.Deze aanpassing zorgt niet voor extra administratieve lasten, maargeeft het CBS juist meer tijd om het werkprogramma voor te bereidenen vervolgens in te dienen bij de Minister van EZK, die op zijn beurt opeen later moment het werkplan mag beoordelen.•De wijziging van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies enovernames bevat een verduidelijkende verbetering van de tekst vanartikel 6 van die wet.2.4 Gevolgen gegevensverwerking In het nieuwe artikel 7a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies wordt eengrondslag opgenomen voor de registratie bij misbruik van subsidies. Hetopnemen van gegevens in de registratie brengt een inbreuk op het rechtop eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerdemet zich mee. Deze is echter noodzakelijk in het belang van de correctebesteding van overheidsmiddelen en ook proportioneel, omdat alleengegevens van de geregistreerde in de registratie worden opgenomen inde gelimiteerde gevallen als bedoeld in artikel 7a, tweede lid. Daarnaastworden slechts enkele gegevens geregistreerd en deze registratie dientalleen voor departementaal gebruik op het beleidsterrein van debetrokken Minister van het Ministerie van EZK of het Ministerie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 33 Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)1. Daarbij mogen degeregistreerde gegevens, die verband houden met misbruik van eensubsidie niet gebruikt worden ten behoeve van de voorkoming vanmisbruik bij de verstrekking van een volgende subsidie op grond van eenandere subsidieregeling of op grond van een andere subsidiemodule vandezelfde subsidieregeling die op een heel ander beleidsterrein ligt.Daarom is de registratie uitsluitend bestemd om misbruik te voorkomenbij toekomstige subsidieverstrekking voor hetzelfde (subsidie(doel) datdaarmee verenigbaar is. Er is dan ook geen lichter middel beschikbaar omhet beoogde doel van «het voorkomen van misbruik van subsidies» tebereiken.3. Consultatie 3.1 Consultatie Raad voor de rechtspraak betreffende de aanpassing vanbijlage 2 van de Awb Voor de gevolgen van de aanpassing van bijlage 2 van de Awb (artikel II)voor de rechtelijke macht is op 17 maart 2023 advies gevraagd aan deRaad voor de rechtspraak (Rvdr), zodat advies uitgebracht kon wordenover de effecten van de harmonisatie op de lasten voor de rechtspleging,in het bijzonder bij het CBb.In het advies2, dat volgde op 17 mei 2023, geeft De Rvdr aan dat hetuitgangspunt is dat rechtspraak in twee feitelijke instanties moetplaatsvinden en dat voor uitzonderingen hierop een deugdelijkemotivering gegeven moet worden. Voor de beoordeling van de keuze ombestuursrechtelijke beroepszaken te concentreren bij één gerechtelijkeinstantie (in plaats van bij twee gerechtelijke instanties), zoekt de Rvdraansluiting bij haar Toetsingskader wettelijke concentratie dat is vastge-steld op 21 september 2011. Hieruit volgt dat concentratie (lees: recht-spraak in slechts één instantie) mogelijk is als er specifieke deskundigheidis vereist voor de behandeling van de beroepszaken en het gaat om eenbeperkt aantal zaken per jaar. De Rvdr ziet het belang van voormeldeaanpassing van bijlage 2 van de Awb. De Rvdr onderschrijft dan ook dekeuze om de toetsing van de openbaarmakingsbesluiten in de gevallen,genoemd in artikel I van deze memorie van toelichting, in eerste en enigeaanleg te concentreren bij het CBb, in plaats van in eerste aanleg bij derechtbank Rotterdam en in hoger beroep bij het CBb. Daarbij acht de Rvdrhet van belang dat het thans gaat om een zeer klein aantal zaken waarinde rechtbank Rotterdam zich (vaak in het kader van een voorlopigevoorzieningsprocedure) moet uitlaten over zeer gespecialiseerde materiewaarover deze rechtbank inhoudelijk niet, maar het CBb wel bevoegd is teoordelen. Ook geeft de Rvdr aan dat het Wetsvoorstel naar verwachtingniet zal leiden tot substantiële werklastgevolgen voor de Rechtspraak.De Rvdr kan zich dan ook verenigen met de voorgestelde wijziging vanbijlage 2 van de Awb in het onderhavige Wetsvoorstel en spreektdaarvoor zijn waardering uit.3.2 Consultatie van de Autoriteit Persoonsgegevens betreffende deinvoering van artikel 7a van de Kaderwet EZK-en LNV-subsidies Vanwege de invoering van artikel 7a in de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies (artikel IV, onderdeel E) is advies gevraagd aan de AutoriteitPersoonsgegevens (hierna: AP). De AP adviseert op grond van artikel 36,1Zie voor de afbakening van «Onze Minister» artikel 1 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.2Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 34 vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming3 (hierna:AVG) over de effecten van de verwerking van persoonsgegevens. De APheeft op 11 januari 2024 zijn advies uitgebracht4.Allereest gaat de AP in op de reikwijdte van het gebruik van de geregis-treerde gegevens. Hierbij is van belang dat de registratie alleen bestemdis voor departementaal gebruik op de beleidsterreinen van de betrokkenMinister van het Ministerie van EZK of het Ministerie van LNV. Daarbijbepaalde het conceptwetsvoorstel aanvankelijk dat de geregistreerdegegevens, die verband houden met misbruik van een subsidie, nietgebruikt mochten worden ten behoeve van de voorkoming van misbruikbij de verstrekking van een volgende subsidie op grond van een anderesubsidieregeling of op grond van een andere subsidiemodule vandezelfde subsidieregeling die een heel ander doel had. De achtergrond bijdeze bepaling was dat het onderscheid tussen de doelen van subsidies inde regel eenvoudiger te maken zou zijn in het geval een volgende subsidieverstrekt zou worden op grond van een andere (kleine) subsidieregeling,maar dat er meer maatwerk nodig zou zijn voor grotere subsidierege-lingen waarin meerdere grondslagen voor subsidieverstrekking voormeerdere subsidiedoelen aanwezig zouden zijn.De AP geeft aan dat de vormgeving van de wettelijke criteria voorregistratie en de doelstelling van de registratie een zorgvuldige indrukmaken en gebaseerd lijken te zijn op een Rijksbreed beleid. Evenwelplaatst de AP een aantal kanttekeningen. Zo betwijfelt de AP of het vooreen subsidieaanvrager of subsidieontvanger bij meer complexe subsidie-regelingen steeds op voorhand duidelijk zou zijn, wanneer sprake zou zijnvan een subsidie voor «hetzelfde soort doel», omdat het niet in allegevallen helder zou zijn hoe ruim of eng het subsidiedoel zou wordenuitgelegd. Ook wijst de AP erop dat een (te) strikte hantering van debeperking naar «hetzelfde soort doel» er toe zou kunnen leiden dat hetregister minder effectief zou kunnen zijn voor het bereiken van het doelvan dat register, namelijk het voorkomen van misbruik van subsidies. DeAP adviseert daarom het criterium «hetzelfde soort doel» nader aan tescherpen dan wel te kiezen voor een ander onderscheidend criterium.Dit laatste is gebeurd door in artikel 7a, eerste lid, het criterium «hetzelfdesoort doel» te vervangen door het criterium «hetzelfde beleidsterrein,bedoeld in artikel 2 of 2a, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies». Dereden hiervoor is dat het bij beleidsterreinen duidelijker zal zijn hoe ruimof eng deze zouden moeten worden uitgelegd, omdat deze explicietworden omschreven in artikel 2 en 2a van de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies. Daarbij komt dat het criterium «hetzelfde beleidsterrein»een minder strikt gebruik van de registratie met zich mee zal brengen,omdat binnen een beleidsterrein diverse subsidiedoelen zouden kunnenvallen. Het gebruik van de registratie binnen een overkoepelend beleids-terrein zal de effectiviteit van het register derhalve vergroten.Ten tweede gaat de AP in op de gronden voor registratie, opgenomen inartikel 7a, tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies. Hierinwordt bepaald dat registratie plaatsvindt in het geval (1) er sprake is vanmisbruik ten behoeve van subsidieverstrekking door de subsidieaan-vrager, subsidieontvanger of diens huidige of voormalige vertegenwoor-diger en (2) dat misbruik zal leiden of heeft geleid tot één van de maatre-3Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betref-fende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons-gegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (PBEU 20261, L 119/1).4Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 35 gelen van de betrokken Minister, die genoemd staan in artikel 7a, tweedelid, onderdelen a, b, c of d. Het gaat hierbij om de volgende aandachts-punten van de AP.Ad 1: bij het eerste criterium betreffende «misbruik ten behoeve vansubsidieverstrekking» vindt de AP het niet altijd duidelijk, wanneer ersprake zou zijn van dit misbruik, en dan met name of er voor dit misbruikaangifte vereist is van een strafbaar feit op grond van artikel 162 van hetWetboek van Strafvordering. Uit het artikelsgewijze deel van detoelichting van dit wetsvoorstel volgt dat het misbruik ten behoeve vansubsidieverstrekking, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, uit het aanvragen,verkrijgen of genieten van een (te hoge) subsidie bestaat door het bewustniet, niet juist, niet tijdig of niet volledig verstrekken van gegevens eninlichtingen. Aanvullend hierop is in het artikelsgewijze deel van detoelichting verduidelijkt dat voor het bestaan van misbruik ten behoevevan subsidieverstrekking er niet per definitie sprake hoeft te zijn van(verdenking van) strafbaar handelen of aangifte gedaan hoeft te zijn vaneen strafbaar feit op grond van artikel 162 van het Wetboek van Strafvor-dering. Het gaat bij het vaststellen van het misbruik ten behoeve vansubsidieverstrekking namelijk om het vaststellen van het bewuste karaktervan het handelen van de desbetreffende subsidieaanvrager, subsidieont-vanger of diens vertegenwoordiger (zie de voorbeelden in de artikelsge-wijze toelichting).Ad 2: bij het tweede criterium betreffende de maatregelen, bedoeld inartikel 7a, tweede lid, heeft de AP behoefte aan meer duidelijkheid over deaard en het zelfstandige karakter van bepaalde maatregelen. Hierbij is vanbelang dat de registratie in het register uitsluitend plaatsvindt in het gevalhet misbruik ten behoeve van de subsidieverstrekking zal leiden of al heeftgeleid tot (1) een bestuursrechtelijke maatregel als bedoeld in artikel 7a,tweede lid, onderdelen a, b of c, of (2) strafrechtelijke maatregel alsbedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdeel d. De verwachting is dat zichmeestal de situatie zal voordoen dat één van de bestuursrechtelijkemaatregelen wordt genomen als bedoeld in artikel 7a, tweede lid,onderdelen a, b of c, samen met een aangifte voor een strafbaar feit alsbedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdeel d, alsook dat er soms ooksprake kan zijn van misbruik dat kan leiden of heeft geleid tot één van debestuursrechtelijke maatregelen, zonder dat er sprake is van (verdenkingvan) strafbaar handelen en/of aangifte van strafbare feiten, en andersom.Het kan hierbij gaan om wat lichtere vormen van misbruik waarvooraangifte als een disproportioneel middel wordt gezien, zoals de situatiewaarbij het misbruik op lage subsidiebedragen betrekking had. Deartikelsgewijze toelichting is op dit punt verduidelijkt.Ten derde gaat de AP in op de duur van de opname in het register. Inartikel 7a, derde lid, wordt bepaald dat de gegevens in het register mogenworden opgenomen en bewaard voor ten hoogste een termijn van driejaren na de datum waarop een bestuursrechtelijke of strafrechtelijkemaatregel als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, is getroffen. Aanvullendhierop is in de artikelsgewijze toelichting opgenomen dat een registratiezal komen te vervallen in het geval dat na bezwaar of beroep eenmaatregel ongedaan wordt gemaakt, omdat deze maatregel dan metterugwerkende kracht niet meer van toepassing is. Naar aanleiding vanhet advies van de AP is verduidelijkt dat dit laatste niet alleen geldt bij hetongedaan maken van bestuursrechtelijke maatregelen, maar ook voor hetongedaan maken van de strafrechtelijke maatregel die het gevolg is vande aangifte voor een strafbaar feit. Ook is verduidelijkt dat een registratieniet komt te vervallen in het geval de registratie gebaseerd is op meerdere(bestuursrechtelijke of strafrechtelijke) maatregelen, indien niet allemaatregelen ongedaan zijn gemaakt door het bestuursorgaan (inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 36 bezwaar) of door de rechter (in een bestuursrechtelijke of strafrechtelijkeprocedure). In dat geval blijft de registratie dus in stand en wordt de duurhiervan bepaald op grond van de niet-vervallen maatregel die het eerstegenomen was.Ten vierde maakt de AP opmerkingen over de toegang tot het register. Inartikel 7a, vierde lid, is geregeld dat de betrokken Minister de ambtenarenaanwijst die het register bijwerken, beheren en raadplegen. Een dergelijketoegang tot het register moet vanzelfsprekend zoveel mogelijk beperktworden en is alleen nodig voor bepaalde ambtenaren die zich directbezighouden met subsidieverstrekking namens en op het beleidsterreinwaarvoor de verantwoordelijkheid ligt bij de betrokken Minister van deMinisteries van EZK of LNV. Omdat het in dit geval veelal ambtenaren zalbetreffen die bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)werkzaam zijn, vraagt de AP zich af of het niet beter zou zijn om eenexpliciete verwijzing in de wettekst van artikel 7a, vierde lid, op te nemennaar (de ambtenaren van) de RVO. Hiervoor is echter niet gekozenvanwege de consistente vormgeving van de (subsidie)regelgeving vanEZK en LNV, alsook de wijze waarop mandatering en delegatie vanbevoegdheden plaatsvinden. In de regel wordt in de EZK- enLNV-subsidieregelgeving bepaald wat de bevoegdheden zijn van dediverse Ministers van EZK en LNV, zonder dat wordt verwezen naardegenen die deze bevoegdheden namens of in plaats van de desbetref-fende Minister uitoefenen. De delegatie of mandatering van bevoegd-heden wordt geregeld in afzonderlijke hiervoor bestemde besluiten.Daarnaast kan ook niet op voorhand vastgesteld worden dat alletoekomstige EZK- en LNV-subsidieregelgeving onder het beheer van deRVO zal vallen.Tot slot merkt De AP op dat het concept naar verwachting niet zal nopentot extra inzet door de AP.3.3 Internetconsultatie op het wetsvoorstel Voor dit wetsvoorstel heeft internetconsultatie plaatsgevonden van 9 mei2023 tot en met 6 juni 2023, te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/verzamelwet_ezk_2023. Deze internetconsul-tatie heeft niet tot reacties geleid op de artikelen I, II, III, IV, VI en VII van ditwetsvoorstel. Op artikel VI betreffende de aanpassing van artikel 11.2a vande Telecommunicatiewet is een anonieme reactie ontvangen die niet toteen aanpassing van het wetsvoorstel heeft geleid.3.4 Adviescollege toetsing regeldruk Dit wetsvoorstel is op 7 maart 2024 voorgelegd aan het Adviescollegetoetsing regeldruk. Het Adviescollege heeft het wetsvoorstel nietgeselecteerd voor formele advisering, omdat het geen gevolgen heeftvoor de regeldruk5.3.5 Afdeling advisering van de Raad van State Dit wetsvoorstel is bij Kabinetsmissive van 25 april 2024, no. 2024001045,ter overweging aanhangig gemaakt bij de Afdeling advisering van deRaad van State (hierna: Afdeling). Bij advies van 6 juni 2024,nr. W18.24.00092/IV, heeft de Afdeling aangegeven geen opmerkingen tehebben bij dit wetsvoorstel en geadviseerd dit wetsvoorstel bij de TweedeKamer der Staten-Generaal in te dienen. Daarnaast is (na ambtelijkeafstemming met de Afdeling) bij nader rapport van de gelegenheid5Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 37 gebruik gemaakt om een aantal (summiere) wijzigingen door te voerenom de reikwijdte van dit wetsvoorstel te verduidelijken in het opschrift enhet algemene deel van de memorie van toelichting. Ook is in artikel 64van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek een aantal aanpas-singen doorgevoerd om de termijn, opgenomen in deze bepaling, beter telaten aansluiten op de al eerder in dit wetsvoorstel opgenomen aanpas-singen van de termijnen in artikel 15 van de Wet op het Centraal bureauvoor de statistiek (zie artikel VII van dit wetsvoorstel).II. ARTIKELEN Artikel I (wijziging van de Aanbestedingswet 2012)Met artikel I wordt artikel 4.10 van de Aanbestedingswet 2012 aangepast,zodat een Gedragsverklaring Aanbesteden (GVA), overeenkomstig degangbare praktijk en het doel van de wet. wordt geweigerd in het gevaleen ondernemer onherroepelijk is veroordeeld voor een overtreding (inplaats van voor een overtreding die kwalificeert als «zwaar» of «zeerzwaar») op grond van bepaalde artikelen van de Mededingingswet.Hiermee wordt voorkomen dat ondernemers met een (onterechte) GVAzouden kunnen meedingen in aanbestedingstrajecten, terwijl zij in deafgelopen drie jaren relevante bepalingen van de Mededingingswethebben overtreden (waarbij in de praktijk het onderscheid niet van belangis tussen overtredingen die kwalificeren als «zwaar» of «zeer zwaar»).Het doel van artikel 4.10, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeelc, van de Aanbestedingswet 2012 is om te voorkomen dat ondernemersmeedingen in een aanbesteding in het geval dat die ondernemer in deafgelopen drie jaren onherroepelijk veroordeeld is voor overtredingen vande artikelen 6, eerste lid, of 24, eerste lid, van de Mededingingswet.Daarom bepaalt artikel 4.10, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,onderdeel c, van de Aanbestedingswet 2012 onder meer dat de Ministervan Justitie en Veiligheid een GVA weigert, indien er sprake is van eenonherroepelijke beschikking van de ACM als bedoeld in artikel 4.7, eerstelid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet 2012, waarin de overtredingwordt aangemerkt als «zwaar» of «zeer zwaar». Het gaat over onherroepe-lijke beschikkingen op grond van artikel 56 van de Mededingingswet,waarbij door de ACM geen boetevermindering op grond van clementie isverleend (zie artikel 4.7, eerste lid, onderdeel c, van de Aanbestedingswet2012).De kwalificatie «zwaar», «zeer zwaar» en «ernstig» wordt door de ACMsinds 2014 (in lijn met de Boetebeleidsregel ACM 2014) echter niet meergehanteerd bij het bepalen van de boete voor nieuwe zaken, omdat het inessentie een kunstmatig, theoretisch onderscheid tussen «zwaarte» en«ernst» betrof. Dit beleid van de ACM is in lijn met het doel vanartikel 4.10 van de Aanbestedingswet 2012, namelijk dat een GVA wordtgeweigerd, indien een ondernemer onherroepelijk is veroordeeld vooreen overtreding van de artikelen 6, eerste lid, of 24, eerste lid, van deMededingingswet. Bij veroordeling voor een dergelijke overtreding is dekwalificatie «zwaar» of «zeer zwaar» niet van belang, want in de praktijk isdoorgaans sprake van zware overtredingen als de ACM boetes of een lastoplegt voor overtreding van artikel 6 of artikel 24 van de Mededin-gingswet.Met het gebruik van de kwalificatie «zwaar» of «zeer zwaar» wijktartikel 4.10 van de Aanbestedingswet 2012 dan ook af van wat er beoogdwerd te regelen met dit artikel. Deze afwijking heeft de onwenselijkesituatie als gevolg dat ondernemers met een GVA mee kunnen dingen inaanbestedingen, terwijl zij in de afgelopen drie jaren relevante bepalingenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 38 van de Mededingingswet hebben overtreden. In de rechtspraak is ditbevestigd6. De rechter stelt dat beschikkingen van de ACM, waarin niet dekwalificatie «zwaar» of «zeer zwaar» wordt gebruikt, niet als weigerings-grond voor de afgifte van de GVA kunnen worden gebruikt. Om aan dezeonwenselijke situatie een einde te maken, vervalt in artikel 4.10, eerste lid,onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, dat voor weigering van een GVAde overtreding moet worden aangemerkt als «zwaar» of «zeer zwaar».Met deze wijziging wordt aangesloten bij het huidige beleid van de ACMbij het opleggen van beschikkingen in nieuwe zaken, zodat alle onherroe-pelijke beschikkingen van de ACM die voldoen aan artikel 4.7, eerste lid,onderdeel c, grond zijn om de GVA te weigeren op grond van artikel 4.10,eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel c. Met deze wijzigingwordt tevens aangesloten bij de beschikkingen, bedoeld in artikel 4.7,eerste lid, onderdeel d, waar onherroepelijke beschikkingen van deEuropese Commissie inzake soortgelijke overtredingen ook geen dergelijkzwaarte-criterium kennen.Artikel II (wijziging van de Algemene wet bestuursrecht)Dit artikel past de artikelen 4, 7 en 11 van bijlage 2 van de Awb aan. Hetbetreft harmonisatie van de wijze waarop beroep moet plaatsvinden tegentwee verschillende typen besluiten van de ACM.Het eerste type besluit betreft het zogenaamde inhoudelijke besluit van deACM. Het gaat hierbij om inhoudelijke besluiten die door de ACMgenomen zijn in het kader van de uitvoering van de haar opgedragentaken in diverse wetten. Tegen deze inhoudelijke besluiten van de ACMbetreffende een specifiek terrein staat normaal gesproken beroep open bijde rechtbank Rotterdam en vervolgens hoger beroep bij het CBb.Daarnaast bestaan er ook bepaalde inhoudelijke besluiten waartegenberoep in eerste en enige aanleg openstaat bij het CBb. Zie bijvoorbeeldartikel 71 Spoorwegwet waar de ACM (in eerste aanleg) optreedt alsalternatieve geschillenbeslechter naast de rechterlijke macht, of artikel 27bvan de Loodsenwet dat het kostentoerekeningssysteem van de loodsenbetreft.Het tweede type besluit betreft het zogenaamde openbaarmakingsbesluitals bedoeld in artikel 12w van de Instellingswet ACM. In een openbaarma-kingsbesluit wordt bepaald wanneer en op welke wijze het voorgaandeinhoudelijke besluit openbaar wordt gemaakt. Tegen het openbaarma-kingsbesluit kan op grond van de artikelen 4 en 11 van bijlage 2 bij deAwb beroep worden ingesteld bij de rechtbank Rotterdam en vervolgenshoger beroep bij het CBb. Er zijn (in tegenstelling tot bij bepaaldeinhoudelijke besluiten) geen gevallen waarin tegen een openbaarmakings-besluit beroep in eerste en enige aanleg bij het CBb openstaat. Dit laatstebrengt met zich mee dat de rechtsgang bij een openbaarmakingsbesluitniet gelijk loopt met de rechtsgang bij een inhoudelijk besluit in het gevaltegen dit bijhorende inhoudelijke besluit beroep in eerste en enige aanlegopenstaat bij het CBb.Bijlage 2 van de Awb wordt aangepast, zodat in het vervolg voorinhoudelijke besluiten en bijbehorende openbaarmakingsbesluitendezelfde rechtsgang geldt. Concreet betekent dit het volgende:a.in het geval tegen een inhoudelijk besluit beroep bij de rechtbank enhoger beroep bij het CBb openstaat zal ook in het vervolg voor hetbijhorende openbaarmakingsbesluit de mogelijkheid open blijvenstaan om eerst beroep bij de rechtbank Rotterdam in te stellen envervolgens hoger beroep bij het CBb;6Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 22 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8064.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 39 b.in het geval tegen een inhoudelijk besluit beroep in eerste en enigeaanleg bij het CBb openstaat zal er in het vervolg tegen het bijbeho-rende openbaarmakingsbesluit ook beroep in eerste en enige aanlegopenstaan bij het CBb, in plaats van bij twee gerechtelijke instanties(eerst beroep bij de rechtbank Rotterdam en vervolgens hoger beroepbij het CBb).In het laatste geval worden door de aanpassing van bijlage 2 van de Awbde beroepsmogelijkheden tegen een openbaarmakingsbesluit dusbeperkt. Deze aanpassing kan in dit geval worden gerechtvaardigd omdathierdoor verdere stroomlijning bereikt wordt van beroepsprocedurestussen inhoudelijke en openbaarmakingsbesluiten. Deze stroomlijning ismet name van belang omdat de rechter voor de beoordeling van hetberoep tegen een openbaarmakingsbesluit zich ook een voorlopig oordeelmoet vormen over de vraag of het inhoudelijke besluit dat daaraan tengrondslag ligt, in stand kan blijven. Daarnaast wordt de eenvoud enefficiëntie van de afhandeling van beroepsprocedures vergroot, omdat hetCBb niet (meer) de beroepsprocedure tegen een inhoudelijk besluit zalhoeven aan te houden tot in de beroepsprocedure van het bijhorendeopenbaarmakingsbesluit door de rechtbank Rotterdam uitspraak isgedaan. Ook wordt een verschil in uitkomsten tussen de beroepsproce-dures bij verschillende rechters zoveel mogelijk voorkomen doordat deberoepsprocedure tegen een inhoudelijk besluit bij het CBb kan plaats-vinden gelijktijdig met of direct na de voorheen bij een andere rechterparallel behandelde beroepsprocedure van het bijhorende openbaarma-kingsbesluit. Dit bevordert de rechtszekerheid voor ondernemingen. Dezegrotere rechtszekerheid en de hiervoor besproken eenvoudigere enefficiëntere afhandeling van procedures zal voor de betrokken onderne-mingen (en ook voor ondernemingen in een vergelijkbare situatie) snellervoor duidelijkheid kunnen zorgen over het rechterlijk oordeel. Dit is vanbelang, omdat de rechter besluiten beoordeelt die regelmatig niet alleenop een individuele casus van een onderneming betrekking hebben, enderhalve een uitstraling kunnen hebben naar derden, zoals onderne-mingen in een vergelijkbare situatie. Dit is bijvoorbeeld aan de orde alshet inhoudelijke besluit een oordeel bevat of er sprake is van marktbelem-merende activiteiten.Tot slot wordt nog opgemerkt dat op de aanpassingen in de artikelen 2, 4en 11 van bijlage 2 van de Awb het overgangsrecht van toepassing is,zoals dat is opgenomen in artikel 11:3 Awb. Hieruit volgt dat de oudebepalingen uit bijlage 2, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerking-treding van de in onderhavige wetsvoorstel opgenomen nieuwe gewij-zigde bepalingen, van toepassing blijven op het beroep of hoger beroeptegen een besluit dat of een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendge-maakt.De oude bepalingen uit bijlage 2 zullen bijvoorbeeld nog van toepassingblijven op het beroep bij de rechtbank dan wel het hoger beroep in hetgeval de voormelde aanpassing van bijlage 2 pas in werking is getreden,nadat een beslissing op bezwaar is genomen respectievelijk er eenuitspraak bij de rechtbank in eerste aanleg is gedaan. Ook is het denkbaardat de oude bepalingen van bijlage 2 nog van toepassing zijn in deberoepsfase en nieuwe bepalingen op de hoger beroepsfase in het gevalde nieuwe bepalingen uit bijlage 2 in werking zijn getreden tijdens eenlopende beroepsprocedure (lees: voorafgaand op de uitspraak in beroep).De nieuwe bepalingen uit bijlage 2 zullen dus van toepassing zijn op deberoepsprocedure of hoger beroepsprocedure bij de rechter in het gevaleen besluit in primo of beslissing op bezwaar wordt genomen, nadat deaanpassingen van bijlage 2 in werking zijn getreden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 310 De toelichting op dit artikel is gegeven mede namens de Minister voorRechtsbescherming, omdat deze wijziging mede zijn beleidsterrein betreft.Artikelen III en VIII (wijziging van de Instellingswet AutoriteitConsument en Markt en Wet marktordening gezondheidszorg)Met de artikelen III en VIII worden de Instellingswet ACM respectievelijk deWet marktordening gezondheidszorg gewijzigd. Deze aanpassingenbetreffen het herstel van onjuiste verwijzingen en houden verband methet overhevelen van het zorg specifieke markttoezicht van de NederlandseZorgautoriteit naar de ACM, dat nog moet plaatsvinden.De Verzamelwet EZK 2022 bevat wijzigingen van zowel de InstellingswetACM als de Wet marktordening gezondheidszorg met betrekking totgegevensverwerking door de ACM. Artikel XIV, tweede lid, van deVerzamelwet EZK 2022, is voor bepaalde onderdelen per abuis direct inwerking getreden, terwijl dat lid pas in werking had moeten treden op hetmoment dat inwerkingtreding plaats zou vinden van het bij koninklijkeboodschap van 8 april 2016 ingediende voorstel van wet tot wijziging vande Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten inverband met aanpassingen van de tarief- en prestatieregulering en hetmarkttoezicht op het terrein van de gezondheidszorg (Kamerstukken34 445) Op dat moment wordt namelijk pas het zorgspecifieke markttoe-zicht, te weten het aanmerkelijke marktmachtinstrumentarium en dezorgspecifieke fusietoets, overgeheveld van de Nederlandse Zorgautoriteitnaar de ACM.De vorenstaande omissie wordt gecorrigeerd door de artikelen III en VIIIvan onderhavig wetsvoorstel. De artikelen III en VIII regelen dat inartikel 7, vijfde lid, van de Instellingswet ACM respectievelijk artikel 66,vierde lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg de onjuisteverwijzingen vervallen naar de paragrafen 4.3 en 4.3a van de Wetmarktordening gezondheidszorg. Op het moment dat het wetsvoorstel totwijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg in werking treedt,worden de voormelde verwijzingen, zo nodig, via een nota van wijzigingweer toegevoegd aan artikel 7, vijfde lid, van de Instellingswet ACM,respectievelijk artikel 66, vierde lid, van de Wet marktordening gezond-heidszorg.De toelichting op de artikelen III en VIII is gegeven mede namens deMinister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, omdat deze wijzigingmede zijn beleidsterrein betreft.Artikel IV (wijziging van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies)a. Artikel IV, onderdelen A, B en C (de artikelen 1, 2 en 2a van deKaderwet EZK- en LNV-subsidies)Met artikel IV, onderdelen A, B en C, wordt de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies gewijzigd, teneinde deze wet te actualiseren in verbandmet de portefeuilleverdeling tussen de betrokken Ministers. Hierbij is vanbelang dat er naast de Ministers van EZK en LNV, die de leiding hebbenover de Ministeries van EZK en LNV (hierna: Ministers met portefeuille),ook twee andere Ministers werkzaam zijn binnen deze ministeries (deMinister voor Klimaat en Energie respectievelijk de Minister voor Natuuren Stikstof) die belast zijn met specifieke aangelegenheden van dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 311 ministeries (hierna: de Ministers zonder portefeuille).7 Voorgesteld wordtom de artikelen 1, 2 en 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies teactualiseren, zodat ook de huidige en mogelijke toekomstige Ministerszonder portefeuille (overeenkomstig hun bevoegdheden) geëxpliciteerdzijn in de artikelen 2 en 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies opgrond waarvan subsidie verstrekt wordt op het terrein van de Ministeriesvan EZK en LNV. Deze aanpassingen vinden dan ook plaats in overeen-stemming tussen alle betrokken Ministers.Ook wordt voorgesteld om in artikel 2, eerste lid, van de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies de beleidsterreinen te actualiseren die liggen op het terreinvan de Minister van EZK. Het betreft hier onder meer het consumenten-beleid dat niet eerder expliciet was opgenomen en nu wordt toegevoegdin artikel 2, eerste lid, onderdeel i (nieuw). Ook wordt het telecommunica-tiebeleid, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, waaronder ookwordt verstaan subsidieverstrekking in verband met de versterking vancyberweerbaarheid, vervangen door het beleidsterrein digitale economie.De reden hiervoor is dat telecommunicatie inmiddels is opgegaan in hetbredere (meer omvattende) beleidsterrein digitale economie.Verder wordt met het nieuwe onderdeel j van het eerste lid een beleids-terrein aan artikel 2, eerste lid, toegevoegd betreffende versterking enperspectief Groningen. Deze toevoeging houdt verband met de overdrachtvan dit onderwerp van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties aan de Minister van EZK bij het aantreden van het kabinetRutte IV8. Van belang is dat de Staatssecretaris van EZK de takenbetreffende dit onderwerp uitvoert. Ook is van belang dat deze toevoeginggeen verband houdt met eerdere subsidieverleningen door de Ministervan EZK betreffende Groningen. Voor de taken betreffende Groningen diereeds bij de Minister van EZK lagen vóór het aantreden van het kabinetRutte IV, bestond en bestaat namelijk geen noodzaak tot het opnemen vanhet voormelde beleidsterrein, omdat deze taken met name verbandhielden respectievelijk houden met de beleidsverantwoordelijkheid voorde schadeafhandeling in Groningen waarvoor het zelfstandige bestuurs-orgaan Instituut Mijnbouwschade Groningen is ingesteld. Voor zover erwel nog subsidies zijn en worden verstrekt met betrekking tot die taken,geschiedt dit in verband met de beleidsterreinen betreffendeduurzaamheid of de energietransitie die al zijn opgenomen in artikel 2,eerste lid, onderdelen a en h, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.b. Artikel IV, onderdeel D, (artikel 3, tweede lid, onderdelen b ene (nieuw), en derde lid (nieuw), van de Kaderwet EZK- enLNV-subsidies)Met artikel IV, onderdeel D, worden verduidelijkingen doorgevoerd inartikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies. Door deze verduidelij-kingen wordt in het vervolg in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelenb en e (nieuw), bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur of bij regeling van Onze Minister regels kunnen worden vastge-steld met betrekking tot onderdeel b «de aanvraag om subsidie en debesluitvorming daarover» in plaats van «de aanvraag van een subsidie ende besluitvorming daarover» of onderdeel e «de vaststelling van desubsidie, waaronder mede begrepen de aanvraag tot subsidievaststelling7Besluit van 10 januari 2022, nr. 2022000016, houdende niet verlenen van ontslag aan vierMinisters alsmede benoeming van vijftien nieuwe Ministers en drie Vice-Minister-Presidenten(Stcrt. 2022, 1354).8Besluit van 10 januari 2022, houdende departementale herindeling met betrekking totversterking en perspectief Groningen (Stcrt. 2022, 1357).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 312 en de besluitvorming daarover» in plaats van alleen «de vaststelling vande subsidie».De aanpassing in onderdeel b heeft met name tot doel om meer consis-tentie te brengen in de wijze waarop de subsidieaanvraag aangeduidwordt in diverse (onderliggende) subsidieregelgeving van EZK- en LNV.Met de aanpassing in onderdeel e wordt beoogd om meer te concreti-seren op welke gebieden betreffende subsidievaststelling de desbetref-fende Minister onder meer regels kan stellen. Daarnaast zijn de onder-delen b en e (nieuw) van belang voor een goed begrip van artikel 3, derdelid (nieuw).Verder wordt na het tweede lid van artikel 3 een lid ingevoegd. Hierinwordt aangegeven dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuurof bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het verstrekkenvan gegevens, waaronder mede begrepen de wijze van indiening vanaanvragen om subsidie en de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeldin artikel 3, tweede lid, onderdelen b respectievelijk e (nieuw), uitsluitendlangs elektronische weg kan geschieden.Met deze aanpassing wordt aangesloten bij de gangbare praktijk diegebaseerd was op artikel 3, tweede lid, onderdelen b en e (oud), en verderverduidelijkt wat nu precies de regels betreffende gegevensverstrekkingkunnen behelzen. Ook wordt verduidelijkt dat de betrokken Ministerontheffing kan verlenen van het elektronisch verstrekken van gegevens.Hierbij kan gedacht worden aan situaties dat het voor een subsidieaan-vrager of subsidieontvanger niet mogelijk is de gegevens elektronisch teverstrekken, omdat deze bijvoorbeeld niet beschikt over de vaardigheden,geestelijke of fysieke vermogens, hulppersonen of middelen (zoals eencomputer, internetverbinding of andere apparatuur). In dergelijke gevallenzullen de medewerkers van het subsidieloket van de Minister (in dit gevalde betrokken ambtenaren van de Rijksdienst voor OndernemendNederland (hierna: RVO)) de subsidieaanvrager of subsidieontvanger in degelegenheid moeten stellen om de desbetreffende gegevens op eenandere wijze in te dienen en, zo nodig, de vereiste hulp moeten verlenen(lees: ontheffing moeten verlenen van het elektronisch aanleveren vangegevens). Hiermee wordt aangesloten bij en nadere invulling gegevenaan een wetsvoorstel voor de wijziging van onder meer artikel 2:1, eerstelid (nieuw), van de Awb9 waarin wordt bepaald dat een bestuursorgaanzorg dient te dragen voor passende ondersteuning bij het verkeer met datbestuursorgaan. Van belang is echter wel dat aan deze ontheffing vooreen alternatieve wijze van indiening van de subsidieaanvraag en de wijzevan hulpverlening voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals opwelke tijdstippen ondersteuning voor de alternatieve indieningswijzegeboden kan worden, bijvoorbeeld binnen bepaalde kantooruren.c. Artikel IV, onderdeel E, (artikel 7a (nieuw) van de KaderwetEZK- en LNV-subsidies)AlgemeenMet artikel IV, onderdeel E, wordt artikel 7a (nieuw) in de Kaderwet EZK-enLNV-subsidies ingevoegd. Hiermee wordt een expliciete grondslagopgenomen voor de betrokken Minister met portefeuille of zonderportefeuille van de Ministeries van EZK of LNV om een register bij tehouden, voor zover het een beleidsterrein op grond van de artikelen 2 of2a van de Kaderwet EZK-en LNV-subsidies betreft, waarvoor de desbetref-9Zie de eindtekst van het Ontwerpwetsvoorstel van de Wet modernisering elektronischbestuurlijk verkeer (Kamerstukken I 2021/22, 35261), te raadplegen viahttps://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z15300&did=2022D13351.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 313 fende Minister verantwoordelijk is. Dit gebeurt conform de verplichtingenuit de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Op basis van aanwijzing20.4 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking10 bestond al deverplichting tot het bijhouden van een register ter voorkoming vanmisbruik van subsidies. Met de betreffende bepaling bestaat er daarbijgeen twijfel over de grondslag conform de Algemene verordeninggegevensbescherming11 (AVG), nu deze geëxpliciteerd wordt in deKaderwet EZK- en LNV-subsidies. Het register heeft tot doel misbruik vansubsidie te voorkomen en bevat informatie over misbruik bij het subsi-dieproces. Het kan hierbij gaan om misbruik bij aangevraagde ofverstrekte subsidies bij of krachtens de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.In dit artikel wordt bepaald voor welke doelen en op welke wijze dezeregistratie gebruikt wordt, alsook vanaf wanneer en hoelang welkegegevens geregistreerd mogen worden.Doel en reikwijdte van het register (artikel 7a, eerste lid)In het eerste lid van artikel 7a wordt bepaald dat het register als doel heefthet voorkomen van misbruik bij een volgende subsidieverstrekking dooren op de beleidsterreinen van één van de voormelde Ministers. Overeen-komstig aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking ishet register ook bedoeld om de subsidieverstrekker te voorzien vaninformatie over eerder misbruik van subsidies door een (individuele)subsidieontvanger, met het oog op de risicoanalyse die bij een subsidie-aanvraag of bij het opstellen of wijzigen van een subsidieregeling ofsubsidiemodule dient te worden gemaakt ten behoeve van de gevolgenbij een volgende subsidieverstrekking. Omdat de gevolgen van deregistratie niet disproportioneel mogen zijn, wordt de registratie tenbehoeve van een beperkt aantal soorten subsidieverstrekkingen bijge-houden.Allereest wordt de registratie bijgehouden ten behoeve van devoorkoming van misbruik bij de verstrekking van een volgende subsidiedie opnieuw plaatsvindt op grond van deze wet of op grond van dezelfdebij of krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur ofministeriële regeling. Hierbij kan gedacht worden aan de volgendesubsidies: (1) de subsidies die opnieuw direct verstrekt worden onder deartikelen 2 en 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies (en dus niet opgrond van een hieronder liggende algemene maatregel van bestuur ofregeling), zoals maatwerkbeschikkingen, (2) de subsidies die opnieuwdirect verstrekt worden op grond van een algemene maatregel vanbestuur (en dus niet op grond van een hieronder vallende regeling), zoalssubsidies die verstrekt worden op grond van het Besluit stimuleringduurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++), (3) de subsidiesdie opnieuw verstrekt worden krachtens een algemene maatregel vanbestuur, zoals subsidies op grond van de Regeling nationale EZK- enLNV-subsidies (hierna: RNES), die direct valt onder het Kaderbesluitnationale EZK- en LNV-subsidies en (4) de subsidies die opnieuw verstrektworden op grond van subsidieregelingen die direct gebaseerd zijn op deKaderwet EZK- en LNV-subsidies, zoals subsidies op grond van deRegeling Europese EZK- en LNV-subsidies (hierna: REES), de Subsidiere-geling instituten voor toegepast onderzoek, de Subsidieregeling strate-10Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009,nr. 3086451, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking(Stcrt. 2009, 20306).11Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking vanpersoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking vanRichtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (PBEU 20261, L 119/1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 314 gisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO) en de Tijdelijkesubsidieregeling vermindering gevolgen Brexit voor de visserij. Bij allevoormelde subsidies kan het gaan om subsidies die door de bevoegdeMinister verstrekt worden uit nationale financiële middelen, alsook geheelof gedeeltelijk uit Europese financiële middelen (bijvoorbeeld dezogenaamde ESI-fondsen (zoals EFMZV of POP), Europese programma’s(zoals Digitaal Europa of horizon Europa) of voorgangers dan welopvolgers hiervan).Ten tweede wordt de registratie bijgehouden ten behoeve van devoorkoming van misbruik bij de verstrekking van een volgende subsidiedie betrekking heeft op hetzelfde beleidsterrein als de subsidie tenbehoeve waarvan de registratie heeft plaatsgevonden (op grond vanartikel 7a, tweede lid). Het onderscheid tussen de beleidsterreinen vansubsidies is, zoals gesteld in paragraaf 2.3 van deze toelichting, eenvoudigte maken in het geval een volgende subsidie verstrekt wordt op grond vaneen andere subsidieregeling. Bij meer complexe subsidieregelingen zalmeer maatwerk nodig zijn. Het gaat dan vaak om generieke subsidierege-lingen waarin elke titel of in sommige gevallen elke paragraaf of subpara-graaf een afzonderlijke subsidiemodule bevat (een losstaand subsidie-instrument in de vorm van een subsidieregeling, zoals dat het geval is bijde RNES en REES). Elke subsidiemodule of groep van subsidiemoduleskunnen een ander soort subsidiedoel hebben12. Deze subsidiemodules(met verschillende subsidiedoelen) maken onderdeel uit van eenhoofdstuk van de desbetreffende generieke subsidieregeling, die op zijnbeurt betrekking heeft op één (of meer) van de beleidsterreinen, bedoeldin de artikelen 2 of 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, waarvoorde desbetreffende Minister verantwoordelijk is. Voor dergelijke situaties ishet slot van artikel 7a, eerste lid, opgenomen, om ervoor te zorgen dat hetregister niet gebruikt wordt ten behoeve van alle beleidsterreinenwaarvoor de desbetreffende Minister verantwoordelijk is, doch uitsluitendvoor een komende subsidieverstrekking op hetzelfde beleidsterrein van deeerdere subsidie ten behoeve waarvan de registratie heeft plaatsge-vonden.De geregistreerde gegevens, die verband houden met misbruik van eensubsidie op een bepaald beleidsterrein, mogen dus niet gebruikt wordenten behoeve van de voorkoming van misbruik bij de verstrekking van eenvolgende subsidie die betrekking heeft op een heel ander beleidsterreinvan de desbetreffende Minister. Ter verduidelijking van de grenzen vaneen beleidsterrein kan op grond van artikel 7a, zesde lid, bij algemenemaatregel van bestuur of ministeriële regeling worden geregeld datregistratie alleen mag worden gebruikt ten behoeve van de voorkomingvan misbruik bij een volgende subsidieverstrekking op grond van hetdesbetreffende hoofdstuk of subsidiemodule die betrekking heeft op eenbepaald beleidsterrein, en dus dat de registratie niet breder voormeerdere hoofdstukken of subsidiemodules oftewel meerdere beleids-terreinen mag worden ingezet.12Van belang is dat op de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (RNES) en RegelingEuropese EZK- en LNV-subsidies (REES) algemene bepalingen en procedurele spelregels vantoepassing zijn, die voor de RNES zijn opgenomen in het Kaderbesluit nationale EZK- enLNV-subsidies en hoofdstuk 1 van de RNES en voor de REES in de hoofdstukken 1 en 2 van deREES. De te subsidiëren inhoudelijke activiteiten en bijhorende specifieke spelregels zijnopgenomen in afzonderlijke subsidiemodules.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 315 De gronden voor registratie (artikel 7a, tweede lid)Het opnemen van gegevens in een registratie brengt een inbreuk op hetrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de geregis-treerde met zich mee. Daarom gaat het tweede lid van artikel 7a in opwanneer deze registratie plaatsvindt, en dus noodzakelijk en proportioneelis in het belang van de correcte besteding van overheidsmiddelen. Dat ishet geval wanneer sprake is van (1) misbruik ten behoeve van subsidiever-strekking door de subsidieaanvrager, subsidieontvanger of diens huidigeof voormalige vertegenwoordiger en (2) dat misbruik zal leiden of heeftgeleid tot één van de maatregelen van de betrokken Minister, diegenoemd staan in artikel 7a, tweede lid, onderdelen a, b, c of d.Allereerst is van belang wat onder misbruik ten behoeve van subsidiever-strekking wordt verstaan. Hiervoor wordt een indicatie gegeven in detoelichting op aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor subsidiever-strekking. In een voetnoot bij de desbetreffende toelichting wordtaangegeven dat onder misbruik wordt verstaan het bewerkstelligen vangeen of te geringe betaling van verplichte bijdragen aan de overheid envan het verkrijgen of genieten van een (te hoge) uitkering door het bewustniet, niet juist, niet tijdig of niet volledig verstrekken van gegevens eninlichtingen. Ook volgt uit de toelichting op aanwijzing 20 van deAanwijzingen voor subsidieverstrekking dat als misbruik ook aangemerktmoet worden de situatie waarin het voormelde bewust onjuist handelenzal leiden of geleid heeft tot een afwijzing van een subsidieaanvraag ofaangifte wegens een strafbaar feit. Het misbruik ten behoeve vansubsidieverstrekking bestaat in het onderhavige wetsvoorstel dus uit hetaanvragen, verkrijgen of genieten van een (te hoge) subsidie door hetbewust niet, niet juist, niet tijdig of niet volledig verstrekken van gegevensen inlichtingen. Voor het kunnen bestaan van misbruik ten behoeve vansubsidieverstrekking, hoeft niet per definitie aangifte gedaan te zijn vaneen strafbaar feit. Het gaat bij «misbruik van subsidies» derhalve om hetbewuste karakter van het handelen van de desbetreffende subsidieaan-vrager, subsidieontvanger of diens vertegenwoordiger, die afgeleid zullenmoeten worden uit de omstandigheden van het geval. Zo zal eenkennelijke verschrijving van een enkel bedrag niet worden aangemerkt alsbewust onjuist informatie verstrekken, maar een volledige onjuiste offerteof factuur, met bijvoorbeeld veel te hoge bedragen of niet uit te voeren ofuitgevoerde werkzaamheden, wel als bewuste onjuiste informatiever-strekking kunnen worden beschouwd. Ook kunnen als misbruik wordenaangemerkt andere gevallen waarin ten behoeve van de mogelijkesubsidieverstrekking bepaalde bewuste handelingen plaatsvinden. Hetgaat bijvoorbeeld om andere soorten van vervalsing van geschriften enoplichting (zoals het niet naar waarheid invullen van verklaringen vangeleverde prestaties of dat een deel van de subsidie om niet ten goede isgekomen aan de vertegenwoordiger van de subsidieontvanger) ofbedreiging of mishandeling van derden (zoals het dwingen van leveran-ciers om bedragen of werkzaamheden aan te passen in de factuur ofofferte). Opgemerkt wordt dat er geen registratie plaatsvindt van verder«oneigenlijk gebruik» van subsidies: er vindt geen registratie plaats vanalgemeen (onbewust) onjuist handelen, bijvoorbeeld door onvoorzich-tigheid of dwaling van de subsidieaanvrager, subsidieontvanger of diensvertegenwoordiger.Verder vindt uitsluitend registratie plaats in het geval het handelen van desubsidieaanvrager, subsidieontvanger of diens vertegenwoordigerdaadwerkelijk heeft geleid of, in het geval van afwijzing van een subsidie-aanvraag, had kunnen leiden tot onjuiste (te hoge) subsidieverstrekking.Dit sluit aan bij de toelichting op aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voorsubsidieverstrekking en is aan de orde wanneer het misbruik zal leiden ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 316 al heeft geleid tot één van de volgende maatregelen van de betrokkenMinister: (a) een beslissing tot het afwijzen van een aanvraag om subsidie,(b) een beslissing tot het opleggen van een boete aan een subsidieont-vanger op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten doorMinisters verstrekte subsidies, (c) een beslissing tot het lager vaststellenvan de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb, hetintrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van desubsidieverlening op grond van artikel 4:48, eerste lid, onderdelen a, b, cen d, van de Awb en het intrekken of ten nadele van de subsidieontvangerwijzigen van de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49, eerste lid,van de Awb of (d) het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerievanwege vermoedens van strafbare feiten als bedoeld in artikel 162 vanhet Wetboek van Strafvordering die verband houden met de voorbe-reiding en de indiening van een aanvraag om subsidie of de aanvraag totsubsidievaststelling, de wijze van het gebruik van de subsidie, de wijzevan uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie bestemd is ofnaleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Deverwachting is dat zich meestal de situatie zal voordoen dat één van debestuursrechtelijke maatregelen wordt genomen, bedoeld in artikel 7a,tweede lid, onderdelen a, b en c, samen met een aangifte voor eenstrafbaar feit, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdeel d. Ook kan ersprake zijn van misbruik dat kan leiden of heeft geleid tot één van devoormelde bestuursrechtelijke maatregelen, zonder dat er sprake is van(verdenking van) strafbaar handelen en/of aangifte van strafbare feiten, enandersom. Het kan hierbij gaan om wat lichtere vormen van misbruikwaarvoor aangifte als een disproportioneel middel wordt gezien, zoals desituatie waarbij het misbruik op lage subsidiebedragen betrekking heeft.Tot slot wordt opgemerkt dat met de keuze voor de bovenstaandevoorwaarden voor registratie beoogd wordt om ervoor te zorgen dat nietlichtvaardig wordt overgegaan tot registratie. In het geval er sprake is vanmisbruik ten behoeve van subsidieverstrekking, moet er immers ook altijdsprake zijn van ten minste één van de maatregelen, bedoeld in artikel 7a,tweede lid, onderdelen a, b, c of d, en andersom. Er is niet gekozen voorregistratie in enkel en alleen het geval waarin voormelde maatregelen alsbedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdelen a, b, c of d, getroffen zoudenworden. Hoewel een dergelijke aanpak mogelijk tot meer duidelijkheid, endaarmee meer rechtszekerheid, zou kunnen leiden, wordt het voorkomenvan niet-strikt noodzakelijke registraties doorslaggevend geacht bij dekeuze voor de minimale vereisten voor de registratie.Inhoud van de registratie (artikel 7a, derde lid, aanhef en onderdelen a, ben c)In het derde lid van artikel 7a wordt ingegaan op de inhoud van deregistratie. Hierin wordt bepaald dat (overeenkomstig aanwijzing 20 vande Aanwijzingen voor subsidieverstrekking) in het register slechts eenaantal noodzakelijke gegevens kunnen worden opgenomen.Allereerst is deze registratie in artikel 7a, derde lid, onderdeel a, beperkttot de te registreren subsidieaanvrager, subsidieontvanger of diensvertegenwoordiger jegens wie een maatregel als bedoeld in het tweedelid, wordt of is getroffen, bestaande uit de naam van degene (natuurlijkepersoon of rechtspersoon) die geregistreerd wordt, het subsidiekenmerkencontactgegevens van, waaronder het post- of bezoekadres, telefoon-nummer en het e-mailadres.Verder beperkt artikel 7a, tweede lid, onderdeel b, de registratie tot eenomschrijving van de aard van de gedraging die tot de registratie heeftgeleid. Op deze wijze kan bezien worden welk misbruik er plaatsgevondenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 317 heeft bij eerdere subsidieverstrekking en welke proportionele risicobeperkende maatregelen er bij volgende subsidieverstrekking (mogelijk)genomen moeten worden op grond van artikel 7a, vijfde lid; zie hierom-trent de toelichting op artikel 7a, vijfde lid.Voor zover dit voor de toepassing van artikel 7a, vijfde lid, noodzakelijk is,kan er op grond van artikel 7a, derde lid, aanhef en onderdeel c, ook eenomschrijving in het register worden opgenomen van de maatregel,bedoeld in artikel 7a, tweede lid, die is of wordt getroffen en het subsidie-bedrag dat daarmee is gemoeid. Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7a,tweede lid, onderdeel d, (het doen van aangifte bij het OpenbaarMinisterie vanwege vermoedens van strafbare feiten) kan het hierbij gaanom mogelijk gegronde verdenkingen, dat wil zeggen dat er concreteaanwijzingen zijn dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd. Bij deregistratie van de aangifte en hierbij horende feiten is sprake van deverwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroorde-lingen en strafbare feiten. Voor deze registratie wordt gebruik gemaaktvan het bijzondere regime uit artikel 10 van de AVG dat bepaalt datdergelijke gegevens alleen mogen worden verwerkt in het geval sprake isvan een uitzonderingssituatie, zoals in het geval waarin het nationaalrecht een dergelijke gegevensverwerking toestaat. Voor de voormeldegegevensverwerking biedt artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a, vande Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming eengrondslag. Met de voorgestelde bepaling in artikel 7a van de KaderwetEZK- en LNV-subsidies wordt de bepaling uit artikel 33, tweede lid, aanhefen onder a, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbe-scherming verder geëxpliciteerd en verduidelijkt voor de registratie in hetkader van de voorkoming van misbruik van subsidies. Opgemerkt wordtdat er in artikel 7a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies nadrukkelijkgeen grondslag gemaakt wordt voor (algemene en brede) informatiever-garing, -deling en registratie van strafrechtelijke procedures voor anderedoeleinden dan bedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdeel d.Duur van de registratie (artikel 7a, derde lid, aanhef)De duur van de registratie is in artikel 7a, derde lid, aanhef, beperkt. Hierinis bepaald dat de voorgaande gegevens worden bewaard voor tenhoogste een termijn van drie jaren na de datum waarop de maatregel,bedoeld in het tweede lid is getroffen. Gegevens worden daarmee nietlanger bewaar dan strikt noodzakelijk.De bewaartermijn van drie jaar begint te lopen vanaf de datum waarop er(1) een beslissing is genomen tot het treffen van een bestuursrechtelijkemaatregel (bestaande uit het afwijzen van een subsidieaanvraag, hetopleggen van een bestuurlijke boete of een sanctie op grond van de Awb,bedoeld in artikel 7a, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b of c), of (2) deaangifte is gedaan wegens een strafbaar feit, bedoeld in artikel 7a, tweedelid, aanhef en onderdeel d. Opgemerkt wordt dat de verwachting is dat ineen specifiek geval van misbruik van subsidies niet alle bestuursrechte-lijke maatregelen genomen hoeven te worden, omdat deze veelal opverschillende situaties betrekking hebben. De situatie zou zich echter welkunnen voordoen dat er zowel een bestuursrechtelijke maatregel wordtgetroffen als aangifte wordt gedaan wegens een strafbaar feit. Omdat deregistratie zal moeten plaatsvinden vanaf het moment dat er al slechts éénmaatregel getroffen is, zal in een dergelijke situatie gelden dat degegevens voor ten hoogste drie jaar worden bewaard nadat de eerstemaatregel is getroffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 318 Met het bepalen van de einddatum van de bewaartermijn is ook rekeninggehouden met de gehanteerde termijnen bij bezwaar of beroep tegen debestuursrechtelijke maatregelen of eventuele procedures naar aanleidingvan de aangifte wegens een strafbaar feit, bedoeld in artikel 7a, tweedelid. Ook zal een registratie komen te vervallen in het geval een registratiegebaseerd is op misbruik dat heeft geleid tot uitsluitend één maatregel,indien deze maatregel na bezwaar of beroep in een bestuursrechtelijke ofstrafrechtelijke procedure ongedaan wordt gemaakt, omdat dezemaatregel dan met terugwerkende kracht niet meer van toepassing is. Deregistratie vervalt dus bijvoorbeeld bij gegrond verklaring van eenbezwaar of beroep tegen een bestuursrechtelijke maatregel, dan wel inhet geval de geregistreerde is vrijgesproken voor de aangifte voor eenstrafbaar feit of de zaak is geseponeerd. Een registratie komt echter niet tevervallen in het geval de registratie gebaseerd is op meerdere bestuurs-rechtelijke of strafrechtelijke maatregelen, die niet allemaal ongedaan zijngemaakt door het bestuursorgaan in bezwaar of door de rechter in eenbestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedure. In dat geval blijft deregistratie in stand en wordt de duur hiervan bepaald op grond van deniet-vervallen maatregel die het eerste genomen was.Bevoegdheid voor toegang tot het register (artikel 7a, vierde lid)In het vierde lid is geregeld dat de betrokken Minister de ambtenarenmoet aanwijzen die het register bijwerken, beheren, en raadplegen. Eendergelijke toegang tot het register moet vanzelfsprekend zoveel mogelijkbeperkt worden en is alleen nodig voor bepaalde ambtenaren die zichdirect bezighouden met subsidieverstrekking namens en op het beleids-terrein waarvoor de verantwoordelijkheid ligt bij de betrokken Ministervan de Ministeries van EZK of LNV. In dit geval zullen dat veelal ambte-naren zijn die werkzaam zijn bij de RVO. Bij de toegangsverlening tot hetregister gaat het dan ook alleen om de werkzaamheden van RVO.Gevolgen van de registratie (artikel 7a, vijfde lid)In het vijfde lid wordt bepaald dat door de betrokken Minister aangeregistreerde gegevens ten behoeve van de voorkoming van misbruik bijde volgende subsidieverstrekking gevolgen kunnen worden verbonden.Wanneer over een betreffende aanvrager of aanvragers onder eensubsidieregeling gegevens zijn opgenomen in de registratie, kunnen diegevolgen hebben voor de beoordeling van de aanvraag om subsidie of deaanvraag tot subsidievaststelling, de in het kader van de subsidiever-strekking op te leggen verplichtingen en de controle op de nalevinghiervan. Het register is overeenkomstig aanwijzing 20 van de Aanwij-zingen voor subsidieverstrekking bedoeld om de subsidieverstrekker tevoorzien van informatie over eerder misbruik van subsidies door een(individuele) subsidieontvanger, met het oog op de risicoanalyse die bijeen subsidieaanvraag of bij het opstellen of wijzigen van een subsidiere-geling of subsidiemodule dient te worden gemaakt (zie ook artikel 7a,eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies). Hierbij is hetvolgende van belang.Ten eerste kan de subsidieverstrekkende Minister in sommige gevalleneen volgende (individuele) subsidieaanvraag afwijzen op grond vanartikel 4:35, eerste lid, van de Awb. Voordat een subsidieaanvraag opbasis van genoemde bepaling wordt afgewezen, wordt een risicoanalysegemaakt. Registratie van eerder misbruik door een individuele aanvragerkan een factor zijn bij de beoordeling of een volgende aanvraag vandiezelfde aanvrager kan worden toegewezen of moet worden geweigerd.Opname in het register leidt niet automatisch tot weigering van eenvolgende subsidieaanvraag. Een volgende aanvraag wordt op zijn eigenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 319 merites beoordeeld. Er zal dus nadrukkelijk geen automatische sanctio-nering plaatsvinden op grond van een registratie in het register. Ook kaner extra controle plaatsvinden bij een volgende subsidieverstrekking doormiddel van het opleggen van extra verplichtingen betreffende (tussen)rap-portages of extra verslaglegging ten behoeve van de aanvraag totsubsidievaststelling.Ten tweede is van belang dat de informatie uit de registratie mogelijk eenbijdrage zou kunnen leveren aan risicoanalyses. Naar aanleiding van eenrisicoanalyse kan ervoor gekozen worden om meer generiek in dedesbetreffende subsidieregeling of subsidiemodule risico beperkendemaatregelen op te nemen betreffende voorkoming van misbruik vansubsidies. Het betreffen hier dus maatregelen die op alle subsidieaan-vragers en subsidieontvangers van de desbetreffende subsidieregeling ofde desbetreffende subsidiemodule van toepassing zijn in de vorm vanvoorwaarden en verplichtingen betreffende bijvoorbeeld rapportage eninformatieverstrekking over de voortgang van het gesubsidieerde projecten controle achteraf.De gevolgen van registratie dienen nadrukkelijk betrekking te hebben opnieuwe subsidieverstrekkingen. Bij misbruik ten behoeve van subsidiever-strekking gedurende een huidig lopend subsidietraject kunnen demaatregelen, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, getroffen worden richtingeen subsidieaanvrager, subsidieontvanger of diens vertegenwoordiger.Naar aanleiding van deze getroffen of te treffen maatregelen vindt pas deregistratie plaats. Een registratie in het register leidt op zichzelf dus niettot extra individuele maatregelen tijdens het huidige subsidietraject. Ditstaat los van eventuele extra verplichtingen (bijvoorbeeld aangaanderapportages) die sowieso al tijdens het huidige subsidietraject opgelegdkunnen worden als er onjuist gebruik van subsidie plaatsvindt. Ook is hetvanwege rechtszekerheid niet de bedoeling dat subsidieregelingenaangepast worden ten behoeve van lopende subsidieverstrekkingen.Kortom, alleen voor toekomstige situaties kan de registratie tot risicobe-perkende maatregelen leiden bij een individueel subsidietraject of via hetdoorvoeren van aanpassingen van een subsidieregeling ten behoeve vaneen nieuwe openstelling hiervan. Daarom mogen de geregistreerdegegevens, die verband houden met misbruik van een subsidie op eenbepaald beleidsterrein, niet gebruikt worden ten behoeve van devoorkoming van misbruik bij de verstrekking van een volgende subsidiedie betrekking heeft op een heel ander beleidsterrein (zie artikelsgewijzetoelichting op artikel 7a, eerste lid).Grondslag voor aanvullende regels (artikel 7a, zesde lid)In het zesde lid van artikel 7a is bepaald dat bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur of bij regeling van de betrokken Minister aanvul-lende regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot onderwerpendie, in aanvulling op de regels van artikel 7a, nadere regeling behoevenom misbruik van subsidies te voorkomen. Het gaat hierbij vooral omregels die betrekking kunnen hebben op specifieke subsidiemodules vande RNES of REES, zoals het verduidelijken dat met name specifiekegegevens, met uitzondering van persoonsgegevens, of gedragingen bij dedesbetreffende subsidiemodule voor registratie in aanmerking komen ofdat de registratie alleen mag worden gebruikt ten behoeve van devoorkoming van misbruik bij een volgende subsidieverstrekking op grondvan de desbetreffende subsidiemodule (en dus de registratie niet bredervoor meerdere subsidiemodules mag worden ingezet). Het zesde lid isdan ook bedoeld om in lagere regelgeving de gevolgen van de registratiete kunnen beperken, zodat niet meer gegevens geregistreerd worden dannoodzakelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 320 Rechten van betrokkenenDe betrokkene kan te allen tijde zijn of haar rechten uitoefenen op grondvan de AVG, waaronder het recht op inzage. Deze rechten worden bij devoorgestelde wijziging niet verder beperkt, dan reeds wettelijk geregeld is.AVG-verzoeken worden door RVO behandeld conform het proces datdaarvoor is ingericht waardoor de uitoefening van de rechten vanbetrokkenen gewaarborgd is. In het geval de betrokken subsidieaanvrager,subsidieontvanger of diens vertegenwoordiger in het register wordenopgenomen, zullen deze hierover schriftelijk worden geïnformeerd, alsookover dat deze te allen tijde zijn of haar rechten op grond van de AVG kanuitoefenen. Dit zal in de regel gebeuren in het besluit waarin de desbetref-fende maatregel, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, onderdelen a, b of c,wordt getroffen dan wel op het moment dat aangifte is gedaan, bedoeldin artikel 7a, tweede lid, onderdeel d, tenzij dit de voorkoming, hetonderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten belemmert,zoals artikel 41 van de Uitvoeringswet AVG onder passende waarborgentoestaat. Ook kan, wanneer dit nog niet eerder mogelijk is, informatiever-strekking op een ander tijdstip of een andere wijze plaatsvinden. Hierbijzal altijd rekening gehouden worden met de eventuele risico’s voor derechten en vrijheden van betrokkenen, en zal er in voorkomend gevalsprake moeten zijn van een zorgvuldige afweging per geval.Artikel V (wijziging van de Mededingingswet)De Mededingingswet wordt aangepast voor de harmonisatie metEuropese regelgeving, zodat het verbod op misbruik van een econo-mische machtspositie hiermee weer in lijn zal zijn. Hierdoor kan misbruikvan een economische machtspositie onder bepaalde voorwaarden (uitonder meer Europese rechtspraak) in het vervolg ook van toepassing zijnop concentraties van ondernemingen.Recentelijk heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:HvJEU) zich in het Towercast-arrest13 uitgesproken over de vraag of eennationale mededingingsautoriteit een concentratie van ondernemingenkan aanmerken als een krachtens artikel 102 van het Verdrag inzake deWerking van de Europese Unie (hierna: VWEU) verboden misbruik vaneconomische machtspositie. Het HvJEU beantwoordt deze vraagbevestigend, als aan een aantal voorwaarden is voldaan: de concentratieheeft geen communautaire dimensie in de zin van artikel 1 van deEuropese concentratieverordening14, de concentratie blijft onder detoepasselijke nationale drempels voor een verplichte ex-ante controle ende concentratie heeft geen aanleiding gegeven tot verwijzing naar deEuropese Commissie op grond van artikel 22 van de Europese concentra-tieverordening. De ACM is krachtens artikel 88 van de Mededingingswetbevoegd om artikel 102 van het VWEU toe te passen en de jurisprudentievan het HvJEU werkt automatisch door bij de uitoefening van diebevoegdheid. Voor het nationale verbod op misbruik van een econo-mische machtspositie in artikel 24 van de Mededingingswet ligt datanders. Artikel 24, tweede lid, van de Mededingingswet bepaalt dat hetnationale verbod niet van toepassing is op het tot stand brengen vanconcentraties. Voorgesteld wordt om dat lid te schrappen, zodat hetnationale mededingingsrecht één-op-één blijft aansluiten op het Europesemededingingsrecht. Die aansluiting is een belangrijk uitgangspunt van deMededingingswet.13HvJEU 16 maart 2023, zaak C-449/21, Towercast SASU tegen Autorité de la concurrence enMinistère de l»Économie.14Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle opconcentraties van ondernemingen (PbEU 2004, L 24).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 321 Artikel VI (wijziging van de Telecommunicatiewet)Met artikel VI worden verwijzingsfouten hersteld en verwijzingengeactualiseerd in de Telecommunicatiewet, en wordt artikel 11.2a van deTelecommunicatiewet, waarin het communicatiegeheim is vastgelegd,gewijzigd.Het communicatiegeheim (artikel 11.2a)Het communicatiegeheim uit artikel 11.2a van de Telecommunicatiewetwordt gewijzigd. Allereest komt de voorwaarde dat er sprake moet zijnvan een openbaar netwerk of openbare dienst te vervallen. Niet in te zienvalt immers waarom communicatie (de inhoud en de metadata) via eenniet openbaar elektronisch communicatienetwerk of via een niet openbareelektronische communicatiedienst geen bescherming zou behoeven.Daarnaast wordt in artikel 11.2a,tweede lid, aanhef, het verbod omcommunicatie via een elektronisch communicatienetwerk of via eenelektronische communicatiedienst af te tappen, af te luisteren ofanderszins te onderscheppen of te controleren (het communicatiegeheim)verbreed tot een ieder. Hierdoor richt het verbod zich dus niet meer alleenop de bij de communicatie betrokken aanbieder van het elektronischecommunicatienetwerk of de dienst zoals tot nu toe het geval was. Hiermeekomt het nieuwe tweede lid meer in lijn met artikel 5, eerste lid, vanrichtlijn 2002/58/EG (e-privacyrichtlijn)15 dat zich immers ook tot eeniederricht. Door de verbreding naar eenieder zijn de bij elektronische communi-catie betrokken voortaan beschermd tegen alle inbreuken op huncommunicatieverkeer en niet alleen in het geval de inbreuk geschiedtdoor de betreffende aanbieder van het bij de communicatie betrokkennetwerk of de bij de communicatie gebruikte dienst. Zo valt, bijvoorbeeld,het door middel van software op een mobiele telefoon onderscheppen (ervoor zorgen dat -een deel- van het communicatieverkeer niet bij degebruiker komt) van een communicatiedienst door de leverancier van detelefoon onder het verruimde verbod.Verder wordt in het aangepaste onderdeel a van het tweede lid vanartikel 11.2a het begrip abonnee vervangen door gebruiker. Ook dit is inlijn met artikel 5, eerste lid, van de e-privacyrichtlijn. Het gaat dus nietlanger om degene die een contract met de aanbieder heeft maar omdegene die daadwerkelijk betrokken is bij de communicatie. Dat kan deabonnee zijn maar dat hoeft niet. Zo wordt dus verduidelijkt dat ingrijpenin de communicatie alleen toegestaan is als daarvoor de toestemming vanbij de communicatie betrokken gebruikers is verkregen. Daarnaast zijn dein het derde en vierde lid van artikel 11.2a door te voeren wijzigingen hetgevolg van de hiervoor genoemde vervanging van het begrip abonneedoor het begrip gebruiker in artikel 11.2a, tweede lid, onderdeel a.Het is de verwachting dat voormelde aanpassingen zullen leiden tot eenbetere bescherming van de communicatie en dus de privacy van degebruikers van telecommunicatienetwerken en diensten. Tot slot zij nogopgemerkt dat aan het toezicht op het communicatiegeheim nietsverandert. Dit blijft berusten bij de ACM. Dit betekent dat ook hetverruimde communicatiegeheim bestuurlijk kan worden gehandhaafd.15Richtl(n 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende deverwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in desector elektronische communicatie (richtl(n betreffende privacy en elektronische communi-catie).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 322 Actualisatie van en herstel van fouten in verwijzingen (de artikelen 1.1,3.10, 6a.20 en 18.2a)Verder worden er aanpassingen doorgevoerd in de artikelen 1.1, 3.10,6a.20 en 18.2a van de Telecommunicatiewet. Het gaat om de volgendewijzigingen:•In artikel 3.10 is een foutieve verwijzing aangepast;•In de artikelen 1.1 en 18.2a is een verwijzing naar een verordeningaangepast. Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlementen de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie envertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markten tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257; hierna:eIDAS verordening) is gewijzigd door Verordening (EU) nr. XXX/2024van het Europees Parlement en de Raad van [DATUM] tot wijziging vanVerordening (EU) nr. 910/2014, wat betreft de vaststelling van hetEuropees kader voor digitale identiteit. Een van de wijzigingen betrefthet artikel op grond waarvan een lidstaat een toezichthoudend orgaanvoor de eIDAS verordening moet aanwijzen. De aanwijzing, zoals dieluidde voor wijziging van de eIDAS verordening, vond zijn grondslagin artikel 17, eerste lid, van deze verordening. Na wijziging is dezegrondslag artikel 46 ter van de eIDAS verordening. Omdat dezeaanwijzing zo snel mogelijk moet plaatsvinden, wordt deze aanwijzingin het onderhavige wetsvoorstel meegenomen;•Artikel 6a.20, tweede lid, onderdeel b, wordt gewijzigd, omdat in ditonderdeel het begrip «toezichthoudend orgaan» wordt gebruikt. Inartikel 1.1 van de Telecommunicatiewet is een begripsbepaling vantoezichthoudend orgaan opgenomen die verband houdt met de eIDASverordening. Het toezichthoudend orgaan, bedoeld in onderdeel b, iseen ander orgaan dan het toezichthoudend orgaan, bedoeld inartikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. Met de onderhavige wijzigingwordt dit gecorrigeerd.Artikel VII (wijziging van de Wet op het Centraal bureau voor destatistiek)Met artikel VII wordt voorgesteld de artikelen 15 en 64 van de Wet op hetCentraal bureau voor de statistiek aan te passen.In artikel 15, vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor destatistiek is bepaald dat de directeur-generaal van het CBS het werkpro-gramma van het CBS ten minste twee maanden voor het begin van hetkalenderjaar waarop het betrekking heeft, ter goedkeuring aan de Ministervan EZK voorlegt (dus uiterlijk op 1 november voorafgaand aan hetkalenderjaar waarop het werkprogramma betrekking heeft). Ook moet dedirecteur-generaal op grond van artikel 64 de (aanverwante) begrotingjaarlijks aan de Minister van EZK voorleggen vóór 1 november van hetjaar voorafgaand aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Inartikel 15, vijfde lid, staat dat de Minister van EZK binnen zes weken naontvangst van het werkprogramma een beschikking omtrent degoedkeuring ervan geeft. In de beschikking wordt ook de verplichting voorde bijdrage van het Ministerie van EZK aan het CBS aangegaan. Om eenfinanciële verplichting aan te kunnen gaan, is verplichtingenruimte in debegroting nodig. De verplichtingenruimte is echter pas beschikbaar in hetjaar waarop het werkprogramma en de begroting betrekking heeft. Het iszodoende niet mogelijk om binnen zes weken na 1 november al eenbeschikking te geven aan het CBS waarbij meteen de verplichting vooreen bijdrage van het Ministerie van EZK wordt aangegaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 323 Voorgesteld wordt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek aan tepassen, zodat het jaarlijkse werkprogramma en (aanverwante) begrotingin het vervolg ingediend moet worden uiterlijk één maand (lees: opuiterlijk 1 december) voorafgaand aan het begin van het kalenderjaarwaarop deze documenten betrekking hebben, in plaats van ten minstetwee maanden (lees: vóór 1 november) voorafgaand hieraan (zie deartikelen 15, vierde lid, en 64 van de Wet op het Centraal bureau voor destatistiek). Ook zal de Minister van EZK in het vervolg een beschikking ophet werkprogramma moeten hebben gegeven op uiterlijk 15 januari vanhet jaar waarop het werkprogramma betrekking heeft, in plaats vanuiterlijk half december voorafgaand aan het jaar waarop het werkpro-gramma betrekking heeft (zie artikel 15, vijfde lid, van de Wet op hetCentraal bureau voor de statistiek). Ook blijft op de goedkeuring van debegroting artikel 65 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiekvan toepassing. Met de aanpassing van deze termijnen wordt aangeslotenbij de jaarlijkse begrotingsgoedkeuring door de Staten-Generaal van deverplichtingenruimte binnen de begroting van EZK voor het kalenderjaarwaarop het werkprogramma van het CBS betrekking heeft. Daarbij geeftdeze aanpassing het CBS meer tijd om het werkprogramma en (aanver-wante) begroting voor te bereiden en vervolgens in te dienen bij deMinister van EZK.Tot slot wordt opgemerkt dat er geen aanpassing plaatsvindt van debeoordelingstermijn voor de goedkeuring van een wijziging van hetwerkprogramma, opgenomen in het huidige artikel 15, vijfde lid. Debeschikking omtrent de goedkeuring van een wijziging van het werkpro-gramma moest al en moet in het vervolg nog steeds gegeven wordenbinnen zes weken na ontvangst van de wijziging van het werkprogramma(zie het voorgestelde artikel 15, vijfde lid, onderdeel b).Artikel IX (wijziging van de Wet veiligheidstoets investeringen,fusies en overnames)De voorgestelde wijziging in artikel IX bevat een verduidelijkendeverbetering in artikel 6 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusiesen overnames. Dit artikel heeft betrekking op indirecte verwervingsactivi-teiten in doelondernemingen die onder het bereik van deze wet vallen. Hetartikel bevestigt dat een onderneming waarop een verwervingsactiviteitbetrekking heeft zonder zelf een vitale aanbieder of beheerder van eenbedrijfscampus te zijn dan wel zonder zelf actief te zijn op het gebied vansensitieve technologie, toch onder het toepassingsbereik van deze wetkan vallen doordat zij een in deze wet omschreven mate van invloed heeftop een andere onderneming die wel als zodanig kwalificeert. Louter terbevestiging dat het ook bij indirecte verwervingsactiviteiten gaat omondernemingen die doel zijn van een verwervingsactiviteit, bezigt artikel 6daarvoor de term «doelonderneming». Uit de definitie van dit begrip inartikel 1 kan echter worden afgeleid dat een dergelijke onderneming inNederland gevestigd moet zijn. Met artikel 6 wordt evenwel niet beoogduit te sluiten dat een indirecte verwervingsactiviteit ook relevant kan zijnals die op een buiten Nederland gevestigde onderneming betrekkingheeft. Dit blijkt ook duidelijk uit de memorie van toelichting (Kamer-stukken II 2020/21, 35 880, nr. 3, blz. 3, voorlaatste alinea, laatste zin). Devoorgestelde wijziging bevestigt uitdrukkelijk deze uitleg van artikel 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 324 Artikel X (inwerkingtreding)Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De wet zal inwerking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor deverschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan wordenvastgesteld.De Minister van Economische Zaken en Klimaat,M.A.M. AdriaansensTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 588, nr. 325
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
8c36e324-e0bf-40a7-9cbe-8c10bbcfe74d
92debatten
2.983bijdragen
62interrupties
366.341woorden in uitspraken