Voortgangsbrief werken met en als zelfstandige(n)
Brontekst
Versie 1d2fc687d08fc743 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 311Zelfstandig ondernemerschapNr. 281 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE-GENHEID EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 27 maart 2025Het kabinet heeft als doel om het werken met en als zelfstandige(n)toekomstbestendiger te maken en de balans op de arbeidsmarkt teherstellen. Om dit te bereiken zet het kabinet in op drie lijnen: hetrealiseren van een gelijker speelveld tussen contractvormen metbetrekking tot sociale zekerheid en fiscaliteit, omdat er sprake kan zijn vanoneigenlijke prikkels om werk buiten loondienst te (laten) verrichten (lijn1), het zorgen voor meer duidelijkheid voor werkenden, werkgevenden,uitvoeringsorganisaties en rechtspraak over de vraag wanneer gewerktwordt als werknemer of als zelfstandige (lijn 2) en verbetering van dehandhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3).Deze drie lijnen hangen met elkaar samen en kunnen elkaar versterken.Daarom is het belangrijk om tegelijkertijd stappen te blijven zetten. Zowordt handhaving effectiever als de duidelijkheid over wet- en regel-geving toeneemt, en zorgt een gelijker speelveld er onder meer voor datom de juiste redenen gekozen wordt voor een bepaald type arbeidsrelatie.Zo werken we ook voor de langere termijn toe naar een meer houdbaremanier van werken op de arbeidsmarkt en willen we ervoor zorgen datwerknemers ontvangen waar ze recht op hebben en zelfstandigen kunnenblijven doen waar ze goed in zijn: ondernemen.Wij vinden het belangrijk om te benadrukken dat veel zelfstandigenbewust kiezen voor het ondernemerschap. Ondernemers zorgen voorinnovatie, werkgelegenheid en kunnen daarmee een belangrijke bijdrageleveren aan economische groei. Grotere bedrijven of kleine, jonge,snelgroeiende ondernemingen zijn vaak ooit gestart als zelfstandige. Degroep zelfstandigen is divers: zelfstandigen werken onder uiteenlopendeomstandigheden en hebben verschillende persoonlijke voorkeuren metbetrekking tot werk.Tegelijkertijd heeft de (snelle) groei van het aantal (schijn)zelfstandigen deafgelopen jaren ook een keerzijde, met risico’s op verschillende niveaus, kst-31311-281ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2811 zoals al eerder is geconstateerd.1Zo is er een risico op schijnzelfstan-digheid waarbij de werkende zich in een kwetsbare positie bevindt. Ditgeldt met name voor zelfstandigen met een beperkte onderhandelings-macht. Voor hen is het moeilijk om hun rechten op te eisen, bijvoorbeeldmet betrekking tot pensioen, ontslagbescherming en arbeidsonge-schiktheid. Daarnaast kan er sprake zijn van oneerlijke concurrentie oparbeidsvoorwaarden, zowel tussen werkenden als werkgevenden. Tussenwerkenden kan de solidariteit op de werkvloer onder druk komen te staandoor een ongelijke verdeling van het werk. Een toename van het aantalschijnzelfstandigen zet tevens druk op het sociale en fiscale stelsel,doordat voor een grote groep werkenden (die feitelijk als werknemersmoeten worden beschouwd) niet wordt meebetaald aan de werknemers-verzekeringen. Daardoor ontstaat een scheve verdeling van de lasten.Aan de hand van beleid langs de hiervoor geschetste drie lijnen beoogthet kabinet deze nadelige gevolgen te mitigeren en meer duidelijkheid tebieden aan mensen die als zelfstandig ondernemer willen werken.In deze voortgangsbrief gaan wij – de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit,Belastingdienst en Douane – mede namens de Minister van EconomischeZaken in op de voortzetting van het wetsvoorstel Verduidelijking beoor-deling arbeidsrelatie en rechtsvermoeden na de recente antwoorden opde prejudiciële vragen van de Hoge Raad in de Uber-zaak (paragraaf 1), destand van zaken na het opheffen van het handhavingsmoratorium(paragraaf 2), overige acties die bijdragen aan meer verduidelijking en depositie van zelfstandigen in de polder (paragraaf 3) en het tegengaan vanschijnzelfstandigheid binnen de rijksoverheid (paragraaf 4). Met deze briefwordt tevens invulling gegeven aan diverse moties en toezeggingen vanuw Kamer (paragraaf 5).1. Voortzetting wetsvoorstel Vbar na de Hoge Raad-uitspraakUber Een belangrijke maatregel waarmee het kabinet beoogt meer duidelijkheidte bieden over wanneer wordt gewerkt als zelfstandige of als werknemer(lijn 2) is het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties enrechtsvermoeden (hierna: Vbar). Doel van deze maatregel is de duide-lijkheid te vergroten voor werkenden, werkgevenden, uitvoeringsorgani-saties en rechtspraak. Dit is niet alleen gericht op het bieden vanbescherming van diegenen die daar recht op hebben, maar ook om echtezelfstandigen meer duidelijkheid te geven over de ruimte om in eenarbeidsrelatie als zelfstandige te werken. Verduidelijking (codificatie vande jurisprudentie) moet het voor de markt, de uitvoeringsorganisaties ende rechtspraak inzichtelijker maken wanneer als zelfstandige ofwerknemer wordt gewerkt. Daarmee wil het kabinet bevorderen dat dewijze van beoordeling van arbeidsrelaties consistent is.21.1 Oorspronkelijke wetsvoorstel Het wetsvoorstel, zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van deRaad van State, beoogde in de kern aan te sluiten bij de jurisprudentie tenaanzien van de beoordeling van arbeidsrelaties en tegelijkertijd dezebeoordeling af te bakenen tot de in het wetsvoorstel (en onderliggenderegelgeving) verankerde elementen. Het wetsvoorstel Vbar gaat daarbij uitvan indicaties die wijzen op werkinhoudelijke en organisatorische sturingen daarmee een aanwijzing vormen voor een arbeidsovereenkomst.1Bijvoorbeeld: Kamerstukken II 2022/23, 31 311, nr. 246.2Kamerstukken II 2022/23, 31 311, nr. 246.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2812 Daartegenover staan indicaties die wijzen op werken voor eigen rekeningen risico, en daarmee een aanwijzing vormen voor het werken alszelfstandige. Pas als een beoordeling van de criteria onder deze tweehoofdelementen niet leidt tot een doorslaggevend oordeel over dearbeidsrelatie, zou worden toegekomen aan het wegen van het onderne-merschap van de werkende buiten de specifieke arbeidsrelatie («externondernemerschap»).Het kabinet is van mening dat deze wijze van beoordeling op basis van hetDeliveroo-arrest destijds gemaakt kon worden, omdat uit het Deliveroo-arrest duidelijk werd dat extern ondernemerschap als gezichtspunt een rolkan spelen bij de beoordeling van een specifieke arbeidsrelatie. Wel gaathet bij extern ondernemerschap om het betrekken van indicaties vanbuiten de specifieke arbeidsrelatie bij de kwalificatievraag. In hetwetsvoorstel dat voor advies aan de Raad van State is voorgelegd, werder voor gekozen voorrang te geven aan de weging van gezichtspuntengerelateerd aan de te beoordelen arbeidsrelatie. Het GerechtshofAmsterdam heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad om meerduidelijkheid te krijgen over de rol van extern ondernemerschap bij hetkwalificeren van een arbeidsrelatie.31.2 Uitspraak Hoge Raad Op 21 februari jl. heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op deze vragen.4De Hoge Raad heeft geantwoord dat bij de beoordeling of sprake is vaneen arbeidsovereenkomst geen rangorde geldt tussen de mee te wegenomstandigheden, waaronder eventueel ondernemerschap van dewerkende buiten de specifieke arbeidsrelatie («extern ondernemer-schap»). Dit kan er – in de woorden van de Hoge Raad – toe leiden «dathet zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie ten aanzien van hetzelfdewerk, verricht ten behoeve van dezelfde opdrachtgever/werkgever, tenaanzien van werkenden die zich in het economisch verkeer als onder-nemer gedragen of kunnen gedragen ({), anders te kwalificeren valt danten aanzien van andere werkenden.»5 Oftewel, het extern ondernemer-schap is één van de gezichtspunten die holistisch dient te wordenmeegewogen met de andere acht gezichtspunten uit de Deliveroo-uitspraak en eventuele andere relevante feiten en omstandigheden vanhet geval. Daarbij krijgt het gezichtspunt extern ondernemerschap geenzwaardere en geen lichtere rol van de Hoge Raad.1.3 Vervolg wetsvoorstel: gewijzigd voorstel in lijn met Uber-uitspraak Zoals hiervoor toegelicht, wijkt deze uitspraak af van de wijze waarop hetwetsvoorstel Vbar het extern ondernemerschap beoogde mee te wegen inde beoordeling. Na de uitspraak is het wetsvoorstel daarom op dit puntheroverwogen.Het gewijzigde wetsvoorstel zal aansluiten bij de antwoorden van de HogeRaad op de prejudiciële vragen in de zaak Uber (codificatie van jurispru-dentie). Het externe ondernemerschap wordt daarmee één van deomstandigheden die worden meegewogen in de beoordeling van dearbeidsrelatie. Deze omstandigheid wordt dus niet langer enkel betrokkenbij een situatie waarin op grond van de hiervoor al genoemde indicatiesniet tot een eenduidig oordeel kan worden gekomen over de arbeidsre-latie.3Gerechtshof Amsterdam 3 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2220; Gerechtshof Amsterdam13 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:601.4Hoge Raad 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319.5Idem, r.o. 3.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2813 Voor deze wijziging heeft het kabinet verschillende redenen. In de eersteplaats is het van belang om door middel van wetgeving het beoordelenvan arbeidsrelaties te verduidelijken. Het doorzetten van dit onderdeel vanhet wetsvoorstel waarborgt dat er een toetsingskader wordt opgenomenin de wet- en regelgeving om het gezagscriterium te verduidelijken doorjurisprudentie te structureren en comprimeren. Ook kan dit toetsingskaderleiden tot het verder versterken van eenvormigheid in het beoordelen vanarbeidsrelaties in de (lagere) rechtspraak. Dit draagt bij aan de rechtsze-kerheid van contractspartijen. Op deze wijze wordt de uitkomst van hettoetsingskader namelijk eenduidiger en voorspelbaarder.Ten tweede komt het kabinet hiermee tegemoet aan de signalen die wijhebben ontvangen (maatschappelijk en politiek) dat het oorspronkelijkewetsvoorstel een te beperkte rol toekende aan extern ondernemerschap.Ten slotte is nog van belang dat het wetsvoorstel Vbar onderdeel uitmaaktvan het Herstel- en Veerkrachtplan. Hierin is de publicatie en inwerking-treding per 1 januari 2026 van de wet als mijlpaal opgenomen. Aan deEuropese Commissie is gemeld dat er een risico op vertraging is. Het niet(tijdig) behalen van de mijlpaal kan leiden tot een korting op deontvangsten uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit die kan oplopen tot€ 600 miljoen per mijlpaal of doelstelling. Met deze wijziging blijftpublicatie per 1 januari 2026 nog altijd mogelijk, hoewel het tijdpad zeerkrap is.Het kabinet is zich ervan bewust dat de beoordeling van een arbeidsrelatieook complexer wordt voor zowel opdrachtgevers, opdrachtnemers alsuitvoeringsorganisaties, in vergelijking met het oorspronkelijkewetsvoorstel. Het beoordelen van extern ondernemerschap vereistinformatie die opdrachtgevers en uitvoeringsorganisaties vaak niet directhebben, omdat het gaat om activiteiten van de opdrachtnemer buiten hetdirecte zicht van de arbeidsrelatie. Dat maakt de beoordeling van dearbeidsrelatie complexer dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel hetgeval was. De door de handhavings- en uitvoeringsinstanties uitgebrachteuitvoeringstoetsen op het oorspronkelijke wetsvoorstel zullen dan ookherijkt moeten worden aan de voorgestelde aanpassingen om goed tekunnen beoordelen welke gevolgen deze wijziging heeft voor deuitvoering. Tevens zal de ATR worden verzocht een aanvullende zienswijzeuit te brengen, en zal er opnieuw een MKB-toets worden uitgevoerd.Desondanks vindt het kabinet het belangrijk om extern ondernemerschap,in lijn met de recente uitspraak van de Hoge Raad en het principe vancodificatie, als volwaardig gezichtspunt mee te nemen in de beoordelingvan arbeidsrelaties. Zo wordt het ondernemerschap van de werkendevoldoende gewogen.Naar verwachting kan het gewijzigde wetsvoorstel voor de zomer wordeningediend bij uw Kamer.2. Verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid –stand van zaken opheffing van het handhavingsmoratorium per1 januari 2025 Per 1 januari 2025 kan de Belastingdienst weer volledig handhaven op dekwalificatie van de arbeidsrelatie, waarbij in het eerste jaar nog wel sprakeis van een «zachte landing». Dit betekent dat de Belastingdienst weer metterugwerkende kracht correctieverplichtingen en naheffingen loonhef-fingen kan opleggen. Dit kan in beginsel slechts met terugwerkende krachttot 1 januari 2025. Feitelijk is er een ingroeimodel van toepassing tot 2030.Pas in 2030 kan de Belastingdienst weer tot 5 jaar terug correctieverplich-tingen en naheffingen loonheffingen opleggen. Boetes worden vanwegede zachte landing over het kalenderjaar 2025 niet opgelegd. MetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2814 betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat de Belastingdienst– met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen correcties ennaheffingen loonheffingen kan opleggen als sprake is van kwaadwil-lendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate isopgevolgd.De opheffing van het handhavingsmoratorium was een belangrijkeontwikkeling voor zowel werkgevenden als werkenden en vereistinspanningen van alle betrokkenen. De Belastingdienst heeft in hetHandhavingsplan arbeidsrelaties 2025 aangegeven hoe deze handhavingwordt vormgegeven en wat de gevolgen van het opheffen van hethandhavingsmoratorium per 1 januari 2025 zijn. Conform de wens van uwKamer is daarbij aandacht geweest voor een «zachte landing». Ook hetkabinet vindt het van belang dat werkgevenden en werkenden demogelijkheid en ruimte krijgen hun bedrijfsvoering te verbeteren en tevoldoen aan wet- en regelgeving.6 Daarom zal de Belastingdienst in 2025in beginsel met bedrijfsbezoeken starten.In deze paragraaf worden verschillende onderwerpen beschreven die temaken hebben met het opheffen van het handhavingsmoratorium, metinbegrip van het waarborgen van de «zachte landing». In de eerste plaatsis dat de wijze waarop wij de gevolgen van de opheffing van het handha-vingsmoratorium scherp in beeld proberen te houden, met oog voorwerkenden, werkgevers en de uitvoering. Dit onderwerp raakt mede aande uitvoering van de motie Boon c.s. die de regering verzoekt de Kamerperiodiek te informeren over de effecten van de handhaving op schijnzelf-standigheid, met expliciete aandacht voor de ervaringen van zelfstan-digen, opdrachtgevers en de Belastingdienst.72.1 Gevolgen van de opheffing van het handhavingsmoratorium Met het verstrijken van 1 januari 2025 is voor alle betrokkenen eenbelangrijke stap gezet. Wij zien veel voorbeelden van organisaties dieserieus, voortvarend en effectief aan de slag gegaan zijn met het themaschijnzelfstandigheid. Zo zijn er organisaties in bijvoorbeeld de zorg, hetonderwijs en de kinderopvang die werkenden – die eerder mogelijk alsschijnzelfstandige aan de slag waren – hebben overtuigd om in loondienstte komen. Door zelfroostering, aandacht voor een goede werk- enprivébalans en flexpools wordt ingespeeld op de behoefte aan flexibiliteitdie bij veel werkenden leeft. Ook zijn er organisaties die actief bezig zijnom de manier van werken aan te passen, zodat duidelijk is wanneer eenopdracht door een zelfstandige ingevuld kan worden.Wij zijn ons echter bewust dat daarmee het werk er niet op zit. Deverhalen van organisaties en zelfstandigen die de overgang ingewikkeldvinden, of zorgen hebben over hun situatie of bedrijfsvoering, bereikenons uiteraard ook. We zien veel (soms tegenstrijdige) berichten voorbij-komen, bijvoorbeeld op sociale media. Daarom zetten wij actief in opgoede communicatie en voorlichting (zie paragraaf 3.1), het voeren vangesprekken met verschillende brancheorganisaties en het monitoren vande effecten van de opheffing van het handhavingsmoratorium.6Kamerstukken II 2023/24, 31 311, nr. 263.7Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2815 2.1.1. Verbeteren van de feitelijke informatie over de impact van deopheffing van het handhavingsmoratorium Ook de komende periode zetten wij ons ten volle in om de gevolgen vande opheffing van het handhavingsmoratorium in goede banen te leidenen te waarborgen dat de opheffing ook daadwerkelijk «zacht landt». Wijvinden het daarbij van belang om ervoor te zorgen dat wij feitelijk meerinzicht krijgen in de gevolgen van de opheffing van het handhavingsmora-torium. Daarom onderzoeken wij momenteel op welke manier we dit hetbeste in kaart kunnen brengen, bijvoorbeeld door middel van arbeids-markt enquêtes, gegevens van de Kamer van Koophandel (hierna: deKVK) en gegevens uit de loonadministratie. Wij vertrouwen erop hiermeetot een bruikbare set aan informatie te kunnen komen, waarmee webewegingen op de arbeidsmarkt beter kunnen volgen. Ook nemen wij metbelangstelling kennis van peilingen en onderzoeken die worden uitge-voerd op initiatief van andere organisaties, zoals een recent ledenon-derzoek van de Algemene Werkgeversvereniging Nederland8 of deresultaten van de recent uitgevoerde conjunctuur-enquête met vragenover de inhuur van zzp’ers en de invloed van het handhavingsmora-torium.9Daarnaast vinden wij het van belang dat ook signalen over de uitwerkingvan de opheffing van het handhavingsmoratorium in de praktijk ons tijdigbereiken. Zoals ook in de beantwoording op Kamervragen van de ledenAartsen, Rikkers en Vijlbrief10 is aangegeven, zijn wij uiteraard bereidnieuwe signalen nader te onderzoeken.Tegelijkertijd is het belangrijk om te onderkennen dat een volledig(cijfermatig) beeld van de effecten van de opheffing van het handhavings-moratorium niet te geven is. Daarvoor zijn verschillende redenen,bijvoorbeeld dat het niet mogelijk is om de exacte omvang van schijnzelf-standigheid vast te stellen, omdat er geen zicht is op elke arbeidsrelatie.Daarnaast treft het kabinet meer maatregelen tegen schijnzelfstandigheid(zoals verderop in deze brief toegelicht), waardoor het niet exact is vast testellen welke effecten samenhangen met het opheffen van het handha-vingsmoratorium en welke met andere maatregelen.Wij zijn voornemens u later dit jaar nader te informeren over hetonderzoek naar aanvullende feitelijke gegevens. Hiermee geven we tevensgehoor aan uw verzoek om de Kamer hierover periodiek te informeren.2.1.2 Reeds beschikbare (feitelijke) informatie a. Cijfers (mogelijke) arbeidsmarkteffecten Alhoewel het handhavingsmoratorium pas drie maanden is opgeheven,zijn er toch al de nodige gegevens die iets zeggen over de verschuivingenop de arbeidsmarkt. Daarbij is overigens onbekend of deze verschui-vingen één op één het gevolg zijn van de opheffing van het handhavings-moratorium. Bijvoorbeeld de gegevens over in- en uitschrijvingen in hetHandelsregister van de KVK. De KVK publiceert deze gegevens maande-lijks op haar website onder de titel «Zzp-monitor». De gegevens geveninzicht in het aantal ingeschreven zzp’ers, het aantal nieuwe inschrij-vingen, het aantal stoppende zzp’ers en een uitsplitsing naar branche.118Ledenonderzoek AWVN: impact opheffen handhavingsmoratorium op inzet zzp, 13-2-2025, tevinden op: www.awvn.nl/platformeconomie-zzpers/nieuws/helft-werkgevers-stopt-of-vermindert-inhuur-zzpers/.9CBS, conjunctuur-enquête, uitkomsten extra vragen januari 2025.10Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1248.11KVK Zzp-monitor: zo ontwikkelt het aantal zzp’ers in Nederland | KVK.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2816 Zo waren er in december 2024 13% minder inschrijvingen bij de KVK daneen jaar eerder, en 54% meer uitschrijvingen. In januari 2025 zette dezetrend door met 18% minder inschrijvingen dan een jaar eerder en 47%meer uitschrijvingen. In februari was sprake van een minieme stijging vanhet aantal ingeschreven zzp’ers. Wel zette de trend van een groter aantalstoppers (42%) en kleiner aantal starters (23%) ten opzichte van vorig jaarzich door. Hoewel deze ontwikkelingen afwijken van dezelfde periodes inhet voorgaande jaar, is in 2024 nog steeds sprake geweest van eenstijging van het aantal ingeschreven zelfstandigen zonder personeel, is injanuari 2025 sprake geweest van een kleine daling van 0,2% van het aantalingeschreven zelfstandigen zonder personeel en in februari 2025 weer vaneen minieme stijging (0,1%). Het is op dit moment nog niet duidelijk hoedeze ontwikkeling zich verhoudt ten opzichte van het aantal werkenden inloondienst in dezelfde periode. Deze gegevens komen pas laterbeschikbaar en betrekken we bij het in kaart brengen van de effecten vanhet opheffen van het handhavingsmoratorium.Hoewel de oorzaak van de daling van het aantal ingeschreven zelfstan-digen niet met zekerheid kan worden vastgesteld, geeft deze trendbreukwel aan dat de arbeidsmarkt in beweging is. Daarbij hecht het kabineteraan om nadrukkelijk te benoemen dat het niet het doel is om het aantalzelfstandigen te verkleinen. Een juiste kwalificatie van de arbeidsrelatiestaat voorop. Dit is echter niet te monitoren, omdat het daarbij ook kangaan om aanpassingen in de wijze waarop schijnzelfstandigen hunwerkzaamheden in de praktijk verrichten zodat de praktijk beter past bij deafgesloten overeenkomst. In dat geval zal er geen sprake zijn van eenuitschrijving bij de KVK.b. Inzicht kennis, gedrag en houding zelfstandigen omtrent schijnzelfstan-digheid Verder heeft het Ministerie van SZW in augustus 2024 de perspectievendie er in de samenleving bestaan rond het onderwerp zzp in beeldgebracht en kennis, houding en gedrag van zelfstandigen en opdracht-gevers omtrent schijnzelfstandigheid laten onderzoeken. Het onderzoekgeeft behulpzame inzichten voor de communicatie-activiteiten van SZWen is gepubliceerd op de website van de rijksoverheid.12 Dit onderzoek isin het eerste kwartaal van 2025 opnieuw uitgevoerd. Het bijbehorenderapport is gepubliceerd op de website van rijksoverheid.13Het onderzoek laat zien dat het kennisniveau van zzp’ers en werkgeversover wat schijnzelfstandigheid is, is verbeterd ten opzichte van de vorigemeting. Daarnaast lijkt er meer bewustzijn bij zzp’ers en werkgevers overde noodzaak om uit te zoeken of volgens de juiste contractvorm wordtgewerkt. Gegeven het doel en de timing van deze onderzoeken wegen dewerkelijke effecten van de opheffing van het handhavingsmoratorium opdit moment nog maar beperkt mee in de resultaten.In aanvulling op bovenstaande voeren wij regelmatig gesprekken metzelfstandigenorganisaties, werkgeversorganisaties en vakbonden omsignalen met betrekking tot de opheffing van het handhavingsmoratoriumtijdig op te halen en met elkaar te delen. Tijdens deze gesprekken is erover het algemeen begrip voor het opheffen van het handhavingsmora-torium en bevestigen gesprekspartners dat er sprake is van beweging inde arbeidsmarkt. Op verschillende manieren, bijvoorbeeld via enquêtes,wordt getracht deze beweging in kaart te brengen. Gemene deler in degesprekken is dat voor echte zelfstandigen ruimte moet blijven om te12Monitor schijnzelfstandigheid, Ipsos I&O, November 2024; te vinden via:https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/11/30/monitor-schijnzelfstandigheid.13Monitor schijnzelfstandigheid, Ipsos I&O, Maart 2025, te vinden via:https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid/documenten/rapporten/2025/02/28/monitor-schijnzelfstandigheid-1-metingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2817 ondernemen en dat signalen over knelpunten actief met elkaar gedeeldblijven worden.c. Cijfers inzet Belastingdienst In de eerdergenoemde motie Boon c.s. roept uw Kamer de regering opom ook expliciet aandacht te hebben voor de ervaringen van de Belasting-dienst ten aanzien van de opheffing van het handhavingsmoratorium. DeBelastingdienst rapporteert al periodiek over de uitvoering van dehandhaving op schijnzelfstandigheid ter uitvoering van de motiePalland.14 In september 2024 is over de voortgang van de handhavingover de periode januari tot en met juni 2024 gerapporteerd.15 In bijlage 1bij deze brief is de voortgang van de handhaving op arbeidsrelaties doorde Belastingdienst in de vorm van ingezette uren en gerealiseerdeproducten over 2024 weergegeven. Zoals toegezegd in de brief aan deKamer van 24 juni 201916 heeft de Belastingdienst voor 2024 de beoogdeinzet van 80 FTE gehaald.3. Betere werking arbeidsmarkt en gelijker speelveld Ook op andere gebieden wordt er hard gewerkt aan het toekomstbesten-diger maken van het werken met en als zelfstandige(n). In deze paragraafinformeren wij u daarom over de stand van zaken op het gebied vancommunicatie, de webmodule beoordeling arbeidsrelatie en over depositie van zelfstandigen in de polder. Zodat ook duidelijker wordt wat ernog wél kan in het werken met en door zelfstandigen.Om een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen tebewerkstelligen, treft het kabinet ook fiscale maatregelen, namelijk de(versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek, uitfasering van de fiscaleoudedagsreserve (FOR) en de fiscale verruiming opbouw derde pijler.Daarnaast draagt de verlaging van de MBK-winstvrijstelling naar 13,31%in 2024 en 12,7% in 2025 ook bij aan het creëren van een gelijkerspeelveld.Over deze maatregelen bent u onder andere in onze brief van 6 september2024 geïnformeerd.17 Daarnaast werkt het kabinet ook een verplichtearbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen uit (Wet Basisverze-kering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen). Zoals eerder aan uw Kamergemeld ben ik nu bezig met een verkenning op welke manieren hethuidige voorstel uitvoerbaar gemaakt kan worden na kritische uitvoerings-toetsen van UWV en de Belastingdienst.18 Deze verkenning is nog nietgeheel afgerond. Tijdens het Commissiedebat arbeidsongeschiktheid van18 februari heb ik uw Kamer toegezegd om over de uitvoerbaarheid vanhet voorstel uw Kamer verder in de lente te informeren.3.1 Voortgang communicatie-activiteiten De opheffing van het handhavingsmoratorium maakt veel los en heeftveel betrokkenen geactiveerd om na te denken over het aangaan van dejuiste arbeidsrelatie. Niet alleen in aanloop naar, maar ook kort na deopheffing. Wij kunnen ons voorstellen dat het voor sommige werkendenof werkgevenden moeilijk is om de grote hoeveelheid informatie teverwerken, die bijvoorbeeld via social media lang niet altijd duidelijk ofvolledig is. Daarom is het belangrijk om vanuit de rijksoverheid goede eneenduidige voorlichting te bieden, die laagdrempelig beschikbaar is.14Kamerstukken II 2018/19, 29 544, nr. 935.15Kamerstukken II 2023/24, 31 311, nr. 263.16Kamerstukken II 2018/19, 31 066, nr. 515.17Kamerstukken II 2023/24. 31 311, nr. 263.18Kamerstukken II 2024/25, 31 311, nr. 278.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2818 In september 2024 is gestart met de publiekscommunicatie «ZZP ja ofnee». Het doel is om zelfstandigen en opdrachtgevers bewust te makenwanneer gewerkt kan worden als zelfstandige en wanneer sprake is vanwerken in loondienst. Ook creëren we hiermee bewustwording over hetbelang van het voorkomen van schijnzelfstandigheid. Daarnaast wordthandelingsperspectief geboden voor situaties waarin sprake blijkt vanschijnzelfstandigheid. Alle uitingen van de online publiekscommunicatie«ZZP ja of nee» verwijzen naar de website www.hetjuistecontract.nl, waarwerkenden en werkgevenden aan de hand van een stappenplan inzichtkunnen krijgen over de juiste contractvorm. Praktijkvoorbeelden kunnendaarbij verdere verduidelijking geven. Voor een concrete indicatie wordtdoorverwezen naar de webmodule beoordeling arbeidsrelatie.19 De eersteresultaten zijn positief: hetjuistecontract.nl is vaak bezocht20, en ook hetgebruik van de webmodule is sterk gestegen en wordt goed gewaardeerd(zie paragraaf 3.2).Deze communicatie wordt in 2025 voortgezet en verder uitgebreid.Resultaten uit het eerdergenoemde onderzoek naar kennis, houding engedrag van zelfstandigen en opdrachtgevers en signalen vanuit branchesen sectoren worden hierin meegenomen. Ook zetten SZW en de Belas-tingdienst gesprekken met brancheorganisaties onverminderd voort, omper branche zoveel mogelijk ondersteuning te bieden bij het tegengaanvan schijnzelfstandigheid. De informatie op hetjuistecontract.nl wordtverder geoptimaliseerd om te kunnen voorzien in de bestaande informa-tiebehoefte. Daarbij blijven wij inzetten op bewustwording bij dedoelgroep door onder andere display advertising. Daarnaast is hetbelangrijk helder te communiceren waarom schijnzelfstandigheidonwenselijk is. Ook worden zogenoemde «good practices» in beeldgebracht en gedeeld via onder andere de social mediakanalen van hetMinisterie van SZW.Dit gaat de komende weken van start. Bedrijven en organisaties die zichinspannen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, vertellen hoe zij ditaanpakken. Bijvoorbeeld door het werk in loondienst aantrekkelijker temaken of de manier van werken aan te passen. Het doel is om andereorganisaties binnen een sector te inspireren om mogelijk op dezelfde ofvergelijkbare wijze ook aan de slag te gaan met het tegengaan vanschijnzelfstandigheid.3.2 Gebruik en ontwikkeling van de webmodule beoordelingarbeidsrelatie Sinds 1 december 2023 is een verbeterde versie van de webmodulebeoordeling arbeidsrelatie beschikbaar. Ten opzichte van de pilotom-geving is hierin een aantal verbeteringen aangebracht. Zo kan debeantwoording tussentijds worden opgeslagen. Hierdoor hoeft devragenlijst niet langer in één sessie afgerond te worden. Ook kan na hetontvangen van de uitkomst, eenvoudiger een wijziging worden aange-bracht in de gegeven antwoorden. Tevens zijn de vragen en toelichtingnogmaals bezien op begrijpelijkheid en daar waar nodig aangepast.Alhoewel niet bekend is of deze verbeteringen er de oorzaak van zijn, isvanaf de start van de verbeterde versie van de webmodule een stijging inhet gebruik ten opzichte van de pilotomgeving merkbaar. Met name vanafde zomer 2024 is een duidelijke toename in het gebruik van dewebmodule waarneembaar. In bijlage 2 bij deze brief staan specifiekere19www.beoordelingarbeidsrelatie.nl/.20De website hetjuistecontract.nl is ongeveer 120.000 keer bezocht in de maanden december2024 en januari 2025. De gemiddelde bezoektijd was 3 minuten en 40 seconden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2819 gegevens met betrekking tot het gebruik van de webmodule in de periodeseptember 2024 tot en met december 2024 opgenomen.Uit deze cijfers blijkt dat het aandeel «indicaties dat er mogelijk sprake isvan een (fictieve) dienstbetrekking» maandelijks afneemt (van 44,3% inseptember 2024 tot 36,7% in december 2024). Tegelijkertijd is het aandeel«indicatie geen dienstbetrekking» toegenomen (van 24,9% in september2024 tot 30,5% in december 2024). Ook is het aandeel «geen oordeelmogelijk» lichtelijk gestegen (van 30,8% in september 2024 tot 32,8% indecember 2024).Aan gebruikers die de vragenlijst in de webmodule hebben afgerond, isgevraagd of zij mee wilden werken aan een korte enquête over hetgebruik van de webmodule. Daarbij is gevraagd welk cijfer men dewebmodule zou geven. In zijn algemeenheid is een groot aandeel van degebruikers positief over de webmodule. Zo geeft 88,6% een cijfer 6 ofhoger, en 44,1% geeft een cijfer 8 of hoger.Desalniettemin blijven verbeteringen mogelijk. Naar aanleiding van eenrondetafelgesprek van SZW en Belastingdienst met een aantal externepartijen is in april 2024 een werkgroep gevormd om te bezien in hoeverrehet mogelijk is de webmodule te optimaliseren. Daarbij wordt geprobeerdhet gebruik te stimuleren, door ervoor te zorgen dat minder mensentijdens het invullen van de vragenlijst afhaken. Zo is van de 16.672gevallen die weliswaar gestart zijn met de vragenlijst, maar deze nietvolledig hebben afgerond, geanalyseerd of er specifieke vragen zijn waarde gebruikers afhaken. Hieruit blijkt dat een groot deel van de gebruikersafhaakt bij de vragen voorafgaand aan de feitelijke vragenlijst om despecifieke arbeidsrelatie te beoordelen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld omvragen over de mogelijke aanwezigheid van specifieke fictieve dienstbe-trekkingen. De komende periode wordt onderzocht of het mogelijk is dezevragen niet vooraf te stellen, maar achteraf en alleen indien deze nog vanbelang zijn voor de specifieke situatie. Daarnaast wordt bezien of er eengebruikerspanel georganiseerd kan worden om met name de vragenwaarbij veel gebruikers afhaken tegen het licht te houden. Ook wordt eronderzocht hoe het aandeel «geen oordeel mogelijk» in de webmoduleverkleind kan worden.De webmodule heeft daarnaast sinds de start ervan al aandacht voor hetgezichtspunt «extern ondernemerschap van de werkende». Zo wordtbijvoorbeeld gevraagd naar een BTW-nummer en de KVK-inschrijving,maar ook of de werkende een eigen logo mag gebruiken en of dewerkende voor andere opdrachtgevers mag werken. Er wordt momenteelook onderzocht of dit gezichtspunt breder kan worden uitgevraagd omeen genuanceerder beeld hierover te verkrijgen. Dit onderzoek liep al enstaat los van de recente Uber-uitspraak van de Hoge Raad. De webmoduleis gericht op opdrachtgevers, daarom is de uitvraag naar externeomstandigheden van de werkende beperkt gehouden, omdat opdracht-gevers bij het invullen van de webmodule mogelijk niet voldoende wetenhoe verschillende werkenden zich buiten de specifieke opdrachtrelatiegedragen in het economische verkeer.3.3 Positie van zelfstandigen in de polder Het kabinet ziet de vertegenwoordigers van zelfstandigen als volwaardigonderdeel van de sociale partners. Het kabinet vindt het dan ookbelangrijk dat de stem van zelfstandigen goed vertegenwoordigd is in decontacten van het kabinet met de polder. De Minister van SZW voertdaarom regelmatig gesprekken met zelfstandigenorganisaties over beleiddat hen raakt, zoals de wetsvoorstellen Wet basisverzekering arbeidsonge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28110 schiktheid zelfstandigen (Baz), Vbar en de handhaving op schijnzelfstan-digheid. Daarbij is van beide kanten de intentie uitgesproken hier zowelambtelijk als met de Minister een periodiek overleg van te maken omactuele ontwikkelingen te kunnen bespreken, en het perspectief en designalen van zelfstandigen goed mee te wegen bij nieuw beleid. Ookrecent hebben diverse constructieve overleggen plaatsgevonden metzzp-vertegenwoordigers, maar ook (via een rondetafelgesprek) tussen deMinister van SZW en verschillende zelfstandigen.Wat het kabinet betreft is het goed dat zzp-organisaties binnen de SER eenduidelijker gemarkeerde positie hebben gekregen. Sinds september 2023is het aantal zetels van de SER op advies van de Raad uitgebreid met drie,met het doel het geluid van zelfstandige ondernemers in de Raad teversterken. Inclusief de plaatsvervangende leden betekent dit dat er bij deondernemers-, werknemers- en Kroonledengeleding van de Raadstructureel zes zetels voor zelfstandigen gereserveerd zijn. Zo zijnzelfstandigen onder andere vertegenwoordigd via de VerenigingZelfstandigen Nederland, het Platform Zelfstandige Ondernemers, maarook via FNV Zelfstandigen en via de Vakcentrale voor Professionals (VCP).Voorts zijn er twee Kroonleden met expertise op het gebied van zelfstan-digen geïnstalleerd.Wij vinden het belangrijk dat er sprake is van een volwaardige vertegen-woordiging van zelfstandigen in de polder. Zowel in de contacten met deSER als de Stichting van de Arbeid zal hier aandacht voor gevraagdblijven worden.4. Inhuur schijnzelfstandigen binnen rijksoverheid Binnen de brede aanpak van schijnzelfstandigheid, verdient de inhuur vanschijnzelfstandigen binnen de rijksoverheid in het bijzonder onzeaandacht. Het is namelijk van belang dat de rijksoverheid zelf het goedevoorbeeld geeft bij de uitvoering van beleid en zich aan geldende wet- enregelgeving houdt.Het is dan ook begrijpelijk dat dit onderwerp geregeld aan bod komttijdens gesprekken die wij voeren of bij voorlichtingsbijeenkomsten. Hetkabinet streeft ernaar het aantal schijnzelfstandigen binnen het Rijk zosnel mogelijk naar nul af te bouwen.Het kabinet vindt het van belang dat het Rijk zelf meer zicht krijgt op hetaantal schijnzelfstandigen dat wordt ingehuurd. Het Rijk werkt inmiddelsvoortvarend aan het inzichtelijk maken van het aantal schijnzelfstandigendat werkzaam is binnen het Rijk, en welk deel daarvan als potentieelschijnzelfstandig aan te merken is. Departementen zijn in de basis zelfverantwoordelijk voor het inzichtelijk maken van het aantal schijnzelfstan-digheden binnen hun departement. Departementen zijn daarom door hetMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in eencirculaire opgeroepen om in hun inhuurbestand bij te houden wat deondernemingsvorm van een inhuurkracht is. Ook dient de beoordeling opindicaties van schijnzelfstandigheid vastgelegd te worden.Conform de motie Boon21 is het Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijkrelaties gestart met het inzichtelijk maken van het aantalschijnzelfstandigen die werkzaam zijn binnen de rijksoverheid. Hiervoorwordt een rapportagemonitor ingericht waarbij aantallen ingehuurdezelfstandigen en potentieel schijnzelfstandigen weergegeven worden. Deeerste resultaten zijn naar waarschijnlijkheid voor de zomer beschikbaar.21Kamerstukken II 2024/25, 31 311, nr. 269.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28111 Verder blijven we inzetten op kennisdeling over het tegengaan vanschijnzelfstandigheid, zowel in de breedte van de rijksoverheid alsook bijde diverse direct betrokken bedrijfsvoeringdisciplines.Als het gaat om de inspanningsverplichting om ook bij de Uitvoeringsor-ganisatie Herstel Toeslagen (UHT) zo spoedig mogelijk naar 0 schijnzelf-standigen af te bouwen, is hierop recent ingegaan bij de beantwoordingvan Kamervragen van de leden Aartsen, Van Eijk (beiden VVD) en Flach(SGP).22 Op 20 februari jl. zijn opnieuw vragen gesteld over schijnzelfstan-digheid bij UHT door de Kamerleden Aartsen en Van Eijk. Deze vragen zijnop 17 maart beantwoord23. Wij hechten eraan te benadrukken dat binnenhet Ministerie van Financiën de Belastingdienst en Dienst Toeslagenafzonderlijke onderdelen zijn. Het aantal potentieel schijnzelfstandigen per1 januari bij de Belastingdienst bedraagt 0.Het kabinet is voornemens uw Kamer voor de zomer nader te informerenover het tegengaan van schijnzelfstandigheid binnen de rijksoverheid.5. Overige onderwerpen (moties en toezeggingen) In deze paragraaf informeren wij u over de voortgang ten aanzien vanenkele moties en toezeggingen die raken aan het onderwerp van dezebrief.5.1 Gesprek met het Ministerie van Economische Zaken over hetondernemersdiploma In het commissiedebat zzp van 12 september 2024 (Kamerstuk 31 311,nr. 276) heb ik (de Minister van SZW) aan het lid Patijn toegezegd met hetMinisterie van Economische Zaken in gesprek te gaan over het onderne-mersdiploma.In 2000 en 2006 zijn juist respectievelijk het middenstandsdiploma en deVestigingswet afgeschaft. De huidige basis van het Handelsregister is datiedereen die aan de ondernemerscriteria voldoet een bedrijf kaninschrijven. Ideeën voor een ondernemersdiploma wijken hiervan af enpassen daarom niet in het huidige kabinetsbeleid. Het kabinet vindt hetbelangrijk om zorgvuldig om te gaan met extra regeldruk voor onder-nemers en deze, waar mogelijk, te verminderen.Tegelijkertijd vind ik het van groot belang dat startende ondernemersgoed voorbereid de markt betreden. Het is essentieel dat zij zich bewustzijn van risico’s zoals schijnzelfstandigheid en goed geïnformeerd zijn overbelangrijke zaken die bij het ondernemerschap komen kijken, zoals hetcorrect indienen van hun belastingaangifte. De KVK speelt hierin eenbelangrijke rol door naast de inschrijving van ondernemers in hetHandelsregister, ook informatie en advies te bieden over zaken als hetstarten van een bedrijf, belasting, wetgeving en financiering. Dit gebeurtzowel online, via de website en de startersnieuwsbrief, als fysiek, bijinschrijving op ondernemerspleinen en bij evenementen.Ook is er extra aandacht voor het voorkomen van schijnzelfstandigheid inde verschillende stappenplannen op de website van de KVK voorstartende ondernemers. Uit onderzoek van de KVK blijkt dat veelondernemers zich inlezen, en dat slechts een klein deel (15%) niet weethoe schijnzelfstandigheid hen raakt.24 Tegelijkertijd zitten natuurlijk veel(startende) ondernemers met vragen. Daarom is het Ministerie van SZW22Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1017.23Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1654.24Ondernemen in 2024, KVK.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28112 ook de eerdergenoemde publiekscommunicatie «ZZP ja of nee» gestart,waarbij verschillende Rijksoverheidsorganisaties, waaronder de KVK,betrokken zijn. Deze acties zullen dit jaar door mijn ministerie en decollega’s bij andere rijksdiensten die bij dit onderwerp betrokken zijn,worden voortgezet.5.2 Inschrijving zelfstandigen bij de Kamer van Koophandel in relatie totde Basisregistratie Personen Op 11 december 2024 is de motie Patijn c.s. ingediend die de regeringverzoekt «de beleidsregels voor de KVK aan te passen, zodat zzp’ers zichalleen kunnen inschrijven als zij ingeschreven staan in het bevolkingsre-gister (BRP)».25 De KVK hanteert het beleid dat arbeidsmigranten alleenals zelfstandige in het Handelsregister kunnen worden ingeschrevenindien zij geregistreerd zijn in de Basisregistratie Personen (BRP) alsingezetene of niet-ingezetene (in de Registratie Niet-ingezetenen (RNI)). Indie zin wordt voldaan aan de motie.Voor zover met de motie wordt bedoeld dat zzp’ers zich enkel kunneninschrijven als zij staan ingeschreven als ingezetene het volgende. Hetweigeren van een inschrijving als zzp’er in de KVK van een niet-ingezeteneis niet verenigbaar met het vrij verkeer van vestiging. Ookniet-ingezetenen – denk bijvoorbeeld aan een persoon die net over degrens woont – hebben het recht om zich te vestigen als zzp’er inNederland. Als tijdens de inschrijving blijkt dat er mogelijke risico’s zijn opuitbuiting, mensenhandel of mensensmokkel, wordt dit als een risico-signaal doorgegeven aan de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), zoalsbepaald in de Handelsregisterwet en beschreven in de memorie vantoelichting bij de wijziging van die wet per 1 januari 202026. Voorts is KVKbezig met het versterken van haar Poortwachtersrol, waarbij wordtonderzocht hoe het Handelsregister kan bijdragen aan het voorkomen vanschijnzelfstandigheid en arbeidsuitbuiting.Daarnaast werk ik aan een breed pakket aan maatregelen om de regis-tratie van arbeidsmigranten te verbeteren. Zo regel ik een zorgplicht vooruitleners bij de registratie van arbeidsmigranten. Dit regel ik in de Wetallocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) via een nota vanwijziging op de Wtta. Ook zetten we in op een betere bewustwording vanarbeidsmigranten. BZK is bezig met het opzetten van directe communi-catie via de mail om niet-ingezetenen te informeren over de rechten enplichten in Nederland rondom registratie. Via het project WorkinNL rollenwe in snel tempo informatiepunten in alle arbeidsmarktregio’s uit voorarbeidsmigranten, waar zij ook terecht kunnen met vragen en hulp bijregistratie in BRP. Ook kijk ik met BZK en JenV of we een aanwezigheids-melding voor arbeidsmigranten kunnen introduceren en onderzoek ik ofwe slimmer kunnen omgaan met het delen van de gegevens binnen deoverheid om de registratie te verbeteren. Er wordt onderzocht of gebruikkan worden gemaakt van de loonaangifteketen, door de BRP en polisad-ministratie te koppelen. Bovendien kijk ik met mijn collega’s in het kabinetnaar hoe we verdere effectieve maatregelen kunnen nemen.27 Zicht opmigratie is immers één van de hoofdprioriteiten van dit kabinet.25Kamerstukken II 2024/25, 36 446, nr. 20.26Kamerstukken II 2016/17, 34 687, nr. 3.27Hierbij worden de moties meegenomen van de leden Vijlbrief en Podt, Kamerstukken II,2024/25, 26 448, nr. 806 over het onderzoeken van het Belgische registratiemodel en van deleden Saris en Ceder over hoe de RNI-inschrijving kan worden verbeterd en misbruik kanworden tegengaan (nr. 807).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28113 5.3 Vergelijking met het Belgische systeem Met de motie Inge van Dijk c.s.28 wordt de regering verzocht «te onder-zoeken of, en welke aspecten van, het Belgische systeem kunnenbijdragen aan een toekomstbestendiger socialezekerheidsstelsel, metdaarbij specifiek ook aandacht voor de flexi-jobs en de mogelijkheid vaneen opt-out voor ondernemers die pensioen en arbeidsongeschiktheid zelfaantoonbaar voldoende geregeld hebben».In relatie tot deze motie is het van belang om erop te wijzen dat daareerder ook al goed naar is gekeken. In de voortgangsbrief werken met enals zelfstandige(n) van 16 december 202229 en de bijbehorende bijlage isook uitgebreid ingegaan op het Belgische systeem. Daarbij is allereerstbelangrijk dat de verschillen in behandeling tussen werknemers enzelfstandigen in de fiscaliteit en sociale verzekeringen in België een stukkleiner zijn dan in Nederland. Er is sprake van een veel gelijker speelveld.Zo zijn bijvoorbeeld alle zelfstandigen verplicht om zich aan te sluiten bijeen sociaal verzekeringsfonds. Afhankelijk van het fonds en de dekking isde bijdrage hieraan zo’n 20% van het netto belastbaar inkomen30,waardoor zelfstandigen onder meer tegen arbeidsongeschiktheid/ziekte envoor pensioen verzekerd zijn. Er staat in vergelijking met België, kortom,dan ook minder «druk» op de beoordeling van de arbeidsrelatie dan inNederland.Ondanks dat de verschillen in behandeling tussen werknemers enzelfstandigen in België een stuk kleiner zijn dan in Nederland, heeft denieuwe Belgische regering overigens in het recente regeerakkoordverschillende maatregelen opgenomen om meer te gaan doen omschijnzelfstandigheid tegen te gaan. Aangegeven is dat «schijnzelfstan-digheid binnen de professionele diensten, zoals de situatie van bijvoor-beeld sommige architectuurwerkers, wordt bestreden».De controles op de praktijk van schijnzelfstandigheid worden daaromversterkt, waarbij de impact zal worden geëvalueerd. Daarnaast geven zeaan schijnzelfstandigheid bij zelfstandigen in bijberoep te willenbestrijden.Voor de beoordeling van de arbeidsrelatie speelt, evenals in Nederland,een aantal criteria een rol in België. Zoals de vrijheid van organisatie vanwerktijd, de vrijheid van organisatie van werk en de mogelijkheid om eenhiërarchische controle uit te oefenen. Bij deze elementen ligt de nadruk opde klassieke (formele) gezagsuitoefening (toezicht houden, instructiesgeven etc.) en de inbedding van de werkende in de organisatie. De meereconomische benadering van elementen als het bestaan van ondernemer-schap van de werkende (buiten de arbeidsrelatie) en de inbedding van dewerkzaamheden in de organisatie, speelt in België in beginsel minder eenrol. Dit terwijl in Nederland in de jurisprudentie die benadering welmeespeelt.Ook de wil van partijen (zoals in de overeenkomst uitgedrukt),weegt in België mee als één van de algemene criteria, waarbij de feitelijkeuitvoering wel doorslaggevend is. Sinds het Participatieplaatsen-arrestvan de Hoge Raad is duidelijk dat in Nederland de partijbedoeling nietmeeweegt bij de kwalificatie van arbeidsrelaties.31In België geldt sinds 2012 verder voor een aantal economische sectoreneen weerlegbaar vermoeden van arbeidsovereenkomst. Dit geldt alleenvoor de sectoren of activiteiten waarin het risico op bijvoorbeeld28Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 83.29Kamerstukken II 2022/23, 31 311, nr. 246.30Het netto belastbaar inkomen betreft de brutoinkomsten verminderd met de beroepskostenvan de werkende.31Kamerstukken II 2020/21, 31 311, nr. 237.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28114 onderbetaling en kwetsbare werkenden groot is en kan door zowelopdrachtgever als opdrachtnemer ingeroepen worden. Er zijn een aantalelementen die wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomstopgesomd in deze rechtsvermoedens. Als meer dan de helft van deelementen zijn vervuld, is het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomstvan toepassing en kan dit vermoeden ingeroepen worden. Dit kan helpenvoor werkenden om hun rechtspositie op te eisen en schijnzelfstandigheidtegen te gaan. Als meer dan de helft van de elementen niet is vervuld, danwordt de overeenkomst vermoed een overeenkomst voor zelfstandigen tezijn.Samenvattend was en is het kabinet van oordeel dat het Belgischesysteem rondom de beoordeling van arbeidsrelaties niet één op éénovergenomen kan worden. Tegelijkertijd speelde in België soortgelijkeproblematiek rondom de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Tegen deachtergrond dat in het begin van vorig decennium onduidelijkheid en (dusrechtsonzekerheid) was ontstaan, heeft de Belgische wetgever in deArbeidsrelatiewet in 2006 nadrukkelijk duidelijk willen maken welkeelementen van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag wanneer ersprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat licht is er in België voorgekozen om de open norm van gezag (de ondergeschiktheidsrelatie) inwetgeving nader in te vullen aan de hand van de toen bestaandejurisprudentie. Dit is ook de grondgedachte achter het wetsvoorstel Vbar,te weten de bestaande jurisprudentie vatten in een wettelijk toetsings-kader. Daarbij geldt dat ook in Nederland de afgelopen jaren is ingezet opmaatregelen die bijdragen aan een gelijker speelveld tussen contract-vormen, waaronder fiscale maatregelen en verder uitwerken van eenarbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen om de balans opde arbeidsmarkt te herstellen.In aanvulling op bovenstaande beschrijving van het Belgische systeemheeft het lid Van Dijk gevraagd naar flexi-jobs. Het concept flexi-jobs geeftwerkenden en werkgevenden de mogelijkheid om flexibel en tegen eenvoordelig tarief (bij)banen met een beperkt aantal uren aan te bieden enaan te nemen. Iedereen die voor vier dagen een arbeidscontract heeft (endaardoor verzekerd is en pensioen opbouwt) kan daarnaast via eenzogenoemde flexi-job aan de slag. Over de verdiensten van de flexi-jobhoeft geen belasting of sociale bijdragen te worden betaald.In Nederland gaat de problematiek van het aantal zzp’ers verder danzzp-(bij)banen met beperkte omvang. Daarmee lijken flexi-jobs niet directeen oplossing voor de problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Hetgaat bij flexi-jobs echt om bijbanen, waarbij als voorwaarde geldt dat er alvoor minstens 4/5e van een fulltimebaan als werknemer wordt gewerkt.AfsluitingHet kabinet zet zich in voor het toekomstbestendiger maken van hetwerken met en als zelfstandige(n). In deze brief is onder meer ingegaan oprecente ontwikkelingen op de lijnen 2 en 3, en specifiek op de voortzettingvan het wetsvoorstel Vbar en de opheffing van het handhavingsmora-torium.Met het (gewijzigde) wetsvoorstel Vbar beoogt het kabinet meer duide-lijkheid te bieden over wanneer wordt gewerkt als werknemer of alszelfstandige, zowel voor werkenden, werkgevenden, uitvoeringsinstantiesen de rechtspraak. Het kabinet streeft ernaar dit wetsvoorstel voor dezomer bij uw Kamer in te dienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28115 Daarnaast houden wij oog voor de gevolgen van de opheffing van hethandhavingsmoratorium. Wij beseffen dat de opheffing van het handha-vingsmoratorium een inspanning vraagt van zelfstandigen en opdracht-gevers. Tegelijkertijd zijn wij blij te kunnen constateren dat veel organi-saties en zelfstandigen stappen hebben gezet en zetten om conform dehuidige wet- en regelgeving te werken. Ook wij zien dat dit in sommigegevallen tot lastige keuzes kan leiden bij werkenden en werkgevenden. Viapubliekscommunicatie, de webmodule en contact met (branche)vertegen-woordigers van de betrokkenen zorgen wij voor zoveel mogelijk duide-lijkheid voor zelfstandigen en opdrachtgevers.Werken als of met zelfstandige(n) blijft mogelijk, nu en in de toekomst.Zelfstandigen leveren immers een belangrijke bijdrage aan de Neder-landse economie, bijvoorbeeld als het gaat om innovatie of demogelijkheid om door te kunnen groeien als onderneming. Schijnzelfstan-digheid wordt tegengegaan. Het kabinet heeft hiertoe al verschillendestappen gezet en zal langs de lijnen van een gelijker speelveld, een beterewerking van de arbeidsmarkt via verduidelijking en handhaving stappenblijven zetten voor een meer toekomstbestendige arbeidsmarkt.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumDe Staatssecretaris van Financiën,T. van OostenbruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28116 Inzet van capaciteitIn het kader van de motie Palland wordt hierna de voortgang van dehandhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst in de vorm vaningezette uren en gerealiseerde producten weergegeven.20232024TotaalOnder-handenAfgedaanTotaalOnder-handenAfgedaanBedrijfsbezoeken6642683961115370745Boekenonderzoeken24318261312176136Aanwijzingen1420Modelovereenkomsten3249922516663103Verzoeken verzekerings-plicht3557128430542263 Zoals toegezegd in de brief aan de Kamer van 24 juni 2019, heeft deBelastingdienst voor 2024 de beoogde inzet van 80 fte gehaald.Naast de geregistreerde bedrijfsbezoeken, boekenonderzoeken,modelovereenkomsten en afgegeven beschikkingen verzekeringsplichtzijn er meer effecten bereikt die als resultaat kunnen worden gekwalifi-ceerd, maar die niet afzonderlijk geregistreerd worden. Het betreft hetgeven van informatie, uitleg of voorlichting/toelichting doorloonheffingen-specialisten tijdens bedrijfsbezoeken met als doel debetrokken opdrachtgever te ondersteunen bij het juist kwalificeren van dearbeidsrelatie(s) door het goed toepassen van de fiscale regels. Hierbijgaat het om compliante opdrachtgevers die na een bedrijfsbezoekvrijwillig ertoe overgaan de beheersing van hun interne processen op deinhuur van arbeidskrachten te versterken. Daardoor wordt het risico ophet onjuist kwalificeren van de arbeidsrelatie gemitigeerd, mede op grondvan het besef dat zij daarvoor als eerste verantwoordelijk zijn. Verderbetreft het opdrachtgevers die na een bedrijfsbezoek overtuigd zijn datarbeidsrelaties die in eerste aanleg gekwalificeerd werden als werkenbuiten dienstbetrekking, gekwalificeerd dienen te worden als werkenbinnen dienstbetrekking. Zij nemen de betreffende arbeidsrelatiesvervolgens in de loonadministratie op.Bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28117 Cijfers inzake gebruik van de webmodule arbeidsrelatiesHieronder wordt ingegaan op de maandelijkse cijfers van de webmoduleover de maanden september 2024 tot en met december 2024. Dit is eenaanvulling op wat hierover al is opgenomen in paragraaf 3.2 van dezebrief.September 2024In september zijn 12.867 gebruikers naar de site van de webmodulegegaan:•1.190 gevallen betrof gebruikers waar de webmodule niet voor wasbestemd•4.673 hebben geen uitkomst gekregen (hiervan hebben 2.119 gebrui-kers de webmodule geopend, maar geen enkele vraag beantwoord)•7.004 gevallen hebben de vragenlijst volledig beantwoord en eenuitkomst gekregen:–3.101 indicatie dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking:44,3%–1.742 indicatie geen dienstbetrekking: 24,9%–2.161 geen oordeel mogelijk: 30,8%Oktober 2024In oktober zijn 15.861 gebruikers naar de site van de webmodule gegaan:•1.487 gevallen betrof gebruikers waar de webmodule niet voor wasbestemd•6.223 hebben geen uitkomst gekregen (hiervan hebben 2.993 gebrui-kers de webmodule geopend, maar geen enkele vraag beantwoord)•8.151 gevallen hebben de vragenlijst volledig beantwoord en eenuitkomst gekregen:–3.463 indicatie dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking:42,5%–2.085 indicatie geen dienstbetrekking: 25,6%–2.603 geen oordeel mogelijk: 31,9%November 2024In november zijn 33.811 gebruikers naar de site van de webmodulegegaan:•3.030 gevallen betrof gebruikers waar de webmodule niet voor wasbestemd•12.833 hebben de webmodule niet afgerond. Hiervan hebben 6.359gebruikers de webmodule geopend, maar geen enkele vraag beant-woord.•17.948 gebruikers hebben de vragenlijst volledig beantwoord en eenuitkomst gekregen:–7.158 indicatie dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking:39,9%–5.151 indicatie geen dienstbetrekking: 28,7%–5.639 geen oordeel mogelijk: 31,4%December 2024In december zijn 25.045 gebruikers naar de site van de webmodulegegaan:•2.138 gevallen betrof gebruikers waar de webmodule niet voor wasbestemdBijlage 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28118 •8.908 hebben de webmodule niet afgerond. Hiervan hebben c4.494gebruikers de webmodule geopend, maar geen enkele vraag beant-woord.•13.999 gebruikers hebben de vragenlijst volledig beantwoord en eenuitkomst gekregen:–5.140 indicatie dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking:36,7%–4.267 indicatie geen dienstbetrekking: 30,5%–4.592 geen oordeel mogelijk: 32,8%Totaaloverzicht september 2024 t/m december 2024In deze periode hebben 87.584 gebruikers de webmodule bezocht.•In 7.845 gevallen (9,0%) betrof dit gebruikers waarvoor de webmoduleniet is bestemd.•In 15.965 gevallen (18,2%) is alleen de startpagina geopend, maar isverder geen enkele vraag beantwoord•In 16.672 gevallen (19,0%) is de vragenlijst gestart, maar is deze nietafgerond•In 47.102 gevallen (53,8%) is de vragenlijst volledig doorlopen en iseen uitkomst verkregen.Tabel: uitkomsten webmodule beoordeling arbeidsrelatie september2024-december 2024Specifieke resultaten gebruikerstevredenheidCijferSeptemberOktoberNovemberDecemberTotaal198181449 (0,6%)213214736 (0,7%)342278332184 (2,2%)4315215352288 (3,4%)58262159106409 (4,8%)61252093932891.016 (12,0%)73284381.0229532.741 (32,5%)84096491.2047643.026 (35,9%)969109271115564 (6,7%)1021185730126 (1,5%)Totaal1.1291.5743.3742.3628.439 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 28119
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris gaat met de minister van Binnenlandse Zaken in gesprek over het terugkoppelen middels een rapportage van het aantal zelfstandigen binnen de
De staatssecretaris gaat met de minister van Binnenlandse Zaken in gesprek over het terugkoppelen middels een rapportage van het aantal zelfstandigen binnen de overheid, en koppelt dit terug aan de kamer.
- De minister zal met de minister van Economische Zaken in gesprek gaan over het ondernemersdiploma en koppelt dit voor het eind 2024 aan de Kamer terug.
De minister zal met de minister van Economische Zaken in gesprek gaan over het ondernemersdiploma en koppelt dit voor het eind 2024 aan de Kamer terug.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.