Verslag van een schriftelijk overleg over de pensioenen van politieke ambtsdragers in het nieuwe pensioenstelsel (Kamerstuk 32043-651)
Brontekst
Versie a56216484fdcedbb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelsel28 479Rechtspositie van politieke ambtsdragersNr. 669 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 28 november 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 3 juni 2024 over depensioenen van politieke ambtsdragers in het nieuwe pensioenstelsel(Kamerstuk 32 043, nr. 651).De vragen en opmerkingen zijn op 5 september 2024 aan de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van28 november 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,TielenAdjunct-griffier van de commissie,Meester-Schaap kst-32043-669ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6691 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinisterGroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de noodzaak van devoorgestelde maatregelen.In antwoord op die vraag is de noodzaak van de voorgestelde maatre-gelen volgens het kabinet gelegen in het uitgangspunt van de Wettoekomst pensioenen (Wtp) om bestaande en toekomstige pensioenaan-spraken onder te brengen in het nieuwe pensioencontract. Op 30 mei 2023heeft de Eerste Kamer de Wtp aangenomen. Bij deze gelegenheid is indeze Kamer unaniem een motie aanvaard waarin het kabinet isopgeroepen om de pensioenen van politieke ambtsdragers binnenafzienbare tijd binnen de kaders van de Wtp vorm te gevenHet ligt vervolgens in de rede dat politieke ambtsdragers voor al hunpensioenen worden ondergebracht in de verplichtstelling van deABP-regeling: de Algemene pensioen- en uitkeringswet politiekeambtsdragers (Appa) volgt al decennia de pensioenregeling voor hetoverheidspersoneel, voorzitters (zoals burgemeesters) zijn al sinds jaar endag ondergebracht bij ABP en tot slot hebben ook de Eerste en de TweedeKamer zich hierover positief uitgesproken in een motie (Kamerstukken II2000/01, 26 043, nr. 25). Bovendien worden op dezelfde wijze als voor allewerknemers die onder de Wtp vallen ook alle pensioenaanspraken vandegenen die hebben besloten tot invoering van het nieuwe pensioen-stelsel (bewindspersonen en Tweede Kamerleden) overgezet naar hetnieuwe pensioen-stelsel. Het kabinet voorkomt op deze wijze eenuitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers (Tweede Kamerleden,bewindspersonen en dagelijks bestuurders van de decentrale overheden).Voorts vragen deze leden of er ook een mogelijkheid is om deABP-premieregeling na te bootsen zonder over te stappen opkapitaaldekking.Het kabinet vindt dat er te veel bezwaren kleven aan de mogelijkheid omde ABP-premieregeling na te bootsen. Voor politieke ambtsdragers diehun pensioen ontlenen aan de Appa geldt dat zij nu materieel al dezelfdepensioenregeling hebben als overheids- en onderwijswerknemers. Maarin tegenstelling tot de overheids- en onderwijswerknemers voor wiekapitaaldekking al verplicht is, worden de pensioenuitkeringen niet uit eenpensioenfonds betaald maar uit de begrotingen van Rijk, provincies,gemeenten en waterschappen. In de Wtp en het daaruit voortvloeiendenieuwe pensioencontract is begrotingsfinanciering niet meer mogelijk. Denieuwe ABP-premieregeling nabootsen, zoals die onder de Wtp luidt,zonder over te stappen op kapitaaldekking is dus feitelijk niet mogelijk.Met een dergelijke nabootsvariant zonder kapitaaldekking zou niet formeelmaar wel materieel worden aangesloten bij het rijksbeleid, namelijk alleopgebouwde pensioenen overzetten naar het nieuwe pensioenstelsel(«invaren, tenzij ...»). De Appa blijft dan in deze variant een sui generiswettelijke regeling die niet onder de Pensioenwet (Pw) en de Wettoekomst pensioenen (Wtp) valt. De huidige Appa-wet moet in dezevariant zodanig worden gewijzigd dat de Appa-pensioenregeling in lijnwordt gebracht met het ABP-reglement onder het nieuwe pensioencon-tract van de Wtp. Dat zou betekenen dat de huidige pensioenaansprakenzouden moeten worden omgezet naar «op papier» individuele pensioen-vermogens in het nieuwe pensioenstelstel waarbij wel de begrotingsfi-nanciering intact zou blijven. Ook nieuwe pensioenopbouw zou in dezeopzet begrotingsgefinancierd blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6692 De administratie van de persoonlijke pensioenvermogens, het bijhoudenvan inleg, het beleggen van de vermogens en het toewijzen van financiëleen biometrische rendementen op basis van leeftijdsafhankelijke bloot-stelling naar beschermings- en overrendement vraagt vakwerk van deprofessionele pensioenuitvoerders. Het is praktisch en financieelondoenlijk administratiesystemen die dit simuleren op te zetten voor debetrokken overheidsinstellingen waarin ook fictieve, vanABP-beleggingsresultaten afgeleide rendementen zouden moeten wordenbijgeschreven. Hierbij is van belang dat in de aard van de nieuwepensioenregelingen op basis van het daadwerkelijk behaalde fondsren-dement rendementen worden toegedeeld. Zonder een te beleggenkapitaal is het financieren van deze bijschrijvingen uit begrotingenkostbaar, zeer onvoorspelbaar en met onzekerheden omkleed voor debegrotingen van overheidsinstellingen.Doordat er in deze variant geen sprake is van een centrale administratieen financiering (bij ABP) zou de noodzaak van waardeoverdrachtenbinnen de overheidssfeer blijven bestaan bij mobiliteit van een ambts-drager tussen overheidsorganisaties.Wanneer in de toekomst de (fiscale) pensioenwetgeving en/of hetABP-pensioenreglement wordt gewijzigd, dan vergt dat telkenmaleperiodiek onderhoud van de Appa-wetgeving. Oftewel; bij iedere wijzigingvan de ABP-pensioenreglement zou een ingewikkeld wetstraject moetenworden gestart.Gelet op bovenstaande overwegingen ligt het volgens het kabinet voor dehand de pensioenen van politieke ambtsdragers, die immers ookwerkzaam zijn in het overheidsdomein, nu te incorporeren in de nieuwepremieregeling voor overheids- en onderwijswerknemers binnen dewettelijke kaders van de Wtp. Het kabinet acht in het kader van het nieuwepensioenstelsel de enige realistische optie alle eerder opgebouwdepensioenaanspraken van politieke ambtsdragers door middel van eencollectieve waardeoverdracht onder te brengen in de nieuwe pensioenre-geling van het ABP (Kamerstukken II 2013/24 32 043, nr. 651 p. 2–3).De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vragen voorts wat de extrakosten zouden zijn van overstappen zoals voorgesteld, maar zonder debestaande aanspraken in te varen.In deze variant zullen er geruime tijd van dubbele lasten zijn omdat tweeverschillende financieringssystemen gelijktijdig naast elkaar blijvenbestaan. Daardoor is er sprake van een langdurige financieringshobbelvan beide genoemde financieringsmethodieken.In de eerste plaats blijven in dat geval de pensioenbetalingen voor watbetreft de lopende en opgebouwde aanspraken die tot 1 januari 2028 zijnopgebouwd vanuit de begroting gefinancierd. Daarvoor worden daaren-boven de uitvoeringslasten voor de administratie en uitbetaling van dezeaanspraken gecontinueerd. Een decentrale uitvoering is minder efficiëntdan een centrale pensioenadministratie. Voor de in de Appa achterge-bleven pensioenaanspraken kan daarenboven niet worden geprofiteerdvan het fondsrendement.In de tweede plaats betreft het de nieuwe aanspraken die vanaf deovergangsdatum 1 januari 2028 bij ABP opgebouwd gaan worden opbasis van het nieuwe ABP-pensioenreglement. Deze aanspraken komenten laste van pensioenfonds ABP. Daarvoor moet gelijk vanaf 1 januari2028 de benodigde volledige pensioenpremie aan ABP wordenafgedragen.Er is dus vanaf 1 januari 2028 sprake van dubbele lasten van enerzijdsdoorlopende wettelijke Appa-pensioenuitkeringen en anderzijds deverplichte afdracht aan ABP van een werkgevers- en werknemersdeel vande pensioenpremie. Dit zijn overigens geen extra kosten. DeAppa-pensioenbetalingen lopen immers zeer geleidelijk terug door hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6693 overlijden van pensioengerechtigden en omdat er geen nieuwe begro-tingsgefinancierde aanspraken meer ontstaan. Daardoor kan geleidelijk depensioenpremie uit de afname van de pensioenbetalingen wordengefinancierd. Na het bereiken van een omslagpunt is de omvang van dedalende pensioenuitkeringen hoger dan de af te dragen pensioenpremie.Het naast elkaar in stand houden van twee verschillende regelingen leidtook hier tot hogere uitvoeringslasten.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vragen daarnaast hoe hetkabinet van plan is de deelnemers in de Algemene pensioenwet politiekeambtsdragers (Appa)-pensioenregeling te betrekken bij de besluitvormingrond het al dan niet invaren, aangezien in de Wet toekomst pensioenen(Wtp) is voorgeschreven dat sociale partners hierover beslissen endaarover in gesprek gaan met deelnemers.De Wtp is niet van toepassing op de overgang van de pensioenen vanpolitieke ambtsdragers die vallen onder de Appa naar het nieuwepensioenstelsel. De overgang van de Appa-deelnemers naar het nieuwepensioenstelsel zal in de in de kabinetsbrief aangekondigde wetswijzigingworden geregeld. Deze bepalingen zullen zoveel als mogelijk in lijnworden gebracht met de Wtp. Daarbij zal ook de betrokkenheid van depensioendeelnemers worden meegenomen.Alle arbeidsvoorwaarden van politieke ambtsdragers zijn opgenomen inwet- en regelgeving. Voor de totstandkoming van deze arbeidsvoorwaar-delijke aanspraken vindt geen voorafgaand arbeidsvoorwaardenoverlegplaats. Er zijn immers geen sociale partners voor politieke ambtsdragersaanwijsbaar die in een dergelijk arbeidsvoorwaardenoverleg eenpensioenregeling kunnen vaststellen. De wetgever is verantwoordelijkvoor de wettelijke arbeidsvoorwaardelijke aanspraken van politiekeambtsdragers, dus ook voor het wettelijk kader voor de pensioenen vanpolitieke ambtsdragers. Het is van belang dat voor de Appa-deelnemers,slapers en gepensioneerden niet de sociale partners maar de wetgever inde komende Aanpassingswet Appa concretiseert wat wordt verstaanonder een evenwichtige overgang en welke doelstellingen daarbij wordengehanteerd. Omdat de Appa-regeling nu al het ABP-reglement volgt, ligthet in de rede dat de Appa-overgang zal worden geënt op deABP-overgangssystematiek.Daarenboven zullen bij de aanstaande wijzigingen in de wet- en regel-geving de koepelorganisaties en de relevante beroepsverenigingen al ineen vroeg stadium worden betrokken via het Overleg rechtspositiedecentrale politieke ambtsdragers. Ook worden deze organisaties bijwijzigingen in de regelgeving ook nog formeel geconsulteerd. Dezeorganisaties betrekken hun achterban bij deze wijzigingen.Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aan het kabinetom de stappen voor overgang van de Appa-pensioenen naar het nieuwestelsel nogmaals onder elkaar te zetten en daarbij in te gaan op devolgende vragen. Klopt het dat éérst de huidige pensioenen afgefinan-cierd worden, dat wil zeggen dat overgegaan wordt van een omslag- naareen kapitaaldekkingsstelsel, waarna vervolgens de bestaande aansprakenop basis van de uitkeringsregeling worden omgezet in een premieregeling(het invaren)? Was het niet eenvoudiger geweest om eerst deAppa-pensioenen af te financieren en op te nemen in het ABP, omvervolgens samen met de rest van het ABP in te varen?De Appa-pensioenen overdragen aan ABP is een complexe operatie diezorgvuldige voorbereiding en aandacht vraagt, zowel bij ABP als bij debetrokken overheidsinstellingen. Voor het gevraagde stappenplan verwijsthet kabinet kortheidshalve naar bijlage 2 bij de kabinetsbrief (Kamer-stukken II 2013/24 32 043, nr. 651).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6694 Uiteraard gaat op dit moment veel tijd, aandacht en energie naar detransitie van de nu al bij ABP ondergebrachte pensioenen naar de nieuweregeling. Dat betekent dat het ook uitvoeringstechnisch niet mogelijk isom nog voor die ABP-transitie de Appa-pensioenen in hun huidige vormal onder te brengen bij ABP. Ook is het onderbrengen van deAppa-pensioenen op hetzelfde moment dat de transitie bij ABP plaats-vindt een te groot operationeel risico dat ook de huidige ABP-deelnemerszou kunnen raken. Bovenstaande betekent dat de Appa-pensioenen bijABP worden ondergebracht op het moment dat daar al sprake is van denieuwe solidaire premieregeling. Het voornemen voor de overdracht vanAppa-pensioenen is 1 januari 2028.In feite zijn de affinanciering en het omzetten van de uitkeringsregelingnaar de nieuwe premieregeling twee operaties die vrijwel gelijktijdigplaatsvinden. De waarde van de pensioenaanspraken wordt bepaald opbasis van de bestaande Appa-regeling en de rekenregels uit de wet. Dezeworden omgezet naar de nieuwe regeling zoals die geldt bij ABP. Datbetekent dat voor de Appa-pensioenen dezelfde toedelingen wordengedaan als voor het ABP pensioen bij de transitie, bijvoorbeeld deleeftijdsafhankelijke compensatie voor de afschaffing van de doorsneesys-tematiek. Ook wordt aan de in te brengen waarde, zoals gebruikelijk bijcollectieve waardeoverdrachten, de waarde van de bij het nieuwe fondsbestaande reserves toegevoegd, zoals bijvoorbeeld de solidariteitsre-serve. Deze waarde wordt in dit geval door de overheidsinstellingengefinancierd en ingebracht bij ABP zodat voor de Appa-pensioenen vanafdat moment de nieuwe ABP-pensioenregeling van toepassing is, net alsvoor de reguliere deelnemers.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of het klopt datalléén wordt gefinancierd op basis van de bestaande aanspraken en dedekkingsgraad van ABP, waarna het reguliere invaarproces (inclusiefvullen van een solidariteitsreserve en het toekennen van compensatiewegens het afschaffen van de doorsneepremie en eventuele inhaalin-dexatie) wordt doorlopen. Deze leden vragen voorts of het kabinet kanbevestigen dat het Rijk en decentrale overheden niet gaan bijdragen aancompensatie bovenop het affinancieren van bestaande aanspraken en datpolitieke ambtsdragers daarmee niet voorgetrokken worden ten opzichtevan gewone deelnemers die overstappen naar het nieuwe pensioen-stelsel.In het kader van het volgen van de ABP-regeling, krijgenAPPA-deelnemers op basis van dezelfde afspraken pensioenvermogenstoegewezen als de reguliere deelnemers van ABP. Daar waar er voor dereguliere ABP-deelnemers al een fondsvermogen is waaruit bijvoorbeeldsolidariteitsreserve, compensatie doorsneesystematiek en (inhaal)in-dexatie kan worden gefinancierd, zal voor APPA-deelnemers dit nog ophet moment van overgang door de overheidsinstellingen als onderdeelvan de waardeoverdracht worden gefinancierd. Daarbij is de basisinderdaad de dekkingsgraad en bijbehorende vermogensverdeling bij detransitie van de reguliere ABP-pensioenen. Er is dus geen sprake van«voortrekken» door een extra werkgeversbijdrage voor bijvoorbeeldcompensatie doorsneesystematiek. Dat deze compensatie op het momentvan overgang moet worden gefinancierd heeft uitsluitend te maken methet feit dat dan pas wordt overgegaan op kapitaaldekking.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat bedoeld wordt met«voort te borduren op de dan voor ABP vervallen indexatiewijzen» tijdensde overgangsperiode tussen naar verwachting 1 januari 2027 en 1 januari2028 waarin de oude Appa-regeling nog van kracht is, maar deABP-aanspraken per 1 januari 2027 al ingevaren zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6695 In antwoord op deze vraag lijkt het goed te verhelderen dat het kabinethier wijst op de periode van één jaar tussen de transitiedatum van deABP-pensioenregeling (per 1 januari 2027) en het daarin onderbrengenvan de Appa-pensioenen (per 1 januari 2028). Zodra de ABP-pensioenenzijn ingevaren, bestaat het huidige ABP-pensioenreglement niet meer,waarnaar de wettelijke Appa-pensioenregeling op een aantal puntenverwijst. Met de transitie van het ABP per 1 januari 2027 vervalt een aantalperiodiek vast te stellen grootheden of parameters, die nog wel nodig zijnom de hoogte en aanpassing van de Appa-pensioenen te bepalen. Ditvoortborduren zal naar verwachting in de praktijk als volgt wordenvormgegeven. De pensioenaanspraken in de Appa volgen in de huidigesituatie onverkort het ABP-pensioenreglement op de volgende punten:–De indexatie van de pensioenaansprakenABP indexeert nu de pensioen voorwaardelijk aan de hand van deconsumentenprijsindex. Voorwaarde is dat de financiële situatie vanABP voldoende is. Dat is het geval als de beleidsdekkingsgraad(gemiddelde dekkingsgraad van de laatste 12 maanden) per 31 oktobervan het voorafgaande jaar minimaal 110% is. De mogelijkheid bestaatdat dit gegeven niet meer beschikbaar is op 31 oktober 2026 omdatABP naar verwachting op 1 januari 2027 overgaat naar de nieuwepensioenregeling. Dat betekent dat de indexatie per 1 januari 2027 nietmeer op de gebruikelijke manier kan plaatsvinden. Daar moet in hetwetsvoorstel een passende oplossing voor worden gevonden.–De hoogte van de franchise.ABP past de hoogte van de franchise aan als de hoogte van de AOWvoor gehuwden wijzigt. Deze werkwijze kan in 2027 ook voor defranchise voor de Appa worden gevolgd.–Het opbouwpercentage.Dit percentage wijzigt normaal gesproken alleen bij aanpassing van depensioenregeling, het opbouwpercentage voor 2026 kan ook in 2027worden gehanteerd.–De hoogte van de werknemerspremieOp de bezoldiging van politieke ambtsdragers wordt een inhoudingverricht waarvan het percentage gelijk is aan de werknemerspremievan het ABP-pensioen. Omdat voor de Appa-pensioenopbouw depremie feitelijk los staat van de daadwerkelijke kosten van depensioenopbouw, kan hier nog wel worden aangesloten bij deABP-werknemerspremie voor 2027.Bovenstaande werkwijze voor de overgangsperiode in het pensioenjaar2027 moet nog worden uitgewerkt in het aanstaande wetsvoorstel dat deovergang van de Appa-pensioenen naar het ABP gaat regelen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn voorts benieuwd naarverdere aanpassingen aan het huidige stelsel van sociale zekerheid voorpolitieke ambtsdragers. Hoewel deze leden snappen dat het nieuwepensioenstelsel zoals het kabinet schrijft op zichzelf geen reden is voor hetdoorvoeren van andere aanpassingen, zijn zij van mening dat het ookgeen reden is om géén verbeteringen door te voeren, met als doel decomplexiteit te verminderen en de sociale zekerheid voor ambtsdragersmeer aan te laten sluiten bij het stelsel voor werknemers.Het voornemen van het kabinet is om in het wetsvoorstel – vanwege desamenhang met het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen inhet ABP-reglement – de arbeidsongeschiktheidsregeling in de Appa zelfaan te passen. Daarenboven wordt de pensioenregeling in de Appabeëindigd en ondergebracht in de verplichtstelling van de pensioenre-geling voor overheids- en onderwijswerknemers. Dit zijn voor dekomende jaren ingrijpende en complexe wijzigingen voor het Rijk,provincies, gemeenten en waterschappen. Het ligt daarom nu voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6696 kabinet niet voor de hand om ook het verdere sociale zekerheidsstelselvoor politieke ambtsdragers tegelijkertijd ingrijpend te wijzigen.Hoe staat het kabinet bijvoorbeeld tegenover het opnemen van volksver-tegenwoordigers waarbij de vergoeding voor de werkzaamheden geenhoofdinkomen vormt (zoals gemeenteraadsleden) in deABP-verplichtstelling die volgt uit de Wet privatisering ABP (WPA)?Het kabinet blijft bij het eerder ingenomen standpunt om volksvertegen-woordigers – waarbij de vergoeding voor de werkzaamheden geenhoofdinkomen vormt – geen pensioenvoorziening toe te kennen. Datbetekent dat het kabinet niet van plan is deze groep in de verplichtstellingvan het ABP op te nemen.Op 13 april 2004 adviseerde weliswaar de Adviescommissie beloning enrechtspositie ambtelijke en politieke topstructuur (commissie-Dijkstal) –gezien de wens tot uniformiteit en consistentie van rechtspositierege-lingen – ook Eerste Kamerleden, commissarissen van de Koningin,burgemeesters, raads- en statenleden onder de pensioen- en uitkeringsre-geling van de Appa te brengen. Het kabinet nam daarop het standpunt in«dat alle functies waarbij men functioneert in het politieke domein en hetdemocratische krachtenveld en waarbij de bezoldiging uit die functie hethoofdinkomen vormt, onder de werking van de Appa moeten vallen.»(Kamerstukken II 2005/06, 30 424, nr. 3, blz. 5).Het voorstel van de commissie om ook Eerste Kamerleden, raads- enstatenleden in de Appa onder te brengen, nam het kabinet echter nietover. Argumentatie was dat het lidmaatschap van de Eerste Kamer, degemeenteraad of provinciale staten wordt gezien als een nevenfunctie diein principe naast een reguliere dienstbetrekking wordt vervuld. Staten- enraadsleden zijn dus over het algemeen niet primair afhankelijk van hetinkomen uit hun politieke ambt. Daarom is voor leden van de EersteKamer en decentrale volksvertegenwoordigers bepaald dat zij een vastbedrag per jaar ontvangen waarmee zij zelf aanvullende voorzieningenkunnen treffen voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen vervolgens wat debudgettaire gevolgen van een dergelijke maatregel zijn.Uitgaande van het nieuwe pensioenstelsel en gezien het aantal raads-,staten- en algemeen bestuursleden van de waterschappen en de hoogtevan de ABP pensioenpremie (circa 27%) zijn de budgettaire effecten voorprovincies, gemeenten en waterschappen aanzienlijk. Een eersteindicatieve berekening voor statenleden laat een premielast zien van€ 2,85 miljoen op een loonsom van € 13,6 miljoen. Daar staat eenbesparing van € 1,1 miljoen tegenover omdat het vaste bedrag kankomen te vervallen voor aanvullende voorzieningen voor arbeidsonge-schiktheid, ouderdom en overlijden. De uitvoeringslasten voor overheids-instellingen en ABP/APG zijn daarenboven groot vanwege de veleperiodieke mutaties in een volatiel deelnemersbestand als gevolg vanverkiezingen, tussentijds aftreden en de relatief beperkte duur van depensioenopbouw.Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of het klopt dat devoorgestelde Appa-aanpassingen wel degelijk nopen tot het wijzigen vande arbeidsongeschiktheidsregeling voor politieke ambtsdragers, of ziethet kabinet dit als optioneel.Politieke ambtsdragers zijn uitgesloten van de sociale zekerheidsrege-lingen voor werknemers zoals de Wet werk en inkomen naar arbeidsver-mogen (Wia). Uitkeringsaanspraken zijn voor politieke ambtsdragersopgenomen in de Appa. Er kan in de huidige Appa pas recht ontstaan opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6697 een uitkering wegens invaliditeit nadat de reguliere uitkering na aftredenof ontslag is geëindigd. Indien op dat moment algemene invaliditeit isaangetoond, bestaat er recht op een voortzetting van de uitkering opgrond van de invaliditeit. De hoogte van deze uitkering is afhankelijk vanhet laatst verdiende inkomen en de mate van invaliditeit. Er is geenaanspraak op een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen bij ABP.Op basis van het huidige pensioenreglement van ABP geldt vooroverheids- en onderwijswerknemers een bovenwettelijk ABP arbeidsonge-schiktheidspensioen (AAOP) als aanvulling op een uitkering op grond vande Wia. Zonder dit Wia-uitkeringsrecht als basis bestaat er geen recht opAAOP. De huidige arbeidsongeschiktheidsregeling in de Appa wijkt dus afvan het arbeidsongeschiktheidsregime van overheids- en onderwijswerk-nemers (Wia-uitkering met een bovenwettelijke aanvulling via hetarbeidsongeschiktheidspensioen van ABP).Nu het de bedoeling is politieke ambtsdragers volledig aan te laten sluitenbij de pensioenregeling van ABP, is het de vraag of ook politieke ambts-dragers gebruik kunnen gaan maken van het bovenwettelijke arbeidson-geschiktheidspensioen AAOP.Het kabinet wil daarom de huidige Appa-uitkering wegens algemeneinvaliditeit zo veel mogelijk in lijn brengen met de Wia-systematiek zodatook politieke ambtsdragers na de overdracht van de pensioenregeling vanpolitieke ambtsdragers naar ABP gebruik kunnen gaan maken van hetaanvullende ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen. In deAppa-uitkeringsregeling moet hiertoe de systematiek van de Wia wordengeïntroduceerd. Dat heeft tot gevolg dat niet pas na afloop van dereguliere Appa-uitkering een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid kanworden toegekend maar al eerder en dan in plaats van het reguliereuitkeringsrecht. Er moet nog wel een oplossing worden gevonden voor deloondoorbetalingsverplichting voor werkgevers bij ziekte die voorafgaataan het recht op een Wia-uitkering. Een dergelijke loondoorbetaling is nietwenselijk bij zieke politieke ambtsdragers. Het is immers van belang bijeen politiek ambt dat bij duurzame arbeidsongeschiktheid wegens ziektesnel in de opvolging kan worden voorzien.Verder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of hetkabinet kan toelichten hoe zij het tijdspad van het inrichten van eenuitkeringsregeling die aansluit bij de systematiek van de Wet werk eninkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voor zich ziet. Zij vragen voorts inhoeverre dit samenvalt met het aanpassen van de pensioenregeling voorpolitieke ambtsdragers.De uitkeringsregeling die aansluit bij de systematiek van de Wet werk eninkomen naar arbeidsvermogen (WIA) neemt het kabinet op in hetzelfdewetsvoorstel als het aanpassen van de pensioenregeling voor politiekeambtsdragers. Beoogde inwerkingtreding is dan 1 januari 2028.Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragenover de budgettaire consequenties van het overstappen naar eenkapitaalgedekte premieregeling. Ten eerste verzoeken zij om een overzichtmet hoeveel premie er per jaar is geïnd en hoeveel pensioen is uitge-keerd, voor de afgelopen tien jaar en per bestuurslaag.Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de eerste plaats wordt er inde huidige Appa-pensioenregeling geen premie geïnd. Op de brutobezoldiging van een deelnemer aan de Appa-pensioenregeling wordt opbasis van artikel 106 of 160 van de Appa een inhouding verricht die gelijkis aan de werknemerspremie van de ABP-pensioenregeling. Dezeinhouding wordt niet opzij gezet voor opbouw of uitbetaling vanpensioenaanspraken. De inhouding leidt slechts tot lagere uitgaven aanbezoldiging van politieke ambtsdragers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6698 De pensioenuitkeringen per overheidsinstelling zijn evenmin beschikbaar.Het Rijk en individuele provincies, gemeenten en waterschappen betalenuit de eigen begroting de pensioenuitkeringen en zijn zelf verantwoor-delijk voor de uitvoering. Een centrale pensioenadministratie voor deAppa ontbreekt. Vandaar dat een overzicht van pensioenbetalingen overde laatste tien jaar niet beschikbaar is. Het kabinet verricht momenteel eenonderzoek waarbij dergelijke gegevens zullen worden verzameld voor hetjaar 2024.Ten tweede vragen deze leden vragen of het kabinet ook kan aangevenhoeveel premie naar verwachting geïnd zal worden door elkebestuurslaag na overstap naar het nieuwe stelsel in verschillendescenario’s.De indicatieve premielast (werkgevers + werknemers) na overstap naarhet nieuwe pensioenstelsel van in totaal € 45 miljoen euro bedraagt circaper bestuurslaag (premiestelling 2023):Rijk€ 5,3Provincies€ 1,9Gemeenten€ 36,5Waterschappen€ 1,3 Na de overgang van ABP naar het nieuwe pensioenstelsel naarverwachting per 1 januari 2027 gaat er een nieuwe pensioenpremie vooroverheidswerkgevers en -werknemers gelden welke door sociale partnersin de Pensioenkamer wordt vastgesteld. Dan kan ook preciezer dan nu heteffect worden bezien op de benodigde premieafdracht voor politiekeambtsdragers bij overgang naar het nieuwe pensioenstelsel met ingangvan de gekozen overdrachtsdatum.Een andere vraag is of decentrale bestuurslagen zelf de kosten van hetaffinancieren moeten dragen indien de getroffen voorzieningen ontoe-reikend zijn, of dat het Rijk daaraan bij zal dragen als dat nodig is. Voortsvragen zij – indien dat laatste het geval is – om hoeveel geld gaat het in deverschillende scenario’s, en in hoeverre is hiervoor al geld gereserveerdop de begroting van het Rijk.De financiering van de begrotingsgefinancierde Appa-pensioenengeschiedt per overheidsinstelling. Op grond van het Besluit begroting enverantwoording zijn provincies, gemeenten en waterschappen gehoudenvoor pensioenaanspraken van politieke ambtsdragers te reserveren of eentoereikende voorziening te treffen. Het kan zijn dat deze reservering ofvoorziening niet (geheel) toereikend is, bijvoorbeeld door de rekenregelsvan het ABP voor de collectieve waardeoverdracht. Er resteert er nogenige tijd tot de beoogde overgangsdatum (1 januari 2028) voor betrokkenoverheidsinstelling om de voorziening of reservering aan te vullen. Hetligt niet in de rede dat het Rijk hiervoor een bijdrage verleent omdat vanoudsher zowel meerkosten als besparingen van Appa-pensioenendoorwerken in de begrotingen van de decentrale overheden.Als een overheidsinstelling in het verleden in het geheel geen voorzieningof reservering heeft getroffen, is een bijdrage van het Rijk niet uitlegbaarnaar overheidsinstellingen die wel in het verleden op de voorgeschrevenwijze de voorziening jaarlijks op peil hebben gehouden. Het Ministerie vanBZK attendeert provincies, gemeenten en waterschappen sinds 2013jaarlijks in een eindejaarscirculaire op welke wijze de verplichtevoorziening of reservering toereikend kan worden gehouden voorindividuele waardeoverdrachten en pensioenuitkeringen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6699 Voor het Rijk bedraagt de geschatte collectieve overdrachtswaarde circa€ 300 miljoen. Met de voorjaarsbesluitvorming 2024 zijn de middelen opde begroting van het Ministerie van BZK gereserveerd voor de eenmaligeoverdrachtswaarde in naar verwachting het begrotingsjaar 2027.Tenslotte vragen de leden van de GroenLinks-PvdA fractie hoe het kabinetvan plan is eventuele onverwachte uitgaven te financieren.Het kabinet sluit op voorhand geen onverwachte uitgaven uit. Maar in dekabinetsbrief en bijlagen zijn de verwachte kosten zoveel mogelijk opbasis van recente cijfers gepresenteerd. Naarmate de overdrachtsdatumnadert, kan met steeds meer zekerheid de overdrachtswaarde wordenbepaald. Daar kunnen onverwachte uitgaven uit voortvloeien maar het isook mogelijk dat er minder uitgaven mee zijn gemoeid.VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie lezen in voetnoot 2 dat sociale partnersgemotiveerd een uitzonderingspositie kunnen aanvragen op de overgang.Deze leden zijn benieuwd wat de criteria aan de hand waarvan socialepartners een uitzonderingspositie op de overgang kunnen aanvragen zijn.Zij vragen aanvullend waar deze criteria op gebaseerd zijn. De leden vande VVD-fractie vragen voorts wat de gevolgen zijn als iedere socialepartner een uitzonderingspositie aanvraagt. Zij willen weten of daardoorde administratieve druk op decentrale overheden wordt verhoogd. En alsdeze vraag bevestigend wordt beantwoord, vragen zij hoe het kabinet hiermee omgaat.De uitzonderingspositie die in genoemde noot wordt aangehaald heeftbetrekking op pensioenregelingen die vallen onder de Wet toekomstpensioenen (Wtp). Het uitgangspunt van de Wtp is dat de pensioenaan-spraken zoveel mogelijk bij elkaar worden gehouden in één nieuwepensioenregeling tenzij dit onevenredig ongunstig is voor de belangheb-benden. De hoofdregel is dat alle pensioenaanspraken worden onderge-bracht in het nieuwe pensioencontract. Dat betekent dat – naast detoekomstige opbouw – ook de totale waarde van de vóór de overgangs-datum opgebouwde pensioenaanspraken van alle actieven, slapers engepensioneerden in beginsel worden ondergebracht in de nieuwepensioenregeling. Sociale partners dienen gezamenlijk een akkoord tebereiken over de nieuwe pensioenregelingen, inclusief het invaren.De Pensioenwet en daarmee de Wtp geldt niet voor de Appa-pensioen-aanspraken. De Appa is een wettelijke pensioenregeling en kent niet alsgrondslag een pensioenovereenkomst die door sociale partners in eenarbeidsvoorwaarden-overleg wordt vastgesteld. De vraag is bovendien opwelke wijze een werkgevers- en werknemersgeleding bij politiekeambtsdragers kan worden geïdentificeerd. Weliswaar worden beroepsver-enigingen van politieke ambtsdragers betrokken in de consultatie van eenwijziging van de wettelijke pensioenregeling maar dit zijn strikt genomengeen werknemersorganisaties.Bovendien zou het achterlaten van de oude aanspraken in de Appa totuitvoeringstechnische en financiële bezwaren (financieringshobbel)leiden. Dit benadrukt het belang van het onderbrengen van alleaanspraken in één regeling. De intentie van het kabinet is om de overgangvan alle Appa-pensioenaanspraken naar het nieuwe pensioenstelselwettelijk vast te leggen.In de wetswijziging die de overgang van alle Appa-aanspraken naar hetnieuwe pensioenstelsel regelt, zal geen mogelijkheid worden opgenomenom een uitzonderingspositie aan te vragen. Dat is bovendien in lijn met dehuidige Appa die ook geen uitzonderingspositie voor decentraleoverheden mogelijk maakt. Alle overheidsorganisaties (Rijk, provincies,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66910 gemeenten en waterschappen) zullen worden verplicht de pensioenaan-spraken van politieke ambtsdragers over te dragen aan ABP. Er ontstaatdan één centraal geadministreerde pensioenregeling voor de overheid,met inbegrip van de politieke ambtsdragers die nu nog vallen onder deAppa.De leden van de VVD-fractie constateren dat decentrale overheden deafgelopen jaren meer bevoegdheden hebben gekregen. Bij deze overgangworden er bij de decentrale overheden juridische, financiële en uitvoe-ringstechnische problemen verwacht. Deze leden vragen wat er toe leidtdat men ervan uit gaat dat op 1 januari 2028 deze decentrale overheden instaat zijn de overgang te realiseren.In 2000 werd geconstateerd (Kamerstukken II 1999/00 27 220, nr. 3) datvrijwel alle provincies en gemeenten een pensioenverordening op grondvan de Appa kenden maar dat in zeer beperkte mate door individueleprovincies, gemeenten en waterschappen gebruik werd gemaakt van demogelijkheid af te wijken van de wettelijke bepalingen in de Appa.Vanwege de omslachtige procedure tot wijzigen van alle decentralepensioen- en uitkeringsverordeningen na een wijziging van de Appa en dedaaropvolgende goedkeuringsprocedures heeft met ingang van 1 januari2001 de Appa voor provincies, gemeenten en ook waterschappen eenrechtstreekse werking gekregen. Er is dus geen sprake in de afgelopenjaren van meer bevoegdheden voor de decentrale overheden voor depensioenaanspraken van politieke ambtsdragers.Het kabinet heeft niet in de brief gesteld dat bij de overgang bij dedecentrale overheden juridische, financiële en uitvoeringstechnischeproblemen worden verwacht. Het kabinet heeft wel aangekondigd datjuridische, financiële en uitvoeringstechnische overgangscondities naderzullen worden uitgewerkt in een wetsvoorstel.Bovendien is gemeld dat een inmiddels ingestelde interbestuurlijkewerkgroep van BZK en koepels van de decentrale overheden die uit hunbegroting de Appa-aanspraken financieren (IPO, VNG en UvW) ditovergangsproces zal gaan vormgeven en hierop zal toezien. ABP verleentdeze werkgroep technische ondersteuning in het overgangsproces.Daarenboven vindt er overleg plaats in het ORDPA (Overleg rechtspositiedecentrale politieke ambtsdragers) en het Bofv (Bestuurlijk overlegfinanciële vraagstukken) over deze overgangscondities. Het kabinet heefttot slot in de brief op voorhand inzicht geboden in de juridische enfinanciële consequenties en ook worden de decentrale overheden metenige regelmaat geïnformeerd over de aanstaande aansluiting bij ABP.Door in gezamenlijkheid het overgangsproces vorm te geven, verwachthet kabinet dat decentrale overheden in staat zullen zijn de overgang terealiseren.De leden van de VVD-fractie lezen dat één van de financiële gevolgen vande overgang een directe affinanciering van 1,5 miljard euro betreft. Dezeleden zouden graag een nadere toelichting ontvangen waarom dit bedragcontant gemaakt moet worden voor directe affinanciering. Zij vragen ofdit niet jaar na jaar uit de rijksbegroting aan ABP kan worden gefinancierd.Om alle Appa-pensioenen in lijn te houden met de pensioenen van hetoverheidspersoneel en Wtp conform te maken, is kapitaaldekkingnoodzakelijk en daarmee affinanciering. Voor het affinancieren van de tot1 januari 2028 opgebouwde aanspraken en al lopende pensioenuitke-ringen is een eenmalige kapitaalstorting vereist. Het affinancierenbetekent vooral een verschuiving in de tijd (zogenoemde kasschuif). Depensioenuitkeringen van politieke ambtsdragers worden momenteel uitde afzonderlijke begrotingen van Rijk, provincies, gemeenten en water-schappen betaald. Het ligt daarom voor de hand dat de eenmaligeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66911 kapitaaloverdracht ook uit al deze begrotingen worden gefinancierd enniet (uitsluitend) ten laste wordt gebracht van de Rijksbegroting. Na dezeeenmalige kapitaaloverdracht neemt ABP de voor 1 januari 2028 allopende pensioenuitkeringen en -aanspraken in zijn geheel over van deoverheidsinstellingen en betaalt deze pensioenuitkeringen uit het met degenoemde kapitaaloverdrachten aangevulde ABP-fonds.De overheidsinstellingen betalen vervolgens – net als voor hunwerknemers – voor hun eigen politieke ambtsdragers een pensioenpremieaan ABP, waarmee ook de na 1 januari 2028 opgebouwde pensioenaan-spraken in de toekomst door ABP kunnen worden betaald.NSC-fractieAppa pensioenregeling aansluiten bij ABPDe leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet voornemens is om dehuidige Appa-pensioenregeling onder te brengen bij ABP. Appa is echteromvangrijker dan alleen een pensioenregeling en regelt ook eenAppa-uitkering en een arbeidsongeschiktheidsregeling. Deze leden vragenof het kabinet voornemens is om ook de Appa-uitkering en de arbeidson-geschiktheidsregeling voor politieke ambtsdragers aan te passen in hetkader van de overgang van Appa naar de Wet toekomst pensioenen Dezeleden vragen wanneer dit op de planning staat.De lijn is steeds geweest om de Appa-pensioenen te regelen op de voetvan de regeling voor het overheidspersoneel, afgezien van afwijkendeelementen die noodzakelijk zijn in verband met het bijzondere karaktervan politieke functies. Zoals ook al in een eerder antwoord is aangegevenwordt in het wetsvoorstel dat de overgang naar het nieuwe pensioen-stelsel moet gaan regelen de arbeidsongeschiktheidsregeling in de Appagelijktijdig aangepast vanwege de dan aanwezige samenhang van dezeregeling met het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen in hetABP-reglement. Dit zijn voor de komende jaren ingrijpende en complexewijzigingen voor het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Hetligt daarom voor het kabinet nu niet voor de hand om ook gelijktijdig hetverdere sociale zekerheidsstelsel voor politieke ambtsdragers in dit kaderte wijzigen.De genoemde leden vragen voorts of dit (voorgenomen) besluit ook wordtvoorgelegd aan de Kamers en of hiervoor ook het twee derde meerder-heidsvereiste geldt?De beoogde wetsaanpassing van de Appa ziet ook op geldelijkeaanspraken van (gewezen) leden van de Tweede Kamer en hunnabestaanden. Op grond van artikel 63 van de Grondwet is voor eendergelijke wetswijziging in beide Kamers een meerderheid van twee derdevan het aantal uitgebrachte stemmen vereist.Deze leden vragen of er voor politieke ambtsdragers een uitzondering inhet ABP-reglement wordt opgenomen in verband met arbeidsonge-schiktheid en de Appa-uitkering.Het is de bedoeling dat het ABP-pensioenreglement na 1 januari 2028onverkort gaat gelden voor politieke ambtsdragers. De huidige arbeidson-geschiktheidsregeling in de Appa wijkt echter te veel af van de Wiawaardoor een aanvullend bovenwettelijk arbeidsongeschiktheidspensioenop grond van het ABP-pensioenreglement niet voorstelbaar is. Het is deintentie van het kabinet om de huidige arbeidsongeschiktheidsregeling inde Appa in het wetsvoorstel zoveel als mogelijk in lijn te brengen met deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66912 bepalingen van de Wia met als doel dat ook het bovenwettelijk ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen van toepassing kan zijn.Als de wijziging van de Appa is aanvaard, richten de overgeblevenbepalingen in de Appa zich na 1 januari 2028 nog uitsluitend op deuitkeringsrechten van gewezen politieke ambtsdragers. ABP kan alspensioenfonds een dergelijke Appa-uitkeringsregeling niet overnemen.De leden van de NSC-fractie vragen of de voorgenomen besluiten tenaanzien van de Appa-uitkering en de arbeidsongeschiktheidsregeling nietin een vroeg stadium bekend zijn, bij voorkeur in het transitieplan.De Wtp is niet van toepassing op de voorgenomen overgang van deAppa-pensioenen naar het nieuwe pensioenstelsel. De overgang naar hetnieuwe pensioenstelsel wordt niet uitgewerkt in een transitieplan maar inhet wetsvoorstel met memorie van toelichting dat de Appa en de Wpawijzigt.Het kabinet is overigens niet voornemens de uitkeringsregeling aan tepassen. De beoogde wetsaanpassing voor de arbeidsongeschiktheidsre-geling maakt in beginsel ook geen onderdeel uit van de overgang naar hetnieuwe pensioenstelsel. Maar als gevolg van de mogelijke samenhangmet het arbeidsongeschiktheidspensioen van ABP kiest het kabinet ervoor om beide wetswijzigingen (de overgang van de Appa-pensioenennaar het nieuwe pensioenstelsel en de aanpassing van de arbeidsonge-schiktheidsregeling in de Appa) in één wetsvoorstel samen te voegen.Denkrichting arbeidsongeschiktheidspensioenDe leden van de NSC-fractie lezen in de bijlage een denkrichting overarbeidsongeschiktheidspensioen in relatie tot de Appa. Zoals eenaanpassing van het ziektebegrip, de hoogte en de duur van de uitkeringbij arbeidsongeschiktheid voor politieke ambtsdragers om deze meer inlijn te brengen met de WIA. Ook lezen deze leden de denkrichting van hetgelijk toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in plaats van denu gebruikelijke Appa-uitkering voorafgaand aan de uitkering in het kadervan arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen of het kabinet voorbeeldenheeft van de financiële consequenties die deze denkrichting heeft voorenkele voorbeeldpersonen?In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat de aanpassing vande arbeidsongeschiktheidsregeling in de Appa gaat regelen, zullendergelijke voorbeelden worden opgenomen. Voor een dergelijkeberekening is het van belang of het aanvullendeABP-arbeidsongeschiktheidspensioen ook voor politieke ambtsdragers zalgaan gelden. Dat is op dit moment bij het begin van het wetstraject nogniet duidelijk. Bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel moethierover – na overleg met de Pensioenkamer – tijdig duidelijkheid komen.Deze leden vragen voorts om te komen tot deze denkrichting overarbeidsongeschiktheidspensioen of er ook andere opties zijn overwogenen zo ja, wat daarvan de voor- en nadelen waren.Het kabinet heeft geen andere opties overwogen. In de integrale visie voorde rechtspositie van politieke ambtsdragers (Kamerstukken II 2014/15,28 479, nr. 73) was al door het kabinet aangekondigd dat de uitkering voorpolitieke ambtsdragers bij arbeidsongeschiktheid in de toekomst zalworden geënt op de voor werknemers geldende uitkering- enre-integratiesystematiek op grond van de Wet Werk en inkomen naararbeidsvermogen (Wia), dat wil zeggen rekening houdend met de matevan arbeidsgeschiktheid en de daaraan verbondenre-integratiemogelijkheden. Dat zou niet één op één kunnen. Bij politiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66913 ambtsdragers kan bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met devoor de werkgever verplichte loondoorbetaling bij ziekte en met het voorwerknemers geldende gegeven dat gedurende twee jaar bij ziekte niet totontslag kan worden overgegaan. De loondoorbetalingsverplichting is nietwenselijk voor politieke ambtsdragers.Een politieke ambtsdrager maakt bovendien in de regel zelf de afwegingof hij nog fysiek in staat is het politieke ambt te vervullen al dan niet naeen door de betrokkene zelf ingewonnen medisch advies. Een politiekeambtsdrager moet zelf vrijelijk kunnen beoordelen of hij nog (fysiek) instaat is om te kunnen blijven functioneren. Dat is een wezenlijk kenmerkvan het ambt van een politieke ambtsdrager, waarmee zij zich onder-scheiden van (overheids)werknemers. Een politieke ambtsdrager meldtzich ook niet ziek en kent ook geen ziekteverlof. Een naastwettelijkeregeling voor arbeidsongeschiktheid in de Appa ligt dus voor de hand,maar wel zoveel als mogelijk in lijn met het uitkeringsregime van de Wia.De leden van de NSC-fractie vragen of het wegvallen van deAppa-uitkering voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid wel in lijn met «debestendige beleidslijn is dat de rechtspositie voor politieke ambtsdragerszoveel als mogelijk geënt is op de rechtspositie van overheidswerk-nemers» gezien de WIA-uitkering bij werknemers in de regel volgt naloondoorbetaling bij ziekte door de werkgever.Het kabinet meent dat de voortzetting van de uitkering bij algemeneinvaliditeit op grond van de huidige Appa juist niet geënt is op derechtspositie van overheids- en onderwijswerknemers. Deze arbeidsonge-schiktheidsvoorziening wijkt sterk af van de systematiek van de Wia.Onder de Appa moet eerst de reguliere uitkeringsduur worden doorlopenalvorens op verzoek de uitkering wegens algemene invaliditeit kanworden voortgezet. Deze voorafgaande uitkeringsduur is niet te verge-lijken met de loondoorbetaling bij ziekte waarbij betrokken werknemer indienst blijft bij de werkgever (er geldt dan een ontslagverbod) en waarbijde werkgever een re-integratieverplichting heeft. Voor politieke ambts-dragers is een dergelijke loondoorbetalingsverplichting niet wenselijk.Bezien moet worden hoe dergelijke verschillen en overeenkomsten in eennieuwe meer Wia-conforme regeling in de Appa kunnen wordenovergebracht.De leden van de NSC-fractie vragen in hoeverre er bij de denkrichting overhet arbeidsongeschiktheidspensioen al is nagedacht is over de vraag hoebeide regelingen zich zullen ontwikkelen naar de toekomst en wat vooreen effecten dit heeft. Deze leden vragen wat er gebeurt bij de voorge-stelde denkrichting na de Appa-transitie naar ABP de WIA-wetgevingwordt aangepast.Het kabinet heeft aangekondigd in de Appa een Wia-conforme regeling tewillen opnemen. Bij toekomstige wijzigingen van de Wia is het dan devraag of het kabinet ook de Appa dienovereenkomstig moet gaanaanpassen. Dit geldt vanzelfsprekend niet voor die bepalingen van de Wiadie in de Appa van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Of hetbovenwettelijke aanvullende ABP-arbeidsongeschiktheidspensioen vooroverheids- en onderwijswerknemers bij wijzigingen van de Wia moetworden aangepast, is een vraag voor sociale partners in de Pensioen-kamer.De leden van de NSC-fractie zien dat de pensioenopbouw bij arbeidsonge-schiktheid in de ABP-regeling afhankelijk is van de vraag of arbeidsonge-schiktheid werk of niet-werk gerelateerd is. In de Appa is dit onderscheidniet aanwezig. Deze leden vragen welke denkrichting het kabinet hierheeft ten aanzien van de vormgeving van de Appa-uitkeringsregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66914 Pensioenopbouw is integraal onderdeel van de pensioenregeling. Zoalsook opgenomen in de in paragraaf 4, onder d, van de eerder genoemdeIntegrale visie rechtspositie politieke ambtsdragers, is er in beginsel geenaanleiding meer om de pensioenaanspraken, waaronder dus de pensioen-opbouw, van politieke ambtsdragers te laten verschillen van werknemersdie onder de verplichtstelling vallen voor hun pensioenvoorziening. Metingang van 1 juli 2022 is de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid inde Appa daarom op vrijwel dezelfde wijze vormgegeven als in hetABP-reglement. In artikel 13c is bepaald dat het opbouwpercentage nietwordt gehalveerd gedurende de tijd dat de betrokkene een uitkeringontvangt wegens een algemene invaliditeit van 55 procent of meer en deinvaliditeit is veroorzaakt door een dienstongeval. In alle andere uitke-ringssituaties wordt de pensioenopbouw gehalveerd.Denkrichtingen bij Appa-uitkeringDe leden van de NSC-fractie constateren dat in de Appa deeltijdpensioenniet mogelijk is. Met de transitie naar ABP zal dit wel mogelijk zijn. In dekamerbrief wordt niet gesproken over de afwezigheid van het deeltijdpen-sioen in de huidige Appa-pensioenregeling en het effect daarvan op deAppa-uitkeringsregeling. Deze leden vragen welke denkrichting hetkabinet heeft ten aanzien van aanpassingen van Appa betreffende deinvloed van deeltijdpensioen op de sollicitatieplicht en het verbod ompensioen te ontvangen tijdens de Appa-uitkering.Politieke ambtsdragers hebben gezien de aard van hun functie geenvastgelegde werktijdenregeling (zoals het aantal te werken uren opjaarbasis) noch de daarop gebaseerde verlofaanspraken zoals vakantie-verlof zoals voor overheidswerknemers. Er kan in beginsel vierentwintiguur per dag en zeven dagen een beroep worden gedaan op een politiekeambtsdrager. Een deeltijdpensioen voor bijvoorbeeld bewindspersonen ofleden van de Tweede Kamer is tegen deze achtergrond weinig realistisch.Wethouders, gedeputeerden en dagelijks bestuursleden van de Water-schappen kennen wel de mogelijkheid van een deeltijdfunctie, uitgedruktin een tijdsbestedingsnorm, het gedeelte van een werkweek dat zijworden geacht aan hun ambt te besteden.Het is de intentie van het kabinet om het verbod te schrappen in de Appaom tijdens de uitkering een pensioen te kunnen ontvangen. Daarmeewordt ook in principe deeltijdpensioen voor politieke ambtsdragersmogelijk. Als betrokkene gelijktijdig nog een (deel van de) uitkeringontvangt, geldt de sollicitatieplicht onverkort.De leden van de NSC-fractie constateren dat in de ABP-regeling pensioen-opbouw tijdens werkloosheid mogelijk is gedurende de werkloosheidsuit-kering. De Werkloosheidswet (WW-)uitkering is maximaal twee jaar watbetekent dat in die periode pensioen opgebouwd kan worden. De duurvan de Appa-uitkering is afhankelijk van de diensttijd en bedraagt (inprincipe) maximaal drie jaar en twee maanden. Soms wordt de uitkeringvoor een langere duur toegekend als iemand vijf jaar voor AlgemeneOuderdomswet (AOW-)datum zit en op basis van overgangsrecht is eenuitkeringsduur van negen jaar en zeven maanden mogelijk. Deze ledenvragen welke denkrichting het kabinet hier heeft ten aanzien van hetmogelijk aanpassen van de Appa-uitkering dan wel aanpassen van hetABP-reglement.Het kabinet heeft geen zeggenschap over aanpassingen van hetABP-reglement. Aanpassing van aanspraken in hetABP-pensioenreglement is de verantwoordelijkheid van de socialepartners van de overheidssectoren. Overigens kent het ABP-reglementook regels voor opbouw in situaties waarin iemand bijvoorbeeld eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66915 ontslaguitkering heeft. Er is geen maximum van twee jaar opgenomenvoor de pensioenopbouw tijdens een dergelijke uitkeringsperiode en erwordt tijdens de uitkeringsperiode een bij de gehalveerde opbouwpassende premie betaald.Het kabinet heeft niet de intentie om in dit kader van de aangekondigdeoverdracht van de pensioenen de wettelijke uitkeringsregeling in de Appaaan te passen. Tijdens de duur van de Appa-uitkering halveert depensioenopbouw van politieke ambtsdragers net als die voor overheids-en onderwijswerknemers in een uitkeringssituatie. Gedurende deuitkeringsduur draagt de overheidsinstelling de helft van de benodigdekostendekkende pensioenpremie af aan ABP en verhaalt het werkne-mersdeel op de uitkeringsgerechtigde. Dat gegeven noodzaakt niet directtot aanpassing van de uitkeringsregeling in de Appa.De genoemde leden vragen welke consequenties dit heeft voor de duurvan de pensioenopbouw tijdens al lopende Appa-uitkeringen in geval vanmogelijk invaren en hoe wordt hiermee omgegaan.De op moment van de overdracht van de pensioenen al lopende wettelijkeAppa-ontslaguitkeringen worden op grond van de Appa gecontinueerdgedurende de bij aanvang van ontslaguitkering vastgestelde duur. Deze allopende uitkeringen blijven ten laste komen van de overheidsinstellingwaar de betrokken uitkeringsgerechtigde politieke ambtsdrager was. Dezeoverheidsinstelling gaat vanaf de overdrachtsdatum 1 januari 2028 voordeze gewezen politieke ambtsdrager 50% van de verschuldigde kosten-dekkende werkgevers- en werknemerspremie aan ABP afdragen voor depensioenopbouw tijdens de resterende duur van deAppa-ontslaguitkering. De overgang naar ABP heeft vanzelfsprekend geengevolgen voor de eerder bij aanvang van de uitkering vastgestelde duurvan de Appa-ontslaguitkering. Gedurende de uitkeringsduur is erpensioenopbouw.Binnen de ABP-regeling kan een werknemer zijn pensioen vrijwilligaanvullen als de opbouw wordt gehalveerd, zo constateren de leden vande NSC-fractie. Deze leden vragen of het de bedoeling is dat een gewezenambtsdrager met een lopende Appa-uitkering zijn pensioen straks ook kanaanvullen.Het ABP-reglement wordt na de overgang onverkort van toepassing oppolitieke ambtsdragers. De aanvullingsmogelijkheid gaat dan ook voorpolitieke ambtsdragers gelden. Een politieke ambtsdragers heeft net alselke andere ABP-gerechtigde de vrije beschikking over zijn eigenmiddelen. Er is dus geen bezwaar als een uitkeringsgerechtigde politiekeambtsdragers besluit, uiteraard binnen de geldende fiscale grenzen, uitzijn eigen inkomen zijn pensioenopbouw te versterken.Appa-aanspraken invarenDe leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet voornemens is om dehuidige aanspraken en lopende uitkeringen in te varen in ABP. Waarbij hetkabinet invaren van de Appa-pensioenregeling zoveel mogelijk in de lijnwil brengen met het invaren in de Wet toekomst pensioenen en zoveelmogelijk wil aansluiten bij transitieplan van ABP. Bij het invaren in de Wtpzijn er allerlei waarborgen. Het moet evenwichtig gebeuren en er is eenhele governance structuur en een verplicht transitie-, implementatie- encommunicatieplan dat aansluit bij de deelnemerskenmerken. Het kabinetgeeft aan dat een transitieplan voor de Appa niet strikt noodzakelijk isomdat voor de Appa zal worden aangesloten bij de dan Wtp-conformeABP-regeling. De vraag is of het kabinet het met deze leden eens is dat demanier van invaren, bijbehorende evenwichtige belangenafweging enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66916 afspraken over compensatie belangrijke onderdelen vormen van hettransitieplan en afhangen van de specifieke deelnemerspopulatie die hetbetreft.Het kabinet onderschrijft in beginsel deze opvatting van de leden van deNSC-fractie, maar tekent hierbij aan dat een evenwichtige belangenaf-weging in de transitie voor de Appa-deelnemers naar het nieuwepensioenstelsel een opdracht is die in de aard der zaak voor de Appa isopgedragen aan de wetgever. De overgang krijgt dus vorm in hetwetgevingsproces en de daarbij horende op te stellen memorie vantoelichting. De zorgvuldigheid van de afwegingen in dit alternatievetransitieproces kan worden getoetst tijdens de (internet)consultatie vanhet wetsvoorstel, door de verplichte advisering door de afdeling Adviesvan de Raad van State en tijdens de wetsbehandeling in de Tweede enEerste Kamer. Als het wetsvoorstel is aanvaard, volgt een plan voor deimplementatie en communicatie dat aansluit bij de deelnemersken-merken. Het is hierbij goed om te benadrukken dat de Appa-pensioen-regeling de ABP-regeling al lange tijd vrijwel één op één volgt. Bovendienis op 1 januari 2028 feitelijk sprake van inkoop in de dan nieuweABP-regeling.Deze leden vragen of het kabinet ook vindt dat er hier een transitie- enimplementatieplan moet komen in het belang van de deelnemers aan deAppa-regeling zoals ook verplicht in de Wtp.De Wtp is weliswaar niet op de overdracht van de Appa-aanspraken vantoepassing maar het kabinet wil zo veel mogelijk Wtp-conform deovergang naar het nieuwe pensioenstelsel gaan vormgeven. Daarbij moetworden aangetekend dat in de Wtp het transitie- en implementatieplanstrikt zijn gereguleerd. Dit is niet in alle gevallen op dezelfde wijzetoepasbaar voor de aangekondigde wettelijk gereguleerdeAppa-overgang. De aan de Tweede en Eerste Kamer toegezonden briefmet nadere toelichting en tijdsplan is een eerste aanzet voor devormgeving van een voor de Appa alternatief overgangsproces. Daaromheeft in het kabinet in de bijlage 2 bij de brief (tijdsplan) een alternatiefplan voor de transitie opgenomen voor de overgang van de pensioenenvan politieke ambtsdragers naar ABP en dus naar het nieuwe pensioen-stelsel. Daarin wordt ook – na aanvaarding van de benodigde wetgeving –het door de leden van de NSC-fractie gevraagde plan voor de implemen-tatie aangekondigd. In zorgvuldige wetgeving dienen de belangen van deactieve deelnemers, slapers en gepensioneerden tot uitdrukking te komen.De zorgvuldigheid kan dan worden getoetst in de consultatie, door deRaad van State en door de volksvertegenwoordiging.De leden van de NSC-fractie vragen of het kabinet bereid is om toe tezeggen dat er ook een DNB-toets komt bij een eventuele voorgenomencollectieve waardeoverdracht.De Appa valt niet onder de vereisten van een interne of externe collectievewaardeoverdracht van de Pensioenwet. In dit kader moet nog wordenbezien hoe en in welke mate het toezichtkader voor collectieve waarde-overdrachten op grond van de Pensioenwet (DNB) ook voor dezebijzondere eenmalige collectieve waardeoverdracht kan worden gehan-teerd.Voor het toezicht is daarvoor in de Appa aanvullende regelgevingnoodzakelijk omdat het bestaande wettelijke kader voor collectievewaardeoverdrachten op grond van artikel 83 van de Pensioenwet voorpolitieke ambtsdrager niet geëigend is. Deze bepaling regelt namelijkwaardeoverdrachten van pensioenfonds naar pensioenfonds. Het ABPTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66917 mag binnen dit al bestaande wettelijk kader alleen meewerken aan eencollectieve waardeoverdracht als DNB geen bezwaar heeft.Bij de Appa betreft het echter een waardeoverdracht van de te onder-scheiden begrotingen van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappennaar het ABP-pensioenfonds. Het kabinet heeft daarom in het tijdsplan bijde brief (Kamerstukken II 2023/24 32 043, nr. 651) aangekondigd dat voorde voorgenomen eenmalige collectieve waardeoverdracht vanuit de Appanaar ABP een sui generis wettelijk kader in de Appa zal wordenopgenomen. Daarbij zal zo veel als mogelijk het al bestaande wettelijkekader voor collectieve waardeoverdrachten van de Pensioenwet wordengevolgd. Het ligt dan in de rede dat DNB ook hier kan toetsen op decollectieve actuariële gelijkwaardigheid, de evenwichtige belangenaf-weging en hoe wordt voorkomen dat de overdracht van pensioenaan-spraken voor (een deel van) de deelnemers tot onevenredig nadeel leidt.De leden van de NSC-fractie vragen wat de juridische waarborgen zijn bijhet invaren zijn voor politieke ambtsdragersHet kabinet verwijst hiervoor naar de aanstaande wetgeving. De juridischewaarborgen voor het overgangsproces naar het nieuwe pensioenstelselworden wettelijk verankerd in de beoogde aanpassing van de Appa en deWet privatisering ABP.Voorts vragen deze leden naar de governance, wie de (gewezen) politiekeambtsdragers in dit proces vertegenwoordigen, wie de «koepels» zijn diemeermaals worden genoemd in de stukken en hoe de Vereniging vanOud-Parlementariërs bij het proces wordt betrokken.De voortgang van de beoogde overgang naar ABP wordt regelmatigbesproken in het Overleg rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.In dit overlegorgaan zijn de bestuurlijke koepels (Interprovinciaal Overleg,Vereniging Nederlandse Gemeenten en Unie van Waterschappen) en dehiervoor relevante beroepsgroepen zoals de Wethoudersverenigingvertegenwoordigd. Er is een uitvoerende werkgroep ingesteld van hetMinisterie van BZK en de genoemde koepels die het proces in gezamen-lijkheid begeleiden. De Vereniging van Oud-Parlementariërs is eveneensinhoudelijk betrokken via een separaat overleg. De aangekondigdewetgeving zal voor formele consultatie worden voorgelegd aan alle hiergenoemde organisaties. De ook Appa-gerechtigde leden van het kabineten de leden van de Tweede Kamer worden in het wetgevingsprocesbetrokken.In antwoord op de vraag van de leden van de NSC-fractie of er ook eenhoorrecht komt, het volgende.Omdat Appa ook in de overgang naar de Wtp de ABP-pensioenregelingblijft volgen en er geen sprake is van een eigenstandige evenwichtigheids-beoordeling of vermogensverdeling, en ook geen sprake zal zijn van eentransitieplan naar de letter van de Pensioenwet, zal er ook geen hoorrechtworden ingevuld. Het reguliere wetgevingsproces vormt het alternatiefvoor een evenwichtige belangenafweging in de transitie voor deAppa-deelnemers naar het nieuwe pensioenstelsel. In het bij de Kamer-brief gevoegde tijdsplan is in het kader van de implementatiefaseuitgebreid ingegaan op de individuele informatievoorziening dooroverheidsinstellingen aan Appa-gerechtigden.De leden van de NSC-fractie vragen hoe wordt getoetst of de overgangevenwichtig is voor alle belanghebbenden en hoe er rekening wordtgehouden met de belangen van de decentrale overheden als werkgever.Deze leden vragen voorts hoe wordt getoetst of er in verwachting geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66918 onevenredig nadeel optreedt voor (bepaalde groepen van) individuen enhoe er wordt getoetst of er voldoende compensatie is voor de afschaffingdoorsneesystematiek voor de politieke ambtsdragers. Zo is de benodigdecompensatie afschaffen doorsneesystematiek anders als deelnemers aaneen pensioenregeling van 45 jaar oud minder pensioen hebbenopgebouwd binnen de regeling (doordat zij minder kunnen profiteren vanhet zogenaamde «dubbele transitie» effect). Zij vragen of het kabinet vindtdat er met dit soort factoren rekening dient te worden gehouden.De pensioenregeling in de Appa volgt al decennia de ABP-regeling. Ookde ABP-regeling kent actieve deelnemers, slapers en gepensioneerden diemeer en minder opbouwjaren hebben binnen de regeling. Deze groepenzijn binnen de ABP-regeling beschouwd. Voor de compensatie vanAppa-gerechtigden zal worden aangesloten bij de door ABP gekozencompensatiesystematiek. De benodigde bijdrage vanuit de Appa aan hetcompensatiedepot van ABP; de solidariteitsreserve of risicodelingsreservekan daaruit worden afgeleid. Aangezien het de bedoeling is om deAppa-aanspraken onder te brengen in ABP betekent dit dat voor deAppa-aanspraken wordt aangesloten bij de contractkeuze van ABP, deinhoud van de nieuwe pensioenregeling, de premiestelling, het pensi-oendoel, de solidariteitsreserve, de berekeningswijze van de transitie, decompensatie voor het afschaffen van de doorsneepremie, de berekenings-wijze en de omgang met reeds opgebouwde pensioenaanspraken en-rechten.Een andere vraag van de leden van de NSC-fractie is wat er gebeurt metlopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van politieke ambtsdragers inde overgang naar de ABP-regeling, zeker indien deze politieke ambts-dragers straks via ABP mogelijk een veel lagere of zelfs geen arbeids-ongeschiktheidsuitkering krijgen. Deze leden vragen of er in zo een gevalniet sprake is van een onevenredig individueel nadeel.Het kabinet benadrukt dat de uitkeringsregeling voor arbeidsongeschiktepolitieke ambtsdragers niet aan ABP zal worden overgedragen. Net alsvoor overheids- en onderwijswerknemers die een uitkeringsrecht ontlenenaan de Wia, zal ook voor politieke ambtsdragers in de Appa een wettelijkebasisaanspraak worden opgenomen voor een uitkering bij arbeidsonge-schiktheid die zal worden geënt op de Wia. Die basisregeling kan mogelijkworden aangevuld met een bovenwettelijk arbeidsongeschiktheidspen-sioen die is opgenomen in het pensioenreglement van ABP. Als dat nietmogelijk blijkt, moet voor deze aanvulling een alternatief wordengevonden.Voor het overgangsrecht van politieke ambtsdragers geldt dat in de eersteplaats al lopende invaliditeitsuitkeringen worden ontzien. Bovendien geldtals stelregel dat reeds bij de kandidaatsstelling klip en klaar moet zijnwelke arbeidsvoorwaarden gedurende en na afloop van de aanstaandezittingstermijn gelden. Zonder dit vooruitzicht kunnen potentiële ambts-dragers hun bestaande aanspraken niet afwegen tegen de aanspraken vanhet politieke ambt. Dit uitgangspunt heeft gevolgen voor het overgangs-recht als de rechtspositionele aanspraken worden aangepast. Iedereambtsdrager valt tot aan de eerstvolgende zittingsperiode onder hetzelfde(oude) regime. Dat uitgangspunt geldt ook voor de op de zittingstermijnvolgende uitkeringsduur. Daarna geldt voor de volgende zittingsduur vooriedereen het nieuwe aangepaste regime. Het nieuwe arbeidsvoorwaar-denpakket kan dan weer in de afweging voor de kandidaatstelling wordenbetrokken.De leden van de NSC-fractie vragen hoe de informatievoorziening aan dedeelnemers van de Appa-regelingen wordt geregeld. DecentraleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66919 overheden hebben daar mogelijk niet de kennis en kunde voor. Deze ledenvragen hoe dit wordt opgevangen.Het kabinet geeft nog uitwerking aan de communicatie aan deelnemersvan de Appa-pensioenregeling door overheidsinstellingen in het in debrief en bijlagen aangekondigde en nog op te stellen communicatieplan.Bij het opstellen van het communicatieplan zal rekening wordengehouden met de door de NSC-fractie geplaatste kanttekening over dekennis en kunde van decentrale overheden.De leden vragen of er zicht is in hoeverre de datakwaliteit bij deAppa-regelingen bij (decentrale) overheden op orde is. Daarbij vragen zijook bijzondere aandacht voor complexere situaties, zoals bijvoorbeelddeelnemers die (mogelijk meerdere) echtscheidingen achter de rughebben en hun (ex)partners. Zij vragen hoe datakwaliteit goed kanworden geborgd.Het kabinet erkent dat de benodigde datakwaliteit voor de overdracht doorde decentrale uitvoering van de Appa een punt van zorg is. ABP stelt hogekwaliteitseisen aan de data bij een collectieve waardeoverdracht enoverdracht is alleen mogelijk als aan die eisen wordt voldaan. Er is inbeginsel geen ruimte voor correcties na de overdracht.Er is nog geen zicht op de kwaliteit van de benodigde pensioengegevensbij de overheidsinstellingen. Dat vergt nog nader onderzoek. Daarbij moetwel worden aangetekend dat de datakwaliteit van het Rijk, provincies enwaterschappen door de langdurige centrale uitvoering beter op orde lijktomdat de uitvoering sinds 2013 door deze partijen in gezamenlijkheidEuropees is aanbesteed.De leden van de NSC-fractie constateren dat in de planning staat het op1 januari 2026 op orde brengen van datakwaliteit. Deze leden vragen ofhet niet zaak is om decentrale overheden nu al op te roepen om dedatakwaliteit op orde te brengen.Het kabinet beaamt dat datakwaliteit een belangrijke voorwaarde is vooreen succesvolle overdracht. Het kabinet zal komende jaren in een continueproces meer gericht vragen aan decentrale overheden de datakwaliteit oporde te brengen. Eerst zal gericht worden onderzocht of en zo ja op welkepunten de datakwaliteit van Appa-deelnemers niet op orde zou zijn. Aande hand van de resultaten van een dergelijke risicoanalyse kan eengerichte oproep worden gedaan aan decentrale overheidsorganisaties enhun pensioenuitvoerders voor geconstateerde tekortkomingen dedatakwaliteit op orde te brengen.FinancieringAannames bij inschatting overdrachtswaardeDe leden van de NSC-fractie hebben de nodige zorgen over de finan-ciering. In de brieven van het kabinet wordt gesproken over ingeschatteoverdrachtswaarden voor gemeenten van ca 1 miljard euro. Eeneenvoudige inschatting komt uit op een overdrachtswaarde tussen de 1.7en 2.1 miljard euro1, ofwel een aanzienlijke hogere overdrachtswaarde.Welke uitgangspunten zijn precies gebruikt om tot deze overdrachts-1Uit onderzoek van Deloitte uit 2013 volgt dat in de Appa-pensioenregeling circa 13.000deelnemers zitten, waarvan 10.000 in de gemeentesector. Uitgaande van gemiddeld 8 jaaropbouw (+/– 4 jaar collegeduur en 3 jaar en 2 maanden uitkering) met een A-factor van1.750 euro en een annuïtaire factor tussen 12 en 15, komen we uit op een overdrachtswaardetussen 1.7 en 2.1 miljard euro.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66920 waarde te komen? En wat is de gevoeligheid van deze overdrachtswaardevoor de onderliggende uitgangspunten?In de achterliggende berekening verwijzen de leden van de NSC-fractienaar een inmiddels gedateerd onderzoek uit 2013. In het onderzoeks-rapport uit 2013 werd aangegeven dat de respons in de gemeentelijkesector suboptimaal was. Er is daardoor geëxtrapoleerd.De in de noot door de leden van de NSC-fractie gepresenteerde bereke-ningswijze gaat uit van verschillende aannames die zodanig op elkaarkunnen inwerken dat de verhouding tot de uiteindelijke uitkomst van deoverdrachtswaarde hoogst onzeker is.In elk geval wijkt deze berekeningswijze af van die welke is gehanteerddoor het kabinet. De in de kabinetsbrief gepresenteerde berekening isgebaseerd op beschikbare actuele bestandsgegevens en pensioenge-gevens van Rijk, provincies gemeenten en waterschappen. Er zijn drieoverdrachtswaarden berekend geënt op drie dekkingsgraden die op hetmoment van overdracht in 2027 reëel kunnen zijn. Het kabinet acht de inde kabinetsbrief gekozen berekeningswijze per bestuurslaag voor ditmoment een voldoende grondslag voor de verdere uitwerking van deoverdracht.Het kabinet start met de bestuurlijke koepels met een vervolgonderzoeknaar de overdrachtswaarde per individuele overheidsinstelling op basisvan de rekenfactoren uit het inmiddels beschikbare transitieplan van ABP.Met de uitkomsten van dit onderzoek kan nog scherper de overdrachts-waarde worden bepaald. Individuele overheidsinstellingen zullenbovendien worden gevraagd hun actuele voorziening of reservering voorde Appa-pensioenen kenbaar te maken als ook de omvang van delopende pensioenuitkeringen. Ik zal de uitkomsten van dit vervolgon-derzoek met uw Kamer delen.Individuele versus collectieve waardeoverdrachtDe leden van de NSC-fractie begrijpen dat de voorzieningen bij decentraleoverheden zijn berekend op basis van uitgangspunten voor individuelewaardeoverdrachten. De uitgangspunten voor individuele waardeover-drachten wijken echter sterk af van de uitgangspunten voor collectievewaardeoverdrachten. Enerzijds vanwege het gebruik van een andererekenrente, alsmede vanwege het gebruik van een andere (fondsspecifiekaangepaste) sterftetafel. Daarnaast is er bij een collectieve waardeover-dracht een bufferopslag nodig. De Appa is echter geen pensioenfonds endecentrale overheden gebruiken 100% dekkingsgraad als doelstelling voorde voorziening. Een verschil van +/- 20–30% vanwege de rente, sterfte enbufferopslag lijkt realistisch. Deze leden vragen hoe decentrale overhedenop een mogelijk aanzienlijk hogere overdrachtswaarde wordenvoorbereid.Het Ministerie van BZK start binnenkort met de koepels een vervolgon-derzoek naar de overdrachtswaarde en de beschikbare voorzieningen perindividuele overheidsinstelling (provincie, gemeente en waterschap). Hetin de kabinetsbrief gepresenteerde onderzoek naar overdrachtswaarde envoorzieningen was nog gericht op de bestuurslagen, dit vervolgonderzoekgaat een niveau dieper door de onderzoeksgegevens te presenteren perindividuele provincie, gemeente en waterschap. Dan wordt inzichtelijk ofeen individuele overheidsinstelling al dan niet een toereikendevoorziening heeft. Bij een tekortschietende voorziening heeft de betrokkenoverheidsinstelling nog tot 1 januari 2028 de mogelijkheid om eeneventueel tekort aan te zuiveren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66921 Leeftijdsverschillen en compensatie afschaffing doorsneesystematiekDe leden van de NSC-fractie constateren dat actieve Appa-deelnemersgemiddeld ouder zijn dan actieve ABP-deelnemers en mogelijk inverwachting voor een kortere periode pensioen hebben opgebouwdbinnen Appa ten opzichte van de gemiddelde ABP-deelnemer vandezelfde leeftijd. Dit heeft onder meer effect op de benodigde compen-satie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek. Deze leden vragenhoe rekening wordt gehouden met het leeftijdsverschil. Ze vragen voortshoe het leeftijdsverschil ervoor zorgt dat de collectieve overdrachtswaardevoor individuele bestuursorganen verschillend is. Tot slot vragen ze of detransitie voor bepaalde gemeenten en waterschappen bijvoorbeeldduurder is vanwege een andere gemiddelde leeftijd van de deelnemers.De leeftijdsafhankelijk compensatie voor de doorsneesystematiek die voorABP-deelnemers wordt gebruikt, zal ook voor de Appa-deelnemersworden toegepast. Ook binnen de ABP-populatie komen deelnemers voormet meer en minder opbouwjaren in het verleden. De transitie werkt doorde dubbele transitie inderdaad minder gunstig uit voor deelnemers meteen kortere opbouwperiode in het verleden. Dit terwijl zij ten opzichte vandie opbouw een relatief hoge compensatie krijgen. Dat is inherent aan dewijze waarop deze compensatie (toekomstgericht) wordt bepaald. Deindividuele aanspraken en «correcties» daarop vormen de basis voor decollectieve waardeoverdracht voor elk bestuursorgaan. Die waarde isinderdaad afhankelijk van de deelnemers voor wie het betreffendebestuursorgaan verantwoordelijk is, dit is immers de contante waarde vandie toekomstige verplichtingen. De compensatie doorsneesystematiekheeft eveneens een leeftijdsafhankelijke doorwerking.Voorziening voor gepensioneerden vóór 2013De leden van de NSC-fractie hebben begrepen dat de voorziening voordecentrale overheden is gebaseerd op het Besluit Begroting en Verant-woording (BBV) en het Waterschapsbesluit. Tot 2013 lieten decentraleoverheden de opgebouwde voorziening vrijvallen op het moment vanpensioeningang. De toelichting van het BBV in 2013 zorgt ervoor dat devoorziening niet meer vrijvalt. Tegelijkertijd wordt aangegeven datvoorzieningen over het verleden niet hersteld hoeven te worden.Accountants volgen deze aanpak waardoor er voor 2013 ingeganepensioenen veelal geen voorziening gevormd is. In de Kamerbrief staataangegeven dat op basis van jaarverslagen van decentrale overheden isnagegaan of de voorziening op juiste hoogte is geschat. Deze exercitiegaat voorbij aan het feit dat veel decentrale overheden geen voorzieninghebben getroffen voor de groep gepensioneerden en nabestaanden voor2013. In 2013 was de pensioenleeftijd 65 jaar, wat betekent dat dezegepensioneerden nu 76 jaar of ouder zijn. De groep gepensioneerden van76 jaar en ouder is circa 50% van het totale aantal gepensioneerden. Ditbetekent dat de voorziening voor gepensioneerden in werkelijkheid tot50% hoger kan zijn. Deze leden vragen hoe rekening wordt gehouden metde mogelijke tekorten als gevolg van de werkwijze rondom het BBV.Het kabinet bevestigt dat tot 2013 inderdaad een aantal decentraleoverheden op basis van een interpretatie van het BBV de opgebouwdevoorziening liet vrijvallen op de ingangsdatum van een pensioenaan-spraak. De nadere toelichting door de commissie BBV in 2013 zorgdeervoor dat de voorziening niet meer vrijvalt. Tegelijkertijd is in 2013aangegeven dat deze vrijgevallen voorzieningen over het verleden niethoeven te worden hersteld. Accountants volgen deze aanpak waardoor ervoor 2013 ingegane pensioenen in bepaalde gevallen geen voorziening isgevormd. Provincies en gemeenten zijn sinds 2003 verplicht op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66922 artikel 44, derde lid, van het Besluit begroting en verantwoording (Bbv)een voorziening in te stellen voor pensioenen van politieke ambtsdragers.De reden voor deze verplichte voorziening is dat deze verplichtingen geengelijke omvang hebben. Ze zijn immers onvoorspelbaar. De omvang iswel redelijkerwijs in te schatten maar zijn sterk afhankelijk van delevensverwachting van gepensioneerden en eventuele nabestaanden enrenteontwikkeling. Zij kunnen bovendien sterk fluctueren als gevolg vande mogelijkheid sinds 2001 voor gewezen ambtsdragers om de eigengevormde pensioenrechten tussentijds over te dragen aan een andereoverheidsinstelling of een pensioenfonds. Overigens zijn er ook decen-trale overheden die de verplichting hebben ondergebracht bij verzeke-raars.De voorziening is dus niet primair bedoeld voor het financieren van eencollectieve waardeoverdracht. Maar in het licht van de voorgenomenoverdracht van Appa-pensioenen naar ABP kan de beschikbaarheid vaneen dergelijke voorziening provincies, gemeenten en waterschappenhelpen om de eenmalige financiële opgave te temperen.In het vervolgonderzoek zal individuele provincies, gemeenten enwaterschappen in 2025 inzicht worden geboden over het verschil tussenoverdrachtswaarde en beschikbare voorziening. Dan kan door betrokkenoverheidsinstelling gericht worden gekeken hoe een geconstateerdverschil tijdig en eenmalig voor het overdrachtsmoment kan wordenopgelost.RenteafdekkingDe leden van de NSC-fractie constateren dat ABP de afgelopen vier jaarhaar renteafdekking heeft verhoogd van 20% begin 2020 naar 59% inseptember 2023. Hiermee beoogt ABP haar eigen transitie veilig te stellenomdat de verplichtingen minder hard zullen stijgen bij een dalende rente.Hoe wordt hiermee omgegaan richting decentrale overheden? Op hetmoment dat de rente de komende jaren daalt, komt de Appa-transitie ingevaar doordat decentrale overheden niet de middelen beschikbaarhebben om de overdrachtswaarde te financieren. Deze leden vragenwelke waarborgen er worden ingebouwd om dit probleem te voorkomen.Op grond van het BBV dienen provincies en gemeenten en Water-schappen op grond van het Waterschapsbesluit jaarlijks hun voorzieningaan te passen als de rentestand per 1 oktober daar aanleiding toe geeft. Inde jaren dat de rekenrente daalde naar vrijwel 0% hebben genoemdeoverheidsorganisaties de voorziening of reservering al fors moetenversterken. Dat heeft in het verleden bij deze extreem lage rentestand niettot onoverkomelijke problemen geleid.De al bestaande systematiek van het Besluit begroting en verantwoordingwordt de komende jaren gecontinueerd. Bij een dalende rente moet in lijnmet het BBV de voorziening of reservering dus worden verhoogd. Derenteverwachting is niet zodanig dat wederom het minimumniveau vaneerdere jaren wordt bereikt.Inmiddels heeft de commissie BBV op haar website een alternatievebenadering voorgesteld waarbij rente-effecten geen rol meer spelen in devoorziening. Het is aan het hoogste orgaan van een decentrale overheidom bij de berekening van de pensioenverplichting al dan niet rekening tehouden met de rentecomponent. Indien een decentrale overheid dezekeuze maakt, is dat wel een stelselwijziging die als zodanig moet wordenopgenomen in een raadsbesluit en/of begrotingswijziging. De commissieBBV heeft deze mogelijkheid van een alternatieve voorziening onder deaandacht van decentrale overheden gebracht in het licht van de voorge-nomen overdracht van de Appa-pensioenen naar ABP. Het kabinetverwacht dan ook dat bij beide varianten de decentrale overheden tijdigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66923 de middelen beschikbaar hebben om de overdrachtswaarde op basis vande dan geldende rente te financieren.Regelingen ondergebracht bij verzekeraarsDe leden van de NSC-fractie hebben begrepen dat er decentraleoverheden zijn die de pensioenverplichtingen extern bij een verzekeraarhebben ondergebracht. Het afkopen van deze verplichtingen kan totkapitaalverlies leiden. Deze leden vragen wie zo’n mogelijk tekortfinanciert? Deze leden vragen voorts wat er gebeurt in situaties waarbijafkoop helemaal niet mogelijk is.Voor pensioenvoorzieningen is artikel 44, derde lid van het Besluitbegroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van belang.Hierin is bepaald dat voorzieningen niet worden gevormd voor jaarlijksterugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaarvolume. Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen waarvan hetjaarlijkse bedrag geen gelijk volume heeft, dient dus wél een voorzieningte vormen gevormd. Bepalend voor het moeten instellen van eenvoorziening voor nieuwe jaarlijkse arbeidskosten-gerelateerde verplich-tingen is dus een ongelijkmatig karakter van de jaarlijkse verplichtingen,door bijvoorbeeld een individuele waardeoverdracht bij eenAppa-pensioen.Het BBV stelt dat er een voorziening moet of reservering kan zijn, maargeeft geen voorschriften over de vorm van de voorziening. Sommigeprovincies, gemeenten of waterschappen hebben in dit kader zelf gekozenvoor een verzekeringsvorm en dragen hiervoor premie af. In het vervolg-onderzoek zal worden bezien welke provincies, gemeenten en water-schappen voor de Appa-voorziening een dergelijke verzekering hebbenafgesloten, welke juridische voorwaarden daarbij worden gehanteerd enof er volgens de ABP-berekening te weinig premie is afgedragen. Dan kanin samenspraak met deze organisaties worden bezien hoe in de aanloopnaar de overdracht naar ABP moet worden omgegaan met dergelijkeverzekeringsproducten.Timing ABP versus AppaDe leden van de NSC-fractie lezen dat eerst ABP overgaat met streef-datum 1 januari 2027 en de Appa op zijn vroegst een jaar later. Zij vragenwat er in de tussentijd gebeurt en hoe bijvoorbeeld een eventueleindexatie in dat tussenjaar wordt geregeld.In dit tussenjaar borduurt het kabinet voort op de bestaande situatie. Depensioenaanspraken in de Appa volgen in de huidige situatie onverkorthet ABP-pensioenreglement voor wat betreft de indexatie van depensioenaanspraken. ABP indexeert nu de pensioen voorwaardelijk aande hand van de consumentenprijsindex. De indexatie van deAppa-pensioenen kan per 1 januari 2027 niet meer op de gebruikelijkemanier kan plaatsvinden. ABP past de hoogte van de franchise aan als dehoogte van de AOW voor gehuwden wijzigt. Deze werkwijze kan in 2027ook voor de franchise nog voor de Appa worden gevolgd. Het opbouwper-centage van 2026 kan in 2027 nog voor een jaar worden gecontinueerd.Bovenstaand overgangsrecht voor het pensioenjaar 2027 moet nog naderworden uitgewerkt in het wetsvoorstel.Deze leden vragen hoe het invaren er precies uitziet naar een solidaireregeling die al loopt. De vraag is ook of er bij invaren van deAppa-pensioenaanspraken ook rekening gehouden met een eventueel bijABP toegekende «invaarbonus» in de individuele pensioenvermogens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66924 De overdracht van de tot de overdrachtsdatum opgebouwde pensioen-aanspraken gaat voor de Appa in twee stappen. Voor de overgang van deAppa-pensioenen geldt dat de benodigde individuele pensioenvermogenseerst exact moeten worden berekend (inclusief de eventuele individuelecompensatie voor het vervallen van de doorsneepremie en de bijdragevoor de ABP-solidariteitsreserve). De te hanteren rekenregels voor depensioenomzetting van aanspraken naar vermogens worden afgeleid vande ABP-rekenregels. De tweede vervolgstap is dat de optelsom van deindividuele pensioenvermogens en alle genoemde compensatiebijdragenvan een overheidsorgaan door dat desbetreffende overheidsorgaanuiterlijk de beoogde overdrachtswaarde bij ABP worden afgefinancierd. Inbeginsel volgen de Appa-aanspraken dus de ABP-regeling.Politieke ambtsdragers moeten dus op gelijke wijze in de opbouw van hunpensioenaanspraken worden behandeld als overheids- en onderwijswerk-nemers. Vraag is nu eerst of ABP gebruik gaat maken van de genoemdeinvaarbonus. Daar wil het kabinet niet op vooruit lopen.De leden van de fractie NSC-fractie lezen dat de gemeenten een jaarvoorafgaand aan de collectieve waardeoverdracht de voorziening op ordemoeten hebben. Maar het invaren met een voorziening van bijvoorbeeld1 januari 2027 effectueren op 1 januari 2028 ligt niet voor de hand. Devoorziening kan in een jaar tijd nog behoorlijk fluctueren. Deze ledenvragen of het kabinet kan aangeven wat er met die tussentijdse fluctuatiesgebeurt ten aanzien van een collectieve waardeoverdracht.De voorziening per 1 januari 2027 is inderdaad alleen een tussenstand. Infeite verschilt deze situatie in de loop van 2027 niet van de huidigejaarlijkse systematiek van het Besluit begroting en verantwoording (BBV).Ook in de huidige situatie kan de verplichte voorziening of reserveringvoor de pensioenen van politieke ambtsdragers voor provincies,gemeenten en waterschappen fluctueren als levensverwachting vantoekomstige en huidige gepensioneerden en nabestaanden wijzigt, ernieuwe toetreders zijn, of bestuurders ontslag krijgen of nemen en/of derekenrente per 1 oktober in enig jaar daalt of stijgt. Als de rekenrente daaltmoet de voorziening worden aangevuld en als de rente stijgt (zoals hetgeval was in de afgelopen jaren) is er een vrijval van een deel van devoorziening. Volgens het BBV is er geen vrijstelling mogelijk van deverplichte vrijval van deze voorzieningen bij een eventueel oplopenderente. Een alternatief is een voorziening waarbij de rente-effecten geen rolmeer spelen en de verplichting voor het volledige bedrag in devoorziening moet zijn opgenomen. Het is aan het hoogste orgaan van eendecentrale overheid bij de berekening van de pensioenverplichting al danniet rekening te houden met de rentecomponent. Indien een decentraleoverheid hiertoe besluit, is dit wel een stelselwijziging die als zodanigmoet worden verwerkt in een raadsbesluit en/of een begrotings-wijziging.De leden van de NSC-fractie hebben begrepen dat decentrale overhedende administratie nagenoeg allemaal hebben ondergebracht bij externepartijen. Deze leden vragen of het kabinet er voor zorg kan dragen dat eeneventuele overstap naar ABP tijdig bekend wordt gemaakt zodat decontracttermijn kan aansluiten bij de beoogde overdrachtsdatum.Voor het Rijk, provincies en waterschappen is in het lopende contractbepaald dat bij een overdracht van de pensioenen naar ABP de verplich-tingen eindigen. De uitvoering van het uitkeringsdeel van de Appa looptwel gewoon door. Gemeenten zijn op de hoogte van het voornemen depensioenen over te dragen aan ABP. De gemeentelijke Appa-administratiewordt grotendeels bepaald door twee uitvoeringsorganisaties dievanzelfsprekend ook van dit gegeven op de hoogte zijn. Voor allezekerheid zal het kabinet in samenwerking met de VNG de gemeentenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66925 nogmaals attenderen op een passende en toereikende contractduur voorde uitvoering.SP-fractieDe leden van de SP-fractie zijn zeer teleurgesteld en verbaasd over dezegang van zaken. Voor deze leden is dit het zoveelste voorbeeld dat politicizich niet aan dezelfde regels hoeven te houden als anderen. Nederlandershebben nu te maken met een slechter pensioenstelsel dankzij de Wettoekomst pensioenen, maar de Kamerleden die deze wet verdedigen enopleggen krijgen speciale behandeling.Deze leden merken dan ook op dat dit soort praktijken schade doen aanhet vertrouwen van Nederlanders in de politiek en overheid. Graag ziendeze leden een reflectie van het kabinet op deze gang van zaken, en hoedeze uitzonderingspositie van politieke ambtsdragers schade doet aan hetvertrouwen.Het kabinet ziet de speciale behandeling voor de pensioenvoorziening vanleden van de Tweede Kamer in het geheel niet. De essentie van het in debrief aangekondigde wetsvoorstel is nu juist dat ook de pensioenen vanpolitieke ambtsdragers – net als werknemers – onder de werking van dePensioenwet/Wet toekomst pensioenen zullen worden gebracht. Hetkabinet heeft in de brief met klem willen benadrukken dat politiekeambtsdragers voor hun pensioenen ook worden ondergebracht in deverplichtstelling van de ABP-regeling. Bovendien volgt de Appa aldecennia de pensioenregeling voor het overheidspersoneel. Op de wijzezoals in de brief geschetst worden alle pensioenaanspraken van degenendie hebben besloten tot invoering van het nieuwe pensioenstelsel –bewindspersonen en Tweede Kamerleden – overgezet naar en onderge-bracht in het nieuwe pensioenstelsel. Een uitzonderingspositie voorpolitieke ambtsdragers is daarom in het geheel niet aan de orde,integendeel, zo benadrukt het kabinet. Er is voor het kabinet in het geheelgeen aanleiding te veronderstellen dat dit schade doet aan het vertrouwenvan Nederlanders in de politiek en overheid.Verder vragen deze leden wat er met de pensioenen van politiekeambtsdragers gaat gebeuren als er door de Eerste en/of Tweede Kamerniet wordt ingestemd met de wetswijziging van de Appa en WPA.Zoals bij elk afgewezen wetsvoorstel, blijven de bestaande wettelijkebepalingen dan onverkort van kracht. Bij het afwijzen van een wetswij-ziging van de Appa en de WPA blijven dus de huidige bepalingen van deAppa en WPA ongewijzigd terwijl wel de kaders van het pensioenstelselals gevolg van de Wtp wijzigen per 1 januari 2028.Politieke ambtsdragers blijven dan een pensioenregeling houden die insterke mate afwijkt van de uitgangspunten van de Wtp voor de pensioen-regelingen van werknemers. Ook de huidige kwetsbare financieringswijzevia de begroting blijft intact. Er is dan aanvullende wetgeving noodzakelijkomdat er bepalingen in de Appa zijn die nog verwijzen naar hetABP-reglement zoals de indexatiewijze en het vaststellen van de hoogtevan de franchise. Die elementen in het ABP-pensioenreglement wijzigendoor de wettelijke vereisten van de Wtp en zijn daardoor niet meerbruikbaar voor de Appa-regelgeving.De leden van de SP-fractie vragen naar de financiële consequenties vande transitie. Zij willen weten hoeveel geld er nu jaarlijks wordt uitgegevenaan de pensioenen van politieke ambtsdragers, en hoeveel dit verschiltmet de geschatte kosten na de transitie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66926 De financiering van de huidige wettelijke pensioenregeling van politiekeambtsdragers is gedecentraliseerd naar Rijk (bewindspersonen, ledenTweede Kamer, voorzitter Eerste Kamer en Nationale en substituut-ombudsmannen), provincies (gedeputeerden), gemeenten (wethouders)en waterschappen (dagelijks bestuursleden). De totale kosten van depensioenuitkeringen zijn niet landelijk beschikbaar omdat er voor de Appageen centrale pensioenadministratie is. Voor het Rijk gelden de volgendebedragen bij benadering: De pensioenuitkeringen voor bewindspersonenen leden van de Tweede Kamer bedragen jaarlijks circa € 10 miljoen. Omdeze pensioenuitkeringen te kunnen overdragen naar ABP is in 2027eenmalig een bedrag van € 300 miljoen noodzakelijk. Dit zijn geen extrakosten maar het betreft een zogenoemde kasschuif. Vanaf 1 januari 2028resteert er nog een premieafdracht aan ABP van circa € 5,3 miljoen perjaar. Het premiebeleid van het ABP is vanaf deze datum van toepassing.De financiële consequenties worden in onderstaande tabel kwalitatiefbeschreven.Na de eenmalige kapitaaloverdracht in 2027 resteert na 1 januari 2028voor de overheidsinstellingen de afdracht van een werkgevers- enwerknemerspremie aan ABP voor de opbouw van nieuwe aanspraken.Deze premieafdracht is in elk geval lager dan het bedrag van de huidigepensioenbetalingen. Alle overige betalingen worden dan uit hetABP-fonds verricht (pensioenuitkeringen en individuele uitgaandewaardeoverdrachten).Voor 1 januari 2028Na 1 januari 2028PensioenpremieInhouding werknemerspre-mie op de bezoldiging; dusgeen afdracht.Afdracht werkgevers- enwerknemerspremie aan ABPIndividuele waarde-overdrachtenVia de begrotingVia het pensioenfondsPensioenbetalingenUit de begroting/voorzieningUit het fondsPensioenopbouwNiet; daarom eenmaligecollectieve kapitaal-overdracht in 2027 vanwegeeerder opgebouwde«papieren» aansprakenPremiebetalingen enfondsrendement De leden van de SP-fractie vragen voorts hoe hoog de pensioenuitke-ringen van politieke ambtsdragers zullen zijn, vergeleken met de huidigepensioenuitkeringen.De gevolgen van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel voor dehuidige pensioenuitkeringen zijn nog niet bekend, niet alleen voorpolitieke ambtsdragers maar voor alle pensioenuitkeringen die overgaannaar het nieuwe pensioenstelsel. Het effect van de overgang is afhankelijkvan verschillende factoren. De dekkingsgraad op het moment vanoverdracht is bijvoorbeeld daarbij een belangrijke factor. De afsprakenvoor de reguliere ABP-regeling zijn gebaseerd op een gelijke ambitie alsvoor de huidige regeling. De Appa volgt ook in dit opzicht deABP-regeling.SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie constateren dat overgang naar een nieuwstelsel deels het Rijk zelf raakt, maar ook provincies, gemeenten enwaterschappen. Zeker op financieel gebied raakt het aanstaandewetsvoorstel deze overheidsorganisaties. Deze leden zijn positief over hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66927 feit dat de overkoepelende organisaties worden betrokken. Deze ledenvragen hoe deze samenwerking er precies uitziet.Er is intensief overleg tussen BZK, IPO, VNG en Unie van Waterschappen.De achterbannen van deze organisaties worden betrokken bij deuitwerking van de overgang naar ABP waarbij rekening kan wordengehouden met de diversiteit aan kenmerken van de overheidsorgani-saties. Het wetsvoorstel zal ter consultatie aan deze organisaties wordenvoorgelegd. Ook de Vereniging van Oud-Parlementariërs is betrokken enzal worden geconsulteerd in het aanstaande wetstraject.De leden van de SGP-fractie begrijpen dat er compensatie nodig is voorde overgang naar het nieuwe stelsel. Bijvoorbeeld voor het vervallen vande doorsneesystematiek en de bijdrage aan de solidariteitsreserve. Dezeleden vragen of het kabinet kan aangeven welke compensatie hiervoornodig is.De omvang van deze compensatie is op dit moment nog niet bekend. Erwordt aangesloten bij de afspraken die voor de transitie van deABP-regeling gelden.Er is voor de Appa-gerechtigden een bijdrage benodigd om de solidari-teitsreserve in het nieuwe contract te vullen alsmede een bijdrage tercompensatie voor het vervallen van de doorsneepremie (het compensatie-depot). Het spreekt voor zich dat deze compensatiemaatregelen ook bij deovergang van Appa-gerechtigden naar het nieuwe pensioencontract vanABP zullen worden ingezet.De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet inzicht kan geven in dejaarlijkse afdrachten die overheidsorganisaties op dit moment via debegroting uitgeven aan pensioenuitkeringen.Het kabinet heeft geen zicht op de huidige omvang van alle jaarlijksepensioenuitkeringen op grond van de Appa. De pensioenuitkeringen vanhet Rijk dragen circa € 10,3 miljoen per jaar.Binnen overheidslagen kan er veel verschil zitten in de mate waarin deoverheidsinstanties toereikende voorzieningen hebben getroffen, zonemen de leden van de SGP-fractie aan. Zij vragen of het kabinet daarmeer inzicht in kan geven. Zij vragen voorts hoe groot het risico is opoverheidsinstanties die in financiële problemen komen als gevolg van deovergang naar het nieuwe stelsel.Of de aanname van de leden van de SGP-fractie correct is, gaat hetkabinet onderzoeken. In de bijlage bij de kabinetsbrief is inzicht gebodenin het voorzieningenniveau per bestuurslaag. In een vervolgonderzoekbegin 2025 wil het kabinet gedetailleerd inzicht krijgen in beschikbarevoorzieningen van de betrokken individuele overheidsorganen.Dan kan in vroegtijdig stadium aan de betrokken overheidsinstellingen hetverschil tussen benodigd kapitaal voor de waardeoverdracht en debeschikbare voorziening worden getoond. Het verschil is dan de financiëleopgave. Er resteert dan nog voldoende tijd om het verschil aan te vullen.Het risico acht het kabinet op voorhand beheersbaar. Al vele jaren wordendoor middel van een jaarlijkse Appa-circulaire overheidsinstellinggewezen op de noodzaak van een toereikende voorziening te treffen voorpensioenaanspraken van politieke ambtsdragers. Overheidsinstellingendie nu geen toereikende voorziening beschikbaar hebben, lopen nu ook aleen risico voor een tekortschietend beschikbaar kapitaal bij individuelewaardeoverdrachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66928 De overgang naar het nieuwe stelsel zorgt eenmalig voor een budgettairederving, in verband met het affinancieren, zo constateren de leden van deSGP-fractie. Deze leden vragen in hoeverre het in de toekomst eenbesparing oplevert, omdat de afdrachten niet meer via de begrotinglopen, maar met premies worden gefinancierd. Deze leden vragen voortsof het werkgeversdeel van de jaarpremie de oorspronkelijke afdracht viade begroting dekt.De veronderstelling van de leden van de SGP-fractie is correct. Allepensioenaanspraken die tot de beoogde overgangsdatum van 1 januari2028 zijn opgebouwd, financieren het Rijk, provincies, gemeenten enwaterschappen in één keer door middel van een waardeoverdracht aanABP. Met ingang van 1 januari 2028 neemt ABP de al lopende pensioenbe-talingen van de overheidsinstellingen over als ook de tot 1 januari 2028opgebouwde pensioenaanspraken. Pensioenbetalingen vinden daarnaniet meer plaats via de begrotingen van genoemde overheidsinstellingen.Voor de opbouw van pensioenaanspraken met ingang van 1 januari 2028dragen de overheidsinstellingen een pensioenpremie af aan ABP,bestaande uit een werkgevers- en een werknemersdeel. Die laatste premiewordt verhaald op de bezoldiging van de politieke ambtsdragers. Die af tedragen premie is lager dan de tot 1 januari uit de begroting gefinancierdepensioenuitkeringen. Het financieren met premies betekent normaliter ookdat er profijt is van belegging van het pensioenvermogen (uiteraardafhankelijk van inflatie en beleggingsresultaten).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 66929
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.