Toekomst palliatieve zorg en ondersteuning
Brontekst
Versie 415f3ce7488418c4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 509Palliatieve zorgNr. 100 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 juni 2026Bij palliatieve zorg en ondersteuning draait het om kwaliteit van leven vanmensen die ongeneeslijk ziek zijn en hun naasten. Het gaat om de dingenkunnen blijven doen die voor hen belangrijk zijn, die bij hen passen. Depalliatieve fase kan maanden of zelfs jaren duren. In die periode krijgenmensen medische zorg, maar het is belangrijk dat mensen in deze fasevooral nog zoveel mogelijk hun leven kunnen leiden, op hun manier, tothet laatst. Dat vraagt, naast passende medische zorg, om goede liefde-volle zorg en ondersteuning, in de directie omgeving van mensen, oppsychisch en sociaal gebied en op het gebied van zingeving.De toekomstige palliatieve zorgvraag zal naar verwachting complexer enmeer divers worden, vaker om maatwerk vragen en voor méér mensenrelevant zijn. Want door vergrijzing en een veranderende arbeidsmarktontstaat er een groeiend gat tussen de vraag naar en het aanbod vanpalliatieve zorg en ondersteuning. Bovendien leidt de toenemendediversiteit in de bevolking tot een gevarieerdere vraag naar palliatievezorg en ondersteuning. Technologie zorgt ervoor dat mensen eerder eendiagnose krijgen en betere behandelingen waardoor zij langer zullenleven, vaak met meerdere ziekten tegelijk. Dit bleek ook uit de toekomst-verkenning die het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)in opdracht van VWS uitvoerde1. Op basis van deze toekomstverkenningis de afgelopen periode gewerkt aan een toekomstvisie en toekomst-agenda voor de palliatieve zorg en ondersteuning die u hierbij ontvangt.Daarnaast ontvangt u bij deze brief het evaluatierapport van de Subsidie-regeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis.Hieronder zal ik eerst kort ingaan op de huidige stand van zaken.Vervolgens ga ik in op de toekomstvisie en toekomstagenda Samen leventot het laatst en de verbinding met het bredere beleid rond zorg enondersteuning. Ook geef ik in deze brief een reactie op de aanbevelingen1Palliatieve zorg in 2050: Drie toekomstscenario’s | Publicatie | Rijksoverheid.nl kst-29509-100ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1001 uit de evaluatie van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg engeestelijke verzorging thuis. Dit is een integrale reactie, waarbij vooralwordt ingezoomd op onderdelen waarop nog uitwerking plaats moetvinden door of in samenwerking met partijen. Tot slot schets ik het procesdat samen met alle betrokken partijen is ingezet om de hospicezorggereed te maken voor de toekomst.1. Huidige stand van zaken Voor goede en passende palliatieve zorg en ondersteuning is het vanbelang dat doorlopend het gesprek met mensen in de palliatieve fasewordt gevoerd over wensen, waarden en behoeften. In het AanvullendZorg en Welzijnsakkoord (AZWA)2 zijn daarom vorig jaar al afsprakenopgenomen over proactieve zorgplanning. Het doel van proactievezorgplanning is om samen met de patiënt en diens naasten vroegtijdigwensen en grenzen aan zorg en ondersteuning voor de laatste levensfasete bespreken. Deze gesprekken leiden tot een individueel en metbetrokken zorgverleners afgestemd en gedeeld zorg- en ondersteu-ningsplan. Vroegtijdige gesprekken met de patiënt en samenwerkingtussen zorgverleners en het sociaal domein in de palliatieve fasefaciliteren passende zorg en ondersteuning. De verwachting is dat er alsgevolg van proactieve zorgplanning een verschuiving van zorg van detweede lijn naar de eerste lijn en het sociaal domein plaatsvindt. Dit komtdoordat proactieve zorgplanning niet-passende zorg in de laatstelevensfase vaker kan voorkomen.Het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) is een implementa-tieprogramma waarmee de afgelopen jaren een waardevolle bijdrage isgeleverd aan samenwerking, kwaliteit en maatschappelijke bewust-wording. Het NPPZ II loopt eind 2026 af. Dit jaar wordt nog gebruikt voorafronding en borging van de resultaten van het programma, zodat deresultaten structureel verankerd worden in beleid en uitvoering. Zo wordter gewerkt aan een borgingsplan voor de Transformatie palliatieve zorg(IZA-transformaties in de regio door het Kwaliteits-kader Palliatieve zorgte implementeren). Dit plan richt zich op landelijke knelpunten die omstructurele oplossingen vragen na afloop van het NPPZ II en het IZA, zoalsfinanciering, digitalisering en governance. Verder is het Kwaliteitskaderpalliatieve zorg geëvalueerd, het herziene kader zal rond de zomer wordengepubliceerd. Ook wordt gewerkt aan (de implementatie van) eenhandreiking voor de consultatiefunctie. En wordt een vervolg gegeven aande bewustwordingscampagne Leven tot het laatst, onder andere met eenrondreizend kunstwerk en daaraan gekoppelde regionale bewustwor-dingsactiviteiten. Begin 2027 zal een eindevaluatie van het NPPZ IIplaatsvinden.2. Toekomstvisie en toekomstagenda Samen leven tot het laatst De afgelopen periode is gewerkt aan een toekomstvisie voor de palliatievezorg en ondersteuning. Ook is een toekomstagenda voor de komende vijfjaar gemaakt waarin de visie wordt geconcretiseerd. Deze toekomstvisieen toekomstagenda zijn in opdracht van VWS opgesteld door AEF en zijntot stand gekomen in samenspraak met betrokken organisaties en mensendie zich willen inzetten voor palliatieve zorg en ondersteuning: beroeps-en brancheverenigingen uit de zorg en ondersteuning, patiëntenorgani-saties, professionals, vrijwilligers, naasten, mantelzorgers, burgers,opleiders, netwerken, beleidsmakers en onderzoekers. Partijen onder-schrijven de richting van de toekomstvisie en -agenda.2Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) (Definitief) | Rapport | Rijksoverheid.nl (afspraakC8)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1002 Kern van de visie en agenda is dat palliatieve zorg en ondersteuning eenvanzelfsprekend onderdeel moeten worden van de reguliere zorg én hetsociaal domein. Want palliatieve zorg is niet alleen van professionals,maar van een netwerk rondom de cliënt of patiënt. En daarom spreken weniet alleen van palliatieve zorg, maar van palliatieve zorg en onder-steuning. Het is belangrijk dat mensen in de laatste levensfase (en hunnaasten) nu en ook in de toekomst goede palliatieve zorg en onder-steuning kunnen krijgen die bij hen en bij hun situatie past. Palliatievezorg is bij uitstek passende zorg en ondersteuning, zoals beschreven in deonlangs aan uw Kamer gestuurde Beleidsbrief.3 Daarnaast verandertvanuit de Visie Eerstelijnszorg 20304 de inrichting van de eerstelijnszorg.Door meer (domeinoverstijgende) samenwerking, coördinatie en eenwijkgerichte aanpak wordt de toegankelijkheid van zorg dichtbij huisvergroot. Dit is belangrijk voor palliatieve zorg en ondersteuning, omdatdie vaak plaatsvindt in de thuissituatie, waar medische zorg, onder-steuning vanuit het sociaal domein en de inzet van naasten en vrijwilligerssamenkomen. Ten aanzien van mantelzorgondersteuning zijn in hetHoofdlijnenakkoord Ouderen5 afspraken gemaakt, die ook mantelzorgersvoor mensen in de palliatieve fase kunnen ondersteunen.In de toekomstvisie Samen leven tot het laatst wordt een gezamenlijkperspectief geschetst voor de lange termijn. Het is een gedeeld toekomst-beeld dat richting geeft aan de keuzes die vandaag gemaakt worden. Wantmaatschappelijke veranderingen vragen om een gezamenlijke koers eneen gedeeld verhaal over waar de beweging naartoe gaat. De visiebeschrijft daarmee niet alleen wat nodig is, maar ook wat van waardewordt geacht in de zorg en ondersteuning in de palliatieve fase. Centraaldaarbij staat een zorgzame samenleving waarin naasten, vrijwilligers énberoepskrachten met elkaar samenwerken. Waarin zorg en ondersteuninger zijn om het leven tot het laatst te leven, op de manier die bij iemandpast, en met ruimte voor wat betekenis en zin geeft. In de toekomstvisiewordt aangesloten bij de definities en terminologie uit het KwaliteitskaderPalliatieve zorg6 als gedeeld en gedragen vertrekpunt in het veld. Zowordt eenduidigheid behouden in wat onder palliatieve zorg en onder-steuning wordt verstaan.In de toekomstagenda, die gebaseerd is op de visie, wordt de stapgemaakt van visie naar beweging. Hier ligt de focus op de periode2027–2031: de eerste vijf jaar waarin gewerkt wordt aan het realiseren vande visie. De agenda beschrijft niet alleen wat nodig is, maar vooral welkebewegingen versterkt moeten worden om de visie dichterbij te brengen.In deze periode ligt de nadruk op het borgen en verder inbedden van watal werkt, het versnellen van ontwikkelingen die nog onvoldoende van degrond zijn gekomen en het versterken van de aansluiting op bredereontwikkelingen in de reguliere zorg en in het sociaal domein. Want er is alveel ontwikkeld: vroegtijdige gesprekken voeren, samen beslissen,onderwijsprogramma’s en deskundigheidsbevordering, aandacht voorspiritualiteit, integrale informele en formele ondersteuning bieden. Datverder brengen vraagt niet om een nieuw programma, maar omduurzame inbedding, doorbouwen op wat is neergezet in netwerken, inonderwijs en in samenwerking met het sociaal domein. Een gezamenlijkeagenda dus. De toekomstagenda is opgebouwd langs dertien opgavenvoor de komende jaren. Daarbinnen zijn er onderwerpen die blijvendaandacht vragen (zoals maatschappelijke bewustwording en het bewaken3Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(XVI) voor het jaar 2026 | Tweede Kamer der Staten-Generaal)4Visie eerstelijnszorg 2030 | Rapport | Rijksoverheid.nl5Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg | Publicatie | Rijksoverheid.nl6Kwaliteitskader Palliatieve zorg Nederland - Richtlijnen Palliatieve zorgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1003 van capaciteit en toegankelijkheid), onderdelen die structureel ingebedmoeten worden (zoals het goed organiseren van het zorgproces, inclusiefproactieve zorgplanning, en de implementatie en doorontwikkeling van deconsultatiefunctie) en thema’s waarvoor aansluiting bij de reguliere zorgnodig is (zoals digitale gegevensuitwisseling en bekostiging).Palliatieve zorg en ondersteuning als integraal onderdeel van regulierezorg, welzijn en het sociaal domein, vraagt om andere vormen vansamenwerken, organiseren en sturen. De beweging die in deze visie wordtbeschreven kan niet uitsluitend van bovenaf georganiseerd worden. Veelverandering ontstaat juist in de praktijk: in gemeenschappen, netwerken,wijken en regio’s waar mensen samen werken aan passende zorg enondersteuning. Daarom vraagt de uitvoering van de gezamenlijke agendaom een manier van samenwerken die richting geeft, verbindt en facili-teert, maar tegelijk ruimte laat voor initiatief, eigenaarschap en ontwik-keling van onderop. De komende jaren zal deze manier van samenwerkenverder moeten groeien en waar mogelijk worden verankerd in bestaandesamenwerkingen op wijk- of regionaal niveau. Dat vraagt tijd, gezamen-lijke reflectie en ruimte om te leren. Om deze overgang goed tebegeleiden is in de eerste fase van de uitvoering van de agenda eenduidelijke regierol nodig. Deze rol zal in de laatste fase van het NPPZ II alingevuld worden, zodat de overgang naar de toekomstagenda soepel kanverlopen.Verder is het veld van de palliatieve zorg lange tijd een gefragmenteerdveld geweest en een afzonderlijk domein. De afgelopen periode is eenstart gemaakt met het steeds meer stroomlijnen van de verschillendeorganisaties die zich bezighouden met de palliatieve zorg en hetintegreren van palliatieve zorg in de reguliere zorg en daar zal dekomende jaren ook verder mee worden doorgegaan. Zo zijn de organi-saties Stichting Palliatieve Zorg Nederland en Agora afgelopen jaargefuseerd. Zij zullen per 1 januari 2027 als één organisatie onder eennieuwe naam verder gaan. In die hoedanigheid zullen zij de strategischeondersteuningsorganisatie vormen die de ontwikkeling van palliatievezorg en ondersteuning ondersteunt en de uitvoering van de landelijketoekomstvisie en toekomstagenda faciliteert. Zij ondersteunen ook hetfunctioneren van het landelijk regieorgaan. Het regieorgaan vervult eenlandelijke regiefunctie voor de ontwikkeling van palliatieve zorg enondersteuning. Het regieorgaan bewaakt de samenhang tussen landelijkeontwikkelingen, regionale samenwerking en maatschappelijke opgaven,en stimuleert de doorontwikkeling van palliatieve zorg en ondersteuningals onderdeel van het bredere zorg-, welzijns- en sociale domein. Desamenstelling van het regieorgaan sluit aan bij de kern van de visie:palliatieve zorg en ondersteuning zijn geen afzonderlijk domein, maarmaken nadrukkelijk onderdeel uit van bredere ontwikkelingen in zorg,welzijn en samenleving. De beweging die in deze visie wordt ingezetvraagt daarom niet alleen betrokkenheid vanuit het palliatieve veld, maarjuist ook vanuit partijen die een rol spelen in de reguliere zorg, onder-steuning, het sociaal domein en de maatschappelijke infrastructuurrondom mensen. Voor inhoudelijke verdieping en voorbereiding richt hetregieorgaan (tijdelijke) thematafels in, waar ook (praktijk)ervaring richtinggeeft aan de koers. In deze tafels werken landelijke organisaties, professi-onals, ervaringsdeskundigen en andere betrokkenen samen aan deuitwerking van vraagstukken, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs,hospicezorg, kinderpalliatieve zorg, bekostiging of regionale samen-werking.Voor de financiering van activiteiten die onderdeel zijn van de toekomst-agenda palliatieve zorg en ondersteuning 2027–2031 is in de komendejaren in totaal € 6,7 miljoen aan middelen beschikbaar. Dit is naast delopende instellings-subsidies (totaal € 12 miljoen per jaar) voor StichtingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1004 Palliatieve Zorg Nederland (PZNL), Agora, Vrijwilligers Palliatieve ZorgNederland (VPTZ) en Kenniscentrum Kinderpalliatieve zorg en de reeksvoor de Subsidieregeling palliatieve terminale zorg en geestelijkeverzorging thuis (€ 56 miljoen in 2027, € 58 miljoen in 2028, € 53 miljoenin 2029 en volgende jaren).3. Evaluatie Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg engeestelijke verzorging thuis De Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorgingthuis (hierna: de Regeling) is geëvalueerd. Via de Regeling stelt hetkabinet jaarlijks subsidie beschikbaar om:–de inzet van deskundige vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg testimuleren;–de inzet van geestelijke verzorging (en rouw- en verliesbegeleiding) inde thuissituatie te stimuleren;–de coördinatie van netwerken voor palliatieve zorg en netwerkenintegrale kindzorg te faciliteren.In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vastgelegd dat subsidierege-lingen minstens eens per vijf jaar worden geëvalueerd. Om de evaluatie-momenten van alle onderdelen van de Regeling gelijk te trekken, is desubsidieregeling integraal geëvalueerd. Bureau HHM heeft deze evaluatiein opdracht van VWS uitgevoerd in samenwerking met diverse stake-holders. In de evaluatie heeft Bureau HHM teruggeblikt op de periode2020–2025 aan de hand van diverse (beleids-) documenten, cijfers eninterviews met betrokken partijen. Daarnaast is in werksessies metverschillende stakeholders vooruitgeblikt op mogelijkheden om deRegeling toekomstbestendig in te richten. De uitkomsten laten zien datalle drie de onderdelen van de Regeling in de periode 2020–2025doeltreffend zijn geweest en in meer of mindere mate doelmatig, maarook specifieke verbeterpunten kennen. Op basis van de evaluatie doen deonderzoekers een aantal aanbevelingen voor de Regeling. Hieronderwordt per onderdeel integraal gereflecteerd op deze aanbevelingen. Inbijlage 3 is in aanvulling daarop een overzicht opgenomen van alleaanbevelingen en op welke wijze hieraan opvolging wordt gegeven.Er wordt naar gestreefd om wijzigingen van de Regeling die samen-hangen met de uitkomsten van de evaluatie bij de eerstvolgendeverlenging te betrekken. Naar verwachting wordt deze verlenging in hetvoorjaar van 2027 naar uw Kamer gestuurd.3.1. Vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg Dit onderdeel van de Regeling richt zich op het stimuleren van de inzetvan vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg, bijvoorbeeld in eenhospice of bij mensen thuis. De evaluatie laat zien dat de Regeling inbelangrijke mate bijdraagt aan de beschikbaarheid en kwaliteit vanpalliatieve terminale zorg door opgeleide vrijwilligers. Tegelijkertijd wordtgeconstateerd dat ontwikkelingen binnen de palliatieve zorg aanleidinggeven om de Regeling op onderdelen nader te bezien, zodat deze ook inde toekomst goed blijft aansluiten bij de praktijk en uitvoerbaar blijft.Op basis van deze evaluatie zal ik in de tweede helft van dit jaar samenmet partijen uit het veld kijken hoe de verdelingssystematiek verder kanworden verbeterd en toekomstbestendig kan worden ingericht. Daarbijwordt ook gekeken naar de aanbeveling om voor hospices het aantalligdagen als indicator te hanteren. Een eventuele wijziging van desystematiek vraagt om een zorgvuldige afweging, ook gelet op de aardvan de subsidieontvangers (vaak kleine organisaties die vanuit burgeriniti-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1005 atief zijn ontstaan) en de complexiteit van de Regeling. Ook zal wordengekeken naar de meest passende vorm van verantwoording, met namevoor subsidies boven een nader te bepalen drempelbedrag. Daarbij gaathet om een evenwichtige balans tussen verantwoording over publiek gelden uitvoerbaarheid. Tot slot zal bij de verdere uitwerking van de Regelingnadrukkelijk worden betrokken op welke wijze de subsidieregelingondersteunend kan zijn aan beter op elkaar afgestemde capaciteit vanhospicezorg in de regio. Ik wil via de Regeling meer dan voorheen sturenop de gewenste beleidsontwikkeling.Vooruitlopend op de uitkomsten van deze evaluatie zijn al stappen gezetom de Regeling beter aan te laten sluiten op de wijze waarop palliatieveterminale zorg in de praktijk wordt georganiseerd. Zo zijn definitiesverduidelijkt en meer in overeenstemming gebracht met de praktijk. Ookzijn stappen gezet om de onderbouwing van de subsidieaanvragen en deverantwoording verder te versterken, zodat beter inzicht ontstaat in dewijze waarop middelen worden ingezet en bijdragen aan kwalitatief goedepalliatieve terminale zorg.3.2. Geestelijke verzorging in de thuissituatie Dit onderdeel van de subsidieregeling is gericht op het faciliteren vangeestelijke verzorging thuis en rouw- en verliesbegeleiding aan palliatievepatiënten en hun naasten. Daarnaast biedt dit onderdeel geestelijkeverzorging thuis voor mensen van 50 jaar en ouder met een levensvraag.De subsidie ondersteunt de inzet van geestelijk verzorgers en rouw- enverliesbegeleiders, evenals de daarmee samenhangende coördinerendeactiviteiten. De inzet kan onder andere bestaan uit consulten in dethuissituatie en bijscholing van zorgverleners. De Regeling maakt dezeinzet ook binnen de kinderpalliatieve zorg mogelijk. Sinds de invoeringvan dit onderdeel van de Regeling in 2019 is een landelijk dekkend aanbodvan geestelijke verzorging in de thuissituatie gerealiseerd. Met de subsidieis dus een goede impuls gegeven aan de inrichting van dit aanbod.Uit de evaluatie blijkt dat de beschikbare middelen voor de kinderdoel-groep doelmatig worden ingezet. Met een doelmatige inzet wordt bedoelddat de beschikbare middelen zo worden gebruikt dat zij zoveel mogelijkbijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de Regeling. Voor devolwassenendoelgroep laat de evaluatie zien dat de beschikbare middelendoelmatiger worden ingezet ten opzichte van eerdere jaren, maar datverdere verbetering noodzakelijk blijft. In de evaluatie van 2023 kwam alnaar voren dat een deel van de behoefte aan geestelijke verzorging thuisnog onvoldoende in beeld was, dat niet alle potentiële doorverwijzersbekend waren met de mogelijkheden en dat er kansen lagen om dedoelmatigheid verder te vergroten. Daarbij werd onder meer gewezen ophet belang van betere dataverzameling, verdere professionalisering vande (vereniging Samenwerkende) Centra voor Levensvragen en eendoelmatigere inrichting van de bedrijfsvoering. Ook werd aanbevolen omalternatieve (structurele) financiering te onderzoeken om de afhanke-lijkheid van de subsidieregeling te verminderen.7 Immers, de middelenhebben sinds 2019 een impuls gegeven, op een gegeven moment zoudeninstellingen zichzelf moeten kunnen bedruipen.Hoewel ik zie dat hierin stappen zijn gezet, constateer ik ook dat deafhankelijkheid van de subsidieregeling nog groot is. Tegelijkertijd nemende beschikbare financiële middelen de komende jaren af door hetwegvallen van de coalitie-akkoordmiddelen van kabinet Rutte IV.Belangrijk om hierbij op te merken is dat het aanbod van geestelijke7Rapport Evaluatie GV thuis | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1006 verzorging thuis niet alleen wordt begrensd door de beschikbaarheid vanfinanciële middelen. Ook de beschikbaarheid van capaciteit van gekwalifi-ceerde geestelijk verzorgers speelt hierbij een rol. Zoals eerder ook uit dedoor Berenschot uitgevoerde stakeholderanalyse8bleek, is er onvoldoendecapaciteit om iedereen met een zingevings- of levensvraag een gesprekaan te bieden.Het is daarom van belang dat de beschikbare inzet zogericht en doelmatig mogelijk wordt ingezet. Met het oog op de terugval-lende middelen en begrensde capaciteit van geestelijk verzorgers is hetvan belang de afbakening van de doelgroep opnieuw tegen het licht tehouden, zodat de Regeling zich zoveel mogelijk richt op groepen die hierhet meest bij gebaat zijn.Ik neem hierbij in ogenschouw dat veldpartijen aangeven dat de huidigeleeftijdsgrens van 50 jaar als willekeurig wordt ervaren, omdat levens-vragen zich op alle leeftijden kunnen voordoen. Die constatering herkenik. Tegelijkertijd betekent dit, mede gelet op de beschikbare capaciteit, nietvanzelfsprekend dat de doelgroep verbreed zou moeten worden.Sommige levensvragen kunnen ook binnen het sociale netwerk vanmensen of via andere vormen van ondersteuning worden opgevangen.Daarom wordt geïnventariseerd welke alternatieven beschikbaar zijn en inhoeverre deze een passend antwoord bieden op de vragen waarvoor nueen beroep wordt gedaan op geestelijke verzorging thuis.Uit de evaluatie blijkt dat niet ter discussie staat dat de Regeling in elkgeval beschikbaar moet blijven voor mensen in de palliatieve fase en hunnaasten. Juist in de laatste levensfase kunnen vragen over betekenis-geving, verlies, angst en afscheid sterk op de voorgrond treden, zowel bijmensen in de laatste levensfase als hun naasten. Geestelijke verzorgingkan in deze kwetsbare periode bij uitstek bijdragen aan ondersteuning,verlichting en kwaliteit van leven en sterven. Op dit moment blijkt datechter onvoldoende wordt onderbouwd of, en zo ja voor welke mensenhet daarnaast passend is dat zij eveneens aanspraak maken op deRegeling. Hieruit volgt de aanbeveling dat het noodzakelijk is dat het veldop korte termijn de daarvoor benodigde inzichten biedt. Op basis van degeboden inzichten en in afstemming met het veld, zal ik de reikwijdte vande Regeling in heroverweging nemen. Of de Regeling vanaf 2028 ookbeschikbaar blijft voor alle mensen van 50 jaar en ouder met levens-vragen, zal ik komend jaar nader bezien door te kijken naar hoe debeschikbare inzet zo doelmatig mogelijk kan worden georganiseerd.Daarbij kijk ik zoals gezegd ook naar de beschikbaarheid van passendealternatieven voor ondersteuning bij levensvragen.Tot slot zal ik, in lijn met de aanbevelingen uit het rapport, ook inoverweging nemen hoe vrijwilligers ingezet kunnen worden ter onder-steuning van geestelijk verzorgers in de thuissituatie. Geestelijkverzorgers zijn specialisten op het gebied van zingeving en levensbe-schouwing, maar aandacht voor zingeving is niet voorbehouden aangeestelijk verzorgers. Ook vrijwilligers kunnen hier een rol in hebben. Uitde evaluatie blijkt dat de inzet van vrijwilligers waardevol kan zijn. Ik wildaarom graag bezien of vanuit de subsidieregeling gestimuleerd kanworden dat meer (geschoolde) vrijwilligers ingezet kunnen worden. Ookhierbij is het belangrijk dat er voldoende aanknopingspunten beschikbaarworden gesteld vanuit het veld om te beoordelen of en hoe de Regelinghieraan kan bijdragen.8Stakeholderanalyse geestelijke verzorging thuis | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1007 3.3 Regionale netwerken palliatieve zorg en netwerken integralekindzorg Dit onderdeel van de subsidieregeling ondersteunt de vorming en hetonderhouden van netwerken palliatieve zorg en netwerken integralekindzorg. De Regeling heeft bijgedragen aan een dekkend regionaalaanbod van palliatieve terminale zorg van verantwoorde kwaliteit doornetwerken palliatieve zorg en netwerken integrale kindzorg, zo blijkt uit deevaluatie.Uit de evaluatie blijkt ook dat de Regeling de netwerken in de afgelopenperiode de ruimte heeft geboden om invulling te geven aan regionalesamenwerking en ontwikkeling binnen de palliatieve zorg. Deze ruimteheeft eraan bijgedragen dat netwerken zich konden ontwikkelen op eenwijze die aansloot bij regionale behoeften en omstandigheden. Tegelij-kertijd laat de evaluatie zien dat de grote mate van vrijheid ook heeftgeleid tot verschillen tussen netwerken in organisatie, samenwerking enuitvoering van activiteiten. De komende periode vraagt dat om meerrichting en afbakening om de doeltreffendheid en doelmatigheid van ditonderdeel verder te vergroten. Het aflopen van de coalitieakkoordmid-delen van kabinet Rutte IV vanaf 2028 versterkt deze noodzaak. ZoalsBureau HHM aanbeveelt, vraagt dit van de netwerken dat zij meergebruikmaken van aanvullende en alternatieve financiering. Dit sluittevens aan bij de toekomstige governance van de netwerken, zoalsgeschetst in de toekomstvisie en toekomst-agenda Samen leven tot hetlaatst.De kaders die in het rapport worden voorgesteld bieden concreteaanknopingspunten voor verdere aanscherping van de Regeling. Dezeaanknopingspunten zullen samen met het veld nader worden uitgewerkt.Daarbij wordt bezien op welke wijze deze kunnen landen in de subsidiere-geling. Het gaat daarbij onder meer om landelijk vastgestelde basis- enprocesafspraken, een minimale partnerstructuur, kaders voor samen-werking met andersoortige netwerken, een competentieprofiel voorcoördinatoren, afspraken over activiteiten in het kader van maatschappe-lijke bewustwording en het intensiveren van samenwerking tussennetwerken integrale kindzorg, netwerken palliatieve zorg en Centra voorLevensvragen voor zorg op het snijvlak 18-/18+.Bij het opstellen van deze kaders zal rekening worden gehouden metaanpalende ontwikkelingen in de palliatieve zorg en ondersteuning op demiddellange en lange termijn waaronder de Strategische agendaTransformatie Palliatieve zorg9, de toekomstvisie en -agenda Samen leventot het laatst en ontwikkelingen rondom hospicezorg. Het is nodig datnetwerken palliatieve zorg zich verder ontwikkelen tot geprofessionali-seerde samenwerkingsstructuren die op grotere schaal samenwerken aanen gesprekspartner zijn in regionale vraagstukken rondom zorgontwik-keling, domeinoverstijgende samenwerking en financiering in zorg,welzijn en het sociaal domein. Zodat organisaties elkaar beter weten tevinden en gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkelingvan palliatieve zorg en ondersteuning in de regio. Ook de schaalgroottevan netwerken moet hier op termijn op aansluiten. Voor de komendesubsidieperiode vraagt dat van netwerken palliatieve zorg dat zij zichsterker zullen moeten richten op samenwerking op bestuurlijk niveau.Hiermee wordt aangesloten bij bredere ontwikkelingen richting regionalesamenwerking, sturing op capaciteit en organisatie van (palliatieve) zorgen ondersteuning.9Gupta rapport «De olifant de kamer uit» en Strategische agenda Transformatie palliatieve zorggepubliceerd - Palliaweb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1008 4. Hospicezorg van de toekomst In hospices wordt liefdevolle zorg en ondersteuning geboden, uitgaandevan de wensen, waarden en behoeften van mensen in de allerlaatste fasevan hun leven. Het is van belang dat deze zorg een volwaardige plek inhet zorglandschap heeft en houdt en goed is ingebed in de samenleving.Voortbouwend op het project Versterken Hospicezorg10, dat is uitgevoerdbinnen het NPPZ II, is door het Ministerie van VWS een opdracht verstrektom de variatie in organisatievormen en bekostigingsstructuren in hethospicelandschap in kaart te brengen. Het rapport «Hospices inNederland»11 laat zien dat de huidige variëteit aan organisatievormen enbekostigingsstructuren knelpunten oplevert op het gebied van beschik-baarheid, kwaliteit en betaalbaarheid van hospicezorg. Er wordenaanbevelingen gedaan voor hoe het landschap er over vijf tot tien jaar uitzou kunnen zien. Naar aanleiding van het rapport heeft een SchriftelijkOverleg12 plaatsgevonden.Op dit moment wordt naar aanleiding van het hiervoor genoemde rapportmet de betrokken partijen gewerkt aan een gezamenlijk plan van aanpakvoor toekomstbestendige hospicezorg voor de periode 2027 – 2031.13Alhoewel ik hierop nog niet vooruit kan lopen, maak ik wel graag van dezegelegenheid gebruik om het verloop van de constructieve gesprekken totnu toe te delen. De belangrijkste aanbeveling uit het rapport was om eentweedeling aan te brengen in het hospicelandschap en dit daarbij deelsonder te brengen in het sociaal domein. Over deze aanbeveling zijn eerderook al vragen door de Tweede Kamer gesteld.14 Partijen geven aan dat ditvoorstel niet goed aansluit bij de praktijk. Mensen kunnen in destervensfase een wisselende zorgbehoefte hebben. Een tweedeling zouzorgen voor een onwenselijke keuze vooraf, of verplaatsing van iemand inde stervensfase. Omdat er geen draagvlak is voor alle aanbevelingen iservoor gekozen om het gesprek te voeren aan de hand van knelpunten diein het rapport en door partijen worden gesignaleerd. Ook wordenaandachtspunten die door uw Kamer zijn aangegeven in het SchriftelijkOverleg betrokken, evenals gesignaleerde knelpunten van hetPraktijkteam palliatieve zorg. De uitkomsten in het eindrapport van hetproject Versterken hospicezorg15 worden eveneens betrokken. Het planvan aanpak voor toekomstbestendige hospicezorg is eind van dit jaargereed.De mens, zijn of haar naasten en hun behoeften staan centraal in degesprekken over toekomstbestendige hospicezorg. De gesprekken zijnthematisch ingestoken. Aan bod komen: visie op hospicezorg (aansluitendbij de toekomstvisie Samen leven tot het laatst), regionale capaciteit,gelijke toegang, kwaliteit van hospice-zorg en financiering van hospi-cezorg. Voor deze thema’s worden acties geformuleerd in het plan vanaanpak waar ook in de toekomstagenda aan wordt gerefereerd. Ook zijn inde toekomstagenda al een aantal concrete acties opgenomen die zichrichten op capaciteit. Verdere uitwerking vindt plaats in het plan vanaanpak.10Project Versterken Hospicezorg – NPPZ.11Kamerstukken II, 2025/2026, 29 509, nr. 9712Kamerstukken II, 2025/2026, 29 509, nr. 9813Dit zijn: ActiZ, Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN), Vrijwilligers Palliatieve TerminaleZorg Nederland (VPTZ), Stichting Palliatieve Zorg Nederland (PZNL), ZorgverzekeraarsNederland (ZN), Patiëntenfederatie Nederland, de Vereniging Netwerken Palliatieve Zorg(VNPZ), de beroepsvereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) ende Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Ook het Zorginstituut Nederland (ZiN) wordt betrokken.14Kamerstukken II, 2025/2026, 29 509, nr. 9815Eindrapport-project-Versterken-Hospicezorg-2025.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 1009 Tevens wordt bezien op welke wijze de Subsidieregeling palliatieveterminale zorg en geestelijke verzorging thuis ondersteunend kan zijn aan(de organisatie van) beter op elkaar afgestemde capaciteit van hospi-cezorg in de regio.Binnen het NPPZ II is onlangs onderzocht of op basis van bestaande datameer zicht kan worden verkregen op de omvang en behoefte van mensendie niet thuis kunnen overlijden, maar geen 24-uurs aanwezigheid vanformele zorg nodig hebben. De leden van de D66-fractie stelden hier in hethiervoor genoemde Schriftelijk Overleg ook vragen over. Uit eeninventarisatie van bestaande data blijkt dat er geen objectieve gegevensbeschikbaar zijn die iets zeggen over de omvang en zorgvraag van degroep mensen die niet thuis kunnen overlijden maar geen 24/7 formelezorg nodig hebben. Op basis van actuele gegevens kan wel een indicatiefbeeld worden geschetst van redenen voor opname. Onderzoek laat ziendat mensen die in een hospice worden opgenomen vrijwel altijd zorgbe-hoeften hebben in meerdere domeinen van palliatieve zorg, waardoor erdoorgaans geen sprake is van één dominante zorgvraag. Naast medischeproblematiek spelen sociale factoren, zoals overbelasting van mantel-zorgers, een beperkt netwerk en een ongeschikte thuissituatie, vaak eendoorslaggevende rol. Ook volgens inzichten uit de Registratierappor-tages16 van VPTZ en Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN) is bijopname veelal sprake van symptomen op meerdere domeinen vanpalliatieve zorg, waarmee het verloop van de zorgvraag veelal onvoor-spelbaar is. Opname uitsluitend op basis van een sociale indicatie iszelden aan de orde, vrijwel altijd is dan ook verpleegkundige zorg nodig.De medische indicatie met de verklaring van de geschatte levensver-wachting van maximaal drie maanden is standaard voor elke opname.Hospices zijn een mooi voorbeeld van gemeenschapszin, passend bij devisie Samen leven tot het laatst. Ze ontstaan veelal uit burgerinitiatiefwaarbij formele en informele zorg nauw met elkaar samenwerken, enmaken mogelijk dat mensen die niet thuis kunnen overlijden dit welkunnen op een plek waar liefdevolle zorg en ondersteuning wordtgeboden in huiselijke sfeer. Binnen de hospicezorg bestaat een grotevariëteit aan organisatievormen en daarbij genoemde knelpunten op hetgebied van gelijke beschikbaarheid, kwaliteit en betaalbaarheid vanhospicezorg.17 Dit vraagt om aandacht voor regie op capaciteit endoelmatige inzet van schaarse middelen en zorgverleners. Hier gaandilemma’s mee gepaard. Bijvoorbeeld rond de kwetsbaarheid vankleinschalige hospices.18 Of de wens om te sterven op de plek vanvoorkeur, terwijl niet altijd alles mogelijk is.Hoewel richtinggevende kaders noodzakelijk zijn, hecht ik eraan om hetstimuleren van maatschappelijk initiatief en samenwerking tussen formeleen informele zorg hierbij niet uit het oog te verliezen.5. Tot slot Het plan van aanpak voor toekomstbestendige hospicezorg is eind van ditjaar gereed. Voor wat betreft de evaluatie van de subsidieregeling zal ik inde tweede helft van dit jaar samen met veldpartijen bezien op welke wijzede aanbevelingen bij de eerstvolgende verlenging kunnen worden16De Registratierapportages geven een goed beeld van de circa 140 zelfstandige hospices inNederland die zijn aangesloten bij VPTZ Nederland en/of AHzN. Daarnaast zijn er nogongeveer 100 hospices die niet zijn aangesloten bij VPTZ Nederland en/of AHzN. Dit zijn metname palliatieve units.17Kamerstukken II, 2025/2026, 29 509, nr. 9718Antwoord op vragen van het lid Tijmstra d.d. 20 april 2026 over het bericht «Al vijf weken geengasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: «Anders is hetvoorbij» (Aanhangsel van de Handelingen II 2025/26, nr. 1680)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 10010 betrokken. Ik verwacht uw Kamer in het voorjaar van 2027 te kunneninformeren over de verlenging van de subsidieregeling.Met de visie en de agenda Samen leven tot het laatst kunnen we degezamenlijke koers met een gedeeld verhaal inzetten. In een bewegingnaar goede en passende palliatieve zorg en ondersteuning als onderdeelvan de reguliere zorg en het sociaal domein.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. SterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 509, nr. 10011
Gerelateerde bronnen
- De minister stuurt voor het zomerreces een brief over de toekomstagenda palliatieve zorg.
De minister stuurt voor het zomerreces een brief over de toekomstagenda palliatieve zorg.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.