Verslag van een schriftelijk overleg over de Stand van zaken rondom het handhavingsverzoek betreffende het gebruik van kraamkooien voor zeugen in de varkenshouderij (Kamerstuk 28286-1386)
Brontekst
Versie e90b5d4d773440da · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 286DierenwelzijnNr. 1392 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 21 mei 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecre-taris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 11 maart 2025 overde Stand van zaken rondom het handhavingsverzoek betreffende hetgebruik van kraamkooien voor zeugen in de varkenshouderij (Kamerstuk28 286, nr. 1386).De vragen en opmerkingen zijn op 11 april 2025 aan de Staatssecretarisvan Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij briefvan 21 mei 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,AardemaDe griffier van de commissie,Jansma kst-28286-1392ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13921 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en Reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en Reactie van de bewindspersoonDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de brief over de stand van zaken rondom het handhavings-verzoek betreffende het gebruik van kraamkooien voor zeugen in devarkenshouderij. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen benadrukken dat diversewetenschappelijke onderzoeken aantonen dat de kraamkooi een ernstigeaantasting van het welzijn van de zeug veroorzaakt, onder andere doorBureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro), European Food SafetyAuthority (EFSA) en Wageningen University & Research (WUR) enEuropean Reference Center for Animal Welfare (EURCAW). Deze ledenvinden het daarom goed dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit(NVWA) nader onderzoek gaat doen naar het gebruik van de kraamkooidoor varkenshouders en of dit een overtreding oplevert van artikel 1.6 vanhet Besluit houders van dieren (Bhd) en de mogelijke handhaving diedaaruit voortvloeit. Deze leden zijn daarom benieuwd naar de uitkomstenvan dit lopende juridische traject.VraagKan de Staatssecretaris een tijdspad schetsen van de drie fasen die deNVWA doorloopt tot aan de besluitvorming?AntwoordOp 27 augustus 2024 heeft de rechter geoordeeld dat de Minister vanLVVN, en daarmee de NVWA, nader onderzoek moet doen naar hetgebruik van de kraamkooi door de varkenshouder en vervolgens eennieuw besluit op bezwaar moet nemen. Dit onderzoek ten behoeve van deonderbouwing van een nieuw besluit vergt een zorgvuldig proces. Om debelangen van de varkenshouder voldoende mee te kunnen wegen, istijdens de eerste fase een onderzoek door een sectordeskundige naar despecifieke situatie bij de betreffende varkenshouder uitgevoerd. Ditonderzoek is inmiddels afgerond. Als de NVWA besluit tot handhavingover te gaan, wordt eerst een voornemen tot handhaving naar zowel dehouder als de indiener van het handhavingsverzoek (Varkens in Nood)gestuurd. Beiden krijgen de gelegenheid input te leveren op dit voorge-nomen besluit. Na deze 2de fase wordt tenslotte zo spoedig mogelijk eendefinitief besluit genomen. Zoals ook in de Kamerbrief d.d. 11 maart 2025aangegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 1386) staat dit definitieve besluit openvoor beroep bij de rechter.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enReactie van de bewindspersoonDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over destand van zaken rondom het handhavingsverzoek betreffende het gebruikvan kraamkooien voor zeugen in de varkenshouderij.Deze leden willen in de eerste plaats benadrukken het zeer onwenselijk tevinden dat een individuele ondernemer in onzekerheid zit vanwegeonduidelijkheid over wet- en regelgeving. Op het bedrijf staan kraam-boxen, thans een gangbare vorm van huisvesting in de varkenshouderij,waarbij de NVWA tijdens een inspectie geen overtreding van het BhdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13922 heeft geconstateerd. Toch is deze varkenshouder lijdend voorwerp in eenjuridisch geschil, met mogelijke consequenties voor de toekomst van hetbedrijf.VraagDeelt de Staatssecretaris de mening dat deze situatie onrechtvaardigvoelt? Hoe moeten andere goedwillende varkenshouders met kraam-boxen op het bedrijf naar deze zaak kijken?AntwoordIk kan me goed voorstellen dat de huidige onzekerheid voor varkens-houders onrechtvaardig voelt. Het ligt echter in de systematiek van onzewetgeving besloten dat een belanghebbende, via het doen van eenhandhavingsverzoek, een toezichthouder kan verzoeken om in eenconcrete situatie te beoordelen of een algemene geldende regel wordtnageleefd. In deze situatie heeft, zoals ook aangegeven in de Kamerbriefd.d. 11 maart 2025 (Kamerstuk 28 286, nr. 1386), het College van Beroepvoor het bedrijfsleven (CBb) geoordeeld dat de Minister van LVVN, endaarmee de NVWA, nader onderzoek moet doen naar het gebruik van dekraamkooi door de varkenshouder en vervolgens een nieuw besluit opbezwaar moet nemen. Meer specifiek moet de Minister, en daarmee deNVWA als de bevoegde instantie met mandaat in deze, een standpuntbepalen over de vraag of het gebruik van een kraamkooi in het algemeenreeds een overtreding oplevert van artikel 1.6, tweede lid, van het Bhd, enzo ja, waarom hiertegen niet zou kunnen worden opgetreden. De NVWAgeeft daarmee dus uitvoering aan de uitspraak van de rechter. Tegelij-kertijd kan en wil ik niet vooruitlopen op het nieuw te nemen besluit ophet handhavingsverzoek en de eventuele consequenties die dit besluitmogelijk zou kunnen hebben voor de varkenshouderij.De leden van de VVD-fractie constateren dat de huidige wetgevingvanwege open normen in de praktijk leidt tot juridisch getouwtrek overdierenwelzijn en de invulling daarvan in de veehouderij. Dit leidt tot groteonduidelijkheid voor ondernemers over hun bedrijfsvoering. Deze ledenroepen in herinnering dat de leden van de VVD-fractie een vergelijkbaresituatie vreesden bij het amendement-Vestering (Kamerstuk 35 398,nr. 23).VraagIs de Staatssecretaris met deze leden van mening dat het aan de wetgeveris om klaarblijkelijke onduidelijkheden in wet- en regelgeving weg tenemen, in dit geval door het invullen van open normen?AntwoordDat hangt van de specifieke situatie af. Wanneer bij de uitvoering van eenin wet- of regelgeving opgenomen voorschrift zich onduidelijkhedenvoordoen, wordt bezien of invulling daarvan nodig is en hoe dit kanworden gedaan. Daar is onder andere het traject om te komen totinvulling van open normen voor ingericht (Kamerstuk 28 286, nr. 1139).Het vergt een afweging hoe die invulling kan worden gedaan en door wie.Zo kan het binnen de werkruimte van de toezichthouder liggen om deinterpretatie van de norm vast te leggen in een door die toezichthouder opte stellen werkinstructie voor de inspecteurs. Daarnaast kan bijvoorbeeldeen wetsinterpreterende beleidsregel door de verantwoordelijke bewinds-persoon worden vastgesteld zodat duidelijk is hoe het voorschrift voor deuitvoering ervan wordt geïnterpreteerd. Wanneer geconcludeerd wordtdat het voorschrift zelf aanpassing behoeft, bijvoorbeeld op basis vansignalen van de toezichthouder, is het inderdaad aan de wet- of regel-gever om de nut en noodzaak daarvan te beoordelen en desgewenst totaanpassing over te gaan. Daarbij zal ook steeds moeten worden bezienTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13923 hoe een voorgenomen invulling zich verhoudt tot de veelal Europeseherkomst van dierenwelzijnsvoorschriften voor de veehouderij en of dieEuropese regelgeving ruimte laat voor een voorgenomen invulling.Om duidelijkheid te verschaffen over dierenwelzijnsregels heeft de Kamervorig jaar de Wet Dieren aangepast via het amendement-De Groot/VanCampen, zoals verwerkt in artikel 2.3a. Deze leden hebben hier een aantalvragen over.VraagBeaamt de Staatssecretaris dat de aankomende algemene maatregel vanbestuur (AMvB) moet leiden tot het uiterlijk in 2040 bewerkstelligen vaneen dierwaardige veehouderij zoals gedefinieerd in artikel 2.3a lid 2?AntwoordDe Minister van LVVN beaamt dat deze passage is opgenomen in de Wetdieren. Artikel 2.3a kent daarbij wel een uitzondering op die tijdshorizon,namelijk als het noodzakelijk is voor bepaalde situaties een langere enredelijke (overgangs)termijn te stellen vanwege de terugverdientijd vannoodzakelijke investeringen (artikel 2.3a, vierde lid). De Minister van LVVNwerkt aan een algemene maatregel van bestuur dierwaardige veehouderij2040 voor melkvee, kalveren, pluimvee (alleen kippen) en varkens.VraagIs de Staatssecretaris het met deze leden eens dat deze AMvB een eindemoet maken aan de open normen in onze dierenwelzijnswetgeving, nietalleen in de varkenshouderij maar ook in andere diersectoren? Denkt deStaatssecretaris dat daarmee onduidelijkheden voor ondernemers, zoalsin het voorliggende juridische geschil, voorkomen kunnen worden?AntwoordDe Minister van LVVN zal regels in de AMvB waar mogelijk vormgeven alsdoelvoorschriften zodat enerzijds het te bereiken dierenwelzijnsdoelhelder is, maar er anderzijds handelingsruimte is voor de veehouder omdat doel zo te bereiken dat het best past binnen de eigen bedrijfsvoering.Veehouderijen verschillen namelijk sterk van elkaar in omvang, inrichting,bedrijfsvoering et cetera, waardoor het niet altijd mogelijk en nietwenselijk is om een generieke aanpak of voorschrift voor te schrijven.Bovendien bieden doelvoorschriften, die bovendien techniekonafhankelijkzijn omschreven, ruimte voor innovatie en de mogelijkheid om metnieuwe toekomstige geschikte manieren aan een gedragsbehoefteinvulling te geven. Dit laat onverlet dat de doelvoorschriften in deze AMvBuit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voldoende duide-lijkheid moeten bieden welk dierenwelzijnsdoel veehouders moetenrealiseren en per wanneer. Het doel moet daarvoor voldoende concreetzijn zodat objectief door de toezichthouder kan worden vastgesteld of eenhouder het gestelde doel heeft behaald.VraagKan de Staatssecretaris bevestigen dat de vast te stellen AMvB voor 1 juli2025 wordt voorgehangen bij de Kamer conform de wettelijke deadlinevan artikel 10.10? Indien de Staatssecretaris een van bovenstaande vragenniet instemmend kan beantwoorden, kan de Staatssecretaris dan uitvoeriguiteenzetten waarom niet?AntwoordDe Minister van LVVN streeft ernaar om de AMvB zo spoedig mogelijkvoor te hangen bij de Kamer. Het gaat om een complexe en veelomvat-tende AMvB voor vier veehouderijsectoren en dat vergt een zorgvuldigevoorbereiding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13924 VraagDeze leden vragen wat de stand van zaken is van het convenantdierwaardige veehouderij. In welke fase bevinden de gesprekken zich?AntwoordDe Minister van LVVN is samen met convenantpartijen ver gevorderd inbesprekingen over het convenant dierwaardige veehouderij. Zij strevenernaar om op korte termijn over te gaan tot ondertekening van hetconvenant. De Minister van LVVN zal u daar nader over informeren.Tot slot willen de leden van de VVD-fractie een en ander vragen over deuitspraak van het College van Beroep.VraagTen eerste, waarom is de gemachtigde van de Minister tijdens de zittingniet ingegaan op de stelling van Varkens in Nood (ViN) dat niet vaststaatdat het gebruik van kraamkooien biggensterfte beperkt? Kan de Staatsse-cretaris dat hierbij alsnog doen, en kan de Staatssecretaris daarbij ookingaan op het standpunt van ViN dat daarvoor langer gebruik dan drie ofvier dagen nodig zou zijn?AntwoordDe inbreng tijdens een zitting wordt mede bepaald door de standpuntenvan partijen die zijn ingebracht tot dan toe, het verloop van de zitting,vragen van en regievoering door de rechter en de bedrijfsspecifiekesituatie. In algemene zin kan ik aangeven dat huisvesting voor zeugen inhun kraamperiode waarbij de zeug zich vrij kan bewegen (zogenaamde«vrijloopkraamhokken»), de zeug de gelegenheid kan bieden om haargedragsbehoeftes, waaronder maternale zorg in voldoende mate te uiten.De Minister van LVVN zal in het traject naar een meer dierwaardigeveehouderij een voorstel voor wijziging overwegen ten aanzien van het nugeldende juridische kader voor het gebruik van kraamkooien bij zeugen.VraagWaarom is de gestelde termijn van acht weken overschreden, wanneerverwacht de Staatssecretaris een nieuwe beslissing te kunnen nemen enkan de Staatssecretaris toezeggen zijn beslissing inclusief onderbouwingook aan de Kamer te doen toekomen?AntwoordZoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag van GroenLinks-PvdAvergt het nemen van een nieuw besluit een zorgvuldig proces. De NVWAverwacht op korte termijn een besluit in deze concrete zaak te kunnennemen. Ik zal uw Kamer daarna informeren over de strekking van hetgenomen besluit.VraagVoorziet de Staatssecretaris dat op basis van artikel 1.6 voor allerleihuisvestingstypen handhavingsverzoeken zullen worden gedaan?AntwoordDe NVWA zag de afgelopen jaren een stijgende lijn in het aantal handha-vingsverzoeken dat jaarlijks wordt ontvangen: van 15 in 2021 naar 57 in20231. En alhoewel handhavingsverzoeken over uiteenlopende onder-werpen worden ingediend, heeft het grootste deel van de verzoekenbetrekking op dierenwelzijn.1https://www.nvwa.nl/over-de-nvwa/publicaties/jaarbeeld-2023/nvwa-brede-themasTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13925 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enReactie van de bewindspersoonDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over destand van zaken rondom het handhavingsverzoek betreffende het gebruikvan kraamboxen voor zeugen in de varkenshouderij. Deze leden hebbendaar een aantal vragen over.Het gebruik van kraamboxen is op dit moment in Nederland gangbaar inde zeugenhouderij. Hoewel het Bhd (artikel 1.6) bepaalt dat een diervoldoende ruimte wordt gelaten voor zijn fysiologische en ethologischebehoeften, wordt niet gesteld dat het gebruik van kraamboxen (ofkraamkooien) verboden is. Sterker nog, in artikel 2.19, lid 6 staat dat ineen stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegenof omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte omongehinderd te kunnen worden gezoogd. Daarnaast staat in artikel 2.3 vandatzelfde besluit wanneer een dier permanent of geregeld wordtaangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, het voldoende ruimtegelaten wordt voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. Daarmeeis wat de leden van de BBB-fractie betreft voldoende duidelijk gemaakt dathet gebruik van kraamboxen is toegestaan onder het Bhd.VraagAls het gebruik niet expliciet verboden is, maar feitelijk expliciet toege-staan, en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) op27 augustus 2024 heeft geoordeeld dat de NVWA nader onderzoek moetdoen naar het gebruik van de kraambox en moet aangeven waarom tegenhet gebruik niet hoeft te worden opgetreden, willen de leden van deBBB-fractie vragen waarom de NVWA niet aan dat verzoek van het CBbheeft voldaan en waarom kennelijk wordt overwogen om dat ook in detoekomst niet te doen.Hoe ziet de Staatssecretaris dit besluit van de NVWA in het licht vanartikel 2.3 en 2.19 van het Bhd, waarin expliciet wordt gesproken over defixatie van dieren?AntwoordZoals ook aangegeven in mijn antwoord op de eerste vraag van de VVD,geeft de NVWA op dit moment uitvoering aan de opdracht van de rechteren verwacht ik dat er binnenkort een besluit in deze concrete zaak kanworden genomen. Tegen deze beslissing staat vervolgens voor zowel deondernemer als voor de verzoeker beroep open bij de rechter. Omdat hetdefinitieve besluit nog niet is genomen, wil en kan ik hier niet verder opvoor uit lopen.De leden van de BBB-fractie willen benadrukken dat artikel 1.6 van hetBhd een implementatie is van richtlijn 98/58/EG, waarmee het houden vanzeugen in kraamboxen ook op Europees niveau toegestaan is. Het nietindienen van een goede onderbouwing van het afwijzen van het handha-vingsverzoek leidt daarmee volgens deze leden tot het implementeren vaneen nationale kop op Europees beleid. De leden van de BBB-fractie willenbenadrukken dat een interventie bovendien evenredig en proportioneelmoet zijn.VraagZiet de Staatssecretaris het optreden tegen het gebruik van kraamboxenin de gehele sector als evenredig en proportioneel? Wordt bij dieoverweging ook rekening gehouden met het lopende traject voor meerdierwaardige veehouderij?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13926 In deze kwestie wordt de toezichthouder verzocht om te handhaven in eenconcrete situatie. Daarbij worden de feiten en omstandigheden van hetindividuele geval getoetst aan relevante regelgeving en de beginselen vanbehoorlijk bestuur, waaronder proportionaliteit. Zoals ook al eerderaangegeven is het definitieve besluit nog niet genomen en kan ik nietvooruit lopen op de eventuele consequenties die dit besluit mogelijk zoukunnen hebben voor de varkenshouderij. Het juridische traject waarin deNVWA uitvoering geeft aan de opdracht van de rechter loopt parallel aanhet traject van de Minister van LVVN waarin gewerkt wordt aan eenalgemene maatregel van bestuur dierwaardige veehouderij 2040 voormelkvee, kalveren, pluimvee (alleen kippen) en varkens. In algemene zinkan pas rekening gehouden worden met het traject naar een nog meerdierwaardige veehouderij, als concreet zicht is op het wel of niet toestaanvan het gebruik van kraamkooien hierin.VraagWat betekent dit in termen van financiële lastenverzwaring voor onder-nemers en hoe verhoudt zich dit ten opzichte van het convenantdierwaardige veehouderij waarin de kosten voor dierenwelzijn verwachtworden te verhogen? Worden deze kosten alleen op ondernemersverhaald of landen deze ergens anders in de keten?AntwoordStappen naar een nog meer dierwaardige veehouderij vergen in deperiode 2025–2040 forse investeringen, zo heeft u eerder kunnen lezen inde sociaal economische impactanalyse2 van WSER/CAF die mede opverzoek van de convenantpartijen dierwaardige veehouderij is opgesteld.De Minister van LVVN is van mening dat te stellen nadere regels opgebied van dierwaardige veehouderij handhaafbaar, uitvoerbaar enproportioneel moeten zijn. Dat betekent ook dat het noodzakelijk is datveehouderijbedrijven de kosten kunnen dragen en zij de kans hebben ominvesteringen te kunnen terugverdienen en een redelijk inkomen kunnenverwerven.VraagIn hoeverre wordt verwacht dat de houding van de NVWA in dit geval eenbelemmering vormt voor een goed verloop van het traject voor een meerdierwaardige veehouderij, waar ook een convenant aan verbonden iswaarin alle afspraken rondom de randvoorwaarden (markt, vergunning,onderzoek) worden afgesproken?AntwoordIn deze kwestie wordt de toezichthouder verzocht om te handhaven in eenconcrete situatie. Daarbij worden de feiten en omstandigheden van hetindividuele geval getoetst aan relevante regelgeving en de beginselen vanbehoorlijk bestuur, waaronder proportionaliteit. De beoordeling van dithandhavingsverzoek waarbij de NVWA uitvoering geeft aan de opdrachtvan de rechter is geen belemmering voor het traject van de Minister vanLVVN waarin gewerkt wordt aan een aanpassing van de normen via dealgemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij 2040.Zoals te doen gebruikelijk bij nieuwe regelgeving voert de NVWA op dezevoorgenomen AMvB een handhaafbaarheids, uitvoerbaarheids- enfraudebestendigheids-toets uit.De leden van de BBB-fractie maken zich zeer grote zorgen over deopstelling van de NVWA, die gezien kan worden als het afdwingen van hetontstaan van jurisprudentie, regels en wetten door een instantie die2Kamerstuk 28 286, nr. 1340Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13927 slechts als controlerende instantie zou moeten optreden. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris deze zorgen deelt.VraagIs de Staatssecretaris het met deze leden eens dat de NVWA op deze wijzeveel invloed heeft op het ontstaan van jurisprudentie?AntwoordDe wetgever heeft de NVWA belast met de handhaving van de Wet Dierenen de NVWA voert deze taak uit met inachtneming van de algemenebeginselen van behoorlijk bestuur. De rechter toetst de besluiten van deNVWA aan de in Nederland geldende voorschriften en aan deze begin-selen en vormt zo jurisprudentie. Het staat de wetgever vrij om doornieuwe wetgeving bepaalde wetsuitleg en jurisprudentie bij te sturen.VraagDeelt de Staatssecretaris de mening dat de NVWA zo het beleid maakt,waar dat feitelijk overgelaten zou moeten worden aan het Kabinet en deStaten-Generaal?AntwoordNee, de NVWA houdt toezicht op door de wetgever vastgelegde, geldendealgemene voorschriften. En zie voor een verdere toelichting ook hetantwoord op de vraag van de VVD betreft de invulling van open normenen het antwoord op de vraag hiervoor.VraagDeze leden willen daarom van de Staatssecretaris weten hoe het heeftkunnen gebeuren dat een varkenshouder die voldoet aan wettelijke eisentoch naar aanleiding van een handhavingsverzoek het risico loopt teworden gehandhaafd of zelfs gesanctioneerd. Wie heeft de beslissing omgeen onderbouwing van de afwijzing van het handhavingsverzoek in tedienen genomen en op basis van welke argumenten is dat gedaan?AntwoordZoals aangeven in mijn antwoord op de eerste vraag van de VVD kan eenbelanghebbende, via het doen van een handhavingsverzoek, eentoezichthouder verzoeken om in een concrete situatie te beoordelen ofeen algemene geldende regel wordt nageleefd. Op dit moment geeft deNVWA uitvoering aan de opdracht van de rechter. Zoals ook aangegevenin de Kamerbrief d.d. 11 maart 2025 (Kamerstuk 28 286, nr. 1386), heeft deNVWA het handhavingsverzoek in eerste instantie onderbouwdafgewezen.VraagDeelt de Staatssecretaris bovendien de mening dat de NVWA nu zonderonderbouwing een eigen invulling geeft van de open normen in artikel 1.6van het Bhd waarin fysiologische en ethologische behoeften nietgedefinieerd worden?AntwoordNee en zie voor een nadere toelichting mijn antwoorden op de eerste entweede vraag van de VVD betreft de toelichting op het juridisch traject ende wijze waarop open normen kunnen worden ingevuld.VraagOok willen deze leden weten of de NVWA gedwongen kan worden om hetafwijzen van dergelijke handhavingsverzoeken, die gericht zijn op eengangbare houderijvorm in Nederland, die niet expliciet verboden is, altijdop alle mogelijke manieren te verdedigen in juridische procedures.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13928 AntwoordDe wetgever heeft de handhaving van de algemene voorschriften voordieren in de veehouderij in en op grond van de Wet Dieren opgedragenaan de NVWA. De NVWA handelt met mandaat van in dit geval deMinister van LVVN en beoordeelt bij haar toepassing van de geldendenormen steeds de concrete omstandigheden van het geval. Als debelanghebbende het niet eens is met een besluit, kan hij tegen het besluitvan de NVWA bezwaar indienen en daarna beroep aantekenen, waarbij derechter beziet of de overheid de regels rechtmatig heeft toegepast. In hetbelang van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hetvoorkomen van politieke willekeur is het handelen van een Minister ofStaatssecretaris aan regels gebonden. In algemene zin en conform deAanwijzingen inzake de Rijksinspecties kan de Minister aan de NVWAonder andere een bijzondere aanwijzing geven. Een bijzondere aanwijzingmag niet zien op: het weerhouden van een rijksinspectie om een specifiekonderzoek te verrichten of af te ronden; de wijze waarop een rijksinspectieeen specifiek onderzoek verricht, of de bevindingen, oordelen en adviezenvan een rijksinspectie. Gelet hierop kan ik de NVWA niet dwingen om inconcrete situaties op een vooraf door mij voorgeschreven wijze tehandelen of te besluiten.VraagIs de Staatssecretaris het met de leden van de BBB-fractie eens dat hetniet verdedigen van de afwijzing van het handhavingsverzoek gezien kanworden als een teken van een zeer onbetrouwbare overheid?AntwoordDe NVWA heeft het handhavingsverzoek in eerste instantie onderbouwdafgewezen en voert op dit moment op basis van de in Nederlandgeldende regelgeving de opdracht van de rechter uit.Het optreden tegen niet verboden, gangbare houderijvormen, kan eenopmaat vormen voor een vloedgolf aan handhavingsverzoeken tegenandere gangbare en toegestane houderijvormen.VraagHoe gaan de NVWA en de Staatssecretaris zich daarop voorbereiden?AntwoordZoals ook aangeven in antwoord op vragen van de VVD loopt het trajectom te komen tot invulling van open normen (Kamerstuk 28 286, nr. 1139).Ik verwacht dat het aantal handhavingsverzoeken met de invulling hiervanzal afnemen. Tegelijkertijd is en blijft opvolging geven aan handhavings-verzoeken onderdeel van het werk van de NVWA.VraagIs de Staatssecretaris het met de leden van BBB-fractie eens dat boven-staande kan leiden tot het einde van de varkenshouderij, terwijl devarkenshouderij zich gewoon houdt aan Europese en Nederlandseregelgeving? Indien dit het geval is, wat gaat de Staatssecretaris doen omdit te voorkomen?AntwoordIk kan en wil niet vooruitlopen op het nieuw te nemen besluit op hethandhavingsverzoek en de eventuele consequenties die die nieuwehandhavingsverzoeken mogelijk zouden kunnen hebben voor devarkenshouderij. Zoals in eerdere antwoorden gemeld, werkt de Ministervan LVVN aan de AMvB waarvoor wettelijk opdracht is gegeven. Deverplichtingen die in de AMvB worden opgenomen, zullen varkens-houders duidelijkheid bieden welke aanpassingen en investeringen zijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 13929 moeten verrichten ten behoeve van de ontwikkeling naar een toekomstbe-stendige, nog meer dierwaardige varkenshouderij. Daarbij is de Ministervan LVVN van mening dat de te stellen verplichtingen handhaafbaar,uitvoerbaar en proportioneel moeten zijn. Dat betekent dat het noodza-kelijk is dat varkenshouders de kosten kunnen dragen en zij de kanshebben om de investeringen om aan die verplichtingen te voldoen,kunnen terugverdienen en een redelijk inkomen kunnen verwerven.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie enReactie van de bewindspersoonDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen vande brief over kraamkooien in de varkenshouderij en hebben hier nogenkele vragen over.Allereerst wijzen deze leden erop dat dit een lopend juridisch trajectbetreft en dat de politiek zich hier afzijdig van zou moeten houden. HetCBb heeft de regering opgedragen het beleid opnieuw te toetsten aan dewet, gebaseerd op de stand der wetenschap. Het is niet aan de Kamer omhierover te oordelen en al helemaal niet om de uitspraken van de rechterter discussie te stellen.VraagKan de Staatssecretaris dat bevestigen?AntwoordJa, zie ook mijn antwoord op de eerste vraag van de VVD. De NVWA geeftin dit lopend juridisch traject uitvoering aan de uitspraak van de rechter.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat deze casus alles te makenheeft met het feit dat moederzeugen nog altijd tussen metalen stangenworden gehouden, waardoor ze nauwelijks kunnen bewegen, laat staandat ze op een normale manier voor hun biggetjes kunnen zorgen. Eenaantal dagen voordat zeugen bevallen, worden ze vastgezet. Pas als debiggetjes vier weken oud zijn, mogen ze de kooi verlaten. De moederzeugheeft gedurende deze periode geen bewegingsvrijheid en kan niet voorhaar biggen zorgen. De Universiteit Utrecht concludeerde dat varkens debehoefte hebben om maternaal gedrag te vertonen, waaronder nestbouw-gedrag en zooggedrag.3 Deze kooien maken het onmogelijk om hetnatuurlijke gedrag te vertonen. De EFSA bevestigt dit en stelt dat dekraamkooi de bewegingsvrijheid van de zeug ernstig beperkt en haarnatuurlijke, intrinsiek gemotiveerde gedrag – zoals het bouwen van eennest – onmogelijk maakt.4VraagOnderschrijft de Staatssecretaris deze conclusies van de UniversiteitUtrecht en de EFSA? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijkeonderzoeken baseert de Staatssecretaris zich dan precies? Onderschrijftde Staatssecretaris de bevinding van Bureau Risicobeoordeling &Onderzoek van de NVWA dat het fixeren van zeugen in een kraambox éénvan de grootste risico’s voor dierenwelzijn is, omdat de emotioneletoestand, de beperking van het natuurlijk gedrag en de lage waarderingvan de intrinsieke waarde van dieren langdurig onder druk staat?5 Zo nee,3Universiteit Utrecht, Quickscan informatieset Convenant Dierwaardige Veehouderij,https://open.overheid.nl/documenten/6abf05c4-702e-42cd-a239-5e8ce0f1a96e/file4EFSA, 25 augustus 2022, Welfare of pigs on farm (EFSA, 2022: Welfare of pigs on farm)5NVWA, Advies van BuRO over de risicobeoordeling roodvlees- en grofwildketen, (https://www.nvwa.nl/over-de-nvwa/documenten/dier/dierenwelzijn/welzijn/risicobeoordelingen/advies-van-buro-over-de-risicobeoordeling-roodvlees-en-grofwildketen)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 139210 waarom niet en op welke wetenschappelijke onderzoeken baseert deStaatssecretaris zich dan precies?AntwoordHet definitieve besluit is nog niet genomen, dus ik kan en wil hier niet opvooruit lopen.Tevens wijzen deze leden erop dat zelfs de Minister in de rechtszaak heefterkend dat een kraamkooi zorgt voor het lijden van dieren.6 De leden vande PvdD-fractie wijzen erop dat het wettelijk verboden is om debewegingsvrijheid van een dier te beperken zodat het dier daardooronnodig lijdt of letsel wordt toegebracht. Ook is het verplicht om dierenvoldoende ruimte te bieden voor fysiologische en ethologische behoeften(artikel 1.6 van het Bhd).VraagDeelt de Staatssecretaris, op basis van bovengenoemde rapporten eninzichten, de conclusie dat deze kooien niet «dierwaardig» zijn? Zo nee,waarom niet en op welke wetenschappelijke onderzoeken baseert deStaatssecretaris zich dan precies?AntwoordOver het dierenwelzijn van zeugen gehouden in kraamkooien zijnmeerdere wetenschappelijke inzichten beschikbaar. Bij de onderbouwingvan een te nemen besluit, zeker in het geval van open normen, moetendeze wetenschappelijke inzichten ook betrokken worden. In die beoor-deling worden ook eventuele overige bijzondere omstandighedenmeegewogen.VraagIs de Staatssecretaris het ermee eens dat, indien wordt geoordeeld datdeze kooien in strijd zijn met de geldende wet- en regelgeving, de NVWAhoort te handhaven? Zo nee, waarom niet en waar baseert de Staatssecre-taris zich dan op?AntwoordAls sprake is van een overtreding, moet het bestuursorgaan dat bevoegdis om handhavend op te treden, gelet op de beginselplicht tothandhaving, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Ditvanwege het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Alleenonder bijzondere omstandigheden mag hiervan worden afgezien. Daarkan bijvoorbeeld sprake van zijn wanneer er concreet zicht is op legalisatievan de te beoordelen situatie. Ook kan handhavend optreden zodanigonevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen datvan optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Dit volgtuit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter.6College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27 augustus 2024, (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2024:578)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 286, nr. 139211
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.