Memorie van toelichting
Brontekst
Versie a891618c9ef5fbb4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 667Wijziging van de Wet educatie enberoepsonderwijs en enkele andere wetten terbevordering van de kansengelijkheid middelsverbetering van de begeleiding naar duurzameeconomische zelfstandigheid van jongeren meteen risico op een afstand tot de arbeidsmarkt(Wet van school naar duurzaam werk)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgaveblz.ALGEMEEN DEEL11.Inleiding en achtergrond12.Probleembeschrijving53.Maatschappelijke opgave wetsvoorstel114.Maatregelen125.Gevolgen346.Caribisch Nederland417.Monitoring en evaluatie418.Verhouding tot hoger recht429.Gevolgen voor de regeldruk4310.Uitvoering en doenvermogen4711.Toezicht en handhaving4812.Financiële gevolgen5013.Advies en consultatie5214.Overgangsrecht en inwerkingtreding54ARTIKELSGEWIJS DEEL55Bijlage 1. Transponeringstabel artikelen m.b.t. begeleiding vanschool naar werk70Bijlage 2. Transponeringstabel Sterk beroepsonderwijs71Bijlage 3: Afkortingen en begrippenlijst72 ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding en achtergrond 1.1 Inleiding Alle jongeren verdienen het om maatschappelijk mee te doen, zich zo veelmogelijk te ontwikkelen en duurzaam aan het werk te komen. De kansenhierop zijn echter ongelijk verdeeld. Sommige groepen jongeren komenmoeizaam duurzaam aan het werk. Het gaat dan om jongeren uit hetpraktijkonderwijs (hierna: pro), voortgezet speciaal onderwijs (hierna: vso)en het middelbaar beroepsonderwijs (hierna: mbo). Ten aanzien van kst-36667-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 31 jongeren uit het mbo ligt hierbij de nadruk op de entreeopleiding (hierna:entree), de basisberoepsopleiding (hierna: niveau 2) in de beroepsoplei-dende leerweg (hierna: bol) en voortijdig schoolverlaters (hierna: vsv’ers).Dit is een structureel probleem: ongeacht de stand van de economie is ersprake van kansenongelijkheid. Bovendien kan (dreigende) werkloosheidleiden tot andere persoonlijke problemen en aanzienlijke maatschappe-lijke kosten.Met dit wetsvoorstel wil de regering de kansengelijkheid vergroten doorbetere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met (eenrisico op) een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naarwerk en bij het behouden van werk. Dit wetsvoorstel richt zich daarbijprimair op bovengenoemde doelgroepen. Hiertoe stelt het wetsvoorsteleen viertal samenhangende maatregelen voor:•pro-scholen, vso-scholen en mbo-instellingen1 bieden aanvullendeloopbaanbegeleiding2 tijdens het onderwijs en na diplomering gerichtop de overgang naar vervolgonderwijs of werk;•Doorstroompunten3 bieden jongeren zonder startkwalificatie tot27 jaar begeleiding terug naar school of naar werk;•gemeenten4 bieden jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passendeondersteuning. Wanneer terug naar school niet passend is, biedt degemeente ondersteuning naar werk of een combinatie van werk enopleiding;•partijen werken verplicht samen in een aanvullend regionaal pro-gramma.Voor deze maatregelen is een wijziging van de Wet educatie en beroeps-onderwijs (hierna: WEB), de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO2020) en de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) nodig. De maatre-gelen raken naast het onderwijs ook het participatiebeleid, waarvoor eenwijziging van de Participatiewet nodig is. Deze memorie van toelichtingwordt daarom gegeven mede namens de Staatssecretaris van SocialeZaken en Werkgelegenheid (Participatie en Integratie) en in overeen-stemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap(Funderend Onderwijs en Emancipatie).Omdat dit wetsvoorstel veel specialistische terminologie gebruikt, is inbijlage 3 een ondersteunende begrippenlijst opgenomen.1In de titel van dit wetsvoorstel en deze memorie van toelichting wordt ten behoeve van deleesbaarheid de term «scholen» gebruikt om pro-scholen, vso-scholen en mbo-instellingensamen aan te duiden. Indien specifiek op één van de drie wordt gedoeld, zal wel «pro-scholen»,«vso-scholen» of «mbo-instellingen» worden gebruikt.2Loopbaanbegeleiding na diplomering wordt ook wel aangeduid als «nazorg». In hetwetsvoorstel wordt de term «loopbaanbegeleiding» gebruikt, omdat deze begeleiding al tijdensde opleiding start en uit bijeenkomsten met het veld bleek dat dit beter de lading dekt. In dezememorie van toelichting is «aanvullende» aan toegevoegd – er wordt dus van «aanvullendeloopbaanbegeleiding» gesproken – om dit duidelijk te onderscheiden van de reguliereloopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB).3Voorheen werd dit de Regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten(RMC-functie) genoemd. In het voorjaar van 2023 is bij Kamerbrief aangekondigd dat dezenaam wordt vervangen door de naam Doorstroompunt (Kamerstukken II 2022/23, 26 695,nr. 142). Elke gemeente is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijkeDoorstroompunt-taken, maar werkt samen met andere gemeenten in Doorstroompunt-regio’smet een contactgemeente die coördinerende taken vervult. De Doorstroompunt-taken zijn dusveelal regionaal georganiseerd. Daarom wordt in deze toelichting gesproken van het«Doorstroompunt» waar het gaat om de Doorstroompunt-taken van de gemeente. Op diemanier kunnen de Doorstroompunt-taken ook duidelijk worden onderscheiden van deParticipatiewet-taken van de gemeente. In beide gevallen gaat het formeel gezien echter omgemeentelijke taken die zijn belegd bij het college van burgemeester en wethouders.4Voor de leesbaarheid van dit wetsvoorstel wordt de term «gemeente» gehanteerd voor deuitvoerder van de Participatiewet artikel 7a.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 32 Naast beleidsinhoudelijke maatregelen bevat het wetsvoorstel een aantalwijzigingen ter verbetering van de wetstechnische kwaliteit van de WEB.Op deze wijze wordt stap voor stap gewerkt aan de kwaliteitsverbeteringvan bestaande wetgeving.5 Het nieuwe hoofdstuk 9, titel 1, WEB zal in detoekomst alle bepalingen over de samenwerking tussen het mbo en v(s)oomvatten. Met dit wetsvoorstel worden de bepalingen die zijn ingevoegdbij de Wet sterk beroepsonderwijs daarom verplaatst naar hoofdstuk 9,titel 1, paragrafen 1 en 2.6 De artikelen zijn inhoudelijk ongewijzigd enworden daarom niet behandeld in deze memorie van toelichting.1.2 Achtergrond wetsvoorstel Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is gebruik gemaakt van deervaringen die de afgelopen 15 jaar zijn opgedaan bij verschillende(tijdelijke) aanpakken van jeugdwerkloosheid. In 2009 startte het ActieplanJeugdwerkloosheid.7 Met diverse actielijnen die door gemeenten, scholenen UWV werden uitgevoerd, werd op regionaal niveau samengewerkt omde jeugdwerkloosheid tegen te gaan.8 Na het dalen van de jeugdwerk-loosheid in 2011 kregen de betrokken organisaties te maken met flinkebezuinigingen.Na wederom een opleving van de jeugdwerkloosheid startte in 2013 deRegionale Aanpak Jeugdwerkloosheid.9 Deze aanpak liet zien dat met eengecombineerde aanpak door scholen en gemeenten in arbeidsmarktre-gio’s, de samenwerking wordt verstevigd.10 Na een daling van dejeugdwerkloosheid werd de financiering van de aanpak beëindigd.Hierdoor hield de opgezette regionale samenwerking in de meeste regio’sgeen stand. Daarnaast bleek dat sommige groepen een structureleachterstand op de arbeidsmarkt hielden.In 2018 startten zes pilots voor een soepele overgang van onderwijs naararbeidsmarkt naar aanleiding van de motie Kwint/Özdil.11 Hierbij zijnervaringen opgedaan in de samenwerking tussen mbo-instellingen engemeenten om jongeren van de entree en niveau 2 nog tot twee jaar nadiplomering te begeleiden.12 Ook in andere regio’s ontstonden initiatievenom jongeren te ondersteunen in de overstap van het onderwijs naar dearbeidsmarkt. Een aantal voorbeelden hiervan zijn de «Route Arbeid» voorjongeren uit het pro en vso13, de transitieroute waarbij 9 mbo-instellingenjongeren met een extra ondersteuningsbehoefte begeleidden in detransitie van school naar werk14 en de Participatiescan waarmee scholen,gemeenten en andere partijen samenwerken aan een sluitende aanpak.155Kamerstukken II 2019/20, 35 297, nr. 4.6Stb. 2020, 157.7Kamerstukken II 2008/09, 29 544, nr. 189.8Research voor beleid (2011), Samen in actie, Evaluatie Actieplan Jeugdwerkloosheid, bijlage bijKamerstukken II 2011/12, 29 544, nr. 341.9Kamerstukken II 2012/13, 29 544, nr. 438.10Monitor Regionale Aanpak jeugdwerkloosheid, Meting 3 – voorjaar 2015.11Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VIII, nr. 120.12KBA (2021) Aan de slag met nazorg, Evaluatie pilots Soepelere overgang naar werk, bijlage bijKamerstukken II 2020/21, 26 695, nr. 133.13Werk in Zicht (2015) Route arbeid voor kwetsbare jongeren, via https://www.werkinzicht.nl/project/route-arbeid-voor-kwetsbare-jongeren/.14Eimers, Raaijman (2018) De Transitieroute. Jongeren met een ondersteuningsbehoefte vanopleiding naar werk. Nijmegen: KBA Nijmegen.15VNG (2018) Participatiescan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 33 In 2019 is vervolgens het Interdepartementaal beleidsonderzoek Jongerenmet (risico op) afstand tot de arbeidsmarkt (hierna: IBO JmAA) gepresen-teerd.16 Hieruit bleek dat er 300.000 jongeren waren tussen de 16–27 jaarmet een afstand tot de arbeidsmarkt.17 Hiervan hadden 187.000 jongerengeen werk. Het IBO JmAA heeft een uitgebreid onderzoek gedaan enbreed onderschreven knelpunten en oplossingsrichtingen geïdentificeerd.Het toenmalige kabinet heeft de keuze voor de uitwerking van deaanbevelingen overgelaten aan een volgend kabinet.18Om de gevolgen van de coronapandemie te verzachten en de toenamevan de jeugdwerkloosheid het hoofd te bieden, werd met het steun- enherstelpakket in 2020 opnieuw een (tijdelijke) Aanpak Jeugdwerkloosheidgestart.19 Voor mbo-instellingen zijn hiervoor twee subsidieregelingenbeschikbaar gesteld.20 Aan het Doorstroompunt is een extra specifiekeuitkering verstrekt en is de reguliere specifieke uitkering eenmaligopgehoogd.21 De gemeente ontving voorts een decentralisatie-uitkering.22Hierbij is gebruik gemaakt van de inzichten uit de eerdere aanpakkenjeugdwerkloosheid, het IBO JmAA en de ervaringen met diverseinitiatieven zoals de zes pilots voor een soepele overgang van onderwijsnaar arbeidsmarkt uit 2018 op basis van de motie Kwint/Özdil.23, 24In de zomer van 2021 is de Werkagenda Samen werk maken van deAanpak Jeugdwerkloosheid ondertekend door de Ministers van SocialeZaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) en Onderwijs, Cultuur enWetenschap (hierna: OCW) en partners in het veld.25 Hierin is gezamenlijkuitgesproken dat het bestrijden van jeugdwerkloosheid een structureleuitdaging is. In het coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV zijn maatre-gelen aangekondigd en middelen vrijgemaakt om de kansengelijkheid inhet onderwijs te verbeteren.26 Dit is verder uitgewerkt in de miljoenennota2023. Hierin is opgenomen dat het kabinet Rutte IV € 150 miljoen extrauittrekt om de kansengelijkheid te vergroten voor jongeren in eenmbo-opleiding op niveau 2. Hiermee kunnen mbo-instellingen extraintensieve begeleiding bieden tijdens de opleiding, de groepsgrootteverkleinen of effectief gebleken corona-maatregelen voortzetten. In demiljoenennota 2023 wordt verder het voornemen uitgesproken de nazorgdoor mbo-instellingen wettelijk te verankeren, gemeenten een aanvul-lende rol te geven in de begeleiding van jongeren naar werk en de leeftijdvan jongeren die worden begeleid door het Doorstroompunt te verhogennaar 27 jaar. Dit is ook toegelicht in de Kamerbrief voortijdig schoolver-laten27 en onderdeel van de afspraken in de Werkagenda mbo.2816Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.17Dit zijn jongeren die niet staan ingeschreven bij een school, economisch niet-zelfstandig zijnen wel beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Sommige jongeren hebben dus wel werk, maarkunnen hier niet van rondkomen en hebben dan ook een afstand tot de arbeidsmarkt.18Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.19Kamerstukken II 2020/21, 35 420, nr. 134.20Het gaat hier om de Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022, opgevolgddoor de Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2025.21Zie de Regeling specifieke uitkering extra financiële middelen RMC-functie voor de extraspecifieke uitkering en artikel 4.4 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten2020–2024.22Kamerstukken II 2022/23, 36 200, nr. B-17.23KBA (2021) Aan de slag met nazorg, Evaluatie pilots Soepelere overgang naar werk, bijlage bijKamerstukken II 2020/21, 26 695, nr. 133.24Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VIII, nr. 120.25Werkagenda Samen werk maken van de Aanpak Jeugdwerkloosheid, bijlage bij Kamer-stukken II 2020/21, 35 420, nr. 363.26Coalitieakkoord (2021) Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst.27Kamerstukken II 2022/23, 26 695, nr. 140.28Kamerstukken II 2022/23, 31 524, nr. 549.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 34 Dit wetsvoorstel draagt ook bij aan de ambitie van het hoofdlijnenakkoordvan Kabinet Schoof I om (mbo) onderwijs beter aan te laten sluiten op dearbeidsmarkt. Scholen, het Doorstroompunt en gemeente krijgen deverantwoordelijkheid om te zorgen dat jongeren met en zonder eendiploma duurzaam aan het werk komen en hierbij de benodigde onder-steuning krijgen. Met dit wetsvoorstel zorgt de regering ervoor dat desamenwerking in de regio duurzaam vorm krijgt met een structureleverankering in wet- en regelgeving en doorlopende bekostiging.2. Probleembeschrijving 2.1 De kans op werk is structureel ongelijk verdeeld De kans op werk voor bepaalde groepen jongeren blijft structureel achterten opzichte van andere groepen. Het verschil in arbeidsdeelname enwerkloosheid tussen jongeren zonder startkwalificatie29, mbo’ers en hbo-en wo-diplomeerden blijft structureel groot, ongeacht de stand van deeconomie.30 Hoe hoger het onderwijsniveau, hoe beter de positie op dearbeidsmarkt en hoe minder vaak iemand geen werk heeft en eenuitkering krijgt.31, 32 Uit onderzoek van SEO blijkt bovendien dat dekansenongelijkheid op de arbeidsmarkt sinds de uitbraak van de corona-pandemie alleen maar groter is geworden.33 Jongeren met relatief lagebaankansen worden in een crisis harder geraakt, waarvan zij ook maardeels herstellen.34 Langdurige werkloosheid kan lang effect hebben opjongeren en kan leiden tot minder kans op werk en een lager inkomen.35Een derde van de jongeren die op zijn 23e geen werk had, blijkt bijvoor-beeld de gehele periode tot het 32e levensjaar niet werkzaam te zijn.362.1.1. Zonder startkwalificatie minder kansen Jongeren zonder startkwalificatie zijn vaak kwetsbaar op de arbeidsmarkt.Zij hebben minder vaak een baan37 en vaker een uitkering. Het CBSconstateert in 2021 dat van de 280.000 jongeren zonder startkwalificatiedie geen onderwijs volgen, ruim 100.000 geen werk hebben en er 45.000arbeidsongeschikt zijn. Ook zijn 50.000 van deze jongeren wel aan hetwerk maar verdienen niet voldoende om economisch zelfstandig te zijn.3860% van de jongeren zonder startkwalificatie en zonder werk heeft eenjaar na het verlaten van het onderwijs nog geen baan.39 Deze groep heefteen grote kans om economisch niet zelfstandig te zijn en dit langdurig teblijven. Zij zijn vaker werkloos, doen een groter beroep op socialevoorzieningen en de zorg en hebben een grotere kans om in criminaliteitte vervallen.4029Een startkwalificatie is een diploma op het niveau van havo, vwo of mbo-niveau 2 of hoger.30SEO (2021) De impact van de coronacrisis op de overgang onderwijs-arbeidsmarkt.31SEO (2022) Monitor 3 aanpak Jeugdwerkloosheid.32CPB (2018) Waarde van een startkwalificatie.33SEO (2022) De impact van de coronacrisis op de arbeidsmarkt, De impact van de coronapan-demie op de overgang onderwijs-arbeidsmarkt.34SEO (2022) Monitor aanpak jeugdwerkloosheid.35CPB (2020)Langdurige effecten van de coronacrisis voor de arbeidsmarkt,https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Coronapublicatie-Langdurige-effecten-van-de-coronacrisis-voor-de-arbeidsmarkt.pdf.36CBS (2022) Lager opgeleide jongeren hebben minst stabiele loopbanen.37CBS (2020) 70.000 jongeren zonder startkwalificatie hadden geen werk.38Met economisch niet-zelfstandige jongeren wordt bedoeld: jongeren die geen onderwijsvolgen, die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (en dus niet volledig of duurzaam arbeids-ongeschikt zijn) en die minder dan 70% van het wettelijk minimumloon verdienen.39CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.40LPBL (2020) MKBA regionaal programma West Brabant.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 35 Als jongeren zonder startkwalificatie wel werk hebben, is dit vaker in eenflexibel dienstverband waardoor zij minder baanzekerheid hebben.41, 42Dit geldt ook voor degenen die beginnen met een vast contract. Het CBSconcludeert: «Zeker voor mensen zonder startkwalificatie is een vastcontract dus niet zo vast als de naam suggereert.»43 Het onderscheidtussen jongeren met en zonder startkwalificatie blijft daarom relevant.442.1.2. Ook jongeren met startkwalificatie kunnen soms lastig werk vinden Ondanks dat een startkwalificatie de kans op werk vergroot, zijn erjongeren met een startkwalificatie die niet aan het werk komen. Inonderstaande tabel is het aandeel jongeren opgenomen dat een jaar nauitstroom uit het onderwijs geen werk heeft.45Type onderwijsAantal jongeren% zonder werk, jaar nauitstroomZonder startkwalificatieVso5.32074%1Pro2.88035%Entree1.64035%Vsv’ers uit het mbo31.470233%Entree bbl1.13030%Met startkwalificatieMbo niveau 2 bol7.11020%Mbo niveau 3/4 bol41.48010%Mbo niveau 2 bbl6.7708%Mbo niveau 3/4 bbl22.4502%1 Dit zijn jongeren die uit het vso direct uitstromen naar de arbeidsmarkt of dagbesteding. Eendeel van deze jongeren heeft wel een dagbestedingsplek. Dit is niet meegenomen in ditoverzicht.2 De wijze waarop het CBS het aantal vsv’ers berekent wijkt af van de berekeningswijze vanDUO. 2.1.3. Kansen hangen sterk samen met sociaaleconomische positie De kans op duurzaam werk is in het mbo met name laag bij jongerenafkomstig uit de entree en bol niveau 2. Dit zijn veelal jongeren metmeerdere problemen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om psychischeproblemen, schulden, criminaliteit of problemen thuis. Zij komen relatiefvaak uit huishoudens met een laag inkomen. Het percentage studentenmet meerdere problemen is bij bol entree 38% en bij niveau 2 21%, terwijldit bij de vakopleiding (hierna: niveau 3) en de middenkaderopleiding(hierna: niveau 4) ongeveer 10% is.48 Jongeren met multiproblematiekhebben een grotere kans om economisch niet zelfstandig te zijn.49 Bijjongeren met een lage sociaal economische status50 is de kans opwerkloosheid drie keer zo groot dan bij jongeren met een gemiddeldeachtergrond.51 Ook valt op dat jongeren in een eenoudergezin of eengezin met kinderen relatief vaker niet-economisch zelfstandig zijn. Dit zijnvaker vrouwen.5241SEO (2022) De impact van de coronacrisis op de arbeidsmarkt.42CPB (2018) Waarde van een startkwalificatie, p. 30–31.43CBS (2022) Lager opgeleide jongeren hebben minst stabiele loopbanen.44CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.45SEO (2022) Monitor 3 Aanpak Jeugdwerkloosheid.48CBS (2021) Samenhang tussen problemen en de kans op voortijdig schoolverlaten.49CPB (2019) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt in beeld.50Sociaal Economische Status is een indicator die is gebaseerd op de financiële welvaart, hetopleidingsniveau en het recente arbeidsverleden van particuliere huishoudens.51LPBL (2021) Investeren in het mbo, een maatschappelijk belang.52CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 36 Doordat jongeren met lagere opleidingsniveaus relatief vaker een lageresociaaleconomische positie hebben en vaker te maken hebben metmeerdere problemen, is het voor het bevorderen van kansengelijkheidbelangrijk om extra aandacht te hebben voor entree en bol niveau 2studenten.2.2 Sommige jongeren ervaren onvoldoende ondersteuning bij stap vanschool naar werk De meeste jongeren vinden na het behalen van hun diploma een baanpassend bij hun wensen en competenties. Een minderheid lukt het met debestaande ondersteuning niet om passend werk te vinden. Sommigejongeren geven aan dat zij op school onvoldoende worden voorbereid opde overgang naar de arbeidsmarkt. Het ondersteuningsaanbod vangemeenten weten zij niet te vinden.53, 542.2.1. Voorbereiding op school kan beter Jongeren geven in een onderzoek van SEO naar de impact van decoronacrisis op de arbeidsmarkt aan dat zij informatie missen over hetsoort bedrijven en functies waar ze na hun opleiding kunnen werken endat zij meer praktische vaardigheden hadden willen leren, zoals een cvmaken, wat je in een motivatiebrief zet en hoe je je gedraagt in eensollicitatiegesprek. Ook hadden ze hulp kunnen gebruiken bij het leggenvan contacten voor het vinden van een passende baan en, in specifiekesectoren waar veel zelfstandigen werken, informatie over zelfstandigondernemerschap. Jongeren hebben ook behoefte aan «iemand» die methen meekijkt tijdens hun zoektocht naar een baan, die hen wijst op nieuwemogelijkheden en in sommige gevallen ook ondersteunt bij tegenslagen.Jongeren geven aan dat zij het fijn hadden gevonden als een loopbaan-coach hen bijvoorbeeld had gewezen op sectoren waar zij met hunopleiding ook op vacatures zouden kunnen solliciteren en mee zoukunnen denken over mogelijke andere zoekkanalen.552.2.2. Jongeren weten de weg naar hulp niet te vinden Een van de conclusies van het IBO JmAA is dat overheidsbeleid dezelfredzaamheid van jongeren met een risico op een afstand tot dearbeidsmarkt overschat. Bij de groep met beperkte zelfredzaamheid werkthet beleid dat geënt is op de «gemiddelde burger» of de «gemiddeldejongere» niet of niet goed, waardoor het langer dan nodig duurt om dezejongeren richting economische zelfstandigheid te helpen, of waardoor dithelemaal niet gebeurt en de jongere duurzaam economischniet-zelfstandig blijft.56Sommige jongeren zijn terughoudend in het direct contact leggen metwerkgevers of mensen die hen kunnen begeleiden. Een deel van dejongeren is gewend om via whatsapp te communiceren en is terug-houdend met het persoonlijk benaderen van werkgevers of hun netwerk.Ze gebruiken vaak maar een beperkt aantal sollicitatiekanalen.57 Het IBOJmAA laat zien dat niet alle jongeren zelfredzaam zijn en zelfstandig53SEO (2022) De impact van de coronacrisis op de arbeidsmarkt, p. 36/37.54Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.55SEO (2022) De impact van de coronacrisis op de arbeidsmarkt, p. 36/37.56Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.57SEO (2022) De impact van de coronapandemie op de overgang onderwijs-arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 37 stappen zetten op weg naar werk. Zij hebben soms een steuntje in de rugnodig, juist bij belangrijke overgangsmomenten zoals van school naarwerk.Het resultaat van beleid dat niet is afgestemd op de zelfredzaamheid vanjongeren is dat veel jongeren niet weten waar zij hulp kunnen vragen. Hetaanbod van school, gemeente of andere partijen is onvoldoende bekend.Jongeren kunnen hierdoor uit beeld raken, waardoor ze niet de juisteondersteuning krijgen. Dit verergert de problemen (zie hiervoor ookparagraaf 2.3.6).2.2.3. Jongeren worden niet altijd adequaat begeleid Voor zover er wel hulp is, wordt door de begeleider vaak alleen vanuit één«domein» of fase (bijvoorbeeld onderwijs, werk of schuld) gekeken. Eenjongere kan echter ook problemen hebben op andere domeinen of er kansamenhang zitten tussen deze problemen.58 Er ontbreekt met namebegeleiding bij overgangen in het leven van jongeren die kampen metmeerdere problemen. Jongeren kunnen zich juist niet gehoord enbegrepen voelen als begeleiding zich alleen richt op het eigen domein,omdat dit niet aansluit bij de realiteit van de jongere. Begeleiding die vanhet ene naar het andere domein doorloopt of een overdracht van het enenaar het andere domein vindt niet altijd plaats.2.3 Het probleem in beleid en wet- en regelgeving De bestaande wettelijke taken van scholen, het Doorstroompunt engemeenten sluiten niet goed op elkaar aan en zijn onvoldoende gericht ophet voorkomen van knelpunten. De samenwerking tussen deze partijenheeft geen, een beperkte of een onduidelijke wettelijke basis. De matewaarin samenwerking tot stand komt is op dit moment sterk afhankelijkvan de uitvoeringspraktijk in een bepaalde regio. Hierdoor raken sommigejongeren uit beeld. Dit wordt onderstaand stapsgewijs uitgewerkt.2.3.1 Mbo-instellingen richten zich vooral op onderwijs De bestaande mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding59(hierna: LOB) die mbo-instellingen bieden aan alle studenten tijdens deopleiding, zijn voor veel jongeren voldoende om zelfstandig aan het werkte komen. Maar voor sommige jongeren is de stap naar werk ingewik-kelder en is er meer individuele ondersteuning nodig. Binnen de reguliereLOB-taak is hier niet altijd de ruimte en aandacht voor.60 Bovendien biedtde reguliere LOB-taak geen mogelijkheid om jongeren te begeleiden nadiplomering. Mbo-instellingen hebben na diplomering geen wettelijketaak meer. Onderzoeksbureau KBA Nijmegen heeft naar aanleiding van demotie Kwint/Özdil onderzoek gedaan naar pilots bij mbo-instellingen omde overstap naar de arbeidsmarkt te verbeteren.61 KBA zegt hierover:«Voor de meeste jongeren verloopt de overgang naar de arbeidsmarktsuccesvol, maar zeker voor studenten uit de entree en niveau-2-opleidingen treden er ook problemen op. Veel studenten krijgen tijdens deopleiding extra begeleiding en ondersteuning. Dat stopt na de opleiding,maar is feitelijk voor hen ook in de overgang naar werk nog noodza-58Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952, p. 30.59LOB maakt onderdeel uit van elk kwalificatiedossier en daarmee van elke opleiding. Ook inartikel 1.3.5, onder c, WEB wordt voorgeschreven dat mbo-instellingen bij de uitvoering vanhun taak mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie- en begeleiding bieden.60Arbeid Opleidingen Consult B.V. (2023) Rapport monitor LOB 2023, en JOB (2023) Panelonderzoek: mbo-studenten over LOB.61Kamerstukken II, 2017/18, 34 775-VIII, nr. 120.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 38 kelijk».62 De Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) concludeerdein een themaonderzoek uit 2018 dat er nog geen sluitende aanpak is in deovergang van studenten van entree naar de arbeidsmarkt, terwijl dit juistde groep studenten is die het moeilijkst aan een baan komt.63 Zo schrijftzij: «in de voorbereiding op en toeleiding naar de arbeidsmarkt is ruimtevoor verbetering in de samenwerking tussen onderwijs en gemeenten.Lang niet altijd is sprake van een overdracht, laat staan warme overdrachtwaarin gezamenlijk wordt bepaald wat een deelnemer nodig heeft omsuccesvol de stap naar de arbeidsmarkt te zetten.» Ook beschrijft zij dat eronvoldoende bestuurlijk contact is tussen mbo-instellingen en gemeente.Deze conclusies worden bevestigd door onderzoek van de Samenwer-kingsorganisatie Beroepsonderwijs (SBB).642.3.2 Onduidelijkheid in wet- en regelgeving voor pro en vso Een taak van scholen in het pro en vso is het bieden van begeleidingtijdens het onderwijs om jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt.Voor het vso geldt bovendien dat er na afloop van het onderwijs al eenbeperkte wettelijke nazorgplicht bestaat.65 Op initiatief van de leerlingkunnen scholen tot twee jaar na het verlaten van de school adviseren overbijvoorbeeld de werkplek. Er is wat dit betreft geen sprake van een actieverol van de school, nazorg vindt plaats op initiatief van de leerling. Voor hetpro geldt op dit moment nog geen wettelijke nazorgplicht, maar wordtdeze plicht maatschappelijk wel gevoeld.Omdat de nazorgplicht voor vso in de WEC in algemene termen isomschreven, en voor het pro zelfs helemaal geen wettelijke basis heeft, isde opdracht voor de scholen onduidelijk. Daarom gaan scholen zeerverschillend om met nazorg. Er zijn scholen die de nazorg zeer marginaalinvullen met een paar contactmomenten. Er zijn ook scholen die denazorgplicht breder invullen en de jongere intensiever blijven volgen enondersteunen. Dit betekent dat het afhankelijk is van de regio en de schoolwelk type nazorg en ondersteuning een jongere ontvangt na het verlatenvan de school. Dat is lastig voor jongeren, maar zorgt ook voor onduide-lijkheid bij overige instanties. Dit bemoeilijkt mogelijk de overdracht vanschool naar bijvoorbeeld de gemeente, waardoor jongeren mindermakkelijk hun weg vinden en ze mogelijk tussen wal en schip raken.Helderheid over welke instantie welke ondersteuning biedt draagt eraanbij dat scholen geen taken op zich hoeven te nemen die eigenlijk bijandere instanties belegd zijn.2.3.3 Gemeente biedt onvoldoende preventieve en passende onder-steuning Het IBO JmAA concludeert dat het overheidsbeleid de zelfredzaamheidvan jongeren overschat en dat een goede ketenaanpak om jongeren teondersteunen naar werk ontbreekt, waardoor zij uit beeld raken. Eengoede ketenaanpak is nodig, waarbij partijen over de grenzen van heteigen beleidsterrein heen samenwerken vanuit een gezamenlijke visievoor de langere termijn en met oog voor preventie.De regering deelt deze conclusies. Zo is de Participatiewet er niet opingericht dat gemeenten jongeren preventief, samen met de school, alvoorbereiden om hun weg op de arbeidsmarkt te vinden na diplomering.62KBA (2021) Onderzoek pilots soepele overgang naar werk, p.42.63Inspectie van het Onderwijs (2019) Themaonderzoek Entreeopleidingen; Inventariserendonderzoek naar het loopbaanperspectief van de entreestudent.64SBB (2021) Samen werk maken van de arbeidsmarktroute Entree.65Artikel 44 WEC.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 39 De Participatiewet sluit het ondersteunen van jongeren die bekostigdonderwijs (kunnen) volgen namelijk expliciet uit.66 Het volgen vanonderwijs met studiefinanciering wordt als een «voorliggendevoorziening» beschouwd, ook wel «scholingsplicht» genoemd. Uitzon-dering op bovenstaande vormen 16-/17-jarigen voor wie de leerplicht ofkwalificatieplicht nog niet is geëindigd en die naar het oordeel van degemeente baat hebben bij ondersteuning bij een leer-werktraject omuitval uit school te voorkomen.67Ook is in de Participatiewet niets geregeld over samenwerking tussen degemeente en het Doorstroompunt om jongeren te ondersteunen naarwerk die voortijdig zijn uitgevallen uit het onderwijs en vaak geenaanspraak maken op een uitkering. Dit pakt voor jongeren niet altijd goeduit. Als deze jongeren bij de gemeente aankloppen, worden zij op grondvan het beleid met betrekking tot de scholingsplicht nogal eens (terug)ver-wezen naar school. Terugkeer naar school is voor deze jongeren echtervaak geen reële optie. Zij hebben doorgaans al een heel traject achter derug bij het Doorstroompunt en worden ook lang niet altijd toegelaten toteen opleiding.Doordat de Participatiewet primair is gestoeld op het helpen van mensennaar werk bij aanvraag van een uitkering, is ook de financieringssyste-matiek daarop geënt. Er is geen prikkel om niet-uitkeringsgerechtigden teondersteunen, waaronder schoolgaande jongeren en (voortijdig)schoolverlaters. Tegenover een investering in het ondersteunen vanniet-uitkeringsgerechtigden staat geen besparing aan uitgaven aanbijstandsuitkeringen die gemeenten vrij kunnen besteden. De omvang vanhet budget voor re-integratie is er ook niet naar om daar heel anderekeuzes in te maken. Dit resulteert er in dat weinig gemeenten jongerentussen de 23 en 27 zonder startkwalificatie actief benaderen.682.3.4 Doorstroompunt houdt te vroeg op Jongeren van 18 tot 23 jaar zonder startkwalificatie69 komen momenteelin beeld via het Doorstroompunt voor begeleiding naar onderwijs of werk,maar dat geldt niet voor jongeren tussen 23 en 27 jaar zonder startkwalifi-catie. Hiervoor heeft het Doorstroompunt geen wettelijke taak. Inparagraaf 2.1 is uiteengezet dat de positie op de arbeidsmarkt vanjongeren zonder startkwalificatie kwetsbaar is en de kans dat iemand naenige jaren alsnog zijn baan verliest, aanzienlijk is. Het merendeel van dejongeren zonder werk is niet ingeschreven als werkzoekende.70 Hunzelfredzaamheid is vaak beperkt en vanwege regelgeving die niet opelkaar aansluit kunnen zij uit beeld raken. Het Doorstroompunt stoptnamelijk bij 23 jaar en er is vaak geen andere organisatie betrokken bij dejongere. Onder de Participatiewet worden zij tot 27 jaar als jongerebeschouwd, maar niet actief door de gemeente benaderd voor onder-steuning.66Artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.67Dit is niet hetzelfde als een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 WVO 2020. Het begrip«leer-werktraject» heeft in de Participatiewet een eigenstandige betekenis (zie artikel 107 vande Participatiewet).68Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.https://www.regioplan.nl/wp-content/uploads/2023/05/21114-Eindrapport-Praktijkgericht-onderzoek-jeugdwerkloosheid-Regioplan-18april23.pdf69De taken van het Doorstroompunt beginnen na afloop van de leer- en kwalificatieplicht.Kortheidshalve wordt hier van 18 tot 23 jaar gesproken.70CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 310 2.3.5 Samenwerking komt niet altijd van de grond Het aanbod van begeleiding en projecten om jongeren te helpen, is opveel plekken versnipperd. Hierdoor is er geen overzicht bij diverseorganisaties welk aanbod er is voor welke jongeren. Dit leidt tot lacunes ofoverlap, jongeren die niet goed weten waar zij terecht kunnen, aanbod datniet altijd aansluit op de vraag van jongeren en grote verschillen tussengemeenten in de ondersteuningsmogelijkheden, wat lastig uit te leggen isaan jongeren.71 De samenwerking tussen scholen, gemeenten en hetDoorstroompunt komt nog niet overal van de grond. Dit komt ook doordatbij een gebrek aan structurele taken de samenwerking sterk afhankelijk isvan tijdelijke crisismaatregelen zoals in de Aanpak Jeugdwerkloosheid.Scholen en gemeenten gaven in vijf bijeenkomsten in voorbereiding opdit wetsvoorstel aan dat zij behoefte hebben aan een duidelijk wettelijkkader waarbinnen zij samen op moeten trekken, maar waarin ook ruimteis voor maatwerk en de lokale invulling.722.3.6 Problemen verergeren Kwetsbare jongeren merken de effecten van de barrières tussen partijendie zijn beschreven in de paragrafen 2.3.1 tot en met 2.3.5. Sommigegroepen jongeren verdwijnen uit beeld door deze gebrekkige keten-aanpak. Hierdoor ontvangen zij niet de begeleiding die zij nodig hebben.Het gaat hier met name om jongeren met een arbeidsbeperking, jongerendie geen recht hebben op een uitkering en jongeren die hun baanverliezen.73 Veel jongeren wonen dan nog thuis en hebben lage lasten,waardoor ze lange tijd onder de radar kunnen blijven. Problemen kunnenhierdoor verergeren of opstapelen en de afstand tot de arbeidsmarktneemt toe. Op de lange termijn leidt dit tot hogere maatschappelijkekosten.3. Maatschappelijke opgave wetsvoorstel De maatschappelijke opgave van dit wetsvoorstel is dat jongerenvolwaardig meedoen in de maatschappij. Om volwaardig mee te doen inde maatschappij is het belangrijk om duurzaam aan het werk te komen.Onderwijs en het behalen van een startkwalificatie vergroten de kans opduurzaam werk.74, 75 In tijden van arbeidstekorten in sectoren die voorgrote maatschappelijke opgaven staan, is het zaak dat zoveel mogelijkjongeren een opleiding afronden en aan het werk gaan. Ook helpt hethalen van een startkwalificatie en het vinden van een baan bij hetvoorkomen van andere maatschappelijke problemen, zoals criminaliteit,schulden, gezondheids- en psychische problemen. Een startkwalificatieblijft daarom een belangrijk instrument om de kansen voor jongeren tevergroten.Niet alle jongeren kunnen of willen een startkwalificatie halen. Het opdoenvan waardevolle werkervaring en om- en bijscholing kunnen de kansen opde arbeidsmarkt en de maatschappij ook vergroten. Ook jongerenwaarvoor het niet haalbaar is een startkwalificatie te halen, verdienen het71Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.72In januari en februari 2023 hebben de Ministeries van OCW en SZW in 5 bijeenkomstengesproken met ruim 200 professionals van mbo-instellingen, pro- en vso-scholen, gemeentenen Doorstroompunten. Het doel van deze bijeenkomsten was om input op te halen voor ditwetsvoorstel.73Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952, p. 29.74CPB (2018) Waarde van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt.75Onderzoek en Statistiek – gemeente Amsterdam (2023) Zonder startkwalificatie vaker onzekerbestaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 311 dat hun talenten tot hun recht komen en dat zij een zeker bestaanopbouwen. De bedoeling van dit wetsvoorstel is dat jongeren er nietalleen voor staan. Zij krijgen de ondersteuning die zij nodig hebben enverdwijnen niet uit beeld, ook als ze niet direct werk vinden of hun baanverliezen.Met dit wetsvoorstel wil de regering bereiken dat meer jongeren hunpotentieel bereiken waarmee de investeringen die in het onderwijs injongeren zijn gedaan, beter renderen. Hierbij ligt de focus op jongeren uithet pro, vso, entree, bol niveau 2 en voortijdig schoolverlaters. Bij dezegroepen liggen de meeste kansen om kansenongelijkheid aan te pakken.Het wetsvoorstel laat ruimte voor de uitvoerende organisaties om in tespelen op de situatie van de jongere en te doen wat nodig is. De samen-werking tussen deze organisaties is essentieel en wordt met hetwetsvoorstel verder gestimuleerd.4. Maatregelen 4.1 Samenhangend pakket van vier maatregelen Het beste instrument om instanties een taak, financiering en helderekaders over gegevensuitwisseling te geven, is wetgeving. De huidigetaken van scholen, gemeenten en Doorstroompunten zijn in wetgevingvastgelegd, dus dat is ook de plek om deze taken uit te breiden of tewijzigen.Gekozen is voor een combinatie van instrumenten die zowel bij de school,de gemeente als het Doorstroompunt worden belegd. Daarmee wordtaangesloten op bestaande competenties en taken van deze organisatiesen de praktijk in de Aanpak Jeugdwerkloosheid.Deze vier samenhangende maatregelen zijn in het kort:•Pro-scholen, vso-scholen en mbo-instellingen bieden aanvullendeloopbaanbegeleiding;•Doorstroompunten bieden jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaarbegeleiding terug naar school of naar werk;•Gemeenten bieden jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passendeondersteuning;•Partijen werken verplicht samen in een aanvullend regionaal pro-gramma.Dit pakket zorgt voor een sluitende aanpak voor jongeren tot 27 jaarwaarbij veel aandacht is voor de samenwerking en verbinding tussen dezeorganisaties.4.2 Aanvullende loopbaanbegeleiding bij de stap naar werk of vervolgon-derwijs Aanvullend op de bestaande taken die mbo-instellingen hebben om LOBaan hun studenten te bieden, beoogt dit wetsvoorstel dat mbo-studentenmet een (risico op) afstand tot de arbeidsmarkt beter voorbereid wordenop de overgang naar vervolgonderwijs en werk en de ondersteuningkrijgen die zij nodig hebben. Zo komen zij gemakkelijker aan een baan.4.2.1 Aanvullende loopbaanbegeleiding tijdens de mbo-opleiding De reguliere LOB-activiteiten zijn voor de meeste studenten voldoende omzelf aan het werk te komen, maar voor sommige studenten is meer nodig.Met dit wetsvoorstel kunnen mbo-instellingen de studenten die dit nodigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 312 hebben aanvullende loopbaanbegeleiding bieden. De aanvullendeloopbaanbegeleiding bouwt voort op de reguliere LOB-activiteiten in hetmbo, maar richt zich slechts op een specifieke groep jongeren die zonderaanvullende begeleiding moeilijk aan het werk komt. Dit is doelmatigerdan het verzwaren van de reguliere LOB-activiteiten voor alle studenten.Daarbij kan de aanvullende loopbaanbegeleiding in tegenstelling tot dereguliere LOB-activiteiten ook na diplomering voortgezet worden. Hetaanbieden van aanvullende loopbaanbegeleiding is een taak voor dembo-instelling, maar deelname hieraan is geen diploma-eis voor destudent. Deelname door de student is dus ook vrijwillig.Aanvullende loopbaanbegeleiding kan uit een aantal onderdelen bestaan,zoals persoonlijke gesprekken, ondersteuning en een warme overdracht.In persoonlijke gesprekken bekijkt de mbo-instelling met de student wathij nodig heeft voor een succesvolle overstap naar het vervolgonderwijsof de arbeidsmarkt. Hierbij kan onder meer geïnventariseerd worden watde wensen en mogelijkheden zijn, wat de kansen zijn op de arbeidsmarkt,of de jongere ondersteuning nodig heeft in (voorbereiding op) de stapnaar de arbeidsmarkt en wat de school of een andere organisatie hierinkan bieden. Welke ondersteuning de mbo-instellingen bieden, kunnen zijzelf invullen. Uit onderzoek blijkt dat het belangrijk is dat deze onder-steuning inspeelt op de persoonlijke behoefte en situatie van de student.76Elementen die instellingen bijvoorbeeld kunnen inzetten, zijn extraindividuele begeleiding, het trainen van (loopbaan)competenties en hetmeelopen bij bedrijven.77 Met deze activiteiten worden studenten veelintensiever voorbereid en ondersteund in de overstap naar de arbeids-markt dan met de reguliere LOB-activiteiten.In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen om de invulling van deaanvullende loopbaanbegeleiding in lagere regelgeving nader tespecificeren. Gezien het belang dat scholen en jongeren hechten aan hetkunnen terugvallen op de vertrouwde begeleiding bij de school als hetvinden of behouden van werk na verlaten van het onderwijs mindersoepel verloopt, is het wenselijk om de mogelijkheid tot een gesprek alsminimale vereiste in de lagere regelgeving op te nemen. Bij de uitwerkingvan de lagere regelgeving zullen de Ministeries van OCW en SZW ditbespreken met scholen, gemeenten en vertegenwoordigers van leerlingenen studenten.De mbo-instelling kan de gemeente betrekken tijdens de aanvullendeloopbaanbegeleiding. Dit gebeurt dan onder de verantwoordelijkheid vande mbo-instelling. De gemeente kan specifieke expertise inbrengen ofinstrumenten uit de Participatiewet inzetten die de kans op werkvergroten, zie hiervoor paragraaf 4.3.4.2.2 Aanvullende loopbaanbegeleiding na de mbo-opleiding Juist bij jongeren die extra ondersteuning nodig hebben, is een transitie-moment, zoals van school naar werk, een spannend en kwetsbaarmoment. Studenten hebben vaak behoefte aan begeleiding die doorloopten wordt geboden door een bekende contactpersoon. Dit wetsvoorstelregelt dat de ondersteuning van de mbo-instelling ook kan doorlopennadat de student zijn diploma heeft behaald. Hierbij kan worden geleerdvan goede voorbeelden uit de tijdelijke aanpak. Het blijkt effectief te zijn76Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.77Dit gaat onder andere om: KBA (2021) Aan de slag met nazorg, evaluatie pilots soepeleovergang van school naar werk, SBB (2021) samen werk maken van de arbeidsmarktrouteentree, Inspectie van het Onderwijs (2018) Themaonderzoek Entree, KBA (2023) Maatschappe-lijke kosten baten analyse transitieroutes Gelderland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 313 als mbo-instellingen samen met de student werken aan een persoonlijkplan, waar nodig extra trainingen bieden, helpen bij het vinden van eenbaan, schakelen met bedrijven en de gemeente, een warme overdrachtverzorgen en als de jongeren is geplaatst, nog contact houden met dejongere om te monitoren of de plaatsing succesvol is.78De gewenste periode dat een mbo-instelling ondersteuning biedt nadiplomering, zal sterk afhangen van de situatie en behoefte van dejongere. De regering wil deze periode afbakenen, zodat de taak van dembo-instelling niet te ver af komt te staan van de kernopdracht van hetonderwijs en zodat duidelijk blijft bij welke organisatie de jongere terechtkan voor ondersteuning. Daarom is ervoor gekozen om de periodewaarbinnen een mbo-instelling ondersteuning biedt te beperken tot éénjaar na diplomering. De regering verwacht dat de meeste jongeren naafloop van deze periode succesvol aan het werk zijn. Deze periode geeftvoldoende ruimte om ook ondersteuning te bieden aan jongeren die ineerste instantie wel werk vinden, maar dit na een aantal maandenkwijtraken en dan alsnog aankloppen voor ondersteuning bij dembo-instelling. Met een langere duur ontstaat het risico dat de gemeenteniet vroegtijdig of op tijd in de samenwerking betrokken wordt, wat deafstand tot de arbeidsmarkt van de jongere vergroot.Net zoals bij de aanvullende loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding hetgeval is, kan de mbo-instelling de gemeente betrekken bij de aanvullendeloopbaanbegeleiding na diplomering. Ook hier geldt dat dit dan gebeurtonder verantwoordelijkheid van de mbo-instelling. Daarnaast heeft dembo-instelling voor gediplomeerden de mogelijkheid om de gemeente teverzoeken de ondersteuning voort te zetten. Indien de gemeente deondersteuning voortzet, gaat de regie over van de mbo-instelling naar degemeente. Dit is wenselijk als het een jongere ondanks de inspanningenvan de mbo-instelling niet lukt om (duurzaam) werk te vinden, specifiekeexpertise van de gemeente of instrumenten uit de Participatiewet nodigzijn om een jongere duurzaam aan het werk te helpen of een jaar nadiplomering nog ondersteuning nodig is. Na dat jaar houdt de taak van dembo-instelling om aanvullende loopbaanbegeleiding te verzorgen hoedan ook op.Om de ondersteuning voort te kunnen zetten, is het belangrijk dat degemeente op de hoogte is van de ondersteuningsbehoefte van dejongere. Daarom gebruikt de mbo-instelling een overgangsdocumentzodat er een «warme overdracht» plaatsvindt (zie verder paragraaf 4.5.1).De gemeente maakt een eigen afweging op welke wijze invulling wordtgegeven aan de ondersteuning. Dit kan afhangen van de ondersteunings-vraag van de jongere en het aanbod dat de gemeente biedt. Het isbelangrijk dat scholen en gemeenten weten wat ze van elkaar kunnenverwachten. Daarom worden de afspraken hierover wel een verplichtonderdeel van het regionaal programma (zie verder paragraaf 4.5).4.2.3 Doelgroepen aanvullende loopbaanbegeleiding mbo De mbo-instelling moet in ieder geval aanvullende loopbaanbegeleidingaanbieden aan alle studenten en gediplomeerden van de entree en bolniveau 2. Dit is immers de groep die lastig aan het werk komt en onder-steuning kan gebruiken. Een uitzondering hierop vormt logischerwijs degroep gediplomeerden met een aansluitende inschrijving voor eenvervolgopleiding.78KBA (2023) Maatschappelijke kosten en baten analyse Transitieroutes in Gelderland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 314 Met het «aanbod» van aanvullende loopbaanbegeleiding wordt bedoelddat de mbo-instelling de student of gediplomeerde in ieder geval demogelijkheid biedt om ondersteuning te ontvangen. Dit betekent dat dembo-instelling het contact initieert of de mogelijkheid van aanvullendeloopbaanbegeleiding in ieder geval onder de aandacht brengt. Het ligtvoor de hand om dit (in ieder geval) tijdens het laatste studiejaar te doenen daarbij aan te geven dat er ook na diplomering mogelijkheden vooraanvullende loopbaanbegeleiding zijn. Hoe het contact met de student/gediplomeerde plaatsvindt (bijvoorbeeld via email, telefoon, whatsapp,inloopspreekuren of iets vergelijkbaars), is aan de mbo-instelling. Het pastbij de kennis en expertise van de mbo-instellingen om daar zelf eenafweging in te maken. Deelname door de student of gediplomeerde isvrijwillig.Tevens kan de mbo-instelling aanvullende loopbaanbegeleiding biedenaan studenten en gediplomeerden uit de beroepsbegeleidende leerweg(hierna: bbl) niveau 2 en studenten in niveau 3 en 4. Ongeveer 90% van dedeze studenten lukt het om zelfstandig aan het werk te komen. Het isdaarom niet nodig dat mbo-instellingen aan al deze studenten aanvul-lende loopbaanbegeleiding bieden, zoals bij entree en bol niveau 2.Als jongeren na het volgen van een opleiding bbl niveau 2 of eenopleiding niveau 3 of 4 niet aan het werk komen, heeft dit vaak te makenmet een combinatie van diverse oorzaken, zoals het hebben van eenhandicap of chronische ziekte, taalproblemen of het vertonen van bepaald(onwenselijk) gedrag. Soms kan het ook liggen aan de situatie op dearbeidsmarkt in bepaalde sectoren, of kunnen jongeren te maken krijgenmet discriminatie of uitsluiting. Ook de situatie in het huishouden kaninvloed hebben. Zo zijn jongeren met een kind, en met name jongevrouwen, minder vaak economisch zelfstandig.79 De noodzaak totondersteuning kan per mbo-instelling ook verschillen al naar gelang desamenstelling van de studentenpopulatie, de kenmerken van de regionalearbeidsmarkt, de economische situatie en de voorkeuren van de instelling.Het is daarom niet mogelijk om op landelijk niveau vast te stellen welkegroepen studenten binnen genoemde opleidingen aanvullende onder-steuning nodig hebben.Daarom wordt in dit wetsvoorstel vastgelegd dat een mbo-instellingbeleid opstelt met betrekking tot het aanbod van aanvullende loopbaanbe-geleiding voor studenten en gediplomeerden uit opleidingen bbl niveau 2en niveau 3 en 4. In het beleid wordt in elk geval beschreven wat devoorwaarden zijn voor een student om in aanmerking te komen vooraanvullende loopbaanbegeleiding. In het beleid kan de mbo-instellingbijvoorbeeld ook vastleggen hoe het proces eruitziet om te komen tot eengoede signalering en selectie van de jongeren die extra ondersteuningnaar de arbeidsmarkt nodig hebben en welk ondersteuningsaanbodbeschikbaar is. Het beleid wordt vastgesteld op instellingsniveau, maardaarbinnen kan gedifferentieerd worden op basis van verschillen tussenopleidingen, onderwijsniveau, leerweg of anderszins. Het beleid van dembo-instelling wordt opgenomen in het studentenstatuut. Hieruit volgtinstemmingsrecht van de studentenraad van de instelling.80 Verder dienthet beleid in overeenstemming te zijn met de afspraken uit het regionaalprogramma.De aanvullende loopbaanbegeleiding is niet gericht op studenten dievoortijdig met hun opleiding zijn gestopt. Het is meestal onwenselijk datjongeren ongediplomeerd uitstromen naar werk. Jongeren die voortijdig79CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.80Artikel 8a.2.2, derde lid, onder b, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 315 uitstromen, worden door Leerplicht of het Doorstroompunt begeleid.Indien terugkeer naar het onderwijs niet passend is, begeleidt hetDoorstroompunt deze jongeren naar werk. Ook kan het Doorstroompuntde gemeente vragen om de ondersteuning voort te zetten.4.2.4 Aanvullende loopbaanbegeleiding voor pro en vso Zoals beschreven in paragraaf 2.3.6 worden er in het pro en vso diversevormen van nazorg geboden, mede omdat de opdracht niet (eenduidig) isgeformuleerd. Hierdoor hangt het van de school of regio af welk type enhoe lang een jongere ondersteuning ontvangt na het verlaten van deschool.In dit wetsvoorstel wordt ervoor gekozen om pro- en vso-scholen ook detaak te geven om de leerling in het eerste jaar na het verlaten van deschool actief aanvullende loopbaanbegeleiding aan te bieden. Ook in hettweede jaar na het verlaten van de school kan de leerling nog bij deschool terecht voor advies. Voor het pro betekent dit een geheel nieuwewettelijke taak. Het vso kent voor alle uitstroomprofielen al een nazorg-plicht die duurt tot twee jaar na het verlaten van de school.81 De aanvul-lende loopbaanbegeleiding in het eerste jaar komt hiervoor in de plaatswaar het gaat om leerlingen met het arbeidsmarktgerichte uitstroom-profiel (zie paragraaf 4.2.5). Het verschil tussen de taak van de school inhet eerste en tweede jaar zal hierna worden toegelicht. Of de leerling bijhet verlaten van de pro- of vso-school een diploma heeft gehaald, isdaarbij niet relevant. Het is namelijk niet voor alle leerlingen haalbaar omeen diploma te halen. De leerlingen die geen diploma halen, ontvangeneen schoolverklaring.82Naar aanleiding van een commissiedebat over praktijkonderwijs is opverzoek van de Tweede Kamer nader onderzocht wat er nodig is voor pro-en vso-leerlingen in het tweede jaar na uitstroom van de school. Inopdracht van OCW en SZW heeft onderzoeksbureau De Beleidsonder-zoekers een verkenning uitgevoerd.83 Op basis daarvan is ervoor gekozenscholen een taak tot twee jaar na het verlaten van de school te geven,maar het eerste jaar na het verlaten van de school anders in te vullen danhet tweede jaar na het verlaten van de school.De invulling van de aanvullende loopbaanbegeleiding in het eerste jaar nahet verlaten van de school is hetzelfde als bij mbo. De school biedt deaanvullende loopbaanbegeleiding actief aan de leerlingen aan. Deargumenten hiervoor zijn hetzelfde als voor het mbo, zoals uitgewerkt inparagraaf 4.2.2. De aanvullende loopbaanbegeleiding is deels uitgebreiderdan de huidige nazorg, waardoor de bestendiging op de arbeidsmarktsteviger zal zijn. De verwachting is dat de bestaande aanpak van pro- envso-scholen hiervoor niet grootschalig hoeft te wijzigen. Tegelijkertijdbiedt het wettelijk vastleggen van de verplichting tot het bieden vanaanvullende loopbaanbegeleiding zowel voor pro als vso duidelijke takenvoor de scholen en andere partijen alsmede heldere verwachtingen dieeen jongere mag hebben ten aanzien van de school. Het beleid van deschool met betrekking tot de aanvullende loopbaanbegeleiding moetworden vastgelegd in de schoolgids.81Op basis van het huidige artikel 44 WEC.82Artikel 2.58 en 2.59, tweede lid, WVO 2020 voor pro en artikel 14d en 14g WEC voor vso.83De Beleidsonderzoekers (2024), notitie aanvullende loopbaanbegeleiding wordt gepubliceerdbij de voorbereidende documenten op de Wetgevingskalender (https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK013026).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 316 In het tweede jaar na het verlaten van de school adviseert de school alleennog op verzoek van de leerling over de overstap naar de arbeidsmarkt. Ditgaat dus om een reactieve rol van de school. Het Doorstroompunt heeftnamelijk de wettelijke taak om een vangnet voor deze jongeren te vormendoor hen na uitstroom in beeld te houden en, als zij onverhoopt hun baanverliezen, actief ondersteuning aan te bieden (zie paragraaf 4.4). Pro- envso-scholen hebben echter vaak een goede band met hun (oud-)leerlingenen sommige leerlingen nemen bij tegenslag weer contact op met devertrouwde begeleider van de oude school. Het is daarom belangrijk datde pro- of vso- school op verzoek van de jongere ook in het tweede jaar nahet verlaten van de school advies geeft als dat nodig is. In veel gevallen isdan ook op langere termijn ondersteuning nodig om ervoor te zorgen datjongeren duurzaam aan het werk blijven. Dus waar de school het eerstejaar de jongeren zowel adviseert als ondersteunt, staat de taak in hettweede jaar vooral in het teken van het verzorgen van een warmeoverdracht naar een andere organisatie die de ondersteuning voort kanzetten. De gemeente is hiervoor in de meeste gevallen de aangewezenpartij en beschikt op grond van de Participatiewet over de benodigdeinstrumenten. Daarom is het belangrijk dat de school de gemeentebetrekt, bij voorkeur al voor het verlaten van de school door de jongere,en zorgt voor een warme overdracht. Zo zullen meer jongeren zich ook alin het tweede jaar tot de gemeente richten, en is de ondersteuning ook inde periode daarna beschikbaar.Kortom: pro-scholen doen leerlingen een actief aanbod voor aanvullendeloopbaanbegeleiding in het eerste jaar en hebben een reactieve taak in hettweede jaar na het verlaten van de school. Voor vso-scholen geldthetzelfde voor leerlingen met het uitstroomprofiel arbeidsmarkt. De reedsbestaande nazorgplicht in het tweede jaar blijft hiermee voor hen in stand.Voor alle andere leerlingen op het vso blijft de reeds bestaande nazorg-plicht eveneens in stand tot twee jaar na het verlaten van de school.Het is de verwachting dat een klein aantal jongeren in het tweede jaar ombegeleiding zal vragen. Voor het pro en vso is gemiddeld 5 uur perjongere beschikbaar voor de ondersteuning na het verlaten van de school.De intensiteit van de begeleiding komt neer op maatwerk en verschilt perjongere sterk, waardoor dit moeilijk vast te leggen is op een vaststaandaantal uur.84 Daarom zal dit in de evaluatie van het wetsvoorstelgemonitord worden.Met het gelijktrekken van de vorm van de aanvullende loopbaanbege-leiding in het eerste jaar voor pro, vso en mbo ontstaat een integraleaanpak waarbij (oud-)leerlingen en studenten, ouders, scholen enbetrokken partners weten wat ze kunnen verwachten. Zo ontstaat er ookmeer gelijkheid voor leerlingen en studenten. Waar voor pro en vso in hettweede jaar de school de leerling kan adviseren op verzoek van deleerling, wordt dit voor het mbo niet nodig geacht. Gemiddeld hebben proen vso-leerlingen veel langer onderwijs gevolgd op de betreffende schooldan een student op het mbo. Zij hebben hierdoor een hechtere band metde voormalige school. Ook speelt mee dat bij mbo-instellingen deaanvullende loopbaanbegeleiding een nieuwe taak is en dat daarmee deuitgangspositie heel anders is. De wettelijke taak is in het mbo daarombeperkt tot het uitvoeren van de aanvullende loopbaanbegeleiding tot eenjaar na diplomering.84De Beleidsonderzoekers (2024), notitie aanvullende loopbaanbegeleidingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 317 4.2.5 Doelgroepen aanvullende loopbaanbegeleiding pro en vso Pro-scholen bereiden leerlingen voor op functies binnen de regionalearbeidsmarkt op een niveau onder dat van de entreeopleiding.85 Daaromis de aanvullende loopbaanbegeleiding voor hen gericht op de overstapnaar de arbeidsmarkt. In de praktijk maken veel leerlingen ook de overstapnaar het mbo. Eenmaal ingeschreven bij de mbo-instelling, neemt dembo-instelling de begeleiding van de leerlingen over. De aanspraak opaanvullende loopbaanbegeleiding geldt om die reden voor allepro-leerlingen, tenzij er een aansluitende inschrijving voor vervolgon-derwijs is. Zo wordt voorkomen dat de pro-school en de mbo-instellingdubbel werk doen.Vso-scholen bereiden hun leerlingen voor op de overstap naar vervolgon-derwijs, arbeidsmarkt of dagbesteding. Hiertoe kent het vso drieuitstroomprofielen. Het bieden van aanvullende loopbaanbegeleidinggeldt alleen voor leerlingen met het arbeidsmarktgerichte uitstroom-profiel, waarbij de aanvullende loopbaanbegeleiding daarom gericht is opde overstap naar de arbeidsmarkt. Voor zover het in de praktijk tochvoorkomt dat een leerling met dit uitstroomprofiel de overstap naar eenmbo-instelling maakt, is ook hier geregeld dat de school geen aanvullendeloopbaanbegeleiding biedt aan leerlingen met een aansluitendeinschrijving voor vervolgonderwijs.Leerlingen in het vso met uitstroomprofiel vervolgonderwijs worden instaat geacht om door te stromen naar het vervolgonderwijs. Eenmaalingeschreven bij de mbo-, hbo- of wo-instelling, neemt die instelling debegeleiding van de leerlingen over. Aanvullende loopbaanbegeleiding bijde overgang van school naar de arbeidsmarkt is daarom niet gericht opdeze leerlingen. Mocht het onverhoopt niet lukken om door te stromennaar vervolgonderwijs, kan het Doorstroompunt ondersteuning biedenvoor een passend alternatief. De aanspraak op aanvullende loopbaanbe-geleiding geldt ook niet voor leerlingen in het vso met het uitstroom-profiel dagbesteding. Voor hen geldt namelijk dat zij dagbesteding kunnenontvangen op basis van de Jeugdwet, de Wet Maatschappelijke Opvang(WMO) of de Wet Langdurige Zorg (WLZ). Voor leerlingen in deze tweeuitstroomprofielen blijft de reeds geldende nazorgplicht wel bestaan – ookals zij een aansluitende inschrijving voor vervolgonderwijs hebben. Dithoudt in dat de vso-school hen wel op verzoek moet adviseren.De daadwerkelijke overstap naar de arbeidsmarkt kan alleen plaatsvindenals de leerling niet meer onder de Leerplichtwet 1969 valt. Immers, voorleerlingen die nog leer- of kwalificatieplichtig zijn, geldt dat zij verplichtmoeten zijn ingeschreven bij een school en deze ook regelmatig moetenbezoeken. Voor pro-leerlingen en vso-leerlingen met de uitstroompro-fielen arbeidsmarkt en dagbesteding geldt dat de kwalificatieplicht vervaltbij het verlaten van de school.86 Het Doorstroompunt heeft de wettelijketaak om deze jongeren te volgen en indien nodig begeleiding te bieden.Dit gebeurt in afstemming met de (oude) school, zie paragraaf 4.4.1.4.2.6 Geen aanvullende loopbaanbegeleiding overig vo, hbo, wo enniet-bekostigd onderwijs Hoewel sommige studenten in het hbo en wo ook behoefte kunnenhebben aan begeleiding, kiest de regering er nu niet voor om ook voor hethbo en wo aanvullende loopbaanbegeleiding een wettelijke taak temaken. Zij hebben namelijk een relatief hoge kans op werk. Een wettelijke85Artikel 2.8, tweede lid, WVO 2020.86Artikel 4a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 318 plicht tot het bieden van aanvullende loopbaanbegeleiding voor hbo enwo-instellingen is daarom niet proportioneel. Voor individuele studentenkan de gemeente wel begeleiding bieden, ook al tijdens het onderwijs. Ditis ter beoordeling aan de gemeente (zie paragraaf 4.3).Ook krijgen de overige vo-schoolsoorten, dus de schoolsoorten naast hetpro, geen taak om jongeren naar werk te begeleiden, omdat de meestejongeren gedurende de inschrijving nog leer- of kwalificatieplichtig zijn enhet na diplomering wenselijk is dat zij doorstromen naar vervolgon-derwijs. Hetzelfde geldt voor internationale schakelklassen (ISK’s). Dedoorstroom van v(s)o naar het mbo is weliswaar een belangrijkaandachtspunt, bijvoorbeeld in het actieplan vsv87, maar gaat niet overdoorstroom naar werk en valt daarmee buiten de reikwijdte van ditwetsvoorstel.Tot slot geldt de taak voor het bieden van aanvullende loopbaanbege-leiding niet voor het niet-bekostigd beroepsonderwijs, omdat de aanvul-lende loopbaanbegeleiding geen eisen bevat met betrekking tot deonderwijskwaliteit.4.2.7 Alternatieve instrumenten aanvullende loopbaanbegeleiding Als alternatief voor aanvullende loopbaanbegeleiding door de school isverkend of de gemeente deze loopbaanbegeleiding uit kan voeren. Dedoorslaggevende reden om aanvullende loopbaanbegeleiding tebeleggen bij de school is de bestaande band tussen de school en dejongere en het voorkomen van een overdracht in een kwetsbare transitie-periode. Voor de doelgroep waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft, iseen vertrouwd gezicht tijdens de transitiefase van school naar werk vangroot belang. Ook is de school beter in staat in te schatten welke leerlingof student aanvullende loopbaanbegeleiding nodig heeft en deze af testemmen op zijn behoefte. Veel pro- en vso-scholen hebben al jarengoede ervaringen opgedaan met het bieden van nazorg. Mbo-instellingendoen dit nu enkele jaren op basis van tijdelijke subsidieregelingen.88 Zijwillen deze taak graag structureel ter hand nemen.4.3 Ondersteuning door de gemeente terug naar school, naar werk of eencombinatie van beide In paragraaf 2.3.3 is toegelicht dat de huidige wet- en regelgevingonvoldoende basis biedt voor een ketenaanpak, waarbij gemeenten insamenwerking met scholen en Doorstroompunten jongeren kunnenondersteunen naar onderwijs of werk. Daarom wordt een aantalvoorstellen gedaan in aanvulling op de bestaande mogelijkheid in deParticipatiewet voor gemeenten om jongeren tot 27 jaar te ondersteunenbij arbeidsinschakeling.89 Deze worden hieronder toegelicht in deparagrafen 4.3.1 tot en met 4.3.5. De voorstellen hebben onder andere tendoel om de samenwerking tussen de gemeente, het Doorstroompunt ende scholen te verbeteren. Voor het ondersteunen van jongeren krijgengemeenten extra financiële middelen. Dit is verder uitgewerkt inparagraaf 12.87Kamerstukken II 2022/23, 26 695, nr. 143.88De Subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021/2022 en de Subsidieregelingnazorg mbo 2022/2025.89Dit volgt uit artikel 7, eerste en derde lid, van de Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 319 4.3.1 Passende afweging per jongere: naar onderwijs of werk Momenteel kan de gemeente jongeren alleen ondersteunen als het nietmogelijk is om door het Ministerie van OCW bekostigd onderwijs tevolgen, hetgeen een voorliggende voorziening is.90 Het gaat daarbij ominitieel voltijdsonderwijs, zoals een bol- of een bbl-opleiding. Voorgesteldwordt om in de Participatiewet ook de mogelijkheid op te nemen voorgemeenten om jongeren te ondersteunen indien het volgen van door hetMinisterie van OCW bekostigd onderwijs niet passend is wegens depersoonlijke situatie van een jongere. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijnals een jongere al een startkwalificatie heeft of niet gemotiveerd is om eenopleiding te volgen. Gemeenten krijgen dus extra ruimte om per jongereeen passende afweging te maken of onderwijs al dan niet een optie is.Om voor jongeren zonder startkwalificatie een goede afweging te kunnenmaken of onderwijs of werk de beste optie is, krijgt de gemeente demogelijkheid gebruik te maken van de expertise van het Doorstroompunt(bijvoorbeeld door de intake samen te doen). Indien daaruit blijkt dat dejongere onderwijs wil of kan volgen, heeft de gemeente ook demogelijkheid om de begeleiding door het Doorstroompunt te latenvoortzetten. De situatie dat een jongere zonder startkwalificatieterechtkomt bij de gemeente zonder verwijzing door het Doorstroompuntkan zich voordoen als een jongere werkloos wordt, er geen of slechts vooreen korte periode recht is op een werkloosheidsuitkering en door dejongere een beroep wordt gedaan op ondersteuning naar nieuw werkdoor de gemeente. Zoals beschreven in paragraaf 4.4.1 krijgt hetDoorstroompunt op haar beurt ook de mogelijkheid om jongeren zonderstartkwalificatie door te geleiden naar de gemeente als onderwijs geenoptie is en ondersteuning van de gemeente nodig is voor het verkrijgenvan werk.4.3.2 Ondersteuning door gemeente tijdens schooltijd Daarnaast wordt voorgesteld om in de Participatiewet te regelen dat degemeente ondersteuning kan bieden tijdens schooltijd op verzoek van deschool. Zolang de jongere is ingeschreven op een school, blijft de schoolde regie houden. Het gaat dan om scholen uit het pro, vso en mbo.Scholen en gemeenten kunnen op deze manier langere tijd samenoptrekken en zo jongeren op maat naar werk begeleiden.Gemeenten kunnen in afstemming met de school bepalen wat voor soortondersteuning gericht op arbeidsinschakeling aan schoolgaande jongerenwordt geboden. Zo kan de klantmanager van de gemeente samen met dejongere en eventueel de ouders en/of de begeleider vanuit de school ingesprek gaan over de wensen en mogelijkheden van de jongere, of diepassen bij de beschikbare banen op de arbeidsmarkt en welke onder-steuning de gemeente kan bieden om de jongere te matchen op een baan.Denk aan een (groeps)training, een loonkostensubsidie of begeleiding opde werkvloer. Uit onderzoek blijkt dat persoonlijke begeleiding en het ingesprek gaan met de jongere een succesfactor is.91 Het zet de (ondersteu-ningsbehoefte van de) jongere centraal, zodat maatwerk geboden kanworden. Het helpt om de jongere eigenaar te maken van het proces vanarbeidsinschakeling. En persoonlijke aandacht, begrip en empathiewerken motiverend.90Artikel 5, aanhef en onderdeel e, van de Participatiewet.91Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in kwetsbare positie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 320 Naast persoonlijke begeleiding door de klantmanager kan de gemeente erin afstemming met de school ook voor kiezen om andere vormen vanondersteuning te bieden aan schoolgaande jongeren, zolang die bijdragenaan latere arbeidsinschakeling. Denk hierbij aan hulp bij het vinden vaneen stage of bbl-leerbaan door inschakeling van het netwerk van deregionale werkgeversservicepunten, het kunnen behouden van een stageof bbl-leerbaan door inzet van extra begeleiding of het omzetten van eenstage of bbl-leerbaan in een baan of volgende leerbaan en het maken vanafspraken daarover met de werkgever.Ondanks dat de arbeidsmarktkansen van jongeren uit het hbo of wo in zijnalgemeenheid goed zijn, kunnen ook zij ondersteuning nodig hebben vande gemeente om aan het werk te komen. Dan gaat het vooral om jongerenmet een handicap of chronische ziekte. Daarom wordt verder voorgestelddat gemeenten in de Participatiewet ook de mogelijkheid krijgen omstudenten uit het hbo of wo te begeleiden. Omdat hbo- en wo-instellingenmet dit wetsvoorstel geen taak krijgen om aanvullende loopbaanbege-leiding te bieden (zie paragraaf 4.2.6), zal dit veelal op verzoek van destudent zelf gebeuren.Door vroegtijdig contact met school of het Doorstroompunt kan degemeente ook beter in kaart brengen of er belemmeringen zijn opmeerdere leefgebieden. Denk aan psychische problematiek, gebrek aanwoonruimte of problemen in de thuissituatie. Dat vraagt namelijk om eenandere werkwijze. Voor jongeren met meervoudige (complexe) proble-matiek is een gelijktijdige aanpak gericht op alle leefgebieden zeereffectief. Met een integrale aanpak stromen jongeren meer, sneller enduurzamer uit naar werk.924.3.3 Ondersteuning door gemeente na diplomering De school kan de gemeente verzoeken de ondersteuning voort te zettenna diplomering of het verlaten van de school. In het geval de gemeente deregie na toestemming van de jongere overneemt, verstrekt de school aande gemeente een overgangsdocument, zie paragraaf 4.5.1.4.3.4 Leer-werktrajecten blijven mogelijk voor een duurzame plek op dearbeidsmarkt Voor jongeren tot 27 jaar zonder startkwalificatie voor wie het volgen vanuit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is, is hetwenselijk dat de gemeente kijkt of verdere bij- of omscholing tijdens hetwerk – een leer-werktraject genoemd93 – mogelijk is om voor hen eenmeer duurzame plek op de arbeidsmarkt te realiseren. Dat is en blijftmogelijk op grond van de Participatiewet.94 Een vorm van eenleer-werktraject die door het Ministerie van SZW wordt ondersteund95, ispraktijkleren in het mbo, waarbij werken wordt gecombineerd met hetdoen van een deel van een mbo-opleiding in de derde leerweg resul-terend in een mbo-certificaat of praktijkverklaring. Het voordeel vanpraktijkleren in het mbo is dat het gaat om door OCW erkend onderwijswaarvan de kwaliteit is gewaarborgd. Ook zijn de verkregen documentenherkenbaar voor zowel scholen als bedrijfsleven, wat niet alleen dooront-92LPBL (2023) Meta analyse investeren in kwetsbare jongeren.93Dit is niet hetzelfde als een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 WVO 2020. Het begrip«leer-werktraject» heeft in de Participatiewet een eigenstandige betekenis (en kan dus onderandere betrekking hebben op de derde leerweg in het mbo).94Artikel 10f van de Participatiewet (met het wetsvoorstel te verplaatsen naar het nieuweartikel 7a, derde lid, van de Participatiewet).95Onder andere met de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg en de ontwikkeling enimplementatie van sectorale ontwikkelpaden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 321 wikkeling maar ook overstappen naar een andere werkgever of sectormakkelijker maakt. Om te bepalen of bij- of omscholing via eenleer-werktraject mogelijk is, kan de gemeente ook scholingsadviesinwinnen, bij bijvoorbeeld de school, het Doorstroompunt of het regionaleleerwerkloket. Is een leer-werktraject geen optie, dan kan de gemeente opandere wijze invulling geven aan ondersteuning bij arbeidsinschakeling.4.3.5 Beleid gemeente in verordening Ter uitwerking van de hierboven genoemde bevoegdheden wordtvoorgesteld om in de Participatiewet de taak op te nemen voorgemeenten om een verordening te maken met het beleid voor deondersteuning van jongeren.96 Nu geldt de verordeningsplicht al voor hetbeleid voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden vanvoorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.4.3.6 Coördinerende rol centrumgemeente De centrumgemeente is betrokken bij de totstandkoming en uitvoeringvan het regionaal programma (zie paragraaf 4.5.2), het hiervoorbenodigde regionaal bestuurlijk overleg en de op te stellen effectrap-portage. De centrumgemeente stemt de wijze waarop uitvoering wordtgegeven aan de ondersteuning van jongeren op grond van de Participa-tiewet af op de inhoud van het regionaal programma en zorgt voorafstemming met de andere partners in de arbeidsmarktregio over dedienstverlening die daar geboden kan worden voor jongeren.4.4 Jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaar in beeld Het huidige Doorstroompunt is voor jongeren die niet meer leer- ofkwalificatieplichtig97 zijn, nog geen startkwalificatie hebben gehaald enniet ouder zijn dan 23 jaar. Met dit wetsvoorstel wordt de leeftijdsgrensverruimd naar 27 jaar. Hierdoor blijven deze jongeren langer in beeld enworden zij benaderd als zij zonder startkwalificatie het onderwijs verlatenof als zij hun werk verliezen en geen aanspraak (meer) maken op eenuitkering. Het Doorstroompunt is bedoeld als vangnet. Met de leeftijds-grens van 27 jaar wordt aangesloten bij de Participatiewet en de gemeen-telijke praktijk (zoals jongerenloketten tot 27 jaar). Met deze maatregelwordt ook aangesloten bij de aanbeveling uit het IBO JmAA om eensluitende aanpak te creëren tot 27 jaar.98 Daarnaast wordt een aantalkleinere verbeteringen en verduidelijkingen in de wetgeving metbetrekking tot het Doorstroompunt aangebracht. Deze worden toegelichtin paragraaf 4.4.1 en 4.4.2 alsmede het artikelsgewijs deel van dezememorie van toelichting.Het Doorstroompunt krijgt geen taak voor jongeren met een startkwalifi-catie. Door de aanvullende loopbaanbegeleiding door scholen, de rol vande gemeente in de begeleiding naar werk en de verbreding van dereikwijdte van het regionaal programma worden jongeren met startkwali-ficatie met dit wetsvoorstel al ondersteund. Het actief monitoren vanjongeren met een startkwalificatie wordt op dit moment niet beschouwdals een proportionele maatregel.96Dit wordt toegevoegd aan artikel 8a, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.97De kwalificatieplicht stopt zodra een jongere een startkwalificatie heeft gehaald of 18 jaarwordt. Voor jongeren uit het pro en vso met het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of hetuitstroomprofiel dagbesteding geldt dat zij niet langer kwalificatieplichtig zijn zodra zij deschool verlaten. Zij kunnen dus ook 16 of 17 zijn als de kwalificatieplicht is afgelopen.98Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 322 4.4.1 Het verduidelijken van de taak van het Doorstroompunt In de huidige wet staat dat het Doorstroompunt zorgdraagt voor deregistratie van gegevens van voortijdig schoolverlaters en «jongeren ineen kwetsbare positie»99 en zorgt voor een systeem van doorverwijzingnaar onderwijs of arbeidsmarkt. Deze formulering is vaag en sluit niet aanbij de werkelijke werkzaamheden van het Doorstroompunt. «Doorver-wijzing» suggereert bijvoorbeeld dat het Doorstroompunt zelf geenbegeleiding kan bieden en alleen een loketfunctie heeft. Om jongerendoor te kunnen verwijzen naar onderwijs of arbeidsmarkt, moet echtereerst contact worden gelegd met de jongere zelf en samen met de jongereworden bekeken wat zijn behoefte is. Pas als dit helder is en de jongereopen staat voor een vervolg, kan sprake zijn van een eventuele doorver-wijzing naar een andere instantie die de begeleiding op zich neemt. Somsis een overdracht niet nodig of wenselijk, omdat de doorstroomcoach zelfeen jongere op weg kan helpen. Het beperken van het aantal overdrachts-momenten is namelijk één van de succesfactoren voor effectievebegeleiding.100In dit wetsvoorstel wordt daarom geëxpliciteerd dat het Doorstroompuntook ondersteuning biedt en niet alleen jongeren doorverwijst. Onderondersteuning wordt ook het in contact komen met jongeren verstaan,waarbij geïnventariseerd wordt wat de situatie en behoefte van de jongereis.De regering heeft de voorkeur dat deze jongeren waar mogelijk terug-keren naar het onderwijs om alsnog hun startkwalificatie te behalen. Ditvergroot namelijk hun kansen op duurzaam werk. Voor sommige jongerenis dit echter niet mogelijk of passend, zoals bij bepaalde jongerenafkomstig uit pro, vso of entree. En sommige jongeren willen niet meerterug naar het onderwijs. Dan kan het Doorstroompunt ondersteuningbieden naar werk. Bij ondersteuning naar werk is de verwachting dat hetDoorstroompunt eenzelfde rol oppakt als scholen in de aanvullendeloopbaanbegeleiding. De mogelijkheid om de gemeente in te schakelendoor het Doorstroompunt wordt daarom expliciet toegevoegd in de WEB.Verder is in dit wetsvoorstel de rol van het Doorstroompunt voor jongerenmet een diploma of schoolverklaring uit het pro of vso of een entreedi-ploma nader uitgewerkt. Deze jongeren hebben nog geen startkwalificatieen vallen dus onder de doelgroep van het Doorstroompunt. Echter, metdit wetsvoorstel gaat de school deze jongeren aanvullende loopbaanbege-leiding bieden. Om te voorkomen dat het Doorstroompunt ondersteuningaanbiedt terwijl de school nog aanvullende loopbaanbegeleiding biedt,moet het Doorstroompunt eerst afstemmen met de oude school voordatzij met de jongere aan de slag gaat. Voor het pro en vso geldt dit voor deeerste twee jaar na het verlaten van de school, voor het mbo een jaar.Ondersteuning door het Doorstroompunt zal in veel gevallen niet nodigblijken, vooral als wordt gekozen voor een overstap naar werk. De schoolheeft namelijk de mogelijkheid de gemeente te betrekken bij de aanvul-lende loopbaanbegeleiding en kan de gemeente ook verzoeken deondersteuning voort te zetten (zie ook paragraaf 4.3). De gemeente is hetbeste toegerust om deze jongeren naar werk te begeleiden. De taak dievoor het Doorstroompunt resteert voor deze jongeren, is het zijn van eenvangnet: het signaleert als jongeren hun baan verliezen of minderinkomen hebben, probeert in contact te komen en biedt begeleiding aan.Daarnaast blijft het Doorstroompunt als eerste aan zet bij jongeren die99Jongeren in een kwetsbare positie zijn de jongeren als bedoeld in artikel 8.3.1, tweede lid, insamenhang met artikel 8.3.2, eerste lid, vierde volzin, WEB.100Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 323 hun opleiding niet afronden, bijvoorbeeld als een jongere uitstroomtvoordat hij zijn entreediploma haalt. Het is wenselijk dat scholen,gemeenten en Doorstroompunten afspraken maken hoe dit in de praktijkhandzaam in te richten. Dit kan vormgegeven worden in het regionaalprogramma.4.4.2 Het verduidelijken van de taak van het Doorstroompunt voor«jongeren in een kwetsbare positie» Naast begeleiding van voortijdig schoolverlaters, heeft hetDoorstroompunt sinds 2019 de taak om jongeren in een kwetsbare positiete volgen.101 Jongeren in een kwetsbare positie zijn jongeren met eenentreediploma, een schooldiploma vso in het uitstroomprofiel dagbe-steding of arbeidsmarkt of een schooldiploma pro, werkzaam op grondvan een arbeidsovereenkomst.102 Deze taak is echter niet duidelijk voorDoorstroompunten.103 De wijze waarop de taken uitgevoerd worden,verschilt dan ook sterk per Doorstroompuntregio. Dit komt doordat detaak voor jongeren in een kwetsbare positie in de wet niet helderomschreven is: het alleen volgen van jongeren in een kwetsbare positieheeft weinig meerwaarde en is in het kader van privacy ook onwenselijkals er vervolgens geen actie wordt ondernomen. Veel regio’s zoeken actiefcontact en ondersteunen ook deze jongeren, blijkt uit onderzoek vanRegioplan.104 In de praktijk zijn de activiteiten die in een Doorstroompunt-regio uitgevoerd worden voor voortijdig schoolverlaters en jongeren ineen kwetsbare positie veelal vergelijkbaar.Ook is er onduidelijkheid over de afbakening van de groep jongeren ineen kwetsbare positie. Deze groep is niet alleen vastgelegd in de WEB,maar ook in de WEC en de WVO 2020. De bepalingen in deze wettenwaarmee de groep wordt afgebakend verschillen echter van elkaar.105Daar komt bij dat er een discrepantie bestaat in de doelgroep ingenoemde wetten enerzijds en de Regeling regionale aanpak voortijdigschoolverlaten 2020–2024 anderzijds.106Om een einde te maken aan de onduidelijkheid en de wet aan te latensluiten op de praktijk, gaat de specifieke doelgroep jongeren in eenkwetsbare positie op in de bredere doelgroep van het Doorstroompuntvoor alle jongeren tot 27 jaar zonder startkwalificatie. Door deze brededoelgroep te hanteren is er geen noodzaak meer om aparte definities voorjongeren in een kwetsbare positie en voor voortijdig schoolverlaters tehanteren: ze vallen allemaal onder de groep jongeren zonder startkwalifi-catie tot 27 jaar. Deze doelgroep wordt beschreven in de WEB; de WVO2020 en WEC verwijzen daarnaar. Zo worden de regels begrijpelijk en deuitvoering eenduidig. Hiermee wordt ook de taak voor hetDoorstroompunt voor de hele groep hetzelfde, met dien verstande dat hetDoorstroompunt haar ondersteuning in sommige gevallen moetafstemmen op de aanvullende loopbaanbegeleiding door de school (zieparagraaf 4.4.1).101Artikel 8.3.2, eerste lid, WEB, artikel 8.22, eerste lid, WVO 2020 en artikel 147, eerste lid, WEC.102Artikel 8.3.1, tweede lid, WEB.103Regioplan (2022) Verzuim 18+ en jongeren in een kwetsbare positie.104Regioplan (2022) Verzuim 18+ en jongeren in een kwetsbare positie.105Zie naast artikel 8.3.1, tweede lid, WEB, ook in artikel 8.19, tweede lid, WVO 2020 enartikel 146, tweede lid, WEC. De WVO 2020 spreekt nog van een «getuigschrift» vso, maar datbestaat inmiddels niet meer (Stb. 2021, 179).106Zie de begripsbepaling van jongere in een kwetsbare positie in artikel 1.1 van de Regelingregionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 324 Bovenstaande neemt overigens niet weg dat er in beleidsinformatie vanhet Ministerie van OCW of gegevensleveringen door DUO wel voor kanworden gekozen om binnen de groep jongeren zonder startkwalificatie tot27 jaar, subgroepen te onderscheiden.4.4.3 Alternatieve instrumenten voor verhoging leeftijd doelgroepDoorstroompunt Er zijn meerdere alternatieven overwogen voor de verhoging van deleeftijd van de doelgroep van het Doorstroompunt. Deze alternatievenbleken echter minder wenselijk.Een eerste alternatief is om de ondersteuning van jongeren zonderstartkwalificatie wettelijk bij de gemeente te beleggen, als één integralewettelijke taak. Deze taak wordt bij het Doorstroompunt belegd omdat hetDoorstroompunt 1) de kennis, competenties en het netwerk heeft omcontact te leggen en begeleiding te bieden aan jongeren naar onderwijs ofwerk, 2) vaak regionaal georganiseerd is en dit belangrijk is voor desamenwerking met scholen met leerlingen en studenten uit veel verschil-lende gemeenten en 3) een bestaande infrastructuur heeft voor hetkoppelen van gegevens en voor het initiëren en coördineren van desamenwerking tussen de domeinen onderwijs en arbeid.Een ander alternatief is het instellen van een aparte integrale onder-steuner. Deze ondersteuner is een vast aanspreekpunt en zou op diversedomeinen jongeren kunnen ondersteunen. Het belangrijkste nadeelhiervan is dat de jongere met een nieuw persoon te maken krijgt, terwijl ermeestal al ondersteuning is.107 Niet elke jongere heeft ondersteuningnodig op diverse domeinen. Ook blijkt uit onderzoek naar veelbelovendevoorbeelden van integrale ondersteuning108 dat binnen de bestaandewettelijke kaders reeds integrale ondersteuning geboden kan worden. Inde praktijk vraagt de Doorstroomcoach al door op achterliggendeoorzaken van verzuim of uitval en kijkt in de begeleiding naar wat nodig isop diverse domeinen.4.5 Samenwerking Om te zorgen dat jongeren ondersteuning krijgen waarmee zij duurzaamaan het werk komen, is samenwerking van groot belang. Om eendoorlopende aanpak te krijgen voor jongeren tot 27 jaar, is het nodig omde samenwerking tussen de school, gemeente en het Doorstroompuntwettelijk te verankeren en te stimuleren. Dit gebeurt op casusniveau(paragraaf 4.5.1), met een regionaal programma (paragraaf 4.5.2) en metgezamenlijke financiering (paragraaf 4.5.3).4.5.1 Samenwerking op «casusniveau» Balans tussen duidelijkheid en ruimteUit gesprekken met het veld in de voorbereiding op dit wetsvoorstel blijktdat de ondersteuningsbehoefte van de jongere centraal moet staan, enniet de formele afbakening van rollen tussen organisaties. Het ondersteu-ningstraject van de ene jongere kan er namelijk anders uitzien dan bij deandere jongere en ook regio’s verschillen in hoe het ondersteunings-aanbod georganiseerd is. Hoe de ondersteuning geboden moet wordenen wanneer een andere organisatie betrokken wordt, is daarom moeilijkuniform voor alle jongeren vast te stellen. De wetgever kan niet elke107Eindrapport interdepartementaal beleidsonderzoek Eindrapport jongeren met (risico op) eenafstand tot de arbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.108De Beleidsonderzoekers (2023) Inspiratie voor integrale ondersteuning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 325 mogelijke situatie en individuele omstandigheid in algemene regelsvangen en zal zich tot de hoofdlijnen en de belangrijkste normen moetenbeperken.Tegelijkertijd hebben uitvoerende organisaties in de samenwerkingbehoefte aan duidelijke taken en verwachtingen. Het is ook juridisch enfinancieel belangrijk om helder te bepalen wie waarvoor verantwoordelijkis en budget krijgt. Om een balans te vinden tussen een duidelijkeafbakening van taken en de ruimte die professionals nodig hebben omjongeren de ondersteuning te bieden die nodig is, wordt in de wet ruimtegeboden door overlap in tijd te bieden tussen de taken van de school, degemeente en het Doorstroompunt. Ook wordt in het wetsvoorstel nietvoorgeschreven hoe de ondersteuning eruit moet zien. Wel wordt in hetwetsvoorstel beschreven wat de taken zijn van de organisaties, hoe ze zichtot elkaar verhouden en hoe ze gegevens met elkaar kunnen uitwisselen.Afbakening taken en verantwoordelijkhedenDe school verzorgt de aanvullende loopbaanbegeleiding en is daarvoorverantwoordelijk. De aanvullende loopbaanbegeleiding start tijdens deopleiding en loopt door tot een jaar na diplomering. In sommige situatieskan het nodig zijn dat de gemeente bij de aanvullende loopbaanbege-leiding betrokken wordt. De school blijft dan verantwoordelijk. Nadiplomering kan de school de gemeente ook verzoeken de ondersteuningvoort te zetten. Indien de gemeente de ondersteuning inderdaad voortzet,is de gemeente verantwoordelijk. Dit kan nodig zijn als de ondersteuningvan de jongere vraagt om specifieke expertise van de gemeente, inzet vaninstrumenten uit de Participatiewet of ondersteuning langer dan een jaarduurt. De gemeente kan daarbij naar diverse leefgebieden kijken eneventueel een gecoördineerde en integrale aanpak starten.Het Doorstroompunt richt zich op alle jongeren tot 27 jaar zonderstartkwalificatie die niet zijn ingeschreven op een school of het onderwijszonder geldige reden ten minste vier weken109 niet meer volgen. Echter,jongeren met een diploma of verklaring pro of vso of een entreediplomaontvangen het eerste jaar na het verlaten van de school reeds aanvullendeloopbaanbegeleiding van die school. In paragraaf 4.4.1 is nader gespecifi-ceerd dat het Doorstroompunt dan afstemt met de school voordatondersteuning geboden wordt. Voor deze jongeren is het Doorstroompuntvooral een vangnet. Voor de jongeren die geen aanvullende loopbaanbe-geleiding van de school (meer) ontvangen, is het Doorstroompunt primairaan zet. Dit geldt dus voor jongeren die hun opleiding niet afmaken, meerdan vier weken zonder geldige reden verzuimen of langer dan een jaargeleden de school hebben verlaten met een diploma of verklaring pro ofvso. Het Doorstroompunt kan deze jongeren terugleiden naar school of,indien dat niet passend is, begeleiden naar werk. Bij begeleiding naarwerk kan het Doorstroompunt net zoals de school de gemeente verzoekende ondersteuning voort te zetten.De gemeente kan dus in actie komen op verzoek van de school of hetDoorstroompunt. Maar ook voor jongeren die zelfstandig aankloppen bijde gemeente, kan de gemeente ondersteuning bieden, eventueel insamenwerking met het Doorstroompunt (bijvoorbeeld door de intakesamen te doen). Mochten jongeren toch gebaat zijn bij terugkeer naaronderwijs, kan de gemeente op haar beurt het Doorstroompunt verzoekende begeleiding voort te zetten.109Of een door de school te bepalen kortere periode.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 326 Om de hierboven beschreven relaties tussen de organisaties te veran-keren, wordt in de wettelijke taak van scholen, de gemeente en hetDoorstroompunt verwezen naar de taak van de andere organisaties. Hetdoel is om vast te leggen dat de verantwoordelijkheden van de organi-saties met elkaar verbonden zijn en dat zij een samenhangend geheelvormen. Hierdoor kan een andere organisatie betrokken worden bij deondersteuning van de jongere of een andere organisatie ingeschakeldworden om de ondersteuning over te nemen. Tevens zijn bepalingenopgenomen die een grondslag vormen voor het uitwisselen van gegevenstussen betrokken organisaties. In paragraaf 5.7 worden de gevolgen voorde verwerking van persoonsgegevens uiteengezet.Gemeente werkt preventief samen met scholenOm professionals de ruime te bieden om de ondersteuning in te richtenop basis van wat de jongere nodig heeft, wordt in de wet ruimte gebodendoor overlap in tijd tussen de taken van de mbo-instelling, de gemeenteen het Doorstroompunt. Zo kan bijvoorbeeld de gemeente al betrokkenworden bij de aanvullende loopbaanbegeleiding tijdens schooltijd. Dezepreventieve inzet helpt bij een soepele overgang van school naar werk.Verder loopt de aanvullende loopbaanbegeleiding van de school nog doortot een jaar na diplomering. Hierdoor kan een overdracht van de jongereaan de gemeente plaatsvinden op het moment dat dit passend is in hetondersteuningstraject. Zo realiseert de regering een sluitende aanpakpassend bij de situatie van de jongere en de inrichting van de regio,waarbij gebruik gemaakt wordt van de opgedane kennis in de AanpakJeugdwerkloosheid.110Warme overdracht en overgangsdocumentDe overgang van school naar werk is vaak een proces, dat begint opschool en doorloopt in werk. Hierbij is het van belang dat er sprake is vancontinue dienstverlening. Het delen van informatie tussen organisatiesvermindert de kans dat gedurende dit proces jongeren buiten beeld raken.Vso-scholen zijn voor jongeren met het arbeidsmarktgerichte uitstroom-profiel en het uitstroomprofiel dagbesteding momenteel verplicht eenovergangsdocument op te stellen op het moment dat een jongere hetonderwijs verlaat.111 Ook veel pro-scholen gebruiken een overgangsdo-cument, maar dat is nog niet wettelijk verplicht. Uit onderzoek van DeBeleidsonderzoekers112 blijkt dat een goede warme overdracht sterk wordtgewaardeerd door klantmanagers van gemeenten, omdat zij zo snellereen beeld krijgen van de jongere en hiermee handvatten hebben voor deondersteuning. Zij kunnen bijvoorbeeld beter rekening houden met debehoefte van de jongere bij het zoeken naar een werkplek. Ook jongerenvinden het vaak prettig dat zij niet elke keer opnieuw hun verhaal hoevente vertellen. Deze documenten dragen ook bij aan een efficiënte communi-catie tussen de school en de gemeente.Het maken van een overgangsdocument wordt met dit wetsvoorstelverplicht voor mbo-instellingen indien de mbo-instelling de onder-steuning van de jongere in het kader van de aanvullende loopbaanbege-leiding na diplomering laat voortzetten door de gemeente. Het overgangs-document wordt afgestemd met de student of samen met de studentgemaakt. Alleen als de jongere heeft ingestemd met het vervolgen van deondersteuning door de gemeente, kan dit document gedeeld worden. Het110Hierbij is gebruik gemaakt van opgedane ervaring door het Rijk en partners in de WerkagendaAanpak Jeugdwerkloosheid.111Artikelen 14e en 14h WEC.112De Beleidsonderzoekers (2023) Kwetsbare jongeren en een plan voor arbeidstoeleiding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 327 gebruik maken van aanvullende loopbaanbegeleiding is namelijkvrijwillig.Met een mbo-diploma voor een opleiding zijn er vaak nog veel verschil-lende beroepen, werkgevers en type werkzaamheden die meer of minderpassen bij een individuele jongere. Juist een goede match tussen dejongere en een passende werkplek is belangrijk voor een duurzame ensuccesvolle start op de arbeidsmarkt. Het overgangsdocument isaanvullend op het diploma. Met het diploma heeft de student namelijk albewezen te hebben voldaan aan de voor de betreffende opleidinggeldende kwalificatie-eisen. Het overgangsdocument is juist gericht opinformatie die niet op te maken is uit een diploma alleen. Het gaat hierbijvoorbeeld om competenties, behoeften en randvoorwaarden van dejongere op een werkplek waarmee de ondersteuner rekening moethouden.Ook voor pro-scholen wordt het verstrekken van een overgangsdocumentaan de gemeente met dit wetsvoorstel verplicht indien de pro-school deondersteuning van de jongere in het kader van de aanvullende loopbaan-begeleiding laat voortzetten door de gemeente. Voor vso-scholen is hetopstellen van een overgangsdocument zoals gezegd voor veel leerlingenreeds wettelijk verplicht. Daar wordt met dit wetsvoorstel aan toegevoegddat het overgangsdocument aan de gemeente wordt verstrekt invoornoemde situatie.De vorm en diepgang van de bestaande overgangsdocumenten kanverschillen tussen scholen. Zo bevatten alle overgangsdocumentenbijvoorbeeld contactgegevens van de jongere en de contactpersoon vande school, maar wisselt het gebruik van andere informatie over bijvoor-beeld competenties, werknemersvaardigheden, aandachtspunten op dewerkvloer en leerdoelen en wensen in een baan.113 Uniformiteit in het tegebruiken format en de werkwijze tussen scholen en gemeenten bij hetuitwisselen van informatie vergemakkelijkt de samenwerking. Daaromkunnen partijen hier afspraken over maken in het regionaal programma(zie paragraaf 4.5.2).114Geen verplicht plan van aanpak in Participatiewet voor jongeren metuitkeringWanneer een jongere een bijstandsuitkering aanvraagt, zijn gemeentenverplicht om een plan van aanpak op te stellen.115 In dit wetsvoorstelwordt het niet verplicht om een plan van aanpak te maken voor debegeleiding van jongeren zonder uitkering. Een verplicht plan past niet bijhet vrijwillige karakter van de begeleiding en het heeft naar verwachtinggeen toegevoegde waarde in deze begeleiding.1164.5.2 Regionaal programma voor samenwerking Het stimuleren van samenwerking op casusniveau in wetgeving is eeneerste stap om regionale samenwerking te stimuleren. Een tweedebelangrijke maatregel is om de betrokken partijen op regionaal niveau teverplichten om afspraken te maken en gezamenlijke aanvullendemaatregelen te nemen.113De Beleidsonderzoekers (2023) Kwetsbare jongeren en een plan voor arbeidstoeleiding.114Voor vso kunnen op grond van de reeds geldende wetgeving wel eisen aan de inhoud vaneen overgangsdocument worden gesteld.115Artikel 44a van de Participatiewet.116De Beleidsonderzoekers (2023) Kwetsbare jongeren en een plan voor arbeidstoeleiding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 328 Hiervoor wordt het bestaande regionale programma voortijdig schoolver-laten verbreed met het arbeidsmarktdomein.117 Hierdoor wordt de aanpakvoor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en de overgang vanschool naar duurzaam werk één aanpak en ontstaat een nauwe regionalesamenwerking voor jongeren van 12 tot 27 jaar tussen het onderwijs, hetDoorstroompunt en de gemeenten in een Doorstroompuntregio en andererelevante regionale spelers van de arbeidsmarktregio.Ten opzichte van de huidige situatie worden de volgende wijzigingendoorgevoerd:1.Het doel en de doelgroep van het regionaal programma wordenverbreed. Het regionale programma is niet alleen meer gericht opvoorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten, maar ook opde verbetering van de overgang van het onderwijs naar de arbeids-markt. Het gaat hierbij om jongeren met en zonder startkwalificatie.Ook wordt het regionaal programma beschikbaar voor jongeren tot27 jaar. Hiermee kunnen middelen in het regionaal programma ingezetworden voor alle jongeren van 12 tot 27 jaar, ongeacht leeftijd ofstartkwalificatie.1182.Als gevolg van de verbreding van het doel en de doelgroep wordt decentrumgemeente van de arbeidsmarktregio betrokken bij detotstandkoming en uitvoering van het regionaal programma. Decentrumgemeente vertegenwoordigt daarbij mede de anderegemeenten uit de arbeidsmarktregio en ondersteunt de anderegemeenten bij de uitvoering van het regionale programma. Ook sluitde centrumgemeente verplicht aan bij het regionaal bestuurlijkoverleg.119 Tot slot draagt de centrumgemeente bij aan de effectrap-portage. De centrumgemeente ontvangt hiervoor middelen (zieparagraaf 12). In het geval dat één Doorstroompuntregio bestaat uitmeerdere arbeidsmarktregio’s, gaat het hier om meerdere centrumge-meenten.3.Het wordt verplicht om in het regionaal programma afspraken temaken over samenwerking rondom de aanvullende loopbaanbegelei-ding, de taken van het Doorstroompunt en de taken van de gemeente.In aanvulling daarop wordt verplicht dat scholen en Doorstroompun-ten in hun eigen beleid rekening met het regionaal programma moetenhouden. Hiermee wordt beoogd dat organisaties hun inzet nietafzonderlijk bepalen maar afstemmen op de inzet uit het regionaleprogramma en de inzet van andere organisaties in de keten. Dezepartijen zijn namelijk van elkaar afhankelijk en daarom is het nodig dathet beleid op elkaar afgestemd is. Omdat de gemeenteraad bijverordening de regels vaststelt met betrekking tot het ondersteunenvan jongeren op grond van het nieuwe artikel in de Participatiewet, kaneen dergelijke verplichting niet worden opgenomen in de Participatie-wet. Dat laat onverlet dat afstemming van het beleid van gemeentenop het regionaal programma wel van belang is. De centrumgemeentekrijgt de rol om hiervoor te zorgen.117In het bestaande regionale vsv-programma werken scholen en gemeenten samen bij hetvoorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten (artikel 8.3.4 WEB, artikel 8.27 WVO2020 en artikel 149 WEC).118Hiervoor besluiten scholen en gemeenten in gezamenlijkheid welke maatregelen zij nemen.Op basis van een gezamenlijk op te stellen regionaal programma ontvangt een door descholen in de Doorstroompuntregio aangewezen contactschool een subsidie voor deuitvoering van het regionaal programma. Een door de gemeenten in de Doorstroompuntregioaangewezen contactgemeente ontvangt een specifieke uitkering voor de uitvoering van hetregionaal programma.119De partijen voeren regionaal bestuurlijk overleg over de totstandkoming van het regionaalprogramma, de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen maatregelen en deonderlinge samenwerking. Bij het overleg wordt ook het domein zorg betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 329 Er wordt gekozen voor het uitbreiden van het regionaal programma omeen aantal redenen:•Het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en het tegengaan vanjeugdwerkloosheid zijn maatschappelijke opgaven die sterk verwevenzijn met elkaar. De doelgroepen en het type maatregelen zijn aanelkaar verwant: jongeren die in het onderwijs baat hebben bij extraondersteuning hebben dit vaak ook nodig in de overgang naar dearbeidsmarkt. Het is daarom logisch om samenhang aan te brengen inde aanpak van deze twee opgaven. Momenteel worden de vsv-aanpaken de Aanpak Jeugdwerkloosheid vaak op twee verschillendebestuurlijke tafels besproken. Het is nu dus ingewikkeld voor scholen,Doorstroompunten en gemeenten om het vsv-beleid en de AanpakJeugdwerkloosheid goed aan elkaar te verbinden, mede doorfinanciële schotten tussen de organisaties.120•Deze uitbreiding van het regionaal programma bouwt voort op debestaande en al jaren lopende vsv-aanpak, waarin scholen enDoorstroompunten verplicht samenwerken en gezamenlijke maatrege-len nemen. Deze aanpak heeft geleid tot een intensieve samenwerking.Door dezelfde systematiek te kiezen voor de samenwerking metgemeenten en overige partners in de arbeidsmarktregio met daarbijeen coördinerende rol voor de centrumgemeente van de arbeidsmarkt-regio, is het aannemelijk dat deze samenwerking van de grond komt ofversterkt wordt.•Deze keuze sluit aan op de huidige praktijk. Meer dan driekwart van deregio’s heeft in het regionaal programma al een of meer maatregelengericht op begeleiding naar werk voor voortijdig schoolverlaters, stageof leerwerkbaan. Deze bestaande samenwerking tussen scholen engemeenten wordt ook al benut voor de Aanpak jeugdwerkloosheid.121•Door het arbeidsmarktdomein aan te laten sluiten op het onderwijsdo-mein wordt de loopbaan van de jongere gevolgd. Deze start op school.Door de Doorstroompuntregio als geografisch gebied leidend temaken in de aanpak, wordt aangesloten op de bij scholen bekenderegionale structuur.De structuur van het geheel ziet er als volgt uit:120Regioplan (2023) Van school naar werk, ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.121Uit artikel 3.1, onder c, van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2024volgt bijvoorbeeld dat de partijen in de Doorstroompuntregio ook maatregelen moetennemen met als doel om het percentage uitgevallen jongeren dat één jaar later voor minimaal12 uur per week werkzaam is te verhogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 330 Samenwerking bij totstandkoming en uitvoering regionaal programmaDe totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma is eengezamenlijke inspanning van in ieder geval de contactgemeente,contactschool van de Doorstroompuntregio en de centrumgemeente(n)van de arbeidsmarktregio(«s) waarmee de Doorstroompuntregio overlapt.Ieder levert een bijdrage vanuit zijn eigen kennis, doelgroep en netwerk.Elk van deze drie organisaties heeft in de regel een coördinator/programmamanager die in nauwe samenwerking betrokken is bij hetregionaal programma. De contactgemeente is wettelijk verantwoordelijkvoor de regie op de totstandkoming van het nieuwe regionaleprogramma, wordt door de gemeenten in de Doorstroompunt-regioaangewezen en ontvangt het gemeentelijke deel van de middelen voor hetregionaal programma. De contactschool wordt aangewezen door deandere scholen in de Doorstroompuntregio en doet tevens namens hende subsidieaanvraag bij DUO, op basis van het regionaal programma.122De centrumgemeente, aangewezen op grond van de Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen, zorgt ervoor dat de inhoud vanhet regionaal programma is afgestemd op de wijze waarop gemeentenuitvoering geven aan de ondersteuning van jongeren op grond van deParticipatiewet en zorgt voor afstemming met de overige partners in dearbeidsmarktregio over de dienstverlening die daar geboden kan wordenvoor jongeren.De maatregelen in het regionaal programma worden gezamenlijk bepaaldop basis van een regionale analyse. Nog niet in elke regio is de samen-werking tussen deze partijen vanzelfsprekend. In voorbereiding op delagere regelgeving en de uitvoering van dit wetsvoorstel zullen OCW enSZW begin 2024 bijeenkomsten organiseren in het land om uitleg tegeven en input op te halen over het regionaal programma en de samen-werking in de regio. Ook zal OCW in samenspraak met SZW regio’sondersteunen bij de totstandkoming van de regionale programma’s, hetmaken van afspraken en het nemen van effectieve maatregelen.123Doorstroompunt- en arbeidsmarktregio’s niet gelijkEen Doorstroompuntregio overlapt soms met meerdere arbeidsmarktre-gio’s. Dit kan extra afstemming vergen voor de totstandkoming enuitvoering van een regionaal programma. Uit gesprekken met het veldwordt het verschil in regio-indeling vaak genoemd als mogelijke factor diede samenwerking belemmert. Daarom is onderzoeksbureau De Beleidson-derzoekers gevraagd om nader onderzoek te doen naar de mate waarin dehuidige regio-indeling een belemmerende factor is bij de toekomstigesamenwerking tussen Doorstroompuntregio’s en arbeidsmarktregio’s, enof een herindeling van de Doorstroompuntregio’s de knelpunten oplost ende samenwerking faciliteert.124 Uit het onderzoek blijkt dat de kwaliteitvan de samenwerking niet afhankelijk is van de regio-indeling.Niet-overlappende regio-indelingen lijken eerder gebruikt te worden alsexcuus waarom de samenwerking niet goed verloopt. Daarnaast blijkt uithet onderzoek dat vooral onderling vertrouwen en het werken vanuit eengezamenlijk doel van belang zijn voor de samenwerking. Het onderzoekconcludeert dat het veranderen van de regio-indeling op dit moment nietverstandig is. Grenzen gelijktrekken leidt niet direct tot betere onder-122Zie de huidige Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2025. Met inwer-kingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk zal deze regeling worden opgevolgddoor een nieuwe regeling.123Kamerstukken II 2022/23, 26 695, nr. 143.124De Beleidsonderzoekers (2024) Onbegrensde samenwerking van school naar duurzaam werk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 331 steuning voor jongeren en er is geen draagvlak voor het veranderen vande Doorstroompuntregio’s door het Rijk.Zowel de samenstelling van een Doorstroompuntregio als een arbeids-marktregio kan gewijzigd worden op verzoek van de partijen in de regiozelf. Zo kan tegemoetgekomen worden aan een behoefte om in eenspecifieke regio een knelpunt als gevolg van de regio-indeling op telossen.4.5.3 Budget voor wettelijke taak en gezamenlijk budget met regionaalprogramma Op basis van de ervaringen van de Aanpak Jeugdwerkloosheid en het IBOJmAA is budget beschikbaar gesteld voor elke organisatie die met ditwetsvoorstel een extra wettelijke taak krijgt. Uit de ervaringen met deAanpak Jeugdwerkloosheid blijkt echter ook dat het enkel verstrekken vanbudgetten aan individuele organisaties samenwerking onvoldoendestimuleert. Daarom worden de organisaties met dit wetsvoorstel verplichtsamen te werken in een regionaal programma, waar eveneens budgetvoor beschikbaar is gesteld. Het gezamenlijk inzetten van middelen via hetregionaal programma stimuleert een sluitende ketenaanpak. Dit zorgtervoor dat het aanbod voor jongeren beter op elkaar afgestemd is enjongeren effectiever worden begeleid. Het budget kan ingezet wordenvoor een brede groep jongeren van 12 tot 27 jaar en worden gericht ophet voorkomen van voortijdig schoolverlaten en een sluitende overgangvan school naar werk. Juist gerichte, preventieve en intensieve aanpakkenkunnen met dit programma worden uitgevoerd. Deze aanpakken leiden toteen hoog maatschappelijk rendement en voorkomen uitval op school of inde maatschappij.125 Het gezamenlijk inzetten van middelen sluit ook aanop de wens uit het veld om niet «in hokjes» te denken en, binnenbepaalde kaders, veel vrijheid te hebben hoe zij de doelen behalen.126Nu is er voor het regionaal vsv-programma jaarlijks € 49,8 miljoenbeschikbaar. Dit wordt verhoogd, naar € 90,2 miljoen.127 Deze ophogingvan het budget voor het regionaal programma doet recht aan deuitbreiding van de doelgroep naar 27 jaar en de toevoeging van het extradoel om jongeren naar werk te begeleiden. Met de middelen in ditregionaal programma kunnen scholen, Doorstroompuntregio’s engemeenten gezamenlijke en aanvullende maatregelen nemen die dereguliere taken versterken. De ophoging is opgebouwd uit diverse posten,zoals in paragraaf 12 is uitgewerkt. Een belangrijk onderdeel van dezeophoging komt uit de decentralisatie-uitkering jeugd (hierna: DU-Jeugd).De DU-jeugd is bedoeld voor het tegengaan van vsv bij «overbelaste»jongeren (dit zijn jongeren met meerdere problemen). Sinds 2010 wordthiervoor jaarlijks € 21,7 miljoen door OCW beschikbaar gesteld aan35 individuele gemeenten met wijken waar relatief veel gezinnen metproblemen wonen. Deze middelen zijn niet duidelijk geoormerkt.Gemeenten weten veelal niet waaraan het geld wordt uitgegeven. Veelgemeenten krijgen nu geen geld, terwijl ook hier jongeren wonen met eenhoge kans op vsv. De middelen worden toegevoegd aan het budget voorhet regionaal programma en met een specifieke uitkering aan decontactgemeente van de Doorstroompuntregio verstrekt. Hiermee wordtde samenwerking gestimuleerd, wordt gewaarborgd dat de inzet is gerichtop de doelen in het regionaal programma en worden de maatregelensamen met scholen en in samenhang met andere vsv-maatregelen125LPBL (2023) Meta-analyse investeren in kwetsbare jongeren.126EMMA (2023) Uitkomsten bijeenkomsten wetsvoorstel van school naar werk.127De bedragen in dit wetsvoorstel zijn een indicatie. Er kan nog loon- en prijsbijstellingplaatsvinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 332 genomen. De middelen voor het regionaal programma staan structureelop de begroting van OCW en SZW. In paragraaf 12 staat in meer detailuitgewerkt op welke wijze de middelen worden verstrekt.4.5.4 Aandacht voor jongeren met meervoudige problematiek De maatregelen in dit wetsvoorstel richten zich met name op de samen-werking tussen het onderwijs- en arbeidsdomein, aangezien juist in debelangrijke overstap van school naar werk wettelijke belemmeringen vooreen integrale en doorlopende aanpak bleken te bestaan. Er zijn echter ookjongeren die ondersteuning nodig hebben in de overstap van school naarwerk die tevens te maken hebben met problemen in andere domeinen,zoals schulden, psychische problemen of die in aanraking zijn geweestmet de politie. Het is belangrijk dat deze jongeren samenhangendeondersteuning krijgen op meerdere domeinen waarbij de jongere centraalstaat.128 Via een aantal andere wegen waarborgt de regering dat scholenen gemeenten de ondersteuning kunnen bieden die jongeren metmeervoudige problemen nodig hebben.Wet Breed OffensiefMet de Wet Breed Offensief129 is reeds geregeld dat gemeenten per 1 juli2023 verplicht zijn om in hun verordening te regelen op welke wijze waarnodig wordt voorzien in integrale ondersteuning, en in voortgezettepersoonlijke ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, vanwerk naar onderwijs en van werk naar werk.130Wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domeinDe regering wil de knelpunten op het gebied van gegevensverwerking bijde aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domeinwegnemen. Hiervoor is het wetsvoorstel aanpak meervoudige proble-matiek sociaal domein in behandeling bij de Tweede Kamer.131 Ditwetsvoorstel zorgt voor een wettelijk kader voor het verwerken vangegevens die nodig zijn om tot een gecoördineerde aanpak en samen-werking te komen voor mensen met meervoudige problematiek in hetsociaal domein.Verbeteragenda passend onderwijsIn de verbeteragenda passend onderwijs mbo werkt de regering aan eenbetere aansluiting tussen het onderwijs en het sociaal domein, juist voorjongeren die te maken hebben met meerdere problemen. In de Verbeter-agenda passend onderwijs mbo werkt OCW met de MBO Raad, VNG enNRTO een voorstel uit op basis waarvan gemeenten en mbo-instellingenin de regio duurzame afspraken kunnen maken over welke ondersteuningdoor externe zorgpartijen binnen en buiten de school wordt geleverd aanstudenten.132 Ook voor het funderend onderwijs wordt gewerkt aan deverdere verbetering van passend onderwijs, via de verbeteraanpak. Hierinwordt onder andere samen me het Ministerie van VWS gewerkt aanverbetering van de mogelijkheden voor de inzet van zorg binnen deonderwijstijd.128De Beleidsonderzoekers (2023) Eindrapport integrale ondersteuning.129Wet van 30 november 2022 (Stb. 2022, 499)130Artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet, gewijzigd met Stb. 2022, 499.131Kamerstukken II 2022/23, 36 295, nr. 2.132Kamerstukken II 2023/24, 31 497, nr. 472.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 333 Lagere regelgeving van school naar duurzaam werk en praktijkvoor-beeldenIn aanvulling hierop zijn OCW en SZW voornemens om in lagereregelgeving over het regionaal programma133 regio’s te verplichten omafspraken te maken over jongeren met meervoudige problematiek. Deministeries ondersteunen de regio’s om te leren van meerdere veelbelo-vende praktijken, waarin het gemeenten lukt om samen met anderepartners een integrale aanpak neer te zetten. Dit doen OCW en SZW doorgoede voorbeelden actief te verspreiden en ervoor te zorgen dat regio’skennis kunnen uitwisselen.Uit een aantal veelbelovende voorbeelden blijkt dat wet- en regelgevinggeen belemmering hoeft te zijn voor het bieden van integrale onder-steuning. Zo werkt in Alkmaar het gemeentelijke team 16+ aan eenintegrale aanpak voor jongeren van 16–27 jaar met meervoudigeproblematiek. In deze aanpak werken (proces)regisseurs op basis van eenperspectiefplan en samen met jongeren zelf aan de problemen op dediverse leefdomeinen. Zij hebben mandaat om vanuit de Wet maatschap-pelijke ondersteuning 2015 of de jeugdhulp ondersteuning in te zetten enschakelen ook met andere onderdelen van de gemeente of externehulpverleners.134 Integrale ondersteuning kan ook tijdens de schooltijdplaatsvinden. Zo werkt mbo-instelling Firda al ruim tien jaar met deaanpak School als werkplaats waarin ondersteuningsmedewerkers van deschool in één team samenwerken met partners uit de hulpverlening. Mededeze laagdrempelige aanpak krijgen studenten die veelal te makenhebben met meervoudige problemen, vroegtijdig ondersteuning opschool zodat zij zich op hun opleiding kunnen richten.135 Ook hetNationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, waarbij in 20 stedelijkefocusgebieden – waar vaker dan gemiddeld sprake is van werkloosheid,armoede, schulden en een ongezonde leefstijl en jongeren vatbaarder zijnvoor verleidingen van een georganiseerde en ondermijnende criminaliteit– wordt gewerkt aan een integrale, gebiedsgerichte aanpak, levert goedepraktijkvoorbeelden op. Zoals de Rotterdamse aanpak met een langdurigLOB-programma vanaf groep 6 van de basisschool en een baangarantie(AanDeBak-garantie) als sluitstuk, waarbij jongeren veel ondersteuning enbegeleiding ontvangen.Participatiewet in balansUiteindelijk is er waarschijnlijk voor voornoemde groep meer nodig.Binnen het programma «Participatiewet in Balans» wordt momenteelgekeken naar een fundamentele herziening van de Participatiewet, waarbijspecifiek aandacht wordt besteed aan de knelpunten voor (jonge) mensenmet geen of beperkt arbeidsvermogen die op de Participatiewet zijnaangewezen. Het programma zal beleidsopties voorstellen om tegemoette komen aan de geconstateerde knelpunten voor deze groep. Alleinzichten rondom de begeleiding van deze doelgroep die in het kader vande nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk wordenopgedaan, zullen hierin worden meegenomen.5. Gevolgen In deze paragraaf worden de gevolgen van het wetsvoorstel voorverschillende partijen omschreven, met uitzondering van de financiëlegevolgen (zie daarvoor paragraaf 12).133Dit zal worden gebaseerd op artikel 9.2.8, vijfde lid, van de WEB.134De Beleidsonderzoekers (2023) Eindrapport integrale ondersteuning, p. 66.135NJI (2022) Verbinding onderwijs en jeugdhulp: Succesvolle aanpakken in het mbo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 334 5.1 Gevolgen voor jongeren Het gevolg van dit wetsvoorstel voor jongeren is dat zij, als zij dit nodighebben, ondersteuning kunnen krijgen in de overstap van onderwijs naarwerk. Zij staan er niet alleen voor in deze belangrijke overgangsfase. Decommunicatie naar jongeren over de mogelijkheden is een belangrijkaandachtspunt. Hierbij spelen scholen de belangrijkste rol, bijvoorbeelddoor in hun informatievoorziening aan leerlingen en studenten actief eenondersteuningsaanbod te doen. Vanuit OCW zal ook gerichte communi-catie moeten plaatsvinden, zoals via sites zoals mbotoegankelijk.nl of meteen brief aan alle leerlingen en studenten op wie dit wetsvoorstel zichricht.5.2 Gevolgen voor mbo-instellingen Mbo-instellingen krijgen een grotere verantwoordelijkheid in de voorbe-reiding op en begeleiding naar werk. Dit betekent dat professionalsbinnen de mbo-instellingen in gesprek gaan met jongeren in de laatstefase van de opleiding over de mogelijkheden en wensen met betrekkingtot de overstap naar vervolgonderwijs of werk. Een tijdige en adequatesignalering van mbo-studenten met een hoger risico op een afstand tot dearbeidsmarkt, is hiervan een belangrijk onderdeel. De mbo-instelling kanhierbij bijvoorbeeld voortbouwen op (gesprekken gevoerd in het kadervan) de bestaande LOB-taak. Mbo-instellingen kunnen aansluiten envoortbouwen op bestaande onderwijs- en begeleidingsprocessen, die ookgeborgd zijn in het studentensysteem. Hierdoor borgen zij een eenduidigeuitvoering en faciliteren zij docenten en begeleiders in hun taak.De extra taken zorgen ervoor dat professionals van mbo-instellingen zich(verder) moeten bekwamen. Voor docenten en begeleiders zal dit metname liggen bij het op de juiste manier in gesprek gaan met jongeren enhoe zij kunnen signaleren of extra ondersteuning nodig is bij de stap vanschool naar werk. Veel mbo-instellingen hebben er met de tijdelijkemiddelen in de Aanpak Jeugdwerkloosheid voor gekozen om personeelaan te nemen dat (een deel van) zijn tijd specifiek kan besteden aan decontacten met bedrijven en het coachen van studenten. Ook kunnen dezemensen ondersteuning bieden aan docenten of begeleiders op het gebiedvan arbeidsmarktinschakeling. Mbo-instellingen zullen goed op de hoogtemoeten zijn van de mogelijkheden die in de regio beschikbaar zijn bij debegeleiding naar werk en wat andere organisaties hierin kunnenbetekenen. In de periode rond de inwerkingtreding van het wetsvoorstelzal hier aanvullende aandacht voor moeten zijn. De ervaringen vanmbo-instellingen opgedaan bij de Aanpak Jeugdwerkloosheid kunnenhierbij gebruikt worden en verder worden uitgebouwd. Bij de implemen-tatie van dit wetsvoorstel vraagt dit ook vanuit de Ministeries van OCW enSZW specifieke aandacht. Daarom zullen OCW en SZW in voorbereidingop en na implementatie van dit wetsvoorstel bijeenkomsten blijvenorganiseren waarin professionals ervaringen kunnen uitwisselen. Hierinwerken OCW en SZW nauw samen met landelijke organisaties zoalsDivosa, de Programmaraad, VNG, MBO Raad, Sectorraden Gespeciali-seerd Onderwijs en Praktijkonderwijs, Ingrado en de SBB.Mbo-instellingen zullen de samenwerking met de gemeente (nog) verderintensiveren. Onderdeel hiervan is dat de mbo-instellingen eenovergangsdocument maken voor jongeren als de begeleiding voortgezetwordt door de gemeente. Betrokken professionals, die samen met dejongeren dit overgangsdocument invullen, zullen moeten wordenmeegenomen in het belang van dit overgangsdocument zodat zij het ookzullen gebruiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 335 Voor jongeren tussen de 23 en 27 zonder startkwalificatie zal dembo-instelling ook verzuim zonder geldige reden moeten melden. Dit iseen kleine uitbreiding van een bestaand en geautomatiseerd proces,waardoor de impact klein is.1365.3 Gevolgen voor pro- en vso-scholen Omdat veel pro- en vso-scholen al een geruime tijd nazorg bieden, zijn degevolgen van het wetsvoorstel voor deze scholen klein. Onderwijsprofes-sionals voeren vaak al meerdere keren per jaar gesprekken met dejongeren over hun ontwikkeling en over de mogelijkheden en wensen invervolgonderwijs of werk. Dit in het kader van het ontwikkelingsper-spectief (vso) en het individueel ontwikkelplan (pro). Ook hier is tijdige enadequate signalering van jongeren met een hoger risico op een afstandtot de arbeidsmarkt een belangrijk onderdeel. Deze taken zijn veelalbelegd bij de docenten en mentoren.Verder hebben veel scholen stagebegeleiders en jobcoaches in dienst. Zijleggen contacten met bedrijven en coachen leerlingen gericht op hetvinden van een passende stage- en werkplek. Bij het uitkiezen van eenpassende stageplek wordt al rekening gehouden met de ondersteuningdie de jongere nodig heeft. Ook dragen zij zorg voor de kennisoverdrachtvan de ondersteuning die de jongere nodig heeft naar de gemeente.Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de begeleiding vanuit alle pro- envso-scholen wordt voortgezet tot een jaar na het verlaten van hetonderwijs. Dit zorgt ervoor dat scholen die nu beperkte begeleidingbieden na diplomering, die zullen moeten intensiveren.Daarnaast zal ook de samenwerking met de gemeente (nog) verderintensiveren. Het maken van een overgangsdocument was voor het vsowettelijk al verplicht. Voor het pro wordt het verplicht om een overgangs-document te maken voor jongeren als de begeleiding voortgezet wordtdoor de gemeente, waarbij dezelfde aandachtspunten voor de uitvoeringgelden als bij mbo-instellingen. Voor vso-scholen was een overdrachtsdo-cument al verplicht en wordt alleen aan die verplichting toegevoegd datzij dat document in dat geval aan de gemeente moeten verstrekken. Overde vorm van en de werkwijze voor het gebruik van het overgangsdo-cument worden afspraken gemaakt in het regionaal programma metmbo-instellingen en gemeenten in de regio. De netwerkcoördinatorenpro/vso kunnen scholen hierbij ondersteuning bieden.5.4 Gevolgen voor niet-bekostigd beroepsonderwijs Voor niet-bekostigde mbo-instellingen heeft dit wetsvoorstel slechtsbeperkte gevolgen. Een jongere die zonder startkwalificatie hetniet-bekostigd beroepsonderwijs verlaat, kan onder de doelgroep van hetDoorstroompunt vallen. Daarom zijn de meldplicht bij langdurig verzuimen verwijdering en de inlichtingenplicht reeds van overeenkomstigetoepassing op niet-bekostigde mbo-instellingen.137 De uitbreiding van detaak van het Doorstroompunt van 18- tot 23-jarigen zonder startkwalifi-catie naar 18- tot 27-jarigen zonder startkwalificatie, betekent datgenoemde verplichtingen ook voor de niet-bekostigde mbo-instellingengelden voor een grotere groep studenten.136Het aantal jongeren van 23 tot 27 jaar in het onderwijs zonder startkwalificatie is relatiefbeperkt. Dit zijn er nog maar zo’n 12.000 op een totaal van rond de 500.000 mbo-studenten(bron: CBS 2023, bewerking van dashboard mbo schoolverlaters).137Dit volgt uit artikel 1.4.1, tiende lid, in samenhang met de artikelen 8.1.8, 8.1.8a, en 8.3.2,zesde lid, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 336 Aangezien de maatregelen uit dit wetsvoorstel ten aanzien van aanvul-lende loopbaanbegeleiding tijdens en na diplomering geen eisen behelzenmet betrekking tot de onderwijskwaliteit, zullen deze maatregelen niet vantoepassing zijn op het niet-bekostigd beroepsonderwijs.1385.5 Gevolgen voor het Doorstroompunt Voor de doorstroomcoaches betekent dit wetsvoorstel dat zij ook jongerenvan 23 tot 27 jaar begeleiden. Door de hogere leeftijd van de doelgroep,zal het doel van de ondersteuning vaker gericht zijn op werk, mogelijk incombinatie met bij- en omscholing. Dit vergt dat de doorstroomcoachesgoed op de hoogte zijn van de mogelijkheden in de regio voor jongerenop dit terrein en zich (verder) bekwamen in de begeleiding naar werk.Doordat doorstroomcoaches de gemeente in kunnen schakelen indien desituatie hierom vraagt, is het belangrijk dat zij tijdig in kunnen schattenvoor welke jongeren dit nodig is.5.6 Gevolgen voor de gemeente en de centrumgemeente van dearbeidsmarktregio Voor de gemeente betekent dit wetsvoorstel dat zij door scholen of hetDoorstroompunt eerder betrokken zullen worden voor de begeleiding vanjongeren naar werk. Dit vraagt nauwere samenwerking met scholen enhet Doorstroompunt. Ook zullen zij vaker jongeren begeleiden die geenuitkering ontvangen.Op beleidsniveau zal de samenwerking tussen het onderwijs- en hetarbeidsmarktdomein verder versterkt worden, onder andere doorgezamenlijk een regionaal programma te maken en uit te voeren. Decentrumgemeente van de arbeidsmarktregio zal hierbij een belangrijke rolspelen.5.7 Gevolgen voor gegevensverwerking Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor de verwerking van persoonsge-gevens door verschillende partijen. Bij de totstandkoming van ditwetsvoorstel is daarom een Data Protection Impact Assessment uitge-voerd. Daarin zijn verschillende gegevensverwerkingen uitgewerkt enbeoordeeld op rechtmatigheid. De focus ligt hierbij op het bieden vanaanvullende loopbaanbegeleiding door scholen en de verhoging van deleeftijd van de doelgroep van het Doorstroompunt naar 27 jaar, omdathier nieuwe gegevensverwerkingen plaatsvinden.De grondslag voor deze gegevensverwerking is noodzaak voor hetuitvoeren van een wettelijke plicht. Deze wettelijke plichten wordengecreëerd met onderhavig wetsvoorstel. De verwerking van de persoons-gegevens is niet gebaseerd op toestemming van de betrokkene alsbedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna:AVG).5.7.1 Gegevensverwerking aanvullende loopbaanbegeleiding Voor aanvullende loopbaanbegeleiding worden door de school persoons-gegevens verwerkt van jongeren die afkomstig zijn uit het bestaandestudent- of leerlingdossier. In beginsel geldt nu een bewaartermijn van138Er zijn geen niet-bekostigde pro- en vso-scholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 337 2 jaar na diplomering voor het student- of leerlingdossier.139 Nieuw is datals de jongere ook na diplomering behoefte heeft aan aanvullendeloopbaanbegeleiding, de school het dossier kan raadplegen en wijzigentot een jaar na het verlaten van de school. Indien de school de begeleidingna diplomering laat voortzetten door de gemeente, moet de school eenovergangsdocument maken en aan de gemeente overdragen. Ditdocument bevat persoonsgegevens.De aanvullende loopbaanbegeleiding maakt een geringe inbreuk op depersoonlijke levenssfeer – het ligt in het verlengde van de gegevensver-werkingen die reeds plaatsvinden op de school. Daarnaast beslist dejongere zelf of hij gebruik wil maken van het aanbod om aanvullendeloopbaanbegeleiding van de school en/of begeleiding van de gemeente teontvangen. Wil de jongere dat niet, dan stopt de verwerking vanpersoonsgegevens.5.7.2 Gegevensverwerking Doorstroompunt De doelgroep van het Doorstroompunt wordt uitgebreid. Door deuitbreiding van de Doorstroompuntleeftijd ontstaat een grondslag omdeze gegevens langer te verwerken, namelijk tot het moment dat dejongere 27 jaar wordt (of een startkwalificatie behaalt). Hiervoor wordt ookde Wet register onderwijsdeelnemers gewijzigd. Het Doorstroompuntheeft voor de uitvoering van haar wettelijke taak gegevens nodig vanjongeren tussen de 23 en 27 jaar zonder startkwalificatie die woonachtigzijn in de gemeente. In de Wet register onderwijsdeelnemers is echterbepaald dat de basisgegevens, zoals gegevens over in- en uitschrijving, inhet register onderwijsdeelnemers slechts worden bewaard tot 5 jaar nahet beëindigen van de laatste inschrijving in het onderwijs. Door deverhoging van de leeftijd van de doelgroep van het Doorstroompunt naar27 jaar, zal het veel vaker voorkomen dat jongeren nog onder dezedoelgroep vallen maar al langer dan 5 jaar het onderwijs verlaten hebben.Als een jongere verhuist en daardoor onder een ander Doorstroompuntvalt, moet het nieuwe Doorstroompunt echter weten of een jongere al eenstartkwalificatie heeft behaald om haar taken te kunnen uitvoeren.Daarom is het nodig de Wet register onderwijsdeelnemers zo te wijzigendat het Doorstroompunt de diplomagegevens kan opvragen van jongerendie al langer dan 5 jaar het onderwijs verlaten hebben. Diplomagegevensworden – anders dan de basisgegevens – namelijk 60 jaar bewaard.Hierdoor wordt bij het Doorstroompunt bekend of een jongere die nieuwin de gemeente komt wonen een startkwalificatie heeft of tot de doelgroepbehoort. Aangezien deze jongeren al lang het onderwijs verlaten hebben,is het niet nodig alle onderwijsgegevens geleverd te krijgen.In de WEB wordt een grondslag gecreëerd voor verdere verwerking vanpersoonsgegevens die de gemeente heeft verwerkt voor hetDoorstroompunt, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deParticipatiewet. Hierbij moet opnieuw een individuele beoordeling van denoodzaak en proportionaliteit plaatsvinden: alleen de gegevens dienoodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Participatiewet wordenovergedragen. Deze bepaling komt overeen met de bestaande wettelijke139Zie voor een toelichting van de Autoriteit Persoonsgegevens https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/themas/onderwijs/gebruik-van-persoonsgegevens-in-het-onderwijs/leerlingdossier. Overigens zijn scholen niet verplicht om een leerling- ofstudentdossier te hebben. De gegevens over leerlingen en studenten kunnen door de schoolook op een andere manier worden geordend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 338 grondslag voor het Doorstroompunt om gegevens te verwerken diebehoren bij de uitvoering van de Participatiewet.140Tevens wordt in de WEB opgenomen dat het Doorstroompunt eengrondslag krijgt om, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van dewettelijke taak, bijzondere persoonsgegevens te verwerken.Bijzondere categorieën van persoonsgegevensHet wetsvoorstel bepaalt dat het Doorstroompunt (ook) een bijzonderecategorie van persoonsgegevens kan verwerken, namelijk gegevens overgezondheid. Het begrip gezondheid dient ruim te worden opgevat enomvat alle gegevens die de geestelijke of lichamelijke gezondheid van eenpersoon betreffen, bijvoorbeeld de aanduiding dat een jongere al dan nieteen handicap of chronische ziekte heeft die extra ondersteuning vraagtvan een school of werkgever. Het verwerken van bijzondere categorieënvan persoonsgegevens is in beginsel verboden, tenzij er sprake is van eenuitzonderingsgrond.141De uitzonderingsgrond noodzaak om redenen van zwaarwegendalgemeen belang op grond van lidstatelijk recht is hierbij vantoepassing.142 Het zwaarwegende algemene belang is gelegen in hetbieden van extra ondersteuning aan jongeren die deze extra onder-steuning nodig hebben in het onderwijs of bij de overstap naar dearbeidsmarkt. Voor deze uitzonderingsgrond geldt dat sprake moet zijnvan evenredigheid met het nagestreefde doel. Deze evenredigheid acht deregering op wetsniveau aanwezig, en zal daarnaast in een individueelgeval moeten worden beoordeeld. In het wetsvoorstel is vastgelegd datbijzondere categorieën van persoonsgegevens alleen mogen wordenverwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van dewettelijke taak. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens kanalleen rechtmatig zijn indien de jongere heeft ingestemd met onder-steuning vanuit het Doorstroompunt. Als verwerking van de specifiekebijzondere persoonsgegevens niet noodzakelijk is voor de begeleiding, iser geen sprake van rechtmatige verwerking.Bovenstaande uitzonderingsgrond en bijbehorende vereisten geldeneveneens voor het verwerken van strafrechtelijke gegevens als bedoeld inartikel 10 AVG. Bij de begeleiding naar onderwijs of werk is in sommigegevallen het verwerken van (beperkte) justitiële gegevens essentieel.Sommige jongeren die verzuimen of voortijdig schoolverlater zijn, zittenin een residentiële instelling, zijn in afwachting van een proces of hebbeneen justitieel verleden waardoor zij op sommige scholen of opleidingenniet meer plaatsbaar zijn. Ook is het ontbreken van een verklaring omtrentgedrag in sommige sectoren een belemmering om een opleiding tevolgen of aan het werk te komen.Hierna worden zowel de gegevens over gezondheid als de strafrechtelijkegegevens voor de leesbaarheid aangeduid als bijzondere persoonsge-gevens. Doelbinding staat bij de verwerking van deze bijzonderepersoonsgegevens centraal.Op grond van de AVG moet de wezenlijke inhoud van het recht opbescherming van persoonsgegevens worden gewaarborgd en moetenpassende en specifieke maatregelen worden getroffen ter beschermingvan de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. De140Artikel 5.10 Besluit SUWI.141Artikel 9, eerste en tweede lid, AVG.142Artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 339 passende waarborgen betreffen enerzijds de voorgestelde inrichting vanwet- en regelgeving en anderzijds in de praktijk te nemen maatregelenmet betrekking tot passende beveiligingsniveaus en autorisatie. Alspassende waarborg is verder nog in artikel 9.2.7, tweede lid, WEBopgenomen dat het Doorstroompunt de bijzondere persoonsgegevensniet mag delen met derden. Daarnaast moeten de gegevens wordenopgeslagen op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor personen diebelast zijn met de uitvoering van de Doorstroompuntfunctie. Hiermeewordt benadrukt dat de bijzondere persoonsgegevens niet mogen wordengedeeld noch geraadpleegd voor andere gemeentelijke taken. Ook is eenuiterlijke bewaartermijn opgenomen voor de bijzondere persoonsge-gevens. Hiermee wordt tijdige vernietiging van de bijzondere persoonsge-gevens verzekerd. In veel gevallen zal de noodzaak om de persoonsge-gevens te bewaren eerder vervallen, in welk geval het Doorstroompuntmoet overgaan tot vernietiging daarvan. De beoordeling van de noodzaakdaartoe is aan het college.Daarnaast is in artikel 9.2.4, derde lid, onderdeel d, WEB opgenomen datde contactgemeente bij het maken van beleid over de Doorstroomfunctieaandacht moet besteden aan de zorgvuldige omgang met bijzonderepersoonsgegevens. Hiermee wordt dit nadrukkelijk geborgd als onderdeelvan het regionale beleid.Verder is de regering van mening dat zorgvuldige omgang met bijzonderepersoonsgegevens wordt geborgd door een aantal waarborgen die deeluitmaken van de context waarin de verwerking plaatsvindt. De uitvoeringvan het Doorstroompunt is een taak van het college van burgemeester enwethouders. Dit is een bestuursorgaan met veel ervaring op het gebiedvan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De regering is vanoordeel dat de bestaande normen die van toepassing zijn op bestuursor-ganen op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de algemenebeginselen van behoorlijk bestuur en de bijbehorende rechtsbescherming,reeds een waarborg vormen. Wegens het contact met kwetsbare personenen vertrouwelijke gegevens, overleggen Doorstroomcoaches bij indienst-treding een recente verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daarnaast geldt voor demedewerkers van het Doorstroompunt een geheimhoudingsplicht opgrond van artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor devertrouwelijke gegevens waarover zij uit hoofde van hun functiebeschikken. De branchevereniging voor leerplicht en Doorstroompunt(Ingrado) verstrekt voorts servicedocumenten met betrekking tot dezorgvuldige en rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. HetMinisterie van OCW spant zich tot slot in voor de juiste inhoud enverspreiding van deze servicedocumenten onder Doorstroomcoaches.5.8 Gevolgen voor gendergelijkheid Vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan mannen. Dit geldtin het bijzonder voor jonge vrouwen met kinderen.143 Ook werken jongevrouwen, voordat zij kinderen hebben, al vaker in deeltijd dan jongemannen. Dit wetsvoorstel bevat maatregelen die ervoor zorgen datjongeren die niet economisch zelfstandig zijn, ondersteuning kunnenkrijgen bij het vinden van duurzaam werk. Daarom kan dit wetsvoorstelpositief uitwerken voor de gendergelijkheid.143CBS (2021) Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 340 6. Caribisch Nederland De taak om aanvullende loopbaanbegeleiding te bieden geldt ook voor dembo-instellingen en het pro op de BES-eilanden. Daarop gelden tweeuitzonderingen:–Er wordt geen afstemming voorgeschreven van het beleid van deschool op het regionaal programma. De aanpak van voortijdigschoolverlaten is op Caribisch Nederland namelijk anders geregeld, eris geen regionaal programma.–Er wordt geen samenwerking met de gemeente of het Doorstroompuntvoorgeschreven, dit past niet bij de bestuurlijke organisatie op deeilanden.De overige maatregelen in dit wetsvoorstel gelden niet voor CaribischNederland. De RMC-functie in Caribisch Nederland is vervallen in 2015.144Op de BES-eilanden is een andere voorziening getroffen met hetzelfdeoogmerk als het Doorstroompunt, die is geregeld in de Wet socialekanstrajecten jongeren BES (SKJ-wet). Parallel aan dit wetsvoorstelontwikkelt de regering een plan om de SKJ-wet te herzien. Dit wordtuitgewerkt in een ander wetsvoorstel, waarin de WEB BES wordtgeïntegreerd in de WEB.7. Monitoring en evaluatie Een jaar na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal een invoerings-toets uitgevoerd worden. Daarbij zal gekeken worden naar de werking vande nieuwe wetgeving in de praktijk, met bijzondere aandacht voor deuitvoerbaarheid, de regeldruk, de onderlinge samenwerking tussen departijen en het gebruik van het overgangsdocument. In gesprekken methet veld wordt bekeken of dit wetsvoorstel voor scholen, hetDoorstroompunt en gemeenten werkbaar is in de praktijk en of er geenonbedoelde negatieve effecten zijn.Verder is in het wetsvoorstel opgenomen dat de regering de wet binnenvijf jaar na inwerkingtreding zal evalueren en hierover verslag aan deStaten-Generaal uitbrengt. De regering is voornemens binnen drie jaar nade inwerkingtreding alvast een tussenevaluatie te doen, zodat er tijdiginput is voor de nieuwe periode van het regionaal programma. Ditregionaal programma loopt naar verwachting tot eind 2029.In de evaluatie wordt in ieder geval gekeken naar:–de vraag of dit wetsvoorstel leidt tot meer gelijke kansen voorjongeren op de arbeidsmarkt;–de mate waarin jongeren zich gesteund voelen bij de overstap vanschool naar werk;–de mate waarin de beoogde doelgroepen worden bereikt;–de mate waarin en de wijze waarop betrokken organisaties de taken inde praktijk uitvoeren;–de wijze waarop en de mate waarin partijen met elkaar samenwerken;–de mate waarin professionals zich bekwaam voelen voor de uitvoeringvan hun taken;–of partijen beschikken over de benodigde gegevens voor de uitvoeringvan hun taken;–de totstandkoming en werking van het regionaal programma; en–de mate waarin de financiële middelen afdoende zijn voor de invullingvan de taken.144Stb. 2015, 213.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 341 8. Verhouding tot hoger recht Persoonlijke levenssfeer (grondrecht)Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is eenfundamenteel recht dat onder andere in artikel 8 van het Europeesverdrag voor de rechten van de mens (EVRM) wordt beschermd. Het rechtop bescherming van persoonsgegevens is van betekenis voor deeerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bij de uitvoering van hetDoorstroompunt worden persoonsgegevens van jongeren verwerkt. Ookde outreachende werkwijze waarbij de contactgemeente in het kader vanhet Doorstroompunt proactief jongeren benadert, raakt aan de persoon-lijke levenssfeer van die jongeren. Door de uitbreiding van de doelgroepvan het Doorstroompunt, worden meer jongeren zonder startkwalificatiegevolgd en waar nodig ondersteund.Deze privacy-inmenging is voorzien bij wet. Het legitieme doel dat wordtnagestreefd met de leeftijdsuitbreiding van het Doorstroompunt kanworden gevat onder de doelcriteria van het EVRM, met name heteconomisch welzijn van het land.145 Daarnaast kan ook worden beargu-menteerd dat het wetsvoorstel in enige mate bijdraagt aan het voorkomenvan wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van degezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.In de probleembeschrijving (paragraaf 2) is omschreven hoe dezebelangen samenhangen met voortijdig schoolverlaten.Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is beoordeeld of de privacy-inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving, waarbij desubsidiariteit en proportionaliteit van het voorstel is geanalyseerd. Deregering constateert dat er geen minder ingrijpend instrumentvoorhanden is om voortijdig schoolverlaten onder de doelgroep van 23tot 27 jaar te beperken en het behalen van een startkwalificatie onder dezegroep te bevorderen. Minder ingrijpende alternatieven stuiten op debeperkte zelfredzaamheid van de doelgroep, waardoor deze instrumentenwaarschijnlijk niet effectief zijn in het terugdringen van voortijdigschoolverlaten en het bevorderen van de overgang van school naar werk.Het Doorstroompunt heeft een bewezen effectiviteit bij de doelgroep tot23 jaar en vormt daarom ook een passend middel voor de doelgroep tot27 jaar.Verder heeft de inmenging in de privacy geen concrete nadelige gevolgenvoor de jongere. Ondersteuning van het Doorstroompunt is altijd eenaanbod waar de jongere gebruik van kan maken. Aan de andere kantkunnen sommige jongeren, juist gelet op hun beperkte zelfredzaamheid,erg veel baat hebben bij het Doorstroompunt. Dit maakt dat de uitvoeringdoor het Doorstroompunt naar het oordeel van de regering voldoet aanhet vereiste van noodzaak in een democratische samenleving.De regering concludeert op basis van deze argumenten dat de uitbreidingvan het Doorstroompunt gerechtvaardigd kan worden.145De legitieme doelen uit het EVRM worden over het algemeen breed geïnterpreteerd door hetHof en zijn aan de nationale autoriteiten om in te vullen (EHRM 1 juli 2014 appl. nr. 43835/11(S.A.S./Frankrijk), para 114). Uitbreiding van de doelgroep van het Doorstroompunt van 23naar 27 jaar heeft een economische doelstelling, gezien het behalen van een startkwalificatieleidt tot betere kansen op de arbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 342 StaatssteunIn het jaar na diplomering kan een jongere zich wenden tot zijn oudeschool voor aanvullende loonbaanbegeleiding. De aanvullende loopbaan-begeleiding bestaat bijvoorbeeld uit hulp bij het opstellen van een CV,sollicitatiebrief of sollicitatiegesprektrainingen. Private partijen zoudendergelijke ondersteuning ook kunnen aanbieden aan de jongere, maar hetis de vraag of deze private partijen zich specifiek zullen richten op dezedoelgroep. Een net gediplomeerde jongere zal waarschijnlijk minderbudget hebben voor het volgen van dergelijke trainingen dan iemand diereeds een lange tijd werkt en een dergelijke training zou willen volgen.Verder is de kans klein dat deze jongeren de weg naar aanvullendeloopbaanbegeleiding zelf zullen opzoeken.146De school verdient niet aan het geven van aanvullende loonbaanbege-leiding aan zijn oud-leerlingen of -studenten. Met het wettelijk regelen vanaanvullende loopbaanbegeleiding krijgt de school een nieuwe publieketaak. Deze taak ligt in het verlengde van de taak van de school omonderwijs te verzorgen.147 Daarom wordt dit bekostigd via de lumpsumen ondergebracht in de onderwijswetgeving.Het bieden van aanvullende loopbaanbegeleiding heeft geen grensover-schrijdende effecten. Buitenlandse (binnen de EU gevestigde) commer-ciële partijen zullen aanvullende loopbaanbegeleiding niet willenaanbieden aan een Nederlandse jongere die net van school is. Hetaanbieden van een dergelijke ondersteuning is specifiek gericht op deNederlandse arbeidsmarkt en aan Nederlandse jongeren. Daarbij komt dataanvullende loonbaanbegeleiding aan de doelgroep (gelet op hetrendement) voor deze organisaties niet aantrekkelijk is.Dit leidt tot de conclusie dat met de in het wetsvoorstel geïntroduceerdetaak van aanvullende loopbaanbegeleiding geen sprake is van staats-steun.9. Gevolgen voor de regeldruk In deze paragraaf worden de regeldrukkosten bepaald. Dit is het geheelvan de verplichtingen (handelingen) dat uit de voorgestelde wetgevingvoortvloeit. De lasten voor het Doorstroompunt en de gemeente zijngemeentelijke taken en daarmee bestuurlijke lasten. Zij vallen daarom nietonder het regeldrukbeleid.Bekostigde mbo-instellingen en pro- en vso-scholen krijgen met ditwetsvoorstel onder andere de taak om aanvullende loopbaanbegeleidingte bieden. Dit leidt tot extra regeldruk, hetgeen hieronder zal wordentoegelicht. Daarna zal worden ingegaan op de regeldruk voor jongeren enniet-bekostigde mbo-instellingen.Structurele regeldruk mbo-instellingen aanvullende loopbaanbegeleiding1.De mbo-instellingen doen een aanbod voor aanvullende loopbaanbe-geleiding aan entree- en bol niveau 2-studenten. Het gaat omgemiddeld 29.864 studenten per jaar. Per student kost dit gemiddeld4 uur. Van deze studenten stromen gemiddeld 8900 studenten per jaardoor naar de arbeidsmarkt. Voor deze studenten is aanvullend146Regioplan (2022) Onderzoek aanpak jeugdwerkloosheid.147Uit HvJEU-rechtspraak volgt dat openbaar onderwijs dat binnen het nationale onderwijs-stelsel wordt gefinancierd door de staat en onder staatstoezicht staat, als eenniet-economische activiteit kan worden beschouwd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 343 gemiddeld 3 uur per student extra beschikbaar. De ene student zalmeer begeleidingstijd nodig hebben dan de andere student ensommige studenten vinden zelf hun weg, de beschikbare tijd is duseen gemiddelde.2.De mbo-instelling kan aanvullende loopbaanbegeleiding bieden aanstudenten die dit nodig hebben op bbl niveau 2 en aan studenten opniveau 3 en 4. Hiervoor is gekeken naar het aantal studenten dat nuuitstroomt zonder werk. Dit zijn gemiddeld 6.125 jongeren per jaar. Perjongere is 7 uur geraamd voor het bieden van aanvullende loopbaan-begeleiding.In paragraaf 5.2 zijn de uitdagingen benoemd waar mbo-instellingenmee om moeten gaan bij het goed signaleren en selecteren van dejongeren die extra begeleiding nodig hebben. Dit is onderdeel van hetreguliere onderwijs- en begeleidingsproces, maar om dit goed neer tezetten vergt dit incidentele inzet.3.Indien de mbo-instelling de aanvullende loopbaanbegeleiding nadiplomering laat voortzetten door de gemeente, is de mbo-instellingverplicht een overgangsdocument te maken en dit over te dragen aande gemeente. In totaal vinden gemiddeld 8.808 jongeren geen werk nadiplomering. Er wordt van uitgegaan dat voor 80% van deze jongereneen overgangsdocument gemaakt moet worden. Dit zijn er 7.046. Perovergangsdocument kost dit twee uur.4.Het melden van ongeoorloofd verzuim voor jongeren zonder startkwa-lificatie van 23 tot 27 jaar in het mbo wordt verplicht. Hiervoor wordtde bestaande werkwijze gebruikt voor jongeren tot 23 jaar. Deuitbreiding beslaat 12.100 jongeren op basis van cijfers van het CBS.De verwachting op basis van het huidige aantal verzuimmeldingen tenopzichte van de populatie is dat er voor deze jongeren zo’n 3.164verzuimmeldingen gedaan moeten worden. Het doen van een goedgevulde melding en contact hierover kost gemiddeld 1 uur.5.Kennisontwikkeling is blijvend nodig om te zorgen dat mbo-professionals bekwaam zijn en blijven om aanvullende loopbaanbege-leiding naar werk te bieden. Om het aantal uur aanvullende loopbaan-begeleiding te kunnen bieden, is 123,5 fte nodig. Met een deeltijdfactorin het mbo van 0,79 zijn dit 155 medewerkers. De verwachting is dateen medewerker de helft van zijn tijd bezig is met aanvullendeloopbaanbegeleiding. De raming is dat elke medewerker jaarlijks tweedagen bezig is met kennisontwikkeling. Daarnaast is er bij de imple-mentatie van het wetsvoorstel een incidentele impuls nodig.6.Voor het toezicht van de Inspectie wordt ervan uitgegaan dat permbo-instelling eens in de vier jaar een onderzoek plaatsvindt en ditgemiddeld 200 uur voor aanvullende loopbaanbegeleiding percontrole kost.NummerTaakAantal uurKosten(€ 54 p/u)1Aanvullende loopbaanbegeleiding entree enniveau 2144.809€ 7.819.6972Aanvullende loopbaanbegeleiding bbl niveau 2en niveau 3 en 442.875€ 2.315.2503Maken overgangsdocument14.092€ 760.9684Melden ongeoorloofd verzuim 23- tot27-jarigen zonder startkwalificatie3.164€ 170.8655Kennisontwikkeling, structureel4.969€ 267.8406Kosten toezicht2.900€ 156.600Totaal structurele regeldruk mbo-instellingen213.550€ 11.531.679 Met de aanvullende loopbaanbegeleiding als wettelijke taak is het nietmeer nodig subsidie aan te vragen voor het uitvoeren van de Subsidiere-geling nazorg mbo 2022–2025 en is er mogelijk sprake van verminderingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 344 van regeldruk. In de Subsidieregeling nazorg mbo 2022–2025 is dezeregeldruk voor alle mbo-instellingen bij de laatste wijziging van deregeling gezamenlijk geraamd op € 178.080,– per aanvraag.148Structurele regeldruk pro-/vso-scholen aanvullende loopbaanbegeleiding7.De pro-scholen doen een aanbod voor aanvullende loopbaanbegelei-ding aan jongeren die doorstromen naar de arbeidsmarkt. In schoolja-ren 2019/2020 en 2020/2021, de laatst bekende cohorten, waren dit er2.615. Voor deze groep is aanvullend gemiddeld 5 uur per jongereextra beschikbaar. De ene leerling zal meer begeleidingstijd nodighebben dan de andere leerling en sommige leerlingen vinden zelf hunweg. De beschikbare tijd is dus een gemiddelde. Het aantal uuraanvullende loopbaanbegeleiding ligt daarmee iets hoger dan bij hetmbo. De gemiddelde kans op werk is lager bij deze doelgroep en debenodigde begeleiding naar verwachting wat intensiever.8.De vso-scholen doen een aanbod voor aanvullende loopbaanbegelei-ding aan jongeren die met uitstroomprofiel arbeidsmarkt uitstromen.Gemiddeld zijn dit 1.665 jongeren per jaar. Voor deze groep isaanvullend gemiddeld 5 uur per jongere extra beschikbaar. De eneleerling zal meer begeleidingstijd nodig hebben dan de andere leerlingen sommige leerlingen vinden zelf hun weg. De beschikbare tijd is duseen gemiddelde.9.Het maken van het overgangsdocument wordt verplicht voor jongerenwaarvan de begeleiding wordt voortgezet door de gemeente. Hierbijwordt gekeken naar de jongeren die geen werk vinden. Voor het vsomet het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel is dit al een wettelijkeverplichting. Voor het pro gaat het om 850 jongeren.149 Net als bij hetmbo wordt ervan uitgegaan dat voor 80% van deze jongeren eenovergangsdocument gemaakt moet worden. Dit kost 2 uur per jongere.NummerTaakAantal uurKosten(€ 54 p/u)7Aanvullende loopbaanbegeleiding pro13.075€ 706.0508Aanvullende loopbaanbegeleiding8.325€ 449.5509Maken overgangsdocument1.360€ 73.440Totaal structurele regeldruk pro en vso22.760€ 1.229.040 Voor het pro en vso zijn geen aanvullende kosten voor het toezichtopgenomen omdat de Inspectie momenteel al toezicht houdt op debestendiging van oud-leerlingen. Ook is er geen post opgenomen voorkennisontwikkeling, omdat begeleiding naar werk voor pro en vso-scholenal bestaande praktijk is.Incidentele regeldruk bekostigde mbo-instellingenDit zijn kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel.10.Mbo-instellingen moeten kennisnemen van dit wetsvoorstel. Permbo-instelling kost dit 20 uur.11.Elke mbo-instelling stelt beleid op voor aanvullende loopbaanbegelei-ding. Geschat wordt dat dit 100 uur per mbo-instelling kost.12.Mbo-instellingen moeten hun ICT-systemen (laten) aanpassen om deuitvoering van aanvullende loopbaanbegeleiding structureel te borgenin de processen. Naar schatting kost dit 200 uur per mbo-instelling.148Stcrt. 2023, 31862.149CBS (2023) Dashboard pro en vso. Hierbij is gekeken naar de jongeren die bij diplomeringgeen werk hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 345 13.Naast een structurele opgave is er een eenmalige impuls is om tezorgen dat mbo-professionals bekwaam zijn aanvullende loopbaanbe-geleiding naar werk te bieden.14.Meewerken aan invoeringstoets en evaluatie wetsvoorstel. Geschat isdat dit 8 uur per mbo-instelling kost.NummerTaakAantal uurKosten(€ 54 p/u)10Kennisnemen wetsvoorstel (58 instellingen)1.160€ 62.64011Opstellen beleid aanvullende loopbaanbegelei-ding (58 instellingen)5.800€ 313.20012Wijzigen ICT-systemen (58 instellingen)11.600€ 626.40013Kennisontwikkeling mbo-instellingen (58instellingen)12.400€ 669.60014Meewerken aan invoeringstoets en evaluatie464€ 25.056Totaal incidentele regeldruk mbo-instellingen31.424€ 1.696.896 Incidentele regeldruk pro- en vso-scholen15.Pro- en vso-scholen moeten kennisnemen van dit wetsvoorstel. Perschool kost dit 5 uur. Hierbij is uitgegaan van 175 pro-scholen en 335vso-scholen. Dit is minder dan voor mbo-instellingen omdat het veelkleinere organisaties zijn waardoor per school minder mensen zich indit wetsvoorstel hoeven te verdiepen.16.Pro- en vso-scholen hebben al beleid om hun leerlingen te begeleidennaar de arbeidsmarkt. Om dit aan te passen is per school 20 uurgeraamd.17.Pro- en vso-scholen moeten meewerken aan de invoeringstoets en deevaluatie. Het is niet nodig om bij alle scholen een evaluatie te doen.Uitgegaan wordt van 30 deelnemende scholen die hier 8 uur meebezig zijn.NummerTaakAantal uurKosten(€ 54 p/u)15Kennisnemen wetsvoorstel (510 scholen)2.550€ 137.70016Opstellen beleid aanvullende loopbaanbegelei-ding (510 scholen)12.200€ 550.80017Meewerken aan invoeringstoets en evaluatie240€ 12.990Totaal incidentele regeldruk pro en vso scholen12.990€ 701.560 Er is geen post opgenomen voor kennisontwikkeling, omdat begeleidingnaar werk voor pro- en vso-scholen al bestaande praktijk is. Omdatscholen deze taak al uitvoeren, is er ook geen post opgenomen voor hetaanpassen van ICT-systemen.Structurele regeldruk voor jongerenHet is belangrijk dat jongeren weten dat zij ondersteuning kunnen krijgenals zij dit nodig hebben. De communicatie door scholen, gemeenten enhet Rijk zullen zij tot zich moeten nemen. Op basis van het aantal tebereiken jongeren gaat het om 35.989 jongeren in het mbo en 5.950 in hetpro en vso. Per jongere kost dit 1 uur. Op basis van 17 euro per uur gaathet jaarlijks om € 712.963,–.Structurele regeldruk voor bedrijvenNiet-bekostigde mbo-instellingen moeten ongeoorloofd verzuim melden.De ophoging van de leeftijd van de doelgroep waar de meldplicht op zietvan 23 naar 27 jaar heeft daarom ook effect op deze instellingen. Van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 346 42.000 studenten die ingeschreven staan bij een niet-bekostigdembo-opleiding, zijn in schooljaar 2019/2020 7084 studenten jonger dan27 jaar. Hiervan hebben 3.439 jongeren (48,5 procent) nog geen startkwali-ficatie.150 De schatting is dat de helft (1.719 jongeren) tussen de 23 en27 jaar is. Als net als in het bekostigde mbo voor 24% van de studenteneens per jaar een verzuimmelding gedaan moet worden, leidt dit tot 450extra verzuimmeldingen. Het doen van een melding kost 1 uur. Met eenuurtarief van 39 euro voor een administratief medewerker kost ditwetsvoorstel niet-bekostigde mbo-instellingen € 17.550,–. Ook voorniet-bekostigd vavo kan de ophoging van de leeftijd voor een (gering)aantal extra verzuimmeldingen zorgen. Voor andere onderwijssoortenheeft de ophoging van de leeftijd voor het doen van een verzuimmeldinggeen effect.10. Uitvoering en doenvermogen 10.1 Uitvoering Het wetsvoorstel is aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) ende Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voorgelegd voor eenuitvoeringstoets, omdat deze instanties betrokken zijn bij de uitvoeringvan het wetsvoorstel.10.1.1 DUO Voor DUO betekent de uitbreiding van de doelgroep van hetDoorstroompunt dat de bestaande gegevensleveringen zo wordenaangepast dat ook jongeren tussen de 23 en 27 jaar in beeld komen vanhet Doorstroompunt. Het voornemen is dezelfde systematiek te gebruikenals voor jongeren tot 23 jaar. Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel wordt ook de wijze waarop de middelen voor hetDoorstroompunt en het regionaal programma worden verdeeld geharmo-niseerd (zie paragraaf 12).DUO constateert in de uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel wijzigingen inprocessen en systemen voor het hoofdproduct Onderwijsregisters(Registers) en de afdeling Informatieproducten (IP) met zich meebrengt.DUO acht de wijzigingen die voortvloeien uit het wetsvoorstel maakbaar,haalbaar en uitvoerbaar. Aan DUO zal een formele opdracht tot uitvoeringvan de wijzigingen worden verstrekt.10.1.2 VNG De VNG heeft een beoordeling gedaan op de uitvoerbaarheid van ditwetsvoorstel op basis van onderzoek in de praktijk. Gemeenten enDoorstroompunten zijn positief over het doel van de wet. De wet pastgoed in de visie van preventief werken en kwetsbare jongeren aan devoorkant begeleiden richting de arbeidsmarkt. Uit het onderzoek blijkt datgemeenten nog wel beter toegerust moeten worden om jongeren goed tebegeleiden. Hierbij is behoefte aan zicht op de omvang en aard van deproblematiek van de nieuwe doelgroep. Ook geven gemeenten aan dathet een uitdaging is om goed samen te werken met scholen enDoorstroompunten omdat deze organisaties eigen taken en budgettenhebben. Tenslotte zijn er nog onduidelijkheden over het regionaalprogramma, zoals wie welke verantwoordelijkheid heeft en welkevoorwaarden er gaan gelden.150Inspectie van het Onderwijs (2021) Technisch rapport staat van het middelbaar beroepson-derwijs, p. 60.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 347 Naar aanleiding van bovenstaande is verduidelijkt welke organisatie welkeverantwoordelijkheid heeft en wie welke rol heeft bij het regionaalprogramma. Elke regio is inmiddels geïnformeerd over het beschikbarebudget voor het regionaal programma. De voorwaarden wordenuitgewerkt in een ministeriële regeling. OCW en SZW hebben in 2024diverse regionale bijeenkomsten georganiseerd over deze regeling deafspraken en voorwaarden bij het maken van het regionaal programma.Ook en ondersteunen OCW en SZW regio’s bij de totstandkoming van deregionale programma’s. Dit gebeurt samen met landelijke partners(Ingrado, MBO Raad, Divosa, VNG, SBB, de sectorraad Gespecialiseerdonderwijs en de sectorraad Praktijkonderwijs).10.2 Doenvermogen Dit wetsvoorstel vormt een reactie op het IBO JmAA waarin onder meergeconstateerd wordt dat het doenvermogen van jongeren met eenafstand tot de arbeidsmarkt regelmatig overschat wordt in beleid. Volgenshet IBO JmAA veronderstelt veel beleid een bepaalde mate van zelfred-zaamheid waar veel jongeren met een afstand tot de arbeidsmarktregelmatig niet of in mindere mate over beschikken.151 Het huidige beleidgaat uit van de verwachting dat jongeren zichzelf kunnen melden bij dejuiste instantie als zij baat hebben bij ondersteuning. Dit doet een beroepop allerlei mentale vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen,het hoofd voldoende koel te houden en vast te houden aan goedevoornemens.Uit de probleemanalyse van dit wetsvoorstel blijkt dat jongeren met eenafstand tot de arbeidsmarkt vaak in mindere mate beschikken over dezevermogens, zeker als het voortijdig schoolverlaten of werkloosheidsamenhangt met andere problemen die ook een beroep doen op hundoenvermogen. Jongeren weten vaak niet de weg te vinden naar hulp ofde juiste instanties. «Zij melden zich lang niet altijd zelf met hunproblemen en zijn vaak ook niet in beeld bij de gemeente. Een deel van dejongeren krijgt alleen ondersteuning als ze worden aangesproken en eraan hen gevraagd wordt hoe het met ze gaat. Deze jongeren wordenalleen bereikt als de uitvoerders zich outreachend opstellen.»152Dit wetsvoorstel houdt rekening met het beperkte doenvermogen van veeljongeren met (een risico op) afstand tot de arbeidsmarkt. Dit wetsvoorstelbeoogt om vroegtijdig en proactief ondersteuning aan te bieden, zodateen jongere er niet alleen voor staat. Dit wetsvoorstel biedt professionalsveel ruimte om maatwerk toe te passen, zodat zij beter in kunnen spelenop de situatie en de behoefte van de individuele jongere.11. Toezicht en handhaving 11.1 Scholen De Inspectie houdt toezicht op de naleving van onderwijswetten doorscholen. Voor mbo-instellingen geldt dat het bieden van aanvullendeloopbaanbegeleiding een wettelijke taak voor de mbo-instelling wordt endaarmee onder het toezicht van de Inspectie valt. Bij studenten engediplomeerden van de entree- en bol niveau 2-opleiding kan de Inspectietoetsen of de mbo-instelling een aanbod heeft gedaan voor aanvullendeloopbaanbegeleiding op basis van bijvoorbeeld het studentdossier. Voorstudenten en gediplomeerden van de bbl niveau 2 of van niveau 3 en 4, is151Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek jongeren met (risico op) een afstand totde arbeidsmarkt (2019), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.152Regioplan (2023) Eindrapport Aanpak Jeugdwerkloosheid, p.51.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 348 de instelling niet verplicht iedereen een aanbod te doen. De Inspectie zieterop toe dat een mbo-instelling beleid heeft met betrekking tot aanvul-lende loopbaanbegeleiding. Voor studenten en gediplomeerden van debbl niveau 2 en van niveau 3 en 4 moet daar in elk geval in staanbeschreven onder welke voorwaarden zij in aanmerking komen vooraanvullende loopbaanbegeleiding. Ook wordt de taak van de Inspectieuitgebreid waar het gaat om de controle op het naleven van de meldplichtbij ongeoorloofd verzuim voor studenten zonder startkwalificatie tussende 23 en de 27 jaar.Ook voor pro- en vso-leerlingen met het arbeidsmarktgerichte uitstroom-profiel kan de Inspectie toetsen of de school een aanbod heeft gedaanvoor aanvullende loopbaanbegeleiding. Alle pro-leerlingen kunnenaanspraak maken op een aanbod, tenzij er sprake is van een aansluitendeinschrijving voor vervolgonderwijs. Voor vso-leerlingen geldt net zoals bijmbo-studenten dat de school niet verplicht is om een aanbod aan alleleerlingen te doen: dit hoeft alleen aan de leerlingen met het arbeids-marktgericht uitstroomprofiel, tenzij er sprake is van een aansluitendeinschrijving voor vervolgonderwijs. Voor de vso-leerlingen die geen rechthebben op een aanbod voor aanvullende loopbaanbegeleiding, blijft deoude nazorg-verplichting gelden.153 Hier ziet de Inspectie momenteel alop toe. Verder ziet de Inspectie er via de uitstroommonitor en eenvolgmodule momenteel al op toe dat pro-scholen hun oud-leerlingenvolgen na het verlaten van de opleiding.Beoogd is met de taak voor aanvullende loopbaanbegeleiding te bereikendat meer leerlingen en studenten succesvol doorstuderen of aan het werkkomen. Hiervoor leveren scholen een inspanning. In het kader van ditwetsvoorstel kunnen scholen echter niet verantwoordelijk wordengehouden voor het uiteindelijke resultaat. Dit resultaat is namelijk ook vanandere factoren afhankelijk, zoals de conjunctuur, de werkgelegenheid inde regio, de mate van aanwezigheid van meerdere problemen in depopulatie en de inzet van andere partijen. Kwantitatieve uitkomstenkunnen een indicatie zijn van de kwaliteit van de aanvullende loopbaanbe-geleiding, maar kunnen ook door andere factoren bepaald worden.11.2 Gemeenten De gemeenteraad dient het beleid met betrekking tot de ondersteuningvan jongeren op grond van artikel 7a van de Participatiewet vast te leggenin een verordening. Daarin voorziet artikel 8a van de Participatiewet. Hetcollege van B&W legt verantwoording af aan de gemeenteraad over deuitvoering ervan, waaronder over de rechtmatigheid.11.3 Doorstroompunten Met dit wetsvoorstel wordt aangesloten op de bestaande verhoudingtussen de Rijksoverheid en de uitvoering van de Doorstroompunten alstaak in medebewind. Voor de uitvoering van het Doorstroompuntontvangen contactgemeenten een specifieke uitkering. Indien hetDoorstroompunt haar verplichtingen niet naleeft, kan de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap de uitkering geheel of gedeeltelijkinhouden of opschorten.154 De Minister doet dit na overleg met burge-meester en wethouders van de contactgemeente van de Doorstroompunt-regio en kan de uitkering weer toekennen indien de reden voor inhoudingof opschorting is vervallen. Verder dient het Doorstroompunt zich over debesteding van de specifieke uitkering te verantwoorden conform153Artikel 44, vierde lid, WEC.154Artikel 8.3.2, achtste lid, te vervangen door artikel 9.2.9, derde lid, WEB (nieuw).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 349 artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.155 De Minister kan despecifieke uitkering terugvorderen indien hieruit niet blijkt dat despecifieke uitkering volgens de daarvoor geldende eisen is besteed.12. Financiële gevolgen In paragraaf 4.5.3 is aangegeven dat voor de extra taken in ditwetsvoorstel extra budget beschikbaar is gesteld en dat er gezamenlijkbudget beschikbaar komt met een regionaal programma. In onderstaandefinanciële overzicht is dit uitgewerkt.156Uitvoering reguliere taken1.De mbo-instellingen ontvangen gezamenlijk € 20 miljoen structureelom aanvullende loopbaanbegeleiding te bieden aan studenten engediplomeerden. Dit wordt toegevoegd aan de lumpsum. Hierdoorkunnen mbo-instellingen deze taak integreren in hun reguliereprocessen op het gebied van LOB.2.Pro- en vso-scholen ontvangen gezamenlijk € 1,5 miljoen voor deaanvullende loopbaanbegeleiding na het verlaten van de school. Demiddelen voor het vso worden verstrekt via bekostiging aan dezescholen. Voor het praktijkonderwijs is dit pas mogelijk als over isgegaan naar rechtstreekse bekostiging.157 In de tussentijd worden descholen via een subsidieregeling bekostigd. Deze scholen ontvangen aleen hoger bedrag per leerling uit de bekostiging waarmee ze extrabegeleiding kunnen bieden tijdens het onderwijs.3.De contactgemeenten van de Doorstroompuntregio’s ontvangen viaeen specifieke uitkering vanaf 2026 in € 65,8 miljoen per jaar voor de155Artikel 8.3.2, negende lid, te vervangen door artikel 9.2.9, vierde lid, WEB (nieuw).156Het gaat hierbij om bestaande middelen voor voortijdig schoolverlaten en aanvullendemiddelen die vrijgemaakt zijn op basis van het coalitieakkoord voor de taken zoals in ditwetsvoorstel zijn opgenomen. Voor dit overzicht is uitgegaan van de situatie van devoorjaarsnota 2023. Bij de beschreven situatie in 2023 zijn tijdelijke middelen, zoals in deAanpak Jeugdwerkloosheid, buiten beschouwing gelaten.157Op dit moment ontvangen de samenwerkingsverbanden passend onderwijs voortgezetonderwijs budget voor lichte ondersteuning, maar dit budget is bedoeld voor zowelleerwegondersteunend onderwijs als voor het praktijkonderwijs. Er is daarom nog geenmogelijkheid om het budget aan de pro-scholen direct op te hogen. Daarom worden descholen in de tussentijd, tot is overgaan naar rechtstreekse bekostiging, via een subsidiere-geling bekostigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 350 uitvoering van de reguliere taken. In 2024 was er jaarlijks € 47 miljoenbeschikbaar voor de Doorstroompuntfunctie.4.Gemeenten ontvangen voor de begeleiding naar werk € 9,9 miljoenextra (vanuit SZW). Dit wordt voor de duur van het regionaal pro-gramma via een decentralisatie-uitkering overgemaakt aan individuelegemeenten. Met deze decentralisatie-uitkering is in de eerste jaren nade inwerkingtreding van dit wetsvoorstel herleidbaar hoeveelmiddelen per gemeente beschikbaar zijn. Na de evaluatie van ditwetsvoorstel kan worden bezien of instandhouding van dezedecentralisatie-uitkering nodig is om de doelen van dit wetsvoorstel tebereiken.5.Elke centrumgemeente van de arbeidsmarktregio ontvangt jaarlijks€ 75.000,– voor de coördinatie ten behoeve van de deelname aan hetregionaal programma. Landelijk is in totaal jaarlijks € 2,6 miljoenbeschikbaar.6.De DU-jeugd wordt gestopt en toegevoegd aan de middelen voor decontactgemeente van de Doorstroompuntregio (zie paragraaf 4.5.3).7.Tijdens de looptijd van de DU-jeugd is de indexatie sinds 2010toegevoegd aan het gemeentefonds. De opgebouwde indexatie(€ 7,4 miljoen) wordt toegevoegd aan het budget voor de contactge-meente voor het regionaal programma.Budget regionaal programmaHet regionaal programma bestaat uit twee delen: een deel voor decontactschool en een deel voor de contactgemeente van de Doorstroom-puntregio. Dit is nu al zo.8.Voor de contactschool is € 42,1 miljoen per jaar beschikbaar. Nu is dat€ 30,6 miljoen.9.Voor de contactgemeente van de Doorstroompuntregio is voor hetregionaal programma € 48,2 miljoen. In 2024 was er € 19,2 miljoenper jaar beschikbaar.Op basis van het amendement De Hoop, Westerveld158 is ook € 2 miljoenbeschikbaar gesteld voor netwerkcoördinatoren pro en vso die in dearbeidsmarktregio’s de verbinding leggen tussen de pro- en vso-scholenenerzijds en vervolgonderwijs, gemeenten, zorgorganisaties en andererelevante partijen anderzijds. Hoewel de taken van de netwerkcoördinatorniet worden vastgelegd met dit wetsvoorstel, helpt dit wel om te komentot een sluitende ketenaanpak voor leerlingen uit het pro en vso.Verdeling tussen regio’s op basis van opgave van de regioDe opgave waar een regio voor staat is leidend bij de verdeling van demiddelen. De middelen voor het regionaal programma en hetDoorstroompunt worden opnieuw verdeeld op basis van een door hetCBS ontwikkeld verdeelmodel. Het CBS heeft onderzoek gedaan naarwelke kenmerken van jongeren de kans op voortijdig schoolverlaten zogoed mogelijk voorspellen.159 Deze kans wordt geaggregeerd naar hetniveau van Doorstroompuntregio’s en vormt de basis voor de nieuweverdeling. Deze wijze van verdelen is wetenschappelijk onderbouwd enbeweegt mee met een veranderende populatie. De uitkomsten zijnnavolgbaar en de indicatoren die zijn gebruikt, zijn niet beïnvloedbaardoor de regio zelf. De indicatoren die gebruikt worden voor de verdelingvan de middelen staan nu in artikel 8.3.2, vijfde lid, WEB. Met ditwetsvoorstel wordt voor de wijze waarop de verdeling van de middelen158Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 38159CBS (2022) Verkenning alternatief verdeelmodel voor voortijdig schoolverlaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 351 plaatsvindt, verwezen naar lagere regelgeving.160 Dit is nodig omdat deindicatoren in het verdeelmodel periodiek bijgesteld moeten worden eneen wetswijziging hier niet het juiste instrument voor is.13. Advies en consultatie 13.1 Internetconsultatie Het wetsvoorstel is van juli 2023 tot 10 september 2023 voorgelegd vooropenbare internetconsultatie. Er zijn 419 reacties ontvangen, waarvan 288openbaar gepubliceerd zijn.In de internetconsultatie is expliciet gevraagd om te reageren op demogelijkheid om de nazorgtaak voor het pro en vso gelijk te trekken metde taak voor aanvullende loopbaanbegeleiding voor het mbo. Veelrespondenten geven aan het te betreuren dat aanvullende loopbaanbege-leiding in het conceptwetsvoorstel niet was geregeld voor pro en vso. Zijgeven aan dat er geen sprake kan zijn van een integrale aanpak ofketensamenwerking zolang de voorstellen niet ook voor het pro en vsogelden en dat dit kansenongelijkheid in de hand kan werken. Zij vindenbovendien dat pro-en vso-scholen hiervoor bekostigd moeten worden.Hierbij is verschillend gereageerd met betrekking tot de duur van hetbieden van loopbaanbegeleiding, variërend van één tot langer dan tweejaar. De meeste reacties geven aan te hechten aan de integrale aanpak envoorstander te zijn van het gelijktrekken van de loopbaanbegeleiding methet mbo. Daarom wordt de nazorgtaak voor pro en vso naar aanleidingvan de internetconsultatie zoveel mogelijk gelijkgetrokken met de taakvoor aanvullende loopbaanbegeleiding voor entree en bol niveau 2 enwordt de bekostiging hiervoor opgehoogd. Dit is aanvullend op hetstructurele budget voor netwerkcoördinatoren pro en vso.Veel reacties vragen om meer duidelijkheid over de relatie, samenwerkingen verantwoordelijkheden tussen scholen, gemeenten en Doorstroom-punten, zowel op casusniveau als bij de totstandkoming van het regionaalprogramma. Allereerst is verduidelijkt wanneer de school de gemeente inkan schakelen. Naar aanleiding van deze reacties is in het voorgesteldeartikel 9.2.13 WEB hiervoor een uitsplitsing gemaakt tussen het betrekkenvan de gemeente en het doen van een verzoek aan de gemeente om deondersteuning voort te zetten en is dit verduidelijkt in de paragrafen 4.2.1en 4.2.2 over loopbaanbegeleiding, in paragraaf 4.3 over de rol van degemeente en in paragraaf 4.5.1 over de samenwerking op casusniveau. Inparagraaf 4.5.2 is verduidelijkt hoe de verantwoordelijkheden zijn belegdbij de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma.Daarnaast hebben OCW en SZW gedurende 2024 regionale bijeenkomstengeorganiseerd om regio’s nader te informeren en input op te halen voorlagere regelgeving.Sommige scholen, gemeenten en Doorstroompunten geven aanonvoldoende zicht te hebben of de beschikbaar gestelde middelenvoldoende zijn voor een adequate uitvoering van de voorgestelde taken.Het kabinet heeft middelen beschikbaar gesteld voor de organisaties dieaanvullende wettelijke taken krijgen. Dit budget is gebaseerd op deervaringen van de bestaande Aanpak Jeugdwerkloosheid en het IBOJongeren met afstand tot de arbeidsmarkt. Dit is toegevoegd aanparagraaf 4.5.3. Het besluit is tevens genomen om de DU-jeugd toe tevoegen aan het budget voor de contactgemeente voor het regionaalprogramma, waarmee partijen het gezamenlijk en gebundeld kunnen160Voorgesteld artikel 9.2.9, eerste lid, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 352 besteden en het geoormerkt en herleidbaar wordt voor de doelen in ditwetsvoorstel.13.2 Adviescollege toetsing regeldruk Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft op 13 september 2023 adviesuitgebracht over het wetsvoorstel. Het college acht nut en noodzaakonderbouwd en constateert dat er beargumenteerd veelal is gekozen vooraansluiting bij de bestaande praktijk en infrastructuur. Het advies is omhet wetsvoorstel in te dienen nadat met de adviespunten rekening isgehouden.Het college adviseert de mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding in hetvso, pro en mbo zo eenduidig mogelijk te regelen. Dit advies is opgevolgdzoals vermeld in paragraaf 13.1. Daarnaast constateert het college dat deregeldrukparagraaf enkele aanpassingen behoeft. Het gaat om hetopnemen van de regeldruk voor bedrijven, aangezien de meldplicht bijverzuim ook voor jongeren zonder een startkwalificatie in hetniet-bekostigd onderwijs wordt opgehoogd van 23 tot 27 jaar. Ook moetde regeldruk voor monitoring en evaluatie expliciet benoemd worden.Deze aanpassingen zijn doorgevoerd.13.3 Autoriteit Persoonsgegevens Het wetsvoorstel is voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens(hierna: AP). De AP heeft in haar advies een viertal opmerkingen gemaakt.Volgens de AP kan er ten eerste verwarring optreden over de grondslagvoor de verwerking van persoonsgegevens door het gebruik van hetwoord «toestemming» in de wetsartikelen, zonder dat de memorie vantoelichting hierover uitleg geeft. De AP adviseert om het begrip«toestemming» niet te gebruiken of in de memorie van toelichting degrondslag voor de gegevensverwerkingen te onderbouwen. Naaraanleiding van dit advies is in paragraaf 5.7 nadrukkelijk aangegeven datde grondslag voor persoonsgegevens een wettelijke taak is als bedoeld inartikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG. Daarnaast wordt in de artikelen metbetrekking tot de verwerking van persoonsgegevens niet langer de term«toestemming» gebruikt.De AP adviseert ten tweede om de in het wetsvoorstel opgenomengegevensverstrekkingen wettelijk te limiteren (eventueel met behulp vaneen delegatiegrondslag). Een aantal wetsartikelen bevat namelijk bredeformuleringen, zoals «het verstrekken van alle gevraagde bescheiden,inlichtingen of gegevens die redelijkerwijs nodig of van belang zijn». Ditdoet afbreuk aan de voorspelbaarheid voor degene op wie de bepalingenvan toepassing zijn. Een alternatief is volgens de AP om de noodzaakdaarvan in de memorie van toelichting te onderbouwen, dan wel teonderbouwen waarom een limitatieve opsomming onmogelijk ofonwenselijk is. Het betreft bepalingen die zijn verplaatst en inhoudelijk(grotendeels) ongewijzigd zijn gebleven en reeds een noodzakelijkheids-toets bevatten.161 Het is onwenselijk om deze bepalingen te specificeren,aangezien het van tevoren lastig is om te voorspellen welke gegevensprecies nodig zijn voor bijvoorbeeld de taakuitoefening door het college ofbeleidsvorming door de Minister. Overigens zal het in het laatstgenoemdevoorbeeld ook vrijwel altijd om geaggregeerde gegevens en niet ompersoonsgegevens gaan. Met betrekking tot de zinsnede «door degemeente aangewezen personen» in het bijzonder, adviseert de AP om teverduidelijken wie daarmee wordt bedoeld. Deze zinsnede wordt in161Zie artikel 8.3.2, zesde lid, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 353 opvolging van het advies van de AP geschrapt. De verstrekking vangegevens vindt in beginsel plaats aan het college van burgemeester enwethouders voor de uitvoering van taken van het college. Indiennoodzakelijk en passend kan het college van burgemeester en wethouderspersonen op grond van de Algemene wet bestuursrecht mandateren omnamens het college om gegevens te verzoeken.De AP adviseert om in de memorie toelichting aan te geven welkeuitzonderingsgrond van toepassing is voor het verwerken van bijzonderepersoonsgegevens door het Doorstroompunt en op welke wijze wordtvoldaan aan de eisen die de betreffende uitzonderingsgrond stelt.Paragraaf 5.7 van de toelichting is aangevuld om te verduidelijken dat hetde uitzonderingsgrond noodzaak om redenen van zwaarwegendalgemeen belang op grond van lidstatelijk recht betreft.De AP adviseert tot slot om het concept, voor zover dit nog niet isgebeurd, ook ter advisering voor te leggen aan de Commissie toezichtbescherming persoonsgegevens BES. De AP merkt op dat het niet primairaan de AP is om advies uit te brengen over het concept voor zover hetCaribisch Nederland betreft. Alleen de bepaling over aanvullendeloopbaanbegeleiding geldt voor Caribisch Nederland (zie paragraaf 6).Voor Europees Nederland concludeert de regering dat de bepalingen overaanvullende loopbaanbegeleiding een geringe inbreuk maken op depersoonlijke levenssfeer – het ligt in het verlengde van de gegevensver-werkingen die reeds plaatsvinden tijdens schooltijd. Daarnaast beslist deleerling of student zelf of hij gebruik wil maken van het aanbod omaanvullende loopbaanbegeleiding te ontvangen. De bepaling voorCaribisch Nederland heeft een minder verstrekkende werking dan hetbepaalde voor Europees Nederland, omdat de school de enige partij is diebetrokken is bij de aanvullende loopbaanbegeleiding.162 De toetsingvanuit de AP wordt daarom door de regering als voldoende geacht.14. Overgangsrecht en inwerkingtreding Beoogd is om de maatregelen in dit wetsvoorstel gelijktijdig in werking telaten treden op 1 januari 2026. Daarnaast zal op een aantal punten wordenvoorzien in overgangsrecht.Regionaal programmaDe regionale aanpak van voortijdig schoolverlaten loopt in beginsel incycli van 4 jaar, wat zou betekenen dat vanaf 1 januari 2025 een nieuwregionaal programma wordt uitgevoerd. Voor de beoogde inwerking-treding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2026 is het noodzakelijk om dehuidige cyclus te verlengen tot die datum. Hiermee wordt voorkomen datpartijen veel administratieve lasten maken omdat het reeds lopenderegionaal programma tussentijds moet worden aangepast op grond vande nieuwe wettelijke taken.Opvolgende bepalingenDe transponeringstabellen in bijlagen 1 en 2 geven aan welke wetsarti-kelen in de WEB met dit wetsvoorstel worden verplaatst of vervangen enwat in dat geval de nieuwe artikelnummers zijn. Voor de bepalingen diedoor opvolgende bepalingen vervangen worden, is het niet nodig omexpliciet te bepalen dat hun toepassing daarmee wordt gecontinueerd.162In Europees Nederland kan de school ook de gemeente bij de aanvullende loopbaanbege-leiding betrekken of de ondersteuning na diplomering door de gemeente laten voortzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 354 ARTIKELSGEWIJS DEEL Artikel I – Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijsOnderdelen A, J en L (Artikelen 1.1.1, 7.4.6a en 8.0.3)In artikel 1.1.1 wordt een verwijzing opgenomen naar de definitie van eenstartkwalificatie in de Leerplichtwet 1969. Dit voorkomt dat in de WEB opverschillende plekken moet worden verwezen naar de opleidingen dieleiden tot een startkwalificatie. Daartoe zijn ook artikel 7.4.6a en 8.0.3technisch aangepast.Daarnaast vervalt de begripsbepaling van «onderwijs» omdat dit begripgeen te weinig bepaalde of van het spraakgebruik afwijkende betekenisheeft. In andere onderwijswetten (WPO, WVO 2020 en WHW) wordt hetbegrip «onderwijs» ook niet gedefinieerd. Concreet heeft dit als gevolgdat het gebruik van «onderwijs» in de artikelen van hoofdstuk 9, titel 2,paragraaf 1, ook de andere onderwijssectoren kan betreffen. HetDoorstroompunt kan een jongere zonder startkwalificatie bijvoorbeeld ookondersteunen naar het v(s)o.Onderdeel B (Artikel 1.3.5)Uit artikel 1.3.5, onderdeel c, WEB volgt dat mbo-instellingen medezorgdragen voor het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatieen -begeleiding. Uit de oorspronkelijke toelichting blijkt dat door dezebewoording tot uitdrukking wordt gebracht dat dit geen zelfstandigedoelstelling is, maar dat het bereiken daarvan ingebed moet zijn in hetprimaire proces – het verzorgen van onderwijs.163 Deze taak bestaat naastde concrete verplichting om binnen elke opleiding het onderdeelloopbaan en burgerschap aan te bieden als onderdeel van het kwalificatie-dossier (uitgewerkt in het Examen- en kwalificatiebesluit WEB op grondvan artikel 7.4.3a WEB).Met dit wetsvoorstel krijgen mbo-instellingen op grond van het voorge-stelde artikel 9.2.12 de taak om niet alleen tijdens, maar ook na diplo-mering loopbaanbegeleiding te bieden aan bepaalde groepen studenten.Artikel 1.3.5 wordt hiermee in overeenstemming gebracht door totuitdrukking te brengen dat loopbaanbegeleiding kan worden voortgezet inde eerste fase na diplomering. In deze fase heeft de doelgroep naarverwachting vooral behoefte aan loopbaanbegeleiding bij de overgangvan school naar werk, omdat het voor bepaalde studenten lastig kan zijndie eerste stappen op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning te zetten.Loopbaanoriëntatie zal daarentegen vooral tijdens de opleiding plaats-vinden. Daarom worden de loopbaanbegeleiding en loopbaanoriëntatie intwee aparte onderdelen geplaatst. In deze toelichting wordt gesprokenvan «aanvullende loopbaanbegeleiding» om dit te onderscheiden van dereguliere LOB-taken.Onderdelen C en E (Artikelen 1.4.1 en 1.4a.1)Dit is een technische wijziging waarmee de verwijzingen wordenaangepast naar de meldplicht bij ongeoorloofd verzuim (nieuwartikel 9.2.2) en de inlichtingenplicht aan het college van burgemeester enwethouders (nieuw artikel 9.2.3). Deze verplichtingen gelden ook voorinstellingen die een erkenning hebben voor het verzorgen van eenniet-bekostigde beroepsopleiding (artikel 1.4.1, tiende lid) en instellingenmet een erkenning voor een niet-bekostigde vavo-opleiding (artikel 1.4a.1,163Kamerstukken II 1993/94, 23 778, nr. 3, p. 127.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 355 achtste lid). Zie verder paragraaf 5.4 van deze toelichting voor degevolgen van dit wetsvoorstel voor het niet uit ’s Rijks kas bekostigdonderwijs.Onderdelen D, H, Q en R (Artikelen 1.4.2, 2.5.5a, 11.1.14 en opschriften vanhoofdstuk 8, titels 4 en 5)Met deze wijziging worden verwijzingen aangepast n.a.v. de nieuweindeling van hoofdstuk 9, titel 1.Onderdelen F, H en O (Artikelen 2.3.6a, 2.5.5a, 8.1.8 en 8.1.8a)Het artikel over de meldplicht van mbo-instellingen bij verzuim(artikel 8.1.8a (oud)) wordt verplaatst naar de titel over de ondersteuningvan jongeren naar onderwijs of arbeidsmarkt (hoofdstuk 9, titel 2,paragraaf 2). De melding is gericht op het inschakelen van het college vanburgemeester en wethouders (het Doorstroompunt) wanneer een jongerelangdurig zonder geldige reden afwezig is gedurende zijn opleiding. Dandreigt voortijdig schoolverlaten. Deze meldplicht wordt in lijn met deverhoging van de begeleiding door het Doorstroompunt ook verhoogdnaar 27 jaar. Mbo-instellingen doen de melding centraal bij het registeronderwijsdeelnemers.Het artikel over de decentrale meldplicht bij verwijdering (artikel 8.1.8(oud)) vervalt. Deze meldplicht dateert nog van vóór invoering van hetcentrale register onderwijsdeelnemers. Tegenwoordig wordt elkeuitschrijving van een student verwerkt in het register. Dit is een onderdeelvan de basisgegevens als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wetregister onderwijsdeelnemers. Indien een uitgeschreven student nog geenstartkwalificatie heeft en jonger is dan 27 jaar (voorheen 23 jaar), wordende basisgegevens van de student vanuit het register onderwijsdeelnemersverstrekt aan het college (ten behoeve van de taak als Doorstroompunt).Dat volgt uit artikel 21 van de Wet register onderwijsdeelnemers. Bij dezebasisgegevens hoort op grond van artikel 5, derde lid, van het Besluitregister onderwijsdeelnemers voor het beroepsonderwijs ook de redenvoor uitschrijving. In de Regeling register onderwijsdeelnemers zalworden vastgelegd dat als mbo-instellingen overgaan tot verwijdering, zijdit moeten registreren als reden voor uitschrijving.164 Daardoor is eenaparte, decentrale melding aan het college bij verwijdering niet meernoodzakelijk. Wegens deze wijziging worden verwijzingen aangepast inartikel 2.3.6a en 2.5.5a.Onderdelen G en I (Artikelen 2.3.6d en 2.5.5e)Deze artikelen bevatten de grondslag voor het gebruik van het persoons-gebonden nummer door het college. Deze grondslag wordt gewijzigd enverplaatst naar hoofdstuk 9, titel 2. Zie de artikelsgewijze toelichting bijartikel 9.2.6.Onderdeel KHet beleid met betrekking tot aanvullende loopbaanbegeleiding wordtopgenomen in het studentenstatuut. Uit artikel 8a.2.2, derde lid,onderdeel b, volgt dat de studentenraad instemmingsbevoegdheid heeftop het studentenstatuut en op dit beleid.164Als de mbo-instelling een student aansluitend op de beëindiging van de ene inschrijving(vanwege een negatief BSA) inschrijft op een andere opleiding, dan is er geen sprake van eenverwijderingsbeslissing. Gebeurt dat niet, dan leidt een negatief BSA tot een verwijderingsbe-slissing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 356 Onderdeel M (Artikel 8.1.1d)In artikel 8.1.1d, tweede lid, wordt een technische correctie aangebracht.Dit lid maakt het mogelijk om een jongere van 17 jaar in te schrijven vooreen opleiding vavo indien hij niet meer is ingeschreven bij een vo-schoolen op grond van artikel 8.3.2 (de Doorstroompuntfunctie) is doorver-wezen. Jongeren van 17 jaar zijn echter in beginsel in beeld bij deleerplichtambtenaar op grond van de Leerplichtwet 1969. Met dezewijziging wordt verduidelijkt dat het doorverwijzen naar vavo van een17-jarige jongere zonder inschrijving ook kan plaatsvinden als onderdeelvan de inspanningen van de leerplichtambtenaar. Daarnaast wordt deverwijzing naar artikel 8.3.2 technisch aangepast vanwege de overhe-veling van dit artikel naar hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1.Onderdelen S t/m GGMet deze onderdelen worden verschillende artikelen in de WEBvernummerd, hierop worden de verwijzingen technisch aangepast. Eenoverzicht is opgenomen in de bijlage Transponeringstabel Sterk beroeps-onderwijs.Onderdeel HH (Artikel 9.1.20)Dit is het huidige artikel 8.3.5. Dit artikel wordt verplaatst naar de titel oversamenwerking (hoofdstuk 9, titel 2) omdat de bepaling inhoudelijk nietthuishoort bij de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt. Het artikelbetreft de samenwerking tussen vso-mbo. Ten opzichte van het huidigeartikel 8.3.5 wordt er niets gewijzigd, behalve een correctie van eenverwijzing naar de nieuwe Wet voortgezet onderwijs 2020 in plaats van deoude Wet op het voortgezet onderwijs.Onderdelen P en II (hoofdstuk 8, titel 3)De artikelen over voortijdig schoolverlaten worden verplaatst naarhoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1. Hieronder volgt de artikelsgewijzetoelichting van de nieuwe bepalingen.Artikel 9.2.1. DoelgroepIn dit artikel is de doelgroep bepaald van de maatregelen in hoofdstuk 9,titel 2, paragraaf 1. De afbakening van de doelgroep is relevant voor debegeleiding van jongeren zonder startkwalificatie door het college vanburgemeester en wethouders, oftewel het Doorstroompunt (artikel 9.2.5).Het heeft daarmee ook invloed op de meldplicht voor het bevoegd gezagbij langdurig ongeoorloofd verzuim (artikel 9.2.2).Een jongere kan tot de doelgroep behoren na het aflopen van de leer- enkwalificatieplicht. Dat is meestal op achttienjarige leeftijd, maar kan eerderzijn indien een jongere is vrijgesteld van de kwalificatieplicht op grondvan artikel 4a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969.De doelgroep wordt op twee manieren gewijzigd. Allereerst wordt dedoelgroep vergroot van jongeren tot 23 jaar naar jongeren tot 27 jaar.Daarnaast vervalt het onderscheid tussen de begrippen «voortijdigeschoolverlater» en «jongere in een kwetsbare positie», zoals toegelicht inparagraaf 4.4.1 en 4.4.2.Met een verwijzing naar instelling als bedoeld in de Wet op het onderwijs-toezicht in onderdeel c, onder 2° (in plaats van «een instelling, een schoolals bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een school ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 357 instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra») wordt de bepalingkorter geformuleerd. Daarnaast wordt hiermee verduidelijkt dat studentenmet een inschrijving bij een hbo- of wo-instelling niet tot de doelgroepvan de maatregelen in deze paragraaf behoren.Het regionaal programma (artikel 9.2.8) is overigens niet beperkt tot dehierboven beschreven doelgroep van het Doorstroompunt. In hetregionaal programma kunnen ook maatregelen worden opgenomen diezijn gericht op jongeren vanaf 12 jaar (die dus nog leer- of kwalificatie-plichtig zijn), jongeren met een actieve inschrijving bij een school ofjongeren met een startkwalificatie.Artikel 9.2.2. Melding verzuim zonder geldige redenIn dit artikel is de meldplicht opgenomen voor langdurig ongeoorloofdverzuim. Het bevoegd gezag levert de verzuimgegevens krachtensartikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers. Verzuimvan vier weken zonder geldige reden is een teken van dreigende uitval.Via het register onderwijsdeelnemers worden deze gegevens verstrektaan het college van burgemeester en wethouders van de woongemeente.Het college kan zich na deze melding inspannen om te voorkomen dat dejongere het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie.Artikel 9.2.3. Inlichtingen aan het college van burgemeester enwethoudersVoor de uitvoering van de taken van het college is het noodzakelijk dat erinformatie-uitwisseling kan plaatsvinden met de scholen in de regio.Artikel 9.2.4. Regionale samenwerkingEerste lidIn dit artikel is geregeld dat de colleges van burgemeester en wethoudersvan diverse gemeenten met elkaar samenwerken binnen regio’s.Voorgesteld wordt om de regio-indeling bij ministeriële regeling vast testellen. Voorheen werden die regio’s vastgesteld bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur.165 De huidige praktijk is dat deregio-indeling is doorgedelegeerd en in de Regeling regionale aanpakvoortijdig schoolverlaten 2020–2024 is opgenomen. Dit heeft de voorkeurvanwege de regelmaat van gemeentelijke herindelingen. De aanwijzingvan de contactgemeente wordt gemeld aan de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap. Als (bijvoorbeeld wegens gemeentelijkeherindelingen) een nieuwe contactgemeente wordt gekozen, is dat ookeen aanwijzing die moet worden gemeld aan de Minister.Derde lidOp grond van het derde lid vervult de contactgemeente coördinerendetaken bij de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Daarbij is bepaalddat het college van de contactgemeente afspraken maakt met scholen,instellingen, andere gemeenten en relevante organisaties. Denk aanafspraken over de inzet van betrokken actoren bij de begeleiding van dejongere. Nu worden de organisaties in de wet aangeduid als «organisatiesdie zijn betrokken bij het voorkomen en bestrijden van voortijdigschoolverlaten».166 Deze terminologie wordt vervangen door het bredere«organisaties die zijn betrokken bij de begeleiding van personen tot165Kamerstukken II 2000/01, 27 206, nr. 6.166Artikel 8.3.2, tweede lid, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 358 27 jaar». De afspraken met organisaties kunnen onder meer betrekkinghebben op verschillende buitenschoolse terreinen die van belang zijn vooreen integrale aanpak van de overgang van school naar werk: jeugdhulp-verlening (jeugdzorg en welzijnswerk), justitie, politie en arbeidsvoor-ziening.Een nieuwe toevoeging aan de samenwerkingspartners van de contactge-meente is dat ook naar de centrumgemeente van de arbeidsmarktregiowordt verwezen. In de huidige wettekst staat dat het domein arbeid kanworden betrokken bij de regionale samenwerking. Met dit wetsvoorstelwordt de samenwerking verstevigd.In onderdeel d van het derde lid is een nieuwe taak voor de contactge-meente opgenomen: het vaststellen van beleid dat de hoofdzaken bevatvan de uitvoering van de activiteiten uit artikel 9.2.5. Dit beleid wordtafgestemd op het regionaal programma. Ook aandacht voor dezorgvuldige verwerking van bijzondere persoonsgegevens (op grond vanartikel 9.2.7 WEB) moet onderdeel uitmaken van dit beleid.Artikel 9.2.5. Ondersteunen van jongeren zonder startkwalificatiedoor college van burgemeester en wethoudersEerste lidOp grond van artikel 9.2.5 heeft het college van burgemeester enwethouders de taak om jongeren die het onderwijs zonder startkwalifi-catie verlaten (of die langdurig ongeoorloofd verzuimen) waar mogelijkterug te leiden naar het onderwijs, of anders te ondersteunen met hetvinden van een plek op de arbeidsmarkt. Hiermee wordt geen beleidsin-houdelijke wijziging van de taken beoogd. De huidige wettekst spreekt van«een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt en hetonderhoud van dit systeem». Deze formulering is onduidelijk en sluit nietgoed aan op de praktijk.Het betreft een inspanningsverplichting voor het college. Niet elke jongerekan of moet ondersteund worden naar onderwijs of werk. De daadwerke-lijke ondersteuning is altijd afhankelijk van vrijwillige samenwerking metde betrokken jongere. De inspanning die nodig is om een jongere teondersteunen naar het onderwijs of een plek op de arbeidsmarkt, isafhankelijk van individuele omstandigheden en zal altijd maatwerkvragen. Kern van de taak van het college is daarom het contact leggenmet de jongere, de behoefte van de jongere in kaart brengen en onder-steunen bij het bereiken van zijn persoonlijke doelen. Door het formulerenvan een «kan»-bepaling wordt het college beleidsvrijheid geboden in hetaanbrengen van prioritering.Tweede lidNiet elke jongere zonder startkwalificatie kan of wil teruggeleid wordennaar het onderwijs. In dat geval kan het college de jongere ondersteunenbij het vinden van een functie op de arbeidsmarkt. Hierbij is het mogelijkdat het college, in samenspraak met de jongere, constateert dat eentraject van ondersteuning op grond van de Participatiewet gepast is. Ditbiedt de mogelijkheid om instrumenten in te zetten waarover hetDoorstroompunt niet beschikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 359 Derde lidDit lid biedt een grondslag voor gegevensverwerking. De huidige wettekstvan artikel 8.3.2, eerste lid, benoemt dat het college zorgdraagt voorregistratie van gegevens. De term «registratie» wordt in dit artikelvervangen door het ruimere begrip «verwerken». Het doel is immers nietalleen het registreren van gegevens, maar bijvoorbeeld tevens hetraadplegen van de gegevens wanneer dat noodzakelijk is voor deondersteuning naar onderwijs of arbeid.Dit artikel bevat een overzicht van de bronnen waaruit hetDoorstroompunt gegevens ontvangt ten behoeve van transparantie. Hierworden met dit wetsvoorstel geen nieuwe bronnen of persoonsgegevensaan toegevoegd.Vierde lidMet dit lid wordt een grondslag gecreëerd voor verdere verwerking vande persoonsgegevens van de jongere indien dit noodzakelijk is voor detaakuitvoering op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen: indien dedoorstroomcoach – in samenspraak met de betrokken jongere – consta-teert dat eenvoudige ondersteuning naar onderwijs of arbeid niet passendis, maar een traject van arbeidsmarkttoeleiding op grond van de Participa-tiewet geboden is, kunnen de persoonsgegevens van de jongere verderworden verwerkt voor dit doel. Hierbij moet opnieuw een beoordeling vande noodzaak en proportionaliteit plaatsvinden: alleen de gegevens dienoodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Participatiewet wordenovergedragen.In artikel 5.10 van het Besluit SUWI is reeds geregeld dat gegevens dieworden verwerkt voor de uitvoering van de Participatiewet, verderverwerkt kunnen worden ten behoeve van de uitvoering van artikel 8.3.2WEB (dit wordt 9.2.5 WEB).Vijfde lidJongeren met een diploma van de entree-opleiding of met een schooldi-ploma of -verklaring pro of vso (arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel)hebben geen startkwalificatie. Dit maakt dat zij onder de doelgroep van debegeleiding van het college (het Doorstroompunt op grond vanartikel 9.2.1 jo. 9.2.5) vallen. Deze jongeren kunnen echter ook inaanmerking komen voor aanvullende loopbaanbegeleiding door hetbevoegd gezag van hun school op grond van de voorgestelde artikelen9.2.12 WEB, 44 WEC en 2.31a WVO 2020. Het is niet de bedoeling dat erparallel twee trajecten lopen. Daarom wordt in het vijfde lid geregeld dathet college van burgemeester en wethouders ten aanzien van dezejongeren overlegt met het bevoegd gezag over de geboden aanvullendeloopbaanbegeleiding, voordat de ondersteuning in het kader vanartikel 9.2.5 plaatsvindt. Voor jongeren van de entreeopleiding geldt dit inhet eerste jaar na diplomering. Omdat op verzoek van de jongeren in hetpro en vso in het tweede jaar advies kan worden geboden, heeft dezebepaling voor het pro en vso betrekking op de eerste twee jaar nadiplomering of het verlaten van de school.Zesde lidMet dit lid wordt een grondslag gemaakt om nadere invulling te gevenaan de taken van het college op grond van dit artikel. Het stellen vannadere regels kan noodzakelijk zijn als blijkt dat het begrip ondersteuningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 360 invulling vereist op detailniveau. De kern van de te verrichten werkzaam-heden is opgenomen in de wet.Artikel 9.2.6. Gebruik persoonsgebonden nummer door collegevan burgemeester en wethoudersArtikel 9.2.6 vervangt de huidige artikelen 2.3.6d en 2.5.5e. De bepalingenmet betrekking tot studenten en vavo-studenten worden daarbij samenge-voegd. De grondslag voor het gebruik van het persoonsgebondennummer door het college wordt verplaatst naar het nieuwe hoofdstuk 9,titel 2, paragraaf 1. In het voorgestelde artikel 9.2.6 WEB (en eveneens inde artikelen 162 WEC en 8.18 WVO 2020) worden de verwijzingen naar hetnieuwe artikel 9.2.5 aangepast. Hiermee wordt geregeld dat het collegevan burgemeester en wethouders het persoonsgebonden nummer vanstudenten, vavo-studenten en jongeren zonder inschrijving kan (blijven)gebruiken voor de Doorstroompunttaken. Daarnaast worden enigewetstechnische onjuistheden gecorrigeerd, zoals het vervangen van «degemeente» door «het college van burgemeester en wethouders».Artikel 9.2.7. Verwerking gegevens over gezondheid en persoons-gegevens van strafrechtelijke aard door college van burge-meester en wethoudersVoor de begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie naar onderwijsof werk is het soms noodzakelijk om persoonsgegevens van eenbijzondere categorie te verwerken. Artikel 9.2.7 biedt het college vanburgemeester en wethouders hiervoor een wettelijke grondslag. Denoodzaak voor deze grondslag en de passende waarborgen daarbij zijntoegelicht in paragraaf 5.6 van de algemene toelichting.Artikel 9.2.8. Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overlegen regionale maatregelenOp grond van het artikel 9.2.8 stellen gemeenten, instellingen, scholen enandere organisaties samen een regionaal programma op. In het regionaalprogramma worden maatregelen opgenomen die aanvullend zijn op deuitvoering van de overige wettelijke taken (zoals die op grond van deLeerplichtwet 1969 en artikel 9.2.5 WEB).De looptijd van het regionaal programma wordt bij ministeriële regelingvastgesteld. Voorheen lag op wetsniveau vast dat dit 4 jaar was, maar dattechnische voorschrift wordt verplaatst naar het niveau van de minis-teriële regeling. Dit biedt meer ruimte voor flexibiliteit bij onvoorzieneomstandigheden of wetswijzigingen.Daarnaast wordt de centrumgemeente van de arbeidsmarktregio eenvaste partij bij het regionaal programma.Aan de inhoud van het regionaal programma wordt toegevoegd dat hetafspraken bevat over de samenwerking tussen de partijen in de regio bijde uitvoering van zowel het regionaal programma, als de taken uitartikel 9.2.5 en 9.2.12 (Doorstroompunt en aanvullende loopbaanbege-leiding) en artikel 7a van de Participatiewet. In het regionaal programmakan bijvoorbeeld worden vastgelegd onder welke omstandigheden hetcollege (op grond van de Participatiewet) wordt betrokken bij de onder-steuning van jongeren zonder startkwalificatie door het Doorstroompunten bij de aanvullende loopbaanbegeleiding aan studenten en gediplo-meerden door de instelling. Ook kunnen afspraken worden gemaakt overde inhoud en vormgeving van het overgangsdocument, bedoeld inartikel 9.2.13, tweede lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 361 Het vierde lid bepaalt dat de partijen een regionaal bestuurlijk overlegvoeren over het regionaal programma en de uitvoering van de daarinopgenomen maatregelen. Hieraan wordt toegevoegd dat ook de onder-linge samenwerking betrokken wordt bij het overleg.Betrekken van de domeinen arbeid en zorgBij de vorige inhoudelijke wijziging van dit artikel is toegevoegd dat dedomeinen arbeid en zorg worden betrokken bij het regionaal overleg.167Hiermee werd beoogd om meer verbinding te leggen tussen de contact-gemeente en bijvoorbeeld wethouders die verantwoordelijk zijn voorjeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk & inkomen.De eis dat in de effectrapportage moet worden gereflecteerd op hetbetrekken van de domeinen arbeid en zorg (art. 8.3.4, vijfde lid), komt nietterug in het nieuwe artikel 9.2.8. Reden hiervoor is dat bij de omschrijvingvan de inhoud van het regionaal programma nu expliciet wordtopgenomen dat afspraken over de samenwerking tussen partijen in deregio onderdeel zijn van het regionaal programma. Bovendien wordt decentrumgemeente van de arbeidsmarktregio standaard partij bij hetregionaal programma. Het is dus alleen voor het domein zorg nogoptioneel om deel te nemen (wel moet het domein zorg daar altijd toe inde gelegenheid worden gesteld). Het in de effectrapportage reflecteren opde betrokkenheid van het domein zorg is daarom slechts een kleinadministratief onderdeel van de effectrapportage. Dit hoeft niet meer opwetsniveau geregeld te worden, maar kan worden opgenomen in deministeriële regeling op grond van artikel 9.2.10, tweede lid.Artikel 9.2.9. Specifieke uitkeringDe contactgemeente van de Doorstroompuntregio ontvangt jaarlijks eenspecifieke uitkering. Voorheen stonden de voorschriften hiervoor inartikel 8.3.2, vijfde, achtste en negende lid (oud), en 8.3.4, vierde lid (oud).De hoogte van de specifieke uitkering wordt per regio bepaald. Deberekeningsmaatstaven en regels over de betaling van de specifiekeuitkering worden bij of krachtens AMvB vastgesteld. Tot dusver warenbepaalde indicatoren voor de berekeningswijze opgenomen opwetsniveau. Voorgesteld wordt om de berekeningswijze nu volledig bij ofkrachtens AMvB te regelen vanwege het technische karakter van devoorschriften.Artikel 9.2.10. EffectrapportageOp grond van dit artikel stelt het college van burgemeester en wethoudersvan de contactgemeente mede namens de andere partners in de regiojaarlijks een effectrapportage op. In de effectrapportage wordt gereflec-teerd op de streefcijfers voor de resultaten van de uitvoering van dezeparagraaf. De streefcijfers worden krachtens artikel 9.2.8, derde lid,onder a, opgenomen in het regionaal programma. Nu staat in de wet datde streefcijfers worden vastgesteld door de gemeenteraden (artikel 8.3.2,zevende lid (oud)). Het beleid wordt echter regionaal uitgevoerd. Hetvaststellen van afzonderlijke streefcijfers voor alle betrokken gemeenten isdaarom weinig doelmatig en niet goed uitvoerbaar.De effectrapportage wordt gezonden aan de Minister van OCW, die derapportages gebruikt bij de landelijke beleidsvorming.167Stb. 2018, 210.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 362 Artikel 9.2.11. Inlichtingen aan Onze MinisterArtikel 9.2.11 verplicht het college van burgemeester en wethouders vande contactgemeente van de Doorstroompuntregio ertoe om aan deMinister van OCW informatie te verstrekken over de uitvoering van dezeparagraaf. Het is voor de Minister van belang om deze informatie bij decontactgemeenten te kunnen opvragen. Aan de hand van de verstrektegegevens en van de effectrapportage wordt bijvoorbeeld de effectiviteitvan het ingezette beleid getoetst.Artikel 9.2.12. Loopbaanbegeleiding tijdens de opleiding en nadiplomeringEerste lidIn het eerste lid wordt aanvullende loopbaanbegeleiding gedefinieerd. Ditartikel geeft het bevoegd gezag de taak om advisering en ondersteuningaan te bieden. Bij deze advisering en ondersteuning moet worden gedachtaan bijvoorbeeld persoonlijke hulp bij het vinden van vacatures of hetopstellen van een cv of motivatiebrief. Het gaat hierbij niet om aanvullendonderwijs of financiële ondersteuning. Het ligt voor de hand dat hetbevoegd gezag zich met de jongere richt op het vinden van een baan dieaansluit bij de kennis en kunde die is opgedaan tijdens de opleiding.Tweede lidDe aanvullende loopbaanbegeleiding heeft een duur van maximaal éénjaar na diplomering. Het moment van diplomering is de datum waarop deexamencommissie vaststelt dat het examen met goed gevolg isafgesloten. Als een gediplomeerde na een jaar nog verdere ondersteuningnodig heeft, is de mbo-instelling hier niet de juiste partij voor. Onder-steuning kan dan worden voortgezet door het college van burgemeesteren wethouders van de gemeente, specifiek de dienst Werk en Inkomen, ofin het geval van entree-gediplomeerden (zonder startkwalificatie) door dedoorstroomcoach.Derde lidHet bevoegd gezag heeft een verplichting om aanvullende loopbaanbege-leiding aan te bieden aan studenten en recent gediplomeerden vanniveau 1 en 2-bol. Dit houdt niet in dat elke student aanvullende loopbaan-begeleiding moet krijgen. Het bevoegd gezag doet de student tijdens zijnberoepsopleiding een aanbod voor begeleiding, maar de keuze om ergebruik van te maken ligt bij de student. Het volgen van de aanvullendeloopbaanbegeleiding op grond van artikel 9.2.12 is geen voorwaarde voordiplomering en staat dus ook los van LOB dat onderdeel uitmaakt van elkeberoepsopleiding; het betreft een voorziening naast de beroepsopleiding.Wel kan voor de aanvullende loopbaanbegeleiding als bedoeld in ditartikel aansluiting worden gezocht bij hetgeen de jongere al tijdens LOBheeft geleerd of gedaan.Het doel van de aanvullende loopbaanbegeleiding is om de jongere teadviseren en ondersteunen bij zijn vervolgstap. Als een student ofgediplomeerde zich heeft ingeschreven voor een vervolgopleiding, is erop dat moment geen noodzaak voor aanvullende loopbaanbegeleiding.Hierdoor wordt overlap voorkomen met o.a. het studiekeuzeadvies dat bijeen intakeprocedure wordt verstrekt op grond van artikel 8.0.4, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 363 Vierde en vijfde lidVoor de meeste jongeren in de bbl niveau 2 of op niveau 3 en 4 isaanvullende loopbaanbegeleiding niet standaard nodig. Van het bevoegdgezag wordt gevraagd om beleid te maken waarin is vastgelegd onderwelke voorwaarden jongeren in de bbl niveau 2 en op niveau 3 en 4 inaanmerking komen voor aanvullende loopbaanbegeleiding. Het kanbijvoorbeeld gaan om studenten die worden aangedragen door eendocent of begeleider vanuit de instelling.Artikel 9.2.13. Samenwerking tussen bevoegd gezag en collegevan burgemeester en wethoudersHet kan zijn dat de benodigde begeleiding verder gaat dan dembo-instelling kan bieden. In dat geval is het belangrijk om tijdig teschakelen met het college van burgemeester en wethouders. Na diplo-mering kan de begeleiding van de jongere met zijn instemming wordenvoortgezet door het college van burgemeester en wethouders. Als hetbevoegd gezag de ondersteuning van de jongere na diplomeringoverdraagt aan het college van burgemeester en wethouders, stelt hetbevoegd gezag een overgangsdocument op. Daarin kan worden gereflec-teerd op de opbrengsten van de al aangeboden aanvullende loopbaanbe-geleiding. Deze term is afgeleid uit artikel 14e van de Wet op de expertise-centra: het betreft een document ten behoeve van het uitoefenen van eenfunctie op de arbeidsmarkt. Dat houdt overigens niet in dat de procedureuit 14e WEC (zoals het overleg met de directeur) van toepassing is.Artikel II. Wijziging ParticipatiewetMet artikel II, onderdeel B, wordt een nieuw artikel 7a van de Participa-tiewet voorgesteld. Dit artikel is deels een voortzetting van het huidigeartikel 10f. Op grond van artikel 10f kan het college jongeren die nog leer-of kwalificatieplichtig zijn als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 enjongeren van 18 tot 27 jaar zonder startkwalificatie ondersteunen bijleer-werktrajecten. Het voorgestelde artikel 7a breidt die bevoegdheidverder uit. Voor de vindbaarheid stelt de regering voor om artikel 10f telaten vervallen (onderdeel D) en alle regels over ondersteuning bijarbeidsparticipatie voor jongeren in een nieuw artikel 7a op te nemen.Daarmee komen die regels na artikel 7, dat in het algemeen gaat over(onder meer) ondersteuning bij arbeidsinschakeling.De regering wil graag de inzichtelijkheid van de regels over ondersteuningbij arbeidsinschakeling voor jongeren verbeteren. Het voorgesteldeartikel 7a heeft daarom betrekking op alle personen jonger dan 27 jaar.Om dat te bereiken past het wetsvoorstel allereerst de reikwijdte vanartikel 7 aan. Jongeren onder de 27 jaar die geen uit ’s Rijks kas bekostigdonderwijs kunnen volgen vallen nu nog onder artikel 7 (het eerste lid,onderdeel a, in samenhang met het derde lid, onderdeel a). Artikel II,onderdeel A, zorgt ervoor dat in artikel 7, derde lid, onderdeel a, eenuitzondering komt voor alle jongeren onder de 27 jaar.Artikel 7a, eerste lidDe aanhef van artikel 7a, eerste lid, voorziet in de bevoegdheid van hetcollege om personen jonger dan 27 jaar ondersteuning aan te bieden bijof gericht op arbeidsinschakeling. Ondersteuning bij arbeidsinschakelingziet op de daadwerkelijke bemiddeling naar en ondersteuning tijdens hetwerk na verlaten van het onderwijs. Ondersteuning gericht op arbeidsin-schakeling ziet op het voorbereiden van de jongere op werk, om deovergang van school naar werk zo soepel mogelijk te laten verlopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 364 De doelgroep van het eerste lid bestaat uit:a.jongeren ten aanzien waarvan het college oordeelt dat het volgen vanuit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is;b.jongeren ten aanzien waarvan het bevoegd gezag van de school ofinstelling om ondersteuning verzoekt;c.jongeren die hoger onderwijs volgen.Artikel 7a, eerste lid, onderdeel aJongeren die niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgenvormen de doelgroep die momenteel onder artikel 7, eerste lid,onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, valt. Het voorstel is om dit tecontinueren; hierin brengt het wetsvoorstel geen inhoudelijke wijzigingenaan. In paragraaf 4.3 van het algemene deel van de memorie vantoelichting is dit toegelicht. Hieraan worden jongeren toegevoegd tenaanzien waarvan het college oordeelt dat terugleiden naar uit ’s Rijks kasbekostigd onderwijs niet passend is.Artikel 7a, eerste lid, onderdeel bOnderdeel b betreft de gevallen waarin het bevoegd gezag van een pro- ofvso-school of een mbo-instelling verzoekt om ondersteuning door degemeente.Het bevoegd gezag kan de gemeente betrekken bij de aanvullendeloopbaanbegeleiding als bedoeld in artikel 9.2.12 WEB, artikel 2.31a WVO2020 of artikel 44 WEC. Het bevoegd gezag blijft in het geval van betrok-kenheid van de gemeente altijd zelf verantwoordelijk voor het vervullenvan haar wettelijke taken. Na diplomering kan het bevoegd gezag degemeente ook verzoeken de ondersteuning voort te zetten. Vanaf datmoment is de gemeente verantwoordelijk.In sommige gevallen kan de school de gemeente ook in een anderecontext dan de aanvullende loopbaanbegeleiding betrekken, bijvoorbeeldbij het vinden van een stage. Daarom wordt niet expliciet verwezen naarde wetsartikelen waarin de aanvullende loopbaanbegeleiding is geregeld.Artikel 7a, eerste lid, onderdeel cOnderdeel c gaat over jongeren die hoger beroepsonderwijs (hierna: hbo)of wetenschappelijk onderwijs (hierna: wo) volgen. Hbo- ofwo-instellingen hebben anders dan de scholen als bedoeld onder b geentaak tot het bieden van aanvullende loopbaanbegeleiding of samen-werking met de gemeente in de begeleiding van school naar werk.Daarom hoeft hier geen sprake te zijn van een verzoek van het instellings-bestuur (voor pro, vso en mbo: het bevoegd gezag) van de hbo- ofwo-instelling. In de meeste gevallen zal het om een verzoek van de hbo- ofwo-student zelf gaan. Of ondersteuning nodig is, is ter beoordeling aan degemeente.Tot de doelgroep die valt onder de onderdelen b en c behoren ook dejongeren waarop het huidige artikel 10f, aanhef en onderdeel a, vantoepassing is. Verschil met de huidige bepalingen is dat de wijze waaropde jongeren kunnen worden ondersteund ruimer is. Dit wordt verdertoegelicht in de toelichting op het derde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 365 Artikel 7a, tweede lidHet tweede lid voorziet erin dat het college de jongere kan doorgeleidennaar ondersteuning op grond van (het voorgestelde) artikel 9.2.5 WEB. Opbasis van artikel 9.2.5 WEB kan het Doorstroompunt jongeren zonderstartkwalificatie ondersteuning bieden gericht op het terugleiden naarinitieel voltijdsonderwijs. Dat artikel bevat een spiegelbepaling, op grondwaarvan jongeren waarvoor terugleiden naar het initieel voltijdsonderwijsniet passend is, kunnen worden doorgeleid naar ondersteuning naar werkop grond van de Participatiewet.Artikel 7a, derde lidHet derde lid regelt dat de ondersteuning van een jongere die niet overeen startkwalificatie beschikt zo mogelijk plaatsvindt in de vorm van eenleer-werktraject. Dit is een combinatie van werken met leren.168 Juist lerenin de praktijk, op de werkvloer, is bewezen effectief. Door jongeren zonderstartkwalificatie op deze manier bij te scholen wordt hun positie op dearbeidsmarkt versterkt, wat bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling.Dat is dezelfde als in het huidige artikel 10f, aanhef en onderdeel b. Is eenleerwerktraject geen optie, dan kan de gemeente met dit wetsvoorstel opandere wijze invulling geven aan ondersteuning bij arbeidsinschakeling.Het bestaande artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet, voorziet er alin dat het college bepaalt welke gegevens een belanghebbende tenbehoeve van de arbeidsinschakeling moet verstrekken. Voor zover hetcollege (het Doorstroompunt) al over gegevens beschikt in het kader vanzijn taak om jongeren zonder startkwalificatie te ondersteunen, kunnen diegegevens op basis van het voorgestelde artikel 9.2.5, vierde lid, WEBverder worden verwerkt als dat noodzakelijk is voor de uitvoering vanartikel 7a van de Participatiewet.Artikel 7a, vierde lidHet voorgestelde vierde lid betreft een delegatiegrondslag. Daarmeekunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld overde taak van de centrumgemeenten bij de ondersteuning van jongeren opgrond van dit artikel. Deze centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’szijn vastgesteld krachtens artikel 10, tweede lid, van de Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen, in artikel 1.8 van de RegelingSUWI.Deze regels kunnen betrekking hebben op taken van de centrumge-meenten bij de regionale samenwerking, het regionaal programma, hetregionaal bestuurlijk overleg en de effectrapportage, bedoeld in deartikelen 9.2.4, 9.2.8 en 9.2.10 van de WEB. In die artikelen van de WEB isde rol van de centrumgemeente al benoemd. Deze delegatiegrondslag isbedoeld om die rol verder uit te kunnen werken.Artikel 8aArtikel II, onderdeel A, regelt dat de verordeningsplicht van artikel 8a,eerste lid, onderdeel a, over het ondersteunen bij arbeidsinschakeling ookkomt te zien op artikel 7a. Daarmee is de gemeenteraad gehouden omregels te stellen over het ondersteunen bij arbeidsinschakeling van dedoelgroep van artikel 7a.168Dit is niet hetzelfde als een leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 WVO 2020. Het begrip«leer-werktraject» heeft in de Participatiewet een eigenstandige betekenis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 366 Artikelen III en IV – Wijziging van de WVO 2020 en de WECBij de introductie van wetgeving tegen voortijdig schoolverlaten in 2001zijn gelijkluidende artikelen opgenomen in de WEC, de WVO en de WEB.Voortijdig schoolverlaten vindt namelijk in alle drie deze domeinen plaats.Met deze wijziging wordt voorgesteld om een deel van de artikelen over tehevelen naar de WEB. Dit heeft materieel geen gevolg voor dedoorwerking van deze artikelen voor schoolverlaters uit het vo of het vso.Wel voorkomt het de waarschijnlijkheid van wetstechnische foutenwanneer elke wijziging van deze artikelen in drie wetten moet wordenaangepast. Gekozen is om de taak van het college van burgemeester enwethouders op te nemen in de WEB. Het gros van de niet-leerplichtigejongeren die het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie komt namelijkvan het mbo. Tevens vervalt de verouderde evaluatiebepaling inartikel 13.3 WVO 2020.In de WEC en de WVO 2020 wordt aanvullende loopbaanbegeleiding voorhet vso en het pro grotendeels gelijk geregeld aan mbo. Zie daarvoor deartikelsgewijze toelichting op de voorgestelde artikelen 9.2.12 en 9.2.13WEB (Artikel I, onderdeel II) en de wijziging van artikel 7.4.8, vierde lid,WEB. Afwijkend is dat voor het pro en het vso is geregeld dat het bevoegdgezag in het tweede jaar na het verlaten van de school nog een advise-rende rol heeft op verzoek van de jongere. Dit is toegelicht in artikel 4.2.4van het algemeen deel van de memorie van toelichting.Daarnaast is afwijkend dat WEC en de WVO 2020 andere begrippengebruiken dan de WEB, namelijk «leerling» in plaats van «student»,«schoolgids» in plaats van «studentenstatuut» en «medezeggen-schapsraad» in plaats van «studentenraad». Door het opnemen van hetaanbod aan loopbaanbegeleiding in de schoolgids wordt voor zowelleerlingen, ouders als verzorgers helder wat ze kunnen verwachten.Daarnaast wordt «diplomering» vervangen door «verlaten van de school»:voor deze groepen leerlingen is het halen van een schooldiploma dusgeen vereiste om een aanbod tot aanvullende loopbaanbegeleiding tekrijgen. Tevens is een verschil met het mbo dat de aanvullende loopbaan-begeleiding voor het pro en vso alleen gericht is op het ondersteunen bijde overstap naar de arbeidsmarkt, niet naar het vervolgonderwijs. Zowelhet pro als het uitstroomprofiel arbeidsmarkt zijn immers gericht op hetvoorbereiden op het vervullen van functies op de arbeidsmarkt.VsoVoor wat betreft de doelgroep van de aanvullende loopbaanonder-steuning geldt het volgende: het bevoegd gezag van een vso-school heefteen verplichting om aanvullende loopbaanbegeleiding aan te bieden aande jongeren die de school verlaten met het uitstroomprofiel arbeidsmarkt,tenzij de leerling staat ingeschreven voor een vervolgopleiding.Het bevoegd gezag heeft geen verplichting om jongeren met hetuitstroomprofiel dagbesteding of vervolgonderwijs, aanvullendeloopbaanbegeleiding aan te bieden. Met het derde lid van artikel 44 WECwordt de passieve nazorgplicht voor deze groep behouden, zoals deze nuis opgenomen in artikel 44 WEC. De jongeren die onder het derde lidvallen kunnen een verzoek doen aan het bevoegd gezag om geadviseerdte worden over de overstap naar de arbeidsmarkt, het volgen vanaansluitend vervolgonderwijs of het functioneren in een vorm vandagbesteding. Dat geldt, conform de huidige formulering van artikel 44WEC, ook voor de ouders van de leerling die niet meerderjarig enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 367 handelingsbekwaam is. De duur van deze passieve nazorgplicht betrefttwee jaar.ProIn het pro krijgt het bevoegd gezag een verplichting om aanvullendeloopbaanbegeleiding aan te bieden jongeren die de pro-school verlatenen uitstromen naar de arbeidsmarkt. Dit betreft de jongeren zonderaansluitende inschrijving voor het vervolgonderwijs.De taak voor scholen om aanvullende loopbaanbegeleiding te biedengeldt ook voor het pro op de BES-eilanden. In paragraaf 6 van dezetoelichting is beschreven op welke wijze de aanvullende loopbaanbege-leiding op de BES-eilanden afwijkt van die in Europees Nederland.Artikel V – Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijsBESDe taak voor instellingen om aanvullende loopbaanbegeleiding te biedengeldt ook voor de mbo-instellingen op de BES-eilanden. Zie daarvoor deartikelsgewijze toelichting bij artikel 9.2.12 WEB. In paragraaf 6 van dealgemene toelichting is beschreven op welke wijze de aanvullendeloopbaanbegeleiding op de BES-eilanden afwijkt van die in EuropeesNederland.Artikel VI – Wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemersVoor de uitvoering van artikel 9.2.5 WEB (nieuw) is het noodzakelijk dathet college van burgemeester en wethouders de doelgroep van de taakkan afbakenen. Hiervoor moet het college inzicht krijgen in het gegevenwelke jongeren tot 27 jaar nog niet beschikken over een startkwalificatie.Bij een verhuizing van een jongere die al langdurig geen onderwijs meervolgt (de basisgegevens worden 5 jaar na de beëindiging van de laatsteinschrijving geschoond), kan het daarom nodig zijn om de diplomage-gevens uit het register onderwijsdeelnemers te raadplegen. Deze bepalingcreëert daarvoor een grondslag. Onderdeel A van de wijziging bevat eentechnische correctie van een verwijzing naar de WEB.Artikel VII – EvaluatiebepalingIn artikel VII is een evaluatiebepaling opgenomen. Gekozen is voor destandaardevaluatietermijn van vijf jaar omdat er dan voldoende ervaringmet de wet in de praktijk zal zijn opgedaan. Dit belet niet dat er gedeelte-lijke tussenevaluaties worden gedaan naar de effecten van de wet, zodatde uitkomsten daarvan tijdig kunnen worden betrokken bij de volgendecyclus van het regionaal programma. Zie verder hoofdstuk 7 van detoelichting voor een inhoudelijke toelichting op de evaluatie.Artikel VIII – Intrekking Wet regels inzake regionale meld- encoördinatiefunctie voortijdig schoolverlatenMet dit artikel wordt een wijzigingswet uit 2001 ingetrokken. De wetbevatte enkel nog een verouderde evaluatiebepaling.Artikel IX – Samenloopbepaling wetsvoorstel onderwijsonder-steuning zieke leerlingenMbo-instellingen kunnen ondersteund worden bij het onderwijs aan ziekestudenten (OZL). In artikel 7.1.4, eerste lid, van de WEB is de doelgroepvan deze voorziening nu afgebakend tot studenten die bij aanvang vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 368 hun opleiding leerplichtig waren. Indien het wetsvoorstel onderwijsonder-steuning aan zieke leerlingen (Kamerstukken 36 530) tot wet wordtverheven, wordt de doelgroep uitgebreid naar zieke studenten jonger dan23 jaar die nog geen startkwalificatie hebben. De reden daarvoor is datdeze studenten risico lopen op voortijdig schoolverlaten. Nu de doelgroepvan het Doorstroompunt in het bij onderhavig wetsvoorstel voorgesteldeartikel 9.2.1 wordt uitgebreid naar jongeren zonder startkwalificatie tot27 jaar, ligt het voor de hand om in lijn hiermee ook de doelgroep van OZLaan te passen. Beleidsmatig en financieel heeft deze leeftijdsaanpassingweinig impact voor Stichting OZL. Het aantal jongeren op het mbo zonderstartkwalificatie en jonger dan 23 jaar bedraagt 260.000 studenten; als dedoelgroep wordt uitgebreid naar jonger dan 27 jaar zonder startkwalifi-catie groeit dit aantal met ongeveer 8.000 studenten.Artikel X – Samenloopbepaling wetsvoorstel terugdringenschoolverzuimMet deze samenloopbepaling wordt een verwijzing naar het artikel met demeldplicht ongeoorloofd verzuim voor jongeren in doelgroep van hetDoorstroompunt gecorrigeerd in het met het wetsvoorstel terugdringenschoolverzuim in te voegen artikel 8.1.6a WEB.Artikel XI – InwerkingtredingDe artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvanverschillend kan worden vastgesteld. Er wordt gestreefd naar inwerking-treding per 1 januari 2026 van alle onderdelen van deze wet. Bij deinwerkingtreding van deze wet zal worden aangesloten bij het beleid vanhet kabinet inzake vaste verandermomenten van regelgeving.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. BruinsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 369 Transponeringstabel artikelen m.b.t. begeleiding van school naarwerkWEB-artikel oudLid oudWEB-artikel nieuw8.1.8Eerste lid9.2.1Tweede lidVervalt8.1.8a9.2.28.3.1Eerste lid9.2.1Tweede lidVervalt8.3.2Eerste lid9.2.5, eerste lidTweede lid9.2.4, eerste lidDerde lid9.2.4, tweede en derde lidVierde lid9.2.4, vierde en vijfde lidVijfde lid9.2.9, eerste en tweede lidZesde lid9.2.3Zevende lid9.2.8, derde lid, onderdeel a, en9.2.10, eerste lidAchtste lid9.2.9, derde lidNegende lid9.2.9, vierde lid8.3.3Eerste lid9.2.10, eerste lidTweede lid9.2.11, eerste lidDerde lid9.2.11, tweede lid8.3.4Eerste lid9.2.8, eerste lidTweede lid9.2.8, tweede lidDerde lid9.2.4, derde lid, onder cVierde lid9.2.9, eerste lidVijfde lid9.2.8, derde lid8.3.59.1.20 Bijlage 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 370 Transponeringstabel Sterk beroepsonderwijsWEB-artikel oudWEB-artikel nieuwInhoud8.5a.19.1.1Begripsbepaling8.5a.29.1.2Doorlopende leerroutes vmbo-mbo8.5a.39.1.3Samenwerkingsovereenkomstinstelling en school doorlopendeleerroute vmbo-mbo8.5a.49.1.4Melden doorlopende leerroutevmbo-mbo8.5a.59.1.5Inrichting doorlopende leerroute8.5a.6Vervallen m.i.v. 1-8-20231Vervallen8.5a.79.1.6Inschrijving bij de instelling8.5a.89.1.7Verantwoordelijkheid van deinstelling8.5a.99.1.8Onderwijs- en examenregeling8.5a.109.1.9Studieduur doorlopende leerroutevmbo-mbo8.5a.119.1.10Onderwijstijd doorlopende leerroutevmbo-mbo (bol)8.5a.129.1.11Onderwijstijd doorlopende leerroutevmbo-mbo (bbl)8.5a.139.1.12Teambevoegdheid8.5a.149.1.13Verwijdering8.5a.159.1.14Overstapoptie8.5a.169.1.15Overdracht bekostiging in het kadervan een doorlopende leerroutevmbo-mbo8.5a.179.1.16Artikelen die buiten toepassingblijven voor de doorlopendeleerroute vmbo-mbo8.4.39.1.17Samenwerkingsovereenkomstgeïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding8.5.39.1.19Samenwerkingsovereenkomstgeïntegreerde route VSO-basisberoepsopleiding8.5.49.1.18Samenwerkingsovereenkomstdoorlopende leerroute VSO-mbo1 Stb. 2022, 134 en 264. Bijlage 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 371 Afkortingen en begrippenlijstVolledige naamAfkortingUitlegArbeidsmarktregioNederland is onderverdeeld in 35 arbeidsmarktregio’s.Binnen deze regio’s werken gemeenten en UWV samenaan dienstverlening die gericht is op werkgevers enwerkzoekenden.Basisberoepsopleidingniveau 2De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalifica-tie voor het tweede niveau van beroepsbeoefening.Beroepsbegeleidende leerwegbblDe bbl-student werkt vier dagen voor een bedrijf oforganisatie en gaat één dag per week naar school. Hijheeft een arbeidscontract bij een werkgever (zieartikel 7.2.7 derde lid WEB).Beroepsopleidende leerwegbolDe bol biedt volledig dagonderwijs met praktijkstages,waarbij het minimumpraktijkdeel per opleiding varieert.Tussen de school, student en het leerbedrijf wordt eenpraktijkovereenkomst gesloten (zie artikel 7.2.7 vierde lidWEB).BijstandsuitkeringDit is een uitkering (bijstand) ter voorziening in dealgemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Debijstandsuitkering wordt verstrekt op basis van deParticipatiewet.Centraal bureau voor de statistiekCBSHet Centraal Bureau voor de Statistiek produceert enpubliceert statistische informatie over de Nederlandsesamenleving.CentrumgemeenteHeeft de regie en coördinerende taak bij regionalesamenwerking in de arbeidsmarktregio en voert hetbeheer van de daarvoor beschikbaar gestelde financiëlemiddelen. Krijgt met dit wetsvoorstel ook een taak bij detotstandkoming en uitvoering van het regionaal pro-gramma, de op te stellen effectrapportage en hethiervoor benodigde regionaal bestuurlijk overleg.ContactgemeenteGemeenten in een Doorstroompuntregio wijzen uit hunmidden één contactgemeente aan. Deze contactgemeentemaakt onder andere afspraken met partijen bij deuitvoering van de taken van het Doorstroompunt, isverantwoordelijk voor de totstandkoming van hetregionaal programma, voert deze maatregelen samenmet de contactschool uit en ontvangt en beheert demiddelen.ContactschoolDe scholen in een Doorstroompuntregio wijzen uit hunmidden een school aan die optreedt als de contactschool.De contactschool is samen met de contactgemeenteverantwoordelijk voor de uitvoering van het regionaalprogramma, vraagt de subsidie aan voor het regionaalprogramma en beheert deze, neemt deel aan hetregionaal bestuurlijk overleg en voert maatregelen vanhet regionaal programma uit.Bijlage 3:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 372 Volledige naamAfkortingUitlegDecentralisatie-uitkeringDUFinancieel instrument waarmee het Rijk budget beschik-baar stelt aan medeoverheden. Deze decentralisatie-uitkeringen zijn vaak gericht op een bepaald beleidsdoelen geven de mogelijkheid om een andere financiëleverdeling te hanteren dan de algemene uitkering in hetGemeentefonds. Medeoverheden hebben veel beste-dingsvrijheid bij dit type uitkering.Decentralisatie-uitkering JeugdDU JeugdDit is een decentralisatie-uitkering van het Rijk aan 35gemeenten. Deze bestaat sinds 2010 om voortijdigschoolverlaten bij «overbelaste jongeren» tegen te gaan.Deze jongeren kampen met meerdere problemen enhebben daarom een grotere kans om voortijdig uit tevallen. Deze DU Jeugd bevat structureel € 21,7 miljoenen wordt nu verdeeld over 35 gemeenten op basis vanhet aantal vmbo-deelnemers in leerjaar 3 en 4 enmbo-deelnemers niveau 1 en 2 in 2010 uit armoedepro-bleemcumulatiegebieden.DoorstroompuntNieuwe naam voor de Regionale Meld- en Coördinatie-functie (RMC-functie). Dit is de gemeentelijke taak omjongeren zonder startkwalificatie te ondersteunen naaronderwijs of, als dit niet passend is, werk.Economisch zelfstandigSituatie waarbij het persoonlijke inkomen uit arbeid ofeigen onderneming hoger is dan de bijstandsuitkeringvoor een alleenstaande (70% van het wettelijke nettominimumloon).EntreeopleidingEntreeDe entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voorhet eerste niveau van beroepsuitoefening of voor deentree op de arbeidsmarkt. Deelnemers die geenvmbo-diploma hebben, niet toelaatbaar zijn tot eenmbo-opleiding op niveau 2, 3 of 4 kunnen een entreeop-leiding doen.GemeenteIn dit wetsvoorstel wordt hiermee de uitvoerder van deParticipatiewet bedoeld en niet het gemeentelijkeDoorstroompunt.Inspectie van het OnderwijsInspectieDe Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht opscholen.Interdepartementaal beleidsonder-zoek jongeren met afstand tot dearbeidsmarktIBO JmAAHet kabinet heeft in 2019 een groot onderzoek latenuitvoeren naar het Rijksbeleid gericht op jongeren met(risico op) afstand tot de arbeidsmarkt. Het IBO analyseerthet gevoerde rijksbeleid en schetst oplossingen voor degeconstateerde knelpunten. Het IBO-rapport is versche-nen in april 2019.Jongeren in een kwetsbare positieJongeren afkomstig uit het praktijkonderwijs, voortgezetspeciaal onderwijs, Entree en vmbo-basis die overstap-pen naar Entree, mbo 2 of uitstromen uit het onderwijs.Jongeren met afstand tot dearbeidsmarktDit zijn jongeren die niet staan ingeschreven bij eenschool, economisch niet-zelfstandig zijn en wel beschik-baar zijn voor de arbeidsmarkt. Sommige jongerenhebben dus wel werk, maar kunnen hier niet vanrondkomen en hebben dan ook een afstand tot dearbeidsmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 373 Volledige naamAfkortingUitlegKwalificatieplichtDe kwalificatieplicht start na de leerplicht en duurt totdatde jongere een startkwalificatie heeft gehaald of deleeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De kwalificatieplichthoudt in dat jongeren zijn onderwijs te volgen. Deleerplichtambtenaar van de woongemeente houdttoezicht op de leerplicht en de kwalificatieplicht.Jongeren van 18 jaar en ouder zijn niet meer verplicht omeen startkwalificatie te halen of naar school te gaan. Tochvergroot een diploma de kansen op de arbeidsmarkt.Leerplichtwet 1969Wet waarin staat dat alle jongeren leerplichtig zijn tot enmet het schooljaar waarin ze zestien worden of twaalfvolledige schooljaren hebben doorlopen, waarna dekwalificatieplicht aanvangt die duurt totdat de jongereeen startkwalificatie heeft gehaald of de leeftijd van18 jaar heeft bereikt. Leer- en kwalificatieplichtigejongeren moeten zijn ingeschreven bij een school en dezeregelmatig bezoeken.Loopbaanoriëntatie en -begeleidingLOBMet loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) krijgenstudenten meer zicht op hun kwaliteiten, mogelijkhedenen drijfveren. Dit stelt hen in staat een passendeopleiding te kiezen én er een succesvol vervolg aan tegeven. LOB maakt onderdeel uit van elk kwalificatiedos-sier en is dus ook een verplicht onderdeel van deopleiding.MiddenkaderopleidingNiveau 4De middenkaderopleidingen richten zich op de kwalifica-tie voor het vierde niveau van beroepsbeoefening.Ministerie van Onderwijs, Cultuuren WetenschapOCWMinisterie dat onder andere verantwoordelijk is voor hetbasisonderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo en wo.Ook verantwoordelijk voor het Doorstroompunt.Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheidSZWMinisterie dat zich onder andere richt op het arbeids-marktbeleid, uitkeringen en re-integratie en het inko-mensbeleid. Gaat ook over de Participatiewet die met ditwetsvoorstel wordt gewijzigd.OvergangsdocumentEen document dat de pro- of vso-school of mbo-instellingsamen met de jongere maakt en dat bij een overdrachtnaar de gemeente, met goedkeuring van de jongere,wordt overgedragen.ParticipatiewetIedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarktzonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatie-wet. De wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werkvinden, ook mensen met een arbeidsbeperking.PraktijkonderwijsproPraktijkonderwijs is een vorm van voortgezet onderwijs.Praktijkonderwijs bereidt leerlingen zo goed mogelijkvoor op de maatschappij. Alle leerlingen volgen eeneigen ontwikkelplan. De meeste leerlingen zitten 5 jaar opeen school voor praktijkonderwijs. Leerlingen behalennaast een getuigschrift of schooldiploma ook diploma’svan branche-opleidingen. Na het praktijkonderwijs gaateen groot deel van de leerlingen aan het werk. Een deelvan de leerlingen stroomt door naar het mbo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 374 Volledige naamAfkortingUitlegRegionaal bestuurlijk overlegDe partijen voeren regionaal bestuurlijk overleg over detotstandkoming van het regionaal programma, deuitvoering en financiering van de daarin opgenomenmaatregelen en de onderlinge samenwerking. Bij hetoverleg wordt ook het domein zorg betrokken.Regionaal programmaDe contactgemeenten, contactschool en de centrumge-meente in de Doorstroompuntregio maken samen eenregionaal programma. Hierin nemen zij voor jongerenvan 12 tot 27 jaar maatregelen ter bevordering van hetaantal personen dat een startkwalificatie behaalt en terverbetering van de overgang van het onderwijs naar dearbeidsmarkt. Ook maken zij in het regionaal programmaafspraken over de samenwerking tussen de scholen, hetDoorstroompunt en gemeenten. Het regionaal bestuurlijkoverleg beslist over het regionaal programma.Regionale meld- en coördinatie-functieRMC-functieDit is de oude naam van het Doorstroompunt.Samenwerkingsorganisatieberoepsonderwijs bedrijfslevenSBBBegeleidt de leerbedrijven waar studenten terechtkunnenvoor een stage of leerbaan van goede kwaliteit. Hetmaakt afspraken over wat de student moet weten enkunnen om een diploma te behalen, of een mbo-certificaat voor leven lang ontwikkelen. Daarnaastadviseert SBB de Minister van OCW over de aansluitingvan het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt.Sociaal economische statusSESDit is een indicator die is gebaseerd op de financiëlewelvaart, het opleidingsniveau en het recente arbeidsver-leden van particuliere huishoudens.Specifieke uitkeringSPUKGemeenten en provincies kunnen extra geld krijgen ombepaald beleid van de Rijksoverheid uit te voeren. Dit zijnspecifieke uitkeringen.StartkwalificatieDiploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger.Jongeren tot 18 jaar zijn verplicht een startkwalificatie tehalen (zie kwalificatieplicht).Uitkeringsinstituut werknemers-verzekeringenUWVVerzorgt uitkeringen zoals de werkloosheidswet en deWet op de Arbeidsongeschiktheid en helpt werkzoeken-den bij het vinden van werk.Vakopleidingniveau 3De vakopleidingen richten zich op de kwalificatie voor hetderde niveau van beroepsbeoefening.Voortgezet speciaal onderwijsvsoHet voortgezet speciaal onderwijs is er voor leerlingendie specialistische ondersteuning nodig hebben, dat hetregulier onderwijs niet kan bieden. Scholen voorvoortgezet speciaal onderwijs moeten een ontwikke-lingsperspectief voor leerlingen vaststellen. In dit planstaat in het speciaal onderwijs de verwachte uitstroombe-stemming van de leerling: dagbesteding, arbeidsmarktge-richt of vervolgonderwijs.Voortijdig schoolverlaterVSVJongere tussen de 12 en 23 die het onderwijs heeftverlaten zonder startkwalificatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 375 Volledige naamAfkortingUitlegWerkgevers ServicepuntWSPIn het WSP werken gemeenten, UWV en sociaalontwikkelbedrijven samen om een goede werkgevers-dienstverlening te bieden.Wet educatie en beroepsonderwijsWEBWet waarin de regels staan voor het mbo en hetDoorstroompunt.Wet op de expertisecentraWECWet waarin onder andere de regels staan voor hetvoortgezet speciaal onderwijs.Wet voortgezet onderwijs 2020WVO 2020Wet waarin de regels staan voor het voortgezet onderwijs(inclusief het praktijkonderwijs). Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 376
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris zal, bij de voorbereiding van het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk, samen met de bewindspersoon van SZW en andere betrokken parti
De staatssecretaris zal, bij de voorbereiding van het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk, samen met de bewindspersoon van SZW en andere betrokken partijen bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn om de overgang van school naar werk zo soepel mogelijk te laten verlopen in het tweede jaar
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.