KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beantwoording vragen gesteld tijdens het commissiedebat van 14 januari 2026 over geschilbeslechting in het verkiezingsproces

16 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2440c5287654629d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202635 165VerkiezingenNr. 105 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 februari 2026Op 14 januari jl. vond een commissiedebat verkiezingen plaats met devaste commissie voor Binnenlandse Zaken (Kamerstuk 35 165, nr. 104).Tijdens het debat zijn enkele vragen gesteld over de kabinetsreactie op devoorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna:Afdeling advisering) over geschilbeslechting in het verkiezingsproces, dieik uw Kamer op 5 december 2025 heb doen toekomen.1 In mijn reactieheb ik toegezegd de vragen per brief te beantwoorden. Deze toezeggingdoe ik hierbij gestand.Vragen VVD en JA21Door de JA21-fractie is de noodzaak van het traject om het proces vangeschilbeslechting anders in te richten ter discussie gesteld. Voorts heeftdeze fractie principiële bezwaren geuit tegen het wegnemen van hetparlementair privilege, om het laatste oordeel te hebben over geschillendie rijzen in het kader van verkiezingen. Verder vraagt deze fractie naar hetvolgende:(i)De toegevoegde waarde van de voorgestelde procedure omgeschillen te laten beoordelen door een onafhankelijke kiesrechtin-stantie;(ii)Wat precies wordt verstaan onder de politieke groeperingen die demogelijkheid krijgen beroep in te stellen bij de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuurs-rechtspraak);(iii)Eventuele andere mogelijkheden om een onafhankelijke beoorde-ling te borgen – in plaats van een rechterlijke uitspraak – die niet tenkoste gaat van het parlementair privilege, bijvoorbeeld door in hetReglement van Orde van de Tweede Kamer (RvO) vast te leggen datenkel leden die niet opnieuw verkozen zijn deel kunnen uitmakenvan de geloofsbrievencommissie.1Kamerstukken II, 35 165, nr. 99. kst-35165-105ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 165, nr. 1051 De VVD-fractie merkte op dat een mogelijk gevolg van de voorgesteldewijziging is dat de demissionaire periode langer gaat duren, en vraagt ofdit risico wordt gezien. Daarnaast wordt gevraagd te reflecteren op hetrisico dat een laagdrempelige mogelijkheid om te procederen over hetverloop van het verkiezingsproces ertoe kan leiden dat het vertrouwen inhet verkiezingsproces afneemt. Tot slot wordt gevraagd in hoeverre hetnodig is om ons stelsel aan te passen op basis van een uitspraak die isgedaan ten aanzien van België of dat we als Nederland de tijd kunnennemen te zoeken naar een model dat beter past in ons staats- enverkiezingsstelsel.Aanleiding wijziging stelsel van geschilbeslechtingIn reactie op de gestelde vragen merk ik allereerst op dat ik graag depunten bespreek die door de fractie van JA21 worden genoemd en dat ikoog heb voor de door de fractie van de VVD geschetste risico’s. Bij deuitwerking van dit voorstel is nadrukkelijk stilgestaan bij de betekenis vanhet voorgestelde stelsel van geschilbeslechting voor het vertrouwen in hetverkiezingsproces en de gevolgen voor de termijnen in het verkiezings-proces. Dit voorstel beoogt juist om het vertrouwen van burgers in hetverkiezingsproces verder te vergroten. In deze brief licht ik dit graag nadertoe, in navolging van hetgeen hierover uiteen is gezet in de brief van detoenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van17 januari 20242 en de kabinetsreactie. Ik hoop hiermee de vragenhierover naar tevredenheid te kunnen beantwoorden.Het versterken van vertrouwen in het verkiezingsproces vormt tezamenmet de Mugemangango-uitspraak van het Europees Hof voor de Rechtenvan de Mens (EHRM)3 en de aanbevelingen van de OVSE en de Kiesraadaanleiding om het huidige stelsel van geschilbeslechting te versterken. Bijde verdere uitwerking van het voorstel weeg ik het vertrouwen in hetverkiezingsproces steeds mee.Versterking verkiezingsprocesNaar het oordeel van het kabinet draagt de voorgestelde wijziging bij aande verdere versterking van het verkiezingsproces. Dit gebeurt ten eerstedoor het steviger verankeren van de transparantie van de beoordeling vande geschillen in het verkiezingsproces en het beter herleidbaar maken vanindividuele bezwaren. In het huidige proces is het in veel gevallen nietherleidbaar hoe een individueel bezwaar wordt beoordeeld. De onregel-matigheden en bezwaren van kiezers die in de processen-verbaal wordengemeld, worden betrokken bij de uitslagvaststelling. Vanwege dehoeveelheid aantekeningen in de duizenden processen-verbaal en dekorte termijnen in het verkiezingsproces worden deze niet individueelteruggekoppeld door het gemeentelijk- of centraal stembureau. Doordatburgers veelal geen terugkoppeling (kunnen) krijgen, kan dit leiden tot hetgevoel dat ingebrachte bezwaren tijdens de zitting en bij de tellingonvoldoende serieus worden beoordeeld. Dit komt het vertrouwen in hetverkiezingsproces niet ten goede. Door bezwaren op transparante wijze telaten beoordelen door een onafhankelijke instantie met kiesrechtexpertisewordt dit ondervangen.Een tweede aspect van het voorstel dat bijdraagt aan het vertrouwen inhet verkiezingsproces is dat de beoordeling van geschillen gaat verlopenvia een procedure waarvan de objectiviteit buiten twijfel staat. Inherentaan de gewenste objectiviteit is een onafhankelijke en onpartijdige2Kamerstukken II, 35 165, nr. 68.3EHRM, Mugemangango t. België [GK], nr. 310/15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 165, nr. 1052 beoordeling van geschillen. Dit verhoudt zich lastig tot het huidige stelsel,waarin het volksvertegenwoordigend orgaan in alle gevallen zelf hetlaatste woord heeft over de beoordeling van een geschil, aangezien hetEHRM oordeelde dat parlementsleden per definitie niet politiek neutraalzijn.4 De gedachte van de fractie van JA21 om het RvO zo aan te passendat enkel leden die niet opnieuw benoemd zijn deel kunnen uitmaken vande geloofsbrievencommissie, ondervangt dit niet. Naast het gegeven datook de leden van de geloofsbrievencommissie over het algemeen actieveleden zijn van een politieke partij die heeft deelgenomen aan de verkiezingwaarover zij een oordeel moeten geven, wordt het besluit uiteindelijk doorhet volksvertegenwoordigend orgaan als geheel genomen. Bovendien ishet in theorie mogelijk dat alle leden opnieuw verkiesbaar zijn. Tot slotgeldt in de regel inderdaad dat de Tweede Kamer in oude samenstellingoordeelt over het geloofsbrievenonderzoek. In artikel 2.1, vierde lid, vanhet RvO staat echter met een reden «De Kamer beslist, voor zovermogelijk, in oude samenstelling over de toelating van leden die meteenna verkiezingen voor de Kamer zijn benoemd». Er zijn namelijk situatiesdenkbaar waarin de oude Kamer, gelet op de afloop van de grondwette-lijke zittingstermijn, aftreedt en dus niet meer kan oordelen over hetgeloofsbrievenonderzoek terwijl nog niet alle nieuwbenoemde leden ofzelfs geen enkele tot de Kamer zijn toegelaten, bijvoorbeeld wegens eenomvangrijke hertelling of herstemming. In deze situaties ligt het oordeelbij de Kamer in nieuwe samenstelling.Introductie beroepsmogelijkheidHet kabinet wenst niet te tornen aan de belangrijke positie en rol van hetvolksvertegenwoordigend orgaan om zelf te besluiten over de beoor-deling van de verkiezingen en de toelating van zijn nieuwe leden. Het zietechter wel noodzaak om de onafhankelijkheid en transparantie van hetproces verder te vergroten door de introductie van een beroepsmoge-lijkheid tegen het besluit van het orgaan.De beroepsmogelijkheid zal openstaan voor elke politieke groepering dieen elk kandidaat-Kamerlid dat vertegenwoordigd is op het stembiljet.Hierbij gelden er eisen om te zorgen dat niet te laagdrempelig tot hetinstellen van beroep wordt overgegaan. Voor groeperingen en kandidatengeldt dat het besluit van het vertegenwoordigend orgaan waartegen bij derechter wordt opgekomen hen rechtstreeks moet raken, in die zin dat bijeen ander besluit aan de groepering een extra zetel was toebedeeld of inhet geval van een kandidaat aan hem of haar een zetel was toegewezen.Daarnaast dient in de beroepsgronden een duidelijke onderbouwing teworden gegeven van het causaal verband tussen de (vermeende)onregelmatigheid en de aangevoerde onjuistheid van het genomenbesluit. Groeperingen en kandidaten kunnen zelf afwegen in hoeverre zijhun standpunt voldoende kansrijk achten om dit te willen voorleggen aande Afdeling bestuursrechtspraak.Ten aanzien van beroepen waarvan de appellant meent dat deze kansrijkzijn, brengt een beoordeling door de Afdeling bestuursrechtspraak diversevoordelen mee. Niet alleen wordt via een onafhankelijke beoordelingvastgesteld wat op grond van de Kieswet de juiste vertaling is van destemming naar de samenstelling van het vertegenwoordigend orgaan,maar ook schept het duidelijkheid richting de maatschappij. Eengroepering of kandidaat die meent benadeeld te zijn door het genomenbesluit zal dit veelal ook publiekelijk kenbaar maken. Door het ontbrekenvan een objectieve en transparante beoordeling van een dergelijkebewering in het huidige stelsel kan dit vaak niet worden opgehelderd en4EHRM, Mugemangango t. België [GK], nr. 310/15, § 98.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 165, nr. 1053 bestaat het risico dat het gevoel van wantrouwen in de uitslag kanbeklijven.Het kabinet kiest ervoor om niet iedere burger een beroepsmogelijkheid tegeven om het risico op een groot aantal procedures zoveel mogelijk tebeperken. Deze keuze heeft tot gevolg dat nog niet tegemoet wordtgekomen aan de wens om voor iedere burger te voorzien in een inzichte-lijke beoordeling van zijn bezwaar. Daarom wordt het proces voorafgaandaan het geloofsbrievenonderzoek uitgebreid, door bezwaren op transpa-rante wijze te laten beoordelen door een onafhankelijke instantie metkiesrechtexpertise. Deze signalen en oordelen kunnen bovendien dienenals bouwstenen voor de rapportage die de Kiesraad in de toekomst – opgrond van de recent in werking getreden Wet kwaliteitsbevorderinguitvoering verkiezingsproces – voor elke verkiezing kan opstellen overgeconstateerde onregelmatigheden, en indien daartoe aanleiding is hetadvies aan een vertegenwoordigend orgaan om tot een herstemmingover te gaan.Gevolgen voor termijnenWat betreft de geuite zorg dat de beroepsmogelijkheid ertoe kan leidendat de eerste samenkomst van de nieuwe Kamer pas later plaatsvindt,stelt het kabinet voorop dat deze zorg wordt herkend. Hoewel hetdenkbaar is dat er geen beroepen worden ingesteld of dat een beroepslechts een beperkt aantal zetels raakt – en dus al een voldoende aantalleden kan worden toegelaten om het grondwettelijk quorum te halen –bestaat de kans dat de eerste samenkomst iets later zal plaatsvinden dannu het geval is. Daarom is het voor het kabinet een belangrijk punt vanaandacht in de uitwerking om deze eventuele verlenging van de termijnzoveel als mogelijk te beperken. Voor zover mogelijk ligt het hierbij voorde hand aan te sluiten bij de bestaande korte beroepsprocedures uit deKieswet, met beroepstermijnen variërend van vier tot zes dagen en in veelgevallen uitspraak binnen enkele dagen.Verhouding tot het Nederlandse staats- en verkiezingsstelselNaar het oordeel van het kabinet heeft het voorstel voldoende oog voorde vraag hoe het voorstel zich verhoudt tot het Nederlandse staats- enverkiezingsstelsel. De Mugemangango-uitspraak is voor Nederlandrelevant doordat de criteria die het EHRM hierin uiteen heeft gezet, uitleggeven aan bepalingen uit het EVRM. Deze uitleg geldt dus ook voorNederland, ongeacht of er zaken lopen. De uitspraak dateert van enige tijdgeleden, en daarna is zorgvuldig de tijd genomen om af te wegen welkeconclusies Nederland hieraan moest verbinden. Naar aanleiding daarvanheeft het kabinet uw Kamer begin 2024 geïnformeerd dat een andereinrichting van het proces van geschilbeslechting in Nederland is aange-wezen. Er wordt derhalve niet onnodig vooruitgelopen op basis van eenuitspraak ten aanzien van België. Vervolgens heeft het kabinet verkendhoe hieraan uitvoering kan worden gegeven op een manier die pastbinnen ons bestel. De aan de Afdeling advisering gerichte vragen warenook specifiek gericht op de inrichting van het systeem binnen ons stelsel.Voor het voorstel dat nu is gedaan, is bovendien onderzocht hoe anderelanden hiermee (zijn) om(ge)gaan. België zelf heeft hiervoor nog geenuitgewerkt voorstel gepresenteerd, maar er is met name inspiratie geputuit een soortgelijke wijziging die Noorwegen recent heeft doorgevoerd, innauw contact met de Venetië Commissie van de Raad van Europa.Uiteraard steeds met het oog op onze nationale context.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,F. RijkaartTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 165, nr. 1054

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6f7da0e7272523f1

14 okt 2026 · 8ec73488c2e43c0b

12 okt 2026 · 57c5cbee799824eb

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.