KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op rapporten accreditatiestelsel hoger onderwijs, protocol onderwijsvernieuwingen en aanpak kwaliteitszorgstelsel

3 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 074ed7952b37bf3d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1209 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juli 2025Met deze brief informeer ik uw Kamer over mijn plannen voor hetkwaliteitszorgstelsel in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het weten-schappelijk onderwijs (wo). In deze brief licht ik mijn besluit toe om geenverplichte instellingsaccreditatie in te voeren. Verder ga ik in op detoezegging1 over de wenselijkheid van een protocol voor onderwijsver-nieuwing en de motie-Westerveld2 over de betrokkenheid van medezeg-genschap bij onderwijsvernieuwingen. Tot slot reageer ik op de bevin-dingen uit het periodieke onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs(hierna: inspectie) naar het accreditatiestelsel in het hoger onderwijs.3Parallel aan deze brief stuur ik de beantwoording van het verslag van hetschriftelijk overleg over de evaluatie van het experiment instellingsaccre-ditatie met een lichtere opleidingsaccreditatie (hierna: experiment ILO).1. Het kwaliteitszorgstelsel in het hbo en wo In een maatschappij die doorlopend in beweging is, is het belangrijk dathet onderwijs inspeelt op veranderingen op de arbeidsmarkt, in demaatschappij en in de wetenschap. Dit vraagt om een sterke kwaliteits-cultuur binnen universiteiten en hogescholen. Hierin zijn docent, student,(instellings)bestuurder en het interne toezicht betrokken bij de borging en(doorlopende) verbetering van onderwijskwaliteit. Extern toezicht moedigtdaarbij aan tot verbetering en vormt een waarborg bij tekortkomingen inde kwaliteit. Het kwaliteitszorgstelsel zorgt voor vertrouwen in de kwaliteitvan het onderwijs. Het is een grote verworvenheid dat alle geaccredi-teerde hbo- en wo-opleidingen voldoen aan de basiskwaliteit en dat deonderwijskwaliteit goed en stabiel is. Ik zie dat als het resultaat van een1TZ202310-0672Kamerstuk 31 288, nr. 10843TZ202310-068 kst-31288-1209ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12091 goed samenspel op verschillende niveaus binnen de instellingen en hetexterne toezicht op de kwaliteit.Werking van het externe toezicht op kwaliteit in hbo en woDe basis van het huidige stelsel is dat de kwaliteit van opleidingenvooraf en daarna iedere zes jaar door een panel van deskundigen(peers) beoordeeld wordt.4 De Nederlands-Vlaamse Accreditatie-organisatie (NVAO) neemt op basis van een advies van het panel eenaccreditatiebesluit.Instellingen kunnen hun beleid op het gebied van kwaliteitszorg ooklaten toetsen met de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). Eenpositieve uitkomst leidt dan tot visitatie van opleidingen volgens eenbeperkter accreditatiekader.De inspectie ziet toe op het functioneren van het accreditatiestelsel.Ze concludeerde na onderzoek in 20235 en in 20246 dat het accredita-tiestelsel in de basis voldoet.Ontwikkeling van het stelsel: meer eigenaarschap, minder ervaren lastenHoewel het kwaliteitszorgstelsel goed functioneert, constateer ik op basisvan het experiment ILO en het periodieke onderzoek van de inspectie ookdat het nog beter kan. Er gaat veel tijd verloren aan verplichte activiteiten,die onvoldoende bijdragen aan de onderwijskwaliteit. Een verdereontwikkeling van het stelsel is nodig om te zorgen dat alle tijd en inzet diegestoken wordt in de kwaliteitsborging naar de toekomst toe effectief blijften zorgt voor meer verantwoordelijkheid en gevoel van eigenaarschap. Ikwil met gerichte aanpassingen van het kwaliteitszorgstelsel maximalewinst bereiken. Voor de aanpassing van het kwaliteitszorgstelsel heb ik dekomende periode de volgende twee pijlers:A. Doorontwikkeling Instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) De ITK is een periodieke, externe en onafhankelijke beoordeling van deinterne kwaliteitszorg van een instelling. Het panel dat de ITK uitvoert steltvast of het interne kwaliteitszorgsysteem verzekert dat de visie van deinstelling op goed onderwijs wordt gerealiseerd. Daaruit blijkt hoe deinstelling werkt aan borging, ontwikkeling en verbetering. In de huidigevorm is differentiatie mogelijk tussen de instellingen die een ITKsuccesvol hebben doorlopen en waarvan de opleidingen vervolgensgevisiteerd worden met een beperkter beoordelingskader, en instellingendie dat niet hebben. Helaas vermindert dat de administratieve lastenonvoldoende, omdat er maar weinig te controleren aspecten afvallen enhet accreditatieproces erg intensief blijft. Ook is er te weinig maatwerk enkomen de echte sterke punten en verbetermogelijkheden onvoldoendenaar voren.De komende jaren werk ik met de NVAO, inspectie, hogescholen enuniversiteiten toe naar een vierde ronde van de instellingstoets. Ik wildaarbij verkennen hoe de ITK beter kan worden gebruikt en hoe instel-lingen meer ruimte kunnen krijgen bij de beoordeling van opleidingen, alsze de ITK positief hebben afgerond. Daarbij wil ik de resultaten meenemenvan het afgeronde experiment voor de instellingsaccreditatie met eenlichtere opleidingsbeoordeling. Daaruit bleek bijvoorbeeld dat dedeelnemende opleidingen vonden dat de opleidingsbeoordeling beter4Naast de opleidingsbeoordeling bestaat de vrijwillige instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). Bijeen positieve beoordeling van de ITK worden opleidingen volgens een minder uitgebreid kadergevisiteerd. De opleidingsbeoordeling vervalt echter niet.5Kamerstuk 31 288, nr. 10696Kamerstuk 31 288, nr. 1110Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12092 aansloot bij wat docenten, studenten en werkveld belangrijk vinden. Debeoordeling van opleidingen werd zo ook op ontwikkeling gericht en nietalleen op verantwoording. Vertrekpunt bij de verkenning is dat opleidings-accreditaties door de NVAO blijven bestaan. Ook vind ik het van belangdat het toezicht effectief en proportioneel is, om adequaat te kunnenreageren op signalen van beperkte onderwijskwaliteit.B. Effectief en proportioneel toezicht Het toezicht op de kwaliteit van het hoger onderwijs is belegd bij tweeexterne toezichthouders. De NVAO beoordeelt de kwaliteit van hetonderwijs en de inspectie beoordeelt de naleving van wet- en regelgevingen het accreditatiestelsel. Beide organisaties werken nauw samen endelen signalen over onderwijskwaliteit en de naleving van wet- enregelgeving.De inrichting van het stelsel met twee toezichthouders zorgt echter ookvoor overlap, terwijl er op andere punten juist lacunes zijn. De inspectieidentificeert in haar onderzoek naar het accreditatiestelsel in het hogeronderwijs een risico tussen accreditatiemomenten in, waarbij er geenextern toezicht is op de kwaliteit van opleidingen. De NVAO kan bijvermoedens dat een opleiding niet langer accreditatiewaardig is, op mijnverzoek, wel aanvullend onderzoek doen en mij adviseren over hetintrekken van de accreditatie. Dit is een zwaar middel dat weinig wordtingezet. Ook kunnen de NVAO, de inspectie (in geval van wet- enregelgeving) of het ministerie bij dergelijke signalen gesprekken voerenmet de instelling. De NVAO en de inspectie hebben echter geen formelebevoegdheden om de kwaliteit tussentijds te beoordelen. Ze kunnen eeninstellingsbestuur ook niet dwingen in te grijpen bij signalen over deonderwijskwaliteit.Daarom wil ik het externe toezicht verbeteren door de NVAO en deinspectie duidelijke handvatten te geven bij tussentijdse signalen over deonderwijskwaliteit. Ik ben al in gesprek met de inspectie en de NVAO overwat er nodig is aan verduidelijking en verbetering in het toezichtsinstru-mentarium.InstellingsaccreditatieMet bovenstaande aanpak wijk ik af van de aanpak die de afgelopen jarenuitgebreid is verkend7: de invoering van een verplichte instellingsaccredi-tatie. Hoewel ik de achterliggende doelen van meer eigenaarschap enlastenverlichting volledig onderschrijf, zie ik geen overtuigende noodzaakvoor een ingrijpende stelselwijziging richting verplichte instellingsaccredi-tatie. De grote stelselwijziging die ervoor nodig is, is zeer complex envergt grote inspanningen van zowel de veldpartijen als mijn ministerie.Vanwege de maatschappelijke opgaven bij het veld en een taakstelling ophet ambtenarenapparaat, acht ik deze inspanningen niet opportuun. Dekans is bovendien reëel dat de doelen van meer eigenaarschap en minderervaren lasten ondersneeuwen: door wensen voor het inbouwen vannieuwe controles, aanvullende interventie-instrumenten en complexiteitvan de uitwerking.7Kamerstuk 31 288 nr. 994Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12093 2. Toezegging protocol onderwijsvernieuwing en motie-Wes-terveld Bij signalen over tekortkomingen in de onderwijskwaliteit zijn, naastextern toezicht, interne waarborgen voor de onderwijskwaliteit belangrijk.Bijvoorbeeld wanneer er vernieuwing van het onderwijs plaatsvindt. Deinterne waarborgen kwamen ook aan de orde in het debat Kwaliteit vanhet onderwijs in oktober 2023. Daarin is toegezegd om met de VerenigingHogescholen (VH) en docenten in gesprek te gaan over een protocol vooronderwijsvernieuwing, interne kwaliteitszorg en betrokkenheid vanbelanghebbenden. Aanvullend vraagt de motie-Westerveld om besturente verplichten om bij onderwijsvernieuwingen te laten zien hoe demedezeggenschap vanaf het begin is betrokken en om dat punt op tenemen in het accreditatiekader.8 Met onderstaande acties beschouw ik detoezegging en motie als afgedaan.Over de toegevoegde waarde van een protocol bij onderwijsvernieu-wingen is gesproken met de inspectie, de NVAO, de VH, Universiteitenvan Nederland (UNL), Interstedelijk Studenten Overleg (ISO), LandelijkeStudentenvakbond (LSVb), studenten, docenten, onderwijskundigen en(kwaliteitszorg)medewerkers uit het hbo en wo. Uit de gesprekken isgebleken dat de kaders voor kwaliteitszorg en medezeggenschap voorvoldoende balans zorgen tussen borging van de onderwijskwaliteitenerzijds en ruimte voor onderwijsvernieuwingen anderzijds.De betrokkenheid van de medezeggenschap bij de kwaliteitszorg bijonderwijsvernieuwing is wettelijk geregeld bij de zesjaarlijkse accredi-taties en via instemmingsrecht op de Onderwijs- en Examenregeling(OER). Daarmee is betrokkenheid bij de feitelijke vormgeving van hetonderwijs waarin de onderwijsvernieuwing uiteindelijk landt geborgd.Daarnaast zijn er de reguliere kwaliteitscycli en tussentijdse evaluatiemo-menten bij opleidingen, waarbij medezeggenschap is betrokken.Bovendien staat in de uitvoeringsregels van het accreditatiekader van deNVAO dat de betrokkenheid van studenten, onder andere via de medezeg-genschap, een belangrijk onderdeel is van de kwaliteitszorg van instel-lingen en opleidingen. Het visitatiepanel, waar een student van eenaanpalende opleiding in zit, bepaalt met de opleiding hoe dit element inhet gespreksprogramma van een beoordeling aan bod komt.Met de al bestaande kaders en wettelijke bepalingen heeft een nieuwprotocol volgens de diverse gesprekspartners minimale meerwaarde enzou het vooral voor meer administratieve lasten zorgen. Daarom zie ik zelfook geen toegevoegde waarde in een protocol. Wel juich ik het zeer toedat instellingen kennis delen over onderwijsvernieuwingen en hoebelanghebbenden goed kunnen worden betrokken. Daarom heb ik eenbijeenkomst hier over in januari ondersteund.3. Inspectieonderzoeken naar het accreditatiestelsel De inspectie constateert in haar onderzoek naar het functioneren van hetaccreditatiestelsel bij hogescholen en universiteiten9 dat het stelsel opvrijwel alle punten stevig en solide is, maar ziet verbeterkansen voor hetexterne toezicht. Ze doet daarvoor een aantal aanbevelingen, waarop ikhieronder reageer.8Kamerstuk 31 288, nr. 10849Kamerstuk 31 288, nr. 1110Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12094 Opvolging signalen onderwijskwaliteitDe NVAO en de inspectie hebben volgens de inspectie weinig mogelijk-heden om op te treden bij signalen over kwaliteitsgebreken tussen twee(her)accreditaties in. In paragraaf 1.B kon u al mijn reactie op dit advieslezen.Onafhankelijkheid van panelledenDe inspectie is positief over de bijdrage van de NVAO aan een onafhanke-lijke accreditatieprocedure. De inspectie ziet de financiering van visitatiesals een aandachtspunt. Aangezien instellingen zelf de kosten van visitatiesdragen, kan dit volgens de inspectie de onafhankelijkheid van debeoordeling schaden.De NVAO heeft de eisen voor de selectie en onafhankelijkheid vanpanelleden in 2024 verduidelijkt en aangescherpt in het herziene accredi-tatiekader. Daarmee heb ik vertrouwen dat de onafhankelijkheid van depanelleden wordt geborgd. Tot slot benadrukt de NVAO het belang vanonafhankelijkheid in de uitvoering voortdurend in gesprekken metinstellingen en evaluatiebureaus.Aandacht voor opleidingsvariantenDaarnaast stelt de inspectie dat panels niet altijd goed omgaan met deverscheidenheid in afstudeerrichtingen, varianten als voltijd, deeltijd enduaal, en locaties. Juist nu opleidingen zich breed organiseren moetenaccreditaties volledig zijn en alle varianten dekken. In de Uitvoeringsregelsaccreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland van de NVAO10 staatdaarom dat panels hun oordeel moeten baseren op een compleet beeldvan de opleiding, inclusief alle locaties, varianten en trajecten. Ik ga metde NVAO in gesprek over het verduidelijken en verbeteren van dewerkwijze van panels kunnen.Aandacht voor bepaalde maatschappelijke onderwerpenBovendien ziet de inspectie een discrepantie tussen de aandacht voorbepaalde onderwerpen tijdens visitaties en wat de maatschappij onderonderwijskwaliteit verstaat. Zij stelt daarom voor om expliciet te rappor-teren over thema’s die maatschappelijk sterk leven. Als voorbeeldennoemt de inspectie onderwerpen als stages, sociale veiligheid enstudiebegeleiding. Dit kan volgens de inspectie zorgen voor meermaatschappelijk draagvlak voor het accreditatiestelsel.Ik ben van mening dat niet ieder onderwerp via het accreditatiekadergeborgd dient te worden. Niet ieder onderwerp is geschikt om onderdeelte maken van de kwaliteitsbeoordeling van opleidingen. Er zijn ook anderekeuzes mogelijk, zoals het verankeren van een zorgplicht voor instellingenop het gebied van sociale veiligheid in wetgeving waar ik momenteel aanwerk. De wens om het begrip «kwaliteit» verder te verbreden kan hetbeoordelingsproces ingewikkelder maken. Tijdens visitaties van oplei-dingen en instellingen kunnen veel onderwerpen aan bod komen zonderdat deze formeel onderdeel uitmaken van de opleidingsbeoordeling. Depanels kunnen en mogen het bespreekbaar maken in de visitatie, eroverrapporteren in het accreditatierapport en hierover meldingen maken bijhet bestuur van de instelling en de inspectie.10NVAO, Uitvoeringsregels accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland, september 2024.[https://www.nvao.net/nl/nieuws/2024/8/actualisering-uitvoeringsregels-accreditatiestelsel-hoger-onderwijs-nederland]Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12095 De NVAO is al wel gestart met thematische analyses kwaliteitszorg, dieeen goede manier zijn om maatschappelijke thema’s uit te diepen. Deuitkomsten worden gedeeld met de instellingen, met het doel dat zijermee aan de slag gaan en hier intern en onderling het gesprek overvoeren. De keuze van de thema’s sluit aan bij ontwikkelingen en vraag-stukken die uit gesprekken met het veld en andere bronnen naar vorenkomen. Voorbeelden zijn: het gebruik van richtlijnen en gidsen voor hetborgen van de kwaliteit bij werkplekleren, succesfactoren bij het erkennenvan nieuwe opleidingen en onderzoekscriteria bij onderzoeksmasters.Ik zie dit als een goede manier om maatschappelijke thema’s uit te diepen,met beperkte lastenverzwaring voor instellingen. De NVAO maakt hiervoornamelijk gebruik van de bestaande accreditatierapporten.Tot slotHet onderwijs aan onze universiteiten en hogescholen staat of valt met depassie en inzet van docenten en studenten. Zij dragen dagelijks bij aan dehoge kwaliteit van ons hoger onderwijs. Het stimuleren en garanderenvan die kwaliteit is dan ook niet alleen een technische aangelegenheid,maar een gezamenlijke inspanning die we moeten koesteren en bevor-deren. De komende periode ga ik met de NVAO, de inspectie, instellingen,docenten, medewerkers en studenten mijn aanpak verder uitwerken enuitvoeren. Ik ben van plan om uw Kamer medio 2026 te informeren overde voortgang.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. BruinsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 12096

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 863ea29191271ad5

14 okt 2026 · 76a3ed51af933880

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.