Onderzoeksresultaten meerouderschap en meerpersoonsgezag
Brontekst
Versie f8b718a28910231c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 836Personen- en familierechtNr. 104 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 maart 2025Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Staatssecretaris Digitalisering enKoninkrijksrelaties, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, deStaatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, de StaatssecretarisJeugd, Preventie en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid, de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en deStaatssecretaris Herstel en Toeslagen, over de onderzoeksresultaten enbesluitvorming in het kader van meerouderschap en meerpersoonsgezag.Deze onderzoeken zijn door het vorige (toen demissionaire) kabinetaangekondigd in de brief van 6 oktober 20231 ter voorbereiding opintegrale besluitvorming over een wettelijke regeling voor invoering vanmeerouderschap en meerpersoonsgezag.2In deze brief wordt een samenvatting gegeven van de belangrijksteonderzoeksresultaten aangaande de volgende drie hoofdonderdelen: 1)het belang van het kind, 2) de omvang van de doelgroep en 3) de impactvan invoering van een regeling op (uitvoerings)organisaties en wet- enregelgeving. In het kader van het tweede onderdeel bieden wij uw Kamerhet onderzoeksrapport «Onderzoek naar doelgroepen voor meerouder-schap en meerpersoonsgezag» aan dat is uitgevoerd door marktonder-zoeksbureau Ipsos I&O in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks-en Datacentrum (hierna: het WODC-onderzoek). Op basis van al deze1Kamerstukken II 2023/24, 33 836, nr. 85. In deze brief is de Kamer geïnformeerd over de standvan zaken van de uitvoering van de motie van lid Van Ginneken c.s. inzake een plan enplanning rond de invoering van een regeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag:Kamerstukken II 2021/22, 33 836, nr. 752Volgens de wet kan een kind maximaal twee juridische ouders hebben (artikel 1:197 e.v. BW) enkunnen maximaal twee personen gezag hebben over een kind (artikel 1:245 e.v. BW). Volgenshet advies van de Staatscommissie herijking ouderschap in haar rapport «Kind en ouders in de21e eeuw» (bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 33 836, nr. 18) kan een regeling voor meerou-derschap en meerpersoonsgezag gelden voor maximaal vier personen in maximaal tweehuishoudens. kst-33836-104ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1041 onderzoeksresultaten heb ik een integrale weging gemaakt ten aanzienvan meerouderschap en meerpersoonsgezag. Aan het einde van de briefinformeer ik uw Kamer over het resultaat van deze weging.1. Het belang van het kind Het adviesrapport van de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbe-schermingDe Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: deRSJ) heeft in zijn rapport «Het belang van het kind in meeroudergezinnen.Advies over waarborgen voor de belangen van kinderen in een regelingvoor meerouderschap en -gezag en meerpersoonsgezag.» adviesuitgebracht over hoe in een regeling voor meerouderschap en -gezag ofmeerpersoonsgezag het belang van het kind zo goed mogelijk kan wordengeborgd. Dit rapport is op 4 oktober 2024 aan uw Kamer gestuurd.3De RSJ heeft gekeken naar twee vormen van meeroudergezinnen: 1) hetintentioneel meerouderschap waarbij vóór de conceptie de intentiebestaat het kind met drie of vier personen op te voeden (hierna: meerou-dergezinnen die vanaf de geboorte bestaan) en 2) meerouderschap insamengestelde gezinnen, waarbij één of twee stiefouders in de loop vanhet leven van het kind gezag en eventueel juridisch ouderschapverkrijgen. De RSJ heeft pleegzorgsituaties buiten beschouwing gelaten,omdat uit eerdere onderzoeken blijkt dat het van de context afhankelijk isof meerouderschap in een pleegzorgsituatie in het belang van het kind is.4De RSJ heeft literatuuronderzoek gedaan en gesprekken gevoerd metverschillende professionals, waaronder de Kinderombudsman enervaringsdeskundige ouders en kinderen uit beide gezinsvormen.De RSJ concludeert dat de gezinssituaties van kinderen in beide vormenvan meeroudergezinnen zeer verschillend van elkaar zijn. De RSJ vindt dathet openstellen van de keuze voor het verzoeken van meerouderschap en-gezag voor meeroudergezinnen die vanaf de geboorte bestaan in hetbelang is van kinderen. Ook als dit pas later in het leven van het kindwordt verzocht. De RSJ stelt dat de huidige juridische situatie metbetrekking tot ouderschap en gezag in deze gezinnen nu niet overeenkomtmet het dagelijks leven van ouders en kinderen en dat dit in de praktijkzorgt voor juridische en sociaal-emotionele belemmeringen. Hettoekennen van meerouderschap bestendigt daarnaast de levenslangefamilierechtelijke betrekkingen tussen ouders en kinderen, watwaarborgen meebrengt voor bijvoorbeeld het erfrecht en de zorgrelatietussen ouders en kinderen en andersom. Het vanaf de geboorte verkrijgenvan meerouderschap en -gezag in meeroudersituaties die vanaf degeboorte bestaan geeft volgens de RSJ rechtsgelijkheid en rechtsze-kerheid voor kinderen en ouders in deze gezinnen.Voor de tweede groep meeroudergezinnen, de samengestelde gezinnenna scheiding, vindt de RSJ dat de keuze voor het verzoeken van meerper-soonsgezag meer voor de hand ligt dan de keuze voor het vestigen vaneen familierechtelijke betrekking met een stiefouder naast de oorspronke-lijke juridische ouders. De RSJ stelt zichzelf, onder meer gezien dediversiteit aan stiefgezinnen, de vraag in hoeverre er behoefte is aan eenregeling voor meerpersoonsgezag binnen deze groep. De RSJ kan zichvoorstellen dat er situaties kunnen zijn waarin meerpersoonsgezag vooreen stiefouder in het belang van het kind is, bijvoorbeeld wanneer eenvan de juridische ouders voor langere tijd in het buitenland verblijft of3Bijlage bij: Kamerstukken II 2024/25, 33 836, nr. 994Zie pagina 13 van het RSJ-advies: Bijlage bij: Kamerstukken II 2024/25, 33 836, nr. 99Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1042 ernstig ziek is. De RSJ stelt als extra voorwaarde dat een rechter in dezegezinnen dan per geval zal moeten toetsen of meerpersoonsgezag in hetbelang van het kind is, waarbij de rechter in overweging neemt dat hettoekennen van meerpersoonsgezag niet conflict verhogend mag werken.Op basis van voorgaande visie doet de RSJ een tiental aanbevelingen dieten aanzien van het waarborgen van de belangen van het kind bijwetgeving in acht moeten worden genomen.KinderrechtentoetsDe Kinderombudsman heeft een kinderrechtentoets5 ontwikkeld waarmeede wetgever toetst in hoeverre nieuwe wet- en regelgeving, beleid ofwijzigingen hierin voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het Internati-onaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De RSJ heeft in zijn adviesover het belang van het kind bij een regeling de stappen die ten grondslagliggen aan de kinderrechtentoets, doorlopen. Ook heeft de RSJ voor zijnadvies gesproken met kinderen zoals wordt aanbevolen in de kinderrech-tentoets. Ambtelijke toepassing van de kinderrechtentoets leidt totvergelijkbare aandachtspunten aangaande het belang van het kind alswordt aanbevolen door de RSJ.Visie van de Raad voor de KinderbeschermingDe Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) heeft in februari2024 een geactualiseerde visie op meerouderschap en meerpersoons-gezag uitgebracht. Deze visie is op 4 oktober 2024 aan uw Kamergestuurd.6 Kort samengevat is de visie van de RvdK als volgt. Voormeeroudersituaties die vanaf de geboorte bestaan acht de RvdK eenwettelijke regeling voor meerouderschap en -gezag niet in strijd met hetbelang van het kind. Het doet volgens de RvdK recht aan de beleving vankinderen die meer dan twee ouders hebben en de RvdK vindt het nietaannemelijk dat in deze gezinnen het aantal conflicten rond gezag enomgang zal toenemen wanneer drie of vier mensen het gezag hebbenover de kinderen. Voor meeroudersituaties die later in het leven van hetkind ontstaan, vindt de RvdK wettelijk meerouderschap niet in strijd methet belang van het kind, maar wettelijk meeroudergezag/meerpersoonsgezag wel. In die gevallen schat de RvdK in het risico opconflicten groter in.Het advies van de RvdK over meeroudersituaties die later in het leven vanhet kind ontstaan wijkt af van het advies van de RSJ hieromtrent. De RSJacht wettelijk meerouderschap in deze meeroudersituaties namelijk niet inhet belang van het kind, maar invoering van meerpersoonsgezag wel. DeRvdK heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het advies van de RSJ.Reden hiervoor is dat de RSJ bij zijn advies oog heeft gehad voor hetrisico op conflicten in meeroudergezinnen die later in het leven van hetkind ontstaan en heeft geadviseerd dat de rechter bij een verzoek ommeerpersoonsgezag expliciet in overweging neemt dat toekenninghiervan niet conflict verhogend mag werken.5https://kinderrechtentoets.nl/6Bijlage bij: Kamerstukken II 2024/25, 33 836, nr. 99Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1043 2. De omvang van de doelgroep WODC-rapport Meerouderschap en meerpersoonsgezagIpsos I&O heeft in opdracht van het WODC-onderzoek gedaan naar dediversiteit en de omvang van de (mogelijke) doelgroep voor een wettelijkeregeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag. Het onderzoeks-rapport dat hierbij aan uw Kamer wordt aangeboden, is hiervan hetresultaat. Ik dank de onderzoekers voor dit onderzoek en het rapport.De onderzoekers maken, net als de RSJ, in het rapport onderscheid tussenmeeroudergezinnen die vanaf de geboorte bestaan7 en meerouderge-zinnen die later in het leven van het kind ontstaan. De onderzoekers gevenaan dat de samenstelling van de eerste groep meeroudergezinnen diversis. Deze bestaat grotendeels uit regenbooggezinnen, maar er zijn ooksituaties waarin een hetero stel samen met een derde persoon een kindkrijgt. De groep meeroudergezinnen die later in het leven van het kindontstaan bestaat met name uit gezinnen waarbij één of beide partnerskinderen uit een eerdere relatie hebben. De onderzoekers geven aan datook binnen deze groep sprake is van een groot aantal verschillendegezinssamenstellingen. Bij een klein deel van deze meeroudergezinnen iser sprake van pleegzorg of adoptie.Op basis van de ingevulde vragenlijsten schatten de onderzoekers in dat:–tussen de 0,06 procent en 0,24 procent van de Nederlanders tussen de20 en 68 jaar één of meerdere kinderen tot 25 jaar opvoedt in eenmeeroudergezin dat vanaf de geboorte bestaat. Op basis van drie ofvier betrokken ouders per gezin gaat dit naar schatting om 1.700 tot9.200 gezinnen;–3,8 procent van alle Nederlanders tussen de 20 en 68 jaar een kind tot25 jaar opvoedt in een meeroudergezin dat later in het leven van hetkind is ontstaan. Dit betreft ongeveer 435.000 volwassenen in 108.750tot 145.000 gezinnen.In het onderzoek is niet gekeken naar hoeveel kinderen hierbij per gezinzijn betrokken. De onderzoekers geven ook aan geen inschatting tekunnen maken van het aantal maal dat jaarlijks gebruik zal wordengemaakt van een wettelijke regeling.Een groot deel van de volwassenen uit meeroudergezinnen die vanaf degeboorte bestaan, geeft in het onderzoek aan behoefte te hebben aaninvoering van een wettelijke regeling voor meerouderschap en meerper-soonsgezag. Bij de volwassenen in meeroudergezinnen die later in hetleven van het kind ontstaan, blijkt de behoefte aan een regeling lager tezijn dan bij de groep volwassenen die betrokken is bij een meerouder-gezin dat vanaf de geboorte bestaat. In absolute aantallen is dit mogelijkwel een grotere groep dan het aantal meeroudergezinnen dat vanaf degeboorte bestaat en dat gebruik zou willen maken van een regeling,vanwege het veel grotere aandeel meeroudergezinnen die later in hetleven van het kind zijn ontstaan in Nederland.De onderzoekers benadrukken dat het in het onderzoek gaat om zelfrap-portage, waardoor dit geen onafhankelijk beeld geeft. Het aantal volwas-senen in een meeroudergezin dat vanaf de geboorte bestaat dat devragenlijst invulde is verder klein, waardoor deze resultaten volgens deonderzoekers als indicatief moeten worden gezien. Tot slot geven deonderzoekers aan dat in het geheel sprake kan zijn van een onderschatting7Het WODC schaart hier ook gezinnen onder die ontstaan zijn met behulp van een draagmoeder,eiceldonatie of zaaddonatie. Al hebben deze gezinnen niet (altijd) de intentie om samen hetkind op te voeden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1044 van het aantal meeroudergezinnen, omdat het aandeel respondenten datin het onderzoek aangeeft kinderen te hebben enigszins afwijkt van decijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2022.Tot slot is in het onderzoek het perspectief van inwoners van deBES-eilanden in meeroudersituaties meegenomen. Hieruit blijkt dat er inCaribisch Nederland andere meeroudersituaties voorkomen dan inEuropees Nederland. Er zijn vaker alleenstaande (minderjarige) moedersdie hun kind samen met ouders, grootouders of andere familieledenopvoeden. De geboortemoeder is vaak de enige juridisch ouder meteenhoofdig gezag. Daardoor lijken er bij het maken van keuzes weinigproblemen te bestaan. Een behoefte aan een wettelijke regeling voormeerouderschap en meerpersoonsgezag op de BES-eilanden wordt doorde onderzoekers niet herkend.3. De impact van invoering van een regeling op (uitvoerings)orga-nisaties en wet- en regelgeving Nadere uitvoeringsanalyse door het Netwerk van Publieke DienstverlenersHet Netwerk van Publieke Dienstverleners (hierna: het NPD), eensamenwerkingsverband van zo’n 80 publieke dienstverleners, heeft opons verzoek een uitvraag gedaan bij hun leden naar de impact vaninvoering van een wettelijke regeling voor meerouderschap en meerper-soonsgezag. In totaal hebben vijfendertig organisaties een reactiegegeven op de uitvraag van het NPD, waarvan zeventien organisatiesimpact voorzien. Van die zeventien organisaties is voor acht8 organisatiesde incidentele en structurele financiële impact zeer beperkt (enkeleduizenden tot tienduizenden euro’s per organisatie). De andere negen9organisaties geven aan een substantiële incidentele en/of structureleimpact te verwachten op de uitvoeringspraktijk (enkele tienduizenden totenkele tientallen miljoenen euro’s per organisatie). Bij de uitvraag naar destructurele kosten is door de interdepartementale werkgroep een (inafwachting van de resultaten van het WODC-onderzoek) inschattingmeegegeven van het aantal keer dat jaarlijks gebruik zou worden gemaaktvan een regeling, namelijk 200 keer.10Een ruwe inschatting is dat deimplementatietijd van een regeling bij die organisaties waarbij sprake isvan impact circa 2,5 tot 5 jaar is, mede rekening houdend met het zoveelmogelijk benutten van reeds geplande aanpassingen. Het NPD heeft ineen notitie een overzicht gemaakt van de opgehaalde input. Deze notitiebied ik uw Kamer hierbij aan. Ik dank het NPD voor hun begeleiding en denotitie.Uit de opgehaalde input heeft het NPD een aantal overkoepelende vooruitvoeringsorganisaties relevante aandachtspunten gehaald, onder meerdat de impact sterk afhankelijk is van nog te maken beleidskeuzes in eenregeling, bijvoorbeeld welke vormen van meeroudergezinnen gebruikzouden kunnen maken van een regeling en het aantal gebruikers. Eenander aandachtspunt is de noodzaak van eenvoudige en eenduidige wet-en regelgeving, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij bestaanderegelingen. Dit verkleint de impact op de uitvoering. Ook geven organi-8Centraal Administratie Kantoor, Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, Centrumindicatiestelling Zorg, Centraal Justitieel Incassobureau, Landelijk Bureau Inning Onderhouds-bijdragen, Logius, Raad voor Rechtsbijstand en Stichting Onderwijsgeschillen.9Belastingdienst, Centraal Bureau voor de Statistiek, Dienst Toeslagen, Dienst UitvoeringOnderwijs, Immigratie- en Naturalisatiedienst, Raad voor de Kinderbescherming, SchadefondsGeweldsmisdrijven, Sociale Verzekeringsbank en Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen.10Zoals eerder genoemd, hebben de onderzoekers in het WODC-rapport geen inschattingkunnen geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1045 saties als voorwaarde voor de uitvoerbaarheid aan dat het meerouder-schap geregistreerd wordt in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).Dit vraagt om aanpassing van de BRP, de koppeling van de systemen vande organisaties met de BRP en eigen systemen van organisaties. Ookmeerpersoonsgezag zal moeten worden geregistreerd in de BRP en hetAPI-gezag11 moet worden aangepast. Laatstgenoemde voorzieninggenereert en verstrekt informatie over wie gezag heeft over een kind.Uitvoeringsorganisaties kunnen hierop aansluiting verzoeken. Uitvoe-ringsorganisaties kunnen op dit moment nog niet overzien wat deaansluiting op de API-gezag betekent voor hun systemen.12Impactanalyse Vereniging Nederlandse GemeentenDe Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) heeft een toetsuitgevoerd naar de uitvoerbaarheid en de impact van de regelgeving opde gemeenten (o.a. burgerzaken, de burgerlijke stand en jeugdhulp). Voorimplementatie van een wettelijke regeling voor meerouderschap enmeerpersoonsgezag dient bij gemeenten een aantal aanpassingen teworden gedaan, onder meer het aanpassen van ICT-systemen, werkpro-cessen en het trainen van medewerkers. De incidentele kosten voorgemeenten worden geschat op 1 miljoen. De VNG geeft aan geeninschatting te kunnen geven van de structurele kosten, aangezien ditafhangt van een nadere uitwerking van een regeling. De inschatting is datde invoering van meerpersoonsgezag minder complexiteiten en risico’svoor gemeenten zal kennen dan de invoering van meerouderschap. Welzal de uitvoering van meerpersoonsgezag tijdsintensief zijn.Het rapport van deze toets is in te zien via de kennisbank van de websitevan de VNG.13Verdiepende gesprekken over de impact en kosten: samenvattend beeldDe interdepartementale werkgroep die betrokken is bij dit onderwerpheeft verdiepende gesprekken gevoerd met een aantal organisaties dieeen substantiële impact verwachten van het wettelijk regelen vanmeerouderschap en meerpersoonsgezag en organisaties die hebbenaangegeven nog geen inschatting te kunnen maken. Ook heeft dewerkgroep gesproken met ambtenaren die werken in de verschillendebeleidsterreinen die geraakt zouden worden door een wettelijke regeling.Op basis van de verdiepende gesprekken van de interdepartementalewerkgroep wordt ingeschat dat er voor invoering van meerouderschap enmeerpersoonsgezag geen stelselwijzigingen nodig zijn wanneer zo veelmogelijk wordt aangesloten bij bestaande regelingen. Een voorbeeldhiervan is het aansluiten bij regelingen voor co-ouderschapssituaties inhet kader van kinderopvangtoeslag. Een ander voorbeeld is om bij deinkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en schenk- en erfbelastingaan te sluiten bij bestaande situaties waarin het kind in fiscale zin meerdan twee ouders heeft. Wel worden voor invoering van wettelijk meerou-derschap en meerpersoonsgezag incidentele kosten verwacht voor onderandere aanpassing van de BRP en systemen van verschillende organi-saties. De werkgroep schat deze incidentele kosten op basis van de notitievan het NPD en de verdiepende gesprekken in op ca. 11 tot 50 miljoen.Deze kosten zien onder meer op aanpassing van de BRP, ontvangendesystemen van uitvoeringsorganisaties en systemen die afhankelijk zijn vande gegevens in die ontvangende systemen.11Ook wel bekend als de gezagsmodule.12Zie voor alle overkoepelende aandachtspunten pagina 2 en 3 van de notitie van het NPD.13https://vng.nl/kennisbank-impactanalyseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1046 De werkgroep schat de structurele kosten van een regeling in op ca. 5 tot6 miljoen. Bij deze inschatting is eveneens uitgegaan van de (inafwachting van de resultaten van het WODC-onderzoek gemaakte)inschatting van 200 keer dat jaarlijks gebruik zal worden gemaakt van deregeling. De meeste structurele kosten worden verwacht van de verlofre-gelingen (ouderschapsverlof en (aanvullend) geboorteverlof voorpartners) wanneer meer ouders hierop aanspraak zouden kunnen maken.Nu kunnen in bepaalde gevallen al drie personen per kind hieropaanspraak maken. Dit zouden vier ouders kunnen worden indienmeerouderschap wettelijk mogelijk zou worden voor vier personen. Tenaanzien van de inschatting van de structurele kosten zijn de volgendeaspecten nog van belang. Gemeenten geven aan geen inschatting tekunnen geven van de structurele kosten. Deze kosten zijn in de hiervoorgenoemde schatting dan ook niet meegenomen. In de inschattingen is welrekening gehouden met kosten van ontwikkeling en beheer van eenregister waarin gegevens over de ontstaansgeschiedenis voor het kindworden bewaard14 en de kosten voor begeleiding van het kind bij deinzage. Indien verzoeken tot meerouderschap of meerpersoonsgezag ookmogelijk worden gemaakt nadat een kind is geboren, zoals de RSJadviseert te doen, dan komen bij de structurele kosten nog kosten voorbijstand van het kind door een bijzondere curator.Zoals het NPD in de aandachtspunten ook naar voren brengt, zijn deimpact en de kosten van een regeling afhankelijk van de eventuelereikwijdte van een regeling. Dat wil zeggen welke regelingen zoudenworden gecreëerd: alleen een regeling voor meerouderschap, alleen eenregeling voor meerpersoonsgezag of een combinatie hiervan. Eenregeling voor uitsluitend meerpersoonsgezag heeft bijvoorbeeldaanzienlijk minder impact op uitvoeringsorganisaties, omdat organisatiesals bijvoorbeeld Dienst Toeslagen, het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen en de Dienst Uitvoering Onderwijs geen gebruikmaken vanhet begrip «gezag». Dit zou de hiervoor genoemde inschattingen van deincidentele en structurele kosten aanzienlijk drukken. Een regeling vooruitsluitend meerpersoonsgezag is echter niet de wens van de doelgroepen komt ook niet (volledig) tegemoet aan het advies van de RSJ omtrenthet belang van het kind. Daarnaast zijn de impact en de kosten afhankelijkvan welke gezinssituaties gebruik zouden kunnen maken van een regeling.Wanneer zou worden gekozen voor een regeling uitsluitend voormeeroudergezinnen die vanaf de geboorte bestaan, en dus niet voorsamengestelde gezinnen of pleegzorgsituaties, zou dat lagere structurelekosten opleveren. De Raad voor de Kinderbescherming bijvoorbeeldverwacht in dat geval lagere structurele kosten, omdat bij de doelgroepmeeroudergezinnen die vanaf de geboorte bestaan niet structureel meerconflicten worden verwacht dan bij reguliere gezinnen. Tot slot is deimpact afhankelijk van het aantal gebruikers.De genoemde inschattingen zijn een indicatie en dienen met enigeterughoudendheid te worden benaderd. Het is goed mogelijk dat meerorganisaties worden geraakt door een wettelijke regeling dan die inputhebben gegeven bij het NPD. Daarnaast geven veel organisaties aan niet(concreet) te kunnen inschatten wat invoering van een wettelijke regelinghen incidenteel en structureel kost en dat hiervoor bij een uitgewerkteregeling, uitvoeringstoetsen moeten worden uitgevoerd. Voorts leert deervaring dat bij implementatietrajecten de kosten (een stuk) hoger kunnenuitvallen dan eerder geschat, zeker wanneer wijzigingen in complexeICT-systemen moeten worden doorgevoerd zoals bij een wettelijkeregeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag het geval is.14Zie de aanbeveling van de Staatscommissie herijking ouderschap in bijlage bij KamerstukkenII 2016/17, 33 836, nr. 18, p. 502.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1047 In de verdiepende gesprekken is ook een aantal nadere aandachtspuntennaar voren gekomen. Allereerst dient bij een regeling goed te wordennagedacht over de internationale doorwerking van meerouderschap enmeerpersoonsgezag. Meerouderschap dat zou worden toegestaan inNederland, zal in het buitenland niet altijd worden geaccepteerd.Voorts is het voor jeugdzorgwerkers, scholen en zorgverleners in hundagelijks werk van belang dat zij het gezag eenvoudig kunnen achter-halen. Wanneer meerpersoonsgezag zou worden ingevoerd, is dekenbaarheid daarvan evenzeer van belang. De eerder genoemdeAPI-gezag kan hiervoor een uitkomst bieden, maar nog niet alle organi-saties zijn hierop aangesloten.Tot slot heeft de interdepartementale werkgroep gesprekken gevoerd metde Sociaal-economische Raad en met de Stichting van de Arbeid over deimpact van een regeling voor werknemers en werkgevers. Werknemers-organisaties geven aan dat het onderwerp bij hen leeft en dat er behoefteis aan een wettelijke regeling, met name bij meeroudergezinnen die vanafde geboorte bestaan. Er zijn organisaties die zelf al arbeidsvoorwaardenhebben gecreëerd voor meeroudergezinnen. Vanuit de werkgeverskantwordt aangegeven dat een regeling goed uitvoerbaar moet zijn. Het isbelangrijk om duidelijk te regelen welke situaties vallen onder meerouder-schap, wat de consequenties zijn voor verlofregelingen en wat erverwacht wordt van de werkgever.Wetsvoorstel DeelgezagOnder het Kabinet Rutte III is gewerkt aan het wetsvoorstel Deelgezag. DeRaad van State heeft hierover in maart 2021 advies uitgebracht ondernummer W16.20.0490/II. Er is toegezegd aan uw Kamer dat in het trajectmeerouderschap en meerpersoonsgezag duidelijkheid wordt gegevenover de voortgang van dit voorstel. Uit het advies van de Raad van Stateblijkt dat de Raad geen meerwaarde ziet van deelgezag voor betrokkenen.In de internetconsultatie bleek het voorstel ook uitvoeringstechnischcomplex. Om deze redenen zal ik, mede namens de StaatssecretarisOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, aan de ministerraad voorstellen ditwetsvoorstel niet bij uw Kamer in te dienen.Conclusie integrale wegingUit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het geval van meerouderschaps-situaties een wettelijke regeling voor meerouderschap en meerpersoons-gezag in het belang is van kinderen die vanaf de geboorte in eenmeeroudersituatie opgroeien. Voor samengestelde gezinnen kan inbepaalde situaties meerpersoonsgezag in het belang van het kind zijn.Voor deze laatste groep lijkt de wens tot een wettelijke regeling mindersterk te zijn dan voor de eerstgenoemde groep. Hoewel de inschatting isdat er voor invoering van meerouderschap en meerpersoonsgezag geenstelselwijzigingen nodig zijn wanneer zo veel mogelijk wordt aangeslotenbij bestaande regelingen, zoals regelingen voor co-ouderschapssituaties,worden er wel forse incidentele (minimaal ca. 11 tot 50 miljoen) enstructurele kosten (minimaal ca. 5 tot 6 miljoen) verwacht. Het kabinetheeft binnen de rijksbegroting vooralsnog geen middelen gereserveerdvoor de implementatie en uitvoering van een wettelijke regeling voormeerouderschap en meerpersoonsgezag. Verder zal invoering van eenwettelijke regeling een flinke opgave betekenen voor diverse uitvoerings-organisaties die momenteel al fors onder druk staan door geplande(systeem)wijzigingen en beleid- en wetgevingstrajecten, zoals voor hetUitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en Dienst UitvoeringOnderwijs. Het opstellen en invoeren van een wettelijke regeling vraagtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1048 daarnaast (te) veel capaciteit van de ministeries en uitvoeringsorgani-saties. Om deze redenen ga ik nu niet over tot het voorbereiden van eenwettelijke regeling.Tot slotIk realiseer me dat dit niet de gewenste uitkomst is voor de (toekomstige)betrokkenen bij meeroudergezinnen. Zij wachten immers al lang oppositieve besluitvorming over een eventuele regeling voor meerouder-schap en meerpersoonsgezag. Die duidelijkheid bied ik nu, zij het niet inpositieve zin voor de betrokkenen. Ik betreur dit, maar ben genoodzaaktom binnen de krapte op de rijksbegroting en de bestaande druk op deorganisaties, scherpe keuzes maken.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,T.H.D. StruyckenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1049
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.