KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 1 okt 2026 · Tweede Kamer

Verslag

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2026-2027 37 022 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2027) Nr. 12 VERSLAG Vastgesteld 1 oktober 2026 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. De voorzitter van de commissie, Jansen Adjunct-griffier van de commissie, Lips INLEIDING 1.Inleiding De leden van de D66-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het Pakket Belastingplan 2027, het eerste Belastingplan van deze regering. Nederland staat voor grote opgaven. De regering wil doorbraken bereiken, onder meer op de woningmarkt, en de komende jaren zijn grote investeringen nodig, onder meer in defensie. Dat brengt een rekening met zich mee. Deze leden vinden dat die rekening eerlijk moet worden verdeeld en niet mag worden doorgeschoven naar toekomstige generaties. De leden van de D66-fractie steunen dat het pakket negatief geëvalueerde regelingen afschaft en zo bijdraagt aan een eenvoudiger stelsel. Deze leden willen verder toewerken naar een eenvoudiger en evenwichtiger belasting- en toeslagenstelsel, waarin werken meer loont en dat innovatie, verduurzaming en gezonde keuzes stimuleert. Daarbij horen maatregelen die aantoonbaar doen waarvoor ze bedoeld zijn. Deze leden hebben nog enkele vragen, ook met het oog op het voorjaar. De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Wetsvoorstel Belastingplan 2027. Deze leden zijn op onderdelen positief, maar willen weten of de maatregelen doelmatig zijn, of ze het vestigingsklimaat en ondernemers niet onnodig schaden en welke mogelijkheden er zijn om het belastingstelsel eenvoudiger te maken. Deze leden hebben nog meerdere vragen. De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn teleurgesteld in het gebrek aan ambitie en alle schadelijke en contraproductieve maatregelen in dit Belastingplan. Deze leden hebben veel vragen en opmerkingen en willen daarbij alvast aantekenen dat dit Belastingplan in de huidige vorm een verslechtering betekent voor gewone mensen en daarom niet op de steun van de PRO-fractie kan rekenen. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Belastingplan 2027. Het pakket bevat een groot aantal maatregelen, die raken aan de koopkracht van huishoudens, ondernemerschap, investeringen, verduurzaming en vereenvoudigingen van het belastingstelsel. Deze leden vinden het goed dat de regering meer ruimte wil bieden voor investeringen in innovatie en verduurzaming en door fiscale regelingen die niet langer doelmatig zijn kritisch tegen het licht te houden. Tegelijkertijd constateren deze leden dat het pakket ook een groot aantal verschillende maatregelen bevat, die niet altijd vanuit één duidelijke langetermijnvisie op het belastingstelsel lijken te zijn vormgegeven. Juist bij fiscale maatregelen is het van belang dat keuzes niet alleen op hun budgettaire effect of het directe koopkrachteffect worden beoordeeld, maar ook op hun gevolgen voor de eenvoud, uitvoerbaarheid, werkgelegenheid, ondernemerschap en de prikkel om te werken en te investeren. De leden van de CDA-fractie zien daarbij een aantal fundamentele vragen, namelijk hoe de regering ervoor kan zorgen dat het belastingstelsel op termijn eenvoudiger en begrijpelijker wordt, hoe de regering kan voorkomen dat tijdelijke of gerichte maatregelen leiden tot verdere stapeling van inkomensafhankelijke regelingen en hoge marginale druk en hoe de regering ervoor kan zorgen dat fiscale lasten en stimulansen daadwerkelijk aansluiten bij de doelen, die de regering ermee wil bereiken. De leden van de CDA-fractie kijken daarom niet enkel naar de afzonderlijke maatregelen van het Belastingplan, maar ook naar de richting waarin deze maatregelen het belastingstelsel als geheel bewegen. Deze leden vragen de regering om bij de beantwoording van de onderstaande vragen ook steeds in te gaan op die samenhang en op het uiteindelijke perspectief voor burgers, ondernemers en de uitvoering. De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Belastingplan 2027. De constateren dat dit eerste belastingplan van dit kabinet per saldo een forse lastenverzwaring bevat. Blijkens tabel 17 van de memorie van toelichting brengt het wetsvoorstel 3,2 miljard euro op in 2027, oplopend tot 9,1 miljard euro structureel. Daarvan komt 7,8 miljard euro structureel uit het inkomensbeleid: het beperkt toepassen van de inflatiecorrectie (de zogenoemde vrijheidsbijdrage) en de verhoging van de tarieven in de eerste en tweede schijf. Deze leden merken op dat de regering de koopkracht een belangrijk onderdeel van het pakket noemt, terwijl de lastendruk voor werkenden en gepensioneerden per saldo stijgt. Deze leden hebben daarover en over een groot aantal afzonderlijke maatregelen vragen. De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat het aan haar voorgelegde wetsvoorstel incompleet was. De maatregelen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming van augustus ontbraken. De paragraaf over het inkomensbeleid bevatte op die plaats alleen de aantekening "PM koopkracht", een pro-memoriepost zonder inhoud. De Raad van State heeft deze maatregelen daarom niet kunnen beoordelen. De regering stelt in het nader rapport dat het om parameterwijzigingen gaat die niet dermate ingrijpend zijn dat zij opnieuw aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Deze leden vragen de regering precies aan te geven welke artikelen na het advies van de Raad van State aan het wetsvoorstel zijn toegevoegd of gewijzigd. Maakten de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in 2027 en 2028 en de delegatie van het toepassingspercentage voor 2028 aan een algemene maatregel van bestuur (artikel LV) deel uit van de aan de Raad van State voorgelegde tekst? Zo nee, hoe verhoudt het niet opnieuw voorleggen van die bepalingen zich tot aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving? Is de regering bereid alsnog het aanvullende advies over het aangepaste geheel te vragen dat de Raad van State in overweging geeft, zodat dat advies bij de plenaire behandeling kan worden betrokken? De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de regering over voorstellen op box 3, koopkracht werkenden en sociale zekerheid (2026D47255). Daarin kondigt de regering aan het koopkrachtpakket aan te passen, het tarief van de tweede schijf in box 2 per 2027 tijdelijk te verlagen, de drempel van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap af te bouwen, het heffingvrije vermogen in box 3 per 2027 te verlagen naar 30.846 euro en het forfait voor overige bezittingen per 2027 met 1,5 procentpunt te verhogen. Deze leden vragen de regering welke van deze maatregelen via een nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel worden verwerkt en welke via de aangekondigde novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Wordt de Raad van State over de nota van wijziging om advies gevraagd? Zo nee, betekent dit dat het koopkrachtpakket na de eerdere pro-memoriepost ook in zijn aangepaste vorm niet door de Raad van State wordt beoordeeld? De leden van de fractie van BBB hebben met belangstelling, maar ook met toenemende zorg, kennisgenomen van de wetsvoorstellen, die gezamenlijk het pakket Belastingplan 2027 vormen. Deze leden hechten waarde aan een betrouwbare, voorspelbare en sobere overheid die de burger en het bedrijfsleven ruimte geeft om te ondernemen en te leven. De regering kiest er echter voor om de belastingen structureel met maar liefst negen miljard euro te verhogen. Deze leden vinden deze structurele lastenverzwaring uitermate zorgelijk.   De leden van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend Wetsvoorstel Belastingplan 2027. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik tot het stellen van enkele vragen. De leden van de SGP-fractie constateren dat de Raad van State geadviseerd heeft over een versie van het pakket Belastingplan die inmiddels deels achterhaald is. Niet alleen is een deel van de augustusbesluitvorming niet voorgelegd voor advies, maar ook daarna is het pakket aan maatregelen nog substantieel aangepast. Acht de regering het verstandig om over het meest recente pakket een nieuw advies te vragen? 2. Pakket Belastingplan 2027 De leden van de PRO-fractie merken op dat het pakket Belastingplan 2027 dit jaar uit een relatief klein aantal wetten bestaat en dat dat mede komt doordat sommige wetsvoorstellen al eerder zijn ingediend en gespreid over het jaar. Deze leden vinden dat een positieve ontwikkeling en hopen dat de regering van plan is daarmee door te gaan. Tegelijkertijd zijn deze leden niet blij met het feit dat dit Belastingplan incompleet is: al in de aanbiedingsbrief is bekend gemaakt dat een nota van wijziging nog volgt. Deze leden merken op dat een incompleet Belastingplan in beginsel niet goed is voor de kwaliteit van de parlementaire behandeling en dat deze leden de nota van wijziging daarnaast nog steeds niet hebben ontvangen. Deze leden kunnen dan ook niet op het gehele Belastingplan schriftelijk reageren, iets dat wat hen betreft onwenselijk is. Deze leden vragen de regering om toe te lichten waarom is gekozen voor een nota van wijziging, waarom deze zo lang op zich laat wachten en hoe de regering deze gang van zaken in het vervolg gaat voorkomen. Is de regering het ermee eens dat het onwenselijk is een Belastingplan naar de Kamer te sturen terwijl al bekend is dat het nog niet compleet is en een nota van wijziging moet volgen? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering bij het pakket Belastingplan 2027 een aantal uitgangspunten heeft gehanteerd, waaronder vereenvoudiging, het borgen van een positieve koopkrachtontwikkeling en het inperken van ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen. Deze leden kunnen zich goed vinden in deze uitgangspunten. Wel willen deze leden daarbij aantekenen dat de regering enkele belangrijke uitgangspunten lijkt te zijn vergeten, te weten het eerlijker verdelen van de welvaart in Nederland en het vergroenen van het belastingstelsel. Deze leden vragen de regering daarop te reflecteren. Vindt de regering deze uitgangspunten van onderschikt belang, en zo ja, waarom? Zo nee, waarom heeft de regering deze uitgangspunten niet gehanteerd? Ook merken de leden van de PRO-fractie op dat de genoemde uitgangspunten van de regering op zijn zachtst gezegd gebrekkig zijn gehanteerd. Deze leden gaan hieronder graag uitgebreider in op het koopkracht- en inkomensbeleid; over vereenvoudiging en het inperken van fiscale regelingen merken zij op dat de regering halfslachtig te werk lijkt te zijn gegaan. De regering schrapt immers enkele ondoelmatige fiscale regelingen, iets dat volgens de leden van de PRO-fractie van harte aan te moedigen is, maar introduceert tegelijkertijd ook weer nieuwe, ingewikkelde regelingen waarvan volstrekt onduidelijk is of deze doeltreffend en doelmatig zullen zijn. Kan de regering daarop reflecteren? Vindt de regering net als de leden van de PRO-fractie dat het aantal ondoelmatige fiscale regelingen moet worden terugdrongen? Kan de regering in een tabel naast elkaar zetten welke regelingen tijdens deze regeerperiode en met het pakket Belastingplan 2027 worden afgeschaft en ingeperkt en welke worden geïntroduceerd of uitgebreid, inclusief de budgettaire belangen, die daarmee gaan gepaard? De leden van de PRO-fractie merken voorts op dat in bijlage 4 bij de Miljoenennota een wijziging in de toepassing van horizonbepalingen bij bestaande fiscale regelingen is aangekondigd. Deze leden vragen of de regering kan bevestigen dat de motie Maatoug c.s. nog steeds een belangrijk uitgangspunt vormt bij de omgang met fiscale regelingen. Is de regering nog steeds van mening is dat het toevoegen van een horizonbepaling wenselijk is bij nieuwe fiscale regelingen, en zo nee, waarom niet? Daarnaast vragen deze leden of de regering al stappen heeft gezet in het toevoegen van horizonbepalingen aan bestaande fiscale regelingen, en zo nee, waarom niet. Hoeveel bestaande regelingen hebben sinds 2023 een horizonbepaling gekregen, en hoeveel bestaande, negatief geëvalueerde regelingen hebben geen horizonbepaling gekregen? Bij hoeveel nieuwe fiscale regelingen is sinds 2023 een horizonbepaling opgenomen en bij hoeveel niet? Deze leden vragen verder wat de aanleiding is van de aangekondigde wijziging en op welke ‘recente ervaringen met uitvoering van de motie’ wordt gedoeld. De leden van de PVV-fractie hebben met afschuw kennisgenomen van de plannen van de regering bij het maatregelenpakket energieschok. Deze leden merken op dat veel burgers met een laag inkomen hun auto al niet meer kunnen gebruiken door de torenhoge brandstofkosten. Deze leden hebben daarom de vraag waarom de regering ervoor kiest om zich in dit pakket te richten op verduurzaming en klimaatgeneuzel in plaats van de energierekening te verlagen? Wat gaat de regering eraan doen om ervoor te zorgen dat de accijns op brandstof omlaaggaat? Erkent de regering dat de accijns op benzine alsnog gaat stijgen in dit Belastingplan? Het valt de leden van de PVV op dat de regering ‘het borgen van een positieve koopkrachtontwikkeling een belangrijk onderdeel van het pakket’ noemt. Uit de MEV blijkt dat de koopkracht volgend jaar achteruitgaat. Hoe reflecteert de regering hierop? Waarom doet de regering niks voor de mensen, die de rekeningen nu al niet kunnen betalen? De leden van de PVV maken zich ook zorgen over de rooskleurige inflatiecijfers die de regering gebruikt voor de koopkrachtplaatjes. Is de regering bekend met de voorspelling van de Rabobank dat de inflatie voor 2026 2,9 procent zal zijn? Wat betekent dit voor de aangeleverde koopkrachtplaatjes? Wat is de regering hieraan voornemens te gaan doen? Waarom doet de regering hier niets aan bijvoorbeeld om de brandstofaccijns écht te verlagen? De leden van de JA21-fractie merken op dat de regering in paragraaf 2 stelt dat het op voorhand niet de verwachting is dat een van de onderdelen van dit wetsvoorstel dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt. Deze leden vragen hoe de regering tot die verwachting komt, nu de regering niet op voorhand kan rekenen op een meerderheid in beide Kamers en het wetsvoorstel zowel de lastenverzwaring via het inkomensbeleid als omstreden maatregelen zoals de btw-verhoging op sierteelt bevat. De Raad van State wijst erop dat het pakket naast vereenvoudigingsmaatregelen ook complexiteitsverhogende maatregelen bevat, zoals de aanpassing van de fiscale behandeling van ingeprijsde valutaresultaten en het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering startups en scale-ups. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe wordt omgegaan met het belangwekkende advies van de SER om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen. Wat is de ambitie en planning van het kabinet in dezen. Ligt deze op koers om de eerste belangwekkende stap, namelijk afschaffing van de kinderopvangtoeslag, daadwerkelijk door te voeren? 4. Inkomensbeleid De leden van de D66-fractie vinden dat meer werken meer moet lonen. Vorig jaar schreef het toenmalige kabinet dat de soms zeer hoge marginale druk vooral wordt veroorzaakt door de stapeling van belastingen en de afbouw van toeslagen. Welke groepen ervaren nu de hoogste marginale druk en hoe hoog is die? Welke maatregelen in dit Belastingplan verlagen de marginale druk voor die groepen? De leden van de D66-fractie lezen dat de tarieven in 2027 per saldo stijgen, in de eerste schijf met 0,48 procentpunt en in de tweede schijf met 0,6 procentpunt, vooral ter compensatie van lagere zorgpremies. Wat zijn de tarieven in box 1 in 2026, wat zouden ze zonder dit Belastingplan zijn in 2027, en wat worden ze in 2027? Wat zouden de tarieven zijn in 2027 zonder de compensatie voor de zorgpremies? Wat is het koopkrachteffect van deze tariefverhoging per inkomensgroep, met en zonder de lagere zorgpremies? De leden van de D66-fractie vragen of de regering een eenvoudige uitleg kan geven van de systematiek waarin maatregelen rond het eigen risico en de zorgpremie samenhangen met de tarieven in box 1. Wat is hier precies gebeurd in de laatste jaren? Deze leden lezen in de brief van 29 september 2026 dat de arbeidskorting met 133 euro stijgt in plaats van met 173 euro, en dat het inkomen pas vanaf 80.578 euro in plaats van 78.426 euro in de derde schijf valt, waardoor de algemene heffingskorting langzamer wordt afgebouwd. Wat zijn de koopkrachteffecten van dit aangepaste pakket per inkomensdeciel? Wat betekent het voor de marginale druk van werkenden met een middeninkomen? Vorig jaar stelden de leden van de D66-fractie voor om werkenden, die een substantieel aantal uren maken extra te ontzien van belastingdruk. In het coalitieakkoord staat dat het kabinet dit onderzoekt, onder meer via een arbeidskorting per uur en een meerurenvoordeel. Wat is de stand van dat onderzoek en wanneer ontvangt de Kamer de uitkomsten? De leden van de D66-fractie constateren dat de arbeidskorting opnieuw wordt verhoogd. In het coalitieakkoord staat dat de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit stapsgewijs wordt beperkt, te beginnen met de heffingskortingen. Volgens de evaluatie uit 2024 is de arbeidskorting beperkt doeltreffend als het gaat om het stimuleren van werken. Hoe verhoudt de verhoging zich tot dat voornemen en hoe krijgt het beperken van de heffingskortingen een plek in de hervormingsagenda? De leden van de D66-fractie vragen welk effect op het arbeidsaanbod en het aantal gewerkte uren de regering verwacht van de oorspronkelijke verhoging van de arbeidskorting (1.362 miljoen euro), en van het aangepaste pakket uit de brief van 29 september 2026. Het Centraal Planbureau (CPB) schat dat een generieke verhoging van 1,5 miljard euro 0,1 procent meer arbeidsaanbod oplevert. Wat levert een gerichte variant met hetzelfde budget op? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering heeft gekozen voor het ‘technisch invullen’ van het koopkrachtpakket voor het jaar 2027. Deze leden vragen de regering wat hiermee bedoeld wordt. Is de regering bereid om de lastenverzwaring zodanig aan te passen dat de mensen met de hoogste inkomens en vermogens meer gaan betalen en mensen met lage inkomens en middeninkomens ontzien worden? Hoe zou dat er volgens de regering uit kunnen zien? Kan de regering bijvoorbeeld scenario’s bedenken waarin de gewenste lastenverzwaring wordt bereikt door slechts gebruik te maken van het aanvangspunt van het toptarief, het verhogen van het toptarief en het afbouwpercentage van de arbeidskorting? Kan de regering aangeven waar de lasten terechtkomen per inkomenskwintiel voor zowel de huidige ‘technische invulling’ als voor de alternatieve scenario’s? Op welke manier kan de lastenverzwaring zoveel mogelijk beperkt worden voor de eerste twee inkomenskwintielen? Deze leden merken verder op dat de keuze voor een verhoging van de arbeidskorting, verhoging van de eerste twee schijftarieven en verlaging van de ouderenkorting de hoogste inkomens voor een groot deel buiten schot laat terwijl met name uitkeringsgerechtigden geraakt worden. Gepensioneerden hebben bijvoorbeeld over het algemeen geen recht op de arbeidskorting, maar wel op ouderenkorting. Bijstands- en WIA-gerechtigden hebben meestal ook geen recht op arbeidskorting, maar hebben wel last van de verhoging van de schijftarieven. De leden van de PRO-fractie vragen of dat een bewuste keuze is van de regering en zo ja, waarom. Zo nee, is de regering van plan dit recht te trekken? De leden van de PRO-fractie zijn ook teleurgesteld in het wéér verhogen van de arbeidskorting. Hoewel deze leden het op zich wenselijk vinden dat de regering een (helaas halfslachtige) poging heeft gedaan om de koopkracht van mensen met een middeninkomen te verbeteren, snappen zij niet waarom dit net als de afgelopen jaren met de arbeidskorting moet in plaats van de algemene heffingskorting. Kan de regering dat toelichten? De leden van de PRO-fractie hebben al vaker opgemerkt dat het gat tussen het netto sociaal minimum en het nettominimumloon al jaren toeneemt. Deze leden vragen de regering of het klopt dat dat met dit Belastingplan ook weer zo is. Daarnaast vragen deze leden wanneer de regering vindt dat het gat groot genoeg is. Deze leden zijn zich ervan bewust dat sommige partijen geloven dat het verlagen van uitkeringen helpt bij het creëren van werkgelegenheid, hoewel al het bewijs erop wijst dat het omgekeerde waar is. Deze leden zijn echter teleurgesteld dat opeenvolgende regeringen hierin mee lijken te gaan. Deze leden vragen de regering om hierop te reflecteren. Deze leden vragen de regering daarbij ook in te gaan op het feit dat de Commissie Sociaal Minimum heeft vastgesteld dat het sociaal minimum in Nederland in veel gevallen te laag is om van rond te komen, waardoor steeds hogere toeslagen nodig zijn om armoede te voorkomen. Ook vragen deze leden de regering om in het antwoord mee te nemen dat opeenvolgende regeringen én bijna de voltallige Kamer hebben uitgesproken van het toeslagenstelsel af te willen. Kan de regering ook een tabel maken met het aandeel van toeslagen in het netto-inkomen van verschillende groepen per jaar sinds de introductie van het toeslagenstelsel? Kan de regering daarbij in ieder geval kijken naar een koppel in de bijstand met twee kinderen, een alleenstaande met twee kinderen en een modaal inkomen, een alleenstaande AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen en eventuele andere voorbeeldhuishoudens die de regering relevant acht? De leden van de PRO-fractie merken voorts op dat de voorgestelde verhoging van het tweede schijftarief in box 1 door de koppeling met het aftrektarief voor aftrekposten leidt tot een verruiming van de hypotheekrenteaftrek. Kan de regering aangeven welk budgettair belang daarmee gemoeid is en om hoeveel geld het gaat per ontvanger van de hypotheekrenteaftrek? Hoe is deze verruiming te rijmen met de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36915-4) over het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek? Is de regering bereid deze verruiming alsnog ongedaan te maken? Deze leden vragen verder of de regering inzicht kan geven in de samenhang tussen hypotheekrenteaftrek en heffingskortingen en toeslagen. Klopt het dat een hogere hypotheekrenteaftrek in veel gevallen leidt tot hogere heffingskortingen en toeslagen? Kan de regering per heffingskorting en toeslag aangeven welk budgettair belang daarmee is gemoeid? Kan de regering ook enkele rekenvoorbeelden geven van voorbeeldhuishoudens die (veel) meer heffingskortingen en toeslagen krijgen door toepassing van hypotheekrenteaftrek dan vergelijkbare huishoudens die in een huurwoning wonen? De leden van de PRO-fractie willen ook graag aantekenen dat een lastenverzwaring in box 1 van de inkomstenbelasting wat hen betreft überhaupt niet nodig is. Deze leden snappen de wens van de regering om extra belastinginkomsten te genereren om de hogere defensie-uitgaven te kunnen betalen. Deze leden merken echter op dat daar ook vele andere mogelijkheden voor zijn. Deze leden wijzen hiervoor naar de vele voorstellen die de PRO-fractie in het verleden heeft gedaan op het gebied van het eerlijker belasten van inkomsten uit vermogen en winst. Ook wijzen deze leden naar de verkiezingsprogramma’s van D66 en CDA, die deel uitmaken van de regeringscoalitie. Zelfs de VVD, die over het algemeen vooral opkomt voor de allerrijksten, heeft in het verleden af en toe voorstellen gedaan om belastingontwijking tegen te gaan. Kan de regering toelichten waarom deze voorstellen niet in het Belastingplan zijn beland, of althans niet voldoende, waardoor de regering zich blijkbaar genoodzaakt voelde een structurele lastenverzwaring van 7,8 miljard euro voor te stellen? Kan de regering daarnaast nieuwe koopkrachtplaatjes opstellen, waarbij de voorstellen uit het Belastingplan 2027 niet zijn meegenomen en er dus geen sprake zou zijn van lastenverzwaringen? Kan de regering op het verschil tussen de koopkrachtplaatjes met en zonder Belastingplan 2027 reflecteren? De leden van de PRO-fractie vragen de regering ook waarom de regering niets wil doen met de vele adviezen en rapporten van wetenschappers en andere deskundigen over het minder zwaar belasten van arbeid en het zwaarder belasten van kapitaal. Vindt de regering deze adviezen niet relevant? Kan de regering heel globaal samenvatten wat wetenschappers, Nibud, CPB en andere adviseurs van de regering over dit onderwerp hebben gezegd en welke conclusies getrokken worden in ambtelijke rapporten van de afgelopen jaren? Kan de regering daarnaast benoemen welke rapporten en adviseurs pleiten voor het verhogen van de lasten op arbeid en het gelijk laten van de lasten op kapitaal? Kan de regering op dit alles reflecteren? De leden van de PRO-fractie zijn voorts erg benieuwd waarom de regering heeft besloten een aanpassing van de tabelcorrectiefactor voor 2028 al in dit Belastingplan op te nemen. Is dat eerder gebeurd? Zou het niet logischer zijn deze maatregel gezamenlijk te overwegen met overige maatregelen in het Belastingplan 2028, om tot een afgewogen geheel te komen? Is er enige noodzaak qua uitvoering of wetgeving om de voorgestelde delegatiebepaling op te nemen of wil de regering gewoon graag dat deze lastenverzwaring al met dit Belastingplan wordt aangenomen? Deze leden vragen daarnaast of de regering bereid is de genoemde delegatiebepaling uit het Belastingplan te schrappen, en of de regering het ermee eens is dat dit in principe geen budgettaire consequenties heeft, omdat een aanpassing van de tabelcorrectiefactor voor 2028 gewoon alsnog in het Belastingplan 2028 kan worden opgenomen. De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering kiest voor een koopkrachtpakket van 1,5 miljard euro om de koopkrachtmin voor werkenden iets te beperken. Allereerst merken deze leden op dat zij het reëel vinden dat de vrijheidsheffing enig neerwaarts effect op de koopkracht van mensen heeft, omdat de maatregel is bedoeld om solidair bij te dragen aan de veiligheid van Nederland. Naast de vrijheidsheffing speelt ook de compenserende lastenverzwaring in de eerste en tweede schijf van box 1 als gevolg van het terugdraaien van de halvering van het eigen risico. Dat is een lastenverzwaring, waar overigens ook een zorgpremieverlaging tegenover staat. De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering als technische invulling van het koopkrachtpakket heeft gekozen om ruim 1,3 miljard euro te steken in verhoging van de arbeidskorting. Dit vinden deze leden geen logische keuze in het licht van de beoogde hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel. Daar is immers opgenomen dat we juist gaan toewerken naar minder inkomensafhankelijke regelingen, te beginnen bij de heffingskortingen. Deze leden merken op dat de hoge marginale druk in ons stelsel, voor zo’n 30 procent van de werkenden (ver) boven de 60 procent, wordt veroorzaakt door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen, waardoor nog geen 40 procent van iedere extra verdiende euro overblijft. Bovendien wees de recente evaluatie uit dat de arbeidskorting bij ongeveer de helft van werkenden onbekend is, dat deze niet leidt tot meer arbeidsparticipatie en niet meer aansluit bij het oorspronkelijke doel van de regeling. Wat deze leden verder problematisch vinden is dat de regering met verhoging van de al zo ver opgepompte arbeidskorting de verschillen tussen een- en tweeverdieners verder vergroot en de inkomensterugval nog groter is op het moment dat iemand ziek wordt of arbeidsongeschikt raakt. De leden van de CDA-fractie hebben al langer gepleit voor oplossen van deze onevenwichtigheden in het stelsel, door de inkomensafhankelijke regelingen te beperken. Hoe verder deze regelingen echter steeds verhoogd worden, des te moeilijker het wordt om deze te hervormen. Deze leden vragen de regering daarom om een uitgebreide reflectie op de keuze voor verhoging van de arbeidskorting en waarom deze keuze volgens de regering niet volledig ingaat tegen de afspraak in het coalitieakkoord om inkomensafhankelijke regelingen te verminderen. Ook vragen deze leden om een reflectie van de regering op draaien aan inkomensafhankelijke knoppen om heel gericht op koopkracht van voorkeursgroepen te sturen, terwijl dat bepaalde groepen werkenden en mensen die niet meer kunnen werken benadeelt. Deze leden vragen of de regering de gemaakte keuze principieel de juiste richting vindt of dat deze keuze meer is ingegeven om snel effect voor werkenden te laten zien in koopkrachtmodellen, terwijl steeds weer aan deze knop draaien het stelsel voor de lange termijn niet beter maakt, waardoor werken minder loont. Deze leden vragen of de regering ook niet meer ziet in een stelsel met als eindbeeld transparante lage belastingtarieven, proportionele heffingskortingen die niet langer inkomensafhankelijk afbouwen, zodat mensen die meer werken er niet op achteruit gaan en verschillen tussen een- en tweeverdieners kleiner worden en die bovendien ervoor zorgen dat mensen die niet langer arbeidskorting ontvangen een enorme inkomensval maken. Met de huidige maximale korting van bijna 6.000 euro is die terugval immers netto zo’n 500 euro per maand, waarbij nog niet eens de daling van het salaris is meegenomen. Om een goede afweging voor de invulling te maken, vragen de leden van de CDA-fractie vragen of de regering verschillende alternatieven, inclusief koopkrachteffecten, kan uitwerken voor de technische invulling, onder andere door de tarieven in de eerste en tweede schijf te verlagen, door de tabelcorrectiefactor meer toe te passen, door een combinatie van verschillende opties, of nog andere invullingen. De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe het staat met de uitwerking van een voorstel tot een arbeidskorting per gewerkt uur, waardoor meer werken echt meer kan gaan lonen. Graag zouden zij een doorkijk in de tijd krijgen. De leden van de CDA-fractie vragen verder hoe de stijging van IB-tarieven in verhouding staat tot de gedaalde zorgpremies, als gevolg van de eigen risicomaatregelen. Deze leden zijn benieuwd wat in grote lijnen het netto-effect is. De leden van de JA21-fractie constateren dat het inkomensbeleid uit drie onderdelen bestaat: de vrijheidsbijdrage van burgers via een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (1,5 miljard euro in 2027, 3,4 miljard euro structureel), een verhoging van de tarieven van de eerste en tweede schijf met 0,57 procentpunt ter dekking van lagere zorgpremies (3,1 miljard euro in 2027, 5,1 miljard euro structureel) en een technische koopkrachtinvulling met een structurele derving van 717 miljoen euro. Blijkens tabel 1 van de memorie van toelichting stijgt het tarief van de eerste schijf van 35,75 naar 36,23 procent en het tarief van de tweede schijf van 37,56 naar 38,16 procent. De leden van de JA21-fractie merken ten aanzien van de vrijheidsbijdrage op dat het beperkt toepassen van de inflatiecorrectie een belastingverhoging is zonder dat enig tarief wordt gewijzigd. Wie er in 2027 in koopkracht niet op vooruitgaat, betaalt toch meer belasting doordat schijfgrenzen en heffingskortingen achterblijven bij de inflatie. Deze leden vragen de regering om de structurele lastenverzwaring van de vrijheidsbijdrage van burgers uit te splitsen naar inkomensdecielen en naar huishoudtype, waarbij in ieder geval werkenden, AOW-gerechtigden en eenverdieners afzonderlijk worden weergegeven. Hoeveel betaalt een huishouden met een modaal inkomen in 2027 en structureel extra als gevolg van alleen de vrijheidsbijdrage? De vrijheidsbijdrage raakt blijkens paragraaf 4 van de memorie van toelichting ook bedragen buiten de heffingskortingen en schijfgrenzen, waaronder het heffingsvrije vermogen in box 3, de vrijstelling groene beleggingen, de schijfgrens in box 2, de grenzen van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, het maximumbedrag van de energie-investeringsaftrek en de S&O-aftrek. De regering erkent dat daardoor "in beperkte mate" ook bedrijven bijdragen. Deze leden vragen de regering te kwantificeren welk deel van de opbrengst van 1,5 miljard euro in 2027 en 3,4 miljard euro structureel neerslaat bij ondernemers en in box 2 en box 3. Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt volgens de genoemde brief per 2027 verlaagd naar 30.846 euro. Deze leden vragen de regering hoeveel belastingplichtigen hierdoor in 2027 voor het eerst box 3-heffing betalen. Hoe verhoudt deze verlaging zich tot de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor op het heffingsvrije vermogen? Welk deel van de opbrengst van de vrijheidsbijdrage vervalt daardoor? Deze leden vragen voorts hoe de vrijheidsbijdrage van burgers zich verhoudt tot de vrijheidsbijdrage van bedrijven. Die laatste wordt blijkens paragraaf 4 voor het grootste deel ingevuld als taakstellende verhoging van de Aof-premie en maakt geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel. Kan de regering bevestigen dat de Kamer daarmee bij de behandeling van dit wetsvoorstel alleen over de helft van de vrijheidsbijdrage beslist? Hoe hoog wordt de Aof-premie in 2027 en 2028? Wanneer wordt de Kamer daarover geïnformeerd? De leden van de JA21-fractie hebben ernstige bedenkingen bij de wijze waarop de vrijheidsbijdrage voor 2028 wordt vormgegeven. Op grond van het voorgestelde artikel LV wordt het toepassingspercentage voor 2028 bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld, zodanig dat de opbrengst gelijk is aan het in de Voorjaarsnota 2026 opgenomen bedrag van 1,9 miljard euro. De wet legt daarmee niet de hoogte van de belastingheffing vast, maar alleen een budgettair doelbedrag. In paragraaf 6 van de memorie van toelichting noemt de regering voor 2028 een toepassingspercentage van 12,2 procent. Deze leden vragen of dat percentage een raming is en hoe groot de bandbreedte is als de tabelcorrectiefactor voor 2028 hoger of lager uitvalt dan nu verwacht. Wat betekent een hogere inflatie in 2027 voor het toepassingspercentage in 2028? Klopt het dat bij een hogere inflatie het toepassingspercentage stijgt, terwijl bij een lagere inflatie de inflatiecorrectie in 2028 nagenoeg volledig kan wegvallen? Is de regering bereid het toepassingspercentage voor 2028 alsnog in de wet op te nemen, dan wel de algemene maatregel van bestuur ten minste te onderwerpen aan een voorhangprocedure bij beide Kamers? De leden van de JA21-fractie constateren dat de tariefverhoging van 0,57 procentpunt dient ter dekking van de compensatie van zorgpremies uit de Voorjaarsnota 2026. De memorie van toelichting bevat geen cijfermatige onderbouwing van de verhouding tussen de premiedaling en de tariefverhoging. Deze leden vragen de regering per huishoudtype en per inkomensgroep inzichtelijk te maken hoeveel de nominale zorgpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw dalen en hoeveel de tariefverhoging kost. Voor welke groepen is het saldo negatief? Klopt het dat huishoudens met een laag belastbaar inkomen, die hun heffingskortingen niet volledig kunnen verzilveren, wel profiteren van de lagere premie maar de tariefverhoging nauwelijks merken, terwijl werkende middeninkomens per saldo kunnen inleveren? De regering stelde in het wetsvoorstel voor het aangrijpingspunt van het toptarief in 2027 te bevriezen op 78.426 euro, de ouderenkorting met 100 euro te verlagen, de arbeidskorting op alle knikpunten met 173 euro te verhogen en de tarieven van de eerste en tweede schijf met 0,06 procentpunt te verlagen. In de brief over voorstellen op box 3, koopkracht werkenden en sociale zekerheid kondigt de regering aan het aangrijpingspunt van het toptarief te verhogen naar 80.578 euro en de arbeidskorting met133 euro in plaats van 173 euro te verhogen. Deze leden vragen de regering de volledige aangepaste parameterset voor 2027 te geven, inclusief de ouderenkorting en de tarieven van de eerste en tweede schijf. Blijft de verlaging van de ouderenkorting met € 100 gehandhaafd? Gepensioneerden gaan er volgens tabel 2 van de brief in doorsnee op vooruit. Deze leden vragen hoeveel AOW-gerechtigden er, mede door de verlaging van de ouderenkorting, in 2027 toch in koopkracht op achteruitgaan. De regering financiert de aanpassing met 436 miljoen euro uit de overdekking aan de lastenkant. Deze leden vragen hoe groot die overdekking in 2027 en structureel is, waar zij uit bestaat en of de aanpassing structureel is gedekt. Tabel 2 van de brief laat zien dat de mediane koopkracht van werkenden verbetert van -0,2 naar -0,1 procent, terwijl de koopkracht van alle huishoudens op -0,1 procent blijft. Deze leden vragen de regering waarom werkenden er ook na de aanpassing in doorsnee op achteruitgaan, terwijl gepensioneerden er met 0,3 procent op vooruitgaan. De leden van de JA21-fractie merken op dat de voorgestelde maatregelen de marginale druk verhogen. De bijlage over marginale en gemiddelde druk bij het pakket Belastingplan 2027 noemt de hogere tarieven in de eerste en tweede schijf, een snellere afbouw van de algemene heffingskorting door de bevriezing van het aangrijpingspunt van het toptarief, een tragere opbouw van de arbeidskorting en een steilere afbouw van het kindgebonden budget. Volgens die bijlage daalt het aandeel werkenden met een marginale druk van 60 procent of lager van 84,6 procent in 2026 naar 83 procent in 2027. Deze leden vragen de regering hoeveel werkenden er in 2027 een marginale druk hebben van meer dan 60, 70 en 80 procent, uitgesplitst naar huishoudtype. Hoe verhouden die aantallen zich tot 2026? Deze leden vragen de regering deze cijfers ook te geven voor de aangepaste koopkrachtinvulling uit de brief. De regering heeft in de ogen van de leden van de BBB-fractie geen inkomstenprobleem, maar een uitgavenprobleem. In plaats van de eigen overheidsuitgaven eens kritisch tegen het licht te houden, wordt opnieuw de greep gedaan in de portemonnee van de hardwerkende Nederlander en het MKB. De leden van de BBB-fractie vragen de regering op onderstaande onderdelen om een verduidelijking en reactie. De regering stelt voor om de arbeidskorting opnieuw te verhogen om werken te laten lonen. Hoe sympathiek dat op het eerste gezicht ook klinkt, zetten de leden van de BBB-fractie grote vraagtekens bij deze methodiek. Vanuit het oogpunt van vereenvoudiging moet de regering in de ogen van deze leden juist af van het telkens opschroeven van specifieke heffingskortingen. Door de opstapeling van arbeidskortingen, algemene heffingskortingen en afbouwtrajecten zeggen de wettelijke schijftarieven in de inkomstenbelasting tegenwoordig vrijwel niets meer over de daadwerkelijke belastingdruk. Deelt de regering de mening van deze leden dat ons belastingstelsel door het doorgeschoten gebruik van heffingskortingen volstrekt onduidelijk en ontransparant is geworden voor de gewone belastingbetaler? Waarom heeft de regering dan toch weer gekozen voor deze route, hoewel deze zo fel is bekritiseerd door de jaren heen? Welke concrete stappen gaat de regering zetten om het belastingstelsel op te opschonen, zodat de schijftarieven weer de werkelijke belastingdruk weergeven?   Kan de regering een integraal overzicht verstrekken van alle beleidsmatige mutaties in de zorgpremie en het eigen risico sinds het aantreden van het kabinet-Jetten I en kan de regering daarbij per mutatie aangeven of er al dan niet sprake is van compensatie in de zorgpremie, de inkomstenbelasting of de Premie Aof? De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er door de regering in woorden is gekozen om koopkracht via een technische invulling te verbeteren. Tegelijkertijd constateren deze leden dat in daden een ideologische keuze is gemaakt, namelijk voor een zeer forse verhoging van de arbeidskorting. Waarom is niet voor een eenvoudige koopkrachtreparatie gekozen middels het meer dan wel volledig toepassen van de tabelcorrectiefactor? Staat de regering ervoor open om dat alsnog te doen? De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er in het kader van de zogenoemde vrijheidsbijdrage, voor bedrijven in 2027 1,5 miljard euro en structureel vanaf 2028 1,7 miljard euro wordt opgehaald. Dit steekt af tegen de vrijheidsbijdrage van burgers, die structureel 3,4 miljard euro bedraagt. Waarom heeft de regering ervoor gekozen om de vrijheidsbijdrage structureel voornamelijk door burgers te laten betalen? Waarom is niet gekozen voor een 50-50-benadering? Daarnaast zien de leden van de ChristenUnie-fractie dat de vrijheidsbijdrage van werkgevers wordt opgehaald via de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfondspremie. De Raad van State concludeert echter dat naar schatting 75 procent van deze premieverhoging bij werknemers terechtkomt, daarmee is dit niet alleen een verhoging van de lasten op arbeid, maar wordt deze ook nog eens grotendeels afgewenteld op werknemers. Ook de Algemene Rekenkamer constateert dat het gebruik van de Aof-premie voor het ophalen van geld voor Defensie een vermenging van premies en belastingen is, waarmee het budgetrecht van de Kamer wordt omzeild. Herkent de regering de conclusie van de Raad van State dat de druk van de premieverhoging voor een groot deel bij werknemers komt? Wat zijn de afwegingen van de regering geweest om niet via bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting bedrijven te laten bijdragen aan Defensie? In dit kader wijzen de leden van de ChristenUnie-fractie ook op de motie Grinwis/Patijn (Kamerstuk 32 716, nr. 57) en vragen deze leden wat de analyse naar de juridische houdbaarheid en maatschappelijke wenselijkheid van de veel sneller stijgende Aof-premie dan noodzakelijk voor de arbeidsongeschiktheidsuitgaven heeft opgeleverd? De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering zich niet aan zijn eigen systeem heeft gehouden bij het niet doorvoeren van de verhoging van het eigen risico in 2027 met een simpel beroep op het niet verder willen belasten van het EMU-saldo. Is er een precedent voor dit niet doorvoeren van een compenserende lastenverlichting? Zo ja, hoe vaak dan? Zo nee, waarom is dit de eerste keer? Uit de beantwoording van de feitelijke vragen inzake de Miljoenennota is duidelijk geworden dat het zou gaat om een verlaging van het eerste en tweede tarief in de IB met 0,14 procent, ofwel 716 miljoen euro. Welke verlaging van de Aof-premie had normaal gesproken moeten worden doorgevoerd en met welke budgettaire consequenties? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de moties Grinwis/Vermeer (Kamerstuk 36 478, nr. 34) en Grinwis/Inge van Dijk (Kamerstuk 36 706, nr. 13) aangaande de incorporatie van de leegwaarderatiocorrectie op de inbrengwaarde van vastgoed en de actualisatie van deze leegwaarderatio worden geïmplementeerd bij ingang van de wijziging Wet werkelijk rendement voor wat betreft het nieuwe box 3-stelsel. Daarnaast vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering of de uitvoering van de motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 748, nr. 13) nog nieuwe inzichten heeft opgeleverd. Deze leden constateren dat de snelle overstap van vermogensaanwas naar vermogenswinst een dure overstap is. Zou het mogelijk zijn om deze derving te verkleinen door, net zoals in box 2, een instaptarief en een toptarief te overwegen voor box 3? Zouden met een progressie in de tarieven jaarlijks winst kunnen worden meegenomen en daarmee de derving worden verkleind? Deze leden denken aan de volgende mogelijkheden waarbij wij het behoud van het heffingsvrij inkomen van €1.800 mogelijk achten: ⁠<€10.000 28% en >€10.000 38% <€10.000 30% en >€10.000 40% <€10.000 25% en >€10.000 45% ⁠⁠<€39.247 30% en >€39.247 40% ⁠⁠<€39.247 32% en >€39.247 40% ⁠<€80.578 32% en >€80.578 44% ⁠<€80.578 30% en >€80.578 49,5% Deze leden vragen ook welke variant de regering als de beste mogelijke route ziet voor het verkleinen van de derving? Ook vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wat een verhoging van de dividendbelasting met respectievelijk 1%-, 2%-, 5%- en 10%-punt zou netto opleveren? Met betrekking tot de plannen die op dinsdag 29 september 2026 zijn gedeeld bespreekt de regering dekking voor plannen door het tarief in box 2 te verlagen om zo uitbetaling van vermogen aantrekkelijker te maken. Hoe zou het eruit zien als de tarieven met 1%-, 2%-, 3%-, 4%- of 5%-punt eenmalig voor één jaar worden verlaagd in zowel het hoge als het lage tarief en/of de schijfgrens naar boven wordt verlegd? Met welke gedragseffecten rekent de regering als gevolg van deze verlagingen? De leden van de SGP-fractie vragen naar een overzicht van alle IB-parameters, nu diverse parameters zijn aangepast na indiening van het pakket Belastingplan? De leden van de SGP-fractie zijn zeer kritisch over de verhoging van het tarief van de eerste schijf inkomstenbelasting en over de verhoging van de arbeidskorting. Wat is daarvan precies het doel, en op basis waarvan verwacht de regering dat dat doel bereikt wordt? Diverse onderzoeken hebben laten zien dat de rek uit de doelmatigheid en doeltreffendheid van een verdere verhoging van belastingkortingen op de arbeidsparticipatie eruit is, zo constateren de leden van de SGP-fractie al enkele jaren. Waarom kiest de regering er dan toch voor om de arbeidskorting verder te laten stijgen? Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop dat de verhoging van de arbeidskorting de kloof tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden, zoals arbeidsongeschikten, vergroot. De laatste tijd is daarover ook een uitspraak van de Hoge Raad geweest. Hoe ziet de regering dit? Waarom worden uitkeringsgerechtigden, zoals arbeidsongeschikten, hierdoor steeds verder op achterstand gezet? De leden van de SGP-fractie vragen opnieuw aandacht voor de grote belastingkloof tussen een- en tweeverdieners. Met de wijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel wordt de kloof opnieuw groter, zo merken deze leden op. Waarom kiest de regering daarvoor, en niet voor het verkleinen van deze onrechtvaardige belastingkloof? Deelt de regering de wens van de leden van de SGP-fractie om deze kloof te dichten, maar in ieder geval te verkleinen? Is de regering het eens dat verbreding van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting, zoals voorgesteld per 2028, hiervoor een deel van de oplossing kan zijn? De leden van de SGP-fractie vernemen graag van de regering hoeveel de inkomstenbelasting, de AK, AHK, IACK en de totale netto belasting die het huishouden afdraagt in de volgende gevallen: Inkomen 1: €20.000, Inkomen 2: €20.000 Inkomen 1: €30.000, Inkomen 2: €30.000 Inkomen 1: €40.000, Inkomen 2: €0 Inkomen 1: €60.000, Inkomen 2: €0 Inkomen 1: €25.000, Inkomen 2: €15.000 Inkomen 1: €45.000, Inkomen 2: €15.000 De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat uit de tabellen over de marginale druk het beeld naar voren komt dat de marginale druk volgend jaar, door de kabinetsplannen, over de hele linie stijgt. Waarom kiest de regering daarvoor? Waarom gaat de regering daarmee in tegen de breed gedeelde wens om de marginale druk te verlagen? Deze leden wijzen specifiek op de marginale druk voor eenverdieners, die kan oplopen tot 95%. De hoogste marginale druk uit de overzichtstabel. Waarom neemt de regering geen maatregelen om deze marginale druk te verlagen? De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel over de verhoging van het eigen risico met een jaar wordt uitgesteld. De regering zet hier echter een lastenverzwaring van één miljard euro tegenover. De rekening komt dus alsnog bij gezinnen terecht, namelijk de werkenden. Waarom kiest de regering daarvoor? Wat is precies de tariefsverhoging in box 1 als gevolg van deze keuze? 5 Algemene toelichting maatregelen in wetsvoorstel Belastingplan 2027 5.1 Verhogen onbelaste reiskostenvergoeding en andere forfaitaire aftrekbedragen. De leden van de PRO-fractie staan in beginsel positief tegenover het voornemen om werkgevers in staat te stellen de reiskosten van werknemers zo volledig mogelijk te vergoeden. Het voorstel van de regering om de onbelaste reiskostenvergoeding te verhogen draagt daaraan bij en kan dus op instemming van deze leden rekenen. Deze leden maken daarbij wel twee belangrijke aantekeningen. Ten eerste ontvangen lang niet alle werknemers een reiskostenvergoeding van hun werkgever. Voor de groep die geen vergoeding krijgt, of een vergoeding lager dan het maximum, doet het verhogen van het maximum niets. De leden van de PRO-fractie vragen daarom of de regering heeft overwogen aanvullende maatregelen te nemen om ook die groep te bereiken en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zouden zijn. Zo nee, waarom niet? Voorts merken deze leden op dat meer reizen, ook woon-werkverkeer, een negatieve impact op het klimaat kan hebben. Deze leden vragen daarom of de regering ook flankerend beleid heeft overwogen om de negatieve impact die het gevolg kan zijn van hogere reiskostenvergoedingen te mitigeren. Deze leden lezen dat de hogere reiskostenvergoeding gemiddeld leidt tot een voordeel van ongeveer 0,30 euro per liter brandstof. Heeft de regering ook onderzocht wat de klimaatimpact daarvan is? Hoeveel extra broeikasgastuitstoot zal plaatsvinden door deze maatregel? Ook vragen deze leden naar de overlap met de accijnskorting die de regering voornemens is te verlengen – is het nemen van beide maatregelen niet dubbelop? Welke van de twee maatregelen vindt de regering het belangrijkst en waarom? De leden van de PRO-fractie willen graag weten hoe de regering aankijkt tegen het stimuleren van woon-werkverkeer met het openbaar vervoer, bijvoorbeeld door de prijzen in het openbaar vervoer te verlagen of door werkgevers te verplichten woon-werkverkeer met het openbaar vervoer te vergoeden. Is de regering het met deze leden eens dat een dergelijke maatregel zowel effectief kan zijn om de groep, die nu geen of een beperkte vergoeding krijgt te bereiken, als om de klimaatimpact van hogere reiskostenvergoedingen te mitigeren? De leden van de PVV-fractie kijken met scepsis naar de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding. Kan de regering aangeven hoeveel bedrijven gebruikmaken van de verhoogde reiskostenvergoeding? Hoe verhoudt dit zich tot de brandstofprijzen? In het kader van gestegen brandstofprijzen is gekozen de onbelaste reiskostenvergoeding van 0,23 euro naar 0,25 euro te verhogen. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre bekend is of werkgevers deze hogere reiskostenvergoeding inderdaad al hebben toegepast of dat veel werkgevers dat nog niet doen en wat hiervan de reden is, bijvoorbeeld wachten op een nieuwe cao. Ook zijn deze leden benieuwd of de regering ook actief bij werkgevers deze maatregel onder de aandacht heeft gebracht om deelname te verhogen. De leden van de JA21-fractie steunen de verhoging van de gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding van 0,23 euro naar 0,25 euro per kilometer. Deze leden merken op dat het maximum niet automatisch wordt geïndexeerd en dat de vorige verhoging per 2024 plaatsvond. Deze leden vragen of de regering bereid is de onbelaste reiskostenvergoeding voortaan periodiek te indexeren, zodat niet bij iedere prijsstijging een ad-hoc maatregel nodig is. Hoeveel zou een structurele indexatie met de tabelcorrectiefactor jaarlijks kosten? De regering verwacht dat ongeveer driekwart van de werkgevers de verhoogde vergoeding zal overnemen, zo constateren de leden van de JA21-fractie. Deze leden vragen welk deel van de werkgevers de verhoging inmiddels daadwerkelijk toepast en hoe dat wordt gemeten. De Belastingdienst geeft aan dat de hogere forfaitaire aftrekbedragen niet meer kunnen worden verwerkt in het aangifteprogramma voor de voorlopige aanslag 2026 en in het F-biljet. Deze leden vragen hoe de Belastingdienst belastingplichtigen, in het bijzonder nabestaanden die het F-biljet invullen, erop wijst dat zij het hogere bedrag zelf kunnen opvoeren. Is de regering bereid ambtshalve te corrigeren als het lagere bedrag is gehanteerd De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat werkgevers niet verplicht zijn de hogere onbelaste reiskostenvergoeding te verstrekken. Tegelijk is dit, ook volgens de memorie van toelichting, een belangrijk instrument om de gevolgen van de gestegen energieprijzen te mitigeren. Welke inspanningen verricht de regering om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk werkgevers de verhoging overnemen? Heeft de regering al zicht op de effectiviteit van de maatregel, ook in de mate waarin werkgevers de vergoeding verhogen, aangezien deze al met terugwerkende kracht in werking is getreden? De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de onbelaste reiskostenvergoeding tot 2023 jarenlang niet is verhoogd. Pas sinds 2023 is deze vergoeding in twee stappen verhoogd naar 25 eurocent. Deze leden vragen daarom of de huidige hoogte van de vergoeding recht doet aan de werkelijke situatie. Deze leden wijzen er daarbij op dat de hoogte nooit wordt gecorrigeerd voor inflatie. Waarom kiest de regering er niet voor om de reiskostenvergoeding jaarlijks te verhogen met de tabelcorrectiefactor? 5.3 Geleidelijker transitiepad youngtimerregeling De leden van de D66-fractie willen de automobiliteit verduurzamen en fiscale voordelen voor niet-elektrische en hybride bedrijfswagens afbouwen. Deze leden lezen dat de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling in 2027 op 17 jaar komt te liggen en vanaf 2028 structureel op 20 jaar, in plaats van 25 jaar, met extra overgangsrecht in 2027. Het budgettaire effect is volgens de factsheet nul, terwijl de beslisnota's de opties ramen op 59 à 72 miljoen euro in 2027 en een grens van 20 in plaats van 25 jaar op indicatief 14 miljoen euro per jaar structureel. Wat kost de gekozen variant per jaar, en hoe is die gedekt? De leden van de D66-fractie vragen voorts waarom de regeling niet volledig wordt afgebouwd of wordt dichtgezet op een datum eerste toelating, bijvoorbeeld 1 januari 2011. Deze leden vragen of het klopt dat een auto met datum eerste toelating in 2010 in 2027 wel onder de youngtimerregeling valt, in 2028 en 2029 niet, en in 2030 weer wel. Hoe stellen gebruikers van auto's uit 2008 tot en met 2010 de catalogusprijs vast, als die niet via de RDW te vinden is? De leden van de PRO-fractie snappen dat een geleidelijk transitiepad gewenst kan zijn bij het aanpassen of afschaffen van fiscale regelingen. Deze leden merken echter op dat de regering hier niet voorstelt geleidelijker naar een hogere leeftijdsgrens van 25 jaar te gaan, maar in plaats daarvan slechts te verhogen naar 20 jaar. Deze minder sterke verhoging heeft met geleidelijkheid niets te maken; de regering geeft immers zelf aan dat het gaat om ‘structureel behoud’ van de youngtimerregeling. Dat roept een aantal vragen op bij de leden van de PRO-fractie. Ten eerste: waarom deze verlaging van 25 naar 20 jaar? Ten tweede: waarom kiest de regering voor ‘structureel’ behoud? Wat zou er misgaan als de youngtimerregeling geleidelijk, bijvoorbeeld in tien jaar, helemaal afgeschaft zou worden? Welke positieve en negatieve effecten van een dergelijke geleidelijke afschaffing ziet de regering? Deze leden vragen ook wat de gevolgen voor het klimaat zijn van de voorgestelde maatregel; hoeveel meer broeikasgasuitstoot verwacht de regering door tragere vervanging van het wagenpark? De leden van de PVV-fractie hebben grote zorgen bij de uitwerking van het transitiepad van de youngtimerregeling. De leden van de PVV-fractie constateren dat de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling stapsgewijs wordt verhoogd van 16 jaar (2026) naar 17 jaar (2027) en naar 20 jaar (2028), en dat het overgangsrecht alleen geldt voor auto's die uiterlijk op 31 december 2025 ter beschikking stonden. Kan de regering bevestigen dat een auto hierdoor eerst onder de regeling kan vallen, daarna in 2028 tijdelijk niet meer en vervolgens bij het bereiken van de 20-jarige leeftijd weer wel? Zo ja, waarom is er niet gekozen voor een transitiepad dat dit voorkomt? Hoe verhoudt dit zich tot de uitvoerbaarheid van de maatregel? Hoe rijmt de regering dit met de ambitie voor een eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel? De leden van de CDA-fractie merken op dat de uitvoeringstoets bij de maatregel nog niet gereed is. Deze leden vragen wanneer zij deze uitvoeringstoets kunnen verwachten. De leden van de JA21-fractie steunen een geleidelijker transitiepad, zoals verzocht in de motie-Grinwis en Oosterhuis (Kamerstuk 31 140, nr. 294). Deze leden steunen ook de keuze om structureel een youngtimerregeling te behouden. Deze leden vragen de regering om te onderbouwen waarom de grens van 20 jaar passend is bij het doel van de regeling, gelet op de stelling dat auto's vanaf een bepaalde leeftijd hogere onderhoudskosten kennen. Op welke gegevens is die leeftijd gebaseerd? Deze leden merken op dat de uitvoeringstoets voor deze maatregel nog niet is afgerond. Deze leden vragen die toets aan de Kamer te zenden zodra deze beschikbaar is en in ieder geval voor de plenaire behandeling. De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat er bij de herziening van de youngtimerregeling een fiscaal gat ontstaat voor auto's die in 2028 exact 18 jaar oud zijn, waardoor zij gedurende twee jaar buiten zowel de oude als de nieuwe regeling vallen? Waarom heeft de regering voor deze specifieke uitwerking gekozen en erkent de regering dat dit stelsel hiermee nodeloos complicerend wordt gemaakt? De leden van de ChristenUnie-fractie lezen met belangstelling dat de regering via de aangenomen motie Grinwis en Oosterhuis (Kamerstuk 31 140, nr. 294) op zoek is gegaan naar een geleidelijker transitiepad voor youngtimers. Tegelijkertijd blijven er ondernemers die door het gekozen pad een lange tijd buiten de regeling vallen. Wat zijn voor de regering de afwegingen geweest om voor de genoemde data en leeftijden te kiezen, zodat er alsnog auto-eigenaren buiten de regeling vallen, ondanks de geest van de aangenomen motie Grinwis/ Oosterhuis? Is er overwogen om de stap tussen 17 jaar en 20 jaar ook te dekken met een stap 18 jaar en 19 jaar? Welke budgettaire derving gaat daarmee gepaard en in welke jaren valt deze? Deze leden constateren dat de in de Miljoenennota aangekondigde greentimerregeling nog niet is opgenomen in het Belastingplan. Deze leden veronderstellen dat dat te maken heeft met het ingangsjaar 2029. Klopt dat? Waarom is gekozen voor 2029, terwijl in de titel van maatregel 27 2028 staat. Is de maatregel uitvoerbaar per 2028? Is de regering bereid de maatregel nu alvast in het Belastingplan op te nemen, zodat er ook investeringszekerheid wordt geboden aan de autobranche en de eventuele gegadigden. Verder concluderen de leden van de ChristenUnie-fractie dat er in de context van BPM en tenaamstellingsbelasting in de voorgaande kabinetten verscheidene ideeën op tafel zijn gelegd. Wanneer kunnen wij hervormingsvoorstellen verwachten? Kan de regering toelichten waarom dit tot op heden zo veel tijd heeft gekost en wat de Kamer de komende tijd kan verwachten? De leden van de SGP-fractie zijn in beginsel positief dat er een geleidelijker transitiepad wordt voorgesteld. Tegelijk vragen deze leden of het voorgestelde pad de juiste is. Voor auto’s, die in 2025 15 jaar zijn geworden, wordt voor 2026 een oplossing geboden. Voor het jaar 2027 wordt een vergelijkbare oplossing voorgesteld, waarbij de grens wordt gesteld op 17 jaar. Deze leden wijzen erop dat dit dus om dezelfde groep auto’s gaat, die enkele jaren op rij onder het overgangsrecht vallen. Per 2028 geldt echter een grens van 20 jaar. Vanaf 2028 vervalt dus voor deze groep, en andere groepen, de youngtimerregeling alsnog. Deze leden achten dit bezwaarlijk. Waarom wordt het transitiepad niet dusdanig vormgegeven dat auto’s waarvoor de youngtimerregeling op enig moment geldt, niet later buiten de regeling vallen? Is dit op te lossen door het transitiepad zoals dat in 2026 en 2027 geldt door te trekken, zodat er elk jaar een jaar bijkomt, inclusief overgangsrecht? Klopt het dat hierdoor de situatie ontstaat dat er geen auto’s uit de youngtimerregeling vallen die er wel tijdelijk onderdeel van uitmaakten? Wat zijn de budgettaire consequenties van dit geleidelijker pad? 5.4 Verhogen aftrekpercentage energie-investeringsaftrek De leden van de D66-fractie zijn benieuwd wat de concrete plannen zijn van het kabinet om de EIA, MIA en VAMIL samen te voegen. Wanneer kan de Kamer een uitgewerkt plan verwachten? Wat zijn de verwachte positieve (en wellicht ook negatieve) effecten van het samenvoegen van de drie regelingen? De leden van de PRO-fractie lezen dat er geen budgettaire gevolgen zijn verbonden aan het voorstel om het aftrekpercentage van de EIA te verhogen naar 45,5 procent. Klopt het dat dat komt omdat de EIA een regeling met een vast budget is en dat budget niet verhoogd wordt? Kan de regering toelichten of dat betekent dat als gevolg van de voorgestelde maatregel minder bedrijven gebruik kunnen maken van de EIA of dat er vooral sprake is van minder onderuitputting? Ziet de regering ook andere mogelijkheden om onderuitputting zoveel mogelijk tegen te gaan en zoveel mogelijk bedrijven te stimuleren om met behulp van de EIA te investeren in energiebesparing? Vindt de regering het wenselijk als de regeling minder doelmatig wordt? En vinden er naar verwachting door de voorgestelde maatregel meer investeringen in energiebesparing plaats of niet? Kan de regering dat kwantificeren? De leden van de CDA-fractie vinden het heel goed dat in het pakket maatregelen in reactie op stijgende energieprijzen is gekozen voor het verhogen van een investeringsregeling, omdat investeren in verduurzaming bedrijven juist ook duurzaam weerbaar kan maken voor energieschokken. Deze leden hebben eerder ook al gepleit voor verhogen van de EIA en de MIA en het samenvoegen van de twee regelingen tot één regeling, waarop bovendien willekeurige afschrijving mogelijk is op alle investeringen. Deze leden vragen de regering hoe het met de uitwerking hiervan staat en of daarbij ook wordt gekeken naar een nieuwe inrichten van bedragen en percentages, die goed aansluit bij wat bedrijven in praktijk nodig hebben, en die juist het MKB ondersteunt. Deze leden doen daarom de oproep dit in samenspraak met ondernemers door te ontwikkelen. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering het aftrekpercentage verhoogt, omwille van stimulering van energie-investeringen. Tegelijkertijd concludeert de regering zelf dat de hoogte van het percentage niet de grootste drijfveer is voor de daadwerkelijke groene investeringen. Daarmee is de doelmatigheid van deze maatregel in de ogen van deze leden beperkt. Kan de regering uitleggen wat haar motivatie was om deze verhoging alsnog door te voeren? Wat is de verwachte verandering in gedrag van ondernemers in investeringen? De leden van de SGP-fractie constateren dat de verhoging van de EIA wordt gedekt uit de onderuitputting van deze regeling. In 2025 was de onderuitputting 141 miljoen euro. De derving van de voorgestelde maatregel is 54 miljoen euro in 2027 en 68 miljoen euro structureel. Waarom is niet gekozen voor een verdere ophoging, gezien de verwachte onderuitputting? Kan het aftrekpercentage verder verhoogd worden, met gebruik van de verwachte onderuitputting? 5.5 Versoberen en afschaffen verhoogde zelfstandigenaftrek (startersaftrek) en startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid De leden van de PRO-fractie lezen dat afschaffing van de startersaftrek per 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is en dat deze daarom verlaagd wordt naar tien euro. Kan de regering toelichten waarom afschaffing niet uitvoerbaar is, en op basis waarvan het bedrag van tien euro is gekozen? Deze leden vragen ook naar de inkomenseffecten voor de groep waar het om gaat. Kan de regering hierin inzicht geven? Daarnaast willen deze leden graag weten hoe de regering gaat voorkomen dat IB-ondernemers in de problemen komen doordat zij per ongeluk te hoge toeslagen ontvangen als gevolg van de voorgestelde maatregel? Hoeveel extra terugvorderingen verwacht de regering en hoe hoog zijn deze naar verwachting? De leden van de CDA-fractie hebben een paar vragen bij het afschaffen van deze regelingen. Deze leden merken op dat de regelingen met name voor dekkingsdoeleinden worden ingezet, hoewel het budgettair beslag klein is. Waarom dan deze specifieke keuzes. Ook merken deze leden op dat de maatregelen kleine IB-ondernemers zullen treffen, waarbij de vraag is of niet beter had kunnen worden gekozen zulke maatregelen in de samenhang van een pakket te namen. Zo hebben deze leden afschaffing van de maatregelen overwegen in het kader van een breder ondernemerspakket, wat niet het “zijn” van ondernemer stimuleert, maar ondernemersactiviteiten. Ook het ambtelijke rapport met kansen voor lagere belasting en beter beleid ging uit van zulke pakketten, zodat samenhangende keuzes met gebalanceerde effecten worden bereikt. Deze leden vragen hoe de regering in dat licht naar de afschaffing van fiscale regelingen kijkt en of daarbij enige integrale afweging een rol heeft gespeeld. Daarnaast hebben de leden van de CDA-fractie een vraag over het stopzetten van de startersaftrek voor arbeidsongeschikten. Deze leden merken op dat in de evaluatie van SEO deze aftrek positiever wordt geëvalueerd. De maatregel levert relatief weinig op (één miljoen euro), terwijl uit de evaluatie blijkt dat de uitkeringen dalen en mensen relatief lang ondernemer blijven. Deze leden vragen of de positieve baten goed zijn afgezet tegen wat het ‘oplevert’, omdat het de samenleving ook veel kost als mensen in een uitkering blijven zitten. Met dit effect voor ogen, vragen deze leden of het wenselijk is dat er niets voor deze regeling in de plaats komt. Deze leden verwijzen naar de volgende passages uit de evaluatie en vragen om een reactie van de regering hierop. "De fiscale regelingen kunnen mensen aan de rand van de arbeidsmarkt stimuleren om actief te worden op de arbeidsmarkt. Een aantal van de groep die moeilijk in staat is om in loondienst aan de slag te gaan, is soms wel in staat om een kleine onderneming te starten. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die discriminatie ervaren op de arbeidsmarkt, zoals ouderen, arbeidsgehandicapten en migranten. Voor hen kan het IB-ondernemerschap een toegangspoort zijn tot de arbeidsmarkt (zie ook Simoes et al., 2016). Hierdoor wordt voorkomen dat deze personen een uitkering moeten aanvragen en blijven zij participeren op de arbeidsmarkt. Het verminderde uitkeringsgebruik door gebruikers van de startersaftrek voor arbeidsongeschiktheid (zie hoofdstuk 3) is hiermee consistent". "Minder uitkeringsafhankelijkheid voor gebruikers van de SAO In de jaren na ontvangst van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid (SAO) daalt de uitkeringsafhankelijkheid (Figuur 3.9). Het aandeel ontvangers van de SAO dat het meeste inkomen haalt uit IB-ondernemerschap stijgt sterk. Deels gaat dit ten koste van werknemers, maar deels ook ten koste van uitkeringen. Per saldo daalt de uitkeringsafhankelijkheid”. Daarnaast vinden deze leden het belangrijk dat niet alleen aandacht is voor de financiële kant van deze regeling maar ook het aspect dat meedoen bijdraagt aan welzijn van inwoners. De leden van de JA21-fractie constateren dat de startersaftrek per 1 januari 2027 wordt verlaagd van 2.123 euro naar tien euro en per 1 januari 2028 wordt afgeschaft, zonder overgangsrecht. De regering schrijft dat de maatregel daarmee ook geldt voor ondernemers die in 2025 zijn gestart en verwachten nog belastingvoordeel te krijgen. Deze leden vragen de regering hoeveel ondernemers die in 2025 of 2026 zijn gestart hierdoor één of twee jaar startersaftrek verliezen waarop zij bij de start van hun onderneming mochten rekenen. Hoe verhoudt het ontbreken van overgangsrecht zich tot het beginsel van rechtszekerheid? Is de regering bereid overgangsrecht te treffen voor ondernemers die voor 1 januari 2027 zijn gestart? Wat zou dat kosten? Deze leden merken op dat de evaluatie van de fiscale ondernemerschapsregelingen voor de startersaftrek geen causale effectmeting kon uitvoeren. De onderzoekers vermelden dat onvoldoende cijfermatige onderbouwing beschikbaar is om vast te stellen wat de regeling doet met de keuze om een onderneming te starten. Deze leden vragen de regering hoe de regering tot de conclusie komt dat de regeling nauwelijks bijdraagt aan ondernemerschap. Kan de regering met rekenvoorbeelden bij verschillende winstniveaus laten zien wat de stapeling van de afbouw van de zelfstandigenaftrek, de afschaffing van de startersaftrek en de afschaffing van de willekeurige afschrijving starters betekent voor een startende ondernemer? Welke gevolgen heeft het gelijktijdig verdwijnen van de startersaftrek en de willekeurige afschrijving voor de liquiditeit en de investeringsruimte van starters? Hoe verhoudt het schrappen van deze faciliteiten zich tot het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups, dat juist ondernemerschap wil bevorderen? De regeling willekeurige afschrijving starters wordt per 1 januari 2028 afgeschaft via de Eindejaarsregeling 2026, zo constateren de leden van de JA21-fractie. Deze leden vragen hoe de Kamer bij die afschaffing wordt betrokken, nu deze buiten het wetsvoorstel om plaatsvindt. Wat is het budgettaire effect van die afschaffing? De afschaffing verhoogt het verzamelinkomen. De memorie van toelichting erkent dat ondernemers met een toeslag die hun voorschot niet aanpassen een verzamelinkomen hanteren dat ruim 2.000 euro te laag is, met een risico op terugvorderingen. Het gaat volgens paragraaf 11 om circa 45.000 personen. Het Adviescollege toetsing regeldruk adviseerde deze groep tijdig en gericht te informeren, maar de Belastingdienst voorziet geen aparte communicatie. Deze leden vragen de regering waarom een groep van deze omvang, die bij de Belastingdienst en Dienst Toeslagen bekend is, niet gericht wordt aangeschreven. Is de regering alsnog bereid dat te doen, zodat terugvorderingen worden voorkomen? Voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid erkent de memorie van toelichting dat het negatieve inkomenseffect bij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte starters kan leiden tot financiële stress, zo lezen de leden van de JA21-fractie. Deze leden vragen hoeveel ondernemers van deze regeling gebruikmaken en welk alternatief de regering deze groep biedt om vanuit arbeidsongeschiktheid als ondernemer aan de slag te gaan. De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de regering de zelfstandigenaftrek opnieuw versobert. Deze is inmiddels nog maar 900 euro. Tegelijkertijd constateren de leden van de ChristenUnie-fractie dat deze regeling ondanks de enorme versobering de afgelopen jaren niet helemaal wordt afgeschaft. Wat zijn de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst en de belastingplichten van deze regeling? Is het niet verstandiger de zelfstandigenaftrek op te heffen en met dit budget de MKB-winstvrijstelling te verhogen? Op welk percentage komt de MKB-winstvrijstelling dan uit? Per wanneer is dit uitvoerbaar? Wat zijn de voor- en nadelen van deze inruil, voor zowel de Belastingdienst als de belastingplichtige? Verder lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat de willekeurige afschrijving voor starters afgeschaft wordt. Hiermee wordt beginnende ondernemers een timingvoordeel ontnomen, die het mogelijk zou maken om noodzakelijke investeringen te doen die nodig zijn om te starten. Kan de regering uitleggen wat de rationale is om deze maatregel af te schaffen? Welke uitvoeringslasten worden bespaard bij de Belastingdienst? Wegen die op tegen de economische nadelen voor startende ondernemers? En algemener: is de stapeling van versoberingen voor het kleinbedrijf van de afgelopen jaren en dit jaar niet te groot aan het worden. Blijft de aantrekkelijkheid van het ondernemerschap voor kleinere bedrijven wel overeind? Deze leden maken zich hier zorgen over. De leden van de SGP-fractie constateren dat de startersaftrek in 2027 feitelijk wordt afgeschaft, aangezien de aftrek wordt verlaagd naar 10 euro. Ondernemers hebben mogelijk wel rekening gehouden met de aftrek, en kunnen pas sinds september 2026 weten dat de aftrek fors verlaagd wordt. Dit staat op gespannen voet met het beginsel van rechtszekerheid, volgens deze leden. Hoe ziet de regering dat? Waarom is niet gekozen voor een geleidelijker afbouwpad? Hoe kan het dat de afschaffing niet zorgt voor verlaging van uitvoeringskosten noch personele gevolgen heeft, terwijl de memorie van toelichting aangeeft dat de uitvoeringskosten van de regeling hoog zijn? 5.6 Afschaffen aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten De leden van de D66-fractie willen stapeling van zorgkosten voorkomen, in het bijzonder voor mensen met een handicap of chronische ziekte. Deze leden lezen dat de aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 verdwijnen, met een opbrengst van 560 miljoen euro per jaar. Kan de regering de complexiteit van deze regeling en alle problemen rondom de uitvoerbaarheid nogmaals duidelijk maken. De leden van de D66-fractie vragen of voor mensen met verschillende inkomens de effecten van de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten inzichtelijk kunnen worden gemaakt, inclusief de doorwerking op toeslagen. Tevens vragen deze leden op welke manier de envelop voor chronisch zieken van 350 miljoen euro wordt ingezet. Op welke manier wordt de regeling op basis van deze envelop gericht op de groep die het meeste last heeft van de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten? De leden van de D66-fractie vragen waarom hier nu toe moet worden besloten, terwijl de inwerkingtreding per 1 januari 2028 is. Kan de inwerkingtreding bij koninklijk besluit worden geregeld, en eventueel nog worden uitgesteld als het alternatief nog niet goed is uitgewerkt? Wanneer moet hierover definitief worden besloten om de datum van inwerkingtreding te halen? Deze leden vragen wat het totale effect is, inclusief besparingen op overige toeslagen en gemeentelijke regelingen. Verklaart dat het verschil tussen 618 miljoen euro in het coalitieakkoord en 560 miljoen euro in de factsheet? De leden van de PRO-fractie zijn zeer kritisch op het voorstel om de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten af te schaffen. Hiermee zou de regering juist kwetsbare groepen in de samenleving onevenredig hard benadelen. Deze leden erkennen dat de regeling in huidige vorm zeer complex is en onvoldoende gericht is. Dit neemt niet weg dat deze leden enorme waarde hechten aan het doel van de regeling, namelijk om mensen met een chronische ziekte of beperking financieel te ondersteunen. De wens om de regeling te hervormen leeft breed, maar het is wat deze leden betreft zeer onverstandig om de regeling af te schaffen zonder een volwaardig alternatief. De leden van de PRO-fractie lezen dat financiële middelen momenteel onvoldoende gericht worden ingezet om mensen met een chronische ziekte of beperking financieel te ondersteunen. Natuurlijk is dat onwenselijk, maar deze leden merken hierbij op dat afschaffing van de regeling absoluut niet bijdraagt aan financiële ondersteuning van deze doelgroep. Welke mogelijkheden om de afbakening van de doelgroep te verbeteren heeft de regering verkend? De aanbeveling uit de evaluatie is om een verklaring van een onafhankelijke arts in te voeren die vaststelt of er sprake is van een chronische ziekte of beperking. Heeft de regering deze mogelijkheid overwogen en wat zijn hier de voor- en nadelen van? Voorts willen de leden van de PRO-fractie benadrukken dat het afschaffen van de aftrek ook leidt tot een stijging van het belastbare inkomen, wat enorme gevolgen kan hebben voor inkomsten uit inkomensafhankelijke regelingen. Zo kan een hoger belastbaar inkomen leiden tot minder (of zelf geen) inkomsten uit zorgtoeslag of huurtoeslag en bovendien kan het recht op inkomensondersteuning van de gemeente vervallen. Heeft de regering stilgestaan bij deze neveneffecten die optreden? Zo ja, hoe beoordeelt de regering deze neveneffecten? Kan de regering dit kwantificeren, en aangeven om wat voor bedragen het gaat? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regeling complex in de uitvoering is. Ook zij vinden deze complexiteit, voor zowel burgers als de Belastingdienst, zeer onwenselijk. Heeft de regering overwogen de regeling te vereenvoudigen? En heeft de regering alternatieven onderzocht? Zo ja, wat zijn de voor- en nadelen van deze alternatieven? Deze leden zijn ook benieuwd naar de middelen in de ‘envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken’. In hoeverre overlapt deze met de ‘tegemoetkoming arbeidsongeschikten’ die juist per 2029 afgeschaft wordt? Wanneer wordt bekend hoe de envelop verder wordt ingevuld, en is er sprake van dezelfde doelgroep als bij de aftrek voor specifieke zorgkosten? Deze leden zijn ook benieuwd in hoeverre de maatregelen die uit deze envelop bekostigd moeten worden voldoende zijn om de negatieve effecten van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming arbeidsongeschikten op te vangen. Kan de regering daar inzicht in geven? Kan de regering daarbij ook ingaan op de samenhang tussen deze maatregelen en de voorgenomen verhoging van het eigen risico? De leden van de PVV-fractie kijken met afschuw naar het voornemen van de regering om de aftrek specifieke zorgkosten en tegemoetkoming specifieke zorgkosten te schrappen. Waarom kiest de regering ervoor om 900.000 huishoudens in de kou te laten staan door hun zorgkosten (naast de verhoging van het eigen risico) extra te laten stijgen? Klopt het dat ondanks de envelop met 350 miljoen euro er alsnog een budgettair gat blijft van 210 miljoen euro, waarvoor deze groep niet wordt gecompenseerd? Daarnaast kiest de regering ervoor om een einde te maken aan de tegemoetkoming met minimale compensatie voor deze groep, die volgens de regering voor de helft uit AOW-gerechtigden en lage inkomens bestaat. Klopt het dat het afschaffen van de aftrek invloed kan hebben op de toeslagen waarop mensen recht hebben? Zo ja, is de regering bereid om bij de gevraagde berekening van de extra kosten voor deze groep niet alleen het directe verlies van de aftrek mee te nemen, maar ook de doorwerking op zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget? Hoeveel stijgen de kosten voor deze groep als gevolg van dit schrappen? Kan de regering hiervan in voornoemde gevallen een berekening maken? De leden van de CDA-fractie hebben de nadelige effecten van de aftrek specifieke zorgkosten uit de evaluatie goed gelezen en begrijpen dat de vormgeving en doelmatig gebruik aftrek specifieke zorgkosten te wensen overlaat. Tegelijkertijd merken deze leden op dat in het rapport kansen voor lagere belastingen en beter beleid ten aanzien van de aftrek specifieke zorgaftrek werd voorgesteld deze ofwel doelmatiger te maken, of alternatief vorm te geven via een tegemoetkoming, bijvoorbeeld via gemeenten. Deze leden vragen hoe de regering dit nu voor zich ziet bij de invulling van de envelop voor tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken, die voor de aftrek in de plaats zou moeten komen. Hier ziet grofweg de helft van het budget in en de envelop is ook flankerend aan andere maatregelen, zoals de verhoging van het eigen risico. Deze leden vragen of de regering van mening is dat met de gereserveerde middelen een voldoende vervangende regeling kan worden opgezet, en wanneer chronisch zieken hierover duidelijkheid zullen krijgen. Om beter inzicht te krijgen waar deze gelden nu precies heengaan, hebben deze leden ook de volgende vragen. Deze leden vragen of de regering kan aangeven hoeveel belastingplichtigen momenteel gebruikmaken van de aftrek specifieke zorgkosten, hoeveel personen gebruikmaken van de TSZ en hoeveel personen van beide regelingen profiteren. Ook vragen deze leden of de regering de gebruikers van de aftrek specifieke zorgkosten kan uitsplitsen naar inkomensdeciel, leeftijd, AOW-gerechtigd/niet-AOW-gerechtigd en huishoudtype, waaronder alleenstaanden, paren en huishoudens met kinderen. Deze leden vragen vervolgens of de regering ook inzichtelijk kan maken hoeveel huishoudens door volledige afschaffing per jaar een netto inkomenseffect ondervinden van respectievelijk minder dan €100, €100–€250, €250–€500, €500–€1.000 en meer dan €1.000. Deze leden vragen of deze verdeling vervolgens kan worden samengevoegd met inkomen, leeftijd/AOW-status en huishoudtype, zodat zichtbaar wordt welke groepen relatief zwaar worden geraakt. Deze leden vragen daarnaast of de regering het gebruik en het financiële voordeel kan uitsplitsen naar de verschillende categorieën specifieke zorgkosten, waaronder genees- en heelkundige hulp, voorgeschreven medicijnen, hulpmiddelen, vervoer, dieetkosten, extra kleding en beddengoed, gezinshulp en reiskosten voor ziekenbezoek. Deze leden vragen in hoeverre op basis van de beschikbare gegevens is vast te stellen welk deel van de huidige gebruikers chronisch ziek of gehandicapt is. Indien dit niet exact kan worden vastgesteld, vragen zij welke benadering of koppeling van gegevens kan worden gebruikt om hiervan een zo betrouwbaar mogelijke inschatting te maken. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven welk deel van het huidige budgettaire beslag van de aftrek en TSZ terechtkomt bij mensen met structurele zorgkosten en welk deel bij mensen met incidentele zorgkosten. Deze leden vragen of de regering bij de uitwerking van het flankerende beleid een transitietabel aan de Kamer kan verstrekken waarin voor verschillende groepen wordt weergegeven: het huidige netto voordeel uit aftrek/TSZ, de ondersteuning onder de nieuwe regeling en het resterende positieve of negatieve inkomenseffect. Deze leden vragen hoe bij het nieuwe beleid rekening wordt gehouden met stapeling van zorgkosten. De leden van de BBB-fractie willen aandacht vragen voor de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten. De leden maken zich ernstige zorgen over de afschaffing van deze specifieke lastenaftrek, die voor veel burgers de bereikbaarheid van zorg ondermijnt. Hoeveel huishoudens maken gebruik van deze regeling op dit moment. Kan de regering dit aantal uitsplitsen naar inkomensgroepen?  De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er met Prinsjesdag de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 37 020, nr. 31) een beroep wordt gedaan op de regering om een onderzoek te doen naar hoe deze afschaffing van de specifieke zorgkosten kan worden teruggedraaid en deze aftrek doelmatiger kan worden gemaakt én meer gericht op ziektekosten van chronisch zieken. Hoe staat het met de uitvoering van deze motie? Is er een bestaande regeling of een nieuwe regeling uit de Enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken die beter dan de aftrek specifieke zorgkosten chronisch zieken weet te bereiken? De leden van de SGP-fractie vragen om meer inzicht op huishoudniveau van de afschaffing van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Zij lezen dat het gemiddelde belastingvoordeel 400 euro bedraagt, en de uitbetaling van de TSZ-regeling gemiddeld 340 euro is. Wat is precies de spreiding in deze voordelen? Kan de regering daar meer informatie over verschaffen? Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop dat de afschaffing forse gevolgen heeft voor specifieke groepen, zoals gemoedsbezwaarden. Herkent de regering dat en is zij bereid specifiek voor die groepen oplossingen in kaart te brengen? De leden van de SGP-fractie wijzen in het kader van de afschaffing op de analyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer c.s. (Kamerstukken II 2025/26, 36848 nr. 79). Hieruit blijkt dat de afschaffing één van de maatregelen met het grootste negatieve inkomenseffect. Herkent de regering die constatering? Daarbij vragen deze leden of deze analyse bij de regering heeft geleid tot heroverweging, dan wel tot aanpassing van de maatregel? Is de regering bereid, gezien de analyse, te bezien of een slimmere vormgeving van de voorgenomen maatregel mogelijk is? De leden van de SGP-fractie constateren dat er onderzoek is gedaan naar varianten voor de aftrekpost. In de memorie van toelichting wordt nauwelijks ingegaan op deze mogelijkheden, terwijl er een rapport ligt waar diverse alternatieven worden aangereikt. Kan de regering hier alsnog op ingaan? Deze leden wijzen bijvoorbeeld op de optie om een deel van het bedrag terug te sluizen via het Gemeentefonds. Waarom is hiervoor niet gekozen? In het coalitieakkoord is 350 miljoen euro vrijgemaakt via de envelop ‘tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken’, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Klopt het dat deze envelop ook bedoeld was om de gevolgen van de afschaffing van de aftrek te verminderen, zoals in de memorie van toelichting ook staat beschreven? Op welke wijze is de regering voornemens deze envelop ook terecht te laten komen bij de doelgroep die gebruik maakt van de aftrek? Is de regering bereid snel duidelijkheid te verschaffen over de invulling van de envelop, zodat mensen hierop kunnen anticiperen? Waarom is er niet voor gekozen om de invulling van de tegemoetkoming direct te koppelen aan de afschaffing? 5.7 Afschaffen bosbouwvrijstelling De leden van de PRO-fractie lezen dat de bosbouwvrijstelling niet doelmatig is en begrijpen dan ook dat de regering deze regeling wil afschaffen. Deze leden vragen wanneer de bosbouwvrijstelling is geïntroduceerd. Voorts vragen deze leden waarom de regeling pas per 2029 kan worden afgeschaft. De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de gevolgen van de maatregel op de sector. Kan de regering aangeven wat de gevolgen zijn voor de bosbouwsector en aanverwante sectoren als gevolg van de afschaffing van de bosbouwvrijstelling? De leden van de JA21-fractie constateren dat ruim 99 procent van de gebruikers van de bosbouwvrijstelling geen bosbouwbedrijf is, maar bijvoorbeeld kerstboomkwekers, natuurbegraafplaatsen en verkopers van snoeisel. Deze leden vragen de regering hoe groot het belastingvoordeel is dat deze niet-bosbouwbedrijven nu genieten en welke gevolgen de afschaffing heeft voor het mkb in deze sectoren. De regering sluist vijf miljoen euro terug naar natuurbeleid via de begroting van LVVN. Deze leden vragen of die terugsluis is bestemd voor bosbouwbedrijven en langs welke regeling dat gebeurt. Het ATR adviseerde om de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden. Deze leden vragen welke adviespunten dat waren. Waarom wordt geen overgangsrecht voorgesteld, nu de afschaffing pas per 2029 plaatsvindt? De leden van de BBB-fractie constateren dat de regering aangeeft dat de afschaffing van de bosbouwvrijstelling vooral niet-bosbouwbedrijven zal raken. Welke specifieke sectoren betreft dit precies, en in welke mate worden zij hierdoor getroffen, onderverdeeld per sector? De leden van de ChristenUnie-fractie zien de afschaffing van de bosbouwvrijstelling. Vanuit de agrarische sector merken deze leden zorgen over de toekomst van de landbouwvrijstelling. Kan de regering aangeven wat de plannen zijn voor de landbouwvrijstelling? Wat is de toekomst van deze vrijstelling en wat gebeurt er bij de afschaffing ervan. Komt er daar mogelijk wel een goed overgangsrecht? Is hetgeen wat er jaarlijks bespaard zou worden met een afschaffing beschikbaar voor een andere invulling binnen de landbouwsector? De leden van de SGP-fractie vragen de regering hoe het kan dat de afschaffing van de bosbouwvrijstelling structureel 35 miljoen euro oplevert, terwijl deze budgettaire derving in de Miljoenennota 2026 in 2026 geraamd wordt op 126 miljoen euro. Deze leden begrijpen dat er een terugsluis van vijf miljoen euro komt, maar waardoor wordt de rest verklaard? Wordt de opbrengst van de afschaffing niet te beperkt ingeschat? 5.8 Bevriezen aftoppingsgrens pensioen De leden van de VVD-fractie lezen dat het aantal personen dat door deze voorgestelde maatregel wordt geraakt volgens de toelichting stijgt van circa 280.000 in 2027 naar circa 790.000 in 2032. Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de kwalificatie van deze maatregel als technisch van aard? Kan het kabinet tevens ingaan op de door de NOB geschetste “stille uitholling” van de pensioengrondslag? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering de aftoppingsgrens voor pensioenopbouw wil bevriezen tot en met 2032. Deze leden vragen wat de grens naar verwachting in 2032 wordt in het prijspeil van 2026, en hoeveel procent dat naar verwachting is van een modaal inkomen in 2032. Ook vragen zij wat de grens op dit moment als percentage van een modaal inkomen. De leden van de CDA-fractie lezen dat de NOB erop wijst dat het aantal mensen dat wordt geraakt door de maatregel oploopt tot 790.000 in 2032, waarmee het in de ogen van deze leden geen technische wijziging te noemen is. Deze leden vragen naar aanleiding van het commentaar van de NOB ook of het klopt dat bij een jaarlijkse stijging van het pensioengevend salaris en de franchise met twee procent, de pensioengrondslag in 2032 circa 13 procent lager kan uitvallen dan wanneer de aftoppingsgrens zou zijn geïndexeerd. Deze leden vragen hoe dit langetermijneffect is meegewogen in de beoordeling van de maatregel. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten of bij de bevriezing van de aftoppingsgrens rekening is gehouden met verschillen tussen een- en tweeverdieners, waarbij in een eenverdienershuishouden veelal slechts één partnerpensioen opbouwt, en met de gevolgen van pensioenverevening bij echtscheiding voor de uiteindelijke pensioenpositie van beide partners. De leden van de JA21-fractie constateren dat de aftoppingsgrens voor pensioenopbouw en lijfrenten, na een bevriezing in 2025 en 2026, ook in de jaren 2027 tot en met 2032 niet wordt geïndexeerd. Dat betekent acht achtereenvolgende jaren zonder indexatie. Blijkens paragraaf 10 van de memorie van toelichting bouwen naar schatting 280.000 mensen in 2027 minder fiscaal gefaciliteerd pensioen op, oplopend tot 790.000 mensen in 2032. De NOB becijfert dat de pensioengrondslag voor deze groep in 2032 circa 13 procent lager kan uitvallen dan bij indexatie. Deze leden vragen de regering dit effect te bevestigen. Hoe verhoudt een maatregel die bijna 800.000 mensen raakt zich tot de kwalificatie in de memorie van toelichting dat geen sprake is van een substantiële beleidswijziging? Is bij de raming rekening gehouden met uitwijkgedrag naar nettopensioen, nettolijfrente of box 3? Deze leden vragen tevens hoe de maatregel zich verhoudt tot de inzet om meer werkenden voldoende pensioen te laten opbouwen. Waarom is juist deze maatregel als algemene dekkingsmaatregel gekozen? De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het bevriezen van de aftoppingsgrens pensioenen. Deze leden wijzen erop dat deze maatregel ook effecten heeft op de dekking van het partner- en wezenpensioenen. Het fiscaal maximale partnerpensioen is vastgesteld op 50 procent van het laatstgenoten pensioengevend loon, voor het wezenpensioen is dit percentage 20 procent. Door de bevriezing van de aftoppingsgrens werken de gevolgen dus ook door in de dekking. Erkent de regering deze constatering? Is de regering het ermee eens dat deze maatregel daarmee niet alleen hoge inkomens raakt, maar bijvoorbeeld ook middeninkomens? De leden van de SGP-fractie vragen of de regering mogelijkheden ziet om bovenstaande gevolgen te mitigeren? Is bijvoorbeeld een verhoging van de genoemde percentages mogelijk? 5.9 Afschaffen gerichte vrijstelling branche- eigen producten De leden van de D66-fractie hechten aan een eerlijke verdeling van lasten. Deze leden lezen dat de vrijstelling voor personeelskorting op eigen producten per 2027 verdwijnt, met een opbrengst van 123 miljoen euro per jaar als dekking voor de maatregelen tegen hoge energie- en brandstofprijzen. Waarom wordt deze alleen vrijstelling afgeschaft en niet de diensttijdvrijstelling, die ook ondoelmatig is en "bij relatief welvarende werknemers" terechtkomt? De leden van de D66-fractie vragen of het juist is dat werkgevers nog steeds personeelskortingen kunnen geven, maar dat deze na afschaffing van deze vrijstelling belast zullen worden. De leden van de VVD-fractie lezen dat SEO concludeert dat verwerking via de vrije ruimte doelmatiger is dan een afzonderlijke gerichte vrijstelling. Zijn de administratieve lasten en uitvoeringskosten van beide varianten afzonderlijk gemeten? Is er bij de toets op doelmatigheid rekening gehouden met de waardering van het genoten voordeel? Bij de invoering van de huidige vrijstelling werd vastgesteld dat met name werkgevers met relatief lage lonen en personeelskortingen tegen een knelpunt in de vrije ruimte aanliepen en dat dit knelpunt met een separate vrijstelling werd weggenomen, zo constateren deze leden. Welke omstandigheden zijn sindsdien veranderd waardoor deze afzonderlijke vrijstelling volgens de regering niet langer nodig is? Leidt het onderbrengen van personeelskortingen in de vrije ruimte tot nieuwe waarderings- of afbakeningsvragen voor werkgevers en de Belastingdienst? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het argument dat de maatregel de WKR eenvoudiger en rechtszekerder maakt? De leden van de VVD-fractie constateren dat voor bestaande kortingsregelingen geen overgangsrecht wordt voorgesteld. Waarom is hiervan afgezien? Is de regering bereid om te bezien of een latere inwerkingtreding of overgangsregeling wenselijk is om werkgevers voldoende tijd te geven hun arbeidsvoorwaarden en administratieve processen hierop aan te passen? De leden van de PRO-fractie lezen dat de vrijstelling voor branche-eigen producten niet doelmatig en deels doeltreffend is. Deze leden hebben daarom begrip voor de wens van de regering om deze fiscale regeling af te schaffen. Deze leden vragen de regering om toe te lichten wat de verhouding in omvang is tussen deze gerichte vrijstelling en de vrije ruimte in de werkkostenregeling. Verwacht de regering dat bedrijven die van de vrijstelling gebruik maken hun huidige personeelskortingen kunnen handhaven door van de vrije ruimte gebruik te maken, of zullen deze bedrijven daar geen ruimte meer voor over hebben? De leden van de CDA-fractie merken op dat deze maatregel een alternatieve dekkingsmaatregel was die bij motie is voorgesteld. Om een goede afweging te maken van de daadwerkelijke effecten, vragen deze leden of de regering de gevolgen van het afschaffen van de gerichte WKR-vrijstelling voor personeelskortingen voldoende in kaart heeft. Deze leden vragen of inzichtelijk kan worden gemaakt hoeveel werknemers, uitgesplitst naar bijvoorbeeld inkomensniveau en arbeidsduur, gebruikmaken van de regeling en welke gevolgen de afschaffing voor hen en voor werkgevers heeft. Deze leden vragen of rekening is gehouden met het feit dat de vrije ruimte voor werkgevers met veel parttimers en werknemers met lagere lonen geen volwaardig alternatief is. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om in kaart te brengen of in plaats van volledige afschaffing, bijvoorbeeld ook een eenvoudigere vormgeving mogelijk is waarbij het budgettaire beslag wordt beperkt, zonder dat de mogelijkheid om personeelskorting als arbeidsvoorwaarde te bieden verdwijnt. De leden van de CDA-fractie lezen dat de NOB erop wijst dat bestaande kortingsregelingen onderdeel kunnen zijn van cao's, personeelsregelingen of individuele arbeidsovereenkomsten. Deze leden vragen hoe werkgevers hiermee moeten omgaan indien de fiscale vrijstelling per 1 januari 2027 vervalt, maar zij arbeidsrechtelijk niet zonder meer in staat zijn bestaande kortingsregelingen aan te passen. Deze leden vragen of hiervoor overgangsrecht nodig zou zijn. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om het ATR-advies op te volgen en de structurele regeldrukkosten van de verwachte extra afstemming tussen werkgevers en de Belastingdienst in kaart te brengen en in de toelichting afzonderlijk inzichtelijk te maken. 5.10 Verruimen forfaitaire regeling in de innovatie box De leden van de D66-fractie willen innovatie ook in het mkb stimuleren, met fiscale regelingen die eenvoudig zijn en doen waarvoor ze bedoeld zijn. Deze leden lezen dat het maximale forfaitaire bedrag per 2027 van 25.000 euro naar 100.000 euro gaat, om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb. De Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat 44 procent van de extra gebruikers niet tot het mkb behoort, dat het aandeel van het voordeel dat bij het mkb neerslaat daalt naar ongeveer 60 procent, en dat een onderbouwing van het bedrag van 100.000 euro ontbreekt. Hoe beoordeelt de regering dit in het licht van het doel van de regeling? Waarom is gekozen voor een verviervoudiging van het maximum in plaats van een indexatie sinds 2013, en wat zou een beperktere verruiming betekenen voor het bereik onder het mkb en voor het budget? Hoeveel mkb'ers maken momenteel gebruik van de regeling en wat is het gemiddelde voordeel per gebruiker? Hoeveel extra mkb-gebruikers verwacht de regering met het verhogen van de grens? In het nader rapport schrijft de regering dat verlenging van de toepassingsduur tot meer doelmatigheidsverlies leidt dan verhoging van het plafond. Kan de regering dit kwantificeren voor een periode van vijf in plaats van drie jaar? Hoe weegt de regering daarbij dat innovatieve starters in de eerste jaren vaak nog weinig winst maken? In het coalitieakkoord is afgesproken de WBSO uit te breiden voor de ontwikkeling van AI en technologie. Deze leden constateren dat de tarieven en de schijfgrens in 2027 ongewijzigd blijven. In de Prinsjesdagbrief over de WBSO schrijft de regering dat zij de afbakening van programmatuurontwikkeling in relatie tot AI heroverweegt, en dat aanpassingen via lagere regelgeving mogelijk per 2028 en via wetswijziging waarschijnlijk per 2029 kunnen ingaan. Is er geen mogelijkheid dat dit sneller kan? De leden van de VVD-fractie ondersteunen de doelstelling van het verruimen van de forfaitaire regeling in de innovatiebox zodat meer mkb-ondernemingen toegang hebben tot de fiscale faciliteit. Kan het kabinet aangeven in hoeverre mkb-ondernemingen afzien van de toepassing van de forfaitaire regeling in de innovatiebox vanwege complexiteit rondom de verzilvering hiervan (bijvoorbeeld rondom het ‘entreeticket’ naar de innovatiebox)? Welke informatie moeten zij momenteel aan de Belastingdienst aanleveren om gebruik te kunnen maken van de forfaitaire regeling? In hoeverre is het mogelijk om het uitvoeringsproces rondom de forfaitaire regeling te vereenvoudigen? De leden van de PRO-fractie zijn verbaasd over het voornemen van de regering om de forfaitaire regeling in de innovatiebox te verruimen. Deze leden merken op dat de innovatiebox sowieso niet de meest doelmatige regeling is om innovatie te bevorderen: het is immers een regeling die vooral winst maken beloont, en niet innovatie zelf. Daarnaast geldt voor veel van de bedrijven die gebruik maken van de innovatiebox dat zij voor hun bedrijfsmodel sowieso afhankelijk zijn van innovatie, en dus niet verder fiscaal daartoe gestimuleerd hoeven worden. Hoe reflecteert de regering daarop? Ziet de regering de innovatiebox daadwerkelijk als een middel om innovatie te stimuleren, of als een middel om het fiscale ‘vestigingsklimaat’ in Nederland te bevorderen? Uit de memorie van toelichting maken de leden van de PRO-fractie op dat de regering de forfaitaire regeling wil verruimen om de regeling voor meer mkb’ers beschikbaar te maken. Tegelijkertijd neemt het aandeel mkb’ers als deel van het totaal aantal gebruikers van de regeling door de voorgestelde maatregel af, evenals het deel van het budgettaire belang van de regeling dat bij mkb’ers terechtkomt. Hoe is dit te rijmen met de genoemde doelstelling? Klopt het dat de regeling zo op twee manieren minder doelmatig wordt (meer gebruikers voor wie de regeling niet bedoeld is en een grotere korting voor gebruikers die nu ook al gebruik maken van de regeling) en wat vindt de regering daarvan? Hoe oordeelt de regering daarover in het licht van de genoemde doelstelling om ondoelmatige fiscale regelingen in te perken of af te schaffen? De leden van de PVV-fractie hebben vragen over deze maatregel. De regering geeft aan dat dit zou moeten leiden tot meer gebruik van de regeling door het mkb. Waarop baseert de regering dit als het mkb in het verleden weinig gebruik hiervan heeft gemaakt? De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het stimuleren van ondernemersactiviteiten, waaronder innovatie. Vooral het MKB kan hier een extra steuntje in de rug gebruiken. Voorgestelde maatregel ondersteunt deze doelstelling. Deze leden merken op dat de Raad van State zich kritisch uitlaat over de keuze voor verruiming naar 100.000 euro, maar deze leden kunnen zich ook vinden in de onderbouwing van de regering van de doelmatigheid van de verruiming. Zij lezen dat de innovatiebox in 2030 geëvalueerd wordt, inclusief de verruiming, maar dat dan slechts één jaar aangiftedata bekend is. Deze leden vragen hoe de kwalitatieve evaluatie zo goed mogelijk kan worden ingericht, zodat een goed beeld ontstaat van de effectiviteit van de verruiming. De leden van de SGP-fractie zijn positief over de verruiming van de forfaitaire regeling in de innovatiebox. Deze leden begrijpen dat een andere parameter waarin de regeling verruimd kan worden het percentage is van de winst die onder het forfait geplaatst kan worden. Deze leden lezen dat de regering niet voor die aanpassing heeft gekozen. Zorgt een verruiming van die aanpassing er niet voor dat de voordelen nog meer bij het MKB neerslaan? Waarom is niet gekozen voor een combinatie van het verhogen van het plafond en het verhogen van het percentage? Deelt de regering de ambitie over de verruiming zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan het MKB, en is de regering bereid nogmaals te bezien hoe dat beter bewerkstelligd kan worden? 5.11 Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat De leden van de VVD-fractie concluderen uit de opname van de voorgestelde aanpassing van de fiscale behandeling voor ingeprijsde valutaresultaten dat er met (de vertegenwoordigers van) het bedrijfsleven geen andere manier is gevonden om de budgettaire gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR: 2025:417) te laten neerslaan bij (exact) dezelfde groep als voor wie de hiervoor genoemde uitspraak een lastenverlichtend effect heeft. Kan de regering aangeven of er nog over andere alternatieven is gesproken dan die zijn opgenomen in de Kamerbrief van 12 januari 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117)? Zo ja, waarom is niet gekozen voor (uitwerking van) die alternatieven? Hoe groot is de overlap tussen de groep die voordeel heeft van het arrest en de groep die door deze maatregel wordt geraakt precies? De leden van de CDA-fractie zien dat deze maatregel om budgettaire redenen is ingezet door het vorige kabinet als dekking voor de uitspraak inzake de liquidatieverliesverrekening en in hetzelfde domein is gezocht. Tegelijkertijd zien deze leden de complexiteit die de maatregel oplevert en vragen deze leden of de regering in de afweging heeft meegenomen dat de maatregel grote impact heeft op het investerings- en vestigingsklimaat voor multinationals met hun hoofdkantoor in Nederland. Deze leden vragen welke maatregelen nog meer zouden kunnen worden overwogen binnen het domein. De leden van de CDA-fractie zien dat de voorgestelde wijziging van de fiscale behandeling van valuta-afdekkingsinstrumenten is ingegeven door de budgettaire gevolgen van de uitspraak over de liquidatieverliesverrekening. Deze leden begrijpen dat de regering binnen hetzelfde fiscale domein naar een oplossing zoekt, maar deze leden vragen of daarbij voldoende oog is voor de mogelijke gevolgen van deze maatregel voor het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat voor internationaal opererende bedrijven, met name multinationals met een Nederlands hoofdkantoor. Deze leden vragen de regering of de gevolgen van de voorgestelde maatregel voldoende in kaart zijn gebracht, waaronder de extra administratieve lasten, de uitvoeringscomplexiteit voor ondernemingen en de Belastingdienst, de onzekerheid rondom de geraamde budgettaire opbrengst en de mogelijke gevolgen voor het vestigingsklimaat. Deze leden vragen daarnaast welke alternatieven zijn onderzocht om de budgettaire gevolgen van de uitspraak over de liquidatieverliesverrekening binnen dit domein op te vangen. Deze leden vragen of daarbij bijvoorbeeld ook gekeken is naar een meer gerichte oplossing binnen de liquidatieverliesregeling. Ook vragen deze leden of het probleem nu richting de toekomst is opgelost. Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie op dit punt of is onderzocht of voor reguliere bedrijfseconomische valuta-afdekkingen een eenvoudige ondergrens kan worden geïntroduceerd, om te voorkomen dat ondernemingen voor relatief beperkte fiscale belangen omvangrijke berekeningen en administratieve werkzaamheden moeten verrichten. De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de regering met deze maatregel dekking zoekt voor de structurele derving als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR: 2025:417) over de liquidatieverliesregeling. Die dekking wordt gezocht binnen het domein waar de derving ontstaat. Deze leden hebben echter vragen over de complexiteit, de rechtsbescherming en de Europeesrechtelijke houdbaarheid. De Raad van State noemt de vormgeving van de maatregel zeer complex en vraagt of een minder complexe maatregel is overwogen, bijvoorbeeld een beperkte verhoging van het negatief geëvalueerde lage tarief in de vennootschapsbelasting. Het nader rapport gaat op dat alternatief niet in. Deze leden vragen de regering om alsnog uiteen te zetten waarom dat alternatief niet is gekozen. Deze leden merken daarbij op dat een verhoging van het lage Vpb-tarief het mkb zou raken, terwijl de derving voortvloeit uit een arrest dat vooral grote internationaal opererende ondernemingen ten goede komt. Kan de regering bevestigen dat de maatregel naar verwachting bij benadering dezelfde groep raakt als de groep die voordeel heeft bij het arrest? Hoeveel belastingplichtigen betreft het? Het CPB beoordeelt de raming van 120 miljoen euro structureel als redelijk en neutraal, maar met een hoge mate van onzekerheid, zo constateren de leden van de JA21-fractie. De opbrengst hangt volgens het CPB af van de keuzes van een klein aantal bedrijven. Deze leden vragen de regering welke bandbreedte rond de raming de regering aannemelijk acht en welk deel van de opbrengst neerslaat bij de vijf en de tien grootste belastingplichtigen. Hoe verhoudt de structurele opbrengst zich tot de structurele derving als gevolg van het arrest over de liquidatieverliesregeling? Levert de maatregel meer op dan voor de dekking nodig is? Deze leden vragen voorts of de regering alternatieven heeft doorgerekend, die de complexiteit beperken. Deze leden denken aan een drempel op basis van het renteverschil tussen de betrokken valuta, waaronder de nieuwe berekening achterwege blijft. Een tweede mogelijkheid is een vereenvoudigde regeling voor reguliere afdekkingen in liquide valuta. Kan de regering daarnaast de opbrengst weergeven van een aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling zelf, waarbij een liquidatieverlies alleen wordt beperkt voor zover de onderliggende verliezen elders daadwerkelijk tot een fiscale tegemoetkoming hebben geleid? Het wetsvoorstel definieert het ingeprijsde en het niet-ingeprijsde voordeel niet, zo lezen de leden van de JA21-fractie. De memorie van toelichting verwijst naar referentierentes en de termijnkoers bij het aangaan van het instrument. Blijkens paragraaf 13 van de memorie van toelichting vroegen alle consultatiereacties om duidelijkheid over de berekening, de heffingsmomenten bij meerjarige instrumenten, lage of negatieve resultaten en de functionele valuta. De regering heeft de toelichting aangevuld, maar de wettekst niet. De Raad voor de Rechtspraak verwacht weinig maar zeer complexe zaken, onder meer omdat de belastingplichtige vrijheid heeft bij het kiezen van de bronnen voor de termijnkoers. Deze leden vragen waarom de berekeningsmethode niet in de wet of in een algemene maatregel van bestuur wordt vastgelegd. Is de regering bereid om bij beleidsbesluit ten minste een aantal goedgekeurde berekeningsmethoden te publiceren? De consultatieversie van de maatregel bevatte een grondslag voor nadere regels, die in het ingediende wetsvoorstel is vervallen. De leden van de JA21-fractie vragen waarom. Deze leden vragen daarnaast hoe de maatregel uitwerkt als de rente op de lening in vreemde valuta al geheel of gedeeltelijk niet aftrekbaar is op grond van artikel 10a of artikel 15b, van de Wet Vpb 1969. Kan in dat geval dubbele belasting ontstaan? De Raad voor de Rechtspraak adviseerde de keuze te heroverwegen om op een verzoek om de deelnemingsvrijstelling niet langer toe te passen niet bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen. Deze leden begrijpen het argument dat een belastingplichtige anders calculerend bezwaar kan maken. Deze leden vragen echter hoe een belastingplichtige rechtsbescherming krijgt als de inspecteur een verzoek als onvolledig aanmerkt en daardoor de datum verschuift waarop de vrijstelling eindigt. Staat in dat geval wel bezwaar open? Zo nee, langs welke weg kan de belastingplichtige die beslissing aan de rechter voorleggen? In de consultatie is gewezen op het Bosal-arrest van het Hof van Justitie van de EU (18 september 2003, C-168/01). De regering verwijst naar de erkenning door het Hof dat valutarisico's zich ook bij binnenlandse deelnemingen voordoen. Deze leden vragen de regering om nader te onderbouwen waarom de maatregel geen belemmering vormt, nu een valutarisico bij een deelneming in een andere valuta dan de euro in de praktijk vrijwel uitsluitend bij buitenlandse deelnemingen voorkomt. Hoe groot schat de regering het budgettaire risico als de maatregel in rechte geen standhoudt? Voor het overgangsrecht hanteert de regering als peildatum 15 september 2026. Deze leden vragen hoeveel afdekkingsinstrumenten voor die datum zijn aangegaan zonder dat voor die datum een volledig verzoek is ontvangen. Die instrumenten vallen niet onder de uitgestelde werking. Hoe verhoudt het hanteren van de datum van indiening als peildatum zich tot het uitgangspunt van terughoudendheid met terugwerkende kracht? 5.12 Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7% De leden van de D66-fractie willen dat meer mensen een goede, betaalbare woning kunnen vinden. Deze leden lezen dat het tarief voor woningen die de koper niet zelf bewoont, zoals verhuurwoningen, per 2027 van 8 naar 7 procent gaat. Wat wordt er bedoeld met terugwerkende kracht "waar van toepassing"? Het idee is om investeringen in woningen aan te jagen. Wat is het doel om dat met terugwerkende kracht te doen, als die investeringen dan al zijn gedaan? De leden van de D66-fractie lezen dat de maatregel een derving geeft van 265 miljoen euro in 2026, een meevaller van 143 miljoen euro in 2027 en daarna een derving van 84 miljoen euro per jaar. Kan de regering het budgettaire effect toelichten, vooral het verschil tussen 2026 en 2027 en hoe dat is opgebouwd, en de 84 miljoen euro structureel? Wat zijn de prijseffecten en wat zijn de hoeveelheidseffecten? De leden van de PRO-fractie vinden het onverstandig om het algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting verder te verlagen. Deze leden merken op dat sprake is van zwabberbeleid: de afgelopen jaren is het tarief eerst fors verhoogd en nu wordt het weer verlaagd. Dat zorgt voor onzekerheid in de woningmarkt. Deze leden vragen of de regering kan bevestigen dat de overdrachtsbelasting niet van toepassing is op nieuwbouwwoningen en ook niet relevant voor corporaties en institutionele beleggers, die zelf woningen verhuren. Hoeveel extra woningen denkt de regering dat er door deze maatregel gebouwd gaan worden? Is het doel van deze maatregel om beleggers makkelijker te laten concurreren met eigenaren-bewoners? Zo ja, waarom zou de regering dat willen? Heeft de regering overwogen dit geld nuttiger te besteden, bijvoorbeeld door woningcorporaties verder te ondersteunen? De leden van de PRO-fractie vragen verder of het klopt dat onder bepaalde voorwaarden geen overdrachtsbelasting betaald hoeft te worden zolang er sprake is van een belang van minder dan 33 procent in een vastgoedtransactie. Deze leden vragen of de overdrachtsbelasting daarmee legaal kan worden ontweken. Hoeveel belastinginkomsten loopt de overheid daardoor mis? Ziet de regering mogelijkheden om deze ontwijkingsroute aan te pakken? De leden van de CDA-fractie zijn het eens met de regering dat het investeringsklimaat voor huurwoningen onder druk staat door stapeling van fiscale en niet-fiscale maatregelen. De 1%-verlaging van de overdrachtsbelasting is een kleine verbetering, maar deze leden vragen de regering of een grote verbetering niet vooral ligt bij het zo snel mogelijk invoeren van een stelsel van werkelijk rendement. Eerder hebben deze leden immers gepleit voor zo snel mogelijk invoeren van het nieuwe stelsel, zodat vastgoedbeleggers uitzicht zouden hebben op een betere situatie. Die blijft uit als de wet werkelijk rendement niet in 2028 wordt ingevoerd. Deze leden vragen ook of volgens de regering aanvullende maatregelen nodig zijn voor tussenliggende jaren indien een nieuw box 3 stelsel later dan 2028 wordt ingevoerd. De leden van de JA21-fractie steunen de verlaging van het algemeen woningtarief als stap om het investeringsklimaat op de huurmarkt te verbeteren. Deze leden merken op dat de regering het effect zelf "positief, maar beperkt" noemt. Hoeveel extra huurwoningen verwacht de regering als gevolg van deze maatregel en de overige maatregelen uit het bredere pakket voor de huurmarkt? Deze leden vragen voorts of de regering een verdere verlaging van het algemeen woningtarief overweegt en wat een verlaging naar zes procent structureel zou kosten De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de overdrachtsbelasting van het algemene woningtarief van acht procent naar zeven procent wordt verlaagd. Waarom is ervoor gekozen enkel dit tarief aan te passen? Heeft de regering overwogen om de overdrachtsbelasting (meer) te uniformeren? In hoeverre is complete uniformering een stap vooruit voor de werking van de woningmarkt, of is het een stap achteruit omdat een grote groep – met name starters – dan meer overdrachtsbelasting moeten gaan betalen? Of betaalt zich dat ook weer uit door een prijsdruk in het starterssegment, waardoor uniformering starters in the end niet nadelig raakt, terwijl de werking van de woningmarkt als geheel er wel van opknapt? 5.13 Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties De leden van de VVD-fractie lezen dat de NOB zich afvraagt of het niet beter is om aan te sluiten bij de classificatie als DAEB in de door de externe accountant gecontroleerde jaarrekening. Waarom is niet gekozen voor een aansluiting bij de gecontroleerde jaarrekening voor de vaststelling van DAEB-vastgoed, indien dit de uitvoering kan vereenvoudigen? De regering is, naast de vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties, ook voornemens woningcorporaties uit te zonderen van de generieke renteaftrekbeperking, zo begrijpen de leden van de SGP-fractie. Deze leden zijn voorstander van deze maatregel, maar hebben wel vragen over de effectiviteit. Kan de regering dit nader toelichten en duiden? Hoe aannemelijk is het dat er fors meer sociale huurwoningen gebouwd gaan worden? De leden van de PRO-fractie staan positief tegen voorstellen om corporaties te ondersteunen bij hun taak om voor betaalbare huisvesting te zorgen. Deze leden vragen daarom of het klopt dat de bestaande vrijstelling voor taakoverdracht ruimer is dan de nieuwe voorgestelde vrijstelling en of dat nadelige gevolgen kan hebben voor corporaties. De leden van de PVV-fractie hebben vragen bij dit voorstel van de regering. Waarom is ervoor gekozen om bij de uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel aan te sluiten bij de Woningwet en voor wat betreft de vrijstelling in de overdrachtsbelasting aan te sluiten bij het overzicht van de ILT? Kan de regering garanderen dat hierbij niet de staatssteunregels worden overtreden? Kan de regering hiervoor een onderbouwing geven? De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover voorgestelde aanpassing, omdat volgens hen de huidige regeling inderdaad de soms wenselijke overdracht van vastgoed tussen woningcorporaties in de wet zat. Zij vragen wat de verwachte gevolgen hiervan zullen zijn voor de opgave van verduurzaming en verbetering van de bestaande sociale huurvoorraad. Deze leden vragen welke verplichtingen na de overdracht gelden voor de overnemende woningcorporatie, en of zij de woningen op dezelfde wijze moeten blijven exploiteren om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken? Ook vragen deze leden welke gevolgen het vervallen van de bestaande taakoverdrachtsvrijstelling heeft voor woningcorporaties en andere ANBI’s die hiervan gebruikmaken. De leden van de CDA-fractie lezen dat de notaris bij toepassing van de voorgestelde vrijstelling moet vaststellen in welke mate sprake is van DAEB-vastgoed. Deze leden stellen naar aanleiding van het NOB-commentaar de vraag of hiervoor inderdaad een taxatierapport nodig zal zijn en of een taxateur voldoende toegerust om vast te stellen of vastgoed als DAEB-vastgoed kwalificeert. Deze leden vragen welke administratieve lasten de voorgestelde werkwijze voor woningcorporaties en notarissen met zich meebrengt en of volgens de regering niet beter kan worden aangesloten bij de DAEB-classificatie in de door een externe accountant gecontroleerde jaarrekening. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn de regering erkentelijk met de uitvoering van de motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 32 847, nr. 1380) om bij taakoverdracht af te zien van de overdrachtsbelasting. Deze leden zijn ook blij met de stap die de regering zet, mede op aandringen van deze leden, om woningcorporaties uit te zonderen van het toepassingsbereik van de earningsstrippingmaatregel afkomstig uit ATAD. Met de voorgestelde maatregel afkomstig uit de ATAD waarbij de renteaftrekbeperking in de toekomst wordt opgeheven, ontstaat een groot gat: doorgeschoven rente die in latere jaren mogelijk voor woningcorporaties aftrekbaar zou zijn geweest, valt daarmee weg. Op dit moment staat er volgens inschatting van Aedes ongeveer negen à tien miljard euro aan doorgeschoven rente, gelijk aan 2,5 à drie miljard euro aan belastingvoordeel. Heeft de regering overwogen om dit belastingvoordeel alsnog te geven aan de woningcorporaties en een derving van 2,5 à drie miljard euro op te nemen? Waarom wel of niet? Mocht dit niet mogelijk zijn, zou de regering dan overwegen om de opgebouwde doorgeschoven rente vanaf bijvoorbeeld 2026, het jaar van aankondiging, tot de inwerkingtreding van de ATAD-uitzondering te laten gelden? De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er niet voor kiest om de uitzondering breder toe te passen, zeker in het domein van volkshuisvesting? Zo ervaren verhuurders en ontwikkelaars van middenhuurwoningen ook nadeel van de renteaftrekbeperking. Is overwogen om de uitzondering ook voor hen te laten gelden? 5.14 Afschaffen verlaagd btw-tarief voor sierteelt De leden van de D66-fractie lezen dat de verhoging van het btw-tarief tot een omzetdaling en een daling van werkgelegenheid in de sector kan leiden. Deze leden vinden dit goed denkbaar: de prijs gaat omhoog, waardoor de vraag afneemt. Deze leden merken op dat dit ook het geval zal zijn indien een andere belasting wordt verhoogd. Kan de regering inzichtelijk maken of andere belastingverhogingen op consumptie van vergelijkbare omvang ook tot vergelijkbare werkgelegenheidseffecten leiden? De leden van de VVD-fractie lezen in bijlage 4 bij de Miljoenennota 2027 dat er ook nog andere (negatief geëvalueerde) fiscale regelingen in de btw bestaan. Zo zien deze leden bijvoorbeeld de btw-vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten (voor een deel niet doelmatig en niet doeltreffend). Daarnaast zijn er nog een aantal posten waarvoor het verlaagde (9%-)tarief geldt. Klopt het dat in de kolom ‘Beleidsopvolging’ in tabel 4.6.1 van de hiervoor genoemde bijlage de kabinetsinzet is opgenomen? De regering noemt zelf de afschaffing “een beweging naar een meer uniform btw-tarief”. Kan de regering aangeven wat de (reële) mogelijkheden zijn om de btw te vereenvoudigen door naar één tarief te gaan dat lager ligt dan het huidige hoge btw-tarief? In hoeverre zou dit impact hebben op de inflatie? In hoeverre spelen grenseffecten hierin een rol en zouden hier (ook) in Europees verband afspraken over gemaakt moeten worden? De leden van de PRO-fractie staan positief tegenover het voorstel om het verlaagde btw-tarief voor sierteelt af te schaffen. Het afschaffen van deze ondoelmatige toepassing van het verlaagd btw-tarief zorgt voor een vereenvoudiging voor de Belastingdienst en ondernemers, wat in lijn is met de wens van deze leden om het belastingstelsel simpeler en eerlijker te maken. Deze leden merken bovendien op dat de sierteeltsector negatieve externe effecten tot gevolg heeft. Deze leden vragen de regering dan ook hoe groot deze zijn en in hoeverre deze worden verminderd door de voorgenomen maatregel. Deze leden merken wel op dat het leven de afgelopen jaren voor veel mensen duurder is geworden en dat deze maatregel daarbij niet helpt. Dat hoeft niet erg te zijn op het moment dat gekozen wordt voor flankerende maatregelen, in de vorm van koopkrachtondersteuning voor mensen met een laag inkomen, maar deze leden constateren dat de regering op dat gebied nalatig is. Deze leden merken op dat zij het liever anders hadden gezien. Klopt het dat de koopkrachteffecten van de voorgestelde maatregel relatief beperkt zijn, in vergelijking met enkele andere voorgestelde maatregelen uit dit Belastingplan? Verder zijn deze leden blij om te lezen dat de werkgelegenheidseffecten van deze maatregel op de lange termijn klein zijn. De leden van de PVV-fractie kijken kritisch naar de verhoging van het btw-tarief voor sierteelt. Vindt de regering dat Nederlanders met een lager inkomen geen bloemetje verdienen? Zo nee, waarom kiest de regering ervoor om juist nu de btw op sierteelt te verhogen? Kan de regering toelichten hoe de voorgestelde opbrengst zich verhoudt tot de gevolgen voor de sector? Hoe reageert de regering over het bericht van de Wageningen Universiteit dat het maar maximaal 216 miljoen euro opbrengt door lagere omzet? De leden van de CDA-fractie merken allereerst op dat het goed is dat impactanalyses zijn gemaakt, zodat een goede inschatting van de gevolgen van een maatregel kan worden meegewogen in de besluitvorming. Deze misten destijds bij de btw-verhoging op logies, wat besluitvorming bemoeilijkte. Deze leden lezen dat er gevolgen zijn voor werkgelegenheid (verlies van 2.440 voltijdsbanen), waarbij voornamelijk banen in de detailhandel en minder bij producerende bedrijven. Deze leden vragen of dit dus betekent dat vooral banen verdwijnen bij bloemisten, tuincentra, bloemen- en plantenwinkels en marktkramen, omdat zij een verdere omzetdaling niet kunnen opvangen, terwijl de sierteeltproductie nog redelijk op pijl blijft. Deze leden vragen in het verlengde hiervan wat volgens de regering het effect is op arbeidsmigratie, aangezien productie minder geraakt wordt vanwege de hoge (80-85 procent) export van sierteelt. De leden van de CDA-fractie vragen wat de oorzaken zijn van het dalende aantal bloemisten en of dat ook komt doordat supermarkten meer bloemen tegen lagere prijzen zijn gaan aanbieden. De leden van de CDA-fractie lezen dat destijds in 1974 de reden voor het amendement voor verlaagd tarief voor sierteelt waren meer werkgelegenheid en hogere omzet in de sector, en betaalbaarheid voor lagere inkomens. Deze leden begrijpen dat de btw-verlaging een dure manier is om deze doelen te bereiken, maar tegelijkertijd vragen deze leden de regering of de relevantie van deze doelen nog geldig is en zo ja, of hiervoor andere instrumenten denkbaar zouden kunnen zijn. De leden van de CDA-fractie lezen in de ramingstoelichting dat de regering bij de budgettaire opbrengst van deze maatregel geen gedragseffecten heeft meegenomen. Deze leden vragen of er bijvoorbeeld effecten kunnen zijn van lagere winstbelasting door verwacht omzetverlies vanwege minder vraag. Daarbij vragen deze leden ook hoe de regering reflecteert op het onderzoek van Wageningen Economic Research, dat concludeert dat de netto budgettaire opbrengst naar verwachting 159 miljoen euro bedraagt. De leden van de JA21-fractie zijn kritisch over het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt per 1 januari 2028. Deze leden merken op dat de regering zelf schrijft dat de maatregel "significante gevolgen" heeft voor de sector. Volgens het onderzoek van Decisio uit 2026 daalt de omzet in de detailhandel met 318 tot 391 miljoen euro en gaan op korte termijn 1.815 tot 2.235 voltijdsbanen verloren, vooral bij bloemisten. Ongeveer de helft van de bloemisten verdient volgens het door de regering aangehaalde onderzoek van Decisio met de eigen zaak minder dan het wettelijk minimumloon, bij een jaaromzet van minder dan 200.000 euro. Deze leden hebben vragen over de raming. De opbrengst van 305 miljoen euro structureel is geraamd zonder gedragseffecten met het argument dat consumenten uitwijken naar andere producten die ook btw-belast zijn. Deze leden merken op dat die redenering uitgaat van uitwijken naar producten tegen het algemene tarief. Uitwijken naar producten in het verlaagde tarief, naar aankopen over de grens of naar het niet besteden van het geld levert die opbrengst niet op. Deze leden vragen de regering de opbrengst te ramen met de prijselasticiteiten van -1,13 tot -1,6 uit de beleidsevaluatie van 2007, het onderzoek van de WUR en het onderzoek van Decisio. Deze leden vragen daarbij ook de derving aan inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting als gevolg van bedrijfsbeëindigingen mee te nemen. Wat is de netto-opbrengst voor de schatkist in dat scenario? De regering onderbouwt de maatregel mede met een verwijzing naar het IBO Arbeidsmigratie en stelt dat de maatregel "mogelijk tot (iets) minder arbeidsmigratie" leidt, zo constateren de leden van de JA21-fractie. Deze leden vragen de regering hoeveel minder arbeidsmigranten de regering als gevolg van deze maatregel verwacht. Hoe verhoudt dat aantal zich tot het aantal Nederlandse werknemers en zelfstandigen in de detailhandel dat volgens Decisio zijn baan verliest. Acht de regering het wenselijk arbeidsmigratiebeleid via de btw te voeren? De regering verwijst naar Spanje, waar in 2012 het btw-tarief op sierteelt werd verhoogd van acht naar 21 procent, de omzet van bloemisten tussen 2012 en 2014 met ruim 25 procent daalde en de maatregel in 2015 werd teruggedraaid. Deze leden vragen welke lessen de regering uit dat voorbeeld trekt. Hoe beoordeelt de regering de positie van bloemisten en tuincentra in de grensregio's, nu België en Duitsland een verlaagd tarief hanteren? Voor ballonvaarten wordt overgangsrecht getroffen voor vooruitbetalingen. Deze leden vragen waarom dat voor sierteelt niet gebeurt, terwijl bij bloembollen en boomkwekerijproducten levering in het najaar en betaling in het voorjaar gangbaar is. Deze leden vragen tot slot welke criteria de regering hanteert voor de monitoring die vanaf 2028 plaatsvindt en bij welke uitkomst de regering bereid is de maatregel te heroverwegen. De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich zorgen over effecten van de afschaffing verlaagd btw-tarief voor de sierteelt. Volgens de ramingen zou de sierteelt btw-verhoging 305 miljoen euro opleveren. De keerzijde hiervan, geraamd door Decisio in haar rapport ‘Effectenstudie verhoging btw-tarief op sierteeltproducten’ (25 juni, 2026), is een verlies aan omzet van tussen de 546 en 627 miljoen euro, met eveneens een verlies van tussen de 1815 tot 2235 fte in de sector. Welke afweging is hier door de regering gemaakt? Is rekening gehouden met de uitkomsten van dit rapport? De leden van de SGP-fractie zijn kritisch op de voorgenomen afschaffing van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt. De economische gevolgen die in de Memorie van Toelichting worden beschreven ondersteunen deze visie. Zeker in de detailhandel zijn de gevolgen groot, met een enorme daling van de werkgelegenheid en omzet, en een verwachte forse daling van het aantal detailhandelaren. Maar ook bij producerende bedrijven en groothandels zijn de gevolgen groot. Hoe weegt de regering dit? In de ramingstoelichting lezen de leden van de SGP-fractie dat de raming is gebaseerd op een grondslag in 2028, waarbij uitgegaan wordt van een jaarlijkse groei ter grootte van de gemiddelde omzetgroei van sierteeltproducten over de afgelopen vier jaar. Deze leden wijzen erop dat, zeker in de detailhandel, het aantal ondernemingen al dalende is. Dat duidt mede op een fiscale en economisch lastige positie. In hoeverre is met deze (versnelde) afname rekening te gehouden in de raming? Hoe is rekening gehouden in de raming met een verwachte lagere vraag? Wat zijn de gevolgen van de afschaffing op de duurzaamheids- en vergroeningsambities van de sector? 5.15 Afschaffen verlaagd btw-tarief ballonvaarten De leden van de PRO-fractie zijn voorstander van het afschaffen of sterk inperken van fiscale regelingen die niet doeltreffend en/of doelmatig zijn. Deze leden begrijpen daarom dat de regering het verlaagd btw-tarief op ballonvaarten wil afschaffen. Deze leden vragen de regering welke effecten op de ballonvaartsector verwacht kunnen worden. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de verhoging van het btw-tarief voor ballonvaarten. De regering geeft zelf aan dat de afgelopen twee jaar 30 ballonvaartbedrijven failliet zijn gegaan en dat veel bedrijven het momenteel financieel moeilijk hebben. Waarom kiest de regering er toch voor om deze sector te straffen met een hoger btw-tarief? Hoe verhoudt deze btw-verhoging zich tot de gevolgen voor de sector? De leden van de CDA-fractie merken op dat voor deze maatregel geen impactanalyse beschikbaar is, zodat zij de precieze gevolgen voor de ballonluchtvaart niet goed voor ogen hebben. Deze leden vragen of nog meer van de impact in kaart kan worden gebracht. Verder merken deze leden op dat luchtballonvaart onder het verlaagde btw-tarief voor de categorie personenvervoer valt, waar een onderbouwing is voor overheidsingrijpen via een verlaagd tarief. Los van of dit het juiste instrument is, vragen deze leden de regering wat de reden voor overheidsingrijpen bij de luchtballonvaart is. De leden van de JA21-fractie merken op dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport de afgelopen twee jaar 30 ballonbedrijven failliet zijn gegaan en dat veel van de 80 tot 100 aanbieders er financieel slecht voor staan. De maatregel levert twee miljoen euro per jaar op. Deze leden vragen de regering of de regering heeft onderzocht hoeveel bedrijven door deze maatregel naar verwachting hun activiteiten staken en hoe de opbrengst zich verhoudt tot de gevolgen voor deze kleine sector. Het ATR adviseerde om de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden. Deze leden vragen welke adviespunten dat waren. 5.16 Tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s voorstelt om bedrijven te compenseren voor de ‘uitzonderlijke stijging’ van de brandstofprijzen. Deze leden vragen of de regering het ermee eens is dat de stijging van de brandstofprijzen het belang van energieonafhankelijkheid voor Europa onderstreept, en dat het dan ook verstandig zou zijn om versneld in te zetten op elektrificatie van het Nederlandse wagenpark. Deze leden vragen daarnaast wat de regering doet om dit te bereiken als het gaat om bestelauto’s en vrachtauto’s. Ook vragen deze leden of de regering concreet kan maken wat de gevolgen zijn als de voorgestelde verlaging niet doorgaat: hoeveel bedrijven gaan volgens de regering failliet als gevolg van de te hoge brandstofprijzen en om wat voor bedrijven gaat het? Deze leden vragen voorts wederom naar de overlap tussen deze maatregel en het voorstel om de lopende accijnskorting te verlengen. Waarom kiest de regering ervoor om beide maatregelen door te zetten in plaats van te kiezen? De leden van de JA21-fractie steunen de tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's van ondernemers en de nihilstelling voor vrachtauto's, waarom deze leden zelf hebben gevraagd. 5.17 Beëindigen teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan onderbouwen dat dit accijnsvoordeel voor de leverancier niet of beperkt wordt doorgegeven aan de eindgebruiker. De leden van de PRO-fractie kunnen de overwegingen van de regering als het gaat om de teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen goed volgen. Wel vragen deze leden of de regering zich ervan bewust is dat hiermee opnieuw instabiel beleid wordt gevoerd. Deze leden vinden het van groot belang dat de verduurzaming van Nederland en de energietransitie door de overheid ondersteund worden. Daarvoor is in de ogen van deze leden nodig dat de overheid zich betrouwbaar toont en beleid voorspelbaar is. Is de regering het ermee eens dat de voorgestelde maatregel daar niet per se aan bijdraagt? Hoe gaat de regering zorgen dat in de toekomst wél voorspelbaar en stabiel beleid gevoerd wordt als het gaat om verduurzaming? De leden van de CDA-fractie lezen dat de teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen volgens de regering complex is voor de uitvoering, niet veel wordt gebruikt, een zeer kleine impact heeft waarvan niet zeker is of het in de prijs verwerkt wordt, en dat inmiddels de noodzaak minder is, omdat meer Europese verplichtingen komen. Tegelijkertijd vragen deze leden waarom het oorspronkelijke doel van de stimuleringsregeling niet meer overeind zou staan, namelijk het stimuleren van meer duurzame brandstof door de prijs hiervan gelijk te trekken met reguliere brandstof. Deze leden vragen of de duurzame versie hiermee niet op een concurrentieachterstand wordt gezet. Ook vragen deze leden wat dit voor gevolgen heeft voor de productiecapaciteit voor duurzame brandstoffen en of de businesscase door deze wijziging nu niet onder druk komt te staan aangezien investeringsbeslissingen een aantal jaren vooruit genomen worden en inconsistent beleid daarbij niet helpt. Deze leden vragen of de impact op capaciteitsgroei van de biobrandstoffensector voldoende belicht is. Verder vragen deze leden ook op alternatieven zijn overwogen om de regeling te vereenvoudigen, in plaats van deze volledig af te schaffen. De teruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt geschrapt, zo constateren de leden van de BBB-fractie. Deze leden zijn hier uitermate kritisch over, aangezien dit haaks staat op de prioriteiten van deze regering rondom vergroening en de transitie naar duurzamere brandstoffen. Waarom heeft de regering hiervoor gekozen?  De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering de teruggaafregeling van bio- en hernieuwbare brandstoffen, met als deel van de argumentatie dat deze overbodig zou worden gezien deze via Europese richtlijnen wordt geïmplementeerd, wordt beëindigd. Tegelijkertijd geldt dat deze Europese richtlijn (ETD-richtlijn), gesteund door Nederland via het BNC-fiche, juist toeziet op accijns niet per liter maar op basis van energie-inhoud. Kan de regering toelichten hoe zonder de teruggaafregeling er alsnog inhoudelijk aan de richtlijn kan worden voldaan? Wat doet de regering om deze doelen alsnog te behalen? De leden van de SGP-fractie lezen dat het aantal aanvragen van de teruggaafregeling in 2025 16 bedroeg. Dit lijkt voor de regering een extra motivatie te zijn voor afschaffing. Deze leden wijzen er echter op dat er een veelvoud aan afnemers is die indirect gebruik maakt van de teruggaafregeling. Deelt de regering deze analyse? Deze leden wijzen er ook op dat bijvoorbeeld ondernemers soms investeringen hebben gedaan of in hun bedrijfsmodel rekening hebben gehouden met de teruggaafregeling. Hoe geeft de regering hiervan rekenschap? Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop, ondanks het wellicht beperkte effect, dat de teruggaafregeling wel degelijk het gebruik van bio- en hernieuwbare brandstoffen stimuleert. Door de beëindiging stopt de regering deze vergroening en kiezen afnemers vaker voor de fossiele variant. Druist dit niet in tegen de duurzaamheidsambities van de regering? 5.18 Indexering alcoholaccijns De leden van de PRO-fractie vragen hoe het komt dat alcoholaccijns nog niet jaarlijks geïndexeerd wordt en andere accijnzen wel. Ook vragen zij waarom het tarief van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken niet wordt geïndexeerd, en of de regering van plan is dat alsnog te gaan doen op het moment dat overgestapt wordt naar differentiatie van de verbruiksbelasting op basis van suikergehalte. De leden van de CDA-fractie vragen wat het effect van de indexering naar verwachting in praktijk zal zijn, dat wil zeggen hoeveel de prijs van een biertje, fles wijn of fles sterke drank zal wijzigen. De leden van de CDA-fractie hebben voorts het commentaar van de Raad van State bij deze regeling gelezen en zouden graag zien dat de gezondheidsdoelstelling primair is. Deze leden gaan ervan uit dat de gedragseffecten budgettair voldoende zijn meegenomen, maar mocht dit niet zo zijn, dan vragen deze leden wat hiervan de gevolgen kunnen zijn. Ook vragen deze leden of de grenseffecten naar verwachting niet minder een rol zullen spelen, omdat in tegenstelling tot tabak, voor een goedkopere alcohol variant kan worden gekozen en veel consumptie ook plaatsvindt in horecagelegenheden. Deze leden kunnen zich dit effect wel voorstellen bij sterke dranken, die met relatief meer accijns worden belast en vragen of een uitsplitsing te maken is naar effect van grensproblematiek en illegale handel voor verschillende productcategorieën. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering per buurland kan kwantificeren welk deel van de geraamde opbrengst van de jaarlijkse indexering van de alcoholaccijns is gecorrigeerd voor gedragseffecten, in het bijzonder grensaankopen, en daarbij de gehanteerde prijselasticiteiten, substitutie-effecten en ontwikkeling van het Nederlandse accijnsverschil met België en Duitsland inzichtelijk kan maken. Ook vragen deze leden welke drempelwaarde de regering hanteert voor het accijns- of prijsverschil met België en Duitsland om te bepalen wanneer aanvullende monitoring of bijsturing nodig is en of daarbij afzonderlijk wordt gekeken naar omzet, accijnsopbrengst en werkgelegenheid in grensregio’s. De leden van de JA21-fractie merken op dat de voorgestelde indexering van de alcoholaccijns een jaarlijkse automatische lastenverzwaring betekent die zonder afzonderlijk besluit van de wetgever plaatsvindt. De opbrengst loopt op van 26 miljoen euro in 2027 naar129 miljoen euro structureel. Deze leden vragen de regering waarom hiervoor een automatisme wordt ingevoerd, in plaats van dat de Kamer jaarlijks bij het belastingplan over de hoogte van de accijns beslist. De Raad van State vraagt de regering om te verduidelijken wat het hoofddoel van de maatregel is: budgettaire opbrengst of volksgezondheid. De regering antwoordt dat de maatregel beide doelen dient. Deze leden merken op dat de maatregel in het maatregelenpakket energieschok als dekkingsmaatregel is opgenomen. Deze leden vragen de regering hoe de regering de doeltreffendheid voor het gezondheidsdoel gaat meten en welke vermindering van de alcoholconsumptie zij van deze indexering verwacht, uitgedrukt in liters of procenten. De Raad van State wijst erop dat de verhoging van de kansspelbelasting en de tabaksaccijns fors minder opbrachten dan geraamd, onder meer door aankopen in het buitenland en uitwijken naar de illegale markt, zo constateren de leden van de JA21-fractie. De raming gaat uit van het standaard gedragseffect van 20 procent. Deze leden vragen de regering waarom de regering verwacht dat het grenseffect bij alcohol, anders dan bij tabak, binnen dat standaardeffect blijft, gelet op de prijsverschillen met Duitsland en België. Is de regering bereid de opbrengst jaarlijks te monitoren en de indexering op te schorten als de opbrengst achterblijft bij de raming? 5.19 Afschaffen kleine brouwersregeling De leden van de PRO-fractie hebben het voorstel gelezen om de kleine brouwersregeling af te schaffen. De evaluatie van de kleine brouwersregeling wijst uit dat de regeling niet doeltreffend en niet doelmatig is. Deze leden vinden daarom dat afschaffing goed te rechtvaardigen is om het stelsel te vereenvoudigen. Wel vragen deze leden de regering om inzichtelijk te maken hoe groot de gevolgen voor deze kleine bierbrouwerijen zijn. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de maatregel. Klopt het dat de kleine brouwers niet alleen de fiscale kleine brouwersregeling verliezen maar dat hun bier ook nog geïndexeerd gaat worden? Wat zijn de afwegingen van de regering om tot deze lastenverzwaring te komen? Hoe kijkt de regering naar berichtgeving dat de huidige belastingverhogingen het einde van de sector zouden kunnen betekenen? Hoe beoordeelt de regering deze stapeling van belastingverhogingen voor de sector? De leden van de CDA-fractie vragen of de regering in de afweging tot afschaffen van de regeling de toekomstbestendige exploitatie van dergelijke brouwerijen heeft meegenomen. Deze leden krijgen graag een beter inzicht in de gevolgen van deze kleine brouwerijen van afschaffen van het verlaagde tarief. Ook vragen deze leden of in België en Duitsland sprake is van verlaagde tarieven voor kleine brouwerijen, aangezien de accijnsrichtlijn hier specifiek ruimte voor biedt aan lidstaten. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om per productieklasse inzichtelijk te maken (a) hoeveel Nederlandse brouwerijen en welk productievolume worden geraakt, (b) de lastenstijging in euro’s en als percentage van nettowinst en investeringsruimte, (c) de ontwikkeling van het effectieve accijns- en prijsverschil met kleine brouwerijen in België en Duitsland, en (d) de verwachte gevolgen voor grensoverschrijdende aankopen, afzet, marktaandeel, werkgelegenheid en verduurzamingsinvesteringen van brouwerijen in Nederlandse grensregio’s. Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie op dit punt hoe de regering de stapeling weegt van de accijnsindexatie en de verhoging van de belasting op leidingwater, waar juist ook brouwers mee te maken krijgen. De leden van de JA21-fractie constateren dat de afschaffing van de kleine brouwersregeling per 1 januari 2028 twee miljoen euro per jaar oplevert, terwijl blijkens tabel 23 van de memorie van toelichting de uitvoeringskosten in 2027 80.000 euro bedragen. Deze leden vragen de regering hoeveel kleine brouwerijen van de regeling gebruikmaken en wat de gemiddelde lastenverzwaring per brouwerij is. Welke gevolgen heeft deze lastenverzwaring voor de concurrentiepositie van Nederlandse brouwerijen? Kleine brouwerijen krijgen tegelijk te maken met de indexering van de alcoholaccijns en de hogere belasting op leidingwater. Deze leden vragen de regering het gecombineerde effect van deze drie maatregelen voor een gemiddelde kleine brouwerij weer te geven. Het ATR adviseerde om de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden. Deze leden vragen welke adviespunten dat waren. De leden van de SGP-fractie vragen naar de effecten van de voorgenomen afschaffing van de kleine brouwersregeling op het MKB. Zijn deze effecten in beeld gebracht? In hoeverre zijn de economische effecten van de afschaffing meegewogen bij het voornemen of is afschaffing vooral ingegeven door de wens tot vereenvoudiging? 5.20 Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine Europees Nederland De leden van de D66-fractie willen de automobiliteit verduurzamen en de uitstoot van CO₂, stikstof en fijnstof terugdringen. Deze leden lezen dat de accijnskorting op benzine in 2027 wordt verlengd, voor 899 miljoen euro met als doel de kosten van autorijden te reduceren. Via een nota van wijziging geldt dat ook voor diesel, en wordt de korting in 2028 geleidelijker afgebouwd. Kan de regering, om de huidige brandstofprijzen in perspectief te plaatsen, een grafiek geven van de brandstofprijzen vanaf 2000 tot nu, gecorrigeerd voor inflatie? Kan de regering ook een grafiek geven van welk aandeel van de brandstofprijs in die periode bestaat uit belastingen? Wat is de verwachte CO₂-impact van het voorstel, en is deze impact meegenomen in de Klimaat- en Energieverkenning? Deze leden vragen de regering uiteen te zetten welke inkomensgroepen het meest en het minst profiteren van de accijnsverlaging. Is de verlaagde accijns een efficiënte manier om huishoudens met een lager- of middeninkomen te ondersteunen? In het coalitieakkoord staat dat het belangrijk is dat er geen rekeningen worden doorgeschoven naar de toekomst. De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering borgt dat de korting na 2028 daadwerkelijk verdwijnt. De leden van de PRO-fractie hebben bij het Belastingplan 2026 vragen gesteld over de korting op brandstofaccijnzen die toen verlengd werd. Deze leden stelden ook uitgebreid vragen over het voornemen in het Belastingplan 2025 om de toen al geldende accijnskorting te verlengen. Tevens stelden deze leden kritische vragen toen het amendement Erkens c.s. (Kamerstuk 36418, nr. 42) werd ingediend en aangenomen, waarmee de accijnskorting voor het jaar 2024 werd verlengd. De leden van de PRO-fractie vroegen ook al naar de gevolgen en doelmatigheid toen met de Wet aanvullende fiscale koopkrachtmaatregelen 2022 werd voorgesteld om accijnskorting te geven, en toen deze korting werd verlengd met het Belastingplan 2023. Deze leden merken dan ook op dat zij geen nieuwe vragen te stellen hebben over dit onderwerp en willen de regering graag de moeite besparen om opnieuw onderzoek te doen. Inmiddels is immers overduidelijk dat het gaat om een onverstandige en ondoelmatige maatregel, waarvan de kosten voor een groot deel terechtkomen bij welvarende huishoudens die dit geld niet nodig hebben, terwijl minder welvarende huishoudens (soms letterlijk) in de kou blijven zitten. Deze leden zijn zich ervan bewust dat de regering alle informatie over dit onderwerp al heeft verstrekt bij de genoemde eerdere wetsvoorstellen, maar nodigen de regering graag uit om nieuwe informatie te verstrekken voor zover die voorhanden is en voor zover de regering daar de behoefte toe voelt. De leden van de PVV-fractie hebben vragen over het verlengen van de accijnskorting. Kan de regering uiteenzetten wat de verwachte grenseffecten zijn van het enorme verschil in brandstofprijzen met onze buurlanden die er – voor zover nu bekend – al toe hebben geleid dat er voor 1,5 miljard euro in het buitenland is gepompt door Nederlanders? Kan de regering met de beantwoording het toegezegde rapport over de grenseffecten van brandstofaccijns meesturen? Het betreft het rapport dat in de technische briefing over het pakket Belastingplan 2027 is besproken. Is de regering ermee bekend dat één op de vier automobilisten financieel last heeft van de gestegen brandstofprijzen en veel Nederlanders zelfs moeten bezuinigen op boodschappen om brandstof te kunnen betalen? Waarom verlaagt de regering de brandstofaccijns niet om het leven voor deze groep betaalbaar te houden? De leden van de JA21-fractie steunen de verlenging van de accijnskorting voor ongelode benzine, ter uitvoering van de motie-Goudzwaard. Deze leden merken wel op dat dit de vierde verlenging op rij is en dat automobilisten telkens pas bij het pakket belastingplan horen of de accijns per 1 januari stijgt. Deze leden vragen de regering of de regering bereid is om een structurele oplossing voor te stellen, zodat het basispad van de brandstofaccijns duurzaam wordt verlaagd. Wat zou een structurele verlaging tot het huidige tarief kosten? Blijkens tabel 10 van de memorie van toelichting wordt het tarief voor benzine in 2027 iets verhoogd, van 0,84469 euro naar 0,85169 euro per liter, maar niet geïndexeerd. Deze leden vragen de regering om te bevestigen dat de prijs aan de pomp per 1 januari 2027 daardoor met circa 0,8 eurocent per liter inclusief btw stijgt. De leden van de BBB-fractie hebben nog enkele vragen en opmerkingen ten aanzien van de accijnskorting op brandstof. Het is een goede zaak dat de accijnskorting voor benzine, diesel en LPG voor het komende jaar wordt verlengd, maar de leden van de BBB-fractie vragen waarom de regering deze korting niet voor een veel langere periode vastlegt. De burger en het bedrijfsleven kijken namelijk aan tegen een forse prijsstijging aan de pomp. In de komende drie jaar zullen de brandstoftarieven immers alsnog met naar schatting ruim 40 eurocent stijgen: ten eerste door het vervallen van de huidige tijdelijke uitstelmaatregel en ten tweede door de invoering van het Europese ETS2-systeem voor brandstoffen. Waarom kiest de regering er niet voor om de accijnskorting voor een veel langere periode structureel te verankeren, om zo de burger op de lange termijn zekerheid te bieden aan de pomp? Erkent de regering dat de stapeling van het beëindigen van de accijnskorting én de invoering van ETS2 binnen nu en drie jaar leidt tot een stijging van zo'n 30 à 40 eurocent per liter? Waarom acht de regering een dergelijke forse prijsstijging acceptabel voor de mensen, die voor hun werk, familie of voorzieningen afhankelijk zijn van de auto, zeker in de grensstreek en op het platteland? In de voorstellen met betrekking tot de BES-eilanden wordt uitsluitend melding gemaakt van de accijnzen op benzine. Is er op de BES-eilanden geen sprake van een accijns op diesel, en zo nee, waarom niet? De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering de accijnskorting voor benzine wil behouden. Zij kiest er echter voor het accijnstarief wel te verhogen maar niet te indexeren. Kan de regering uitsplitsen welk tarief en budgettair belang gemoeid is met de accijnsverhoging en de maatregel om niet te indexeren? 5.21 Aanpassingen afvalstoffenbelasting en CO2- heffing industrie De leden van de D66-fractie willen dat vervuiling een voorspelbare prijs krijgt. Deze leden lezen dat de afvalstoffenbelasting en de CO₂-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) minder hard stijgen dan vorig jaar was besloten. Volgens de factsheet gaan AVI's daardoor later en in de eerste jaren minder CO₂ afvangen en opslaan. Hoeveel extra CO₂-uitstoot verwacht de regering hierdoor en hoe wordt die binnen de klimaatdoelen opgevangen? Wat betekent de verlaging voor recycling? De leden van de D66-fractie lezen in de beslisnota's dat de uitstoot waarover AVI's geen heffing betalen, de dispensatierechten, pas in 2035 in plaats van in 2033 naar nul gaat. Kan de regering het volledige pad per jaar tot en met 2035 geven van de afvalstoffenbelasting, de CO₂-heffing en de dispensatierechten? Volgens de beslisnota's is deelname van AVI's cruciaal om het investeringsbesluit voor het CO₂-opslagproject Aramis te kunnen nemen, en kan onzekerheid over de heffingen leiden tot uitstel van investeringen in CO₂-afvang. De leden van de D66-fractie vragen hoeveel AVI's zich inmiddels voor Aramis hebben ingeschreven. Geeft het nieuwe tariefpad hun voldoende zekerheid om in CO₂-afvang te investeren? Hoe weegt de regering de risico’s voor de investeringsbeslissingen in Aramis en de definitieve totstandkoming van Aramis? De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat de stapeling van afvalstoffenbelasting, CO2-heffing en toekomstige Europese maatregelen leidt tot verslechtering van het investeringsklimaat en het verplaatsen van afvalstromen naar het buitenland. De leden van de PRO-fractie zien het als positief dat de afvalstoffenheffing minder sterk omhooggaat en het ingroeipad van de CO2-heffing voor AVI’s wordt vertraagd, omdat deze leden grote twijfels hadden en hebben over of de in het Belastingplan 2026 voorgestelde maatregelen effectief zouden zijn. Deze leden dat de regering ook erkent dat het risico op export van Nederlands afval aanwezig was en dat de business case voor recycling in Nederland zou verslechteren. Zij schaarden zich eerder daarom achter de motie Stultiens c.s. (Kamerstuk 36812, nr. 83). De regering lijkt deze motie echter helaas niet heel goed te hebben gelezen. De motie vraagt immers om het prioriteren van heffingen op fossiele en lineaire consumptie, productie en plaatsing op de Nederlandse markt. De gedachte achter deze motie was dat op meerdere plekken in de keten ingegrepen moet worden om de productie en verbranding van plastic tegen te gaan. De regering lijkt het achterliggende doel van de oorspronkelijk voorgestelde plasticheffing nu volledig te laten varen en in plaats daarvan slechts in te zetten op het behouden van een deel van de beoogde budgettaire opbrengst. De leden van de PRO-fractie vragen daarom welke alternatieven de regering heeft overwogen, of de regering van plan is de eerdergenoemde motie Stultiens c.s. alsnog uit te voeren en zo nee, waarom niet. Daarnaast horen deze leden graag van de regering welke effecten zij verwacht dat de resterende aanpassingen van de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing voor AVI’s hebben de afval- en recyclingsectoren in Nederland en op de hoeveelheid in Nederland geproduceerde en geconsumeerde plastics. In hoeverre bieden de voorgestelde heffingen volgens de regering een prikkel om afval te voorkomen, hergebruiken, recyclen of verbranden? Hoe verhouden de hoogte en vormgeving van de Nederlandse afvalstoffenbelasting zich tot die in andere Europese landen? De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering de heffingen voor de afvalstoffenbelasting en de CO-heffing voor AVI’s naar beneden heeft bijgesteld, waarmee de last voor de recycling- en afvalsector is gedaald van 567 naar 498 miljoen euro. De sector geeft aan dat de weglek van afval naar het buitenland daardoor ongewijzigd blijft en dat de sector en investeringsruimte voor CCS daarmee onder druk komen te staan. Deze leden vragen of de regering deze risico’s getoetst heeft en hoe de regering het effect van de maatregelen op investeringscapaciteit van de sector in CCS beoordeelt. De leden van de CDA-fractie lezen dat de NOB wijst op de samenloop van de afvalstoffenbelasting en de CO₂-heffing met de mogelijke toekomstige opname van afvalverbrandingsinstallaties in het Europese ETS. Deze leden vragen of de regering bij de beoordeling van de voorgestelde tarieven rekening heeft gehouden met deze stapeling van maatregelen en met het Europese speelveld. Deze leden vragen of de regering kan aangeven hoe de concurrentiepositie van Nederlandse afvalverwerkers zich dan verhoudt tot die van afvalverwerkers in andere Europese landen. Deze leden vragen voorts of de regering kan aangeven hoe wordt voorkomen dat de nationale CO2-heffing leidt tot dubbele beprijzing wanneer afvalverbrandingsinstallaties onder het Europese ETS gaan vallen. De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de regering belangrijke stappen heeft gezet in het herstellen van de ongewenste neveneffecten die het BP 2026 pakket had voor wat betreft de hogere afvalstoffenbelasting en aangescherpte CO2-heffing voor AVI’s. De ChristenUnie-fractie heeft echter zorgen over de gedragseffecten die de verhogingen veroorzaken. Zo maakt het volgens de Vereniging Afvalbedrijven de export van afval aantrekkelijker, omdat de heffing hoger ligt dan in bijvoorbeeld Duitsland, België, Frankrijk en Scandinavië. In hoeverre heeft de regering de gedragseffecten van de afvalsector meegenomen in zijn ramingen? Ziet de regering ook de risico’s van afvalexport, die ook de financierbaarheid van Carbon Capture Storage (CCS) ondermijnt wanneer dit goedkoper is dan CO2-opvang? De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering voorstelt om het pakket aan lastenverzwaring, zoals vorig jaar voorgesteld, licht te verzachten. Tegelijk blijft er een substantiële lastenverzwaring staan. Heeft de regering een nieuwe analyse gemaakt van de gevolgen hiervan, bijvoorbeeld voor de sector, voor de Nederlandse werkgelegenheid en de duurzaamheidsambities? Zo nee, is de regering daartoe bereid? Kan de regering de gevolgen van de resterende lastenverzwaring voor huishoudens inzichtelijk maken? De leden van de SGP-fractie lezen dat de sector met veel alternatieve maatregelen is gekomen. Geen daarvan lijkt op dit moment overgenomen te worden. Kan de regering de status van deze voorstellen duiden? Uit de ‘Appreciatietabel voorstellen Werkgroep Afvalsector’ blijkt dat nog veel moet worden uitgezocht. Hoe wordt dat proces opgepakt? Is de regering bereid om met de sector in gesprek te blijven om het lastenpakket op een alternatieve manier vorm te geven? Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie op dit punt of de regering bereid is om een vrijstelling te introduceren voor geïmporteerd afval? Deze leden wijzen erop dat door de voorstellen de import van afval vrijwel zal stilleggen, waardoor er ook geen budgettaire opbrengst opgehaald zal worden. Deelt de regering de analyse dat deze vrijstelling daardoor ook nauwelijks of geen budget kost, maar wel de sector kan vooruithelpen? 5.22 Verhoging tarief belasting op leidingwater De leden van de D66-fractie vragen waarom voor tien eurocent in één keer is gekozen, terwijl in juni vier cent als beperkte verhoging gold en het ministerie van Financiën waarschuwde voor een te forse stap boven op het wegvallen van het plafond. In hoeverre verwacht de regering dat grootverbruikers kunnen besparen? De leden van de PRO-fractie hebben het voorstel gelezen om het belastingtarief op leidingwater te verhogen. De leden van de PRO-fractie maken zich hierbij zorgen over de gevolgen voor bijvoorbeeld openbare zwembaden en ziekenhuizen. Zij worden geconfronteerd met een lastenverzwaring, terwijl zij hun gebruik niet of nauwelijks kunnen aanpassen. Heeft de regering overwogen om deze sectoren te compenseren? Zo ja, op welke manier wil de regering dit compenseren? Deze leden hechten grote waarde aan besparing op drinkwater en willen graag weten in hoeverre een verhoging van het tarief op leidingwater een prikkel is voor drinkwaterbesparing. Heeft de regering ook de mogelijkheid van een progressieve beprijzing van het drinkwater onderzocht en hoe beoordeelt de regering deze optie? Op welke andere manieren zet de regering zich in om verspilling van drinkwater en niet-drinkwater terug te dringen? De leden van de CDA-fractie hebben bij Belastingplan 2026 veel vragen gesteld over de effecten van het afschaffen van het plafond voor leidingwater van drinkkwaliteit voor de voedingsmiddelenindustrie, farmaceutische industrie, ziekenhuizen en zwembaden, omdat deze industrieën geen alternatief voor drinkwater kunnen gebruiken. Deze maatregel had al een aanzienlijk effect voor deze sectoren en voorzieningen, en met de circa 20 procent verhoging van het tarief wordt dit effect fors versterkt. Deze leden vragen de regering of dit niet een te sterke stapeling inhoudt voor genoemde sectoren en voorzieningen en wat de gevolgen van deze kostenstijging zijn. Deze leden vragen wat de meerkosten zijn van de maatregelen in 2026 en 2027 voor zwembaden, farmaceutische- en voedingsmiddelenindustrie en ziekenhuizen ten opzichte van 2025 toen het plafond nog van toepassing was. De leden van de JA21-fractie zijn kritisch over de verhoging van de belasting op leidingwater met tien cent per kubieke meter. De regering stelt zelf dat de maatregel "primair een budgettair doel" heeft. Drinkwater is een eerste levensbehoefte. Deze leden vragen de regering hoeveel water een huishouden met kinderen naar verwachting minder gaat verbruiken als gevolg van deze maatregel. Rechtvaardigt het besparingseffect dat Witteveen+Bos heeft onderzocht de lastenverzwaring van circa 15 euro per huishouden per jaar? Tabel 13 van de memorie van toelichting laat zien dat de lastenstijging voor bedrijven met een groot waterverbruik aanzienlijk kan zijn, mede doordat per 2027 het heffingsplafond van 50.000 kubieke meter vervalt. Deze leden vragen de regering het gecombineerde effect van het vervallen van het plafond en de tariefverhoging voor de meest geraakte bedrijven weer te geven. Welke sectoren betreft het en hoe verhoudt dit zich tot het vestigingsklimaat? Het ATR adviseerde om de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden. Deze leden vragen welke adviespunten dat waren. Deze leden vragen de regering voorts in het bijzonder het cumulatieve effect weer te geven voor drinkwatergebruikers in de zorg, de voedingsmiddelenindustrie, de farmacie en de chemie. Hoe verhoudt het tarief na deze verhoging zich tot vergelijkbare heffingen in de ons omringende landen? Is meegewogen dat mkb-bedrijven zoals hotels, wasstraten en recreatieparken tegelijk worden geconfronteerd met hogere energie- en nettarieven? De leden van de SGP-fractie hebben bedenkingen bij de verhoging van het tarief op leidingwater. Ten eerste heeft het, afhankelijk van het watergebruik, gevolgen voor gezinnen. Daarnaast stijgen de lasten hierdoor stevig voor ondernemers, zeker voor bedrijven in de farmaceutische en voedingsmiddelenindustrie, maar bijvoorbeeld ook voor ziekenhuizen, defensie en het onderwijs. Zorgt dit niet voor een verdere uitholling van het vestigingsklimaat voor ondernemers? Hoe apprecieert de regering de lastenverzwaring in de publieke sector? 5.23 Verlagen hoge tarief vliegbelasting De leden van de D66-fractie willen een eerlijke, effectieve en rechtvaardige vliegbelasting met verschillende tarieven, omdat de negatieve gevolgen van vliegen op het klimaat en de leefomgeving steeds zichtbaarder worden. Deze leden lezen dat het hoge tarief, voor langeafstandsvluchten, per 2027 naar het Duitse niveau van 59,43 euro gaat. Dat kost 61 miljoen euro per jaar. De doelstelling van de verlaging van het hoge tarief vliegbelasting is het creëren van een gelijker speelveld. Wat zijn de inschattingen van de lagere grenseffecten van deze maatregel? De leden van de D66-fractie constateren dat de differentiatie in de vliegbelasting tot doel heeft de externe kosten van de luchtvaart te internaliseren. Wat betekent de verlaging van het hoge tarief voor dat doel, en wat is het verwachte effect op de CO₂-uitstoot van langeafstandsvluchten? De leden van de D66-fractie merken op dat in het coalitieakkoord is afgesproken om in te zetten op een Europese vliegtaks die voor ieder land gelijk is. Kan de regering toelichten wat hier de stand van zaken is en welke activiteiten de regering onderneemt om deze vliegtaks tot stand te brengen? De leden van de PRO-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van het voornemen om het hoge tarief in de vliegbelasting te verlagen. De differentiatie van de tarieven moest er juist voor zorgen dat negatieve externe effecten beter worden geïnternaliseerd. Kan de regering nogmaals onder elkaar zetten hoe hoog de externe kosten van lange afstandsvluchten zijn, in hoeverre die worden geïnternaliseerd met het huidige tarief en in hoeverre dat nog het geval is na de voorgenomen tariefsverlaging? Kan de regering daarnaast aangeven op wie deze maatschappelijke kosten worden afgewenteld? Deze leden lezen in de memorie van toelichting niet over vliegbelasting voor transferpassagiers. Hoe is het feit dat zij de heffing niet hoeven te betalen te verantwoorden met het oog op de negatieve externe effecten die vliegen met zich meebrengt? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering de vliegbelasting verlaagt om een gelijker speelveld te creëren in Europa. Vanzelfsprekend zijn de leden een voorstander van afspraken over vliegbelasting op Europees niveau, maar niet als dit betekent dat er een ‘race to the bottom’ plaatsvindt. Ook lezen deze leden dat de regering het wenselijk acht om de kosten voor luchtvaartmaatschappijen te verlagen. Vindt de regering het wenselijk om de externe kosten van vliegen op de samenleving af te wentelen in plaats van op de luchtvaartmaatschappij? Hoe weegt de regering de verlaging van kosten voor luchtvaartmaatschappijen op tegen de externe effecten voor klimaat en gezondheid die vliegen met zich meebrengt? De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde maatregel. De regering kiest ervoor om het tarief voor verre vluchten gelijk te trekken met dat van Duitsland. Is de regering zich ervan bewust dat de twee overige tarieven nog steeds een stuk hoger zijn dan de Duitse en dat alle tarieven veel hoger zijn dan de Belgische? Waarom is er niet gekozen voor een algehele verlaging – of nog beter afschaffing van de vliegbelasting en om het daardoor in lijn te leggen met onze buurlanden? Bij een middellange vlucht betaalt een gezin van vier personen in Nederland 200 euro en in België 40 euro, zo constateren deze leden. Hoe rechtvaardigt de regering dit verschil? Wil de regering dat een gezin niet meer op vakantie kan gaan en vanuit Nederland kan vliegen? Welke invloed heeft dit op de luchtvaartsector en hoe verhoudt dit zich tot de opbrengst? De leden van de CDA-fractie merken op dat het goed is dat het hoge tarief van de vliegbelasting meer in lijn is gebracht met de landen om ons heen, maar dat het lage en middentarief nog steeds significant hoger zijn dan in België en Duitsland. Deze leden vragen of de regering na verlaging van de Duitse en Belgische tarieven een herbeoordeling van grenseffecten heeft gemaakt, namelijk dat reizigers uitwijken naar buitenlandse luchthavens, en wat dit betekent voor het beoogde klimaat- en milieueffect van de maatregel. De leden van de JA21-fractie steunen de verlaging van het hoge tarief van de vliegbelasting naar 59,43 euro, gelijk aan het hoge tarief in Duitsland. Deze leden merken op dat Duitsland per 1 juli 2026 ook het lage en middentarief heeft verlaagd, waardoor die tarieven eveneens onder de Nederlandse tarieven liggen. Deze leden vragen de regering waarom zij alleen het hoge tarief aanpast. Wat zou het kosten om ook het lage en middentarief op het Duitse niveau te brengen? Wat is de stand van zaken van de inzet op een geharmoniseerde Europese vliegbelasting? Welke lidstaten steunen die? De leden van de SGP-fractie vragen waarom alleen is gekozen voor een verlaging van het hoge tarief in de vliegbelasting. Zoals de regering in de memorie van toelichting terecht aangeeft, biedt het voorstel geen soelaas voor korte en middellange vluchten. Waarom is niet gekozen om ook de andere tarieven te verlagen? Ontstaat hierdoor niet een onevenredige belastingdruk voor korte en middellange vluchten? 5.24 Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw De leden van de D66-fractie willen fossiele subsidies afbouwen en vinden dat vervuiling een voorspelbare prijs moet krijgen. Deze leden lezen dat de verlaagde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw in 2027 verder omlaaggaan, voor 51 miljoen euro, als compensatie voor de bijmengverplichting groen gas. Het besluit over de CO₂-prijs voor de glastuinbouw wordt uitgesteld naar het voorjaar van 2027. Volgens de beslisnota's betekent dit "de facto" dat het afgesproken klimaatdoel voor 2030 wordt losgelaten. Deelt de regering deze inschatting en hoe wordt het restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030 nog gehaald? De leden van de D66-fractie vragen hoeveel van de gereserveerde glastuinbouwmiddelen uiteindelijk is vrijgevallen en waarvoor dat is ingezet. Welk budget resteert voor de in 2025 afgesproken compensatie tot en met 2030? Deze leden constateren dat de tariefverlagingen twee tot tien cent per kubieke meter bedragen, terwijl de meerkosten volgens de factsheet maximaal 1,5 cent per kubieke meter zijn. Vooral middelgrote grootverbruikers krijgen een flinke compensatie. Hoeveel bedrijven worden over- en hoeveel ondergecompenseerd, en om welke bedragen gaat het? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering de glastuinbouwsector graag wil compenseren voor de bijmengverplichting groen gas. Deze leden menen echter dat één van de voordelen van de bijmengverplichting is dat een extra prikkel ontstaat om zuinig te zijn met gas. Deze leden vinden het verrassend dat de regering grootverbruikers zoals de glastuinbouw – die vaak wel over de middelen en mogelijkheden beschikken om versneld te verduurzamen – wil compenseren, maar huishoudens niet. Deze leden zijn van mening dat de regering haar prioriteiten niet volledig op orde heeft. Deze leden vragen waarom het bovengenoemde voorstel onderdeel uitmaakt van dit Belastingplan en niet van het wetsvoorstel Wet bijmengverplichting groen gas. Ook vragen deze leden in hoeverre de regering hogere broeikasgasuitstoot verwacht door de voorgestelde korting voor de glastuinbouwsector, en wat de concrete gevolgen zouden zijn van het niet doorvoeren van deze korting. Deze leden merken op dat de compensatie in de energiebelasting de verwachte lastenstijging als gevolg van de bijmengverplichting lijkt te overstijgen. Vindt de regering dat wenselijk? Zo nee, welke maatregelen heeft de regering overwogen om dit te voorkomen? De leden van de CDA-fractie merken op dat enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas worden gecompenseerd, ten opzichte van de voorgenomen compensatie van voor de meerprijs van groen gas zoals afgesproken door het vorige kabinet, omdat de meerprijs van groen gas leidt tot financiële lasten voor tuinbouwbedrijven. Deze leden vragen wat dit voor effect heeft op het beoogde doel om de productie van groen gas in Nederland te laten groeien. In feite stellen deze leden dezelfde vraag als bij het beëindigen van de teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen, of de doelen van grotere productie van duurzame alternatieven met deze maatregelen nog voldoende gestimuleerd worden. In hoeverre is het aantrekkelijk voor sectoren om zonder stimulering meer duurzaam alternatief te gebruiken boven de bijmengverplichting, als dat financieel nadeliger uitpakt? De leden van de JA21-fractie constateren dat de glastuinbouw via de energiebelasting in 2027 op sectorniveau wordt gecompenseerd voor de meerprijs van de bijmengverplichting groen gas, maar dat de compensatie op bedrijfsniveau sterk verschilt. De regering noemt de maatregel zelf beperkt doeltreffend en beperkt doelmatig. Deze leden vragen hoeveel tuinbouwbedrijven per saldo onvoldoende worden gecompenseerd en voor welk bedrag. De compensatie vindt geen doorgang als de bijmengverplichting niet per 1 januari 2027 in werking treedt. Deze leden vragen wanneer daarover zekerheid bestaat en hoe tuinders daarover tijdig worden geïnformeerd. Welke vorm van compensatie overweegt de regering voor de jaren na 2027? De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een wijziging van het energiebelastingtarief wordt besproken. De regering noemt uitvoeringstechnische bezwaren van de Nederlandse Energie autoriteit (NEa) als reden om de glastuinbouw toch onder ETS2 te brengen. Tegelijkertijd verzoekt de motie Stoffer/ Grinwis (Kamerstuk 36 947, nr. 30) de regering om juist te zoeken naar alternatieven om glastuinbouw buiten ETS2 te houden, zoals bevestigd in de motie Flach/Grinwis (Kamerstuk 36 947, nr. 30). Wat is de voortgang van het onderzoek? Kunnen glastuinbouwers alvast duidelijkheid ontvangen hieromtrent, zodat de uitvoeringspraktijk niet wordt overvallen door een besluit dat pas in het voorjaar van 2027 definitief wordt? De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering voorstelt om de energiebelasting voor de glastuinbouw in 2027 te verlagen. Tegelijk lezen zij dat in het voorjaar van 2025 afgesproken is dat de glastuinbouw via aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven tot en met 2030 wordt gecompenseerd voor de meerprijs van groen gas. Na 2030 loopt deze verlaging stapsgewijs af. Klopt het dat de verlaging alleen voor 2027 wordt geregeld met het voorliggende wetsvoorstel? Waarom is de langjarige verlaging niet direct in het wetsvoorstel opgenomen? 5.25Verhoging belastingvrije kilometervergoeding en aanverwante regelingen BES-eilanden De leden van de JA21-fractie steunen de verhoging van de belastingvrije kilometervergoeding op de BES-eilanden. Deze leden vragen of deze maatregel, net als in Europees Nederland, afhankelijk is van de bereidheid van werkgevers de vergoeding te verhogen. Welk deel van de werknemers op de BES-eilanden naar verwachting daadwerkelijk een hogere vergoeding ontvangt. 5.26 Verlaging benzineaccijns BES-eilanden De leden van de D66-fractie constateren dat op de BES-eilanden geen accijns op diesel wordt geheven. Deze leden vragen wat hiervan de reden is. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering waarborgt dat de verlaging, gezien het beperkte aantal aanbieders op de eilanden, wordt doorgegeven aan de pompprijs. 5.27 Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering de vrachtwagenheffing tijdelijk wil verlagen ter compensatie van de ‘uitzonderlijke stijging’ van de brandstofprijzen. Deze leden merken op dat de vrachtwagenheffing al aan de lage kant is en vragen de regering in hoeverre de vrachtwagenheffing voldoende hoog genoeg is om het aandeel van het wegvrachtverkeer in de kosten van het aanleggen en onderhoud van wegen te dekken. Ook vragen deze leden naar de samenhang met andere maatregelen in het Belastingplan, te weten de verlenging van de accijnskorting en de tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting. Is de regering van mening dat alle drie deze maatregelen noodzakelijk zijn? In hoeverre is er sprake van overcompensatie? De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat deze verlaging van de vrachtwagenheffing enkel zag op 2026 en geen doorwerking heeft in 2027. 6. Budgettaire aspecten De leden van de D66-fractie willen fiscale regelingen die niet doen wat of voor wie ze bedoeld zijn aanpassen of afschaffen. De leden van de D66-fractie lezen dat het pakket enkele negatief geëvalueerde fiscale regelingen afschaft, zoals het verlaagde btw-tarief voor sierteelt en voor ballonvaart, de kleine brouwersregeling en de bosbouwvrijstelling. Waarom is ervoor gekozen om specifiek deze negatief geëvalueerde fiscale regelingen af te schaffen, en niet andere? Waarom blijven bijvoorbeeld de negatief geëvalueerde vrijstelling in de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor taxi's (circa 56 miljoen euro) en de mrb-korting voor G3-gasinstallaties (30 à 36 miljoen euro) bestaan? Welke afwegingen hebben daarbij meegespeeld, en met welke criteria is bepaald welke regelingen wel of niet in aanmerking kwamen? De leden van de PRO-fractie merken op dat het Belastingplan 2027 een uitzonderlijk hoge lastenverzwaring bevat, en vragen de regering in hoeverre dit in het verleden zo is geweest. Wanneer was de laatste keer dat er sprake was van een lastenverzwaring van vergelijkbare omvang en wat was daar toen de aanleiding voor? De leden van de JA21-fractie constateren dat het wetsvoorstel volgens tabel 17 een lastenverzwaring van 3,2 miljard euro in 2027 en 9,1 miljard euro structureel oplevert. Ook het pakket als geheel is volgens tabel 16 per saldo een forse lastenverzwaring. Deze leden vragen de regering de ontwikkeling van de collectievelastendruk in 2027 en de jaren daarna weer te geven, met en zonder dit pakket. Zij vragen daarbij het beleidsmatige lasteneffect uit te splitsen naar burgers en bedrijven. De memorie van toelichting meldt dat bij de certificering door het CPB enkele ramingen zijn herijkt, waardoor een verschil kan ontstaan tussen het lastenbeeld in de Miljoenennota en het Belastingplan. Deze leden vragen welke ramingen zijn herijkt, om welke bedragen het gaat en hoe de verschillen in de voorjaarsbesluitvorming worden verwerkt. Heeft het CPB bij de certificering kanttekeningen geplaatst bij de raming van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt en de indexering van de alcoholaccijns? 7. Grenseffecten De leden van de CDA-fractie vragen of de regering per sector inzichtelijk kan maken welke financiële en economische effecten ondernemingen met accijnsproducten ondervinden doordat zij in een grensregio zijn gevestigd, en daarbij toelichten welke afstand tot de Belgische of Duitse grens wordt gehanteerd voor de afbakening van de grensregio en welke indicatoren worden gebruikt, waaronder omzetverlies, verschuiving van consumentenaankopen, werkgelegenheid, winstgevendheid en investeringsruimte. De leden van de JA21-fractie vragen de regering de grenseffecten van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt, de indexering van de alcoholaccijns en de verlenging van de accijnskorting op benzine kwantitatief te onderbouwen. Wanneer verschijnt de volgende grenseffectenrapportage over de brandstofaccijnzen? Deze leden vragen in het bijzonder naar het cumulatieve effect van de btw-verhoging op sierteelt en de indexering van de alcoholaccijns voor ondernemers in de grensstreek. 8. EU-aspecten De leden van de VVD-fractie lezen dat als de Gedragscodegroep van mening is dat het verruimen van de forfaitaire regeling in de innovatiebox een schadelijke maatregel is, de wetgeving moet worden aangepast. Heeft de regering deze beoordeling zelf ook gemaakt? Zo ja, wat is de uitkomst van die beoordeling? Is deze maatregel al gemeld aan deze groep? Kan voorts worden aangegeven wat de status van deze ‘Gedragscodegroep’ is? Op grond waarvan wordt deze ingesteld, wie zijn de leden van deze groep en wie controleert deze groep? 10. Doenvermogen De leden van de JA21-fractie merken op dat de inschatting van de doenlijkheid door de dossierhouder in overleg met gedragsexperts is gemaakt, zonder aanvullend empirisch onderzoek en zonder contact met burgers. Deze leden vragen de regering waarom bij maatregelen met een grote doelgroep, zoals de afschaffing van de zorgkostenaftrek, niet is getoetst bij de betrokken burgers zelf. Zij merken op dat de startersaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de bevriezing van de aftoppingsgrens oordeel 3 krijgen, terwijl de Belastingdienst geen aparte communicatie voorziet. Deze leden vragen welke concrete maatregelen de regering neemt om te voorkomen dat toeslagontvangers door een hoger verzamelinkomen met terugvorderingen worden geconfronteerd. De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich zorgen over de uitvoerbaarheid van de nieuwe Wet werkelijk rendement voor belastingplichtigen. Is een vermogensbelasting (met een samenloopbepaling) van nog geen 1,5 procent niet veel beter uitvoerbaar voor de belastingplichtige en de Belastingdienst? Nodigt een dergelijke manier van belasting heffen niet veel meer uit om je spaargeld te investeren in plaats van alleen maar op de bank te zetten? 12. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete ruimte de Belastingdienst ziet, gegeven de huidige personele en IV-capaciteit, nog voor aanvullende fiscale maatregelen vanuit de Kamer bij de behandeling van het Belastingplan 2027, zonder dat dit leidt tot verdringing of vertraging van reeds geplande modernisering. Deze leden vragen of de regering kan aangeven welke maatregelen uit het Belastingplan 2027 weliswaar als uitvoerbaar worden beoordeeld, maar negatieve gevolgen hebben voor handhaving, toezicht of dienstverlening, en welke risico’s de regering daarbij accepteert. De leden van de JA21-fractie lezen dat de Belastingdienst en de Douane alle maatregelen uitvoerbaar achten, maar dat bij toetsen met gele en rode vlaggen risico's worden geaccepteerd, onder meer voor handhaafbaarheid. Deze leden vragen de regering om per maatregel aan te geven of de uitvoeringstoets gele of rode vlaggen bevat en welke risico's daarbij worden geaccepteerd. Deze leden lezen dat een aantal technische maatregelen naar de Fiscale verzamelwet 2028 is verschoven om stapeling te voorkomen. Welke maatregelen betreft het en wat betekent dat voor de invoeringsdata? Deze leden vragen voorts hoeveel ruimte er in het portfolio van de Belastingdienst resteert voor eventuele amendementen op dit wetsvoorstel. Welke typen amendementen zijn per 1 januari 2027 nog uitvoerbaar? OVERIG De leden van de D66-fractie constateren dat het pakket tarieven verlaagt in onder meer de benzine- en dieselaccijns (benzine 899 miljoen euro in 2027, afbouw 750 miljoen euro in 2028), de vliegbelasting (61 miljoen euro per jaar), de afvalstoffenbelasting en CO₂-heffing voor AVI's (200 miljoen euro in 2028, 69 miljoen euro structureel), de energiebelasting glastuinbouw (51 miljoen euro) en tijdelijk de motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto's (160 miljoen euro en 35 miljoen euro) en de vrachtwagenheffing (80 miljoen euro). Wat kosten alle tariefverlagingen in dit pakket samen, per jaar en structureel, en wat is hun gezamenlijke effect op de CO₂-uitstoot? Is er door het kabinet nagedacht over een zogenoemde CO2-dekking, waarbij compenserende maatregelen worden genomen om de toegenomen CO2-uitstoot te compenseren? De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over papieren schenkingen. Hoeveel papieren schenkingen worden jaarlijks gedaan, en voor welk totaalbedrag? Hoe heeft dat zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Bij welke vermogens komt het voordeel terecht en hoe groot is het voordeel in de schenk- en erfbelasting gemiddeld, inclusief de rente van zes procent die de schenker jaarlijks verschuldigd is? De leden van de D66-fractie willen dat woningcorporaties meer betaalbare woningen kunnen bouwen. Volgens een eerste inschatting van de regering beperkt de renteaftrekbeperking uit de ATAD hun investeringsruimte tot en met 2034 met potentieel 15,4 miljard euro. De aangekondigde uitzondering voor corporaties zit niet in het ingediende Belastingplan. Dit maakt het voor woningcorporaties lastig om hun investeringsplannen tijdig uit te breiden. Waarom zit die aanpassing niet in het ingediende wetsvoorstel? Is er een mogelijkheid voor woningcorporaties om tijdig voldoende duidelijkheid te krijgen? De leden van de D66-fractie lezen in de Miljoenennota dat er een besluit is genomen over de greentimerregeling. Deze maatregel is bedoeld om elektrisch rijden te stimuleren. Wat is de reden dat deze maatregel niet is opgenomen in het Belastingplan? Wanneer is de regering van plan om de maatregel te implementeren? De leden van de D66-fractie hebben vragen over de maatregel envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven uit het Coalitieakkoord. Deze maatregel is momenteel niet opgenomen in het Belastingplan, terwijl de maatregel per 2028 in zou moeten gaan. Klopt daarmee de aanname dat deze volgend jaar volgt? Kan de regering toelichten welke vormgeving de regering voor zich ziet voor de maatregel? De leden van de D66-fractie hebben vragen over de maatregelen in box 2 en box 3 uit de brief van 29 september 2026. De ramingen voor de overstap naar vermogenswinst en de maatregel excessief lenen aanpakken in box 2 zijn blootgesteld aan grote onzekerheden. Kan de regering toelichten met welke onzekerheidsmarges rekening wordt gehouden met deze ramingen? Met andere woorden, hoe onzeker is de reeks uit de tabel tot 2040 die tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen met de Kamer zijn gedeeld? Hoeveel mensen gaan door het verlagen van het heffingsvrij vermogen box 3-heffing betalen, en hoeveel betalen zij gemiddeld? Hoeveel procent van de huishoudens heeft vermogen in box 3? Ten aanzien van de voorstellen bij box 3 merken de leden van de CDA-fractie op dat enkele dekkingsopties bij het voorstel door de regering zijn opgenomen. Deze leden hebben in het verleden bij behandeling van de Wet Werkelijk Rendement al vaker gevraagd of het ook een mogelijkheid zou zijn om twee tarieven in box 3 in te voeren, om heffing naar voren te halen en zo het lock-in effect, met uitstel, of zelfs afstel, tegen te gaan bij een vermogenswinstbelasting. Deze leden merken op dat meerdere landen met een vermogenswinstbelasting meerdere tarieven hanteren. Deze leden vragen of de regering aanvullend enkele cijfermatige reeksen voor een periode van tien jaar vanaf 2028 in kaart zou kunnen brengen met meer tariefschijven naar hoogte van vermogensinkomsten bij een nieuw stelsel. Deze leden hebben nog geen waardeoordeel ten aanzien van zulke opties, het gaat hen vooral om een cijfermatig inzicht van de gedragseffecten en budgettaire gevolgen van deze opties: 2 tariefschijven, bijvoorbeeld met een lager en een hoger tarief dan de voorgenomen 36 procent; en Progressieve tarieven conform box 1. Deze leden vragen de regering ook om een objectieve inventarisatie van andere mogelijke dekkingsopties binnen het vermogensdomein, zowel qua parameters, als bijvoorbeeld het aanpakken van constructies. De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar de voorgenomen ontwikkeling van de eerste schijfgrens binnen de WBSO. Deze leden hebben eerder aandacht gevraagd voor een structurele indexering van deze schijfgrens en wijzen in dit verband op de aangenomen motie waarin de regering is verzocht met een voorstel hiervoor te komen. De leden van de CDA-fractie hebben een vraag over de uitwerking van de door hen vorig jaar ingediende motie over structurele indexering van de eerste schijfgrens binnen de WBSO. Deze leden merken op dat uit de reactie van de regering op deze motie blijkt dat de schijfgrens jaarlijks kan worden aangepast wanneer daarvoor binnen het WBSO-budget ruimte bestaat. De leden van de CDA-fractie constateren echter dat ervoor is gekozen de schijfgrens in 2027 niet te indexeren, terwijl het WBSO-budget stijgt naar 1,968 miljard euro en in 2025 bovendien 200 miljoen euro van het beschikbare budget onbenut is gebleven. Tegelijkertijd merken deze leden ook op dat loonkosten blijven stijgen, waardoor bedrijven bij een gelijkblijvend aantal S&O-uren sneller in de tweede schijf terechtkomen, zodat een groter deel van hun grondslag in de hogere schijf met een lager percentage valt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of hiermee in de praktijk geen versobering van de WBSO ontstaat, met name voor innovatieve mkb-bedrijven. Deze leden vragen de regering daarom om toe te lichten waarom ervoor is gekozen de schijfgrens in 2027 niet te indexeren, terwijl daarvoor budgettaire ruimte lijkt te zijn. Als dat inderdaad zo is, dan vragen deze leden of de regering bereid is om de schijfgrens voor 2027 alsnog te indexeren en daarbij ook een structurele systematiek voor indexering te ontwikkelen, conform de eerder aangenomen motie. De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de partiële buitenlandse belastingplicht bij het Belastingplan 2024 via het amendement-Grinwis is afgeschaft. Deze regeling voorkwam dat werknemers die vanuit het buitenland naar Nederland kwamen, in box 3 ook werden belast over vermogen waarover zij mogelijk al in het buitenland belasting betalen. Deze leden vragen de regering welke gevolgen de afschaffing heeft voor het aantrekken van internationaal talent en het Nederlandse vestigingsklimaat en of daar signalen van zijn. Deze leden vragen wat het budgettair belang is van eventueel herstel van deze regeling. Tot slot merken de leden van de CDA-fractie op ten aanzien van studieschulden en Wet kredietregistratie (WKR) dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat werkgevers de ruimte krijgen om werknemers te helpen met het sneller aflossen van hun studieschuld door gebruik van de werkkostenregeling. Deze leden vragen wat de kosten zijn voor het opnemen van een specifieke vrijstelling voor aflossen studieschulden via werkgever onder de WKR, bijvoorbeeld afgebakend tot DUO-schulden en Europees geaccrediteerde studieschulden. Ook vragen deze leden hoe snel een dergelijke vrijstelling kan worden ingevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie attenderen de regering op de motie Grinwis (Kamerstuk 36 812, nr. 97) met betrekking tot de fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers. In hoeverre heeft de regering stappen gezet in de uitwerking van de motie, met betrekking tot het weghalen van fiscale knelpunten en met name het onderzoek dat bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en erffaciliteit blijft gelden? Wat is hierin de voortgang die voor de zomer van 2026 gedeeld zou worden? Daarnaast constateren de leden van de ChristenUnie-fractie dat in de agrarische sector bij vruchtwisseling het belangrijk is om naar het systeem te kijken. Voor de toepassing van de BOR in de Successiewet is het belangrijk om ruimte te geven voor de toepassing met het oog op het samenwerkingssysteem en daarmee niet alleen fiscale voorwaarden gekoppeld aan teeltpacht. Daarnaast zijn de eind 2025 vernieuwd geuite voorwaarden die voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling binnen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting te complex en te gedetailleerd, dat dit ook de samenwerking in de markt tegenwerkt. In hoeverre ligt de prioriteit van de regering bij verduurzaming van de agrarische sector ten opzichte van de behoefte om regels te vereenvoudigen en op hogere opbrengsten te sturen? Welk doel vindt de Kamer dan belangrijker?

Versie 50b8ec40-c0cb-43e0-8151-b649b9505eb6 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 46111b6cd81cd82b

13 okt 2026 · cef2e470929b69b5

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.