Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie 6d817cdccd00ae76 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XVVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025Nr. 8 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 6 november 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast methet voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eerverslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daaropgegeven antwoorden.De vragen zijn op 9 oktober 2024 voorgelegd aan de Minister en deStaatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij brief van6 november 2024 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris vanSociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,TielenAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-36600-XV-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 81 Vragen en antwoordenVraag 1Hoeveel procent van de arbeidsmigranten werkt op 100 procent, 105procent, 110 procent, 115 procent en 120 procent Wml? Hoe groot is hettotaal?Antwoord 1Het Dashboard Migratiemotieven van het CBS geeft inzicht in dearbeidsmarktpositie van verschillende migrantengroepen die in Nederlandverblijven, waaronder over hun loonpositie. Van de werkende arbeidsmi-granten met een EU/EFTA-nationaliteit (exclusief Nederlanders) die tussen1999–2022 naar Nederland migreerden heeft op 31 december 2022 28,42%een bruto uurloon minder dan 130% van het Wml. Van de werkendearbeidsmigranten uit derde landen die tussen 1999–2023 naar Nederlandmigreerden heeft 10,01% op 31 december 2023 een bruto uurloon vanminder dan 130% van het Wml. Kennismigranten hebben het grootsteaandeel in deze cijfers voor arbeidsmigratie van buiten de EU/EFTA. Decijfers zijn gebaseerd op arbeidsmigranten die als werknemer werkzaamzijn in Nederland. Daarnaast gaan deze cijfers enkel over personen die alsingezetene staan ingeschreven in het BRP. Vooral de groep EU arbeidsmi-granten bevat een groot aandeel dat niet als ingezetene staatingeschreven in het BRP.Tabel: Werkzame arbeidsmigranten (werknemers), naar bruto uurloonBruto uurloon (als % van Wml)EU/EFTA arbeidsmi-granten (peildatum31 dec. 2022)Niet EU/EFTAarbeidsmigranten(peildatum 31 dec.2023)Minder dan 130% Wml28,42%10,01%130–180% Wml29,36%12,89%180–250% Wml18,51%27,16%250% Wml of meer23,71%49,94%Bron: CBS Dashboard Migratiemotieven In de Migrantenmonitor van het CBS zijn tevens loongegevensopgenomen van werknemers die geboren zijn in het buitenland, overzowel ingezetenen als niet-ingezetenen in het BRP. Dit betreft niet allemaalarbeidsmigranten, maar kunnen ook personen zijn die met een andermigratiemotief naar Nederland gekomen zijn. Op 31 december 2022werkten 634.020 personen geboren in een andere EU-lidstaat in Nederlandals werknemer. Van deze groep verdiende 39% maximaal 130% van hetwettelijk minimumloon (WML). Van de 900.710 werknemers uit derdelanden verdiende op 31 december 2022 29% maximaal 130% van hetWML. Dit zijn ook personen die soms al tientallen jaren in Nederlandwonen en werken.Vraag 2Hoe groot zijn -=de tegenvallers naar aanleiding van uitvoeringsinformatievan Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)? Op welke manier zijn dezegedekt? Welke maatregelen zijn hiervoor precies genomen?Antwoord 2De uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting bedraagt € 305 miljoen in2025 en loopt op tot € 542 miljoen structureel. De uitvoeringstegenvallerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 82 is het gevolg van onder meer de verwerking van uitvoeringsinformatievan UWV en de nieuwe macro-economische raming van het CPB. Deuitvoeringstegenvaller in 2025 en een gedeelte van de structureletegenvaller wordt intertemporeel gedekt op de SZW-begroting. Het restantvan de tegenvaller is opgelost in het Rijksbrede beeld.De grootste dekkingsbron op de SZW-begroting is de beleidsmatigevrijval van middelen voor de verruiming van het loonkostenvoordeelBanenafspraak, onderdeel van het wetsvoorstel VereenvoudigingBanenafspraak. Dit wetsvoorstel wordt met een jaar uitgesteld, waardoorer in 2026 middelen vrijvallen. Daarnaast is de invoering van hetwetsvoorstel Participatiewet in balans met een half jaar uitgesteld. Ditzorgt voor lagere uitgaven in 2025, deze vrijval is ook ingezet. Dezewetsvoorstellen zijn niet uitgesteld ten behoeve van de uitvoeringstegen-valler maar de beoogde invoeringsdata waren niet langer haalbaar. Verderworden er onder meer middelen aangewend die gereserveerd waren omgemeenten te compenseren voor de beoogde bijzondere verhoging vanhet wettelijk minimumloon (WML) voor medewerkers in de Wet Socialewerkvoorziening (Wsw) met 1,2% per 1 juli 2024. Deze bijzondereverhoging is niet doorgegaan, hierdoor vallen deze middelen vrij.Vraag 3Betekent een verkorting van de Werkloosheidswet (WW) automatisch eenverkorting van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA),specifiek de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)? Welkeartikelen in de wet maken dat deze doorwerking bestaat? Op welke manierkan deze doorwerking voorkomen worden?Antwoord 3Een aanpassing van de WW-duur werkt niet automatisch door in de WIA.Tot de inwerkingtreding van de WIA was iemand die gedeeltelijk arbeids-ongeschikt was en een gedeeltelijke WAO-uitkering had, ook aangewezenop een gedeeltelijke WW-uitkering. Dit was erg complex. Daarom is er bijde invoering van de WIA in 2006 voor gekozen de werkloosheidsuitkeringte integreren in de WIA. Dit betekende een belangrijke vereenvoudigingvan het stelsel. Vanwege deze incorporatie van de WW in de Wet WIA(artikel 59 Wet WIA) kent de eerste fase van de WGA, de loongerelateerdeuitkering, een systematiek (hoogte en duur) die gelijk is aan de WW. Inbeide wetten zijn bepalingen opgenomen om te voorkomen dat er na hetontvangen van de maximumduur van de WGA-uitkering alsnog een rechtop WW-uitkering kan ontstaan.Vraag 4In hoeverre komt er minder geld beschikbaar voor gemeentelijkeminimaregelingen omdat de huurtoeslag en het kindgebonden budgetverhoogd worden?Antwoord 4De middelen voor gemeentelijke minimaregelingen zijn middelen die opde begroting van gemeenten zelf staan en afkomstig zijn uit het gemeen-tefonds. Er is geen directe koppeling tussen deze middelen en de extramiddelen die het kabinet vrij maakt voor de huurtoeslag en het kindge-bonden budget.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 83 Vraag 5In de dekkingsmaatregelen en uitvoeringsinformatie SZW in de Miljoe-nennota is te lezen dat de uitvoeringstegenvaller van 252 miljoen euro opde WIA in 2025 intertemporeel gedekt wordt op de SZW-begroting; waarkomt deze dekking precies vandaan?Antwoord 5De tegenvaller op de WIA is onderdeel van de uitvoeringstegenvaller opde SZW-begroting. De grootste dekkingsbron is de beleidsmatige vrijvalvan middelen voor de verruiming van het loonkostenvoordeel Banenaf-spraak, onderdeel van het wetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak.Dit wetsvoorstel wordt met een jaar uitgesteld, waardoor er in 2026middelen vrijvallen. Daarnaast is de invoering van het wetsvoorstelParticipatiewet in balans met een half jaar uitgesteld. Dit zorgt voor lagereuitgaven in 2025, deze vrijval is ook ingezet. Deze wetsvoorstellen zijn nietuitgesteld ten behoeve van de uitvoeringstegenvaller maar de beoogdeinvoeringsdata waren niet langer haalbaar. Verder worden er onder meermiddelen aangewend die gereserveerd waren om gemeenten te compen-seren voor de beoogde bijzondere verhoging van het wettelijkminimumloon (WML) voor medewerkers in de Wet Sociale werkvoor-ziening (Wsw) met 1,2% per 1 juli 2024. Deze bijzondere verhoging is nietdoorgegaan, hierdoor vallen deze middelen vrij.Vraag 6Op pagina 52 van de Miljoenennota staat een tabel waarin zichtbaar is dater 75 miljoen structureel beschikbaar komt voor een integraal pakketproblematische schulden, startend met 24 miljoen; waarom bouwt ditbedrag op naar 100 miljoen vanaf 2028?Antwoord 6De reeks loopt in 2028 op naar € 100 miljoen, omdat voor de realisatie vande maatregelen één loket voor overheidsincasso en een integraalschuldenoverzicht vanaf dat jaar meer middelen benodigd zijn. Destructurele middelen komen uit op € 75 miljoen, omdat de structureelbenodigde onderhoudskosten voor het integraal schuldenoverzicht lagerzijn dan de implementatiekosten in de periode tot en met 2030.Vraag 7Hoe vaak heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) in 2023 eenovertreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml)vastgesteld? Hoe vaak heeft de NLA in 2023 een werkgever die inovertreding was vervolgens verzocht om het onbetaalde loon van eenwerknemer alsnog uit te betalen? In hoeveel van de gevallen is datvervolgens ook daadwerkelijk uitbetaald?Antwoord 7De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in 2023 bij 1.229 werkgevers eenWML-onderzoek gedaan en daarvan bij 189 werkgevers een geconstateerdfeit met betrekking tot onderbetaling gevonden waarbij 498 werknemerswaren betrokken. Daarvan heeft de Arbeidsinspectie bij 166 werkgeverseen verzoek tot nabetaling gedaan. Daarbij is relevant dat niet allewetsartikelen van de WML gaan over onderbetaling. In hoeveel gevallenook daadwerkelijk is uitbetaald valt over deze periode nog niet te zeggenomdat veel handhavingstrajecten hiervan nog lopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 84 Vraag 8Hoe vaak heeft de NLA in 2023 een overtreding van de Wet arbeidvreemdelingen (Wav) vastgesteld? In hoeveel gevallen heeft de NLA nazo’n vaststelling ook een onderzoek ingesteld naar het Wml? In hoeveelgevallen is de werkgevers vervolgens ook verzocht het onbetaalde loon tebetalen en zijn de werknemers ook uitbetaald?Antwoord 8In 2023 heeft de Arbeidsinspectie 2.531 werkgevers geïnspecteerd opnaleving van de WAV en daarvan bij 845 werkgevers een geconstateerdfeit met betrekking tot de WAV gevonden. Hierbij waren 1.845 werknemersbetrokken. Bij de 845 werkgevers met een geconstateerd feit op de WAV,heeft de Arbeidsinspectie 284 keer ook een onderzoek naar de nalevingvan de WML gedaan. En daarbij 154 keer een geconstateerd feit metbetrekking tot onderbetaling gevonden. Daarvan hebben we bij 115werkgevers een verzoek tot nabetaling gedaan. Relevant daarbij is datdeze 284 WML-onderzoeken een subset zijn uit het antwoord op vraag 7.In hoeveel gevallen ook daadwerkelijk is uitbetaald valt over deze periodenog niet te zeggen omdat veel handhavingstrajecten hiervan nog lopen.Vraag 9Hoe vaak is de wet Ketenaansprakelijkheid toegepast om tot effectievenabetaling van werknemers te komen? Is er in deze gevallen ookdaadwerkelijk door werkgevers of opdrachtgevers in de keten uitbetaald?Antwoord 9Er is geen zicht op hoe vaak werknemers ketenaansprakelijkheid voor looninroepen om tot effectieve nabetaling te komen. Dit is een civielrechtelijkeaansprakelijkheid. Er is daarbij ook geen zicht of er daadwerkelijk doorwerkgevers of opdrachtgevers in de keten is uitbetaald toen dewerknemer zich meldde bij de opdrachtgever, of dat hier procedures overgevoerd moesten worden. Wel blijkt uit de evaluatie van de Wet aanpakschijnconstructies (Was), waarmee ketenaansprakelijkheid voor loon isgeïntroduceerd, dat ketenaansprakelijkheid ook een preventieve werkingheeft. Dit blijkt uit het feit dat in verschillende sectoren preventievemaatregelen zijn genomen om correcte betaling te waarborgen, zoalssectorale keurmerken. Tevens is de bewustwording over het belang vannaleving van de geldende arbeidsvoorwaarden in de keten toegenomen.Daarnaast is zichtbaar dat ketenaansprakelijkheid niet alleen doorindividuele werknemers wordt ingeroepen, maar ook wordt gebruikt doorvakbonden om onderbetaling tegen te gaan. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL-:RBNNE:2020:4471, Rechtbank Noord-Nederland, 7123230 CV EXPL18-7167 (rechtspraak.nl)Vraag 10In het kader van bestaanszekerheid: welke definities bestaan er voor hetaantal chronisch zieken in Nederland en hoeveel volwassenen en kinderenzouden onder deze definities vallen in de huidige bevolking?Antwoord 10Een eenduidige definitie van deze groep bestaat niet. Op basis van deNivel zorgregistraties 1e lijn gaan we uit van ruim 10 miljoen mensen metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 85 een chronische aandoening.1 Van de groep met een chronischeaandoening heeft in 2023 5,5 miljoen personen gedurende 2023 contactgehad met de huisarts.2Op basis van deze definitie komt het aantalkinderen met een chronische aandoening uit op circa 1,5 miljoen (40% vantotaal). Onderzoek van het Verwey Jonker instituut en het Nivel komenvoor 0 tot 25 jaar uit op een circa een kwart van deze groep, wat eenvergelijkbaar percentage is als waar het Universiteit Medisch CentrumUtrecht op uit is gekomen (27% van de kinderen). Daarnaast is op basisvan de gezondheidsenquête van het CBS bekend dat ongeveer 30% vande mensen 1 of meerdere langdurige aandoeningen heeft.Daarnaast zijn er in het verleden regelingen geweest om bepaaldegroepen te compenseren, bijvoorbeeld de compensatieregelingen eigenrisico (CER) en de algemene tegemoetkoming op basis van de Wettegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Op basis vande criteria (zorggebruik en zorgindicaties) betrof de doelgroep van dieregelingen destijds circa 2 miljoen personen (zie ook onderstaandevragen).Vraag 11In het kader van bestaanszekerheid: welke criteria golden er om inaanmerking te komen voor de Wet tegemoetkoming chronisch zieken engehandicapte toen deze werd afgeschaft en hoeveel mensen zoudenervoor in aanmerking komen als deze nu zou worden ingevoerd?Antwoord 11Bij het vaststellen of een persoon recht had op een tegemoetkoming opgrond van de Wtcg en voor de hoogte van de tegemoetkoming baseerdehet CAK zich op de afbakeningscriteria die door de Minister van VWSwaren vastgesteld. De wet is per 2014 afgeschaft.In de Wtcg waren een zevental criteria benoemd op basis waarvan dedoelgroep wordt gevonden en op basis waarvan de hoogte van detegemoetkoming wordt bepaald. Het betreft de volgende criteria:1.Het gebruik van ziekenhuiszorg voor een specifieke aandoening2.Het gebruik van geneesmiddelen voor een specifieke aandoening3.Het gebruik van revalidatiezorg4.Het gebruik van (chronische) fysiotherapie5.Het gebruik van gespecificeerde hulpmiddelen6.Indicatie AWBZ-zorg (intramuraal en extramuraal)7.Indicatie Wmo-zorg (intramuraal en extramuraal).Later is daar de hoogte van het inkomen als criteria bijgekomen.Het is niet bekend hoeveel mensen anno 2024 in aanmerking zoudenkomen voor de Wtcg. Bij invoering in 2009 betrof het aantal rechtheb-benden ruim 2 miljoen personen, wat werd verlaagd tot 1,3 miljoen toende regeling inkomensafhankelijk werd (2013). Het is aannemelijk dat ditaantal conform deze definitie iets is toegenomen door stijging van degemiddelde leeftijd en de toename van aantal chronisch zieken.De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg van hetMinisterie van VWS merkt tot slot op dat bij de Wtcg op basis vanzorggebruik of indicatie aannemelijk werd geacht dat er sprake was vaneen chronische aandoening of beperking met bijbehorende meerkosten,waarbij dit in de werkelijkheid genuanceerder bleek te liggen (veel1www.vzinfo.nl2www.staatvenz.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 86 mensen vonden dat ze onterecht bestempeld werden als chronisch ziek ofbeperkt). Ook was de regeling lastig uitvoerbaar.Vraag 12In het kader van bestaanszekerheid: welke criteria golden er om inaanmerking te komen voor de Compensatieregeling Eigen Risico(CER-)regeling toen deze werd afgeschaft en hoeveel mensen zoudenervoor in aanmerking komen als deze nu zou worden ingevoerd?Antwoord 12De beoogde doelgroep voor de CER-uitkering bestond uit chronisch ziekenen gehandicapten die op grond van een chronische aandoening meerderejaren achtereen hun verplicht eigen risico voor de zorgverzekering zoudenvolmaken. Omdat er geen bruikbare definitie van «chronisch ziek ofgehandicapt» is, werd destijds de doelgroep op basis van zorggebruikbepaald. Verzekerden met meerjarige, onvermijdbare zorgkosten enverzekerden die langdurig in een instelling voor langdurige zorg verblevenhadden recht op een CER-uitkering. In nadere regelgeving is de preciezeinvulling bepaald. Deze voorwaarden zijn tussen de introductie in 2008 enafschaffing in 2015 verschillende malen aangepast, maar kwamen inhoofdlijnen neer op:•Verzekerden die minimaal 180 dagdoseringen van (bepaalde)medicijnen gebruikten in de twee jaren voorafgaand aan het jaarwaarin zij de CER ontvingen (in het risicovereveningssysteem inbepaalde jaren in een bepaalde farmaceutische kostengroep, FKG,waren ingedeeld).•Verzekerden die hoge kosten voor medisch-specialistische zorg haddengemaakt (in het risicovereveningsysteem in bepaalde jaren in eenbepaalde diagnose kostengroep, DKG, waren ingedeeld).•Mensen die op 1 juli van enig jaar meer dan een half jaar aaneenslotenin een AWBZ-instelling verbleven.Voor de volledigheid merkt de Minister van VWS op dat de regelingongericht en ondoelmatig bleek. Een aanzienlijk deel van de mensen dietot de doelgroep zouden moeten behoren (oftewel mensen die meerderejaren achtereen hun verplicht eigen risico voor de zorgverzekering zoudenvolmaken), kregen de compensatie niet. En andersom was er van demensen die niet tot de doelgroep zouden behoren (die dus niet het eigenrisico volmaakten) een aanzienlijk deel die de compensatie wel kregen.Voor deze, en andere vergelijkbare regelingen die destijds zijn afgeschaft,is een deel van de financiële middelen structureel aan het gemeentefondstoegevoegd (370 miljoen per jaar cf. huidige prijspeil), die wordt ingezetvoor de zorg- en hulpbehoeften van hun burgers.In 2013 betrof het circa 2,2 miljoen rechthebbenden. Het is aannemelijkdat dit aantal conform deze definitie iets is toegenomen door stijging vande gemiddelde leeftijd en de toename van het aantal chronisch zieken.Vraag 13In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken hun eigenrisico vol?Antwoord 13Voor 2024 wordt ervan uitgegaan dat 7,2 miljoen mensen (ongeveer 50%van de volwassen verzekerden) hun volledige verplicht eigen risicohebben volgemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 87 Vraag 14In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naarschatting al drie jaar op rij hun eigen risico vol?Antwoord 14De meest recente data is beschikbaar over de periode 2019 tot en met2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 4 miljoen mensen driejaar op rij hun verplicht eigen risico vol.Vraag 15In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naarschatting al vijf jaar op rij hun eigen risico vol?Antwoord 15De meest recente data is beschikbaar over de periode 2017 tot en met2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 3 miljoen mensen vijfjaar op rij hun verplicht eigen risico vol.Vraag 16In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naarschatting al zeven jaar op rij hun eigen risico vol?Antwoord 16De meest recente data is beschikbaar over de periode 2015 tot en met2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 2,5 miljoen mensenzeven jaar op rij hun verplicht eigen risico vol.Vraag 17In het kader van bestaanszekerheid: hoeveel mensen maken naarschatting al tien jaar op rij hun eigen risico vol?Antwoord 17De meest recente data is beschikbaar over de periode 2012 tot en met2021. Gedurende deze periode maakten ongeveer 2 miljoen mensen tienjaar op rij hun verplicht eigen risico vol.Vraag 18Wat is de financiering van de NLA in de jaren 2020, 2021, 2022, 2023, 2024,2025, 2026 en 2027? Welke fte’s horen daarbij?Antwoord 18Jaarbudget in €*1 mlnbezetting in fte per ultimo20201521.38720211621.51020221721.59120231941.75320242241.75920252171.82820262191.817Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 88 Jaarbudget in €*1 mlnbezetting in fte per ultimo20272191.807 Ter toelichting: De cijfers tot en met 2023 hebben als bron de jaarver-slagen van de inspectie.3 Het opgenomen getal budget 2024 is de huidigeprognose van de financiering 2024 tot eind van het jaar. De jaren 2025 enverder hebben als bron de stand van de budgetten van de Arbeidsin-spectie in de SZW-begroting inclusief nog te verwerken toegezegdeaanpassingen.In de groei van de bezetting van ultimo 2022 naar ultimo 2023 is deuitbreiding van de Arbeidsinspectie met 90 fte voor de WTTA opgenomen.Deze fte worden in afwachting van de invoering van de WTTA ingezetvoor controles op uitzendbureaus. In de brief aan de kamer «Uitvoering enlagere regelgeving Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeids-krachten» van 25 oktober 2024 is aangekondigd dat het toezicht van deArbeidsinspectie op de uitzendsector in aanvulling hierop vanaf 2025verder wordt geïntensiveerd met 35 fte. Daarbij is er vanaf 2025 ook eenuitbreiding voor het uitvoeren van de Wet gegevensuitwisseling samen-werkingsverbanden voorzien.Het verschil in budget tussen 2024 en 2025 is vooral te verklaren doordater in de loop van een begrotingsjaar nog budgetten bijkomen. Met namevoor ICT komt op basis van investeringsplannen na goedkeuring hetbudget in de loop van volgend jaar ter beschikking. Ook voormedewerkers banenafspraak wordt in de loop van het jaar op basis vanwerkelijk aantal in dienst zijnde medewerkers uit deze groep deelsdekkende vergoeding in het budget ter beschikking gesteld. Dezemiddelen zijn nog niet verwerkt in de tabel in het budget voor de jaren2025 en verder.Vraag 19Hoeveel intakes met mogelijke slachtoffers van arbeidsuitbuiting heeft dedirectie Opsporing van de NLA in 2023 gevoerd? In hoeveel gevallen is degeringste aanwijzing vastgesteld en de bedenktijd aangeboden? Inhoeveel gevallen is er vervolgens aangifte gedaan? In hoeveel gevallenheeft dit geleid tot een onderzoek naar arbeidsuitbuiting? Hoeveel vandeze zaken zijn er vervolgens geseponeerd? Hoeveel van deze zakenhebben geleid tot een rechtszaak? In hoeveel van deze gevallen is er eenveroordeling van arbeidsuitbuiting uit voortgekomen?Antwoord 19De Arbeidsinspectie publiceert geregeld over haar werkwijze, werkzaam-heden en resultaten ten aanzien van arbeidsuitbuiting en ernstigebenadeling. Zie onder meer de uitgebreide rapportage over haar aanpakin 20214, verschillende monitors5 en factsheets6, en het jaarverslag 20233Zie: Jaarplannen en -verslagen | Nederlandse Arbeidsinspectie | Nederlandse Arbeidsinspectie(nlarbeidsinspectie.nl)4Rapportage Inspectie SZW: kostenvoordelen en arbeidsuitbuiting | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl5Monitor arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling 2020-2021 | Publicatie | NederlandseArbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl)6Factsheet arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling 2022 | Publicatie | Nederlandse Arbeidsin-spectie (nlarbeidsinspectie.nl) en Factsheet arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling 2023 |Publicatie | Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 89 van de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie.7 Deze informatietezamen geeft een goed beeld van de prestaties en doorontwikkeling.Uit de factsheet 2023 en het jaarverslag 2023 van de Opsporingsdienstblijkt het volgende. In 2023 heeft de Arbeidsinspectie 47 intakes gevoerdmet potentiële slachtoffers.Er zijn 33 geringste aanwijzingen vastgesteld, waarna 28 slachtoffersaangifte hebben gedaan. In 2023 zijn 11 onderzoeken arbeidsuitbuitingafgerond door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie, waaronder 6ontnemingsdossiers. In een ontnemingsdossier wordt aangegeven wat degeschatte verdiensten zijn van de verdachte aan een strafbaar feit.Daarnaast blijkt uit de factsheet 2023 dat in 2023 in totaal 225 meldingenover mogelijke ernstige benadeling zijn binnengekomen. In 2023 zijn 38onderzoeken afgesloten waarbij ernstige benadeling is geconstateerd.Daarbij werden 182 werkenden ernstig benadeeld. Dit betreft vooralNederlanders (18%) en Chinezen (13%).Er kan geen antwoord gegeven worden op de vraag hoeveel onderzoekenarbeidsuitbuiting zijn gevolgd door een sepot of tot een rechtszaak enveroordelingen. Immers, de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie isverantwoordelijk voor een zaak tot en met het inleveren van een procesverbaal bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. HetFunctioneel Parket is verantwoordelijk voor de resultaten met betrekkingtot de verdere afdoeningen, zoals strafzaken waarin het Functioneel Parketeen straf heeft opgelegd of tot een sepot is gekomen, dan wel waarin eenrechtbank uitspraak heeft gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat deresultaten van het Functioneel Parket veelal zien op strafzaken die deOpsporingsdienst van de Arbeidsinspectie eerder (soms jaren) heeftafgerond.Vraag 20Hoe vaak heeft een werkplekinspectie in 2023 van de NLA geleid tot eenintake en aangifte van een mogelijk slachtoffer van arbeidsuitbuiting? Hoevaak heeft dit vervolgens geleid tot een onderzoek en rechtszaak?Antwoord 20Deze vraag is niet te beantwoorden omdat dit niet exact centraal wordtgeregistreerd. In algemene zin geldt dat de meeste intakes en aangiftesvoortkomen uit meldingen. Die meldingen kunnen komen vanuit demensen zelf, collega’s, andere diensten, gemeenten of de eigenorganisatie.Naast de situaties van mogelijke arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zinonderscheidt de Arbeidsinspectie ook situaties van mogelijke ernstigebenadeling. In 2023 betrof dit 38 onderzoeken waarbij 182 werkendenernstig zijn benadeeld.8 Voor een uitgebreidere beschrijving van dewerkwijze en resultaten van de Arbeidsinspectie wordt verwezen naar deverschillende publicaties die in het antwoord op vraag 19 wordengenoemd.Ter illustratie van de afwegingen waarvoor mensen die slachtoffer vanarbeidsuitbuiting zijn, kunnen staan, wordt verwezen naar de ervaringen7Jaarverslag 2023 Opsporingsdienst | Jaarverslag | Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsin-spectie.nl)8Factsheet arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling 2023 | Publicatie | Nederlandse Arbeidsin-spectie (nlarbeidsinspectie.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 810 van vier vrachtwagenchauffeurs. Hun ervaringen staan beschreven in hetjaarverslag 2023 van de Arbeidsinspectie.9Vraag 21Kunt u aangeven hoeveel geld het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV) uitgeeft aan lobby-activiteiten?Antwoord 21UWV heeft geen afzonderlijke begrote middelen voor lobby-activiteiten.Wel is het voeren van gesprekken met maatschappelijke en politiekestakeholders onlosmakelijk verbonden met de uitvoering van demaatschappelijke opdracht van UWV. Het gaat hierbij onder meer omcontact met cliëntenraden, vakbonden, werkgeversorganisaties, deNationale ombudsman, verzekeraars, pensioenfondsen, uitzendsectorbe-drijven, arbodiensten, Kamerleden, gemeenten en andere publiekedienstverleners zoals SVB, DUO en Belastingdienst. Bij politieke wensenen vragen uit de samenleving om maatregelen te treffen zijn haalbaarheiden uitvoerbaarheid steevast belangrijke punten van aandacht evenals degevolgen ervan, zowel bedoeld als onbedoeld, positief of negatief, voorde cliënten van UWV. Daarbij wordt van publieke dienstverleners steedsmeer verwacht om dit gesprek proactief te voeren en relevante informatieactief te delen. Het belang hiervan wordt onder andere benadrukt in heteindrapport «Klem tussen balie en beleid» van de Tijdelijke commissieUitvoeringsorganisaties (TCU).Vraag 22Kunt u aangeven welk deel van het budget voor het UWV gereserveerd isvoor externe inhuur?Antwoord 22UWV heeft voor 2024 een bedrag van € 147,5 miljoen begroot voorexterne inhuur.Vraag 23Kunt u aangegeven onder welke post vervanging van ziekte of zwanger-schap bij eigen personeel opgenomen is in de begroting van het UWV?Antwoord 23Deze vervanging wordt in de UWV-begroting niet gebudgetteerd.Vraag 24Kunt u aangeven hoeveel fte er begroot is voor het beantwoorden vanschriftelijke vragen vanuit de Tweede Kamer?Antwoord 24Het Ministerie van SZW begroot geen afzonderlijke fte voor het beant-woorden van schriftelijke vragen vanuit de Tweede Kamer. Het beant-woorden van Kamervragen is onderdeel van het reguliere werk vanbeleidsambtenaren en medewerkers van de staf. In algemene zin kan9zie pagina 26 tot en met 33 van: Jaarverslag 2023 | Jaarverslag | Nederlandse Arbeidsinspectie(nlarbeidsinspectie.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 811 worden aangegeven dat bijvoorbeeld het beantwoorden van dezeschriftelijke vragen bij de begroting binnen de gevraagde deadline deinzet vraagt van veel medewerkers van het Ministerie van SZW en vanandere betrokkenen, waaronder de uitvoeringsorganisaties.Vraag 25Kunt u aangeven hoeveel fte werkzaam is op het Ministerie van SZW enhoe het verloop daarvan is in de laatste tien jaar?Antwoord 25Onderstaande tabel geeft het overzicht van het verloop van het aantal ftevoor de laatste 10 jaar voor SZW kerndepartement, de Rijksschoonmaak-organisatie (RSO) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA).Per ultimo jaarSZW – KernNLARSOTotaal FTE20151879905121.797201619939962602.24820171.1001.1283982.62620181.1811.2486163.04420191.2241.3347543.31220201.3061.3861.0483.73920211.4231.5111.1904.12420221.6181.5911.2814.49020231.7361.7521.3594.84709/20241.7841.7951.3774.9561 Het aantal FTE voor 2015 en 2016 kan niet geverifieerd worden aangezien de brondata nietbeschikbaar is.Bron: P-Direkt Vraag 26Hoeveel budget heeft u gereserveerd voor de hervorming van de WIA?Antwoord 26Het rapport van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsonge-schiktheidsstelsel (OCTAS) wordt momenteel uitgewerkt in beleidsopties.Op dit moment is nog niet duidelijk welke maatregelen genomen gaanworden en welk financieel beslag die hebben.Er zijn geen middelen specifiek gereserveerd voor een hervorming van deWIA. In de envelop «groepen in de knel» is een reservering opgenomenvoor een aantal beleidsonderwerpen, waaronder de uitwerking van devoorstellen OCTAS.Het bedrag van deze reservering varieert in de komende jaren tussen de€ 100 en € 200 miljoen en bedraagt vanaf 2039 structureel € 412 miljoen.Deze middelen zijn niet specifiek gereserveerd voor hervorming van deWIA.Vraag 27Welke wijziging in beleid en bij de uitvoerende organisaties is er nodig omkinderbijslag per maand uit te keren in plaats van per kwartaal?Antwoord 27Momenteel is niet in kaart gebracht wat er exact nodig is om de kinder-bijslag per maand uit te keren in plaats van per kwartaal. In ieder gevalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 812 zou er wetswijziging nodig zijn, waarbij een wetstraject zo’n twee jaarduurt. Daarna volgt nog een nader te bepalen periode voor implemen-tatie.De huidige uitvoeringspraktijk zal aangepast moeten worden. Het permaand uitbetalen is uitvoeringstechnisch mogelijk, maar er zijn wijzi-gingen nodig in de ICT-systemen en werkwijzen van de SVB omdat dezenu zijn ingericht op uitbetaling per kwartaal. Het aanpassen van de ICTkost capaciteit en tijd. Momenteel is de peildatum van de kinderbijslag opde eerste dag van het kalenderkwartaal. Op deze datum wordt bekekendoor de SVB wat het recht is op de zogenaamde peildatum. Wanneer dekinderbijslag maandelijks uitbetaald zou worden, zou ook moeten gekekenworden welk peilmoment daarbij past. Als bij maandelijks uitbetalen dekinderbijslag ook maandelijks gepeild zou moeten worden, zouden er 8peilmomenten worden toegevoegd aan de kinderbijslag, daar waar het ernu 4 zijn (kwartaalsystematiek). Hier zal door de SVB een uitvoeringstoetsop moeten worden uitgebracht om na te gaan wat de exacte gevolgenvoor de uitvoering zijn.Verder leidt het maandelijks uitkeren van kinderbijslag in plaats van perkwartaal tot incidentele uitvoeringskosten als gevolg van systeemwijzi-gingen. Mogelijk leidt deze wijziging ook tot een toename van destructurele uitvoeringskosten, dit vanwege de wijziging van 4 naar 12betalingen per jaar.Vraag 28Welke stijging heeft een bijstandsuitkering (alleenstaand en samen-wonend) doorgemaakt tussen 2009 en 2024 in percentage en absoluteeuro’s? Kunt u hiervan een grafiek tonen en een tabel met een uitsplitsingper halfjaarlijkse stijging in percentage en euro’s?Antwoord 28In de onderstaande tabel worden de normbedragen voor de bijstandsuit-kering voor alleenstaanden en samenwonenden gegeven. Daarbij moetworden opgemerkt dat de norm voor alleenstaanden tot 1 januari 2015 opeen andere systematiek gebaseerd was. Het normbedrag op basis van hettoenmalige artikel 21 van de Wet werk en bijstand was een basisnorm enbedroeg 50% van de norm voor gehuwden. Daarnaast konden alleen-staanden een toeslag krijgen als zij noodzakelijke bestaanskosten niet ofbeperkt konden delen met in aanmerking te nemen medebewoners.10Deze toeslag was geregeld in het toenmalige artikel 25 van de Wet werken bijstand. Het was aan het college om de hoogte van de toeslag tebepalen. Het artikel schreef wel een maximale hoogte van de toeslag voor,gelijk aan 20% van de gehuwdennorm. Deze maximale toeslag is voor devolledigheid in de tabel opgenomen en in de grafiek gevisualiseerd. Metde invoering van de uniforme kostendelersnorm per 1-1-2015 is afgestaptvan deze systematiek (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkeleandere wetten, Stb 2014–269). Sindsdien is de bijstandsnorm vooralleenstaanden, voor eventuele toepassing van de kostendelersnorm, 70%van de gehuwdennorm.10Voor alleenstaande ouders gold daarnaast nog een extra toeslag van 20% van het nettoreferentieminimumloon. Deze is met de invoering van de alleenstaande ouderkop per1 januari 2015 komen te vervallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 813 Tabel: Normbedragen bijstand alleenstaande & gehuwden (of daaraan gelijkgestelden), 2009–2024AlleenstaandeGehuwdenNormbedragMax toeslagtot 1-1-2015Toenamenormbedrag(€)Toenamenormbedrag(%)NormbedragToename (€)Toename (%)1-1-2009€ 641,931€ 256,77€ 5,240,82%€ 1.283,86€ 10,490,82%1-7-2009€ 647,541€ 259,01€ 5,610,87%€ 1.295,07€ 11,210,87%1-1-2010€ 649,521€ 259,81€ 1,980,31%€ 1.299,04€ 3,970,31%1-7-2010€ 652,191€ 260,87€ 2,670,41%€ 1.304,37€ 5,330,41%1-1-2011€ 656,931€ 262,77€ 4,740,73%€ 1.313,85€ 9,480,73%1-7-2011€ 659,931€ 263,97€ 3,000,46%€ 1.319,85€ 6,000,46%1-1-2012€ 668,211€ 267,28€ 8,281,25%€ 1.336,42€ 16,571,26%1-7-2012€ 668,441€ 267,37€ 0,230,03%€ 1.336,87€ 0,450,03%1-1-2013€ 660,981€ 264,39€ -7,46– 1,12%€ 1.321,96€ -14,91– 1,12%1-7-2013€ 661,771€ 264,71€ 0,790,12%€ 1.323,53€ 1,570,12%1-1-2014€ 677,271€ 270,91€ 15,502,34%€ 1.354,54€ 31,012,34%1-7-2014€ 679,751€ 271,90€ 2,480,37%€ 1.359,49€ 4,950,37%1-1-2015€ 960,83€ 281,0841,35%€ 1.372,62€ 13,130,97%1-7-2015€ 962,63€ 1,800,19%€ 1.375,18€ 2,560,19%1-1-2016€ 972,70€ 10,071,05%€ 1.389,75€ 14,571,06%1-7-2016€ 977,15€ 4,450,46%€ 1.395,93€ 6,180,44%1-1-2017€ 982,79€ 5,640,58%€ 1.403,98€ 8,050,58%1-7-2017€ 986,52€ 3,730,38%€ 1.409,31€ 5,330,38%1-1-2018€ 992,12€ 5,600,57%€ 1.417,32€ 8,010,57%1-7-2018€ 996,56€ 4,440,45%€ 1.423,66€ 6,340,45%1-1-2019€ 1.025,55€ 28,992,91%€ 1.465,07€ 41,412,91%1-7-2019€ 1.030,42€ 4,870,47%€ 1.472,03€ 6,960,48%1-1-2020€ 1.052,32€ 21,902,13%€ 1.503,31€ 31,282,12%1-7-2020€ 1.059,03€ 6,710,64%€ 1.512,90€ 9,590,64%1-1-2021€ 1.075,44€ 16,411,55%€ 1.536,34€ 23,441,55%1-7-2021€ 1.078,70€ 3,260,30%€ 1.541,00€ 4,660,30%1-1-2022€ 1.091,71€ 13,011,21%€ 1.559,58€ 18,581,21%1-7-2022€ 1.101,82€ 10,110,93%€ 1.574,03€ 14,450,93%1-1-2023€ 1.195,66€ 93,848,52%€ 1.708,08€ 134,058,52%1-7-2023€ 1.216,62€ 20,961,75%€ 1.738,02€ 29,941,75%1-1-2024€ 1.283,83€ 67,215,52%€ 1.834,04€ 96,025,52%1-7-2024€ 1.308,45€ 24,621,92%€ 1.869,21€ 35,171,92%1 Normbedrag alleenstaande op basis van Wet Werk en BijstandBron: normenbrieven SZW Grafiek: Ontwikkeling normbedragen bijstand alleenstaande & gehuwden (of daaraangelijkgestelden), 2009–2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 814 Vraag 29Welke stijging heeft een WW-uitkering doorgemaakt tussen 2009 en 2024in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven enin een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage eneuro’s?Antwoord 29Onderstaand de gevraagde cijfers per jaar. Halfjaarlijkse cijfers heeft UWVniet voorhanden.Aantaluitkeringenultimo jaar(dzd)GemiddeldejaaruitkeringGroei gemid-delde jaaruit-keringBron2009270,02010263,82011269,919.074Juninota 20122012340,218.9790%Juninota 20132013437,719.1281%Juninota 20142014440,918.891– 1%Juninota 20152015445,918.774– 1%Juninota 20162016412,016.931– 10%Juninota 20172017330,017.3062%Juninota 20182018262,717.9404%Juninota 20192019223,518.9075%Juninota 20202020285,718.9390%Juninota 20212021191,819.0351%Juninota 20222022149,219.9735%Juninota 20232023160,822.43812%Juninota 202420241179,423.9267%Juninota 20241 Cijfers over 2024 zijn ramingen. Vraag 30Welke stijging heeft een Algemene Ouderdomswet (AOW-)uitkering(alleenstaand en samenwonend) doorgemaakt tussen 2009 en 2024 inpercentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiek weergeven en ineen tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging in percentage eneuro’s?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 815 Antwoord 30In grafiek 1 wordt de toename van de bruto AOW inclusief vakantietoeslagen IOAOW (inkomensondersteuning AOW) per half jaar voor alleen-staanden en gehuwden weergegeven in absolute euro’s. In grafiek 2wordt de procentuele toename van de bruto AOW inclusief vakantie-toeslag en IOAOW per half jaar voor alleenstaanden en gehuwdenweergegeven. In de tabel zijn de onderliggende cijfers van de tweegrafieken inzichtelijk gemaakt.De halfjaarlijkse stijging van de netto AOW is grotendeels afhankelijk vande stijging van het netto WML (Wet minimumloon). Daarnaast wordt hetvakantiegeld afgeleid van het wettelijke vakantiegeld van 8% dat hoort bijhet minimumloon. De hoogte van de IOAOW wordt eens per jaarvastgesteld, hierdoor is de toename van de bruto AOW inclusief vakan-tiegeld en IOAOW in juli doorgaans lager dan in januari. Dit resulteert ineen golfbeweging in grafiek 1 en 2. De IOAOW is per 1 januari 2023verlaagd naar € 5 per jaar en wordt per 1 januari 2025 afgeschaft. Derelatief hoge toename van de bruto AOW in de jaren 2022 tot en met 2024is het gevolg van de hogere indexatie van het minimumloon als gevolgvan de hogere inflatiecijfers. Figuur 1: Toename bruto AOW maanduitkering inclusief vakantiegeld en IOAOW perhalf jaar in absolute euro’sTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 816 Tabel: Toename hoogte en procentuele toename bruto AOW maanduitkering inclusiefvakantiegeld en IOAOW per half jaar voor alleenstaanden en gehuwden.MaandGehuwdenProcentueletoename voorgehuwdenAlleenstaandenProcentueletoename vooralleenstaanden1-1-2009€ 0,000%€ 0,000%1-7-2009€ 7,550,98%€ 9,910,90%1-1-2010€ 2,390,31%€ 4,400,40%1-7-2010€ 2,880,37%€ 4,840,43%1-1-2011€ 9,061,15%€ 12,051,07%1-7-2011€ 3,780,48%€ 5,720,51%1-1-2012€ 6,340,80%€ 8,990,79%1-7-2012€ 3,050,38%€ 3,990,35%1-1-2013€ 1,070,13%€ 9,190,80%1-7-2013€ 1,030,13%€ 2,270,20%1-1-2014€ 9,371,16%€ 13,751,18%1-7-2014€ 3,380,42%€ 5,820,49%1-1-2015€ 1,970,24%€ 5,050,43%1-7-2015€ 2,780,34%€ 3,900,33%1-1-2016€ 16,752,01%€ 24,942,06%1-7-2016€ 5,590,67%€ 7,490,62%1-1-2017€ 5,160,61%€ 7,760,63%1-7-2017€ 5,490,64%€ 6,990,57%1-1-2018€ 7,660,89%€ 12,801,03%1-7-2018€ 6,140,71%€ 7,010,56%1-1-2019€ 21,762,45%€ 36,492,83%1-7-2019€ 6,970,78%€ 9,940,77%1-1-2020€ 17,251,89%€ 29,722,24%1-7-2020€ 8,440,92%€ 11,950,89%1-1-2021€ 15,591,67%€ 24,571,80%1-7-2021€ 5,460,58%€ 8,130,59%1-1-2022€ 10,961,15%€ 14,751,06%1-7-2022€ 12,201,27%€ 16,931,21%1-1-2023€ 61,455,99%€ 98,336,54%1-7-2023€ 22,392,14%€ 31,662,06%1-1-2024€ 54,544,95%€ 83,505,16%1-7-2024€ 21,391,90%€ 30,361,84% Vraag 31Welke stijging heeft het wettelijk minimumloon doorgemaakt tussen 2009en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiekweergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging inpercentage en euro’s?Figuur 2: Procentuele toename van het bruto AOW inclusief vakantiegeld en IOAOWper half jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 817 Antwoord 31Voor de beantwoording van deze vraag is voor de periode tot en met 2023uitgegaan van het minimumloon per uur op basis van een 38-urigewerkweek. Gekozen is voor een bedrag per uur, omdat een bedrag per uurbeter te vergelijken is met het minimumuurloon dat per 1 januari 2024 isingevoerd, en dat volledig is gebaseerd op een 36-urige werkweek.Gekozen is voor één bedrag, omwille van de eenvoud van de grafiek enhet beperken van het aantal cijfers in de tabel. Gekozen is voor het bedragop basis van de 38-urige werkweek, omdat dit bedrag het midden houdttussen het hogere bedrag (op basis van een 36-urige werkweek) en hetlagere bedrag (op basis van een 40-urige werkweek) waardoor hetterugkijkend het best de ontwikkeling weergeeft. Alle genoemde cijferszijn bruto en exclusief wettelijk verplichte vakantiebijslag.Per 1 januari 2009 bedroeg het minimumloon € 8,39 per uur voorpersonen van 23 jaar en ouder.Per 1 juli 2024 bedraagt het minimumloon € 13,68 per uur voor personenvan 21 jaar en ouder. In de periode 2009 – 2024 is het minimumloon inabsolute termen met € 5,29 per uur gestegen. Dit komt overeen met eenstijging van 63%. Tabel: ontwikkeling van het wettelijk minimumloon vanaf 2009. De procentuelestijgingen zijn berekend op basis van de afgeronde bedragen.JaarWML in €per maandWML in €per uurStijging in% per halfjaarStijging in %per jaar2009januari€ 1.381,20€ 8,39juli€ 1.398,60€ 8,491,19%2010januari€ 1.407,60€ 8,550,71%1,91%juli€ 1.416,00€ 8,600,58%2011januari€ 1.424,40€ 8,650,58%1,17%juli€ 1.435,20€ 8,720,81%2012januari€ 1.446,60€ 8,790,80%1,62%juli€ 1.456,20€ 8,840,57%2013januari€ 1.469,40€ 8,920,90%1,48%juli€ 1.477,80€ 8,980,67%2014januari€ 1.485,60€ 9,020,45%1,12%juli€ 1.495,20€ 9,080,67%2015januari€ 1.501,80€ 9,120,44%1,11%Figuur: ontwikkeling van het wettelijk minimumloon in absolute termen in € per uur.Tot en met 2023 is het uurbedrag weergegeven op basis van een 38-urige werkweek.Vanaf 2024 is het minimumuurloon weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 818 JaarWML in €per maandWML in €per uurStijging in% per halfjaarStijging in %per jaarjuli€ 1.507,80€ 9,160,44%2016januari€ 1.524,60€ 9,261,09%1,54%juli€ 1.537,20€ 9,340,86%2017januari€ 1.551,60€ 9,430,96%1,84%juli€ 1.565,40€ 9,510,85%2018januari€ 1.578,00€ 9,590,84%1,70%juli€ 1.594,20€ 9,691,04%2019januari€ 1.615,80€ 9,821,34%2,40%juli€ 1.635,60€ 9,941,22%2020januari€ 1.653,60€ 10,051,11%2,34%juli€ 1.680,00€ 10,211,59%2021januari€ 1.684,80€ 10,240,29%1,89%juli€ 1.701,00€ 10,340,98%2022januari€ 1.725,00€ 10,481,35%2,34%juli€ 1.756,20€ 10,671,81%2023januari€ 1.934,40€ 11,7510,12%12,12%juli€ 1.995,00€ 12,123,15%2024januari€ 13,279,49%12,94%juli€ 13,683,09%2025januari€ 14,062,78%5,95% Vraag 32Welke stijging heeft het wettelijk minimumjeugdloon doorgemaakt tussen2009 en 2024 in percentage en absolute euro’s? Kunt u dit in een grafiekweergeven en in een tabel met een uitsplitsing per halfjaarlijkse stijging inpercentage en euro’s?Antwoord 32Net als voor de beantwoording van vraag 31 is voor de periode tot en met2023 uitgegaan van het minimumjeugdloon per uur op basis van een38-urige werkweek. Die bedragen per uur zijn beter te vergelijken met hetminimumuurloon dat per 1 januari 2024 is ingevoerd (op basis van een36-urige werkweek). Alle genoemde cijfers zijn bruto en exclusief wettelijkverplichte vakantiebijslag.Verder is hier uitgegaan van het bedrag dat geldt voor 18-jarigen.Per 1 januari 2009 bedroeg het minimumjeugdloon voor 18-jarigen € 3,82per uur.Per 1 juli 2024 bedraagt het minimumloon voor 18-jarigen € 6,84 per uur.Dit komt overeen met 50% van het minimumloon voor personen van 21jaar en ouder. In de periode 2009 – 2024 is het minimumloon in absolutetermen met € 3,02 per uur gestegen. Dit komt overeen met een stijgingvan 79%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 819 Tabel: ontwikkeling van het wettelijk minimumjeugdloon vanaf 2009. De procentuelestijgingen zijn berekend op basis van de afgeronde bedragen.JaarWML in €per maandWML in €per uurStijging in% per halfjaarStijging in %per jaar2009januari€ 628,45€ 8,39juli€ 636,35€ 8,491,19%2010januari€ 640,45€ 8,550,71%1,91%juli€ 644,30€ 8,600,58%2011januari€ 648,10€ 8,650,58%1,17%juli€ 653,00€ 8,720,81%2012januari€ 658,20€ 8,790,80%1,62%juli€ 662,55€ 8,840,57%2013januari€ 668,60€ 8,920,90%1,48%juli€ 672,40€ 8,980,67%2014januari€ 675,95€ 9,020,45%1,12%juli€ 680,30€ 9,080,67%2015januari€ 683,30€ 9,120,44%1,11%juli€ 686,05€ 9,160,44%2016januari€ 693,70€ 9,261,09%1,54%juli€ 699,45€ 9,340,86%2017januari€ 706,00€ 9,430,96%1,84%juli€ 743,55€ 9,510,85%2018januari€ 749,55€ 9,590,84%1,70%juli€ 757,25€ 9,691,04%2019januari€ 767,50€ 9,821,34%2,40%juli€ 817,80€ 9,941,22%2020januari€ 826,80€ 10,051,11%2,34%juli€ 840,00€ 10,211,59%2021januari€ 842,40€ 10,240,29%1,89%juli€ 850,50€ 10,340,98%2022januari€ 862,50€ 10,481,35%2,34%juli€ 878,10€ 10,671,81%2023januari€ 967,20€ 11,7510,12%12,12%juli€ 997,50€ 12,123,15%2024januari€ 13,279,49%12,94%juli€ 13,683,09%2025januari€ 14,062,78%5,95% Figuur: ontwikkeling van het wettelijk minimumloon voor 18-jarigen in absolutetermen in € per uur. Tot ten met 2023 is het uurbedrag weergegeven op basis van een38-urige werkweek. Vanaf 2024 is het minimumuurloon weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 820 Vraag 33Wat is de ontwikkeling geweest van het mediane brutoloon tussen 2009en 2024? Kunt u dit uitsplitsen per jaar?Antwoord 33Het mediane bruto jaarloon is niet direct beschikbaar via CBS Statline. Welis het mediane bruto persoonlijk inkomen beschikbaar.Onderstaande tabel geeft een overzicht van het mediane persoonlijk brutoinkomen van werknemers. Het persoonlijk bruto inkomen omvat inkomenuit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzeke-ringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinder-bijslag en kindgebonden budget). Omdat hier is gefilterd op het inkomenvan werknemers (personen voor wie inkomen uit arbeid de voornaamsteinkomensbron is), zal dit voornamelijk loon betreffen. De gegevens bevatzowel mensen die in deeltijd als in voltijd werken.De reeks is beschikbaar van vanaf 2011 tot 2022. Voor 2000 tot en met2014 zijn soortgelijke gegevens beschikbaar, maar die zijn niet geheelvergelijkbaar vanwege verschillen in de wijze van samenstelling.Tabel: mediane bruto persoonlijk inkomen van werknemers, in duizenden euro.JaarMediaan bruto inkomen201139,9201240,6201341,4201442,1201541,9201642,4201743,1201843,9201945,2202047,1202148,02022151,11 De cijfers over 2022 zijn voorlopig.Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 10-10-2024. Vraag 34Wat is de ontwikkeling geweest van de gemiddelde cao-lonen tussen 2009en 2024? Kunt u dit uitsplitsen per jaar?Antwoord 34De ontwikkeling van de gemiddelde cao-lonen tussen 2009 en 2024 isweergegeven in onderstaande tabel. Over de hele periode zijn decao-lonen met 46 procent gestegen.Tabel: ontwikkeling van gewogen cao-lonen bedrijven en overheid (bron: CPB, MEV2025).200920102011201220132014201520162,8%1,3%1,1%1,4%1,1%0,9%1,4%1,9% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 821 201720182019202020212022202320241,4%2,0%2,5%2,9%2,0%3,3%6,1%6,5% Vraag 35Wat is de koopkrachtontwikkeling over de afgelopen 15 jaar uitgesplitstper gebruikte doelgroep?Antwoord 35Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de realisatie van de medianekoopkrachtontwikkeling van de verschillende huishoudgroepen berekendvoor de jaren 2011 tot en met 2023. Onderstaande tabel toont dekoopkrachtontwikkeling van de afgelopen jaren. De geraamde koopkracht-ontwikkeling voor 2024 is ook opgenomen.Tabel: mediane koopkrachtontwikkeling 2011 tot en met 2024 in procenten (CPB).20112012201320142015201620172018201920202021202220232024Alle huishou-dens– 1,2– 1,7– 1,41,11,02,50,30,01,12,60,8– 2,5– 0,62,5Inkomensgroep1 – 20%-inkomensgroep– 1,1– 1,3– 1,30,51,51,50,70,10,81,70,3– 0,50,01,521 – 40%-inkomensgroep– 1,2– 1,4– 2,20,62,12,10,2– 0,11,22,20,7– 2,40,52,341 – 60%-inkomensgroep– 1,2– 1,8– 1,81,53,13,20,0– 0,11,32,80,9– 2,6– 0,72,761 – 80%-inkomensgroep– 1,3– 2,0– 1,02,23,33,50,10,01,33,01,1– 2,7– 0,92,881 – 100%-inkomensgroep– 1,4– 2,3– 1,31,02,62,80,10,01,12,90,7– 2,9– 1,62,3InkomensbronWerkenden– 1,1– 1,8– 1,12,03,73,80,30,11,33,01,1– 2,6– 0,92,8Uitkeringsge-rechtigden– 1,2– 1,6– 1,70,61,21,20,5– 0,10,81,50,15,0– 0,21,1Gepensioneer-den– 1,4– 1,4– 3,4– 0,31,01,00,0– 0,20,91,40,1– 2,5– 0,21,5HuishoudtypeTweeverdieners– 1,3– 1,8– 1,51,52,93,10,20,01,22,80,9– 2,8– 0,72,7Alleenstaanden– 1,1– 1,4– 1,30,91,91,90,40,01,12,20,7– 2,1– 0,52,3Alleenverdie-ners– 1,3– 2,8– 1,90,21,82,0– 0,1– 0,31,22,80,6– 2,7– 0,82,2KinderenHuishoudensmet kinderen– 1,2– 1,9– 1,31,73,63,80,50,11,23,21,0– 2,6– 0,33,2Huishoudenszonder kinderen– 1,1– 1,8– 1,11,73,23,30,20,01,22,81,0– 2,4– 1,12,6 Vraag 36Hoeveel zelfstandigen werken er in totaal bij de rijksoverheid? Hoeveeldaarvan beschouwt u als «schijnzelfstandig»? Kunt u dit uitsplitsen perministerie en zelfstandig bestuursorgaan?Antwoord 36Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met hetvolgende:Er is momenteel nog geen overkoepelend actueel zicht op het aantalzelfstandigen dat werkzaam is binnen het Rijk, evenmin welk deel daarvanals schijnzelfstandig aan te merken is. Departementen zijn hier in de basisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 822 zelf voor verantwoordelijk. Op basis van de motie-Boon (PVV) over hetperiodiek informeren van de Kamer over de voortgang en resultaten vande afbouw van schijnzelfstandigheid binnen de Rijksdienst (motie31 311-269), alsook in antwoord op de Kamervragen van het lid Aartsen(VVD) aan de Minister van Financiën over de behoefte aan een rapportageover hoeveel schijnzelfstandigen er bij de hele Rijksorganisatie in dienstzijn (commissiedebat zelfstandigen, 12 september 2024), wordtmomenteel gewerkt aan het opzetten van een rapportage hierover.Vraag 37Wat is de rol van gemeenten op de aanpak van armoede en welkegevolgen heeft het «ravijnjaar» op de capaciteit van gemeenten in deaanpak van armoede?Antwoord 37Gemeenten hebben, net als het Rijk, een belangrijke rol in de aanpak vanarmoede. Zij staan dicht bij de burger, kunnen ondersteuning bieden opbasis van de Participatiewet, het gemeentelijk minimabeleid en inverbinding met het bredere sociaal domein, en werken samen metmaatschappelijke organisaties die lokaal actief zijn. Het kabinet ziet danook een belangrijke rol weggelegd voor gemeenten bij de uitwerking vande ambities uit het regeerprogramma op het terrein van armoede en ishierover op constructieve wijze in gesprek met de VNG.Het Rijk heeft in de afgelopen jaren ook middelen beschikbaar gesteld aangemeenten voor hun rol in het armoede- en schuldenbeleid. Zo heeft hetkabinet vanuit de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden die in juli2022 aan de Tweede Kamer is gepresenteerd, € 40 miljoen aan jaarlijksstructurele middelen voor betere dienstverlening door gemeenten op hetgebied van armoede en schulden beschikbaar gesteld. Dit is aanvullendop de structurele middelen die in 2014 (€ 90 miljoen) en 2017 (€ 85miljoen) voor de gemeentelijke dienstverlening op het terrein vanarmoede en schulden aan het gemeentefonds zijn toegevoegd. Deaanvullende toekenning vanaf 2024 vindt structureel plaats omgemeenten verder in staat te stellen om beleid op het terrein van armoedeen schulden te ontwikkelen en uit te voeren, zoals het verdubbelen vanhet gebruik van de schuldhulpverlening en het intensiveren van activi-teiten om kinderarmoede te bestrijden. Gemeenten zijn hierover geïnfor-meerd via de Meicirculaire gemeentefonds 2024.Het bovenstaande laat onverlet dat het kabinet zich richt op stabiliteit vande financiën van gemeenten, ook op langere termijn. Zoals aangegeven inde brief van de Minister van BZK van 4 oktober jl. is het van belang dat erbalans is tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. In hetoverhedenoverleg van augustus jl. heeft het kabinet samen metgemeenten en provincies gesproken over de uitwerking van het regeer-programma waar het gemeenten en provincies aan gaat. Dit najaar zal erwederom een overhedenoverleg plaatsvinden over de mogelijke gevolgenvan de beleidsvoornemens uit het regeerprogramma voor de hierbovengenoemde balans. Ter voorbereiding hierop werken Rijk en koepels dekomende maanden ambtelijk gezamenlijk aan het inzichtelijk maken vande consequenties van het regeerprogramma voor de uitvoerbaarheid.Vraag 38Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal zelfstandigen zonderpersoneel (zzp’ers) schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsingper jaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 823 Antwoord 38In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantalzzp’ers weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van de EnquêteBeroepsbevolking (EBB). Tussen 2013 en 2024 is het aantal zzp’ersgestegen van bijna 900 duizend naar ruim 1,2 miljoen. Voor de jaren 2009tot 2012 is er weliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn nietzonder meer vergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesignen de vragenlijst van de EBB.JaarZelfstandige zonder personeel (zzp) (x 1000)20138942014916201593620169602017986201899920191.01920201.05420211.07820221.17620231.230Bron: Arbeidsdeelname; kerncijfers | CBS Vraag 39Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal eenmanszaken schetsen perjaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?Antwoord 39In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantaleenmanszaken weergegeven tussen 2009 en 2023 op basis van hetbedrijvenregister van het CBS. Tussen 2009 en 2023 is het aantaleenmanszaken meer dan verdubbeld, van minder dan 700 duizend naarmeer dan anderhalf miljoen.JaarAantal eenmanszaken2009673.4062010716.1662011770.6952012813.0912013835.5742014877.1512015931.1902016984.74120171.030.59520181.091.36520191.166.57620201.246.01620211.318.00820221.418.83620231.526.714Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl) Vraag 40Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal vennootschappen onderfirma (vof’s) schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing perjaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 824 Antwoord 40In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantalvennootschappen onder firma (vof’s) weergegeven tussen 2009 en 2023op basis van het bedrijvenregister van het CBS.Tussen 2009 en 2023 is het aantal vennootschappen onder firma gestegenvan 127 duizend naar 170 duizend.JaarAantal VOF2009127.2422010145.0262011145.5322012149.8082013152.8552014153.3502015156.2922016158.8672017159.3622018161.9862019164.5402020167.5832021172.0082022172.5272023170.203Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl) Vraag 41Kunt u de ontwikkeling van het totaal aantal besloten vennootschap (bv’s)schetsen per jaar tussen 2009 en 2024 met uitsplitsing per jaar?Antwoord 41In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantalbesloten vennootschappen (bv’s) weergegeven tussen 2009 en 2023 opbasis van het bedrijvenregister van het CBS. Tussen 2009 en 2023 is hetaantal bv’s gestegen van circa 288 duizend naar circa 428 duizend.JaarAantal BV’s2009287.5332010289.9402011295.3502012304.3662013308.7262014314.9782015323.3432016332.8112017342.2582018353.3362019363.0502020374.0182021396.7112022422.4412023427.738Bron: StatLine – Bedrijven; bedrijfsgrootte en rechtsvorm (cbs.nl) Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 825 Vraag 42Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met minder dan 5werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Vraag 43Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 5 en 10werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Vraag 44Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 10 en 25werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Vraag 45Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 25 en 50werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Vraag 46Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 50 en 100werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Vraag 47Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 100 en250 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantalwerkenden is dat?Vraag 48Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met tussen de 250 en500 werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantalwerkenden is dat?Vraag 49Hoeveel mensen zijn er werkzaam bij werkgevers met meer dan 500werknemers in dienst? Welk percentage van het totaal aantal werkendenis dat?Antwoord 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49In de onderstaande tabel wordt het aantal banen van werknemers indecember 2023 per bedrijfsgrootte weergegeven. Deze cijfers zijn op basisvan de Polisadministratie en het Algemeen Bedrijvenregister (ABR) vanhet CBS. Over het aantal werkzame personen per bedrijfsgrootte zijn geengegevens beschikbaar. Het aantal banen van werknemers geeft wel eengoede indicatie van de verdeling van werkgelegenheid naar bedrijfs-grootte. Voor enkele van de gevraagde uitsplitsingen van bedrijfsgroottesis geen data voorhanden; in de onderstaande tabel zijn alle beschikbareuitsplitsingen weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 826 BedrijfsgrootteBanen vanwerknemers (x1.000)Aandeel totaal aantalbanen vanwerknemers0 tot 10 werkzame personen1.30514%10 tot 50 werkzame personen1.44816%50 tot 100 werkzame personen6377%100 tot 500 werkzame personen1.71219%500 werkzame personen of meer3.91743%Bron: StatLine – Banen van werknemers; bedrijfsgrootte en economische activiteit (cbs.nl) Vraag 50Hoeveel mensen hebben een arbeidscontract voor onbepaalde tijd? Welkpercentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage vande totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?Antwoord 50In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantalwerknemers met een vaste arbeidsrelatie weergegeven van 2013 tot enmet 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Het gaathierbij om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaaldetijd én een vast aantal uren per week. In het tweede kwartaal van 2024werkte ongeveer 5.5 miljoen mensen op basis van een vaste arbeidsre-latie. Dit is 56% van het totaal aantal werkenden en 54% van de totaleberoepsbevolking. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar databeschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaarvanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van deEBB.JaarWerknemer metvaste arbeidsrelatie(x 1.000)Percentage van detotale werkzameberoepsbevolking20134.72356%20144.61355%20154.60854%20164.62254%20174.67253%20184.81454%20194.99655%20205.15857%20215.23057%20225.31856%20235.41656%Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS Vraag 51Hoeveel mensen hebben een arbeidscontract voor bepaalde tijd? Welkpercentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage vande totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?Antwoord 51In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantalwerknemers met een tijdelijke arbeidsrelatie weergegeven van 2013 tot enmet 2023 op basis van de Enquête Beroepsbevolking (EBB). Het gaatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 827 hierbij om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijdén een vast aantal uren per week. In het tweede kwartaal van 2024 werkteongeveer 1.3 miljoen mensen op basis van een tijdelijke arbeidsrelatie. Ditis 13% van het totaal aantal werkenden en ruim 12% van de totaleberoepsbevolking. Voor de jaren 2009 tot 2012 is er weliswaar databeschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meer vergelijkbaarvanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en de vragenlijst van deEBB.JaarWerknemer mettijdelijke arbeidsre-latie (x 1000)Percentage van detotale werkzameberoepsbevolking201395111%201494011%201596311%201699112%20171.08112%20181.11012%20191.09812%20201.05912%20211.13612%20221.27613%20231.30813%Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS Vraag 52Hoeveel mensen werken er op basis van een nulurencontract? Welkpercentage van het totaal aantal werkenden is dat? Welk percentage vande totale beroepsbevolking is dat? Kunt u de ontwikkeling schetsen tussen2009 en 2024 uitgesplitst per jaar?Antwoord 52In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het totaal aantaloproep/-invalkrachten weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basisvan de Enquête Beroepsbevolking (EBB). In het tweede kwartaal van 2024werkte 970 duizend mensen als oproep/-invalkracht. Dit is 10% van hettotaal aantal werkenden en ruim 9% van de totale beroepsbevolking. HetCBS maakt geen uitsplitsing naar het aantal oproepkrachten dat specifiekop basis van een nulurencontract werkt. Voor de jaren 2009 tot 2012 is erweliswaar data beschikbaar, maar deze cijfers zijn niet zonder meervergelijkbaar vanwege wijzigingen in het onderzoeksdesign en devragenlijst van de EBB.JaarOproep/-invalkracht(x 1000)Percentage van detotale werkzameberoepsbevolking20131.18614%20141.20514%20151.22314%20161.22114%20171.24114%20181.24014%20191.24214%20201.14213%202194010%202292310%202396210%Bron: Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring | CBS Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 828 Vraag 53Hoeveel euro wordt er ieder jaar door werkgevers aan transitievergoe-dingen uitbetaald?Antwoord 53Het uitbetalen van de transitievergoeding is een aangelegenheid tussenwerkgever en werknemer. Om die reden heeft het Ministerie van SZWgeen inzicht in de precieze hoogte van de transitievergoedingen die iederjaar door werkgevers worden uitbetaald. Wel heeft SEO in 2020 onderzoekgedaan naar de effecten van de Wet werk en zekerheid, waaronder dekosten van ontslag. Hieruit volgt dat de gemiddelde ontslagvergoeding inde periode 2018–2019 € 14.953 was. (SEO Economisch onderzoek (2020),Effecten van maatregelen ontslag in de Wet werk en zekerheid, p. 47). Vande ontslagvergoeding maakt de transitievergoeding in de meeste gevalleneen groot deel uit. In 2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeids-markt in Balans worden aangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook wordeningegaan op de transitievergoeding die werkgevers uitbetalen.Vraag 54Wat is de gemiddelde hoogte van een transitievergoeding?Antwoord 54Uit het onderzoek naar de effecten van de Wet werk en zekerheid blijkt datde gemiddelde ontslagvergoeding in de periode 2018–2019 € 14.953 was(bron: SEO Economisch onderzoek (2020), Effecten van maatregelenontslag in de Wet werk en zekerheid, p. 47). Van de ontslagvergoedingmaakt de transitievergoeding in de meeste gevallen een groot deel uit. In2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeidsmarkt in Balans wordenaangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook worden ingegaan op de hoogtevan betaalde transitievergoedingen.Vraag 55Waaraan worden transitievergoedingen besteed?Antwoord 55Uit het onderzoek dat SEO in 2020 heeft gedaan naar de effecten van deWet werk en zekerheid volgt dat gemiddeld over de jaren 2016 tot en met2018 12% van de ondervraagde werknemers de transitievergoedingbesteden aan een opleiding of cursus en 6% aan outplacement ofontslagbegeleiding. Bijna de helft van de ondervraagden (44%) weet nogniet waaraan ze de transitievergoeding willen besteden en 38% heeft eenandere besteding in gedachten (bron: SEO Economisch onderzoek (2020),Effecten van maatregelen ontslag in de Wet werk en zekerheid, pagina 88).In 2025 zal het evaluatierapport van de Wet Arbeidsmarkt in Balansworden aangeboden aan de Kamer. Hierin zal ook worden ingegaan op debesteding van de transitievergoedingen.Vraag 56Hoeveel werkgevers zijn er eigenrisicodrager?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 829 Antwoord 56Het is alleen op 1 januari en op 1 juli mogelijk om eigenrisicodrager teworden voor de Ziektewet (ZW) of als werkgever dat eigenrisicodrager-schap te beëindigen. De meest recente cijfers over het eigenrisicodrager-schap zijn daarom van 1 juli 2024. Op 1 juli 2024 waren 12.368 werkgeverseigenrisicodrager voor de ZW.Vraag 57Wat is het totale ziekteverzuim bij werkgevers en op welk percentage ligtdit?Antwoord 57In 2023 heeft 51% van de werknemers wel eens een dag of langerverzuimd. Het ziekteverzuimpercentage (het aantal ziektedagen per 100werkdagen) was 4,8%. Van alle zelfstandigen heeft 45% wel eensverzuimd, het ziekteverzuimpercentage was 4,5%.(Bron: TNO/CBS: Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2023; TNO:Werkgeversenquête Arbeid 2023)Vraag 58Wat zijn de totale kosten die werkgevers jaarlijks kwijt zijn aan loondoor-betaling bij ziekte? Hoeveel is dat per spoor?Antwoord 58Werkgevers moeten hun werknemers bij ziekte 104 weken la ng 70% vanhet loon door betalen (in het eerste jaar minimaal het minimumloon).Afhankelijk van cao-afspraken zullen de precieze loonkosten afwijken vanhet genoemde percentage (bijvoorbeeld door aanvullingen tot 100% en/ofspecifieke afspraken over aanvullingen bij re-integratie). De loondoorbeta-lingsperiode kan ook vrijwillig verlengd worden. Werkgevers kunnen ookeen verzuimverzekering afsluiten die hen dekt voor de kosten vanloondoorbetaling bij ziekte en/of de kosten voor re-integratie van de ziekewerknemer.Uit gegevens van TNO/CBS (Bron: NEA Jaargang 2022 – TNO/CBS) blijktdat het verzuimpercentage in 2022 4,9% bedroeg, wat gelijk is aanongeveer 70 miljoen verzuimdagen. Die verzuimdagen stonden in 2022voor maximaal € 19,9 miljard aan loondoorbetaling tijdens ziekte. Hetgaat om een maximum want de kanttekening daarbij is dat uit wordtgegaan van een volledige loondoorbetaling (100% van het loon) en eenvolledig verlies aan arbeidsproductiviteit. De praktijk is echter dat deloondoorbetaling vaak lager ligt (bijvoorbeeld op 70%) en dat een ziekewerknemer niet altijd zijn/haar volledige arbeidsproductiviteit verliest.Het is niet bekend wat de kosten van het eerste spoor (terugkeer bij deeigen werkgever) en de kosten van het tweede spoor (re-integratie bij eenandere werkgever) afzonderlijk zijn. Naast de kosten voor loondoorbe-taling kan de ziekte van werknemers ook andere kosten met zichmeebrengen (zoals de kosten van verzuimbegeleiding, inzet bedrijfsartsen de eventuele inkoop van re- integratietrajecten). De bovenstaandegegevens van TNO/CBS hebben echter alleen betrekking op de loonkostentijdens ziekte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 830 Vraag 59Kunt u schetsen welke stappen een werkgever in de Wet verbeteringpoortwachter moet volgen bij langdurige ziekte van een werknemer?Antwoord 59Werkgevers en zieke werknemers zijn in de eerste twee ziektejaren (104weken) samen verantwoordelijk voor de re-integratie van de werknemer.Werkgevers zijn op grond van de Wet WIA en de Arbeidsomstandighe-denwet verplicht zich te laten adviseren door een erkende arbodienst ofbedrijfsarts bij de begeleiding van zieke werknemers. Werkgevers enwerknemers hebben bij ziekte een aantal verplichtingen, die al beginnenin de eerste week van de ziekmelding. De informatie hierover is te vindenop het Arboportaal (Verantwoordelijkheden van de werkgever enwerknemers | Re-integratie en Wet verbetering poortwachter |Arboportaal) en bij UWV (Stappenplan bij ziekte werknemer | UWV).Binnen acht weken na een ziekmelding of uiterlijk twee weken na de doorde bedrijfsarts of arbodienst opgemaakte probleemanalyse stelt dewerkgever in overleg met de werknemer een plan van aanpak op. In ditplan staat beschreven wat beiden gaan doen om de werknemer weer aanhet werk te krijgen. Is er sprake van dreigend langdurig verzuim, dan moetde werkgever een re-integratiedossier bijhouden, waar dit plan eenonderdeel van is. In het dossier staan het verloop van de ziekte en alleactiviteiten die beiden hebben ondernomen om terugkeer naar werkmogelijk te maken. Regelmatig, in de regel iedere zes weken, moet dewerkgever de voortgang met de werknemer bespreken. Samen met dewerknemer kiest de werkgever een casemanager. Deze persoon begeleidten controleert de uitvoering van het plan van aanpak. In de 42e weekmoet de werkgever de werknemer ziekmelden bij UWV. Blijft dewerknemer onverhoopt lang ziek, dan volgt tussen week 46 en 52 eeneerstejaarsevaluatie. Werkgever en werknemer evalueren het afgelopenjaar en stellen vast welk re-integratieresultaat ze in het tweede ziektejaarwillen behalen en hoe ze dat gaan doen (eventueel gericht op werkher-vatting bij een andere werkgever). Gedurende het proces en de verschil-lende stappen, zoals het opstellen en bijstellen van het plan van aanpak, isde visie van de bedrijfsarts van belang. De bedrijfsarts schat in wat dewerknemer met het oog op zijn/haar medische beperkingen wel en nietkan. Is de werknemer na twintig maanden nog niet volledig aan de slag,dan stelt de werkgever in overleg met de werknemer eenre-integratieverslag op, een eindevaluatie. Hierin staan alle afspraken enconcrete resultaten van de geplande werkhervatting. Indien noodzakelijkmoet de werkgever het werk, de werkplek en/of de arbeidsmiddelen vande werknemer aanpassen. Hebben alle inspanningen niet geleid totterugkeer naar het werk, dan ontvangt de werknemer in de 88e week eenWIA-aanvraagformulier van UWV.Dit formulier moet hij binnen drie weken terugsturen aan UWV, met deeindevaluatie over de re-integratie. UWV beoordeelt hetre-integratieverslag (RIV-toets) en voert een WIA-claimbeoordeling uit omvast te stellen of recht is op een WIA-uitkering. Indien er geen bevre-digend resultaat is behaald, de re-integratie-inspanningen onvoldoendezijn, daar geen deugdelijke grond voor is en de gebreken hersteld kunnenworden, zal UWV de verplichting voor de werkgever om het loon door tebetalen verlengen met maximaal 52 weken. Dit wordt de loonsanctiegenoemd. Het opzegverbod bij ziekte blijft gelden voor de duur van deloonsanctie en de WIA-claimbeoordeling wordt dan ook uitgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 831 Vraag 60Wat is de planning van de pensioenfondsen wanneer zij overgaan naarhet nieuwe pensioenstelsel? Welke pensioenfondsen gaan per 1 januari2025 over? Welke pensioenfondsen gaan in de volgende halfjaarster-mijnen over?Antwoord 60Op 19 juni jl. is de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomstpensioenen met uw Kamer gedeeld. Daarin staat de stand van zaken tenaanzien van de voortgang van de transitie, waaronder de verwachtetransitiedatum, zoals die op dat moment bekend was. Indien partijeninvaren, is deze transitiedatum tevens het moment waarop deopgebouwde pensioenaanspraken en -rechten worden ingevaren. Uit dezerapportage blijkt dat op 1 januari 2025 10 fondsen voornemens waren omin te varen, en 4 op 1 juli 2025. In het eerste halfjaar van 2026 zijn 61fondsen voornemens in te varen, en 13 in het tweede halfjaar van 2026. In2027 verwachten in het eerste halfjaar 35 fondsen in te varen, en 9fondsen in het tweede halfjaar. Als laatste verwachten 5 fondsen in tevaren op 1 januari 2028. Een aantal fondsen heeft inmiddels aange-kondigd hun invaardatum uit te stellen. Naar de laatste verwachtinghebben 3 fondsen aangekondigd per 1 januari 2025 in te varen. In devoortgangsrapportage monitoring die in januari 2025 met uw Kamergedeeld zal worden, wordt hier nader op ingegaan.Vraag 61Hoeveel rechtszaken lopen er vanuit pensioenfondsen richting werkgeversover afbakeningskwesties?Antwoord 61Het Ministerie van SZW beschikt niet over informatie waaruit volgt hoevaak over afbakeningskwesties geprocedeerd wordt. Procedures dieworden gevoerd tussen pensioenfondsen en een werkgever zijn proce-dures waar het Ministerie van SZW geen partij bij is. De publiek toegan-kelijk gemaakte uitspraken zijn via de databank op de website Recht-spraak.nl in te zien.Vraag 62Hoeveel procent van de werknemers valt onder een collectieve arbeids-overeenkomst (cao)?Antwoord 62Uit het meest recente onderzoek van het CBS over dit onderwerp volgt dat71,8% van de werknemers onder een cao viel in 2022 (bron: CBS,Werknemers naar soort cao en SBI naar achtergrondkenmerken,2010–2022). Het onderzoek kijkt naar het aantal individuele werknemers-banen dat onder een reguliere cao valt (cao-dekkingsgraad). Ten tijde vanhet onderzoek door het CBS waren de cijfers voor 2023 en 2024 nog nietbekend.Vraag 63Hoeveel procent van de werknemers is lid van een vakbond?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 832 Antwoord 63Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2023 blijkt dat hetpercentage werknemers dat lid is van een vakbond in 2023 op 15,4% lag(bron: TNO/CBS, NEA 2022. NEA Benchmarktool (tno.nl)). Het gaat hierbijom de werkzame beroepsbevolking in loondienst, minus zelfstandigen.Vraag 64Hoeveel procent van de werkgevers heeft een midden- en kleinbedrijf(mkb-)verzuimverzekering voor de loondoorbetaling bij ziekte?Antwoord 64Uit eerder onderzoek van APE (Bron: APE, Verzekeringsgraad kleinewerkgevers, november 2014) blijkt dat van de kleine bedrijven (tien ofminder werknemers) 78% verzekerd is voor loondoorbetaling bij ziektevan een werknemer.Uit dit onderzoek blijkt ook dat de verzekeringsgraad bij bedrijven mettussen de 7 en 15 werknemers het hoogst is (85%) en daarna geleidelijkdaalt tot 25% bij bedrijven met meer dan 100 werknemers. Op dit momentworden er stappen gezet om de meest actuele verzuimverzekeringsgraadonder werkgevers in kaart te brengen.Per 1 januari 2020 bestaat de MKB-verzuim-ontzorg-verzekering. DeMKB-verzuim-ontzorg-verzekering biedt, naast de dekking van hetfinanciële risico, onder meer bijstand voor de (MKB-) werkgever bij deverplichtingen en taken rond de loondoorbetaling en re-integratie bijziekte. Het Verbond van Verzekeraars brengt jaarlijks het aantalMKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen in kaart. Op peildatum 1 januari 2024liepen er 25.100 MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen. Uit cijfers van hetVerbond van Verzekeraars blijkt dat deze verzekering vooral populair is bijkleine werkgevers: meer dan 80% van de MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen is afgesloten door werkgevers met 10 of minderwerknemers. Het is niet precies bekend hoeveel procent van allewerkgevers dit betreft, naar schatting gaat het om ongeveer 7%. De cijfersvan het Verbond van Verzekeraars laten een jaarlijkse stijging van hetaantal MKB-verzuim-ontzorg-verzekeringen zien.Vraag 65Hoeveel derdelanders worden er via een andere Europese Unie(EU-)lidstaat gedetacheerd naar Nederland? Wat is de top tien aanherkomstlanden? Wat is de top tien aan zendlanden?Antwoord 65Onderstaande tabel geeft het aantal derdelanders weer dat in 2023 viaandere Europese lidstaten gedetacheerd is naar Nederland. Alsook de toptien herkomstlanden van de gedetacheerde derdelanders en de top 10EU-lidstaten dat derdelanders detacheert. Het cijfer in de tabel is exclusiefde sector goederenvervoer over de weg. Het overgrote deel van detache-ringen in deze sector moeten in het Europese meldloket gemeld worden.Het is nog niet mogelijk om betrouwbare cijfers te exporteren uit ditmeldloket. De gegevens in onderstaande tabel komen uit het nationalemeldloket postedworkers. Dit meldloket geeft het meest accurate beeldvan het aantal werknemers met de nationaliteit van buiten de EU die viadetachering in Nederland werken. Het is echter onzeker hoe compleet hetbeeld van het meldloket is, er kan sprake zijn van ondermelding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 833 Totaal aantal gedetacheerde derdelanders: 23.509Herkomstland derdelandersZendende EU-lidstaat1. Oekraïne (7.464)2. Wit-Rusland (3.778)3. Azerbeidzjan (1.768)4. Filipijnen (1.358)5. India (1.223)6. Servië (1.211)7. Turkije (919)8. Bosnië en Herzegovina (770)9. Brazilië (569)10. Rusland (274)1. Polen (10.489)2. Litouwen (4.499)3. Duitsland (2.675)4. Portugal (1.583)5. Slovenië (897)6. Kroatië (762)7. Spanje (398)8. Zwitserland (327)9. België (252)10. Estland (250) Vraag 66Hoeveel mensen hebben er de afgelopen vijf jaar gebruik gemaakt van dewerkvergunning voorganger, uitgesplitst per jaar? Wat zijn de herkomst-landen van deze groep mensen?Antwoord 66In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel geestelijk voorgangers deafgelopen vijf jaar gebruik hebben gemaakt van een werkvergunning.20192020202120222023Aantal geestelijke voorgan-gers18617497132184Bron: UWV 13-10-2024 In onderstaande tabel is het aantal geestelijke voorgangers dat gebruikheeft gemaakt van een werkvergunning per nationaliteit weergegevenvoor de top-5 van nationaliteiten in 2023.NationaliteitAantal geestelijke voorgangers in 2023Turkse60Marokkaanse60Indiase30Britse7Srilankaanse4Amerikaanse/Zuidafrikaanse /Australische3Bron: UWV Vraag 67Hoeveel mensen hebben er de afgelopen vijf jaar gebruik gemaakt van dewerkvergunning zendeling/kloosterling, uitgesplitst per jaar? Wat zijn deherkomstlanden van deze groep mensen?Antwoord 67In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel zendelingen/kloosterlingen deafgelopen vijf jaar gebruik hebben gemaakt van een werkvergunning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 834 20192020202120222023Aantal zendelingen/kloosterlingen208101130213220Bron: UWV 13-10-2024 In onderstaande tabel is het aantal zendelingen/kloosterlingen die gebruikhebben gemaakt van een werkvergunning per nationaliteit weergegevenvoor de top-5 van nationaliteiten in 2023.NationaliteitAantal zendelingen/kloosterlingen in 2023Amerikaanse129Indonesische17Canadese12Thaise6Nigeriaanse/ Chinese/Ghanese/Braziliaanse5Bron: UWV Vraag 68Hoeveel mensen zijn er de afgelopen 20 jaar veroordeelt voor arbeidsuit-buiting zoals bedoelt in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht? Kuntu dit uitsplitsen per jaar? Hoe vaak heeft de NLA een strafrechtelijkonderzoek gestart naar arbeidsuitbuiting?Antwoord 68Sinds 2005 is arbeidsuitbuiting strafbaar. De Raad voor de Rechtspraakheeft mij laten weten dat in de periode 2019 t/m 2023 in totaal in ongeveer310 zaken door de strafrechter in eerste aanleg «mensenhandel» (artikel273f SR) bewezen is verklaard. Daarvan waren ongeveer 30 zakenvoorzien van de maatschappelijke classificatie «Mensenhandel arbeid/diensten (niet seksueel)» of «Arbeidsmarkt werkgevers arbeidsuitbuiting»,jaarlijks gaat het om <10 zaken. Voor 2019 werd de maatschappelijkeclassificatie voor mensenhandel niet voldoende uitgesplitst om zakenwegens arbeidsuitbuiting te kunnen identificeren.In de tabel hieronder is af te lezen hoeveel strafrechtelijke onderzoekenarbeidsuitbuiting de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie is gestartin de afgelopen vier jaar. Het betreft concrete meldingen van mogelijkemensenhandel die ex art. 9 Wet Politiegegevens en art. 132a van hetWetboek van Strafvordering zijn geregistreerd in de opsporingsapplicatieSUMM-IT én hebben geleid tot een aangifte van één of meerdereslachtoffers.JaarAantal gestarte onderzoeken202020202125202228202321Bron: Opsporingsdienst Arbeidsinspectie De Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie heeft geen cijfers over hetaantal gestarte onderzoeken van voor 2020, omdat onderzoeken voor dietijd niet op eenduidige wijze werden geregistreerd. In 2019 is begonnenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 835 met de centralisatie van de strafrechtelijk aanpak van arbeidsuitbuitingbinnen de Opsporingsdienst ten behoeve van een effectievere aanpak vanarbeidsuitbuiting en ook een consistentere registratie11.Vraag 69Welke subsidieregelingen kenden in 2023 en 2022 een onderuitputting?Op welke subsidieregeling verwacht u in 2024 een onderuitputting?Antwoord 69Onderstaande tabellen laten de (verwachte) onderuitputting op subsidie-regelingen zien. Dit is de onderuitputting in een bepaald jaar (kolom 1).Het kan voorkomen dat deze onderuitputting verband houdt met hetdoorschuiven naar het volgende jaar van subsidieuitgaven (kolom 2).Hierdoor is de feitelijke onderuitputting op de betreffende subsidie lager(kolom 3).Alle bedragen luiden in mln euro.OU=onderuitputting per jaarPer saldo=onderuitputting per jaar gecorrigeerd voor bedragen diedoorschuiven naar het volgend jaar.2022SubsidieOU 2022naar 2023per saldoSubsidies arbeidsmarkt algemeen– 0,50,0– 0,5Actieprogramma DILLO– 2,90,7– 2,2Stimuleringsregeling LLO in het MKB– 4,01,4– 2,6STAP0,00,00,0MDI&EU– 18,818,80,0STAP– 2,40,0– 2,4Europees fonds meestbehoeftigen0,00,00,0SBCM– 0,60,60,0NIBUD– 0,10,10,0Subsidies artikel 2 algemeen– 8,88,6– 0,2Armoede en schulden– 0,20,20,0Alle kinderen doen mee– 2,02,00,0Regionale kansen kinderen0,00,00,0Waarborgfonds– 0,10,10,0Subsidies werkloosheid algemeen– 0,20,0– 0,2Praktijkleren in de derde leerweg0,40,00,4Subsidies kinderopvang algemeen– 0,30,2– 0,1Subsidies kinderopvang CN– 1,40,0– 1,4Kennisinfrastructuur– 0,10,60,4Vluchtelingenwerk– 0,10,0– 0,1Overige subsidies artikel 13– 0,81,30,5Integratie en participatie– 0,11,11,1Totaal– 42,835,5– 7,3 2023SubsidieOU 2023naar 2024per saldoSubsidies arbeidsmarkt algemeen– 0,50,0– 0,5Actieprogramma DILLO– 0,90,0– 0,9Stimuleringsregeling LLO in het MKB– 13,30,0– 13,3STAP– 0,70,5– 0,2NL leert door– 13,20,0– 13,2MDI&EU– 31,331,30,0NIBUD0,00,00,0Subsidies artikel 2 algemeen– 6,64,3– 2,2Armoede en schulden– 0,10,0– 0,1Alle kinderen doen mee– 2,01,0– 1,011Zie pag 14 van: Rapportage Inspectie SZW: kostenvoordelen en arbeidsuitbuiting | Kamerstuk |Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 836 SubsidieOU 2023naar 2024per saldoNoodfonds– 3,00,0– 3,0Geldzorgen armoede en schulden– 1,90,0– 1,9Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening– 0,10,0– 0,1Praktijkleren in de derde leerweg0,00,00,0Subsidies kinderopvang algemeen– 0,20,0– 0,2Subsidies kindervang CN– 0,10,0– 0,1Kennisinfrastructuur0,00,00,0Vluchtelingenwerk– 0,20,0– 0,2Overige subsidies artikel 13– 1,50,7– 0,8Integratie en participatie– 0,20,20,0Totaal– 75,638,0– 37,6 2024SubsidieOU 2024Subsidies arbeidsmarkt algemeen0,0Actieprogramma DILLO– 3,0Stimuleringsregeling LLO in het MKB0,0STAP– 0,8MDI&EU– 0,5NIBUD– 0,3Subsidies artikel 2 algemeen– 3,7Noodfonds– 4,5Geldzorgen armoede en schulden– 0,7Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening– 0,8Praktijkleren in de derde leerweg– 1,9Subsidies kinderopvang algemeen– 0,5Subsidies kinderopvang CN– 0,4Integratie en participatie– 2,0Totaal– 19,1 Voor 2024 is nog niet bekend welk deel er doorschuift naar het volgendejaar.Vraag 70Wat is de verdeelsleutel van de gelden voor de Werkcentra over deverschillende arbeidsmarktregio’s?Antwoord 70De middelen worden gelijk verdeeld over de 35 arbeidsmarktregio’s.Vraag 71Hoe worden zogenaamde «remittances» in Nederland aan het land vanherkomst belast? Verschilt dit van de schenkbelasting?Antwoord 71«Remittances» betreffen niet-commerciële transfers van geld doormigranten naar verwanten in herkomstlanden, zoals familie en vrienden.Deze remittances zijn overdrachten die normaal gesproken wordengedaan uit het nettoloon/inkomen (arbeidsinkomen dat reeds belast is metinkomstenbelasting) van een migrant in Nederland en dus gezien kunnenworden als een bepaalde besteding van het inkomen. Remittances kunnenin Nederland onder de schenkbelasting vallen. De Nederlandse schenkbe-lasting is van toepassing als de schenker in Nederland woont. Hetwoonland van de verkrijger is niet relevant voor de Nederlandse schenk-belasting, ook niet als dit buiten de EU ligt. Een remittance is eenschenking indien sprake is van verarming bij de schenker, verrijking bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 837 begiftigde en van een bevoordelingsbedoeling (betreffende een bevoorde-lingsbewustheid en bevoordelingswil bij de schenker). De verkrijger moetde schenkbelasting betalen en aangifte schenkbelasting doen.Niet elke remittance zal dus als schenking worden aangemerkt voor deschenkbelasting. Van een schenking is gewoonlijk geen sprake bij betalingvan kosten van levensonderhoud en studie van eigen kinderen jonger dan21 jaar, aangezien dit valt onder de onderhoudsverplichting.Ook als het kind de studie voortzet na zijn 21ste verjaardag zal het betalenvan deze kosten in de meeste gevallen niet worden beoordeeld als een tebelasten schenking. Maar ook als een remittance een schenking is, hoeftde verkrijger niet altijd schenkbelasting te betalen. De verkrijger moetschenkbelasting betalen voor zover schenking uitkomt boven de jaarlijksevrijstelling (€ 6.633 voor schenkingen van ouders aan kinderen en € 2.658voor schenkingen aan anderen dan kinderen (bedragen 2024)). In depraktijk zijn deze regels niet altijd goed bekend.Vraag 72Wat zijn de arbeidsmarktgevolgen voor een beperking van de WW-duurtot één jaar? En wat zijn de gevolgen van een beperking tot één jaar meteen steilere afbouw van het uitkeringsbedrag?Antwoord 72Het inkomen van langdurig werklozen is bij een duurverkorting minderbeschermd. Hierdoor neemt de druk om binnen een jaar een baan tevinden toe. Het CPB raamt dat inkorten van de maximale WW-duur naar 1jaar ongeveer tot 0,3% extra werkgelegenheid12 zal leiden.13 Delangdurige werkloosheid neemt naar verwachting af.De arbeidsmarktgevolgen bij een steilere afbouw zijn afhankelijk van hoedeze afbouw eruit komt te zien. Bij de beantwoording is uitgegaan vaneen steilere afbouw door middel van een hogere WW aan het begin diedaarna steiler afloopt. Het CPB raamt een variant met een verkortemaximale WW-duur van 1 jaar in afnemende tredes met 90% voor deeerste twee maanden, 80% voor de vier maanden daarna en 70% voor de6 maanden daarna.14 Deze variant zou ongeveer tot 0,1% extra werkgele-genheid leiden. Deze variant biedt hogere inkomenszekerheid voormensen met een korte WW duur (het percentage voor de eerste maandenligt hoger dan het huidige percentage). Het inkomen van langdurigwerklozen is minder beschermd. Daar staat het risico tegenover datwerkzoekenden bij een korte WW minder tijd krijgen om een baan tevinden die goed aansluit op hun vaardigheden, wat in sommige gevalleneen negatief effect op de productiviteit kan hebben.De effecten verschillen over de economische cyclus: tijdens een crisisneemt inkomenszekerheid af doordat mensen minder snel een nieuwebaan vinden en daardoor meer effect ervaren van een duurverkorting.12Dit betreft de structurele werkgelegenheid in banen. De structurele werkgelegenheid hangt afvan het arbeidsaanbod in personen verminderd met de evenwichtswerkloosheid enomgerekend naar de hoeveelheid gewerkte uren.13CPB: Kansrijk arbeidsmarktbeleid – update sociale zekerheid (cpb.nl)14CPB: Kansrijk arbeidsmarktbeleid – update sociale zekerheid (cpb.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 838 Vraag 73Welk percentage van de werkende Nederlanders ervaart een marginaledruk boven de 49,5 procent? Hoeveel ervaart een marginale druk bovende 75 procent?Antwoord 73Een raming op basis van de MEV toont dat in 2025 naar verwachting circa62% van de werkenden een marginale druk boven de 49,5% heeft. Circa3% van de werkenden heeft een marginale druk boven de 75%.Vraag 74In welke sectoren werken (naar schatting) de meeste schijnzelfstandigen?Antwoord 74Harde gegevens over het aantal schijnzelfstandigen in Nederland zijn erook niet. Dat betekent dat het niet mogelijk is om de problematiek vanschijnzelfstandigheid precies te kwantificeren. Daardoor is het ookonmogelijk om een uitspraak te doen over schijnzelfstandigheid opsectorniveau. Wel bekend is dat schijnzelfstandigheid zich niet beperkt totéén of enkele sectoren.In recente jaren is – op basis van CBS gegevens – een duidelijke toenamete zien van het aantal zzp’ers in maatschappelijke sectoren, waaronder dezorg, het onderwijs en de kinderopvang. Hoewel het totale aandeelzelfstandigen in deze sectoren nog wat onder het landelijk gemiddeldeligt, is de groei van het aandeel zelfstandigen in deze sectoren opvallendhoog geweest. Dit terwijl er geen reden is te veronderstellen dat het typewerk(aanbod) in deze sectoren dusdanig veranderd is, dat dit het logischmaakt dat er substantieel meer met zelfstandigen zou kunnen wordengewerkt.Het is daardoor aannemelijk dat een aanzienlijk deel van de toename vanwerkenden die in deze sectoren als zzp’er werkt, schijnzelfstandigenbetreft.Vraag 75Hoeveel schijnzelfstandigen heeft de rijksoverheid in dienst?Antwoord 75Zie antwoord op vraag 36.Vraag 76Wat is de stand van zaken rondom de uitvoering van de motie-Aartsen c.s.(32 043, nr. 642)?Antwoord 76De in de motie verzochte verkenning naar, op welke wijze relevantetoetsings- of toezichtkaders aangescherpt kunnen worden om eenkoopkrachtig pensioen altijd centraal te laten zijn bij het beleggingsbeleidvan fondsen en de toezichthouders hier ook op te laten toezien, zalbinnenkort worden afgerond. De Minister van SZW is voornemens uwKamer vóór het commissiedebat Pensioenonderwerpen van 14 novemberte informeren over de uitkomsten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 839 Vraag 77Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen inde EU?Antwoord 77Onderstaande figuur geeft een vergelijking van minimumlonen per uur inEuropese landen in januari 2024. Vraag 78Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen inde EU als inkomensondersteuning zoals de toeslagen worden meege-nomen? Wat is het netto (incl. toeslagen en equivalenten)?Antwoord 78Deze informatie is niet bekend.Vraag 79Kunt u een overzicht geven van het bijstandsniveau (of equivalenthiervan) in alle EU-lidstaten? Kunt u een overzicht geven van hetminimumloon (of equivalent hiervan) in alle EU-lidstaten?Figuur: Bruto minimumlonen per uur in 22 EU lidstaten nominaal per januari 2024.Bron: Eurofound, Minimum wages in 2024 – annual review.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 840 Antwoord 79Netto bijstandsniveau permaand, alleenstaandezonder kinderen, in €,(afgeronde bedragen, opbasis van eigen berekeningvan de gemiddeldemaandbedragen in 2023,bron: OESO)Bruto minimumloon permaand, in €, per 01/07/2024(afgeronde bedragen; bron:Eurostat)België1.2142.070Bulgarije68477Cyprus4801.000Denemarken1.2081Duitsland5022.054Estland200820Finland5551Frankrijk6111.767Griekenland200968Hongarije60675Ierland9452.146Italië5001Kroatië133840Letland109700Litouwen220924Luxemburg1.7882.571Malta611925Nederland1.1962.134Oostenrijk7991Polen600998Portugal209957Roemenië34743Slovenië4391.254Slowakije74750Spanje5651.323Tsjechië202755Zweden40311 Geen wettelijk minimumloon van toepassing. Sociale partners spreken de laagste beloning insectorale cao’s af.Het minimumloon in Nederland bedraagt sinds 1 juli 2024 bruto € 13,68 per uur. Eurostat heeftdit minimumuurloon omgerekend naar een bedrag per maand. Hierbij is Eurostat uitgegaan van36 gewerkte uren per week en 41/3 week per maand. Vraag 80Kunt u een overzicht geven van de minimumloonontwikkeling in deafgelopen tien jaren in EU lidstaten en de G7 landen?Antwoord 80De afgelopen 10 jaar hebben met name landen in Centraal- enOost-Europa een sterke groei van het wettelijk minimumloon doorge-voerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de groei15 van EU- enG7-landen16.15Eigen berekening op basis van data uit verschillende bronnen: Eurostat, OESO, the FederalReserve Bank of St. Louis, Government of Canada en nippon.com.16Denemarken, Finland, Italië, Oostenrijk en Zweden zijn niet in de tabel opgenomen omdat zede afgelopen 10 jaar geen wettelijk minimumloon hebben toegepast. In deze landen sprekende sociale partners de laagste beloning in sectorale cao’s af.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 841 Ontwikkeling van het wettelijk minimumloon,2014–2024EU-lidstaat of G7-lidStijging met meer dan 200%Litouwen en RoemeniëStijging met 100–200%Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland,Polen, Slowakije en TsjechiëStijging met 50–100%Portugal, Slovenië, Spanje en VerenigdKoninkrijkStijging met 25–50%België, Canada1, Duitsland2, Griekenland,Ierland, Japan, Luxemburg, Malta enNederlandStijging tot 25%Cyprus3 en FrankrijkStagnatie (0%)Verenigde Staten41 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon. Canadese staten mogenminimumuurlonen vastleggen die hoger liggen dan het federale minimumuurloon. In 2014 kendeOntario met CAD 11,00 het hoogste minimumuurloon. In 10 jaar tijd steeg deze beloning tot CAD17,20.2 Duitsland heeft per januari 2015 een wettelijk minimumloon ingevoerd. De groei is derhalveberekend voor de periode januari 2015-januari 2024.3 Cyprus heeft per januari 2023 een wettelijk minimumloon ingevoerd. In januari 2024 werd eenstijging van ruim 6% doorgevoerd.4 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon, dat sinds juli 2009ongewijzigd op USD 7,25 per uur is gebleven. Amerikaanse staten mogen minimumuurlonenvastleggen die hoger liggen dan het federale minimumuurloon. Zowel in 2014 als in 2024 kendeDistrict of Columbia het hoogste minimumuurloon, die van USD 9,50 naar USD 16,50 per uursteeg. Sommige Amerikaanse staten wijken niet van het federale uurtarief af, waaronder NewHampshire, Pennsylvania en Texas. Vraag 81Welke sectoren hebben de grootste deeltijdfactor? Hebben deze sectorenook grote personeelstekorten? Zijn er cijfers bekend van de marginaledruk in deze sectoren?Antwoord 81De sectoren horeca (67% werkt deeltijd), onderwijs (59% werkt deeltijd) engezondheids- en welzijnszorg (74% werkt deeltijd) hebben de grootstedeeltijdfactor.17 De sectoren onderwijs en zorg ervaren inderdaad ookpersoneelstekorten en hebben last van krapte op de arbeidsmarkt. Er zijngeen cijfers bekend van de marginale druk in deze sectoren. De totalemarginale druk is van verschillende factoren afhankelijk. Bijvoorbeeld hetgeldende belastingtarief en de op- en afbouw van inkomensondersteu-nende regelingen (zoals heffingskortingen en toeslagen) bij een gegeveninkomenshoogte. Daarnaast geldt voor paren dat de marginale druk ookafhangt van het inkomen van de partner. Zo kan een leraar een partnermet een relatief hoog of juist laag inkomen hebben. Met een partner meteen relatief hoog inkomen is de marginale druk van de leraar lager omdatdit huishouden waarschijnlijk geen recht op toeslagen heeft, ongeacht deinkomenshoogte van de leraar.Vraag 82Hoeveel euro hebben werkgevers in 2024 afgedragen aan socialepremies? Kunt u dit uitsplitsen per premie?Antwoord 82Het jaar 2024 is nog niet afgelopen, dus een feitelijk antwoord op dezevraag is nog niet mogelijk. In plaats daarvan wordt voor 2024 en verder deraming ten tijde van de Miljoenennota 2025 gegeven.17StatLine – Werkzame beroepsbevolking; bedrijf, 2003-2022 (cbs.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 842 Hieronder staan de geraamde premies werknemersverzekeringen zoalsdie zijn opgenomen in de Miljoenennota 2025 uitgesplitst naar deverschillende premies. De cijfers uit de Miljoenennota zijn hier te vinden:https://www.rijksfinancien.nl/miljoenennota/2025/bijlage/3096453Van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet(IAB-Zvw) wordt maar een deel betaald door werkgevers. Zelfstandigen enbijvoorbeeld AOW-gerechtigden betalen deze bijdrage zelf. In debegroting van het Ministerie van VWS wordt uitgesplitst welk deel doorwerkgevers wordt betaald. Deze reeks is hieronder opgenomen. De cijfersuit de begroting van VWS zijn hier te vinden: https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2025/OWB/XVI/onderdeel/3169463.Sociale premies betaald door werkgevers(miljard euro)202320242025Aof (Arbeidsongeschiktheidsfonds)21,724,826,3Whk (Werkhervattingskas)2,52,63,0AWf (Algemeen Werkloosheidsfonds)9,510,211,1Ufo (Uitvoeringsfonds voor de overheid)0,60,60,6IAB-Zvw (Zorgverzekeringsfonds) (deelwerkgevers)24,926,427,6Totaal59,264,668,6 Vraag 83Heeft de rijksoverheid mensen in dienst die het minimumloon verdienen?Antwoord 83Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met hetvolgende:Binnen de CAO Rijk heeft schaal 01, salaristrede 0, het laagste uurloon terhoogte van € 14,98. Het minimum uurloon is € 13,68. Het Rijk heeft geenmedewerkers met een formeel vast of tijdelijk dienstverband die hetminimumloon verdienen.Vraag 84Wat is de deeltijdfactor bij personeel van de rijksoverheid?Antwoord 84Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met hetvolgende:De gemiddelde deeltijdfactor van medewerkers bij het Rijk (inclusiefRechtspraak CAO Rijk, Hoge Colleges van Staat, exclusief Defensie) meteen formeel vast of tijdelijk dienstverband is 0,95 ultimo Q2 2024. Voor desector Rijk geldt een voltijd werkweek (1 fte) van 36 uur.Vraag 85Reflecteert de rijksoverheid als werkgever op de positie die het inneemtop de arbeidsmarkt? Wordt daarbij gekeken naar de concurrerende positievan de rijksoverheid die door zeer aantrekkelijke arbeidsvoorwaardenmogelijk begeerde arbeidskrachten uit de arbeidsmarkt onttrekt waardoorde personeelstekorten van bedrijven versterkt worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 843 Antwoord 85Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De Minister van BZK antwoordt met hetvolgende:Ja. Onze arbeidsvoorwaarden zijn gemiddeld genomen vergelijkbaar metgrote werkgevers in de marktsector.Vraag 86Kan worden aangegeven hoe de hoogte van de Nederlandse bijstandsuit-kering zich verhoudt tot de hoogte elders in de EU, zowel in absolute zinals in percentage van het mediane inkomen?Antwoord 86De tabel hieronder bevat voor de EU-27 het gegarandeerde minimumin-komen (Guaranteed Minimum Income benefits) zoals dat gedefinieerdwordt door de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking enOntwikkeling. In Nederland is dit de algemene bijstandsuitkering. In detweede kolom is het gemiddelde maandbedrag in 2023 weergegeven dateen alleenstaande bijstandsgerechtigde ontving, dit bedrag bevat voorNederland de vakantietoeslag maar geen toeslagen. De derde kolombevat het maandbedrag als percentage van het mediane besteedbareinkomen op basis van berekening van de OESO (na belastingen, maarvoor vaste lasten). Dit is gedaan om landen beter met elkaar te kunnenvergelijken. Ter illustratie: voor Nederland betreft het inkomen van eenalleenstaande bijstandsgerechtigde dus 41% van het doorsnee inkomen.Tabel: Minimuminkomen in EU-lidstaten voor een alleenstaandeEU-lidstaatNettomaand-bedragAls percentagevan hetmedianeinkomenBelgië€ 1.21442%Bulgarije€ 6811%Cyprus€ 48025%Denemarken€ 1.20836%Duitsland€ 50220%Estland€ 20012%Finland€ 55521%Frankrijk€ 61127%Griekenland€ 20021%Hongarije€ 608%Ierland€ 94531%Italië€ 50026%Kroatië€ 13314%Letland€ 1099%Litouwen€ 22018%Luxemburg€ 1.78839%Malta€ 61136%Nederland€ 1.19641%Oostenrijk€ 79927%Polen€ 60013%Portugal€ 20917%Roemenië€ 346%Slovenië€ 43925%Slowakije€ 747%Spanje€ 56533%Tsjechië€ 20214%Zweden€ 40315%Bron: OESO, oecd.stat.org, geraadpleegd en bewerkt op 11-10-2024.Noot: Maandbedragen voor niet-eurolanden zijn omgerekend op basis van de gemiddelde wis-selkoersen die de OESO hanteert voor 2023; de maandbedragen zijn niet gecorrigeerd voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 844 prijsverschillen tussen landen (koopkrachtpariteit). Vraag 87Zijn er EU-landen die sociale zekerheid (of delen hiervan) of voorzieningenin natura verstrekken aan minima? Zoals de Amerikaanse «food stamps»?Antwoord 87Ja, diverse EU-landen verstrekken voorzieningen in natura aan minima.Uit de landenanalyse sociaal minimum van SEO volgt het volgende18:–Denemarken en het Verenigd Koninkrijk verstrekken gezondheidszorgin natura.–In Duitsland worden woon- en energiekosten overgenomen. Verderkunnen bijstandsgerechtigden gebruikmaken van voedselbanken diesubsidie ontvangen van de overheid. Specifiek voor kinderen wordenonder meer schoolmaaltijden, excursies en transport naar schoolverstrekt.–In België wordt bijstand aangevuld met hulp in natura door gemeente-lijke centra. De voedselbanken worden deels gefinancierd uit hetEuropees Sociaal Fonds Plus (ESF+).–In Frankrijk bieden regionale en stedelijke overheden bijdragen innatura, hoewel hier beperkt gebruik van wordt gemaakt. Voedselban-ken, gesubsidieerd door de overheid, zijn beschikbaar voor mensenmet een laag inkomen.–Het Verenigd Koninkrijk kent onder andere een nationaal netwerk vanvoedselbanken. Via de National Health Service is de gezondheidszorggrotendeels gratis. Er zijn ook regelingen voor de verduurzaming vanwoningen, vermindering van energiekosten en korting op openbaarvervoer. Alle kinderen tussen vijf en zeven jaar krijgen gratis school-maaltijden, evenals kinderen van gezinnen in de bijstand. Kinderop-vangkosten worden voor 85% vergoed. Food vouchers kunnen wordenaangevraagd bij de lokale gemeente, die ook uitkeringen in natura kanverstrekken via een huishoudsteunfonds19.Volgens de Europese Commissie bieden bijna alle EU-landen (gedeeltelijk)een gratis gezonde maaltijd per schooldag aan kwetsbare kinderen. Welzit er veel variatie tussen doelgroepen, leeftijden en de manier waarop ditgeorganiseerd wordt. Daarnaast gebruiken de meeste EU-lidstaten ESF+middelen (voorheen FEAD) om voedselhulp en materiële hulp teverstrekken aan de meest behoeftigen. Op grond van de ESF+ veror-dening (periode 2021–2027) moeten lidstaten minimaal 3% van hunbudget aan dit doel besteden.20Vraag 88Hebben andere EU-landen in de afgelopen jaren plannen uitgerold om destap naar (meer) werken te stimuleren? Heeft u zich door deze plannenlaten inspireren?Antwoord 88Ja, verschillende EU-landen hebben de afgelopen jaren plannen uitgeroldom de stap naar (meer) werken te stimuleren. Zo staan Scandinavischelanden bekend om hun uitgebreide kinderopvangstelsels, met regelingendie over het algemeen genereuzer zijn dan elders in Europa. Duitsland18Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XV, nr. 6.19Sociaal Minimum – Beschrijvende Analyse voor Vijf Europese Landen.20Artikel 4(1)(m) ESF+ verordening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 845 heeft het bijstandsstelsel hervormd, door meer ondersteuning te bieden inhet vinden van passend werk of bijscholingstrajecten. Verschillendelidstaten van de EU waar de jeugdwerkloosheid hoog is, maken gebruikvan het «Youth Guarantee Programme» om jongvolwassenen te onder-steunen met om- en bijscholing. Daarnaast hebben onder andereFrankrijk, Italië en Spanje belasting- en premiekortingen doorgevoerd omte stimuleren dat werkgevers jonge, vrouwelijke of langdurig werklozearbeidskrachten aannemen.Wat deze uitgerolde maatregelen gemeen hebben, is dat bij de totstand-koming rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische enculturele kenmerken van de nationale arbeidsmarkt. Kenmerkend voorNederland is onder andere dat er sprake is van een hoge arbeidspartici-patie (ook onder vrouwen), maar dat er tegelijkertijd veel in deeltijd wordtgewerkt.21 Ook speelt ons specifieke toeslagenstelsel en fiscaliteit een rolin de keuze van mensen om wel of niet (meer) te gaan werken.22 InNederland wordt gewerkt aan het lonender maken van werk door hetkoopkrachtpakket.Het kan waardevol zijn om inspiratie te putten uit voorbeelden in anderelidstaten. Tegelijkertijd is het essentieel om rekening te houden met denationale kenmerken van de arbeidsmarkt. In hoofdstuk 10a van hetRegeerprogramma heeft het kabinet aangegeven wat we willen doen ommeer mensen te laten participeren op de arbeidsmarkt en om meer urenwerken te stimuleren. Denk aan de stelselherziening van de kinderopvang-toeslag en het Groeifondsproject «Meer uren werkt!». Om meer werkenaantrekkelijk te maken, leunt Nederland net als andere landen veel opwerkgevers, omdat goed werkgeverschap cruciaal blijkt te zijn in de keuzeom meer te gaan werken. Zo experimenteren werkgevers in Nederland insectoren zoals zorg en onderwijs met het bieden van iets extra’s, zoalsflexibiliteit in snipperdagen, inroostering of het focussen op anderesoorten taken. Ten slotte blijft het kabinet inzetten op het wegnemen vanbelemmeringen voor asielzoekers en statushouders om meer (uren) tewerken.Vraag 89Kan een overzicht gegeven worden van al het armoedebeleid dat hetkabinet-Schoof treft? Kan beleid van vorige kabinetten worden meege-nomen indien dit is doorgezet? Kunnen de kosten hiervan erbij vermeldworden?Antwoord 89Het armoedebeleid bestaat, naast de inzet op werk, uit koopkrachtmaatre-gelen, preventief beleid om armoede te voorkomen en intergenerationelearmoede te doorbreken en voor een deel uit beleid om mensen inarmoede te ondersteunen en de gevolgen van armoede te verzachten.Het huidig kabinet voorkomt dat armoede stijgt met een verhoging vanhet kindgebonden budget en een verhoging en vereenvoudiging van dehuurtoeslag. Er komt een extra belastingschijf met een lager belasting-tarief in de inkomstenbelasting. Dit zorgt voor een hogere bijstand enAOW doordat deze gekoppeld zijn aan het minimumloon. Ook wordt deafbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de hoogte van debijstand bevroren in 2025, 2026 en 2027. Op deze manier voorkomt hetkabinet dat de hoogte van de bijstand daalt.21In het tweede kwartaal van 2024 hadden 9,8 miljoen (seizoen gecorrigeerd) mensen betaaldwerk. Dat is 73,4 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar. 4,7 miljoen mensen werkten indeeltijd: minder dan 35 uur per week. CBS Dashboard «Deeltijd» en «Werkenden».22Zie ook de antwoorden over vragen naar de marginale druk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 846 Het kabinet wil daarnaast het niet-gebruik van inkomensondersteunenderegelingen tegengaan. Als iedereen gebruik maakt waar hij recht op heeftleven er minder mensen in armoede. Daarom komt het kabinet met hetwetsvoorstel Proactieve dienstverlening om het niet-gebruik terug tedringen. Daarnaast heeft het kabinet zowel 2025 als 2026 € 60 miljoengereserveerd om een energiefonds in te richten dat steun biedt aanhuishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen en om ervoorte zorgen dat zij kunnen meekomen in de energietransitie. Op dit momentis het kabinet nog met diverse partijen, zoals een aantal energieleveran-ciers, woningcorporaties, banken, gemeenten en maatschappelijkeorganisaties, in gesprek over hoe dit vorm kan krijgen.Om kinderen die in armoede leven te ondersteunen werken we samenmet onder andere de Sam&-partijen, zodat kinderen mee kunnen doen inde samenleving. Hiervoor is structureel € 16 miljoen beschikbaar. Ookreserveert het kabinet € 135 miljoen structureel voor gratis schoolmaal-tijden zodat alle kinderen met een gevulde maag in de klas zitten. Alskinderen hebben ontbeten is hun concentratie beter en presteren ze beterop school. Op deze manier wordt de kans verkleind dat zij later zelf ook inarmoede leven. Verder is er inzet op het terrein van voedselhulp met alsinzet om mensen die deze hulp nodig hebben zo goed mogelijk tebereiken. Om dit te bevorderen ondersteunt het kabinet een aantalmaatschappelijke organisaties en brengt het partijen bij elkaar om tekomen tot een betere dekking van voedselhulp.Het Rijk heeft in de afgelopen jaren ook middelen beschikbaar gesteld aangemeenten voor hun rol in het armoede- en schuldenbeleid. Zo heeft hetkabinet vanuit de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden die in juli2022 aan de Tweede Kamer is gepresenteerd, € 40 miljoen aan jaarlijksstructurele middelen voor betere dienstverlening door gemeenten op hetgebied van armoede en schulden beschikbaar gesteld. Dit is aanvullendop de structurele middelen die in 2014 (€ 90 miljoen) en 2017 (€ 85miljoen) voor de gemeentelijke dienstverlening op het terrein vanarmoede en schulden aan het gemeentefonds zijn toegevoegd. Deaanvullende toekenning vanaf 2024 vindt structureel plaats omgemeenten verder in staat te stellen om strategisch en doelgericht tehandelen en hun activiteiten uit te voeren, zoals het verdubbelen van hetgebruik van de schuldhulpverlening en het intensiveren van activiteitenom kinderarmoede te bestrijden. Gemeenten zijn hierover geïnformeerdvia de Meicirculaire gemeentefonds 2024.Het kabinet heeft daarnaast € 5,4 miljoen structureel gereserveerd vooreen bijdrage aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheidvanuit armoedemiddelen. Tot slot zijn er nog een aantal overigeopdrachten en subsidies ten behoeve van het armoede- en schuldenbeleiddie worden bekostigd uit beleidsondersteunend budget.Vraag 90Kan een overzicht gegeven worden van al het beleid dat de regering heeftom werken aantrekkelijker te maken?Antwoord 90Het kabinet wil zo veel mogelijk mensen de kans geven om mee te doen.Betaald werk zit er niet voor iedereen in. Maar voor wie dat wél kan, moetwerk lonen. Daar werkt het kabinet aan, door bijvoorbeeld de belasting-verlaging en de vereenvoudiging van de huurtoeslag. Om grotere stappente zetten, moet de vormgeving van toeslagen, de fiscaliteit en de socialezekerheid grondig worden herzien. Daar lopen we tegen budgettairebeperkingen en de grenzen van het huidige belastingstelsel aan. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 847 kabinet start daarom een hervormingsagenda voor het stelsel vaninkomensondersteuning. In het voorjaar 2025 stuurt het kabinet een briefmet enkele varianten en keuzeopties, als start voor een open dialoog methet parlement. Daarnaast is de inzet om voor de begrotingsbehandelingvan SZW met een agenda voor werkenden te komen.In de tussentijd stimuleert het kabinet mensen – die dat willen – om meeruren te werken. Vanwege de individuele ontplooiingskansen die dit biedt,maar ook voor de samenleving als geheel – bijvoorbeeld met het oog oppersoneelstekorten. De arbeidsparticipatie in Nederland blijft groeien,maar er wordt ook veel in deeltijd gewerkt.23 In sommige gevallen pastdeeltijdwerk goed bij bijvoorbeeld de zorg voor kinderen of naasten. Dezevormen van zorg, maar ook vrijwilligerswerk en een gezonde werk enprivé balans vindt het kabinet belangrijk.Het kabinet ondersteunt werkenden om meer uren te maken, door destelselherziening van de kinderopvangtoeslag en het groeifondsproject«Meer uren werkt!». Om meer werken aantrekkelijk te maken, is goedwerkgeverschap cruciaal. Zo experimenteren werkgevers in sectoren zoalszorg en onderwijs met het bieden van iets extra’s, zoals flexibiliteit insnipperdagen, inroostering of het focussen op andere soorten taken.Het kabinet gaat bovendien de participatiewet opnieuw opbouwen. In lijnmet de voor dit kabinet belangrijkste uitgangspunten uit het regeerpro-gramma kiest het kabinet er onder andere voor om nu eerst aan de slag tegaan met het vereenvoudigen van de wet en met het aan het werk helpenvan mensen die dat kunnen. Zo wil het kabinet ervoor zorgen dat het voorbijstandsgerechtigden duidelijker wordt wat werken oplevert. Dat draagteraan bij dat zij sneller die stap zullen zetten.Ook blijft het kabinet inzetten op het wegnemen van belemmeringen voorasielzoekers, gezinsmigranten en statushouders om meer (uren) tewerken. Tot slot zetten UWV, gemeenten en arbeidsmarktregio’s zichgezamenlijk in om werkzoekenden de ondersteuning te bieden die zijnodig hebben om duurzaam de stap naar werk te kunnen zetten.Vraag 91Hoeveel dragen arbeidsmigranten per hoofd bij aan de Nederlandseeconomie? Hoe verhoudt zich dat tot het bruto binnenlands product (bbp)per hoofd van de Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten?Antwoord 91Het onderzoek «Arbeidsmigratie in 2030; mogelijke ontwikkelingen in vierscenario’s» van SEO uit juni 2022 onderzocht de bijdrage van arbeidsmi-granten aan het BBP in Nederland (bron: SEO, 2022, Arbeidsmigratie in2030). Deze studie becijfert de bruto bijdrage aan het BBP voor 2019 op€ 22 miljard, ofwel 3% van het BBP.De studie moet vanwege de complexiteit van het vraagstuk forseaannames maken om tot een werkbaar cijfer te komen. Eerst wordtvastgesteld wat het loonaandeel van arbeidsmigranten is in de verschil-lende sectoren. Dit aandeel wordt vervolgens toegepast op de bijdragevan deze sector aan het BBP. Het BBP meet hoeveel waarde er binnen deNederlandse grenzen wordt gegenereerd. Bijvoorbeeld: het loonaandeel23In het tweede kwartaal van 2024 hadden 9,8 miljoen (seizoengecorrigeerd) mensen betaaldwerk. Dat is 73,4 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar. 4,7 miljoen mensen werkten indeeltijd: minder dan 35 uur per week. CBS Dashboard «Deeltijd» en «Werkenden».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 848 van migranten in de glastuinbouw is 20% en de toegevoegde waarde vande tuinbouw aan de welvaart is € 10 miljard. De bijdrage van migrantenaan het BBP wordt dan becijferd als 20% keer € 10 miljard is € 2 miljard.Daarnaast leidt bovenstaande methode tot een overschatting van debijdrage van arbeidsmigranten aan het BBP, omdat de waarde van de inzetvan binnenlands kapitaal en technologie deels wordt toegeschreven aande bijdrage van arbeidsmigratie. Het totaal aan brutolonen die arbeidsmi-granten ontvangen vormen een alternatieve indicator voor de bijdragevan arbeidsmigratie aan de totale productie, hoewel lonen in theoriealleen in een optimaal functionerende arbeidsmarkt gelijk staan aan hetwerkelijke productiviteitsniveau van werkenden. Wanneer we lonen alsindicator hanteren blijft de bijdrage van arbeidsmigratie aan het BBP inNederland in 2019 naar cijfers uit de eerdergenoemde SEO studie beperkttot € 11 miljard, ofwel 1,5% van het BBP. In oktober 2024 zal het CBSuitgebreide cijfers publiceren over de arbeidsmarktpositie van arbeidsmi-granten, waaronder meer informatie over de loonverdeling van arbeids-migranten van binnen en buiten de EU.Daarnaast is van belang dat de bijdrage aan het bbp sterk verschilt tussenlaagproductieve versus hoogproductieve vormen van arbeidsmigratie. Zowijst SEO erop dat de bijdrage van arbeidsmigranten aan het bbp lager isdan hun aandeel in de totale werkgelegenheid, doordat arbeidsmigranten(vooral vanuit de Midden- en Oost-Europa) vaker werkzaam zijn inlaagbetaalde banen.Een vergelijking met het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd vande Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten is niet zuiver op testellen. Zo kan de komst van arbeidsmigranten, in het bijzonder vankennismigranten, ook invloed hebben op de productiviteit van gevestigdewerkenden. Zulke productiviteit spillovereffecten treden op wanneerarbeidsmigranten complementair zijn aan (/andere vaardigheden enkennis hebben dan) zittende werknemers.Tot slot is van belang te benadrukken dat de bijdrage van arbeidsmigratieniet enkel te meten is via hun bijdrage aan het bbp. Dit betreft een smallebenadering van de bijdrage van arbeidsmigratie aan de welvaart. Zokunnen arbeidsmigranten ook bijdragen aan de bredere welvaart,bijvoorbeeld via kennisdeling en hun deelname aan de maatschappij. Aande andere kant kan de komst van arbeidsmigranten brede welvaartkosten, bijvoorbeeld doordat zij een beroep doen op schaarse(woon)ruimte en op uiteenlopende maatschappelijke voorzieningen zoalszorg en infrastructuur.Vraag 92Wat zijn de verwachte effecten van de beoogde bezuiniging op personeelop het Ministerie van SZW?Antwoord 92De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves.Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overigepersoneelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacaturesdie ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling vande bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog nietbekend.SZW heeft de NLA en de uitvoeringsorganisaties gevraagd om eenbijdrage en we zijn in gesprek over de invulling. Daarbij wordt onder meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 849 gezocht naar mogelijkheden voor besparingen door vereenvoudiging vanwet- en regelgeving en taakaanpassing.Vraag 93Kan een overzicht gegeven worden van het percentage mensen dat inarmoede leeft per EU-lidstaat?Antwoord 93Elke EU-lidstaat kan een eigen definitie van armoede hanteren. InNederland geldt de niet-veel-maar-toereikend grens. Op 17 oktober 2024hebben het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Nationaal Instituutvoor Budgetvoorlichting (Nibud) en het Centraal Bureau voor de Statistiek(CBS) een gezamenlijk rapport gepubliceerd met daarin een nieuwemanier om de armoedegrens te meten en een nieuwe definitie vanarmoede.24Om Europese landen met elkaar te vergelijken wordt veelal gebruikgemaakt van de AROP25 of de AROPE26 indicator. AROP verschilt met deNederlandse indicator, omdat het een relatieve armoedegrens is tenopzichte van de mediaan. AROPE is een bredere definitie van armoede ensociale uitsluiting dan de niet-veel-maar-toereikend definitie, maar geeftwel een indicatie van het percentage mensen dat in armoede leeft in deEU. Zie onderstaand een overzicht van de AROPE indicatie in de EU vanEurostat voor het jaar 2023: 24Nieuwe meetmethode CBS, SCP en Nibud brengt armoede scherper in beeld | Nieuwsbericht |Sociaal en Cultureel Planbureau25Glossary:At-risk-of-poverty rate – Statistics Explained (europa.eu)26Glossary:At risk of poverty or social exclusion (AROPE) – Statistics Explained (europa.eu)Bron: Living conditions in Europe – poverty and social exclusion – Statistics Explained (europa.eu)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 850 Vraag 94Kan een overzicht gegeven worden van een recente gini-coëfficiënt perEU-lidstaat?Antwoord 94Zie onderstaand een overzicht van de Gini-index per lidstaat voor het jaar2023: Vraag 95Zijn er EU-regeringen die, net zoals deze regering, als regeringsbeleid hetstreven hebben dat het percentage mensen dat in armoede leeft nietverder mag stijgen t.o.v. een referentiejaar (zoals het eerste jaar van deregeerperiode)?Antwoord 95Alle Europese lidstaten hebben zich gecommitteerd aan de SustainableDevelopment Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties (VN) en de Europesestreefdoelen voor 2030, zoals opgenomen in het Actieplan voor deBron: https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/tessi190/default/tableTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 851 Europese Pijler van Sociale Rechten27. SDG 1 heeft als doel dat (kinder)ar-moede in 2030 is gehalveerd ten opzichte van 2015. Eén van de Europesestreefdoelen is het terugbrengen van het aantal mensen met een risico oparmoede en sociale uitsluiting in de EU met ten minste 15 miljoen tenopzichte van 2019.Elke lidstaat heeft, in samenspraak met de Europese Commissie, eennationaal doel opgesteld welke bijdraagt aan het halen van het EU-doel.Zie bijgaand het laatste overzicht waarin de streefcijfers per lidstaat zijngerapporteerd. Hieruit blijkt dat elke lidstaat streeft naar een lager aantalpersonen in armoede.In het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma is vastgelegd dat hetkabinet de (kinder)armoede niet wil laten stijgen ten opzichte van 2024.Het CPB rekent bij de CEP-raming in maart 2025 voor het eerst met denieuwe definitie van armoede. Dan wordt het effect zichtbaar op dedoelstelling om armoede niet te laten stijgen in deze kabinetsperiode,alsmede het effect op SDG 1 en het Europese streefdoel betreffende(kinder)armoede.27EUR-Lex – 52021DC0102 – EN – EUR-Lex (europa.eu)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 852 Ook hebben alle lidstaten een nationaal actieplan opgesteld met daarinmaatregelen om het hoofddoel van de Raadsaanbeveling over deKindergarantie28, het verminderen van armoede onder kinderen, tebewerkstelligen.Vraag 96Kan de marginale druk van Nederlandse werkenden vergeleken wordenmet die in vergelijkbare landen?Antwoord 96Het belastingstelsel en bijdragen aan sociale verzekeringen verschillentussen landen. In onderstaande tabel is uit een publicatie van de OESOvoor verschillende huishoudtypen de marginale druk getoond.28https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32021H100Dit is het overzicht van 16 juni 2022 van de Europese Commissie, de doelen waren op datmoment nog onder voorbehoud. De Nederlandse streefdoelen die er zijn in lijn met de uiteinde-lijke doelen die zijn ingediend bij de Europese Commissie.(1) DK (Denemarken) drukt zijn nationale doelstelling voor armoedebestrijding uit als eenvermindering van het aantal personen dat in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit leeft.(2) DE (Duitsland) drukt zijn nationale doelstelling voor armoedebestrijding uit als een vermin-dering van het aantal personen dat in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit leeft.(3) MT (Malta) drukt zijn nationale doelstellingen voor armoedebestrijding uit als een vermin-dering van het AROPE-percentage met 3,1 procentpunten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 853 Tabel: Marginale druk tussen landen voor verschillende loonniveau’s en huishoudtypen voor 2023(1)(2)(3)(4)(5)(6)(7)(8)België68,5%65,0%67,8%68,5%65,0%65,1%64,1%65,1%Nederland51,3%51,3%51,5%56,8%56,8%51,3%51,3%51,3%Duitsland54,1%48,7%47,0%52,7%41,3%46,2%46,0%46,1%Frankrijk64,6%58,2%59,5%74,5%41,9%50,6%58,2%47,9%Zweden46,2%48,2%65,9%46,2%48,4%48,4%48,4%48,4%Denemarken39,1%42,1%55,9%37,3%42,1%42,1%42,1%42,1%Verenigd Koninkrijk40,2%40,2%49,0%73,1%40,2%40,2%40,2%40,2%Kolom 1) Alleenstaande, geen kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 2) Alleenstaande, geen kinderen, 100% van het gemiddelde loon van dat landKolom 3) Alleenstaande, geen kinderen, 167% van het gemiddelde loon van dat landKolom 4) Alleenstaande ouder met 2 kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 5) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 0% van het gemiddelde loon van dat landKolom 6) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 7) Getrouwd stel met twee kinderen, beiden 100% van het gemiddelde loon van dat landKolom 8) Getrouwd stel zonder kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat land Ter indicatie: voor Nederland bedraagt volgens deze publicatie 67% vanhet gemiddelde loon 41.728 euro, 100% 62.281 euro en 167% 104.009 euro(brutoinkomens).Voor bovenstaande tabel is aangenomen dat het brutoinkomen van demeestverdiener van het huishouden stijgt. Bron: Tabel 3.6 uit OECD(2024), Taxing Wages 2024: Tax and Gender through the Lens of theSecond Earner, OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/dbcbac85-enVraag 97Wat is de deeltijdfactor in de kinderopvangsector?Antwoord 97De deeltijdfactor in de kinderopvangsector was 0,67 in het eerste kwartaalvan 2024 (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 10-10-2024). De deeltijdfactoris de verhouding tussen de werkelijke arbeidsduur en de gebruikelijkevoltijdsarbeidsduur per week volgens de cao. In de cao kinderopvang isdat 36 uur per week.Vraag 98Kunt u een overzicht maken van de omvang van de SZW-begroting alspercentage van het bbp sinds 2010?Antwoord 98In onderstaande grafiek en tabel staan de geraamde uitgaven en degeraamde netto-uitgaven (uitgaven minus ontvangsten) uit de ontwerpbe-grotingen van Hoofdstuk XV (SZW) in miljoen euro’s en als percentagevan het bbp. De bbp-cijfers voor 2023 en verder zijn nog niet definitief,daarvoor is de meest recente CPB-raming (MEV 2025) gebruikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 854 Hoofdstuk XV201020112012201320142015Uitgaven (mlneuro)27.28425.88131.06630.22533.75632.422in % bbp4,2%3,9%4,7%4,5%5,0%4,6%Netto-uitgaven(mln euro)26.16424.83129.21928.46731.99030.736in % bbp4,1%3,8%4,4%4,3%4,7%4,4% Hoofdstuk XV201620172018201920202021Uitgaven (mlneuro)31.76733.60232.09036.13639.69752.494in % bbp4,4%4,5%4,1%4,4%4,9%5,9%Netto-uitgaven(mln euro)30.04331.83430.20534.26537.77450.657in % bbp4,2%4,2%3,8%4,1%4,6%5,7% Hoofdstuk XV20222023*2024*2025*Uitgaven (mln euro)50.63850.35158.02259.997in % bbp5,1%4,7%5,1%5,1%Netto-uitgaven (mln euro)47.77748.05055.68157.495in % bbp4,8%4,5%4,9%4,9% Vraag 99Hoe wordt de doelmatigheid van de inzet van budget voor re-integratievan uitkeringsgerechtigden bij het UWV gemonitord en kunt u daar inzichtin geven?Antwoord 99Het re-integratiebudget wordt ingezet voor de inkoop van activiteiten, vanwerkvoorzieningen voor mensen met een beperking (onder meer:jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaanpassing)en financiering van de ESB-regeling. Het betreft een taakstellend budget.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 855 Wat betreft de inkoop van activiteiten gaat het met name om de inzet vanre-integratietrajecten en scholing. De effectiviteit van deze activiteitenwordt door UWV gemonitord. Bij de inkoop van re-integratietrajectengeldt een regime van no-cure/less pay. Een deel van de uitbetaling aanre-integratiebedrijven is afhankelijk van het resultaat. Daarnaast wordenre-integratiebedrijven in het kader van de aanbesteding periodiekbeoordeeld op resultaat. Bij onvoldoende resultaat kan eenre-integratiebedrijf worden verwijderd uit het inkoopkader.UWV rapporteert in haar jaarverslag (deel 2) over de resultaten vaningekochte trajecten.Tabel: resultaten ingekochte re-integratiedienstverleningTrajecten afgerond in:20222023Plaatsing als direct doel4.1233.707Afgesloten met baan2.4711.984Afgesloten zonder baan1.6521.723% afgesloten met baan60%54%Dichter bij de arbeidsmarkt als direct doel24.41224.192Succesvol19.04618.909Niet-succesvol5.3665.283% succesvol78%78%Afgesloten scholingen2.7512.324Afgesloten met diploma2.0221.586Afgesloten zonder diploma729738% afgesloten met diploma74%68%Totaal31.28630.223Bron: UWV jaarverslag 2023 (deel 2) UWV voert daarnaast in samenwerking met SZW onderzoek uit naar deeffectiviteit van de re-integratie dienstverlening als geheel, waaronder deinzet van voorzieningen. Deze onderzoeken hebben eind 2022 geleid toteen midterm review WGA-dienstverlening (Kamerstukken II 2021/22,32 716, nr. 686). Daarnaast volgt eind 2024 een synthesestudie naar deWajong-dienstverlening en begin 2025 het eindrapport naar de effecten-evaluatie WGA-dienstverlening.Vraag 100Kunt u een overzicht maken van de jaarlijkse stijging van het wettelijkminimumloon sinds 2018? Kunt u een alternatief overzicht maken vandeze stijging als het Wml alleen op basis van het consumentenprijsindex(cpi) cijfer was gestegen?Antwoord 100De bedragen en de jaarlijkse stijging van het wettelijk minimumloon zijnte vinden in het antwoord op vraag 31. Dezelfde bedragen zijn voor deperiode vanaf 2018 in onderstaande figuur opnieuw weergegeven. Metdaarbij de ontwikkeling indien het minimumloon vanaf 2018 alleen zouzijn gestegen met de consumentenprijsindex. Hiervoor is gebruik gemaaktvan de cpi en de alternatieve cpi zoals gerapporteerd door het CentraalPlanbureau bij de MEV 2025. Bij de alternatieve cpi wordt rekeninggehouden met prijzen van zowel nieuwe als bestaande energiecon-tracten.2929Voor meer toelichting zie par. 1.4 van het verdiepingsdocument bij het Centraal EconomischPlan CEP 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 856 Per 1 januari 2025 zal het wettelijk minimumloon € 14,06 bedragen.30 Bijstijging op basis van de traditionele cpi zou het minimumloon zijngestegen tot € 13,75 per uur op 1 januari 2025. Bij toepassing van dealternatieve cpi zou het zijn gestegen tot € 13,72 per uur. Vraag 101Kunt u een overzicht maken van de jaarlijkse stijging van het gemiddeldeloon sinds 2018 in de cao Retail non-food, de cao supermarkten, de caokinderopvang, de cao bouw en infra en de cao metaalbewerking.Antwoord 101In onderstaande tabel staat de cao-loonstijging per kalenderjaar vermeld.Het betreft de structurele cao-loonstijging op jaarbasis, inclusiefeenmalige uitkeringen. De structurele cao-loonstijging omvat initiëleverhogingen (verhoging bedragen loongebouw) en andere structureleloonstijgingen (zoals de 13e maand).Meer informatie over de achterliggende methodiek staat in bijlage III vande rapportage «Cao-afspraken 2024» die op 27 juni 2024 aan de Kamer isaangeboden:https://www.uitvoeringarbeidsvoorwaardenwetgeving.nl/Cao-afsprakenTabel: Cao-loonstijging in % op jaarbasis (inclusief eenmalige uitkeringen), 2018–2024Cao-naam2018201920202021202220232024Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus2,363,524,851,131,386,685,51Retail Non-Food1,772,472,511,574,0611,648,49M&T Metaalbewerkingsbedrijf2,251,484,963,461,794,304,64Bouw en Infra2,232,882,522,532,943,768,75Levensmiddelen, Grootwinkelbedrijven VGL1,671,423,851,313,055,97nb11 nb = niet beschikbaar; cao is geëxpireerd op 1-7-2024, waardoor cao-loonstijging voor 2024 nog niet vastligt.Bron: SZW-database cao-loonmutaties30Kamerstukken II 2024/25, 29 544 nr. 1251.Figuur: ontwikkeling van het wettelijk minimum in absolute termen in € per uur sinds2018. Tot en met 2023 is het uurbedrag weergegeven op basis van een 38-urigewerkweek. Vanaf 2024 is het minimumuurloon weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 857 Vraag 102Hoe wordt de doelmatigheid van de inzet van budget voor re-integratievan uitkeringsgerechtigden bij de Sociale Diensten gemonitord en kunt udaar inzicht in geven?Antwoord 102De uitvoering van de Participatiewet, waaronder de inzet van het budgetvoor re-integratie van uitkeringsgerechtigden door de sociale diensten, isgedecentraliseerd naar gemeenten, waarbij het college van B&W overaspecten als rechtmatig- en doelmatigheid verantwoording aflegt aan degemeenteraad. Bij deze verantwoordelijkheidsverdeling past niet dat oprijksniveau monitoring van doelmatigheid van gemeentelijke uitvoeringplaatsvindt. Wel is in het kader van de periodieke doorlichting vanonderdelen van de rijksbegroting in 2027 een periodieke rapportage«Bijstand & Participatie» voorzien, waarin op landelijk niveau gekeken zalworden naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.Vraag 103Met hoeveel euro zijn de uitgaven aan uitkeringen toegenomen als gevolgvan de koppeling aan stijgingen van het minimumloon sinds 2018? Kandit worden uitgesplitst per uitkering?Antwoord 103De hoogte van verschillende socialezekerheidsuitkeringen is gekoppeldaan het wettelijk minimumloon (WML). De indexatie van deze bedragen isechter ook afhankelijk van andere factoren, zoals de contractloonontwikke-lingen in de markt en parameters in de fiscaliteit. De uitgaven als gevolgvan indexatie worden niet uitgesplitst naar deze factoren. Het is daaromniet mogelijk om exact aan te geven met hoeveel euro de uitgaven aanuitkeringen zijn toegenomen als gevolg van de koppeling aan hetminimumloon.De geschatte uitgaven aan de indexatie van WML-gekoppelde uitkeringenop de SZW-begroting bedragen sinds 2018:Tabel: Schatting van de uitgaven aan de indexatie van WML-gekoppelde uitkeringensinds 2018x € mln.Totaal1Algemene Ouderdomswet (AOW)13.220Algemene Nabestaandenwet (Anw)80Macrobudget21.600Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)100Werkloosheidswet (WW)900Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) ontvangsten3– 60Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW)30Toeslagenwet (TW)100Wet Arbeid en Zorg (WAZO) + Regeling Zelfstandig En Zwanger (ZEZ)4360Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-publiek880Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-eigenrisicodragers100Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)890Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)750Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ)20Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)1.120Algemene Kinderbijslagwet (AKW)5710Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS)0Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 858 x € mln.Totaal1Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB)0Regeling tegemoetkoming werknemers met chronic solvent-inducedencephalopathy (CSE)0Compensatie Transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid(CTVLAO)110Compensatie Transitievergoeding midden- en kleinbedrijf (CTVMKB)0Totaal20.9101 Inclusief extra beleidsmatige WML-verhoging per 1 jan 2023.2 Omvat de bijstand, Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werklozeWerknemers (IOAW), Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezenZelfstandigen (IOAZ), Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) en Loonkostensubsidie(LKS).3 Betreft hogere ontvangsten.4 De nominale ontwikkeling van de WAZO en ZEZ worden samen geboekt maar alleen de ZEZ isgekoppeld aan het WML.5 De AKW is in 2020 niet geïndexeerd. Vraag 104Kan er een overzicht gegeven worden van het niet-gebruik per toeslag?Antwoord 104Het niet-gebruik per toeslag wordt als volgt ingeschat:•Huurtoeslag 13%;•Zorgtoeslag 11%;•Kindgebonden budget 7%;•Kinderopvangtoeslag 4–5%.Zie Kamerbrief Evaluatie Algemene wet inkomensafhankelijk regelingen(Awir), uitvoering en dienstverlening Toeslagen met kenmerk2022–0000325449.Om een meer nauwkeurige schatting te maken van de hoogte van hetniet-gebruik per toeslag wordt er op dit moment in opdracht van DienstToeslagen een onderzoek uitgevoerd naar het opzetten van een monito-ringsinstrument om niet-gebruik periodiek te monitoren.Vraag 105Een groot deel van de bezwaren die worden ingediend bij het UWVworden ook weer ingetrokken, is er sprake van specifieke actie richtingbezwaarmakers ten einde bezwaren in te trekken en zo ja welke?Antwoord 105Sinds 2022 werkt UWV samen met het Juridisch loket met als doel omvroegtijdig, voor het bezwaarmoment, problemen op informele wijze opte lossen. Ook andere rechtshulpverleners zijn inmiddels aangesloten opdeze informele aanpak, sinds juni 2023 werkt UWV ook samen met hetChristelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en sinds november 2023 met deFederatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). In het bezwaarreglement vanUWV is opgenomen te streven naar een zo informeel als mogelijkeafhandelingen van bezwaren. Daartoe neemt UWV binnen 5 werkdagencontact op met de bezwaarmaker om te bezien of problemen informeelopgelost kunnen worden. Het doel hierbij is dat mensen zich door UWVgezien, gehoord en geholpen voelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 859 Vraag 106Welk budgettair gevolg zou een koppeling van de uitkeringen met het cpiin plaats van het minimumloon hebben gehad sinds 2018? Kan dit wordenuitgesplitst per uitkering?Antwoord 106In het antwoord op vraag 100 wordt de ontwikkeling van het wettelijkminimumloon (WML) sinds 2018 weergegeven indien dit zou zijngestegen aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Daaruit is af teleiden dat het WML minder zou zijn gestegen dan in de huidige situatie.Analoog geldt dat de hoogte van de socialezekerheidsuitkeringen en debijbehorende uitgaven bij een koppeling aan de CPI ook minder hardzouden zijn gestegen. Dit geldt voor alle uitkeringen die momenteelgekoppeld zijn aan het WML (zie daarvoor het antwoord op vraag 103).Vraag 107Hoe wordt de indexatie van de hoogte van uitkeringen in andereEU-landen bepaald? Zijn hier EU-regels over?Antwoord 107De indexatie van de hoogte van uitkeringen in EU-landen wordt opnationaal niveau geregeld, aangezien de vaststelling van de hoogte vanuitkeringen een bevoegdheid van de lidstaten betreft.De Europese Unie heeft geen specifieke regels die voorschrijven op welkemanier uitkeringen geïndexeerd moeten worden. Veel lidstaten baserende beslissing om uitkeringen te indexeren op economische indicatoren,zoals inflatie en loonontwikkelingen.Vraag 108Welk percentage van de mensen in de bijstand heeft een niet-westersemigratieachtergrond?Antwoord 108Eind 2023 had 56% van de mensen in de bijstand een niet-westersemigratieachtergrond (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 10-10-2024). HetCBS heeft sinds 2022 geleidelijk een nieuwe indeling van de bevolkingnaar «herkomst» geïntroduceerd waarmee het kenmerk «migratieachter-grond» wordt vervangen. De nieuwe hoofdindeling in de bijstandssta-tistiek onderscheidt een herkomst uit Nederland, Europa en buitenEuropa.Vraag 109Welk percentage van de statushouders heeft na één jaar status eenbijstandsuitkering? En hoeveel na vijf jaar?Antwoord 109Er zijn geen precieze cijfers bekend over het aandeel statushouders meteen bijstandsuitkering. Uit CBS-onderzoek volgt dat anderhalf jaar na hetontvangen van hun status circa 90% van de statushouders een uitkeringontvangt. Na viereneenhalf jaar ontvangt circa 50% van de statushouderseen uitkering. Dit betreft niet alleen bijstandsuitkeringen, maar ookwerkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De werkloosheids-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 860 en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen komen niet zoveel voor, wegens hetontbreken van een arbeidsverleden in Nederland. Bron: CBS, onderzoekasielzoekers en statushouders (2023).Vraag 110Hoe lang duurt een gemiddeld onderzoek van de NLA?Antwoord 110De doorlooptijd van een gemiddeld onderzoek van de Arbeidsinspectiebedroeg 84 dagen in 2023.Voor het domein «Eerlijk» is de doorlooptijd van een gemiddeldonderzoek 164 dagen. Actieve inspecties op eigen initiatief: 200 dagen.Reactieve Inspecties op basis van meldingen: 136 dagen.Voor het domein «Veilig & Gezond» zijn dat 65 dagen. Actief: 57 dagen,Reactief: 78 dagen.Vraag 111Welk percentage van de statushouders in Nederland heeft kinderen?Antwoord 111Medio 2023 had 57,6% van de statushouders die sinds 2014 in Nederlandeen verblijfsstatus ontvingen en die medio 2023 nog in Nederlandwoonachtig waren een of meerdere kinderen.Vraag 112Wat is de afweging geweest om de ambitie van het vorige kabinet op hethalveren van kinderarmoede in 2030 los te laten?Antwoord 112Het kabinet wil dat mensen meer te besteden krijgen. Uitgangspunt is datmaatregelen gericht zijn op zekerheid en meedoen, niet verder nivellerenen tegelijkertijd (kinder)armoede niet te laten stijgen ten opzichte van2024. Het kabinet blijft zich inspannen om kinderarmoede verder terug tedringen en generatiearmoede te doorbreken. Niet alle maatregelen zie jedirect terug in de armoedecijfers. De nieuwe armoedegrens van het CBS,Nibud en SCP laat zien dat in 2023 ruim 115.000 minderjarige kinderen inarmoede op groeide.31 In totaal 3,6% van alle minderjarige kinderen. Dit iseen daling ten opzichte van 2018. Toen leefden er volgens deze definitie284.000 kinderen in armoede. Dat was in totaal 8,6% van alle minderjarigekinderen.Vraag 113Welk percentage van de statushouders in Nederland is man? Enkinderloze man?Antwoord 113Medio 2023 was 56,8% van de statushouders die sinds 2014 in Nederlandeen verblijfsstatus ontvingen, van het mannelijk geslacht. Over hetaandeel daarvan dat kinderloos was, is geen informatie voorhanden.31CBS, Nibud en SCP, De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 861 (Bron: CBS, dashboard asiel en integratie Dashboard asiel en integratie(cbs.nl))Vraag 114Heeft de Nederlandse overheid voltijdswerken ooit fiscaal gestimuleerdten opzichte van deeltijdwerk? Zo ja, hoe?Antwoord 114Er is geen fiscaal beleid dat specifiek deeltijd of voltijdswerk stimuleert.Wel zijn er fiscale instrumenten ingezet die gericht zijn op het stimulerenvan arbeidsparticipatie: voornamelijk de arbeidskorting en de inkomensaf-hankelijke combinatiekorting (IACK).In de Kamerbrief Aanvullende maatregelen aanpak arbeidsmarktkraptevan 2 februari 2023 is uitgewerkt of de arbeidskorting gebaseerd kanworden op gewerkte uren. In de uitwerking werd geconcludeerd het geenbeter alternatief is om meer uren te werken dan de huidige arbeidskorting,vanwege de kanttekeningen en risico’s van een dergelijke optie.Vraag 115Hoe stimuleert deze begroting voltijdswerken?Antwoord 115Het kabinet richt zich op het stimuleren van meer uren werken, waar datpast. In sommige gevallen past deeltijdwerk goed bij bijvoorbeeld de zorgvoor kinderen of naasten. Maar mede vanwege personeelstekorten incombinatie met onze grote maatschappelijke uitdagingen, telt ieder uurextra werken. De arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatie-korting (IACK) zijn gericht op het stimuleren van arbeidsparticipatie.Het kabinet neemt een aantal belemmeringen weg voor mensen die meerwillen werken, door:1.Werken meer te laten lonen, door het koopkrachtpakket. Denk aan debelastingverlaging en de vereenvoudiging van de huurtoeslag in2026. Tabel 135 in de begroting voor 2025 laat zien dat het voor veelhuishoudtypen loont om de stap naar werk te zetten, of om meeruren te gaan werken. Dat (meer) werken moet lonen is daarnaast eenbelangrijk doel van de hervorming van het stelsel van inkomenson-dersteuning.2.De herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvang. Meerbetaalbaarheid en zekerheid van de kinderopvang ondersteuntouders die meer willen werken: zie antwoord 174. 2025 zal in hetteken staan van het verder ontwikkelen van de wetgeving en hetvoorbereiden van de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel.Ook gaat de kinderopvangtoeslag omhoog. In 2025 is daar ruim€ 400 miljoen voor beschikbaar. Vooral werkende huishoudens meteen middeninkomen z(n daardoor minder geld kw(t aan kinderop-vang.3.Het Nationaal Groeifonds project «Meer Uren Werkt!».32 Voor 2025 iser subsidiebudget uitgetrokken als enerzijds een projectsubsidie aanGroeifondspartner Universiteit van Utrecht, en anderz(ds voor deT(del(ke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreidingarbeidst(d.32Zie bijlage 8 van de begroting voor meer financiële informatie over dit groeifondsproject.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 862 De subsidieregeling stimuleert organisaties in de zorg, onderw(s enkinderopvang om interventies (activiteiten) uit te voeren.33 Het doel vande regeling is om te onderzoeken welke van deze activiteiten goed werkenom de belemmeringen voor deelt(ders om meer uren te werken weg tenemen zodat deze in het vervolgtraject kunnen worden opgeschaald naarde gehele arbeidsmarkt.De interventies richten zich op:1.het ondersteunen van uitbreiding van de arbeidst(d;2.contractuitbreiding en cultuurverandering in de maatschapp(;3.het bevorderen van een maatschappel(ke beweging en kennisontwik-keling met betrekking tot het stimuleren van het werken van meeruren.Vraag 116Hoeveel Nederlanders hebben uitzendwerk? Wat is de trend in dezebranche?Antwoord 116In de Uitzendmonitor van SEO34 wordt het aantal uitzendkrachten met alsherkomstland Nederland geschetst. Data is beschikbaar van 2013 tot 2022,en van 2013 tot 2019 met onderbrekingen van een jaar. In de tabel is tezien dat er een afnemende trend is in het aantal uitzendkrachten metNederlandse herkomst vanaf 2017. De groep uitzendkrachten omvat allepersonen die volgens de Polisadministratie in een specifiek jaar werkhebben verricht als uitzendkracht.PeriodenAantal uitzendkrachten met als herkomstlandNederland2013422.1872015493.1142017559.9662019511.6132020379.1712021389.6652022365.144 In het aantal uitzendkrachten met als herkomstland Nederland zit nietiedereen die de Nederlandse nationaliteit heeft, er zijn ook personen meteen ander herkomstland die momenteel wel de Nederlandse nationaliteithebben. Er is geen data beschikbaar over het aantal uitzendkrachten metde Nederlandse nationaliteit. Voor personen die ingeschreven zijn in eenNederlandse gemeente is het herkomstland gedefinieerd als het geboor-teland van de persoon zelf, het geboorteland van de moeder, of als ditNederland is, het geboorteland van de vader. Voor personen die niet staaningeschreven in een Nederlandse gemeente is het herkomstland – voorzover bekend – het geboorteland.Vraag 117Welk percentage van de meldingen bij de NLA wordt daadwerkelijkonderzocht?33Zie de Kamerbrief over Arbeid en zorg over betaald ouderschapsverlof, periodieke rapportageen dialoog SamenSpraak die uw Kamer in november ontvangt.34UITZENDMONITOR (seo.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 863 Antwoord 117De Arbeidsinspectie publiceert dergelijke informatie op reguliere basis inhaar jaarverslagen.35 Daarin staat ook een beknopte beschrijving van haarwerkwijze bij het beoordelen van meldingen, inclusief de uitleg van denieuwe werkwijze bij ongevalsonderzoek.De meldingen zijn uitgesplitst naar ongevalsmeldingen enerzijds enklachten en signalen anderzijds. Ongevalsmeldingen betreft meldingenvan arbeidsongevallen. Klachten en signalen betreffen meldingen overarbeidsomstandigheden en meldingen over overtredingen van de wettenwaarop de Arbeidsinspectie toezicht houdt. Het opvolgingspercentage isals volgt:Type meldingAantalmeldingenPercentageopgevolgdOngevalsmeldingen3.86667% (#2.575)Klachtmeldingen en signalen11.73439% (#4.620) Ter toelichting: het opvolgingspercentage geeft aan hoeveel meldingendie in 2023 zijn ontvangen, zijn beoordeeld én opgevolgd. Daarmee is diteen zogeheten standcijfer. Meldingen uit 2023 die op dat moment nog nietzijn beoordeeld, zijn dus niet meegenomen in de berekening van hetopvolgingspercentage.Vraag 118Hoeveel loon betalen werkgevers in totaal jaarlijks aan loondoorbetalingbij ziekte?Antwoord 118Zoals bij het antwoord op vraag 58 is aangegeven, blijkt uit gegevens vanTNO/CBS (Bron: NEA Jaargang 2022 – TNO/CBS) dat het verzuimper-centage in 2022 4,9% bedroeg, wat gelijk is aan ongeveer 70 miljoenverzuimdagen. Die verzuimdagen stonden in 2022 voor maximaal € 19,9miljard aan loondoorbetaling tijdens ziekte. Het gaat om een maximumwant de kanttekening daarbij is dat uit wordt gegaan van een volledigeloondoorbetaling (100% van het loon) en een volledig verlies aanarbeidsproductiviteit. De praktijk is echter dat de loondoorbetaling vaaklager ligt (bijvoorbeeld op 70%) en dat een zieke werknemer niet altijdzijn/haar volledige arbeidsproductiviteit verliest.Werkgevers moeten hun werknemers bij ziekte 104 weken la ng 70% vanhet loon door betalen (in het eerste jaar minimaal het minimumloon).Afhankelijk van cao-afspraken zullen de precieze loonkosten afwijken vanhet genoemde percentage (aanvullingen tot 100% en/of specifiekeafspraken over aanvullingen bij re-integratie).Vraag 119Hoeveel Nederlanders hebben in 2024 burn-outklachten?35Zie voor 2023 het deel «Cijfers en feiten», vanaf pagina 63 van: Jaarverslag 2023 | Jaarverslag |Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 864 Antwoord 119Burn-outklachten hebben vaak brede oorzaken. Naast in werk kunnenoorzaken liggen in de persoonlijke en sociale situatie van mensen en in demaatschappij. In 2023 ervoer 19% van de werknemers burn-outklachten,van de zelfstandige ondernemers ervoer 12% burn-outklachten.(Bron: TNO/CBS: Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2023; TNO:Werkgeversenquête Arbeid 2023)Vraag 120Wat zijn de voornaamste redenen voor verzuim?Antwoord 120In 2023 was griep, verkoudheid of een andere virusinfectie devoornaamste reden van verzuim door werknemers. Daarna volgdenpsychische klachten, waaronder overspannenheid en burn-outklachten.Ten slotte worden hoofdpijn, rugklachten en klachten aan buik, maag ofdarmen vaak genoemd als redenen. (Bron: CBS/TNO: Nationale EnquêteArbeidsomstandigheden van CBS/TNO)Vraag 121Houdt u bij het opstellen van cijfers over marginale druk rekening metouders die betalen voor kinderopvang?Antwoord 121In de SZW-begroting wordt de marginale druk getoond. Het toont dedoorgroeival, de herintredersval en de deeltijdval. Ook wordt een grafiekgetoond van de marginale druk voor verschillende inkomensniveaus. In aldeze maatstaven van marginale druk wordt rekening gehouden met deafbouw van de kinderopvangtoeslag via de kinderopvangtoeslagtabel alsgevolg van het toegenomen huishoudinkomen. Bij de deeltijdval en deherintredersval gaat het expliciet om werkaanvaarding of meer urenwerken. Als het huishouden kinderen heeft, wordt naast de afbouw van dekinderopvangtoeslag door het hogere huishoudinkomen rekeninggehouden met meer kinderopvanguren om het toegenomen aantalarbeidsuren mogelijk te maken.Vraag 122Hoe wordt de rijksbrede generieke subsidie taakstelling uit het Hoofdlij-nenakkoord ingevuld op de SZW-begroting in 2025 en verder? Wat gaatde taakstelling in het bijzonder betekenen voor re-integratiebudgetten?Antwoord 122De subsidietaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord wordt ingevuldconform onderstaande tabel op de SZW-begroting. Zoals af te lezen uit detabel raakt de subsidietaakstelling aan verschillende budgetten voorre-integratie zoals de impuls voor dekkende van werk naar werk dienstver-lening, het programma Vakkundig Altijd en de beleidsondersteunendebudgetten voor re-integratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 865 Tabel: subsidietaakstelling SZWx € 1.00020252026202720282029Struc.Expeditieregeling(DI&LLO)– 4.600– 16.900– 800SLIM1– 62.475– 23.288– 11.174– 16.097– 16.962Preventiegeldzorgen– 6.000– 14.000Subsidiespraktijkleren– 1.200– 1.200– 1.200– 1.200– 1.100Impuls dekkenderegionaledienstverlening– 1.500– 3.000– 3.000– 3.000Vakkundig Altijd– 1.417– 2.167– 2.167– 2.167– 2.167Praktijkleren bijsociaal ontwikkel-bedrijven– 5.000– 5.000Bijdragen aanorganisaties– 913– 1.101– 1.848– 1.980– 1.980Beleidsonder-steunendebudgetten– 638– 3.957– 4.692– 5.263– 5.050– 1.908Totaal taakstel-ling– 74.630– 54.925– 12.960– 24.652– 35.494– 35.9501 Inclusief kasschuif om SLIM weer in een evenwichtig en werkbaar kasritme terug te zetten Toelichting maatregelenExpeditieregeling (DI&LLO)Na de incidentele besparing op deze regeling blijft vanaf 2025 jaarlijkscirca € 10 miljoen beschikbaar (en € 11,3 miljoen structureel vanaf 2028).SLIMDe SLIM-regeling bestaat uit een structurele regeling waar in de jaren2025 tot 2028 een tijdelijke scholingsfaciliteit aan is toegevoegd. Deombuiging op SLIM is structureel 30% van het budget voor de regeling.Op het totale meerjarige budget voor de scholingsfaciliteit wordt 15%omgebogen.Preventie geldzorgenEr staat structureel € 22 miljoen gereserveerd voor preventie geldzorgenvanuit het Nationale Programma Armoede en Schulden. Na de besparingblijft er vanaf 2030 € 8 miljoen structureel beschikbaar. Op het structurelebudget wordt 36% bezuinigd.Subsidies praktijklerenDeze ombuiging is een structurele kostenbesparing van 25% op het totalebudget.Impuls dekkende regionale dienstverleningDeze ombuiging is een kostenbesparing van 11% op het totale budget.Vakkundig AltijdMet deze ombuiging zien we af van het gehele programma, dat nog niet isbegonnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 866 Praktijkleren in het mbo bij sociaal ontwikkelbedrijven en sociaalondernemersDeze subsidie vindt geen doorgang meer.Bijdragen aan organisatiesDe bijdragen aan het RIVM, TNO, VluchtelingenWerk, KennisplatformInclusief Samenleven (KIS), het NIBUD en Divosa worden verlaagd.Beleidsondersteunende budgettenVerschillende beleidsondersteunende budgetten, waaruit onder anderekleinere opdrachten, subsidies en onderzoeken worden bekostigd, wordenverlaagd op artikel 1, 2, 11 en 13. De budgetten waar de subsidietaak-stelling neerslaat zijn onder andere ondersteunend aan de thema’sarbeidsmarkt, re-integratie en armoede en schulden, handhaving enintegratie.Vraag 123Wat is de collectieve energierekening per jaar voor Nederlandsehuishoudens? Hoeveel hiervan dekt het Tijdelijk Noodfonds Energie inprocenten?Antwoord 123Uitgaande van een gemiddelde energierekening op jaarbasis van 2.363euro36, een totaal van 8,4 miljoen huishoudens, en een budget van destichting Tijdelijk Noodfonds Energie van 80 miljoen dekte het fonds in2024 ongeveer 0,4%.Dit zegt echter niet veel, omdat het Noodfonds van 2023 en 2024 eropgericht was om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen bij hetbetalen van de energierekening. Het betrof een zeer gerichte maatregelvoor een aantal maanden, waar lang niet alle huishoudens voor inaanmerking kwamen. Het meten van de gemiddelde impact over degehele bevolking informeert daarmee niet over de effectiviteit van hetinstrument.Vraag 124Wat verklaart de toename van het aantal arbeidsongeschikten? Stijgt ditaantal harder dan redelijkerwijs verwacht mag worden op basis van degroei van de (beroeps)bevolking?Antwoord 124Het aantal arbeidsongeschikten hangt niet alleen van de omvang van deberoepsbevolking af. Zo is de WIA een ingroeiende regeling die nog niethet structurele niveau heeft bereikt. Dit betekent dat jaarlijks het aantaluitkeringsgerechtigden toeneemt vanwege deze ingroei. Daarnaast zorgthet verhogen van de AOW-leeftijd ervoor dat mensen langer in de WIAkunnen blijven. Dit verhoogt het bestand in de WIA zonder dat er meerunieke mensen arbeidsongeschikt zijn. Ook zorgen tijdelijke factoren alscorona (post-COVID) of beleidsmaatregelen zoals de 60-plusmaatregel ookvoor meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.36De energierekening januari 2024 | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 867 Als we kijken naar de WIA-instroom in 2023 dan is die met krap 5.000gestegen ten opzichte van de instroom in 2022. De toename van deinstroom heeft meerdere oorzaken. Een aantal structurele factoren(toename werkgelegenheid en stijging AOW-leeftijd) verklaart 33% vandeze toename. In 2023 kregen meer mensen met corona als eersteziektebeeld een uitkering. Dit verklaart 17% van de stijging van deinstroom. Ruim 35% van de toename wordt verklaard door uitvoeringsge-relateerde factoren zoals de 60-plusmaatregel en voorschottoeken-ningen37. UWV doet onderzoek naar de resterende 15% van de toenamewaarvan de oorzaak onbekend en onverklaard is. Naar verwachting wordthet onderzoek aan het einde van het jaar afgerond.Vraag 125Hoeveel mensen werken er op dit moment op het minimumloon? Wat isde verwachting voor 2025? Hoeveel mensen zullen eind 2025 op hetminimumloon werken?Antwoord 125Op dit moment kent Nederland naar schatting ongeveer 750 duizendminimumloonbanen. Dit is een schatting, omdat de laatst beschikbarestatistieken van het CBS gaan over het jaar 2022. Toen waren er 0,4miljoen minimumloonbanen. Het actuele aantal ligt vermoedelijk hoger,als gevolg van de verhoging van het minimumloon in 2023 en deinvoering van het minimumuurloon in 2024. De verwachting is dat hetaantal minimumloonbanen in 2025 op een niveau zal liggen dat verge-lijkbaar is met het huidige niveau.Vraag 126Wat is het arbeidsmarkteffect van het al dan niet koppelen van hetminimumloon aan de hoogte van bijstands- en andere uitkeringen?Antwoord 126Voor verdere verhogingen van het minimumloon bedraagt het verlies aanarbeidsdeelname naar schatting:•met doorwerking op de sociale zekerheid: ongeveer 10 duizendpersonen per procentpunt verhoging•zonder doorwerking op de sociale zekerheid: ongeveer 3 duizendpersonen per procentpunt verhoging.38Vraag 127Wat kost het de Rijksbegroting in 2025 om het minimumloon met 1procent te verhogen? En met 5 procent?Antwoord 127Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon in 2025 is nietmeer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergt eenwetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Met een zeer37Mensen die langer dan 8 weken op hun WIA-claimbeoordeling moeten wachten, hebben rechtop een voorschot. Ieder voorschot wordt geregistreerd als instroom, maar circa 25% van devoorschotten leidtbij de beoordeling uiteindelijk niet tot een WIA-recht.38Toelichting op deze cijfers is te vinden in paragraaf 6.4 van de laatste evaluatie van hetminimumloon (Kamerstukken II 2023/24, 29 544 nr. 1230, pagina 40).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 868 krappe planning is een verhoging van het minimumloon per 1 januari2026 nog net haalbaar.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 1% kostongeveer € 810 miljoen per jaar. Een bijzondere verhoging met 5% kostongeveer € 4 miljard per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledigedoorwerking op uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op deSZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur-en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen dekosten van de rijksoverheid als wetgever en niet van de rijksoverheid alswerkgever.Vraag 128Wat kost het de Rijksbegroting in 2025 om het minimumloon te verhogentot het 60 procent van het mediane inkomen is?Antwoord 128Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon in 2025 is nietmeer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergt eenwetswijziging. Dit kost normaliter anderhalf tot twee jaar. Met een zeerkrappe planning is een verhoging van het minimumloon per 1 januari2026 nog net haalbaar.Er zijn meerdere inschattingen van het mediane inkomen in Nederland(onder andere van het CBS en Eurostat). Dit maakt het niet eenvoudig omte bepalen wat 60% van het mediane inkomen is. Voor de beantwoordingvan deze vraag is aangenomen dat 60% van het mediane inkomen gelijkstaat aan een uurloon van € 16. Volgens de huidige inzichten is per1 januari 2026 een bijzondere verhoging van het minimumloon van 9,6%benodigd om uit te komen op een minimumuurloon van € 16. Als dereguliere indexatie van het minimumloon in de komende jaren andersuitvalt dan nu verwacht, dan wijzigt het benodigde stijgingspercentageom uit te komen op een minimumuurloon van € 16.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 9,6% kostongeveer € 7,7 miljard per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledigedoorwerking op uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op deSZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur-en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen dekosten van de rijksoverheid als wetgever en niet van de rijksoverheid alswerkgever.Vraag 129Hoe hoog zou de bijstandsuitkering zijn als het minimumloon verhoogdwordt tot 60 procent van het mediane inkomen? Hoe zou dit zichverhouden tot de bijstandsuitkering in andere EU-landen?Antwoord 129Als zoals in vraag 128 wordt aangenomen dat 60 procent van het medianeinkomen in 2026 gelijk staat aan een uurloon van € 16 is een bijzondereverhoging van het wettelijk minimumloon van 9,6% benodigd. In deMEV-raming zou het bijstandsniveau voor alleenstaanden per 1 januari2026 stijgen van circa € 1.400 per maand naar circa € 1.510 per maand. InTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 869 het antwoord op vraag 79 kunt u een overzicht vinden van het nettobijstandsniveau in andere Europese landen.Vraag 130Wat was het bruto en netto mediane inkomen in 2024? Wat is demarginale druk van iemand die een mediaan inkomen verdient?Antwoord 130Het mediane bruto jaarloon is niet beschikbaar via CBS Statline. Wel is hetmediane bruto persoonlijk inkomen beschikbaar. Er zijn (nog) geengegevens beschikbaar over het mediane brutoinkomen in 2024. Omdat ergeen actueel mediane inkomen in 2024 beschikbaar is, is het niet mogelijkom de marginale druk voor dat inkomen weer te geven.Vraag 131Met hoeveel procent is de bijstandsuitkering verhoogd in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 131Tussen juli 2014 en juli 2024 is het normbedrag voor een bijstandsuit-kering voor gehuwden met 37,5% verhoogd. Voor alleenstaanden is dit92,5%. Dit laatste hangt samen met een wijziging in de systematiek per1 januari 2015, tegelijkertijd met de invoering van de Participatiewet. Inhet antwoord op vraag 28 is een gedetailleerdere uitsplitsing gegeven vande verhoging over de afgelopen tien jaar. Hierin wordt ook ingegaan opde berekening van de norm van alleenstaanden tot 1 januari 2015.Tussen juli 2019 en juli 2024 zijn de normbedragen voor de bijstandsuit-kering voor alleenstaanden en voor gehuwde beide met 27% verhoogd.Vraag 132Met hoeveel procent is het mediaan inkomen gegroeid in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 132Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het mediane persoonlijkbruto inkomen van alle personen. Het persoonlijk bruto inkomen omvatinkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomens-verzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering vankinderbijslag en kindgebonden budget). De gegevens zijn beschikbaar toten met 2022.Het mediane persoonlijk bruto inkomen is sinds 2012 gegroeid met 32%,en sinds 2017 met 22,8%.Tabel: Ontwikkeling mediaan persoonlijk bruto inkomen, in duizenden euro.JaarMediaan201225,3201325,5201425,7201525,8201626,4201727,2201828,1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 870 JaarMediaan201929,3202030,4202131,32022133,41 Het cijfer voor 2022 is nog voorlopig.Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 11-10-2024 Vraag 133Met hoeveel procent is het gemiddelde inkomen gegroeid in de laatstetien jaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 133Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het gemiddelde persoonlijkbruto inkomen van alle personen. Het persoonlijk bruto inkomen omvatinkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomens-verzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering vankinderbijslag en kindgebonden budget). De gegevens zijn beschikbaar toten met 2022.Het gemiddelde persoonlijk bruto inkomen is sinds 2012 gegroeid met28,1% en sinds 2017 met 18,3%.Tabel: Ontwikkeling gemiddeld persoonlijk bruto inkomen, in duizenden euro.JaarGemiddeld inkomen201233,8201334,2201434,8201534,6201635,3201736,6201837,0201938,4202039,6202141,02022143,31 Het cijfer voor 2022 is nog voorlopig.Bron: CBS, Statline, 11-10-2024 Vraag 134Met hoeveel procent is het modale inkomen gegroeid in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 134Het modale inkomen is een referentie-inkomen dat gebruikt werd door hetCentraal Planbureau om de koopkrachtontwikkeling van een doorsneehuishouden te schetsen. Tegenwoordig wordt de koopkrachtontwikkelinggeschat met een microsimulatiemodel, op basis van een steekproef vanongeveer 100.000 huishoudens. Het CPB indexeert nog wel jaarlijks hetbruto modale inkomen. Het modale inkomen wordt nog gebruikt om dekoopkracht van verschillende voorbeeldhuishoudens te berekenen in deBegroting van SZW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 871 Het bruto modaal inkomen is sinds 2014 gestegen met 34,8% en sinds2019 gestegen met 27,1%.Tabel: Bruto modaal inkomen, in euro per jaar.201233.000201332.500201433.000201533.000201633.500201734.000201834.500201935.000202036.500202137.500202239.000202341.500202444.500Bron: CPB (2024), Macro Economische verkenning 2025, Verzamelde bijlagen met lange reeksent/m 2028 (MLT), Bijlage 18;Bron: CPB (2022), CPB Column: Hoe Jan Modaal een gezicht en gezin kreeg Vraag 135Welk percentage van vakbondsleden in Nederland heeft een baan? Welkpercentage is gepensioneerd?Antwoord 135Het CBS publiceert iedere twee jaar cijfers over het aantal vakbondsleden.Volgens de meest recente cijfers uit 2023 zijn 1.440.900 mensen lid vaneen vakbond (bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 10-10-2024). In dezestatistiek zitten ook mensen die geen werknemer (meer) zijn, zoalsgepensioneerden, zelfstandigen of werklozen. Welke vakbondsleden eenbaan hebben of gepensioneerd zijn is niet bekend. Wat wel bekend is zijnde leeftijdsgroepen van de werknemers die lid zijn van een vakbond.Daaruit blijkt dat van het totaal aantal vakbondsleden er 316.000 zijn metde AOW-leeftijd of ouder. Dat is 21,9%.PeriodeTotaal (x1.000)<25 jaar25 – 45 jaar45 tot AOW-leeftijdAOW-leeftijdof ouder20231.440,935,3340,7748,9316,0Bron: CBS StatLine – Leden van vakverenigingen; geslacht en leeftijd (cbs.nl)Toelichting: de cijfers uit 2023 staan op Statline vermeld als voorlopig. CBS heeft echter aangege-ven dat deze inmiddels definitief zijn (en ongewijzigd). Vraag 136In welk jaar hadden vakbonden relatief gezien de grootste ledenaantallen?Antwoord 136Uit de cijfers van het CBS over de historie van het aantal vakbondsleden,blijkt dat vakbonden in het jaar 1999 in absolute getallen de grootsteledenaantallen hadden, te weten 1.935.000 (bron: Statline, CBS, geraad-pleegd op 10-10-2024, StatLine – Historie leden vakverenigingen (cbs.nl)).Er zijn geen relatieve cijfers van alle vakbondsleden over de jaren.Het CBS heeft dit jaar een historisch overzicht gepubliceerd van stakingenin Nederland. Daarbij is ook gekeken naar het aantal vakbondsleden tenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 872 opzichte van de werkzame beroepsbevolking. Op basis daarvan waren ervolgens het CBS in 1978 de meeste vakbondsleden (bron: CBS, Tijdlijnstakingen, 1979 | CBS). Het CBS heeft geen nadere cijfers gepubliceerdhierover.Vraag 137Wat is de ontwikkeling van het totale pensioenvermogen van pensioen-fondsen sinds het jaar 2000?Antwoord 137Op basis van publiekelijk beschikbare informatie kan alleen een overzichtgegeven worden van het totale pensioenvermogen van pensioenfondsenvanaf 2007. Het totale belegd vermogen voor risico pensioenfondsen kentover de periode 2007 – 2023 de volgende ontwikkeling in miljoenen euro’s(bron: DNB statistieken, tabel 8.9, stand eind van het jaar, geraadpleegdop 10-10-2024):Tabel: Totale belegd vermogen voor risico pensioenfondsen (2007–2023), stand eindevan het jaar2007683.1932008576.0492009663.9102010746.6602011802.2012012916.8732013951.46620141.133.42420151.148.15620161.265.53420171.338.06520181.322.57220191.554.44620201.679.39320211.803.49820221.425.81620231.548.711Bron: DNB statistieken, tabel 8.9, stand eind van het jaar, geraadpleegd op 10-10-2024. Alleen de vermogenspositie van pensioenfondsen bekijken, geeft echtereen te beperkt inzicht in de financiële gezondheid van pensioenfondsen.Pensioenfondsen keren immers geen vermogens uit, maar moetentoegezegde pensioenen nakomen. De actuele waarde van deze toege-zegde pensioenen wordt bepaald door de hoogte van de rente. Tegenoverhet belegde vermogen staan dus pensioenverplichtingen. De dekkings-graad geeft de verhouding daartussen weer.Vraag 138Kunt u alle inkomensregelingen in 2025 in een grafiek weergeven, denkaan de toeslagen en arbeidskortingen? Kunt u hierbij ook de marginaledruk grafisch weergeven?Antwoord 138De hoogte van inkomensregelingen zoals heffingskortingen en toeslagenis afhankelijk van factoren zoals de huishoudsituatie en toeslagen.Onderstaande figuur toont de hoogte van heffingskortingen en toeslagenvoor een alleenstaande ouder met één kind van 6 jaar die woont in eenhuurwoning met een huurhoogte van € 609 per maand. Dit is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 873 voorbeeld waarin gebruik wordt gemaakt van alle toeslagen en de meestvoorkomende heffingskortingen. In deze weergave is geen rekeninggehouden met de verzilvering van heffingskortingen. Tot een belastbaarinkomen van circa € 10.000 kan de algemene heffingskorting bijvoorbeeldnog niet volledig verzilverd worden, omdat de te betalen inkomstenbe-lasting lager is dan de hoogte van de algemene heffingskorting.In 2026 wordt de huurtoeslag vereenvoudigd door de huurtoeslag lineairaf te bouwen. Dit wijzigt het afbouwpad en de marginale druk door dehuurtoeslag. Onderstaande figuur toont de marginale druk door het belastingtarief,heffingskortingen en toeslagen bij een stijging van het belastbaarinkomen met € 1.000. Ook deze figuren zijn afhankelijk van factoren zoalshuishoudsamenstelling en woonsituatie, omdat de hoogte en mate vanafbouw van toeslagen en de IACK hierdoor bepaald wordt. Voor demarginale druk is voor de meeste werkenden ook de pensioenpremierelevant en voor zelfstandigen de inkomensafhankelijke bijdrage voor deZorgverzekeringswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 874 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 875 Vraag 139Hoeveel Nederlanders hebben uitzendwerk? Hoe lang heeft iemandgemiddeld een uitzendbaan? Hoeveel mensen met een uitzendbaanstromen uit naar een «normale» baan? Hoeveel stroomt uit naar eenuitkering?Antwoord 139Uit de Uitzendmonitor van onderzoeksbureau SEO39 blijkt dat in 2022meer dan één miljoen personen werkzaam waren als uitzendkracht. Degroep uitzendkrachten omvat alle personen die volgens de Polisadminis-tratie in een specifiek jaar werk hebben verricht als uitzendkracht. Dit zijnniet alleen Nederlanders, maar ook veel arbeidsmigranten. Uitzend-krachten met een Nederlandse herkomst waren in 2022 ongeveer 35% vande totale populatie van uitzendkrachten. Dit is niet hetzelfde als uitzend-krachten met de Nederlandse nationaliteit. Uitzendkrachten met een anderherkomstland kunnen ook de Nederlandse nationaliteit hebben. DeUitzendmonitor kan echter alleen iets zeggen over de uitstroom en duurvan uitzendbanen voor de gehele populatie. Over het gehele jaar gezienwerkt 10 procent van de totale werkzame beroepsbevolking ergens in datjaar ook als uitzendkracht.De verdeling van het aantal maanden uitzendwerk binnen een jaar laatzien dat twee derde van de uitzendkrachten in 4 maanden of meermaanden per jaar uitzendwerk verrichten en dat een vijfde in alle 12maanden als uitzendkracht werkt.De meerderheid van de uitzendkrachten, in totaal 80 procent, bevond zichtussen 2007 en 2022 in fase A of 1 en 2 – met andere woorden, hadmaximaal 52 respectievelijk 78 weken een uitzendbaan. Het aandeeluitzendkrachten in deze fase met uitzendbeding neemt af over de jaren,terwijl het aandeel uitzendkrachten zonder uitzendbeding juist toeneemt.Steeds meer mensen hebben langer dan 76 weken een uitzendbaan.39UITZENDMONITOR (seo.nl)Figuur 9 in de begroting SZW toont hoe deze marginale druk optelt voor huishoudens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 876 Een maand na afloop van een uitzendbaan hebben personen in de meestegevallen werk (60 procent), waarvan het vaakst in een ander uitzend-dienstverband (30 procent) en daarnaast in een tijdelijk dienstverband (14procent), als oproepkracht (9 procent), of in een vast dienstverband (6procent), zo blijkt uit een analyse van SEO over de periode 2007–2022. Eenklein deel van de personen zit na afloop van een uitzendbaan in de WW (4procent), in de Ziektewet/arbeidsongeschiktheid (2 procent) of in debijstand (1 procent). 8 procent heeft een «overige arbeidsmarktpositie».Vraag 140Zijn er kosten voor de Rijksbegroting bij het afschaffen van hetminimumjeugdloon?Antwoord 140Het afschaffen van het minimumjeugdloon heeft de volgende budgettairegevolgen:•De Wajong-uitgaven nemen toe omdat de uitkeringshoogte vanjonggehandicapten van 18 jaar en ouder die duurzaam geen arbeids-vermogen hebben is gebaseerd op een percentage van het minimum-jeugdloon.•De uitgaven aan de loonkostensubsidie (LKS) nemen toe doordat deloonkosten stijgen.•Aanpassingen in het minimumjeugdloon werken mogelijk ook door inde (aanvulling op de) jongerennorm van de Participatiewet en destudietoeslag. Precieze gevolgen en bijbehorende budgettairegevolgen zijn echter nog niet bekend en niet meegenomen in deramingen.•Voor de zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebondenbudget heeft het jeugdloon geen invloed op de toeslag. Bij deberekening van de huurtoeslag wordt het inkomen van thuiswonendekinderen wel meegenomen. Voor kinderen tot 23 jaar is € 5.970vrijgesteld (AWIR art. 7). Het is mogelijk dat door een stijging van hetminimumjeugdloon het huurtoeslagbedrag afneemt. Dat is nietmeegenomen in de ramingen.De verwachte kosten voor het afschaffen van het minimumjeugdloon vooralle leeftijden of voor jongeren van 18 jaar en ouder betreffen:Tabel: Verwachte kosten afschaffen minimumjeugdloon voor alle leeftijdenx € 1 mln.202520262027202820292030Struc.Wajong0616061636363LKS06063677175149Totaal0121123128134138212 Tabel: Verwachte kosten afschaffen minimumjeugdloon voor 18-jarigen en ouderx € 1 mln.202520262027202820292030Struc.Wajong0616061636363LKS04750535659118Totaal0108110114119122181 Vraag 141Wat zijn de arbeidsmarkteffecten van een ongekoppelde verhoging vanhet Wml met 5 procent?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 877 Antwoord 141Een verdere verhoging van het minimumloon met 5 procent zonderdoorwerking op de sociale zekerheid leidt tot een verlies aan arbeids-deelname van ongeveer 15 duizend personen.Vraag 142Hoeveel fte op het Ministerie van SZW is bezig met rapporteren aan deEuropese Unie en het vertalen van Europese regels naar Nederland?Antwoord 142Hier bestaat geen overzicht van. In algemeenheid kan worden opgemerktdat een belangrijk deel van het werk van SZW een Europese componentheeft. Zo zijn de afgelopen jaren verschillende EU-richtlijnen vastgestelddie geïmplementeerd dienen te worden. Ook is SZW, net als anderedepartementen, gebonden aan bijvoorbeeld rapportageverplichtingen inhet kader van het Europees Semester. Ten slotte dient bij de ontwikkelingvan nationaal beleid zorgvuldig afgewogen te worden hoe dit beleid zichverhoudt Europese wet- en regelgeving en relevante jurisprudentie vanhet Hof van Justitie van de Europese Unie.Vraag 143Wat zou een daling van het minimumloon van 5 procent inclusiefgekoppelde uitkeringen voor effect hebben op de arbeidsmarkt en dekoopkrachtcijfers? Wat zou het opleveren voor de Rijksfinanciën?Antwoord 143Het werkgelegenheidseffect van deze maatregel zou naar schatting +0,3%bedragen. Dit houdt in dat de arbeidsdeelname na verloop van jaren metordegrootte 30 duizend personen zou toenemen.Een bijzondere verlaging van het wettelijk minimumloon met 5,0% levertongeveer € 4,0 miljard per jaar structureel op. Dit betreft een groveinschatting van het budgettaire effect van een verlaging van hetminimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. De ramingbevat alleen de opbrengsten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de opbrengsten van derijksoverheid als wetgever en niet van de rijksoverheid als werkgever.Onderstaande tabel toont het inkomenseffect van een verlaging van hetminimumloon en gekoppelde uitkeringen met 5% per 1 januari 2026. Hetinkomenseffect is het effect van een maatregel in een bepaald jaar op hetbesteedbaar inkomen van huishoudens. Hierbij is geen rekeninggehouden met de impact op het macro-economische beeld. De laagsteinkomensgroepen hebben een negatiever inkomenseffect door dezemaatregel (-2,3% bij laagste inkomensgroep) dan hogere inkomens-groepen (-0,1% bij hoogste inkomensgroep). Het mediane inkomenseffectvoor alle huishoudens is -0,5%.Tabel: inkomenseffect verlaging minimumloon met 5% (inclusief gekoppelde uitke-ringen) per 1 januari 2026.InkomensgroepInkomenseffect1e (<=112% WML)– 2,3%2e (112–177% WML)– 1,4%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 878 InkomensgroepInkomenseffect3e (177–271% WML)– 0,4%4e (271–401% WML)– 0,2%5e (>401% WML)– 0,1%InkomensbronWerkenden– 0,2%Uitkeringsgerechtigden– 2,6%Gepensioneerden– 2,1%HuishoudtypeTweeverdieners– 0,3%Alleenstaanden– 0,9%Alleenverdieners– 0,3%KinderenHuishoudens met kinderen– 0,2%Huishoudens zonder kinderen– 0,3%Alle huishoudens– 0,5% Vraag 144Hoe ziet de ingroei naar het nieuwe kinderopvangstelsel in 2027 er nu uit?Hoe groeien de extra middelen in? Wat doet dit met de koopkrachtcijfers?Wat is de staat van de aanpak om meer personeel in de sector aan tetrekken? Wat is de stand van zaken rondom het kiezen van een uitvoerdervan de directe financiering? Wanneer ontvangt de Kamer nieuwe brievenmet de gehele stand van zaken?Antwoord 144Het kabinet is voornemens om de kinderopvangtoeslag stapsgewijs teverhogen in de jaren tot aan de invoering van het nieuwe kinderopvang-stelsel. De eerste stap daarvan wordt in 2025 genomen. Jaarlijks zal bij hetwijzigen van het Besluit kinderopvangtoeslag worden bepaald welkeverhogingen gepast en gewenst zijn. Daarbij wordt ook bezien wat deeffecten van de ophoging in het voorgaande jaar waren, zodat eenzorgvuldig en geleidelijke groei van de vraag naar opvang kan wordengerealiseerd.Uw Kamer ontvangt nog voor de behandeling van de ontwerpbegroting2025 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een briefmet daarin de laatste stand van zaken rondom de nieuwe financiering vande kinderopvang.Personeelstekorten in de kinderopvang leiden tot wachtlijsten. Het isdaarom goed nieuws dat de personeelstekorten in de kinderopvang zichmomenteel stabiliseren. Toch blijkt uit de arbeidsmarktprognose dat desector nog steeds tekorten kent en deze op lange termijn verder zullenoplopen. Samen met de sector neemt het kabinet daarom langs driesporen aanvullende acties.•Het «Ontwikkelpad Kinderopvang» is ontworpen om de instroom endoorgroei in de kinderopvang te bevorderen, ook van mensen die nietdirect de stap naar pedagogisch professional kunnen zetten. Onder-steunend hieraan heeft het Ministerie van SZW een tijdelijke subsidie-regeling opgezet om kinderopvangorganisaties te stimuleren groeps-hulpen aan te nemen en scholing te bieden.•Om huidige werknemers te behouden, blijft het Ministerie van SZWsamen met de kinderopvangsector inzetten op het verhogen van hetwerkplezier en goed werkgeverschap.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 879 •Tot slot zijn er kansen om pedagogisch professionals meer uren telaten werken in de kinderopvang. Bijvoorbeeld via een combinatie-baan. Het Groeifondsproject «Meer uren werkt!» zal in de kinderop-vang evidence based interventies implementeren om te komen totcontractuitbreidingen.Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van 4 april40. Ookinformeert het kabinet uw Kamer over de aanpak in de aankomendebrieven inzake een agenda voor werkend Nederland en de bredearbeidsmarktagenda.Vraag 145Kunt u een voorbeeld geven van de inkomsten en lasten- en belastingdrukvan de volgende huishoudens en kunt u de aannemelijke lokale belas-tingen hierbij ook meenemen; ga hierbij vanuit dat het huishouden vanafhet modale inkomen in een koophuis woont en daar onder in een socialehuurwoning: a. Op bijstandsniveau; b. In de WW (verdiende voorheenmodaal); c. In de WIA (verdiende voorheen modaal); d. Op het Wml; e. Op130 procent van het Wml; f. Modaal inkomen; g. Twee keer modaalinkomen; h. Drie keer modaal inkomen?Antwoord 145De maatstaf «bestedingsindex» wordt als uitgangspunt genomen in deberekening van de (gemiddelde) lastendruk. In de bestedingsindexworden op het besteedbaar inkomen de kosten van kinderen enwoonlasten (huur + servicekosten of kosten woningbezit) van hetbesteedbaar inkomen afgetrokken, om tot het vrij besteedbaar inkomen tekomen. In de kosten van woningbezit wordt een inschatting gemaakt vande Onroerende zaakbelasting, opstalverzekering en onderhoudskosten. Delastendruk is dan gelijk aan (1 – vrij besteedbaar inkomen / brutoinkomen).De begroting van SZW bevat een figuur van de gemiddelde lastendruknaar huishoudtype en de spreiding daaromheen (figuur 10, p. 191). Delastendruk van de gevraagde voorbeelden wordt hieronder in de tabelgegeven. Daarbij wordt een inschatting gegeven van de jaarlijkse lokalelasten, om tot het «resterend» besteedbaar inkomen te komen. En tot slotwordt dan opnieuw de belastingdruk berekend.Alle cijfers hebben betrekking op 2024, omdat er geen cijfers over lokalelasten beschikbaar zijn voor 2025. Voor de voorbeelden in dit antwoordworden de volgende veronderstellingen gedaan:•In voorbeelden a tot en met e is sprake van een alleenstaande zonderkinderen met een huurwoning met een huur van € 498 per maand,zonder servicekosten.•In voorbeelden f, g en h is sprake van een alleenstaande zonderkinderen met een koopwoning met een WOZ-waarde van € 435.000(NHG-grens).–Het eigenwoningforfait is bij deze WOZ-waarde 0,35%. Veronder-steld wordt dat hypotheekrente 4% is, en de hypotheekschuld€ 200.000 bedraagt.–Voor een inschatting van de kosten van woningbezit wordtaangesloten bij de veronderstellingen die voor de berekening vande gemiddelde druk gedaan worden. Voor de opstalverzekeringwordt uitgegaan van 0,13% van de WOZ-waarde, en voor deonderhoudskosten van 0,37% van de WOZ-waarde. Voor eeninschatting van de Ozb is uitgegaan van het landelijk gemiddelde40Kamerstukken II, 2023/2024, 31 322, nr. 529Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 880 volgens de Atlas van de Lokale Lasten van de COELO. Het landelijkgemiddelde is € 423 bij een WOZ-waarde van € 435.000.•Voor de overige lokale lasten wordt uitgegaan van de landelijkgemiddelden, zoals berekend door COELO. Voor eenpersoonshuishou-dens met een huurwoning betreft dit gemiddeld € 279 afvalstoffenhef-fing, € 83 rioolheffing, en € 187 waterschapslasten. Voor eenpersoons-huishoudens met een koopwoning met een WOZ-waarde van€ 435.000 betreft dit € 279 afvalstoffenheffing, € 210 rioolheffing, en€ 321 waterschapslasten.•Huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum (zoalsvoorbeeld a) komen mogelijk in aanmerking voor kwijtschelding vanlokale lasten. Hier is niet vanuit gegaan, omdat de mogelijkhedenhiertoe lokaal kunnen verschillen.•Er is geen rekening gehouden met autobezit.•Bron: COELO (2024), Lokale lasten calculator 2024Tabel: Voorbeelden van inkomsten en lastendruk van verschillende alleenstaandenmet een huurwoning in 2024.a.Bijstandb. WW1c. WIA2d. WMLe. 130%WMLBruto inkomen€ 19.343€ 31.521€ 33.375€ 27.236€ 35.406Belastbaar inkomen€ 19.343€ 31.521€ 33.375€ 26.611€ 34.281Netto inkomen€ 15.554€ 22.785€ 24.048€ 25.218€ 29.733Zorgkosten– € 2.013– € 1.944– € 1.944– € 1.944– € 1.944Zorgtoeslag€ 1.483€ 840€ 587€ 1.483€ 463Besteedbaar huishoudinko-men€ 15.024€ 21.681€ 22.690€ 24.757€ 28.252Huur– € 5.979– € 5.979– € 5.979– € 5.979– € 5.979Huurtoeslag€ 3.526€ 414– € 1.971–Vrij besteedbaar inkomen€ 12.572€ 16.116€ 16.711€ 20.748€ 22.273Lastendruk35%49%50%24%37%Lokale lasten– € 549– € 549– € 549– € 549– 549Resterend besteedbaarinkomen€ 12.023€ 15.567€ 16.162€ 20.199€ 22.822Lastendruk38%51%52%26%36%1 Bij de berekening van de WW is uitgegaan van 75% van het laatst verdiende maandloon in deeerste twee maanden en 70% voor de resterende 10 maanden in 2024.2 Bij de berekening van de WIA is uitgegaan van een uitkering van 75% van het laatst verdiendemaandloon. De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten is verwerkt in het netto inkomen. Tabel: Voorbeelden van inkomsten en lastendruk van verschillende alleenstaandenmet een eigen woning in 2024.f. 1xmodaalg. 2xmodaalh. 3xmodaalBruto inkomen€ 44.500€ 89.000€ 133.500EWF€ 1.523€ 1.523€ 1.523Hypotheekrenteaftrek1– € 8.000– € 8.000– € 8.000Pensioenpremie– € 1.683– € 4.411– € 7.140Belastbaar inkomen€ 36.340€ 78.111€ 119.883Netto inkomen€ 37.326€ 57.010€ 75.478Zorgkosten– € 1.944– € 1.944– € 1.944Zorgtoeslag€ 182– – Betaalde hypotheekrente– € 8.000– € 8.000– € 8.000Besteedbaar huishoudinkomen€ 27.563€ 47.066€ 65.534Eigenaarskosten eigen woning– € 2.598– € 2.595– € 2.592Vrij besteedbaar inkomen€ 24.965€ 44.471€ 63.448Lastendruk44%50%52%Lokale lasten (excl. Ozb)– € 810– € 810– € 810Resterend besteedbaar inkomen€ 24.155€ 43.661€ 62.638Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 881 f. 1xmodaalg. 2xmodaalh. 3xmodaalLastendruk46%51%53%1 De hypotheekrente van € 8.000 wordt aanvankelijk afgetrokken tegen 49,5% in voorbeelden gen h. Het maximale aftrektarief is in 2024 echter gelijk aan 36,97%. Daarom krijgt de belasting-plichtige een bijtelling die de te betalen inkomstenbelasting verhoogt met € 1.002 ((49,5%-36,97%) * € 8.000). Dit is verwerkt in het netto inkomen. Vraag 146Wat is de stand van zaken rondom de naleving van het Pensioenakkoord?Welke afspraken zijn reeds uitgevoerd, en welke moeten nog wordenuitgevoerd (bijvoorbeeld door wetgeving)? Kan hier een tijdlijn vangemaakt worden?Antwoord 146Het Pensioenakkoord bestaat uit vier onderdelen. De stand van zaken ishieronder toegelicht.Vernieuwing van de pensioencontracten en transitie naar hetnieuwe pensioenstelselVoortgang pensioentransitieOnderdeel van het Pensioenakkoord is vernieuwing van de pensioencon-tracten en de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit is wettelijkverankerd in de Wet toekomst pensioenen, die op 1 juli 2023 in werking isgetreden. Op dit moment zijn sociale partners en pensioenuitvoerdersbezig met het vormgeven en uitvoeren van de pensioentransitie.De voortgang van de pensioentransitie wordt nauwlettend gevolgd, zodateventuele knelpunten tijdig gesignaleerd en opgelost kunnen worden. UwKamer wordt, aan de hand van de voortgangsrapportage monitoring Wettoekomst pensioenen, tweemaal per jaar geïnformeerd over devoortgang. De eerste fondsen varen naar verwachting op 1 januari 2025 innaar het nieuwe pensioenstelsel. Bij het merendeel van de verzekeraars(83%) en PPI’s (75%) loopt de productontwikkeling conform planning. Eenbeperkt aantal regelingen ondergebracht bij verzekeraars en PPI’s, circa4%, is tot nu toe omgezet naar een regeling die past in het nieuwepensioenstelsel.Nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioenMet de Wet toekomst pensioenen is ook het nabestaandenpensioengeüniformeerd. De gerealiseerde uniformering ziet op drie onderdelen:het partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum, het partner-begrip en het wezenpensioen. In de Wet toekomst pensioenen is ookovergangsrecht gerealiseerd voor premievrije voortzetting bij eengesloten fonds of verzekeraar.In het voorgenomen wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonder-werpen worden daarnaast voorstellen gedaan voor de vrijwilligevoortzetting van het wezenpensioen, uniformering van het kindbegrip enverruiming overgangsrecht arbeidsongeschiktheidspensioen bij geslotenpensioenfondsen en verzekeraars. Dit wetsvoorstel zal naar verwachtingin het eerste kwartaal van 2025 naar uw Kamer worden gezonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 882 Andere afspraken rondom tweede pijler pensioenZelfstandigenOnderdeel van het Pensioenakkoord is de afspraak dat het kabinet zalonderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de pensioenopbouw onderzelfstandigen in de tweede pijler en de derde pijler te stimuleren. In datkader is in de Wet toekomst pensioenen experimenteerwetgevingopgenomen, waardoor zelfstandigen die voorheen deelnamen aan eenbedrijfstakpensioenfonds ervoor kunnen kiezen om vrijwillig aan tesluiten. Ook is de leeftijdsonafhankelijke fiscale premieruimte voorlijfrenten verhoogd, zodat zelfstandigen meer ruimte hebben om fiscaalvoordelig pensioen op te bouwen. In het voorjaar van 2024 zijn deadviezen van de Stichting van de Arbeid en de Taskforce Inkomen voorLater over pensioenopbouw door zzp’ers gepubliceerd. Tenslotte is ook inhet IBO Pensioenopbouw in balans aandacht besteed aan pensioen-opbouw door zzp’ers. Dit IBO is in juni aan de Tweede Kamer gestuurd.Momenteel bereidt het kabinet de reactie op de adviezen van de Stichtingvan de Arbeid, de Taskforce Inkomen voor Later en het IBO voor. Naarverwachting zal de kabinetsreactie in november aan de Tweede Kamerworden gestuurd.Witte vlek (werknemers zonder pensioen)In de Wet toekomst pensioenen en het aangescherpte aanvalsplan Wittevlek van de Stichting van de Arbeid (StvdA) is een reductiedoelstellingvastgelegd. Deze reductiedoelstelling ziet op een halvering van het aantalwerknemers zonder pensioenopbouw in 2028 ten opzichte van het aantalin 2019. SZW heeft een aantal eigen actiepunten in het aanvalsplan. Eendeel van deze actiepunten is al afgerond. In het VoortgangsrapportageAanvalsplan witte vlek (Kamerstukken II 2023/24, 32 043, nr. 636) is hieruitgebreid aandacht aan besteed.SZW voert momenteel de laatste drie actiepunten van het aanvalsplan uit.Het eerste actiepunt betreft het introduceren van een wettelijkeverplichting om op de loonstrook te vermelden of de werkgever eenpensioenregeling aanbiedt. De aangepaste wettelijke verplichting looptmee in het voorgenomen wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonder-werpen. Het tweede actiepunt is het opzetten van een campagne gerichtop werkgevers die nog geen pensioenregeling voor hun werknemersgetroffen hebben. Deze campagne zal medio november van start gaan. Totslot laat SZW een juridisch onderzoek uitvoeren naar ruimte om depensioenregeling als voorwaarde te stellen bij het aanbestedingsbeleid.De resultaten van dit onderzoek worden eind dit jaar aangeboden aan deKamer.Afspraken Gezond Werkend naar PensioenAOW-leeftijdIn het kader van het Pensioenakkoord is afgesproken om de AOW-leeftijdvanaf 2020 in een vertraagd tempo te laten stijgen. Daarnaast is overeen-gekomen om de structurele koppeling van de AOW-leeftijd en pensioen-richtleeftijd aan de levensverwachting te versoepelen. Concreet isafgesproken dat de ontwikkeling van de AOW-leeftijd met ingang van2025 voor 2/3 gekoppeld wordt aan de ontwikkeling van de resterendelevensverwachting op 65 jaar. Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordtvertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld 4maanden langer AOW-pensioen. De wet waarmee de verhoging van deAOW-leeftijd getemporiseerd werd, is op 1 januari 2020 in werkingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 883 getreden. De wet waarmee de aangepast 2/3-koppeling werd gerealiseerdis op 1 januari 2021 in werking getreden.RVUOp 18 oktober 2024 heeft het kabinet een onderhandelaarsakkoordgesloten met werkgevers- en werknemersorganisaties over een struc-tureel pakket aan maatregelen waarmee het voor eenieder haalbaar moetzijn om in goede gezondheid de pensioendatum te behalen. Het akkoordbevat afspraken over de uitwerking van een duurzame inzetbaarheidsa-genda, gericht op onder meer verbetering van de arbeidsomstandig-heden, verlichting van zwaar werk dicht bij de bron en de verminderingvan langdurige blootstelling aan zwaar werk. Deze agenda zal voor hetmeireces 2025 worden uitgewerkt. Voor die tijd moeten ook mogelijkebelemmeringen en oplossingen voor verlofsparen in kaart zijn gebracht.In het onderhandelaarsakkoord zijn verder afspraken gemaakt over eenmeer gerichte en structurele RVU, met monitoring en ijkmomenten. Per2026 zal de einddatum voor de drempelvrijstelling RVU, die nu staat op31 december 2025, worden geschrapt. RVU-uitkeringen die ingaan tenhoogste drie jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd zijn tot aan eendrempelbedrag vrijgesteld van RVU-heffing. De fiscale ruimte voor RVU’swordt vergroot door naast het huidige drempelbedrag, in netto termengelijk aan de AOW voor een alleenstaande, een bedrag van € 300 permaand vrij te stellen van heffing. Kabinet en sociale partners hebbenafgesproken om RVU’s beheerst en meer gericht in te zetten, afgebakendop een doelgroep met belastende functies en werkzaamheden. Er wordtonderzoek gedaan naar een wettelijk kader dat sociale partners onder-steunt om die gerichtheid en beheersbaarheid van de RVU op cao-tafelstot stand te brengen. Per 2025 start een proces van jaarlijkse gezamenlijkemonitoring van alle afspraken uit het onderhandelaarsakkoord «gezondnaar het pensioen». Sociale partners en kabinet sturen bij als ontwikke-lingen niet aansluiten bij de gemaakte afspraken. Hierbij wordt ookgekeken naar het totale gebruik van RVU-regelingen. Bij een signaal-waarde van 15.000 RVU-deelnemers per jaar gaan kabinet en socialepartners in gesprek over oorzaken, gerichtheid en over de gewenstebijsturing. In 2028 vindt een eerste ijkmoment plaats. Als de afspraken uithet akkoord worden nageleefd en de RVU gericht en verantwoord wordtingezet, wordt het beleid voortgezet op dezelfde weg. Is dat niet het geval,dan worden afspraken gemaakt over nadere bijsturing of kan het kabinetbesluiten de RVU-drempelvrijstelling aan te passen, af te bouwen of tebeëindigen.Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder UittredenDe laatste tijdvakken voor de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheiden Eerder Uittreden (MDIEU) zijn gesloten, de regeling wordt eind 2025afgerond.Meerjarig investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid enLeven Lang OntwikkelenIn het kader van het Meerjarig investeringsprogramma DuurzameInzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen (MIP) lopen een aantalactiviteiten:•In 2022 is de Tijdelijke subsidieregeling Experimenten DuurzameInzetbaarheid Interventies (ofwel de Expeditie-regeling) gestart, die inoverleg met de sociale partners tot stand is gekomen.–De Expeditie-regeling staat open voor samenwerkingsverbandendie vanuit de praktijk aan de slag willen met interventies op hetterrein van duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 884 bijvoorbeeld verantwoord omgaan met zwaar werk, skills voor detechniek en eigen regie op ontwikkeling.–In het samenwerkingsverband zit een onderzoeksinstelling, zodatvanaf het begin van het project de activiteiten op een goede manierworden onderzocht op doeltreffendheid en doelmatigheid, en deprojecten ook kennis opleveren die voor andere bedrijven enorganisaties toepasbaar zijn.–Tweejaarlijks opent een tijdvak voor deze regeling. In 2022 zijn ervier projecten gesubsidieerd met een looptijd tussen de 2 en 4 jaar,voor in totaal € 10 miljoen euro. In 2024 is een nieuw tijdvakgeopend, met een budget van € 21,3 miljoen euro. Er is in totaalvoor bijna € 40 miljoen euro subsidie aangevraagd. De beoordelingvindt op dit moment plaats, beschikkingen worden voor decemberverstuurd.•De kennis die voortkomt uit de projecten worden via de samenwer-kingspartners en vanuit het ministerie, via bijeenkomsten en digitalemiddelen, breed verspreid.•Vanaf 2021 zijn communicatieactiviteiten opgestart rondom LevenLang Leren en Vitaliteit. De focus ligt daarbij op dit moment op deleercultuur in het mkb, psychosociale arbeidsbelasting en de RI&E.Verruiming verlofsparenDe mogelijkheid van fiscaal verlofsparen is per 1 januari 2021 verruimdvan 50 naar 100 weken.Uittreden na aantal dienstjarenVoorts heeft het kabinet toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is omhet moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantaldienstjaren, bijvoorbeeld 45. Dit onderzoek is afgerond en op 10 mei 2021naar uw Kamer gezonden (Kamerstukken II 2020/21, 32 043, nr. 560).Breder Pensioenakkoord overigBedrag ineensIn het Pensioenakkoord is afgesproken om mensen meer keuzevrijheid tegeven bij de aanwending van hun pensioen, door het mogelijk te makendat zij een beperkt deel van het pensioenvermogen als bedrag ineenskunnen opnemen. Het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens is op8 oktober aangenomen door de Tweede Kamer. Het is aan de EersteKamer commissie om te besluiten of het wetsvoorstel direct op de agendakan worden gezet van de plenaire vergadering of dat eerst een (schrifte-lijke) voorbereiding plaatsvindt.Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstan-digenVan 11 juni tot 23 juli jl. heeft een conceptwetsvoorstel dat een verplichteverzekering tegen inkomensverlies voor zelfstandigen regelt (Wet BAZ),voor internetconsultatie opengestaan. Ook zijn uitvoeringstoetsen enadviezen gevraagd aan UWV, Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank,de Autoriteit Financiële Markten, Autoriteit Persoonsgegevens, Raad voorde Rechtspraak en het Adviescollege toetsing regeldruk. Zoals aange-geven in de brief van 6 september jl. over het opheffen van het handha-vingsmoratorium, wordt uw Kamer verder geïnformeerd na bestuderingvan genoemde consultatie, adviezen en toetsen (Kamerstukken II 2023/24,31 311, nr. 263).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 885 Vraag 147Wat is de stand van zaken rondom de pensioentransitie (Wet toekomstpensioenen)? Hoe verloopt het invaren?Antwoord 147De sector is voortvarend aan de slag met de transitie, zoals blijkt uit deeerste voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen van19 juni jl. Het Ministerie van SZW monitort de overgang naar het nieuwepensioenstelsel nauwlettend. Met de monitoring, onafhankelijke adviezenvan de regeringscommissaris, uitkomsten van de debatten met de TweedeKamer en onze eigen signalering, worden eventuele knelpunten tijdiggesignaleerd en opgelost. De regeringscommissaris heeft aanvullendrecent geadviseerd 1 juli 2025 los te laten als uiterste inleverdatum vooralle implementatieplannen en heeft voorgesteld deze te koppelen aan hetmoment waarop een fonds over wil naar het nieuwe stelsel. Uw Kamer isrecent via de nota naar aanleiding van het verslag over het «Wetsvoorstelverlenging pensioentransitie» geïnformeerd dat het kabinet dit adviesoverneemt. Tot slot dient opgemerkt te worden dat er pas aangegeven kanworden hoe het invaren in de praktijk verloopt, wanneer er ook daadwer-kelijk pensioenfondsen zijn ingevaren. Dat is nog niet het geval. De eerstepensioenfondsen zullen naar verwachting per 1 januari 2025 invaren.Vraag 148Kan er een overzicht gegeven worden van krapte op de arbeidsmarkt persector?Antwoord 148Krapte drukt een verhouding tussen de arbeidsvraag en het beschikbarearbeidsaanbod uit. Er zijn verschillende indicatoren die vraag en aanboduitdrukken in meetbare grootheden en daarmee inzicht geven in de krapteop de arbeidsmarkt. Voor alle indicatoren geldt dat ze een benadering zijnvan hoe krap de arbeidsmarkt precies is.Wat de arbeidsvraag betreft houdt CBS openbare gegevens bij over devacaturegraad (aantal openstaande vacatures per 1000 banen) perbedrijfstak. Deze vacaturegraad is in het tweede kwartaal van 2024 hethoogst bij de bedrijfstakken »bouwnijverheid (74)», «horeca (60)» en«informatie en communicatie (58)».41Wat het arbeidsaanbod betreft houdt UWV gegevens bij over het aantalpersonen met een WW-uitkering per beroepsgroep. Lang niet allebaanzoekers ontvangen een WW-uitkering; het gaat ook hier dus om eenindicatie van het beschikbare arbeidsaanbod.De UWV Spanningsindicator deelt het aantal vacatures door het aantalWW-ontvangers per beroepsgroep42. Het Researchcentrum voorOnderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft prognoses over de verwachteknelpunten naar opleiding en beroep door de verwachte uitbreidingsvraagte relateren aan de verwachte instroom van nieuwe gediplomeerden.43Soortgelijke indicatoren zijn er niet op sectorniveau. Dit komt omdat deberoepsgroep meer aanknopingspunten biedt voor een koppeling met hetsoort werkzoekende dan de sectorindeling.41StatLine – Vacatures; vacaturegraad naar SBI 2008 (cbs.nl)42Dashboard Spanningsindicator (werk.nl)43AIS tot 2028, editie 2024 (shinyapps.io)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 886 In de conjunctuurenquête van CBS geven (zakelijke) werkgevers zelf aanin hoeverre zij personeelstekorten ervaren.44 Deze gegevens zijn wel opsectorniveau (bedrijfstakniveau) beschikbaar. Met name werkgevers in debedrijfstakken «verhuur en overige zakelijke diensten», «vervoer enopslag» en «specialistische zakelijke diensten» ervaren het tekort aanpersoneel als belangrijkste belemmering voor de bedrijfsvoering.De Minister van SZW zal u voor het einde van dit jaar een brief sturen metinformatie over de aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Deze brief bevatook een beeld van de verwachte tekorten in enkele grote (semi-)publiekesectoren.Vraag 149Wat voor invloed heeft de passage uit het Regeerakkoord over depensioenen op de pensioentransitie?Antwoord 149Pensioen staat niet in het hoofdlijnenakkoord, en ook niet in het regeer-programma van het kabinet. Het nieuwe pensioenstelsel is na jarenlangen uitvoerig maatschappelijk en politiek debat tot stand gekomen. Hetkabinet voert de pensioenstelselherziening uit, en richt zich op het biedenvan rust, ruimte en duidelijkheid aan de sector zodat zij de transitie opordentelijke wijze kunnen doorlopen. Het Ministerie van SZW houdt zijnogen en oren goed open, om te zorgen dat de stelselherziening voorburgers goed verloopt en uitvoerders dit aan kunnen. Met de monitoring,onafhankel(ke adviezen van de regeringscommissaris, uitkomsten van hetdebat in de Tweede Kamer en onze eigen signalering zorgen we ervoordat eventuele knelpunten voort(dig worden gesignaleerd en opgelost. Wehouden onze ogen en oren open voor zorgen uit de samenleving. Steedsis er oog voor deelnemers. De Tweede Kamer wordt ten minste tweemaalper jaar geïnformeerd over de voortgang van de pensioentransitie.Vraag 150Wanneer wordt de Wet herziening bedrag ineens behandeld in de EersteKamer?Antwoord 150Het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens is op 8 oktober aange-nomen door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel is direct daarna naar deEerste Kamer gezonden. Het is aan de Eerste Kamer commissie om tebesluiten of het wetsvoorstel direct op de agenda kan worden gezet vande plenaire vergadering of dat eerst een (schriftelijke) voorbereidingplaatsvindt. In de procedurevergadering van de Eerste Kamer van15 oktober is de inbrengdatum voor het verslag vastgesteld op12 november.Vraag 151Welke subsidies staan er op de begroting 2025? Wat is de tijdelijke ofstructurele aard per subsidie? Welke invloed heeft de taakstelling uit hetHoofdlijnenakkoord op deze subsidies? Zijn deze subsidies juridischverplicht?44StatLine – Conjunctuurenquête Nederland; bedrijfstakken (SBI 2008) (cbs.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 887 Antwoord 151Op pagina 253 en 254 van de begroting SZW staat de subsidiebijlage(bijlage 5), deze geeft een overzicht van alle subsidies op de SZWbegroting 2025.Subsidies zijn in de basis niet structureel van aard. Subsidieregelingen enprojectsubsidies op basis van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW enVWS komen in principe van rechtswege ten einde, wanneer de subsidie-periode of -regeling stopt. De subsidieperiode staat vermeld in desubsidiebijlage. Instellingsubsidies op basis van de Kaderregeling kunnenbinnen een schappelijke termijn worden beëindigd door SZW.Gedurende de looptijd van de subsidieperiode worden de middelen voorsubsidieregelingen en projectsubsidies aangemerkt op de SZW begrotingals juridisch verplicht. Dit is in de betreffende begrotingsartikelen terug tevinden in de paragraaf budgetflexibiliteit bij de tabel Budgettaire gevolgenvan beleid. Middelen voor instellingsubsidies worden aangeduid alsjuridisch verplicht tot aan de begrotingshorizon.In onderstaande tabel staan de subsidies, bijdragen aan organisaties ensubsidie/opdrachtenbudgetten toegelicht, die geraakt worden door desubsidietaakstelling.Tabel: subsidietaakstelling SZWx € 1.00020252026202720282029Struc.Expeditieregeling(DI&LLO)– 4.600– 16.900– 800SLIM1– 62.475– 23.288– 11.174– 16.097– 16.962Preventiegeldzorgen– 6.000– 14.000Subsidiespraktijkleren– 1.200– 1.200– 1.200– 1.200– 1.100Impuls dekkenderegionaledienstverlening– 1.500– 3.000– 3.000– 3.000Vakkundig Altijd– 1.417– 2.167– 2.167– 2.167– 2.167Praktijkleren bijsociaal ontwikkel-bedrijven– 5.000– 5.000Bijdragen aanorganisaties– 913– 1.101– 1.848– 1.980– 1.980Beleidsonder-steunendebudgetten– 638– 3.957– 4.692– 5.263– 5.050– 1.908Totaal taakstel-ling– 74.630– 54.925– 12.960– 24.652– 35.494– 35.9501 Inclusief kasschuif om SLIM weer in een evenwichtig en werkbaar kasritme terug te zetten Toelichting maatregelenExpeditieregeling (DI&LLO)Na de incidentele besparing op deze regeling blijft vanaf 2025 jaarlijkscirca € 10 miljoen beschikbaar (en € 11,3 miljoen structureel vanaf 2028).SLIMDe SLIM-regeling bestaat uit een structurele regeling waar in de jaren2025 tot 2028 een tijdelijke scholingsfaciliteit aan is toegevoegd. Deombuiging op SLIM is structureel 30% van het budget voor de regeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 888 Op het totale meerjarige budget voor de scholingsfaciliteit wordt 15%omgebogen.Preventie geldzorgenEr staat structureel € 22 miljoen gereserveerd voor preventie geldzorgenvanuit het Nationale Programma Armoede en Schulden. Na de besparingblijft er vanaf 2030 € 8 miljoen structureel beschikbaar. Op het structurelebudget wordt 36% bezuinigd.Subsidies praktijklerenDeze ombuiging is een structurele kostenbesparing van 25% op het totalebudget.Impuls dekkende regionale dienstverleningDeze ombuiging is een kostenbesparing van 11% op het totale budget.Vakkundig AltijdMet deze ombuiging zien we af van het gehele programma, dat nog niet isbegonnen.Praktijkleren in het mbo bij sociaal ontwikkelbedrijven en sociaalondernemersDeze subsidie vindt geen doorgang meer.Bijdragen aan organisatiesDe bijdragen aan het RIVM, TNO, VluchtelingenWerk, KennisplatformInclusief Samenleven (KIS), het NIBUD en Divosa worden verlaagd.Beleidsondersteunende budgettenVerschillende beleidsondersteunende budgetten, waaruit onder anderekleinere opdrachten, subsidies en onderzoeken worden bekostigd, wordenverlaagd op artikel 1, 2, 11 en 13. De budgetten waar de subsidietaak-stelling neerslaat zijn onder andere ondersteunend aan de thema’sarbeidsmarkt, re-integratie en armoede en schulden, handhaving enintegratie.Vraag 152Welke maatregelen worden er genomen om de marginale druk teverlagen?Antwoord 152Het tarief in de nieuwe eerste schijf van de inkomstenbelasting wordtverlaagd naar 35,82% (tot een inkomen van circa € 38.000). Dit verlaagt demarginale druk voor lagere en middeninkomens. Daarnaast wordt dehuurtoeslag vereenvoudigd. Het afbouwpad van de huurtoeslag wordtlineair, waardoor het verlies aan huurtoeslag b( een hoger inkomenminder groot is dan voorheen. Dit verlaagt de hoge piek in de marginaledruk bij inkomens tussen circa € 35.000 euro en € 50.000 euro.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 889 Vraag 153Wat is de stand van zaken rondom de verdeling van Europees SociaalFonds (ESF+) gelden?Antwoord 153Uit het ESF+ is ten behoeve van Nederland een budget beschikbaar van€ 413 miljoen voor de programmeringsperiode 2021–2027. Uw Kamer isper brief van 21 oktober 202245 geïnformeerd over de wijze waarop deESF-middelen in Nederland worden ingezet en verdeeld over de verschil-lende onderdelen uit het programma ESF+. Op het moment van schrijvenis ruim 56% van de voor Nederland beschikbare middelen uit het ESF+toegekend aan projecten. Daarmee zijn we op schema voor de toeken-ningen in deze programmeringsperiode.Vraag 154Hoeveel mensen werken er minimaal twee, maar minder dan drie dagenper week?Antwoord 154In de onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van het aantal gewerkteuren per categorie weergegeven van 2013 tot en met 2023 op basis van deEnquête Beroepsbevolking (EBB). CBS categoriseert de arbeidsduur naarhet aantal gewerkte uren. Cijfers over aantal gewerkte dagen zijn nietbeschikbaar.JaarMinder dan12 uur perweek12 tot 20uur perweek20 tot 28 uurper week28 tot 35 uurper weekVoltijd20131.055.000592.0001.208.0001.111.0004.466.00020141.057.000577.0001.189.0001.127.0004.431.00020151.052.000593.0001.213.0001.146.0004.453.00020161.032.000591.0001.203.0001.206.0004.538.00020171.024.000588.0001.226.0001.274.0004.633.00020181.010.000595.0001.278.0001.344.0004.713.00020191.014.000593.0001.301.0001.431.0004.778.0002020999.000569.0001.296.0001.499.0004.753.0002021861.000702.0001.280.0001.611.0004.799.0002022870.000680.0001.300.0001.713.0004.985.0002023880.000682.0001.338.0001.773.0005.064.000Bron: Statline – Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur (cbs) Vraag 155Welke maatregelen op de SZW-begroting 2025 zijn nivellerend?Antwoord 155Of beleid nivellerend uitpakt, en daarmee inkomensverschillen verkleint,kan moeilijk per afzonderlijke maatregel worden bezien. Het totaalbeeldhangt af van alle maatregelen die de koopkracht of inkomensverdelingraken, en van de wijze waarop maatregelen worden gefinancierd.Onderstaande maatregelen op de SZW-begroting zijn gericht op deondersteuning van huishoudens met lagere huishoudinkomens:45Kamerstukken II 2022/23, 26 642, nr. 145Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 890 •Verhoging van het kindgebonden budget, waarvoor in het Hoofdlijnen-akkoord € 300 miljoen was gereserveerd. Door het kindgebondenbudget iets steiler af te bouwen zijn extra middelen vrijgemaaktwaarmee het kindgebonden budget extra is verhoogd.•De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentie-minimumloon van de b(stand wordt bevroren van 2025 tot en met2027.Vraag 156Is de SZW-begroting voor 2025 als geheel nivellerend?Antwoord 156De secundaire inkomensongelijkheid is in Nederland aanzienlijk kleinerdan de primaire inkomensongelijkheid. Dit impliceert dat beleid nivel-lerend werkt. Dat hangt niet alleen af van de wijze waarop inkomenson-dersteuning wordt vormgegeven vanuit de SZW-begroting, maar ook vande wijze waarop dat beleid wordt gefinancierd. Bijvoorbeeld van devormgeving van premies en belastingen die het beleid financieren.De SZW-begroting bevat de uitgaven voor ons stelsel van socialezekerheid. De sociale zekerheid ondersteunt mensen die dat nodig in huninkomen. Bijvoorbeeld bij werkloosheid, bij ziekte en arbeidsonge-schiktheid, bij het overlijden van partner of ouder en bij ouderdom. DeSZW-begroting draagt daarmee bij aan het verkleinen van deinkomensongelijkheid.Vraag 157Hoeveel mensen werken er minimaal drie, maar minder dan vier dagenper week?Antwoord 157Zie antwoord 154Vraag 158Hoeveel mensen met een arbeidsbeperking worden in 2025 verwacht tekunnen deelnemen aan het programma voor Individuele Plaatsing enSteun (IPS)?Antwoord 158Aan de Subsidieregeling IPS voor de gemeentelijke doelgroep is eenbudget gekoppeld dat het voor gemeenten mogelijk maakt om ongeveer950 mensen met psychische aandoeningen in 2025 een IPS-traject aan tebieden.Voor mensen met psychische aandoeningen die van het UWV eenuitkering ontvangen is structureel budget beschikbaar. IPS kan door UWVworden ingezet voor mensen met (ernstige) psychische aandoeningen alsondersteuning naar werk. UWV maakt geen raming van die inzetwaardoor de verwachting voor 2025 niet bekend is. In 2023 werden erdoor UWV voor de UWV-uitkeringsgerechtigden 613 IPS-trajecten ingezet.In 2022 waren dat er 546.Vraag 159Hoeveel mensen werken er minimaal twee dagen per week?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 891 Antwoord 159Zie antwoord 154Vraag 160Hoeveel mensen werken er minimaal drie dagen per week?Antwoord 160Zie antwoord 154Vraag 161Hoeveel mensen werken er minimaal vier dagen per week?Antwoord 161Zie antwoord 154Vraag 162Op welke manier wil de regering zorgen voor het minder snel latenoplopen van de kosten van invordering als betaling van schulden uitblijft?Antwoord 162Er is binnen de huidige wet op verschillende plaatsen ruimte om te zorgendat kosten van invordering niet te snel oplopen. Zo brengt UWV geenwettelijke rente in rekening en heeft UWV per 1 juli 2024 de aanmanings-vergoeding op vorderingen op personen afgeschaft. Ook de SVB rekentzelf geen incassokosten. Een wettelijke rente kan zich voordoen, maarwordt in de praktijk zelden doorberekend omdat er uitstel van betaling isverleend of omdat het grensbedrag niet wordt bereikt. Verder geeft degemoderniseerde Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten enterugvordering onverschuldigde betalingen, die op 1 januari 2025 inwerking treedt, UWV en de SVB meer ruimte om passende betalingsaf-spraken met betrokkenen te maken. Als met de betrokkene betalingsaf-spraken gemaakt zijn, hoeven geen kosten gemaakt te worden voor deinvordering van de schulden van betrokkene.Vraag 163Hoeveel mensen profiteren naar verwachting van de maatregelen in 2025om de marginale druk te verlagen en werken lonender te maken?Antwoord 163Het kabinet verlaagt marginale druk en maakt werken lonender door eennieuwe eerste belastingschijf te introduceren met een verlaagd tarief van35,82% in 2025. Een belastingverlaging is positief voor alle huishoudensdie belasting betalen of via een uitkering profiteren van belastingverlaging(onder andere AOW en bijstand). Werkenden met een laag inkomen, metrecht op de inkomensafhankelijke combinatie-korting (IACK) of hogeaftrekposten profiteren mogelijk niet van de belastingverlaging doorverzilveringsproblematiek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 892 Vraag 164Wat zou het (ongeveer) kosten om de zelfstandigenaftrek uit te breidennaar alle werkenden die minimaal drie dagen per week werken?Antwoord 164De zelfstandigenaftrek bedraagt momenteel € 3.750 en wordt afgebouwdnaar € 900 in 2027. Bijna 70% van de werknemers in de werkzameberoepsbevolking werkt tenminste 28 uur per week.46 De budgettairegevolgen van het voorstel zijn dan ook zeer fors. Het is echter nietmogelijk om nu een gedegen budgettaire raming te maken. Dat vergtnader onderzoek. Complexiteit daarbij is dat bij verschillende vormen vanwerk op voorhand niet vaststaat hoeveel uren iemand werkt, bijvoorbeeldbij beschikbaarheidsdiensten en mensen met een stukloon.Bij uitbreiding van zelfstandigenaftrek naar alle werkenden kunnen eenaantal kanttekeningen en uitvoeringsvragen worden geplaatst, ziedaarvoor het antwoord op vraag 165 en bijlage 4 van de Kamerbrief overde aanvullende maatregelen in de aanpak van arbeidsmarktkrapte vanfebruari 2023.Vraag 165Wat is het arbeidsmarkteffect van het uitbreiden van de zelfstandigen-aftrek naar alle werkenden die minimaal drie dagen per week werken?Antwoord 165Het uitbreiden van de zelfstandigenaftrek naar alle werkenden dieminimaal een bepaald aantal dagen per week werken, zou in theorie bijkunnen dragen aan het stimuleren van meer uren werken. Het vergtechter nader onderzoek om in te schatten hoeveel mensen met ditvoorstel worden gestimuleerd om meer uren te werken, en om hoeveelextra uren het zou gaan.De volgende kanttekeningen zijn nu wel bekend:-Er kunnen vraagtekens gezet worden bij de doelmatigheid: er is eengrote verscheidenheid in reacties op financiële prikkels.47 Waarbijvoorbeeld mannen vrijwel niet reageren op financiële prikkels,reageren vrouwen met jonge kinderen verhoudingsgewijs wel sterk.De voorgestelde maatregel is generiek. Gezien het grotere aantalvrouwen onder deeltijdwerkers, hebben maatregelen die huishoudensmet jonge kinderen raken mogelijk een grotere invloed op hetarbeidsaanbod dan generieke fiscale maatregelen.48 Zie onder anderede antwoorden op vragen 90, 114, 115 en 174 over maatregelen ommeer uren werken te stimuleren, gebaseerd op resultaten uit kwalita-tieve onderzoeken.–Een belangrijke voorwaarde om een gedragseffect te kunnen veroorza-ken is dat de urennorm controleerbaar is.–Het voorstel zou naar verwachting extra druk zetten op de uitvoering(zie antwoord 164).–Ook leidt het voorstel – bij eenzelfde werkwijze als de zelfstandigenaf-trek nu – mogelijk tot toenemende complexiteit voor burgers.46Statline, CBS, Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85275NED/table?ts=172908141327147De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid | CPB.nl48IBO Deeltijdwerk; De(el)tijd zal het leren (2020)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 893 –Het kan ten slotte naar verwachting inkomensverschillen tussenwerkenden en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en een- en tweever-dieners vergroten.Vraag 166Hoeveel middelen zijn er in 2025 gereserveerd voor de versterking vangemeentelijke schuldhulpverlening?Antwoord 166Gemeenten ontvangen € 40 miljoen structureel per jaar voor hetversterken van de dienstverlening ten aanzien van armoede en schulden.Daarnaast reserveert het kabinet vanaf 2025 structureel € 20 miljoen voorvroegsignalering als onderdeel van een samenhangend pakket aanmaatregelen naar aanleiding van het IBO problematische schulden.Vraag 167Wat zou het (ongeveer) kosten om de zelfstandigenaftrek uit te breidennaar alle werkenden die minimaal vier dagen per week werken?Antwoord 167Bij deze vraag speelt dezelfde complexiteit in het kwantificeren van hetaantal gewerkte dagen als bij het uitbreiden van de zelfstandigenaftreknaar alle werkenden die drie dagen per weer werken (vraag 164). Daarbijmoet ook worden bedacht dat deze maatregel geen prikkel geeft om meeruren te werken aan alle werkenden die momenteel al vier of vijf dagenwerken, maar wel kosten opleveren voor die groep. De budgettairegevolgen van het voorstel zijn dan ook zeer fors. Het vergt naderonderzoek om de exacte budgettaire gevolgen in kaart te brengen.Vraag 168Wat is het arbeidsmarkteffect van het uitbreiden van de zelfstandigen-aftrek naar alle werkenden die minimaal vier dagen per week werken?Antwoord 168Het uitbreiden van de zelfstandigenaftrek naar alle werkenden dieminimaal een bepaald aantal dagen per week werken, zou in theorie bijkunnen dragen aan het stimuleren van meer uren werken. Het vergtechter nader onderzoek om in te schatten hoeveel mensen met ditvoorstel worden gestimuleerd om meer uren te werken, en om hoeveelextra uren het zou gaan.Daarbij moet ook worden bedacht dat deze maatregel geen prikkel geeftom meer uren te werken aan alle werkenden die momenteel al vier of vijfdagen werken, maar wel kosten opleveren voor die groep. De budgettairegevolgen van het voorstel zijn dan ook zeer fors. Het vergt naderonderzoek om de exacte budgettaire gevolgen in kaart te brengen.Vraag 169Hoeveel werkende armen zijn er momenteel?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 894 Antwoord 169Het aantal mensen in armoede dat deel uitmaakt van een huishouden metwerk als voornaamste inkomensbron was in 2023 ongeveer 240.000.Hierbij gaan we uit van de nieuwe armoedegrens van het CBS, Nibud enSCP. Mensen met een inkomen onder die grens leven volgens dezedefinitie in armoede. Verder hadden bijna 1,2 miljoen mensen eeninkomen tot 25 procent boven de armoedegrens, waaronder ruim 260.000werkenden.Vraag 170Kan er een overzicht worden gegeven van wat er met de aanbevelingenvan de Commissie-Borstlap is gedaan?Antwoord 170Het arbeidsmarktpakket, zoals het kabinet dit nu uitwerkt, komt voort uitde adviezen van de commissie Regulering van werk (commissie Borstlap).Werknemers- en werkgeversorganisaties hebben de adviezen van decommissie Regulering van werk vertaald naar concretere maatregelen inhet SER-MLT-advies. Beide adviezen zijn de leidraad geweest voor hetbrede arbeidsmarktpakket (zie Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1176),waarvan dit kabinet de uitwerking voortzet.Sommige maatregelen uit het rapport van de commissie Regulering vanwerk hebben anders vorm gekregen in het arbeidsmarktpakket dan er inhet commissierapport is omschreven. Bijvoorbeeld vanwege betaal-baarheid, omdat bleek dat sommige voorstellen van Borstlap juridisch ofuitvoeringstechnisch onhaalbaar waren, te weinig aansloten bij hetdoenvermogen van burgers of omdat sommige voorstellen te weinigdraagvlak genoten.In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven hoe de aanbevelingenvan de Commissie Regulering van werk (samengevat in de bouwstenenvan deze Commissie) worden uitgewerkt of reeds tot stand zijn gekomen.Tabel: Overzicht uitwerking aanbevelingen Commissie Regulering van werkAanbevelingen commissieRegulering van werkWet- en regelgeving waar ditkabinet aan werktWet- en regelgeving diereeds tot stand isgekomenBouwsteen 1: Bevorder internewendbaarheid, rem externeflexibiliteit af– Wetsvoorstel Meer zekerheidflexwerkers– Wetsvoorstel personeelsbe-houd bij crisis– Wetsvoorstel re-integratietweede spoor– Premiedifferentiatie inde WWBouwsteen 2: Creëer eenoverzichtelijker stelsel vancontractvormen– Wetsvoorstel Verduidelijkingbeoordeling arbeidsrelaties enrechtsvermoeden– Wetsvoorstel toelatingterbeschikkingstelling vanarbeidskrachten– Verbeteren toegang tot hetrecht Arbeidscommissie(Kamerstukken II 2023/24,29 533, nr. 1223)Bouwsteen 3: Stel allewerkenden in staat zich teontwikkelen en te (blijven) leren– Ontwikkelen gezamenlijkeLLO-agenda– Wetsvoorstel arbeidsmarktin-frastructuurTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 895 Aanbevelingen commissieRegulering van werkWet- en regelgeving waar ditkabinet aan werktWet- en regelgeving diereeds tot stand isgekomenBouwsteen 4: Zorg voor eenfiscaal gelijke behandeling vanen basisinkomenszekerheidvoor alle werkenden– Wetsvoorstel Basisverzeke-ring arbeidsongeschiktheidzelfstandigen– Vereenvoudiging inkomens-ondersteuning– Lagere belasting oparbeidBouwsteen 5: Kom tot eenactiverend en inclusiefarbeidsmarktbeleid– Wetsvoorstel arbeidsmarktin-frastructuur– Verbeteren toegang tot hetrecht Arbeidscommissie(Kamerstukken II 2023/24,29 533, nr. 1223)– Aanpassing WW Vraag 171Welke aanbevelingen van de Commissie-Borstlap bent u nog van plan uitte voeren?Antwoord 171Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de tabel bijantwoord 170.Vraag 172Kan er een overzicht gegeven worden wat er met de aanbevelingen vande Commissie sociaal minimum is gedaan?Antwoord 172Na het rapport van de Commissie sociaal minimum zijn maatregelengenomen om het inkomen van mensen op het sociaal minimum teverhogen, waarbij gekeken is naar de aanbevelingen vanuit de rapportenvan deze commissie. Het gaat om de volgende maatregelen:•Verhoging kindgebonden budget in 2024 met € 619 voor het eerstekind, € 752 voor het tweede kind en verder;•Verhoging bedragen voor kinderen in 2024 tussen 12–15 en 16–17 jaarmet € 400 per jaar;•Verhoging kinderbijslag in 2024 met maximaal € 21,53 per jaar;•Verhoging huurtoeslag in 2024 met € 452,64 per jaar;•Stapsgewijze verhoging kindgebonden tussen 2025 t/m 2028 met€ 380 per kind per jaar (prijzen 2025);•Verhoging huurtoeslag in 2026 met € 138,96 per jaar en vereenvoudi-ging van de huurtoeslag;•Een nieuwe eerste belastingschijf met een verlaagd tarief, dit zorgtervoor dat het bijstandsniveau hoger komt te liggen;•Bevriezen van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand van2024 tot en met 2027;•Structurele financiering van schoolmaaltijden;•Met de aanpak Geldzorgen, armoede en schulden wordt gewerkt aanhet voorkomen van geldzorgen (bijvoorbeeld met financiële educatie)en het aanpakken van armoede en schulden;•Het kabinet zet in op het terugdringen van aantal mensen metproblematische schulden en trekt hiervoor structureel € 75 miljoen uitvoor een samenhangend pakket aan maatregelen dat voortbouwt ophet IBO Problematische schulden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 896 Vraag 173Welke aanbevelingen van de Commissie sociaal minimum is de regeringnog van plan uit te voeren?Antwoord 173De aanbevelingen van de Commissie sociaal minimum gaan over detoereikendheid van het sociaal minimum en het stelsel van het sociaalminimum. In het antwoord 172 vindt u welke maatregelen al genomen zijndoor dit en het vorige kabinet. Het kabinet heeft daarnaast de ambitie omdeze kabinetsperiode wetgeving voor te bereiden voor een hervormingvan het toeslagen- en belastingstelsel, en van onderdelen van de socialezekerheid. Daarom start het kabinet met een hervormingsagenda voor dediverse onderdelen van de sociale zekerheid en het toeslagen- enbelastingstelsel. Bij de hervorming vindt het kabinet onder anderebelangrijk dat het Rijk de inkomensbasis goed regelt, zodat mensen voorhun inkomen niet afhankelijk zijn van gemeentelijke minimaregelingen.Vraag 174Wat zijn de arbeidsmarkteffecten van de kinderopvang plannen van dezeregering?Antwoord 174De invoering van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang heeftstructurele positieve effecten voor werkende ouders. Kinderopvang wordtbeter betaalbaar en zekerder voor ouders. Dit kan leiden tot de volgendearbeidsmarkteffecten.1. Effecten op arbeidsparticipatieHet kabinet verwacht dat een goedkoper en zekerder kinderopvangstelselook leidt tot cultuurveranderingen, die een positief effect kunnen hebbenop de arbeidsparticipatie. De effecten zijn lastig te ramen, maar hetkabinet gelooft in een grotere impact op de participatie dan empirischeonderzoeken tot nu toe laten zien.Uit onderzoek door I&O Research49 blijkt dat een deel van de ouders dieniet (beiden) werken zeggen (meer) te gaan werken als de kinderopvangbeter betaalbaar wordt. Ouders die (beiden) al werken, geven aan dat zijhierdoor meer uren willen gaan werken. Het CPB en het SCP hebbeneerder becijferd dat de stelselherziening zou leiden tot een beperktestijging van het arbeidsaanbod (0,2% of 15.000 fte). Deze berekeningenzijn wel gebaseerd op gedragsveranderingen na relatief kleine wijzigingenin de vergoedingspercentages van de kinderopvangtoeslag in hetverleden. Het nieuwe financieringsstelsel is echter een fundamentelestelselwijziging met een niet eerder geziene investering in de kinder-opvang. Tussen 2010 en 2024 zijn de overheidsuitgaven aan kinderop-vangtoeslag met € 1.842 miljoen toegenomen. Gecorrigeerd voor deinflatie bedraagt het verschil circa € 600 miljoen. Tussen 2024 en 2029investeert het kabinet structureel € 2,9 miljard (prijspeil 2024) in dekinderopvang. Nooit eerder is in korte tijd zo veel extra geïnvesteerd in definanciering van de kinderopvang als dit kabinet van plan is.49Ipsos I&O, Ervaringen met kinderopvang – meting 3 – Vignetonderzoek, Ervaringen metkinderopvang – december 2023 (meting 3) | Rapport | Kennisplatform Werk en InkomenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 897 Tabel: Uitgaven kinderopvangtoeslag in lopende prijzenBedragen x€ 1 miljoen2010201120122013201420152016201720182019UitgavenKOT2.9112.7702.3041.9061.7251.6442.0062.2732.6263.088 Bedragen x€ 1 miljoen2020202120222023202420252026202720282029UitgavenKOT3.3513.6363.9164.1804.7535.4896.8197.7588.3658.975 Het effect op de arbeidsparticipatie verschilt daarnaast vermoedelijk pergroep. Het nieuwe stelsel zorgt vooral voor de midden- en hoge inkomensvoor een daling in de kosten. Binnen deze groep is de arbeidsparticipatieal op een relatief hoog niveau. Het directe effect op de arbeidsparticipatievan ouders met een laag huishoudinkomen is op de lange termijn naarverwachting klein, omdat zij op dit moment al een vergoeding van 96%ontvangen. Maar ook ouders met lagere inkomens profiteren van de veelgrotere zekerheid van het nieuwe stelsel, omdat terugvorderingen ookvoor hen verleden tijd zijn. Hierdoor gaan ook lagere inkomens mogelijkmeer gebruikmaken van kinderopvang, wat (meer) werken kan stimuleren.Ten slotte kan de stelselherziening bijdragen aan cultuurveranderingenrond het gebruik van kinderopvang. Hierdoor zijn er mogelijk grotereparticipatiebaten dan tot nu toe geraamd door bijvoorbeeld het CPB enhet SCP. De daadwerkelijke arbeidsparticipatie-effecten van het nieuwefinancieringsstelsel, waaronder de effecten van het ingroeipad vanaf 2025en eventuele substitutie-effecten, worden de komende jaren gemonitord.2. Door de stelselherziening kan de toegankelijkheid van kinderopvangvoor lagere inkomens dalen, met mogelijk negatieve gevolgen voor hunarbeidsparticipatieDoordat kinderopvang beter betaalbaar wordt, stijgt de vraag naaropvang. De verwachting is dat het aanbod in de kinderopvangsector nietzonder meer binnen afzienbare tijd kan meegroeien.Dit komt voornamelijk door personeelstekorten en in mindere mate doorproblemen met huisvesting. Om deze problemen te mitigeren, blijft hetkabinet inzetten op het aanpakken van personeelstekorten in de kinderop-vangsector. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van4 april50. Ook zal het kabinet uw Kamer hierover informeren met deaankomende brief over de uitwerking van de plannen voor arbeidsmarkt-krapte en de brede arbeidsmarktagenda.Daarnaast hanteert het kabinet de komende jaren een ingroeipad naar dehoge inkomensonafhankelijke vergoeding in het nieuwe stelsel. Door devergoedingen ieder jaar stapsgewijs te verhogen, groeit de vraag naaropvang geleidelijk. Kinderopvangorganisaties hebben zo meer kans omaan de groeiende vraag te voldoen.Als kinderopvangorganisaties niet kunnen voldoen aan de groeiendevraag, zullen naar verwachting de tarieven stijgen en de wachtlijstentoenemen. Ook ontstaan mogelijk negatieve effecten op de kwaliteit vande opvang, met als mogelijk gevolg minder gebruik. Tegelijkertijd zorgt ditvoor druk op de toegankelijkheid, zowel financieel als qua beschik-baarheid van plaatsen. Dit kan zorgen voor minder gebruik van voorna-50Kamerstukken II, 2023/2024, 31 322, nr. 529Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 898 melijk huishoudens met lagere inkomens. Dat kan mogelijk een negatiefeffect hebben op de arbeidsparticipatie binnen deze groep.3. Door het niet-indexeren van de maximum uurprijzen in 2026 neemt debetaalbaarheid van opvang voor lagere inkomens af, met mogelijknegatieve gevolgen voor hun arbeidsparticipatieIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om de maximum uurprijzen inde kinderopvang in 2026 niet te indexeren. Het niet-indexeren in 2026 leidtper saldo tot negatieve inkomenseffecten voor lage inkomens wanneerkinderopvangorganisaties tarieven boven de maximum uurprijs hanteren.De meeste kinderopvangorganisaties hanteren nu al een tarief dat op ofboven de maximum uurprijs ligt. Daarmee kan het niet-indexerengevolgen hebben voor de arbeidsparticipatie van deze groepen. In dekwartaalrapportages monitort het Ministerie van SZW de arbeids-deelname van ouders, en specifiek van ouders met jonge kinderen.Tegenover het niet-indexeren staat dat door de stapsgewijze verhogingvan het vergoedingspercentage naar 96% de uiteindelijke vergoeding voorkinderopvang voor veel werkende ouders juist toe zal nemen. Daardoorwordt het per saldo voor veel werkende ouders juist aantrekkelijker om(meer) te gaan werken.Nog voor de behandeling van de SZW-ontwerpbegroting ontvangt uwKamer een hoofdlijnenbrief met daarin de laatste stand van zaken rondhet nieuwe financieringsstelsel en een beschrijving van het huidigestelselontwerp.Vraag 175Wat is de voortgang van het programma Vereenvoudiging inkomenson-dersteuning voor Mensen?Antwoord 175Uw Kamer is op 8 december 202351 geïnformeerd over de doelen enacties vanuit het programma Vereenvoudiging inkomensondersteuningvoor Mensen (VIM).VIM heeft een domeinoverstijgend perspectief en vormt zo een aanvullingop trajecten die op individuele regelingen zien. Het programma beoogtverbeteringen aan te brengen op de korte, middellange en lange termijn.Voor de korte termijn zijn zes knelpunten benoemd. Op elk van dezeknelpunten is een interdepartementale en interbestuurlijke werkgroep aande slag om te bezien of doorbraken mogelijk zijn. Dat het een «kortetermijn» knelpunt is wil overigens niet zeggen dat het knelpunt zondermeer snel kan worden opgelost. Wel streeft het kabinet ernaar om,vooruitlopend op een eventuele grotere stelselwijziging die meerderekabinetsperiodes in beslag kan nemen, tot een doorbraak te komen. Zostreeft het kabinet ernaar de complexe brutonetto problematiek op telossen die speelt als een uitkering wordt teruggevorderd terwijl dejaargrens is gepasseerd, door vanaf 2026 terug te gaan vorderen terhoogte van netto teveel ontvangen bedragen. Hiervoor is geld gereser-veerd uit de enveloppe Groepen in de Knel. Over de voortgang van deaanpak van de knelpunten wordt uw Kamer uiterlijk in het voorjaar van2025 geïnformeerd.Voor de middellange termijn werkt het programma VIM aan het harmoni-seren en standaardiseren van begrippen. Eenduidige, omlijnde engeharmoniseerde begrippen dragen bij aan het voorkomen van fouten en51Kamerstukken II, 2023/24, 29 362, nr. 347.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 899 vergissingen. Hierbij wordt bijvoorbeeld bezien of toegewerkt kan wordennaar een kleinere set objectiveerbare begrippen die beter aansluiten bij debelevingswereld van mensen. In het voorjaar van 2025 wordt uw Kamerhierover geïnformeerd.Voor de begrotingsbehandeling van SZW ontvangt uw Kamer een briefmet de stand van zaken over de vereenvoudigingen voor de lange termijn,als onderdeel van de brede hervormingsagenda vereenvoudiginginkomensondersteuning.Vraag 176Kunt u een overzicht geven van welke maatregelen worden beoogd inspoor twee van de hervorming van de Participatiewet?Antwoord 176In spoor 2 van Participatiewet in balans zijn nog geen keuzes gemaaktover welke maatregelen noodzakelijk zijn voor de herziening van deParticipatiewet. Samen met gemeenten en andere belanghebbendepartijen is een probleemanalyse opgesteld. Deze is net afgerond en wordtdit najaar samen met een voortgangsbrief met uw Kamer gedeeld. In dezevoortgangsbrief zal de Staatssecretaris Participatie en Integratie deverdere stappen beschrijven die hij beoogt te nemen in de herziening vande Participatiewet.Vraag 177Kan een precieze toelichting gegeven worden wat het project «Meer urenwerkt!» inhoudt?Antwoord 177Het Nationaal Groeifonds investeert maximaal € 75 miljoen in het projectMeer uren werkt!. Dit bedrag bestaat uit een toekenning van € 30 miljoenen een voorwaardel(ke toekenning van € 45 miljoen.Meer uren werkt! wil dat mensen die in deeltijd werken en meer kunnenen willen werken, maximaal in staat gesteld worden om dat vervolgensook te gaan doen. Een hoger arbeidsaanbod van deze groep draagt bij aanhet verdienvermogen van Nederland en de economische zelfstandigheidvan deelt(dwerkers. Het programma wil dat bereiken door knelpunten aante pakken met bewezen interventies in sectoren kinderopvang, onderwijsen zorg en welzijn en deze vervolgens op te schalen naar de gehelearbeidsmarkt. Denk hierbij aan het anders inroosteren van de werkdag,het mogelijk maken van combinatiebanen of het bespreekbaar maken van,en begrip creëren voor mantelzorg. De interventies richten zich op 1) hetondersteunen van uitbreiding van de arbeidst(d; 2) contractuitbreiding encultuurverandering in de maatschapp(; en 3) het bevorderen van eenmaatschappel(ke beweging en kennisontwikkeling met betrekking tot hetstimuleren van het werken van meer uren. In 2025 wordt een startgemaakt met zeven interventies.Vraag 178Kan een overzicht gegeven worden van maatregelen in de begroting voorhet tegengaan van krapte op de arbeidsmarkt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8100 Antwoord 178Verscheidene maatregelen in de begroting dragen bij aan het tegengaanvan krapte op de arbeidsmarkt.Onder beleidsprioriteit 3 (pagina 15 tot en met 18 van de memorie vantoelichting) worden de belangrijkste maatregelen uitgelicht.52 Onder ditkopje staat bijvoorbeeld nadere uitleg over het programma «Meer urenwerkt!» en de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur.Ook wordt de r(ksbrede arbeidsmarktagenda en de top over arbeids-marktkrapte onder dit kopje toegelicht. De Minister van SZW zal voor heteinde van dit jaar een brief sturen, waarin het proces en tijdpad richtingde arbeidsmarktagenda en de top uiteen wordt gezet. In deze brief komenook de vijf lijnen aan bod waarmee het kabinet krapte wil tegengaan, teweten: kiezen voor kwaliteit van werk, versterken van de economie,verhogen van de productiviteit, het vergroten van duurzame arbeids-marktparticipatie en het verbeteren van de match tussen werkzoekendenen werkgevers.Vraag 179Wat is de voorgenomen besteding van de envelop «groepen in de knel»?Antwoord 179In de Miljoenennota 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 600, nr. 1, pagina53–55) is een overzicht opgenomen van de voorgenomen besteding vande envelop inclusief toelichting. Onderstaande tabel toont het overzichtmet maatregelen.Nr.Budgettaire effecten maatregelen, in mln. euro’s20252026202720282029Struc.G1Reservering voorjaar1193104149136110412G2Integraal pakket problematische schulden24567310010075G3Aanpassing handhaving sociale zekerheid61212121212G4Schoolmaalt(den454545454545G5Aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voorachterbl(vers noodgedwongen elders verbl(vendepartner11212121212G6Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen vangrondslag toeslagen op basis van verbl(fstitel enrecht kinderb(slag055555G7Verlengen aanvraagterm(n toeslagen055555G8Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskos-ten door ziekte of invaliditeit in de inkomstenbelas-ting111111G9Netto in plaats van bruto terugvorderen13131313131G10Reservering voor aanpak armoede CaribischNederland222222G11IPS gemeentel(ke doelgroep432000G12T(del(ke verlenging energiefonds60600000Totaal3373373373493236001 Beleidsopties bij onderwerpen zoals Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS), Participatiewet, Toeslagenwet,Caribisch-Nederland en werkende armen (kinderopvang) moeten nog worden uitgewerkt. Hiervoor zijn middelen gereserveerd op de aanvullendepost van Financiën. Deze middelen worden betrokken bij de voorjaarsbesluitvorming 2025. Vraag 180Kan per doel uit het hoofdlijnenakkoord voor het Ministerie van SZWconcreet worden aangegeven wat er in 2025 gaat gebeuren om dezedoelen te realiseren?52Kamerstukken II, 2024-2025, 36 600 XV, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8101 Antwoord 180Hiervoor wordt verwezen naar de planningsbrief voor 2025, die innovember aan de Kamer zal worden gezonden. In de procedureverga-dering van de commissie SZW van dinsdag 8 oktober jl. is hieromgevraagd. Het Ministerie van SZW zal in deze planningsbrief globaalweergeven welke Kamerbrieven, wetsvoorstellen en andere Kamer-stukken het in 2025 verwacht aan de Kamer te verzenden, gesorteerd oponderwerp.Vraag 181Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigen, ombuigingen enextensiveringen?Antwoord 181Dit kabinet doet in het Hoofdlijnenakkoord een aantal ombuigingen op hetterrein van SZW:•Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten (structureel € 308miljoen);•Een nader uit te werken maatregel om de WW te hervormen (structu-reel € 217 miljoen);•Beperken compensatie transitievergoeding tot kleine werkgevers(structureel € 380 miljoen).Vraag 182Kan een overzicht gegeven worden van alle plannen die nu onder levenlang ontwikkelen (LLO) vallen, inclusief bijbehorende budgetten?Antwoord 182Overzicht van de huidige instrumenten voor een leven lang ontwikkelenvan SZW, OCW en EZ:InstrumentenGeld /looptijd1. Doel: Meer mensen volgen scholing (naar 62% beroepsbevolking in 2030)– Levenlanglerenkrediet, biedt lening voor scholingskosten formeelonderwijs (OCW)Jaarlijks € 21 miljoen– Ontwikkelen scholingsfaciliteit (voortouw SZW) voor maatschap-pelijk cruciale kraptesectoren (met resterende STAP-middelen, start2025)€ 73,8 miljoen overperiode 2025/2027– Pilot inkomensondersteuning bij VWNW in twee regio’s(voortouw EZ, samen met OCW en SZW)Incidenteel € 1,2 miljoen.Looptijd 1 jaar.– Ontwikkelpaden inrichten voor in-, zij- en doorstroom inkraptesectoren. OCW en SZW ondersteunen bij inrichten enimplementeren sectorale ontwikkelpaden voor kraptesectorenIncidentele subsidies opbasis van kaderregeling.± € 100.000 per ontwikkel-pad– Transparant maken voor mensen welk aanbod aan scholing enfinancieringsmogelijkheden er zijn (dit Platform Leeroverzicht iseen onderdeel van een NGF project Leeroverzicht en Skills)€ 44,7 miljoen voor heleNGF project dat looptijdheeft van 2022 t/m 2026(Leeroverzicht)– Meer mogelijkheden bieden voor het volgen van (delen van)opleidingen in mbo, hbo en wo. Dit is een onderdeel van deOnderwijsagenda LLO (van OCW). Instrumenten: een verkenningwettelijke opdracht LLO voor mbo, hbo en wo (aanbestedingonderzoek staat uit), Wet NLQF (aangenomen door de EersteKamer), Wet Leeruitkomsten (aangenomen door Eerste Kamer)€ 500.000,- vooronderzoek naar dewettelijke opdracht2. Doel: Meer mensen ontdekken dat leren op het werk loont– Programma Leercultuur (SZW), waarin we ondernemers enwerkenden in het MKB laten zien dat leren en ontwikkelen loont€ 1,25 miljoen per jaar,2024 t/m 2027– MKB organisaties stimuleren tot meer actie op leren en ontwikke-len in hun organisaties met de SLIM-subsidieregeling (SZW)Jaarlijks circa € 40miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8102 InstrumentenGeld /looptijd– NGF project Vaardig met vaardigheden – bouwt de skillstaalCompetentNL om een skills gerichte arbeidsmarkt te stimuleren(voortouw SZW, dit is een onderdeel van hierboven genoemdeNGF project Leeroverzicht en Skills)Zie hierboven, totalebedrag was € 44,7miljoen voor hele NGFproject dat looptijd heeftvan 2022 t/m 2025 (voorCompetentNL)– NGF project LLO-Katalysator heeft onder meer een onderdeel datis gericht op het stimuleren van leercultuur (voortouw OCW)€ 392 miljoen voor heleNGF project met looptijdvan 2022 tot en met 20291– Eenvoudiger maken om vaardigheden en opgedane werkervaringin te zetten voor loopbaanstappen. Onderdeel van eerdergenoemde Onderwijsagenda LLO (OCW). Maatregelen: vereenvou-diging deelname onderdelen formeel onderwijs mbo en hogeronderwijs, bevorderen gebruik microcredentials en certificaten enbevorderen valideren van werkervaring in onderwijs.n.v.t.– Kennis vergroten over de werkzaamheid van acties voor LLO enDuurzame Inzetbaarheid (DI) met het Meerjarig Investeringspro-gramma DI en LLO (SZW), waaronder de Expeditie-regeling (SZW)waarmee projecten worden gesubsidieerd die de kennis overinterventies voor LLO en DI versterken en breder toepasbaarmaken.Jaarlijks circa € 10–12miljoen3. Wat mensen leren sluit beter aan op wat bedrijfsleven en regio’s nodig hebben– Publieke onderwijs regionaal beter laten aansluiten op debehoeften aan bij- en omscholing van het bedrijfsleven, dewerkenden en werkzoekenden. Ook dit is onderdeel van degenoemde Onderwijsagenda LLO (OCW) met de onderdelen:hybride docenten, hubs, bedrijfsvakscholen; goede aansluitingonderwijs op hervorming arbeidsmarktinfrastructuur.€ 3 miljoen voor pilothybride docenten, looptijd2025 tot en met 2028– NGF project LLO-Katalysator (OCW) heeft een onderdeelversterking regionale hubs en bedrijfsvakscholen, waarvoorexperimenteer budget is van € 10 miljoen binnen de middelenvoor dit NGF projectZit in budget voorLLO-Katalysator– NGF project Opschaling publiek-private samenwerking in hetberoepsonderwijs in de regio, om techniek en ICT te versterken endaarmee vraag en aanbod beter op elkaar aan te laten sluiten.€ 210 miljoen2– Actieplan Groene en Digitale Banen (EZ voortouw, SZW en OCW),zit o.a. LLO in, maar pakket is grotendeels bundeling van lopendbeleid, beperkt eigen budget€ 5 miljoen per jaar, voor5 jaar vastgelegd1 Hiervan is € 167 miljoen toegekend en € 225 miljoen voorwaardelijk toegekend.2 Hiervan is € 152,6 miljoen toegekend en € 57,4 miljoen voorwaardelijk toegekend. Vraag 183Hoe wordt de taakstelling ingevuld op het apparaat van SZW?Antwoord 183De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves.Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overigepersoneelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacaturesdie ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling vande bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog nietbekend.SZW heeft de NLA en de uitvoeringsorganisaties gevraagd om eenbijdrage en we zijn in gesprek over de invulling. Daarbij wordt onder meergezocht naar mogelijkheden voor besparingen door vereenvoudiging vanwet- en regelgeving en taakaanpassing.Vraag 184Wanneer wordt de brede arbeidsmarktagenda uitgewerkt en naar deKamer gestuurd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8103 Antwoord 184Eind van dit jaar wordt u geïnformeerd over hoe het kabinet de uitwerkingwil geven aan de plannen rond de aanpak arbeidsmarktkrapte, zoalsbeschreven in hoofdstuk 10b van het Regeerprogramma. Onderdeeldaarvan is hoe het kabinet wil komen tot een brede arbeidsmarktagendaen wanneer deze met uw Kamer zal worden gedeeld.Vraag 185Wat zijn de maatschappelijk cruciale sectoren waar subsidieregeling lerenen ontwikkelen in het mkb (SLIM) op is gericht?Antwoord 185De huidige SLIM-regeling richt zich op leren en ontwikkelen in het MKB.Deze is niet specifiek gericht op maatschappelijk cruciale sectoren. Eenverlenging van de SLIM-regeling is in voorbereiding. Het voornemen is nadie verlenging een scholingsfaciliteit toe te voegen aan de regeling. Dezescholingsfaciliteit wordt momenteel uitgewerkt.Uitgangspunt bij de uitwerking van de scholingsfaciliteit is aan te sluitenbij de motie Van der Lee (Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1184) dieoproept scholingsmiddelen te richten op cruciale kraptesectoren zoals deenergietransitie, zorg, onderwijs, techniek en ICT. Dit najaar wordt uwKamer nader geïnformeerd over de uitwerking van de scholingsfaciliteit.Onderdeel hiervan is een concretisering van de (sub)sectoren waarop descholingssubsidie zich zal richten.Vraag 186Kunnen er voorbeelden worden gegeven van de onwensel(ke ofschadel(ke situaties die de NLA tegenkomt in de prakt(k tegen waarb( z(niet bevoegd is om op te treden?Antwoord 186De Arbeidsinspectie is toezichthouder op de volgende wetten: Arbeids-omstandighedenwet, Arbeidstijdenwet (ATW), Wet allocatie arbeids-krachten door intermediairs (Waadi), Wet arbeidsvoorwaarden voorgedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU), Warenwet,Wet arbeid vreemdelingen (WAV) en Wet minimumloon en minimumva-kantiebijslag (WML). Onder andere arbeidsuitbuiting is strafbaaringevolge het Wetboek van Strafrecht.De Arbeidsinspectie publiceert regelmatig via rapportages en signalenaan externe partijen over onwenselijke situaties, bijvoorbeeld nieuweconstructies, waartegen het in de praktijk lastig is op te treden of dienegatief effect hebben op de effectiviteit van het toezicht. Het gaat daarbijbijvoorbeeld om:–misbruik van ontslag op staande voet door uitzendbureaus;–de hoogte van de WAV-boetes die geen gelijke tred hebben gehoudenmet de ontwikkeling van de inflatie. Daarmee is het afschrikwekkendeeffect van de boetes uitgehold;–knelpunten in de registratie van niet-ingezetenen (RNI);–de kennismigrantenregeling waarvan in de praktijk zichtbaar is dat ookandere groepen dan kennismigranten gebruik kunnen maken van deregeling;–detachering van derdelanders vanuit andere lidstaten naar Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8104 Ook komt de Arbeidsinspectie in de praktijk verschillende typenconstructies tegen die bedrijven gebruiken om hun arbeidskosten tereduceren.53 Deze (schijn)constructies vergen veelal complex onderzoeknaar de feiten en omstandigheden vanwege gebrekkige administraties,lastig vindbare gedupeerde werknemers en het grensoverschrijdendekarakter van constructies.Vraag 187Hoeveel vacatures staan er open bij de NLA?Antwoord 187Er staat momenteel voor 51 fte aan vacatures open (stand 15 oktober).Vraag 188Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van aanbe-veling 6.2a (omgekeerde bewijslast) van de Commissie-Roemer?Antwoord 188Er is een wetsvoorstel in voorbereiding dat, bij een vermoeden vanonderbetaling en het ontbreken van de benodigde gegevens bij dewerkgever, helpt om vast te kunnen stellen of het wettelijk minimumloonis betaald als de administratie ontbreekt. De Nederlandse Arbeidsinspectieof de civiele rechter krijgt dan alsnog de mogelijkheid om in bepaaldesituaties een onderbetaling te berekenen (fictief) en betaling af te dwingendoor uit te gaan van in ieder geval zes maanden (voltijds)arbeid. Deinternetconsultatie over dit wetsvoorstel staat gepland voor eind 2024.Vraag 189Op welke termijn kan er meer informatie worden verwacht over deuitwerking van de wijziging rondom de manier waarop het dagloon voorde WIA wordt vastgesteld voor WIA-gerechtigden die instromen via deZiektewet na een ziekmelding vanuit de WW?Antwoord 189De Centrale Raad van Beroep heeft in juli 2024 een aantal uitsprakengedaan die gaan over de WIA-dagloonvaststelling. Momenteel is UWV, insamenspraak met de Minister van SZW, bezig met het opstellen van eenplan van aanpak om het dagloon van uitkeringsgerechtigden met eenlopende WIA-uitkering en die te maken hebben gehad met een loonloostijdvak in de WIA-referteperiode, te herzien per toekomende tijd. Bij deuitwerking is bijzondere aandacht voor de effecten voor de uitkeringsge-rechtigden, bijvoorbeeld door te kijken naar de doorwerking naar anderefinanciële regelingen zoals toeslagen.Ook zal hierbij aandacht zijn voor de afhandeling van andere herstelactiesrondom de hoogte van de uitkeringen, om te voorkomen dat uitkeringsge-rechtigden in korte tijd met meerdere herstelacties geconfronteerdworden. Ook wordt gekeken naar de effecten voor de betrokken(ex-)werkgevers en de impact op de uitvoering. De Minister van SZWstreeft ernaar om de Kamer begin volgend jaar over de verdere afhan-deling te informeren, wanneer meer bekend is over de dwarsverbanden53Zie pagina 3 tot en met 5 van Rapportage Inspectie SZW: kostenvoordelen en arbeidsuit-buiting | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl en zie Rapportage Schijnconstructies, Cao-naleving enFraude 2019-2022 | Rapport | Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8105 met de herstelactie naar aanleiding van onjuiste WIA-beoordelingen. Hetuitgangspunt is dat de uitkeringsgerechtigde krijgt waar hij recht op heeft.Vraag 190Hoeveel werknemers zijn inmiddels effectief geholpen om hun werkpo-sitie te verbeteren dankzij de arbeidscommissie (aanbeveling 7.2dCommissie-Roemer)?Antwoord 190Op 20 oktober 2023 heeft uw Kamer de brief «Voortgang verbeterentoegang tot het recht Arbeidscommissie» ontvangen. In deze brief isaangegeven dat uit nadere verkenning door het Ministerie van SZW isgebleken dat een betere toegang tot het recht voor kwetsbare werknemersniet enkel ziet op laagdrempelige geschilbeslechting (Kamerstukken II,2023/24, 29 544, nr. 1223). Daarmee lag het niet meer voor de hand omeen arbeidscommissie op te richten, maar in plaats daarvan verschillendemaatregelen te treffen die breed bijdragen aan het verbeteren van detoegang tot het recht. Er is daarom gekozen voor het versterken van deondersteuning aan arbeidsmigranten, met specifieke aandacht voorjuridische ondersteuning. Hierover heeft uw Kamer op 18 juni de brief«Betere ondersteuning voor de (EU-)arbeidsmigrant» ontvangen(Kamerstukken II, 2023/24, 29 861, nr. 125). In deze brief is uiteengezet hoestapsgewijs de ondersteuning versterkt zal worden. Daarnaast start er in2025 voor de duur van drie jaar een experiment met een vereenvoudigdeen versnelde procedure bij de kantonrechter voor kwetsbare werknemers,waaronder arbeidsmigranten. Binnen dit experiment kunnen werknemersmet een vordering vanuit een arbeidsovereenkomst een vereenvoudigdeen snellere procedure starten bij de kantonrechter van de deelnemenderechtbanken in Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant.Ook staat het experiment open voor geldvorderingen van een natuurlijkpersoon die vanuit zijn eigen naam of vanuit die van zijn beroep of bedrijfhandelt tot een maximum van € 5.000.In de Jaarrapportage arbeidsmigranten 2024, die uw Kamer voorafgaandaan de begroting zal ontvangen, worden voor het eerst cijfers opgenomenover het aantal mensen dat we geholpen hebben met deze nieuwevormen van dienstverlening. Cijfers van het experiment met de regel-rechter zijn nog niet beschikbaar, omdat dit experiment pas in 2025 vanstart gaat.Vraag 191Kan de regering uiteenzetten hoe de inkomenspositie verandert van eenalleenstaande ouder met twee minderjarige kinderen die hetminimumloon verdient met recht op toeslagen, wanneer het eerste kind18 wordt en vervolgens het tweede kind 18 wordt? Kan de regeringhetzelfde doen voor een stel dat het minimumloon verdient, een alleen-staande ouder die in de bijstand zit, een stel dat in de bijstand zit en eenalleenstaande ouder die een vervolguitkering op grond van de WIAontvangt? Kan de regering voor de huishoudens met kinderen toevoegenwat er gebeurt wanneer het kind of de kinderen respectievelijk 21 en 27worden?Antwoord 191Wanneer een kind 18 jaar wordt, vervalt de inkomensondersteuning aanouders voor het desbetreffende kind: de kinderbijslag en het kindge-bonden budget. De kinderbijslag stopt vanaf de eerste dag van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8106 kwartaal waarin het kind 18 jaar wordt. Het recht op kindgebonden budgetstopt met ingang van de maand nadat het kind 18 is geworden. De hoogtevan het (resterende) bedrag aan kindgebonden budget hangt af van hetinkomen van de ouders, en of zij alleenstaand zijn.De tabel geeft weer hoe het recht op kinderbijslag en kindgebondenbudget verschilt in 2025 in 3 situaties: 1) met een kind van 16 en een kindvan 17, 2) met een kind van 17 en een kind van 18), en 3) met kinderenouder dan 18. Dit is uitgewerkt voor de eerste vier gevraagdevoorbeelden. Voor voorbeeld 5 (vervolguitkering WIA) kan geenberekening gemaakt worden, omdat er onvoldoende informatiebeschikbaar is. De hoogte van de vervolguitkering op grond van de WIA iseen percentage van het minimumloon, dat afhangt van het arbeidsonge-schiktheidspercentage. Om te kunnen berekenen hoe het recht opkindgebonden budget wijzigt, is daarnaast informatie nodig over dehoogte van inkomsten uit werk die deze persoon daarnaast eventueelheeft, en/of er sprake is van een aanvulling vanuit de Toeslagenwet.Mogelijke gevolgen op andere regelingen worden hieronder beschreven,maar kunnen niet worden doorgerekend omdat individuele omstandig-heden een rol spelen. De inkomenspositie van het kind verandert ook. Ditis niet uitgewerkt in dit antwoord.Tabel: Rekenvoorbeelden recht op in kindgebonden budget en kinderbijslag in driesituaties. Bedragen afgerond op € 100.Situatie 1:Kinderen van 16en 17.Situatie 2:Kinderen van 17en 18.Situatie 3Kinderen van 18 ofouderVoorbeeld 1: alleenstaande ouder met minimumloonKinderbijslag3.3001.7000Kindgebonden budget10.3006.8000Voorbeeld 2: ouders die beide minimumloon verdienenKinderbijslag3.3001.7000Kindgebonden budget10.3006.8000Voorbeeld 3: alleenstaande ouder met bijstandKinderbijslag3.3001.7000Kindgebonden budget10.3006.8000Voorbeeld 4: ouders met bijstand3.3001.70006.9003.4000 Mensen met een inkomen rond het sociaal minimum kunnen aanspraakmaken op gemeentelijke minimaregelingen, zoals kindpakketten. Dezeaanspraak kan komen te vervallen op het moment dat een kind 18 jaarwordt. Hier is echter geen eenduidig beeld van, omdat het aanbod en devoorwaarden van deze regelingen per gemeente kunnen verschillen.Bijverdiensten van het kind kunnen gevolgen hebben voor het recht ophuurtoeslag van het huishouden. Voor kinderen jonger dan 23 jaar geldteen vrijstelling van € 5.970 in 2024.Er treden geen wijzigingen op in het inkomen van deze ouders wanneerde kinderen 21 worden. Wel vervalt dan de wettelijke onderhoudsplichtvan ouders tegenover hun kinderen. Met 27 jaar treden er wijzigingen opin de voorbeelden van ouders met een aanvulling uit de bijstand(voorbeeld 3 en 4). Wanneer kinderen 27 jaar worden, is voor dezehuishoudens relevant dat de kinderen dan meetellen als kostendelendemedebewoners voor hun huisgenoten. Dat leidt tot een lagere aanvullingvanuit de bijstand. In de WIA is geen sprake van kostendelers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8107 Vraag 192Kan de regering uiteenzetten hoeveel verschillende inkomensbronnen devolgende personen hebben wat betreft primair inkomen, toeslagen enandere inkomensondersteunende regelingen: een alleenstaande ouder inde bijstand met een of meer kinderen, een alleenstaande in de bijstand,een alleenstaande ouder die minimumloon verdient met een of meerkinderen, een alleenstaande die minimumloon verdient, een alleen-staande AOW’er, een stel met AOW, een stel in de Participatiewet met enzonder kinderen en een stel dat het minimumloon verdient met of zonderkinderen?Antwoord 192Huishoudens met een inkomen op of rond het sociaal minimum kunnenmogelijk aanspraak maken op gemeentelijke minimaregelingen, zoals debijzondere bijstand, kindpakketten, de individuele inkomenstoeslag, of eenvergoeding voor de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang voormensen in een traject naar werk. Hier is echter geen eenduidig beeld van,omdat het aanbod en de voorwaarden van deze regelingen per gemeenteverschillen.Tabel: Inkomensbronnen van huishoudens met een aanvulling vanuit de bijstand.Alleen-staande metbijstandAlleen-staandeouder metbijstandPaar metbijstand,zonderkinderenPaar metbijstand, metkinderenVoornaamste inkomens-bronLoonMogelijkMogelijkMogelijkMogelijkBijstandsaanvullingJaJaJaJaAOWToeslagenZorgtoeslagJaJaJaJaHuurtoeslagMogelijkMogelijkMogelijkMogelijkKindgebonden budgetJaJaKinderopvangtoeslagMogelijkMogelijkOverige regelingenKinderbijslagJaJaLokale regelingenMogelijkMogelijkMogelijkMogelijk Tabel: Inkomensbronnen van huishoudens die het minimumloon verdienen. Bij parenis verondersteld dat zij beiden het minimumloon verdienen.Alleen-staande metWMLAlleen-staandeouder metWMLPaar metWML, zonderkinderenPaar met WML,met kinderenVoornaamste inkomens-bronLoonJaJaJaJaBijstandsaanvullingAOWToeslagenZorgtoeslagJaJaHuurtoeslagMogelijkMogelijkKindgebonden budgetJaJaKinderopvangtoeslagMogelijkMogelijkOverige regelingenKinderbijslagJaJaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8108 Alleen-staande metWMLAlleen-staandeouder metWMLPaar metWML, zonderkinderenPaar met WML,met kinderenLokale regelingenMogelijkMogelijk Tabel: Inkomensbronnen van huishoudens met een AOW zonder aanvullend pensioen.Alleen-staande metAOW (zonderaanvullendpensioen)Paar met AOW(zonderaanvullendpensioen)Voornaamste inkomensbronLoonBijstandsaanvullingAOWJaJaToeslagenZorgtoeslagJaJaHuurtoeslagMogelijkMogelijkKindgebonden budgetKinderopvangtoeslagOverige regelingenKinderbijslagLokale regelingenMogelijkMogelijk Vraag 193Kan de regering met berekeningen uiteenzetten wat de duurverkortingWW betekent voor verschillende soorten huishoudens met verschillendevermogens wanneer zij in de WW belanden?Antwoord 193Op dit moment is de Minister van SZW nog bezig met de uitwerking vande WW-maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord, waarbij een duurverkortingals één van de opties is genoemd.Voor het recht op, en de hoogte van, de WW-uitkering maakt (de omvangvan) het vermogen van een huishouden niet uit. Vermogen is namelijkniet van invloed op de WW-uitkering.Duurverkorting van de WW heeft bovendien alleen gevolgen voor deWW-gerechtigden die een dusdanig arbeidsverleden hebben opgebouwdwaarmee zij recht zouden hebben op een langer WW-recht dan de nieuwemaximale duur. Dit zijn mensen die een langer arbeidsverleden hebben; inde regel zijn dat ook mensen die grotere vermogens hebben. Voor degroep die ten gevolge van een duurverkorting korter WW heeft en daarnain de bijstand terechtkomt, speelt het vermogen wel een rol omdat daarwel een vermogenstoets geldt. Als hun vermogen boven de vermogens-grens uitkomt, zou een duurverkorting van de WW ertoe leiden dat dezeeerder op eigen middelen aangewezen zijn dan zonder een duurver-korting.Het CPB heeft in 2023 voor aantal beleidsvarianten van WW-aanpassingenhet effect op de financiële schokbestendigheid van huishoudens in kaartgebracht (bron: CPB Stresstest varianten WW). Het beschikbare vermogenis volgens het CPB wel bepalend voor de mate waarin een huishoudeneen levensgebeurtenis zoals het verliezen van werk kan opvangen. Hetrapport laat zien dat een variant met inkorting van de WW-duur totmaximaal 12 maanden ervoor zorgt dat 18,4% van de huishoudensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8109 minder dan 2 jaar de vaste en noodzakelijke lasten kan blijven betalentotdat de financiële reserves zijn uitgeput. In het huidig beleid ligt ditpercentage op 12,3% als er een transitievergoeding wordt ontvangen en14,6% als dit niet het geval is.Vraag 194Van welke inkomensondersteunende regelingen zijn respectievelijkjongeren (bijvoorbeeld tot 27 jaar) of studenten uitgezonderd?Antwoord 194Personen maken in principe vanaf 18 jaar aanspraak op inkomensonder-steunende regelingen.Jongeren onder de 27 jaar hebben geen recht op algemene bijstandindien ze nog regulier onderwijs kunnen volgen.Voor studenten geldt dan ook dat ze in principe geen recht hebben op eenbijstandsuitkering, omdat zij aanspraak maken op studiefinanciering.Jongeren tot 27 jaar zijn uitgesloten van de premie arbeidsinschakeling enhebben geen recht op de vrijlating van inkomsten uit arbeid in deParticipatiewet. Het wetsvoorstel Participatiewet in Balans stelt voor datjongeren tot 27 jaar niet langer worden uitgesloten van de inkomstenvrij-lating uit arbeid.Voor gemeentelijke regelingen kan het aanbod en de voorwaarden pergemeente verschillen.Vraag 195Hoe vaak heeft een werkplekinspectie van de NLA geleid tot een intake enaangifte van een mogelijk slachtoffer van arbeidsuitbuiting? In hoeveelvan de intakes ging het om werknemers die werken in privé huishoudens?Antwoord 195Deze vraag is niet te beantwoorden omdat dit niet exact centraal wordtgeregistreerd. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 20.Vraag 196Voor welke inkomensondersteunende regelingen gelden extra eisen ofregels voor respectievelijk jongeren (bijvoorbeeld onder de 27 jaar) ofstudenten?Antwoord 196Een jongere kan vanaf de leeftijd van 18 jaar zelfstandig recht hebben opeen algemene bijstandsuitkering vanuit de Participatiewet. Voor thuis- enuitwonende jongeren van 18 tot 21 jaar geldt een lagere algemenebijstandsnorm, omdat tot 21 jaar sprake is van de wettelijke onderhouds-plicht van ouders jegens hun kinderen. Indien ouders niet in staat zijn ombij te springen, of niet in beeld zijn, dan moeten gemeenten op basis vanmaatwerk de jongerennorm aanvullen met bijzondere bijstand voorlevensonderhoud. Het wetsvoorstel Participatiewet in Balans harmoni-seert de aanvulling op de jongerennorm. Gemeenten kunnen aanvullend€ 634 netto per maand (bedrag 2023) aan jongeren bijstand verlenenwanneer ze redelijkerwijs geen steun van hun ouders krijgen. Wanneerblijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedragverhogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8110 Daarnaast geldt in de Participatiewet een zoektermijn van vier weken voorjongeren tot 27 jaar. In deze periode moet de jongere op zoek naar eenopleiding of werk, voordat de bijstandsaanvraag in behandeling wordtgenomen. Het wetsvoorstel Participatiewet in Balans stelt voor om eenmogelijkheid voor gemeenten te creëren om in individuele gevallen devierwekenzoektermijn voor jongeren niet toe te passen (Kamerstukken II,2023/24, 36 582, nr. 2 en 3).In de huurtoeslag geldt voor personen jonger dan 23 jaar een lageremaximumhuurgrens om in aanmerking te kunnen komen voorhuurtoeslag. In 2024 is dat € 454,47 per maand. Indien het wetsvoorstelVereenvoudiging van de huurtoeslag wordt aangenomen, wordt dezejongerenleeftijdsgrens verlaagd naar 21 jaar. Daarnaast wordt inkomenvan kinderen onder de 23 jaar dat blijft onder de grens van € 5.970 nietmeegenomen in het toetsingsinkomen dat gebruikt wordt voor hetbepalen van de huurtoeslag van de ouder. Ten slotte verliezen burgershun huurtoeslag als zij samenwonen met een meerderjarige die geenrechtmatig verblijf houdt in Nederland. Bij samenwonen met eenminderjarige zonder geldige verblijfstitel treedt dit gevolg niet op. Voor dehuurtoeslag kunnen ouders van een kind met verzorgingsbehoefte dat de18-jarige leeftijd heeft bereikt onder voorwaarden beroep doen op eenuitzondering voor verzorgingssituatie.Toeslagenbreed geldt dat jongeren onder de leeftijd van 18 jaar niet alstoeslagpartner worden aangemerkt op grond van het criterium voorsamengestelde gezinnen (twee volwassenen wonen samen met een kindvan één van hen). In die situaties worden minderjarigen niet meege-nomen bij het bepalen van het recht op of de hoogte van de toeslag vande aanvrager. Daarnaast kunnen jongeren onder de 27 jaar nooittoeslagpartner worden van hun (alleenstaande) ouder. In de Fiscaleverzamelwet 2025 wordt voorgesteld om deze leeftijdsgrens te latenvervallen, waardoor dit voor alle kinderen, ook boven de 27 jaar, geldt.Vraag 197Komen respectievelijk jongeren en studenten in aanmerking voor hetenergiefonds?Antwoord 197Het is op dit moment nog niet mogelijk om deze vraag te beantwoorden.Voor zowel 2025 als 2026 heeft het kabinet € 60 miljoen gereserveerd omeen energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hunenergierekening niet kunnen betalen en om ervoor te zorgen dat zijkunnen meekomen in de energietransitie. Op dit moment is het kabinetnog met diverse partijen, zoals een aantal energieleveranciers, woningcor-poraties, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties, in gesprekover hoe dit vorm kan krijgen. Zodra er meer duidelijkheid is over eenmogelijke inrichting van een energiefonds wordt uw Kamer hierovergeïnformeerd.Vraag 198Wie zijn de groepen die onder de armoedegrens leven, zoals doorCentraal Planbureau (CPB) berekend?Antwoord 198Het CBS, Nibud en SCP laten in hun nieuwe armoedecijfer de volgendeuitsplitsing van groepen zien. De linkerkolom toont het aantal personen inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8111 deze groep dat onder de armoedegrens, de rechterkolom toont hoeveelprocent van deze groep onder de armoedegrens valt.De verwachting is dat het CPB in het tweede kwartaal van 2025 de nieuwearmoederamingen op basis van de nieuwe armoede definitie zalpubliceren.KenmerkCategorie2023 (x1.000personen)2023 (%)TotaalTotaal537,83,1Samenstelling huishoudenEenpersoonshuishouden197,16,2Samenstelling huishoudenEenoudergezin99,26,8Samenstelling huishoudenPaar, zonder kind61,91,4Samenstelling huishoudenPaar, met kind(eren)157,82,1Samenstelling huishoudenMeerpersoonshuishouden,overig21,83,7Voornaamste inkomensbronhuishoudenInkomen uit werk240,61,9Voornaamste inkomensbronhuishoudenUitkering arbeidsongeschikt-heid45,59,4Voornaamste inkomensbronhuishoudenUitkering pensioen52,51,5Voornaamste inkomensbronhuishoudenUitkering bijstand125,424,6Voornaamste inkomensbronhuishoudenOverdrachtsinkomen, overig73,724,3Bron: CBS, Armoede in Nederland 2018–2023, Tabel 1 Vraag 199Hoeveel meer of minder middelen zouden gereserveerd moeten wordenvoor de Participatiewet als jongeren onder de 27 niet uitgezonderd zoudenworden van bepaalde versoepelingen?Antwoord 199In de Participatiewet gelden gedeeltelijk andere regels voor jongerenonder de 27 jaar. Met het wetsvoorstel Participatiewet in balans wordt eendeel van deze verschillen weggenomen. Zo wordt de vrijlating vanarbeidsinkomsten ook opengesteld voor jongeren onder de 27 jaar. Eenvan de verschillen tussen bijstandsgerechtigden onder en boven de 27jaar is de 4-wekenzoektermijn. Het kost naar verwachting circa € 40miljoen per jaar om de zoektermijn af te schaffen. Andere verschillen zijndat jongeren onder de 27 jaar niet in aanmerking komen voor een premietot arbeidsinschakeling en vrijlating van een vrijwilligersvergoeding en dejonggehandicaptenkorting. Er is geen inschatting beschikbaar van debudgettaire gevolgen indien dit zou worden versoepeld.Vraag 200Hoeveel is de koopkracht sinds kabinet-Rutte I in totaal gestegenuitgesplitst naar werkenden, mensen met een uitkering en gepensio-neerden?Antwoord 200In onderstaande grafiek wordt de koopkrachtontwikkeling voor personenmet uitsplitsing in werkenden (werknemers en zelfstandigen), gepensio-neerden en mensen met een uitkering (bijstandsuitkering of andereuitkering uit sociale voorziening, zoals voor oudere werklozen of jongge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8112 handicapten) vanaf 2012 getoond. Deze data zijn ontleend aan het CBS.Het CBS heeft geen data voor 2012. Het gaat hier om koopkrachtcijfers,waarbij zaken als promoties zijn meegenomen. Het CPB presenteert inramingen daarentegen statische koopkrachtontwikkelingen voorhuishoudens. Hierbij wordt gerekend met contractloonstijgingen enomvat dus geen loonstijgingen door bijvoorbeeld promoties. Tenslottezijn onderstaande cijfers mediane koopkrachtcijfers en kunnen dus nietopgeteld worden. Vraag 201Wordt de inkomensgrens voor een beroep op het energiefonds landelijk ofgemeentelijk vastgesteld? Op welk percentage zal zit zijn?Antwoord 201Het is op dit moment nog niet mogelijk om deze vraag te beantwoorden.Voor zowel 2025 als 2026 heeft het kabinet € 60 miljoen gereserveerd omeen energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hunenergierekening niet kunnen betalen en om ervoor te zorgen dat zijkunnen meekomen in de energietransitie. Op dit moment is het kabinetnog met diverse partijen, zoals een aantal energieleveranciers, woningcor-poraties, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties, in gesprekover hoe dit vorm kan krijgen. Zodra er meer duidelijkheid is over eenmogelijke inrichting van een energiefonds wordt uw Kamer hierovergeïnformeerd.Vraag 202Is in de aanpak die de regering wil nemen richting het (kinder-)armoedecijfer niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024 ookgedacht aan het verschaffen van hulpmiddelen die kinderen nodig hebbenin het dagelijks leven, zoals fietsen, schriften en een fatsoenlijke kamer?Bron: CBS Statline. 2023 is een voorlopig cijfer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8113 Antwoord 202Ja, hier heeft het kabinet aandacht voor. Het kabinet wil dat ieder kind ineen gezin met een laag inkomen kan meedoen met leeftijdsgenoten enzich kansrijk kan ontwikkelen. Gemeenten en de fondsen verenigd binnenSAM& krijgen diverse structurele middelen om kinderen te ondersteunen,onder andere middels materiële voorzieningen.In de huidige kinderarmoede cijfers is deze inzet overigens niet zichtbaar.De huidige (kinder)armoedecijfers kijken vooral naar een financieel tekortbinnen het gezin. Dat is belangrijk, maar armoede is meer dan alleen eentekort aan financiële welvaart. Het is ook belangrijk in beeld te hebben watopgroeien in armoede allemaal behelst en wat de brede en hardnekkigegevolgen ervan zijn. We gaan daarom aan de slag met de ontwikkelingvan een multidimensionale doelstelling en indicatoren op verschillendedomeinen.Vraag 203Wat is de reden voor de toename van het aantal aanvragen bij hulporgani-saties zoals Nationaal Fonds Kinderhulp?Antwoord 203Het Nationaal Fonds Kinderhulp maakt onderdeel uit van het samenwer-kingsverband Sam& voor alle kinderen, de alliantie die kinderarmoede inNederland terug wil dringen. Steeds meer ouders hebben te weinig geldvoor benodigdheden voor hun kind. Gezinnen met een krap budgetkloppen steeds vaker aan bij dergelijke organisaties. Het geldt voor allelidorganisaties dat ze het aantal aanvragen hebben zien toenemen in deafgelopen twee jaar. Kinderhulp heeft bijvoorbeeld 15% meer aanvragenbinnengekregen. De groei in aanvragen zit met name in informeleaanvragers, zoals lokale stichtingen en vrijwilligersorganisaties.De aanpak van armoede staat hoog op de agenda van het kabinet, zoalsblijkt uit het regeerprogramma. Zo worden er maatregelen genomen omte voorkomen dat armoede toeneemt, zoals de verhoging van hetkindgebonden budget. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gekozen om deschoolmaaltijden structureel te maken. Ook heeft het kabinet oog voorspecifieke groepen, zoals werkende armen en kinderen in armoede.Kinderhulp is onderdeel van Sam&, een samenwerkingsverband vanLeergeld Nederland, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Nationaal FondsKinderhulp, Stichting Jarige Job en Jeugdeducatiefonds. Zij ondersteunengezinnen met geldzorgen op gebied van onderwijs, sport en cultuur,kleding en vrije tijd. SZW ondersteunt de Sam& partijen met een subsidie.Vraag 204Kunt u bevestigen dat gezien het feit dat de eerste tranche van hettransformatiebudget pas in 2025 wordt uitgekeerd, het betekent dat erfeitelijk nog geen Specifieke uitkering (SPUK) is? Kunt u dit toelichten?Antwoord 204In lijn met het voornemen in het hoofdlijnenakkoord om specifiekeuitkeringen (SPUK’s) te verminderen, is besloten het transformatiebudgetuit te keren aan gemeenten door middel van een decentralisatie-uitkering(DU) in plaats van via een SPUK. Hiermee gaat conform het hoofdlijnenak-koord een korting van 10% gepaard. Het transformatiebudget is bedoeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8114 als impuls voor (samenwerkende) gemeenten en sociaal ontwikkelbe-drijven om (nog) meer werk te maken van een gezamenlijke toekomstvisieop de sociale infrastructuur en de benodigde transitie en transformatie. Eris geen effect te verwachten van de korting op de huidige arbeidsmarkt-krapte, want de middelen voor het transformatiebudget zijn niet gerichtop het tegengaan van de arbeidsmarktkrapte.Vraag 205Welke afweging ligt ten grondslag aan de overweging om voor allebedrijven met minder dan 25 werknemers de compensatie voor detransitievergoeding af te schaffen?Antwoord 205Het kabinet overweegt niet om voor alle bedrijven met minder dan 25werknemers de compensatie voor de transitievergoeding af te schaffen.Het kabinet is wel voornemens om de compensatiemogelijkheid voor allebedrijven met 25 werknemers of meer af te schaffen. De Minister van SZWgaat ervan uit dat deze vraag van toepassing is op dat voornemen enbeantwoordt de vraag dan ook vanuit die aanname.Begroot is dat met deze maatregel structureel ongeveer € 380 miljoenwordt bespaard op jaarbasis. Daarmee draagt deze maatregel bij aanhoudbare overheidsfinanciën.Het beperken van de compensatiemogelijkheid tot werkgevers metminder dan 25 werknemers wordt als passend gezien omdat vanwerkgevers met 25 of meer werknemers verwacht kan worden dat zefinancieel draagkrachtig genoeg geacht mogen worden om de transitie-vergoeding bij ontslag te betalen zonder dat daar een compensatietegenover staat. Het betalen van de transitievergoeding na ontslagwegens langdurige arbeidsongeschiktheid kan een relatief grotekostenpost zijn voor kleinere werkgevers. Omdat kleine werkgeversdoorgaans financieel minder draagkrachtig zijn, wil het kabinet bedrijvenmet minder dan 25 werknemers blijven ondersteunen met compensatievoor de transitievergoeding.Vraag 206Kunt u de gevolgen in kaart brengen van de afschaffing van de compensa-tieregeling voor de sociaal ontwikkelbedrijven en de doelgroep die hier indienst is?Antwoord 206We zijn in gesprek met Cedris en de VNG om een scherper beeld te krijgenvan de (financiële) gevolgen voor sociaal ontwikkelbedrijven metbetrekking tot het beperken van de compensatie van de transitiever-goeding. Momenteel is er nog geen volledig beeld van de gevolgen.Vraag 207Kunt u inzicht bieden in de bedragen die sociaal ontwikkelbedrijven deafgelopen jaren aan transitievergoedingen hebben uitgegeven?Antwoord 207Zie antwoord 206.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8115 Vraag 208Welke wijzigingen ten opzichte van eerdere begrotingen dragen bij aanhet meer transparant maken van de begroting?Antwoord 208De SZW begroting 2025 is in opzet gelijk aan de SZW begroting 2024 envormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften. Zowel in debegroting als het jaarverslag wordt in de leeswijzer onder het kopje«Groeiparagraaf» indien van toepassing aangegeven wat de belangrijksteverbeteringen en wijzigingen zijn ten opzichte van het vorige jaar. In debegroting 2025 ging het alleen om de overgang van inburgeringsactivi-teiten van de begroting van SZW naar de begroting van Justitie enVeiligheid.Vraag 209Welke specifieke maatregelen neemt de regering ten behoeve van dewerkende armen?Antwoord 209Wie weinig inkomen heeft uit werk, heeft in veel gevallen recht opinkomensondersteunende regelingen. Om armoede onder werkenden tevoorkomen is het belangrijk dat mensen gebruik maken van dieinkomensondersteunende regelingen waar zij recht op hebben. Daaromzet het kabinet in op het terugdringen van niet-gebruik van dezeregelingen. Bijvoorbeeld door vereenvoudiging van het stelsel vaninkomensondersteuning en met het wetsvoorstel proactieve dienstver-lening. In de voortgangsbrief over het armoede- en schuldenbeleid, die indecember aan uw Kamer gezonden zal worden, komt de StaatssecretarisParticipatie en Integratie nader terug op beleid gericht op werkendearmen.Werkende armen werken vaak in deeltijd. Meer uren werken kan dan eenoplossing zijn. Door werken meer lonend te maken wil het kabinet meeruren werken aantrekkelijker maken. Ook zijn er tools beschikbaar die hetinzichtelijk maken hoeveel het oplevert om meer uren te werken, zoals deWerkUrenBerekenaar van het Nibud. En ook met bijvoorbeeld hetgroeifondsprogramma «Meer uren werkt!» zet het kabinet in op hetvergroten van de arbeidsduur van werkenden.Om werkenden in hun inkomen te ondersteunen komt er een extrabelastingschijf met een lager belastingtarief in de inkomstenbelasting.Ook verhoogt het kabinet de huurtoeslag en het kindgebonden budget.Daarnaast bevat het arbeidsmarktpakket maatregelen om de inkomens- enroosterzekerheid van werkenden te vergroten. De Minister van SZW isdruk bezig met de verdere uitwerking van dit arbeidsmarktpakket.Vraag 210Hoe heeft de regering het bedrag van 75 miljoen euro structureelvastgesteld voor een integraal pakket problematische schulden en welkeonderbouwing ligt hieraan ten grondslag? Kunt u, gezien het basispakketzoals benoemd in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO)Problematische Schulden uitgaat van 180 miljoen euro structureel,aangeven welke maatregelen het kabinet verwacht te nemen met debeschikbaar gestelde middelen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8116 Antwoord 210Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het IBO problematischeschulden zet het kabinet in op een samenhangend pakket aan maatre-gelen dat voortbouwt op het IBO.54 Hiervoor heeft het kabinet een pakketvan € 24 miljoen, oplopend naar € 100 miljoen waarvan € 75 miljoenstructureel, beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt er voor enkelemaatregelen aangesloten op bestaand beleid, waar al middelen voorbeschikbaar zijn. Ook zijn er maatregelen waar enkel opstartkosten vantoepassing zijn en die daarmee niet drukken op de structurele middelen.In de tabel op pagina 14 en 15 van de kabinetsreactie IBO is per maatregelinzichtelijk gemaakt of en hoeveel middelen ervoor beschikbaar zijngesteld en wat de huidige status van de maatregel is.Vraag 211Hoeveel middelen zijn gereserveerd voor uitvoering van de adviezen vanOnafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel(OCTAS)?Antwoord 211Het rapport van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsonge-schiktheidsstelsel (OCTAS) wordt momenteel uitgewerkt in beleidsopties.Op dit moment is nog niet duidelijk welke maatregelen genomen gaanworden en welk financieel beslag die hebben.Er zijn geen middelen specifiek gereserveerd voor een hervorming van deWIA. In de envelop «groepen in de knel» is een reservering opgenomenvoor een aantal beleidsonderwerpen, waaronder de uitwerking van devoorstellen OCTAS. Het bedrag van deze reservering varieert in dekomende jaren tussen de € 100 en € 200 miljoen en bedraagt vanaf 2039structureel € 412 miljoen. Deze middelen zijn niet specifiek gereserveerdvoor hervorming van de WIA.Vraag 212Hoeveel middelen zijn gereserveerd voor de vereenvoudiging van desociale zekerheid, toeslagen en de inkomstenbelasting? Verwacht deregering dat deze middelen voldoende zijn om de gehele vereenvoudi-gingsagenda door te voeren?Antwoord 212Het kabinet geeft prioriteit aan het vereenvoudigen van inkomensonder-steuning, zoals beschreven in hoofdstuk 1 van het regeerprogramma.Daarvoor kunnen bijvoorbeeld middelen uit de enveloppe Groepen in deKnel uit het hoofdlijnenakkoord worden ingezet. Conform het eindverslagvan formateur Van Zwol, zal het kabinet voorstellen met financiëleconsequenties in reactie op het advies van de commissie OCTASwelwillend bezien. Daarnaast wordt er gewerkt aan het vereenvoudigenvan inkomensondersteuning op de lange termijn. Het is nog niet bekendwat de financiële consequenties zijn van deze vereenvoudigingen.Vraag 213Wat zijn de verwachte gevolgen van de korting van 1,9 miljoen euro op despecifieke uitkering van het Nationaal Programma Leefbaarheid enVeiligheid (NPLV)?54Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 770Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8117 Antwoord 213De desbetreffende gemeentes zullen hier in 2026 nader invulling aanmoeten geven. De Staatssecretaris Participatie en Integratie verwacht datiedere gemeente hierin eigen afwegingen zal maken om de korting op tevangen.Vraag 214Wat zijn de meetbare doelen in deze begroting die bijdragen aan hetbehalen van de doelstellingen uit het hoofdlijnenakkoord?Antwoord 214Het Hoofdlijnenakkoord kent tal van doelstellingen. Niet voor al dezedoelstellingen is een concreet en meetbaar doel gesteld in deSZW-begroting. Deze beslaat immers het hele sociale zekerheidsterrein,opgesteld langs de lijnen van verschillende beleidsartikelen en niet alleende doelen van het kabinet voor deze kabinetsperiode. Dit is vaak ook lastigmogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het vereenvoudigen van de inkomenson-dersteuning of vraagstukken rond de flexibiliteit van de arbeidsmarkt, diebetreffen vaak meerdere beleidsartikelen of zelfs meerdere begrotingen.Daarnaast geldt in algemene zin dat per begrotingsartikel de algemenedoelstelling van de middelen op de SZW-begroting is aangegeven enwordt in het artikel toegelicht hoe de gekozen instrumenten en middelenhieraan bijdragen.Een voorbeeld van een meetbaar doel dat het kabinet zich heeft gesteld, ishet doel om de (kinder)armoede niet te laten toenemen gedurende dekabinetsperiode. Het kabinet vaart hierbij op het niet-veel-maar-toereikendcriterium gebaseerd op de SZW-koopkrachtraming. Om dit doel tebereiken is onder andere op het terrein van SZW het kindgebondenbudget verhoogd per 2025 en toegelicht in de begroting.Vraag 215Hoeveel huishoudens zullen naar verwachting een beroep kunnen doenop het energiefonds? Is er een maximumbedrag per huishouden?Antwoord 215Het is op dit moment nog niet mogelijk om deze vraag te beantwoorden.Voor zowel 2025 als 2026 heeft het kabinet € 60 miljoen gereserveerd omeen energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hunenergierekening niet kunnen betalen en om ervoor te zorgen dat zijkunnen meekomen in de energietransitie. Op dit moment is het kabinetnog met diverse partijen, zoals een aantal energieleveranciers, woningcor-poraties, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties, in gesprekover hoe dit vorm kan krijgen. Zodra er meer duidelijkheid is over eenmogelijke inrichting van een energiefonds wordt uw Kamer hierovergeïnformeerd.Vraag 216Kunt u aangeven hoe de armoedecijfers eruit zien per groep (tot 5 procentonder grens, 5–10 procent onder grens, 10–15 procent onder grens, 15procent of meer onder grens) wanneer de algemene heffingskorting(AHK-)korting niet wordt meegenomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8118 Antwoord 216Indien de algemene heffingskorting niet wordt verlaagd met € 335 per2025 en het afbouwpunt niet wordt verhoogd, komt de armoede onderpersonen uit op 4,2% en onder kinderen op 4,6% in 2025. De armoe-deraming bevat geen informatie over de armoede-intensiteit. Het CBSbrengt de realisaties van de armoede-intensiteit in beeld. Hierbij is het nietmogelijk om vooruit te kijken.Ondanks de verlaging van de algemene heffingskorting stijgt de bijstands-hoogte. Dit komt doordat de algemene heffingskorting vanaf een hogerinkomen gaat afbouwen. Tegenover de verlaging van de AHK staatdaarnaast een (verdere) verlaging van het belastingtarief in de nieuweeerste schijf. Door de koppeling aan het referentieminimumloon hebbenbijstandsgerechtigden van beide maatregelen voordeel. Op basis vanbeleid in de Voorjaarsnota zou de netto bijstand voor een alleenstaandeper 1 januari 2025 uitkomen op € 15.970, waar dat na de Miljoenennotanaar verwachting op € 16.145 uitkomt.Vraag 217Kunt u aangeven wat de koopkrachteffecten zijn van deze kabinetsperiodeals de hervorming van de kinderopvangtoeslag (KOT) niet doorgaat?Antwoord 217Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten in 2027 als de hervormingvan financiering van kinderopvang (KOT), in het bijzonder de overgangnaar een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding, niet door zou gaan.De tabel bevat de inkomenseffecten voor huishoudens die KOTontvangen. Het inkomenseffect is het effect van een maatregel in eenbepaald jaar op het besteedbaar inkomen van huishoudens. Hierbij isgeen rekening gehouden met de impact op het macro-economische beeld.Het inkomenseffect voor individuele huishoudens hangt in de praktijksterk af van het aantal kinderen, het aantal uur kinderopvang dat wordtafgenomen en de uurtarieven van de kinderopvangorganisatie.In 2025 worden de vergoedingspercentages KOT al verhoogd in deaanloop naar het nieuwe stelsel, om de markt de gelegenheid te gevenom geleidelijk mee te groeien met de grotere vraag naar opvang door dehoge inkomensonafhankelijke vergoeding in het nieuwe stelsel. In ditantwoord en onderstaande tabel wordt ervan uitgegaan dat deze stap nietmeer wordt teruggedraaid. De vergoedingspercentages van 2025 zijn danvan ook van toepassing op de jaren na 2025. Bij de berekening isuitgegaan van de indexatie van de maximum uurprijs zoals in deMEV-raming, inclusief het niet-indexeren van de maximum uurprijs in2026 zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord.Een van de risico’s van de hoge inkomensonafhankelijke vergoeding inhet nieuwe stelsel is tariefstijgingen door de sterk groeiende vraag. Ditkan de financiële toegankelijkheid van kinderopvang beperken. Door af tezien van de hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor kinderopvangworden de inkomenseffecten van mogelijke tariefstijgingen gemitigeerd.Omdat op voorhand niet duidelijk is wat de (mogelijke) tariefstijgingenzullen zijn, is voor de berekeningen voor onderstaande tabel aangenomendat de stelselherziening niet tot extra tariefstijgingen zal leiden. Dewerkelijke inkomenseffecten van het afzien van de overgang naar eenhoge inkomensonafhankelijke vergoeding kunnen hierdoor ook afwijken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8119 Tabel: inkomenseffect voor huishoudens met een effect van het niet doorgaan van dehervorming kinderopvangtoeslag (KOT) 2027.InkomensgroepInkomenseffect1e (<=112% WML)0,0%2e (112–177% WML)0,0%3e (177–271% WML)– 0,3%4e (271–401% WML)– 1,2%5e (>401% WML)– 2,6%Alle huishoudens met kinderopvangtoeslag– 1,0% Vraag 218Kunt u aangeven op welke manier het ingroeipad van de KOT budgettairverwerkt is en hoe dat doorloopt door de jaren?Antwoord 218Om stapsgewijs toe te groeien naar het nieuwe financieringsstelsel voorde kinderopvang was oorspronkelijk € 455 miljoen gereserveerd voor2025 en € 1.365 miljoen voor 2026. Dit is inclusief indexering naar hethuidige prijspeil.In 2025 wordt de eerste stap richting het nieuwe stelsel gezet en wordende vergoedingspercentages voor met name middeninkomens verhoogd.Omdat ouders de kinderopvangtoeslag voor de komende maand januarinog in (december) 2024 krijgen uitgekeerd, is een gedeelte (€ 34 miljoen)van de middelen voor 2025 overgeheveld naar 2024. Voor 2025 staat€ 421 miljoen op de begroting. De invulling van de middelen voor 2026wordt nog door het kabinet nader uitgewerkt. Het bedrag van € 1.365miljoen staat daarom nog steeds als zodanig op de begroting voor 2026.Als nadere invulling is gegeven aan de vergoedingspercentages voor detoeslag in 2026, zullen de middelen in het juiste kasritme wordengeplaatst. Omdat bijvoorbeeld een deel van de ouders (in reactie op eenhoger vergoedingspercentage) pas op een later moment meer kinder-opvang afneemt, zal een deel van de beschikbare middelen in latere jarenworden uitgegeven.Bedragen x € 1 miljoen202420252026Ingroeipadmiddelen KOT344211.365 Vraag 219Kunt u aangeven hoeveel minder uitgaven aan AOW er zijn dooroversterfte sinds 2021?Antwoord 219De lagere AOW-uitgaven als gevolg van oversterfte worden niet specifiekbijgehouden. Jaarlijks stelt het CBS een nieuwe kernprognose op over deontwikkeling van de bevolking in Nederland. Onder andere op basis vandeze CBS-kernprognose worden de AOW-uitkeringslasten jaarlijksbijgesteld. De bijstelling van het aantal AOW-gerechtigden die hieruitvolgt, wordt grotendeels verklaard door oversterfte.Onderstaande tabel maakt voor de jaren 2021–2023 inzichtelijk wat debijstelling is van de begrote AOW-uitkeringslasten uit de voorjaarsnota ende gerealiseerde uitgaven van het betreffende jaar als gevolg van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8120 afname van het aantal AOW-gerechtigden. Bij voorjaarsnota wordtnamelijk de CBS-prognose verwerkt. Het jaar 2024 is niet in de tabelopgenomen omdat hier nog geen realisatiecijfers zijn.Bijstelling AOW-uitkeringslasten verklaard door hetaantal AOW-gerechtigden (in € mln.)202120222023– 90– 38– 16 Vraag 220Kunt u aangeven hoeveel WIA-hersteloperaties er nu lopen en er hebbengelopen de afgelopen 15 jaar en wat het budgettaire beslag daarvan is?Antwoord 220Herstelacties kennen verschillende oorzaken. Enkele zijn veroorzaakt doorfoutief handelen door UWV, zoals onjuiste registraties of verwerking vaninformatie in systemen. Andere zijn veroorzaakt door bijvoorbeeldgerechtelijke uitspraken. Via de Stand van de Uitvoering informeren we deKamer periodiek over de herstelacties met een grote (maatschappelijke)impact. Volledigheidshalve verwijzen we naar deze brieven die deafgelopen jaren zijn verstuurd en waarin deze informatie te vinden is.Op dit moment wordt er in ieder geval door UWV gewerkt aan devolgende substantiële WIA-herstelacties:•Herstelactie inlichtingenplicht en koppeling Abonnementenservice AW.De omvang van de terug te draaien boetes bedraagt € 2,2 miljoen, deoverige budgettaire gevolgen worden momenteel in kaart gebrachtdoor UWV en de Kamer wordt nader geïnformeerd in de Stand van deuitvoering.•Arbeidsongeschiktheidspensioen (voornamelijk WAO en een kleinerdeel WIA). De budgettaire gevolgen worden momenteel in kaartgebracht door UWV en de Kamer wordt nader geïnformeerd in deStand van de uitvoering.•Indexatie daglonen. De impact van deze herstelactie wordt geschat opzo’n € 3,5 miljoen aan nabetalingen aan gemiste uitkeringen en zo’n€ 1,5 miljoen aan wettelijke rente over het na te betalen bedrag.•Loonloze tijdvakken. De budgettaire gevolgen worden momenteel inkaart gebracht door UWV. De Minister van SZW streeft ernaar deKamer begin volgend jaar meer informatie te kunnen geven over dezeherstelactie.•Onjuiste vaststelling WIA-uitkering. De omvang wordt momenteel zosnel mogelijk in kaart gebracht door UWV.Vraag 221Klopt het dat het aantal mensen in diepere armoede is toegenomen?Antwoord 221Nee, dat klopt niet. Volgens de meest recente cijfers van het CBS, SCP enNibud leven in 2023 juist meer mensen net op of rond de nieuwearmoedegrens, in plaats van ver daar onder.55 Zo vielen in 2018 nogongeveer 450.000 mensen in de categorie 15% inkomenstekort en meeronder de nieuwe armoedegrens, terwijl dat in 2023 ongeveer 280.000mensen zijn.55CBS, Nibud en SCP, De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8121 Vraag 222Op welke wijze wordt geborgd dat het sociale zekerheidsstelsel daadwer-kelijk wordt vereenvoudigd, zodat niet-gebruik van uitkeringen, toeslagenen voorzieningen wordt tegengegaan?Antwoord 222Het kabinet komt met een hervormingsagenda voor inkomensonder-steuning. Een van de uitgangspunten van deze hervormingsagenda iservoor te zorgen dat mensen krijgen waar zij recht op hebben. Daarom zethet kabinet in op toegankelijke dienstverlening via gemeenschappelijkeloketten en gegevensdeling.Daarnaast wil het kabinet een beperkt aantal voorwaarden, wetten endienstverleners. Hierdoor wordt het voor mensen overzichtelijker opwelke regelingen zij aanspraak kunnen maken. Bovendien probeert hetkabinet door het aantal inkomensafhankelijke regelingen te verminderenhet niet-gebruik te laten dalen.Ook wil het kabinet toeslaggerechtigden vier maanden langer de tijdgeven om de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget aante vragen. Bovendien zal voor het Wetsvoorstel Proactieve Dienstver-lening SZW advies aangevraagd worden bij de Raad van State. Ditwetsvoorstel maakt het mogelijk dat UWV, SVB en gemeenten mensenproactief kunnen benaderen als zij (waarschijnlijk) recht hebben op eenuitkering of voorziening. Dit wetsvoorstel is er specifiek op gericht om hetniet-gebruik van uitkeringen en voorzieningen in de sociale zekerheidterug te dringen.Vraag 223Veel Nederlanders weten niet dat zij via het begrip «loonheffing» depremie voor de AOW/Algemene nabestaandenwet en Wet langdurige zorgafdragen, is onderzocht of het zinvol is om het begrip loonheffingenduidelijker specificeren en uit te splitsen?Antwoord 223Loonheffing is de verzamelnaam voor loonbelasting en de premie voor devolksverzekeringen (AOW, Algemene Nabestaandenwet en Wetlangdurige zorg). In het verleden werden de premies voor de volksverze-keringen apart vermeld, bijvoorbeeld op de salarisstrook. Destijds isvanuit het oogpunt van eenvoud besloten om alleen het totaal van deloonheffing te vermelden. SZW heeft geen signalen ontvangen datmensen hier vragen over hebben.Vraag 224Wat doet u in de tussentijd waarin het stelsel van sociale zekerheid nogniet is vereenvoudigd, voor mensen die vastlopen in het woud aan regels?Ziet u hierbij een rol voor het Juridisch Loket weggelegd?Antwoord 224Het aanpassen van het stelsel van sociale zekerheid kan vele jaren duren.Daar moet stap voor stap naartoe worden gewerkt om zo op korte enmiddellange termijn ook al verbeteringen voor mensen te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8122 Belangrijke verbetering waartoe het kabinet heeft besloten betreft hetvervangen van de kinderopvangtoeslag door een nieuw stelsel vanfinanciering. In het nieuwe stelsel vorderen we in beginsel niet meer terugbij ouders. Het wetsvoorstel Participatiewet in Balans biedt gemeentenmeer ruimte om mensen die recht hebben op een bijstandsuitkering goedte ondersteunen. Dit maakt onderdeel uit van een brede hervormingsa-genda, die er ook op korte en middellange termijn voor moet zorgen dathet stelsel van sociale zekerheid beter en begrijpelijker wordt voormensen.Dat laat onverlet dat sommige mensen op dit moment vastlopen door destapeling van regelingen en voorwaarden. Mensen kunnen met hunvragen terecht bij de uitvoerders van de inkomensondersteunenderegelingen. Het kabinet wil samen met uitvoerders blijven kijken hoe dedienstverlening kan worden verbeterd. Daarnaast kunnen mensenbijvoorbeeld ook terecht bij het Juridisch Loket of bij sociaal raadslieden.Vraag 225Maakt het voorkomen van negatieve effecten die ontstaan bij herstelope-raties, zoals de impact op toeslagen of andere uitkeringen bij eenuitbetaling in een keer, ook deel uit van de beoogde vereenvoudiging vanhet stelsel sociale zekerheid?Antwoord 225Ja, het Programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voorMensen (VIM) werkt aan het knelpunt «keteneffecten van nabetalingen».Het programma werkt oplossingen uit voor het mitigeren van de impactop toeslagen of andere uitkeringen bij een uitbetaling in een keer.Daarnaast wordt er bekeken wat er mogelijk is om de samenwerkingtussen dienstverleners te verbeteren om de lasten bij burgers teverminderen.Vraag 226Ziet u de eerstelijns rechtshulp van het Juridisch Loket als een manier ommensen weer op weg te helpen waardoor zij weer grip op hun levenkrijgen?Antwoord 226Ja. Burgers kunnen terecht bij het Juridisch Loket voor rechtshulp op ruim50 plekken verspreid door het land. Ook is er een website waar veelalgemene informatie te vinden is en een gratis telefoonnummer. HetJuridisch Loket versterkt de samenwerking met onder andere het sociaaldomein. Juridische problemen gaan immers vaak samen met andereproblematiek en dan is een enkele juridische oplossing niet voldoende ommensen weer grip op hun leven te krijgen. En uiteraard zijn er veel meerplekken waar mensen kunnen aankloppen, zoals wijkteams, maatschap-pelijk werk en sociaal raadslieden.Vraag 227Wordt de hervormingsagenda voor vereenvoudiging van de socialezekerheid ook gepubliceerd in een versie met eenvoudige taal, zoals«Steffie helpt je verder!», zodat mensen met een verstandelijke beperkingdit kunnen begrijpen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8123 Antwoord 227Het kabinet wil bij het opstellen van de hervormingsagenda de mensenom wie het gaat zoveel mogelijk betrekken. Daarom is het van belang dathet in begrijpelijke taal wordt opgeschreven.Het doel van de hervormingsagenda is dat het stelsel beter voor mensengaat werken. Daarom hecht het kabinet er waarde aan dat voor iedereenbegrijpelijk is wat er gaat veranderen. Het kabinet vindt het dan ook eengoede suggestie dat de hervormingsagenda in eenvoudige taal wordtgepubliceerd en zal dat dan ook doen.Vraag 228Ziet de regering een rol weggelegd voor het Juridisch Loket in devereenvoudiging van het sociale zekerheidsstelsel, zodat Nederlandersbegrijpen welke rechten op uitkeringen, aanvullingen, toeslagen enandere regelingen ze hebben om hen zekerheid te bieden?Antwoord 228Het Juridisch Loket voorziet via hun website in algemene informatie overrechten en plichten rond het onderwerp «werk en inkomen». Daarnaasthelpen medewerkers van het Juridisch Loket, maar bijvoorbeeld ooksociaal raadslieden, rechtzoekenden met vragen over het socialezeker-heidsstelsel. Vanuit hun uitvoeringspraktijk vervullen het Juridisch Loketen de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden een signalerende rol.Het is zeer waardevol dat signalen vanuit de praktijk worden benut om (deuitvoering van) wet- en regelgeving te verbeteren. Daarnaast zet hetkabinet in op de vereenvoudiging van wet- en regelgeving in hetsocialezekerheidsstelsel wat zal leiden tot meer zekerheid voor mensen.Vraag 229Constaterende dat het UWV onderzoekt bij hoeveel mensen er iets mis isgegaan bij de berekening van de WIA-uitkering, als blijkt dat iemand teweinig heeft ontvangen en het UWV betaalt dat verschil in een keer uit,kunnen er allerlei vervolgproblemen ontstaan met andere uitkeringen oftoeslagen, maakt het voorkomen van dit soort negatieve effecten dieontstaan bij hersteloperaties ook deel uit van de beoogde vereenvou-diging van het stelsel sociale zekerheid?Antwoord 229Ja, het Programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voorMensen (VIM) werkt aan het knelpunt «keteneffecten van nabetalingen».Het programma werkt oplossingen uit voor het mitigeren van negatieveeffecten die ontstaan bij onder meer hersteloperaties. Daarnaast wordt erbekeken wat er mogelijk is om de samenwerking tussen dienstverleners teverbeteren om de lasten bij burgers te verminderen.Vraag 230Wat is de stand van zaken van de maatregel «praktisch beoordelen» dieop 1 juli 2024 is ingegaan?Antwoord 230De maatregel «Praktisch Beoordelen» is op 1 juli 2024 ingegaan. In deeerste drie maanden zijn er in totaal 1097 aanvragen conform deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8124 maatregel beoordeeld. In 2025 verwachten UWV en de Minister van SZWhet effect van de maatregel Praktisch beoordelen terug te gaan zien. Dekomende periode verwacht de Minister van SZW hier meer inzicht in tekrijgen.Vraag 231Kan een overzicht gegeven worden van de lastige knelpunten in desamenloop tussen sociale zekerheidsregelingen, toeslagen enbelastingen?Antwoord 231In de brief van 8 december 202356 aan de Tweede Kamer zijn knelpuntenbenoemd die zien op de samenloop van regelingen. Het programmaVereenvoudiging inkomensondersteuning voor mensen (VIM) is daarmeeaan de slag om doorbraken te creëren:•Door een nabetaling kunnen keteneffecten ontstaan op inkomensaf-hankelijke regelingen;•Bruto/netto problematiek bij terugvorderingen van uitkeringen over dejaargrens heen;•Terugvordering van inkomensondersteuning, zoals toeslagen, als menhalverwege het kalenderjaar meer of vanuit de uitkering gaat werken;•Stapeling van regelingen om tot sociaal minimum te komen;•Doorwerking draagkrachtverhogende uitkering en meerkosten mensenmet een beperking;•Knelpunten bij de vrijwilligersvergoeding.Een ander knelpunt waar uw Kamer meermaals aandacht voor heeftgevraagd betreft de alleenverdienersproblematiek. Dit betreft een groepalleenverdienende huishoudens die door een samenloop van socialezekerheid, toeslagen en fiscaliteit een lager besteedbaar inkomen heeftdan een vergelijkbaar huishouden in de bijstand. Bij brief van27 september 2024 is uw Kamer over de voortgang van de aanpakgeïnformeerd.Vraag 232Hoeveel middelen vergt het om binnen het tweede spoor van deParticipatieweg expliciet op te nemen dat mensen met een beperking doorhun gemeente actief worden ondersteund om te participeren in desamenleving als betaald werk voor hen nog niet mogelijk is?Antwoord 232Gemeenten hebben de taak om mensen te ondersteunen bij hunre-integratie. Maatschappelijke participatie indien betaald werk nog geenmogelijkheid is, kan daar een invulling van zijn. Indien er in de Participa-tiewet een verplichting zou worden opgenomen om ondersteuning tebieden aan alle mensen met een beperking als betaald werk voor hen nogniet mogelijk is, heeft dat budgettaire gevolgen. De omvang vanbenodigde middelen hangt af van de aard en omvang van de doelgroepen de intensiteit van de ondersteuning. Er zijn geen landelijke cijfershoeveel mensen onder de Participatiewet vallen met een beperking voorwie betaald werk nog geen optie is. Er kan daarom geen inschattingworden gegeven van de budgettaire gevolgen.56Kamerstukken II 2023/24, 29 362, nr. 347.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8125 Vraag 233In hoeverre wordt er bij nieuw beleid gebruik gemaakt van de ervaringenvan het juridisch loket, dat jaarlijks meer dan 700.000 contacten heeft metmensen die juridische vragen en problemen hebben, waarvan een deelgaat over uitkeringen en inkomensregelingen?Antwoord 233Het kabinet neemt alle signalen uit de samenleving en van organisatiesserieus. Dit geldt dus ook voor signalen vanuit het Juridisch Loket overuitkeringen en inkomensregelingen. Onder andere vanuit het programmaVereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM) hebben erook gesprekken plaatsgevonden met het Juridisch Loket. De signalen overknelpunten waar mensen tegenaan lopen, worden meegenomen bij hetvormgeven van nieuw beleid.Vraag 234Bent u voornemens de ervaringen van het Juridisch Loket, dat jaarlijksmeer dan 700.000 contacten heeft met mensen die juridische vragen enproblemen hebben, waarvan een deel gaat over uitkeringen en inkomens-regelingen, te betrekken bij het uitwerken van het wetsvoorstelhandhaving sociale zekerheid?Antwoord 234Het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid is in het najaar van 2023voor internetconsultatie uitgezet. Hierop hebben een groot aantal partijengereageerd, waaronder organisaties die zich toeleggen op rechtsbe-scherming in de sociale zekerheid. Zo hebben bijvoorbeeld de Landelijkeorganisatie sociaal raadslieden en personen die in het veld werkzaam zijninput gegeven. Deze input is expliciet betrokken bij de uitwerking van hetwetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. Er is niet afzonderlijkafstemming gezocht met het Juridisch Loket.Vraag 235Hoe wordt het handhavingsinstrumentarium uitgebreid? En in hoeverrekomt er tegelijkertijd meer maatwerk op het gebied van sociale zekerheid?Antwoord 235Bij brief van 24 september 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 17 050, nr. 609)bent u geïnformeerd over de voortgang van de herijking van het handha-vingsinstrumentarium. Het voorstel is om het handhavingsinstrumen-tarium breder inzetbaar te maken voor de uitvoering. Zo komt er eenmogelijkheid om af te zien van sanctioneren en wordt de bevoegdheid omte waarschuwen uitgebreid. Daarnaast blijft de mogelijkheid om eenbestuurlijke boete respectievelijk maatregel op te leggen bestaan en blijftde optie om gevallen over te dragen naar het strafrecht.Met het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid wordt meer ruimtegecreëerd voor bestuursorganen om maatwerk toe te passen. Alshierboven beschreven krijgen bestuursorganen ruimte om verschillendehandhavingsinstrumenten af te wegen om passend te kunnen reagerenop een individuele casus. Daarnaast wordt er, in het kader vanhandhaving, meer ruimte voor maatwerk voorzien op het onderwerpterugvorderingen. Daar is het voorstel om de factor «fout van hetbestuursorgaan» een expliciete plaats te geven in het wettelijk kader.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8126 Daarnaast wordt een voorstel uitgewerkt om de burger beter tebeschermen tegen traag handelen van bestuursorganen.Verder is er in de praktijk op basis van de huidig beschikbare bepalingenmeer ruimte voor maatwerk gevonden, bijvoorbeeld in de toepassing vande uitzonderingsbepaling «dringende redenen». Ruimte die hierin bestaat,wordt niet nader ingekaderd met het wetsvoorstel.Vraag 236Op welke manier wordt de preventieve aanpak op het verkleinen van dekans dat mensen een foutje maken concreet versterkt?Antwoord 236De preventieve aanpak in handhaving is een gezamenlijke uitdaging voorons departement en de uitvoeringsorganisaties UWV en de SVB, maarook gemeenten. Een voorbeeld om de preventieve aanpak concreet teversterken is een doorontwikkeling van het instrument leerdialoog. In eenleerdialoog wordt een casus geëvalueerd met alle betrokken partijen, metals doel toekomstige regelovertreding te voorkomen door te leren vancasussen in het verleden. SZW gaat een (praktisch) onderzoek uitvoerenmet als doel om het instrument verder te ontwikkelen, door hiermee bijgemeenten te experimenteren. Het instrument wordt vervolgensgeëvalueerd, doorontwikkeld en beschikbaar gesteld aan SZW engemeenten. Een ander voorbeeld om de preventieve aanpak te versterkenis het gezamenlijk opzetten van Werkcentra door UWV en gemeenten. Hierkunnen werkenden, werkzoekenden en werkgevers (zonder afspraak)terecht om ondersteuning te krijgen, ongeacht de hulpvraag of uitkeringdie iemand heeft. Ook de SVB bemant door het hele land fysiekegemeenteloketten. De SVB verkent of het aantal gemeentelokettenuitgebreid kan worden.Vraag 237Vanaf 2026 wil u in geval van ten onrechte ontvangen uitkering alleen hetnettobedrag terugvorderen, wat zijn de financiële consequenties hiervanvoor de begroting van het Ministerie van SZW en heeft dit ook effect opandere begrotingen?Antwoord 237De financiële consequenties voor de begroting van SZW bedragen vanaf2026 € 31 miljoen (dat is inclusief € 2 miljoen uitvoeringskosten) per jaar.Als gevolg van het netto terugvorderen zal er minder belasting terugge-vraagd worden bij de Belastingdienst.Vraag 238Hoeveel procent is een huishouden van het inkomen kwijt aan vastelasten?Antwoord 238Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om een enkel percentage tekunnen noemen. Bestedingen van huishoudens worden, anders daninkomensbronnen, niet direct waargenomen. Wat onder vaste lasten valtverschilt bovendien per huishouden. Dit zijn woonlasten en uitgaven aanenergie en water, maar ook uitgaven aan verzekeringen, lokale lasten ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8127 abonnementen. Dit totaal is niet beschikbaar per huishouden als aandeelvan het inkomen.CBS heeft wel gegevens over bestedingen aan wonen en energie alsaandeel van het inkomen. De woonquote is het percentage van hethuishoudinkomen dat besteed wordt aan de totale woonlasten. Hetinkomensbegrip dat hier wordt gehanteerd is het betaalbudget. Dit is hetnetto inkomen uit arbeid, kapitaal en uitkeringen, na aftrek van belas-tingen en premies. Anders dan in het inkomensbegrip besteedbaarinkomen, dat gebruikelijk is in de berekening van koopkracht, wordentoeslagen en bijbehorende uitgaven niet verrekend. De woonquote was in2022 22,3%. Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 11-10-2024.De gemiddelde energiequote was in 2023 5,2%. De energiequote is hetaandeel van het betaalbudget dat wordt gebruikt voor het betalen vanenergiekosten (elektriciteit en gas). Bron: CBS, TNO (2024), Energiear-moede in Nederland 2019 – 2023.Daarnaast zijn de resultaten van het Budgetonderzoek van CBSbeschikbaar. Het CBS onderzoekt periodiek de bestedingen vanhuishoudens. Onderstaande tabel bevat de gemiddelde aandelen vanbestedingscategorieën binnen de totale bestedingen van particulierehuishoudens in 2020. Het volgende budgetonderzoek zal naar verwachtingin 2026 worden uitgevoerd. De categorie «huisvesting, water en energie»heeft een gemiddeld aandeel van 32,9% van de totale bestedingen vaneen huishouden.Tabel: Aandelen van bestedingen volgens het CBS Budgetonderzoek, 2020BestedingscategorieënAandeel in %Alle bestedingen100Voedingsmidd. en alc.vrije drank12,7Alcoholhoudende dranken en tabak3,5Kleding en schoenen4Huisvesting, water en energie32,9Stoffering en huish. apparaten.6,5Gezondheid1,6Vervoer11,2Communicatie3,5Recreatie en cultuur8,6Onderwijs1,2Restaurants en hotels4,7Diverse goederen en diensten7,6Consumptiegebonden belastingen1,7Goede doelen0,4Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 11-10-2024 Vraag 239Tot welk inkomen rekent u huishoudens tot de middenklasse?Antwoord 239Er bestaat geen vaste definitie voor de term middenklasse. In de praktijkkan de middenklasse een breed inkomensinterval beslaan.Vraag 240Bent u voornemens de kennis van het Juridisch Loket te betrekken bij devoorgenomen wetsvoorstellen over de hervorming van de arbeidsmarkten de zekerheid van flexwerkers?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8128 Antwoord 240Het Juridisch Loket heeft gereageerd op het wetsvoorstel Meer zekerheidflexwerkers ten tijde van de internetconsultatie. Deze inbreng is meege-nomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Voor inwer-kingtreding van het wetsvoorstel zal ook communicatie worden opgezet,de mogelijkheid zal worden betrokken om de kennis en expertise van hetJuridisch Loket daarbij te benutten.Vraag 241Welke concrete stappen zet u om de schuldhulpverlening te verbeteren?Antwoord 241Het kabinet gaat verder met het verbeteren van de schuldhulpverlening.Zo bouwen we voort op de ingezette ontwikkeling van basisdienstver-lening. Het actieplan is opgeleverd en wordt aangevuld met nieuwehandreikingen die gemeenten kunnen gebruiken om hun dienstverleningte verbeteren. Daarnaast ontwikkelt de Staatssecretaris Participatie enIntegratie in overleg met gemeenten een kwaliteitskader voor degemeentelijke schuldhulpverlening. Invulling hiervan wordt uitgewerktmet de betrokken partijen en wordt neergelegd in aanvullende afspraken.Ook worden er concrete stappen gezet rondom vroegsignalering, ondermeer door een verbeterplan en door extra investeringen. Begin volgendjaar verwacht de Staatssecretaris Participatie en Integratie dit te kunnendelen met uw Kamer.Tot slot wordt er gewerkt aan een integraal schuldenoverzicht. Naast datdit overzicht zorgt voor inzicht en grip voor mensen met schulden, zorgtdit ook voor een verbetering van schuldhulpverlening. Het proces vantotstandkoming van schuldregelingen, waarbij schuldhulpverlenersnamens de inwoner afspraken maken met schuldeisers, kan verderworden versneld door het verbeteren van gegevensuitwisseling via eenintegraal schuldenoverzicht.Vraag 242De afgelopen jaren is het aantal aanvragen bij hulporganisaties zoals hetNationaal Fonds Kinderhulp toegenomen onder zowel mensen met eeninkomen uit loondienst (van 12,8 procent naar 14,5 procent tussen 2021 en2024), als mensen zonder inkomen (2,3 procent naar 11,3 procent tussen2021 en 2024), wat is hiervan de reden?Antwoord 242Rondkomen is een uitdaging voor veel gezinnen, waarbij ze met nameworstelen door gestegen kosten van het levensonderhoud. Dit geldt nietalleen voor werkende ouders, maar ook voor gezinnen met een uitkering.In 2023 groeide ruim 115.000 minderjarige kinderen op in armoedevolgens de nieuwe armoededefinitie. Kinderarmoedeorganisaties, zoalsSam& voor alle kinderen, zien over de hele linie het aantal aanvragenstijgen in de afgelopen twee jaar, vooral in de categorieën kamerinrichting(bed, dekbed, gordijnen, bureau), kleding en fietsen.De aanpak van armoede staat hoog op de agenda van het kabinet, zoalsblijkt uit het regeerprogramma. Zo worden er maatregelen genomen omte voorkomen dat armoede toeneemt, zoals de verhoging van hetkindgebonden budget. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gekozen om deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8129 schoolmaaltijden structureel te maken. Ook heeft het kabinet oog voorspecifieke groepen, zoals werkende armen en kinderen in armoede.Kinderhulp is onderdeel van Sam&, een samenwerkingsverband vanLeergeld Nederland, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Nationaal FondsKinderhulp, Stichting Jarige Job en Jeugdeducatiefonds. Zij ondersteunengezinnen met geldzorgen op gebied van onderwijs, sport en cultuur,kleding en vrije tijd. SZW ondersteunt de Sam& partijen met een subsidie.Vraag 243Wat houdt de maatregel van het lagere WW-tarief bij overwerk voorwerknemers met een vast contract van gemiddeld meer dan 30 uur perweek precies in? In welke situaties vindt dit plaats? Hoe verhoudt dit zichtot de regel dat er bij structureel overwerk sprake kan zijn van een hogerearbeidsduur (rechtsvermoeden van arbeidsduur)? En hoe verhoudt dit zichtot de herzieningssituatie dat er sprake is van meer dan 30 procentoverwerk?Antwoord 243Binnen de gedifferentieerde WW-premie is het mogelijk om werknemersmet een vast contract op jaarbasis maximaal 30% te laten overwerkenterwijl de lage WW-premie van toepassing blijft. Als werknemers opjaarbasis meer dan 30% overwerken is de werkgever met terugwerkendekracht de hoge WW-premie verschuldigd. Werkgevers hoeven de lageWW-premie niet te herzien als de werknemer een gemiddelde arbeids-omvang heeft van 35 uur per week of meer. Vanaf 2025 wordt deze grens,als onderdeel van de hervormingen van het arbeidsmarktbeleid,aangepast naar meer dan 30 uur per week. Hierdoor kunnen werkgeversook werknemers met een bijna voltijds arbeidsomvang flexibeler inzetten.Dit vergroot de wendbaarheid binnen het vaste contract.De maatregel heeft geen effect op het rechtsvermoeden van arbeids-omvang. Als werknemers structureel overwerken, kan de werknemer eenberoep doen op dit rechtsvermoeden en een grotere arbeidsomvangclaimen.Vraag 244Betekent een aanpassing van de opzegtermijn van contracten ook eeninkorting van de WW-duur?Antwoord 244Op dit moment is de Minister van SZW nog bezig met de uitwerking vande WW-maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord. Het is in dit stadiumdaarom nog niet mogelijk om deze vraag te beantwoorden. Eind van ditjaar wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de uitwerking van deWW-maatregel.Vraag 245Kan het kabinet aangeven wat de beleidsinzet is inzake de herziening vande EU-coördinatieverordening sociale zekerheid nr. 883/2004?Antwoord 245Sinds 2016 wordt onderhandeld over de herziening van Verordening883/2004 betreffende de coördinatie van sociale zekerheidssystemenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8130 (hierna: herzieningsvoorstel). Verordening 883/2004 heeft als doel omdeze nationale stelsels te coördineren, zodat mensen geen socialezeker-heidsrechten verliezen of bijvoorbeeld dubbel verzekerd zijn wanneer zijgebruik maken van hun recht op vrij verkeer. Nederland heeft eerderevoorlopige akkoorden niet gesteund vanwege bezwaren bij de voorge-stelde verruiming van de exportmogelijkheden in het werkloosheids-hoofdstuk van het herzieningsvoorstel. Bovendien is Nederland vanmening dat het voorliggende voorstel verouderd is. Het afgelopendecennium is de arbeidsmarkt namelijk ingrijpend veranderd.Voorbeelden daarvan zijn de toegenomen digitalisering van het arbeids-domein en een toename in het hybride werken. Nederland roept daaromop tot een modernisering van het herzieningsvoorstel.Vraag 246Welke planning houdt u aan als het gaat om nieuwe verlofregelingen diewerk en zorg beter moeten combineren?Antwoord 246Het verlofstelsel, dat een wettelijke basis heeft in de Wet arbeid en zorg(Wazo), is in de loop der tijd door uitbreidingen en verbijzonderingenonoverzichtelijk geworden voor werknemers en administratief ingewikkeldvoor werkgevers. Daarom is een traject gestart om de wet eenvoudiger enoverzichtelijker te maken voor werknemers die hun arbeid combinerenmet zorgverantwoordelijkheden. Het kabinet zal besluiten over het vervolgvan dit traject en eventuele budgettaire gevolgen van dekking voorzien.Dit vereist een wetswijziging en implementatieproces van onder andereUWV. De planning is om rond de zomer van 2025 een conceptwets-voorstel gereed te hebben. Nadat de Raad van State advies heeftuitgebracht, zal het conceptwetsvoorstel aan de Tweede Kamer wordenaangeboden. De Minister van SZW streeft ernaar om u nog voor dekomende plenaire behandeling van de begroting van het Ministerie vanSZW nader over het vereenvoudigingstraject te informeren.Vraag 247Worden de regionale tafels Simpel Switchen een standaardonderdeel vande nieuwe arbeidsmarktinfrastructuur, zodat er in elk Werkcentrumstructureel aandacht is voor mensen die de overstap willen maken vandagbesteding naar werk en/of van beschut werk naar een reguliere baan?Antwoord 247Mensen die de overstap willen maken van dagbesteding naar werk en/ofvan beschut werk naar een reguliere baan krijgen dienstverlening vanuitde gemeenten. Het Werkcentrum is de toegangspoort naar dienstver-lening van de netwerkpartners en niet één organisatie voor alle dienstver-lening van de netwerkpartners.Simpel Switchen zou een vast bestanddeel moeten zijn van iedereregionale meerjarenagenda die de netwerkpartners afspreken in hetRegionaal Beraad. In het raamwerk dat wij hebben gemaakt voor demeerjarenagenda is het onderwerp Simpel Switchen daarom opgenomenals één van de belangrijke onderwerpen om met elkaar afstemming overte organiseren.Het is aan de arbeidsmarktregio’s om keuzes te maken wat zij opnemenover Simpel Switchen in de meerjarenagenda en of een regionale tafelSimpel Switchen verbonden wordt aan het Regionaal Beraad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8131 Vraag 248Hoeveel arbeidsmigranten van binnen en buiten de EU zijn er in deafgelopen vijf jaar Nederland toegelaten?Antwoord 248Er bestaat voor EU-migranten geen toelatingsbeleid. Burgers van deEU/EER-landen en Zwitserland hebben op grond van het vrij verkeer vanpersonen en diensten het recht om vrij in Nederland te verblijven, tewerken en diensten te verrichten. Vanwege het vrij verkeer van personenin de EU is het bij EU-migranten alleen achteraf mogelijk om indirect teherleiden of een persoon als arbeidsmigrant gezien kan worden. Dit integenstelling tot arbeidsmigranten van buiten de EU voor wie eenvergunning moet worden verkregen, waaruit kan worden afgeleid of eenmigrant een arbeidsmigrant is of niet. Deze instroomcijfers zijn jaarlijksbeschikbaar via de IND, die door het CBS vervolgens worden gebruiktvoor CBS-statistieken. Dit is ook de reden waarom de cijfers voorarbeidsmigratie uit de EU minder actueel zijn dan de cijfers voor arbeids-migratie van buiten de EU.De CBS-Migrantenmonitor geeft de standcijfers weer van alle mensen uitde EU die in een bepaald jaar in totaal in Nederland werken. Dit zijn danook geen jaarlijkse instroomcijfers. In de onderstaande tabel is deontwikkeling van het aantal personen met een baan (als werknemer of zelfzelfstandige) uit de EU-lidstaten (op 31 december van ieder jaar) uitge-splitst naar Midden- en Oost-Europa (EU-11) en de Europese Unie (EU-27Totaal) opgenomen. Er is geen onderscheid gemaakt in type werk(ongeschoold/hooggeschoold, etc.) en salarisniveau. De data zijnbeschikbaar tot eind 2022 (CBS). Eind 2024 verschijnen de voorlopigecijfers van 2023.Tabel: Aantal personen werkzaam in Nederland als werknemer of zelfstandige,geboren in een andere EU-lidstaat 2018–2022JaarEU-11EU-27 Totaal2018349.00573.6002019375.400611.8002020348.400554.5002021402.900648.7002022429.120693.720Bron: Staat van Migratie 2024, CBS Migrantenmonitor, geraadpleegd op 14 oktober 2024 Bovenstaande cijfers omvatten slechts een deel van de werknemers dienaar Nederland gedetacheerd worden vanuit een andere EU-lidstaat. In deMigrantenmonitor wordt namelijk uitgegaan van de polisadministratiewaarin slechts een deel van de gedetacheerden is opgenomen.Uitspraken over de omvang van het aantal gedetacheerden zijn op basisvan de Migrantenmonitor dus niet te doen.Gedetacheerde werknemers moeten gemeld worden in het nationalemeldloket. Het loket bestaat sinds 1 maart 2020. Om de vergelijking tewaarborgen geeft onderstaande tabel de cijfers weer van alle volledigeteljaren. Het gaat hierbij om gemelde gedetacheerde werknemers die indat jaar ten minste één dag gewerkt hebben in Nederland. De cijfers zijnexclusief de sector goederenvervoer over de weg. Het overgrote deel vandetacheringen in deze sector moet in het Europese meldloket gemeldworden. Het is nog niet mogelijk om betrouwbare cijfers te exporteren uitdit meldloket. Een belangrijke kanttekening bij de cijfers is dat er deafgelopen jaren veel is geïnvesteerd in de doorontwikkeling van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8132 meldloket en in voorlichting over de meldplicht. Een deel van de toenameis hierdoor te verklaren. Daarnaast is het onzeker hoe compleet het beeldvan het meldloket is. De aanname is dat er nog steeds ondermeldingbestaat.Tabel: Aantal naar Nederland gedetacheerden 2021–2023TotaalEU-nationaliteitNationaliteit vanbuiten de EU202179.56661.30918.257202289.63267.19022.442202396.29072.78123.509Bron: SZW – meldloket, CBS geraadpleegd op 14 oktober 2024 Voor arbeidsmigranten van buiten de EU/EFTA (derdelanders) is detoegang wel in nationale wet- en regelgeving vastgelegd. Voor hen is hetmigratiemotief af te leiden uit de aard van hun verblijfsvergunning diewordt verstrekt door de IND. Het IND onderscheidt daarbij de groepenKennis en Talent en de groep (overige) arbeidsmigranten. In de statistiekmigratiemotieven koppelt het CBS de vergunningen van IND aan hetbevolkingsregister. Het CBS gaat daarbij uit van het moment dat eenvergunninghouder zich daadwerkelijk inschrijft bij het bevolkingsregister.Tabel: Aantal arbeidsmigranten buiten EU/EFTA 2019–202320192020202120222023Kennismigratie16.8859.80515.90526.26021.510Overige arbeidsmigratie3.0251.7352.1602.4854.430Totaal arbeidsmigratie19.91011.54518.07028.74525.945Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 13 oktober 2024 Zoals in het Commissiedebat van 4 september 2024 toegezegd, zal deMinister van SZW uw Kamer voor de begrotingsbehandeling naderinformeren over het uitgebreide CBS-dashboard over arbeidsmigratie.Vraag 249Hoeveel arbeidsmigranten zijn er in de afgelopen vijf jaar Nederlandbinnengelaten?Antwoord 249Zie het antwoord op vraag 248.Vraag 250Hoeveel arbeidsmigranten, die in de afgelopen vijf jaar Nederland zijntoegelaten, maken gebruik van de sociale zekerheid (uitgesplitst naaruitkering/regeling/bedrag)?Vraag 250UWV, de SVB en gemeenten voeren geen aparte registraties vanarbeidsmigranten. Er zijn daarom geen gegevens beschikbaar op landelijkniveau over het gebruik van uitkeringen door arbeidsmigranten.Algemene informatie kan alleen worden gegeven door data van de 61uitvoeringsinstanties en het CBS met elkaar te koppelen. Dit gebeurt in deMigrantenmonitor van het CBS. Bij de Migrantenmonitor is ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8133 dashboard beschikbaar (bron: Migrantenmonitor (cbs.nl)). De Migranten-monitor geeft inzicht in het aantal migranten (NB. niet specifiek arbeidsmi-granten) uit andere EU-lidstaten dat in Nederland woont of werkt en geeftook cijfers over het beroep op sociale zekerheid (bijvoorbeeld het aantalpersonen in de WW).Het dashboard immigratie van het CBS biedt informatie over de sociaal-economische status, waarbij de categorie «uitkerings- en pensioenont-vanger» kan worden onderscheiden (bron: Hoeveel immigranten komennaar Nederland? (cbs.nl)). Hierbij kunnen arbeidsmigranten apart wordenonderscheiden naar immigratiejaar. Het betreft hier wel enkel hetuitkeringsgebruik van migranten die nog in Nederland staan ingeschrevenin het bevolkingsregister. Om een voorbeeld te geven: van de instroomvan Europese arbeidsmigranten uit 2016 heeft een jaar later 2% eenuitkering. Twee en drie jaar later is dat nog steeds zo. Onder arbeidsmi-granten uit derde landen is het uitkeringsgebruik voor dezelfde groepvolgens het CBS nihil.Overigens hebben arbeidsmigranten die in de afgelopen vijf jaar zijntoegelaten meestal geen recht op een uitkering op grond van de Participa-tiewet of de BBZ (bijstandsregelingen die uit de algemene middelenworden gefinancierd). Bij een verblijf onder de vijf jaar is namelijk inprincipe geen sprake van een «duurzaam verblijf». Bij een niet-duurzaamverblijf heeft een beroep op de bijstand meestal gevolgen voor hetverblijfsrecht. Als het verblijfsrecht wordt beëindigd is er daarmee ookgeen recht op bijstand. De IND beoordeelt het verblijfsrecht individueel(bron: https://ind.nl/Paginas/Algemene-Middelen.aspx).Vraag 251Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het onderzoek naar hetverbeteren van de impact van sociale ontwikkelbedrijven op debaankansen van mensen met een arbeidsbeperking verwachten?Antwoord 251Op 6 juli 2023 ontving uw Kamer de brief «Sociaal ontwikkelbedrijven enbeschut werk» (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 300). Met deze brief isuw Kamer geïnformeerd over actuele ontwikkelingen die spelen rondomsociaal ontwikkelbedrijven.Met deze brief zijn ook enkele rapporten naar uw Kamer gestuurd,waaronder één van bureau Berenschot over de (toekomstige) infra-structuur van sociaal ontwikkelbedrijven. Dit onderzoek biedt een goedinzicht in de stand van zaken van de infrastructuur van sociaal ontwikkel-bedrijven en de onderliggende vraagstukken en dilemma’s. Ook als hetgaat om baankansen voor mensen met een arbeidsbeperking.Op 21 december 2023 ontving uw Kamer de brief «Infrastructuur SociaalOntwikkelbedrijven» (Kamerstukken II 2023/24, 34 352, nr. 307). Hierbijheeft uw Kamer ook een verkenning ontvangen die in nauwe samen-werking met VNG, Cedris en Divosa is opgesteld en waarover isgesproken met UWV en sociale partners. In deze verkenning wordt opbasis van het onderzoek van Berenschot een beeld geschetst van hoe dehuidige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven bijdraagt aan debaankansen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Hetidentificeert knelpunten die belemmerend kunnen zijn bij het aan het werkhelpen van mensen met een beperking en schetst varianten vooroplossingsrichtingen om de bestaande knelpunten aan te pakken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8134 Op basis van bovengenoemde onderzoek en verkenning neemt hetkabinet de komende jaren verschillende maatregelen om de infrastructuurvan sociaal ontwikkelbedrijven te versterken en om beschut werk testimuleren (zie de hierboven genoemde Kamerbrief «InfrastructuurSociaal Ontwikkelbedrijven»). Hiervoor wordt de komende tien jaar € 1miljard extra beschikbaar gesteld. Structureel gaat het om € 100 miljoenextra.Vraag 252Is de subsidieregeling IPS ook beschikbaar voor het toepassen vanIPS-trajecten voor mensen met een licht verstandelijke beperking enniet-aangeboren-hersenletsel? Zo nee, hoeveel zou het kosten om dit welte doen?Antwoord 252Nee, de Subsidieregeling IPS voor de gemeentelijke doelgroep isuitsluitend beschikbaar voor mensen met psychische aandoeningen. Losvan deze specifieke subsidieregeling wordt IPS voor mensen met een lichtverstandelijke beperking en voor mensen met niet-aangeboren hersen-letsel in Nederland op zeer kleine schaal ingezet. In het kader van hetProgramma Simpel Switchen in de Participatieketen is in opdracht van deVereniging Gehandicaptenzorg Nederland in 2024 onderzoek uitgevoerdnaar de toepasbaarheid van IPS voor mensen met een licht verstandelijkebeperking. De conclusie van dit onderzoek is dat met enkele kleineaanpassingen van IPS dit instrument ook geschikt gemaakt zou kunnenworden voor deze bredere doelgroep. U wordt hier binnenkort uitge-breider over geïnformeerd. De kosten van uitbreiding van de toepassingvan IPS naar ook mensen met een licht verstandelijke beperking zijn nietbekend. Uiteraard zouden die kosten ook sterk samenhangen met deschaal waarop IPS dan zou worden ingezet. Momenteel zijn er geenmiddelen beschikbaar voor uitbreiding van de doelgroep.Vraag 253Hoeveel arbeidsmigranten van buiten de EU zijn er de afgelopen vijf jaarNederland binnengekomen via de kenniswerkersregeling? Kunt u ditspecificeren per jaar en naar herkomstland van de arbeidsmigranten?Antwoord 253In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel kennismigranten de afgelopenvijf jaar naar Nederland zijn gekomen. Onder de definitie van kennismi-granten schaart het CBS alle arbeidsmigranten die naar Nederland zijngeïmmigreerd op basis van de IND-kennismigrantenregeling en alleandere regelingen die met deze kennismigrantenregeling samenhangen.20192020202120222023Aantal kennismigranten16.8859.80515.90526.26021.510Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 13-10-2024 In onderstaande tabel is het aantal ingekomen kennismigranten pernationaliteit weergegeven voor de top-10 van nationaliteiten in 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8135 NationaliteitAantal kennismigranten in 2023Indiase4.520Chinese2.065Turkse1.880Zuid-Afrikaanse1.645Russische1.610Amerikaanse1.435Britse1.125Iraanse790Braziliaanse770Japanse555Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 13-10-2024 Zoals in het Commissiedebat van 4 september 2024 toegezegd, zal deMinister van SZW uw Kamer voor de begrotingsbehandeling naderinformeren over het uitgebreide CBS-dashboard over arbeidsmigratie.Vraag 254Hoeveel arbeidsmigranten van buiten de EU zijn er de afgelopen vijf jaarNederland binnengekomen via een A1-constructie? Kunt u dit specificerenper jaar, naar zowel herkomstland van de arbeidsmigranten als hetdetacheringsland waar deze arbeidsmigranten oorspronkelijk zijntewerkgesteld?Antwoord 254De cijfers uit het meldloket postedworkers geven het meest accurate beeldvan het aantal werknemers met de nationaliteit van buiten de EU die viadetachering in Nederland werken. Het loket bestaat sinds 1 maart 2020.Om de vergelijking te waarborgen geven onderstaande tabellen alleen decijfers weer van volledige teljaren. Bij de belangrijkste zendendelidstaten57 zijn de cijfers verder gespecificeerd naar de belangrijksteherkomstlanden.58 Het gaat hierbij om gemelde gedetacheerdewerknemers die in dat jaar ten minste één dag gewerkt hebben inNederland. De cijfers zijn exclusief de sector goederenvervoer over deweg. Het overgrote deel van detacheringen in deze sector moeten in hetEuropese meldloket gemeld worden. Het is nog niet mogelijk ombetrouwbare cijfers te exporteren uit dit meldloket. Een belangrijkekanttekening bij de cijfers uit het meldloket postedworkers is dat er deafgelopen jaren veel is geïnvesteerd in de doorontwikkeling van hetmeldloket en in voorlichting over de meldplicht. Een deel van de toenameis hierdoor te verklaren. Daarnaast is het onzeker hoe compleet het beeldvan het meldloket is. De aanname is dat er nog steeds ondermeldingbestaat.Uit deze cijfers van het meldloket kan ook gehaald worden of hetsocialezekerheidsstelsel van het zendende land van toepassing blijft bijdeze detacheringen. In dat geval is een A1-verklaring aanwezig. Met eenA1-verklaring kunnen werknemers aantonen in welk land zij sociaalverzekerd zijn. De cijfers over A1-verklaringen verschillen van de data uithet meldloket. Dit komt doordat er verschillende wettelijke kaders geldenvoor detachering in het arbeidsrecht en voor de sociale zekerheid. Eensituatie kan bijvoorbeeld gezien worden als detachering onder hetarbeidsrecht en niet voor de sociale zekerheid (waardoor het socialezeker-57Dit zijn lidstaten van waaruit in een van de teljaren meer dan 350 werknemers met eennationaliteit van buiten de EU zijn gedetacheerd.58Dit zijn de landen waarvan meer dan 50 gedetacheerde werknemers de nationaliteit hadden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8136 heidsstelsel van het zendende land niet van toepassing kan blijven). Hetkan ook voorkomen dat iemand voor meerdere korte detacheringen in eenjaar voor iedere periode een aparte A1-verklaring heeft, maar slechts éénkeer gemeld staat in het meldloket.202120222023Totaal79.56689.63296.290EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU61.30918.25767.19022.44272.78123.509Niet-EUNiet-EUNiet-EUMetA1ZonderA1MetA1ZonderA1MetA1ZonderA118.6161.13323.0681.27924.4101.708Polen: Totaal20.35822.69522.939EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU12.6307.72812.24910.44612.45010.489Polen: Oekraïne5.9346.8945.334Polen: Wit-Rusland1.0102.0633.179Polen: Servië302387487Polen: Rusland25026123Polen: Moldavië114178197Polen: Georgië28191229Polen: Turkije876145Polen: Oezbekistan1471133Polen: Kazachstan3065107Polen: Kirgizië418137Polen: Filipijnen08115Polen: Indonesië04365Polen: Turkmenistan03665Duitsland: Totaal16.25918.40620.046EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU14.4841.77516.3632.04317.3712.675Duitsland: Filipijnen6398861.129Duitsland: Turkije362301403Duitsland: Bosnië en Herzegovina129167171Duitsland: Syrië7079117Duitsland: Montenegro613596Duitsland: India225652Duitsland: Indonesië605360Duitsland: Servië5971103Duitsland: Oekraïne163491Litouwen: Totaal12.08214.38515.786EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU7.2764.8068.7815.60411.2874.499Litouwen: Oekraïne2.5062.5851.502Litouwen: Wit-Rusland1.6411.523517Litouwen: Rusland288298146Litouwen: Azerbeidzjan2618021.712Litouwen: India3440186Litouwen: Turkije23231231Litouwen: Kazachstan173954Litouwen: Oezbekistan43160Portugal: Totaal2.8274.0813.889EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU2.5782493.3747072.3061.583Portugal: Brazilië139255521Portugal: India31174587Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8137 202120222023Portugal: Guinee-Bissau68779Portugal: Angola64368Portugal: Pakistan419144Slovenië: Totaal1.6991.4891.326EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU6041.095538951429897Slovenië: Bosnië en Herzegovina568543491Slovenië: Servië391248215Slovenië: Bangladesh6892103Slovenië: Montenegro212259Spanje: Totaal1.6131.9422.303EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU1.4481651.6752671.905398Spanje: Marokko8099153Kroatië: Totaal9941.4721.656EUNiet-EUEUNiet-EUEUNiet-EU8451491.025447894762Kroatië: Servië104218347Kroatië: Bosnië en Herzegovina415367Kroatië: India0156231Kroatië: Albanië01050 Vraag 255Hoeveel arbeidsmigranten van buiten de EU zijn er de afgelopen vijf jaarNederland binnengekomen, die niet via de kenniswerkersregeling of eenA1-constructie zijn toegelaten? Kunt u dit uitsplitsen per regeling, per jaaren per herkomstland van de arbeidsmigranten?Antwoord 255In onderstaande tabel is zichtbaar hoeveel arbeidsmigranten van buitende EU/EFTA de afgelopen vijf jaar naar Nederland zijn gekomen, metuitzondering van kennismigranten en arbeidsmigranten die via eenandere EU-lidstaat naar Nederland zijn gedetacheerd.20192020202120222023Aantal arbeidsmigranten3.0251.7352.1602.4854.430Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 13-10-2024 In onderstaande tabel is het aantal ingekomen arbeidsmigranten metuitzondering van kennismigranten en gedetacheerden per nationaliteitweergegeven voor de top-10 van nationaliteiten in 2023.NationaliteitAantal overige arbeidsmigranten in 2023Turkse635Chinese545Britse365Amerikaanse285Indiase270Russische190Iraanse145Surinaamse145Indonesische110Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8138 NationaliteitAantal overige arbeidsmigranten in 2023Braziliaanse100Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 13-10-2024 Zoals in het Commissiedebat van 4 september 2024 toegezegd, zal deMinister van SZW uw Kamer voor de begrotingsbehandeling naderinformeren over het uitgebreide CBS-dashboard over arbeidsmigratie.Daarin worden ook de cijfers van arbeidsmigranten geactualiseerd.Vraag 256Wat is de stand van zaken met betrekking tot aanbeveling 6.2a over deomgekeerde bewijslast van het Rapport Roemer?Antwoord 256Er is een wetsvoorstel in voorbereiding dat, bij een vermoeden vanonderbetaling en het ontbreken van de benodigde gegevens bij dewerkgever, helpt om vast te kunnen stellen of het wettelijk minimumloonis betaald als de administratie ontbreekt. De Arbeidsinspectie of de civielerechter krijgt dan alsnog de mogelijkheid om in bepaalde situaties eenonderbetaling te berekenen (fictief) en betaling af te dwingen door uit tegaan van in ieder geval zes maanden (voltijds)arbeid. De internetconsul-tatie over dit wetsvoorstel staat gepland voor eind 2024.Vraag 257Wat is de stand van zaken met betrekking tot aanbeveling 7.2d vancommissie Roemer? Hoeveel werknemers zijn inmiddels effectiefgeholpen om hun werkpositie te verbeteren dankzij de arbeidscommissie?Antwoord 257Op 20 oktober 2023 heeft uw Kamer de brief «Voortgang verbeterentoegang tot het recht Arbeidscommissie» ontvangen. In deze brief isaangegeven dat uit nadere verkenning door het Ministerie van SZW isgebleken dat een betere toegang tot het recht voor kwetsbare werknemersniet enkel ziet op laagdrempelige geschilbeslechting (Kamerstukken II,2023/24, 29 544, nr. 1223). Daarmee lag het niet meer voor de hand omeen arbeidscommissie op te richten, maar in plaats daarvan verschillendemaatregelen te treffen die breed bijdragen aan het verbeteren van detoegang tot het recht. Er is daarom gekozen voor het versterken van deondersteuning aan arbeidsmigranten, met specifieke aandacht voorjuridische ondersteuning. Hierover heeft uw Kamer op 18 juni de brief«Betere ondersteuning voor de (EU-)arbeidsmigrant» ontvangen(Kamerstukken II, 2023/24, 29 861, nr. 125). In deze brief is uiteengezet hoestapsgewijs de ondersteuning versterkt zal worden. Daarnaast start er in2025 voor de duur van drie jaar een experiment met een vereenvoudigdeen versnelde procedure bij de kantonrechter voor kwetsbare werknemers,waaronder arbeidsmigranten. Binnen dit experiment kunnen werknemersmet een vordering vanuit een arbeidsovereenkomst een vereenvoudigdeen snellere procedure starten bij de kantonrechter van de deelnemenderechtbanken in Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant.Ook staat het experiment open voor geldvorderingen van een natuurlijkpersoon die vanuit zijn eigen naam of vanuit die van zijn beroep of bedrijfhandelt tot een maximum van € 5.000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8139 In de Jaarrapportage arbeidsmigranten 2024, die uw Kamer voorafgaandaan de begroting zal ontvangen, worden voor het eerst cijfers opgenomenover het aantal mensen dat we geholpen hebben met deze nieuwevormen van dienstverlening. Cijfers van het experiment met de regel-rechter zijn nog niet beschikbaar, omdat dit experiment pas in 2025 vanstart gaat.Vraag 258Hoeveel procent van de statushouders maakt gebruik van de bijstand ofeen andere sociale inkomensregeling en wat zijn de kosten per jaardaarvan? Kan dit worden opgemaakt in een overzicht van de afgelopentien jaar?Antwoord 258Het Ministerie van SZW houdt niet alle gevraagde informatie bij. Wel zijner verschillende bronnen waarmee een deel van de vraag beantwoord kanworden. De verschillende bronnen, die het vraagstuk telkens op een (net)andere manier belichten, worden hieronder kort besproken.Bron 1: Dashboard Asiel en Integratie (DAI)Het CBS voert in opdracht van SZW het Dashboard Asiel en Integratie uit.Daarin wordt het percentage met uitkering per specifiek cohort over detijd gevolgd. Ter toelichting:–Tot een cohort hoort een groep statushouders dat in een bepaald jaarde status heeft ontvangen.–Er wordt telkens gekeken hoeveel procent van een specifiek cohort naverloop van tijd een uitkering heeft: dus hoeveel heeft een uitkeringbijvoorbeeld 12 maanden na statusverlening, hoeveel na 24 maanden,na 36 maanden etc.–Er wordt daarbij dus gekeken naar totaal van alle uitkeringen (bijstand,WW, arbeidsongeschiktheid) bij elkaar.Voor cohort 2014 geldt bijvoorbeeld dat een jaar na het ontvangen van destatus 86 procent van de nog in Nederland verblijvende statushouders eenuitkering ontvangt. 2 jaar na statusverlening stijgt dat tot 91 procent omdaarna geleidelijk maar gestaag af te nemen tot 34 procent na 8,5 jaar. Inde tabel hieronder worden voor een aantal cohorten de uitkeringspercen-tages per verblijfsjaar weergegeven. Op https://dashboards.cbs.nl/v5/asielenintegratie/ zijn alle cohorten te vinden.Bron 2: Statistiek Wet Inburgering, SWI (dashboard en onderzoeksrap-portage)Het CBS voert in opdracht van SZW ook de Statistiek Wet Inburgering(verder: SWI).Hierin wordt ook gekeken naar uitkeringsafhankelijkheid (bijstand, WW enarbeidsongeschiktheid bij elkaar) van statushouders, maar zijn er welenkele verschillen ten opzichte van het Dashboard Asiel en Integratie(verder: DAI). Allereerst worden in de SWI alleen inburgeringspichtigestatushouders gevolgd, en bijvoorbeeld schoolgaande kinderen niet. Dieschoolgaande kinderen kunnen na afronding van opleiding uiteindelijkook in de bijstand komen. Dit wordt wel geregistreerd binnen DAI maardus niet binnen SWI. Een ander verschil is dat bij de SWI gekeken wordtnaar uitkeringsafhankelijkheid vanaf het moment van huisvesting. Dusbijvoorbeeld 12 maanden na huisvesting 24 maanden na huisvesting endergelijke. Merk op dat 12 maanden na huisvesting in de regel later in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8140 tijd is dan 12 maanden na statusverlening zoals wordt geregistreerd bijDAI. Dit aangezien meeste statushouders na statusverlening nog eenflinke tijd binnen COA verblijven.SWI laat zien dat van cohort 2022 3 maanden na huisvesting 86% eenuitkering heeft en 12 maanden na huisvesting 77% een uitkering heeft.SWI kijkt ook nog op een andere manier naar uitkeringsafhankelijkheid. Erwordt niet alleen gekeken naar hoeveel procent van een cohort eenuitkering heeft na bijvoorbeeld 12 maanden na huisvesting, maar ookhoeveel procent van de statushouders binnen die 12 maanden op eengegeven moment een uitkering had, dit betreft 87 procent in de eerste 12maanden. Ter uitleg: hierbij worden alle mensen dus meegeteld dieergens binnen de eerste 12 maanden na huisvesting een uitkeringontvingen. Dus bijvoorbeeld iemand die het hele jaar uitkering had, maarook een persoon die bijvoorbeeld alleen in de eerste maand een uitkeringhad evenals persoon die alleen in maand 6 een uitkering had.Bron 3: Factsheet statushouders en gezinsmigrantenIn de Factsheet statushouders en gezinsmigranten van Divosa wordtonder meer gekeken naar het totaalpercentage van alle statushouders bijelkaar in de bijstand op een specifiek moment. De meest recente factsheetstamt uit 2023 en daaruit valt op te maken dat in juni 2022 55,1% van destatushouders een bijstandsuitkering had.Met betrekking tot de kosten per jaar zijn er geen gegevens beschikbaar.Het is niet mogelijk om de uitgaven aan uitkeringen uit te splitsen naarachtergrondkenmerken omdat het uitgekeerde bedrag per individuverschilt (zie ook het antwoord op vraag 298).Tabel: percentage met een uitkering per cohort, per aantal jaar na vergunningver-lening201420162018202020211 jaar86%89%86%79%74%2 jaar90%85%80%78%3 jaar78%68%69%4 jaar60%51%56%5 jaar48%43%6 jaar45%7 jaar40%8 jaar35%8,5 jaar34%Bron: https://dashboards.cbs.nl/v5/asielenintegratie/ Vraag 259Op welk punt in de verkenning om tegenwicht te bieden aan ondermij-nende activiteiten bent u op dit moment en wanneer verwacht u iets naarde Kamer te sturen? Valt hier ook een juridische verkenning van eendefinitie van problematisch gedrag onder zoals in de aangenomenmotie-Becker (32 824, nr. 432)?Antwoord 259De komende periode neemt het Ministerie van SZW het voortouw in deverkenning van mogelijkheden om tegenwicht te bieden aan ontwikke-lingen die vanuit onverdraagzaam, antidemocratisch gedachtengoed optermijn ondermijnend kunnen zijn voor onze open en vrije samenleving.Bij deze ambtelijke verkenning worden in elk geval de Ministeries vanJustitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nauwbetrokken. Op deze wijze maken we samen werk van een weerbaresamenleving vanuit onze eigen bevoegdheden en opgaven. Uw KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8141 wordt geïnformeerd over de voortgang via de Actieagenda Integratie (zievraag 333). De motie van Lid Becker waarnaar de vraag verwijst maakthier onderdeel van uit.Vraag 260Wat zijn de concrete acties, naast het actieplan «Statushouders aan hetwerk», om de arbeidsparticipatie van nieuwkomers te verhogen?Antwoord 260Het kabinet verwacht ook van nieuwkomers dat zij participeren op dearbeidsmarkt en meedoen in de samenleving. Het kabinet biedt onder-steuning op het terrein van taal, werk en kennis van de Nederlandsesamenleving inclusief normen en waarden. De Inburgeringswet heeft alsdoel dat inburgeringsplichtigen snel en volwaardig mee doen in deNederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk. Dit doel vertaaltzich in een stelsel waar zij het voor hen hoogst haalbare taalniveau, liefstniveau B1, en kennis van de Nederlandse maatschappij, in combinatie metgerichte inspanningen op participeren naar vermogen vanaf de start vanhet inburgeringstraject.Nieuwkomers die nog niet zelfstandig de weg naar werk hebbengevonden, kunnen aanspraak maken op ondersteuning en begeleidingnaar werk op grond van de Participatiewet. Het goed gekeurde planaanpak Statushouders is juist een aanvulling op deze dienstverlening. Hetbiedt concrete acties en samenwerkingen om de arbeidsmarktparticipatiete verhogen via goede begeleiding naar werk en leerwerktrajecten, dejuiste combinatie van werken en inburgeren, het investeren in taallessenvoor statushouders en door werkgevers te ondersteunen die in status-houders in dienst nemen. Een concrete actie vanuit het plan is de proevenStartbanen voor statushouders uitgevoerd door gemeenten en arbeids-marktregio’s waarbij inburgeringsplichtigen die zich vestigen in eengemeente, direct een betaalde baan krijgen aangeboden. Over de eersteopbrengsten en resultaten van deze proeven wordt de Tweede Kamer inhet voorjaar van 2025 nader geïnformeerd. In de actieagenda integratie zalverder worden bezien welke aanvullende acties zijn benodigd om dearbeidsdeelname van nieuwkomers te verhogen.Vraag 261Wat gebeurt er na 2025 met het Meerjarenplan Zelfbeschikking2022–2025?Antwoord 261Het kabinet heeft in het regeerprogramma een actieagenda Integratieaangekondigd die onder meer voorziet in inzet op de aanpak vanschadelijke praktijken en het versterken van de vrijheid om eigen keuzes temaken (zelfbeschikking). Daarbij maken we gebruik van de opgedaneervaring over wat werkt, met name de verandering van binnenuit, enwillen we de ketenaanpak nogverder versterken. Met de huidige inzet worden gesloten gemeen-schappen onvoldoende bereikt. De Staatssecretaris Participatie enIntegratie gaat samen met zijn collega’s inzetten op het vergroten van hetbereik en onderzoeken hoe we verandering van binnenuit nog verderkunnen versterken en welke aanvullende (keten)aanpak eventueel nodigis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8142 Vraag 262Wordt er naast het Meerjarenplan Zelfbeschikking 2022–2025 nog op eenandere manier door de regering zelfbeschikking in gesloten gemeen-schappen gestimuleerd?Antwoord 262De inzet van de Staatssecretaris Participatie en Integratie is gericht oppreventie door middel van verandering van binnenuit. Deze inzet isbeschreven in het Meerjarenplan zelfbeschikking. In het kabinet werkenverschillende bewindspersonen samen om de aanpak van schadelijkepraktijken te versterken en om zelfbeschikking te bevorderen: de Staatsse-cretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de StaatssecretarisParticipatie en Integratie werken samen aan bewustwording en hettegengaan van schadelijke normen. De inzet van VWS (coördinerendministerie op de aanpak van schadelijke praktijken) is gericht op hetvroegtijdig signaleren van potentieel onveilige situaties door professi-onals, omstanders en (potentiële) slachtoffers. Eventueel strafrechtelijkoptreden tegen deze vormen van geweld ligt op het terrein van J&V.Buitenlandse Zaken richt zich op hulp aan Nederlandse (potentiële)slachtoffers van schadelijke praktijken in het buitenland.Vraag 263Welke plannen heeft de regering voor zelfbeschikking na het aflopen vanhet actieplan in 2025? Zijn hier langjarig middelen voor gereserveerd enzo ja welke, zo nee waarom niet?Antwoord 263In het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet zelfbeschikking ingesloten gemeenschappen versterkt door extra in te zetten op veran-dering vanuit die groepen zelf en op de aanpak van schadelijke praktijkenzoals huwelijksdwang en vrouwelijke genitale verminking.Op dit moment zijn er nog geen middelen gereserveerd voor de inzet opzelfbeschikking na 2025.Vraag 264De regering wil discriminatie, racisme, antisemitisme en moslimhaataanpakken, wat is de status van de aangenomen motie-Flach c.s. (32 824,nr. 418) om de Holocaust onderdeel te laten worden van de participatie-verklaring? Volgens uw voorganger was de uitwerking hiervan aan eenvolgend kabinet, dus wat is de uitwerking van dit kabinet hierop?Antwoord 264Het mogelijk maken van het bezoek aan een locatie is (conform de motieFlach/van Dijk) meegenomen in het Nationaal Plan Versterking Holocaust-educatie (NPVHE). Dit biedt het voordeel om vanuit het integrale kadervan Holocausteducatie acties op elkaar af te stemmen en gezamenlijk metrelevante partijen op te trekken. Uitvoering geven aan het bezoek vergtimplementatietijd: er ligt een brede wens vanuit het parlement om meermensen, waaronder scholieren, een bezoek te laten brengen aan deinstellingen en het aantal deskundige ontvangende instellingen is beperkt.Dit vraagt om meer voorbereidingstijd voor de uitvoering door instellin-gen.Er is in afstemming met OCW en VWS een verkenning uitgezet bij deorganisaties naar de financiële, inhoudelijke en organisatorische gevolgenvan een grotere stroom bezoekers (inclusief de inburgeraars) DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8143 verkenning wordt in het najaar van 2024 opgeleverd. De uitkomst vandeze verkenning is bepalend voor de vraag of en hoe een bezoek doorinburgeraars mogelijk kan worden gemaakt.Daarnaast wordt er ook een verkenning onder docenten in het onderwijsgedaan, naar de uitdagingen en behoeften ten aanzien van Holocaust-educatie. Ook het onderwijs aan nieuwkomers wordt in de peilingmeegenomen. Deze verkenning kan inzichten opleveren voor onzeopdracht en komt in het eerste kwartaal van 2025 beschikbaar.Vraag 265Op welke manier worden gemeenten en professionals ondersteund metkennis en handelingsperspectief voor spanningen tussen groepen?Vraag 266Op welke manier poogt de regering de bewustwording binnen desamenleving op het gebied van spanningen tussen groepen te vergroten?Antwoord 265 en 266In geval van maatschappelijke spanningen is het van belang dat dezetijdig worden herkend. Vanuit gesprekken met onder andere gemeen-schappen, gemeenten en professionals worden signalen over (mogelijke)spanningen en polarisatie opgehaald en gedeeld zodat beleidsmakers enprofessionals beter geïnformeerd zijn over actuele spanningen enontwikkelingen. Het Ministerie van SZW ondersteunt gemeenten enprofessionals bij spanningen tussen groepen door het delen van gerichte(praktijk)kennis en expertise. Dit gebeurt onder andere via leernetwerken,handreikingen, advies op maat trajecten, workshops, expertbijeenkomstenen kennissessies over thema’s als polarisatie en radicalisering.Vraag 267Welke gemeenten doen mee aan de evaluatie van de 2023–2025 AgendaVeerkrachtige en Weerbare Samenleving? Wordt deze agenda ooktussentijds geëvalueerd? Zijn er al tussentijdse evaluaties beschikbaarvoor de Kamer om te lezen?Antwoord 267In totaal nemen er 23 gemeenten deel aan de Agenda Veerkrachtige enWeerbare Samenleving.Dit zijn de gemeenten Leeuwarden, Groningen, Lelystad, Amsterdam,Utrecht, Nieuwegein, Den Haag, Delft, Vlaardingen, Schiedam, Rotterdam,Dordrecht, Breda, Roosendaal, Tilburg, Eindhoven, Heerlen, Zaandam,Amersfoort, Zoetermeer, Weert en Venlo. In de deelnemende gemeentenworden interventies ontwikkeld en uitgevoerd, die gedurende de looptijdvan de Agenda worden geëvalueerd. Er worden geen tussentijdseevaluaties uitgevoerd. Daarnaast is er aantal landelijke activiteiten datwordt bekostigd vanuit de Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samen-leving. Deze zullen ook geëvalueerd worden gedurende de looptijd van deAgenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving.Uw Kamer wordt voor het kerstreces geïnformeerd over de voortgang vande Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving, door middel van eenvoortgangsbrief. Hierin komen de bovenstaande vragen aan bod.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8144 Vraag 268Wat zijn de criteria op basis waarvan de Agenda Veerkrachtige enWeerbare Samenleving wordt geëvalueerd? Wanneer is de uitvoering vande agenda een succes?Antwoord 268De Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving heeft als doel om hethandelingsvermogen van professionals te vergroten ten aanzien van hetversterken van de sociale stabiliteit. Hiertoe zijn in het programmaplanverschillende doelstelling geformuleerd ten opzichte van de activiteitendie vallen onder de Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving. Inde evaluatie van de Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving zalnagegaan worden in hoeverre de geformuleerde doelstellingen zijnbehaald.Vraag 269Hoeveel fraude is er in de afgelopen vijf jaar geconstateerd op basis vanhet schenden van de inlichtingenplicht en vermogenseis binnen debijstand?Antwoord 269Onderstaande tabel geeft, op basis van CBS-gegevens uit de Bijstandsde-biteuren en – fraudestatistiek (BDFS), een overzicht van het aantal nieuwevorderingen naar aanleiding van schending van de inlichtingenplichtbinnen de bijstand (inclusief AIO) over de jaren 2019 tot en met 2023.Tevens is aangegeven bij hoeveel van deze nieuwe vorderingen deaanleiding lag in het verzwijgen van vermogen of het verzwijgen vaninkomsten uit vermogen.20192020202120222023Schending inlichtingenplicht30.88025.15025.80020.03014.020Waarvan verzwijgen(inkomsten uit) vermogen900720840630510Bron: CBS, Bijstand Debiteuren en Fraude Statistiek (BDFS) 2019–2023 Vraag 270Hoeveel bijstands-/uitkeringsfraude is er in de afgelopen vijf jaargeconstateerd op basis van verzwegen bezit in het buitenland (zoalstweede huizen)?Antwoord 270In de Bijstandsdebiteuren en -fraudestatistiek (BDFS) van het CBS isinzichtelijk welk type overtreding ten grondslag ligt aan de overtredingvan de inlichtingenplicht. Hieronder valt ook het verzwijgen vanvermogen, maar dit is niet nader uitgesplitst naar verzwegen vermogen inbinnen- of buitenland. Op verzoek van het Ministerie van SZW heeft hetCBS de afgelopen jaren aanvullend onderzoek bij gemeenten uitgevoerdnaar onderzoeken naar verborgen vermogen in het buitenland. Op basisvan de respons op de enquêtes onder gemeenten en het toerekenen vanwaarden voor non-respons is voor alle gemeenten in Nederland tezameneen schatting gemaakt van de aantallen met een 95% zekerheidsmarge.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8145 Onderstaande tabel toont de uitkomsten (met een onder- en bovengrens)voor de jaren 2019 tot en met 2023.Tabel: Vermogensonderzoeken door gemeenten20192020202120222023Gestarte vermogensonderzoekenin het buitenland520–6101.560–1.9601.080–1.250500–690350–430Constatering van overtredingenvan de inlichtingenplicht vanwegeverzwijgen vermogen in hetbuitenland60–8020–4030–50100–130100–120Vorderingen vanwege overtredin-gen van de inlichtingenplichtvanwege verzwijgen vermogen inhet buitenland20–3010–2015–20125–30115–201Boetes vanwege overtredingenvan de inlichtingenplicht vanwegeverzwijgen vermogen in hetbuitenland15–2515–1515–10115–2015–1011 Alle getallen zijn afgerond op tientallen. Om te voorkomen dat de onder- en bovenmarge gelijkzijn, zijn deze aantallen afgerond op vijftallen.Bron: Vermogensonderzoek in het buitenland 2023, CBS, september 2024 De SVB heeft sinds 2021 de risicogerichte onderzoeken naar vermogen inhet buitenland van AIO-ontvangers geïntensiveerd. De resultaten wordenin het najaar van 2025 verwacht.Vraag 271Hoeveel uitkeringen zijn er in de afgelopen vijf jaar stopgezet naaraanleiding van bewuste fraude?Antwoord 271De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van overtre-dingen in de sociale zekerheid. Het stopzetten van de uitkering kansamenvallen met de sanctionering van een overtreding van de inlichtin-genplicht, maar niet elke schending van de inlichtingenplicht leidt totstopzetting van de uitkering. Als voorbeeld leidt een schending van deinlichtingenplicht in de bijstand alleen tot een stopzetting van de uitkeringals iemand eigen vermogen of inkomsten heeft en daardoor geen rechtmeer op de bijstandsuitkering. Hoeveel uitkeringen naar aanleiding vaneen overtreding van de inlichtingenplicht worden stopgezet, wordt nietspecifiek geregistreerd. Ook wordt niet geregistreerd of een sanctie hetgevolg is van bewuste of onbewuste regelovertreding. De onderstaandetabel geeft een weergave van het aantal boetes opgelegd voor schen-dingen van de inlichtingenplicht en aangiftes bij het OM door UWV, deSVB en gemeenten.Tabel: Opgelegde boetes en aangiftes bij het OM als gevolg van het overtreden van deinlichtingenplicht20192020202120222023UWV boetes4.7843.7002.1471.7211.068UWV aangiftes OM4241464642SVB boetes2.2861.079855862906SVB aangiftes OM149101113Gemeenten boetes10.5909.7106.6505.7804.250Gemeenten aangiftes OM19031015080110Bron: Beleidsinformatie SVB en UWV 2019–2023, CBS Bijstand Debiteuren en Fraude StatistiekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8146 (BDFS) 2019–2023 Vraag 272Hoeveel fraude met export-WW is er in de afgelopen vijf jaar geconsta-teerd, hoeveel is daarvan ingevorderd en hoeveel moet nog wordeningevorderd?Antwoord 272UWV publiceert cijfers over de overtreding van de inlichtingenplicht en demedewerkingsverplichting in de Kwantitatieve Bijlage. Daarin wordenovertredingen per wet en naar aard van de overtreding weergegeven.Overtredingen met betrekking tot export maken daar onderdeel van uit,maar worden niet afzonderlijk gepubliceerd. Er zijn geen aparte cijfersover ingevorderde bedragen en nog openstaande invorderingen metbetrekking tot de export-WW.Vraag 273Hoeveel euro is er in de afgelopen vijf jaar kwijtgescholden aan bewustefraude?Antwoord 273Hoeveel vorderingen ten gevolge van een overtreding van de inlichtingen-plicht zijn kwijtgescholden, wordt niet apart geregistreerd. Hierdoor zijn ergeen cijfers beschikbaar over het kwijtgescholden bedrag aan bewuste –dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen.Vraag 274Hoeveel WW-uitkeringen worden er per jaar geëxporteerd (uitgesplitst perland) en wat zijn de kosten hiervan?Antwoord 274Op grond van Verordening (EU) 883/2004 is het mogelijk om met behoudvan WW gedurende maximaal 3 maanden werk te zoeken in een anderelidstaat van de EU/EER.In totaal werden er in 2023 voor 2.562 personen WW-uitkeringengeëxporteerd voor een totaalbedrag van circa € 9,2 miljoen.In bijlage 1 bij het antwoord op vraag 276 is voor de WW voor 2023 eentabel opgenomen met een uitsplitsing van de uitkeringen en bedragen perland. De cijfers over voorgaande jaren zijn opgenomen in de beant-woording van vraag 231 bij de Begroting SZW 2024 (Kamerstukken II2022/23, 36 410 XV, nr. 12), vraag 140 bij het Jaarverslag SZW 2021(Kamerstukken II 2021/22, 36 100 XV, nr. 7) en de stand van de uitvoeringvan 22 juni 2022 (Deze brief bevat de exportcijfers UWV over 2021.Kamerstukken II 2021/22, 26 448, nr. 682).Vraag 275Waarom zijn er in 2023 minder mensen door het UWV gere-integreerd danin de jaren ervoor?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8147 Antwoord 275Tabel 4 in de SZW-begroting geeft inzicht in de mate waarin UWV mensenmet een beperking aan het werk heeft geholpen. Het totale aantal mensendat UWV in 2023 aan het werk heeft geholpen is gedaald. Deze daling zitmet name op de Wajong en in mindere mate op de ZW en WAO/WAZ. Hetaantal mensen dat door UWV aan het werk wordt geholpen vanuit de WIAis juist ten opzichte van 2022 toegenomen.De afname van het aantal nieuwe plaatsingen van mensen in de Wajongop de arbeidsmarkt komt naar verwachting door een steeds groteregemiddelde afstand tot de arbeidsmarkt van de mensen in de Wajong metarbeidsvermogen die nog niet werken. Dit heeft te maken met eenafnemend bestand van mensen met arbeidsvermogen in de Wajong doorhet afsluiten van de instroom in de Wajong voor mensen met arbeidsver-mogen sinds 2015 en een toename van de gemiddelde leeftijd van degroep met arbeidsvermogen. Daarnaast slaagt UWV er steeds beter in omde mensen in de Wajong die aan het werk worden geholpen aan het werkte houden.De instroom in de ZW-vangnetregeling in 2023 is ten opzichte van 2022met name voor de groep met een flexcontract sterk afgenomen. Hierdooris het aantal mensen dat aan het werk moet worden geholpen door UWVafgenomen. Dit kent ook zijn doorwerking in de plaatsingscijfers.De mate waarin mensen vanuit de WAO of WAZ aan het werk wordengeholpen door UWV hangt sterk af van de mate waarin deze groepen zichtmelden voor ondersteuning bij UWV. Het aantal mensen dat vanuit dezeregelingen ondersteuning op verzoek ontvangen is ten opzichte van 2022afgenomen.Vraag 276Hoeveel uitkeringen (uitgesplitst per uitkering per land) worden er per jaargeëxporteerd en wat zijn de kosten hiervan?Antwoord 276In bijlage 1 bij de beantwoording treft u de cijfers aan van UWV en SVBmet betrekking tot geëxporteerde uitkeringen over het jaar 2023 (Bron:UWV en SVB). De cijfers over voorgaande jaren zijn opgenomen in debeantwoording van vraag 231 bij de Begroting SZW 2024 (Kamerstukken II2022/23, 36 410 XV, nr. 12), vraag 140 bij het Jaarverslag SZW 2021(Kamerstukken II 2021/22, 36 100 XV, nr. 7) en de stand van de uitvoeringvan 22 juni 2022 (Deze brief bevat de exportcijfers UWV over 2021.Kamerstukken II 2021/22, 26 448, nr. 682).Vraag 277De re-integratie uitgaven arbeidsongeschiktheid worden tot en met 2029niet verhoogd, is dit een politieke keuze of kent dit een andere redenering?Antwoord 277Het re-integratiebudget is een taakstellend budget. UWV ontvangt ditbudget voor de inkoop van voorzieningen en de inkoop vanre-integratietrajecten en scholing voor mensen in de Wajong, ZW, WIA,WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege het afwijzen van een ZW- ofWIA-uitkering vanwege 35-min. Tot en met 2023 is het beschikbare budgetvoldoende gebleken. Op het moment dat besloten wordt om dere-integratie voor specifieke groepen te intensiveren, dan wel nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8148 groepen toe te voegen wordt bezien in hoeverre dit leidt tot aanpassingvan het budget.Vraag 278Is het geld dat gemeenten ontvangen voor sociale werkvoorzieningengeoormerkt? Zo nee, welke waarborgen heeft u dat de gelden terecht-komen bij de doelgroep?Antwoord 278Gemeenten ontvangen via meerdere wegen middelen voor de socialewerkvoorziening. De belangrijkste weg is via de integratie-uitkering (IU)binnen het gemeentefonds, waar middelen voor Beschut werk en de Wetsociale werkvoorziening (Wsw) zijn opgenomen. Ook ontvangengemeenten middelen via de algemene uitkering (AU) binnen het gemeen-tefonds en via het budget voor de bijstandsuitkeringen en loonkostensub-sidie (BUIG) als specifieke uitkering. Deze middelen kunnen ook ingezetworden bij de sociale werkvoorziening.De middelen die gemeenten ontvangen voor de sociale werkvoorzieningzijn vrij besteedbaar en zijn dus niet geoormerkt. Gemeenten kunnen ookeigen middelen inzetten. Gemeenten bepalen zelf hoe ze deze middelenbesteden, waarbij ze verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.Vraag 279Wat zijn de actuele dekkingsgraden en beleidsdekkingsgraden van de vijfgrootste pensioenfondsen?Antwoord 279Hieronder zijn de actuele dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad vande vijf grootste pensioenfondsen weergegeven:Tabel: Actuele dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad van de vijf grootstepensioenfondsenPensioenfondsDatumActuele dekkings-graadBeleidsdekkingsgraadABP30-8-2024114,5%113,9%PFZW31-8-2024109,7%110,0%PMT31-8-2024109,7%109,4%PME31-8-2024113,8%113,2%Bpf BOUW31-8-2024127,5%126,7%Bron: website betreffende pensioenfonds, geraadpleegd op 10-10-2024 Vraag 280Wat is de ontwikkeling aan totaal vermogen van pensioenfondsen in deafgelopen twee jaar?Antwoord 280Het totale belegd vermogen voor risico pensioenfondsen kent over delaatste twee jaar de volgende ontwikkeling in miljoenen euro’s:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8149 Tabel: Totale belegd vermogen voor risico pensioenfondsen (2022–2023), stand eindevan het jaar20221.425.81620231.548.711Bron: DNB statistieken, tabel 8.9, stand eind van het jaar, geraadpleegd op 10-10-2024. Het totale pensioenvermogen is in 2023 gestegen ten opzichte van 2022.Vraag 281Hoeveel Nederlanders en hoeveel huishoudens hebben te maken metproblematische schulden?Antwoord 281De meest recente cijfers van het aantal huishoudens met problematischeschulden dateren van 1 januari 2023. Op dat moment hadden 726.210huishoudens te maken met problematische schulden. Over het aantalNederlanders met problematische schulden zijn geen data voorhanden.Vraag 282Hoe wordt de effectiviteit van het quotum arbeidsbeperkten gemeten?Antwoord 282De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers- enwerknemersorganisaties om eind 2025 125.000 extra banen te hebbengerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking. Als de jaarlijksedoelstelling niet wordt gehaald, kan het kabinet besluiten een quotum-heffing op te leggen. Momenteel is de quotumheffing niet geactiveerd. Deeffectiviteit van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten wordtperiodiek geëvalueerd. Dit is voor het laatst in 2019 gedaan, waarbij zowelinterviews, enquêtes en kwantitatieve analyses zijn toegepast. Uit dieevaluatie bleek voor de quotumregeling onder andere dat 60% van dewerkgevers bekend is met het quotum arbeidsbeperkten. Uit de evaluatiebleek ook dat bij overheidswerkgevers de dreiging van een quotumheffinginvloed heeft gehad op de beslissing om mensen met een beperking indienst te nemen.In het wetsvoorstel Vereenvoudiging van de banenafspraak en dequotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking dat op17 oktober 2023 aan uw Kamer is aangeboden, is ook opgenomen datbinnen 5 jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag over dedoeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan uw Kamerwordt gestuurd.Vraag 283Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de maatregel rondom deWW?Antwoord 283Op dit moment is de Minister van SZW nog bezig met de uitwerking vande WW-maatregel. Eind 2024 wordt de Kamer nader geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8150 Vraag 284Wanneer wordt het onderzoek duurverkorting WW naar de Kamergestuurd?Antwoord 284Het onderzoeksrapport wordt naar verwachting in maart/april 2025opgeleverd. Daarna zal het naar uw Kamer worden gestuurd.Vraag 285Is er een tussentijdse evaluatie beschikbaar van het Plan van AanpakStatushouders aan het Werk?Antwoord 285Over het hele plan van aanpak in zijn geheel is geen tussentijdse evaluatiebeschikbaar. Op een aantal belangrijke onderdelen wordt hier wel invoorzien.In december 2024 start het overkoepelend onderzoek naar de werkendeelementen van de proeven voor Startbanen voor Starthouders. Tijdensdeze proeven door een aantal gemeenten en arbeidsmarktregio’suitgevoerd, krijgen statushouders die onder de Wet inburgering 2021vallen, bij vestiging in een gemeente direct een baan aangeboden. Wevragen het onderzoeksbureau om zo spoedig mogelijk met een tussenrap-portage over de eerste inzichten te komen. Deze inzichten worden met deTweede Kamer gedeeld in de Kamerbrief Voor een Inclusieve Arbeids-markt (voor jaar 2025).Ook start er in februari 2025 een evaluatie naar de subsidieregeling voorwerkgevers. Deze subsidieregeling biedt werkgevers een financiëletegemoetkoming voor de extra begeleiding van statushouders op dewerkvloer gericht op het verkleinen van de taal- en cultuurverschillen. Indeze evaluatie wordt naast de doeltreffendheid en doelmatigheid van deregeling onderzocht in hoeverre de subsidie ertoe heeft geleid datstatushouders duurzaam participeren op de arbeidsmarkt en welkewerkzame elementen hieraan ten grondslag liggen. In de evaluatieworden de tijdvakken in 2024, 2025 en 2026 meegenomen. Eind 2025wordt een tussenrapportage opgeleverd om zo nodig het tijdvak van 2026te kunnen bijsturen. Deze tussenrapportage wordt gedeeld met de TweedeKamer via een voortgangsbrief van het programma Voor een InclusieveArbeidsmarkt.Vraag 286Kunt u per financieel instrument een overzicht verstrekken van welkegelden er per jaar bestuurlijk gebonden zijn? Wat zijn de juridischeconsequenties van deze gebondenheid?Antwoord 286Van alle financiële instrumenten onder artikel 1 van deSZW-ontwerpbegroting 2025 is er slechts één met bestuurlijk gebondenbudget. Dat is de subsidie voor Meer Uren Werkt!. Per 1 januari 2025 iscirca € 3,3 miljoen voor deze subsidie bestuurlijk gebonden. Met hetfondsbeheer van het Ministerie van Economische Zaken zijn afsprakengemaakt over de meerjarige besteding van de middelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8151 budget x € 1.000202520262027202820292030Meer uren werkt! (bestuur-lijk gebonden)3.2803.1023.1603.2894.407– Vraag 287Kunt u per financieel instrument een overzicht verstrekken van welkegelden er per jaar beleidsmatige gereserveerd zijn?Antwoord 287In onderstaande tabel worden de beleidsmatig gereserveerde budgettenper financieel instrument onder artikel 1 van de SZW-ontwerpbegroting2025 weergegeven. De budgetflexibiliteit is alleen beschikbaar voor hetbegrotingsjaar 2025.De financiële instrumenten inkomensoverdrachten, bekostiging, bijdrageaan (andere) begrotingshoofdstukken, bijdrage aan agentschappen enbijdrage aan medeoverheden zijn uit dit overzicht weggelaten omdat allehieronder vallende budgetten juridisch verplicht zijn.Subartikelonderdelen onder de financiëleinstrumenten «Subsidies» en«Opdrachten»beleidsmatig gereserveerd (x € 1.000)Subsidies (regelingen)Overige subsidies algemeen9.883Duurzame inzetbaarheid en leven langontwikkelen1.743Stimuleringregeling LLO in MKB78.014Stimulans Arbeidsmarktpositie–Tijdelijke Noodmaatregel OverbruggingWerkgelegenheid–Nederland leert door–Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheiden Eerder Uittreden–Subsidie Meer Uren Werkt–OpdrachtenOpdrachten11.117Totaal100.756 Vraag 288Wat is het bedrag dat de afgelopen vijf jaar is ingevorderd aan bewustefraude met sociale zekerheid en welk bedrag staat er nog open?Antwoord 288De term bewuste fraude wordt niet gebruikt in de registratie van boetesvoor overtredingen in de sociale zekerheid. Daarnaast wordt het boete-bedrag niet per categorie van verwijtbaarheid, zoals verminderdeverwijtbaarheid of opzet, bijgehouden. Hierdoor zijn er geen cijfersbeschikbaar over het ingevorderde noch openstaande bedrag aanbewuste – dan wel opzet of grove schuld – fraudevorderingen. Wel zijn ercijfers beschikbaar over het percentage dat is ingevorderd over de jaren2019 – 2023. Het betreft incassoratio’s over alle vorderingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8152 Tabel: Incassoratio, benadelingsbedrag + boetevordering, ultimo 2023 (%)20192020202120222023UWV6553473916SVB4642523516Gemeenten4035292414Bron: begroting SZW 2025 Vraag 289Constaterende dat vanaf 1 april 2020 alle werkgevers worden gecompen-seerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag vaneen twee jaar zieke werknemer, en constaterende dat deze compensatiere-geling vanaf 1 juli 2026 beperkt wordt tot kleine werkgevers met minderdan 25 werknemers, kan inzicht geboden worden in de bedragen diesociaal ontwikkelbedrijven de afgelopen jaren aan transitievergoedingenhebben uitgegeven?Antwoord 289Zie het antwoord op vraag 207.Vraag 290Kunnen de gevolgen in kaart worden gebracht van de afschaffing van decompensatieregeling voor de sociaal ontwikkelbedrijven en de doelgroepdie hier in dienst is?Antwoord 290Zie het antwoord op vraag 206.Vraag 291Welke afweging ligt ten grondslag aan de keuze om voor alle bedrijvenmet >25 werknemers de compensatie voor de transitievergoeding af teschaffen?Antwoord 291Zie het antwoord op vraag 205.Vraag 292Wat zijn de gevolgen van de afschaffing van de compensatieregeling voorde sociaal ontwikkelbedrijven en de doelgroep die hier in dienst is?Antwoord 292Zie het antwoord op vraag 206.Vraag 293Welke bedragen hebben sociaal ontwikkelbedrijven de afgelopen jarenaan transitievergoedingen uitgegeven?Antwoord 293Zie het antwoord op vraag 207.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8153 Vraag 294Wat is de oorzaak van de verwachte stijging van het aantal langdurig ziekewerknemers in 2024 en 2025?Antwoord 294Door de groeiende werkgelegenheid en de stijging van de AOW-leeftijd iser een toename van het aantal mensen dat deelneemt aan de arbeids-markt. Dit heeft effect op het aantal langdurig zieken en arbeidsonge-schikten. De toename van het aantal arbeidsongeschikten kan verderworden verklaard door tijdelijke factoren als corona (post-COVID). Eendeel van de toename van het aantal arbeidsongeschikte werknemers isnog onbekend. UWV doet hier onderzoek naar. Naar verwachting wordthet onderzoek aan het einde van het jaar afgerond. Zie ook het antwoordop vraag 124.Vraag 295Op welke manier gaat u inzetten op werk om armoede te voorkomen?Antwoord 295Mensen die in armoede leven hebben vaak geen of weinig inkomen uitwerk. Meer werken kan, wanneer dat mogelijk is, dan ook een goede weguit armoede zijn.Het kabinet zet verschillende stappen om mensen aan te moedigen meerte werken. Bijvoorbeeld door werken aantrekkelijker te maken. Zie vooreen overzicht daarvan het antwoord op vraag 90. In de voortgangsbriefover het armoede- en schuldenbeleid gaat de Staatssecretaris Participatieen Integratie nader in op beleid gericht op werkende armen.Vraag 296Het kabinet wil met gemeenten effectieve interventies opschalen omversnippering tegen te gaan en het gemeentelijk armoedebeleid teverbeteren, wat wordt hier concreet mee bedoeld?Antwoord 296Het kabinet wil er samen met gemeenten voor zorgen dat het beleid om(kinder)armoede aan te pakken verbetert. Het Ministerie van SZW zal inoverleg met gemeenten, inwoners en overige relevante stakeholdersverkennen welke mogelijkheden er zijn om het (kinder)armoedebeleid teverbeteren. De inzet is onder meer om niet-gebruik van voorzieningentegen te gaan, om de positie van werkende armen te verbeteren en om, inlijn met de Europese kindergarantie, de oorzaken van (intergenerationele)kinderarmoede en de effecten hiervan op zorg, onderwijs, leefomgevingen veiligheid integraal aan te pakken.Er bestaan vele initiatieven die geldzorgen helpen voorkomen en vroegaanpakken, vaak ontwikkeld door gemeenten en/of private partijen. Omgemeenten en andere organisaties te helpen om een keuze te maken uithet aanbod, heeft de VNG een routekaart Financiële Zorgen gemaakt.Daarin wordt per «mijlpaal» in het hulpproces aangegeven welkeinformatie en initiatieven er bestaan voor professionals. De routekaartFinanciële Zorgen biedt gemeenten praktische tools om capaciteit enmiddelen optimaal te benutten, kennis te delen en op gelijke voet samente werken. De initiatieven van SchuldenlabNL zijn ook opgenomen in deroutekaart Financiële Zorgen. Ook verkent Schuldenlab momenteel metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8154 steun van het Ministerie van SZW welke interventies gericht op debestrijding van armoede effectief en opschaalbaar zijn.Ook heeft het Ministerie van SZW vorig jaar de effectiviteit van dertiginterventies voor preventie en vroege aanpak van geldzorgen latenonderzoeken, met de vraag wat de werkzame bestanddelen zijn. De dertiginterventies zijn een dwarsdoorsnede van het grotere aanbod aanlaagdrempelige hulpvormen en andere manieren om mensen te helpenom beter rond te komen.Dit onderzoek heeft als doel om gemeenten en andere organisaties extrahandvatten te geven in hun keuzeproces voor de inzet op de preventie vangeldzorgen. Onderzoekers hebben een instrument ontwikkeld datgemeenten en andere maatschappelijke organisaties helpt om meer gripte krijgen op de diversiteit van interventies en om te kiezen welke(werkzame onderdelen van) interventies ingezet en opgeschaald kunnenworden. Het rapport is opgenomen in de kennisbundel van Divosa.Vraag 297Constaterende dat er wordt gekeken naar de rol die gerechtsdeurwaardersmet betrekking tot vroegsignalering kunnen vervullen, wordt er rekeninggehouden met een tarief voor gerechtsdeurwaarders? Hoeveel middelenvergt dit?Antwoord 297In de kabinetsreactie op het IBO problematische schulden heeft hetkabinet aangegeven uit te zullen werken hoe een wettelijke zorgplicht voorgerechtsdeurwaarders ten aanzien van schuldenaren vorm kan krijgen.Hiervoor zal ook nagedacht worden over een passende financiering,bijvoorbeeld in de vorm van een sociaal tarief. Hoeveel middelen hiervoorprecies benodigd zijn, is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de nadereuitwerking. In de kabinetsreactie op het IBO problematische schulden isaangekondigd dat voor maatregelen ten aanzien van invordering,waaronder een wettelijke zorgplicht, vanaf 2025 jaarlijks structureel € 3miljoen beschikbaar wordt gesteld.Vraag 298Hoeveel miljard euro per jaar aan bijstandsuitkeringen gaat er bijbenadering naar niet-westerse allochtonen en hoeveel naar westerseallochtonen en hoeveel naar autochtonen? Kunt u dit uitsplitsen?Antwoord 298In 2024 is het definitieve budget voor (algemene) bijstand circa € 6,6miljard. Het is niet mogelijk om de uitgaven aan bijstandsuitkeringen uit tesplitsen naar achtergrondkenmerken omdat het uitgekeerde bedrag perindividu verschilt.De individuele bijstandsuitkering is onder meer afhankelijk van iemandsleeftijd, huishoudsamenstelling en bijverdiensten. Deze gegevens zijn perindividu niet voorhanden.Ook heeft het CBS sinds 2022 geleidelijk een nieuwe indeling van debevolking naar herkomst geïntroduceerd. Hierdoor is het vanaf 2024 nietmeer mogelijk om uitsplitsingen te maken naar niet-westerse en westersemigratieachtergrond. De nieuwe hoofdindeling in de bijstandsstatistiekonderscheidt een herkomst uit Nederland, Europa en buiten Europa.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8155 Vraag 299Hoeveel procent van het totaal aan bijstandsuitkeringen gaat naarniet-westerse allochtonen, westerse allochtonen en autochtonen? Kunt udit uitsplitsen?Antwoord 299Het is niet mogelijk om uitgaven aan bijstandsuitkeringen procentueel uitte splitsen naar achtergrondkenmerken omdat het uitgekeerde bedrag perindividu verschilt. De individuele bijstandsuitkering is onder meerafhankelijk van iemands leeftijd, huishoudsamenstelling en bijver-diensten. Deze gegevens zijn per individu niet voorhanden.Ook heeft het CBS sinds 2022 geleidelijk een nieuwe indeling van debevolking naar herkomst geïntroduceerd. Hierdoor is het vanaf 2024 nietmeer mogelijk om uitsplitsingen te maken naar niet-westerse en westersemigratieachtergrond. De nieuwe hoofdindeling in de bijstandsstatistiekonderscheidt een herkomst uit Nederland, Europa en buiten Europa.Vraag 300Wat is het percentage niet-westerse allochtonen, westerse allochtonen enautochtonen dat een vrijstelling heeft van de sollicitatieplicht?Antwoord 300Eind eerste kwartaal 2024 waren er 43.210 geregistreerde59 personen meteen formele ontheffing van de arbeidsverplichting op basis van artikel 9,tweede of vijfde lid, dan wel op basis van artikel 9a van de Participatiewet.Dit is 11% van het totaal aantal mensen met een bijstandsuitkering.Gegevens over de herkomst van de mensen met een ontheffing zijn nietvoorhanden.Vraag 301Hoeveel gemeenten geven aan niet te handhaven op de taaleis binnen debijstand?Antwoord 301Een recente inventarisatie van gemeenten die aangeven de taaleis niet tehandhaven is niet beschikbaar. Uit de evaluatie van de taaleis60, uitge-voerd in 2019, blijkt dat het belang van taal voor participatie op dearbeidsmarkt breed wordt onderschreven. Door het verplichtende karaktervan de taaleis in de Participatiewet is de aandacht van gemeenten en huninzet op verbeteren van taalvaardigheid minder vrijblijvend geworden. Detaaleis houdt in dat bijstandsgerechtigden de Nederlandse taal opreferentieniveau 1F moeten beheersen en anders gekort worden op hunuitkering. In de evaluatie van de taaleis kwam naar voren dat maatregelenin het kader van de taaleis in de Participatiewet nauwelijks wordenopgelegd. Dit beeld spreekt ook uit recente CBS gegevens: per kwartaalworden er minder dan 10 maatregelen opgelegd vanwege het niet(voldoende) nakomen van afspraken met betrekking tot beheersing van deNederlandse taal61.59Bijstand, eerste kwartaal 2024 | CBS60Kamerstukken II, 2019/20, 34 352, nr. 18661https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2024/13/bijstand-eerste-kwartaal-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8156 Vraag 302Hoeveel mensen hebben een vrijstelling voor de sollicitatieplicht en watzijn de voornaamste redenen daarvoor?Antwoord 302Eind eerste kwartaal 2024 waren er 43.210 personen met een geregis-treerde62 ontheffing van de arbeidsverplichting op basis van artikel 9,tweede of vijfde lid, dan wel op basis van artikel 9a van de Participatiewet.Dit is 11% van het totaal aantal mensen met een bijstandsuitkering.De ontheffing op basis van artikel 9, vijfde lid, Participatiewet geldt voormensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als bedoeld in deWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De ontheffing opbasis van artikel 9a van de Participatiewet kan worden verleend aan eenalleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn lastkomend kind tot vijf jaar. Deze ontheffing duurt ten hoogste vijf jaar. Deontheffing op basis van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet istijdelijk en kan in individuele gevallen worden verleend indien daarvoordringende redenen aanwezig zijn. Zorgtaken kunnen als dringenderedenen worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kanworden gehouden door middel van het aanbieden van een voorziening.De duur van een tijdelijke ontheffing varieert van een half jaar tot 3 jaar63.Vraag 303Hoe verhoudt tabel 30 zich tot het aantal mensen met een arbeidsbe-perking?Antwoord 303Met tabel 30 wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van hetaantal mensen met een arbeidsbeperking dat aan het werk is. Hiertoeworden de volgende doelgroepen gerekend: mensen werkend binnen deBanenafspraak, mensen werkend op een interne plaatsing Wsw enmensen werkend met een positief advies beschut werk.Omdat niet alle mensen met een arbeidsbeperking worden geregistreerd,is niet geheel aan te geven hoe het overzicht van tabel 30 zich hiertoeverhoudt. Wel is bekend dat van de mensen die in het doelgroepenre-gister zijn opgenomen eind 2023 52% aan het werk was (Bron: UWV,Dashboard Banenafspraak, geraadpleegd 11-10-2024). En van de mensenmet een geldig positief advies beschut werk was eind 2023 67% aan hetwerk (Bron: UWV, Dashboard Beschut Werk, geraadpleegd 11-10-2024).Vraag 304Hoeveel budget is er in 2025 beschikbaar voor re-integratiedienstverleningvanuit het UWV voor de doelgroep WIA 35–80 en hoe verhoudt dat budgetzich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 304UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-62Bijstand, eerste kwartaal 2024 | CBS63Handhaving arbeidsverplichtingen, Nederlandse Arbeidsinspectie 2017Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8157 passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitartikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premiegefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 35–80.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.7151 Dit zijn realisatiesBron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 305Op hoeveel gesprekken met het UWV over hun re-integratie kunnenmensen in de doelgroep WIA 35–80 in 2025 minimaal rekenen en hoeverhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 305Persoonlijke dienstverlening is maatwerk en afhankelijk van de mogelijk-heden en behoeften van uitkeringsgerechtigden. Het aantal gesprekkendat UWV inzet om mensen te activeren verschilt daarbij van persoon totpersoon. Tot en met 2022 heeft SZW prestatieafspraken gemaakt over deinzet van persoonlijke dienstverlening in het kader van de WIA. Allemensen die vanuit een publiek verzekerde werkgever instromen in deWGA worden de eerste 5 jaar actief ondersteund naar werk. Na deze 5 jaarbiedt UWV dienstverlening op verzoek. Voor de mensen in actievedienstverlening zet UWV jaarlijks ten minste 1 en gemiddeld 2 gesprekkenin. Met ingang van 2025 zijn nieuwe prestatieafspraken gemaakt. UWV zetgemiddeld 7 uur persoonlijk dienstverlening in voor mensen in deWGA-dienstverlening.In het kader van het effectonderzoek WIA-dienstverlening is onderzoekgedaan naar de effectiviteit van het intensiveren van deze dienstverlening.De Minister van SZW verwacht de eindrapportage van het effectenon-derzoek voor de zomer van 2025 aan uw Kamer aan te bieden.Vraag 306Hoeveel budget is er bij het UWV in 2025 beschikbaar voor de inzet vanscholing bij de re-integratie van mensen in de doelgroep WIA 35–80 en bijhoeveel procent van deze doelgroep kan er in 2025 daarmee scholingworden ingezet en hoe verhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 306UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8158 artikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premiegefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 35–80.Inzet van ingekochte re-integratie en scholing is maatwerk. Daarbij zijn demogelijkheden en behoeften van de uitkeringsgerechtigde maatgevend.Het beschikbare budget is daarom niet onderverdeeld in een budget voorvoorzieningen, scholing en re-integratietrajecten. Sinds juni 2022 brengtUWV in het kader van een scholingsexperiment binnen vier vestigingende mogelijkheid van inzet van scholing meer expliciet onder de aandachtvan mensen in de WIA. Op dit moment werkt UWV aan het eindrapportvan dit onderzoek. Het eindrapport stuurt de Minister van SZW uw Kameruiterlijk begin 2025 toe.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.715Bron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 307Hoeveel budget is er in 2025 beschikbaar voor re-integratiedienstverleningvanuit het UWV voor de doelgroep WIA 35-min en hoe verhoudt datbudget zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 307UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitartikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premiegefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 35-min.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.715Bron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 308Op hoeveel gesprekken met het UWV over hun re-integratie kunnenmensen in de doelgroep WIA 35-min in 2025 minimaal rekenen en hoeverhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 308De doelgroep WIA 35-min betreft mensen die niet voor een WIA-uitkeringin aanmerking komen. UWV heeft de mogelijkheid gekregen om specifiekvoor deze groep, wanneer zij in de WW zitten, re-integratie in te kunnenkopen vanuit het re-integratiebudget arbeidsgehandicapten. Voor dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8159 mensen is vanuit de reguliere WW-dienstverlening 6 uur dienstverleningbeschikbaar per jaar. Dit is de afgelopen jaren niet gewijzigd.Vraag 309Hoeveel budget is er bij het UWV in 2025 beschikbaar voor de inzet vanscholing bij de re-integratie van mensen in de doelgroep WIA 35-min enbij hoeveel procent van deze doelgroep kan er in 2025 daarmee scholingworden ingezet en hoe verhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 309UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitartikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premiegefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 35-min.Inzet van ingekochte re-integratie en scholing is maatwerk. Daarbij zijn demogelijkheden en de behoefte van de uitkeringsgerechtigde maatgevend.Het beschikbare budget is daarom niet onderverdeeld in een budget voorvoorzieningen, scholing en re-integratietrajecten.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.715Bron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 310Hoeveel budget is er in 2025 beschikbaar voor re-integratiedienstverleningvanuit het UWV voor de doelgroep WIA 80–99/Inkomensvoorzieningvolledig arbeidsongeschikten (IVA) en hoe verhoudt dat budget zich tot dejaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 310UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitartikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premie gefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 80–99.Mensen in de IVA hadden tot april 2023 geen recht op re-integratieondersteuning en daarmee geen recht op inzet van ingekochtere-integratietrajecten of scholing. Met de start van het experimentTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8160 dienstverlening IVA en Wajong-DGA kunnen mensen in de IVA wel opverzoek aanspraak maken op arbeidsondersteuning door UWV. Indiendaarbij inzet van een inzet van re-integratie noodzakelijk is kan UWVmiddelen uit het premie gefinancierde re-integratiebudget inzetten.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.715Bron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 311Op hoeveel gesprekken met het UWV over hun re-integratie kunnenmensen in de doelgroep WIA 80–99/IVA in 2025 minimaal rekenen en hoeverhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 311Persoonlijke dienstverlening is maatwerk en afhankelijk van de mogelijk-heden en behoeften van uitkeringsgerechtigden. Het aantal gesprekkendat UWV inzet om mensen te activeren verschilt daarbij van persoon totpersoon. Tot en met 2022 heeft SZW prestatieafspraken gemaakt over deinzet van persoonlijke dienstverlening in het kader van de WIA.Alle mensen die vanuit een publiek verzekerde werkgever instromen in deWGA worden de eerste 5 jaar actief ondersteund naar werk. Na deze 5 jaarbiedt UWV dienstverlening op verzoek. Voor de mensen in actievedienstverlening zet UWV jaarlijks ten minste 1 en gemiddeld 2 gesprekkenin. Met ingang van 2025 zijn nieuwe prestatieafspraken gemaakt. UWV zetgemiddeld 7 uur persoonlijk dienstverlening in voor mensen in deWGA-dienstverlening.In het kader van het effectonderzoek WIA-dienstverlening is onderzoekgedaan naar de effectiviteit van deze dienstverlening. De Minister vanSZW verwacht de eindrapportage van het effectenonderzoek voor dezomer van 2025 aan uw Kamer aan te bieden.Vraag 312Hoeveel budget is er bij het UWV in 2025 beschikbaar voor de inzet vanscholing bij de re-integratie van mensen in de doelgroep WIA 80–99/IVAen bij hoeveel procent van deze doelgroep kan er in 2025 daarmeescholing worden ingezet en hoe verhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023en 2022?Antwoord 312UWV heeft de beschikking over een taakstellend re-integratiebudget voorde inkoop van werkvoorzieningen voor mensen met een beperking (ondermeer: jobcoaching, gebarentolk, vervoersvoorzieningen en werkplekaan-passing) en de inkoop van re-integratietrajecten en scholing voor mensenin de Wajong, ZW, WIA, WAO, WAZ en mensen in de WW vanwege hetafwijzen van een ZW- of WIA-uitkering vanwege 35-min. Daarin wordtenkel onderscheid gemaakt in een premiegefinancierd budget vanuitartikel 3 SZW begroting en een begrotingsgefinancierd budget vanuitartikel 4 SZW begroting. Er wordt geen onderscheid gemaakt in detoedeling tussen de verschillende premiegefinancierde doelgroepen,waaronder WIA 80–99.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8161 Inzet van ingekochte re-integratie en scholing is maatwerk. Daarbij zijn demogelijkheden en behoeften van de uitkeringsgerechtigde maatgevend.Het beschikbare budget is daarom niet onderverdeeld in een budget voorvoorzieningen, scholing en re-integratietrajecten. Sinds juni 2022 brengtUWV in het kader van een scholingsexperiment de mogelijkheid van inzetvan scholing meer expliciet onder de aandacht van mensen in de WIA. Bijde vier vestigingen die meededen aan het experiment is voor 224 mensenscholing ingekocht. Op dit moment werkt UWV aan het eindrapport vandit onderzoek. Het eindrapport stuurt de Minister van SZW uw Kameruiterlijk begin 2025 toe.Mensen in de IVA hadden tot april 2023 geen recht op re-integratieondersteuning en daarmee geen recht op inzet van ingekochtere-integratietrajecten of scholing. Met de start van het experimentdienstverlening IVA en Wajong-DGA kunnen mensen in de IVA wel opverzoek aanspraak maken op arbeidsondersteuning door UWV. Indiendaarbij inzet van een inzet van re-integratie, waaronder scholing,noodzakelijk is kan UWV middelen uit het premiegefinancierdere-integratiebudget inzetten.(bedragen x € 1.000)202212023120242025Premiegefinancierd re-integratiebudget (WIA/WAO/WAO/ZW/WW 35-min)101.149111.673123.380135.715Bron: SZW Begroting 2024 en 2025 Vraag 313Hoeveel procent van de mensen in de doelgroep WIA 35–80 weet na deloongerelateerde fase hun restverdiencapaciteit afdoende in te vullenzodat ze niet in de vervolguitkering terechtkomen, welke ontwikkeling ziter de afgelopen vier jaar in dat percentage en wat is de verwachtingdaarin voor 2025?Antwoord 313Gemiddeld werkt circa de helft van de mensen na de loongerelateerdefase waardoor zij een loonaanvullingsuitkering ontvangen, en niet in devervolguitkering terecht komen. Over de periode van 2020 tot en met 2023is er een lichte stijging zichtbaar, zoals blijkt uit onderstaande tabel. Erwordt geen raming gemaakt waardoor de verwachting voor 2025 nietbekend is.2020202120222023Aandeel werkende WGA-ers met resterendeverdiencapaciteit dat in voldoende mate werktna de loongerelateerde fase47,9%49,7%51,8%52,2%Bron: UWV, Kwantitatieve informatie 2020, 2021, 2022, 2023, geraadpleegd 10-10-2024. Vraag 314Hoeveel procent van de mensen in de doelgroep WIA 35-min ismomenteel aan het werk en wat is daar de verdeling in qua hoogte vanhet inkomen en wat is daar de afgelopen vier jaar de ontwikkeling ingeweest?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8162 Antwoord 314UWV biedt met de periodieke monitor arbeidsparticipatie arbeidsbe-perkten inzicht in de arbeidsparticipatie van mensen die toe de doelgroepWIA 35-min behoren. UWV heeft als afbakening van de doelgroep WIA35-min gekozen voor iedereen die de afgelopen vijf jaar 35-minner isgeworden. De meest recente monitor geeft inzicht in de arbeidspartici-patie voor de jaren tot en met 2022. De monitor maakt daarbij geenonderscheid in inkomensklassen.Tabel: Arbeidsparticipatie WIA 35-min2019202020212022Aantal33.20033.40036.90039.100Aandeel50%48%50%52%Bron: UWV: monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2023 Vraag 315Hoeveel procent van de mensen in de doelgroep WIA 35-min heeftmomenteel een Participatiewetuitkering en wat is daar de afgelopen vierjaar de ontwikkeling in geweest?Antwoord 315Mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt worden verklaard,ontvangen geen WIA-uitkering. Op basis van de «UWV Monitor arbeids-participatie arbeidsbeperkten 2023» is bekend dat 52% van de 35-minnerseen dienstverband heeft.64 35-minners die niet werken, kunnen inaanmerking komen voor een WW- of Participatiewetuitkering indien zijvoldoen aan de voorwaarden. Er is geen recent onderzoek gedaan naarhet aantal 35-minners met een Participatiewetuitkering. Het IBO uit 2017laat zien dat circa 16% van de 35-minners in de periode 2010–2015 eenbijstandsuitkering had.65Vraag 316Hoeveel budget is er in 2025 beschikbaar voor het UWV voor de uitoe-fening van hun taak vanuit SUWI artikel 30a, lid 1b («werknemers, diekunnen aantonen dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zaleindigen en van wie naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij rechtzullen hebben op een uitkering op grond van hoofdstuk II van deWerkloosheidswet;»), welke aantallen mensen kunnen daarmee wordengeholpen en hoe verhoudt dat zich tot de jaren 2024, 2023 en 2022?Antwoord 316De gehele dienstverlening van UWV aan (potentiële) WW-gerechtigdenwordt op dit moment gefinancierd op basis van de geraamde aantallenWW-gerechtigden in het betreffende jaar. De werkgeversdienstverleningwordt hier, als vaste component, ook uit gefinancierd. De subdoelgroepzoals beschreven in lid 1b die zich meldt bij UWV komt in aanmerkingvoor zogenaamde preventieve dienstverlening. Alle mensen die zich opdeze grond melden bij UWV worden in beginsel geholpen. Deze preven-64Bron: UWV Monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2023, geraadpleegd 10-10-202465Bron: IBO Geschikt voor de arbeidsmarkt 2017, geraadpleegd 15-10-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8163 tieve dienstverlening wordt, net als voorgaande jaren, niet apart geregis-treerd, gefinancierd of gebudgetteerd.Vraag 317Tijdens het rondetafelgesprek in van de commissie SZW over knelpunten-brieven SVB enz. van 11 september jl. deed de SVB Cliëntenraad desuggestie om de afkoop van kleine AOW-pensioen voor inwoners inbuitenland mogelijk te maken, heeft u deze suggestie onderzocht en kuntu toelichten wat uw bevindingen zijn?Antwoord 317Er is een eerste inventariserend onderzoek gedaan naar deze variant.Daaruit komt naar voren dat de grootste complexiteit in de internationaleuitvoering van de AOW betrekking heeft op de vaststelling van verzeke-ringstijdvakken en in sommige gevallen het vaststellen van de leefvorm.De SVB moet bij de AOW-aanvraag beoordelen hoeveel verzekeringstijd-vakken zijn opgebouwd over de afgelopen 50 jaar. Dat is complex. Ook bijhet afkopen van kleine AOW-pensioenen zou de SVB nog steeds dezeverzekeringstijdvakken moeten vaststellen. Bovendien leidt vrijwilligeafkoop van kleine AOW-pensioenen tot toenemende complexiteit enverplichte afkoop van kleine AOW-pensioenen tot andere dilemma’s,bijvoorbeeld in relatie tot gelijke behandeling. SZW en SVB zullenvarianten voor afkoop verder onderzoeken.Vraag 318Kan er een stand van zaken worden gegeven van het onderzoek naar degevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep?Antwoord 318De Centrale Raad van Beroep heeft in juli 2024 een aantal uitsprakengedaan die gaan over de WIA-dagloonvaststelling. Momenteel is UWV, insamenspraak met de Minister van SZW, bezig met het opstellen van eenplan van aanpak om het dagloon van uitkeringsgerechtigden met eenlopende WIA-uitkering en die te maken hebben gehad met een loonloostijdvak in de WIA-referteperiode, te herzien per toekomende tijd. Bij deuitwerking is bijzondere aandacht voor de effecten voor de uitkeringsge-rechtigden, bijvoorbeeld door te kijken naar de doorwerking naar anderefinanciële regelingen zoals toeslagen. Ook zal hierbij aandacht zijn voor deafhandeling van andere herstelacties rondom de hoogte van de uitke-ringen, om te voorkomen dat uitkeringsgerechtigden in korte tijd metmeerdere herstelacties geconfronteerd worden. Ook wordt gekeken naarde effecten voor de betrokken (ex-)werkgevers en de impact op deuitvoering. De Minister van SZW streeft ernaar om de Kamer beginvolgend jaar over de verdere afhandeling te informeren, wanneer meerbekend is over de dwarsverbanden met de herstelactie naar aanleidingvan onjuiste WIA-beoordelingen. Het uitgangspunt is dat de uitkeringsge-rechtigde krijgt waar hij recht op heeft.Vraag 319Tot hoeveel besparingen in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverze-kering (WAO), WIA, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen(WAZ) en Wajong leidt de afschaffing van de tegemoetkoming arbeidson-geschikten per 2027 in samenhang met de verlaging van het eigen risicoin de zorg?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8164 Antwoord 319De totale besparing door het afschaffen van de AO-tegemoetkomingbedraagt in 2027 ongeveer € 290 miljoen, waarvan (afgerond) € 70miljoen in de IVA, € 100 miljoen in de WGA, € 35 miljoen in de WAO, € 1miljoen in de WAZ en € 80 miljoen in de Wajong.Vraag 320Hoe zal een eventuele verlaging van de arbeidsongeschiktheidsdrempelzijn weerslag vinden op de budgettaire gevolgen van het beleid bijvoor-beeld bij een drempelverlaging van 35 procent naar 25 procent?Antwoord 320Een verlaging van de arbeidsongeschiktheidsdrempel zorgt voor eentoename van de instroom in de wet WIA, de Ziektewet en de Toesla-genwet, waardoor de uitkeringslasten toenemen. Daarnaast nemen deuitvoeringskosten van UWV als gevolg van de toegenomen instroom toe.Door een inverdieneffect zorgt de maatregel voor een besparing van deuitgaven van de Werkloosheidswet en Participatiewet. Bij de meestrecente raming is becijferd dat de drempelverlaging van 35 procent naar25 procent per saldo zorgt voor een structurele toename van de uitgavenvan € 285 miljoen.Vraag 321Waarom wordt er vanaf 2026 bezuinigd op de subsidieregelingpraktijkleren?Antwoord 321In het Hoofdlijnenakkoord is besloten tot een rijksbrede generiekebezuiniging op subsidies van € 1 miljard. In de nadere uitwerking hiervanis ervoor gekozen om als onderdeel hiervan 30% te bezuinigen op desubsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg. Achtergrond hiervan isonderuitputting van deze subsidieregeling in het verleden. Het budgetwordt daarom met € 1,2 miljoen verlaagd naar € 2,8 miljoen vanaf 2026.Vraag 322Wat is het verschil in de verhoging van de toeslagpercentages tussen demiddeninkomens en hoge en lage inkomens?Antwoord 322Er bestaat geen vaste definitie voor lage, midden- en hoge inkomens. Terindicatie kan gesteld worden dat de vergoedingspercentages voorhuishoudens met lagere inkomens (tot en met € 29.392) in 2025 niethoger zullen zijn dan in 2024. Deze huishoudens hebben immers al rechtop het maximale vergoedingspercentage van 96%. De vergoedingsper-centages voor huishoudens met hoge inkomens (vanaf € 159.225) zijn in2025 ook niet hoger dan in 2024, want deze worden niet gewijzigd met deeerste stap van het ingroeipad. Huishoudens met inkomens tussen€ 29.392 en € 159.225 ontvangen in 2025 wel een hoger vergoedingsper-centage. Het precieze verschil met het vergoedingspercentage in 2024varieert per inkomensgroep, maar bedraagt ten minste 0,3% en niet meerdan 8,7%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8165 Vraag 323Wordt de bekostiging van 0,04 euro op de maximum uurprijzen in 2025doorberekend aan de kinderopvang zelf?Antwoord 323De kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten vankinderopvang aan werkende ouders of doelgroepen genoemd in art. 1.6WKO. De maximum uurprijs is het maximale uurtarief waarvoor dezeouders een tegemoetkoming in de kinderopvangkosten kunnenontvangen. Er is geen directe koppeling tussen de maximum uurprijzen ende tarieven van kinderopvangorganisaties. Het staat kinderopvangorgani-saties vrij om hun eigen tarieven vast te stellen.In 2025 worden de maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag met€ 0,04 minder verhoogd, om de toegankelijkheid en kwaliteit vankinderopvang te verhogen.Organisaties kunnen ervoor kiezen om hun tarieven eveneens € 0,04minder te verhogen, maar dat hoeft niet. Ouders betalen zelf het verschiltussen de maximum uurprijs en het werkelijke uurtarief van dekinderopvang.Vraag 324Heeft de bekostiging van 0,04 euro invloed op de kwaliteit vankinderopvang?Antwoord 324Door de maximum uurprijzen met € 0,04 minder te verhogen in 2025,kunnen we investeren in de toegankelijkheid en kwaliteit van de kinder-opvang. We vergroten de toegankelijkheid door recht op kinderopvang-toeslag voor alle promovendi vanaf 2027 (in de begroting stond per abuis2025) en het verhogen van het budget voor gezinnen die geen recht opkinderopvangtoeslag hebben en die vanwege sociaal/medische proble-matiek ook niet in staat zijn de zorg voor hun kinderen volledig te dragen.En we investeren in toezicht en handhaving op een aantal aangepastekwaliteitseisen.Zoals aangegeven in antwoord op vraag 323, staat het organisaties vrijom hun eigen tarieven te bepalen. Kinderopvangorganisaties kunnendaarbij zelf de afweging maken of zij de tarieven laag willen houden voorouders of dat zij hun tarieven juist verhogen, zodat er ruimte ontstaat omte investeren in bijvoorbeeld (nog) hogere kwaliteit. Kinderopvangorgani-saties dienen uiteraard wel altijd te voldoen aan de minimale kwaliteits-eisen zoals omschreven in de Wet kinderopvang.Vraag 325Waar is de keuze op gebaseerd om de uurprijzen in 2026 niet te latenindexeren?Antwoord 325Het kabinet hecht belang aan houdbare overheidsfinanciën. Daarom heefthet kabinet besloten om de maximum uurprijzen voor de kinderopvang-toeslag in 2026 niet te indexeren. Deze afspraak is onderdeel van hetRegeerprogramma van het kabinet. Met deze maatregel wordt naarverwachting structureel € 254 miljoen bespaard. Het kabinet acht hetniet-indexeren in 2026 passend, omdat recent grote (extra) intensive-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8166 ringen in de kinderopvangtoeslag zijn gedaan. Zo zijn de maximumuurprijzen in 2024 met € 508 miljoen verhoogd, bovenop de reguliereindexering voor dat jaar. Daarnaast wordt met de voorgenomenherziening van het financieringsstelsel kinderopvang vanaf 2027 naarverwachting nog eens structureel € 2,9 miljard extra geïnvesteerd in devergoeding voor kinderopvang (waarvan € 456 miljoen reeds ingezetvanaf 2025).Vraag 326Klopt het dat er ook op de SPUK kwijtschelden schulden kinderopvangbezuinigd gaat worden?Antwoord 326Op de SPUK kwijtschelden publieke schulden hersteloperatie kinderop-vangtoeslagaffaire wordt niet bezuinigd. Deze SPUK is uitgezonderd vande budgetkorting uit het hoofdlijnenakkoord op specifieke uitkeringen.Vraag 327Het verschil in pensioengerechtigde leeftijd tussen de lidstaten, leidt er ineen aantal situaties toe dat een buiten Nederland wonend iemand zijnpensioen uit zijn woonland vroeger eerder ontvangt dan zijn NederlandseAOW-uitkering waardoor er sprake kan zijn van een aanzienlijk pensi-oengat; heeft u onderzocht of het mogelijk is om gepensioneerden die inandere lidstaat wonen, de mogelijkheid te bieden om hun AOW vervroegdte ontvangen? Zo ja, wat waren de bevindingen?Antwoord 327Binnen de EU is geen sprake van harmonisatie van de sociale zekerheid.Lidstaten blijven vrij om hun socialezekerheidsstelsels naar eigen inzichtin te richten. Het staat elke lidstaat vrij om de voorwaarden vast te stellenwaaronder recht bestaat op uitkeringen. Ook het Europese Hof vanJustitie van de EU geeft in vaste jurisprudentie aan dat een werknemer erniet vanuit kan gaan dat wat de sociale zekerheid betreft het feit dat hij ineen andere lidstaat gaat wonen, neutraal uitpakt. Gelet op de verschillentussen de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, kan verplaatsingvan de woonplaats voor een burger zowel voordelig als nadelig uitvallenvoor zijn of haar sociale bescherming. De Centrale Raad van Beroep heeftspecifiek met betrekking inkomenshiaten als gevolg van verschillen inpensioengerechtigde leeftijden geoordeeld dat Nederland niet verplicht isom in deze gevallen vervroegd AOW te verstrekken.66Flexibilisering van de AOW-leeftijd, waarbij de AOW met een actuariëlekorting naar keuze vroeger of later in kan gaan, is in het verledenonderzocht. De conclusie van dit onderzoek was dat flexibilisering van deAOW-leeftijd zeer complex is, zowel voor de burger als de uitvoering.Daarnaast was de toegevoegde waarde beperkt. Het merendeel van deburgers kan nu al eerder met pensioen door gebruik te maken van demogelijkheden in de tweede of derde pijler.Vraag 328De EU-coördinatie van gezinsuitkeringen (AKW, KGB etc.) is gecompli-ceerd en gaat gepaard met hoge uitvoeringskosten en onzekerheid, is66CRvB 10 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1102.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8167 onderzocht welke alternatieven er zijn voor de huidige praktijk en inhoeverre de huidige praktijk vereenvoudigd kan worden?Antwoord 328Ook op het terrein van de gezinsbijslagen zien wij dat de huidigeuitvoering complex is. Nederland zal daarom binnen de EU pleiten voorvereenvoudiging van de regels die de gezinsbijslagen coördineren. Allesblijft er daarnaast op gericht om, binnen de beperkingen van hettoeslagenstelsel, te voorkomen dat burgers geconfronteerd worden methoge terugvorderingen.Vraag 329Hoeveel nieuwe ouders zullen door het aanpassen van het toeslagpartner-begrip de alleenstaande ouder (ALO-)kop ontvangen?Antwoord 329In 2023 heeft SEO Economisch Onderzoek een rapport uitgebracht over de«doelen en effectiviteit van de alleenstaande ouderkop in het kindge-bonden budget»67. Daarbij is ook onderzocht wat de specifieke omvang isvan de groep ouders met een noodgedwongen elders verblijvende(huwelijks)partner, die op dit moment geen ALO-kop ontvangt. Het zougaan om een groep van in totaal circa 2.000 ouders. Momenteel is eenwetswijziging in voorbereiding voor het aanpassen van het toeslagpart-nerbegrip om met ingang van 1 januari 2026 ook deze groep recht tegeven op de ALO-kop.Vraag 330Welke stappen worden er gezet om de nieuwe beoogde datum vaninwerktreding van dubbele kinderbijslag intensieve zorg wel te halen?Antwoord 330In mei 2024 is het wetsvoorstel W(zigingswet SZW-wetten BES 2024(hierna: Wijzigingswet) naar de Tweede Kamer gestuurd voor parlemen-taire behandeling. Deze wet maakt een structurele regeling voor dubbelekinderbijslag intensieve zorg mogelijk. Met dit wetsvoorstel krijgt deRCN-unit SZW er naast de lopende uitdagingen een aantal nieuwe takenbij. Zoals u kon lezen in het jaarverslag van het ministerie SZW, werkt deuitvoeringsorganisatie hard aan een aantal verbeteringen, onder andereop het gebied van de ICT. Bij het invoeringstijdpad van de verschillendeonderdelen van de Wijzigingswet moet goed worden gekeken wat nodigis om het nieuw beleid te laten landen in de samenleving en in deuitvoering. Het in één keer invoeren van alle nieuwe maatregelen is niethaalbaar. Eind dit jaar wordt een Invoeringsplan voor de Wijzigingswetopgesteld. Dan zullen er knopen moeten worden doorgehakt over hetimplementatietraject en de datum van inwerkingtreding. In de tussentijdzorgt de tijdelijke regeling intensieve zorg dat ouders van kinderen meteen intensieve zorg behoefte niet worden benadeeld. Deze tijdelijkeregeling zal worden ingezet tot het moment dat de structurele regeling inwerking zal treden.67Kamerstukken II 2022/23, 35 574, nr.28Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8168 Vraag 331Waar slaat de subsidietaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord preciesneer? Waar was het beleidsondersteunende budget op handhaving engegevensuitwisseling dat naar beneden is bijgesteld precies voorbedoeld?Antwoord 331In het antwoord op vraag 122 is te lezen waar de subsidietaakstelling uithet hoofdlijnenakkoord precies neer slaat op de SZW begroting. Het slaatonder andere ook neer op artikel 11, opdrachten op het beleidsondersteu-nende budget voor handhaving en gegevensuitwisseling. Dit budgetwordt ingezet voor de ontwikkeling van beleid met betrekking tothandhaving en gegevensuitwisseling in de sociale zekerheid met namedaar waar het overkoepelende onderwerpen betreft die de gehele socialezekerheid raken. Deze onderwerpen omvatten onder andere het handha-vingsbeleid, proactieve dienstverlening, ondermijning, de LandelijkeStuurgroep Interventieteams (LSI) en de verstrekking van gegevens door,voor en tussen uitvoeringsorganisaties. Het budget wordt onder meeruitgegeven aan projecten voor de begeleiding van kwetsbare jongeren ende samenwerking tussen het sociaal en veiligheidsbeleid ten behoeve vanondermijning, de betrouwbare en wendbare omzetting van wettelijkeregels in de ICT en beleidsondersteunende onderzoeken op het gebiedvan preventie, proactieve dienstverlening en het burgerperspectief ophandhaving.Handhaving van de plichten in de materiewetten wordt bekostigd via deuitvoeringskosten aan de uitvoeringsorganisaties en wordt permateriewet verantwoord. Het budget is daarmee geen indicatie van detotale inzet die wordt gepleegd op handhaving in de sociale zekerheid.Vraag 332Met welke partijen faciliteert de regering op dit moment dialoog omradicalisering, polarisatie, ongewenste vormen van buitenlandseinmenging en beïnvloeding, racisme en discriminatie tegen te gaan? Kande Tweede Kamer een lijst worden toegezonden met alle gesprekspartnersvan de regering?Antwoord 332Het Ministerie van SZW faciliteert op verschillende manieren dialoog in desamenleving en werkt daarmee samen met diverse partijen. Dit betreffenpartijen binnen en buiten de overheid die zich met deze thema’s bezig-houden. Dit zijn onder meer ministeries, gemeenten, kennis- en onder-zoeksinstituten, maatschappelijke en religieuze organisaties en netwerken.Momenteel wordt, in lijn met deze vraag, de motie van lid Beckeruitgewerkt. Deze motie verzoekt de regering de Kamer jaarlijks eenoverzicht te verstrekken met welke organisaties structureel contactenworden onderhouden in het kader van integratie en samenleven. DeStaatssecretaris Participatie en Integratie verwacht uw Kamer voor hetWetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang op25 november 2024 te kunnen informeren over de uitwerking van dezemotie, waarbij deze vraag meegenomen zal worden.Vraag 333In welke kwartaal van 2025 kan de Kamer de Agenda Integratieverwachten? Wat zijn de bouwstenen van deze Agenda Integratie? MetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8169 welke partijen wordt van te voren gesproken om deze Agenda vorm tegeven? Wordt er met andere ministeries samengewerkt om deze Agendavorm te geven? Worden aangenomen moties in de Kamer ook meege-nomen in de uitwerking van deze Agenda?Antwoord 333Het streven is om uw Kamer in Q1 2025 over de Actieagenda te infor-meren. De Actieagenda zal uit verschillende actielijnen bestaan die gerichtzijn op het bevorderen van de integratie door inzet op taal en werk, hetbewaken van onze vrijheden en het bevorderen van de maatschappelijkesamenhang. Voor de vormgeving van de Actieagenda wordt geconsul-teerd met ministeries, gemeenten, maatschappelijke organisaties en desamenleving in den brede.Bij de vormgeving wordt de samenwerking opgezocht met anderedepartementen, zoals de ministeries Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(OCW), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Justitie enVeiligheid (JenV). Indien aangenomen moties beleidsterreinen betreffendie onder de Actieagenda vallen, zullen deze meegenomen worden in devormgeving hiervan.Vraag 334Waarom zijn er vanaf 2025 geen ontvangsten meer ingeboekt?Antwoord 334Op artikel 13 staan vanaf 2025 geen ontvangsten meer ingeboekt, omdatde geldstroom waar dat aan gekoppeld was, de door DUO verstrekteleningen aan inburgeraars en alle andere geldstromen van inburgering,vanaf dat jaar ondergebracht zijn op de begroting van het Ministerie vanJustitie & Veiligheid. Dit als gevolg van het besluit van dit kabinet om debeleidsverantwoordelijkheid over inburgering onder de Staatssecretarisvan Justitie & Veiligheid te brengen.Vraag 335Waarom stoppen de uitgaven aan vroege integratie en participatie na2024?Antwoord 335Deze uitgaven zullen niet stoppen, maar vanaf 2025 ondergebrachtworden op de begroting van het Ministerie van Justitie & Veiligheid.Hetzelfde geldt voor de andere de geldstromen van inburgering. Dit alsgevolg van het besluit van dit kabinet om de beleidsverantwoordelijkheidover inburgering onder de Staatssecretaris van Justitie & Veiligheid tebrengen.Vraag 336Waardoor wordt de halvering voor het budget inburgering en integratieonder artikel 13 na 2026 veroorzaakt? Waarom is dan de helft mindernodig?Antwoord 336De vermindering van het budget op artikel 13 voor integratie na 2026heeft ermee te maken dat de tijdelijke middelen die ontvangen zijn voorhet programma «statushouders aan het werk» tot en met 2026 zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8170 verstrekt. Ook vallen de geldstromen van Inburgering vanaf 2025 onder debegroting van het Ministerie van Justitie & Veiligheid.Vraag 337Waarom lopen de subsidies na 2024 fors terug en kunt u een overzichtverstrekken van alle subsidies waarop gekort wordt en/of die verdwijnen?Antwoord 337De subsidies lopen fors terug na 2024 omdat het deel van de subsidie-budget dat aan Inburgering toebehoort, vanaf 2025 is ondergebracht in debegroting van Justitie & Veiligheid. Tevens vervalt de subsidieregelingstatushouders aan het werk, vanaf 2027.Er wordt gekort op de instellingssubsidies Kennisplatform InclusiefSameleven van het Verweij Jonker Instituut en de steunfunctie Integratievan Vluchtelingenwerk Nederland, vanaf 2028, die apart onder artikel 13staan als respectievelijk Opbouw kennisfunctie Integratie en Vluchtelin-genwerk Nederland. Daarmee gaan de subsidiebedragen voor Vluchtelin-genwerk Nederland terug van € 1.162.000 naar € 982.000 in 2029 en voorVerweij Jonker Instituut van € 2.664.000 naar € 2.140.000 structureel.Vraag 338Kunt u een overzicht verstrekken van 2025 tot en met 2029 van desubsidies op het terrein van integratie en maatschappelijke samenhang?Antwoord 338Hieronder het overzicht van subsidieverplichtingen in 2024, inclusief hetbedrag en looptijd. Het gaat hierbij om lopende subsidies. Voor 2025 enverder is er nog geen zicht op nieuwe aanvragen, maar de komende jarenzullen subsidies in het kader van extra inzet op integratie tegen het lichtworden gehouden en toekenningen daarmee in lijn worden gebracht.Gezien het afnemend subsidiebudget op Integratie mede als gevolg vande subsidietaakstelling van het Hoofdlijnenakkoord, zal er terughoudendworden omgegaan met subsidie aanvragen en toekenningen de komendejaren.Subsidie ontvangerOmschrijvingBedragLooptijdInfoSt. voor Vluchteling-Studenten UAFHaal gevluchte zorgprofessionals uit dewachtkamer€ 300.0002021–2024Algemene Werkgeversvereniging NederlandMeer (culturele) diversiteit op het werk€ 679.0002022–2026MBO RaadUitvoering Werkagenda Verdere Integratieop de Arbeidsmarkt€ 420.0002023–2026OranjefondsZelfbeschikking Ruimte en vrijheid omjezelf te zijn€ 450.0002023–2027MovisieZelfbeschikking in de opvoeding€ 109.0002023–2024Vrije Universiteit AmsterdamProfessionalisering programma imams inNederland€ 221.0002024Vrije Universiteit AmsterdamKwartiermakersfase project HBO-BImamopleiding in Nederland€ 228.0002024Verwey JonkerInstellingssubsidie KIS 2024€ 2.628.0002024Instellings-subsidie,jaarlijks aan tevragen,bestuurlijkgebonden.Vluchtelingen Werk NederlandInstellingssubsidie 2024€ 1.161.0002024Instellings-subsidie,jaarlijks aan tevragen,bestuurlijkgebonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8171 Subsidie ontvangerOmschrijvingBedragLooptijdInfoOranje FondsSubsidieaanvraag in behandeling€ 250.0002024–2029WerkgeversRegeling werkgevers statushouders aanhet werk€ 3.500.000per jaar2024 t/m 2026 Vraag 339Waarom wordt er concreet ingezet om kinderen met een migratieachter-grond actief in te laten stromen op havo en vwo terwijl Nederland juistmeer praktisch opgeleiden nodig heeft dan hoger opgeleiden?Antwoord 339Er wordt niet specifiek ingezet op de verhoging van het aantal leerlingendat naar havo en vwo gaat, niet in het algemeen en niet specifiek voorleerlingen met een migratieachtergrond. Het uitgangspunt is datleerlingen een schooladvies krijgen dat bij hen past, of dat nu praktijkon-derwijs of vmbo is, havo of vwo. Met de inwerkingtreding van de Wetdoorstroomtoetsen po wordt ingezet op gelijke kansen bij gelijkeresultaten. Dus twee leerlingen die op de doorstroomtoets laten ziendezelfde vaardigheden te hebben, verdienen allebei een schooladvies datdaar bij past. Alleen met een passend advies kunnen leerlingen het besteuit zichzelf halen. De verplichte bijstelling van het schooladvies sluithierbij aan.Daar is daarbij geen sprake van positieve discriminatie: leerlingen krijgenalleen een bijstelling wanneer ze op de toets hebben laten zien over meerkennis en vaardigheden te beschikken dan vooraf aan de toets werdgedacht.Deze verplichting was nodig, omdat voorheen 2 op de 3 leerlingen géénbijgesteld advies kregen, wanneer uit de toets bleek dat zij meer uitdagingaankonden. Uit verschillende onderzoeken en monitoring blijkt dat eenonderschatting van de cognitieve vaardigheden (en daaruit voort-vloeiende onderadvisering) speelt bij leerlingen uit een aantal groepen:leerlingen van wie de ouders geen hbo/wo-opleiding hebben gedaan,leerlingen uit gezinnen met een lage SES, leerlingen met een migratieach-tergrond, leerlingen uit niet-stedelijke gebieden en meisjes. 75% van deleerlingen die op de toets liet zien een meer theoretisch niveau aan tekunnen, kreeg afgelopen schooljaar ook een schooladvies dat daar bijpast. In de DUO Monitor Schooladvies en doorstroomtoets houden we inde gaten bij welke groepen leerlingen die bijstellingen terecht zijngekomen. Daarnaast wordt momenteel onderzoek gedaan om te bezien ofwe de kruispunten tussen groepen die te maken hebben met onderadvi-sering voldoende in het vizier hebben.Er wordt dus niet specifiek ingezet op kinderen met een migratieachter-grond. Het onderwijsbeleid is generiek van aard en heeft als doel datleerlingen die vorm van voortgezet onderwijs volgen die het best bij huncapaciteiten past, ongeacht hun achtergrond. Migratieachtergrond maggeen zelfstandige rol spelen bij de advisering of toelating voor hetvoortgezet onderwijs en uit een studie van de Erasmus UniversiteitRotterdam uit 2023 blijkt dat die rol inderdaad nauwelijks (meer) aan deorde is. Migratieachtergrond biedt nog slechts in beperkte en afnemendemate een verklaring voor verschillen in het aandeel leerlingen dat in het 3eleerjaar van het voortgezet onderwijs havo of vwo volgt.De feitelijke verschillen tussen herkomstgroepen kunnen steeds vaker envoor een steeds groter deel worden teruggevoerd op hun (generieke)achtergrondkenmerken (zoals het opleidingsniveau van de ouders en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8172 sociaaleconomische status van het gezin). Een etnisch-specifiekeverklaring van verschillen neemt dus af of verdwijnt.Dit laat overigens onverlet dat er bij de meeste groepen met eenmigratieachtergrond nog wel sprake is van een minder gunstige positie inonderwijs. Ook die feitelijke verschillen zijn in het laatste decenniumoverigens bij de meeste groepen afgenomen.(Bron: J. de Boom et.al. (Mei 20232), Ontwikkelingen in integratie, Demaatschappelijke positie van zeven groepen met een migratieachtergrondin kaart gebracht, Rotterdam: Risbo|Erasmus Universiteit Rotterdam)Vraag 340Kunt u een overzicht verstrekken van de subsidies die nog niet juridischverplicht zijn?Antwoord 340De instellingssubsidies Kennisplatform Inclusief Samenleven aan VerweijJonker Instituut en de steunfunctie Integratie aan VluchtelingenwerkNederland zijn structureel van aard en daarmee bestuurlijk gebonden. Inhet overzicht bij vraag 338 is aangegeven welke subsidies juridischverplicht zijn. Er zijn geen andere subsidies die al juridisch verplicht zijn,omdat deze uit de aard der zaak pas bekend worden als ze aangevraagden toegekend worden in de toekomst.Vraag 341Welke verklaring is er te geven voor het feit dat tweede-generatieMarokkaanse-Nederlanders in 2022 78 procent werk had en dit in 2023 isgedaald naar 74 procent?Antwoord 341Op basis van de beschikbare informatie kan niet geduid worden waaromde netto-arbeidsparticipatie onder de burgers met een tweede generatieMarokkaanse migratieachtergrond daalde in 2023. Om hier wel inzicht inte krijgen is een uitgebreid aanvullend onderzoek nodig. In algemenetermen kan wel aangegeven worden dat:–de netto-arbeidsparticipatie bij verschillende herkomstgroepenfluctueert. Zo zagen we bij de Marokkaanse groep bijvoorbeeld eenkortstondige daling van de participatie in 2019, die vervolgens omboognaar stijging in alle jaren tussen 2020 en 2022, gevolgd door de dalingin 2023 dus. Bij de tweede generatie met Indonesische achtergrondzagen we juist in 2022 een kleine daling in participatie gevolgd dooreen kleine stijging in 2023.–als we naar de lange termijn kijken er sprake is van een opgaande lijnbij de netto-arbeidsparticipatie van de tweede generatie met eenMarokkaanse achtergrond, waarbij in 2003 de participatie nog 45procent was, en inmiddels dus boven de 70 procent zit. Hiermee is erook sprake geweest van een stevige inhaalslag in de netto-arbeidsparticipatie van deze groep: waar in 2003 nog sprake was vaneen bijna 20 procentpunt lagere participatie dan gemiddeld, is de nettoparticipatie van deze tweede generatie met Marokkaanse migratieach-tergrond tegenwoordig iets hoger dan het gemiddelde van de totalebevolking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8173 Vraag 342Wat is een verklaring voor het gegeven dat de werkloosheid binnen detweede-generatie Nederlanders met een Turkse achtergrond achtereen-volgens in 2022 en 2023 niet is gedaald terwijl Nederland staat te springenom werknemers?Antwoord 342Op basis van de beschikbare informatie kan niet geduid worden waaromde werkloosheid onder een groep met een specifieke migratieachtergrondstijgt of daalt in een specifiek jaar. Om daar wel inzicht in te krijgen is eenuitgebreid aanvullend onderzoek nodig.Wel kan aangegeven worden dat:–de werkloosheid bij de tweede generatie met een Turkse achtergrondbijna halveerde van 9,4% in 2021 tot 5,2% in 2022. Daarna steeg hetlicht tot 5,4% in 2023.–de werkloosheid bij alle herkomstgroepen fluctueert. Zo zagen we bijde Surinaamse groep een lichte stijging van werkloosheid in 2022,gevolgd door een daling in 2023. Bij de Turkse en Marokkaanse 2egeneraties zien we juist een tegenovergestelde ontwikkeling (eendaling in 2022 gevolgd door een stijging in 2023).–deze schommelingen zouden eventueel te maken kunnen hebben metrelatief kleine aantallen: werkloosheid wordt bepaald op basis van eenvrij grote enquête van CBS, maar aantallen geënquêteerden metspecifieke migratieachtergronden zijn beperkt. Dit zou kunnen leidentot soms onverklaarbare (en mogelijk niet in werkelijkheid voorko-mende) fluctuaties.–de werkloosheid structureel hoger ligt bij burgers met migratieachter-grond dan zonder migratieachtergrond, en veel meer meebeweegt metconjunctuur. Zo weten we uit verschillende onderzoeken dat groepenmet migratieachtergrond in ruime arbeidsmarkt vaker en sneller hunbaan verliezen en werkloos worden. In een krappe arbeidsmarkt zienwe het tegenovergestelde beeld: de werkloosheid onder de burgersmet migratieachtergrond neemt bovengemiddeld af. Dit heeft er ondermeer mee te maken dat de werkgevers minder te kiezen hebben in eenkrappe arbeidsmarkt en vooroordelen en discriminatie een kleinere rolspelen op de arbeidsmarkt.Vraag 343Wat is een verklaring voor het gegeven dat de werkloosheid ondertweede-generatie Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond isgestegen van 6 procent in 2022 naar 9 procent in 2023?Antwoord 343Zie antwoord op vraag 342.Vraag 344Wat is een verklaring dat onder Nederlanders met een Turkse, Marok-kaanse, Surinaamse en Antilliaanse achtergrond het percentagewerkloosheid zoveel hoger ligt dan het Nederlandse gemiddelde? Isbekend in welke mate sprake is van het ontvangen van een bijstandsuit-kering, een werkloosheidsuitkering en geen uitkering en kunt u dat met deKamer delen ten aanzien van de werklozen in deze groepen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8174 Antwoord 344Uit onderzoeken en wetenschappelijke literatuur zijn verschillende(mogelijke) verklaringen te halen voor de grotere werkloosheid onder deverschillende groepen met migratieachtergrond.Een deel van de verklaringen voor de achterstanden hangt samen metachtergrondkenmerken zoals opleidingsgraad en leeftijd. Zo is met namede tweede generatie met migratieachtergrond vaak jong, en jongeren zijnover het algemeen bovengemiddeld vaak werkloos. En is met name deeerste generatie minder hoog opgeleid, en lager opgeleiden zijn over hetalgemeen ook vaker werkloos. Tevens zal met name bij een deel van denieuwkomers uit de eerste generatie lagere taalvaardigheid een rolspelen.Maar de verschillen in deze, en andere, achtergrondkenmerken verklarenniet in het geheel de verschillen in werkloosheid. Hoog opgeleiden metmigratieachtergrond zijn bijvoorbeeld vaker werkloos dan hoogopge-leiden zonder migratieachtergrond. Dit geldt ook voor de in Nederlandgeboren en opgeleide tweede generatie.In de literatuur en discussie hieromtrent zijn allerlei (tentatieve) verkla-ringen hiervoor te vinden. Zo spelen netwerken een belangrijke rol op dearbeidsmarkt en hebben mensen met migratieachtergrond over hetalgemeen minder goed ontwikkelde netwerken. Verder zien we bijmbo-opgeleiden dat jongeren met migratieachtergrond minder vaak voorkansrijke opleidingsrichtingen kiezen. Ook zien we dat ze te maken hebbenmet stagediscriminatie. Ook tonen verschillende onderzoeken aan dat erop de arbeidsmarkt zelf ook sprake is van vooroordelen en discriminatie,zowel bij instroom (aangenomen worden) als doorstroom (naar hogere en/of vaste functies), hetgeen de kansen op een (vaste) baan voor mensenmet migratieachtergrond verkleint, en kans op werkloosheid dus vergroot.Het Ministerie van SZW heeft geen cijfers over welk deel van de werklozenuit een specifiek herkomstland een bijstands- of andere uitkering heeft.Wel is deze informatie beschikbaar voor de verzamelgroep met eenbuiten-Europese migratieachtergrond uit het CBS Participatiepotentieelvan 2022: van alle werklozen met een buiten-Europese migratieachter-grond had in 2022 9 procent een WW, 21,6 procent bijstand, 3,6 procentAO en 65,8 procent geen uitkering.Vraag 345Waarom wordt er ook na 2025 nog geld ingeboekt voor de remigratiewetterwijl er geen verzoeken meer kunnen worden ingediend? Waar gaat ditingeboekte geld naar toe?Antwoord 345De ingeboekte middelen voor de Remigratiewet zijn bestemd voorpersonen die nog recht hebben op een remigratie uitkering, conform devoorwaarden van deze wet. Dus niet voor nieuwe instroom.Vraag 346Wat gebeurt er met de personen die na 1 januari 2025 in aanmerkingwillen komen voor een remigratievoorziening? Tot wie kunnen zij zichrichten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8175 Antwoord 346Deze Remigratiewet is gedateerd van vóór 2000 en heeft betrekking opeen regeling voor een aantal specifieke doelgroepen uit landen waarNederland een historisch band mee heeft of voortkomend uit wervings-verbanden. De regeling waarbij men voor langere tijd een uitkering kankrijgen op het niveau van de helft van een bijstandsuitkering, is met nameingericht voor personen uit deze doelgroepen die op gegeven momentonbemiddelbaar bleken te zijn op de arbeidsmarkt en tegen striktevoorwaarden gebruik konden maken van deze regeling bij vertrek naarland van herkomst. De regeling komt per 1 januari 2025 te vervallen opbasis van een besluit van de Tweede Kamer uit 2018 die deze regeling(waarbij personen vanaf 55 jaar daar gebruik van kunnen maken) nietmeer gepast vond, in een tijd waarin iedereen langer moet doorwerken, inelk geval tot 67 jaar en 3 maanden.Vanaf 1 januari 2025 kunnen personen die een aanspraak willen maken opdeze specifieke Wet en regeling dat niet meer. Personen die willenremigreren zullen dat op eigen kracht en met eigen middelen moetendoen of op zoek moeten gaan naar andere mogelijkheden.Vraag 347Wat is een verklaring voor het gegeven dat het aandeel havo/vwoleerlingen onder de tweede-generatie Nederlanders met een Turkseachtergrond zo sterk is teruggedrongen in vergelijking met de eerstegeneratie?Antwoord 347Uit de kernindicatoren integratie van het CBS blijkt dat het aandeelhavo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs bij de2e generatie met Turkse achtergrond niet in absolute zin is afgenomen. Inde laatste 10 jaar is het aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar juistmet 10%-punten toegenomen van 23% in 2013–2014 naar 33% in2023–2024 en de ondervertegenwoordiging ten opzichte van de gemid-delde bevolking is in die periode afgenomen van -23%-punten naar-16%-punten.De toename in het verschil tussen de 1e en 2e generatie met een Turkseachtergrond tekent zich af sinds het schooljaar 2018/2019 en wordtveroorzaakt door de snelle toename van het aandeel havo/vwo-leerlingenin het 3e leerjaar voortgezet onderwijs bij de 1e generatie. Dat aandeelbedroeg in 2013/2014 (ook) 23%, maar sinds 2019/2020 stijgt dit aandeelsnel. In het schooljaar 2023/2024 ligt het op 50% en ligt daarmee fracti-oneel boven het Nederlandse gemiddelde (van 49%).Het zijn dus de kenmerken van de jonge, recent naar Nederland gekomen,1e generatie die de verklaring bieden voor het toegenomen verschiltussen de 1e en 2e generatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8176 Vraag 348Vanuit welke pot worden gemeenten ondersteund vanuit het Rijk voorbegeleiding bij integratie? Bijvoorbeeld kennis over buitenlandsebeïnvloeding?Antwoord 348Voor inburgering krijgen gemeenten de uitvoeringskosten via hetGemeentefonds en is er een specifieke uitkering voor inburgeringsvoor-zieningen (artikel 38 JenV begroting). Kennisaanbod over buitenlandsebeïnvloeding maakt hier geen onderdeel van uit.Vraag 349Welke projecten worden bekostigd uit de pot «opdrachten»? Kan deKamer een complete lijst van alle projecten worden toegezonden?Antwoord 349Uit deze middelen worden programma uitgaven bekostigd die groten-deels betrekking hebben op onderzoeken ten aanzien van integratie, maardaarnaast ook methodiekontwikkeling, trainingen, dialoogbijeenkomstenen voorlichtingsactiviteiten. Daarnaast heeft een groot deel van dit budgettot en met 2026 betrekking op middelen statushouders aan het werk,waarbij gemeenten ondersteund worden bij het ontwikkelen en uitvoerenvan aanpakken om statushouders die zich gaan vestigen in een gemeente,een betaalde (start)baan aan te bieden.Het gaat om uitgaven op de terreinen van:–samenleven- en samenwerken/maatschappelijke samenhang;–weerbare samenleving/aanpak sociale spanningen;–sociale stabiliteit;–zelfbeschikking;–het project statushouders aan het werk;–het project Voor een inclusieve arbeidsmarkt.Vraag 350Het geld onder «vroege integratie en participatie» wordt overgeheveldnaar het Ministerie van Justitie & Veiligheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8177 Antwoord 350Het klopt dat de middelen van «Vroege integratie en participatie» vanaf2025 zijn overgeheveld naar het Ministerie van Justitie & Veiligheid.Hetzelfde geldt voor de andere de geldstromen van inburgering. Dit alsgevolg van het besluit van dit kabinet om de beleidsverantwoordelijkheidover inburgering onder de Staatssecretaris van Justitie & Veiligheid tebrengen.Vraag 351Kunt u in een overzicht weergeven hoe de 22 procent taakstelling op hetambtelijk apparaat per onderdeel van het departement en voor deuitvoeringsorganisaties neerslaat?Antwoord 351De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves.Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overigepersoneelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacaturesdie ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling vande bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog nietbekend.SZW heeft de NLA en de uitvoeringsorganisaties gevraagd om eenbijdrage en we zijn in gesprek over de invulling. Daarbij wordt onder meergezocht naar mogelijkheden voor besparingen door vereenvoudiging vanwet- en regelgeving en taakaanpassing.Vraag 352Kunt u aangeven op basis van welke criteria bepaald wordt hoe de 22procent taakstelling op het ambtelijk apparaat wordt ingevuld?Antwoord 352De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves.Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overigepersoneelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacaturesdie ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling vande bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog nietbekend.Vraag 353Kunt u concreet aangeven welke taken/werkzaamheden niet meeruitgevoerd gaan worden vanwege de taakstelling van 22 procent op hetambtelijk apparaat?Antwoord 353De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves.Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overigepersoneelskosten en de catering ingeboekt. Daarnaast worden vacaturesdie ontstaan als gevolg van pensioneringen niet ingevuld en wordt erterughoudend omgegaan met het invullen van vacatures. De invulling vande bezuinigingen bij SZW voor 2026 en de jaren daarna is nog nietbekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8178 SZW heeft de NLA en de uitvoeringsorganisaties gevraagd om eenbijdrage en we zijn in gesprek over de invulling. Daarbij wordt onder meergezocht naar mogelijkheden voor besparingen door vereenvoudiging vanwet- en regelgeving en taakaanpassing.Vraag 354Hoe is het bedrag van negen miljoen dat gereserveerd is voor lastenver-lichting en armoedebestrijding in Caribisch Nederland berekend?Antwoord 354Ten behoeve van lastenverlichtingen en armoedebestrijding op CaribischNederland is de berekening gebaseerd op een evenredige verdelingtussen de beschikbaar gestelde middelen voor Europees Nederland enCaribisch Nederland. De concrete bestemming van de middelen wordtmiddels de voorjaarsnota aan uw Kamer voorgelegd.Vraag 355Waar gaan de SLIM-gelden allemaal naar toe?Antwoord 355Met de Stimuleringsregeling leven lang ontwikkelen in mkb-bedr(ven(SLIM-regeling) wil het kabinet leren en ontwikkelen vanzelfsprekendmaken door middel van subsidies voor mkb en samenwerkingsverbandenin de horeca, landbouw en recreatie. Daarnaast wordt in 2025 eenscholingsfaciliteit geïntroduceerd om scholing binnen maatschappel(kcruciale kraptesectoren te subsidiëren.De vrijval ter hoogte van € 25 miljoen in 2024 op de individuele scholings-regeling SLIM wordt ingezet ter dekking van de extra uitgaven in 2024 vande intensivering van het kindgebonden budget (WKB).Vraag 356Wat gebeurt er als de verlaging die nu al is ingeboekt op de bijstandvanwege de aangenomen verlaagde instroom van statushouders nietgehaald wordt? Moet er dan aanvullend gedekt worden? Of stroomt hetverschil de schuld in?Antwoord 356In het hoofdlijnenakkoord is een taakstellende budgetverlaging van debijstand in relatie tot het beperken van de asielinstroom opgenomen. Hetbudget voor de bijstand wordt in samenhang met het maatregelenpakketop het terrein van asiel structureel met € 100 miljoen verlaagd vanaf 2027.Het kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de instroom tebeperken. Indien het beeld zou ontstaan dat de korting niet haalbaar is,dan wordt het dossier, zoals te doen gebruikelijk, betrokken bij devoorjaarsbesluitvorming.Vraag 357Wat is het transformatiebudget voor sociaal ontwikkelbedrijven?Antwoord 357Vanaf 2025 ontvangen gemeenten jaarlijks een impulsbudget (eerder ook«transformatiebudget» genoemd). Dit budget is in de brief «SociaalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8179 ontwikkelbedrijven en beschut werk» (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr.300) bij uw Kamer aangekondigd. Met dit budget kunnen gemeenten desociale infrastructuur toekomstbestendig inrichten en (een deel van) detransitiekosten bekostigen. Het impulsbudget dient ertoe een doorbraak/versnelling te faciliteren voor een toekomstbestendige inrichting van deinfrastructuur.Het impulsbudget is vanaf volgend jaar beschikbaar. In 2025 bedraagt hetbudget € 35 miljoen in 2025 en loopt af naar € 19,8 miljoen in 2034. Hetimpulsbudget wordt als decentralisatie uitkering verstrekt aan gemeentenen wordt verdeeld op basis van de maatstaf «doelgroepenregistergemeentelijke doelgroep». Deze maatstaf omvat breed de doelgroep diebegeleiding of werk uit de sociale infrastructuur nodig heeft en sluitdaarom het best aan op het doel van het impulsbudget. Het impulsbudgetzou initieel via een SPUK aan gemeenten worden uitgekeerd, na indieningvan een plan waarin zij beschrijven hoe zij werken aan een toekomstbe-stendige sociale infrastructuur. In het Hoofdlijnenakkoord is echterafgesproken om (voorgenomen) SPUKs naar het gemeentefonds over tehevelen. Daarom is nu gekozen voor een decentralisatie uitkering.Daaraan is een efficiencykorting van 10% verbonden, die vanaf 2026wordt doorgevoerd.Omdat de inrichting van een toekomstbestendige sociale infrastructuurvaak een regionale aanpak vereist, worden de middelen in principeuitgekeerd aan samenwerkingsverbanden rondom sociaal ontwikkelbe-drijven. De budgetten van de deelnemende gemeenten binnen eensamenwerkingsverband worden samengevoegd en toegewezen aan degrootste gemeente binnen het samenwerkingsverband. Gemeenten diezelfstandig een sociaal ontwikkelbedrijf beheren of op een andere manierhun sociale infrastructuur hebben geregeld en verder niet zijn gelieerdaan een sociaal ontwikkelbedrijf, ontvangen het impulsbudgetafzonderlijk.Vraag 358Hoeveel bezuinigingen zijn er nu ingeboekt voor sociaal ontwikkelbe-drijven? Om hoeveel geld gaat het?Antwoord 358Het kabinet heeft geen bezuinigingen doorgevoerd op sociaal ontwikkel-bedrijven en beschut werk. Hier wordt de komende jaren juist fors ingeïnvesteerd. De komende tien jaar is er circa € 1 miljard extrabeschikbaar gesteld voor beschut werk en de infrastructuur van sociaalontwikkelbedrijven. Structureel gaat het om € 100 miljoen extra per jaar.Vraag 359Kunt u post 7 uit deze tabel nader toelichten? Welke subsidies (algemenesubsidie- en opdrachten budgetten voor re-integratie en armoede enschulden) worden er precies verlaagd?Antwoord 359In de begroting van SZW is op pagina 192, tabel 144, onder punt 7, dekorting voorkomend uit de subsidietaakstelling opgenomen.De subsidietaakstelling raakt de subsidies op het gebied van VakkundigAltijd, Praktijkleren bij sociaal ontwikkelbedrijven, het NIBUD en hetalgemene subsidieartikel van artikel 2 ten behoeve van re-integratie,ondersteuning aan gemeenten op gebied armoede en schulden, steun aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8180 vrijwilligersorganisaties en voedselhulp en verschillende opdrachtenbud-getten. Zie de beantwoording van vraag 122 voor het totale overzicht vande subsidietaakstelling op de SZW begroting.Vraag 360Te lezen valt dat ten behoeve van de subsidietaakstelling uit het hoofdlij-nenakkoord op verschillende budgetten bezuinigingen zijn doorgevoerd,die voornamelijk bestaan uit het verlagen van algemene subsidie- enopdrachtenbudgetten voor re-integratie en armoede en schulden; waarbestaan die verlagingen uit? Op welke programma’s of initiatieven wordtspecifiek bezuinigd?Antwoord 360Zie de beantwoording van vraag 122 voor het totale overzicht van desubsidietaakstelling op de SZW begroting. De subsidietaakstelling bestaatniet voornamelijk uit het verlagen van algemene subsidie- en opdrachten-budgetten voor re-integratie en armoede en schulden. De grootste impactvan de taakstelling is zichtbaar op een aantal grotere subsidieregelingenen reserveringen voor subsidieregelingen, zoals de SLIM-regeling en dereservering voor preventie geldzorgen waaruit de subsidieregelingfinanciële educatie wordt bekostigd.Vraag 361Hoe beziet u de korting van 3,5 miljoen euro op sociale werkbedrijvenvanaf 2026 in het licht van de huidige arbeidsmarktkrapte?Antwoord 361Zie antwoord 204.Vraag 362Is er inhoudelijk ruimte om de voorgenomen korting op het transformatie-budget ongedaan te maken, gezien het feit dat de eerste tranche van hettransformatiebudget pas in 2025 wordt uitgekeerd en er feitelijk dus noggeen SPUK-uitkering is?Antwoord 362Zie antwoord 204.Vraag 363Te lezen valt dat ten behoeve van de subsidietaakstelling uit het hoofdlij-nenakkoord op verschillende budgetten bezuinigingen zijn doorgevoerd,die voornamelijk bestaan uit het verlagen van algemene subsidie- enopdrachtenbudgetten voor re-integratie en armoede en schulden; omwelk bedrag gaat dit per jaar? Hoeveel lager valt het budget in artikel 2 uitdan in het basispad als gevolg van de subsidietaakstelling?Antwoord 363Onderstaande tabel geeft inzicht in de twee gevraagde reeksen. Detaakstelling op artikel 2 is groter dan enkel de taakstelling op de algemenesubsidie- en opdrachtenbudgetten van artikel 2. Dit komt door een aantalaanvullende ombuigingen op artikel 2, onder andere bij het programmaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8181 Vakkundig Altijd (cumulatief € 10,1 miljoen) en op praktijkleren bij sociaalontwikkelbedrijven (cumulatief € 10 miljoen).Tabel: Subsidietaakstelling artikel 2x € 1.000202420252026202720282029Taakstelling opalgemene subsidie- enopdrachtenbudgetten– 500– 1.887– 2.469– 3.536– 3.262Totale subsidietaakstel-ling artikel 20– 6.935– 9.806– 6.023– 7.231– 6.093 Vraag 364Welk effect heeft de korting van 3,5 miljoen euro op het transformatie-budget voor sociaal ontwikkelbedrijven naar verwachting op de arbeids-participatiegraad en arbeidsmarktkrapte?Antwoord 364Zie antwoord 204.Vraag 365Wat zijn de verwachte gevolgen van de korting van 3,5 miljoen euro ophet transformatiebudget voor de sociaal ontwikkelbedrijven?Antwoord 365Zie antwoord 204.Vraag 366Hoezo komt de reeks met betrekking tot de KOT-maatregel niet overeenmet het indexatiebesluit voor 2026 (structureel 254 miljoen euro)?Antwoord 366De reden dat de reeks met betrekking tot de KOT-maatregel (hetniet-indexeren van de maximum uurprijzen in 2026) niet overeenkomt methet indexatiebesluit voor 2026 is dat het budgettaire effect in twee delen isopgesplitst. Op de SZW-begroting (hoofdstuk 15) is één gedeeltezichtbaar. Het andere gedeelte is verantwoord op hoofdstuk 83 (KoppelingUitkeringen). Beide bedragen samen tellen structureel op tot € 254miljoen. Dit is weergegeven in onderstaande tabel:Tabel: Uitsplitsing van het budgettaire effect van de KOT-maatregel (hetniet-indexeren van de maximum uurprijzen in 2026). Het structurele effect is vantoepassing vanaf 2029.Bedragen x € 1 miljoen20252026202720282029Hoofdstuk 15 (A)– 10,0113,748,026,024,9Hoofdstuk 83 (B)– 238,7– 262,0– 271,0– 278,9Totaal (A + B)– 10,0– 125,0– 214,0– 245,0– 254,0 De toelichting bij de reeksen voor hoofdstuk 15 en 83 is als volgt:A.De reeks in de SZW-begroting (hoofdstuk 15) betreft het indirecteeffect op het gemiddeld vergoede tarief en het aantal vergoede urenkinderopvang (gedragseffecten). Enerzijds zijn er meer uitgavendoordat kinderopvanginstellingen hun tarieven naar verwachting welTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8182 verhogen, waardoor er vaker het maximale uurtarief vergoed zalworden. Anderzijds neemt het gebruik van kinderopvang naarverwachting af (het wordt immers duurder voor ouders). Per saldokomen de uitgaven vanaf 2026 hoger uit (€ 24,9 miljoen structureel).B.De middelen voor de loon- en prijsbijstelling worden in 2026 nietuitgekeerd. Dit is verantwoord op hoofdstuk 83 (structureel – € 278,9miljoen). Zie hiervoor ook de toelichting onder «Koppeling Uitkerin-gen» in de Miljoenennota 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XV, nr. 8183
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.