KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie op het WKR-adviesrapport; ‘Circulair versterkt Duurzaam materiaalgebruik voor een klimaatneutrale samenleving’

26 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 48ef402eb21bad13 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 852GrondstoffenvoorzieningszekerheidNr. 407 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 juni 2026De Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) heeft op 26 maart 2026 hetadvies «Circulair versterkt» uitgebracht.1 Het advies is opgesteld opverzoek van het vorige kabinet, met als aanleiding de vraag welk beleidgericht op het verduurzamen van het materialensysteem noodzakelijk is,mede gelet op de samenhang met andere maatschappelijke opgaven. DeWKR adviseert in het rapport hoe het circulaire beleid kan wordendoorontwikkeld, en hoe dit kan bijdragen aan het behalen van deNederlandse klimaatdoelen en het versterken van onze strategischeautonomie.Graag reageer ik, mede namens de Minister van VRO2, de Minister vanIenW3, en de Staatssecretaris van IenW, op het advies van de WKR. Hetkabinet is de raad erkentelijk voor het adviesrapport, en wil dit, samenmet de adviezen over spullen van het Burgerberaad Klimaat, gebruiken bijde doorontwikkeling van het circulaire beleid. De grondstoffentransitie isimmers niet alleen essentieel voor onze strategische autonomie, maar ookeen onmisbaar onderdeel van het klimaatbeleid. Hieronder is uiteengezethoe aan de aanbevelingen opvolging gegeven wordt.WKR: niet alleen productiegericht, maar ook functiegericht beleidHet WKR-advies beschrijft hoe de CO2-emissies die ontstaan door hetgebruik van materialen kunnen worden gereduceerd met circulaireeconomiebeleid. Door het beleid te richten op de producten die zorgenvoor veel CO2-uitstoot, zoals auto’s, woningen, kleding, en verpakkingen,kan er veel klimaatwinst worden geboekt. Daarbij moeten we niet alleenkijken naar hoe die producten ontworpen en gemaakt worden, maar ooknaar de behoefte waarin die producten voorzien. Daarbij adviseert de1https://www.wkr.nl/actueel/nieuws/2026/03/26/circulair-versterkt-het-klimaat-de-economie-en-de-samenleving2De Minister van VRO is verantwoordelijk voor het beleid gericht op woningen (aanbeveling 2b).3De Minister van IenW is verantwoordelijk voor het beleid gericht op auto’s (aanbeveling 2a). kst-32852-407ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4071 WKR om voor productgroepen ook functiegericht beleid te maken.Bijvoorbeeld: richt niet alleen beleid op de productie auto’s, maar kijk ooknaar gebruik. Zet niet alleen in op de bouw van nieuwe huizen metduurzame materialen als hout, maar zorg ook dat bestaande gebouwenbeter worden benut om het woningtekort op te lossen.Daarnaast doet de WKR aanbevelingen over doorontwikkeling van hetbeleid. De voorgestelde aanpak voor productgroepen maakt dat hetcirculaire economiebeleid vaak raakt aan andere beleidsterreinen (zoalsmobiliteit en volkshuisvesting). Volgens het WKR-advies ontbreekt het aanvoldoende doorzettingsmacht, afrekenbare verantwoordelijkheden enstructurele middelen om deze samenhang te borgen. De WKR adviseerthet kabinet om de regie op de transitie met meer en structurele middelente versterken en de governance hierop in te richten, bijvoorbeeld door eensterker mandaat voor de coördinerende bewindspersoon te creëren.KabinetsreactieHet kabinet omarmt het advies en wil hier graag opvolging aan geven. Hetkabinet ziet sommige aanbevelingen als aanmoediging van het reedsingezette beleid, bijvoorbeeld wat betreft de inzet gericht op verduur-zaming van productie van plastic en auto’s. Tegelijkertijd wil het kabinetde adviezen aangrijpen om tot scherpere ambities in het circulaire beleidte komen, zoals de doorontwikkeling van de governance van het circulairebeleid. Het gaat daarbij ook om het versterken van de coördinerende rolvan de verantwoordelijk bewindspersoon teneinde andere departementenmede-eigenaar te maken voor de circulaire transitie in de betreffendesectoren, zoals op het gebied van klimaat en energie. Omdat elkeverantwoordelijke bewindspersoon moet afwegen waar de kansen liggen,mede in het licht van de eigen sectorale opgaven en vanwege desamenhang tussen opgaven, zoals milieu en plastic of biogrondstoffen ende bouw, is de betrokkenheid van meerdere bewindspersonen onmisbaarom voortgang te maken in de circulaire economie.Reactie per aanbevelingHieronder volgt de reactie op de vijf aanbevelingen uit het WKR-advies.Aanbeveling 1: ontwikkel functie- en productiegericht beleid voorproductgroepenOntwikkel voor productgroepen die zorgen voor veel uitstoot vanbroeikasgassen beleid dat stuurt op het invullen van behoeften metminder of duurzamere producten (functiegericht beleid) én beleid datstuurt op het maken van producten met minder of duurzamerematerialen (productiegericht beleid). Formuleer per productgroepmeetbare langetermijn- en tussentijdse doelen, met effectieveinstrumenten en adequate financiële middelen om die doelen tehalen.Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2025 bevat eennieuwe set aan nationale CE-doelen voor 2035. Het PBL stelt immers dathet circulaire economiebeleid niet met één enkel doel kan wordengestuurd, omdat grondstoffen door verschillende fasen gaan (winning,verwerking, gebruik, afval) die elk een eigen circulaire strategie vereisen.Alleen een geïntegreerde aanpak verbetert leveringszekerheid envermindert milieubelasting effectief. Om die reden zijn de nationaleCE-doelen gerelateerd aan de circulariteitsstrategieën. Daardoor biedendeze doelen meer perspectief en handvatten voor bedrijven, maatschap-pelijke organisaties en medeoverheden. Bij deze doelen is ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4072 dashboard ontwikkeld zodat we niet enkel op kilo’s grondstoffen sturen,maar daarbij de effecten in beeld hebben op CO2, landgebruik, waterge-bruik en leveringsrisico’s van grondstoffen.De doelen voor 2035 uit het NPCE 25 zijn:–In 2035 wordt minimaal 82% van het Nederlandse afval gerecycled enminimaal 15% wordt hoogwaardig gerecycled;–Het aandeel duurzame biogrondstoffen en secundaire grondstoffenbinnen ons totale grondstoffengebruik4 is in 2035 minimaal 55%;–Het grondstoffengebruik in 2035 is 15% lager dan in 2016Het NPCE 2025 geeft ook aan dat een doorvertaling van de nationaledoelen nodig is naar productgroepen. We zijn gestart met een pilot voorde productgroep meubels om aan de hand van dezelfde systematiek diebij de nationale doelen is gebruikt, vergelijkbare doelen voor meubels teformuleren. Als uit de pilot blijkt dat dit goed werkt, zullen we dit jaarverder gaan met de productgroep elektrische en elektronische apparaten.Het kabinet streeft ernaar om op termijn voor alle productgroepenvergelijkbare doelen vast te stellen, zodat we de voortgang en bijdrageaan de nationale doelen in beeld kunnen brengen. Dit sluit aan bij deaanbeveling van de WKR om meetbare langetermijn- en tussentijdsedoelen te formuleren. Voor het bereiken van deze doelen bekijkt hetkabinet per productgroep welk functiegericht en productiegericht beleid alin gang is gezet en wat er aanvullend nodig is, daarbij gebruikmakend vande vier centrale NPCE-strategieën, of «knoppen», om het grondstoffenge-bruik te verduurzamen.Aanbeveling 2a: Voer functie- en productiegericht beleid voor auto’sFunctiegericht: Voer beleid gericht op het invullen van de mobiliteits-behoefte met zo veel mogelijk openbaar vervoer, de fiets endeelmobiliteit. Vergroot de bereikbaarheid van voorzieningen zonderauto en zet in op het verminderen van het aantal auto’s metrestrictief parkeerbeleid.Het kabinet deelt de visie dat we de bereikbaarheid van maatschappelijkevoorzieningen in heel Nederland toekomstbestendig moeten borgen.Zoals aangegeven in het Coalitieakkoord stimuleert het kabinet hetgebruik van deelauto’s, fiets en openbaar vervoer met inachtneming vande regionale context om op deze manier in de mobiliteitsbehoefte tevoorzien. In lijn met de Mobiliteitsvisie 2050 werkt het kabinet dit uit voorintegraal bereikbaarheidsbeleid. Het kabinet zet in op de juiste modaliteitop juiste plaats en tijd. De inrichting van het mobiliteitssysteem is eenveelzijdige opgave waarbij naast het aspect van materiaalgebruik ookwaarden spelen als betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit(waaronder verkeersveiligheid, duurzaamheid, leefbaarheid enrobuustheid van de prestaties). Deelmobiliteit, OV en actieve mobiliteit5zijn – naast de auto – vervoersmodaliteiten die elkaar aanvullen in datbredere systeem, waarbij gebruik sterk afhangt van persoonlijke situatiesen afwegingen. Het kabinet verkent daarbij ook de mogelijkheden vanpublieke mobiliteit om het mobiliteitssysteem te versterken en toeganke-lijker te maken. Publieke mobiliteit integreert doelgroepenvervoer enopenbaar vervoer in een gedeeltelijk vraaggestuurd systeem dat van ’sochtends vroeg tot ’s avonds laat toegankelijk is, waardoor voor reizigersde vervoersmogelijkheden en de bereikbaarheid van voorzieningen, zekerop regionaal niveau, kunnen toenemen. Het kabinet ziet daarom kansen4Bij dit doel geldt de afbakening dat fossiele en biotische energiedragers uitgesloten zijn van hettotale grondstoffengebruik.5Fietsen en lopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4073 om de keuzevrijheid voor modaliteiten te vergroten met de inzet vanpublieke mobiliteit. De Staatssecretaris van IenW zal u hierover binnenkortnader informeren.De inrichting van het mobiliteitssysteem is daarnaast een gedeeldeverantwoordelijkheid. Naast de verantwoordelijkheid van het Rijk voor dehoofdnetwerken, kijkt het kabinet ook gebiedsgericht naar mobiliteit, zoalsook onderschreven in het advies. Provincies, vervoerregio’s en gemeentenspelen als medeoverheden een cruciale rol om met regionale buslijnen,parkeerbeleid en ruimtelijke inrichting, de juiste mobiliteit op de juisteplaats en tijd te faciliteren en stimuleren.Productiegericht: Voer beleid gericht op het produceren van auto’smet minder en duurzamere materialen. Voer hiertoe een progres-sieve aanschaf- en gebruiksbelasting in voor auto’s waarbij debroeikasgasemissies gerelateerd aan het materiaalgebruik wordenmeegerekend. Zet daarnaast binnen de EU in op normen voorduurzaam of secundair materiaalgebruik en de levensduur van auto’sin de Verordening Circulaire Voertuigen in lijn met klimaatneutraliteitin 2050.Beleid dat zich richt op de ontwerpeisen van producten (zoals materiaal-gebruik) is vanwege de interne markt vooral effectief als wij dit opEU-niveau invoeren. Daarom heeft Nederland zich tijdens de onderhande-lingen van de Circulaire Voertuigenverordening ingezet voor ambitieuzedoelstellingen voor de toepassing van gerecycled plastic in voertuigen.Die zijn opgenomen in de verordening. Verder zal in de toekomst ookworden voorzien in verplichte recyclaattoepassingen voor anderematerialen zoals staal en aluminium. Nederland zal zich tijdens hetbepalen van deze doelstellingen opnieuw volop inzetten voor ambitieuzedoelstellingen. De verordening bevat ook bepalingen die de levensduurvan voertuigen verlengen, door bijvoorbeeld het bevorderen vanreparatie.Voor autowrakken geldt er al een uitgebreide producentenverantwoorde-lijkheid (UPV), waarbij producenten van auto’s financieel en organisato-risch verantwoordelijk zijn voor het afvalbeheer van producten die zij opde markt brengen. De Circulaire Voertuigenverordening verduidelijkt debepalingen hiervoor, zo ook voor eco-modulatie. Dit houdt concreet in datde bijdrage voor het afvalbeheer die producenten moeten afdragenafhankelijk is van bijvoorbeeld het gewicht van het voertuig en hetaandeel gerecyclede materialen. Dit stimuleert duurzaam of secundairmateriaal of zelfs minder materiaalgebruik door een lagere bijdrage voorhet afvalbeheer.Bij het gebruik van het OV is het materiaalgebruik per reizigerskilometerlager dan van een auto. Bovendien heeft de OV sector in juni 2025 hetConvenant Circulair Openbaar Vervoer (CCOV) ondertekend, waarbijpartijen zich collectief en individueel zullen inzetten voor het bereiken vaneen volledig circulair OV.Het kabinet heeft kennis genomen van de aanbevelingen van de WKR omvia de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de aanschafbelasting vanpersonenauto’s en motorrijwielen (BPM) te sturen op productie vanduurzame auto’s en om het gebruik van duurzame materialen te stimu-leren, door bij beide instrumenten sterker te differentiëren naar gewicht ofuitstoot door materiaalgebruik. Het kabinet zal deze aanbevelingen in detoekomst in ogenschouw nemen bij de doorontwikkeling van dezebelastingen, waarbij een eventuele herziening niet ten koste zal gaan vande inzet om elektrisch rijden fiscaal aantrekkelijk te houden. DaarnaastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4074 onderzoekt het kabinet of een toekomstbestendige hervorming van deautobelasting naar oppervlakte of omvang binnen de motorrijtuigenbe-lasting mogelijk is, waarbij voorwaarde is dat automobilisten er niet opachteruit mogen gaan.Aanbeveling 2b Voer functie- en productiegericht beleid voor woningenFunctiegericht: Realiseer meer woonruimte door beter gebruik temaken van bestaande gebouwen. Maximaliseer hiertoe de inzet vanoptoppen, opsplitsen, transformeren, doorstromen en woningdelen.Stel voor deze strategieën ambitieuze doelen en ontwikkel sterkere,samenhangende instrumenten om ze op te schalen, zoals normering,subsidies en fiscale vrijstellingen.Het opschalen van Beter Benutten van bestaande gebouwen, waarondermeer optoppen, splitsen, transformeren, woningdelen en het bevorderenvan doorstroming onderdeel van uitmaken, is een belangrijke prioriteitvoor dit kabinet. Beter Benutten biedt niet alleen een mogelijkheid omsnel de woningnood tegen te gaan, maar bevordert ook het efficiëntgebruik van ruimte en materialen. Zo zorgt het veelal voor een verlengdelevensduur van gebouwen en voegen we met Beter Benutten woningenen woonplekken toe op locaties waar infrastructuur en voorzieningen alaanwezig zijn. Daarom is Beter Benutten een van de prioriteiten van deMinisteriële Taskforce Versnelling Woningbouw. Eén van de eersteresultaten van de Taskforce is de lancering van de Landelijke Aanpak BeterBenutten.6 Dit is een samenhangende aanpak rondom zes ambitieuzedoorbraakopgaven, waaronder het toepassen van gerichte sturing, hetwegnemen van juridische belemmeringen en het verbeteren vanfinanciële ondersteuning. Resultaat van deze aanpak is dat er jaarlijks15.000 woningen worden gerealiseerd door de bestaande voorraad beterte benutten. Hiermee geeft het kabinet ook invulling aan de afsprakenvoor Beter Benutten zoals die in het Coalitieakkoord zijn opgenomen,inclusief de verplichting aan gemeenten om helder beleid op papier tezetten onder welke omstandigheden initiatiefnemers mogen optoppen ensplitsen.Het huidige partnerbegrip in de AOW is één van de belemmeringen voormensen om samen te gaan wonen en mantelzorg te verlenen aan elkaar,blijkt uit een onderzoek over het AOW-partnerbegrip van SZW. Daarnaastzijn er signalen over de uitvoerbaarheid door de SVB, omdat het voor hencomplex is om de gezamenlijke huishouding tussen samenwonendeAOW’ers te beoordelen. Uit de MKBA AOW – wonen en zorg blijkt dat hetobjectief partnerbegrip de potentie van woningdelen kan vergroten. Deregering werkt de komende maanden aan opties voor harmonisering vanhet aantal leefvormvarianten in de AOW, inclusief (indien nodig) dekking.Dit is in lijn met de motie Van Ark/Neijenhuis7, ingediend tijdens deBegrotingsbehandeling SZW. Na de zomer wordt de Tweede Kamerhierover geïnformeerd.Productiegericht: Vergroot de ambitie voor bouwen met hout enandere duurzame materialen, zodat binnen tien jaar het gebruik vanCO2-intensieve materialen verregaand is teruggedrongen. Verscherpdaartoe de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) en verwerk daarin depositieve duurzaamheidsfactoren van (biobased) materiaal. Borghierbij de duurzame herkomst van deze materialen.6Eerste resultaten Taskforce Versnelling Woningbouw | Tweede Kamer der Staten-Generaal7Kamerstuk, vergaderjaar 2025/26, 36 800-XV, nr. 71Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4075 De aanbevelingen van de WKR ondersteunen het ingezette beleid opcirculaire economie voor gebouwen (woningen en utiliteitsgebouwen) datgericht is op verlaging van de milieu-impact van de gebouwde omgevingen van de toegepaste materialen, inclusief verlaging van CO2-emissies8.Het kabinet heeft de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) daarvoor ingevoerden heeft deze in 2021 aangescherpt voor woningen en kantoren. Per 1 juli2026 wordt de eis voor kantoorfuncties scherper gesteld en voor deandere gebruiksfuncties wordt een eis geïntroduceerd. Een eerder door deMinister van VRO voorgestelde scherpere eis voor woonfuncties isingetrokken vanwege mogelijke effecten in bepaalde segmenten van denieuwbouw op de woningbouwopgave en de betaalbaarheid. De evaluatievan het instrument MPG ontvangt de Kamer na de zomer.Uiterlijk 1 januari 2027 zal elke lidstaat een zogeheten Routekaartwlc-gwp9 publiceren en aan de Europese Commissie aanbieden, metdaarin de beleidsactie om de wlc-gwp voor nieuwbouw in 2050 teverlagen richting klimaatneutraal. Met het Programma Innovatie enOpschaling Woningbouw10 wordt gestreefd de industriële woningbouwop te schalen naar 50 procent van de woningbouw in 2030, waardoor weniet alleen sneller maar ook schoner bouwen. Daarnaast wordt – medegezien het Coalitieakkoord – de uitvoering van de Nationale AanpakBiobased Bouwen11, het Bouwmaterialenakkoord12, en van de AanpakCirculair Slopen en Hergebruik13 voortgezet om te zorgen voor meerbeschikbaarheid van bouwmaterialen, met minder milieu-impact, enminder emissies.Aanbeveling 2c: Voer functie- en productiegericht beleid voor kledingFunctiegericht: Neem maatregelen die overconsumptie ontmoedigenen de gebruiksduur van kleding verlengen, zoals reparatievouchersen het vergroten van het aandeel tweedehandskleding in deconsumptie. Combineer dit met verplichte retourkosten bij onlineaankopen en een nationale heffing op kleding met een kortelevensduur.Productiegericht: Versterk het beleid gericht op het produceren vankleding met duurzame materialen en een lange levensduur.Differentieer de bijdrage van producenten aan de UitgebreideProducenten Verantwoordelijkheid op basis van milieu-impact. Zet inop ambitieuze normen voor repareerbaarheid en duurzaammateriaalgebruik van kleding via de Europese Ecodesign-verordening. Richt deze normen op een lagere emissie-intensiteit eneen toenemend aandeel gerecyclede en duurzame (biobased) vezels.Het kabinet deelt de zorgen van de WKR dat de kledingconsumptie deafgelopen jaren sterk is toegenomen en dat de levensduur van kledingsteeds korter wordt. Het kabinet ziet dit als een urgent vraagstuk en heeftdit opgenomen in het beleidsprogramma Circulair Textiel 2025–2030. Het8Met als randvoorwaarde dat de betaalbaarheid en realisatiekracht voor nieuwe woningen nietwordt belemmerd, mede ter uitvoering van motie Mooiman, Kamerstuk II 2025/26, 32 847, nr.14329Whole life cycle – global warming potential (wlc-gwp), de berekening van de broeikasgase-missies van een gebouw gedurende de volledige levenscyclus10Innovatie en Opschaling Woningbouw | Rapport | Rijksoverheid.nl11buildingbalance.eu/nationale-aanpak-biobased-bouwen/12Bouwmaterialenakkoord: Nederlandse bouwmaterialenindustrie en het Rijk zetten samen destap naar een toekomstbestendige en efficiënte bouwsector | Home | VolkshuisvestingNederland13Circulair slopen én hergebruik: route naar een standaard werkwijze in de bouw | CirculaireBouweconomieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4076 Europese Milieuagentschap concludeerde dat consumptie van kledingstijgt, kleding steeds vaker gemaakt wordt van goedkoop materiaal enslechts voor één seizoen of minder gedragen wordt.14 Gemiddeld wordt4–9 procent van al het textiel dat op de markt komt in Europa vernietigdnog voordat het gebruikt wordt.15 De meest recente monitor van hetbeleidsprogramma laat ook een toename zien in het aantal gekochtekledingtukken. In 2023 kochten we in Nederland zo’n 61 kledingstukkenper persoon per jaar ten opzichte van 55 stuk in 2018.16 Daarnaast is detextielindustrie verantwoordelijk voor 4 procent van de wereldwijdeuitstoot van broeikasgassen.17 Daarmee is het de vijfde meest vervuilendesector als het gaat om het gebruik van grondstoffen en uitstoot vanbroeikasgassen. Omdat de grootste klimaatimpact in de productiefaseontstaat, is het keren van de trend van steeds kortere cycli van productie,consumptie en afdanking en het verlengen van de levensduur van kledingessentieel.Het kabinet ziet kansen om langer gebruik en reparatie te stimuleren. Voorde uitvoering van het genoemde beleidsprogramma zijn verschillendemaatregelen onderzocht. Zo is er een verkenning gedaan naar demogelijkheid om in fysieke winkels tweedehands aan te bieden naastnieuw. Het onderzoek gaat niet in op de verkoop via online platforms. Uithet onderzoek blijkt dat tweedehands kleding naast nieuw vaaksemi-geïntegreerd aangeboden wordt. Dat wil zeggen dat er een apart rekin de winkel is met tweedehands kleding. We zien enthousiasme vanuitzowel winkeliers als consumenten voor deze maatregel, maar het isjuridisch een zwaar middel en er bestaat geen wetgeving die retailersverplicht bepaalde producten op te nemen in het winkelaanbod.Daarnaast is een groei van het aanbod nodig in deze winkels omtweedehands kleding daadwerkelijk een volwaardig alternatief te makenvoor nieuwe kleding.Via campagnes in samenwerking met Milieu Centraal is er gewerkt aanhet vergroten van reparatievaardigheden, het beter vindbaar maken vanreparateurs en het ontwikkelen van een eigen stijl om weloverwogenkeuzes te maken. De Kamer is geïnformeerd18 over de uitkomsten van eenonderzoek dat is uitgevoerd naar de mogelijkheden voor reparatievou-chers.De Kamer is eerder geïnformeerd over de mogelijkheden voor hetverplicht invoeren van retourkosten en een heffing op ultra fast fashion.19Het verplichten van retourkosten kan een effectieve maatregel zijn om hetaantal retouren te verminderen, maar kan alleen op Europees niveauworden ingevoerd. EZK verkent daarom ook andere mogelijkheden omretourstromen te verminderen, bijvoorbeeld via een vrijwillige pilot overgedragseffecten van het rekenen van retourkosten. De gesprekkenhierover met betrokken partijen lopen op dit moment nog. De Kamerwordt hier naar verwachting in het najaar over geïnformeerd.Het kabinet heeft verschillende mogelijkheden verkend voor het invoerenvan een heffing op niet-circulair textiel.20 De meest kansrijke route is hetverplichten van eco-modulatie onder de uitgebreide producentenverant-14Circularity of the EU textiles value chain in numbers – European Environment Agency, 202515The destruction of returned and unsold textiles in Europe’s circular economy – EuropeanEnvironment Agency, 202416Kamerstukken II 2025/26, 32 852 nr. 39417Fashion on climate – McKinsey & Company, 202018https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/09/03/verzamelbrief-circulaire-economie-september-202519Kamerstukken II 2025/26, 32 852 nr. 39420Kamerstukken II 2025/26, 32 852 nr. 394 en Kamerstukken II 2024/25, 32 852 nr. 354Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4077 woordelijkheid textiel. Dit houdt in dat producenten die circulaire keuzesmaken hiervoor een lager tarief betalen als beloning. De EuropeseKaderrichtlijn Afvalstoffen (Kra) verplicht dit per 1 januari 2028. Nederlandzal in Europa pleiten aanvullende opties, zoals differentiatie op basis vanvolumes en collectiewisselingen. De Europese Commissie komt nog metuitvoeringshandelingen om de criteria voor eco-modulatie vast te stellen,maar de tijdlijn hiervoor is nog onbekend. Vooruitlopend hierop verkenthet kabinet in Europees verband maatregelen tegen de snelle groei vanonline kledingverkoop, frequente collectiewisselingen en marketingprak-tijken die overconsumptie stimuleren. Nederland zoekt hiervoor actiefsamenwerking met andere lidstaten om te komen tot een gezamenlijkeEuropese aanpak in lijn met de motie van lid Kostiç.21De Ecodesign voor Duurzame Producten Verordening (ESPR) biedtdaarnaast een belangrijk kader voor minimale eisen aan kwaliteit en hetgebruik van gerecycled. Ook is het mogelijk om minimale informatiever-eisten op te nemen over de repareerbaarheid van producten in eendigitaal productpaspoort. Het kabinet zal ijveren voor ambitieuze normenbij de uitwerking van de ESPR voor textiel. De ESPR biedt op dit momentgeen ruimte om minimale eisen te stellen aan het materiaaltype vanproducten, zoals biogebaseerde materialen.Aanbeveling 2d Voer functie- en productiegericht beleid voor plasticverpakkingenFunctiegericht: Ondersteun retailers bij het ontwikkelen en opschalenvan verpakkingsloze en verpakkingsarme productverkoop. Voerdaarnaast een verpakkingsheffing in bij verkopers van verpakteproducten, gedifferentieerd naar de milieu-impact van het typeverpakking.Productiegericht: Voer beleid gericht op het produceren van plasticverpakkingen met gerecyclede (biobased) plastics. Ondersteun opkorte termijn de productie van circulaire plastics met overheidssub-sidies, waarbij de onrendabele top door de overheid gecompenseerdwordt. Wanneer de Europese normen voor recyclaat in verpakkingenvoldoende sterk zijn kunnen nationale subsidies worden afgebouwd.Het kabinet is van mening dat de markt voor circulaire plastics versterktdient te worden op Europees niveau. In dat kader heeft Nederland zichtijdens de onderhandelingen van de Europese verpakkingenverordeningactief ingezet voor ambitieuze verplichte percentages recyclaat in nieuweverpakkingen. Ook heeft Nederland geprobeerd om deze verplichting voorbiogebaseerde plastics te laten gelden. Dit laatste heeft het helaas nietgehaald in de uiteindelijke wettekst. De Commissie beziet begin 2028 of zemet wetsvoorstellen komt.Het enkel subsidiëren van de onrendabele top voor recyclers is op basisvan de huidige staatssteunregels niet mogelijk. Het Ministerie van EZKverkent op dit moment of een gecombineerde «OPEX/CAPEX subsidie»kan worden vormgegeven.22In Nederland zijn producenten en importeurs (hierna producenten)verantwoordelijk voor het organiseren en financieren van afvalinzamelingen verwerking van hun producten via uitgebreide producentenverant-woordelijkheid (UPV). Het instrument UPV confronteert producenten methet afval dat ontstaat door hun producten en geeft een prikkel om minder21Motie Kostiç c.s. Kamerstukken II 2025/26, 21 501-08, nr. 101722https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/09/26/kamerbrief-circulair-plasticTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4078 afval te creëren. De UPV Verpakkingen bepaalt dat producenten enimporteurs verantwoordelijk zijn voor het behalen van doelen voor derecycling en hergebruik van verpakkingsmateriaal, de recycling vandrankenkartons en de inzameling van kunststof drankflessen en metalendrankblikjes. Dit betekent dat bedrijven die verpakte producten op demarkt brengen wettelijk verantwoordelijk zijn voor het inrichten, bekos-tigen en functioneren van (inzameling- en verwerking)systemen om dezedoelen te behalen. Verpact geeft hier namens het verpakkend bedrijfs-leven uitvoering aan. Producenten moeten dus keuzes maken in hoe zijhun product op de markt brengen en daarna goed verwerken om dedoelstellingen te halen. Verpact geeft hierbij een financiële stimulans(tariefdifferentiatie) voor beter recyclebare verpakkingen en voor plasticverpakkingen die gemaakt zijn van gerecycled materiaal.In Europa is sinds 12 februari 2025 de Verpakkingenverordening inwerkinggetreden. De bepalingen zijn vanaf 12 augustus 2026 van toepassing,tenzij anders vermeld. Deze verordening is er sterk op gericht demilieu-impact van verpakkingen te reduceren. Ze adresseert bijvoorbeeldhet feit dat sommige verpakkingen groter zijn dan nodig, waardoor we teveel lucht verpakken; dat sommige verpakkingen dikker zijn dan nodig,waardoor ze meer materiaal verbruiken; dat de primaire grondstof voorplastic nu nog te vaak van fossiele oorsprong is, et cetera.De Verpakkingenverordening adresseert deze problemen onder anderedoor eisen te stellen aan het design van verpakkingen, zodat verpakkingenbeter recyclebaar zijn en minder materiaal gebruikt wordt. Zo mogenverpakkingen minder lucht verpakken, geen dubbelwanden of bodemshebben, en wordt uniformiteit in materiaal aangemoedigd, om totzuiverder recyclingstromen te komen. Verder moeten in 2030 alleverpakkingen recyclebaar zijn. Ook moeten plastic verpakkingen eenverplicht percentage gerecycled plastic bevatten. Dit percentage looptdoor de jaren heen op23. Ten slotte moeten verpakkingen vaker herge-bruikt worden, waardoor de levensduur van een verpakking toeneemt enhet aantal verpakkingen afneemt. In de Verpakkingenverordening staanook verplichtingen voor einddistributeurs (retailers), bv. dat ze een deelvan de drinkverpakkingen in herbruikbare verpakkingen dienen aan tebieden, en herbruikbare alternatieven dienen aan te bieden bij takeawaymaaltijden.Tot slot is er onderzoek gedaan naar een verpakkingenbelasting metdifferentiatie naar de milieu-impact van de verpakking in het kader van dealternatieve voorstellen die de Werkgroep Afvalsector voor het beprij-zingspakket voor afvalverbrandingsinstallaties heeft gedaan. Ditonderzoek is onlangs gepubliceerd24 en het kabinet komt met een reactiehierop met Prinsjesdag.Aanbeveling 3: Maak financiering toegankelijker voor circulaire onder-nemers en zorg dat financiële instellingen circulaire kansen betermeewegen.Bevorder de toegang tot kapitaal voor circulaire ondernemers doorvia de toezichthouders (DNB en ECB) te sturen op het betermeewegen van de financiële risico’s van lineaire bedrijfsmodellen ende kansen van circulaire bedrijfsmodellen.23In 2030 moet een plastic verpakking, afhankelijk van het type, 10 tot 35 procent recyclaatbevatten, en in 2040 25 tot 65 procent.24https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/09/03/verzamelbrief-circulaire-economie-september-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 4079 Het kabinet onderschrijft dat circulaire ondernemers makkelijker toegangmoeten hebben tot financiering. Dit vraagt om een betere weging van derisico’s van lineaire (economische) activiteiten ten opzichte van circulaireactiviteiten. De overheid en banken werken samen om de transitie naareen circulaire economie te versnellen. Zij hebben dit voornemenuitgewerkt in een gezamenlijk statement, waarin acties zijn opgenomenvoor zowel de overheid als de financiële sector.25 Eén van de punten voorzowel de financiële sector als diens toezichthouder(s) is om te onder-zoeken of bestaande risicomodellen aangepast dienen te worden omfysieke of transitierisico’s van de grondstoffentransitie expliciet(er) mee tewegen c.q. projecten die hun grondstoffenrisico’s goed managendaarvoor te belonen.Daarnaast staat in het gezamenlijk statement dat de overheid verkentwelke belemmeringen in wet- en regelgeving de transitie in de weg staan,en dat zij deze tracht weg te nemen. Dit kan sectorspecifiek (denk aannormeringen in wet- en regelgeving voor de bebouwde omgeving), maarde verkenning richt zich ook tot welke knelpunten er voor de financiëlesector als zodanig zijn, bijvoorbeeld in toezicht, informatie-uitwisseling enkapitaaleisen voor financiële instellingen. Veel van deze knelpuntendienen Europees aangepakt te worden. Tijdens het Bestuurlijk OverlegFinanciering Circulaire Economie van 7 mei 2026, waar de afspraken uithet statement gemonitord worden, is afgesproken dat de overheid enfinanciële sector gezamenlijk optrekken richting Brussel, bijvoorbeeld invormgeving van de CE-Act en de gewenste kaders voor de financiëlesector.Aanbeveling 4: Maak circulaire producten betaalbaar voor iedereen encompenseer waar nodig via de inkomstenbelastingBeperk de ongewenste negatieve effecten van het circulaireeconomiebeleid voor minder draagkrachtige groepen in de samen-leving. Zorg per productgroep voor toegang tot duurzame alterna-tieven. Voer daarnaast waar nodig beleid via de inkomstenbelasting.De WKR vraagt terecht aandacht voor rechtvaardigheidsaspecten voor hetCE beleid. We zien nu dat circulaire producten vaak duurder zijn en eerderaangeschaft worden door mensen met een hoger inkomen. Tegelijkertijdconsumeert de welvarende burger ook meer, en legt daarmee een groterbeslag op de beschikbare grondstoffen. In het Klimaatplan26 heeft hetkabinet toegezegd rekening te houden met vier rechtvaardigheidsprin-cipes in de uitvoering van klimaatbeleid: beleid moet zo effectief mogelijkzijn, verantwoordelijkheid moet gedeeld worden tussen medeoverheden,bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties, ondersteuning enbijdrage moeten naar draagkracht worden bepaald, en de vervuilerbetaalt. Deze principes zijn belangrijk voor het draagvlak voor circulairbeleid in de samenleving.Als alle maatschappelijke kosten in de prijs verwerkt zijn, kan dat ervoorzorgen dat het circulaire alternatief beter kan concurreren en kanopschalen waardoor het goedkoper wordt. Ook kan het stimuleren vanhergebruik en reparatie (bijvoorbeeld met reparatievouchers) en inEuropees verband eisen dat producten langer meegaan en beterrepareerbaar zijn, juist zorgen voor verlaging van de kosten.25Joint statement by government and banks on cooperation towards a circular economy |Government.nl26Kamerstukken II, 2025/2025, 32 813 nr. 1501Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40710 Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagenvan de circulaire transitie.27 Heffingen en fiscale regelingen kunnen hetvoor producenten, consumenten en verwerkers lonender maken omeconomische keuzes te maken die de circulaire economie bevorderen.Circulaire ondernemers vragen daar ook om. Zij ondervinden niet altijdeen gelijk speelveld voor hun producten en diensten. In het huidigelineaire systeem worden milieukosten doorgaans niet in de productprijsmeegenomen, en duurzaam produceren wordt onvoldoende beloond.Fiscale maatregelen kunnen circulaire alternatieven economisch aantrek-kelijker maken. Daarmee kan de vraag verhoogd worden, waardoor hetrisico voor investeerders om financiering te verstrekken verkleind wordt.Een versnelling van de circulaire transitie vereist echter een samenhan-gende inzet van verschillende beleidsinstrumenten. Beprijzing ennormering kunnen leiden tot hogere kosten voor consumenten. Om debetaalbaarheid en handelingsperspectief voor (kwetsbare) huishoudens teborgen moeten fiscale maatregelen moeten worden ingebed in eenbreder beleidspakket. Ook is de inzet van fiscale maatregelen niet altijdhet meest doelmatig ten opzichte van andere instrumenten.Een van de opties waarmee (kwetsbare) huishoudens kunnen wordengecompenseerd voor beprijzende en normerende maatregelen is via deinkomstenbelasting. Een tax shift van arbeid naar vergroening is inbeginsel een aantrekkelijk principe, aangezien het de prikkel vergroot omhieraan te gaan werken en om vervuiling te verminderen. In de praktijkblijkt een dergelijke belastingverschuiving echter ingewikkeld. Eenbelangrijke reden hiervoor is dat in absolute euro’s de grondslag arbeidveel groter is dan de grondslag van bijvoorbeeld vervuilende consumptie.Een ander aandachtspunt is dat de belastingopbrengst erodeert indienmilieubelastingen succesvol zijn. Desondanks is het kabinet van meningdat een stapsgewijze tax shift mogelijk is, mits er voor elke mogelijkeheffing zorgvuldig wordt afgewogen of invoering of verhoging wenselijkis. Hierbij worden verschillende criteria gehanteerd, zoals de beprijzingvan externe kosten, effect op CO2-uitstoot (of andere schadelijke emissies)mogelijke productieverliezen, uitvoerbaarheid en juridische haalbaarheid.Aanbeveling 5: Versterk de regie op het circulaire economiebeleidVersterk de regie op het circulaire economiebeleid door:–structurele en grotere financiering voor het circulaire economie-beleid–departementale verantwoordelijkheid voor het behalen van dedoelen–een sterker mandaat voor de coördinerende bewindspersoon bijinterdepartementale besluitvorming–wettelijke verankering van de monitorings- enverantwoordingscyclusDe aanbevelingen van de WKR om de regie op de circulaire economie teversterken, inclusief de structurele financiering, is een boodschap die inlijn ligt met die van bedrijven en maatschappelijke partijen.28 Hetsturingsmodel zoals in het NPCE 25 opgenomen is blijvend in ontwik-27In de Kamerbrief «Overzicht fiscale prikkels voor de circulaire transitie» (Tweede Kamer,vergaderjaar 2025–2026, 32 140, nr. 278) is recent door de toenmalig Staatssecretaris Heijnen(Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) een overzicht gegeven hoe de fiscaliteit kan bijdragenaan een circulaire economie.28Brief NVCE-coalitie: https://nvce.nl/wp-content/uploads/2026/03/Brief-aan-de-ministers.pdf enook brief SER: https://www.ser.nl/nl/publicaties/grondstoffentransitie-circulaire-economieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40711 keling. Het advies van de WKR biedt hiervoor waardevolle aanknopings-punten. De notie dat een strategische blik op grondstoffen onontbeerlijk isvoor bijna alle maatschappelijke opgaven wordt breed gedeeld. Ditkabinet ziet het daarom als een kabinetsbrede opdracht om het NPCE teversterken.29 Vanuit mijn verantwoordelijkheid als coördinerend bewinds-persoon spreek ik met de andere bewindspersonen over hun beleid inrelatie tot CE, waarbij ook voorligt wat circulariteit kan bijdragen aan hunopgaven, zoals op het gebied van klimaat en energie. Omdat elkeverantwoordelijke bewindspersoon moet afwegen waar de kansen liggen,mede in het licht van de eigen sectorale opgaven en vanwege desamenhang tussen opgaven, zoals milieu en plastic of biogrondstoffen ende bouw, is de betrokkenheid van meerdere bewindspersonen onmisbaarom voortgang te maken in de circulaire economie.Het kabinet sluit zich aan bij het advies om de monitorings- en verant-woordingscyclus wettelijk te verankeren, en zal de actualisatiecyclus vanhet NPCE en de monitoring van de transitie door PBL opnemen in deKaderwet CE die op dit moment in internetconsultatie is. De WKR merktterecht op dat de circulaire transitie niet de wettelijke verankering heeftzoals het bij klimaatbeleid. Dat komt deels omdat de circulaire doelstel-lingen meervoudig zijn en niet op een vergelijkbare manier alsCO2-reductie vast te leggen zijn. De verschillende ketentafels op product-groepniveau30 die vanuit het NPCE 25 worden ingericht om in samen-spraak met de ketenpartijen tot maatregelen en projecten te komen om deketen te sluiten, hebben in zichzelf geen bindende opdracht, maarvertrekken wel vanuit het gezamenlijke belang van bedrijven, maatschap-pelijke organisaties, overheden en andere stakeholders. Voor hen allengeldt dat een circulaire keten de enige manier is om op de lange termijnwaarde te blijven creëren. De verschillende instrumenten die sturen opeen circulaire keten, zoals de UPV, de PPWR of ESPR-eisen, zijn welbindend. De ketentafels hebben onder andere de rol om goede implemen-tatie daarvan te borgen, en te kijken wat er aanvullend mogelijk is quaafspraken of maatregelen. Een evenwichtige vertegenwoordiging aan tafelis daarom ook een voorwaarde. Naast de interdepartementale samenhangziet het kabinet ook de rol en bijdrage van medeoverheden als essentieel.De WKR stelt terecht vast dat structurele en incidentele middelen voor dejaren 2025–2030 fors teruglopen en dat er geen vergelijkbare publiekefinancieringsstructuren zijn als voor de klimaattransitie. Het zwaartepuntligt bij (Europees) normerend beleid. Gelet op de beperkt beschikbaremiddelen voor het stimuleren van de circulaire economie, is er weinigruimte om (coalities van) bedrijven, maatschappelijke organisaties ofmedeoverheden te ondersteunen in de opgave. Wel wordt onderzocht ofbestaande regelingen beter toegespitst kunnen worden op de circulairedoelen.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der Meer29Dit is in het Coalitieakkoord opgenomen.30Zoals Elektrische en Elektronische Apparaten, Meubels, Textiel en VerpakkingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 852, nr. 40712

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · c8074e0ff24ef47d

14 okt 2026 · ca794716756c6517

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.