KamerkringInloggen
Kamerbrief

Toegankelijkheid en doorstroom in het hbo en wo

9 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 19a1fbbc05440c2f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1188 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 april 2025Op 14 maart 2025 heb ik mijn beleidsbrief aan uw Kamer aangeboden,waarin ik mijn plannen voor deze kabinetsperiode heb beschreven.1 Ik hebdaarin aangekondigd in een aparte brief nader in te gaan op toeganke-lijkheid en doorstroom in het hbo en wo.Zoals in de beleidsbrief aangegeven dalen de studentenaantallen dekomende periode, wat zorgt voor verschillende uitdagingen voorinstellingen. Daarom is het noodzakelijk om het stelsel in de komendejaren toekomstbestendig te maken. Vanwege de arbeidsmarktkrapte wil ikhet vervolgonderwijs beter laten aansluiten op maatschappelijkebehoeften. Dat betekent dat we talent in de toekomst nog beter dan numoeten benutten voor de samenleving. Van belang hiervoor is dat onsstelsel dan ook toegankelijk blijft voor dit talent, en dat (aspirant)-studen-ten die daartoe de potentie en ambitie hebben succesvol kunnen startenmet een opleiding in het hbo en wo en deze binnen een redelijke termijnkunnen afronden.In deze brief beschrijf ik mijn inzet om de toegankelijkheid en doorstroomin het hbo en wo te waarborgen en verder te verbeteren. In deze brief zalik inhoudelijk reageren op verschillende recente onderzoeken. Ookbehandel ik een aantal moties die uw Kamer op dit terrein heeftingediend. Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging in het1Kamerstuk 31 288, nr. 1185 kst-31288-1188ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11881 commissiedebat DUO en Hoger Onderwijs van 23 oktober 2024 om in tegaan op maatregelen om uitval en switch terug te brengen.2Signalen uit onderzoekenTalent belandt niet altijd op de juiste plekIn de zomer van 2024 heb ik u de resultaten van het IBO doelmatig hogeronderwijs «Talent op de juiste plek» toegestuurd. Uit het IBO blijkt datstudenten niet altijd op de juiste plek zitten en het studierendement tewensen overlaat.3 Het studiesucces wordt door veel verschillendefactoren beïnvloed, zoals een verkeerde studiekeuze, onvoldoendemotivatie, onvoldoende aansluiting tussen verschillende typen onderwijs,de studeerbaarheid van het curriculum, persoonlijke omstandigheden enopwaartse druk. De factoren die studiesucces negatief beïnvloeden tredendaarbij ook in combinatie met elkaar op. Ook het Interstedelijk StudentenOverleg (ISO) heeft aandacht voor deze problematiek in een onlangsgepubliceerd Richtsnoer.4 In dit Richtsnoer stelt de studentenorganisatieenkele maatregelen voor om uitval en switch te verminderen.Het IBO schetst de uitdaging om jongeren in de toekomst meer teverleiden voor een opleiding in een sector waar de maatschappelijke noodhoog is en de instroom nu te laag.5 Het blijkt lastig om vanuit de overheidte sturen op de studiekeuze van jongeren.6 In mijn beleidsbrief heb iktoegelicht welke maatregelen ik neem in het kader van aansluiting op dearbeidsmarkt. In het najaar van 2025 informeer ik uw Kamer verder overeen macrodoelmatig opleidingsaanbod, capaciteitsbekostiging en krimp.Zoals ik in mijn beleidsbrief heb benadrukt, blijft het van belang datjongeren een opleiding kunnen kiezen van hun interesse.Uitval en switch komen vaak voor bij specifieke groepenOm meer zicht te krijgen op de knelpunten in de doorstroom diestudenten ervaren, en mede naar aanleiding van de motie Peters7, heefthet Ministerie van OCW onderzoeksbureau Dialogic gevraagd onderzoeklaten doen naar de doorstroom van eerstegeneratiestudenten in onsonderwijs.8 Het onderzoek constateert dat eerstegeneratiestudenten,hbo-studenten, mannelijke studenten, studenten met ouders met eenlager inkomen en studenten met een migratieachtergrond een groterekans op uitval en switch hebben. Dit risico is groter voor studentenwaarbij verschillende van deze achtergrondkenmerken samenkomen. Ditmaakt dat er geen eenduidige maatregel is voor het vergroten vanstudiesucces van studenten. Dialogic constateert dat beleid gericht op éénspecifieke doelgroep onvoldoende effectief lijkt. Kenmerken die een kansgeven op lager studiesucces komen namelijk vaak in samenhang voor,signaleren Dialogic en het IBO. Er is dus niet één enkele factor diebepalend is voor het studiesucces.2Toezegging TZ202410-179, waarin ik heb toegezegd te komen met een plan van aanpak m.b.t.de arbeidsmarktkrapte in relatie tot het onderwijsaanbod en aanpalende maatregelen overswitch en uitval van studenten. In mijn beleidsbrief staat een overzicht van maatregelen rondarbeidsmarktkrapte. In deze brief ga ik nader in op maatregelen om uitval en switch tereduceren. Daarmee beschouw ik deze toezegging als afgedaan.3Talent op de juiste plek, IBO Hoger Onderwijs (2024)4Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/5Talent op de juiste plek, IBO Hoger Onderwijs (2024), 28.6Dialogic, Oberon & SEO (2024). Studiekeuze in beweging7Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 248.8Dialogic (2024): «een serieuze zaak – De wereld van kansenongelijkheid voor eerstegeneratie-studenten achter het halen van een diploma, bijlage bij Kamerstuk 31 288, nr. 1174Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11882 Het is volgens de onderzoekers beter om het onderliggende mechanismedat kansenongelijkheid veroorzaakt voor álle studenten aan te pakken.Aangrijpingspunten voor verbetering zijn volgens de onderzoekers vooralhet vergroten van thuisgevoel en het verminderen van prestatiedruk.9 Hetis belangrijk om hier bij de overgang naar het vervolgonderwijs aandachtvoor te hebben. Een goede start is van enorm belang. Ik blijf daarominzetten op het vergroten van het studiesucces van álle studenten. In hetvervolg van deze brief licht ik toe welke maatregelen ik daartoe wilnemen.Ongelijke kansen bij selectieSelectie kan in potentie de match tussen opleiding en student versterken.Het IBO wijst op het positieve feit dat selecterende opleidingen minderuitval en switch kennen, maar beschrijft ook de neveneffecten vanselectie. Met selectie bestaat het risico op kansenongelijkheid. Naast hetIBO sluit ook het onderzoek van Dialogic aan bij eerdere bevindingen vande Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) dat selectieproceduresveelal een bias kennen. Bepaalde groepen studenten zoals eerstegenera-tiestudenten, studenten met een migratieachtergrond en studenten meteen lager gezinsinkomen maken minder kans op een plek bij eenselecterende opleiding.10 Voor een student hangt veel af van eenselectieprocedure. Iedereen verdient het om op een eerlijke en gelijk-waardige manier beoordeeld te worden. Daarom vind ik het belangrijk datinstellingen transparant zijn over hun selectieprocedures en dat dezeprocedures zorgvuldig tot stand komen. Verderop in deze brief beschrijf ikmijn maatregelen op het gebied van selectie.Ontoegankelijkheid van wo-masters voor hbo-bachelorsDe inspectie heeft onlangs een rapport gepubliceerd over de toeganke-lijkheid van wo-masters voor hbo-bachelorgediplomeerden.11 Uit hetrapport blijkt dat 24,2% van de wo-masteropleidingen aangeeft niettoegankelijk te zijn voor hbo-bachelor-gediplomeerden, ook niet via eenschakelprogramma of maatwerktraject.12 Sommige opleidingen gevenaan dat het toelaten van hbo-gediplomeerden zou leiden tot hogere uitval,extra kosten en verminderde kwaliteit van de opleiding.13 Zowel funda-mentele als meer praktische overwegingen spelen voor masteroplei-dingen dus een rol om hbo-studenten niet toe te laten. De inspectieconstateert daarnaast dat de ontoegankelijkheid mede veroorzaakt wordtdoor een gebrek aan kennis en expertise over het beoordelen van detoelaatbaarheid van hbo-studenten en het wegnemen van deficiënties. Zijbeveelt daarom instellingen – en met name de koepels van de instellingen– aan om in te zetten op meer kennisdeling op dit vlak. Daarnaast roept zijde Minister van OCW op om meer helderheid te verschaffen over deopdracht aan het stelsel als het gaat om de toegankelijkheid vanwo-masters voor hbo-bachelor gediplomeerden en over de verantwoorde-lijkheid die instellingen hierbij hebben.Hoewel het hbo en wo weliswaar een geheel eigen oriëntatie kennen, vindik het belangrijk dat er doorstroommogelijkheden voor studenten in hethele vervolgonderwijs bestaan. Daarbij geldt zowel de doorstroomroutevan hbo-bachelor naar een wo-master als van een wo-bachelor naar een9Idem, 87.10Inspectie (2020) «in- en doorstroommonitor hoger onderwijs 2009–201811Inspectie (2025): «Hbo’ers gelijkgeschakeld? – Een onderzoek naar de (on)toegankelijkheid vanwo-masters voor hbo-gediplomeerden12In 2019 betrof dit 29,2% van de wo-masteropleidingen.13Inspectie van het Onderwijs (2025), Hbo’ers gelijkgeschakeld?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11883 hbo-master. Respondenten in het onderzoek van de inspectie wijzen op demaatschappelijke druk die er bestaat, ook bij hbo-bachelorgediplomeer-den om te kiezen voor een wo-masterdiploma. Deze opwaartse druk (hetwillen kiezen voor een zo «hoog» mogelijke opleiding) is zichtbaar in hethele onderwijs en dat vind ik onterecht en onwenselijk. In alle door-stroomroutes wil ik daarom inzetten op het tegengaan van deze druk. Inhet vervolg van deze brief ga ik hier nader op in.Doelstellingen van dit kabinetOm het stelsel toegankelijk te houden en talenten van jongeren te(h)erkennen en benutten wil ik inzetten op de volgende doelen:1)het verbeteren van de match tussen student en opleiding;2)eerlijke en zorgvuldige selectie en toelating;3)het verbeteren van het student- en studiesucces.1. Een betere match tussen student en opleidingJongeren maken relatief vroeg (grofweg tussen hun 16e en 18e) een keuzevoor een vervolgopleiding. Zij worden daarbij op hun dertiende al op eenbepaald onderwijsniveau (vmbo, havo, vwo) ingedeeld op de middelbareschool. Het is geen makkelijke opgave voor jongeren om op die leeftijdprecies te weten wat je wilt en wat je kunt. Daarbij hebben ze hulp nodig.Ook het ISO vraagt hiervoor in haar richtsnoer aandacht en vraagt om destudiekeuzevoorlichting en matching te verbeteren.14 Aangezien jongerenal vroeg keuzes maken en beelden vormen van vervolgopleidingen encarrières is het ook van belang dat deze hulp vroeg aangeboden wordt.Tevens speelt in de studiekeuze ook nog steeds de «opwaartse» druk omeen theoretische opleiding te volgen een rol. Van die ouderwetsegedachte moeten we af. De arbeidsmarkt schreeuwt om vakmensen, diehands-on vitale functies in onze samenleving bekleden. Het mbo heeft eenbelangrijke maatschappelijke taak om hiertoe voldoende studenten op teleiden. Tegelijkertijd zie ik dat het denken in «hoger» en «lager» nogdiepgeworteld is in onze samenleving. Dat denken resulteert mogelijk indruk richting studenten om na het mbo, nog te gaan voor eenhbo-diploma. Als de reden hiervoor is dat een student zich qua vaardig-heden verder wil scholen en verdiepen, dan moet ons onderwijs diekansen bieden. Ik zie echter dat zo’n 20% van de mbo4-studenten diedoorstroomt naar het hbo, in het eerste jaar uitvalt en alsnog de arbeids-markt betreedt.15 Daarnaast wijst het IBO erop dat een hbo- of universitair(master)diploma niet altijd nodig is voor het werk dat studenten daarnagaan doen.16Als een student stopt met een opleiding kan dit vervelend zijn voor destudent, die tijd, moeite en geld heeft geïnvesteerd in de studie. De motieMartens-America vraagt in daarom terecht of er hier niet iets misgaat enstudenten zich teveel laten leiden door de opwaartse druk in ons systeemom door te stromen naar het hbo.17MaatregelenAls Minister van OCW informeer ik jongeren in hun eindexamenjaarjaarlijks per brief over het maken van een studiekeuze. Hoewel ik merk datmijn brief gewaardeerd wordt, besef ik dat mijn invloed en die van de14Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/15Trendrapport HO, DUO (2024), 21.16Talent op de juiste plek, IBO Hoger Onderwijs (2024), 26.17Kamerstuk 31 524, nr. 630Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11884 Rijksoverheid beperkt is. Het zijn vooral instellingen uit het funderend envervolgonderwijs en professionals die het verschil (moeten) maken voorjongeren.Het kabinet zet daarom in op de volgende maatregelen:Maatregelen• Verankering LOB in curriculum vo• Evaluatie RAP middelen en VABOK• Verankering praktijkgerichte havo• Optimaliseren studiekeuzecheck• Versterking aansluiting beroepsonderwijs-kolom: VABOK• In kaart brengen opwaartse druk mbo-hbo Verankering Loopbaanoriëntatie- en begeleiding in curriculum voUit onderzoek blijkt dat intensieve inzet van loopbaanoriëntatie en-begeleiding (LOB) in het vo de kans op uitval in het hbo en wo kanreduceren.18 Daarom wordt de opdracht op het gebied van LOB aanvo-scholen verder aangescherpt binnen de curriculumherziening die nugaande is. In het geactualiseerde curriculum van het voortgezet onderwijskrijgt LOB een stevige plek, zowel binnen vakken als in bredere onderwijs-activiteiten. Hierdoor komen alle leerlingen gedurende hun school-loopbaan met LOB in aanraking en krijgen ze een beter beeld vanvervolgopleidingen, beroepen en toekomstcarrières die aansluiten bij huninteresses en talenten. Door bewustwording van de eigen kwaliteiten entalenten, het verkrijgen van inzicht in de koppeling tussen vakken enberoepen en het opdoen van ervaring met de praktijk, kunnen scholierenbeter gefundeerde keuzes maken voor hun toekomst. Hiermee sluit dit ookaan op het verbeteren van de studiekeuzevoorlichting en het verwach-tingsmanagement, zoals het ISO aankaart.19Ook subsidieert het Ministerie van OCW het Expertisepunt LOB omvo-scholen, mbo-instellingen en hogescholen te ondersteunen bij hetversterken van LOB op de onderwijsinstelling. Deze subsidie loopt tot enmet 2027. Omdat ik minder wil sturen vanuit programma’s en projectenzal ik deze subsidie niet verlengen. Ik heb het Expertisepunt LOB opdrachtgegeven om hun opbrengsten te borgen, zodat scholen en instellingen inde toekomst zelf verder kunnen met het versterken van LOB.Verankering praktijkgerichte havoScholen en andere betrokkenen werken momenteel, via een subsidiere-geling, aan het ontwikkelen en implementeren van twee interdisciplinairepraktijkgerichte havo-vakken: Technologie en Maatschappij. Het doelhiervan is om de aansluiting van de havo op het hbo te verbeteren.Havisten blijken behoefte te hebben aan praktijkervaring en toegepastleren. Daarmee bereiden we havisten beter voor op de keuze voor en deoverstap naar het vervolgonderwijs. De praktijkgerichte vakken biedendeze leerlingen de kans om al voor de studiekeuze meer praktijkervaringop te doen en via die weg na te gaan waar hun interesses en talentenliggen. Momenteel zijn 240 havo-scholen met één of beide vakken aan deslag, ook veel hbo’s worden bij deze vakken betrokken. Het voornemen isom de ontwikkelde vakken vanaf 2026 structureel te verankeren inregelgeving, zodat alle havo-scholen ze vanaf 2026/2027 aan kunnenbieden. De Staatssecretaris van OCW heeft uw Kamer hierover op17 februari jl. per brief geïnformeerd.2018Zie: https://esb.nu/intensivering-loopbaanbegeleiding-werpt-vruchten-af/19Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/20Kamerstuk 31 289, nr. 600Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11885 Optimaliseren studiekeuzecheckStudenten die zich voor 1 mei aanmelden voor hun opleiding hebbenrecht op een studiekeuzecheck, waarmee ze kunnen nagaan of deopleiding echt bij hen past. Ik krijg echter signalen dat deze studiekeuze-check niet altijd optimaal werkt. Zo geven studenten aan dat het bij eennegatief advies lastig is om kort voor de start van het collegejaar nog eenbeter passende studie te vinden. Ook zie ik grote verschillen tussenopleidingen in hoe de studiekeuzecheck wordt ingezet. Zo maakt de eneopleiding gebruik van proefstuderen of een toelatingstest, terwijl eenandere opleiding aspirant-studenten digitaal een vragenlijst opstuurt. HetISO vraagt in haar richtsnoer aandacht voor het verbeteren vanmatching.21 Ik beoog daarom meer zicht te krijgen op de effectiviteit vande studiekeuzecheck, zowel qua werkzame elementen als de timinghiervan. Ik zal daarom een externe partij de opdracht geven om destudiekeuzecheck volgend jaar op deze punten te evalueren.In kaart brengen opwaartse druk mbo-hboIk wil nader inzichtelijk maken hoe we onnodige uitval van mbo-studentenin het hbo kunnen voorkomen. Daarbij onderzoek ik tevens de rol van deopwaartse druk in ons systeem, en welke verbeterpunten nog liggen in deaansluiting tussen de sectoren en het werkveld. Conform de motieMartens-America, onderzoek ik hoe mbo-instellingen de wettelijkeopdracht om op te leiden voor de samenleving, arbeidsmarkt en vervolg-opleiding interpreteren als het gaat om de doorstroom van mbo naarhbo.22 Daarnaast ga ik, zoals vermeld in mijn beleidsbrief, kijken naar degevolgen van opwaartse druk en de bekostiging van doorstromers enuitvallers.23 Ik zal dit meenemen in de verdere verkenning van debekostigingssystematiek die ik uiterlijk in 2026 wil delen met uw Kamer.Uw Kamer wordt in het najaar nader geïnformeerd over deze verkenning.Het lid Martens-America heeft mij daarnaast ook gevraagd om na te gaanof de Kamer alle rapporten heeft ontvangen over de doorstroom vanuithet mbo naar het hbo. Ik kan bevestigen dat dit is gebeurd met derapporten die in opdracht van het Ministerie van OCW zijn uitgevoerd.24Een overzicht van overige onderzoeken naar dit onderwerp en eenoverzichtspagina over doorstroom is te vinden via de website vanNationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).25 Hiermee geef ikinvulling aan deze toezegging.26Versterken aansluiting beroepsonderwijs kolomOm de aansluiting binnen de beroepskolom (v(s)o-mbo en mbo-hbo) teverbeteren is een subsidieregeling opgesteld: Versterking AansluitingBeroepsonderwijs Kolom (VABOK).27 Met deze subsidie kunnenvo-scholen, mbo-instellingen en hogescholen samenwerken om oplei-dingsroutes waar veel uitval en switch is te verbeteren. Ze zettendoorlopende begeleiding voor studenten op, passen de onderwijspro-gramma’s op elkaar aan en organiseren gezamenlijke activiteiten voorstudenten om de oriëntatie op een (eventuele) vervolgopleiding teverbeteren. Er maken minder scholen dan verwacht gebruik van de21Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/22Kamerstuk 31 524, nr. 63023Kamerstuk 31 288, nr.118524Met uitzondering van het Trendrapport HO van DUO, deze wordt openbaar gepubliceerd.25https://www.onderwijskennis.nl/kennisbank/soepele-in-en-doorstroom-in-de-beroepskolom-wat-is-er-over-bekend,https://www.nro.nl/onderzoeksprojecten?input=doorstroom+mbo+hbo&sort_bef_combine=search_api_relevance_DESC26TZ202502-10227Zie: https://www.dus-i.nl/subsidies/versterking-aansluiting-beroepsonderwijskolomTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11886 regeling. Ik ga daarom samen met het onderwijsveld na welke mogelijk-heden er zijn om het gebruik van deze regeling te verbeteren. Daarnaastlaat ik een tussentijdse evaluatie van deze regeling uitvoeren. Ik evalueerhierbij gelijktijdig de inzet van middelen die instellingen via de lumpsumhebben ontvangen voor het opstellen en uitvoeren van regionaleambitieplannen (RAP-middelen) om de samenwerking en aansluitingtussen hbo/wo en vo en mbo te verbeteren. Via deze evaluatie ga ik na inhoeverre subsidieregelingen en toevoegingen aan de lumpsum het juistemiddel zijn (geweest) om de aansluiting tussen verschillen typenonderwijs te verbeteren. Door deze evaluaties samen te voegen verlaag ikbovendien de administratieve lasten voor instellingen. Ik zal uw Kamervoor de zomer van 2026 informeren over de resultaten.2. Eerlijke en zorgvuldige selectie en toelatingIn Nederland is een groot deel van de opleidingen vrij toegankelijk meteen passend vo- of mbo-diploma. Dit is voor de toegankelijkheid eenbelangrijk element. Voor sommige opleidingen geldt een selectiepro-cedure. In Nederland gaat het om een relatief klein aantal opleidingen,waar om verschillende redenen een beperkt aantal plaatsen beschikbaaris. In de Kamerbrief van 14 februari 2024 zijn het systeem van decentraleselectie en de wettelijke kaders nader toegelicht.28Wanneer opleidingen hun studenten selecteren brengt dat een groteverantwoordelijkheid met zich mee. Voor de toekomst van de jongerenhangt er veel van af. Mijn inzet is dat opleidingen studenten op eeneerlijke wijze selecteren. Mijn inzet op dit vlak richt zich zowel op debachelor, als op de doorstroom naar de master. Selectie dient plaats tevinden op basis van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria, loting, ofeen combinatie van selectie en loting. Daarbij vind ik het van belang datkansengelijkheid wordt vergroot binnen de kaders van het huidige stelsel,door scherp te kijken naar de selectie-instrumenten die worden ingezet ende risico’s op bias daarvan richting bepaalde groepen studenten. UwKamer heeft hierover ook diverse moties aangenomen.29In de afgelopen jaren heeft het kabinet samen met de onderwijskoepelsgeïnvesteerd in de kennisbasis over selectie. Zo verscheen een HandboekSelectie. De Expertgroep Toegankelijkheid Hoger Onderwijs (ETHO) isvoornemens dit handboek te vertalen in een instrument waarmeeinstellingen hun selectieprocedure kunnen evalueren en onderbouwen.Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen (VH)organiseerden daarnaast kennisdeling over selectie voor hun achterban.UNL publiceerde ook richtlijnen voor instellingen via de Kaders selectievoor de bachelor, in het voorjaar komt UNL ook met een Kader toelatingen selectie voor masteropleidingen. De kaders van UNL helpen bij deonderbouwing en het formuleren van aanvullende toelatingseisen enselectieprocedures. Het is goed dat steeds meer opleidingen hunselectieprocedure zijn gaan onderbouwen in de afgelopen jaren, maar ikwil deze beweging bestendigen en onderbouwing verplichten.30 Het is hetbelangrijk dat opleidingen ook transparant en aanspreekbaar zijn op hunmanier van selecteren. Een selectieprocedure is te vergelijken met de inzetvan algoritmen door publieke organisaties. Gemeenten registreren hun28Kamerstuk 31 288, nr. 110329Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging voor een brief over selectie en kansenge-lijkheid, TZ202410-180. Voor de zomer wordt u door mij en de Staatssecretaris van VWS nadergeïnformeerd over de uitvoering van de motie Ergin over ministersplaatsen: Kamerstuk31 288, nr. 111830Kamerstuk 31 288, nr. 969Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11887 algoritmen vrijwillig in een algoritmeregister.31 Transparantie over deinzet van algoritmen richting burgers is steeds meer de norm. Ik verwachtdie transparantie ook van hogescholen en universiteiten als het gaat omselectieprocedures.MaatregelenOm selectie en toelating voor bachelor- en masteropleidingen teverbeteren, zet het kabinet in op de volgende maatregelen:Maatregelen• Wettelijke verplichting voor onderbouwingvan selectieprocedures voor bachelor enmasteropleidingen.• Monitoring inzet van loting en selectie-instrumenten• Verhelderen wettelijke opdracht richtinguniversiteiten voor wat betreft de toegankelijk-heid voor hbo-gediplomeerden;• Onderzoek inspectie naar loting Een verplichte onderbouwing van selectieprocedures en meertransparantieUw Kamer heeft via diverse moties gevraagd om opleidingen teverplichten om hun selectieprocedures te onderbouwen en extern te latentoetsen. In het kader van goed bestuur lijkt het mij evident dat eeninstelling, als zij een selectieprocedure invoert, dit goed doordacht doet enregelmatig evalueert op bias. In de praktijk ontbreekt echter die onder-bouwing van gehanteerde criteria en instrumenten vaak nog.32 Demedezeggenschap heeft een adviserende rol als het gaat om de selectie-procedures en zou een instelling erop moeten kunnen aanspreken alsbepaalde studenten nadeel ondervinden in de selectieprocedure. Om haaradviesrecht goed te kunnen uitvoeren moet de medezeggenschap daaromkunnen beschikken over een openbare onderbouwing van de selectiepro-cedure. Dit geldt voor zowel de bachelor, als de master. Dit ga ik in de wetexpliciteren. Het transparant maken van de onderbouwing moet bijdragenaan het interne gesprek over selectie binnen een instelling en zodoendede kwaliteit versterken. Opleidingen dienen te beargumenteren welkecriteria en bijpassende selectie-instrumenten zij inzetten en waarom juistdeze instrumenten. Dat voorkomt dat opleidingen onnodige instrumentenen bias introduceren in de selectieprocedure. Zo kan de kansengelijkheidworden vergroot. Hiermee beschouw ik de moties die vragen om eenverplichte onderbouwing en externe toetsing als afgedaan.33Monitoring loting en selectie-instrumentenUw Kamer heeft gevraagd om het gebruik van decentrale loting enselectie-instrumenten van instellingen in beeld te brengen.34 Het lijkt mijinderdaad goed om zicht te houden op de inzet van het instrument lotingen het gebruik van selectiecriteria. Opleidingen kunnen sinds studiejaar2023–2024 kiezen om gebruik te maken van loting als instrument. In deselectie voor het studiejaar 2025–2026 maken 26 opleidingen gebruik vanloting. Het gebruik van dit instrument zal ik jaarlijks uitvragen via deonderwijskoepels. De inspectie is voornemens om in 2026 onderzoek tedoen naar de inzet van het instrument loting. Naar de inzet van selectie-31https://algoritmes.overheid.nl/nl/algoritme32Selectie in het hoger onderwijs: criteria, instrumenten en de borging van kansengelijkheid,Inspectie van het Onderwijs (2023), 6.33Kamerstuk 31 288, nr. 713, Kamerstuk 35 765, nr. 1034Kamerstuk 31 288, nr. 1116Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11888 instrumenten heeft de inspectie onlangs onderzoek gedaan.35 Ik zal inaansluiting hierop over twee jaar opnieuw het gebruik van verschillendeselectie-instrumenten in beeld brengen. Hiermee geef ik invulling aan demotie Ergin.Schetsen van (on)mogelijkheden corrigerende selectieIn het licht van kansengelijkheid en het bereiken van een diversestudentenpopulatie is door mijn ambtsvoorganger aan uw Kamertoegezegd om de (on)mogelijkheden van corrigerende selectie in deNederlandse context te schetsen.36 In sommige landen, bijvoorbeeld deVerenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), is het vooropleidingen mogelijk om rekening te houden met de context en achter-grond waarin jongeren bepaalde prestaties hebben geleverd en hiervoorte corrigeren in de selectieprocedure (contextualised admissions). InNederland is het binnen de huidige wet- en regelgeving niet toegestaanen dus niet mogelijk om achtergrondkenmerken mee te wegen inselectieprocedures.Het is bovendien niet eenvoudig om achtergrondkenmerken objectief vastte stellen, zo blijkt uit onderzoek naar corrigerende selectie in het VK.37 Deoverheid en onderwijsinstellingen dienen uitermate voorzichtig te zijn bijhet gebruik van achtergrondkenmerken en achtergrondgegevens vanaspirant-studenten in besluitvorming. Hiermee beschouw ik de toezeggingals afgedaan.38Verhelderen wettelijke opdracht doorstroom hbo-bachelor naar wo-masterZoals eerder aangegeven constateert de inspectie dat bijna een kwart vande wo-masteropleidingen aangeeft niet toegankelijk te zijn voorhbo-bachelor gediplomeerden. Dit komt volgens de inspectie deelsdoordat het niet voor alle masteropleidingen helder is wat van henverwacht wordt als het gaat om de toelating van hbo-gediplomeerden. Indeze brief, wil ik dan ook helderheid geven over de wettelijke opdracht dieinstellingen op dit vlak hebben. Daarnaast zal ik samen met de inspectieeen brief sturen aan instellingen, om nogmaals deze wettelijke opdrachtonder de aandacht te brengen en te expliciteren.In ons stelsel is het zo geregeld dat een bachelordiploma in principetoegang geeft tot het masteronderwijs. Hierbij wordt geen onderscheidgemaakt tussen een hbo-bachelordiploma en een wo-bachelordiploma.39Echter, het staat instellingen vrij om aanvullende toelatingseisen(zogenoemde «kwalitatieve eisen») te stellen.40 Deze dienen gelijk te zijnvoor hbo- en wo-bachelorgediplomeerden en het is aan de opleiding omte bepalen of een aspirant-student aan de eisen voldoet. Dit betekent datniet alle wo-masters toelaatbaar hoeven te zijn voor hbo-bachelorgediplomeerden en wo-gediplomeerden met een niet verwante bachelor,net als dat niet alle hbo-masters toelaatbaar hoeven te zijn voorwo-bachelorgediplomeerden en hbo-gediplomeerden met een nietverwante bachelor.Als een opleiding oordeelt dat een aspirant-student niet aan de toelatings-eisen voldoet, is deze niet direct toelaatbaar tot de masteropleiding.35Selectie in het hoger onderwijs: criteria, instrumenten en de borging van kansengelijkheid,Inspectie van het Onderwijs (2023)36Commissiedebat over de Toekomstverkenning vervolgonderwijs (april 2024)37Boliver, et al. (2022). Who counts as socioeconomically dis advantaged for the purposes ofwidening access to higher education?. British Journal of Sociology of Education. 4 3. 1 -2638TZ202404-10739WHW art. 7.30b lid 1a en 1b, Ook kennis, inzicht en vaardigheden op het niveau van een graadbachelor in het wo of een graad bachelor in het hbo geeft toegang tot een wo-master.40WHW art. 7.30b lid 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11889 Indien dit het geval is, kennen instellingen de wettelijke verplichting om tebeoordelen of de individuele deficiënties binnen een redelijk termijnweggewerkt kunnen worden.41 Als dat zo is, dan dient een opleiding eenschakeltraject aan te bieden zodat aspirant-studenten deze deficiëntiesweg kunnen werken en vervolgens alsnog in de master in kunnenstromen.42 Het aanbieden van zo’n schakeltraject kan voor deze kandi-daten een uitkomst zijn. Het kan echter ook voorkomen dat de deficiëntieste groot zijn, dat deze niet binnen een redelijk termijn van bijvoorbeeldeen jaar weg te werken zijn. In dat geval mogen masteropleidingenstudenten weigeren. Wat echter niet is toegestaan, is om hbo-bachelorgediplomeerden bij voorbaat uit te sluiten van wo-masters. Het inspectie-rapport laat zien dat dit in de praktijk nu wel lijkt te gebeuren en dit is danook de aanleiding om instellingen middels een brief te wijzen op dewettelijke kaders waar zij zich aan dienen te houden. De wet biedt mijninziens voldoende heldere kaders voor masteropleidingen om op basisvan inhoudelijke eisen de afweging te maken wie zij wel en niet kunnentoelaten tot hun onderwijs. Een voorwaarde hiervoor is wel dat oplei-dingen hun toelatingseisen helder formuleren, hierover transparant zijnen alle bachelorstudenten (zowel hbo als wo) langs die lat beoordelen.Een onderwerp dat de inspectie aansnijdt in haar rapport is het verschil inoriëntatie van het hbo en het wo, welke wezenlijk anders is. Hoewelopleidingen in de toelating tot de master nu voldoende wettelijke ruimtehebben om met dit verschil in oriëntatie om te gaan, wil ik breder kijkennaar dit verschil in oriëntatie in ons stelsel. In mijn beleidsbrief heb ikaangekondigd het verschil in oriëntatie van het beroepsgericht enwetenschappelijk onderwijs beter tot uitdrukking te laten komen in het– samen met de hbo- en wo-sector – te ontwikkelen inhoudelijk beleids-kader voor een macrodoelmatig onderwijsaanbod.Hiervoor wil ik onder meer de rol en functie van de verschillendeopleidingen (associate degree, hbo-bachelor, hbo-master, wo-bachelor,wo-master) in het stelsel tegen het licht houden. Ik kijk specifiek naar deaansluiting van de opleidingen op de arbeidsmarkt, ook van dewo-bachelor, en naar de doorstroom tussen de verschillende opleidingen.Ik zal hierbij ook de bevindingen van het inspectieonderzoek meenemen.3. Vergroten van studiesuccesHet vergroten van het studiesucces en het tegengaan van uitval en switchvormen complexe uitdagingen die al langer op de agenda staan van deoverheid en instellingen. Ook het ISO heeft hiervoor met haar richtsnoerrecent aandacht gevraagd.43 Met name het begin van de studie en heteerste jaar zijn van groot belang voor het studiesucces. De uitval enswitch vindt immers voor het grootste deel plaats in het eerstestudiejaar.44 Het is daarom van belang om studenten al vroeg te onder-steunen en snel in te grijpen bij eventuele problemen.Wat echter door deze opgave heen speelt is dat studiesucces nietevenredig is verdeeld over verschillende groepen studenten. Het in deinleiding genoemde onderzoek van Dialogic (2024) in opdracht van OCWbevestigt het beeld dat bepaalde groepen meer drempels ervaren tijdenshun studie, vaker uitvallen en vaker switchen. Het gaat vooral omstudenten met een lager gezinsinkomen, studenten met een migratieach-tergrond, mannelijke studenten en eerstegeneratiestudenten.41WHW art. 7.30e42WHW art. 7.30e43Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/44DUO trendrapport hoger onderwijs (2024): de uitval in het eerste jaar van het hoger onderwijsbedraagt 12,4% en de switch 17%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118810 MaatregelenZoals het onderzoek naar eerstegeneratiestudenten aangeeft kan er inplaats van doelgroepenbeleid beter gekeken worden naar brede maatre-gelen die inzetten op het vergroten van thuisgevoel, dat wil zeggen desociale en academische binding op een instelling, en een goede landingvoor alle studenten. Via de motie Peters45 is verzocht om in kaart tebrengen hoe er beter zicht kan worden gekregen op eerstegeneratiestu-denten. Conform de aanbevelingen uit het onderzoek, kies ik er niet voorom eerstegeneratiestudenten in de toekomst afzonderlijk te monitoren. Debelangrijkste reden hiervoor is het risico op stigmatisering dat monitoringmet zich meebrengt. Een groep studenten met bepaalde kenmerkenafzonderlijk monitoren kan resulteren in lagere verwachtingen vandocenten of medestudenten. Ook kan het onnodig een lager zelfbeeld enlager gevoel van bekwaamheid aanwakkeren, zo blijkt uit het onderzoek. Ikbeschouw de motie Peters hiermee als afgedaan.Daarnaast wil ik mij, zoals aangegeven, richten op maatregelen die in eenvroeg stadium ingrijpen om uitval en langdurige studievertraging zoveelmogelijk te voorkomen. Uw Kamer heeft mij via een motie van het lidHertzberger (NSC) verzocht af te spreken met instellingen dat ze studentendie na het behalen van hun eerste twee jaar uitvallen voorzien van eenexitgesprek en een verklaring van uitstroomniveau en behaalde compe-tenties. Instellingen hebben bij mij aangegeven dat zij inzetten op beleidgericht op het voorkomen van uitval.In dit kader kunnen studenten bij twijfels over hun studie(voortgang) enbij dreigende uitval reeds ondersteuning krijgen en een gesprekaanvragen. Ook is het voor studenten mogelijk om bij uitval een cijferlijstmet behaalde vakken te krijgen, waarmee bij eventuele herinstroomnagegaan kan worden of er vrijstellingen mogelijk zijn. Ik kan mij vindenin deze aanpak van de instellingen en de mogelijkheden die reeds bestaanvoor studenten. Ik beschouw daarmee de motie als afgedaan.46Het is aan de instellingen om te zorgen voor een studieklimaat datbijdraagt aan studie- en studentsucces. In de afgelopen jaren heeft mijnministerie diverse activiteiten ingezet om instellingen hierbij te onder-steunen en de faciliteren. Zoals in mijn beleidsbrief geschetst, wil ik mijnrol hierin de komende periode afbouwen en de verantwoordelijkheid daarlaten liggen waar deze reeds ligt, namelijk bij de instellingen binnen degeldende wettelijke kaders.Vanuit dit vertrekpunt zet het kabinet in op de volgende maatregelen:Maatregelen• Implementatie Landelijk Kader studenten-welzijn• Kennisproducten van STIJN en ETHO• Benutten van ervaringen van projectenWisselstroom en Slimmer Collegejaar• Onderzoek naar maatwerk voor studentenmet een ondersteuningsbehoefte. Evaluatie Landelijk Kader Studentenwelzijn: sense of belonging en eerste100 dagenEr is inmiddels veel bekend over een succesvolle overgang naar het hboen wo. De eerste periode op de opleiding is cruciaal voor het studiesuccesvan studenten. Daarom zetten instellingen al langer in op introductie van45Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 248.46Kamerstuk 31 288, nr. 1138Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118811 studenten in de eerste 100 dagen van de opleiding. Aan de lumpsum vande instellingen zijn middelen toegevoegd (jaarlijks € 15 miljoen) inverband met de implementatie van het Landelijk Kader Studenten-welzijn.47 Een positief mentaal welzijn heeft een positieve invloed op hetstudeergedrag van studenten. Eén van de thema’s waar instellingen opinzetten is het vergroten van de «sense of belonging» van studenten, ookwel de mate waarin studenten zich thuis voelen op de onderwijsinstelling.Studenten die meer binding ervaren met medestudenten, docenten en deopleiding zijn ook succesvoller in hun studie. Gebrek aan thuisgevoel kandan ook een belangrijk mechanisme zijn in het verminderd studiesuccesvan bepaalde groepen studenten en de mogelijke kansenongelijkheid diedaarmee gepaard gaat, zo stelt Dialogic.48 Ook het ISO vraagt in haarrichtsnoer om de sociale binding met de opleiding te vergroten.49 In 2025laat ik, conform afspraak uit het bestuursakkoord, het Landelijk KaderStudentenwelzijn tussentijds evalueren om geleerde lessen in kaart tebrengen waarmee instellingen hun inzet kunnen aanscherpen en demiddelen doelmatig kunnen inzetten. Begin 2026 informeer ik uw Kamerover de uitkomsten van de tussenevaluatie.Kennisproducten van STIJN en de ETHOInstellingen en professionals kunnen ook de kennisproducten van deExpertgroep Toegankelijkheid Hoger Onderwijs (ETHO), het NRO en hetprogramma Studentenwelzijn (STIJN) gebruiken om hun beleid op dit vlakte versterken. De website onderwijskennis.nl van NRO bevat eenkennisbank met praktijkvoorbeelden over de introductie van studenten inhet hbo en wo.50 Recent organiseerde de ETHO een hackathon waarinonderwijsprofessionals en studenten in een creatieve setting aan de slagzijn gegaan met een eigen vraagstuk rondom toegankelijkheid enstudiesucces. Verder start in het voorjaar van 2025 een leergemeenschapvoor beleidsmakers van instellingen gericht op het verbeteren van eensuccesvolle start van studenten in het hbo en wo. Het programma STIJNontwikkelde recent een Framework Studentenwelzijn met praktischehandvatten om onderwijsinstellingen te ondersteunen bij het integraalwerken aan studentenwelzijn.51 Het programma STIJN loopt nog tot 2028.Benutten van kennis en praktijkervaringen uit het project Wisselstroom enSlimmer collegejaarOm studenten sneller naar de juiste plek te begeleiden en uitval en switchzoveel mogelijk te voorkomen hebben universiteiten en hogescholen, metfinanciering van het Ministerie van OCW, binnen het project Wisselstroompilots opgezet om de doorstroom en doorverwijzing tussen het hbo en wote verbeteren. De pilots hebben zich zowel gericht op betere en gezamen-lijke informatievoorziening voor de poort als op het verbeteren vandoorverwijzing na de poort. Hiermee worden studenten zo vroeg mogelijkgeholpen bij hun keuze tussen het wo en het hbo en kunnen ze, zo nodig,sneller en beter doorverwezen worden naar een beter passende opleidingin een ander type onderwijs. Dit sluit tevens aan op het richtsnoer van hetISO waarin zowel wordt gevraagd om de studiekeuzevoorlichting teverbeteren als om het proces van switchen te versoepelen.52 Nu desubsidieperiode is afgelopen richten hogescholen en universiteiten zich47Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap48Dialogic (2024). Een serieuze zaak. De wereld van kansenongelijkheid voor eerstegeneratiestu-denten achter het halen van een diploma.49Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/50https://www.onderwijskennis.nl/kennisbank/een-goede-start-in-het-hoger-onderwijs#wat-is-de-introductie-in-het-hoger-onderwijs51Integraal werken aan studentenwelzijn, STIJN (2025).52Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118812 op kennisdeling, zodat alle instellingen zicht krijgen op de geleerde lessenen na kunnen gaan hoe werkzame elementen geïmplementeerd kunnenworden.Instellingen kunnen ook gebruik maken van de inzichten en ervaringenvan de pilot Slimmer collegejaar. Op 16 instellingen vinden er op ditmoment pilots plaats. Zo kondigde de Erasmus Universiteit een korteracademisch jaar aan om de werkdruk voor docenten en studenten teverlichten. Studenten kunnen de onderwijsvrije weken gebruik om te lerenin eigen tempo. Ook wordt gekeken naar hoe faculteiten samen vakkenkunnen aanbieden en hoe op een andere manier getoetst kan worden.53 Inhet kader van de pilots vindt er ook een internationaal vergelijkendonderzoek plaats waarin geleerd wordt van andere Europese universi-teiten als het gaat om het creëren van meer rust en ruimte in hetcollegejaar. Dit onderzoek wordt voor de zomer van 2025 gepubliceerd.Onderzoek maatwerk voor studenten met ondersteuningsbehoefteZoals aangegeven is het studiesucces niet evenredig verdeeld oververschillende groepen studenten. Studenten met een ondersteuningsbe-hoefte (mantelzorgers, studenten met een handicap) ervaren vaak extradrempels tijdens hun studieloopbaan. Ik kies er niet voor om perdoelgroep afzonderlijk beleid te formuleren. Het is aan onderwijs-instellingen om gepast maatwerk te bieden aan studenten die dit nodighebben, zodat zij op een passende manier onderwijs kunnen volgen. Ikverwacht van instellingen dat ze dit maatwerk in de praktijk zoveelmogelijk en op een proportionele manier kunnen leveren. Ondanks dezeverplichting verneem ik signalen dat het instellingen niet altijd lukt ompassende voorzieningen te treffen voor studenten met een ondersteu-ningsbehoefte en dat in dit opzicht grote en onverklaarbare verschillentussen instellingen bestaan. Ook het ISO geeft in haar richtsnoer aansignalen te hebben ontvangen van studenten met een ondersteunings-vraag die passende voorzieningen missen.54 Daarom laat ik, conform demotie Tseggai55, onderzoeken welke verbeteringen er mogelijk zijn. Deuitkomsten zal ik begin 2026 met uw Kamer delen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins53https://www.erasmusmagazine.nl/2025/02/20/korter-academisch-jaar-is-geen-toverstokje-dat-werkdruk-gaat-oplossen-maar-het-gaat-helpen/54Zie: https://iso.nl/2025/03/publicatie-richtsnoer-uitval-switch/55Kamerstuk 31 288, nr. 1143.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 118813

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d8f69adadf64954d

14 okt 2026 · 6220482c6d73a3a0

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.