Verslag
Brontekst
Versie f4e9f40c689bf5eb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 938Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Fiscale verzamelwet 2027)Nr. 6 VERSLAGVastgesteld 12 juni 2026 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidendonderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig engenoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbareberaadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,JansenDe adjunct-griffier van de commissie,Van der Steur kst-36938-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 61 INLEIDINGDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van goedonderhoud van fiscale wetgeving en steunen maatregelen die bijdragenaan eenvoud, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid.De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deFiscale verzamelwet 2027. Ze begrijpen dat fiscale wetgeving constant aanveranderingen onderhevig is en dat dit voortdurend inhoudelijkewijzigingen en technisch onderhoud vergt. Zij hebben nog meerderevragen.De leden van de PRO-fractie hebben het wetsvoorstel met interessegelezen. Zij hebben enkele vragen.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de fiscaleverzamelwet en kunnen de vaak technische wijzigingen volgen. Ookvinden zij het goed dat met enkele maatregelen administratieve lastenworden verminderd, zoals bij opting-in en de eerstedagsmelding. Zijvragen wel hoe de regering de balans opmaakt ten aanzien van vereen-voudiging die met deze wet wordt nagestreefd, terwijl ook een aantalnieuwe uitzonderingen worden toegevoegd, zoals in de betaalbarekoopregeling, pensioenuitzondering en pijler-2-correcties. Ook vragendeze leden waarom meermaals wordt gedelegeerd naar nader uit tewerken ministeriële regelingen, in plaats van de maatregelen direct indeze wet uit te werken.De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2027 en de nota van wijziging. Dezeleden onderschrijven dat fiscale wetgeving voortdurend technischonderhoud vergt en waarderen dat de regering langs deze weg omissiesherstelt en enkele in onbruik geraakte verplichtingen schrapt. Wel hebbenzij op een aantal onderdelen vragen, vooral waar het wetsvoorstel raaktaan rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, lastendruk en parlementairecontrole.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorlig-gende wetsvoorstel. Zij hebben op dit moment geen vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetonderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben op dit moment geenvragen over dit wetsvoorstel.ALGEMEEN1. Inleiding De leden van de JA21-fractie constateren dat het wetsvoorstel een grootaantal bepalingen met terugwerkende kracht bevat. Zij vragen de regeringeen sluitend overzicht te geven van alle bepalingen met terugwerkendekracht, telkens met de ingangsdatum, de reden en een bevestiging dat deterugwerkende kracht uitsluitend begunstigend werkt voor belastingplich-tigen, dan wel, indien dat niet zo is, voor welke groepen zij belastend kanuitwerken. Tevens vragen deze leden of de regering onderschrijft datterugwerkende kracht in beginsel slechts aanvaardbaar is voor zover dezebegunstigend is of strekt tot herstel van een evidente, kenbare omissie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 62 2. Algemene toelichting maatregelen 2.1 Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoop-regeling De leden van de D66-fractie lezen dat de voorgestelde wijziging beoogt tewaarborgen dat de betaalbarekoopregeling onder eigenwoningregelingenvallen en dus recht hebben op hypotheekrenteaftrek. Ze vragen hoe dezemaatregel past binnen de bredere ambitie om de toegang tot de koopwo-ningmarkt voor starters te verbeteren.De leden van de D66-fractie vragen tevens naar de uitzendregeling,waarbij een woning die leegstaat vanwege tijdelijke uitzending ofoverplaatsing gedurende maximaal drie jaar als eigen woning kan wordenaangemerkt als de belastingplichtige de woning vóór de uitzending al tenminste één jaar als hoofdverblijf heeft gebruikt. Wanneer iemand korterdan een jaar in de woning heeft gewoond, wordt de woning verschovennaar box 3, wat grote consequenties heeft voor mensen. Deze ledenvragen daarom hoe de regering aankijkt tegen de wenselijkheid van hetverkorten of afschaffen van de minimumtermijn van één jaar.De leden van de JA21-fractie merken op dat dit het meest inhoudelijkeonderdeel van het wetsvoorstel is, al wordt het als louter technischgepresenteerd. Materieel breidt de maatregel het bereik van de eigenwo-ningregeling, met het bijbehorende recht op hypotheekrenteaftrek, uitnaar woningen die onder de betaalbarekoopregeling worden verkregen.Deze leden steunen dat een koper die anders buiten de eigenwoningre-geling zou vallen het recht op hypotheekrenteaftrek behoudt. Zonder dezereparatie zou deze fiscaal worden benadeeld voor een woning die diegenebewoont en financiert als eigen woning. Bij de uitwerking hebben dezeleden niettemin enkele vragen, met name over de gelijke behandeling vanvergelijkbare gevallen, de uitvoerbaarheid en de inwerkingtreding.Allereerst vragen de leden van de JA21-fractie de regering het werkelijkegevolg van het niet kwalificeren als eigen woning te verduidelijken.Zonder deze maatregel vervalt niet alleen de hypotheekrenteaftrek; dewoning en de bijbehorende schuld verschuiven bovendien naar box 3.Kan de regering dat bevestigen en de gevolgen voor een doorsnee koperschetsen, mede gelet op het forfaitaire rendement en de schulddrempel inbox 3? De memorie van toelichting laat dit gevolg onbenoemd, terwijl hetde noodzaak van de reparatie juist onderstreept.Het onderscheid tussen onderdeel a en onderdeel b van het voorgesteldeartikel 3.111, twaalfde lid, Wet IB 2001 verdient volgens deze leden nadereaandacht. Onderdeel a codificeert het bestaande hardheidsclausulebeleiden is techniekneutraal: het geldt voor iedere woning die is belast met eenbeding dat voorziet in een gedurende ten hoogste tien jaar lineair tot100% toenemend belang bij iedere waardeverandering. Onderdeel bintroduceert daarentegen een aanvullende fictie die uitsluitend openstaatvoor woningen die zijn verkregen onder een betaalbarekoopregeling alsbedoeld in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014. Het onderscheidendecriterium is daarmee niet het economische eigendomsbelang van dekoper, maar de publiekrechtelijke herkomst van de regeling.De leden van de JA21-fractie vragen waarom voor onderdeel b niet, naarhet voorbeeld van onderdeel a, een techniekneutrale formulering isgekozen. Bestaan er private vormen van maatschappelijk gebondeneigendom waarin een tweede of opvolgende koper in dezelfde positieverkeert, dus zonder volledig neerwaarts belang en zonder terugkoop- ofaanbiedingsverplichting jegens de aanbieder, waardoor zij buitenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 63 onderdeel b vallen? Zo ja, hoe groot is die groep en acht de regering hetverschil in fiscale behandeling gerechtvaardigd? Hecht de regering aan depubliekrechtelijke koppeling vanwege de standaardisering en controleer-baarheid van de gemeentelijke regeling, dan vragen deze leden datargument expliciet te maken.Voorts vragen deze leden hoe de fictie zich verhoudt tot de ratio van de50%-eis. Die eis reserveert de eigenwoningbehandeling, in het bijzonderde renteaftrek, voor wie voldoende risicodragend eigenaar is. Onderonderdeel b krijgt een koper wiens neerwaartse risico is afgeschermdniettemin de volledige eigenwoningbehandeling, inclusief aftrek van derente over de gehele financiering, terwijl de overheid via de maximumver-koopprijs een deel van de waardestijging afroomt. Deze leden vragen deregering te motiveren hoe deze uitkomst, volledige renteaftrek tegenovereen gedeeld en deels afgeroomd eigendomsrendement, zich verhoudt totde bestaansreden van de 50%-eis.De leden van de JA21-fractie hebben daarnaast vragen over de uitvoer-baarheid en de handhaving. De fictie vervalt met onmiddellijke ingangzodra een belangbeperkend beding wordt overeengekomen, waarnaopnieuw aan de 50%-eis moet worden getoetst. De aan- of afwezigheidvan een dergelijk beding is echter een privaatrechtelijk gegeven in dekoop- of leveringsakte dat de inspecteur niet uit eigen waarneming kent.De uitvoeringstoets vermeldt slechts dat de gevolgen voor de Belasting-dienst beperkt blijven tot aanpassingen in de toelichting bij de aangifte-middelen; actieve controle is daarmee niet voorzien. Deze leden vragenhoe de Belastingdienst de naleving van de voorwaarden vaststelt, waar debewijslast ligt en hoe oneigenlijk gebruik wordt voorkomen, bijvoorbeelddoor verborgen afdrachtbedingen waarbij de aftrek toch wordt geclaimd.Ten aanzien van de budgettaire aspecten stelt de regering dat demaatregel geen budgettaire effecten heeft. De leden van de JA21-fractievragen hoe dat zich verhoudt tot het waarborgen van de hypotheekrente-aftrek voor een categorie woningen die met de invoering van de betaalba-rekoopregeling in omvang zal toenemen. Berust de nulraming op deaanname dat deze woningen zonder regulering eveneens als eigenwoning zouden kwalificeren? Kan de regering de verwachte omvang vande doelgroep en het daarmee gemoeide meerjarige beslag aanhypotheekrenteaftrek kwantificeren?Ten slotte vragen de leden van de JA21-fractie naar de inwerkingtreding.Deze geschiedt bij koninklijk besluit, is gekoppeld aan de nog niet inwerking getreden Wet versterking regie volkshuisvesting en kan terugwer-kende kracht hebben. Deze leden achten begunstigende terugwerkendekracht aanvaardbaar, maar vragen de regering te bevestigen dat deterugwerkende kracht hier uitsluitend begunstigend uitwerkt. Tevensvragen zij welke datum de regering voor ogen heeft, zodat kopers diereeds een betaalbare koopwoning verwerven niet in onzekerheid verkerenover hun fiscale positie.2.2 Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor een knelpunt dat zichvoordoet bij directeur-grootaandeelhouders die in het verleden pensioenin eigen beheer hebben opgebouwd via een pensioen-BV. Deze ledenconstateren dat zich situaties voordoen waarin reeds geruime tijd vóór depensioendatum duidelijk is dat de pensioen-BV onvoldoende vermogenzal behouden om de toekomstige pensioenverplichtingen volledig na tekomen. Tegelijkertijd blijft de pensioen-BV gedurende vele jaren bestaan,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 64 met jaarlijkse administratieve en wettelijke lasten die rechtstreeks tenlaste komen van het resterende pensioenkapitaal.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat een overdracht van hetresterende kapitaal naar een verzekeraar of andere pensioenuitvoerder inde praktijk veelal niet mogelijk is, omdat afstorting in een lijfrente leidt totdirecte belastingheffing en revisierente, terwijl passende pensioenpro-ducten die aan de wettelijke voorwaarden voldoen veelal ontbreken. Kande regering bevestigen dat deze situatie ertoe kan leiden dat pensioenka-pitaal wordt aangewend voor administratieve kosten in plaats van voor deoudedagsvoorziening waarvoor het oorspronkelijk is opgebouwd? Acht deregering deze uitkomst wenselijk? Is de regering bekend met signalen uitde praktijk en met het standpunt van het Centraal AanspreekpuntPensioenen dat binnen de huidige wetgeving geen adequate oplossingvoorhanden is? Is de regering bereid te onderzoeken of een fiscaalgeruisloze overdracht van het resterende pensioenkapitaal naar eenprofessionele uitvoerder mogelijk kan worden gemaakt, zodat hetpensioendoel behouden blijft en onnodige administratieve lasten wordenvoorkomen? Kan de regering daarbij ingaan op de budgettaire,uitvoerings- en rechtsstatelijke aspecten van een dergelijke oplossing?De leden van de PRO-fractie lezen dat het risico bestaat dat eenouderdomspensioen «onzuiver» kan worden als niet meer aan de fiscalewetgeving wordt voldaan, en dat dan de volledige waarde belast wordt.Kan de regering toelichten waarom deze bepaling bestaat? Klopt het dathiervan ook sprake is als niet op tijd wordt voldaan aan de nieuwe regelsdie met de Wet toekomst pensioenen geïntroduceerd zijn? Kan deregering enkele voorbeelden geven van situaties waarin dit risico bestaat,in het bijzonder in relatie tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?Deze leden willen voorts graag weten waarom gekozen wordt voor hetinstellen van voorwaarden per ministeriële regeling in plaats van hetopnemen van deze voorwaarden in de wet.De leden van de CDA-fractie begrijpen dat deze maatregel beoogt omonevenredige fiscale consequenties te voorkomen als iemandonbereikbaar is, bijvoorbeeld omdat deze persoon niet weet dat erpensioen is opgebouwd. Zij vragen wanneer de ministeriële regelingwordt uitgewerkt en hoe de regering de voorwaarde voor zich zietwanneer iemand «voldoende bereikbaar» is, en ook welke inspanningenpensioenuitvoerders moeten verrichten.De leden van de JA21-fractie steunen de maatregel rond de overschrijdingvan de uiterste pensioeningangsdatum. Onder de huidige wetgevingwordt een ouderdomspensioen dat niet tijdig ingaat onzuiver, waarna devolledige waarde ineens wordt belast als loon uit vroegere dienstbe-trekking en daarbovenop 20% revisierente verschuldigd is. In totaal kan ditoplopen tot 69,5%. Voor een deelnemer die buiten zijn schuldonbereikbaar was, bijvoorbeeld omdat hij naar het buitenland is verhuisden zijn in Nederland opgebouwde pensioen is vergeten, is die uitkomstonevenredig. Deze leden achten het terecht dat de regeling dezedeelnemers tegemoetkomt.De tegemoetkoming zelf wordt niet in de wet vormgegeven. Artikel III,onderdeel B, bevat slechts een delegatiegrondslag (artikel 19b, zevendelid, Wet LB 1964); de voorwaarden waaronder de fiscale consequentiesachterwege blijven, worden bij ministeriële regeling gesteld. De memorievan toelichting noemt als mogelijke voorwaarden dat de gerechtigde nogin leven moet zijn en dat de pensioenuitvoerder een contactpoging heeftgedaan, maar legt deze niet vast. Omdat deze voorwaarden bepalen wieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 65 de heffing van maximaal 69,5% ontloopt, hechten de leden van deJA21-fractie eraan dat zij voor belastingplichtigen en pensioenuitvoerderskenbaar zijn. Deze leden ontvangen graag een concept van de voorge-nomen ministeriële regeling, of ten minste een uitputtende beschrijvingvan de beoogde voorwaarden, voordat de wet in werking treedt. Kan deregering daarbij bevestigen dat de regeling alle gevallen omvat waarineen deelnemer buiten zijn schuld onbereikbaar is geweest?De voorwaarde dat de gerechtigde nog in leven moet zijn op het momentvan opvragen sluit erfgenamen uit: bij overlijden voor het opvragenblijven de fiscale consequenties van het onzuiver worden van toepassing.De leden van de JA21-fractie begrijpen dat hiermee bewust uitstel tot naoverlijden wordt ontmoedigd, maar vragen of dit redelijk uitpakt voornabestaanden van een deelnemer die buiten zijn schuld onbereikbaar wasen voor het opvragen is overleden. Acht de regering het gerechtvaardigddat juist deze nabestaanden met de volledige heffing en revisierenteworden geconfronteerd?De maatregel neemt de revisierente en de afrekening ineens over devolledige pensioenwaarde weg, maar laat een nadeel bestaan. De gemistetermijnen worden in één keer in het lopende tijdvak belast, wat blijkens detoelichting kan leiden tot progressienadeel en verlies van toeslagen. Deleden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft overwogen degemiste termijnen toe te rekenen aan de jaren waarop zij zien, zodat ookdit resterende nadeel voor de te goeder trouw onbereikbare deelnemerwordt weggenomen. Laat de regering dit bewust achterwege om eenprikkel tot tijdige ingang te behouden, dan vragen deze leden waarom dieprikkel ook moet gelden voor een deelnemer die de overschrijding nietkon voorkomen.De overige wijzigingen op lijfrentegebied (de artikelen I, onderdelen C enF, alsmede artikel II) zijn technisch van aard en herstellen verwijzingen ofeen uitvoeringsknelpunt. De leden van de JA21-fractie gaan ervan uit datdeze wijzigingen geen materiële gevolgen hebben. Wel constateren zij datde aanpassing van de afkoopdatum in artikel II met terugwerkende krachttot 1 januari 2026 om uitvoeringsredenen tot gevolg heeft dat een lijfrenteuit de betrokken overgangsrechtgroep bij overschrijding van de termijn inhet daaropvolgende jaar in de heffing wordt betrokken. Deze leden vragende regering te bevestigen dat deze terugwerkende kracht voor geenenkele gerechtigde belastend uitwerkt.2.3 Bewaarplicht opting-in 2.4 Afschaffing eerstedagsmelding De leden van de JA21-fractie waarderen dat verouderde en in de praktijkniet langer toegepaste verplichtingen vervallen of worden vereenvoudigd,zoals de eerstedagsmelding en de meldplicht bij opting-in, die wordtvervangen door een bewaarplicht. Deze leden moedigen de regering aandeze opschoning structureel voort te zetten en vragen of de regering eenbreder beeld heeft van vergelijkbare in onbruik geraakte fiscalebepalingen die zij in komende verzamelwetten kan schrappen.2.5 Aanpassing afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk De leden van de D66-fractie lezen dat het S&O-uurloon wordt verhoogd enonderschrijven het belang van een goed functionerende WBSO-regelingvoor innovatieve ondernemingen. Deze leden lezen dat het budget voorde afdrachtvermindering S&O sinds 2023 wordt geïndexeerd. Zij vragende regering toe te lichten waarom is gekozen voor een eenmaligeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 66 aanpassing van het forfaitaire uurloon en niet voor een periodiekeherijking of indexatie. Daarnaast vragen zij waarom de regering er nietvoor heeft gekozen om het forfaitaire uurloon via ministeriële regelingvast te stellen, zodat sneller kan worden aangesloten bij ontwikkelingen inde praktijk.De leden van de D66-fractie lezen in de evaluatie van de WBSO dat wordtaanbevolen te verkennen of een incrementeel element kan wordentoegevoegd aan de regeling en te onderzoeken hoe het S&O-begrip beterkan aansluiten bij de R&D-praktijk van bedrijven. Deelt de regering dezeanalyse? Welke van deze aanbevelingen zijn zij bereid te onderzoeken?Deze leden vragen ook hoe het staat met de motie van het lid Van Eijk c.s.over een oplossing uitwerken voor de verzilveringsproblemen in deWBSO (Kamerstuk 36 812, nr. 77).De leden van de VVD-fractie nemen met instemming kennis van hetvoorstel om het forfaitaire S&O-uurloon per 1 januari 2027 te verhogenvan € 29 naar € 33. Deze aanpassing sluit beter aan bij de werkelijkeloonkosten en vermindert de administratieve lasten voor een grote groepgebruikers van de WBSO. Tegelijkertijd onderschrijven deze leden hetbelang van het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de regeling. Uit detoelichting blijkt dat het forfaitaire uurloon dicht bij de mediaan van deberekende S&O-uurlonen ligt, waardoor voor de meerderheid van degebruikers een realistische benadering van de werkelijke loonkostenwordt geboden. Kan de regering nader toelichten welke monitoring zalplaatsvinden om te waarborgen dat de verhoging niet leidt tot nieuweperverse prikkels of ongewenste constructies? Is de regering bereid deeffecten van deze wijziging na invoering te evalueren en de Kamer teinformeren als blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruikof oneigenlijk gebruik te voorkomen?De leden van de VVD-fractie constateren dat de WBSO breed wordtgewaardeerd als instrument om private investeringen in onderzoek enontwikkeling te stimuleren. Tegelijkertijd bereiken deze leden signalen datde administratieve lasten voor bedrijven aanzienlijk zijn. Zo wordtgewezen op de gedetailleerde uren- en projectadministratie permedewerker en op controles die zich soms richten op relatief beperkteadministratieve onvolkomenheden.In dat kader vragen de leden van de VVD-fractie hoe de uitvoering van deaangenomen motie Inge van Dijk/Van Eijk verloopt (Kamerstuk 32 140,nr. 297), die de regering verzoekt concrete vereenvoudigingsvoorstellenuit te werken voor fiscale regelingen met hoge administratieve lastenzoals de WBSO. Kan de regering aangeven hoe de administratieve lastenvan de WBSO zich de afgelopen vijf jaar hebben ontwikkeld? Kan deregering al aangeven welke mogelijkheden zij ziet om, in het kader van deaangenomen motie, de verantwoordingslasten voor bedrijven met eenaantoonbaar goede nalevingshistorie te verminderen, bijvoorbeeld doormeer risicogericht toezicht, een grotere rol voor bestaande projectadmi-nistratiesystemen of vereenvoudigde urenregistratie? Welke effectenzouden dergelijke maatregelen hebben op de uitvoerbaarheid, controleer-baarheid en het budgettaire beslag van de regeling?De leden van de VVD-fractie ontvangen signalen dat verschillen ininterpretatie tussen beoordelaars kunnen leiden tot onzekerheid bijWBSO-aanvragen, met name rond begrippen als technische nieuwheid entechnische onzekerheid. Deze leden hechten aan voorspelbaarheid enrechtszekerheid voor innovatieve ondernemingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 67 Ten slotte vragen de leden van de VVD-fractie of de regering kantoelichten welke maatregelen worden genomen om de uniformiteit vanbeoordelingen binnen de uitvoeringspraktijk te vergroten. Wordtonderzocht of een vorm van vooroverleg, quick-scan of andere laagdrem-pelige voorafgaande toetsing kan bijdragen aan meer duidelijkheid voorbedrijven voordat zij omvangrijke ontwikkeltrajecten starten?De leden van de PRO-fractie lezen dat het voorgestelde forfaitaire uurloonvan € 33 «dicht op de mediaan ligt van het berekende S&O-uurloon».Klopt het dat daarmee in ongeveer de helft van de gevallen in werke-lijkheid een lager uurloon wordt betaald en het voor veel bedrijven dusaantrekkelijk is om nieuwe entiteiten voor S&O op te richten en forfaitairvan de afdrachtvermindering gebruik te maken, zoals de RVO aangeeft?Deze leden vragen of het daarom niet verstandiger te zijn om voor eenlager percentiel te kiezen. Om welk uurloon zou het bijvoorbeeld gaan alsgekozen wordt voor het 25e percentiel?De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat het forfaitair uurloonvoor de S&O wordt verhoogd om recht te doen aan de werkelijkeloonkosten. Wel vragen zij om een nadere onderbouwing van de € 33 enhoe dit goed genoeg aansluit op de actuele praktijk.De leden van de JA21-fractie steunen de verhoging van het forfaitaireS&O-uurloon van € 29 naar € 33 ter ondersteuning van innovatie. Hetforfait is sinds 2008 ongewijzigd gebleven. Deze leden vragen de regeringtoe te lichten hoe het verhoogde forfait zich na achttien jaar loonontwik-keling verhoudt tot het feitelijke gemiddelde uurloon en of met dezeverhoging een realistische benadering wordt bereikt.2.7 Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelastingen Pijler 2 De leden van de VVD-fractie vragen of de uitspraak van het Hof vanJustitie van de Europese Unie van 26 februari 2026 in zaak C-524/23,Commissie tegen België, waarbij ook Nederland partij was, voor deregering aanleiding vormt om de Nederlandse wetgeving aan te passen.Deze leden lezen in de beantwoording van vragen gesteld in het verslagvan een schriftelijk overleg over belastingontwijking (Kamerstuk 31 066,nr. 1541) dat dit niet het geval is. Mocht dat niet het geval zijn, dan vragendeze leden of de Europese Commissie deze Nederlandse benadering heeftgoedgekeurd, dan wel of er een risico bestaat dat de Commissie ooktegen Nederland een infractieprocedure zal starten.Voorts vragen zij of Nederland, gelet op de uitleg die het Hof van Justitiegeeft aan de ATAD-richtlijn in deze uitspraak, gehouden is verrekening vanbuitenlandse winstbelasting toe te staan in situaties waarin in Nederlandeen opwaartse verrekenprijsaanpassing plaatsvindt. Verder vragen dezeleden of belastingplichtigen zich in jaren voorafgaand aan een eventuelewetswijziging rechtstreeks kunnen beroepen op artikel 8, zevende lid, vande ATAD-richtlijn om verrekening te claimen. Als dit volgens de regeringniet mogelijk is, vragen zij de regering dit nader te motiveren.Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie of belastingplichtigen rechthebben op schadevergoeding op basis van de Francovich-doctrine als deATAD-richtlijn geen rechtstreekse werking zou hebben ondanks het feit datartikel 7, zevende lid van de ATAD-richtlijn in ondubbelzinnige bewoor-dingen de resultaatsverplichting oplegt in de vorm van het voorzien in eenaftrek die overeenkomt met de belasting die door de CFC is betaaldwaaraan verder geen voorwaarden zijn verbonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 68 De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering een voorstel doet omdubbele belasting bij de toepassing van enkele onderworpenheidstoetsenten aanzien van uiteenlopende antimisbruikbepalingen te voorkomen.Deze leden steunen dat voornemen, maar vragen of de regering ookscherp kijkt naar het risico op dubbele niet-heffing. Heeft de regering ookmaatregelen met dit doel overwogen op te nemen in het voorliggendewetsvoorstel?De leden van de JA21-fractie onderschrijven het doel van deze maatregel.Met de voorgestelde leden van de artikelen 23c en 23d Wet Vpb 1969 telthet werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing alsbedoeld in artikel 1.2 Wet minimumbelasting 2024 mee als werkelijkbedrag aan winstbelasting voor de deelnemingsverrekening, onderschei-denlijk als werkelijk bedrag aan buitenlandse winstbelasting voor deverrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten, zodat economischdubbele belasting tussen de vennootschapsbelasting en de Pijler 2-bijheffing wordt voorkomen. Deze leden vragen wel waarom de bepalingis beperkt tot de kwalificerende binnenlandse bijheffing. Zij nemen aandat de kwalificerende inkomen-inclusiebijheffing en de onderbelastewinst-bijheffing buiten beschouwing blijven omdat die niet drukken op hetniveau van de laagbelaste beleggingsdeelneming of de buitenlandseonderneming zelf. Kan de regering dat bevestigen?Daarnaast vragen deze leden hoe de verrekening in de praktijk moetworden toegepast. Kan de regering bevestigen dat ook een door eenandere staat geheven kwalificerende binnenlandse bijheffing meetelt? Eendergelijke bijheffing wordt op jurisdictieniveau berekend en moetvervolgens aan afzonderlijke entiteiten worden toegerekend voordatvaststaat welk bedrag drukt op de voordelen uit de desbetreffendedeelneming of onderneming. Deze leden vragen hoe de belastingplichtigehet werkelijke bedrag in een dergelijk geval aannemelijk maakt, gelet opde uiteenlopende buitenlandse implementaties van de OESO-modelregels. Zij vragen voorts hoe wordt omgegaan met het temporeleverschil tussen het jaar waarin de voordelen bij de Nederlandse belasting-plichtige opkomen en het doorgaans latere moment waarop de bijheffingover het verslagjaar wordt vastgesteld en betaald.De memorie van toelichting benadrukt dat geen inhoudelijke wijziging isbeoogd. De bepalingen treden niettemin zonder terugwerkende kracht op1 januari 2027 in werking, terwijl de Wet minimumbelasting 2024 al geldtvoor verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023. De ledenvan de JA21-fractie vragen of een belastingplichtige de verduidelijkteuitleg ook voor de tussenliggende boekjaren kan toepassen. Zo ja,waarom is dan niet voor terugwerkende kracht gekozen, zoals elders in ditwetsvoorstel bij herstel van omissies wel gebeurt? Zo nee, hoe verhoudtdat zich tot de stelling dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd? Tenslotte vragen deze leden te bevestigen dat de maatregel uitsluitendbegunstigend uitwerkt en voor geen enkele belastingplichtige tot eenhogere verschuldigde belasting leidt.2.8 Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht. De leden van de JA21-fractie onderschrijven dat moet worden voorkomendat de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting bij houdstercoöpe-raties wordt ontlopen door een belang van ten minste 5% op te knippenover leden die onderling niet verbonden zijn. Het tweede voorbeeld in deartikelsgewijze toelichting, waarin een belang van 8% wordt opgeknipt intweemaal 4%, laat zien dat de huidige tekst van artikel 1, zevende lid, WetDB 1965 naar de letter ruimte biedt voor een uitkomst die tegen debedoeling van de wetgever ingaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 69 Wel vragen deze leden naar het karakter van de wijziging. De memorievan toelichting spreekt van het wegnemen van een onduidelijkheid, maarerkent dat de huidige wettekst zo kan worden gelezen dat in debeschreven situatie geen inhoudingsplicht bestaat. De wijziging treedtzonder terugwerkende kracht op 1 januari 2027 in werking. Deze ledenvragen de regering te bevestigen dat voor opbrengsten die voor diedatum ter beschikking worden gesteld de huidige wettekst leidend is,onverminderd de mogelijkheid om in evidente gevallen fraus legis testellen. Voorts vragen zij hoe de nulraming van deze maatregel zichverhoudt tot het bestaan van het beschreven lek. Is bekend of vandergelijke opknipstructuren daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt? Zo ja,dan zou het dichten van het lek een opbrengst moeten genereren die in deraming ontbreekt; zo nee, dan vernemen deze leden graag waarop dieinschatting berust.Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor deuitvoerbaarheid voor de inhoudingsplichtige. De houdstercoöperatie moetbij iedere uitkering beoordelen of haar leden ten aanzien van huninvestering in de coöperatie een samenwerkende groep vormen alsbedoeld in artikel 10a, zesde lid, Wet Vpb 1969. Of sprake is van eengecoördineerde investering onttrekt zich echter grotendeels aan haarwaarneming; het gaat om afspraken tussen de leden onderling waarbij decoöperatie geen partij is. Omdat de dividendbelasting een afdrachtbe-lasting is, draagt de coöperatie bij een onjuiste beoordeling bovendien hetrisico van naheffing en een eventuele boete voor feiten die zij niet konkennen. Deze leden vragen hoe de coöperatie dit moet vaststellen, waarde bewijslast ligt, wat de gevolgen zijn indien achteraf een samenwer-kende groep blijkt waarvan de coöperatie redelijkerwijs niet op de hoogtekon zijn en of hierover zekerheid vooraf kan worden verkregen. Daarbijmerken deze leden op dat de inhoudingsvrijstelling van artikel 4 Wet DB1965 het bezwaar slechts ten dele wegneemt: ook waar die vrijstellinguiteindelijk van toepassing is, moet de coöperatie de kwalificatie van delidmaatschapsrechten eerst beoordelen en documenteren. Hoe wordt derechtszekerheid geborgd voor bonafide samenwerkingsverbanden, zoalsjoint ventures en fondsstructuren waarin partijen om niet-fiscale redenengezamenlijk investeren?2.11 Aanpassing begripsbepalingen motorrijtuigenbelasting De leden van de D66-fractie constateren dat met dit voorstel de indelingvan voertuigen in de motorrijtuigenbelasting voortaan aansluit bij deEuropese voertuigclassificatie. Deze leden lezen dat het toezicht opeventueel verschuldigde belastingen voor N2-voertuigen waarop in hetverleden de ondernemersvrijstelling is toegepast tijdelijk wordt bemoei-lijkt. Hoe groot is het verwachte nalevingsrisico en welke concretehandhavingsmaatregelen kunnen worden ingezet?De leden van de VVD-fractie lezen dat met het Belastingplan 2026 eentijdelijke oplossing is getroffen om te voorkomen dat er zowel vrachtwa-genheffing als motorrijtuigenbelasting verschuldigd zou zijn bij deinvoering van de vrachtwagenheffing op 1 juli 2026 voor motorrijtuigenuit categorie N2 waarvoor vrachtwagenheffing is verschuldigd en dieadministratief zijn teruggekeurd naar een toegestane maximummassa van3.500 kg of minder. Voor deze voertuigen wordt de motorrijtuigenbe-lasting tijdelijk op nihil gesteld. De leden constateren dat met de voorlig-gende Fiscale Verzamelwet 2027 wordt voorgesteld de definitie vanvrachtauto in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 structureel aan tepassen, zodat deze aansluit bij de Europese voertuigcategorieën.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 610 De leden van de VVD-fractie vragen de regering of met deze voorgesteldedefinitiewijziging alle gevallen waarin als gevolg van de samenloop vande vrachtwagenheffing en de motorrijtuigenbelasting dubbele belasting-heffing kan ontstaan, daadwerkelijk worden voorkomen. Kan de regeringbevestigen dat zich na inwerkingtreding van deze wijziging per 1 januari2027 geen andere voertuigcategorieën, uitzonderingssituaties of adminis-tratieve classificaties meer voordoen waarbij zowel vrachtwagenheffingals motorrijtuigenbelasting verschuldigd is? Als dat niet het geval is, kande regering dan aangeven voor welke gevallen nog risico op dubbelebelasting bestaat en hoe zij voornemens is dit op te lossen?De leden van de JA21-fractie begrijpen de wens om de motorrijtuigenbe-lasting te laten aansluiten bij de Europese voertuigclassificatie, zodat demrb en de vrachtwagenheffing van dezelfde, objectief vaststelbareindeling uitgaan. Zij wijzen er echter op dat met deze harmonisatie eenbestaande en legitieme praktijk fiscaal wordt doorkruist. Administratieveterugkeuring van een N2-voertuig naar een toegestane maximummassavan 3.500 kg of minder gebeurt vooral om het voertuig met rijbewijs B temogen besturen; ondernemers hebben hun bedrijfsvoering daaropingericht. Door de eerdere keuze om de vrachtwagenheffing op deEuropese classificatie te baseren vallen deze voertuigen sinds 1 juli 2026al onder die heffing en met dit voorstel worden zij per 1 januari 2027 ookvoor de mrb als vrachtauto behandeld. Deze leden vragen hoeveelhouders dit raakt, wat per saldo het lasteneffect per houder is wanneer hetvervallen van het bestelautotarief, het nieuwe vrachtautotarief en devrachtwagenheffing tezamen worden bezien en waarom geen eerbiedi-gende werking is overwogen voor voertuigen die op het moment vaninwerkingtreding al waren teruggekeurd. Kan de regering bevestigen datterugkeuring voor de rijbewijseis mogelijk en effectief blijft?Daarnaast constateren deze leden een tegenstrijdigheid tussen detoelichting en de uitvoeringstoets over de overgangsperiode. Volgens dememorie van toelichting is met het Belastingplan 2026 een tijdelijkeoplossing getroffen waardoor de mrb voor administratief teruggekeurdeN2-voertuigen vanaf de start van de vrachtwagenheffing op 1 juli 2026nihil bedraagt, zodat samenloop van beide heffingen wordt voorkomen.De uitvoeringstoets vermeldt daarentegen dat van 1 juli 2026 tot 1 januari2027 sprake is van een dubbele heffing voor een beperkt aantal terugge-keurde voertuigen. Deze leden vragen de regering deze tegenstrijdigheidop te helderen en te bevestigen dat door het nihiltarief geen enkelehouder in de overgangsperiode feitelijk zowel motorrijtuigenbelasting alsvrachtwagenheffing betaalt.Over de vrachtwagenheffing als zodanig zijn de leden van de JA21-fractieonverminderd kritisch; de fractie stemde in 2022 tegen de Wet vrachtwa-genheffing. Zij herinneren de regering eraan dat de Kamer de motie vande leden Eerdmans en Wilders heeft aangenomen waarin om uitstel vande vrachtwagenheffing tot 1 januari 2027 is gevraagd (Kamerstuk 36 933,nr. 4). Bij die ingangsdatum was de hiervoor beschreven overgangspro-blematiek, met inbegrip van het tijdelijke nihiltarief, in het geheel nietnodig geweest.Voorts wijzen deze leden erop dat de uitvoeringstoets het voorstel slechtsuitvoerbaar acht mits wordt geaccepteerd dat het toezicht op hetRestBPM-proces niet geautomatiseerd kan worden ondersteund. Hetzelfdevoertuig kan voor de motorrijtuigenbelasting een vrachtauto zijn en voorde bpm een bestelauto, waardoor de complexiteit van de handhavingtoeneemt. De regering acht dit aanvaardbaar omdat het gaat om eenaflopende groep van minder dan 5.000 voertuigen met een datum vaneerste toelating in 2022 tot en met 2024, met naar verwachting geringeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 611 nalevingsrisico’s. Deze leden vragen waarop die inschatting berust en hoede Belastingdienst zonder geautomatiseerd toezicht zicht houdt opgevallen waarin de ondernemersvrijstelling in de bpm is genoten terwijlniet langer aan de voorwaarden wordt voldaan en geen spontane aangiftevolgt.Ten slotte vragen de leden van de JA21-fractie welke maatregelen deregering neemt om het verwachte knelpunt in het doenvermogen en dedoor de Belastingtelefoon voorziene toename van klantcontacten tebeperken.2.14 Wijzigingen in de Wet op de accijns De leden van de PRO-fractie vragen de regering om toe te lichten waaromde mogelijkheid bestaat om een verzoek om teruggaaf van accijns te doenals goederen worden ingeslagen. Kan de gewenste verlichting van deadministratieve lasten ook bereikt worden door deze mogelijkheid teschrappen? Wat zouden eventuele voor- en nadelen daarvan zijn?2.15 Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voortoeslagen De leden van de D66-fractie constateren dat de regering voorstelt devoorhangprocedure voor vermogenstoetsuitzonderingen volledig af teschaffen. Deze procedure geeft de Kamer nu de mogelijkheid om tereageren voordat een nieuwe uitzondering op de vermogenstoets inwerking treedt. Er wordt gesteld dat dit niet nodig is omdat de Kamer ookvia andere wegen kan reageren. Deze leden vragen waarom niet isgekozen voor een lichtere variant, zodat de Kamer kan toezien op definanciële positie van toeslaggerechtigden.De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering bij het voorstel om devoorhangprocedure voor nieuw te introduceren vermogensuitzonde-ringen te laten vervallen, mede verwijst naar het belang van het behoudvan een goed gesprek met het parlement. Deze leden vragen de regeringnader toe te lichten wat zij in dit verband onder een goed gesprekverstaat. Hoe wordt dit gesprek concreet vormgegeven als de voorhang-procedure komt te vervallen? Op welke wijze worden de Eerste en deTweede Kamer in dat geval betrokken bij de voorbereiding van nieuwevermogensuitzonderingen en hoe wordt gewaarborgd dat parlementaireopmerkingen en bezwaren daadwerkelijk kunnen worden meegewogenvoordat tot vaststelling wordt overgegaan?De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering het onwenselijk zouvinden om bepaalde vermogenstoetsuitzonderingen in de wet op tenemen en daarom de voorhangprocedure die geldt voor nieuwe uitzonde-ringen wil laten vervallen. Kan de regering toelichten waarom opname inde wet onwenselijk zou zijn?De leden van de JA21-fractie kunnen de herformulering en deverplaatsing van de delegatiegrondslag volgen. De huidige vormgevingals hardheidsclausule in artikel 47 Awir dekt de bedoeling van de bepalingniet, zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld, terwijlde vermogenstoetsuitzonderingen materieel deel uitmaken van dedraagkrachtbepaling. Het voorgestelde artikel 7, achtste lid, Awir sluit daarbeter bij aan. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat met deherformulering en de verplaatsing geen materiële wijziging is beoogd endat alle bestaande uitzonderingen in de Uitvoeringsregeling Awirongewijzigd blijven gelden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 612 Bij het vervallen van de zware voorhangprocedure plaatsen de leden vande JA21-fractie een kanttekening. Dat de voorhang sinds de invoering nietis gebruikt om een uitzondering tegen te houden, zegt op zichzelf weinigover de waarde van het instrument; een waarborg kan juist werkendoordat hij bestaat. Tegelijk zien deze leden dat vermogenstoetsuitzonde-ringen begunstigend zijn voor de betrokken burgers en dat snelheidgeboden kan zijn, bijvoorbeeld bij hersteloperaties. Zij vragen de regeringdaarom toe te zeggen dat iedere nieuwe vermogenstoetsuitzonderinguiterlijk bij de publicatie van de wijziging van de Uitvoeringsregeling Awiractief aan de Kamer wordt gemeld en dat daarbij de toetsing aan hetafwegingskader vermogenstoetsuitzonderingen (Kamerstuk 35 574, nr. 31)openbaar wordt gemaakt. Daarmee blijft de parlementaire betrokkenheidgeborgd, zonder de vertraging die de regering wil vermijden.2.17 Herstel omissie belasting- en invorderingsrente onderlingeoverlegprocedures De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat de regering met ditwetsvoorstel de omissie met betrekking tot de belasting- en invorderings-rente in het kader van onderlinge overlegprocedures op grond van de Wetfiscale arbitrage herstelt. Deze leden merken op dat het Besluit onderlingeoverlegprocedures weliswaar een passage bevat over belasting- eninvorderingsrente, maar niet ingaat op bestuurlijke boetes waarvan degrondslag wordt gevormd door het bedrag van de belasting. Zij vragen deregering te bevestigen dat het gevoerde beleid, overeenkomstig bestpractice 50 van de OESO-handleiding Manual on Effective MutualAgreement Procedures (MEMAP), inhoudt dat artikel 67h van deAlgemene wet inzake rijksbelastingen eveneens wordt toegepast als eenNederlandse correctie geheel of gedeeltelijk wordt teruggenomen naaraanleiding van een onderlinge overlegprocedure.Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat, overeen-komstig best practice 27 van de genoemde OESO-handleiding, de toegangtot een onderlinge overlegprocedure niet door de inspecteur kan wordenuitgesloten in een vaststellingsovereenkomst. Daarnaast verzoeken zij deregering de Kamer te informeren over de ontwikkelingen op het gebiedvan bilaterale en multilaterale zekerheid vooraf over verdragstoepassing,anders dan op het terrein van verrekenprijzen.Ten slotte vragen leden van de VVD-fractie of de regering aanleiding zietom, in het licht van best practice 53 van de genoemde OESO-handleiding,het huidige beleid te heroverwegen waarbij procedureregels voorarbitrageprocedures pas worden onderhandeld wanneer arbitrage zichconcreet aandient, in plaats van deze regels zo spoedig mogelijk na hetsluiten van een verdrag vast te stellen.2.18 Delegatiebepaling in de AWR De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de regering opvolging wilgeven aan een aanbeveling van de Europese Commissie om bepaaldeUnierechtelijke voorwaarden, zoals de zogenoemde Deggendorf-clausule,in nationale regelgeving te kunnen opnemen. Tegelijkertijd vragen dezeleden zich af of de gekozen oplossing niet verder gaat dan strikt noodza-kelijk. De voorgestelde bepaling creëert immers een zeer ruime grondslagom bij algemene maatregel van bestuur aanvullende voorwaarden testellen aan de toegang tot fiscale regelingen die als staatssteun kwalifi-ceren. Daarmee ontstaat onzekerheid voor ondernemers over detoepasselijke voorwaarden en bestaat het risico dat Nederland deEuropese staatssteunregels strenger implementeert dan noodzakelijk is.De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat Nederland een aantrek-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 613 kelijk vestigings- en investeringsklimaat behoudt en willen voorkomen datondernemers worden geconfronteerd met extra administratieve lasten,rechtsongelijkheid of een minder gunstige behandeling dan concurrentenin andere lidstaten.Deze leden verzoeken de regering daarom nader te motiveren waaromeen zo ruime delegatiegrondslag noodzakelijk is en welke waarborgenbestaan tegen nationale overimplementatie van Europese staatssteun-regels. Ook vragen zij de regering te reflecteren op hoe zich dit verhoudttot het coalitieakkoord, waarin is afgesproken nationale koppen opEuropese regelgeving juist te schrappen en Europese regelgeving zoveelmogelijk één op één te implementeren. Deelt de regering de opvatting datNederland terughoudend moet zijn met het toevoegen van nationalevoorwaarden boven op het Europese staatssteunrecht, juist gezien dedruk op het Nederlandse ondernemings- en vestigingsklimaat? Zo ja,waarom kiest de regering dan voor een open delegatiegrondslag dietoekomstige aanscherpingen mogelijk maakt zonder voorafgaandeparlementaire behandeling?De leden van de JA21-fractie begrijpen de achtergrond van het voorge-stelde artikel 20c AWR. De Europese Commissie heeft Nederland na decontrole van de verlaagde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouwaanbevolen de Unierechtelijke voorwaarden voor het verstrekken vanfiscale staatssteun in nationale regelgeving vast te leggen, waaronder deDeggendorf-clausule op grond waarvan steun wordt geweigerd zolangeen terugvorderingsbesluit van de Commissie voorligt of een proceduredaarover loopt. Dat de regering deze aanbeveling opvolgt achten dezeleden verstandig.De wettekst is evenwel aanzienlijk ruimer dan de toelichting. Bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld metbetrekking tot de verstrekking van staatssteun die voortvloeit uit detoepassing van een belastingwet, terwijl de toelichting in wezen éénvoorwaarde noemt. De leden van de JA21-fractie vragen of de voorge-nomen algemene maatregel van bestuur zich tot de Deggendorf-clausulebeperkt, welke andere voorwaarden de regering voor ogen heeft enwaarom is gekozen voor de formulering «bij of krachtens», die delegatienaar een ministeriële regeling mogelijk maakt. Ook vragen zij waaromvoor de verplichtende formulering «worden regels gesteld» is gekozen inplaats van een bevoegdheid. Voorts vragen zij of in een voorhang- ofnahangprocedure bij deze algemene maatregel van bestuur wordtvoorzien en of de Kamer de uitvoeringstoets ontvangt die blijkens dememorie van toelichting pas bij de vaststelling van die maatregel wordtopgesteld.Daarnaast vragen deze leden aandacht voor het karakter van de weigeringen voor de rechtsbescherming. De Deggendorf-voorwaarde houdt geenoordeel in over de fiscale regeling die de belastingplichtige inroept; dieregeling is goedgekeurde of vrijgestelde steun en blijft voor iedere anderebelastingplichtige gewoon beschikbaar. De weigering grijpt aan bij deonderneming zelf en dient als drukmiddel om de terugvordering vaneerdere onrechtmatige steun af te dwingen, omdat cumulatie van hetniet-terugbetaalde voordeel met nieuwe steun de concurrentievervalsingzou laten voortduren. Uit dat karakter volgen vragen die de memorie vantoelichting onbeantwoord laat. In welke vorm wordt de weigeringgegoten, staat daartegen bezwaar en beroep open en hoe wordtomgegaan met de belastingplichtige die het onderliggende terugvorde-ringsbesluit bij de Unierechter aanvecht? Herleeft de aanspraak op degeweigerde faciliteit zodra aan de terugvordering is voldaan of hetterugvorderingsbesluit is vernietigd, zo nodig met terugwerkende krachtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 614 tot het moment waarop aan de overige voorwaarden was voldaan? Hoewordt omgegaan met een gedeeltelijke terugbetaling of een met deontvanger overeengekomen betalingsregeling?Ten slotte vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor dekenbaarheid. De memorie van toelichting merkt op dat een belasting-plichtige die niet wist dat een regeling als staatssteun is aangemerkt, datdoor de weigering ontdekt. Voor de kenbaarheid verwijst zij naar deopenbare databank van de Europese Commissie. Voor het midden- enkleinbedrijf is dat geen reële kenbaarheidsbron. Deze leden vragen of deregering bereid is terugvorderingsbesluiten die Nederlandse fiscaleregelingen raken op een voor belastingplichtigen toegankelijke plaatsbekend te maken, bijvoorbeeld via de Belastingdienst.2.19 Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigen-belasting De leden van de D66-fractie lezen het voorstel om de oldtimervrijstellingeen jaar te vervroegen omdat het bouwen van een aparte voorziening inhet nieuwe mrb-systeem voor een jaar niet efficiënt is. Hoeveel voertuigenprofiteren van deze tijdelijke verruiming? Deze leden vragen zich ook af ofdit voldoende rechtvaardiging biedt voor een uitbreiding van de belasting-vrijstelling.De leden van de VVD-fractie constateren dat een beroep op schaarseIV-capaciteit binnen de Belastingdienst steeds vaker een rol speelt bijfiscale beleidskeuzes. Kan de regering uiteenzetten welke maatregelen zijneemt om de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel structureel teverbeteren en welke verdere vereenvoudigingen mogelijk zijn om de drukop de uitvoering te verminderen?De leden van de PRO-fractie snappen de wens om de overgangsregelingvoor oldtimers vervroegd te beëindigen om uitvoeringsredenen.Tegelijkertijd merken zij op dat de regering deze vervroeging ook hadkunnen combineren met een versobering van de oldtimerregeling,waardoor er in plaats van een kleine derving sprake zou zijn van eenbudgettaire opbrengst. Een deel van de auto’s in kwestie gaan immers weldegelijk de weg op en uit de evaluatie van de bijzondere regelingen in demrb blijkt dat de oldtimerregeling waarschijnlijk überhaupt niet nodig isvoor het behoud van mobiel erfgoed. De oldtimerregeling is daarmeegeen doelmatige regeling. Deze leden zijn benieuwd hoe de regering ditmeeweegt in de besluitvorming. Is overwogen de oldtimerregeling verderte versoberen, bijvoorbeeld door een kwarttarief te introduceren in plaatsvan een volledige vrijstelling? Ziet de regering het nog als eenmogelijkheid om alsnog over te gaan op een systeem van betalen naargebruik, waardoor de oldtimerregeling volledig overbodig zou worden?De leden van de JA21-fractie steunen het met één jaar vervroegen, naar1 januari 2027, van de invoering van de vaste peildatum voor de oldtimer-vrijstelling (datum eerste toelating voor 1 januari 1988), zowel omuitvoeringstechnische redenen als omdat het de lasten voor de betrokkenhouders verlicht. Deze steun betreft evenwel de vervroeging, niet deonderliggende keuze voor een vaste peildatum. Die keuze, gemaakt in hetBelastingplan 2024, betekent dat motorrijtuigen met een datum eerstetoelating vanaf 1 januari 1988 nooit meer voor de vrijstelling inaanmerking komen, zodat de oldtimerregeling feitelijk uitsterft. De Kamerheeft het cultuurhistorisch belang van mobiel erfgoed eerder breedonderschreven, onder meer met de aangenomen motie-Eerdmans overhet behoud daarvan. Deze leden vragen de regering hoe dat belang wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 615 geborgd nu de vrijstelling bevriest en of zij bereid is bij een volgendeevaluatie van de autobelastingen een rollende leeftijdsgrens opnieuw tebezien.De leden van de JA21-fractie constateren voorts dat de maatregel blijkensde ramingstoelichting leidt tot een incidentele derving van € 5 miljoen in2027. Zij vragen hoe deze derving wordt gedekt.2.20 Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017 De leden van de JA21-fractie constateren dat met dit voorstel de bij deFiscale vereenvoudigingswet 2017 voorziene stroomlijning naar ééninvorderingsregime voor belastingen en toeslagen gedeeltelijk komt tevervallen, waarmee een geraamde structurele besparing van € 5,6 miljoenen 66 fte niet wordt gerealiseerd. Deze leden begrijpen dat dit samen-hangt met de ontvlechting van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen,maar vragen welk perspectief de regering nog ziet op vereenvoudiging enstroomlijning van de invordering nu dit traject wordt teruggedraaid.3. Budgettaire aspecten De leden van de JA21-fractie constateren dat ten aanzien van deaanpassing van de begripsbepalingen in de motorrijtuigenbelasting eenstructurele derving van € 16 miljoen is geraamd, die wordt gedekt uit decompensatie voor de fiscale derving als gevolg van de vrachtwagen-heffing en bij Voorjaarsnota 2026 in de begroting van Infrastructuur enWaterstaat wordt verwerkt. Deze leden vragen de regering te bevestigendat deze dekking inmiddels daadwerkelijk is verwerkt en structureelsluitend is. Tevens vragen zij te bevestigen dat het Centraal Planbureau deramingen van de aanpassing van de begripsbepalingen in de motorrijtui-genbelasting en van de verruiming van de oldtimervrijstelling buiten desteekproefsgewijze certificering heeft gelaten. Deze leden vragen of ditlouter een gevolg is van de aselecte steekproef en geen oordeel over dekwaliteit van de ramingen impliceert.OVERIGDe leden van de JA21-fractie merken op dat met de nota van wijziging deuitzondering op het aanwijsverbod voor eerste huisvestingskosten die alsextraterritoriale kosten kwalificeren wettelijk wordt verankerd, metterugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011. Uit de toelichting en deonderliggende beslisnota blijkt dat de parlementaire behandeling op ditpunt innerlijk tegenstrijdig is geweest: de wettekst kende een bewustgeïntroduceerd aanwijsverbod, terwijl beleidsbesluiten en uitvoerings-praktijk het tegenovergestelde toestonden. Deze leden achten het uitoogpunt van rechtszekerheid verdedigbaar dat wet en praktijk in overeen-stemming worden gebracht, maar vragen de regering te bevestigen dathier in feite een ruim vijftien jaar bestaande, met de wettekst strijdigepraktijk wordt gecodificeerd. Zij vragen hoe zich dit verhoudt tot hetuitgangspunt dat belastingplichtigen moeten kunnen vertrouwen op dewettekst zelf. Voorts vragen deze leden of de regering de stelling dat demaatregel geen budgettaire effecten heeft kwantitatief kan onderbouwen,met een schatting van het aantal betrokken inhoudingsplichtigen enwerknemers en het budgettaire belang dat is gemoeid met de onbelastevergoeding van eerste huisvestingskosten boven 18% van het loon. Tenslotte vragen zij te bevestigen dat deze wijziging uitsluitend ziet op deregeling van de werkelijke kosten en geen effect heeft op de forfaitaireexpatregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 616 De leden van de PRO-fractie vragen de regering of overwogen isgemeenten de mogelijkheid te geven een planbatenheffing in te voeren enof overwogen is deze wijziging toe te voegen aan het voorliggendewetsvoorstel. Het gaat daarbij om een kleine wijziging zonder budgettaireimpact; dat de mogelijkheid wordt geïntroduceerd betekent immersgeenszins dat gemeenten verplicht zijn daarvan gebruik te maken. Met deFiscale verzamelwet 2026 hebben gemeenten de mogelijkheid gekregeneen leegstandsheffing in te voeren. Dat is een stap in de goede richting,maar nog onvoldoende om de huidige wooncrisis op te lossen. Demogelijkheid voor een planbatenheffing kan een volgende goede stap zijn.De Tweede Kamer heeft daarom tot driemaal toe per motie verzocht omeen planbatenheffing uit te werken, met een opschuivende deadline. Diedeadlines zijn steeds niet gehaald, waarmee de regering dus heeftverzuimd de aangenomen moties uit te voeren. Deze leden vragendaarom waarom de regering de mogelijkheid voor een gemeentelijkeplanbatenheffing niet aan het voorliggende wetsvoorstel heeft toege-voegd en of de regering bereid is dat alsnog te doen middels een nota vanwijziging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 938, nr. 617
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.