KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de Telecomraad (informeel) 4-5 maart 2025 (Kamerstuk 21501-33-1113)

3 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a7b07b3ab0985053 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-33Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en EnergieNr. 1116 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 3 maart 2025 De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een vragen en opmerkingenvoorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en de Staatssecre-taris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brieven van:–14 februari 2025 «Geannoteerde agenda Telecomraad (informeel) d.d.4–5 maart 2025» (Kamerstuk 21 501-33-1113),–van 8 januari 2025 «Verslag formele Telecomraad d.d. 6 december2024» (Kamerstuk 21 501-33-1108),en van 2 december 2024 «Antwoorden op vragen commissie over o.a.de Geannoteerde Agenda van de formele Telecomraad 6 december2024» (Kamerstuk 21 501-33-1099).De vragen en opmerkingen zijn op 20 februari 2025 aan de Minister vanEconomische Zaken en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 3 maart 2025 zijn de vragenbeantwoord.Voorzitter van de commissie,WingelaarAdjunct-griffier van de commissie,Muller kst-21501-33-1116ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11161 Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op deagenda van het schriftelijk overleg inzake de informele Telecomraad dieop 4–5 maart 2025 zal plaatsvinden. Naar aanleiding hiervan hebben dezeleden nog enkele vragen.Zij hebben naar aanleiding van de brief van 20 november 2024 inzake de«Geannoteerde Agenda van de formele Telecomraad 6 december 2024»(Kamerstuk 21 501-33, nr. 1096) reeds een vraag gesteld over de imple-mentatie van de 5G-toolbox. Uit de beantwoording blijkt dat Nederlandzich in EU-verband actief blijft inzetten voor een gezamenlijke Europeseaanpak voor de veiligheid van 5G-netwerken. In het «Verslag formeleTelecomraad d.d. 6 december 2024» (Kamerstuk 21 501-33-1108) wordt de5G-toolbox echter niet genoemd. Tevens staat de 5G-toolbox niet op de«Geannoteerde Agenda informele Telecomraad 4–5 maart 2025»(Kamerstuk 21 501-33-1113). Naar aanleiding hiervan vragen de leden vande PVV-fractie waarom de 5G-toolbox niet is behandeld tijdens de formeleTelecomraad van 6 december 2024.AntwoordDe resultaten van de Netwerk- en informatiebeveiliging (NIB) Samenwer-kingsgroep, zoals bijvoorbeeld tussentijdse voortgangsrapportages vande implementatie van de 5G toolbox, zijn geen vast terugkomendonderdeel van de agenda van de Telecomraad. Het werk gaat welonverminderd door en Nederland blijft zich in dit verband dan ook actiefinzetten voor een gezamenlijke Europese aanpak voor de veiligheid van5G-netwerken, onder andere door het uitwisselen van risicoanalyses enhet delen van oplossingsrichtingen binnen de NIB Samenwerkingsgroep.De NIB Samenwerkingsgroep bestaat uit ambtelijke vertegenwoordigersvan de lidstaten, de Commissie en het Europese Agentschap voorNetwerk- en Informatiebeveiliging (ENISA). In deze werkgroep wordtbinnen de EU op regelmatige basis de voortgang van de implementatievan nationale maatregelen besproken en is er mogelijkheid om informatieuit te wisselen over risicoanalyses en oplossingsrichtingen. Nederlandneemt actief deel aan deze besprekingen.Voorts lezen de leden van de PVV-fractie in het «Verslag formeleTelecomraad d.d. 6 december 2024» dat de EU zich hard heeft gemaaktdat de International Telecommunications Union (ITU) Oekraïne onder-steunt bij het inventariseren en herbouwen van beschadigde en vernie-tigde telecommunicatie- en omroepinfrastructuur. Deze leden vragenwaaruit deze ondersteuning concreet bestaat en wat het aandeel vanNederland hierin is.AntwoordDe International Telecommunications Union (ITU) heeft van oudsher eenrol in het ondersteunen van haar lidstaten bij (natuur)rampen. Dezeondersteuning bestaat zowel uit kennisexpertise als uit materiëleondersteuning. Na de inval in 2022 hebben de EU-lidstaten, als onderdeelvan een grotere groep van circa 44 landen, de ITU opgeroepen dezeondersteuning ook in te zetten bij de wederopbouw van detelecommunicatie-infrastructuur in Oekraïne.De ITU-ondersteuning omvat vooral de regelmatige rapportage over deICT-behoeften in Oekraïne ten gevolge van de Russische inval, steun voorde wederopbouw van verwoeste telecommunicatie en televisie-infrastructuur en het aanmoedigen van lidstaten en stakeholders om opbilateraal niveau de samenwerking op te zoeken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11162 De wederopbouw kan echter pas starten wanneer de veiligheidssituatiedat toe laat. Op dit moment werkt ITU aan het inventariseren van wat ernodig is en de daarmee gepaard gaande kosten. Nederland blijft samenmet de EU dit proces volgen en beziet hoe we onze steun vorm kunnengeven wanneer de wederopbouw activiteiten beginnen.Zij lezen verder in het «Verslag formele Telecomraad d.d. 6 december2024» dat Nederland heeft aangegeven dat het goed zou zijn als meerEuropese bedrijven, waaronder mkb’ers, actief deelnemen aan deactiviteiten van de ITU en dat Nederland de deelname van bedrijven aanITU-activiteiten wil vergemakkelijken en de invloed van de EU wilversterken. De leden van de PVV-fractie willen graag weten welkegevolgen dit heeft voor de Nederlandse markt.AntwoordHet ontwikkelen van standaarden biedt kansen voor het concurrentie- enverdienvermogen van Nederlandse bedrijven. Standaarden zijn eenbelangrijk instrument om Nederlandse producten compatibel te makenvoor internationale markten. Door Nederlandse bedrijven, waarondermkb-bedrijven, te betrekken bij de totstandkoming van standaarden zullendeze beter toepasbaar worden voor de Nederlandse en internationalemarkt en beter aansluiten bij de wensen van Nederlandse ondernemers.De kennis en ideeën van het mkb omzetten naar standaarden is echter eenlangdurig en kostbaar proces. Zowel in nationaal als in EU-verband wordtgekeken hoe de bedrijven hierbij het beste kunnen worden ondersteund.Daarbij wordt ook gekeken hoe de standaardisatieprocessen, waaronderdie van ITU, efficiënter kunnen worden ingericht. Het doel is uiteindelijkom de kosten en de doorlooptijd van het ontwikkelen van een standaardte beperken.Bovendien lezen deze leden in het «Verslag formele Telecomraad d.d.6 december 2024» dat Nederland tijdens de Raad heeft voorgesteld omtijdens een toekomstige Telecomraad uitgebreider te spreken over betereregelgeving voor het mkb in het digitale domein, waarbij lidstatenvoorbeelden zouden kunnen aandragen welke juridische definities inwetgeving op digitaal gebied niet met elkaar in overeenstemming zijn ofAI-taalmodellen gebruikt kunnen worden om te kijken of er kansen zijn omregels samen te voegen of te vereenvoudigen. De leden van dePVV-fractie willen weten welke concrete punten reeds hieruit naar vorenzijn gekomen.AntwoordIn navolging van het Nederlandse voorstel bij de Telecomraad wordtmomenteel bekeken welke knelpunten door bedrijven en brancheorgani-saties in het digitale domein reeds zijn gesignaleerd. Concrete nieuwepunten kunnen op dit moment nog niet worden genoemd. De EuropeseCommissie heeft in het werkprogramma voor 2025 aangekondigd aan heteind van het jaar een zogenaamde fitness check van Europese digitaleregelgeving uit te voeren, wat het kabinet verwelkomd en het isvoornemens om actief bij te dragen met voorbeelden uit de Nederlandsepraktijk. Ook de expliciete aandacht voor het belang van simplificatie vanregelgeving bij de Europese Commissie wordt verwelkomd, zonder dedaarmee verband houdende beleidsdoelstellingen te ondermijnen,conform het Regeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96).Daarnaast lezen de leden in het «Verslag formele Telecomraad d.d.6 december 2024» dat de AI Action Summit in Parijs in het teken stondvan AI, AI-innovatie, en de rol die AI kan spelen in het ondersteunen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11163 duurzame ontwikkelingsdoelen. Deze leden willen weten welke rol hierinvoor Nederland is weggelegd dan wel is ingenomen.AntwoordDe AI Action Summit in Parijs vond plaats op 10 en 11 februari 2025. Waarde twee eerdere AI Toppen (Bletchley Park en Seoul) in grote mate overveiligheidsvraagstukken gingen, ging de Top in Parijs in grote mate overbelang van investeren in AI, vooral in Europa. Minister Beljaarts vanEconomische Zaken en Staatssecretaris Szabó van Digitalisering enKoninkrijksrelaties vertegenwoordigden Nederland op deze top. Zij namendeel aan diverse sessies en voerden gesprekken met internationalecounterparts en ondernemers.Nederland heeft de «Verklaring over Inclusieve en Duurzame AI voorMensen en de Planeet» van de AI Summit Parijs samen met 61 anderelanden ondertekend. Deze verklaring legt algemene principes vast enidentificeert de prioriteiten en nodige acties om het publieke belang vanAI te bevorderen, naar de duurzame ontwikkelingsdoelen te streven en dedigitale kloof te overbruggen. Zo zetten de ondertekenende landen zich invoor de ontwikkeling van AI die open, transparant, ethisch, veilig enbetrouwbaar is; het vermijden van marktconcentratie om innovatie testimuleren; het nastreven van positieve uitkomsten voor arbeidsmarkten;het verduurzamen van AI; en het bevorderen van internationale samen-werking en governance. Deze punten zijn in lijn met de Nederlandsebeleidsinzet.Ten slotte merken deze leden op dat de informele Telecomraad van4–5 maart 2025 in het teken staat van cybersecurity. De NIS2-richtlijnwordt in elk EU-land op een andere wijze geïmplementeerd in nationalewetgeving, waarbij sterke verschillen tussen lidstaten (kunnen) ontstaan.Zo is Duitsland voornemens om strengere regels te implementeren tenaanzien van Chinese technologie in de hele toeleveringsketen vantechnologie. De leden van de PVV-fractie willen weten in hoeverre deimplementatie van de NIS2-richtlijn per lidstaat verschilt en of er reedslessen zijn getrokken die blijken uit de implementatie in andere lidstatenmet betrekking tot de vermindering van administratieve lasten voorbedrijven en specifiek voor het mkb.AntwoordDe leden van de PVV en NSC vragen naar de implementatie van de NIS-2richtlijn en specifiek naar de uitvoeringslast van het mkb en anderebedrijven. In Nederland wordt de NIS2-richtlijn met de Cyberbeveili-gingswet (Cbw) geïmplementeerd. Het streven is om de uitvoeringslasthiervan voor bedrijven zo veel mogelijk te beperken. Dit doet het kabinetbijvoorbeeld door bij het regelen van de maatregelen waaraan bedrijvenin het kader van de zorgplicht moeten voldoen waar mogelijk aan tesluiten bij gangbare cyberbeveiligingsnormen en (niet-bindende) kadersen richtsnoeren die door de Europese NIS-samenwerkingsgroep wordenontwikkeld. Daarnaast worden er onder meer informatieproducten enhandreikingen beschikbaar gesteld die bedrijven helpen bij het gaanvoldoen aan de Cbw. Hiervoor worden ook Europese best practices metelkaar gedeeld. Voor het merendeel van de NIS2-sectoren geldt overigensdat micro- en kleine ondernemingen niet onder de NIS2-richtlijn vallen.Is Nederland voornemens om – net als Duitsland – een strenger beleid teimplementeren ten aanzien van het toestaan van technologie uit landenmet een offensieve cyberagenda tegen Nederland?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11164 Nederland regelt, net als Duitsland, ter implementatie van deNIS2-richtlijn in het voorstel voor de Cbw nadrukkelijk de verplichtingvoor essentiële en belangrijke entiteiten om passende en evenredigetechnische, operationele en organisatorische maatregelen te nemen omde risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen tebeheersen, incidenten te voorkomen en gevolgen van incidenten tebeperken (zorgplicht). In het kader van die verplichting zullen onder meermaatregelen moeten worden genomen met betrekking tot de beveiligingvan de toeleveringsketen. Zij moeten daarbij rekening houden met despecifieke kwetsbaarheden van elke rechtstreekse leverancier endienstverlener, en met de algemene kwaliteit van de producten en decyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Ookdienen zij rekening te houden met de resultaten van op EU-niveaugecoördineerde risicobeoordelingen van kritieke toeleveringsketens alsbedoeld in artikel 22 NIS2-richtlijn1.Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van dethema’s die besproken zullen worden tijdens de informele Telecomraad.Deze leden juichen het toe dat onder leiding van het Poolse voorzitter-schap extra aandacht wordt besteedt aan Europese cybersecurity. Zijhebben enkele vragen en opmerkingen over de onderhavige stukken.Antwoorden op vragen commissie over o.a. de Geannoteerde Agenda vande formele Telecomraad 6 december 2024 (Kamerstuk 21 501-33-1096)De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij te lezen dat het kabinetop Europees niveau aandacht heeft gevraagd voor de aanpak vanverslavend ontwerp en dit bij de Europese Commissie onder de aandachtzal blijven brengen, zeker in aanloop naar de Digital Fairness Act. Dezeleden zijn van mening dat het aanpakken van verslavend ontwerp, zeker intijden van desinformatiecampagnes, óók onder cybersecuritybeleid valt.Wat is de visie van de Minister ten aanzien van verslavend ontwerp inrelatie tot cybersecurity? Is de Minister van plan om het probleem vanverslavend ontwerp ook tijdens deze informele telecomraad ter sprake tebrengen, met als focus de cybersecurity van de samenleving? Kan deMinister aangeven wat de mogelijkheden zijn om verslavend ontwerp opnationaal niveau reeds aan te pakken, in afwachting van een Europeseaanpak op basis van de Digital Fairness Act?AntwoordDe aanpak van verslavend ontwerp heeft de aandacht van het kabinet. Wijzien echter geen plek hiervoor binnen het cybersecuritybeleid, dat zichricht op de opgave om Nederland digitaal veilig te maken.Het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie stelt de agendaop. De onderwerpen op de agenda van deze informele Telecomraad gaanniet over thema’s waar verslavend ontwerp onderdeel van uitmaakt. Eeninterventie hierover is dan ook niet voorzien.De digitale dienstenverordening (DSA) draagt al bij aan de aanpak van hetverslavend ontwerp. Bij de verplichte systeemrisico-analyses moeten zeergrote online platforms en zoekmachines onder meer bekijken of hundiensten negatieve effecten hebben op «het lichamelijke en geestelijkewelzijn» van gebruikers. In dat kader doet de Europese Commissiemomenteel onderzoek naar onder andere de verslavende werking van1NIS 2-richtlijn (Richtlijn (EU) 2022/2555). Raadpleegbaar via https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2022/2555.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11165 naar TikTok, Instagram en Facebook. Het kabinet wacht de resultaten vandeze onderzoeken met belangstelling af.Er is weinig ruimte om verslavend ontwerp op nationaal niveau tereguleren. Het kabinet is van mening dat de aanpak op Europees niveauhet meest effectief is en daarom sterk de voorkeur heeft. Het betreft hierbij uitstek een internationale markt en nationale regels kunnen makkelijkeromzeild worden. Bovendien is het voor ondernemers veel duidelijker alser eenduidige regels in de EU gelden en die niet per lidstaat verschillen.Ten slotte kan er met Europese wetgeving meer impact gemaakt wordenzodat online dienstenaanbieders hun ontwerp aanpassen. Consumentenworden hierdoor uiteindelijk beter beschermd. Daarom zet het kabinetliever in op een Europese aanpak van verslavend ontwerp. De Ministervan Economische Zaken zal in samenwerking met de StaatssecretarisDigitalisering en Koninkrijksrelaties de Kamer voor deze zomer informerenover de Nederlandse inzet ten aanzien van de Digital Fairness Act.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat er op dit momentgeen concrete plannen zijn om geteste open-source oplossingen tebeproeven in een pilot of te gaan gebruiken. Ook lezen deze leden dat ergeen plannen zijn zelf open-source-oplossingen te ontwikkelen op deschaal waarop andere landen dat doen. Hoewel zij beide antwoorden inprincipe jammer vinden, zijn zij vooral teleurgesteld over de gebrekkigemotivatie van deze antwoorden. Kan de Minister aangeven waarom ergeen concrete plannen zijn om de geteste open-source oplossingen tebeproeven in een pilot of te gaan gebruiken? Kan de Minister aangevenwaarom Nederland niet zelf van plan is open-source-oplossingen teontwikkelen, waar andere landen dat wel doen? Wat is de visie van deMinister ten aanzien van open-source in relatie tot cybersecurity enstrategische onafhankelijkheid? Kan de Minister aangeven of Nederlandhet belang van open-source in relatie tot cybersecurity en strategischeonafhankelijkheid bij de komende informele telecomraad gaatbenadrukken? Wat vindt de Minister van het oppakken van de ontwik-keling van dergelijke open-source-oplossingen op EU-niveau of metcoördinatie door de EU, zodat niet elke lidstaat zelf het wiel opnieuw hoeftuit te vinden?AntwoordOp dit moment worden meerdere oplossingen in een haalbaarheidsstudietechnisch beproefd. Momenteel wordt in kaart gebracht wat er nodig isom deelfunctionaliteiten te gaan gebruiken in kleinschalige pilots. Hetdoel van deze pilots zal zijn om te identificeren hoe en of we dezeoplossingen binnen de rijksoverheid kunnen gaan gebruiken. We zoekenhierbij ook actief samenwerking met partijen zoals de VNG, gemeenteAmsterdam, SURF en anderen zodat ons werk ook de autonomie enweerbaarheid van de gehele publieke sector en samenleving kanvergroten.Onze beproeving is gericht op maximaal hergebruiken, waarbij ontwik-keling momenteel aanpassing van bestaande open source oplossingenvoor de Nederlandse situatie betreft.Nederland heeft de samenwerking gezocht met andere landen endaarvoor in december 2024 een overeenkomst getekend met Duitsland enFrankrijk.Door zo veel mogelijk in een open source samenwerking te doen kunnenwe maximaal van elkaars werk gebruik maken. Deze overeenkomst(intentieverklaring) zal aan de Kamer worden meegezonden met deVerzamelbrief van maart 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11166 Open-source software biedt mogelijkheden in relatie tot cybersecurity.Doordat de software voor grote delen open is voor iedereen, kunnenfouten en risico’s sneller worden ontdekt en onderzocht. Waardoorgevolgen van mogelijke kwetsbaarheden kunnen worden beperkt. Hetgebruik van open-source software wordt daarom gestimuleerd. Tegelij-kertijd brengt het gebruik van open-source software ook mogelijke risico’smet zich mee indien (eind)verantwoordelijkheden niet goed zijn belegd,bijvoorbeeld in het oplossen van kwetsbaarheden. Organisaties dienenhun afhankelijkheid van software in de brede zin, dus ook open-sourcecomponenten te beoordelen op mogelijke risico’s.Ten aanzien van de strategische (on)afhankelijkheid refereren wij naar deKamerbrief2 bijgevoegd bij de agenda Digitale Open StrategischeAutonomie (DOSA) die in oktober 2023 aan de Tweede Kamer is gestuurd.Daarin wordt aangegeven dat het kabinet zich richt op versterking van decapaciteit voor Open Source Software (OSS) omdat dit voor Nederland ende EU goede kansen biedt om afhankelijkheden in het digitale domein teverminderen. In de brief worden verschillende acties voorgesteld om hetecosysteem voor OSS verder te ontwikkelen, waaronder de deelname aaneen European Digital Infrastructure Consortium (EDIC), een Europeessamenwerkingstraject. Dit is onder andere gericht op het opzetten van eenéénloketsysteem voor investeringen in bestaande en nieuweOSS-projecten die in Europa gebruikt kunnen worden.Om het opensourcewerken te ondersteunen (en bevorderen) is binnenBZK een Open Source Programmabureau, of OSPO, ingesteld enonderzoeken we hoe we deze functie ook Rijksbreed zouden kunneninrichten.De agenda van de aanstaande Telecomraad laat het niet toe om hetbelang van open-source in relatie tot cybersecurity en strategischeonafhankelijkheid bij de komende informele telecomraad te benadrukken.Samenwerking op dit gebied is een uitstekend en vanzelfsprekend idee.Duitsland en Frankrijk doen dit al enige tijd en sinds september 2024 isook Nederland betrokken bij deze samenwerking. Vanuit de deelnemendelidstaten onderzoeken we of het European Digital InfrastructureConsortium voor Digitale Gemeenschapsgoederen het juiste instrument isom deze samenwerking te ondersteunen.Steun vanuit de EU en ondersteunende coördinatie is daarbij welkom.Deze moet wel in het teken staan van versnelling van ontwikkeling ensamenwerking.Verslag formele Telecomraad d.d. 6 december 2024De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat bij de laatsteTelecomraad Oostenrijk een presentatie heeft gegeven over het raamwerkvoor digitale vaardigheden dat zij hebben ontwikkeld. Dit raamwerk kanbeleidsmakers helpen in hun beslissingen om de digitale vaardighedenvan Europese burgers te versterken. Deze leden wijzen de bewinds-persoon erop dat er ook in Nederland zeer veel burgers zijn die digitaalachter blijven, zowel in het gebruik van digitale middelen als in een goedecybersecurityhygiëne. Kan de Minister aangeven wat de Nederlandseappreciatie is van het Oostenrijkse raamwerk? Is Nederland van plan omhet raamwerk ook in Nederland te implementeren? Kan de Minister hieruitgebreid op reflecteren?Antwoord2Kamerstukken II 2023/24, 36 259, nr. 21.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11167 Het kabinet is bekend met het Europese competentiekader voor digitalevaardigheden (DigComp3) dat heeft gediend als basis voor het Oosten-rijkse raamwerk. DigComp is ontwikkeld door het GemeenschappelijkCentrum voor Onderzoek van de Europese Commissie en beschrijft dedigitale competenties voor burgers voor het leren, leven en werken in eendigitale samenleving. Het is een instrument dat beleidsmakers, onderwijs-instellingen en ondernemingen in de EU lidstaten kan helpen. In hetraamwerk is ook rekening gehouden met de opkomst van nieuwetechnologieën zoals AI. Anders dan in Oostenrijk ligt het in de Neder-landse situatie niet voor de hand om een dergelijk kader rechtstreeks inverschillende sectoren te implementeren. In het funderend onderwijswordt het curriculum via een zorgvuldig nationaal proces vormgegeven.Onderwijsinstellingen in het beroepsonderwijs werken met beroepsge-richte kwalificaties, hoger onderwijs instellingen zijn vrij om te kiezen voorspecifieke competentiekaders en op het informeel en non-formeel lerenbestaat eveneens beperkte overheidssturing. Toch is in Nederland in deafgelopen jaren DigComp ook incidenteel als inspiratiebron gebruikt.Bijvoorbeeld bij de formulering van het kerndoel digitale geletterdheid inde curriculumvernieuwing in het primair en secundair onderwijs4, bij hetvormgeven van het Nationaal Groeifondsproject Npuls in het mbo enhoger onderwijs5 en door sommige individuele onderwijsinstellingen6.Ook heeft het vorige kabinet op basis van DigComp onderzoek latenuitvoeren naar de digitale vaardigheden van Nederlanders7. In deverkenning basisvaardigheden voor volwassenen na 2025, zoals op13 november 2024 met uw Kamer besproken8, is ook rekening gehoudenmet het bestaan van DigComp9.In het kader van het EU Actieplan digitaal onderwijs heeft de EuropeseCommissie in de periode 2022–2024 de ontwikkeling van een Europeescertificaat voor digitale vaardigheden (EDSC) gebaseerd op DigComponderzocht10. Met dit certificaat zouden mensen snel en eenvoudig hundigitale vaardigheden kunnen laten erkennen door onder meerwerkgevers en opleidingsaanbieders. De Europese Commissie heeft opbasis van een haalbaarheidsstudie en een proefproject met verschillendeEU-landen geconcludeerd dat dit kwaliteitskeurmerk niet voldoendetoegevoegde waarde oplevert voor Europese burgers11. In Nederland wasna consultatie van diverse nationale stakeholders gebleken dat ditinitiatief niet in breed gedeelde behoeften voorzag, wat al eerder redenwas om niet deel te nemen aan het proefproject voor lidstaten.3DigComp Framework – European Commission. Raadpleegbaar via https://joint-research-centre.ec.europa.eu/scientific-activities-z/education-and-training/digital-transformation-education/digital-competence-framework-citizens-digcomp/digcomp-framework_en4Digitale geletterdheid in de onderwijspraktijk – SLO. Raadpleegbaar via: https://www.slo.nl/sectoren/vmbo/digitale-geletterdheid-vmbo/digitale-geletterdheid-vo/digitale-geletterdheid-onderwijspraktijk/inhoud/5Verkenning digitale vaardigheden in het mbo, hbo en wo – Npuls. Raadpleegbaar via:https://npuls.nl/wp-content/uploads/2024/03/Npuls-Verkenning-digitale-vaardigheden-in-het-mbo-hbo-en-wo.pdf6DigComp 2.2 – iXperium. Raadpleegbaar via: https://www.ixperium.nl/onderzoeken-en-ontwikkelen/publicaties/digcomp-2-2/7Kamerstukken II, 2023/24, 26 643, nr. 1149.8Kamerstukken II, 2024/25, 28 760, nr. 124.9Kamerstukken II, 2023/24, 28 760, nr. 115.10Kamerstukken II, 2020/21, 22 112, nr. 2966.11Actieplan voor digitaal onderwijs – actie 9 – European Education Area. Raadpleegbaar via:https://education.ec.europa.eu/nl/focus-topics/digital-education/action-plan/action-9?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11168 Geannoteerde agenda Informele Telecomraad, 4 en 5 maart 2025 inWarschau, PolenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen nogmaals benadrukkendat zij blij zijn dat het onderwerp cybersecurity onder het Poolse voorzit-terschap zo hoog op de agenda staat.Deze leden begrijpen dat de Cyber Resilience Act (CRA) berust opstandaarden die bedrijven moeten implementeren die nog steeds niet zijnvastgelegd. Zij begrijpen dat het laatste concept van de Commissie steltdat «sommige normen alleen mogen worden geschreven door vertegen-woordigers van in de EU gevestigde organisaties, evenals andereindividuen die effectief kunnen voldoen aan de belangen van de EU.» Kande Minister aangeven wat naar zijn idee de achterliggende gedachte isvan een dergelijke tekstsuggestie? Spelen hier geopolitieke ontwikke-lingen een rol? Kan de Minister ook aangeven waarom het zo lang duurtvoordat de cybersecuritystandaarden zijn vastgesteld?AntwoordDe CRA schrijft essentiële eisen voor waar producten met digitaleelementen vanaf 11 december 2027 aan moeten voldoen om in de EU opde markt te mogen worden aangeboden. Op welke wijze deze essentiëleeisen kunnen worden vertaald naar concrete technische maatregelen diede fabrikant toepast op het product, wordt uitgewerkt in normen(standaarden). Gebruik van deze normen door de fabrikanten is overigensniet verplicht, maar geeft marktpartijen, conformiteitsbeoordelingsin-stanties en toezichthouders houvast en duidelijkheid voor een eenduidigetoepassing van de verordening.De Europese Commissie heeft een normalisatieverzoek gericht aan deEuropese standaardisatieorganisaties CEN, CENELEC en ETSI. Hierinwordt deze organisaties verzocht om, in aanloop naar de datum waaropde essentiële eisen verplicht worden, 41 normen op te stellen. In artikel 2van het standaardisatieverzoek zijn voorschriften opgenomen die eropgericht zijn dat de normen, net als de essentiële eisen waar zij eenuitwerking van vormen, de publieke (veiligheids)belangen van de EUdienen. Het kabinet acht dit een verstandige voorwaarde om tevoorkomen dat partijen met belangen die strijdig zijn met die van de EU,bijvoorbeeld door het verkrijgen van een aansturende positie binnen denormalisatiewerkgroepen, hun invloed uit zouden proberen te oefenen opdit normalisatieproces, zeker waar het gaat om cybersecurityeisen die bijmoeten dragen aan de cyberweerbaarheid van de Europese Unie.De planning is erop gericht dat de normen beschikbaar zijn een jaar voorde datum waarop de essentiële eisen verplicht worden, zodat fabrikantenhier bij het ontwerp, ontwikkeling en productie van hun producten metdigitale elementen rekening mee kunnen houden. Het voorbereidendewerk om deze normen op te stellen is al ruim een jaar geleden van startgegaan, maar alsnog is de planning zeer uitdagend. Dit heeft ten eerste temaken met het proces van normalisatie, waarin een zeer uiteenlopendegroep van experts vanuit zowel het bedrijfsleven als toezichthouders enwetenschap consensus dient te bereiken over wat een passendeuitwerking zou moeten zijn van de cybersecurityeisen, en de procedurelestappen die moeten worden doorlopen om een norm vast te stellen.Daarnaast speelt mee dat er nog weinig ervaring is met het uitwerken vanverplichte cybersecurityeisen aan hardware en software, het is voor eendeel pionierswerk. De eerste ervaring die hiermee is opgedaan betrof deuitwerking van 3 cybersecurityeisen in de radioapparatenrichtlijn. Deervaringen en kennis opgedaan in dat proces worden uiteraard meege-nomen in het huidige proces voor de CRA-normen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 11169 Het kabinet draagt bij aan een zo voorspoedig mogelijke werking van hetnormalisatieproces door de kosten te vergoeden voor het door NENverzorgen van het secretariaat voor de werkgroep bij CEN CENELEC dienormen voor de CRA opstelt, en door deelname van experts van deRijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI) aan het opstellen van denormen.Daarnaast juichen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het toe dat erop Europees niveau meer wordt samengewerkt op het gebied vancybersecurity. Dit heeft wellicht wel gevolgen voor de manier waarop erop dit moment in Nederland wordt omgegaan met cybersecurityinci-denten en de rol van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Wat isde positie van het kabinet ten aanzien van één Europees meldpunt voorincidenten?AntwoordIn lijn met het Nederlandse non-paper is het voor het kabinet van belangdat de complexiteit en overlap binnen het Europese cyberlandschap wordtverminderd.12 Zo verkent het kabinet momenteel de mogelijkheid voor hetlaten doen van meldingen van incidenten onder de CER-richtlijn bij hetmeldportaal voor de NIS2-richtlijn. Daarbij heeft het kabinet tijdens deonderhandelingen van de Cyber Resilience Act (CRA) ingezet op hetzoveel mogelijk laten aansluiten van de incidentmeldingen van de CRA bijde meldplicht van de NIS2-richtlijn, en steunt het kabinet de oprichtingvan het Europese centrale meldplatform voor de CRA. Het verminderenvan administratieve druk via één meldpunt voor incidenten is ookonderwerp van gesprek in de EU waar Nederland bij betrokken is. Zowelbij het delen van best practices tussen lidstaten binnen het domein vancybersecurity, als het bijeenbrengen van meldpunten van anderedomeinen.Daarbij is het voor het kabinet wel van belang om oog te houden voor deverschillende doelen en verantwoordelijkheden vanuit de diversedomeinen en nationale competenties.Worden derde landen door de EU betrokken bij het verbeteren van desamenwerking op het gebied van cybersecurity? Welke landen zijn dit?Wat is de positie van Nederland ten aanzien van deze samenwerkingen?AntwoordEr wordt door verschillende EU-instellingen en middels verschillendeEU-initiatieven op verschillende onderdelen en manieren samengewerktmet derde landen op het gebied van cybersecurity. Voorbeelden zijncyberdialogen van de EU met onder meer de Verenigde Staten en hetVerenigd Koninkrijk en samenwerking met derde landen als onderdeel vanhet Digital Europe Programme. In lijn met de Nederlandse CybersecurityStrategie (NLCS) en de Internationale Cyberstrategie (ICS) is het kabinetvoorstander van internationale samenwerking ten aanzien van cyber.Ten slotte willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het kabinetoproepen om tijdens de informele Telecomraad te pleiten voor eenstresstest voor onze vitale digitale infrastructuren, om daarmee onzeEuropese afhankelijkheden van grote (Amerikaanse) techbedrijven in kaartte brengen en te pleiten voor het bouwen van een Europees DigitaalEcosysteem om deze afhankelijkheden op termijn te verminderen.Antwoord12Nederlands non-paper «Non paper Effective EU cybersecurity legislation and decisivediplomacy in the cyberdomain», d.d. 26 april 2024 (Kamerstuk 2024D17688).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111610 Het kabinet vraagt op Europees niveau aandacht voor robuust beleid opdigitale open strategische autonomie. Daarbij past zowel het in kaartbrengen en waar nodig mitigeren van strategische afhankelijkheden, alshet versterken van het eigen vermogen op digitale sleuteltechnologieënen de digitale infrastructuur. Daarbij zal specifiek ook aandacht wordengevraagd om de strategische afhankelijkheden die onze vitale digitaleinfrastructuren hebben via een stresstest in kaart te brengen.Ook roept het kabinet op tot het aannemen van een Europese strategievoor digitale technologie, met als doel om onze concurrentiekracht,weerbaarheid en autonomie te versterken.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie danken de bewindspersonen voor onder-havige stukken en hebben op dit moment geen verdere vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de informele Telecomraad 4–5 maart2025. Deze leden hebben hierover enkele vragen.De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de cyberoe-fening ISIDOOR IV die in november 2023 is uitgevoerd. Deze leden willende Minister vragen of bij hem bekend is of er in andere lidstaten soortge-lijke oefeningen worden uitgevoerd en of er «best practices» zijn diekunnen worden uitgewisseld? Kan de Minister aangeven of er isnagedacht over hoe er onderling kan worden geschakeld tussen crisis-diensten van de verschillende lidstaten als er zich een grootschaligecybercrisis en/of cyberincident voordoet. En zo niet, of dit iets is wat debewindspersonen willen agenderen tijdens de Telecomraad?AntwoordBinnen de EU bestaan er twee netwerken waarin nationale autoriteitenvan lidstaten samenwerken op het gebied van cybercrisismanagement enwaaraan Nederland actief deelneemt. Op tactisch en strategisch niveauwordt samengewerkt binnen het EU-Cyber Crisis Liasions OfficersNetwork (CyCLONe) ten aanzien van grootschalige cyberincidenten-crises. Binnen het CSIRTS-Netwerk vindt samenwerking plaats op demeer technische en operationele kant van cyberincidenten en -crises.Door andere lidstaten worden soortgelijke cyberoefeningen als ISIDOORIV uitgevoerd. Best practices worden door de lidstaten, waaronderNederland, actief gedeeld binnen zowel het EU-CyCLONeals het CSIRTS-Netwerk. Daarnaast is op 24 februari jl. de herziening van de EU«Blueprint inzake een gecoördineerde respons op grootschalige cyberinci-denten en -crises» (Blueprint) door de Europese Commissie gepubliceerd.De herziene Blueprint heeft als doel om EU-actoren en -netwerken inzichtte geven in hoe zij moeten samenwerken en hoe verschillende mecha-nismen ingezet kunnen worden om grootschalige cybersecurityincidenten- en crises te bestrijden. Uw Kamer zal via de reguliereBNC-procedure worden geïnformeerd over de kabinetsappreciatie van deherziene Blueprint.De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het rapport vanNiinistö over het versterken van de weerbaarheid van de EU en haarlidstaten. Het kabinet geeft aan de waarde van goede civiel-militairesamenwerking en samenhang te onderschrijven en zet zich hier zowel opnationaal als Europees niveau voor in. Deze leden willen de Ministervragen of er onder civiel-militaire samenwerking op cybersecurity ook deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111611 beveiliging van hooggerubriceerde informatie (HGI) wordt geschaard. Ookvragen zij of het onderwerp beveiliging van HGI op EU-niveau geagen-deerd kan worden.AntwoordHet delen – en beschermen – van hooggerubriceerde informatie (HGI) isondermeer een onderdeel van civiel-militaire samenwerking. Hierbij kanhet bijvoorbeeld gaan om het delen van dreigingsinformatie tusseninternationale en nationale civiele en militaire entiteiten. Voor het kabinetis het essentieel dat het delen en beschermen van HGI wordt gewaar-borgd en hiervoor zet het kabinet zich in. Volgens het kabinet zijnHGI-systemen essentieel aan het proces voor informatieveiligheid. Voorde EU en NAVO worden internationaal afspraken gemaakt en nationaalgeïmplementeerd.Binnen het traject HGI wordt reeds samengewerkt met Defensie en is er alsprake van civiel-militaire samenwerking. Juist om binnen de gehelerijksoverheid veilig informatie te kunnen verwerken en onderling tekunnen delen.Naar aanleiding van een vraag van de heer Six Dijkstra wordt nu reedsonderzocht over de mogelijkheden om een benchmarkonderzoek te doennaar hoe Nederland zich verhoudt ten opzichte van andere landen op hetgebied van de bescherming van hooggerubriceerde informatie.13 DeKamer zal hierover (vertrouwelijk) geïnformeerd worden. Graag wachtenwij de resultaten van een dergelijk onderzoek af om te beoordelen of, enzo ja hoe, dit onderwerp het beste Europees geagendeerd moet worden.De leden van de NSC-fractie ondersteunen het belang van samenwerkingtussen Defensie en civiele bedrijven, om digitale weerbaarheid vanNederland tegen militaire en hybride dreigingen te versterken. Op welkewijze worden – naast de Minister van Economische Zaken en de Staatsse-cretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – de Minister enStaatssecretaris van Defensie betrokken bij de uitwerking van hetNiinistö-rapport en bij de EU-voorstellen over de paraatheid van de EU,alsmede bij de nog te verwachten kabinetsposities hierover waar het gaatom cybersecurity?AntwoordDe Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Defensie zijngezamenlijk verantwoordelijk voor de coördinatie van de overheidsbredeinzet en maatschappijbrede aanpak om de weerbaarheid in het kader vanmilitaire en hybride dreiging te versterken. Later dit jaar volgt hierovereen Kamerbrief met daarin de eerste concrete beleidsinzet van het kabinetom de weerbaarheid te vergroten. Onderdeel van dit traject is de inzet omin nauwe samenspraak met de andere departementen in internationaalverband het weerbaarheidsbeleid binnen de EU en NAVO naar een hogerniveau te tillen. Daarin worden ook de uitwerking van het Niinisto-rapporten de te verwachten voorstellen in het kader van de EU PreparednessUnion Strategy meegenomen, waaronder die op cybersecurity en opciviel-militaire samenwerking. Op 21 februari is de kabinetsreactie op hetNiinisto-rapport, medeondertekend door de Minister van Defensie, deMinister van Economische Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken ende Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer verzonden14. Zodrade Preparedness Union voorstellen gepubliceerd zijn, worden dezeeveneens gezamenlijk beoordeeld, en wordt de Kamer zoals gebruikelijknader geïnformeerd met een BNC-fiche.13Toezegging bij Opkomende en toekomstige technologieën, TZ202502–136, 30 januari 2025.14Kamerstukken II 2024/25, 33 694, nr. 70.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111612 De leden van de NSC-fractie zijn bezorgd als het gaat om de ontwikke-lingen met betrekking tot de samenwerking tussen de Verenigde Staten enEuropa. Kan de Staatssecretaris toelichten welke uitdagingen en welke rolhij ziet voor Nederland, specifiek om niet alleen een goede samenwerkingtussen de Verenigde Staten en Europa te behouden, maar ook tussen deEuropese landen op het gebied van civiel-militaire samenwerkingen tenaanzien van hybride dreigingen?AntwoordSamenwerking tussen de EU en de VS is cruciaal voor Nederland enEuropa. De EU en de VS staan samen sterker als partners. Het kabinet zetzich daarom in voor een constructieve samenwerking met de Ameri-kaanse regering, zowel bilateraal als binnen EU-verband. Het kabinet blijftzich ook inzetten ten behoeve van verdere civiel-militaire samenwerkingentussen Europese landen ten aanzien van hybride dreigingen. Door degrensoverschrijdende verbondenheid van Nederland vormen dreigingenin andere landen ook een dreiging voor de nationale veiligheid. Daarnaastlevert Nederland, als onderdeel van de interne markt en doorvoerland,een belangrijke bijdrage aan de weerbaarheid van andere landen en deEU. Het is nodig om niet alleen op nationaal maar ook op Europees eninternationaal niveau te zoeken naar nieuwe oplossingen voor grensover-schrijdende problemen zoals hybride dreigingen. In de brief aan uwKamer van 6 december over weerbaarheid tegen militaire en hybridedreiging hebben wij gewezen op het belang van bredere internationalesamenwerking in zowel bilateraal als in EU-, NAVO- en VN-verband,gericht op (multilaterale) samenwerking op basis van gedeelde belangen –ook met minder gelijkgezinde landen. De afgelopen jaren is er – gericht opeen breed palet aan dreigingen die de nationale veiligheid kunnenschaden – intensief gewerkt aan de weerbaarheid van Nederland. DeVeiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden vormt hiervoorhet kader. Later dit jaar volgt een aanvullende Kamerbrief overweerbaarheid tegen militaire en hybride dreiging met daarin de eersteconcrete beleidsinzet van het kabinet om de weerbaarheid te vergroten.De leden van de NSC-fractie vinden het belangrijk dat er wordt gekekennaar expert-landen zoals de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen.Kan de Staatssecretaris aangeven hoe deze landen met hun cyber-expertise betrokken worden ten aanzien van de paraatheid en deversterking van Europa bij cybersecurity en tegen hybride dreigingen?AntwoordHet kabinet ziet meerwaarde in het leren van en uitwisselen van nationalebest practices met andere EU-lidstaten op het gebied van cybersecurity enhybride dreigingen. Zo heeft het kabinet bijvoorbeeld afgelopen jaar meteen brede interdepartementale delegatie onder leiding van de Staatsse-cretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties deelgenomen aan de TallinnDigital Summit in Estland. Daarnaast werkt het kabinet binnen verschil-lende EU-gremia en -initiatieven nauw samen met andere lidstaten op hetgebied van cybersecurity en weerbaarheid tegen hybride dreigingen,waaronder met de Baltische staten.Deze leden vinden het van strategisch belang dat Europa minderafhankelijk wordt van niet-EU-technologie in kritieke digitale infra-structuur. De EU investeert in cybersecurity, zoals kwantumveiligeencryptie, maar het is onduidelijk hoe deze investeringen bijdragen aandigitale autonomie en strategische soevereiniteit. Zij vragen of de Ministerkan toelichten hoe cybersecurity-investeringen binnen de EU bijdragenaan strategische autonomie en welke inzet Nederland heeft om afhanke-lijkheid van niet-EU-technologieën te verminderen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111613 AntwoordIn de agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA)15 zet hetkabinet in op tien prioriteiten die vanuit het geopolitiek engeo-economisch perspectief het meest cruciaal zijn. Een van die tienprioriteiten is cybersecurity. Hiertoe neemt het kabinet stimulerendemaatregelen (promote), beschermende maatregelen (protect) enmaatregelen tot het verdiepen van internationale samenwerking(partnership).Specifiek ten aanzien van cybersecurity heeft de EU een relatief sterkepositie. De EU is met name toonaangevend op het gebied van kennis.Voor cybersecuritydienstverlening zijn er verschillende Nederlandse enEuropese leveranciers. Daarnaast is Nederland is een van de weinigelanden waar hoogwaardige cryptografische producten en dienstenworden ontwikkeld en vervaardigd. Mede hierdoor is Nederland nietafhankelijk van andere landen als het gaat om het beschermen vanstaatsgeheimen.Tegelijkertijd loopt de EU achter op het gebied van innovatie en investe-ringen, zowel ten opzichte van de VS als China. Ook zien we dat demeeste Europese cybersecuritybedrijven gebruik maken van (deel)pro-ducten uit derde landen en deze vervolgens gecombineerd aanbieden alseen dienst. Vanwege sterke internationale concurrentie staat de Europesepositie onder druk. Veel bedrijven die snel groeien worden overgenomendoor partijen van buiten de EU. Hierdoor ontwikkelt de sector zich binnende EU beperkt.Investeringen in cybersecurity-innovatie kunnen bijdragen aan hetontwikkelen van meer producten en diensten binnen de EU en daarmeeaan het verminderen van onze afhankelijkheid van andere landen. Ditvraagt inzet op verschillende vlakken: een hoogwaardige en autonomekennispositie, fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek,een cybersecurity-arbeidsmarkt die voldoende capaciteit kan leveren,kennis en bedrijven die binnen de EU ontstaan en blijven.NL stimuleert actief dat EU gelden voor cybersecurity innovatie betertoegankelijk worden voor het Nederlandse bedrijfsleven en onder-zoeksveld. We doen dat via NCC-NL en haar EU financieringsportaal, enhet bijdragen van financiële ondersteuning. Dit komt ten goede van hetinnovatieklimaat in NL, en draagt daarmee bij aan de NL strategischeautonomie.Belangrijk blijft om te realiseren dat volledige uitbanning van afhankelijk-heden niet realistisch is. Voor het kabinet is belangrijk dat de risico’s vanspecifieke afhankelijkheden met de grootste impact op de nationaleveiligheid, het verdienvermogen en de maatschappij op een bewuste enevenwichtige manier geadresseerd worden om de weerbaarheid teversterken.De leden van de NSC-fractie pleiten voor effectieve cybersecurity zonderonnodige regeldruk voor ondernemers. De implementatie van deNIS2-richtlijn en de Cyber Resilience Act brengt nieuwe verplichtingenmee, maar vooral mkb-bedrijven dreigen hierdoor met extra administra-tieve lasten te worden geconfronteerd. Deze leden vragen de Minister ofhet waarborgen van de implementatie van de NIS2-richtlijn en de CyberResilience Act werkbaar blijft voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) en ofde bewindspersoon bereid is zich in te zetten voor vereenvoudigdemeldprocedures en gerichte ondersteuning?Antwoord15Kamerstukken II 2023/24, 36 259, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111614 Wat betreft de Cyber Resilience Act geldt dat Nederland gedurende deonderhandelingen voor de Cyber Resilience Act steeds oog heeftgehouden voor een goede uitvoerbaarheid van de wet voor kleinerebedrijven. Dit heeft er toe bijgedragen dat het mkb op verschillendemanieren extra ondersteund wordt in de naleving van de CRA. Zo zullener subsidies beschikbaar gesteld worden en komen er specifieketrainingen voor mkb en kunnen zij gebruik maken van een vereenvoudigdformat voor de verplichte technische documentatie.Daarnaast is het goed om te vermelden dat alleen fabrikanten, importeursen distributeurs van producten met digitale elementen aan de CRA zullenmoeten gaan voldoen. Voor andere producten geldt de wet niet. Demeeste mkb’ers zullen dus niet aan de verplichtingen van de CRA hoevente voldoen, maar profiteren straks wel van de zekerheid dat door hen in deEU aangeschafte digitale producten cyberveilig zijn.Tot slot heeft het kabinet tijdens de onderhandelingen van de CyberResilience Act (CRA) ingezet op het zoveel mogelijk laten aansluiten vanmeldingen onder de CRA bij de meldplicht van de NIS2. Het antwoord opde vraag aangaande de NIS2-richtlijn is meegenomen in de beant-woording van de vraag van de leden van de PVV-fractie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 111615

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5135b379fb66d19a

14 okt 2026 · eaa9a81802a550b5

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.