Voortgang uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal 2025
Brontekst
Versie bf1277ffbae16f32 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 118OmgevingsrechtNr. 318 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 maart 2026In deze voortgangsbrief bied ik u een terugblik op het afgelopen kwartaal.In lijn met mijn voorgangers, sta ik eerst stil bij de huidige stand vanzaken rond de verdere uitvoering van de Omgevingswet met de belang-rijkste ontwikkelingen. Daarna sta ik stil bij een aantal overige ontwikke-lingen die het afgelopen kwartaal hebben plaatsgevonden. In bijlage 1vindt u vervolgens een tussentijdse cijfermatige stand van zaken over hetvierde kwartaal van 2025. In deze bijlage vindt u ook de cijfers sinds deinwerkingtreding.Deze voortgangsbrief betreft de laatste brief in de reeks van brieven dieuw Kamer ieder kwartaal ontving over de voortgang van de uitvoeringvan de Omgevingswet. Met de ingerichte monitoring inmiddels in vollewerking, is gebleken dat ieder kwartaal een voortgangsbrief opstellen nietmeer hetzelfde effect heeft als voorheen en steeds minder van toege-voegde waarde is. Zoals mijn voorganger in de vorige voortgangsbrievenheeft aangekondigd, zal ik uw Kamer daarom vanaf 2026 in een lagerefrequentie informeren over de uitvoering van de Omgevingswet.1Voorafgaand aan de start van ieder kalenderjaar ontvangt u een briefwaarin vooral vooruitgekeken wordt naar belangrijke ontwikkelingen voorhet komende jaar. Dit houdt in dat u de brief met vooruitblik op 2027 inhet vierde kwartaal van 2026 ontvangt. Daarnaast blijft u halverwege iederjaar de uitkomsten van de jaarlijkse Monitor Werking Omgevingswetontvangen, waarin juist wordt gereflecteerd op het voorgaande jaar.Aanvullend hierop blijft u uiteraard ook de bevindingen van de onafhanke-lijke Evaluatiecommissie Omgevingswet ontvangen. Als er gedurende hetjaar urgente ontwikkelingen zijn met betrekking tot de uitvoering van deOmgevingswet, dan zal ik u hierover uiteraard eerder (separaat)informeren.1Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 10 & Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 307, p.10, Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GP, p. 6 & Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 301,p.6. kst-33118-318ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3181 Huidige faseNet als in het derde kwartaal van 2025 lag ook in het laatste kwartaal van2025 de focus voor een belangrijk deel op:–het functioneren van de planketen, met extra aandacht voor:°het kunnen en leren werken in de planketen via het hoofdspoor(STOP/TPOD)2;°het uitfaseren van de Tijdelijke alternatieve maatregelen (hierna:TAM) per 1 januari 2026;°het (verder) benutten van de mogelijkheden die de (kern)instrumen-ten hebben onder de Omgevingswet;–de voorbereiding op de gefaseerde implementatie van STOP 1.4.Ik neem uw Kamer graag mee in de voortgang en laatste stand van zakenvan/met betrekking tot deze onderwerpen. Onderwerpen die onderlingmet elkaar samenhangen en gericht zijn op het werken met de (kern)in-strumenten via het hoofdspoor en volgens de bedoeling van deOmgevingswet.Het functioneren van de planketenIn lijn met de vorige voortgangsbrief3 neemt het kennisniveau onder debevoegde gezagen ten aanzien van het werken met de (kern)instrumentenin de planketen over de volle breedte steeds meer toe. Bevoegde gezagenhebben wederom, allemaal in hun eigen tempo, goede stappen gezet inhun eigen transitie- en veranderopgave. Vanzelfsprekend blijven daarbijverschillen te zien in de manier waarop de opgave wordt doorlopen enwaar de focus ligt. Het toenemende kennisniveau vertaalt zich ook in eentoename van de toepassing van het hoofdspoor bij veel van de (kern)in-strumenten het afgelopen kwartaal (zie bijlage 1). Steeds meer uniekebevoegde gezagen kunnen en hebben inmiddels één of meerdereprocedures via het hoofdspoor doorlopen.Tegelijkertijd laten de cijfers over het vierde kwartaal van 2025 zien dat erdoor gemeenten bij het werken aan omgevingsplanwijzigingen nog veelgebruik gemaakt werd van de TAM. Deze piek in het gebruik vanTAM-IMRO bij ontwerpomgevingsplanwijzigingen (zie bijlage 1) is nietonverwacht. Met het oog op het definitief uitfaseren van de TAM per1 januari 2026 en de mogelijkheid om procedures waarvan het ontwerpvóór 1 januari 2026 ter inzage is gelegd, na 1 januari 2026 nog af teronden met TAM-IMRO4, was een dergelijke piek te verwachten. Dezesituatie is vergelijkbaar met de piek van ontwerpbestemmingsplannenrichting de inwerkingtreding van de Omgevingswet.Inmiddels zijn alle gemeenten wel in staat om in technische zin te werkenvia het hoofdspoor (STOP 1.3-standaard). Daarmee zijn de TAM overbodiggeworden. Dit laat onverlet dat er nog functionaliteiten in ontwikkelingzijn voor de gehele DSO-keten. Het ontbreken van bepaalde functionali-teiten, waaronder het parallel kunnen publiceren van omgevingsplanwijzi-gingen als onderdeel van de STOP 1.4-standaard, vormt echter geen(technische) belemmering om te kunnen werken via het hoofdspoor metde STOP 1.3-standaard.5 Werkende techniek alleen is echter nietvoldoende. Gemeenten dienen ook over voldoende kennis te beschikken;kennis over enerzijds het (kunnen) werken met de nieuwe techniek (DSO)2Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten(STOP/TPOD)3Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 2 & Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 307, p.2.4Artikel 11.1, derde lid Besluit elektronische publicaties5Rapportage Interbestuurlijke Ketentesten (IKT) PI-35Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3182 en anderzijds kennis over de Omgevingswet.6 Omdat vanaf 1 januari 2026alle bevoegde gezagen geen gebruik meer kunnen maken van de TAM bijnieuwe procedures en vanaf nu allemaal het hoofdspoor moetengebruiken, was een groot deel van de uitvoeringsondersteuning hetafgelopen kwartaal gericht op het vergroten van deze kennis. De inzet vande ondersteuning was om alle gemeenten tijdig in staat te stellen om tekunnen werken via het hoofdspoor. De uitvoeringsondersteuning richttezich specifiek op gemeenten, omdat alle provincies, waterschappen enrijkspartijen al geruime tijd volledig via het hoofdspoor kunnen werken endat ook in bijna alle gevallen doen. Gelet op het feit dat de TAM per1 januari 2026 definitief zijn uitgefaseerd, beschouw ik alle toezeggingenaan de Eerste Kamer aangaande de TAM als voldaan.7Hoewel het aantal vragen van gemeenten over het uitfaseren van de TAMdat is binnengekomen bij de VNG en het IPLO beperkt is gebleven, is hetmogelijk dat gemeenten de komende periode toch extra vragen hebbenover het werken via het hoofdspoor. Om gemeenten waar nodig teondersteunen bij het werken via het hoofdspoor bij omgevingsplanwijzi-gingen blijft vanuit de uitvoeringsondersteuning, in samenwerking met deVNG, ondersteuning beschikbaar. De komende periode worden net als in2025 door de VNG, in samenwerking met mijn ministerie, verschillendenetwerksessies georganiseerd waarin de aandacht ligt op het werken aanhet omgevingsplan via het hoofdspoor. Ook (stedenbouwkundige)advies-bureaus zijn welkom bij deze sessies. Daarnaast worden de regionalewerkplaatsen «Gebiedsontwikkeling in STOP/TPOD» in de eerste helft van2026 voortgezet.Naast de specifieke uitvoeringsondersteuning, gericht op het werken aanomgevingsplanwijzigingen via het hoofdspoor, blijf ik samen met de(inter)bestuurlijke partijen ook op overige onderdelen uitvoeringsonder-steuning bieden aan de bevoegde gezagen, en loopt in ieder gevalconform de toezegging aan de Eerste Kamer nog drie jaar door.8Ondersteuning die erop gericht is om de bevoegde gezagen op weg énverder te helpen in het doorlopen van hun eigen transitie- en veran-deropgave. Daarbij ligt de focus op het zo optimaal mogelijk benutten vande (kern)instrumenten en de kansen die de Omgevingswet biedt. Deondersteuning op dit gebied vanuit de VNG vindt in toenemende mateplaats in regionale trajecten, zoals SPRONG.9 Daarnaast worden develdlabs van Geonovum over het annoteren van activiteiten geconti-nueerd in 2026. Deze veldlabs dragen bij aan het verbeteren van degebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket. Daarbij merk ik dat ervanuit de uitvoeringspraktijk veel waardering is voor de ondersteuning diewordt geboden, waarbij met name de combinatie van theorie en praktijkals positief wordt ervaren.Naast het bieden van uitvoeringsondersteuning helpt ook de toenemendeervaring met het gebruik van de kerninstrumenten en het onderling delenvan deze ervaringen. Kennis en ervaringen die worden gedeeld in(regionale) sessies, dan wel online via de DSO-community10 of op anderewijze. Via de DSO-community worden bijvoorbeeld ook best practicesbeschikbaar gesteld. Dit alles maakt dat de kennis over en ervaring methet werken met de Omgevingswet en volgens de bedoeling van de wetstap voor stap toeneemt. Dit stemt mij positief over het vervolg in 2026 en6Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GP, p. 4–5 & Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 301, p.4–5.7T03557 & T037468T028559SPRONG: regionaal samenwerken aan omgevingsplannen | VNG10DSO-community | Informatiepunt LeefomgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3183 verder, waarin bevoegde gezagen verder aan de slag gaan met hettoepassen van de (kern)instrumenten van de Omgevingswet. De(inter)be-stuurlijke partijen en ik moedigen dit aan en blijven de komende periodeondersteunen.11Roadmap en gefaseerde implementatie van STOP 1.4-standaardIn de vorige brief is genoemd dat, voor een duurzaam gebruik van hethoofdspoor, het op een verantwoorde, doch zo snel mogelijke wijze hetimplementeren van de nieuwe STOP 1.4-standaard van belang is. Dezestandaard bevat verschillende complexe mutatiescenario’s, zoals hetparallel kunnen publiceren van omgevingsplanwijzigingen doorgemeenten in de planketen. Bevoegde gezagen hebben de nieuwe STOP1.4-standaard nodig voor het volledig parallel kunnen werken in deplanketen. Het implementeren van de verschillende mutatiescenario’s inde STOP 1.4-standaard gebeurt, zoals eerder al is gemeld, stapsgewijs opbasis van een interbestuurlijke roadmap.12 Het afgelopen kwartaal is dezeroadmap interbestuurlijk besproken en vastgesteld. Aan de hand van dezeroadmap is begin 2026 gestart met de gefaseerde implementatie van deSTOP 1.4-standaard. Hiermee is een belangrijke stap gezet in de ontwik-keling van de laatste functionaliteiten die behoren tot het interbestuurlijkeafgesproken basisniveau voor het DSO-LV (afbouw).13 Tegelijkertijd is deontwikkeling van STOP 1.5-standaard in gang gezet om de functionaliteitvan omgevingsdocumenten verder te verbeteren. De gehele implemen-tatie van de STOP 1.4 en STOP 1.5-standaarden is uiterlijk in 2028voorzien.Overige ontwikkelingen vierde kwartaal 2025Naast voorgaande ontwikkelingen neem ik uw Kamer mee in de laatstestand van zaken over:–de gebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket;–ontwikkelingen in het DSO;–financiën;–motie Nooren c.s.;–wetgeving; en–monitoring en evaluatie.De gebruiksvriendelijkheid van het OmgevingsloketHet afgelopen kwartaal is verder gewerkt aan het verbeteren van degebruiksvriendelijkheid van het Omgevingsloket. In dit kader zijn in hetOmgevingsloket weer verschillende technische en inhoudelijke verbete-ringen doorgevoerd. Vanuit de opzet van het Omgevingsloket raakt deontwikkeling aan de grenzen van wat technisch mogelijk is. De meestetechnische oplossingen zijn onderliggend al doorgevoerd en beginnenzich te tonen in functionaliteiten waar burgers en bedrijven gebruik vanmaken. De grootste verbeteringen zitten in de hoek van de inhoudelijkeinformatie die alle overheden gezamenlijk via het DSO ontsluiten.In dit kader wordt doorgewerkt aan meer specifieke landingspagina’s inhet Omgevingsloket. Dit zijn pagina’s waar specifieke doelgroepen devoor hen van belang zijnde informatie gemakkelijk kunnen raadplegen.Met de komst van de landingspagina’s is het voor bevoegde gezagenmogelijk om bijvoorbeeld themagericht hun website in te richten en11T0285512Kamerstukken I 2025/26, 33 118/34 986, GU, p. 3 & Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 3.13Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GJ, p. 5–6 & Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 292,p. 5–6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3184 rechtstreeks naar de Omgevingsloketfunctionaliteiten te gaan. Om teachterhalen welke (informatie)behoefte leeft bij de verschillendedoelgroepen worden onder andere gebruikerstesten uitgevoerd en vindtconstructief overleg plaats met verschillende brancheorganisaties en-verenigingen. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan eenspecifieke landingspagina voor het bedrijfsleven. Deze landingspagina ismet name bedoeld voor nieuwe gebruikers van het Omgevingsloket. Hetdoel hiervan is om ondernemers beter te begeleiden bij hun eerstegebruikerservaringen. De verwachting is dat deze pagina’s in het eerstekwartaal van 2026 operationeel zijn. Parallel hieraan worden in thema-tische werkgroepen specifieke verbeterpunten verder uitgewerkt, zoals ophet gebied van brandveilig gebruik en bodemactiviteiten.Uit de eerder genoemde gebruikerstesten blijkt onder andere dat burgersen bedrijven behoefte hebben aan zekerheid of iets wel of niet mag. Hoeconcreter een bevoegd gezag definieert voor wie en waar een regel of eennorm bedoeld is, hoe beter het Omgevingsloket hierover uitsluitsel kangeven. Dit levert voordelen op voor initiatiefnemers én voor het bevoegdgezag zelf. Met name voor gemeenten kan dit bijdragen aan snellereafhandeling van vergunningaanvragen met minder capaciteit. Om dit tebewerkstelligen blijft het onverminderd van belang dat alle bevoegdegezagen hun (juridische) regels goed toepasbaar maken en hunomgevingsdocumenten annoteren. Het stelsel aanvullen met de juistecontent is cruciaal voor de werking van het stelsel. Ik zie dat het aantalregelanalisten stijgt en ook het kennisniveau over regelbeheer en denoodzaak van goed annoteren toeneemt. Niettemin blijf ik alle bevoegdegezagen oproepen om hierop in te zetten. Ook blijf ik de bevoegdegezagen hierin, samen met de (inter)bestuurlijke partijen, ondersteunen.Naast de eerder al aangehaalde veldlabs, georganiseerd door Geonovum,werpen inmiddels ook de annotatierichtlijn en de werkwijzer toepasbareregels hun vruchten af.14 Beide worden steeds vaker toegepast. Daarnaastzijn door het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) twee «vodcast»(video+podcast) opgeleverd over toepasbare regels15 en volgen erkomend jaar meer. Deze vodcasts nodigen regelanalisten, juristen enbeleidsmakers uit om vanuit de wereld van burgers en bedrijven tedenken en geven uitleg hoe zij goede en begrijpelijke toepasbare regelskunnen opstellen. Toepasbare regels – die door TR-experts vanuit mijnministerie en een aantal betrokken (inter)bestuurlijke partijen – wordengeëvalueerd, waarbij gekeken wordt of de juiste koppelingen wordengelegd tussen werkzaamheden (die gebruikt worden bij de Vergunning-check) en (juridische) activiteiten. Deze uitkomsten vormen vervolgensweer waardevolle input voor de uitvoeringsondersteuning, maar ook voorbeleidsmakers die zo beter zicht krijgen op de werking van hun beleid. Totslot kunnen bevoegde gezagen gebruik maken van een digitaal inloop-spreekuur voor vragen over toepasbare regels en worden ook in dit kaderde best practices en opgedane ervaringen gedeeld via deDSO-community.Tegelijkertijd blijf ik alle bevoegde gezagen aanmoedigen om ook met huneigen websites, waar nodig, aan de slag te gaan. De klantreis van eengebruiker en daarmee ook de gebruikerservaring start immers vaak op dewebsite van een bevoegd gezag, waarna de gebruiker vervolgens in hetOmgevingsloket terechtkomt. Beide, de website van het bevoegd gezagen het Omgevingsloket, zijn dan ook van invloed op de algehele gebrui-kerservaring van een gebruiker en de één loket gedachte.14Kamerstukken I 2024/25, 33 118/34 986, GP, p. 7 & Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 301, p.7.15Vodcast toepasbare regels: «Slim uitvragen, betere check» | Informatiepunt LeefomgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3185 Ontwikkelingen in het DSOActualisatie Visie op het DSODe huidige interbestuurlijke visie «Digitaal Stelsel Omgevingswet 2024» isonderdeel van een aantal sturingsdocumenten die richting geven aan deafbouw, doorontwikkeling en uitbouw van het DSO.16 De huidige visie ophet DSO heeft hieraan in de afgelopen jaren dan ook een belangrijkebijdrage geleverd. Desondanks ben ik – samen met de interbestuurlijkepartijen – van mening dat de huidige visie aan een actualisatie toe is.Hiervoor is een aantal redenen aan te voeren: de door alle betrokkenenopgedane kennis en ervaring in het werken met het DSO sinds deinwerkintreding, nieuwe technologische ontwikkelingen en de ontwikke-lingen binnen de e-overheid (waaronder AI en de Nederlandse Digitalise-ringsstrategie (NDS)17). In afstemming met de interbestuurlijke partners isdan ook het afgelopen kwartaal gestart met de actualisatie van de huidigevisie. Bij de actualisatie worden diverse stakeholders – binnen en buitenhet DSO – gevraagd om hun inzichten, wensen en belangen in te brengen.Op basis van al deze input werk ik met de betrokken partijen toe naar een(geactualiseerde) toekomstbestendige visie voor het DSO. Op basis vande huidige planning verwacht ik deze – interbestuurlijk afgestemde –nieuwe toekomstbestendige visie voor de zomer met uw Kamer te kunnendelen. Indien de nieuwe visie aanleiding geeft tot mogelijke wijzigingen inde – interbestuurlijk afgestemde – Uitbouwagenda DSO-LV, zal ik uwKamer hierover informeren.Integraal testbeleid DSOOm de kwaliteit en betrouwbaarheid van het DSO te blijven waarborgenworden continu testen uitgevoerd. Zowel op de landelijke voorziening vanhet DSO, de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar (LVBB)stellen, als op het decentrale deel van het DSO (door bevoegde gezagenen haar softwareleveranciers). Om de kwaliteit en betrouwbaarheid vandit stelsel als geheel te blijven waarborgen, zijn de integrale testactivi-teiten recent vastgelegd in het «Integraal testbeleid DSO».18 Dit beleidbeschrijft hoe alle betrokken partijen de komende jaren blijven samen-werken om het DSO continu te testen en te verbeteren.FinanciënIn november is de begroting voor beheer en doorontwikkeling van deDSO-LV voor het jaar 2026 door de interbestuurlijke partners goedge-keurd, binnen de daarvoor beschikbare interbestuurlijke middelen. Ditbetekent dat de beheerpartijen voor de start van het boekjaar eendefinitieve opdrachtverstrekking hebben ontvangen. Onderdeel van dezebegroting is ook een meerjarenbeheerperspectief tot en met 2030 waarinonder andere rekening wordt gehouden met de beheerlast van nog teontwikkelen functionaliteiten, life-cycle management en eventuele op tevangen tegenvallers. Dit perspectief laat zien dat de kosten voor beheer endoorontwikkeling van de DSO-LV naar verwachting in balans zijn met debeschikbare middelen, bij ongewijzigde omstandigheden. Daarbij is deverwachting dat dit meerjarenbeheerperspectief de beheerpartijenvoldoende zekerheid geeft om het beheer de komende jaren gedegen enstabiel uit te voeren. Met dit meerjarenperspectief is ook invullinggegeven aan de laatste openstaande punten van de motie Kluit c.s.19,16Visie, globaal programma van eisen en doelarchitectuur DSO | Informatiepunt Leefomgeving17De Nationale Digitaliseringsstrategie | Rijksoverheid.nl18Integraal testbeleid DSO | Informatiepunt Leefomgeving19Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EY.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3186 respectievelijk de toezegging aan de Eerste Kamer rondom de financiëleafspraken ten aanzien van het beheer en onderhoud van het DSO20, welkeik dan ook beide als uitgevoerd/voldaan beschouw. Daarnaast zijn er in devoorjaarnota 202521 middelen gereserveerd voor de ontwikkeling van deDSO-LV en de LVBB, passende bij de eerder genoemde roadmap voor deimplementatie van de nieuwe STOP-standaard(en).Motie Nooren c.s.Uit openbare data blijkt dat op dit moment ruim 90% van de gemeentenbeschikt over een vorm van participatiebeleid, zoals visiedocumenten,nota’s of verordeningen. Een klein deel maakt nog gebruik van een(verouderde) inspraakverordening en een deel is bezig met het op- envaststellen van dergelijk participatiebeleid. Deze ontwikkeling toont aandat participatie steeds meer en structureel is, dan wel wordt verankerddoor gemeenten, waarmee ik de motie Nooren c.s.22 als uitgevoerdbeschouw.WetgevingVanuit de beleidsverantwoordelijkheid van verschillende bewindsper-sonen zijn in 2025 in totaal 38 wijzigingen van het stelsel bekendgemaakt(3 wetswijzigingen, 14 AMvB-wijzigingen en 21 wijzigingen van deOmgevingsregeling). Sommige wijzigingen implementeren Europeesrecht en bij een aantal gaat het om technische aanpassingen, zoals eenverzamelwet. Die aantallen vertonen een lichte toename ten opzichte vande wijzigingen die werden gepubliceerd in de jaren voor de inwerking-treding van het stelsel en het eerste jaar van inwerkingtreding (2022: 25,2023: 33, 2024: 27). Het gaat vooral om een toename in losse wijzigingenvan de Omgevingsregeling. Daarnaast is in het afgelopen jaar eenzogenaamde stelselcheck uitgevoerd op 56 wijzigingen van het stelsel diein voorbereiding of in consultatie waren. Die tussenstap vormt eenwaarborg van de uitgangspunten en de wetgevingskwaliteit voorregelgevingsvoornemens van het Rijk die betrekking hebben op het stelselvan de Omgevingswet, ook als die worden getrokken door andereministeries.De regeringscommissaris Omgevingswet heeft het afgelopen jaar eentweede advies gegeven. Dat ging over de consultatieversie van hetvoorstel van de Wet op de defensiegereedheid. Het advies is na deaanbieding van het voorstel voor advisering aan de Raad van Stategepubliceerd.23Monitoring en evaluatie OmgevingswetIn 2026 kan uw Kamer vanuit de ingerichte monitoring en evaluatie devolgende informatie ten aanzien van de Omgevingswet verwachten:–het tweede reflectierapport van de onafhankelijke EvaluatiecommissieOmgevingswet over 2025;–de (jaarlijkse) rapportage over 2025 vanuit de Monitor WerkingOmgevingswet; en–de eerste integrale financiële monitoringrapportage vanuit deingerichte financiële monitoring Omgevingswet (inclusief Wkb).20T0313021Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 1, p. 206–207.22Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA.23Advies over consultatieversie voorstel Wet op de defensiegereedheid | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3187 Invoeringstoets OmgevingswetNaast bovenstaande rapportages wordt op dit moment hard gewerkt aande invoeringstoets Omgevingswet. Deze toets is bedoeld om vroegtijdiginzicht te krijgen in eventuele knelpunten en onbedoelde effecten. In devorige voortgangsbrief is uw Kamer geïnformeerd dat de resultatenhopelijk in het eerste kwartaal van 2026 konden worden gepubliceerd. Deuitvoering van de invoeringstoets blijkt echter complexer dan aanvankelijkvoorzien. Dit maakt dat meer tijd nodig is voor een zorgvuldige afronding.De resultaten zullen daarom naar verwachting pas rond de zomer gereedzijn en met uw Kamer worden gedeeld.Tot slotMet de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een mooie slaggemaakt in de vereenvoudiging van het Omgevingsrecht. Zowelgemeenten, waterschappen, provincies, rijkspartijen als ketenpartnerszetten goede stappen in hun eigen transitie- en veranderopgave. Hetkennisniveau neemt verder toe, als ook het gebruik van de (kern)instru-menten. Ik kijk met vertrouwen naar het vervolg in 2026 en verder waarinik de bevoegde gezagen, samen met de (inter)bestuurlijke partijen, blijfaanmoedigen en ondersteunen. Ondersteuning die erop gericht is om debevoegde gezagen op weg én verder te helpen in het doorlopen van huneigen transitie- en veranderopgave. Met de focus op het zo optimaalmogelijk benutten van de (kern)instrumenten en de kansen die deOmgevingswet biedt.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,E. Boekholt-O’SullivanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3188
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.